The Project Gutenberg EBook of Specialiteiten, by Multatuli This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Specialiteiten Author: Multatuli Release Date: January 9, 2004 [EBook #10664] Language: Dutch Character set encoding: ISO Latin-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SPECIALITEITEN *** Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. SPECIALITEITEN DOOR MULTATULI "THE RIGHT MAN ON THE RIGHT PLACE" "_Het doet me groot genoegen dat er van dit werkjen 'n tweede druk gevraagd wordt. En, ronduit gezegd, het viel me tegen dat die niet sedert lang noodig was. 't Zal me waarlijk 'n groote voldoening wezen als deze uitgaaf wat spoediger uitgeput raakt dan de eerste, want--zoo onbescheiden als men wil, maar heel oprecht--ik geloof met zekeren my onbekenden recensent in den_ Spectator, _dat er uit deze studie over Specialiteiten wel iets zou te leeren vallen voor Volksvertegenwoordigers, Kiezers en ... sommige anderen_." Bovenstaande regelen maakten in 't najaar van 1875 den hoofdinhoud uit van het "_Voorbericht_" waarmee deze tweede druk van m'n opstel over Specialiteiten in 't licht verschynen zou. Velerlei verdrietige omstandigheden maakten my het afwerken der in datzelfde _Voorbericht_ toegezegde "Noten" tot-nog-toe onmogelyk. Bovendien werd me van vele zyden onder 't oog gebracht dat het voor de koopers van den eersten druk myner werken niet aangenaam is, de volgende uitgaven daarvan al te zeer uitgebreid te zien. Na vriendschappelyk overleg met m'n uitgever, verschynt nu deze tweede druk zonder die noten, en--op weinige min belangryke uitzonderingen na--_onveranderd_.[1] De toelichtingen die me geschikt voorkomen tot verdere staving van de juistheid der hoofddenkbeelden waaraan dit werkje z'n oorsprong te danken heeft, zullen _zoo spoedig mogelijk_ afzonderlyk worden uitgegeven. Het is my onmogelyk dit berichtje te sluiten, zonder melding te maken van de echt-humane wyze, waarop ik in deze zaak door den heer WALTMAN[2] behandeld werd. Met zachtmoedig geduld droeg hy den last en de schade die myn gedurig uitstellen hem berokkenden, zonder ooit de verdrietelykheden die van dat dralen oorzaak waren, te vermeerderen door afdoening te vorderen op 'n wyze als waartoe hy van _zyn_ standpunt volkomen gerechtigd zou geweest zyn. Hartelyk dank! _Wiesbaden Oktober_ 1878. MULTATULI. Noten: [1] _Een maand later_. Onder 't gereedmaken van m'n werk voor de pers, bleek me dat ik myn hier geuit voornemen maar gedeeltelyk volbrengen kon. De bydrage tot de physiologie van kamerdienaars, is nieuw. Het viel my te zwaar die satyre achtertehouden ... er stonden zooveel knechts op 'n spiegeltje te wachten! Ook op andere plaatsen heb ik my aan eenige toelichting en uitbreiding schuldig gemaakt, zonder nu te spreken van de moeite die ik me gaf om, door 't omwerken van zinsneden die my in 't oorspronkelyke niet korrekt voorkwamen, de uitdrukking beter in overeenstemming te brengen met de gedachte. Of die moeite steeds met goed gevolg bekroond werd, is 'n verdrietige vraag die ik liever niet beantwoord. Het is nu eenmaal zoo, dat ik hier en daar iets veranderd en bygevoegd heb, en daarvoor vraag ik met 'n beroep op IDEE 112 verschooning aan de koopers van de eersten druk. De uitbreiding en de veranderingen die ik my veroorloofde, zyn evenwel geenszins van dien aard dat zy de _Noten en Toelichtingen_ overbodig maken, waarvan ik in bovenstaand berichtje gesproken heb. Ik meen ze grootendeels gereed te hebben, maar weet by ondervinding dat ik by 't overgeven van m'n werk aan de pers, gewoonlyk de behoelte aan omwerking inzie. Voor dien arbeid is gezondheid, stemming, _loisir_ noodig. Zoodra ik kan! MULT. [2] De uitgever van den 2en druk, J. WALTMAN JR., te Delft. (Nota der uitgevers van den _vierden_ druk). The right man on the right place. I. Na _Carnaval de Venise_ en Duitsche eenheid, zal men moeielyk afgezaagder thema vinden dan dit arme mishandelde motto. Wanneer ik nu nog bovendien verklaar, niet volkomen zeker te zyn dat ik de zaak van Dr. DIBBETS onaangeroerd zal laten, en zelfs beloof hier-en-daar iets te zeggen over vaderlandsche welzynen, volksheilen en zulke zaken, dan zal men hoop ik inzien ditmaal niet te-doen te hebben met een der "_exentrieke stukken, gelyk men gewoon is van dien schryver te lezen_." Een kwalifikatie welke ik aanbeveel in de aandacht van referenten die geen kans zien zoodanig stuk van zoodanigen schryver behoorlyk te ontleden. Dit zy gezegd zonder minachting voor andere middelen die niet minder efficace werken, het zwartmaken byv. van des schryvers karakter. In beide gevallen kan men de moeite van 't kennisnemen, doorgronden en beoordeelen der behandelde zaak sparen en, niets zeggende, zich aanstellen alsof men iets gezegd had. --Wel, kapitein, hoe bevalt u Amboina? vroeg onze goeie majoor HARTZFELD den Hollandschen gezagvoerder van 't schip dat my zou overvoeren naar Europa. --Wat zal ik je zeggen, m'nheer! Amboina? Och, Amboina is ... 'n eiland. --Wel, referent, wat heeft die schryver geleverd? --Wat zal ik u zeggen, Publiek. Die schryver is excentriek. De goede majoor HARTZFELD toonde zich tevreden uit bescheidenheid. Hy eischte van m'n kaptein geen gemotiveerde analyse van den indruk dien 't hoogst-interessante Amboina op hem maakte. En ook "Publiek" is tevreden met z'n referent, al zy 't dan niet heel bescheiden zoo'n armen schryver doodteslaan met een slag. Hebt ge er wel eens aan gedacht, Nederlanders, hoe excentriek de schoonste stukken uit uw Bybel zyn? Nu, _ik_ zal 't niet wezen. En daarom de zaak DIBBITS-KEER! En daarom dat versleten motto! En daarom ook die uitweiding over excentriciteit, een der meest afgezaagde minst excentrieke dingen van de wereld ... zaak, woord en uitweiding daarover, alle drie. Wie heden-ten-dage iets te zeggen heeft, waarby _the right man on the right place_ kan worden te-pas gebracht, maakt zich waarlyk niet schuldig aan ongewoonheid. Men zegt--maar hier moet ik ernstig aandringen op geheimhouding--men zegt dat ergens in ons land zekere redakteur bezig is met het schryven van 'n hoofdartikel, waarin dat testimonium van het hedendaagsch _savoir faire_ maar driemaal zal voorkomen. Indien 't hem gelukt, zal hy daarna z'n krachten beproeven aan 'n verhandeling zonder klinkers. Daar ziet hy kans toe. Maar 't andere ... Van jongs-af lette ik vry nauwkeurig op eb en vloed van modewoorden. Ik herinner me den tyd toen "_bluf_" geboren werd. De lezer ziet hoe goedig ik hem gelegenheid bied tot goedkoope spotterny. Ik heb de woorden "_type_" "_humor_" en "_genie_" in de kindsheid hunner populariteit gekend. "_Bepaald_" is jonger. Een der nog jongeren is "_intens_" om nu van "_objektief_" en "_subjektief_" niet te spreken ... * * * * * Tot m'n schaamte moet ik erkennen dat m'n omgeving niet gedistingeerd genoeg was, om my in-staat te stellen tot het genieten der _primeur_ van _Engelsche_ stopwoorden. Een beetje Fransch, wat school-of studenten-latyn, een tot den huiselyken kring doorgedrongen straatterm--men kan z'n ooren niet sluiten--was alles wat my in m'n jeugd voortgezet werd. De Engelsche praatjes uit dien tyd bepaalden zich tot _the devil is an ass take a basket and save the pieces of your soul_, en Yankee Doodle's klacht: _he couldn't find the town, he saw too many houses_. Later, veel later, ontvingen we uit Amerika Jonathan's raadgeving aan z'n zoon: "_Be honest my boy, be honest if possible, but ... make money_!" Maar dat komt hier eigenlyk niet te-pas, want in die les steekt praktisch nut. Vandaar dan ook dat ze zelden wordt aangehaald. Men stopt haar weg om niet uit de school te klappen, waaruit schynt te blyken dat de diepte van den zin den opgang der verraderlyke klanken in den weg staat. Zinledige praatjes als de aangehaalde, hoe flauwer hoe liever, hebben meer kans op populariteit. Ze waren dan ook _sans malice_. Men gebruikte ze op z'n juffrouw Pieterse's "om zoo iets te zeggen." Men maakte er geen "eerst beginsel" van, waarop--onder andere zaakjes--de heele schepping berustte. Men spon er geen hoofdartikels om heen. Men borduurde er geen tableau van wysheid of moraal op. Men sausde er geen smakeloos krantengerechtje mee ... Onschuldige jeugd! * * * * * Toch excentriek! De inkleeding ... misschien! Maar overigens ... Lezer, ik koos m'n eigen manier om u voortebereiden tot het betoog dat de uitdrukking: _the right man on the right place_ ten-onzent is afgedaald tot 'n armzalig vulsel, tot 'n _scie_, tot 'n stopwoord. Neen, tot iets ergers ... tot 'n onwaarheid. Help my de dagen terugwenschen van den goeden Yankee, wiens liedje geen kwaad stichtte. Dat rymloos rympje van den rechten man op de rechte plaats, sticht wel kwaad. * * * * * Indien al de hoedanigheden--of de hoogst bereikbare maat daarvan--die 'n veldwachter behooren te versieren, vereenigd worden aangetroffen in de persoon van X, dan juich ik--in de veronderstelling dat ik me verbeeld op de hoogte te zyn--zoo luid als iemand de benoeming van dien X tot veldwachter, toe. Men moet 'n ongeneeslyk melancholikus wezen, of al zeer weinig tyd hebben, om by zoo'n gelegenheid niet meetejuichen. In dezen zin alzoo durf ik 't Engelsch _dicton_ niet aanvallen. Ik buig me voor de diepzinnige waarheid, dat'n zwaard past in z'n scheede, en 'n sleutel op 't slot waarbydi behoort. Dat 'n kraamkind in de wieg moet liggen--al blyf ik protesteeren tegen 't schommelen. Dat die X veldwachter wezen moet, en z'n neef Y lid van 'n invloedryk matigheidsgenootschap. Ook dat minister Z verdiende bevorderd te worden tot ambteloos burger ... altemaal _right things on their right places_, of _disederata_ daartoe strekkende. Maar eilieve, we zullen toch niet van Engelsche wyzen hoeven te leeren dat men geen kraamkind veldwachter maakt, dat minister Z op geen enkel slot past, en dat men Y z'n roes niet kan laten uitslapen in 'n wieg? Dit alles wisten wy reeds in Yankee's tyd, en zelfs voor WILLEM den Veroveraar. Ik bedoel den Normandischen WILLEM. Er moet dus in dat gezegde _over de juiste plaatsing van personen_ --tenzy daarin geen zin hoegenaamd ligge--iets verscholen zyn, dat de geestelyk-geringe man niet zoo terstond vat, en deze meening wordt bevestigd door de koppigheid waarmee men die uitspraak handhaaft in 't bezit der bewyzen van haar Engelschen oorsprong. De uitstekende X is dus veldwachter geworden. --Dat doet me genoegen. Hy was twaalf jaren lang 'n voorbeeld van dragondertrouw, geloof ik. --Hm! Dat is nu juist de reden van z'n benoeming niet. Hy reed nooit te-paard. --Hy heeft veel vrouwen en kinderen ... --'t Kan zyn. Maar niet daarom werd hy aangesteld. --Hy is "finaal" vry van sterken drank. --'t Is mogelyk. Maar ... je bent er nog niet. --Hy heeft weinig vrouwen en geen kinderen, maar zal trouwen met de keukenmeid van den burgemeester? --Dat is zyn zaak. Niet daarom is hy benoemd. --Hy gebruikte Theophile's wonderbalsem. Z'n knevel zal alle dieven en jachtstroopers schrik inboezemen. --Mis! --Ik geef 't op. --Onnoozele! Raad nog eens! --Hy, hy, hy ... ik weet het waarlyk niet. --Och, m'n waarde oudmodische gearriereerde allerbeste vriend ... je bent honderd jaar ten-achter. X is ... _the right man on the right place!_ Dat 's wat anders dan vrouwen, kinderen, knevels en 'n keukenmeid! Wie nu nog minder Engelsch verstaat dan 'n gepensioneerd Gouverneur- Generaal, zou byna in verzoeking komen te gelooven dat die woorden een onvertaalbaar tooverformulier inhouden, 'n verzekering dat X z'n benoeming aan de wondervolle tusschenkomst van 'n beschermengel te danken had, die in droomgezicht of donderwolk den burgemeester verschenen was ... Niets van dat alles. De heele zaak komt hierop neer, dat X geschikt werd geacht voor die betrekking. Eilieve, waarom drukken wy zoo'n eenvoudige begrypelyke Hollands- menschelyke zaak in vreemde taal uit? * * * * * Ik herinner me hoe in 1842 de vriendin eener dame te Padang, die over haar geringe afkomst werd gehekeld ... "Haar vader was trompetter" had men beweerd. ... hoe die vriendien party-trok voor de gehoonde afwezige, met 'n heftig: Ja, maar ... 'n _Engelsche_ trompetter! Daarover werd gelachen. Men vond de verdediging even zot als de aanval dom en kwaadaardig was. Doch, ik vraag u, Nederlanders, U die aldus "volkerenwysheid" borgt van den vreemdeling, of ge niet wat al te gastvry zyt in het onthalen van 't Engelsch trompetterskind dat we hier onderhanden hebben genomen om 't 'n fatsoenlyke begrafenis te bezorgen? Komaan, ik stel u voor, alle kinderen even lief te hebben --van trompetters en anderen--maar juist daarom geen onverdiende hoogheid toetekennen aan vreemd kroost, en vooral niet _omdat_ er wat trompetterigs bykomt. Laat ons eenvoudig zyn, en nu-en-dan--als het te-pas komt, waarom niet?--vorderen dat _ieder_ en _alles_ op de plaats zy, waarvoor _hy_ en _het_ geschikt zyn. En laat ons dit doen zonder 'n ophef alsof we de diepzinnigste waarheid van de wereld verkondigen. Laten we daarby de _leugen_ vermyden, klaterwaarde van _citaat_ optedringen aan 'n uitspraak, zoo huisbakken-eenvoudig dat er geen geklater, geen Engelsch en vooral geen trompet--ik spreek nu niet van hoofdartikel- schryvery--by te-pas komt. * * * * * Indien ik hier m'n uitval tegen de pretentieuze afkomst van die Padangsche dame besluiten mocht, had de heele uitval achterwege kunnen blyven. Ik heb betoogd dat men zeer goed in 't Hollandsch zeggen en doordryven kan, dat het nuttig is, ieder te plaatsen waar hy naar gaven, karakter, fortuin, ouderdom, enz., tehuis behoort. En ... dat men zich daarby niet behoeft te beroepen op exotische wyzigheid. Welnu, ik mag na dit allergemakkelykst betoogje, _niet_ van dat onderwerp afstappen. Want ik hoop opgewekt te hebben tot de vraag: --Wanneer die Engelsche waarheid zoo eenvoudig voor de hand ligt, vanwaar dan dat ze, alsof 't een diepzinnig spreekwoord was, kracht van _tekst_ heeft gekregen? Er moet daarin toch iets meer liggen dan in sommige andere spreekwyzen--"_mooi weer vandaag_" "_twee maal twee is vier_" _de Nederlander is braaf_, enz. enz.--die we gewoon zyn in 't Hollandsch te zeggen. Beproef gyzelf eens, aan een lauw, dor, banaal hoofdartikel schyn van gewicht te geven ... --Zonder klinkers? --Neen, zonder _scie_, zonder stoplap van dien aard. --Ge erkent dus dat het Engelsch trompetterswicht 'n _scie_ is. --Ten-naaste-by. Ik erken dat het zich wat te burgerlyk voordoet om pretentie te gronden op vreemdigheid van afkomst. Maar vanwaar dan de ophef? Er moet toch 'n oorzaak zyn waarom zoo'n ... _praatje_ fortuin maakte. Men zou toch niet wanen of beproeven 't publiek te imponeeren met elke andere banaliteit in vreemde taal uitgedrukt? --Spreek toch niet te stout over wat men niet beproeven zou. Ik heb waarlyk wel wanhopiger pogingen zien gelukken, om nog gewonen wysheid, nog onbeduidender wawelpraat, als een onder SIS-tempels opgegraven mysterie binnen-te-smokkelen in de gemoederen van lezers en hoorders. Bron van oneindige kracht, uw naam is kwakzalverij! Wie by de verheffing eener persoon tot eenig ambt, z'n tevredenheid daarover zou te kennen geven door't aantoonen van de oorzaken die zoodanige benoeming wettigen, heeft minder kans z'n overtuiging over te gieten in de gemoederen der lezers, dan iemand die z'n oordeel onder bescherming stelt van zoo'n als eerwaardig geykten term. En ... de methode is gemakkelyker. Even als in de wiskunde met formules, wint men een meestal lastige en daarom eens-vooral als geldig aangenomen redeneering uit. Maar--_niet_ als in de wiskunde--voelt men soms behoefte aan formules--zegge: _frazen_--om, onder valsch voorgeven van overbodigheid, de aandacht van 'n _onjuiste_ redeneering afteleiden. Op de vraag: "is die benoeming goed, nuttig, oorbaar, rechtvaardig?" stelle men zich niet tevreden met 'n Engelschen deun, en zelfs niet met 'n Hollandschen. De hoorder of lezer heeft recht op _aantooning der gronden_ waarop de tevredenheid met zulke aanstelling berust. De verzekering: "A, B, C, is de rechte man op de rechte plaats" is geen _betoog_. Het is 'n uitspraak die--om _iets_ waard te zyn--betoog _noodig heeft_. Dat nu de velen die klank voor zin nemen, uit traagheid met zulke klanken tevreden zyn, heldert nog geenszins op, waarom juist het hier behandeld Engelsch gezegde zooveel onverdiend fortuin maakte. Er moet nog 'n andere oorzaak wezen, die 't arme trompetterskind verhief tot 'n druk bereden stokpaard van krantenschryvers, en tot motto van dit opstel. Een ongewone eer, waarlyk! Want inderdaad, het is na den val der Fransche journalistiek--ieder zal toch nu wel erkennen, dat het ongelukkig Frankrijk aan _frazen_ bezweken is!--'t is na de schipbreuk der couranten-wysheid zoo gemakkelyk niet 'n redakteur bytestaan in het _telle-quelle_ vertoonbaar maken van 'n hoofdartikel! De "deun" die thans nog altyd, na 't bloedig _mene tekel_ aan de wanden der redaktie-bureaux, moed, lust en kracht levert tot het voorzetten van de ongezonde feestmalen waarop "Publiek" genoodigd wordt door de Belsasars van de pers, moet machtige beschermers hebben ... verdedigers van 't nobel gehalte dier Padangsche vriendin. En ... de eer der plaatsing boven 'n stuk van my! Van my, die 't zelfs versmaden zou my op GOeTHE te beroepen ter illustreering van de waarheid dat twee meer is dan een, al zy 't dan dat die bekwame _faiseur_ in z'n meer geprezen dan gelezen werken ontelbare zinsneden levert, waarin waarheden van dergelyk gehalte triumfantelyk worden verkondigd. Van my die m'n weerbarstig gemoed niet kan buigen tot 'n eerbiedig: "hoe koud vandaag ... gelyk de groote dichtervorst zoo wel gezegd heeft" of: "kiespyn is onaangenaam ... om de kernachtige uitdrukking van een onzer meest onsterfelyke redenaars te bezigen." Waarlyk er behoort iets toe, om--als _right motto on the right place_--boven 'n stuk van MULTATULI te staan ... Daar begin ik waarachtig zelf te trompetten! Het kind dat ik uitkleeden en begraven wilde, heeft zich van my meester gemaakt. Er moet iets achter steken. Die kracht ... Ik zal 't u zeggen. Om nu over andere oorzaken van meer ondergeschikten aard niet te spreken: 't onnoozel wicht heeft z'n taaie levensvatbaarheid te danken aan ons wanbegrip over SPECIALITEITEN. Ook dat trompetterskind--van Hollandschen oorsprong ditmaal, of nagenoeg--behoort uitgekleed en ten grave geleid te worden. Als we daarin slagen, zullen we later wat minder last hebben van z'n schreeuwerig kameraadje. * * * * * Het is 'n onbetwistbare waarheid dat SOKRATES eenmaal den jongen ALCIBIADES 'n duchtig lesje heeft gegeven over z'n onbescheidenheid. Onbetwistbare waarheden zyn de zoodanigen, die eens ergens als 'n los vertellinkje geboekt werden, en later--liefst in 't Grieksch of Latyn--'n deun geworden zijn, waarbij men _classiquement_ heel fatsoenlyk zweren mag. --Ik geloof er niets van ... zegt nu-en-dan de waarheidzoeker. Maar hy vergist zich. Want: 't Is het kind van 'n Griekschen trompetter, roept de hartelijke vriend van buitenlandsche waarheid. En we buigen 't hoofd voor die deftige afkomst. 't Is dus wel degelyk waar, dat ALCIBIADES door SOKRATES allerjammerlykst werd doodgeslagen met 'n bar: "m'n beste jongen, je ziet wel dat _jy_ niet de rechte man op de rechte plaats zoudt zyn voor die betrekking." Ik heb nu, om SOKRATES te binden aan de ekonomie van m'n prachtig motto--dat wel wat mank gaat aan tautologie[1]--den man iets gebrekkiger doen preken, dan naar we hopen z'n gewoonte was. De vraag is niet of SOKRATES zich beter uitdrukte dan onze hoofdartikelschryvers. De vraag is, wat er ontbrak aan de specialiteit van ALCIBIADES, om hem zoo'n Engelsche behandeling op den hals te halen! De goeie jongen wou magistraat zijn, en SOKRATES--misschien opgestookt door de Jezuiten, maar PLUTARCHUS verzwygt dit voorzichtig--SOKRATES wilde hem nog wat op-school houden, 't Was nog zoo heel lang niet geleden, dat de kwajongen de straat van Athene met z'n lichaam plaveide. En dan dat schandaal met dien hond! Ik trek geen party voor ALCIBIADES. Maar ... ik protesteer tegen de wijze waarop de ander hem z'n onbevoegdheid, zyn gebrek aan _specialiteit_, voor de voeten wierp. --Jy magistraat ... Jy? Komaan, zeg my eens, hoe hoog is het budjet van den Staat? Daar stond onze pretmaker. Hy had getold, gesold, gedold, gerold, geknikkerd, geknibbeld en gebikkeld, buren geplaagd, nachtwachts dol gemaakt ... En ook by SOKRATES kollegie gehouden, dat is waar. Maar ... wat helpt dit, als men na dit alles nog niet weet hoe groot de inkomsten van den Staat zyn? Gebrek aan _specialiteit_! Ik vraag u, o SOKRATES, indien uw leerling eens, tusschen al z'n guitenstukken in, de Atheensche begrooting had vanbuiten geleerd--'t is niet zoo heel gewaagd, hiervan de mogelykheid te veronderstellen --zoudt ge hem dan uw stem hebben gegeven? Zou dat 'n reden hebben opgeleverd, om z'n _specialiteit_ aantenemen als behoorlyk gestaafd? Och, SOKRATES antwoordt niet. Het is onaangenaam spreken met menschen die dood zijn. Maar by-gebreke aan zyn antwoord, vraag ik den lezer, of liever--om niet andermaal vergeefs te vragen--myzelf: _Wat zyn specialiteiten_? _Waar behooren ze_? _Waar behooren ze niet_? En ik--in weerwil der bemoeienis van "welwillende vrienden" nog steeds niet geheel-en-al dood--zal antwoorden zoo goed ik kan. II. Wie 't goede wil, en daarom 't kwade bestrydt, vergist zich vaak--zooals andere geneesheeren--in de keuze der middelen. Ik vrees dat het vorig hoofdstuk niet goed geschreven is. Sommigen zullen 't geestig vinden, en by dezulken heb ik m'n doel gemist, wyl dan de aandacht werd afgeleid van de bestreden kwaal, om die overtebrengen op de eigenaardigheid van den geneesheer. Niet daartoe meldt zich 'n arts by den zieke. En wie m'n betoog _niet_ geestig vindt, heeft nog meer reden om de strekking daarvan te versmaden. Waartoe ik my dan ook by dezulken vriendelyk aanbeveel. Indien ik my inderdaad vergist heb in de medikatie ... men vergeve het my. Evenzeer als m'n vriend AUGUSTE, de advokaat-likdoornsnyder, ben ik 'n voorstander van _emollients_. Maar na zoo dikwyls m'n krachten vruchteloos beproefd te hebben aan 't uitroeien der frazenziekte, was ik eindelyk wel genoodzaakt m'n geluk te beproeven met _cauteres_ van spot. Ik verzeker den lezer, dat ik bedroefd ben over de hardnekkigheid van de kwaal. Ingemoede tracht ik met gezond verstand te dienen. De Rede is m'n godin. Waar ik haar zie miskennen, bloedt my het hart. Niets natuurlyker alzoo, dan dat ik alles haat wat tot die miskenning aanleiding geeft, of daartoe meewerkt. Onder de bondgenooten van redelooze Ongodsdienstigheid vinden we steeds in de voorste gelederen: _fraze, spreekwoord, zegswys, manier van spreken, dicton, citaat, zaag_ en _deun_ ... altemaal adjudanten van den leugen-duivel, misbruik van het Woord--van den _Logos_--zonden tegen den H. Geest der Waarheid, Godslastering. Het eerste woord waarmee de eerste misdadiger den eersten doodslag trachtte te vergoelyken, was ... 'n _praatje_. --Ben ik myns broeders hoeder? vroeg KAIN. --Neen (had het zonderling spook kunnen antwoorden, dat in _sommige gedeelten_ van den bybel--_volstrekt niet overal!_--voor "God" wordt uitgegeven) neen, maar die ambteloosheid gaf je geen recht dien broeder doodteslaan. of: --Niet daarover loopt onze kwestie. De bedoeling van m'n vraag is, of je hem doodsloeg, en met welk recht? KAIN gebruikte die zegswyze--hy zal er wel bygevoegd hebben: _gelyk de groote dichter zich uitdrukt_, of: _om 'n oudecht-vaderlandsch spreekwoord te bezigen_ ... dat kleedt 'n fraze!--hy sprak zoo, uit verlegenheid. Juist. Wie broeders doodstaat, en met Waarheid overhoop ligt, voelt zich verlegen. En 'n _fraze_ is daarvan de korollaire uiting. Waar we dus frazen ontmoeten, ligt ergens een vermoorde broeder in 't kreupelhout. En daarom zal men my vergeven dat ik naar helschen steen gryp om "praatjes" uittebranden. "God" deed het ook in die _cause selebre_. Hy maakte korte metten met den praatjesmakenden moordenaar, en smeet hem zonder veel vorm van proces 't paradys uit. _Bien juge_! * * * * * Toen ik zoo-even de uitdrukking: _huurfraze_ ontdekte, was ik zoo vergenoegd dat ik al m'n vrienden 'n driedaagsche champagneparty gegeven heb. Nog niet geheel bekomen van den roes dien ik me by zulke gelegenheden tot 'n gewoonte heb gemaakt, hoop ik in dit hoofdstuk alle geestigheid te vermyden, en de vraag: _wat zyn specialiteiten_? zoo burgerlyk-ordinair te behandelen, dat daaruit by geen mogelykheid 'n nieuwe champagneparty zal kunnen voortkomen. Dit vooruitzicht is my te aangenamer omdat ik eigenlyk geen wyn lust, en vooral niet het extrakt van rottekruid dat velen zich opdringen--alsof 't 'n zaagcitaat ware!--zoo byzonder lekker te vinden. M'n vreugde over 't woord _huurfraze_ vindt haar grond in de hoop dat dit woord zelf tot _fraze_ zal verheven worden, en dat nog na veel eeuwen deze of gene woordenkramer zal worden doodgeslagen met 'n verpletterend: "je redeneering rydt op huurknollen ... gelyk de groote MULTATULI zoo wel gezegd heeft." _Similia similibus_! Van m'n onsterfelykheid ben ik zeker. Ik heb te veel gezegd dat tot _zaag_ kan omgeknoeid worden, om niet heel stevig in leven te blyven na m'n dood. Ik schaam my als ik bedenk hoevelen er gereed staan de skeletten van m'n arme statiepaarden, averechts opgetuigd voor hun huurkarretjes te spannen. Iets eerlyker dan PYTHAGORAS waarschuwde ik reeds voorlang tegen 't vervloekte _autosephae_ ... ook 'n _fraze_! * * * * * _Specialiteiten_ zyn ... byzondere dingen. Nu weet ge 't. _Generaliteiten_ zyn ... algemeene dingen. Dat weet ge nu ook. Wanneer men 't laatste van die beide woorden toepast op personen, dan zou men het allergevoeglykst kunnen toelichten door de omschryving: 'n generaliteit is de zoodanige die van alles--of van niemendal--verstand heeft. Iemand die tot alles bekwaam is, of tot niemendal. Dat deze definitie even volledig en juist, als bondig is, valt in 't oog door vergelyking met het woord _generaal_: een militair die alle vyanden--of geen enkele vyand--doodslaat, in tegenstelling van den soldaat die zeer _speciaal_ slechts op 'n enkelen tegenstander aanlegt, en dien enkelen maar zelden raakt. Na deze zoo nauwkeurige en stipte ontleding van den zin dien wy aan 't woord _generaliteit_ behooren te hechten--ik vermeed het heenwyzen naar _species_ en _genus_, om m'n pedanterie te verbergen--zyn we nu voorbereid tot het wel vatten van de beteekenis der uitdrukking die als uithangbord boven dit vertoogjen in zoo passend gezelschap geplaatst is. Een opschrift alzoo: _on its right place_. Een _specialiteit_ is ... Lieve lezer, ik weet het waarachtig niet! Zou ook dat woord misschien 'n _deun_ zyn, de basnoot waarop armoed aan denkvermogen 't maseurige wysje doedelt van den _right man_? * * * * * Na de duidelyke uiteenzetting van de beteekenis die we aan 't woord _specialiteit_ moeten hechten, behandelen wy nu--ik hoop even afdoende--de vraag waar zoo'n specialiteit behoort geplaatst te worden? Wel ... niets eenvoudiger. _On the right place_, natuurlyk. Wie daarmee niet tevreden is ... De bakker by z'n oven, de smid voor z'n vuur, de kat achter de kachel, en ROLLET in 't tuchthuis, als 't waar is althans, wat BOILEAU van dien heer zeide. En waar specialiteiten _niet_ behooren? Allereenvoudigst alweer! ROLLET op 't kussen, enz. enz. * * * * * Het doet me waarlyk genoegen de verhandeling in drie deelen zoo goed en kort te hebben afgedaan. Ik gunde me ditmaal den tyd niet, den lezer te vervelen. Daar echter m'n blaadje nog niet vol is, vraag ik 't woord voor 'n klein verhaal. Misschien stelt het den lezer eenigszins schadeloos voor de lankdradigheid van de verhandeling. Aan 'n table-d'hote in den Haag, sprak ik. Dit moet vermeld worden als 'n uitzondering, dewyl anders gewoonlyk _myn_ specialiteit in zwygen bestaat. Maar 'n zeer byzondere reden drong my ... och, ik zeg niet gaarne waarom ik deel nam aan de konversatie. Er was spraak van handel, winkeliers-_smart_, kramers-_humbug_, koopmanstrouw en verdere Nederlandsche volkomenheden. Ik had 'n paar bydragen geleverd, doch met weinig succes. Men vond ze niet pikant. 't Is dus met schroom dat ik die nu herhaal, maar ze kunnen by 't afspinnen van m'n vertelling niet gemist worden. Ik verhaalde dan hoe 'n gefortuneerd jong-mens middel had weten te vinden om 'n zoogenaamd arbeiders-horloge van koper, voor honderd gulden te verkoopen aan 'n "vriend" die 't ding slechts uit de verte gezien had. De handige verkooper had zorggedragen zich te onthouden van de verzekering dat het van goud was, en op 't schertsend bod van den ander, die meende met 'n tamelyk kostbaar werk te doen te hebben, driemaal gevraagd: _meen je 't?_ --Ja, ja, ja, was er geantwoord, ik meen het! --Daar heb je 't dan! werd er gezegd en ernstig volgehouden door den ander, tot de betaling inkluis. Hierin lag nu de _pointe_ van m'n vertelling niet. Maar ik meende die te leggen in 't vervolg van de historie. Een "zeer geacht" groothandelaar, scheepsreeder, diaken, enz. wien ik vroeger dat voorvalletje meedeelde, had me geantwoord: "hoor eens, daarin moet ik je nu tegenspreken. Hy had driemaal gewaarschuwd, en niet gezegd dat het van goud was. De ander had niet zoo onvoorzichtig moeten zyn ... je begrypt ... in den handel ... neen, ditmaal ben ik 't niet met je eens ... _driemaal_ gewaarschuwd ... wat wil je nog meer? Ik had staat-gemaakt op wat verontwaardiging. Maar m'n table-d'hote- gezelschap scheen voor 'n goed deel uit groothandelaars, scheepsreeders en kerkvoogden te bestaan. Niemand zei: he! Nu, 't gebeurt wel meer dat 'n vertelling doorvalt. Ik moest me schikken. Doch dit verklaarde niet waarom 'n heer die schuins tegenover me zat, my zoo vreeselyk boos aankeek. Ik kende hem niet, en pynigde m'n geheugen te-vergeefs met de vraag of ik dien man ooit kon beleedigd hebben? De table-d'hote was zeer goed, ruim voorzien ... Ik moet er dit by zeggen, om te voorkomen dat men dien zuurkyker verdenke van spysnyd, of my van indiskretie in 't ledigen der schotels. Het stuk speelt in den goeden _Toelast_, waar de voorraad van gerechten waarlyk tegen grooter onbescheidenheid bestand is, dan ik noodig heb me te veroorlooven. De man keek zuur, en was deftig. Het uitvaren tegen witte dassen is wat zagerig geworden, en 't spyt me dus veroordeeld te zyn tot geschiedschryver der verblindende kleurloosheid van z'n keelbedervend halsgewaad. In 's hemelsnaam ... dat is nu eenmaal zoo. En ook overigens zat de man vol witte dassen. Z'n zwarte rok was 'n witte das. Z'n welgedaan zachtblozend gelaat was 'n witte das. Z'n _embonpoint_ was 'n witte das. En z'n zuurkyken ... 'n luiermand vol witte dassen! Na den diepen val van m'n vertelling, oogstte een _commis voyageur_ grooten byval met oneindige "he!" 's in, over 'n verhaal dat met 'n "mooien slag in de amerikanen" eindigde. M'n tweede neerlaag liet zich niet lang wachten. Ik verhaalde hoe 'n eerlyk man te ... Groningen gebukt ging onder gewetenswroeging, omdat hy--door fielten meegesleept in "handelszaken"--zich 'n tyd lang ... _l'occasion, la faim, l'herbe tendre, Et quelque diable aussi le poussant_... Och, m'n goeie beste LAFONTAINE, die _diable_ had best achterwege kunnen blyven! Honger, gelegenheid en ... essenbladen zyn ruim voldoende om 'n afgetobden gebreklyder op 'n dwaalspoor te helpen. De man had meegedaan in 't maken van _thee_ die in Gelderland langs de wegen groeit. En hy leed onder 't besef van die fout ... Ga heen in vrede, roep ik hem by dezen toe, en maak geen valsche thee meer. Uw zonden zyn u vergeven. _Ik_ weet wat gy gedragen hebt. En daarover, en omdat ge overigens uw geheel moeilijk leven offerdet aan de waarheid! Maar niet dat vertelde ik aan m'n table-d'hoters. De tot 'n rampzalig einde veroordeelde _pointe_ van m'n verhaal kwam hierop neer, dat ik--natuurlyk zonder namen te noemen--iets over die Geldersche- theekultuur gezegd had aan ... 'n industrieel die allerliberaalst was. De man had me--daar gaat de _pointe_!--ouwerwetsch en dom gevonden, en geantwoord "dat zulke dingen overal gebeurden, en dat hyzelf 'n fabriek had van koffiboonen." De gasten praatten door alsof ik niets interessants gezegd had. De witte dassen bleven zuurkyken. M'n ouderling--hy was dit inderdaad--scheen verstand van wyn te hebben. Gedurig hield hij z'n glas tegen 't licht, en doorboorde het met kennersblikken. Hy dronk echter zeer weinig, waaruit ik opmaakte dat de wyn niet deugde. Ik bedroog me. Hy verzekerde z'n buurman die hem daarnaar vroeg, dat de wyn uitstekend was. Maar ... zonderling, hy zei dit op ontevreden toon, en als iemand die 'n onaangename waarheid verkondigt. Met bliksemsnelheid nam ik die byzonderheid aan als opheldering van z'n zuurkyken. De wyn is goed, hy is er boos om. My ziet-i boos aan, dus is hy goed op me ... zoo zal 't wezen! Weer mis! Hy was me volstrekt niet welgezind. Integendeel. Z'n heele linnenkast was hevig op me verstoord. Dit bleek uit de wys waarop hy 't zoutvat niet zien wilde, dat ik hem toeschoof toen hy dit scheen te zoeken. Hy wou van my en m'n zout niet gediend zyn, en voorzag zich elders, uittartend-duidelyk met opzet. Twee _pointes_ in 't water, zout versmaad ... och, 't was zoo bitter! --Wie is toch die ... heer, vroeg ik aan iemand naast me. "Man" durfde ik niet zeggen, om de witte dassen. En er werd my 'n naam genoemd, dien ik kende. --Dat is 'n vrome familie, zei ik. --Zeker! En hyzelf is vooral niet minder vroom dan de rest. Hy is ... --Ouderling, wil ik wedden. --Geraden! En hy is boos op je, omdat je ... nu dan, omdat je 'n "vrydenker" bent. 't Was zoo! De witte dassen gloeiden van heiligen toorn "omdat ik den CHRISTUS smaade, versmaadde" enz. Hy zou liever sterven dan een myner werken lezen, en had z'n kinderen verboden m'n naam te noemen, of zelfs van me te droomen. Hoe ik dit later zoo precies te weten kwam, doet nu niets ter zake. Ik begreep eenigszins hoe laag hy op my moest neerzien, en op al de fameuze werken die hy uit afschuw niet gelezen had. --Ouderling alzoo? Gut, ik dacht dat-i nog meer was dan dat. Z'n heele voorkomen kan dominee wezen. --O neen! Van beroep is hy fabrikant ... Weer doorboorden de blikken van den christelyken zuurkyker z'n wynglas. Ontevredenheid met den wyn--die _goed_ was, had-i gezegd--lag op z'n wezen. Zou die wyn ook den CHRISTUS gesmaad hebben? dacht ik. --Ah zoo ... fabrikant! En wat fabriceert de man? --Hy is 'n specialiteit ... Genade ditmaal voor m'n _pointe_, lezer! Een derde nederlaag overleef ik niet! --Hy is _specialiteit in wynvervalschingsmiddelen_! * * * * * Gy die zweert bij 't prachtige _right men on right places_, eilieve, waar plaatst ge: m'n _horlogeverkooper_? m'n _scheepsreeder-groothandelaar_? m'n _liberalen koffiboonenfabrikant_? m'n _godvreezenden ouderling-wynvervalscher_? * * * * * Nog altyd zit de kat achter de kachel, en spint. Het beest is op z'n plaats. De bakker staat voor z'n oven, en bakt. De man is op z'n plaats. De zon schuilt achter mist en nevel. En al verwarmt ze niemendal ... ze staat op haar plaats. Vuurpook en tang leunen tevreden tegen hun standertje, de kolen liggen rustig in den bak, de asch valt melancholisch door den rooster, de sneeuw op het dak wacht met geduld den tyd van smelten ... _all things on their right places_ ... Maar de eerlyke JACOB DE VLETTER zit in het tuchthuis. En heel veel boeven, die daar wezen moesten, zitten er nog altyd _niet_. En DUYMAER VAN TWIST zit in de Eerste-Kamer, en vertegenwoordigt daar 'n brok van 't Nederlandsche Volk, en praat mee over _Recht, Menschelykheid, Staatkunde, Indische belangen_ ... En CHRESOS schrijft vertellingen over witte dassen, voor 't publiek van Nederland. * * * * * Met uw verlof ... staat ook dit hoofdstuk wel op _the right place_? Wel zeker! 't Is 'n brandmerk, en hoort van rechtswege thuis in een _Ietsjen_ over SPECIALITEITEN. III. Komaan, vertel ons nu eens zonder scherts wat 'n _specialiteit_ is? Ik schertste niet, en zal dit ook niet doen. 't Onderwerp is er te treurig toe. Een specialiteit is 'n zoodanige die levenslang veel dingen verwaarloosd heeft, om den prys der middelmatigheid te behalen in den wedloop der beoefenaars van 'n bepaald vak. Een specialiteit is iemand die door zich blind te staren op een punt, het recht meent te hebben byziende te wezen voor wat anders, of zich zoo voortedoen Een specialiteit ... En weer verander ik van medikatie. Hebt ge wel eens zien straatvegen? --Niet zoo vaak als ik in 't belang der zindelykheid wenschen zou. Maar toch nu-en-dan. Voelde je niet soms den lust in u opkomen, zoo'n hem of haar den bezem uit de hand te rukken, en eens te wyzen, _hoe_ men behoort te vegen? --Dikwyls. Veegden alzoo, naar 't ideaal dat gy u schept van straatvegen, die mensen _goed_? --Met de hand op 't hart, by m'n ziel en zaligheid, op eer en geweten, in tegenwoordigheid van goden en mensen ... neen! Zeer wel. Dit gekonstateerd zynde, vraag ik u of ge zoo'n straatveger in-staat oordeelt u 'n rechtskundig advies te geven, uw kinderen van kinkhoest te genezen, de schulden van den Staat te delgen, boekdrukkunsten uittevinden, Amerika's te ontdekken, enz. enz.? --Met hand, hart, ziel, enz ... alles _als-voren_: neen! Welnu, zoo'n veger die niet vegen kan, en geen ander vak verstaat dan niet te kunnen vegen, is 'n _specialiteit_. * * * * * We zyn dom, klein en koppig. Waarachtig, lezer, we zyn koppig, dom en klein. Wees nu eens niet te klein, te koppig en te dom, om dit toetestemmen. We weten weinig. We kennen weinig. We kunnen weinig. En we willen ons voordoen _alsof_ wy iets wisten, kenden en konden. Telkens komt het voor, dat de omstandigheden deze of gene hoedanigheid in ons vereischen zouden. Telkens schieten wy te-kort in 't leveren van wat wy eigenlyk moesten kunnen leveren. Dan zyn we beschaamd over deze domheid, onmacht en onnoozelheid, te klein om edele wraak te nemen door verheffende inspanning, te hoofdig om dat alles te erkennen, en: --Och ... ik ben eigenlyk straatveger, zeggen ze dan. Dat is m'n vak, m'n roeping. Daarin munt ik uit. Daarin zoek ik myn meester ... Die ligt te vinden is, dat zagen we! Want ze vegen slecht, de specialiteiten die den "marmottenwinter van hun vakje gebruiken als voorwendsel om niets te weten van wat daarbuiten omgaat." Nu straatvegen doen ze juist allen niet. Waarachtig niet! En dit is van sommigen jammer genoeg. --Van "Rechten" heb ik geen verstand, roept de een, ik ben genie- officier, architekt, artist, arbeidsman, pruikenmaker ... Heel wel. Ge zyt er niet minder om. Maar verschuil u niet achter die specialiteit, om by voorkomende gelegenheid niet te weten wat _Recht_ is. --Ik ben jurist, verzekert 'n ander. Ik slaap, leef en sterf met _codices_ en de H. Boeken van 't _corpus juris, nec non_ met 'n beetje toevoegsel van hedendaagsche parlementery. Best, opperbest! Maar meen niet dat die specialiteit u vrystelt van eerbied voor gezond verstand. --Ik "ben" _in_ koffi, reedery, assurantie. Ik "doe" in vetwaren, kurken, vleeschextrakt, oesters, eau-de-cologne ... "Wees" en blyf in augurken, als ge verkiest. Maar eilieve, _gedraag_ u niet, alsof gyzelf 'n komkommer waart, wanneer er gesproken wordt van andere dingen dan "waarin ge zyt." "Doe" in wat ge wilt, maar toon dat ge ook iets _doen_ kunt, als het te pas komt. Koop en verkoop oesters ... goed! Maar kruip niet zelf in 'n schulp, zoodra er behoefte is aan eigenschappen die uw broodwinning niet raken. Dat opgaan in de specialiteit van 'n vak, van een vak, is dom schandelijk en nadeelig. Een is dikwijls geen, in dit geval. --Dit alles belet niet dat de man die levenslang brood bakte, waarschynlyk beter brood leveren zal dan iemand die nooit gebakken heeft. Ja en neen. Gewoonte maakt wel handig, maar niet altyd bekwaam. Er kan bovendien verschil van gevoelen bestaan over de vraag welk brood _goed_ is? Wat de een goed noemt, kan den ander middelmatig of slecht voorkomen. Meen niet dat deze opmerking ... O, bitter wreed vermoeden dat ik me hier op den hals haal! Zullen niet sommigen meenen dat deze bedenking 'n advokatige scheenworp is, een pleiterig vulsel dat by elke gelegenheid heel oppassend kan worden te-pas gebracht, 'n ... _scie_? 't Woord is er uit. Neen, ik moet en ik wil werkelyk zeggen dat het oordeel over de deugdelykheid van brood zeer verschillend is. Naar _mijn_ meening--waarin ik by-uitzondering 1497 millioen min een, smaakverwanten heb--is 't Hollandsche brood over 't algemeen _zeer slecht_, en wel geproefd: _geen_ brood. Op weinig uitzonderingen na, komt het iemand die geen byzonderen eerbied voelt voor de levenslankheid der bakkers, waarop gy u beroept, oneetbaar voor. De Franschen die men 't voorzet, noemen het, als ze zich beleefd willen aanstellen, _gateau_, en vragen wat anders. Ook ik vraag wat anders, en noem het, onbeleefd, half-gaargebakken watten met kryt, koper, aluin, geile melk, vitriool en oudsche eieren. Niets bewyst echter dat de Franschen, ik, en de overige 1497 millioen mensen die geen Hollandsen brood lusten, gelyk hebben. De mogelykheid bestaat dat 'n hemelsche jury, by 'n algemeene Paryzer heelal-tentoonstelling van vierduitsbroodjes, aan onze bakkers de gouden medaille zou toekennen. Maar ... zoolang die jury zoodanige uitspraak niet gedaan heeft, is 't niet zeker, en zelfs niet _waarschynlyk_ dat de Hollandsche bakkers goed gebakken hebben, in weerwil hunner altyd doorbakkende levenslankheid. Ook de Fransche bakker is _specialiteit_. Ook hy bakte gisteren reeds, verleden week, voor jaren, van kindsbeen af. En _hy_ beweert dat 'n Hollandsche broodmaker de zaak niet verstaat. Ik had in 1850, 51 nog geen bakken geleerd. De admiraal JURIEN DE GRAVIERE ... ach, hy kommandeert als zoetwaterzeeman, op dit oogenblik (_Voorjaar_ 1871) de flotille "_du parti de l'ordre_" op de _Seine_! Wie had gedacht dat hy zoo laag vallen zou, de achtenswaardige kommandant van de _Bayonnaise_, die me leeren wilde hoe men goed brood bakt! Van hem namelyk heb ik 't woord _gateau_, dat ik zoo-even aanhaalde. Na veel vruchtelooze pogingen van m'n kok om dien hoofdofficier iets voortezetten dat hy _als brood_ gebruiken kon, noodigde deze my aan boord van z'n korvet, niet aan z'n tafel ditmaal, maar in de kombuis. Daar toonde hy my hoe men vochtig meel deed verzuren door wat warmte met geduld. En dat men geen byvoegsel van gist noodig had. En hoe telkens een gespaard deel van 't gebruikte deeg, morgen oud geworden, het nieuwe zou doorzuren en doen "ryzen" in weinig tyds, zonder daaraan den vuilen bysmaak te geven waarop de Hollanders zoo gesteld schynen. En hoe brood--"_du_ pain, _m'sieur_ DEKERR, _du_ pain, _ce qu'on peut nommer du_ pain!"--hoe brood alleen moet bestaan uit _gaar meel_, zonder meer. Zonder aluin, zonder kryt, zonder suiker, zonder melk, zonder eieren, zonder koper en vitriool, zonder vuiligheid, zonder _vergif_. Ik erken dat ik op dit oogenblik met de handen verkeerd zou staan, en dat ik me waarschynlyk eenige vergeefsche proeven zou moeten getroosten, waar ik in-staat ware brood te leveren dat _volgens het oordeel van verreweg 't grootste deel onzer medemensen_, beter voldoet aan de eischen die men aan _brood_ stellen mag, dan dat onzer levenslange Hollandsche bakkers. Ik heb er de hand niet aan gehouden, en de juiste methode is my ontgaan. En ... wonder is 't niet! Ik deed zooveel andere dingen sedert 1850! Daar ligt zooveel tusschen die kombuis van de _Bayonnaise_ en deze verhandeling! Zooveel arbeids! Zooveel vermoeienis! Zooveel teleurstelling! Zooveel onbekroond streven! Zooveel smart! En wat al slecht gebakken brood at ik sedert dien tyd! En hoe bitter was 't meestal, ook zonder misselyk gesuikerd te zyn! En hoe vaak rees de gedachte in my op: als ik eens, om brood te hebben, mezelf maakte tot zoo'n levenslange bakker? Maar er is niets van gekomen. Gedurig had ik wat anders te doen. Op dit oogenblik, by-voorbeeld, moet ik voortgaan met m'n stuk over _Specialiteiten_. * * * * * Het is alzoo niet uitgemaakt dat iemand die zich aan 'n bepaald vak wydt, in dat bepaald vak iets beters levert, dan te verwachten is van anderen, van _niet_-specialiteiten. Er bestaan zelfs gegevens die zouden doen besluiten tot het tegendeel, of--om korrekt te redeneeren --gegevens die het tegendeel mogelyk, en zelfs waarschynlyk maken. Een bakker--de scherpzinnige lezer zal wel de goedheid hebben de bakkery overtezetten in den algemeen-maatschappelyken toonsleutel die op m'n kompozitie past--'n bakker die onder kryt, aluin, eieren, melk, gist, koper, vitriool en bedorven klanten is opgegroeid, heeft, juist tengevolge van z'n levenslankheid, meer moeite zich te ontdoen van al deze ingegroeide dingen, dan de onschuldige die--als ik in de kombuis van de _Bayonnaise_--nuchter is van alle verkeerde kennis der zaak. Zoo'n bakker is ... --Wat al divagatien! Ge vergist u. Ik divageer niet. En 't bewys? Zoo'n bakker is 'n _specialiteit_. * * * * * En nu lezer--tenzy gyzelf behoort tot de specialiteit van de velen die niet lezen kunnen--transponeer! Ach, er wordt zooveel slecht voedsel geleverd uit heel andere bakkeryen, dan waar die gesofistikeerde miniatuur-lendekussentjes als brood worden uitgevent! _Specialiteit_ van rechtkennis ... bedorven melk! _Specialiteit_ van staatsmanswysheid ... taaie watten! _Specialiteit_ van broederliefde, mensenmin, vrede op aarde met obligaat-welbehagen, roode kruizen, filantropie, dierenbescherming, neger-wintersokjes, Javaannut-maatschappyen, weldadigheidskommissien ... sterke boter! En, by al die specialiteiten, de zeer speciale specialiteit der _frazen_ ... vuile eieren! Alles saamgenomen! _vergif_! Ik ben terdeeg aan 't komponeeren. Zie eens hoe _quite right_ ik al die stinkende dingen _on their right places_ heb gezet, om de oneetbaarheid van de broodjes te betoogen, waarop de maatschappy zich maagbedervend het gebit slee kauwt. Ik hoop lezers te treffen die me hier verwyten dat ik onrechtvaardig ben. 't Zou me aangenaam zyn aanleiding te vinden tot dupliek op de beschuldiging: --Ge kunt niet waar zyn, dat ge allen over een kam scheert. De opmerking is onjuist, maar welgemeend. Wie naar waarheid zoekt, mag en moet zoo spreken. Welnu, ik veroordeel niet allen. Ik sprak ditmaal niet van personen. M'n uitval geldt noch rechter, noch pruikenmaker, noch jurist, noch minister, noch preeker, noch dierenbeschermster, noch sokjesbreister, noch _Schlachtenbummler_, noch zelfs die onzalige broodbakkers ... in een woord: niemand _persoonlyk_. Ik maakte me driftig tegen de domme afgodery met het _begrip_: specialiteit, in 't algemeen. Dat is het onkruidje ... We zullen te-zamen voortwieden in 'n volgend hoofdstuk. En dan geen woord meer over bakkers. IV. Een vertelling. --'t Wordt tyd dat onze FRITS 'n beroep kiest, zei m'nheer Van ... 't EEN-OF-ANDER tot z'n echtgenoot. Om 't geld is 't ons goddank niet te doen, maar toch ... En m'nheer Van ... 't EEN-OF-ANDER streelde z'n buik. In deze hartelykheid jegens zichzelf, lag iets als bevestiging van z'n innige overtuiging dat het hem goddank om 't geld niet te doen was, en tevens 'n voorspellende bezwering dat het ook z'n veelgeliefden FRITS goddank nooit zou te-doen zyn om 't geld. Mevrouw van 'T EEN-OF-ANDER was het--zonder de minste indecentie in gebaren, dit moet ik tot haar eer verzekeren--volkomen met m'nheer haar gemaal eens. FRITS zou 'n beroep kiezen. Want: --Een mens moet toch _iets_ wezen in de wereld. --Zoo had m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd. Het is den lezer bekend hoe geleidelyk ik gewoon ben m'n vertellingen af te vertellen. Nooit 'n zysprong. Nooit 'n byweg. Nooit 'n uitweiding. Zie eens dien CERVANTES in z'n _Don Quichot_ ... 'n boek dat ik liever zou wenschen geschreven hebben dan den _Faust_! Ik, in m'n hoedanigheid van schryf _specialiteit_--ik moet toch "iets" zijn, niet waar?--ik verzeker u, lezer, met verwyzing naar m'n IDEE 30, dat de _Don Quichot_ meer _ziel_ gekost heeft dan GOeTHE ooit bezat. Wat hy gespleten, en gebersten moet geweest zyn, de vertrapte graankorl CERVANTES, om dat boek te schryven, een der treurigste gedenkstukken van wat 'n mens lyden kan! Dit wist ge niet, lezer! Ge meende--van den weg gebracht door de specialiteit die men _school_ noemt, dat het 'n grappig werk was? Gy, zelf tranenlachend om zooveel koddigheid, hebt de tranen van smart niet gezien, die er druipen van dat boek. Misschien zal ik u die later eens aanwyzen. Arme levenslange martelaar CERVANTES, gij de byna eenige schryver voor wien ik byna eerbied heb! En daarby behoort ... m'n vonnis dat uw schryvery, als zoodanig, hier-en-daar beneden 't nulpunt staat. Wat drommel hebben wy te maken met al die malle vertellingen van herders en herderinnen, van liefdegekken en gekke liefden, waarnaar ge telkens uw held laat luisteren op z'n doornigen weg ter kruiziging? Zooveel voor 't vel? Arme arme lieve CERVANTES. De tranen die uw boek bevlekken, zyn er niet minder kostbaar om. Integendeel! --Ah, zegt de lezer die hier gevatter wil zijn dan hem past, het afbreken van de jonker-FRITSgeschiedenis heeft dus ten doel ... De kat die nog altyd achter de kachel zit _on her right place_ --_allons_, Roletten en Van Twisten, neemt er 'n voorbeeld aan! --de kat is m'n getuige dat m'n pen krast als 'n raaf. Dat ik voortschryf met de snelheid van twintig knoopen in de sekonde. Sneller, sneller, ik schrijf als de bliksem, 't papier siddert, de inkt spat ... vooruit ... vooruit! Wat al letters noodig om dat woord te spellen, wat al woorden om dien zin te ronden ... geen tyd, geen tyd ... vooruit! De gedachten dringen my, stuwen my, overstelpen my. Er woelen en tournooien meer Don Quichotten in m'n hoofd, dan ooit werden afgeranseld door 'n onridderlyke wereld. Waarachtig, ik heb geen uitweiding noodig om m'n blaadjes te vullen! En--praktisch-overtuigend, naar ik hoop!--indien dit het geval ware, zou ik me wel wachten m'n fabriekmerk te bederven door u zoo'n denkbeeld in 't hoofd te zetten. Waar ik uitweid, doe ik dit omdat het me lust. Eenvoudiger reden zal er wel niet kunnen bestaan. Maar ik wyk _niet_ af van m'n onderwerp, al schynt het zoo. Er is nauw verband tusschen m'n sympathie met den lyder van den _Don Quichot_--"schryver" noemen ze dat!--en deze filippika tegen specialiteiten. Ook my zal men hier-en-daar koddig vinden ... Bovendien, de verhandeling die nu volgt over de aller-scherpste kausticiteit van den baron 'T EEN-OF-ANDER, behoort integraal: _tot de geschiedenis van jonker_ FRITS, _tot de geschiedenis van 't parlementarismus, tot de geschiedenis van onze eeuw, tot de geschiedenis van zaagdeuntjes, tot de geschiedenis van den Baaels-dienst der_ SPECIALITEITEN. tot alle mogelyke geschiedenissen alzoo ... "Vermaakt er u mee" gelyk de groote kinderdichter HIERONYMUS VAN ALPHEN, enz. * * * * * De baron van 'T EEN-OF-ANDER ging by buren, vrienden, magen, huis- stad-land-provincie-stand-en geloofsgenooten, voor 'n goed mens door. En ook hyzelf hield zich daarvoor. Maar hy werd door zichzelf en anderen miskend. De man was meer dan 'n goed mens. Hy was 'n diepdenkend wysgeer. Een ware Amerikaansche padvinder in de geheimenissen van het _Zyn_. Hy was 'n speurhond, 'n jagtvalk, 'n fret op de jacht naar waarheid. En wat-i vond, wist hy geestig te uiten. CERVANTES was niets by hem. Zelfs ik niet. En--dit verheft hem nog hooger, indien er hooger standpunt denkbaar is--hy was zoo fondamenteel-ingekankerd nederig, zoo evangelisch- kinderlyk onnoozel, dat de rechterhand van z'n oordeel niet wist welke paarlen de linkerhand van z'n welsprekendheid te-grabbel gooide. Als gy en ik, lezer, zeggen dat we onszelf als dom of onwetend beschouwen, houden we ons maar zoo. We beweren, eigenlyk op den keper beschouwd, heel intelligent te wezen. Ik noem dus zoo'n voorgeven maar nederigheid aan den buitenkant. Maar onze baron was inderdaad even sterk overtuigd van z'n intellektueele onwaarde, als anderen van de fatsoenlyke noodzakelykheid om zich nederig voortedoen. Lang leve dus de baron 'T EEN-OF-ANDER. Maar, nogeens, hy werd miskend. Indien gy me nu al hierin op m'n woord gelooft, lezer, zult ge toch zeker verwonderd zyn te vernemen dat onder al die miskenners iemand is die u van naby bestaat, of dien ge, volgens het opschrift van den Delfi-tempel--ook al tot deun verlaagd! --iemand dien 't uw _plicht_ was van zeer naby te kennen. Ik bedoel uzelf, lezer. Gy, _gy_, gaaft onzen baron van 't E.O.A. niet wat hem toekomt. En ook omtrent my hebt ge misdreven. Ik stelde u goedmoedig in-staat den man te beoordeelen, te vereeren, te aanbidden, en ge gaat voorby alsof er niets geschied ware! Ik zal me moeten getroosten de geschiedenis van jonker FRITS nogeens te vertellen, in de hoop dat ge ditmaal wat minder ... lieve hemel, hoe moet ik zeggen om niet bybelsch- onbeleefd te zyn? Ik bedoel dat ge 't parelsnoer in eere houdt, dat ik u--'t is 'n geschenk van den baron--zoo edelmoedig toewierp. Ik sla nu den buik over. Ook 't geld "waarom 't goddank niet te doen is." En we stappen rechtstreeks toe op de schatkamer der wysheid ... Zie, gierig is-i niet. Daar geeft hy ons dezelfde kostbaarheid nogeens: --Een mens moet toch _iets_ zyn, hooren we hem andermaal zeggen. Eigenlyk is m'n geschiedenis van jonker FRITS hier uit. Of althans ik behoefde, wel beschouwd, niet voorttegaan die te schryven. Want, of de lezer valt flauw van bewondering voor 't genie dat ik sprekend invoerde, of hy valt niet flauw, en is dan niet waardig de schoenen van den flauw-gevallen lezer te poetsen, laat staan 't slot van deze vertelling te vernemen. Ik schryf dus nu 'n tijdje voort, voor m'n eigen liefhebbery. --Juist, edele man, juist! De mens moet, om niet _niets_ te zyn, _iets_ wezen! En gyzelf? --Dykgraaf, lid van ... --Precies! Lid van ... een-en-ander. Baron van ... 'T EEN-OF-ANDER. Welnu, ik heb u--de eene helft van m'n lezers ligt in zwym, 't is uw schuld, verheven wreedaard! De andere helft is bezig met geen schoenen te mogen poetsen--ik heb u, dykgraaf, baron, en lid van ... een-en-ander ... --Ook van 't Bybelgenootschap ... --Ook van 't bybelgenootschap! Ik heb u ... een-en-ander te zeggen. Ik groet u met den naam van ... een-of-ander. --Niet waar, 'n mens moet _iets_ zyn? --Heel juist! En niet alleen iets, maar zelfs ... een-en-ander. Ge zyt dus ... Dykgraaf? Ge zyt lid ... --Van een-en-ander. En van 't _Zendelinggenootschap_! En van de _Schoolkommissie_! En van den _Vredebond_! En van 't _Roode Kruis_! En van 't _Blauwe_! En van ... --Om der liefde wil, overstelp me niet! 't Is om te bezwyken. --En van de _Javaannut-maatschappy_! --Hou op! Het duizelt me. Maak m'n lofzang niet onmogelyk door overkoking van de stof. Ge zyt, om _iets_ te zyn ... --Och, ik beroem er me volstrekt niet op. Reeds m'n papa was regent van 'n oude-mannenhuis. En hy zei altyd dat 'n mens ... --Een mens moet _iets_ wezen. En uwe zalige _papa_ was iets. --Hy was regent van 'n oude-mannenhuis. Ook gewezen oud-_garde-noble_ van koning LOUIS. Want, 'n mens, zoo zeid-i altyd, 'n mens ... --Een mens moet _iets_ zyn. Ik zie het, ge zoogt met moedermelk der vadren wysheid in. Om uwen lof ... --Lieve hemel, ik wist niet ... --Dat ge zoo verdienstelyk waart? Zoo-even vertelde ik reeds een-en-ander ... --Zoo heet ik. --Ja zoo heet ge, en dat zyt ge! Nu, ik deelde iets over uwe nederigheid aan m'n lezers mee. We zullen haar echter niet ontzien. Ik schroom niet u te zeggen dat ge reeds voor uw geboorte een groot man waart door de verdienste van uw vader die, om niet _niets_ te zyn, zich _garde-noble_ had laten maken, en regent van een besjes-gesticht ... --Van 'n oude-mannenhuis! --Van 'n oude-mannetjeshuis! Ge waart voorbeschikt ... een-en-ander te zyn. Ge voeldet uw roeping, gy ruimdet alle hindernissen uit den weg, ge verhieft u boven stof en onstof, ge zweefdet en doorvleugeldet ... --Gut, ik wist niet dat ik zooveel byzonders uitrichtte. Ik ben dykgraaf geworden, en lid van ... --Van een-en-ander! --Ja, omdat m'n vrouw zei dat het rondslenteren van 'n man in huis, zoo lastig was voor de booien, en dat m'n gekibbel met de tuinknechts 't humeur bederft. Ook heb ik aanleg tot zwaarlyvigheid. Dit was zoo. We zagen dien buik reeds optreden als getuige tegen de mogelykheid van geldgebrek. --Ik werd wat dik. En als dykgraaf doe ik nu eens in de maand 'n toertjen om de zitting van 't kollegie by te wonen. Want ik zeg maar, 'n mens moet ... --Een mens moet _iets_ zyn. Juist daartoe heeft de goede Voorzienigheid ons hoog-water gegeven, om 't mensdom instaat te stellen tot het voortbrengen van dykgraven. Neem 't water weg, geen dyken. Zonder dyken, geen Graven. Zonder Graven ... 'n man te veel over den vloer, en gekibbel met de tuinlui. _Allah akbar_ ... m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER, _allah akbar_! gelyk de groote Profeet zoo wel gezegd heeft, zonder nog iets te weten van dykgraven en hoog-water. Ge moet _iets_ zyn. Gy hebt het gezegd. Niet de waanwyze PYTHAGORAS heeft ditmaal gesproken, maar _gy, gy, gy_! Wat hebt ge gezegd? De mens moet _iets_ zyn. _Hoe_ hebt ge dat gezegd? Met de daad bewyzende dat ge oprecht waart. Gy werd iets, dykgraaf en ... een-en-ander. _Waarom_ hebt ge 't gezegd? Omdat uw verheven vader lid was in 'n besjeshuis ... --Regent van 'n oude-mannenhuis ... --Regent van 'n ouwe-mannenhuis! In welke omstandigheden hebt ge 't gezegd? Te midden van "booien" dien ge in den weg liep, en kibbelend met 'n tuinknecht. We kunnen nu overgaan tot de schepping der wereld. In Genesis I vers 27, zien we den mens verschynen. Dat was zoo'n groote kunst niet, en wel beschouwd is Adams verdienste in dit opzicht bitter klein. Gy, Adam II, vergenoegdet u niet met de verschyning ... ge zaagt in, dat men iets _wezen_ moest, en liet u dykgraaf maken, en lid van ... een-en-ander. --Maar ik wist inderdaad niet ... --Verheven onkunde! Schitterend wanbesef van eigen volkomendheid! Nederigheid in oneindige machtsverheffing! Ge wist het niet? Welnu dan, ik zal u eens al uw verdiensten terdeeg onder 't oog brengen. Ryk was uw vader, en ryk zyt gy ... --Ja, om 't geld is het me goddank niet te-doen. --Dat hoorden we zoo-even, toen gy uwen buik streeldelt. Ge waart ryk, maar met uw scherpzinnigheid zaagt ge in dat alle boeren achter uw rug u uitmaakten voor 'n stommerik, die geld had ... maar ook niets dan dat. --'t Is waar, er is lomp volk onder die boeren. --Toch niet, Lomp zouden ze geweest zyn, indien ze u zoo-iets in 't gezicht hadden gezegd. Laat ons voortgaan. Straks zal de eene helft van m'n lezers ontwaken uit z'n flauwte, en dan moet ik u verlaten. Ge hebt gevoeld ... eigenlyk ... wel beschouwd ... van zeer naby bezien ... niemendal te wezen! Sjt ... sjt ... spreek me niet tegen, uit nog verder gedreven nederigheid. Uw scherpzinnigheid en zelfkennis is buiten twyfel en buiten debat. Uw vader in 't besjeshuis ... --Regent van 't oude-mannenhuis. --Uw vader, de regent van 't ouwe-mannetjeshuis, was in den hemel. Om daar te komen moet men iets zyn. En hy werd toegelaten als gewezen oud-_garde-noble_ van koning LODEWIJK. Ge hoopt uw vader weertezien, en wilt niet beschaamd staan op de vraag: wie klopt daar? Uw adreskaart moest boeren, tuinlui, huisbedienden en hemelwachters eerbied inboezemen. Het besef uwer onwaarde deed uw omzien naar allerlei lidmaatschappen waartoe men nullen gebruiken kan. Uit schaamte over uw nutteloosheid zocht ge naar gelegenheid om iets te schynen. Gy eet, drinkt, slaapt, als 'n beest. Gy geniet en verteert als 'n beest ... maar veel meer dan 'n beest. Als 'n rivierpaard scheert ge de oevers kaal, en bracht niets voort ... Ja toch! Hy bracht wel iets voort: FRITS! FRITS, die sedert het begin myner vertelling 'n knappe jongen van twee-en-twintig jaar is geworden, stapt de kamer in. De lezers, die tot straf van hun botheid geen schoenen mochten poetsen, worden weer ten-gehoore toegelaten. Ook de anderen zyn weer by-de-hand. In 'n jaar of acht kan veel gebeuren, en zoolang duurde het meegedeeld gesprek. FRITS was na de vaderlijke ontdekking dat 'n mens _iets_ wezen moet, naar 'n schoolmeester gezonden die de _specialiteit_ beoefende jongens "klaartemaken" voor Medemblik en Breda. Als adelborst had hy niet slechter opgepast dan de anderen, was naar zee gezonden, maakte een reisje naar de Middellandsche zee, een naar de West, een naar Indie, vond daar z'n aanstelling tot luitenant tweede klasse, en was onlangs "thuis-gevaren." Hy was by z'n kameraden ... "bemind" is 't woord niet, doch daar hy niemand in den weg stond, behoefde niemand zich de moeite te geven hem te haten. Z'n chefs waren over hem tevreden, omdat hy hen nooit door iets buitengewoons lastig-viel met de noodzakelykheid eener byzondere behandeling. Als prachtexemplaar van alleronbeduidendste ordinairheid, was hy juist intelligent genoeg om z'n dienst te doen zooals hy die geleerd had, zonder ooit zich te wagen aan eenig pogen dat hem niet geleerd was. Hy betoonde zich omtrent alles wat niet letterlyk was voorgeschreven, niet onverschilliger dan anderen, zoodat hy zelfs in slordigheid of dienstverzuim zich wist te onthouden van uitstekendheid. Op onderscheiding had hy geen andere aanspraken dan dat-i niet de minste aanspraak maakte op onderscheiding, en tot berisping gaf hy niet meer aanleiding dan noodig was om onschuldig te zyn aan sarrende vlekkeloosheid. Als onnut nummer op den traktementstaat was de goeie jongen zoo onschadelyk als die nutteloosheid maar eenigszins gedoogde, en wie hem 'n "slothout" noemde, zou wel de waarheid maar niet al de waarheid gezegd hebben, wanneer-i verzuimd had daarby te voegen: zulke dingen moeten er ook zyn. Kon FRITSJEN 't helpen dat anderen in die behoefte voorzagen, en dat hy dus--ook als zoodanig--wel eenigszins overkompleet was? In land en volkenkunde bragt onze held het tot den _Voyage en Orient_ van LAMARTINE, om iets te weten te komen van Smirna, toen hy daar voor-anker lag. De oude heer van 't EEN-OF-ANDER was verbaasd over de poetische kennis, de klassieke belezenheid, en de geleerde poezie van z'n zoon, die reeds, na slechts een vyg te hebben gegeten, precies wist waar Troje gelegen had en welke indrukken de nabyheid dier plaats in elk rechtgeaard _Orient_-lezer behoort optewekken. Onze dykgraaf prepareerde z'n kollegaas op 'n verhandeling over den loop van den _Simois_, welks oevers sedert HOMERUS' tyd allermiserabelst bleken verwaarloosd te zyn. Hy was volkomen in-staat, genegen en bevoegd --_Specialiteiten voor_!--die zaak tot behoorlyke klaarheid te brengen, want z'n eigen zoon at vygen op de ree van Smirna. Als er nog eens zoo'n brief van FRITS kwam, zou hy ... Helaas, de _Simois_ moest zich getroosten ongedykt te blyven. Juist was de oudeheer bezig z'n vrienden "precies" uitteleggen hoe die zaak in elkaar zat, en met natten vinger--dat wil in onzen tyd zeggen: met z'n rotting in 't zand--aantewyzen ... _fera proelia_ _Pingit et exiguo Pergama tota mero. "Hac ibat Simois, hac. est_ ... Och, de moerteekening kwam niet gereed. Onze dykgraaf zou juist overgaan tot het betoog dat die _Priami regia celsa senis_ vierkant in den weg stond en onteigend behoorde te worden, toen de postbode berichten kwam brengen uit Konstantinopel, die de kleur droegen van 't romannetje dat LAMARTINE verving, en voor de oudeheer gereed was met precies-weten wat er haperde aan de gezondheid des Turkschen ryks, leverde Bairout stof tot sterk naar azyn riekende therapeutische beschouwingen over de cholera, afgeschreven uit het quarantaine-reglement dat door 'n stuurmansleerling netjes in 'n lysje was opgehangen in den _longroom_. Juist begon onze dykgraaf zich heel specialiteitig voortedoen aan den plattelands-heelmeester--jonker FRITS zelf had uit de mars door 'n kyker de lykstatie van 'n slachtoffer der ziekte waargenomen--toen de geest der brieven alweer veranderde, omdat FRITS kiespyn had. De chirurgyn-majoor had den armen jongen naar den tweeden dokter verwezen. Deze naar den derden, geloof ik ... --Ja, de geneeskundige dienst by de marine laat veel te wenschen over, had de heer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd, na het lezen van FRITSJENS stuk over dit onderwerp. Het stond "op poten!" De oudeheer zou daarvan eens terdege werk maken. Hy was nu in-staat, genegen en bevoegd --_Specialiteiten voor_!--die zaak intedyken. Z'n eigen zoon had kiespyn aan boord van 'n oorlogschip. Wat wil men meer? Lang voor de reorganizatie van den geneeskundigen dienst ter-zee--die uit dit alles niet voortvloeide--lag onze FRITS op de Kommewyne in 'n _korjaal_ te dutten, die hem wiegelde naar 'n plantage waaruit z'n overgrootvader veel suiker, welvaart en welgeslaagde pretensie getrokken had. Uit oude betrekking at en dronk hy daar zeer vergenoegd, en kopieerde 'n paar artikels uit Surinaamsche couranten, over--voor of tegen, dit weet ik niet--over den slavenhandel. Z'n beschouwingen werden afgebroken door taalkundige opmerkingen over 't negerengelsch, en de gemakkelykheid waarmee men zich dat diepzinnig idioom kan eigen maken. Na slechts twee dagen verblijf namelyk wist hy zich met 'n onbeschroomd "_mi no sabi_"[2] overal verstaanbaar te maken. Zoo was dan eindelyk de kwestie over den West-indischen Vryen-Arbeid tot staat van wyzen geraakt! De oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER voelde zich bevrucht van wysheid, en begon nu duidelyk intezien dat: "_het verschil van rassen_ ... _de vrygeboren mens_ ... _Europeesch overwicht_ ... _graadwydte van den menshoek_ ... _Engelsche huichelary_ ... _konkurrentie van den beetwortel_ ... WILBERFORCE ... _edel pogen_ ... KAIN ... _verstoktheid van die andere party_ ... _bybelsche oorsprong der slaverny_ ... UNCLE TOM ..." Kortom, hy voelde zich in-staat, genegen en byvoegd--_Specialiteiten voor_!--om die zaak allergrondigst te behandelen. Z'n eigen zoon _lunchte_ op 'n plantage aan de Kommewyne, en kon in zuiver negerengelsch verzekeren dat hy iets niet wist. Zou dan de vader niet weten hoe die emancipatiekwestie in elkaar zit? FRITS-zelf had nu 'n _footboy_ met dikke lippen en witte tanden. Zou dan FRITSJENS vader geen verstand hebben van slaverny? Maar och, 't ging weer als met de indyking van den _Simois_. Lang voor 't slechten of ophoogen der zandlaagjes die de slaverny moesten bedwingen of beschermen--ik verdenk FRITS dat hy, na 't _breakfast_, brokstukken van tegenvoeters aan elkaar lymde--lang voor de oudeheer gereed was met z'n allerduidelykste uiteenzetting van de zaak, was FRITS te Batavia, waar-i alweer 'n schat van ondervinding opdeed. In straat Sunda namelyk had 'n zwervende visscher geweigerd zich voor een aan de matrozen geleverd zoodjen _ikan kakap_ te laten betalen met 'n stuk spek en twee verroeste schaatsen. De man was "brutaal" geworden, en daarop door Janmaat geslagen. De arme kadraaier sprong over-boord, en betaalde zich--voor visch en mishandeling niet te duur waarachtig! --met 'n oud wollen hemd dat-i in de vlucht meenam. Eenige maanden na dit voorval verklaarde zich de oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER in-staat, genegen en bevoegd--_Specialiteiten voor_!--om 't Indisch vraagstuk optelossen. Hy-zelf had nu 'n zoon die perfekt Maleisch verstond. _Andjieng belanda_! had de vluchtende visscher geroepen. Dit woord stond--met rang van citaat[3]--in FRITSJENS brief, die van 't voorval melding maakte en 't aanbeval als tekst voor 'n verhandeling over Indische toestanden. --De jongen is vlug! Pas ruikt hy 'n land, en hy verstaat de taal al! Alzoo: "_Mensenrecht_ ... _Nederlandsche beschaving_ ... _zweet van voorvaderen_ ... _oogmerken van Voorzienigheid_ ... debouches voor Enschedesche fabrieken, voor de jeneverstokeryen te Schiedam en andere evangelien_ ... _handelmaatschappy, konsignatiestelsel, indigo, zeeroof en welmeenendheid_ ... _heil des vaderlands_ ... _verstoktheid van die vervloekte andere party_ ... _zeer beminde koning_ ... _bedrogen raadsleden der kroon_ ... _en_--Specialiteiten voor!--_bevoegdheid_!" Wel zeker: _bevoegdheid_! FRITS-zelf immers had 'n Javaan "_andjieng belanda_!" hooren zeggen. 't Is weer te betreuren dat de rykdom van slof in volgende brieven, den ouden heer VAN'T EEN-OF-ANDER onvruchtbaar maakte door overmaat van bevruchting. Pas had hy 'n zaak goed begrepen, of hy werd zoo specialiteitig beziggehouden met het doorgronden van 'n andere, dat hem de tyd ontbrak daarvan iets meetedeelen op de _right place_. Toch ging er niets verloren. De Natuur is weldadig. Zy zorgde er voor dat het Meesterwoord bewaard bleef in de gemoederen van de onmiddellyke omgeving des edelen EEN-OF-ANDERS! Wat hy niet kon plaatsen by 't Nederlandsche Volk, werd meegedeeld aan den dorpsbarbier, den tuinman, den notaris en de keukenmeid. De heele omtrek werd aldra doorsuld met kennis van Indische zaken, en toen FRITS eindelyk de kraan zyner openbaringen zoo ver openzette, dat er 'n kistjen Ambonsche-bloemenolie, 'n paar potten _atjar bamboe_, en 'n "pauwveeren sigarenkoker" uitspoot, die hy-zelf gemaakt had van bamboe ... _zie verder in voce_: Droogstoppel, _Havelaar, hoofdstuk zeventien_. * * * * * --En nu, papa, nu moet ik je zeggen dat ik genoeg heb van dat zwalken en zwabberen op-zee. 't Is 'n hondebaantje. Ik wil m'n onslag vragen. Met deze woorden heeft FRITS de mededeeling gestoord van 't gesprek dat we zoo-even afbraken om hem acht jaren tyd te gunnen tot schoolgaan en iets-worden. --Ga je gang, jongen, zei papa. Om 't geld ... De buik werd tot getuige geroepen. --En bovendien, waarom zou je tegen je zin varen? Je bent nu toch iets, niet waar? Wel zeker! FRITS kreeg z'n ontslag, en was ... Een mens moet _iets_ zyn! FRITS bekleedde op z'n twee-en-twintigste jaar de zeer gewichtige betrekking van gewezen zee-officier die niet langer zwalken en zwabberen wou. Maar hy wilde nog meer zyn. Hy maakte zich echtgenoot, vader en, na papa's dood, dykgraaf. Daarna ... waarachtig, FRITS werd een-en-ander! En, toen dat een-en-ander hem verveelde, als vroeger 't klein eindje zeeleven dat-i byna niet geleid had, toen hy met voorvaderlyke nederigheid begon te bemerken: dat hy in-weerwil van z'n _iets_, nog altyd nagenoeg niemendal was, dat-i de "booien" in den weg liep, dat z'n vrouw hem aanzag voor 'n keukenpiet, dat de tuinlui hem lastig vonden, dat de eerbied van z'n ethnologische kennis van over-zee aan 't verflauwen was, dat _mi no sabi_ en _andjieng belanda_ zeer gewone stop-en scheldwoorden waren geworden, waarmee men geen bakker meer foppen, geen stalknecht meer beleedigen kon, dat het prestige van echtgenoot, vader, grondbezitter, dykgraaf en ... een-en-ander, begon te slyten, dat de boeren ... Och! 't was niet uittehouden! * * * * * "_Van-tyd tot-tyd openbaart zich de behoefte aan specialiteiten op treffende wys. Het vaderland dat op al de krachten zyner kinderen een heilig recht heeft ... nogeens: 't vaderland ... de ontzaggelyke voorvaderen ... geliefd vorstenhuis ... de kiezers ... de grondwet ... de onschendbaarheid des konings ... donkere wolken aan den horizon ... hoogstopmerkelyke, alle grenzen te-buitengaande, nooit_-dagewesene, _byzonder-afschuwelyke, eigenaardig-duivelsche, alle goddelyke en menschelyke wetten met voeten trappende, maar_ au fond _door ongeevenaarde domheid volkomen onschadelyke en slechts belachelyke of deerniswaarde, gemeene andere krant ... juist oogenblik voor alle welgezinden ... God en Oranje ... vuige belagers van volkswelvaart ... zeeleeuwen ... worstelstryd ... mannen die vaststaan in de uren des gevaars ... vertrouwen zyner medeburgers ... zeer geacht in 't distrikt welks belangen hy_--met edele miskenning altyd der rechten van alle andere kiesdistrikten--_alleronpartydigst zal voorstaan ... de zoon van een geachten vader die dykgraaf was, en een-en-ander ... kleinzoon van 'n gewezen-oud_-garde-noble ... _hoop dat hy zich de keuze zyner medeburgers zal laten welgevallen ... door-en-door-kundig, fatsoenlyk, doorkneed in alles en een-en-ander ... toewyding aan de zaak des dierbaren Vaderlands ... verregaande, het fabelachtige voorbystrevende, niet zelden in krankzinnige offerzucht overslaande onbaatzuchtigheid_ ... right man ... right place ... _en vooral de behoefte aan een_ deskundige _in de volksvertegenwoordiging, by de behandeling der zoo vaak en voortdurend verwaarloosde marinezaken_ ... FRITSJE krygt meer stemmen dan er ooit onverstaan wegstierven in de woestyn die maatschappy heet. FRITS--'n mens moet _iets_ zyn, gelyk z'n zalige vader de dykgraaf baron VAN 'T EEN-OF-ANDER zoo wel gezegd had--FRITS _is_ iets! Het bloed der besjeshuizen kruipt waar 't niet wandelen kan: onze FRITSJEN _is_ iets! Neen--allen goeien geesten van dooie oud-gewezen _garde-noble's_ in 'n besjeshuis, lof en dank!--FRITS is zelfs meer dan iets! Hy die zoo kort geleden nog niets, niets, volstrekt niemendal zou geweest zyn, indien hy niet gewezen zee-officier geweest was, die niet langer zwalken en zwabberen wou ... Hy werd op eenmaal: de gids der gidsen, de voorlichter der voorlichters van de natie, de tooveres, de Pythonisse, de Apollo van _Endor, Dodena_ en _Delfi_, de Jupiter-Ammon van Opper-Egypte, de Velleda van 't Haagsche Binnenhof--met vergunning de uniform te mogen dragen van de korpsen waartoe al die dames en heeren behoord hebben--de hoofd-reverbere op de vuurbaak van 's lands welvaart, de Noordster waarop de hulk van 't zinkend Vaderland den vermoeiden steven richt, en ... nog een-en-ander. FRITSJEN, is als _right man on the right place_, SPECIALITEIT in de _Tweede Kamer_! En zeg nu eens, als ge durft, dat de wegen die Nederland betreedt, niet goed geveegd worden, en dat de Hollandsche broodjes van Staat oneetbaar zyn! V--MV. _Deze duizend-en-een hoofdstukken worden door den uitgever gesupprimeerd, omdat ze niets behelzen dan vervelende varianten van Fritsjens geschiedenis, met verandering slechts van naam en beroep. We hebben hier te-doen met Fransje die in kavallerie deed, en Cornelis die in-dienst was geweest by de straatslypery. Lukas wordt ter behartiging van 's Lands belang opgeroepen omdat hy verstand heeft van kousenweven, en Steven geniet de eer in hoedanigheid van industrieel-windmolenaar. Kareltje komt op 't kussen om z'n verdiensten als Indisch parvenu_ ... enz. enz. _Nadat de hoofdspecialiteiten door den schryver onder dak zyn gebracht, gaat hy over tot de onderdeelen. We krygen speciaal-Fritsjens van groote vaart en kleine vaart, van stoom-kust-oceaan-rivier-en trekvaart, van kanonneer-glad-driedeks-monitor-en modder-marine, verdeeld in zooveel deelen als de deelbaarheid van den modder, enz. maar eenigszins toelaat, altemaal specialiteiten. Daarop volgden Cornelissen van hoofdstraten en bywegen, van stoepen, trottoirs, stegen, achterbuurten en cul-de-sac's. Fransjens van lichte, zware en middelbare kavallerie, tot en met huurkoetsiers, palfreniers, stalknechts en ezelmelkers ... altemaal specialiteiten. We worden voorts onthaald op industrieelen die kousen weven voor heeren en voor dames, voor negers en negerinnen, kousen met en zonder klinken, Japansche kousen met duimen, kousen zonder naad, kinderkousjes, sokken en slaapmutsen in alle mogelyke sorteeringen. Op Lukassen die graan malen, Lukassen die hout zagen, Lukassen die niets malen, en zelfs den wind verwaarloozen waarmee ze niets malen. Daarop volgen de Lukassen van Noordewind, van Zuid- westewind, van N.N.O. t. N_. 1/2 _Oostewind ... kortom, zooveel Lukassen als er stralen schieten uit het middelpunt van de kompasroos. Het spreekt vanzelf dat de Indische fortuin-industrieelen worden onderverdeeld in koffi-suiker-thee-indigo-tabak-en kaneel-parvenus. In-binnenlandsche-buitenpost-en hoofdplaats-parvenus. In juridische, administratieve, militaire en civiele parvenus. In vryarbeids-en kultuurkontrakt-parvenus. In rystopkoop-parvenus. In toko parvenus. In Maleische, Soendahsche, Javaansche, Battaksche Dajaksche, Alfoersche, en Papoeaparvenus ... altemaal specialiteiten van specialiteiten, en daarvan de zeer byzonder uitgeknipte onder-specialiteiten._ _Indien er voor het weglaten van al deze smakelooze hoofdstukken verschooning noodig waren, zou er ruimschoots te vinden zyn in des schryvers blykbare onkunde, daar hy niet eenmaal schynt te weten dat er in onze Tweede Kamer voor zooveel specialiteiten geen plaats is, een_ blunder _die hem eens-voor-al onbevoegd maakt tot_ ... MVI. Nu, als de uitgever die hoofdstukken niet wil laten drukken ... my wel! Ik heb den lezer in-staat gesteld ze zelf te schryven, en noodig hem daartoe uit. Maar eilieve, zou er in onze Tweede-Kamer inderdaad geen plaats zyn voor al die kinderen der heeren VAN 'T EEN-OF-ANDER en myner fantazie? Is dit waar? Zeker! Duizend-en-een individuen kunnen niet geplaatst worden op slechts zeventig orakel-drievoeten.[4] Welk nut doet dan de enkele dien men daar wel plaats geven kan? Heeft de _specialiteit_ meer dan een stem? Neen! 't Is toch jammer dat het balletje waarmee hy voteert, geen grein zwaarder weegt dan 't kogeltje van z'n buurman die "zich niet zoo heel in 't byzonder heeft toegelegd" op de zaak die aan de orde is. De specialiteit-fabriekheer, al weefde hy nooit iets anders dan slaapmutsen, stemt in marinezaken even onbeschroomd en met gelyken invloed op den uitslag, als de marine-specialiteit over kwestien van industrie, handel of landbouw. _Navita de_ tauris, _de_ ventis _narrat arator_. De Latynsche spreukspreker was in de war, zooals men ziet, en 't was hoog tyd hem te korrigeeren. Gelyk we doen by dezen. Zeventig uitverkorenen zullen 't land gelukkig maken. Daartoe is 't wel behandelen van elke voorkomende aangelegenheid noodig. Die aangelegenheid behoort _altyd_ tot zeker vak, tot zeker onderdeel van menselyke kennis of kunde. In de vergadering bevindt zich 'n individu die in zoodanig vak gediletteerd heeft. _Hy_ moet het weten. Maar ... welk nut trekt dan 't vaderland van de andere negen-en-zestig? Zyn ze niet, wel beschouwd, nogal overtollig of zelfs schadelyk? Is 't niet te vreezen dat ze onspecialiteitig mee-narreerende over winden en koeien--mee-_stemmende_ wat erger is!--den dilettant-specialist zullen overnarreeren, overstemmen? Komaan, ik wil goedig zyn, en al de valsche specialiteiten die m'n uitgever zoo boosaardig supprimeerde, verheffen tot ware specialiteiten, tot inderdaad kundige, in hun speciaal vak door-en-door bedreven personen ... dan zelfs, en dan _juist_, vraag ik of zy in de volksvertegen- woordiging _on their right places_ zyn? Ik geloof het niet. Een goed militair zeeman die tevens de _bosse_ heeft van bevelvoeren en organizeeren, behoort als _right man_ aan 't hoofd van de vloot, en alleen te staan. Men mag zoo'n schat niet bederven, door hem amalgameerend wegtestoppen onder zeventig. Tegen zoo'n _alliage_ is 't edelste goud niet bestand. De Tweede-Kamer is immers geen kudde wyfjesschapen, waarvan men 't ras verbeteren kan, door 't aankoopen van 'n Thibetbok of Merino? En zoo'n ingevoerde hamel mag nog 'n flinken bel aan den hals dragen, terwyl de Kammerras-verbeteraar by elke poging tot uitvoering van z'n speciaal mandaat, heel beleefd verschooning en permissie moet vragen aan 't geacht schaap uit een of ander kiesdistrikt, dat hy moeder wil maken van wat kunde. Die laatste zinsnede is minder scherp dan men meent. Het gebeurt meer dat men den naam dien ik geef aan 'n bestaande zaak, aanstootelyk vindt, terwyl ik beweer dat de aanstoot behoorde gegeven te zyn door de zaak-zelf, die vaak ruwer verwyt meebrengt dan myn woorden. De niet-specialiteiten zien voorby dat zyzelf begonnen zich tot nullen te maken door waarde te hechten aan de meeningen der onnoozele FRITSJEN. En ook wanneer de speciale kennis van 'n lid inderdaad boven zoo'n armzalig dilettantisme verheven is, volgen er uit de verkeerde toepassing van 't _right place_-stelsel, allerlei ongerymdheden. Het drukken op de byzondere bevoegdheid van den een immers, sluit de betrekkelyke--soms volsterkte--onbevoegdheid der anderen in zich. De splitsing der intellektueele waardigheid van 'n vergadering, in zooveel onderdeelen als er speciale vakken in die vergadering vertegenwoordigd worden, brengt hare waarde terug tot de opgetelde cyfers der individueele intelligentien die men tot 'n _som_ vereenigen wilde, een poging altoos, waartegen de ongelyksoortigheid der deelen zich logisch--en dus triumfantelyk--verzet. Gegeven: 'n schaakspeler, 'n kannibaal, 'n schaatsryder en 'n hansworst, die zich vereenigen om _viribus unitis_ iets beters te leveren, dan aan elk hunner in 't byzonder mogelyk was. Meent men dat die Tweede-Kamer van vier leden, beter dan de schaakspecialiteit _alleen_, 'n nieuwe _gambit_-kombinatie zal tegenspelen? Dat ze meer personen zal verslinden dan het tweede lid orberen zou wanneer-i zich in eenzaamheid aan z'n vak van menseneten kon toewyden? Dat die leden 't met hun vieren zouden winnen van nummer drie, in 'n kunstig beentjen-over? Dat ze ons hartelyker zouden doen lachen dan de laatste, overgelaten aan z'n invidueele _vis comica_? Ik vergis me. De komieke specialiteit moet te-kort-schieten by den kollektieven indruk dien-i maken zou _cum sociis_! En meer ongerymdheden! A is bekwaam in zeker vak, en erlangt daarom en als zoodanig 'n plaats in de Volksvertegenwoordiging. Maar, ook vele anderen zyn in dat vak bekwaam, en hebben dezelfde aanspraken al hy. Sommigen zelfs staan als _specialiteit_ hooger aangeschreven in de meening hunner kollegaas die hierover, _als zeer speciale specialiteiten_ immers, het best kunnen oordeelen. Waarom moeten nu al die anderen--z'n erkende meerderen misschien--zwygen waar A spreekt? Waarom geldt hun stem niet, en wel de stem van A? Ligt er niet iets onbillyks in, een persoon voor officieel-wys te verklaren, en zooveel anderen buiten-te-sluiten, die met gelyk of grooter succes dan hy, het vak beoefenden waarin hem door z'n verkiezing 't meesterdiploom by-uitnemendheid wordt uitgereikt? We hebben ... oorlog--schrik niet, lezer, ik fantazeer--we hebben oorlog met Engeland. De oorzaak ligt in de haringvisschery. Waarom nu een haring-specialiteit in de Kamer? Heel Vlaardingen moet er in. Al wat haring vangt, kaakt, zout, eet, koopt, verkoopt en kuipt. De scholen--schrik weer niet, lezer, ik ga voort met fantazeeren[5]--de scholen deugen niet. Waarom nu een schoolman in de volksvertegenwoordiging? Is er waarlyk behoefte aan speciale voorlichters _op die plaats_, dan hoe-meer voorlichting, hoe-meer specialiteit, hoe-beter. Roep dan elken professor binnen, elken magister, elken geleerde, elken _msjeu_, elken sekondant, elken schooljongen zelfs ... Meent men dat het de moeite niet loonen zou, _aan kinderen_ te vragen wat er aan 't onderwys ontbreekt? Men bemerkt dat de renommee van 't fabriekmerk der brave Hollandsche boter aan 't dalen is. Alweer fantazie, schrik dus nog niet. De beschreven vaders voelen 'n leegte. Ze betrappen zich op gebrek aan verstand van boter. Het bedreigd voorwerp, schuldig dan of miskend, moet in z'n rang hersteld, _ne quid detrimenti_ ... enz. Spoedig 'n boterman! Daar is-i. X heeft verstand van de zaak. Zeer wel. Maar ... al de anderen die "in boter doen?" Al de anderen die 't in de vervalsching van dat artikel nog verder brachten dan hy? Waarom niet ook hun 'n kussen aangeboden? Met 'n plaatsje er by, om er op te zitten, tenzy ze--wat ik niet ongepast vinden zou--daartoe hun botertonnetjes meebrengen, de dingen immers waaraan ze de aanspraak op die kussens te danken hebben. Indie gaat verloren--er is geen woord van waar, schrik dus nog altyd niet, ik stel maar iets[6]--Indie is in de war ... vry-arbeid ... kultuurstelsel ... algemeene ontevredenheid ... ministerieele krises zonder eind ... aardbevingen ... overstroomingen ... echt-liberale meerderheid ... allerlei ongelukken. Alzoo _Specialiteiten voor_! Daar zyn ze. A kan _kassi api_ zeggen. Hy is dus 'n halve Maleier, en _the right man_. Maar ... B heeft het gebracht tot 'n Soendahsch _tjokal sonoh_, en C tot 'n ongestameld Javaansch _djalook gni_. Is 't nu niet hard voor die twee laatste letters, dat ze A moeten zien plaats nemen in den tempel, terwyl zy worden buitengesloten, zy en 't heele alfabet van de velen die 't nog verder brachten in speciaal-kennis van Indie? Moest niet eigenlyk ook de kat worden binnengeroepen van de naaister der juffrouw wier grootmama's buurman eens zoo specialiteitig droomde van iemand die op 'n printjen 't portret had gezien van 'n doodgeboren wicht dat er misschien eenmaal aan gedacht zou hebben hoe sommigen naar Indie kunnen gaan ... als 't geleefd had? Dat ik in die duizend gesmoorde hoofdstukken me vergiste in de lokaal-kapaciteit van de Kamer, kan waar zyn. Maar 't blyft even waar dat dit jammer moet worden gevonden door ieder die meent dat zoo'n vergadering, om aan hare roeping te voldoen, behoefte heeft aan _Specialiteiten_. En ... nog meer ongerymdheid, nog meer schade, nog meer leugen! Wie in haringzaken de behoefte aan 'n specialiteit staande-houdt, en niet genegen is heel Vlaardingen binnen te roepen, behoort uit de Vlaardingers 'n keus te doen. Wie worden nu met deze keus belast? Experts? Zaakkundigen? Geenszins. De specialiteit wordt uitgekozen door _niet_-specialiteiten, de bevoegdheid wordt beoordeeld door _niet_-bevoegden, door _kiezers_. Zy die zich in de volksvertegenwoordiging doen voorlichten door vakmannen, vergeten gewoonlyk dat het niet altyd de _sommiteiten_ in zoodanig vak zyn, die door _leeken_ worden waardig gekeurd de algemeene zaak voortestaan. En, dat bovendien juist zy die 'n vak met hart en ziel beoefenen, en 't daarin brachten tot iets uitstekends, den minsten lust voelen hun persoonlykheid, die 'n zeer _speciale_ waarde heeft in gemeenschap van goederen uittehuwen aan 'n vergadering, welke gemiddelder waarde _altyd_ beneden die van 'n middelmatig individu staat. Dit laatste meen ik in m'n IDEE 9 overtuigend te hebben aangetoond. Dat nu zoodanig _uitstekend_ individu ook wat plicht en roeping aangaat, zich niet zoo onwaardig mag laten gebruiken, valt _my_ in het oog. Maar aan sommige anderen schynt deze waarheid niet zoo duidelyk, en daarom zal ik trachten haar optehelderen door de veronderstelde uitstekendheid by benadering te schatten in geldswaarde of maatschappelyke pozitie. Stellen wy dat er wryving van gevoelen bestaat over Geneeskundige-dienst. Hygiene, enz. en dat men alzoo in de Kamer ernstige debatten over die onderwerpen te-gemoet ziet. By vakaturen wordt gewezen op de "juist thans zoo diep gevoelde behoefte aan 'n specialiteit." De kiezers zien dit in. Er is'n geneesheer noodig. Geen heil buiten de medicynen alzoo. Een koninkryk voor 'n dokter! _Welken_ dokter moet men nu kiezen? Den bekwaamsten, denk ik. Wie beoordeelt die bekwaamheid? Iedereen! Maar ... niet iedereen kan dit beoordeelen met grond. Men gaat te-werk naar den _roep_ die er van 'n geneesheer uitgaat, Wie veel praktyk heeft, is bekwaam. De geneesheer zonder praktyk, is niet bekwaam. Dat dit kriterium hoogst-onzuiver is, doet niet ter-zake. Men heeft geen ander. En bovendien, 't mag niet gewraakt worden in kiezerszaken, daar zoodanige zeer inkorrekte waardeering berust op 't zelfde beginsel waarmee de heele kiezery staat of valt, op: _meerderheid van stemmen_. De te kiezen specialiteit behoort dus iemand _van naam_ te zyn, niet waar? Een dokter die _door velen voor bekwaam gehouden wordt_? Vraag eens aan geneesheeren die tot deze kategorie behooren, of zy hun ryke praktyk gelieven optegeven voor de nogal twyfelachtige eer van 't lidmaatschap der Tweede-Kamer? En ook zonder te spreken van 't geldelyk verlies, het zou al zeer weinig getuigen van liefde voor de wetenschap, indien zy zich op die wyze door 'n kiezersgril lieten aftrekken van 'n beroep dat den welgezinden onder hen, _roeping_ is. De zeer voorname geneesheer bedankt alzoo. De iets minder voorname --tweepaardig nog altyd!--bedankt ook. De karbriolet bedankt. De chais bedankt. Ach, de goeie lieve arme Tweede-Kamer moet zich behelpen met deze of gene godheid van lagere orde en te-voet, die haar gebruikt om zoo mogelyk langs chais, karbriolet en koets opteklimmen tot wat renommee en praktyk. "M'n zieken zyn wat schaars, zoo redeneert de half- verongelukte, doch als ik 'n deftig M.P. achter m'n naam zet, zullen de patienten wel komen opdagen." Daar ziet men dan 't specialiteiten-beginsel op z'n kop staan. Niet de geneesheer als zoodanig nuttig in de Kamer, maar 't kamerlid zit als volksvertegenwoordigende specialiteit voor 't ziekbed. Hy licht z'n zeventig kollegaas niet voor met geneeskundige kennis, maar voelt met ambtelyker deftigheid dan vroeger, den pols zyner zieken. Z'n redevoeringen imponeeren de geachte leden niet, al rieken ze naar de school--en dit _moet_, want met dat doel is-i daar--maar wel maakt hy op z'n patienten hoogmogender indruk dan in de dagen van z'n kamerloosheid. In 't Parlement daalde hy, zonder baat voor iemand, van eenheid af tot 'n zeventigste deel. Met zeventigvoudige waardigheid daarentegen wreekt hy zich op z'n andere lyders ... die ook niet genezen, al zyn ze 'r nog zoo groots op een dokter te hebben met het vaderland. Laat ons aannemen dat de voor bekwaam gehoudene inderdaad in kennis zoo hoog staat als z'n inkomen schynt aantewyzen, en tevens dat-i vervuld is van liefde voor de algemeene zaak, zoo zelfs dat hy des-noods bereid wezen zou van die hoogere inkomsten afstand te doen, om tennutte des Volks bezig te zyn. Hoe behoort in zoodanig geval deze specialiteit te redeneeren? "Er is in onze Volksvertegenwoordiging debat op-handen over Hygiene, Geneeskundige-dienst, Akademisch onderwys in de fakulteit der medicynen, enz. enz. Ik heb my op die zaken toegelegd, en vermeen --liever: _en ben overtuigd_--in-staat te wezen over dat alles inlichtingen te geven die van nut kunnen zyn voor de beraadslagingen. Men biedt my 'n plaats in de Kamer aan. Is 't nu, _in het belang der zaak_, m'n plicht die betrekking aantenemen? Wordt de door my verkregen kennis het voordeeligst aangewend _in_ of _buiten_ die kamer? Dat is de vraag? Ik beweer dat de _bekwame_ specialist, na zich deze vraag ernstig te hebben voorgelegd, geen annihileerd lidmaatschap aannemen mag. Hy mag 'n kennis niet versplinteren. Hy mag het deel der wetenschap, waarover hy te beschikken heeft, niet onderwerpen aan reglementen van orde, aan konventioneele parlements-usantien, aan wanbegrippen over party-plicht. Hy mag de religie van z'n vak niet blootstellen aan de schande van 'n stryd met onkundigen, waaronder er zyn die op toevallig ambtgenootschap het recht gronden van onbeschaamdheid. Hy mag dit niet, en ... 't geschiedt ook niet! Want ... wie inderdaad als specialiteit bekwaam is, _bedankt_. Hy komt, na de vragen die hy zich--altyd in 't belang der zaak --voorlegde, tot de slotsom dat-i z'n talenten, z'n kennis en z'n bekwaamheid het voordeeligst aanwendt door het _individueel_ verkondigen van wat hy ter-zake dienstig oordeelt. Hy biedt de vruchten van z'n arbeid aan volk en vertegenwoordiging _beide_, en wacht ... Wyst men daarop z'n slotsommen af? Mislukt hem 't gepoogd overplanten zyner denkbeelden? Welnu, dan juist blijkt hem dat hy zichzelf, z'n arbeid, en z'n "Publiek"--in en buiten de Kamer--goed beoordeeld heeft. De specialist die, ongestoord arbeidende met al de kracht eener alleenstaande individualiteit, geen bres beukte in den dikken muur van algemeene onkunde, zou waarlyk dien muur niet hebben omgeworpen, indien hy de kracht van z'n geest had verwaterd door oplossing in een onevenredig-groot aantal deelen ... anderen geest. Dit laatste beeld is weer onjuist, en te flauw voor de zaak die ik daarmee wil kenschetsen. De invloed namelyk van den specialist wordt niet alleen _verzwakt_ en _verlamd_ door z'n opgaan in een groot heterogeen geheel, maar die invloed wordt door tegenwerking _vernietigd_, of althans dit kan 't geval zyn. De mogelykheid bestaat dat 'n nuttige waarheid die kans had op bevruchtend doordringen, voor langen tyd verloren gaat, of omdat zy 'n lid der Volksvertegenwoordiging tot ontdekker had, of omdat ze in die Vertegenwoordiging werd verkondigd. En hierop doelde ik eenige bladzyden geleden, toen ik klaagde: nog meer schade, nog meer _leugen_! Dat immers het smoren van waarheid, leugen in de hand werkt, zal wel betoog behoeven. Ik verdedig van 't nu volgend voorbeeld alleen de strekking, en geenszins de zeer willekeurig gekozen stelling. Een geneesheer, _inderdaad_ sommiteit in de wetenschap, heeft zich laten verschalken. Hy verlaat zieken en studeercel, en neemt zitting in de Kamer. Na moeilijke inspanning en veel _speciale_ studie, is hy in het bezit geraakt van een of meer der volgende--door my slechts voor 'n oogenblik als zoodanig aangenomen--waarheden: dat de volksvoeding slecht is, dat de kazerneering van de militairen veel te wenschen overlaat, dat de hospitalen niet deugen, dat de vaccine nadeelig werkt op de gezondheid, dat er fouten zyn in de wettelyke regeling der prostitutie, of wel dat de heele wettelyke regeling op dat stuk 'n fout is, enz. enz. Hy was op 't punt de rezultaten zyner wetenschap en ervaring neerteleggen in 'n uitgebreid werk. Daar komt men hem storen met z'n verkiezing. Nu behoorde hy te antwoorden: "lieve mensen, ik heb waarlyk geen tyd voor zulke dingen, voorziet u elders!" Maar we stelden reeds dat het verschalken ditmaal gelukt. Zelfs de goede HOMERUS slaapt nu-en-dan. Onze voorlichter laat zich dus de "keuze zyner medeburgers--waaronder geen enkele is, dien hy 't geringste stemrecht zou toekennen in _zyn_ onderzoekingen!--welgevallen." Verkeerd redeneerende, hoopt hy z'n verkregen kennis aantewenden in dien nieuwen werkkring. Maar ... die werkkring omvat ook andere zaken dan waarmee hy zich zoo religieus bezighield. Men tracht hem te werven voor--of tegen --tariefsherziening, vry-arbeid, kadaster-revisie, schoolwet, afschaffing tienden, pantser-fregatten, linie-verdediging, kieswet- verandering, enz. enz. Onze arme geleerde voelt dat hy in 'n maalstroom geraakt is, waarby hy de vruchten zyner korrekt-wetenschappelyke nasporingen niet plaatsen kan. Z'n nieuwe omgeving waardeert z'n vorigen arbeid niet. Het is haar niet om waarheid te doen, maar om 'n _stem_. Dit is hem wel 'n groote teleurstelling, maar ... och, onze naive onderzoeker beleefde niet geheel ongeschonden de laatste twintig, dertig jaren. De modewoorden, "behoud, liberalisme, reaktie, verblinding der tegenparty--die 't altyd glad mis heeft--ministerieele krizis, periodieke ondergangen van 't vaderland" enz. drongen tot z'n studeervertrek door. Wel stuitten hem vroeger, als ruwe vloeken den vrome, al die vage uitdrukkingen, hem die de godsdienst van 't _exakte_ bekleed, maar men is nooit straffeloos 'n kind van z'n tyd. Hy wyst al die Kamerpraatjes niet af met de minachting die ze verdienen, en die dan ook werkelyk gevoeld wordt door den zeer enkele die trouw bleef of aan gezond verstand, of aan de vak-religie waardoor by sommigen zoo eigenaardig de rol van 't geweten vervuld wordt. Maar dit zyn uitzonderingen. In-weerwil van dat alles herinnerde hy zich iets op 't gemoed te hebben. "De volksvoeding, m'nheeren ... Wie luistert naar zoo iets! De kwestie _aan de orde_ is, de dikke yzeren platen waarmee men waarschynlyk onze schepen onbruikbaar maakt, en zeker de marine bederft, uit Engeland of uit Frankryk moet ontboden worden? Dat 's wat anders dan eiwit en proteine! Zeer wel. De arme man tracht met geduld en berusting die pantserplaten te doorboren, en zwygt. Neen, erger, hy stemt mee met de _clique_ waartoe hy zich verbeeldt te behooren, omdat ze hem 't uitzicht opende ook eens naar hem te luisteren. Maar ... eerst die pantser-historie _Passez nous le rhubarbe, nous vous passerons le sene_! "De kazerneering der troepen ... Lieve hemel, hoort hy dan niet dat we bezig zyn met Eeredienst? De vraag "aan de orde" is, of goddelyke dingen, voortaan te zwak om alleen te staan, by finantien of binnenlandsche zaken moeten worden ingedeeld? De Israelieten beweren, de Katholieken gelooven, de Protestanten protesteeren ... In 's hemelsnaam! De huisvesting der troepen moet wachten tot de _res divinae_ gekazerneerd zyn. "Maar de hospitalen dan ... Hospitalen hier, hospitalen daar ... de heeren zyn bezig met 'n Noorzeekanaal. Dat is "aan de orde". Hospitalen by 'n volgende gelegenheid. En onze patient--helaas, vroeger was-i zelf geneesheer! moet z'n lydende hospitalen laten wachten. "Wat de koepokstof aangaat, myne heeren ... Er wordt vandaag niet ingeent. De Kamer is bezig met de posteryen. "Aan de orde" is de vraag hoe 't stelen van brieven kan voorkomen worden? De tegenstander der vaccine--hy is dus vooral tegenstander van _gedwongen_ vaccinatie--schikt zich alweer. Hy stelt z'n verlossing uit, en rekommandeert zich voor wat _gelegentliche_ aandacht op de zaken die _hy_ behandelen wil, door zich gedwee te laten inenten met postery. "Wat de prostitutie aangaat ... Sjt! Over zulke dingen wordt hier niet gesproken. _On se respecte_! Daar zit nu de man met z'n kennis, met al z'n geleerdheid, met al z'n _specialiteit_! Hy betreurt den tyd toen-i alleen was met z'n streven naar waarheid, en geen andere beletselen kende, dan die uit den aard der behandelde zaak voortvloeiden. Maar ... eindelyk toch komt het tydstip waarop hy zoo-lang wachtte. Na 't doorloopen van allerlei kursus in zaken die hem vreemd waren, en waarin-i zoo goed mogelyk zich richtte naar 't voorbeeld van wien _hy_ aanzag voor specialiteiten in hun vak--de onnoozele! roept men hem op tot verkondiging ... Hy is gereed. "De huisvesting der troepen alzoo ... Alweer mis! Heeft men ooit dommer onbruikbaarder schepsel gezien dan zoo'n geleerde! Daar zou hy waarlyk den minister die gesteund moet worden, 'n brandhout voor de voeten gooien, of: den minister die vallen moet, steunen! Zoo wordt alles gesmoord, vernietigd. Waarheid, vrucht van gemoedelyk onderzoek, religie der wetenschap, hospitalen, volksvoeding, vaccine, prostitutie ... neen, nu zeg ik 'n woord te veel, een woord. * * * * * De zaken kunnen zich evenwel anders toedragen. _Variis modis male fit_. Stellen wy eens dat de thesis die onze specialiteit te bepleiten heeft, ten-laatste wel "aan de orde" komt, en dat het geoorloofd is haar te behandelen. Hy spreekt. Men luistert naar hem. Men geeft hem de eer die hem als _bevoegde_ toekomt. _Wie_ geeft hem die eer? _Wie_ luistert? De Kamer? Geenszins. Slechts 't gedeelte der Kamer dat de verkondigde nieuwe leer kan gebruiken in 't program van den kinderachtigen partystryd. De waarheid wordt niet ingehaald om haarzelfs-wil, maar om haar opportuniteit als oorlogswapen. De _bekwame_ specialist bedroeft zich over 't misbruik dat hy ziet maken van z'n arbeid, en gevoelt dat elke _leugen_, wanneer ze maar gelyke partydienst doen kan als de door hem gevonden _waarheid_, even welkom als deze zou geweest zyn. Doch, meent men, z'n mededeelingen zyn nu eenmaal aangehoord ... ze zullen doordringen? O zeker. Het staat in de macht van geen Parlement ter-wereld, de waarheid _op-den-duur_ te smoren. Maar ik blyf beweren dat de verkondiging op _die plaats_ haar 't licht doen zien in zeer nadeelige konditien. De onvervalschte verspreiding wordt tegengewerkt en vertraagd door de lokaaltint van pseudo-staatkunde _tendance_ die onafscheidelyk is van elke parlementaire handeling. Het doet er voor den eisch van m'n betoog volstrekt niet toe, of de wetenschappelyke meening van onzen _bekwamen_ specialist samenvalt met de belangen der meerderheid, of met die van 't ander deel der vergadering. De hulde dergenen in wier kader z'n opinien passen, heeft minder waarde dan wanneer z'n ontdekkingen waren gepubliceerd zonder politieken bysmaak. En ... de tegenwerking der andere party is hevig. Dit nu op-zichzelf ware geen schade. Maar die hevigheid openbaart zich ten-koste van de waarheid. En dit schaadt wel! --Hoe, gebreken in volksvoeding, in kazerneering, in prostitutie? Onder den minister dien _wy_ steunen? Dat mag niet waar zyn! --'t Is inderdaad hard, maar ... wie zal hem tegenspreken? Hy is 'n alom voor bevoegd gehouden ... _specialiteit_! --Zooveel te beter! Ook wy weten met zulke dingen te goochelen. En is 'n vakature voor 't distrikt X, Y, Z. Aan specialiteiten is ook aan onzen kant geen gebrek ... Waarlyk, weinig tyds na z'n optreden ondervindt onze Goliath dat men hier-of-daar 'n Davidje wist optesporen--liefst 'n zeer kleintje--die juist niet altyd behoeft te overwinnen, als hy maar goed genoeg slingert om zeker soort van kampvechters te doen meenen, of gelegenheid te geven tot het voorwenden van de meening, dat hy den reus vlak voor z'n kop heeft getroffen. Hoe dikker de laag van onbeduidendheid, die men doorboren moest om de nieuwe specialiteit aan 't licht te brengen, hoe onvoordeeliger de toestand wordt van den uit z'n kring gerukten apostel. Hy gevoelt dat men hem verlaagd heeft tot vechthaan, en dat hy zich _en spectacle_ geeft. De leeken staan er by met de handen in den zak, en wedden. Ze voelen niets van de pyn des meesters, die diep gewond wordt, niet door de slagen die hem de leerling toebrengt--ze treffen niet!--maar door 't vernederend besef dat-i zich heeft laten verlokken tot derogeerenden stryd. Hy moet het aanzien dat onbevoegden z'n tegenstander den palm der overwinning toekennen, of--niet minder bitter!--ondervinden dat even onbevoegden wel willen erkennen dat hy dien tegenstander verslagen heeft, en mag eindelyk nog van geluk spreken, indien de parlementaire konvenientie van 't oogenblik hem den byval verzekert van de meerderheid. Maar ... ook dit zelfs kan wel eens veranderen na de herkiezingen in Juni! De specialiteit der 3e, 7e 1001e klasse integendeel, wint altyd, ook al werd-i _moralement parlant_ platgebeukt weggedragen van 't slagveld. Hy die, _buiten_ de Kamer, _volgens de schatting der vakgenooten_, onwaardig zou geweest zyn de schoenriemen des meesters te ontbinden, geniet nu reeds door den stryd-zelf--hoe ook de uitslag zy--grooter eer dan in gewone omstandigheden het loon eener overwinning wezen zou. Hy hyscht z'n onbeduidenheid aan de hoogte van z'n tegenstander op, die op zyn beurt hem niet mag terugzenden naar de school, omdat hy ditmaal niet te doen heeft met de nietige persoonlykheid van den adept--van den dilettant misschien--maar met die andere nietigheid welke men in de dieventaal der parlementen gewoon is: 't "geacht lid" uit ... een-of-ander, te noemen. Bezit nu 't _ad hoc_ binnengeroepen vechtkuiken de gaaf van "mooipraten" of al ware het zelfs van "goed-spreken" dan is de zaak nog erger. En: _dit is meestal 't geval_, omdat het uit den aard der zaak voortvloeit. By 't opsporen immers van iemand die de gevreesde _bekwame_ specialiteit moet neutralizeeren, is _welsprekendheid_--zoo noemen ze dat, en ik zal hierop terugkomen--'n eerste vereischte. Hoe hooger Goliath uitsteekt, hoe meer steentjes onze David-Demosthenes moest kunnen bergen in z'n mond. Hoe minder wetenschap, hoe meer redevoering. Hoe minder kennis, hoe meer misbruik van taal. Hoe minder innerlyke waarde, hoe meer _cant_. Ligt het nu niet in de rede, dat onze andere specialiteit, hy dien we voorstelden als _inderdaad uitstekend_, berouw voelt dat hy zich en z'n waarheidsreligie blootstelde aan zulke vernederingen? Moet hy niet telkens neiging voelen den stryd te ontwyken, als zyner onwaardig? Begrypt men niet, dat hy slechts met moeite zich weerhoudt van het uiten der klacht: "gy, geachte leden die m'n woorden toejuicht of afkeurt, ik wenschte dat ge leerdet wat toejuiching of afkeuring waard is. Voor u allen is plaats op andere banken dan van deze Kamer ... ik wacht u by m'n lessen. Wat u betreft, geacht lid uit Snaterburg, die me zoo heel in 't byzonder tegenkakelt, om by die lessen te worden toegelaten, stel ik u voor, een-en-ander afteleeren. En hiermee heb ik de eer de heeren te groeten." Wel zeker! Hy gaat naar huis, en zoekt 'n ander veld ter bezajing. Als oprecht waarheidzoeker is hem lof en tegenspraak beide welkom. Maar 't moet de waardige lof zyn die aanmoedigt en kracht geeft tot voortgaan, niet de onbekookte "mooivindery" van bevooroordeelden. De tegenspraak die hy gaarne uitlokt als onmisbaren graadmeter van z'n oordeel, behoort te leiden tot ontwikkeling. Hy voelt zich en z'n zaak te goed voor 'n redeloos gekibbel, dat hem afmat, den indruk zyner redeneeringen uitwischt, en den stand der behandelde zaken verwart. Dit alles moge nu-en-dan voldoen aan de eischen eener zoogenaamd-staatkundige party, 't past gewis niet in 't program van den waarheidzoeker. Ik laat nu daar, in hoeverre dit alles anders wezen zou, indien ... onze parlementen anders waren. Dit behoort niet volstrekt tot m'n tegenwoordig onderwerp, al zy 't dan dat de wanbegrippen over 't nut van specialiteiten het hunne bydragen tot het laag gehalte onze Volksvertegenwoordiging. Daartoe evenwel werken ook oorzaken mee, die tot 'n heel andere kategorie van dwaling behooren, dan waartegen ik in dit geschrift te-velde trek, en die ik dus nu voorbyga. Men zou me kunnen tegenwerpen dat de bekwame specialist niet juist _altyd_ 'n onwaardigen tegenstander behoeft te hebben, en vragen of er dan ook geen nut te trekken is uit 'n debat tusschen _ebenbuertigen_? Elders, ja. Maar in de Kamer niet. De pseudo-politieke atmosfeer bederft al wat haar inademt. De man van wetenschap gevoelt dit, en tracht zich aan dien invloed te onttrekken. Zoodra hy in z'n tegenstander een hem waardigen kampvechter erkent, zal hy hem liever uitnoodigen tot het kiezen van 'n geschikt terrein, dan hem en zichzelf ten schouwspel te geven aan 'n publiek dat het bywonen van den stryd niet waard is. Deze ridderlyke afkeer van dorperheid wordt nog ondragelyker, zoodra de kampioenen het besef opdoen dat hun plebs niet alleen onbevoegd is tot het beoordeelen van de kracht of juistheid der toegebrachte slagen, maar dat het er op aast hun beider eruditie te gebruiken als oorlogsmiddel in 'n stryd waarmee de wetenschap niets gemeens heeft. De vernedering is dan voor beiden onduldbaar, waaruit dus vanzelf volgt dat wy op zoodanig schouwspel zelden--ik durf zeggen: nooit--onthaald worden. En hiermee wordt alzoo de stelling bewezen dat de inderdaad bekwame specialiteit het lidmaatschap in de kamer niet dan onbedacht aanneemt, en in dat geval slechts voor zeer korten tyd behoudt. De schaarste van uitzonderingen op dezen regel gedoogt niet dat het aanwezen van _twee_ uitstekende specialiteiten in een vak, frekwent kan zyn op de banken der Volksvertegenwoordiging. Doch al ware dit anders, dan nog en dan alweer zou 't getuigen _tegen_ de toepasbaarheid van 't specialiteiten-stelsel, dewyl in zoodanig geval andere speciaal- vakken te schraal zouden bezet wezen. Aannemende immers dat, byv. de marine door twee specialiteiten werd vertegenwoordigd--hooger aantal zou de onevenredigheid nog doen stygen--dan volgt hieruit dat veel andere vakken van kennis en wetenschap onvoldoende of in 't geheel niet gereprezenteerd worden, en wel om dezelfde reden die m'n uitgever bewoog die duizend vervelende hoofdstukken te schrappen. Twee zulke marine-specialiteiten zullen gewoonlyk bestaan uit twee ... FRITSJENS. Zelden uit een admiraal van de soort als die ik liever aan het hoofd van de vloot zag, met een FRITSJE tegenover hem. En nooit uit _twee_ admiralen van dat gehalte. Mocht dit laatste _par impossible_ 't geval eenmaal wezen, dan kan men verzekerd zyn dat de een met monitors dweept, en dat de ander, op 't voorbeeld van den Amerikaan FERRAGUT, zich schamen zou _to fight on the bottom of a teakettle_. In een zaak evenwel zullen die heeren 't eens zyn, in tegenzin elkaar te enteren voor 't plezier van zes dozyn landkrabben die geen marlpriem kunnen onderscheiden van 'n borduurnaald. Doch, zullen sommigen meenen, het nut der debatten tusschen specialiteiten in de kamer gaat misschien niet geheel te-loor. Ze worden ook _buiten_ de Kamer gehoord ... Niet zoo goed als wanneer ze buiten die Kamer gevoerd waren, in welk geval de onderwerpen grondig, monografisch, en van politieke "smetten vry" konden behandeld worden. Deze drie epitheta namelyk duiden de tegenstelling aan, van de belemmeringen _in_ de Kamer, die ik trachtte te schetsen. Wie overigens, ter verdediging van het nut der specialiteiten in 'n parlement, zich beroept op de mogelykheid dat _niet alles_ verloren gaat wat ze daar ten-beste geven, heeft toegestemd wat ik bewyzen wilde. Ik mag dit kapittel niet sluiten zonder de opmerking dat de gegrondheid myner overtuiging op dit stuk, gestaafd wordt door de Geschiedenis. Nooit dan in de tyden van voorbygaande beroering, waren _zeer_ uitstekende mensen--dusgenaamde "groote mannen"--leden eener politieke vergadering. In dit feit ligt de resumtie der oorzaken waarom ook _gewoon_-uitstekende mensen--vak-specialiteiten--niet op hun plaats zyn in 'n volksvertegenwoordiging. Zoodanig kollegie geeft aanhoudend blijk, niet zoozeer te beantwoorden aan de roeping om kapaciteiten aantewerven--wat dan toch, oppervlakkig beschouwd, de eisch wezen zou--dan wel om te voorzien in de behoefte aan 'n terrein waarop middelmatigheden voor kapaciteiten kunnen doorgaan. Wie veel bezit, associeert zich niet. En wie inderdaad iets is ... --Niet waar, 'n mens moet _iets_ zyn, roept men ons uit den hemel toe ... We herkennen de stem des zaligen Barons VAN EEN-OF-ANDER. En we geven hem volkomen gelyk. Een mens moet _iets_ zyn. Zeker, zeker, men moet _iets_ zyn! Maar juist daarom komt het me voor, dat iemand die inderdaad _uit zichzelf_ iets is, zich geen moeite hoeft te geven schynbaar iets te _worden_, door 't opgaan in anderen die op hun beurt zich slechts vereenigden om niet, ieder alleen staande, volstrekt niemendal te wezen. MVII. Onder de tallooze invloeden die de maatschappy beheerschen, zyn er velen die wy of in 't geheel niet kennen, of waarvan wy ons slechts zeer onvoldoende rekenschap geven. De algemeene oorzaak van dit verschynsel zal wel traagheid zyn, maar ik meen de meer onmiddellyke aanleiding te vinden in onze ... specialiteit van aardbewoners. We zyn zoo gewoon geraakt aan 't waarnemen of ondergaan van de uitvloeisels, dat we zelden ons opgewekt voelen om onderzoek naar de bronnen te doen. 't Is dus hier alweer--als by die bakkers in Hoofdstuk zooveel--de _levenslankheid_ waarmee wy ons vakje van aardbewoners uitoefenen, die ons van 't nasporen der _causae rerum_ terughoudt, en hierom staat gewoonlyk ons begrip nog lager dan onze kennis, die ... ook te wenschen overlaat. Wanneer een onzer op de maan aanlandde, en daar wezens aantrof die belangstelden in kennis, zoud-i waarschynlyk in z'n nieuwe omgeving doorgaan voor byzonder bevoegd om inlichtingen te geven omtrent aardsche zaken. Maar weldra zou hem blyken dat een seleniet meer vragen kan dan tien telluriers weten te beantwoorden. En dit niet alleen ten-opzichte van inderdaad onoplosbare vraagstukken, of ook van die welke slechts by sommigen voor moeielyk doorgaan, maar zelfs in zaken die geenszins buiten z'n begrip liggen. Telkens zoud-i zich moeten verwyten gedurende z'n vorige loopbaan zoo weinig acht te hebben geslagen op 't verband tusschen oorzaak en gevolg, en by 't minst besef van eerlykheid ware hy werdra genoodzaakt z'n ontslag te vragen uit de betrekking van vraagbaak. De primitiviteit der leeken die hem aanzagen voor professor, zou zich openbaren in allerlei vragen welke hy nooit zichzelf voorlegde niet alleen, maar die hem ook op z'n eigen planeet nooit waren gedaan door onkundigen, vertrouwd en verzoend als ze waren met hun gebrek aan begrip. Een vry algemeene hoofdindruk van zoo'n ontmoeting zou bestaan in de overtuiging dat-i vroeger zeer veel meeningen had aangenomen als op _rede_ gegrond, terwyl hy nu zou moeten erkennen dat ze slechts berustten, of op stilzwygende overeenkomst--_konventie_--of op voorbedachtelyke en uitdrukkelyke versiering, op 'n gemakshalve als waar aangenomen maar onbewezen en vaak onjuiste stelling, in een woord: op _fiktie_. Onder deze konventien bekleeden onze meeningen over _bevoegdheid_ 'n eerste plaats. By nauwkeurig onderzoek zal gewoonlyk blyken dat we telkens deze hoedanigheid toekennen aan personen die daarop niet veel meer aanspraak mogen maken dan zoo'n verdwaalde aardbewoner die op de maan benoemd werd tot adviseur. Dat de hier bedoelde onjuistheid van schatting, met al de fouten die er uit voortvloeien, nooit geheel kan vermeden worden, ligt in den aard der zaak. De meeste punten van rechtsbegrip en zedelykheid immers, ja zelfs de meeningen over eigen of algemeen belang, berusten op _konventie_, en dit zal wel zoo blyven, zoolang 't ons niet gegeven is doortedringen tot de _eerste oorzaak_ der dingen. Altyd stuiten wy in onze nasporingen op 'n stelling die--zooals de axiomaas in wiskunde, maar met minder recht--voetstoots moet worden aangenomen, op-straffe van onmogelykheid om doorteredeneeren. Dit verschoont evenwel de lichtzinnigheid niet, waarmee wy ook zulke onwaarheden vaststellen, die zeer goed hadden kunnen vermeden worden zonder ons 't verlies van 'n bruikbare konkluzie te veroorzaken. Het is waar dat wy in sommige gevallen aan zeker vertrouwen op konventioneele bevoegdheid behoefte hebben, geenszins omdat dit den wysgeer nader brengt aan waarheid, maar omdat de maatschappelyke orde soms vereischt dat 'n twyfelachtige zaak op wettelyke wys worde vastgesteld. Dit onderscheid tusschen de doeleinden der wysbegeerte en de belangen van de maatschappy, wordt--heel onwillekeurig voorzeker, maar nogal duidelyk--erkend door de Wet. Zy verbiedt den rechter uitdrukkelyk: _recht te weigeren_, dat is: geen uitspraak te doen in de geschillen die aan z'n oordeel worden onderworpen. Hy _moet_ beslissen tusschen ja en neen, tusschen aanklacht en verdediging, tusschen zwart en wit, plus en minus, zyn en niet-zyn. Hy mag niet twyfelen, mag z'n oordeel niet opschorten, mag niet bescheiden wezen--'t geen hier in veel gevallen zeggen wil: niet _eerlyk_--hy is eens-vooral veroordeeld tot _weten_. Op wysgeerig terrein zou deze verplichting 'n ware zotterny wezen, wanneer niet op even wysgeerige gronden kon worden aangenomen dat we behoefte hebben aan zeker soort van dwaling. De natuurkundige dien men vragen zou, _waarom_ alle stof streeft naar vereeniging, mag betuigen dat hy 't niet weet, maar 'n _Rechter_ is verplicht zich te houden voor alwetend en onfeilbaar, of ... zich aantestellen _alsof_ hy zich daarvoor hield. Waar-i soms inkompetentie aanvoert, mag en moet ze gegrond wezen op een-of-ander wetsartikel dat z'n jurisdiktie bepaalt, nooit op z'n onwetendheid in 't algemeen, of z'n gebrekkige kennis der byzondere zaak die aan z'n oordeel onderworpen werd. Veel minder nog op z'n zedelyke onvolkomendheid die hem zou kunnen verlokken tot toegeven in partydige liefde of haat. Het is dan ook om redenen van dezen aard dat algemeene wysbegeerte, d.i. '_t streven naar waarheid_, zoo dikwyls lynrecht tegenover de eischen van een "vak" staat. Maar 't ideaal van volkomendheid dat we moeten trachten te bereiken, noopt ons dit verschil in opvatting zooveel mogelyk te verevenen. Het is daarom onze plicht geen certifikaten van bevoegdheid uittereiken aan _valsche_ specialiteiten, en vooral niemand tot specialiteit uitteroepen, die zeer in 't byzonder onbevoegd is. Dat 'n _Rechter_ in wiens uitspraak we genoodzaakt zyn te berusten, niet altyd _rechtspreekt_, is nu eenmaal de verdrietige waarheid, maar onzinnig zou 't wezen, daarom by-voorkeur den zoodanige tot rechter te benoemen, van wien niets of weinig anders ware te wachten dan onrecht. Onder billardspelers bestaat de gewoonte, by verschil van meening over 't aantal behaalde punten, zich te onderwerpen aan de uitspraak van den markeur "_die 't weten moet_." Onze eerbied voor 'n rechterlyke uitspraak heeft geen steviger grondslag dan die "_voor bevoegd houden_" van 'n droomerig jongetje. Toch verbeeld ik me dat 'n wakkere, oplettende--en vooral 'n _integre_!--markeur te verkiezen is boven 'n slaapkop of 'n bedrieger. Wil men deze vergelyking omtrent de kracht en de strekking van konventioneele bevoegdheid verder uitstrekken of hooger opvoeren, dan wys ik op 't _zeer rationeele_ katholieke leerstuk der pauselyke onfeilbaarheid, 'n dogma dat gewoonlyk verkeerd wordt voorgesteld door protestanten en protesteerende katholieken, twee soorten van dissidenten die middel vonden om de ongerymdheid van de geloovery optevoeren tot hoogere machtsverheffing. De tegenwerpingen: "hoe kan een aan allerlei _menselyke_ onvolkomenheden onderworpen _mens_ onfeilbaar wezen?" en: "wat al pausen die dwaasheden beginnen, of zelfs misdaden!" houden geen steek. Het is voor den geloovigen katholiek die de eenheid der kerk bewaard wil zien--en juist _dit_ is de eisch van 't katholicismus--de vraag niet, of zekere persoon dien men paus maakte, dwalen kan, maar: of men niet tot handhaving van dien eigenaardigen eisch der kerk, behoefte heeft aan ... 'n markeur, wiens _konventioneel_ gezag den vrede onder de spelers bewaart? De protestantsche wyzigheden op dit punt, komen vry bespottelyk voor in lieden die eerbied hebben voor allerlei apokriefe dokumenten, voor de wartaal van dezen of genen profeet of apostel, en die zich deemoedig buigen onder de uitspraken van CALVINUS, van LUTHER, van den _Heidelberger_, van de _Dorische Synode_. "_Wy_ niet roepen hier de modernen, _wy_ erkennen slechts als waarheid wat wyzelf onderzochten en inderdaad voor waar erkennen." Deze betuiging zou 'n gelukwensch waard zyn, wanneer ze in-allen-opzichte met de werkelykheid overeenkwam, en als ze niet geuit werd door mensen die toch in 't maatschappelijk leven telkens zeer katholiekelyk hun meening onderwerpen aan de opinie van deze of gene specialiteit, zonder nog daarby zich te kunnen beroepen op traditie, op pieteit, op behoefte aan eenheid en tucht, of wat dies meer zy. De eerste modellen van opgedrongen bevoegdheid waarmee wy in 't leven te doen krygen, zyn natuurlyk de ouders. Zy zyn 't die de kinderboekjes koopen en de onderwyzers kiezen, en worden waarschynlyk daarom in sommige opvoedkundige werken zoo walgelyk gevleid. De lezer staat verbaasd over al de wysheid en al de deugd van Vader en Moeder, die 'n kind volgens die werkjes in z'n binnenkamer te aanschouwen krygt, en behoorde verwonderd te zyn daarvan zoo weinig waartenemen in de maatschappy. Papa en Mama stelen niet, vloeken niet, liegen niet, twisten niet, lasteren niet en gooien geen glazen in. Of ze de specialiteit van onmenselyke bravigheid zoo ver dryven dat ze niet eten en drinken ook, is me nooit gebleken, maar me dunkt het hoort er zoo by. En ... de kunde! Papa weet alles. Hy is de "bevoegde" persoon om alle geheimenissen optelossen, alle duisterheden te verklaren. Niets weet-i niet, precies 'n rechter! Maar, lieve mensen, ziet eens om u heen, en let eens op al de vaders die in hun binnenkamer benoemd werden tot specialiteiten in volkomenheid! Het kind--dat _niet_ om zich heen ziet, en dit dan ook nog niet kan--schikt zich, en vervalt van de eene specialiteit in de ander. Want weldra neemt de onderwyzer z'n niet zeer bescheiden plaats op den troon der volmaaktheid in. Daarop volgt de dominee, de "bevoegde" persoon alweer om te vertellen wie, wat en hoe God is. Hy weet dit precies, want ... hy is _specialiteit_ in onbegrypelyke dingen. 't Is z'n "vak." Aldus voorbereid om genoegen te nemen met het leunen op onvaste steunsels, treedt de jonge mens de wereld in, en zou 'n Herkules van zelfstandigheid moeten wezen om vertrouwen te weigeren aan de tallooze voorgangers die hem als "bevoegd" worden aangewezen. Bovendien, wat zou hem tot wantrouwen opwekken? De verkeerde begrippen die hy ontmoet in de Maatschappy, werden ook gedoceerd door de speciaal-bevoegden die deze Maatschappy aan 't hoofd van haar akademien plaatste. De akademien bevestigden wat er onderwezen werd op de school. En die school was redelyk homogeen met de kinderkamer. Zeker, zeker, de specialiteiten in "bevoegdheid" vormen 'n keten die van 't allerlaagste tot het hoogere, hooge en allerhoogste loopt. Bakers, geneesheeren en professors zyn 't volmaakt eens in hun afschuw van de luchtbeweging die ze brandmerken met den vreeselyken naam van "tocht." De staatsdienaars in hun redevoeringen, en zelfs de Vorsten op hun troon, stellen zich even kundig aan, even edelmoedig, even rechtvaardig en even zedelyk als de heeren Eerhart en Goedman uit de kinderboekjes. Wie aan de praatjes van al die vorsten, bakers, staatsdienaren en dokters geen geloof slaat, is 'n ketter. Maar de jongeling die zoo-even de maatschappy intrad, denkt niet aan de mogelykheid van verzet, ternauwernood aan oorbaarheid van twyfel. Gebiologeerd tot stompzinnig berusten, raakte hy zoo gewoon aan 't meegaan met anderen, dat-i z'n eigen denkvermogen liet braak liggen. De stad zyner inwoning komt voor rekening van Burgemeester en Wethouders, die wel verstand zullen hebben van gemeentebelangen, want ... ze zyn de bevoegd-verklaarde personen. De Landsregeering? Wel, daar is de Koning voor ... 'n specialiteit van geboorte. Daar zyn de Ministers voor ... specialiteiten van 't goddelyk _parvenir_. Daar is de volksvertegenwoordiging voor, specialiteit van ... ik weet niet wat, maar "bevoegd" is ze, o gewis! Want de Wet verzekert het ons, en die Wet werd gemaakt door specialiteiten van gelyke bevoegdheid als de bevoegd verklaarde vergadering-zelf. Wie daarna nog twyfelt! Er blykt alzoo dat wy in dat alles--en in 't laatst genoemde zeker 't minst niet!--te doen hebben met een der fiktien waaraan onze Maatschappy zoo ryk is. Reeds in den aanvang myner IDEEN wees ik op de eigenlyke strekking van 't vertegenwoordigend Regeeringsstelsel. Het tellen van stemmen--iets als 'n zonderlinge poging om intelligentie, kunde, goede trouw, vaderlandsliefde, e.d. te onderwerpen aan den eersten hoofdregel der rekenkunde--zou eigenlyk kunnen beteekenen: "als we aan 't vechten gingen, zouden _wy_ winnen, want we hebben de meerderheid op onze hand. Laat ons 't vechten voor gebeurd houden, en aannemen dat wy geslagen hebben. Dit wint vermoeienis, tyd, geld en bloed uit." Zeker! Maar ... dan blyft toch altyd de eisch: _dat men goed telt_, niet waar? En dit doen we met onze konventioneele kiesdistrikjes alweer _niet_! De fiktie over "bevoegdheid" nu eenmaal niet kunnende missen, behooren wy _in_ die fiktie zoo logisch mogelyk te-werk te gaan. Dat we dit _niet_ doen, meen ik in m'n IDEEN 119, 120, 121, en 133, voldingend bewezen te hebben. Of zou 't er--na eenmaal 'n onjuistheid te hebben aangenomen als punt van uitgang,--niet op aankomen hoe men daarop voortbouwt? 't Is wel mogelyk. Maar dan konden wy onze kiezery vereenvoudigen of, beter nog, geheel achterwege laten, en de beslissing over "bevoegdheid" tot Lands-en Gemeentbestuur overlaten aan 't lot.[7] Dit zou ook hierom misschien de voorkeur verdienen, omdat we dan met gelyke kans op goeden uitslag --waarschynlyk zelfs met grooter kans--tyd en inspanning konden sparen, om nu niet te spreken, van den wrevel, van de zwartmakerij, van al 't _onzedelyke_ dat 'n onvermydelyk gevolg is van onze tegenwoordige kiesmethode. Het heeft er veel van, of de Wetgever bevreesd was dat het Volk hooger zou staan dan z'n gemachtigden, en middel zocht om by 't verlagen van 't peil der Kamer, tevens de burgery te demoralizeeren. En nog beweren sommigen dat de fabrikeurs der achtenveertigste grondwet hun doel niet zouden bereikt hebben! _Allons donc_! * * * * * Men zou kunnen aannemen dat er voornamelyk drie manieren zyn, waarop 'n certificaat van _bevoegdheid_--dat is 'n aanstelling tot _specialiteit_--wordt uitgereikt: 1. _Door de spontane publieke opinie, mits zich uitdrukkelyk in een niet al te onbelangryk feit openbarende, daar 't anders twyfelachtig blyft wat eigenlyk de opinie van zoo'n publiek is_? 2. _Door 'n officieel gereglementeerd_ deel _van de publieke opinie, zooals byv. geschiedt naar aanleiding onzer Kieswet_. 3. De par le Roi, _d.i. door den luim van 'n Minister die z'n eigen gezag te danken heeft aan 'n fiktie omtrent_ "_bevoegdheid_." De vraag doet zich op, welke van deze drie manieren 't meest vertrouwen verdient, dat is 't minste wantrouwen. Ik weet 't waarlyk niet. De kompetentie van 't _algemeen_, van "Men" werd nogal dikwyls te-schande gemaakt. Wie den loop der "publieke opinie" in de Geschiedenis nagaat, zou byna op 't denkbeeld komen dat ze _per se_ onjuist is. Maar ook dit is 't geval niet, want by de aanhoudende eb en vloed der meeningen, bestaat altyd zekere _kans_ dat "Men" somtyds juist oordeelt, al blyft het gewaagd dat monster daarvoor grooter eer toetekennen dan de kansrekening meebrengt. En ... die kans is zeer nadeelig, want het aantal en de kracht der invloeden die de publieke meening 'n verkeerden weg opstuwen, is zeer groot. Onwetendheid en vooroordeel spelen daarby 'n groote rol. Eens zeide iemand die door 't publiek van _zyn_ tyd voor _niet_-bevoegd verklaard werd om meetespreken --een vermeende onbevoegdheid die zoo ver ging, dat "Men" hem op wreedaardige wys 't zwygen oplegde--JEZUS dan heeft gezegd: "_niemand geldt voor profeet in z'n vaderland_." Deze uitspraak is nietvereerend voor de vaderlanden, en te minder omdat er rechtstreeks uit volgt dat zy die in hun vaderland wel geacht, en dus aan 't hoofd der zaken geplaatst worden, geen profeten zyn. Wie dit goed bedenkt en konscientie heeft, zou er tegen opzien de hand te reiken aan een met algemeene stemmen verkozen Gemeenteraadslid, en zeker den moed niet hebben om 'n Kieswet te maken. Toch hebben oppervlakkige denkers dien moed gehad! Om te weten te komen wie "bevoegd" zyn om 't Volk voortegaan, sloegen zy den weg in, die rechtstreeks op verregaande onbevoegdheid uitloopt. Als ware het om de kwaal zooveel mogelyk te verergeren, heeft men 't aantal verkeerd oordeelende vaderlanden in kiesdistrikten gesplitst, en alzoo de fouten die zoo'n Vaderland aankleven, zooveel mogelyk vermenigvuldigd. Die fouten immers zyn: onkunde, brood-roem-en opinienyd, in een woord: _Klein-staedterei_. Het ligt in de rede dat de "Vaderlanden" hun kandidaat-profeten van te naby zien, en dat dit gebrek te grooter wordt naarmate men de grenzen van zoo'n vaderland inkrimpt, gelyk by ons Distriktenstelseltje dan ook inderdaad het geval is. * * * * * Ik gis dat deze laatste opmerking sommigen zal voorkomen als 'n parafraze van 't bekende spreekwoord over groote mannen en kamerdienaars, en dit noopt me tot de uitdrukkelyke verklaring dat ik hier geheel iets anders bedoel. Om dit verschil van meening duidelyk te maken, moet ik me nu wel even met dien vervelenden deun bezighouden. Na den weerslag dien ik jaren geleden reeds daarop gaf en dien ik voor afdoende hield, (IDEE 689) kom ik daarop niet voor m'n genoegen terug. Maar 't moet wel, omdat me telkens blykt dat er nog altyd 'n gansche bende kamerdienaars heel wanhopig loopt te zoeken naar 'n groot man. Eilieve, als die verweesde lakeien-_zelf_ eens die funktie op zich namen? 't Is waar dat ze dan zouden moeten beginnen met 'n eind te maken aan hun knechts-praatjes. De gaping die daaruit te voorzien was op de programmen van _Letterkundige Kongressen_, moest dan maar in 's hemelsnaam worden aangevuld met iets degelyks. _Voyons_! De grootemannigheid schynt ... 'n hoedanigheid te wezen. We slaan de definitie over, en nemen gemakshalve aan, dat de jammerende knechts 't daarover onderling eens zyn. Ook dat _ik_ 't met hen eens ben ... wa