The Project Gutenberg EBook of Van 't viooltje dat weten wilde by Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Van 't viooltje dat weten wilde Author: Maria Catherina Metz-Koning (1864-1926) Release Date: November 29, 2003 [EBook #10334] Language: Dutch Character set encoding: ISO Latin-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE *** Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team. Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team. VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE DOOR MARIE METZ-KONING INHOUD. Van 't Viooltje dat weten wilde De Tulp en de Madeliefjes Elze De Watermolen. Wat het Beekje vertelde VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch. Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige, eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is. Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer, glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw. Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje. Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over het zandpad elkander raakten. Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle op gelijken afstand van elkaar. Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen, van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het pijn wou doen. Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel, en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht! Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen, toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind wat sterker werd. De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!... het fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen, weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer, zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend! Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen, toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar, zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren: de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde, toen ze niet durfde luisteren: de melodieën die de dennen zongen in den nacht, en de melodieën die ze zongen in 't licht, telkens andere, en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen, dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar, dik-zwart, één waren met den nacht. Dit alles boeide haar. Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen, ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap zonder droomen. Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen, nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was, scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen kant kon ze maar even zien. Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop, met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van omhoog zitten, en wijs neerzien. Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje: --Hè, wat is dat? --Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap stoor! 't Was bij ongeluk! --Maar wie ben je? --Ik heet kikker! --Wat doe je hier? --Wel, springen, natuurlijk! --Waarom? --Waarom! waarom! omdat ik het doe! --Moet je het dan doen? --Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op dezelfde plaats blijven! --Waarom niet? 't Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan. --Hoor eens, zei deze, als je nu nog één keer "waarom" vraagt, ga ik heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen "waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me altijd erg uit mijn humeur brengt. --Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan? --Op 't oogenblik van den straatweg. --Wat is dat? --Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al. De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde. --Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje. --Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien! --Wat zijn menschen? --Dieren, net als ik, maar veel, véél grooter. Zie je, jij bent een plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan. --Waarom doen ze zoo? --Wat heb ik je gezegd? --O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje nederig. --Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel; dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen; ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood? --Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje. Ze voelde zich héél wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet! --Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuïtie hun vóórzegt, raadde ze goed. --Den wind meen je! --Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets heel ergs. Misschien is dat de duivel wel! --Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond; dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die raden elkaar óók altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg, hoe oud ben je? --Wat bedoel je daarmee? --Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan? --Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en daarna is 't nog eens weg geweest. --Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft, en of de aarde van binnen kermt! --Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me! --Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken, bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder me over niets meer! --Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje. Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben. --Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten, dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen, net zoo min als "waarom" vragen. Eén ding is zeker: als ze je eenmaal meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag toch héél wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je staan kijken, of er héél wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik alleen van hooren zeggen. Vader zag zóó iets nooit! --Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten; beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van, als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was 't gezellig, iemand zoo bij zich! --Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen. --Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er is zooveel, zie je! --Wat is dat! riep opeens het viooltje. Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was. --Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms 's nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen. --Slapen die dan nooit? --Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze "duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls: 't Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil, en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen; en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk. En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zèlf eerst maken. Niets doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn: zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen doen ze niets! Niet eens, hoe je je ècht lekker voelt. Ik houd het er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch niet énkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al weer zijn, om maar veel te doen hebben.-- --Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte. --Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze: Man; die witte: Vrouw. Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt! Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even straalden en verdwenen. Zoo zag het viooltje. Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten, boven het hoofd van de Vrouw. Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte. De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op. De Man zag haar aan, en zei: "Ja." Toen weer stilte. Langzaam, héél langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten vast hield; en ze spraken niet. --Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen mooi vond. --Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen ze. Stom! eenvoudig stom! Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al maar zwijgend. Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen. --Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn! Nu was de Man het dichtst bij het viooltje. Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen: "Ik heb je nog zooveel te zeggen!".... De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien, want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei: "Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo.".... Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan strak liggen op den grond. --Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar ben ik zeker van! --Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd. --Vindt je dat dan zoo prettig? --Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik houd zoo van licht! --Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en van 't alléén zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan? --Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze weêr kwam! --Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht! --Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien hebben! --Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken, en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten. --Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht 't viooltje. De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes tegen hem op. --Het licht van háár stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van háár hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer. De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar. --Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje. --Naar niets! --Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem! --Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en dááraan denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is, omdat ze veel te doen hebben. --Hij zag het licht van haar stem! --Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan doen. Allemaal gekheid... stòmheid... Natuurlijk doen ze weer zoo, omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen: ik wil niets te doen hebben! --Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem! --Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven, en alles vertellen wat ze te zeggen hadden! --Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't mijne wezen! --Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze een papier hebben waarop staat dat ze het mòèten doen. Dàn doen ze 't, al zouden ze véél liever niet bij elkaar blijven. --Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen: je moet héél graag blijven of heengaan! Ik zou 't wàt naar vinden, als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik mòet bij je blijven. --Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort. --Dan vind ik den duivel zoo erg niet! --Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dòm!! --Hoe kwam je vader bij de menschen? --Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot, dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land, naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen de zon buiten zóó lekker scheen, dat vader boven op het laddertje geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zóó te verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak, en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen. De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt, en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo mooi van zijn avonturen vertellen toen! Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet? --Blijf je hier? zei verheugd het viooltje. --Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen. --O, héél veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je bent zoo knàp... Je wéét zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden, als ik wakker werd, en je was er dan nog. --Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren. --Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem! --Ik droom nooit. --Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen: "Wat is het mooi hier!" --Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij! --Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij, om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn. --Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in zijn kop. Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap. Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het geluk, niet meer alleen te zijn. En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen. En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame, hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt het lichtende geluk in zich, overal. Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond, en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar zijn mooie, zachte, gemarmerde borst. Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje: --Ben je wakker? --Al lang! zei de kikker bedaard. --Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen! --Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen. --Wat is dat? --Waar ik zal gaan eten! --Wat is eten? --Dat moet je doen om te blijven leven. --Ik doe het toch nooit!... --Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde, met je wortels die er in vastzitten! Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was dat wonderlijk! Waarom zocht je bóven de aarde, als je van de aarde leefde? Waarom? --Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van haar overdenken. --Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding bewarende. --O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan 't geen ik niet begrijp. --Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden! --Je komt toch weer terug? --Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur. --Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan iets denk? --Praat er dan niet over. --Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar eten en kom gauw terug. De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van 't stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door, tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen. Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens. Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen, dat over haar heen hing als een dikke sluier. Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse, onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen. --Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop. Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar die lieve stem-muziek. --Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij meenam, opdat ik haar àltijd zou kunnen hooren! Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die zorgde dat ze leven kon. Wat dàn?... Door een kleine opening in de dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht, en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende. Maar het licht kuste haar, en zweeg. Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door, de stem van de Vrouw hoorde. --Háár stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren. Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem hoorde; en teleurgesteld riep ze uit: --Het licht is uit haar stem! Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man, maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte. --Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje. De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden, riep zoo hard ze kon: --Vrouw!... Vrouw!... Vrouw! De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren, liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog, denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras, en keek naar den grond. De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en luisterde.... --Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje. Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet, hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze wijd, wijd open omhoog zagen.... En ze zag een licht komen in haar oogen, en nòg een licht en nòg een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag, kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende er in, en ging naar de Gedaante, zeggende: --Aardig, dat ruischen van die dennen! --'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet sentimenteel zijn! Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen. --Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken. Juist kwam hij aanspringen. --'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer. --De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje. --Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man. --Zoo, was dat óók een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem. --Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze nú wel. --Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar oogen, toen ik haar riep. --Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat is héél zeldzaam! En kwam ze bij je? --Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen, en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan, of bij me houden. --Dat waren tránen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tránen! Die kàn je niet weervinden! --Tranen! Wat zijn dat? --Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels die neervallen. --Wat zijn dat? --Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes. --Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde 't viooltje. --Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen? --Neen, wat is dat? --'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch wel lichtjes? --Ja! --Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er niets over van hun licht. Dat is dan óók weg! --Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet dat zoo zijn? --Begin je al weer met den duivel aan te roepen? --Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet! --Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet. --Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen? --Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Láten ze het dan niet doen! Ik vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet met dingen die je niet aangaan! --Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed? --Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik! --Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi hier"; vindt dié dat dan goed? --Die heeft natuurlijk óók veel te doen! Daar komt bij de menschen alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding, nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden. --Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde het viooltje weer. --Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! Hè, wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen! En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen. De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad, en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij. --Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon. De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen. --Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie eens! Zie eens! Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel donker. Hij zag recht voor zich uit en ging. --Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hóór toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie, mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezién!... Ik heb het gezién!... De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn pas, en verdween. --Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel gauw dood. Hij dacht óók weer dat de dennen riepen; dat was je geluk, anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen! --Ik wóú het!... Ik wóú dat hij me mee genomen had; dan zou ik misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hèn, als ik dan maar éérst weet, wat zij weten! --Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim, heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet! --Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och, wien zóú ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch nóóit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet! --Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er van, dan doen ze dat tòch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond, vouwen hun vóórpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden" zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't màg volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort; en vader wèrd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders doen; want antwoord krijgen ze tòch nooit. Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens màg. --O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vrééselijk treurig!... snikte 't viooltje. --Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet. --Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil óók bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door "waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden. --Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist voorbij vloog. --Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig, innig treurig. --Je bent sentimenteel! Dát is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar het beste, als ik je alleen liet. De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad, waar het weiland was. Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond, zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante.... Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze mòèst denken, en treurig zijn, als ze treurig mòèst zijn.... --Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is, als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben, en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik alleen: dat ik nóóit iets weten zal! nóóit iets begrijpen kan! --Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan, op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet! --Dat ìs 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw, en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel, net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is, en dat ik weten wil, waaròm dat zoo is.... --Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom; alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat óók altijd tegen elkaar. --Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...! --Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft, geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de storm komt en ik ben er niet meer? --Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zóó erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren om antwoord. --Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt tòch nooit!... Nu, ik ga dan maar! Goeden dag! De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van 't praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen, moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen. Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel succes had. --Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood ben misschien. Ik kan tòch niet leeren, om net als de menschen, te praten over wat ik nièt denk, en te zwijgen over wat ik wèl denk!... Vaarwel!-- En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist, dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer alleen te zijn. Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer gedaan hebben om hèm, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud om aan te raken! --Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele, geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje ziende. 't Viooltje wàs sentimenteel; en dat wàs vervelend. Hij kroop langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland, waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van de menschen, waar hij zooveel van wist. "Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben, 't Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende. ......... Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen, en vroeg "waarom?" En haar stemmetje ging wèg in het ruischen van de altijd-groene, statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur. Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?" En haar licht stemmetje stéég in het zwijgende licht, dat het wègdroeg ... zonder antwoord te geven. Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?" En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg. Zoo gingen lange, lànge uren voorbij. Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten. Ze werd heel stil. Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer. Ze kwam zacht, alléén, over 't mulle pad. Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen. --Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde. De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief de gevouwen handen op. Toen gebeurde het. Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar hoofd lei ze op haar gevouwen handen. En haar stem, nu héél donker, kwam in het donker héél zacht tot het viooltje: --Waarom?... O mijn Gòd! waarom?... snikte ze. --Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na: --Waarom?... O mijn Gòd! waarom? En wachtte......... En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken......... En ze wachtte......... Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het uitstraalde. En wijd ... wijd ... héél wijd...! zwijgend en rustig, als een gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen, vèr boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister leed, op de zwarte zwijgende aarde. En het wétende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende Vrouw, en op 't viooltje, en zwéég ... als alles. Toen zag het viooltje dat het wáár was, dat er geen antwoord is.... Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde háár van het voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden nu, zonder licht er in. --Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, àltijd! De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging. --Dat was het éénige Licht ... zei ze.... En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo. Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het zag... En héél stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode bloempje ... om het te zièn.... Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ... En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde, en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen ... wist niemand waarheen die te zamen gingen. --Naar het Licht ... dacht de Vrouw. Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen, en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar ze vallen. Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde doet geboren worden. Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle schoonheidzoekende zielen eenmaal, om dáár te sterven. Want het leven, zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid, alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers, die niet loslaten. Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag. .................. En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest. Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze wel wilden doen. En hij làchte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzèlf. En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen. En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als remedie tegen nadenken, dat onrust brengt: "Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er uit de verte mee." Zijn vader had altijd gezegd: In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die drie samen zijn de "duivel". Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte dus de verwarde theorieën van zijn vader na, die ze van de menschen nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken, dat onrust brengt. Toch was het nog niet zoo héél dom. De theorie was wel wijs; maar ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die héél deftige dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten. Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar "iets héél ergs" van. En het niet-zoeken noemden ze "God". Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin. Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch wéét ... en die hem soms zwijgend kust.... Altijd zwijgend ... àltijd zwijgend. DE TULP EN DE MADELIEFJES. Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje. Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied; en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd, héél wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik, opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes, al hun gedachten, vriendelijke en booze. De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes, stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een héél groote Zon denkt over't doen van héél kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach. Die kleine madeliefjes!... ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken, puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij, de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend, omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest schijnen... Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.--Een paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende, dan één van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar het wonderlijke ding. Zóó verdiept waren ze in de beschouwing er van, dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd, en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd. Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar héél eventjes te kijken. 's Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet, en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:--Jammer! zoo'n jong madeliefje nog, èrg treurig, vooral voor de familie!--over 't vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan een rood puntje vertoonde. --Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar zóó iets nog nooit! --Als dàt een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte de ander. Ik ben erg benieuwd wat dáárvan worden zal. --Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen, 't Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van, denkelijk. En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap des rechtvaardigen. De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur, ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was, wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt, om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt, door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar; en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem, die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet; en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes. Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte bij 't wakker worden. Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel, waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen, gevouwen om te bidden. Het was nu zóó groot geworden, dat al de madeliefjes het haast konden zien. Dat gaf me een gebabbel! De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn vóór zich geschoven, waaronder de aarde geduldig wachtte. De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot zich trok, en dat dùrfde!... dùrfde!... anders dùrfde te zijn dan zij. --Heb je ooit zóó iets gezien? klonk het vol ergernis. --Neen maar, hoe vin je 't? In 't róód! --Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in 't oog loopen. --En die rechte houding! --En die aanstellerige blaadjes! --Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen. Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op- en aanmerkingen. De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het gefluister om haar heen!... Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Háár. Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel mòèst zijn. Ze kende zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan: hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes hard en slecht; en begreep dàn ook weer niet: waarom die zoo lief en vriendelijk onder elkaar konden zijn. Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te nemen, en niet verwaand te schijnen. Ze was toen héél eenzaam. De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij, en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen. De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen dànkten!... dànkten!... Zóó, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten van hun avondgroet. Zóó viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan witte bloemen, levende in een donkere weide, héél hoog, en haar lief toelachende alsof ze hun zuster was. Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer wat vréémds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard, en dacht aan de sterren. Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zékerheid; en toen kwam het aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht ... over àlles heen! Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende gehéél, en het kussende met groote liefde.... Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans voor gloed weerom. Zóó bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even uitspreidende, opdat ze toch óók voelen zouden, héél voelen zouden: het Licht! de Zon! Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mòcht: of ze zóó meer plaats innam dan anderen! Ze mòèst het doen! Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende, zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze allen te zamen het Licht zochten, en door één Zon gekust werden. 's Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer 't babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden; maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van balsemende Zonvreugde. De madeliefjes fluisterden: --Heb je 't gezien? --Ja; ze doet óók haar bladen open voor de Zon! --Wat doet die roode kleur zéér aan je oogen! --Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien, dat ze ons gouden hart mist! --Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien! --Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen! --Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen! --Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes. --Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan 't uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je maar niet daaraan. Hóóg op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, héél stil, in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen, een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren. De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen, en de tulp droeg het hóóg, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles weet, wist het. Maar hoe gróót haar leed voor de kleine tulp was, kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen.... En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht, en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd stond de eenzame bloem daar. Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar. Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch eigenlijk geen kwaad deed! Dat waren de liefsten... Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering. Dat waren de besten.... Dan waren er ook, die haar verdedigden, zóó dat zij 't niet hooren kon. Dat waren de moedigsten.... En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden. De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch met de zekerheid van niet begrepen te kùnnen worden. De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch wantrouwend. --Ze meent niets van al haar liefheid! --Deed ze maar wat gewoner, net als wij! --Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons méé-deed! De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken; en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel dik, was haar stengel bros en teer. --Laat me maar!... antwoordde ze vriendelijk. Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken. Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen. .................. 't Werd Zomer.--Toen stierven, op een heerlijken, lichten zòn-dag, al de witte madeliefjes. Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze stonden. Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de Zon gewend. De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland, brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas, die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was. Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde, roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos in groezelig water, wijd open, moe.... Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af. Ze was gestorven.... Haar gouden hart bleef alleen over. Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit 't fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden, daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee ... omhóóg ... naar den bloemen-hemel.................. De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Eén van de kinderen uit 't arme gezin nam ze één voor één in de hand, ze streelende en mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der blaadjes, het zwarte kruis. --Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike.... Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend, zei vluchtig: --Ja jonkske; net een kruiske.... Zoo zie je: diën bloem het óók al zijn kruiske te dragen gehad!... En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed, dien ze zelf nauw wist. .................. Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven aanwijzende. De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats zou aanwijzen. In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten. Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was: bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun onbekend was. Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes, met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken van verstandhouding met hen wisselden. Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die vreemde bloemen! Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!... boog, en trad terzijde. Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele, paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het gehéél lijkende een vlammend veld... Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar de vreemde bloemen... Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen zijn buurtje. --'t Was dus een tulp, dat vreemde ding! --Zou zij er ook bij zijn? --Ze was kleiner dan één van dezen! --Zie je haar soms? En ze rekten hun tengere halsjes, en kéken en kéken, en na lang turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij" er wàs... "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar geëerd gezelschap. Maar ze had wéér geknikt, en wéér, als een goede bekende... Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend aan een vreemd, zwart aârtje, op haar rood kleed. Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze was niet eens groot; véél kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen.... Eén voor één traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen richtte. Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het, dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad. Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en fluisterde: --Zie je wel! Ik kòn niet anders. Ik was een tulp: een ander soort bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet! Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had ... hóóg boven hen uit!.................. Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden rood van schaamte. Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden; dat zij hen zou aanklagen! Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden, omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden omhóóg te zien, en niet om zich heen ... dat ze haar goed hadden gedaan en geen kwaad ... dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan tusschen hen ... dat ze wel eenzaam was geweest ... maar dat de Zon haar had getroost ... en de sterren! Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel. Ze mocht héél dicht, héél dicht bij de Zon blijven: bij het Licht dat haar troost was geweest in haar leven. De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten, en de moedigsten, juichten: --Ik wist het wel! En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp: hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar.... En de Zon zag de madeliefjes aan.... Ze zag hun blaadjes rood van schaamte. Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon, die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok even haar stralen in ... want ... de Zon moest schreien... En boos, héél boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in 't klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig opkeken naar Haar. Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf als een gedachtenis. En zoo is het gebleven tot op dezen dag. ELZE Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig zou kunnen maken. Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem, dat zij hem boven alles bezig hield. Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede, met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde maken, zonder dat hij wist hoe. Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieën. Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen, die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde de koning toe. --Geluk is rijkdom, zei de een. Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af. --Geluk is weten, leeraarde een tweede. Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond. --Geluk is gezondheid, meende een ander. Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren, die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net, deed hem zwijgen. --Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette een heel diepzinnig gezicht. Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon! Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor en, op de vraag die hem geen rust liet. --Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag, zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken, totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel, en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid! Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden! Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem vriendelijk opnam. Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning genaderd, boog hij zich, en zei: --O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij nog even wijs zijn gebleven als één vóór ons, is dit niet ònze schuld. Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer: vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die vraag te geven is. De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik u geven kan. Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart, en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons, en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af, is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten doen ontbranden in rustige harten. Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij, zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin van vredig menschen-geluk. De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem: --Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga, dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult! De grijsaard boog en trad eerbiedig terug. --Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Eén onder u, heeft u allen gekroond met de lauweren van zijn geest. Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken. Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven verrichten bij den prins. --Hoort!... daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon, den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde, en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte, en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht, en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor hun schoonheid. Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken moogt, één woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn: het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht, zijn gansche leven. Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins spreken zal, zóó, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden. De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich, als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind. Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein, rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in haar hart. Daar zong het maar al door; doch zóó zacht, dat zij zelf het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang. De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor zijn vader, den koning. Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest, liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende, zijn krans op den grond. Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij: --Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen? --Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra zij Uwe Hoogheid zagen! --Voedster, er is iets ànders in uw lach! Zeg mij wàt!... Zeg mij wàt! Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou. --Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem de mooiste vinden kunt. --Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins, zijn krans nemende. Ze fladderden ... fladderden ... fladderden ... tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na. --Zoo zullen uw gedachten fladderen ... fladderen ... fladderen ... tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden hebben.................. Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder leeg zou zijn gebleven. Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen hadden zijn geest te ontwikkelen. Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg als de Liefde. Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart niet overstemd werd door rumoer van buiten. --Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los... Arme prins! --Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken vraag zweefde, voor zich heen staarde. --Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak, dingen die ik misschien gedroomd heb. --Arme prins ... dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong. De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover, wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en toejuichen, hèm, die eenmaal over hen zou heerschen. Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig land, gesloten worden. De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht zich te onttrekken. Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek niet willende weigeren, had hierin toegestemd. Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van zijn voedster-moeder, en klopte aan. Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend op het oogenblik waarin ze den prins zou zien. --Nu kom ik u danken!... zei de prins, haar op beide wangen kussende; en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in, waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas, van licht doortrokken, over de verre boomen hing. De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig, fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende: --Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen, dat u zeker niet verwonderen zal. De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb u dit willen vragen, vroeg, héél vroeg, als nog bijna geen schepsel zou waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons, het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien.... Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken, toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste. Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had, en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten zou als ik groot was. Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist, en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik, vertrouwende op uw belofte. Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk me aanziet als een man. Ik bèn nu groot geworden, niet waar? Zie me nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb, en zeg me wat hij beduidt. De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel; en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had, zong nog harder dan anders ... en ze lachte, stil voor zich heen, evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te spreken tegen zijn zoon ... maar ze zweeg, denkende aan haar belofte. --Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein, hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst, gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet; en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik mijner oogen naar zijn oorsprong.... Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis, zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte.... Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich tot den prins, fluisterend: --Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren en verdorde harten ... als mijn oogen lachten om de dwaasheid van grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben niet kùnnen zwijgen. Ze hebben niet kùnnen zwijgen, wat mijn hart dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste geluk geeft: het éénige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun zekerheid, dat ook eenmaal voor ú zou opgaan de goudene, gloeiende zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat, geen indruk achterlatende. Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw. --Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!... Vloek over de waarheid mijner oogen.... De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit. --Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft willen verwijderen uit mijn leven.... Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet ken! Waar kan ik vinden, dat groote, éénige geluk, dat men mij heeft willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!... Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen, mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld. En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld. Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat plotseling zijn denken vervulde. Hij ging maar ál door, ál door, niet hoorende de jammer stem die hem riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde. De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren. Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde, sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug, en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende, en ter aarde wachtende haar straf. De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners vóór zich brengen, die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid zou daarna hun loon zijn. Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad één van hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte. Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch. Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige aandacht luisterde: --O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid? --Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de koning met luid-klinkende stem. --Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn, dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden, moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we kunnen uitdenken. En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul van wilde dieren. Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze wenkbrauwen klommen zóó hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede als verdwenen. Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte, gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig werd gemaakt door roof en moord. De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen, dat haar als een straf was voorgehouden. De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij schreide, na jaren van vrede. --Hij zal terug komen ... troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen ... zij het dan ook anders dan vroeger ... misschien met verwijt in de oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal hij na een poos weerkomen ... misschien geknakt, gebroken, en met het woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan één hard woord van mij, aan één wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan tranen ... en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij. Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis, zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon. De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins, vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde. --Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden: de Liefde, het hoogste geluk ... fluisterde hij voor zich heen. Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef, kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot. Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud, waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg op den rug een half gevulden linnen zak. --Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch klonk, als harslucht uit dennen riekt. --Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig. --Al vroeg op 't pad! Zoek je iets? --Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde. --Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat je haar zoekt! --Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken. --Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in 't bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen. --Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een wóórd verdwaald! --Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, vóór je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit; dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbeziën kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets, denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op één na. --Dank je, zei de prins en ging verder. De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs het pad. --Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die geneeskrachtige kruiden zocht, vóórgingen. De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt. Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid, in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom ... het kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in het liedje dat ze zong: De vogeltjes zingen 't, en ieder weet, De liefde geeft beide: geluk en .... Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins stond, dien ze door een kromming van het pad niet áán had zien komen. --Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig. --Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend! --Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij wonderlijk beefde. Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong, lief meisje hem als een openbaring was. Weer lachte het meisje. --Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar! --Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het immers? Waarom zing je het anders? --Och, ik zing ... zoo maar!... net als de vogels!... dan dit, dan een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend.... Ik denk dat mijn moeder het me heeft geleerd ... lang geleden.... Mijn hart zong binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook.... Mijn hart wou dit liedje zingen.... Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze maar! Waar ga je heen? --Ik wil hier blijven! Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de ernstig-luisterende boom-stammen. --Hier? Nu, goed! Help me dan aardbeziën plukken. Je bent zeker verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis geweigerd. Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet dóór wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen. De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de zon kleine, verleidelijk geurende aardbeziën rijp had gekust. Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe aardbeziën groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje, tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde. Eindelijk zei Elze: --Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje met rood-glimmende beziën heel voorzichtig droeg, haar langzaam volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos naast elkaar. --Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen hem drukte. --Omdat jij niets zegt! Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten boom, een klein huisje met riet gedekt. --Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik. Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit. Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op, toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden. --Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben. Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode eikeblaren. Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje waren hare bewegingen. De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na lang zwerven eindelijk thuis was. Toen Elze gereed was, zei ze: --Vreemdeling, eet en drink! Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger. --Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu. Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt te worden. Nog altijd zweeg de prins. --Maar zèg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk. --Ik moet zooveel denken! --Denk dan maar hardop.... Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!... --Woon je hier altijd? --Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik vind dat wel prettig.... Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en.... --Maar dat komt hem toch toe! --Ja; maar vader kan niet vragen... en daar heeft hij gelijk in. Men vergeet hem.... We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan vragen?... --Maar het is toch zijn recht! Elze lachte. --Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe, om te vragen.... Vader wordt oud en moet geholpen worden! --De prins zal zeker helpen! --Is hij goed? --Dat weet hij zelf niet! --Maar jij? Hoe vindt jij hem? --Ik ken hem niet! Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen, opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel zwaar naar voren. --Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang! Elze bloosde van genoegen. --Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik begrijp niet waarom.... --Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik... mag ik het even aanraken.... Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei: --Och! waarom niet! Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme blos zijn wangen kleurde. De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen, en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel onzichtbaar waren. --Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend, en vouwde nu stil haar handen. --Waarom? --Dat weet ik niet.... Plotseling stond ze op en luisterde. --Vader!... zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur open bleef. De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde, zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had gewezen. Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang en vast in de oogen. Toen zei hij langzaam: --Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn plicht is... wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen; en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal, als 't u niet te eenvoudig is. Toen volgde de prins den ouden man in het huisje. Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den prins voorbij gingen. --Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl hij opstond. --Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan! --Waarheen? --Dat weet ik niet! --Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor een vreemde in 't bosch! --Ik zal meegaan, kind. De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong, en de prins wendde bevend zijn oogen af. --Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar buiten ziende. --Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit. --Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje aan zijn gloeiende lippen. Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in. Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet, wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een droom volgde hij.... Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen. --Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen, dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel! --Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen hand geven? De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de smalle, fijne handen van den prins. --God zegen u! zei hij, en keerde zich om. De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen weg. De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met een ruk recht schoof. Daar op lachte hij: --Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed, of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene! En hij ging snel een rechten weg naar huis. Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep... en zag om zich heen, als iemand die ontwaakt. De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde gedachten. Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen, bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter het grijze silhouet van de verre stad. --Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen! Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan. Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins, zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen. Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn naderen. Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in 't half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken. De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit, dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood. --God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast; maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt, maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet zooals ze schijnen. De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich, en vervolgde zijn tocht. Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte winkels als vriendelijke oogen blonken. Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan, en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder tikte. --Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen vreugde-belovend in de oogen van den prins. --Dat weet ik niet! --Ga met mij mee! --Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna. --Wat doe je hier! vroeg ze lief. --Ik zoek!... --Wat zoek je? --De Liefde! Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken. --Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt! Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins, moe en eenzaam, vond dit prettig. --Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend. En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm, mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde. --Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend. --Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig. --Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem. Zacht weerde hij haar af? --Is dit het hoogste geluk? --Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer. Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit... en toen wist hij niets meer. Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar was gekomen. --Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien. --Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins aan de gekregen zwavelstokjes. Haastig ontstak hij er een. En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen, en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde, en hoorde hij, hoe het: geld!... geld!... geld!... riep. Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten, en snelde heen. Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde; en een groot verlangen welde in hem op. --Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit. Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had opgenomen in zijn groene armen. Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje, waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was. --Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop. En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren naar het helder getril in 't groene loover. Zoo viel hij in slaap. Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door het dichte kreupelhout, hopende aardbeziën te vinden; want hij begon honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen. Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbeziën genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging. Eindelijk zag hij een geknakten tak. --Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's huisje moest voeren. Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje, en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten. Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van haar kleedje... en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd, terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen.... --Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar opzag. --Ik moest, Elze! Ik moest wel!... Zeg... dit is de Liefde zeker... want nu ben ik gelukkig! Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de droom van zijn oogen voortgleed... al maar voortgleed.... Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd.... De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in. Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op zijn knieën. Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden zij zich op den jongen man. --Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft u geleid? --Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het sterker was dan uw wil. --En wat zoekt het hier? --Liefde, oude man! En die heeft het gevonden! --Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart? --Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk.... Maar laat ik u verhalen, en oordeel dan. Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning. --Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu? --Dat Elze mèt mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw. Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog. Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open. --Elze! riep hij naar buiten. Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en toen heen vloog. Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat van haar vader. --Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand op haar blond hoofd lei. --Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig. --Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den ouden man uit. --Als Elze dat wil!... zei de prins, nu ook met treurige stem. Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader met kussen. Ze antwoordde niet. --Ik zal maar heengaan... vervolgde de prins en wendde zich naar de deur. Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend: --Blijf bij ons.... --Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen. --Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht. --Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat kan ik niet! En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op. --Zal de koning haar erkennen als uw vrouw? --Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen, als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk dat alleen in Liefde is! --Elze wil wèl uw vrouw zijn ... maar géén koningin, zei het meisje zacht. --Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u, en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven. Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen. --God zij ons genadig, u beiden en mij ... prevelde hij voor zich heen. Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur, en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart, toen hij haar in zijn armen drukte. --We zullen gaan vóór de zon te veel warmte geeft, zei de oude man. De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op. --Misschien geeft één jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede ... dacht hij. Tot haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een goed mensch. Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte. Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje. --Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil! --Je bent zóó mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins. Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven... Ze waren er niet! --Ze zullen in den boom zitten ... mompelde ze. Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en haar vader. In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn. Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam.... --Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen. Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd. --Waarmee heb ik dat verdiend?... Waarmee?... dacht hij, en pijnigde zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met nadenken. Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm, en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm, en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd, neerkomt op het hoofd van den geweldenaar. Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van zichzelf.... Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord: zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeën deelt, wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte. Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit hij zijn kind er in, en houdt hem vast ... héél lang vast.... Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in 't weifelend licht. Vóór zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand; maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning verwijderd neerknielen. Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht.... Toen zei de prins: --Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in 't hart, wanneer ik háár niet gevonden had, en door háár: de Liefde, het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden.... O, ik geloof met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!... en ik wil u niet aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer ontnemen, niet waar?... Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!... De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij: --Men brenge licht! Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn over de geknielde gestalte uitgoot. Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid, die zacht stemde zijn goed, oud hart. --Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij! Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo statig alsof ze een edelvrouwe was. Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond gehouden had, nader, en boog zich voor den koning. --Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons. --Wie zijt ge? vroeg de koning norsch. --Elze's vader; en een mensch zooals gij! --Wie zeide u hier binnen te treden? --Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw dwaasheid! --Verklaar u nader! --Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het geweest ze hem zóó volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag! --Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken als gij! --Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten.... Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen. --Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt! --Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind? Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand. --Ziehier! zei hij. --Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een gunst van uwe zijde? --Het laatste bedoel ik.... God alleen meet ons het geluk, dat hij ons toereikt als ons deel! --Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt! --Dit is een beleediging! riep de koning uit. --Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is! Nu lachte de koning, en zei: --Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft, zal zij een voortreffelijke koningin zijn. --Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt, en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch. Toen knielden ook de prins