Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Naar het middelpunt der Aarde, by Jules Verne

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Naar het middelpunt der Aarde

Author: Jules Verne

Release Date: March 23, 2005 [EBook #10349]

Language: Dutch

Character set encoding: ASCII

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE ***




Produced by Jeroen Hellingman & the PG Distributed Proofreaders Team





Jules Verne

Naar het Middelpunt
der
Aarde

Naar de 22e fransche uitgave.
Derde druk.
Rotterdam.—Jacs. G. Robbers.

Stoomdrukkerij van Gebr. van Asperen van der Velde, te Haarlem.

Bladzijde 1

Hoofdstuk I

Prof. Otto Lidenbrock.—Eigenaardigheden van oom.—De studeerkamer.

Op Zondag, den 25sten Mei 1863, keerde mijn oom, professor Lidenbrock, haastig terug naar zijn huisje No 19 van de Koningstraat, eene der oudste straten van de oude wijk te Hamburg.

De goede Martha zou bijna gedacht hebben veel te laat te zijn, want het middageten was nauwelijks aan de kook op het fornuis in de keuken.

“Goed,” zeide ik bij mij zelven, “als hij honger heeft, zal mijn oom, die de ongeduldigste mensch is, luide jammerkreten aanheffen.”

“Is mijnheer Lidenbrock daar reeds!” riep de goede Martha vol ontsteltenis, terwijl zij de deur der eetzaal op een kier zette.

“Ja, Martha! maar het eten behoeft nog niet klaar te zijn, want het is nog geen twee uur. De klok der St. Michaëlskerk heeft pas half twee geslagen.”

“Waarom komt mijnheer Lidenbrock dan t'huis?”

“Dat zal hij ons wellicht zeggen.”

“Daar is hij! Ik maak mij uit de voeten. Mijnheer Axel! gij moet het hem maar onder het oog brengen.” En de goede Martha vluchtte naar de keuken.

Ik bleef alleen. Maar mijn min of meer besluiteloos karakter gedoogde niet, dat ik den opvliegendste van alle professoren iets onder het oog zou brengen. Ik maakte mij dus gereed om voorzichtig naar mijn bovenkamertje te wijken, toen de huisdeur op hare hengsels knarste, zware voetstappen de houten trap deden Bladzijde 2kraken, en de heer des huizes, de eetzaal doorgaande, terstond zijn studeervertrek binnenstormde.

Maar in dien snellen loop had hij zijn stok met een knop in den vorm van een notenkraker in een hoek, zijn grooten hoed, tegen de vleug in opgeborsteld, op de tafel gesmeten, en riep hij zijn neef met een bulderende stem toe: “Axel, volg mij!”

Ik had nog geen tijd gehad om mij te bewegen, toen de professor mij reeds op den toon van het levendigste ongeduld toeschreeuwde: “Hoe is het, zijt gij er nog niet?”

Ik stoof het vertrek van mijn geduchten oom binnen.

Otto Lidenbrock was, ik erken het gaarne, geen kwaad mensch; maar, als er geene ondenkbare veranderingen plaats hebben, zal hij als een echte zonderling sterven.

Hij was professor aan het Johannaeum en hield een cursus over de delfstofkunde, waarbij hij zich geregeld een paar keeren boos maakte. Niet dat hij er zich over bekommerde of zijne leerlingen zijne lessen vlijtig bijwoonden, of zij hem oplettend volgden en of zij er later eenig voordeel van zouden hebben; die beuzelingen verontrustten hem niet. Hij onderwees “subjectief,” zooals de duitsche wijsgeeren het noemen, voor zich zelven en niet voor anderen. Hij was een baatzuchtig geleerde, een put van geleerdheid, welker katrol knarste, als men er iets uit wilde halen. Met één woord, een vrek.

Er zijn in Duitschland eenige professoren van dat slag.

Ongelukkig was mijn oom niet zeer vlug bespraakt, wel niet in den huiselijken kring, maar toch als hij voor het publiek sprak, en dat is een lastig gebrek voor een redenaar. Zoo bleef de professor bij zijne voordrachten in het Johannaeum dikwijls steken; hij worstelde tegen een weerbarstig woord, dat niet van zijne lippen wilde vloeien, een van die woorden die tegenstand bieden, opzwellen en zich eindelijk uiten onder den niet zeer wetenschappelijken vorm van een vloek. Van daar zijn hevige toorn.

Er komen in de delfstofkunde vele half grieksche, half latijnsche namen voor, die moeielijk uit te spreken zijn; van die ruwe benamingen, die de lippen van een dichter pijn zouden doen. Het zij verre van mij eenig kwaad van die wetenschap te willen zeggen. Maar ten opzichte van kristalen met zes ruitvormige vlakken van retin-asphalt-harsen, van gheleniten, van fangasiten, van loodhoudende-molybdaenumzuur zouten, van manganesium (tungsteenzuur) zouten en van zirconium titanium, kan zelfs de vlugste tong zich wel eens verspreken.

In de stad was dit vergeeflijke gebrek van mijn oom zeer goed bekend. Men maakte er misbruik van, men wachtte er op bij gevaarlijke zinnen, hij werd woedend en men lachte, hetgeen niet beleefd is, zelfs voor Duitschers. Derhalve was er wel altijd een Bladzijde 3groote toevloed van hoorders bij de voorlezingen van Lidenbrock, maar velen woonden ze daarom getrouw bij om zich te vermaken met den bespottelijken toorn van den professor.

Niettemin, ik kan het niet genoeg herhalen, was mijn oom een echt geleerde. Hoewel hij somtijds door al te ruwe behandeling zijne monsters brak, voegde hij toch bij het genie van den geoloog den blik van den mineraloog. Met zijn hamer, zijn stalen stift, zijn kompasnaald, zijn blaaspijp en zijn fleschje salpeterzuur was hij een zeer sterk man. Op de breuk, het voorkomen, de hardheid, de smeltbaarheid, den klank, den geur, den smaak van het een of ander metaal af, rangschikte hij het, zonder aarzelen, onder eene der zes honderd soorten, die de wetenschap tegenwoordig telt.

De naam van Lidenbrock werd dan ook met eere genoemd op de gymnasiën en in de verschillende maatschappijen des lands. Humphry Davy, Humboldt, de kapiteins Franklin en Sabine verzuimden niet hem op hunne doorreis te Hamburg te bezoeken. Becquerel, Ebelmen, Brewster, Dumas, Milne Edwards, raadpleegden hem gaarne over de belangrijkste vraagstukken der scheikunde. Deze wetenschap had aan hem zeer schoone ontdekkingen te danken, en in 1853 was te Leipzig eene verhandeling over de transcendente kristallographie door professor Otto Lidenbrock verschenen, een groote foliant met platen, die echter de kosten niet goedmaakte.

Voeg daar nog bij, dat mijn oom conservator was van het mineralogisch museum van den heer Struve, gezant van Rusland, eene kostbare verzameling, die eene europeesche vermaardheid genoot.

Dat was de persoon, die mij ongeduldig aansprak. Stel u een grooten, mageren man voor, met een ijzeren gestel en met blonde haren, die hem eer veertig dan vijftig jaar deden schijnen. Zijne groote oogen rolden onophoudelijk rond achter een ontzaglijken bril; zijn lange, dunne neus geleek op een scherp lemmet; de booze wereld beweerde zelfs dat hij magnetisch was en ijzervijlsel aantrok. Louter laster; hij trok slechts snuif aan, maar, ik wil er niet om liegen, in groote hoeveelheid.

Als ik hier nu nog bijvoeg, dat mijn oom wiskundig berekende schreden deed van drie voet, en als ik zeg, dat hij onder het loopen zijne vuisten stijf gesloten hield, het teeken van een onstuimigen aard, zal men hem genoeg kennen om juist niet bijzonder op zijn gezelschap gesteld te zijn.

Hij woonde in zijn huisje in de Koningstraat; eene woning half van hout, half van steen, met een gevelmuur met trappen; zij had het uitzicht op eene van die bochtige grachten, die zich door de oudste wijk van Hamburg kronkelen, welke de brand van 1842 gelukkig gespaard heeft.

Het oude huis hing wel is waar een weinig over en bedreigde de voorbijgangers; het dak stond scheef, even als de pet van een Bladzijde 4student van het Tugendbund; de loodrechte richting liet wel wat te wenschen over; maar over het geheel hield het zich goed, dank zij een ouden olmboom, die stevig aan den voorgevel was vastgegroeid en in de lente met zijne bloesemknoppen door de vensterruiten drong.

Mijn oom was rijk voor een duitsch professor. Het huis, met al wat er in was, behoorde hem in vollen eigendom toe. Wat er in was bestond uit zijn petekind Gräuben, een meisje van 17 jaar, de goede Martha en mij. In mijne dubbele hoedanigheid van neef en pupil werd ik zijn handlanger bij zijne proefnemingen.

Ik beken gaarne, dat ik mij met de borst op de geologische wetenschappen toelegde; het bloed van een mineraloog vloeide door mijne aderen en ik verveelde mij nooit in gezelschap van mijne kostbare steenen.

Kortom, men kon in dat huisje in de Koningstraat gelukkig leven, ondanks het ongeduld van zijn eigenaar; want, al was hij soms wat ruw, toch hield hij veel van mij. Maar die man kon niet wachten en was zelfs voortvarender dan de natuur. Wanneer hij in April in de bloempotten van zijn vertrek stammetjes reseda of volubilis geplant had, ging hij regelmatig iederen morgen aan de blaadjes trekken om hun groei te verhaasten.

Tegenover zulk een zonderling zat er niets anders op dan te gehoorzamen. Ik vloog dus naar zijne kamer.

Hoofdstuk II

Een fraai boek.—Een merkwaardige inhoud.—Het oude document.—Wat het oude papier kostte.

Die kamer was een waar museum. Alle monsters uit het delfstoffenrijk waren, in de uiterste orde, van opschriften voorzien naar de drie groote afdeelingen van brandbare, metaalachtige en steenachtige delfstoffen.

Of ik ze kende, die bronnen der delfstofkunde! Hoe menigmaal had ik in plaats van met jongens van mijne jaren te spelen, er behagen in gevonden om die potloodertsen, die koolblende, die steenkolen, die bruinkolen, die turven af te stoffen! En de jodenlijm, de harsen, de organische zouten, die voor het geringste stofje bedaard moesten blijven! En die metalen, van het ijzer af tot het Bladzijde 5goud toe, wier betrekkelijke waarde verdween bij de volstrekte waarde als wetenschappelijke voorbeelden! En al die steenen, waarmede men het huis in de Koningstraat had kunnen herbouwen, zelfs met eene mooie kamer er bij, die mij zoo goed zou aangestaan hebben!

OTTO LIDENBROCK.

Bladzijde 6Maar bij mijn binnentreden in het vertrek dacht ik in het geheel niet aan die wonderen. Al mijne gedachten bepaalden zich tot mijn oom. Hij lag gedoken in zijn grooten armstoel met utrechtsch fluweel bekleed en hield een boek in de hand, dat hij met de diepste bewondering beschouwde.

“Welk een boek! welk een boek!” riep hij uit.

Deze uitroep herinnerde mij dat professor Lidenbrock in zijne verloren oogenblikken ook een boekengek was; maar een oud boek had in zijne oogen alleen waarde als het onverkrijgbaar of tenminste onleesbaar was.

“Welnu,” zeide hij mij, “ziet gij het dan niet? Het is een onwaardeerbare schat, dien ik dezen morgen gevonden heb bij het doorsnuffelen van den winkel van Hevelius, den jood.”

“Heerlijk!” antwoordde ik met eene gemaakte geestdrift.

Maar waartoe diende dan ook de ophef over een ouden kwartijn in grof kalfsleeren band, een geelachtig boek, waaruit een verkleurd leesteeken hing?

Intusschen kwam er maar geen einde aan de uitroepen van bewondering van den professor.

“Zie,” zeide hij, zich zelven vragende en antwoordende, “is het niet mooi? Ja, zelfs bewonderenswaardig! En welk een band! Gaat het boek gemakkelijk open? Ja, want het blijft bij iedere bladzijde open liggen. Maar sluit het wel goed? Ja, want de band en de bladen vormen een goed geheel, zonder zich ergens te scheiden of te gapen! En dan die rug, waarin na een bestaan van 700 jaar nog geen enkele scheur is! Bozerian, Closs of Purgold zouden trotsch geweest zijn op zulk een band!”

Zoo sprekende opende en sloot mijn oom gedurig het oude boek. Het minste wat ik doen kon was hem naar den inhoud te vragen, hoewel die mij geen het minste belang inboezemde.

“En wat is dan wel de titel van dat merkwaardige boek?” vraagde ik met eene drift, die te hevig was om niet geveinsd te zijn.

“Dit werk,” antwoordde mijn oom vol opgewondenheid, “is de Heims-Kringla van Snorre Turleson, den beroemden ijslandschen schrijver uit de twaalfde eeuw. Het is de kroniek der noorweegsche vorsten, die over IJsland regeerden.”

“Waarlijk!” deed ik mijn best om uit te roepen, “dan is het zonder twijfel eene duitsche vertaling?”

“Nu nog mooier!” antwoordde de professor driftig, “eene vertaling! Wat zou uwe vertaling mij baten? Wie geeft iets om uwe vertaling? Het is het oorspronkelijk werk in de ijslandsche taal, die prachtige, rijke maar tevens eenvoudige taal, die de meest verschillende spraakkunstige verbindingen en talrijke vormveranderingen der woorden toelaat.”

“Even als het duitsch,” bracht ik vrij gelukkig in het midden.

Bladzijde 7“Ja,” antwoordde mijn oom, de schouders ophalende; “maar met dit onderscheid, dat de ijslandsche taal de drie geslachten heeft, even als het grieksch en de eigennamen verbuigt als het latijn.”

“Zoo!” zeide ik een weinig in mijne onverschilligheid geschokt, “en is de druk van dit boek fraai?”

“Druk! wie spreekt er van druk, ongelukkige Axel? Druk! Houdt gij dit dan voor een gedrukt boek? Neen, domoor! het is een handschrift en wel een runisch handschrift!...”

“Een runisch?”

“Ja! Zoudt gij misschien willen, dat ik u eene verklaring van dat woord gaf?”

“Daar zal ik wel op passen,” antwoordde ik op den toon van iemand, wiens eigenliefde gekwetst is.

Maar mijn oom draafde door en onderrichte mij tegen mijn zin in zaken, die ik niet verlangde te weten.

“De runen,” hernam hij, “waren schrijfletters, die vroeger op IJsland in gebruik waren, en volgens de overlevering had Odin zelf ze uitgevonden. Goddelooze! bezie en bewonder dan toch die teekens, welke uit het brein van een god zijn voortgekomen!”

Niet wetende wat te antwoorden, was ik waarlijk op het punt om neder te knielen, eene soort van antwoord, dat den goden even zeer moet bevallen als den koningen, omdat het het voordeel heeft van hen nooit in verlegenheid te brengen, toen een toeval den loop van het gesprek eene andere wending gaf.

Het was de verschijning van een smerig perkament, dat uit het boek gleed en op den grond viel.

Mijn oom viel met eene onbegrijpelijke gretigheid op die vod aan. Het kon niet missen of een oud document, misschien sedert onheugelijke tijden in een oud boek gesloten, moest hooge waarde in zijn oog hebben.

“Wat is dat?” riep hij uit.

En tegelijk ontvouwde hij zorgvuldig op zijne tafel een stuk perkament, 10 duim lang en 6 duim breed, waarop in dwarse lijnen onverklaarbare teekens stonden.

Wij voegen een nauwkeurig fac-simile er van hiernevens.

Bladzijde 8Ik stel er prijs op om die zonderlinge teekens te doen kennen, want door hen werden professor Lidenbrock en zijn neef aangezet om den vreemdsten tocht der negentiende eeuw te ondernemen.

De professor beschouwde eenige oogenblikken deze rij letters; vervolgens zeide hij zijn bril afnemende:

“Het is runisch schrift; deze letterteekens zijn geheel overeenkomstig met die van het handschrift van Snorre Turleson! Maar ... wat zou het toch beteekenen?”

Daar het runisch schrift mij voorkwam eene uitvinding van geleerden te zijn om den grooten hoop zand in de oogen te strooien, speet het mij geenszins, toen ik zag, dat mijn oom er niets van begreep. Dat maakte ik ten minste op uit de beweging zijner vingers, die hij geducht heen en weer draaide.

“Het is echter oud ijslandsch!” bromde hij binnensmonds.

En professor Lidenbrock moest het wel weten, want men hield hem voor een groot taalkenner. Wel sprak hij de 2000 talen en 4000 tongvallen, die op de oppervlakte der aarde in gebruik zijn, niet vloeiend, maar hij wist er toch aardig wat van.

Toen deze moeielijkheid zich opdeed, was hij op het punt zich aan al de onstuimigheid van zijn karakter over te geven en ik voorzag een heftig tooneel, toen het twee uur sloeg op het kleine uurwerk op den schoorsteenmantel.

Dadelijk opende de goede Martha de deur van het vertrek, zeggende: “De soep staat op tafel.”

“De drommel hale de soep,” riep mijn oom, “en haar, die ze gekookt heeft, en hen, die ze zullen eten!”

Martha vluchtte, ik ijlde haar achterna, en zonder te weten hoe, zat ik op mijne gewone plaats in de eetzaal.

Ik wachtte eenige oogenblikken. De professor kwam niet. Dit was de eerste keer, voorzoover ik wist, dat hij bij het middagmaal gemist werd. En welk een kostelijk middagmaal! eene groentesoep, een spekpannekoek met zuring bestrooid met notemuskaat, een kalfsnierstuk met ingelegde pruimen, en tot nagerecht garnalen met suiker, alles besproeid met lekkeren Moezelwijn.

Zooveel kostte dat oude papier aan mijn oom. In mijne hoedanigheid van liefhebbenden neef meende ik inderdaad verplicht te zijn om voor hem en mij te eten, hetgeen ik ook met de grootste nauwgezetheid deed.

“Ik heb nooit zoo iets gezien!” zeide de goede Martha onder het bedienen. “Mijnheer Lidenbrock niet aan tafel!”

“Het is haast ongelooflijk.”

“Dat voorspelt de eene of andere gewichtige gebeurtenis!” hernam de oude meid het hoofd schuddende.

Mijns inziens voorspelde het niets anders dan een heftig tooneel, als mijn oom zijn middagmaal verdwenen zou zien.

Hij woonde in zijn huisje in de Koningstraat.

Ik peuzelde juist mijne laaste garnaal op, toen eene bulderende Bladzijde 9stem mij aan de genoegens van het nagerecht ontrukte. In één sprong was ik uit de zaal in het studeervertrek. Bladzijde 10

Hoofdstuk III

Een runisch handschrift.—Uitleg van het alphabet—Het geheimschrift.—Een geleerd man.—Nichtje Gräuben.—Ontcijfering van het dokument.—Einde der ontcijfering.

“Het is stellig runisch,” zeide de professor zijne wenkbrauwen fronsende. “Maar er schuilt een geheim achter, dat ik ontdekken zal, of....”

Een driftig gebaar gaf zijne bedoeling genoegzaam te kennen.

“Ga daar zitten,” voegde hij er bij, terwijl hij met zijne vuist de tafel aanwees, “en schrijf.”

In een oogenblik was ik gereed.

“Nu zal ik u iedere letter van ons alphabet opnoemen, die met eene van deze ijslandsche letters overeenkomt. Wij zullen zien wat dat geeft. Maar, bij St. Michaël! pas op, dat ge u niet vergist.”

De opnoeming begon. Ik deed mijn uiterste best; de eene letter werd na de andere opgenoemd en vormde zoo de onverstaanbare opeenvolging der volgende woorden:

m.rnlls esreuel seeJde
sgtssmf unteief niedrke
kt,samn atrateS Saodrrn
emtnaI nuaect rrilSa
Atvaar nscrc ieaabs
ccdrmi eeutul frantu
dt,iac oseibo KediiI

Toen dit werk af was, nam mijn oom driftig het blad, waarop ik geschreven had, en bekeek het lang met aandacht.

“Wat beteekent dat?” herhaalde hij werktuigelijk.

Op mijne eer, ik zou het hem niet hebben kunnen zeggen. Daarenboven ondervroeg hij mij ook dienaangaande niet en ging voort met tot zich zelven te spreken.

“Dat noemen wij geheimschrift,” zeide hij, “waarvan de zin verborgen is onder letters, die opzettelijk verkeerd geplaatst zijn en die ordelijk geschikt een verstaanbaren zin zouden opleveren! En wanneer ik bedenk, dat daarin misschien de verklaring of de aanwijzing eener groote ontdekking is opgesloten!”

Ik voor mij dacht wel, dat er niets in opgesloten was, maar hield mijne meening voorzichtig voor mij.

Daarop nam de professor het boek en het perkament en vergeleek ze met elkander.

“Deze twee geschriften zijn niet van dezelfde hand,” zeide hij; “het geheimschrift is jonger dan het boek, en ik zie daarvan terstond Bladzijde 11een onwraakbaar bewijs. Inderdaad, de eerste letter is eene dubbele M, die men te vergeefs in het boek van Turleson zou zoeken, want zij werd eerst in de 14de eeuw bij het ijslandsche alphabet gevoegd. Derhalve liggen er minstens 200 jaar tusschen het handschrift en het document.”

Dat scheen mij, ik erken het, vrij logisch te zijn.

“Dus word ik er toe gebracht,” hernam mijn oom, “om te denken, dat een der bezitters van dit boek deze geheimzinnige teekens heeft geschreven. Maar, voor den drommel! wie was die bezitter? Zou hij zijn naam niet ergens op dit handschrift gezet hebben?”

Mijn oom nam zijn bril af, kreeg een sterke loep en onderzocht nauwkeurig de eerste bladzijden van het boek. Op de keerzijde van de tweede, die van den voortitel, ontdekte hij een soort van vlek, die er op het oog als eene inktvlek uitzag. Intusschen onderscheidde men, als men het van nabij bezag, eenige half uitgewischte teekens. Mijn oom begreep, dat de hoofdzaak daar zat; hij bleef dus op de vlek turen en met behulp van zijne groote loep, bespeurde hij eindelijk de bijgaande teekens, runische letters, die hij zonder aarzelen las:

“Arne Saknussemm!” riep hij op een zegepralenden toon, “maar dat is een naam en wel een ijslandsche naam! die van een geleerde uit de 16de eeuw, van een beroemden goudmaker!”

Ik zag mijn oom met zekere bewondering aan.

“Die goudmakers,” hernam hij, “Avicenne, Bacon, Lulle, Paracelsius, waren de echte, de eenige geleerden van hun tijd. Zij hebben ontdekkingen gedaan, waarover wij met recht verbaasd staan. Waarom zou die Saknussemm onder dat onverstaanbare geheimschrift niet de eene of andere verrassende uitvinding verborgen hebben? Dat moet zoo zijn. Het is zoo!”

De verbeeldingskracht van den professor werd door die veronderstelling aangevuurd.

“Zonder twijfel,” waagde ik te antwoorden, “maar welk belang kon die geleerde er bij hebben om zoo de eene of andere vreemde ontdekking te verbergen?”

“Waarom? Waarom? Weet ik het? Heeft Galileï niet hetzelfde gedaan met Saturnus? Overigens zullen wij wel eens zien; ik moet achter het geheim van dit document komen en ik zal eten noch slapen, voor ik het geraden heb.”

“Zoo, zoo!” dacht ik.

“Maar gij ook niet, Axel!” hernam hij.

“Drommels!” zeide ik bij mij zelven, “het is gelukkig dat ik voor twee gegeten heb!”

Bladzijde 12“Vooreerst,” zeide mijn oom, “moeten wij de taal van dit geheimschrift vinden. Dat kan niet moeielijk zijn.”

Op deze woorden hief ik driftig mijn hoofd op. Mijn oom hervatte zijne alleenspraak:

“Niets is gemakkelijker. Er zijn in dit document honderd twee en dertig letters, negen en zeventig medeklinkers tegen drie en vijftig klinkers. In deze evenredigheid zijn tennaastenbij de woorden der zuidelijke talen gevormd, terwijl de noordsche veel rijker zijn in medeklinkers. Het is dus eene zuidelijke taal.”

Deze gevolgtrekkingen waren zeer juist.

“Maar welke taal is het?”

Nu moest het blijken, wat de geleerde was, in wien ik echter een grondig analyticus vond.

“Die Saknussemm,” hernam hij, “was een geleerd man; zoodra hij dus niet in zijne moedertaal schreef, moest hij bij voorkeur de gewone taal der geleerden van de zestiende eeuw kiezen, ik bedoel het latijn. Als ik mij bedrieg, kan ik het beproeven met het spaansch, het fransch, het italiaansch, het grieksch, het hebreeuwsch. Maar de geleerden der zestiende eeuw schreven meestal in het latijn. Ik heb dus het recht om a priori te zeggen: “dit is latijn.”

Ik schoof heen en weder op mijn stoel. Mijne herinneringen als latinist kwamen in opstand tegen de meening, dat deze rij van zinledige woorden zou kunnen behooren tot de zoete taal van Virgilius.

“Ja, latijn,” hernam mijn oom, “maar verbasterd latijn.”

“Het zij zoo!” dacht ik. “Als gij het ontwart, moet gij slim zijn, oom!”

“Laat ik nog eens goed zien,” zeide hij, het blad weder opnemende, waarop ik geschreven had. “Ziedaar eene rij van honderd twee en dertig letters, die zich in eene schijnbare wanorde voordoen. Er zijn woorden, waarin alleen medeklinkers voorkomen, zooals het eerste “m.rnlls,” andere, in tegendeel, met veel klinkers, b.v. het vijfde “unteief,” of het voorlaatste “oseibo.” Die schikking nu is blijkbaar niet willekeurig; zij is op wiskunstige gronden ingegeven door de onbekende reden, die de opeenvolging dezer letters heeft geregeld. Het is dunkt mij zeker, dat de oorspronkelijke volzin regelmatig is opgeschreven en daarna omgekeerd volgens eene wet, die ik moet ondekken. Wie den sleutel van dit geheimschrift bezat, zou het vlug lezen. Maar welke is die sleutel? Axel! hebt gij dien sleutel?”

Gräuben was een lieve blonde deern.

Op die vraag antwoordde ik niets en wel om de volgende reden. Mijn oog was gevallen op een lief portret, dat aan den muur hing, het portret van Gräuben. De pupil van mijn oom was toen te Altona bij eene harer bloedverwanten, en hare afwezigheid maakte mij zeer treurig; want, ik mag het nu bekennen, het lieve meisje en de neef van den professor beminden elkander met al het geduld en al de bedaardheid van Duitschers; wij waren verloofd buiten weten van mijn oom, die te zeer geoloog was om dergelijke gevoelens te begrijpen. Bladzijde 13Gräuben was eene lieve blonde deern met blauwe oogen een eenigszins zwaarmoedig karakter en een nadenkenden geest; zij beminde mij daarom niet minder; ik voor mij aanbad haar, als Bladzijde 14dat woord ten minste in de oud-duitsche taal bestaat! De beeltenis mijner aangebedene wierp mij dus plotseling uit de wereld der naakte werkelijkheid in die der hersenschimmen, der herinneringen.

Ik zag de getrouwe gezellin van mijn arbeid en van mijne vermaken terug. Zij hielp mij iedereen dag om de kostbare steenen van mijn oom te rangschikken; zij plaatste er met mij de briefjes op. Juffrouw Gräuben was zeer sterk in de delfstofkunde! Meer dan één geleerde zou een lesje bij haar hebben kunnen halen. Zij onderzocht gaarne grondig de netelige vraagstukken der wetenschap. Wat al zoete uren hadden wij doorgebracht met samen te studeeren, en hoe benijdde ik somtijds het lot dier gevoellooze steenen, die zij met hare bekoorlijke handen aanraakte.

Als daarna het uur van uitspanning kwam, gingen wij beiden uit; wij kozen de lommerrijke lanen van de Alster en begaven ons gezamenlijk naar den ouden geteerden molen, die zich zoo goed voordoet aan het uiteinde van het meer; onderweg keuvelden wij, elkander bij de hand houdende; ik vertelde haar allerlei, waarover zij luidkeels lachte; zoo kwamen wij aan den oever der Elbe en na de zwanen, die tusschen de groote witte plompen rondzwemmen, goeden nacht gewenscht te hebben, keerden wij per stoomboot naar de kaai terug.

Zoo ver was ik met mijn gepeins, toen mijn oom, met zijne vuist op de tafel slaande, mij met geweld tot de werkelijkheid terugvoerde.

“Laat eens zien,” zeide hij, “de eerste gedachte die zich aan den geest moet voordoen om de letters van een volzin te verwarren is, dunkt mij, om de woorden onder in plaats van naast elkander te schrijven.”

“Wel mogelijk!” dacht ik.

“Wij zullen zien, wat dat geeft Axel! schrijf den een of anderen volzin op dit stukje papier; maar zet de letters in plaats van achter elkander in geregelde rijen, elke van vijf of zes, onder elkander.”

“Ik begreep, wat hij bedoelde, en onmiddelijke schreef ik van boven naar beneden:

I i n i r n
k n i e ä !
b u g v u
e i , e b
m n l G e

“Goed,” zeide de professor, zonder gelezen te hebben. “Zet nu deze woorden op een regel naast elkander.”

Ik gehoorzaamde en kreeg den volgenden volzin:

linirn, knieä! bugvu ei,eb, mnlGe.

“Heel goed!” riep mijn oom, mij het papier uit de hand rukkende, “dat lijkt al een beetje op het oude document; de klinkers Bladzijde 15staan in dezelfde wanorde als de medeklinkers; er zijn zelfs hoofdletters en komma's in het midden der woorden, juist als op het perkament van Saknussemm!”

Ik kon niet nalaten deze opmerkingen zeer schrander te vinden.

“Om nu,” hernam mijn oom, zich rechtstreeks tot mij wendende, “den volzin te lezen, dien gij geschreven hebt en ik niet ken, zal het genoeg zijn om achtereenvolgens de eerste letter van ieder woord te nemen, dan de tweede, dan de derde, enz.”

En tot zijne groote verwondering, maar vooral tot de mijne, las mijn oom:

“Ik bemin u innig, lieve Gräuben!”

“Ei!” riep de professor.

Ja, zonder er om te denken had ik, als een verliefde lomperd dien gevaarlijken volzin geschreven!

“Zoo, zoo! bemint gij Gräuben!” hernam mijn oom op den echten toon van een voogd.

“Ja.... Neen....” stamelde ik.

“Zoo, zoo! bemint gij Gräuben!” herhaalde hij werktuiglijk. “Welnu, wij zullen deze handelwijze op het voor ons liggende document toepassen.”

Weder in zijne alles overheerschende beschouwing verdiept, vergat mijn oom reeds mijne onvoorzichtige woorden. Ik zeg onvoorzichtige, want het hoofd van den geleerde kon geene zaken van het hart begrijpen. Maar gelukkig won het de groote zaak van het document.

Op dat oogenblik, dat de voornaamste proef zou gedaan worden, schoten de oogen van professor Lidenbrock bliksemstralen door zijn bril; zijne vingers beefden, toen hij het oude perkament weder opnam; hij was diep ontroerd. Eindelijk hoestte hij hevig, en met eene ernstige stem achtereenvolgens de eerste, daarna de tweede letter van ieder woord noemende, gaf hij mij de volgende reeks op: mmessunkaSenrA. icefdoK.segnittamurtnecertserrette, rotaivsadua, ednecsedsadnelacartniiiluJsiratrac Sarbmutabiledmek meretarcsilucoYsleffenSnI.

Toen ik gereed was, was ik waarlijk aangedaan; deze letters, één voor één opgenoemd, hadden geen zin opgeleverd; ik verwachtte dus, dat de professor een sierlijken latijnschen volzin statig van zijne lippen zou laten vloeien.

Maar wie had zoo iets kunnen denken! Een hevige vuistslag deed de tafel dreunen. De inkt spatte uit den koker, de pen viel uit mijne hand.

“Dat is het niet,” riep mijn oom, “dat heeft geen gezonden zin!”

Vervolgens het vertrek met bliksemsnelheid doorvliegende en de trap als eene lawine afstormende, snelde hij de Koningstraat in en was in een oogenblik uit het oog verdwenen. Bladzijde 16

Hoofdstuk IV

Vrees voor het raadselachtige werk.—Waar is oom?—Moeilijkheden der ontcijfering.—De sleutel gevonden.

“Is hij weg?” riep Martha, die kwam aanloopen op het geraas van de huisdeur, die zoo hard was toegetrokken, dat het geheele huis er van dreunde.

“Ja!” antwoordde ik, “voor goed weg!”

“Hoe is het met zijn middagmaal,” vroeg de oude meid.

“Hij zal niet eten!”

“En met zijn avondeten?”

“Hij zal niet eten!”

“Wat!” zeide Martha, hare handen ineenslaande.

“Neen, goede Martha! hij en niemand in huis zal meer eten! Oom Lidenbrock wil ons allen honger laten lijden, tot hij een oude vod ontcijferd heeft, die volstrekt onmogelijk te ontcijferen is!”

“Dan zit er niet anders op dan van honger te sterven!”

Ik durfde er niet voor uitkomen, dat dit ons onvermijdelijk lot zou zijn met zulk een onhandelbaar mensch als mijn oom.

De oude meid ging, hevig ontroerd, zuchtende naar haar keuken terug.

Toen ik alleen was, kwam ik op de gedachte om alles aan Gräuben te gaan vertellen; maar hoe zou ik het huis uitkomen? De professor kon ieder oogenblik terugkeeren. En als hij mij dan eens riep! En als hij weer eens wilde beginnen met dat raadselachtige werk, dat men te vergeefs den ouden OEdipus zou voorgelegd hebben! Antwoordde ik dan niet op zijn roep, wat zou er dan van komen?

Blijven was dus het verstandigste. Juist had een delfstofkundige uit Besançon ons eene verzameling kiezelachtige adelaarsteenen gezonden, die gerangschikt moesten worden. Ik ging aan het werk. Ik schiftte en schikte in hunne hokjes al die holle steenen, waarin kleine kristallen zweefden.

Maar die bezigheid gaf mij geene afleiding; de zaak van het oude document hield mij te zeer bezig. Mijn hoofd gloeide en ik werd door eene naamlooze onrust bevangen. Ik had een voorgevoel van een naderend onheil.

De oude meid ging zuchtende naar hare keuken terug.

Na verloop van een uur waren de adelaarsteenen ordelijk geschikt. Ik liet mij toen met slingerende armen en achteroverhangend hoofd in den grooten Utrechtschen armstoel neervallen. Ik stak mijn groote duitsche pijp aan, welker gebeeldhouwde kop eene achteloos uitgestrekte stroomnimf voorstelde; daarna vermaakte ik mij met den voortgang der verbranding te volgen, die van mijne stroomnimf Bladzijde 17langzamerhand een volslagen negerin maakte. Van tijd tot tijd luisterde ik, of er geen schreden op de trap klonken. Maar neen. Waar mocht mijn oom op dat oogenblik toch zijn? Ik verbeeldde Bladzijde 18mij hem te zien loopen onder de schoone boomen op den weg naar Altona, met zijn stok zwaaiende en blind pareerende, met geweld op het gras slaande, de toppen der distelplanten afhakkende en de schuwe ooievaars in hunne rust storende.

Zou hij zegepralend of moedeloos huiswaarts keeren? Wie van beiden zou het winnen, het geheim of hij? Zoo ondervroeg ik mij zelven, en werktuigelijk nam ik het blad papier in handen, waarop de onverstaanbare reeks der door mij geschreven letters stond. Ik herhaalde bij mij zelven: “Wat beteekent dat?”

Ik beproefde die letters zoo te schikken, dat zij woorden vormden. Het was onmogelijk. Of men ze bij tweeën, drieën, vijven of zessen vereenigde, het gaf niets verstaanbaars; wel vormden de veertiende, vijftiende en zestiende letter het woord “ice,” de vier-, vijf- en zes en tachtigste het woord “sir,” en eindelijk merkte ik in het midden van het document op den tweeden regel ook de latijnsche woorden “rota, mutabile, ira, nec, atra” op.

“Drommels!” dacht ik, “uit die laatste woorden zou men bijna opmaken, dat oom gelijk heeft wat de taal van het document betreft. En zelfs bemerk ik nog op den derden regel het woord “luco,” dat “heilig bosch” beteekent. Wel is waar leest men op den derden het woord “tabiled,” dat zuiver hebreeuwsch is, en de zelfstandige naamwoorden “mer, arc, mère,” die zuiver fransch zijn.”

Dat was genoeg om iemand razend te maken! Vier verschillende talen in dien dwazen volzin! Welk verband kon er bestaan tusschen de woorden “ijs, mijnheer, toorn, wreed, heilig bosch, veranderend, moeder, boog of zee?” Het eerste en laatste alleen konden gemakkelijk overeenkomen; het was toch niet vreemd, dat in een document op IJsland geschreven, van eene “IJszee” gesproken werd. De verklaring van het raadsel was daarmede echter nog niets gevorderd.

Ik worstelde dus hevig tegen eene onoplosbare zwarigheid; mijne hersenen gloeiden; ik pinkoogde op het blad papier; de honderd twee en dertig letters schenen om mij heen te dansen, gelijk die zilveren tranen die na een geweldigen aandrang van het bloed om ons hoofd in de lucht opstijgen.

Ik was ten prooi aan eene soort van zinsbegoocheling, ik stikte, ik snakte naar lucht. Werktuigelijk bewaaide ik mij met het blad papier, welks beide zijden zich beurtelings aan mijn oog vertoonden.

Hoe groot was mijne verbazing, toen ik bij eene van die snelle omdraaiingen, op het oogenblik dat de keerzijde naar mij gewend was, volkomen leesbare woorden, latijnsche woorden meende te bespeuren, o.a. “craterem, terrestre.”

Terstond ging er een licht voor mij op; deze eenvoudige kenteekenen deden mij de waarheid inzien; ik had de wet van het geheimschrift ontdekt. Om dit document te lezen was het niet eens noodig om door het omgekeerde blad heen te lezen! Neen. Zoo als het Bladzijde 19was, zoo als het mij was voorgezegd, kon het vloeiend gespeld worden. Alle vernuftige verbindingen van den professor werden bewaarheid; hij had gelijk gehad ten aanzien van de schikking der letters, gelijk ook ten aanzien van de taal van het document! Er was slechts eene “beuzeling” noodig geweest om dien latijnschen volzin van het eene einde tot het andere te kunnen lezen, en het toeval had mij die “beuzeling” aan de hand gedaan!

Men kan nagaan hoe ontroerd ik was! Mijne oogen werden dof. Ik kon ze niet gebruiken. Ik had het blad papier op de tafel gelegd. Ik behoefde er slechts een blik op te slaan om bezitter van het geheim te worden.

Eindelijk gelukte het mij mijne ontroering meester te worden. Ik maakte het mij tot een plicht om tweemaal de kamer rond te gaan, ten einde mijne zenuwen tot bedaren te brengen, vervolgens plaatste ik mij weder in den grooten armstoel.

“Ik zal het lezen!” riep ik uit na ruim adem gehaald te hebben.

Ik bukte over de tafel, legde mijn vinger achtereenvolgens op iedere letter, en zonder te stuiten, zonder één oogenblik te haperen, las ik luide den geheelen volzin.

Maar welk eene ontsteltenis, welk een schrik greep mij aan! Ik stond eerst als door den bliksem getroffen. Hoe! wat ik daar vernam was reeds volbracht! iemand was vermetel genoeg geweest om door te dringen!....

“Ach!” riep ik uit, terwijl ik opsprong, “neen! neen! oom mag het niet weten! Dat ontbreekt er nog maar aan, dat hij de lucht kreeg van zulk eene reis! Hij zou er wellicht ook smaak in krijgen! Niets zou hem kunnen tegenhouden! Hij, zulk een vastberaden geoloog, zou vertrekken in ieder geval, in weerwil, in spijt van alles! En hij zou mij medenemen en wij zouden niet terugkomen! Nooit, nooit!”

Ik verkeerde in een onbeschrijfelijken toestand van opgewondenheid.

“Neen, neen! het mag niet gebeuren,” zeide ik vastbesloten, “en daar ik kan beletten, dat zulk een denkbeeld bij mijn dwingeland opkomt, zal ik het doen. Door dit document telkens te wenden en te keeren, zou hij bij toeval den sleutel kunnen ontdekken. Ik zal het vernietigen!”

Er lag nog eenig vuur in den haard. Ik greep niet alleen het blad papier maar ook het perkament van Saknussemm; met koortsachtig bevende hand wilde ik alles op de kolen werpen en dit gevaarlijke geheim vernietigen, toen de kamerdeur geopend werd en mijn oom verscheen. Bladzijde 20

Hoofdstuk V

De professor aan het werk.—De neef valt in slaap.—De huissleutel verdwenen.—De vreugde van mijn oom.—De lezing van het document.—De valiezen moeten gepakt worden.

Ik had maar even den tijd om het onheil-aanbrengend document weder op de tafel te leggen.

Professor Lidenbrock scheen in diep gepeins verzonken. De gedachte, die hem beheerschte, liet hem geen oogenblik rust; hij had klaarblijkelijk onder de wandeling de zaak onderzocht, ontleed, alle hulpbronnen zijner verbeeldingskracht aangewend, en kwam nu terug om de eene of andere nieuwe verbinding toe te passen.

Hij ging inderdaad in zijn armstoel zitten en met de pen in de hand begon hij formules neer te schrijven, die op een algebraïsch vraagstuk geleken.

Ik volgde met mijne oogen zijne sidderende hand; geen enkele zijner bewegingen ontging mij. Welke onverwachte uitkomst zou hij misschien verkrijgen? Ik beefde, maar zonder reden, omdat de ware, de “eenige” verbinding reeds gevonden zijnde, iedere andere nasporing noodwendig vergeefs moest zijn.

Drie uur lang werkte mijn oom zonder te spreken, zonder het hoofd op te heffen, duizendmaal uitwisschende, weder opnemende, doorschrappende, weder beginnende.

Ik wist wel dat, als het hem gelukte om die letters te schikken naar al de betrekkelijke plaatsen, die zij konden innemen, de zin klaar zou zijn. Maar ik wist ook, dat twintig letters reeds twee trillioenen, vier honderd twee en dertig duizend negen honderd twee billioenen, acht duizend één honderd zes en zeventig millioenen, zes honderd veertig duizend verbindingen moesten opleveren. In den zin waren honderd twee en dertig letters, en die honderd tweeën dertig letters gaven een getal verschillende volzinnen, dat uit minstens honderd drie en dertig cijfers bestaat, een getal bijna onmogelijk uit te spreken en dat alle bevatting te boven gaat.

Ik was dus gerust over dit heldhaftige middel om het vraagstuk op te lossen.

Intusschen verliep de tijd; het werd nacht; het gerucht op straat hield op; steeds over zijn werk gebukt zag mijn oom niets, zelfs de goede Martha niet, die de deur half opende; hij hoorde niets, zelfs de stem dezer waardige dienstbode niet die vroeg:

“Zal Mijnheer dezen avond eten?”

Martha moest zonder antwoord heengaan; ik voor mij, na mij eenigen tijd er tegen verzet te hebben, werd door den slaap overmand Bladzijde 21en sliep in op het einde van de canapé, terwijl oom Lidenbrock nog maar altijd berekende en doorschrapte.

Tot een besluit gekomen sloeg ik de armen over elkander en wachtte.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was de onvermoeide Bladzijde 22werkezel nog aan den arbeid. Zijne roode oogen, zijn bleek gezicht, zijne haren, waarin hij met eene koortsige hand had gewoeld, de purperroode rand onder zijne oogen bewezen genoegzaam zijne verschrikkelijke worsteling met het onmogelijke, en onder welk eene vermoeinis van zijn geest en inspanning van zijne hersenen de uren voor hem moesten verloopen zijn.

Ik kreeg waarlijk medelijden met hem. In weerwil van de verwijten, die ik het recht meende te hebben om hem te doen, gevoelde ik zekere aandoening. De arme man werd zoo door zijne gedachten overheerscht, dat hij vergat om boos te worden; al zijne levenskrachten trokken zich op één punt samen, en daar zij niet door hare gewone veiligheidsklep ontsnapten, stond het te vreezen dat hare spanning hem binnen kort zou doen springen.

Ik kon door een gebaar, door een woord slechts die ijzeren schroef losmaken, die op zijne hersenpan drukte. En ik deed het niet!

Mijn hart was toch goed genoeg. Waarom bleef ik dan stom in zulk een geval? In het belang van mijn oom.

“Neen, neen!” herhaalde ik, “neen, ik zal niet spreken! Hij zou er heen willen gaan, ik ken hem; niets zou hem kunnen tegenhouden. Hij heeft eene vulkanische verbeeldingskracht, en om te doen wat andere geologen niet gedaan hebben, zou hij zijn leven wagen. Ik zal zwijgen, ik zal het geheim bewaren, waarvan het toeval mij bezitter heeft gemaakt; het te ontdekken zou zoo goed zijn als professor Lidenbrock te dooden. Laat hij het raden, als hij kan, ik wil mij later niet te verwijten hebben, dat ik hem in het verderf heb gestort!”

Nadat ik hieromtrent tot een besluit was gekomen, sloeg ik de armen over elkaar en wachtte. Maar ik had niet op een voorval gerekend, dat eenige uren later plaats had.

Toen de goede Martha het huis wilde verlaten om naar de markt te gaan, vond zij de deur gesloten; de huissleutel stak niet in het slot. Wie had hem er uitgenomen? Stellig mijn oom, toen hij den vorigen avond van zijn haastig uitstapje was teruggekomen.

Was het met voordacht? Was het bij vergissing? Wilde hij ons de kwellingen van den honger laten ondergaan? Dat dacht mij toch wat al te erg. Hoe! Martha en ik zouden de offers zijn van een toestand, die ons niet het minste aanging? Zonder twijfel, en ik herinnerde mij een vroeger voorval, dat wel geschikt was om ons vrees aan te jagen. Eenige jaren geleden toch, op een tijdstip dat mijn oom werkte aan zijn groote mineralogische classificatie, bleef hij acht en veertig uur zonder voedsel, en het geheele huisgezin moest zich onderwerpen aan die wetenschappelijke hongerkuur. Ik voor mij kreeg er een maagkramp door, die niet zeer aangenaam was voor een vrij eetlustigen jongen.

Het scheen mij dus toe, dat het ontbijt even zoo zou uitblijven Bladzijde 23als het vorige avondeten. Ik besloot echter mijn moed te toonen, en niet te wijken voor de eischen der maag. Martha trok het zich zeer aan en werd bedroefd, die goede vrouw! Wat mij aangaat, de onmogelijkheid om het huis te verlaten hield mij en terecht meer bezig. Men begrijpt mij wel.

Mijn oom werkte gestadig door; zijn verbeelding verloor zich in de denkbeeldige wereld der verbindingen; hij leefde ver buiten de aarde en gevoelde werkelijk geen aardsche behoeften.

Tegen den middag prikkelde de honger mij hevig; Martha had, in hare eenvoudigheid, den vorigen avond den voorraad der etenskast geplunderd; er was niets meer in huis. Toch hield ik mij goed. Ik maakte er eene soort van punt van eer van.

Het sloeg twee uur. Het werd bespottelijk, onuitstaanbaar zelfs, ik zette groote oogen op. Ik begon bij mij zelven te zeggen, dat ik het gewicht van het document overdreef; dat mijn oom er geen geloof aan zou slaan; dat hij er niets in zou zien dan bedriegerij, dat men hem in het ergste geval tegen zijn zin zou tegenhouden, als hij de onderneming wilde beproeven; eindelijk, dat hij zelf den sleutel van het geheimschrift kon ontdekken en dat mijne onthouding dan te vergeefs zou geweest zijn.

Deze redenen schenen mij uitmuntend toe, hoewel ik ze daags te voren met verontwaardiging had verworpen; ik vond het zelfs heel dwaas, dat ik zoo lang had gewacht en mijn besluit was genomen om alles te zeggen.

Ik peinsde dus op een middel om niet zoo rechtstreeks met de deur in huis te vallen, toen de professor opstond, zijn hoed opzette en wilde gaan.

“Hoe! het huis verlaten en ons nog eens opsluiten. Dat nooit. Oom!” zeide ik.

Hij scheen mij niet te hooren.

“Oom Lidenbrock!” herhaalde ik met verheffing van stem.

“Hé! wat is 't?” zeide hij als iemand, die plotseling ontwaakt.

“Welnu! die sleutel!”

“Welke sleutel? De huissleutel?”

“Wel neen,” riep ik, “de sleutel van het document!”

De professor keek mij aan over zijn bril; hij bespeurde ongetwijfeld iets ongewoons op mijn gelaat, althans hij vatte driftig mijn arm, en zonder te kunnen spreken ondervroeg hij mij met zijne blikken. Echter werd nooit een vraag juister gesteld.

Ik bewoog mijn hoofd van boven naar beneden.

Hij schudde het zijne met eene soort van medelijden, alsof hij met een gek te doen had.

Ik maakte een duidelijker gebaar.

Zijne oogen schitterenden met een helderen glans, zijne hand maakte eene dreigende beweging.

Bladzijde 24Dit stomme gesprek in deze omstandigheden zou den onverschilligsten aanschouwer belang hebben ingeboezemd. Het kwam waarlijk zoo ver, dat ik niet meer durfde spreken, uit vrees dat mijn oom mij in de eerste omhelzingen zijner vreugde mocht smoren. Maar hij drong zoo sterk, dat ik antwoorden moest.

“Ja, die sleutel!... het toeval!...”

“Wat zegt gij?” riep hij met een onbeschrijfelijke ontroering.

“Ziedaar,” zeide ik, hem het door mij beschreven blad papier overreikende, “lees!”

“Maar dat beteekent niets!” antwoordde hij het papier ineen frommelende.

“Niets, als men van voren begint te lezen, maar van achteren...”

Ik had nog niet uitgesproken of de professor slaakte een kreet of liever een echt gebrul! Een licht was voor zijn geest opgegaan. Hij was geheel van gedaante veranderd.

“O, schrandere Saknussemm! gij hadt dus eerst uw volzin averechts geschreven?”

En met drift op het papier aanvallende, las hij met een verduisterd oog en aangedane stem het geheele document, van de laatste letter af aan beginnende.

Het behelsde het volgende:

In Sneffels Yoculis craterem kem delibat umbra Scartaris Julii intra calendas descende, audas viator, et terrestre centrum attinges. Kod feci. Arne Saknussemm.

Dit slecht latijn zou men aldus kunnen vertalen:

Daal af in den krater van den Sneffels Yocul, dien de schaduw van den Scartaris treft vóór den eersten Juli, vermetele reiziger! en gij zult het middelpunt der aarde bereiken.

Ik heb het gedaan. Arne Saknussemm.

Toen hij dit las, sprong mijn oom op, alsof hij onverwachts eene Leidsche flesch had aangeraakt. Zijne opgewondenheid, vreugde en overtuiging waren onbeschrijflijk. Hij liep heen en weer, nam zijn hoofd tusschen de beide handen, verzette de stoelen, stapelde zijne boeken op elkander, goochelde, het is haast niet te gelooven, met zijne kostbare adelaarsteenen, gaf hier een slag met de vuist, daar een tik met de hand. Eindelijk kwamen zijne zenuwen tot bedaren, en even als iemand die uitgeput is door een overdadig genot, liet hij zich in zijn armstoel nedervallen.

“Hoe laat is het toch?” vroeg hij na eenige oogenblikken stilte.

“Drie uur,” antwoordde ik.

“Wat! dan heb ik mijn middagmaal mooi verzuimd. Ik sterf van honger. Aan tafel! En dan....”

Bladzijde 25

Ik boog mij over de kaart.

“En dan?”

“Zult gij mijn valies pakken.”

“Wat?” riep ik uit.

Bladzijde 26

“En het uwe!” antwoordde de onverbiddelijke professor, terwijl hij de eetzaal binnentrad.

Hoofdstuk VI

In het studeervertrek.—De Sneffels.—De warmte in den aardbol.—De vulkanen.—Inwendige hitte der aarde.

Op die woorden ging mij eene rilling door het geheele lichaam. Ik bedwong mij echter. Ik besloot zelfs een goed gelaat te toonen. Wetenschappelijke bewijzen alleen konden professor Lidenbrock weerhouden, en die waren er genoeg, zeer goede zelfs, tegen de mogelijkheid van zulk eene reis. Naar het Middelpunt der aarde gaan! Welk eene dwaasheid! Ik bewaarde mijne bedenkingen tot een gepaster oogenblik en hield mij alleen met den maaltijd bezig.

Het is noodeloos al de verwenschingen van mijn oom mede te deelen, toen hij de tafel niet gedekt vond. Alles werd opgehelderd. De goede Martha kreeg hare vrijheid terug. Zij liep naar de markt en repte zich zoo, dat mijn honger een uur later gestild was en ik weder besef kreeg van onzen toestand.

Onder het eten was mijn oom bijna vroolijk; er ontvielen hem eenige geleerde kwinkslagen, die nooit zeer gevaarlijk zijn. Toen het nagerecht was afgeloopen, gaf hij mij een wenk om hem in zijn studeervertrek te volgen.

Ik gehoorzaamde. Hij ging aan het eene einde van zijne werktafel zitten en ik aan het andere.

“Axel!” zeide hij met eene zachte stem, “gij zijt een schrandere jongen; gij hebt mij daar een verbazenden dienst bewezen, toen ik die verbinding wilde opgeven. Waar zou ik heen gedwaald zijn. Niemand kan het weten! Ik zal dat nooit vergeten, mijn jongen! en gij zult uw deel hebben van den roem, dien wij zullen verwerven.”

“Kom aan,” dacht ik, “hij is goed geluimd; het oogenblik is gekomen om over dien roem te twisten.”

“Bovenal,” hernam mijn oom, “beveel ik u de stiptste geheimhouding aan, verstaat gij? Het ontbreekt mij aan geen benijders in de geleerde wereld, en velen zouden die reis willen ondernemen, die er eerst bij onze terugkomst iets van mogen vernemen.

“Gelooft gij,” zeide ik, “dat het aantal van die vermetelen zoo groot zou zijn?”

“Zeker! Wie zou aarzelen om zulk een roem te verwerven? Als Bladzijde 27dit document bekend was, zou een heirleger van geologen het voetspoor van Arne Saknussemm volgen!”

“Daarvan ben ik nog niet overtuigd, oom! want niets bewijst de echtheid van dit document.”

“Wat! En het boek, waarin wij het ontdekt hebben?”

“Goed! Ik stem toe, dat die Saknussemm deze regels geschreven heeft; maar volgt daaruit, dat hij inderdaad die reis heeft volbracht, en kan dat oude perkament geene bedriegerij behelzen?”

Het speet mij bijna, dat ik dit wel wat gewaagde woord had gesproken; de professor fronste zijn dikke wenkbrauwen en ik vreesde den uitslag van dit gesprek in de waagschaal te hebben gesteld. Gelukkig liep het goed af. Een vluchtig glimlachje krulde de lippen van den strengen spreker en hij antwoordde:

“Dat zullen wij eens zien.”

“Zoo!” zeide ik een weinig verstoord, “maar veroorloof mij om de reeks van tegenwerpingen met betrekking tot dit document te voltooien.”

“Spreek, mijn jongen! spreek ongedwongen. Ik geef u volle vrijheid om uwe meening te uiten. Gij zijt niet meer mijn neef, maar mijn ambtgenoot. Ga dus voort.”

“Welnu! dan zal ik u vooreerst vragen, wat die Yocul, die Sneffels en die Scartaris zijn, waarvan ik nooit heb hooren spreken.”

“Niets is gemakkelijker. Ik heb onlangs van mijn vriend August Petermann uit Leipzig eene kaart gekregen; zij kon niet beter van pas komen. Krijg den derden atlas uit het tweede vak van de groote bibliotheek, reeks Z. de vierde plank.”

Ik stond op en, dank zij deze juiste aanwijzingen, vond ik spoedig den gevraagden atlas. Mijn oom opende hem en zeide:

“Dit is eene der beste kaarten van IJsland, die van Handerson, en ik geloof, dat zij ons de oplossing van al uwe bezwaren zal geven.”

Ik boog mij over de kaart.

“Ziet gij dit eiland uit vulkanen bestaande?” zeide de professor. “Let op, zij dragen allen den naam van Yocul. Dat woord beteekent in het ijslandsch “gletscher,” en onder de hooge breedte van IJsland banen de meeste uitbarstingen zich een weg door de ijsbeddingen. Van daar die benaming van Yocul voor al de vuurspuwende bergen des eilands.”

“Goed,” antwoordde ik, “maar wat is de Sneffels?”

Ik hoopte, dat hij mij op deze vraag het antwoord schuldig zou blijven. Ik bedroog mij. Mijn oom hernam:

“Volg mij naar de westkust van IJsland. Ziet gij Reikiavik, de hoofdplaats? Ja? Goed. Ga langs de ontelbare fjörds van die door de zee afgeknaagde kusten opwaarts, en houd even op onder den vijf en zestigsten breedtegraad. Wat ziet gij daar?”

“Eene soort van schiereiland, gelijk aan een ontvleescht been, uitloopende in eene verbazend groote knieschijf.”

Bladzijde 28“De vergelijking is juist, mijn jongen! en bemerkt gij niets op die knieschijf?”

“Ja! een berg, die in de zee schijnt uit te steken.”

“Goed! dat is de Sneffels.”

“De Sneffels?”

“Dezelfde, een vijfduizend voet hooge berg, een van de merkwaardigste des eilands en voorzeker de beroemdste der geheele wereld indien zijn krater in het middelpunt van den aardbol uitloopt.”

“Maar dat is onmogelijk!” riep ik uit, de schouders ophalende en geërgerd door zulk eene vooronderstelling.

“Onmogelijk!” antwoordde professor Lidenbrock op een gestrengen toon. “En waarom?”

“Omdat die krater natuurlijk versperd is door de lava, de gloeiende steenen, en dus....”

“En als het een uitgedoofde krater is?”

“Een uitgedoofde?”

“Ja. Het aantal nog werkende vulkanen op de oppervlakte van den aardbol bedraagt tegenwoordig slechts omtrent drie honderd; maar er bestaan veel meer uitgedoofde vulkanen. De Sneffels nu behoort onder deze laatste, en in historische tijden heeft er maar ééne uitbarsting plaats gehad, in 1219; sedert dat tijdstip is zijn geweld langzamerhand bedaard en thans behoort hij niet meer tot de werkende vulkanen.”

Op die stellige verzekeringen kon ik niets meer antwoorden, en dus ging ik over tot de andere duisterheden, die het document bevatte.

“Wat beteekent dat woord Scartaris,” vroeg ik, “en wat heeft de eerste Juli daarmee te maken?”

Mijn oom dacht een poosje na. Ik hoopte een oogenblik, maar ook slechts één, want weldra antwoordde hij mij aldus:

“Wat gij duisterheid noemt is voor mij licht. Het bewijst de vernuftige zorg, waarmede Saknussemm zijne ontdekking heeft willen aanwijzen. De Sneffels bestaat uit verscheidene kraters; het was dus noodig den krater aan te duiden, die naar het middelpunt van den aardbol voert. Wat heeft nu de geleerde IJslander gedaan? Hij heeft opgemerkt, dat tegen den eersten Juli, dus in de laatste dagen der maand Juni, één van de pieken des bergs, de Scartaris, zijne schaduw verlengt tot aan de opening van den bedoelden krater, en hij heeft het feit in zijn document aangeteekend. Kon hij eene nauwkeuriger aanwijzing bedenken, en kunnen wij, als wij eens den top van den Sneffels bereikt hebben, met mogelijkheid den rechten weg missen?”

Het was duidelijk, mijn oom had op alles een antwoord. Ik zag wel, dat hij niet te vatten was op de woorden van het oude perkament. Ik drong er dus niet langer op aan, en daar ik hem boven alles moest overtuigen, ging ik over tot de wetenschappelijke tegenwerpingen, die mijns inziens vrij wat gewichtiger waren.

Bladzijde 29

Ik ging daarom naar den oever der Elbe.

“Welaan,” zeide ik, “ik moet bekennen, dat de zin van Saknussemm duidelijk is en geen twijfel overlaat. Ik sta zelfs toe, dat het document er volkomen echt uitziet. Die geleerde is naar den Sneffels Bladzijde 30gegaan; hij heeft de schaduw van den Scartaris vóór den eersten Juli de randen van den krater zien treffen; hij heeft zelfs in de volks-overleveringen van zijn tijd hooren vertellen, dat die krater op het middelpunt der aarde uitliep; maar wat aangaat, dat hij zelf er bij gekomen zou zijn, dat hij de reis zou gedaan hebben en teruggekeerd zou zijn, in geval hij haar ondernomen heeft, neen! duizendmaal neen!”

“En om welke reden?” zeide mijn oom op een bijzonder spottenden toon.

“Omdat alle theoriën der wetenschap betoogen, dat zulk eene onderneming onuitvoerbaar is!”

“Zeggen alle theoriën dat?” antwoordde de professor, een heel onnoozel gezicht zettende. “O, die akelige theoriën! wat zullen die arme theoriën ons hinderen!”

Ik zag dat hij met mij spotte, maar ging toch voort.

“Ja! het is bewezen, dat de warmte omstreeks één graad toeneemt bij iedere zeventig voet diepte onder de oppervlakte van den aardbol; neemt men nu aan, dat die verhouding dezelfde blijft, dan heerscht er, daar de straal der aarde vijftien honderd uur gaans bedraagt, in het middelpunt een warmtegraad van twee millioen graad. De stoffen in het binnenste der aarde bevinden zich derhalve in den toestand van witgloeiend gas, want de metalen, het goud, het platina, de hardste rotsblokken zijn niet bestand tegen zulk eene hitte. Ik mag dus met grond vragen, of het mogelijk is om in zulk een middelpunt door te dringen!”

“Dus is het de warmte, die u verlegen maakt, Axel?”

“Zonder twijfel. Al kwamen wij slechts tot eene diepte van tien uur gaans, dan zouden wij reeds de grens der aardschors bereikt hebben, want de warmtegraad is daar hooger dan dertien honderd graad.”

“En gij zijt bang om te smelten?”

“Gij kunt die vraag zelf wel beantwoorden,” zeide ik verstoord.

“Zie hier mijn antwoord,” hernam professor Lidenbrock met een deftig gezicht; “noch gij, noch iemand anders weet met zekerheid wat er in het binnenste van den aardbol omgaat, dewijl men nauwelijks het twaalf duizendste deel van zijn straal kent; de wetenschap is bij uitstek vatbaar voor volmaking en iedere theorie wordt gestadig omvergeworpen door eene nieuwe theorie. Heeft men tot Fourier toe niet geloofd, dat de warmtegraad van het hemelruim steeds verminderde, en weet men tegenwoordig niet, dat de grootste koude der luchtgewesten de veertig of vijftig graad onder nul niet te boven gaat? Waarom zou dat ook niet het geval kunnen zijn met de inwendige warmte? Waarom zou zij niet op eene zekere diepte eene onoverkomelijke grens bereiken, in plaats van toe te nemen tot den graad van smelting der hardste delfstoffen?”

Toen mijn oom de vraag op het gebied der vooronderstellingen overbracht, kon ik niet meer antwoorden.

Bladzijde 31“Welnu! ik zal u zeggen, dat echte geleerden, Poisson o.a., bewezen hebben dat, indien er eene warmte van twee millioen graad in het binnenste van den aardbol heerschte, de witgloeiende gassen, ontstaande uit de gesmolten stoffen, zulk een spankracht zouden krijgen, dat de aardschors haar geen tegenstand zou kunnen bieden en springen moest, gelijk de wanden van een stoomketel door de kracht van den stoom.”

“Dat is het gevoelen van Poisson, oom! ziedaar alles.”

“Toegestemd! maar het is ook het gevoelen van andere voorname geologen, dat het binnenste van den aardbol niet bestaat uit gas of water, noch uit de zwaarste steenen, die wij kennen; want in dat geval zou de aarde tweemaal lichter zijn.”

“O! met cijfers kan men alles bewijzen wat men wil.”

“En is het met feiten ook zoo, mijn jongen? Is het niet zeker dat het aantal vulkanen aanzienlijk verminderd is sedert de eerste dagen der wereld, en kan men, als er eene inwendige warmte bestaat, daaruit niet besluiten, dat zij gaandeweg afneemt?”

“Oom! als gij het velt der gissingen betreedt, kan ik niet langer redetwisten.”

“En ik moet zeggen, dat mijn gevoelen ondersteund wordt door dat van zeer bevoegde personen. Herinnert gij u het bezoek, dat de beroemde engelsche scheikundige Humphry Davy in 1825 bij mij aflegde?”

“Zeker niet, want ik werd eerst negentien jaar later geboren.”

“Welnu! Humphry kwam mij op zijne doorreis te Hamburg bezoeken. Wij bespraken onder andere punten ook lang de veronderstelling van de vloeibaarheid van de kern der aarde. Wij waren het beiden eens, dat die vloeibaarheid niet kon bestaan; om eene reden, waarop de wetenschap nooit het antwoord gevonden heeft.”

“En welke is die reden?” vroeg ik een weinig verwonderd.

“Omdat die vloeibare massa, even als de Oceaan, aan de aantrekkingskracht der maan onderhevig zou zijn, en bij gevolg zouden er tweemaal daags inwendige vloeden plaats hebben, die de aardkorst opheffende, regelmatig terugkeerende aardbevingen zouden veroorzaken!”

“Maar het is toch stellig zeker, dat de oppervlakte van den aardbol aan verbranding heeft bloot gestaan, en men mag dus veronderstellen, dat de buitenste korst het eerst is afgekoeld, terwijl de warmte naar het middelpunt week.”

“Dat is een dwaling,” antwoordde mijn oom; “de aarde is verwarmd door de verbranding harer oppervlakte en op geen andere wijze. Hare oppervlakte bestond uit eene groote menigte metalen, zooals het potassium, het sodium, die de eigenschap hebben van te ontvlammen door eene bloote aanraking met het water en de lucht; die metalen ontbrandden, toen de dampen uit de lucht als Bladzijde 32regen op den grond vielen, en langzamerhand, toen het water in de scheuren van de aardkorst doordrong, gaven zij aanleiding tot nieuwe branden met ontploffingen en uitbarstingen. Van daar die talrijke vulkanen in de eerste dagen der wereld.”

“Maar dat is eene zeer vernuftige gissing!” riep ik een weinig tegen wil en dank uit.

“En die Humphry Davy mij op deze zelfde plaats duidelijk maakte door eene zeer eenvoudige proef. Hij vervaardigde een metalen bol, hoofdzakelijk bestaande uit de pas genoemde metalen en die nauwkeurig onzen aardbol voorstelde; als men een fijne dauw op zijne oppervlakte liet vallen, zwol deze op, roestte en vormde een bergje; een krater ontstond op den top; de uitbarsting had plaats en deelde aan den bol zulk een warmte mede, dat het onmogelijk werd hem in de hand te houden.”

Ik werd waarlijk aan het wankelen gebracht door de bewijsgronden van den professor; hij droeg ze bovendien voor met zijn gewone vuur en geestdrift.

“Gij ziet, Axel!” voegde hij er bij, “dat de toestand van de kern der aarde tot velerlei gissingen onder de geologen aanleiding heeft gegeven, niets is minder bewezen dan dit feit van eene inwendige hitte; volgens mijn gevoelen bestaat zij niet en kan zij niet bestaan; wij zullen het echter onderzoeken en even als Arne Saknussemm zullen wij weten, waaraan wij ons met betrekking tot dit gewichtige vraagstuk te houden hebben.”

“Welnu! ja!” antwoordde ik, bijna door dezelfde geestdrift bezield, “ja, wij zullen het zien, als men er ten minste zien kan.”

“En waarom niet? kunnen wij niet op electrische verschijnselen rekenen om ons te verlichten, en zelfs op den dampkring, dien de drukking misschien nabij het middelpunt lichtgevend maakt?”

“Ja!” zeide ik; “ja! dat is ten minste mogelijk.”

“Het is zeker,” antwoordde mijn oom zegevierend; “maar zwijg, hoort gij? zwijg over dit alles, opdat niemand op de gedachte kome om voor ons het middelpunt der aarde te ontdekken.”

Hoofdstuk VII

Naar het middelpunt der aarde.—Een onmogelijke reis.—Toebereidselen tot het vertrek.—Reikiavik.—De koffer moet gepakt worden.—Naar den kelder?

Zoo liep deze gedenkwaardige zitting af. Dit gesprek maakte mij Bladzijde 33koortsig. Ik verliet als bedwelmd het vertrek van mijn oom, en er was geen lucht genoeg in de straten van Hamburg om mij te doen bijkomen. Ik ging daarom naar den oever der Elbe, ter plaatse waar Bladzijde 34de stoomboot ligt, die de stad in gemeenschap brengt met den spoorweg van Harburg.

Maar ik had niet op het ongeduld van een professor gerekend.

Was ik overtuigd door hetgeen ik gehoord had? Was ik niet onder den invloed van professor Lidenbrock geweest? Moest ik zijn besluit om naar het middelpunt van de inwendige ruimte der aarde te gaan voor ernstig gemeend houden? Had ik de zinnelooze bespiegelingen van een gek of de wetenschappelijke gevolgtrekkingen van een groot vernuft gehoord? Hoe het ook zijn mocht, waar eindigde de waarheid, waar begon de dwaling?

Ik dobberde tusschen duizend tegenstrijdige veronderstellingen, zonder mij aan eene enkele te kunnen vastklemmen.

Echter herinnerde ik mij, dat ik overtuigd was geworden, hoewel mijn geestdrift begon te bekoelen; maar ik zou gaarne onmiddellijk vertrokken zijn om geen tijd te hebben tot nadenken. Ja, het zou mij niet aan moed ontbroken hebben om oogenblikkelijk mijn valies vast te gespen.

Ik moet evenwel bekennen, dat een uur later die overspanning afnam; mijne zenuwen verslapten en uit de diepe afgronden der aarde steeg ik weder opwaarts naar hare oppervlakte.

“Het is ongerijmd!” riep ik uit; “het gelijkt nergens naar! Het is geen ernstig voorstel, dat men een verstandigen jongen kan doen. Niets van dat alles bestaat. Ik heb slecht geslapen! ik heb een benauwden droom gehad.”

Intusschen had ik de oevers van de Elbe gevolgd en de stad omgewandeld. Na de haven langs gegaan te zijn, kwam ik op den weg naar Altona. Een voorgevoel bestuurde mij, een verwezenlijkt voorgevoel, want ik bemerkte spoedig mijne lieve Gräuben, die vlug ter been en opgeruimd naar Hamburg terugkeerde.

“Gräuben!” riep ik haar van verre toe.

Het jonge meisje bleef een weinig verschrikt staan, ik denk omdat zij zich op een grooten weg hoorde toeroepen. In tien stappen was ik naast haar.

“Axel!” riep zij verwonderd uit. “Wat! komt gij mij te gemoet! Dat is lief van u, mijnheer!”

Maar, toen zij mij aanzag, bemerkte Gräuben mijn ongerust en ontsteld gelaat.

“Wat scheelt er aan?” zeide zij, mij de hand toereikende.

“Wat er aan scheelt, Gräuben!” riep ik.

In twee seconden en met drie volzinnen was het lieve meisje op de hoogte van de zaak. Zij zweeg gedurende eenige oogenblikken. Klopte haar hart gelijk het mijne? ik weet het niet; maar hare hand beefde niet in de mijne. Wij gingen wel honderd schreden ver zonder een woord te wisselen.

“Axel!” zeide zij eindelijk.

“Lieve Gräuben!”

Bladzijde 35“Dat zal eene schoone reis zijn.”

Ik sprong op bij die woorden.

“Ja, Axel! en den neef van een geleerde waardig. Het is goed, als een man zich onderscheidt door de eene of andere groote onderneming!”

“Hoe! Gräuben! gij raadt mij niet af om zulk een tocht te wagen?”

“Neen! lieve Axel! en ik zou u en uw oom gaarne vergezellen, als een arm meisje u niet tot last moest zijn.”

“Spreekt gij de waarheid?”

“De waarheid.”

Ach! meisjes, vrouwen, vrouwenharten! wat zijt gij toch onbegrijpelijk! Als gij niet de beschroomdste aller levende wezens zijt, zijt gij de dapperste! De rede heeft geen invloed op u. Hoe! dit kind moedigde mij aan om deel te nemen aan dien tocht. Zij zou niet gevreesd hebben om het waagstuk te ondernemen. Zij spoorde mij er toe aan, en toch beminde zij mij!

Ik was van mijn stuk gebracht en, waarom zou ik het verzwijgen? beschaamd.

“Gräuben!” hernam ik, “wij zullen zien, of gij morgen nog zoo zult spreken.”

“Morgen, lieve Axel! zal ik spreken als van daag.”

Gräuben en ik, elkander bij de hand houdende, maar een diep stilzwijgen bewarende, vervolgden onzen weg. Ik was diep geschokt door de aandoeningen van dezen dag.

“In elk geval,” dacht ik, “zijn wij nog ver van den 1sten Juli, en in dien tusschentijd zal er wel iets plaats hebben, dat mijn oom geneest van zijne gril om onder den grond te reizen.”

Het was avond, toen wij bij het huis in de Koningstraat kwamen. Ik dacht de woning in rust, oom naar gewoonte te bed en de goede Martha bezig te vinden met de eetzaal voor het laatst aan te stoffen.

Maar ik had niet op het ongeduld van den professor gerekend. Hij schreeuwde en was druk in de weer te midden van een hoop sjouwers, die eenige goederen in de gang nederlegden; de oude meid wist geen raad.

“Kom dan toch, Axel! haast u toch, ongelukkige!” riep mijn oom, zoodra hij mij in de verte zag, “uw valies is nog niet gepakt, mijne papieren zijn nog niet in orde, ik vind den sleutel van mijn reiszak niet en mijne reiskousen komen maar niet!”

Ik stond versuft. Ik kon niet spreken. Met moeite kon ik deze woorden uitbrengen:

“Gaan wij dan vertrekken?”

“Ja! ongeluksvogel, die liever gaat wandelen, in plaats van hier te blijven!”

“Gaan wij vertrekken?” herhaalde ik met eene zwakke stem.

Bladzijde 36“Ja! overmorgen ochtend met zonsopgang.”

Ik kon het niet langer aanhooren en vluchtte naar mijn kamertje.

Er viel niet meer aan te twijfelen; mijn oom had den namiddag gebruikt om zich een gedeelte der voor zijne reis noodzakelijke voorwerpen en gereedschappen aan te schaffen; de gang was versperd door touwladders, touwen met knoopen, toortsen, waterflesschen, ijzeren haken, breekijzers, met ijzer beslagen stokken, houweelen, genoeg om ten minste tien man te beladen.

Ik bracht een verschrikkelijken nacht door. Den volgenden morgen vroeg hoorde ik mij roepen. Mijn besluit stond vast om mijne deur niet te openen. Maar hoe kon ik weerstand bieden aan de zoete stem, die deze woorden sprak: “lieve Axel!”

Ik kwam uit mijne kamer, Ik dacht, dat mijn ontdaan gelaat, mijne bleekheid, mijne oogen, rood van slapeloosheid, hunne uit werking op Gräuben niet zouden missen en haar van gedachte doen veranderen.

“Ha, lieve Axel!” zeide zij mij, “ik zie, dat gij wat beter zijt en de nacht u kalmer heeft doen worden.”

“Kalmer doen worden!” riep ik uit.

Ik liep naar mijn spiegel. En ja wel! ik zag er niet zoo akelig uit als ik vermoedde. Het was haast niet om te gelooven.

“Axel!” zeide mij Gräuben, “ik heb lang met mijn voogd gesproken. Hij is een stout geleerde, een man van moed, en gij moet niet vergeten, dat zijn bloed in uwe aderen stroomt. Hij heeft mij zijne plannen, zijne verwachtingen, waarom en hoe hij zijn doel hoopt te bereiken, alles verteld. Hij zal slagen, ik twijfel er niet aan. O, lieve Axel! het is schoon zich zoo voor de wetenschap op te offeren! Welk een roem verbeidt den heer Lidenbrock en zal afstralen op zijn reisgenoot! Bij uwe terugkomst, Axel! zult gij een man zijn, zijns gelijke, vrij om te spreken, vrij om te handelen vrij ook om....”

Het meisje bloosde en zweeg. Hare woorden gaven mij weder moed. Ik trok Gräuben mede naar de kamer van den professor.

“Oom!” zeide ik, “is het vast bepaald, dat wij vertrekken?”

“Wat! twijfelt gij er nog aan?”

“Neen!” zeide ik om hem niet boos te maken. “Ik wilde slechts vragen, waarom wij zooveel haast hebben?”

“De tijd, de tijd vliegt immers met snelle vaart voort en kan niet teruggeroepen worden!”

“Maar wij hebben eerst den 26sten Mei, en tot aan het einde van Juni....”

“Denkt gij dan, domoor! dat men zoo gemakkelijk op IJsland komt? Waart gij niet als een gek weggeloopen, dan zou ik u medegenomen hebben naar het goederenkantoor voor Kopenhagen, bij Liffender & Co. Daar zoudt gij gezien hebben, dat er maar één Bladzijde 37dienst is van Kopenhagen naar Reikiavik, den 22sten van iedere maand.”

Martha en het meisje riepen ons een laatst vaarwel toe.

“Welnu?”

Bladzijde 38“Welnu! zoo wij tot den 22sten Juni wachtten, zouden wij te laat komen om de schaduw van den Scartaris den krater van den Sneffels te zien raken; wij moeten dus zoo spoedig mogelijk naar Kopenhagen om er een middel van vervoer te zoeken. Ga uw koffer pakken!”

Hier viel niet langer te praten. Ik ging weder naar mijne kamer, Gräuben volgde mij. Zij nam op zich om in een valiesje alle voorwerpen, die ik op mijne reis noodig zou hebben, bijeen te brengen. Zij was zoo weinig aangedaan, alsof het slechts een tochtje naar Lubeck of Helgoland gold; hare handjes waren zonder overhaasting bezig; zij praatte heel bedaard; zij gaf mij de verstandigste redenen op voor onze onderneming. Zij betooverde mij en toch was ik innerlijk zeer op haar verstoord. Somtijds stond ik op het punt om los te barsten, maar zij lette er niet op en ging stelselmatig met haar rustig werk voort.

Eindelijk was de laatste riem van het valies vastgegespt. Ik ging weer naar beneden.

In den loop van dezen dag was het aantal leveranciers van natuurkundige werktuigen, van wapenen, van electrische toestellen nog vermeerderd. De goede Martha was er suf van.

“Is mijnheer gek?” zeide zij mij.

Ik gaf een toestemmend teeken.

“En neemt hij u mede?”

Ik herhaalde het teeken.

“Waarheen?” zeide zij.

Ik wees met den vinger het middelpunt der aarde aan.

“Naar den kelder?” riep de oude meid.

“Neen!” zeide ik eindelijk. “Nog veel lager!”

Het werd avond. Ik had geene bewustheid meer van den vervlogen tijd.

“Morgen ochtend,” zeide mijn oom, “vertekken wij precies te zes uur.”

Te tien uur viel ik als een levenlooze klomp op mijn bed.

Des nachts keerden de schrikbeelden terug.

Ik bracht dien nacht door met van afgronden te droomen! Ik was ten prooi aan waanzin. Ik voelde, dat de stevige hand van den professor mij omklemde, medesleepte, in den afgrond wierp, deed wegzinken! Ik viel in onpeilbare diepten met de toenemende snelheid van lichamen, die aan zichzelven overgelaten zijn. Mijn leven was slechts een eindelooze val.

Ik ontwaakte te vijf uur, afgemat door vermoeienis en aandoening. Ik ging naar beneden in de eetzaal. Mijn oom zat aan tafel. Hij verslond de spijzen. Ik zag hem aan met een gevoel van afschuw. Maar Gräuben was er bij. Ik sprak niets. Ik kon niet eten.

Te half zes hoorde ik het ratelen van een rijtuig op de straat. Er kwam een groote wagen voor om ons naar den spoorweg te Bladzijde 39Altona te brengen. Hij was weldra volgeladen met al de kisten van mijn oom.

“En uw valies?” vroeg hij mij.

“Het is gereed,” antwoordde ik bijna bezwijmende.

“Breng het dan spoedig beneden, of wij zouden door uw schuld den trein missen!”

Tegen mijn noodlot te kampen scheen mij onmogelijk toe. Ik ging weder naar mijne kamer, en mijn valies van de trappen latende glijden, vloog ik het achterna.

Op dit oogenblik droeg mijn oom plechtig de “teugels” van zijn huis in handen van Gräuben over. Het lieve meisje behield hare gewone kalmte. Zij omhelsde haren voogd, maar kon een traan niet weerhouden, toen zij mijne wang met hare zachte lippen aanraakte.

“Gräuben!” riep ik.

“Ga, lieve Axel! ga!” zeide zij mij, “gij verlaat uwe bruid, maar vindt bij uwe terugkomst uw vrouwtje terug!”

Ik klemde Gräuben in mijne armen en nam plaats in het rijtuig. Martha en het meisje op den drempel van het huis staande, riepen ons een laatst vaarwel toe; daarna sloegen de beide paarden, door het fluiten van den voerman aangevuurd, in galop den weg naar Altona in.

Hoofdstuk VIII

Altona.—Kiel.—Korsör.—Professor Thomson.—Kopenhagen—De Vor-Frelsels kerk.—Duizeligheid.

Altona, eigenlijk stadsgebied van Hamburg, is het eerste station van den Kielerspoorweg, die ons naar den oever van de Belt zou brengen. Binnen twintig minuten kwamen wij op Holsteinschen grond.

Om half zeven uur hield het rijtuig stil voor het station, de talrijke kisten van mijn oom, zijn verbazende reisbehoeften werden afgelaten, vervoerd, gewogen, van briefjes voorzien, weder in den goederenwagen geladen, en om zeven uur zaten wij over elkander in dezelfde afdeeling van een waggon. De locomotief floot en zette zich in beweging. Wij waren vertrokken.

Had ik mij in mijn lot geschikt? Nog niet. Doch de frissche morgenlucht, de bijzonderheden van den weg, die telkens afwisselden door de snelheid van den trein, gaven mij eenige afleiding van mijn diep gepeins.

Bladzijde 40Wat de gedachte van den professor aangaat, deze liep gewis den trein vooruit die te te langzaam ging naar den maatstaf van zijn ongeduld. Wij zaten alleen in den waggon, maar spraken niet. Mijn oom onderzocht nog eens zeer oplettend den ganschen inhoud van zijne zakken en van de reistasch. Ik zag wel, dat hem geen enkel stuk ontbrak, dat hij noodig had voor de uitvoering zijner plannen.

Zoo droeg o.a. een netjes gevouwen papier het opschrift van de deensche kanselarij met de handteekening van den heer Ghristiensen, consul te Hamburg en vriend van den professor. Het moest dienen om voor ons de gelegenheid te openen om te Kopenhagen aanbevelingsbrieven voor den gouverneur van IJsland te verkrijgen.

Ook bemerkte ik het beruchte document, zorgvuldig weggestopt in den geheimsten zak der brieventasch. Ik vervloekte het uit den grond van mijn hart, en liet mijne blikken weder over het land gaan. Het was een lange aaneenschakeling van niet zeer bezienswaardige, eentonige, drassige en vrij vruchtbare vlakten: eene zeer gunstige landstreek voor den aanleg van een spoorweg en bijzonder geschikt voor die rechte lijnen, waarop de spoorwegmaatschappijen zoo gesteld zijn.

Maar de tijd was te kort, dan dat die eentonigheid mij had kunnen vervelen, want drie uur na ons vertrek hield de trein te Kiel stil, op een paar schreden afstands van de zee.

Daar onze bagage naar Kopenhagen bestemd was, behoefden wij er ons niet mede bezig te houden. Toch volgde de professor ze met een ongerust oog, terwijl zij naar de stoomboot gebracht werd. Daar verdween zij in het ruim.

Mijn oom had in den haast de aansluiting van den spoorweg met de boot zoo goed berekend, dat wij een geheelen dag voor ons hadden. De boot, Ellenora genoemd, vertrok niet voor den nacht. Dit verwekte eene koorts van negen uur, gedurende welke de lichtgeraakte reiziger het bestuur der booten en der spoorwegen, en de regeeringen, die zulke misbruiken duldden, naar den duivel wenschte. Ik moest met hem medepraten, toen hij den kapitein der Ellenora daarover den mantel uitveegde. Hij wilde dezen dwingen om oogenblikkelijk het vuur aan te stoken. De andere liet hem praten.

Te Kiel moet er, even goed als op iedere andere plaats, een einde aan den dag komen. Al wandelende langs de groene oevers der baai, aan welker uiteinde het stadje zich verheft; al dwalende door de dichte boschjes, die haar het voorkomen geven van een nest in een bundel takken, en de villa's bewonderende, die elk voorzien zijn van hare koudbad-inrichting, kortom, al loopende en vloekende, werd het eindelijk tien uur des avonds.

De rookwolken der Ellenora verdeelden zich in de lucht; het dek beefde door de schudding van den stoomketel; wij waren aan boord en bezitters van twee kooien boven elkander in de eenige kajuit der boot.

Bladzijde 41

De toren van Vor-Frelselskerk.

Kwartier over tienen werden de touwen losgemaakt en de stoomer liep snel over het donkere water van de groote Belt.

De nacht was duister; er woei eene fiksche koelte en er ging eene Bladzijde 42hooge zee; eenige kustvuren schenen in de duisternis; later, ik weet niet waar, flikkerde een draaiend kustlicht over de golven; dit was alles, wat ik van dezen eersten overtocht onthield.

Des morgens te zeven uur landden wij te Korsör, een stadje op de westkust van Seeland. Uit de boot stapten wij over op een anderen spoorweg, die ons door een niet minder vlak land dan de velden van Holstein voerde.

Wij moesten nog drie uur reizen, vóór wij de hoofdstad van Denemarken bereikten. Mijn oom had den ganschen nacht geen oog gesloten. In zijn ongeduld stiet hij, geloof ik, den waggon met de voeten voort.

Eindelijk kreeg hij de zee in het oog.

“De Sond!” riep hij uit.

Ter linkerzijde zagen wij een groot gebouw, dat een gasthuis scheen te wezen.

“Het is een krankzinnigengesticht,” zeide een onzer reisgenooten.

“Goed!” dacht ik, “in zulk eene inrichting moesten wij ons leven eindigen. En hoe groot het ook moge wezen, toch zou dit hospitaal nog te klein zijn om al de dwaasheid van Professor Lidenbrock te bergen.”

Eindelijk, des morgens te tien uur, waren wij te Kopenhagen; de bagage werd op een rijtuig geladen en met ons naar het hôtel de Phoenix in Bred-Gade gebracht. Daar was een half uur mede gemoeid, want het station is buiten de stad. Nadat mijn oom zich wat opgeknapt had, sleepte hij mij mede. De portier van het hôtel sprak duitsch en engelsch; maar als talenkenner ondervroeg de professor hem in goed deensch, en in goed deensch wees die persoon hem de ligging van het Museum van noordsche oudheden.

De directeur dezer bezienswaardige inrichting, waarin wonderen opeengestapeld zijn, die voldoende zouden zijn om de geschiedenis des lands op te stellen uit zijne oude steenen wapenen, zijne drink-schalen en kleinoodiën, was een geleerde, de vriend van den consul te Hamburg, professor Thomson.

Mijn oom had voor hem een warmen brief van aanbeveling. In het algemeen ontvangt de eene geleerde den andere zeer slecht. Maar hier was het anders. De heer Thomson ontving, als een dienstvaardig man, professor Lidenbrock en zelfs diens neef zeer hartelijk. Het is bijna onnoodig te zeggen, dat wij ons geheim voor den uitmuntenden directeur van het Museum verzwegen. Wij wilden eenvoudig als belanglooze liefhebbers IJsland gaan bezoeken.

De heer Thomson stelde zich geheel ter onzer beschikking en wij liepen de kaaien af om een zeilreê schip te vinden.

Ik hoopte, dat er volstrekt geen middel van vervoer zou zijn; maar het was zoo niet. Een kleine deensche schoener, de Valkyrie, zou den 2den Juni naar Reikiavik onder zeil gaan. De kapitein, de Bladzijde 43heer Bjarne, was aan boord; zijn aanstaande passagier drukte hem in zijne vreugde driftig de hand, waarover die brave man zich een weinig verwonderde. Hij vond het heel eenvoudig om naar IJsland te gaan, daar het zijn beroep was. Mijn oom vond het verheven. De waardige kapitein maakte van die geestdrift gebruik om ons dubbel te laten betalen voor den overtocht op zijn schip. Maar wij keken zoo nauw niet.

“Zorgt Dinsdag morgen om zeven uur aan boord te zijn,” zeide Bjarne, nadat hij een goed aantal speciedaalders had opgestreken.

Wij bedankten nu den heer Thomson voor zijne vriendelijkheid en keerden naar het hôtel de Phoenix terug.

“Dat gaat goed! dat gaat zeer goed!” herhaalde mijn oom. “Welk een gelukkig toeval, dat wij dit zeilklaar liggend schip gevonden hebben! Laten wij nu gaan ontbijten en dan de stad bezien.”

Wij begaven ons naar Kongens-Nye-Torw, eene onregelmatige plaats, waar zich een post bevindt met twee onschadelijk opgestelde kanonnen, die niemand vrees aanjagen. Dicht bij, in No 5, was eene fransche restauratie van een kok, Vincent geheeten; wij ontbeten er goed voor den matigen prijs van vier mark per hoofd.1

Vervolgens vond ik er een kinderachtig vermaak in om door de stad te wandelen; mijn oom liep overal mee, maar zag niets, noch het onbeduidend koninklijk paleis, noch de fraaie brug uit de zeventiende eeuw, die over het kanaal voor het Museum ligt, noch dat verbazende, ledige praalgraf van Torwaldsen, versierd met leelijke muurschilderingen, die de werken van dien beeldhouwer voorstellen; noch in een vrij schoon park het bevallige kasteel Rosenburg, noch het bewonderenswaardige beursgebouw in renaissance-stijl, noch zijn klokketoren, vervaardigd uit de dooreengeslingerde staarten van vier bronzen draken, noch de groote molens op de wallen welker verbazende wieken opzwollen door den zeewind, gelijk de zeilen van een schip.

Hoe heerlijk zouden de lieve Gräuben en ik gewandeld hebben naar de haven, waar de tweedekkers en de fregatten rustig sliepen onder hun rood dak, langs de groene oevers der straat, door die dichte boschjes, in wier midden de citadel zich verschuilt, welker kannonen hun zwarten muil tusschen de takken der vlier- en wilgen-boomen uitsteken!

Maar helaas! zij was verre weg, mijn arme Gräuben, en mocht ik hopen haar ooit weder te zien?

Al werd mijn oom niets gewaar van deze bekoorlijke plekjes, zoo werd hij toch levendig getroffen door het gezicht van een zekeren klokketoren op het eiland Amak, dat het zuidwestelijk gedeelte van Kopenhagen uitmaakt.

Bladzijde 44Ik kreeg order om mede daarheen te gaan; ik stapte op eene kleine stoomboot, die op de kanalen voer en binnen weinige oogenblikken legde zij aan bij de dokwerf-kade.

Na eenige nauwe straten doorgegaan te zijn, waar galeiboeven, met half gele half grauwe broeken gekleed onder den stok der onderofficieren werkten, kwamen wij voor de Vor-Frelselskerk. Die kerk leverde niets merkwaardigs op. Maar ziehier waarom haar vrij hooge toren de aandacht des professors getrokken had: van het platte dak af kronkelde zich van buiten eene trap om de spits en zijne schroeflijnen ontwikkelden zich hoog in de lucht.

“Laten wij hem beklimmen,” zeide mijn oom.

“Maar de duizeligheid?” hernam ik.

“Eene reden te meer, gij moet er aan gewennen.”

“Evenwel....”

“Kom, zeg ik u, wij moeten geen tijd verspillen.”

Ik moest gehoorzamen. Een oppasser, die aan de overzijde der straat woonde, gaf ons een sleutel en de beklimming begon.

Mijn oom ging mij met vlugge schreden voor. Ik volgde hem niet zonder angst, want ik werd zeer licht in het hoofd. Ik had noch de vastheid der arenden, noch de gevoelloosheid hunner zenuwen.

Zoolang wij nog binnen de moerschroef waren, ging alles goed; maar na honderd vijftig treden geklommen te zijn, sloeg de wind mij in het gezicht; wij waren op het platte dak van den toren gekomen. Daar begon de, met eene brooze leuning voorziene luchttrap, welker treden, die hoe langer hoe smaller werden, tot in het oneindige schenen te klimmen.

“Ik kan er nooit komen!” riep ik uit.

“Zoudt gij bij toeval een durfniet zijn? Klim!” antwoordde de professor onmeedoogend.

Ik moest dus wel volgen, terwijl ik mij stevig vasthield. De open lucht bedwelmde mij; ik voelde den toren door de rukwinden slingeren; mijne beenen wilden mij niet langer dragen; ik kroop weldra op de knieën, toen op den buik; ik sloot de oogen; ik kreeg neiging tot braken.

Mijn oom pakte mij nu bij den kraag en zoo kwam ik eindelijk bij den kloot.

“Zie eens!” zeide hij mij, “zie goed uit! gij moet in den afgrond leeren zien!”

Ik moest de oogen openen. Ik bemerkte de huizen, die als het ware platgedrukt en verbrijzeld waren door een vallend lichaam, te midden van wolken rook. Boven mijn hoofd dreven zonderling gevormde wolken, en door een gezichtsbedrog schenen zij mij onbeweeglijk toe, terwijl de toren, de kloot, ik, mijn oom, met toover-snelheid werden rondgevoerd. In de verte strekte zich aan de eene zijde het groene veld uit; aan de andere fonkelde de zee onder een Bladzijde 45bundel stralen. De Sond vertoonde zich bij de landpunt van Elseneur met eenige witte zeilen, als waren het vleugels van zeemeeuwen, en in den nevel ten oosten slingerden zich de nauwelijks zichtbare Bladzijde 46kusten van Zweden. Die eindelooze ruimte dwarlde voor mijne oogen.

Eene straat van Reikiavik.

Nochtans moest ik opstaan, recht overeind blijven en uitzien. Mijne eerste les in de duizeligheid duurde een uur. Toen het mij eindelijk vrij stond om weder af te dalen en het stevige plaveisel der straten te betreden, was ik stijf geworden.

“Morgen beginnen wij weder,” sprak de professor.

En inderdaad, vijf dagen achtereen herhaalde ik die duizelingwekkende oefening, en tegen wil en dank maakte ik merkbare vorderingen in de kunst “om uit de hoogte rond te zien.”


1 Omtrent ƒ 2.30.

Hoofdstuk IX

Het Kattegat.—Skagen.—Naar het middelpunt der aarde.—Het handschrift van Saknussemm.—Reikiavik.—De IJslanders.

De dag van het vertrek kwam. Den vorigen avond had de vriendelijke heer Thomson ons dringende aanbevelingsbrieven gebracht voor graaf Trampe, gouverneur van IJsland, den heer Pictorsson, coadjutor van den bisschop en den heer Finsen, burgemeester van Reikiavik. Warme handdrukken waren de dank van mijn oom.

Den 2den, te zes uur des morgens, was onze kostbare bagage aan boord van de Valkyrie. De kapitein bracht ons naar vrij nauwe hutten, geplaatst onder een soort van roef.

“Hebben wij een goeden wind?” vroeg mijn oom.

“Een uitmuntenden,” antwoordde kapitein Bjarne. “Een zuid-oostewind. Wij zullen met den wind genoegzaam achter en met volle zeilen de Sond verlaten.”

Eenige oogenblikken later ging de schoener onder zeil in de straat. Alle zeilen werden bijgezet; de fok, de groote bezaan, het marszeil en het bramzeil. Een uur later scheen de hoofdstad van Denemarken in de verre golven weg te duiken en ging de Valkyrie dicht onder de kust van Elseneur langs. In den zenuwachtigen toestand, waarin ik mij bevond, verwachtte ik de schim van Hamlet op den aan legenden rijken oever te zien ronddwalen.

“Verhevene zinnelooze!” zeide ik, “gij zoudt ons zonder twijfel toejuichen! gij zoudt ons misschien volgen om in het middelpunt van den aardbol eene oplossing voor uwen eeuwigen twijfel te zoeken!”

Maar er verscheen niets op de oude muren; het kasteel is dan ook veel jonger dan de heldhaftige deensche vorst. Het dient nu tot een prachtig verblijf voor den portier dezer straat, waar jaarlijks vijftien duizend schepen van alle natiëen doorvaren.

Bladzijde 47Het kasteel Kongborg verdween weldra in den nevel, even als de toren van Helsingborg op den zweedschen oever en de schoener boog zacht onder de koelten van het Kattegat.

De Valkyrie was een goed zeiler; maar met een zeilschip weet men nooit recht, waar men op rekenen kan. Zij bracht naar Reikiavik kolen, keukengereedschap, aardewerk, wollen kleederen en eene lading koren; vijf zeelieden, allen Denen, maakten de geheele bemanning uit.

“Hoe lang zal de overtocht duren?” vroeg mijn oom aan den kapitein.

“Een dag of tien,” antwoordde de laatste, “indien wij bij Faroër niet te veel buien uit het noordwesten krijgen.”

“Maar gij behoeft toch niet te vreezen voor te lang oponthoud?”

“Neen, mijnheer Lidenbrock! wees gerust, wij zullen tijdig genoeg aankomen.”

Tegen den avond zeilde de schoener om kaap Schagen. de noordelijkste punt van Denemarken, voer des nachts door de Schagerrak, langs het uiteinde van Noorwegen op de hoogte van kaap Lindesnäs en kwam in de Noordzee.

Twee dagen daarna waren wij bij de schotsche kust op de hoogte van Peterhead en richtte de Valkyrie den steven naar Faroër, tusschen de Orkaden en de Shetlandsche eilanden door.

Weldra werd de schoener bespoeld door de golven van den Atlantischen oceaan; hij moest tegen den noordewind op laveeren en bereikte niet zonder moeite de Faroër. Den 8sten zag de kapitein Myganness, het oostelijkste dezer eilanden; en van dat oogenblik af liep hij recht op kaap Portland aan, op de zuidkust van IJsland gelegen.

De reis leverde niets bijzonders op. Ik stond de bezwaren der zeereis vrij goed door; mijn oom was, tot zijn groot verdriet en nog grooter beschaming, onophoudelijk ziek. Hij kon er dus niet aan denken om kapitein Bjarne te ondervragen over den Sneffels, over de middelen van gemeenschap, over de gemakkelijkste wijze van vervoer; hij moest die ophelderingen tot zijne aankomst uitstellen en lag al dien tijd in zijne hut, wier houten wanden kraakten door het geweldige stampen van het schip. Ik moet bekennen, dat hij zijn lot wel een beetje verdiende.

Den 11den peilden wij kaap Portland; daar het nog dag was konden wij den Myrdals Yocul zien, die haar beheerscht. De kaap bestaat uit een grooten heuvel met steile hellingen, die eenzaam op het strand zich verheft.

De Valkyrie bleef op een aanzienlijken afstand van de kust, en voer haar in westelijke richting langs, te midden van talrijke scholen walvisschen en haaien. Weldra vertoonde zich eene verbazende, doorboorde rots, waar de schuimende zee met woede doorstroomde. De Westman-eilandjes schenen uit den oceaan op te stijgen, gelijk een handvol rotsblokken op de vloeibare vlakte heengeworpen. Van Bladzijde 48dit oogenblik af koos de schoener het ruime sop om op een goeden afstand kaap Reykjaness om te varen, die den westelijken hoek van IJsland vormt.

De hoogst onstuimige zee belette mijn oom om op het dek te komen, om die door de zuidwestewinden getande en verbrokkelde kusten te bewonderen.

Acht en veertig uur later, na een storm doorgestaan te hebben, die den schoener dwong om voor top en takel te loopen, peilde men ten oosten de boei van de punt van Skagen, wier gevaarlijke rotsen zich een aanmerkelijk eind ver onder de golven uitstrekken. Een ijslandsche loods kwam aan boord en drie uur later ankerde de Valkyrie voor Reikiavik in de baai van Faxa.

De professor verliet eindelijk zijne hut, wel wat bleek en ontdaan, maar altijd vol geestdrift en met van genoegen stralende oogen.

De bevolking der stad, die bijzonder belang had bij de komst van een schip, waaruit ieder iets verwachtte, kwam aan de baai bijeen.

Mijn oom haastte zich om zijne drijvende gevangenis, om niet te zeggen zijn hospitaal, te verlaten. Maar voor hij het dek van den schoener verliet, trok hij mij mede naar voren, en met den vinger wees hij mij aan het noordelijk einde der baai een hoogen berg met twee toppen, een dubbelen kegel met eeuwige sneeuw bedekt.

“De Sneffels!” riep hij, “de Sneffels!”

Na mij door een teeken een volstrekt stilzwijgen opgelegd te hebben, stapte hij in het bootje, dat op hem wachtte. Ik volgde hem en weldra betraden wij IJslands bodem.

Terstond daarop verscheen een man van een goed voorkomen en in een generaalsuniform gekleed. Het was echter slechts een eenvoudig overheidspersoon, de gouverneur des eilands, graaf Trampe in eigen persoon. De professor zag spoedig met wien hij te doen had. Hij overhandigde den gouverneur zijne brieven uit Kopenhagen, en er had in het deensch een kort gesprek plaats, waarin ik mij volstrekt niet mengde, en wel om eene goede reden. Maar dit eerste gesprek had dit gevolg: graaf Trampe stelde zich geheel ter beschikking van professor Lidenbrock.

Mijn oom werd even aardig ontvangen door den burgemeester, den heer Finsen, gelijk de gouverneur in uniform, maar even vredelievend van aard en betrekking.

Wat den coadjutor, den heer Pictursson aangaat, hij deed juist eene herderlijke reis in het noorderkwartier; wij moesten er dus voorloopig van afzien om aan hem voorgesteld te worden. Maar de heer Fridriksson, professor in de natuurwetenschappen aan de school te Reikiavik, was een innemend man, wiens medewerking ons zeer te stade kwam. Deze zedige geleerde sprak slechts ijslandsch en latijn; hij bood mij zijne diensten aan in de taal van Horatius, en ik gevoelde, dat wij geschapen waren om elkander te begrijpen. Bladzijde 49Hij was inderdaad de eenige met wien ik kon spreken gedurende mijn verblijf op IJsland.

HANS BJELKE.

Van de drie kamers, waaruit zijn huis bestond, stelde die uitmuntende Bladzijde 50man er twee ter onzer beschikking, en weldra waren wij er met onze bagage, over wier omvang de inwoners van Reikiavik een beetje verwonderd waren, te huis.

“Welnu, Axel!” zeide mij mijn oom, “dat gaat goed, het moeielijkste is achter den rug.”

“Wat, het moeielijkste?” riep ik uit.

“Zonder twijfel, wij behoeven nog slechts af te dalen!”

“Als gij het zoo meent, hebt gij gelijk; maar als wij nedergedaald zijn, zullen wij toch wel weder moeten opstijgen, denk ik?”

“O! daarover bekommer ik mij niet! Laat eens zien, ik heb geen tijd te verliezen. Ik ga naar de bibliotheek. Misschien is er wel het eene of andere handschrift van Saknussemm in, en dat zou ik gaarne eens raadplegen.”

“Dan ga ik intusschen de stad eens door. Zult gij dat ook niet doen?”

“O! daar geef ik niet veel om. Het merkwaardige van IJsland is niet boven, maar onder den grond.”

Ik ging weg en dwaalde doelloos rond.

In de twee straten van Reikiavik te verdwalen zou niet gemakkelijk geweest zijn. Ik behoefde dus ook niet naar den weg te vragen, hetgeen in de gebarentaal aan vele vergisssingen blootstelt.

De stad strekt zich op een vrij lagen en moerassigen bodem tusschen twee heuvels uit. Een verbazende lavastroom dekt haar aan den eenen kant en daalt zacht glooiend naar de zee. Aan den anderen kant strekt zich de groote baai van Faxa uit, ten noorden begrensd door den onmetelijken gletscher van den Sneffels, en waarin op dit oogenblik alleen de Valkyrie ten anker lag. Gewoonlijk zijn de engelsche en fransche schepen tot bescherming der visscherij op de reede geankerd; maar zij waren juist in dienst op de oostkust des eilands.

De langste der beide straten van Reikiavik loopt evenwijdig met den oever; daar wonen de kooplieden en winkeliers in hutten van roode op elkander gestapelde balken; de andere straat, meer westelijk gelegen, loopt naar een meertje, tusschen de huizen van den bisschop en andere geen neringdoende personen.

Ik was weldra aan het einde van die doodsche en treurige wegen; somtijds bespeurde ik wat verkleurd gras, gelijk een oud wollen tapijt, dat door het gebruik kaal geworden is, of wel iets dat op een moestuin geleek, welks schrale groenten, aardappelen, kool en latuw met gemak op eene lilliputsche tafel hadden kunnen staan; eenige kwijnende nagelbloemen trachtten ook een zonnestraaltje op te vangen.

Omtrent in het midden der, geen handeldrijvende, straat vond ik de algemeene begraafplaats, omgeven van een aarden muur, en waarop geen gebrek was aan ruimte. Eenige stappen verder kwam ik aan het huis van den gouverneur, een bouwval in vergelijking van het hamburgsche stadhuis, een paleis bij de hutten der ijslandsche bevolking.

Bladzijde 51Tusschen het meertje en de stad verhief zich de kerk, in protestantschen smaak gebouwd en vervaardigd van verkalkte steenen, die de vulkanen uitbraken; bij hevige westewinden kan het bijna niet anders of haar dak van roode pannen moet afwaaien, tot groote schade der geloovigen.

Op eene naburige hoogte bemerkte ik de nationale school, waar men, zooals ik later van mijn gastheer vernam, hebreeuwsch, engelsch, fransch en deensch onderwees; vier talen, waarvan ik tot mijne schande geen enkel woord kende. Ik zou de laatste geweest zijn van de veertig leerlingen, die deze kleine school telde, en onwaardig om met hen in die kasten met twee afdeelingen te slapen, waarin zwakker gestellen reeds den eersten nacht moeten stikken.

In drie uur had ik niet alleen de stad, maar ook hare omstreken bezocht. Haar voorkomen was in het algemeen hoogst treurig. Geen boomen, geen plantengroei was er om zoo te zeggen te zien; niets dan de kammen der vulkanische rotsen. De hutten der IJslanders zijn van aarde en veen gebouwd en de muren hellen binnenwaarts over; zij gelijken op daken op den grond geplaatst. Die daken zijn betrekkelijk vruchtbare weiden. Dank zij de warmte van de woning, groeit het gras er vrij goed, dat men zorgvuldig in den hooitijd maait, anders zouden de huisdieren op die groene woningen komen grazen.

Op mijn uitstapje ontmoette ik weinig inwoners; in de handeldrijvende straat komende, zag ik het grootste deel der bevolking bezig met kabeljouw, het voornaamste artikel van uitvoer, te drogen, te zouten en te laden.

De mannen schenen forsch, maar traag; zij hadden wel iets van blonde Duitschers met peinzende oogen, die zich min of meer buiten het menschdom g