The Project Gutenberg EBook of Vitaulium: Hofwyck en Spaansche Wijsheit by Constantijn Huygens This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Vitaulium: Hofwyck en Spaansche Wijsheit Author: Constantijn Huygens Release Date: February 9, 2004 [EBook #10975] Language: Dutch Character set encoding: ISO Latin-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VITAULIUM: HOFWYCK EN *** Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe. VITAULIUM HOFWIJK * * * * * SPAANSCHE WIJSHEIT, VERTAALDE SPREEKWOORDEN. DOOR CONSTANTIJN HUYGENS. _Ridder, enz_. MET AANTEEKENINGEN VAN DR. J. VAN VLOTEN. "In Dec. 1639 hebb' ick, naer veel soeckens om yetwes in 't quartier van Voorburg ende aen de Vliet te vinden, daer ick een huysken van vertreck, in tijde van sieckte ende andersins, soude moge timmeren ende beplanten, gekocht van Mr. Jacob Adrichem, woonachtig te Delft, eene sijne partye lands, gelegen ten Westen rakende aen het voorn. dorp, ter wederzijde van den Lijdwegh, groot 4 merghen 1 hond ende 39 roeden". (Aant. bij Schinckel, _Bijdrage tot de Kennis_, enz. van C.H. bl. 77).--In Dec. 1640 en Maart 1642 kocht H. nog belendende teellanden aan, na al aanstonds met de bouwmeesters Van Campen en Post over den aanleg en opbouw van plaats en huis, geraadpleegd te hebben. Met laatstgemelde, die ook zijn huis aan 't Plein voor hem gebouwd had[1], ontwierp hij de benoodigde plans en teekeningen, zoodat er reeds in 't voorjaar van 1640 met den aanleg van plaats en plantsoen, en kort daarna met het bouwen van 't huis een aanvang gemaakt werd, en dit laatste in July al ver gevorderd was. Den 8sten dier maand kwam H., van 's Prinsen wege uit het leger naar den Haag gezonden, zijn nieuwen aanbouw in den vroegen morgen in oogenschouw nemen, en in 't najaar was deze, zijn _Hofwijck_, voltooid. Zijn voortdurende afwezigheid in het leger en drukke werkzaamheid in de stad vergunden hem echter slechts nu en dan er een enkelen dag, soms maar weinige uren, door te brengen, en zoo dikwijls hem dat te beurt viel, teekende hij het in zijn Dagboek aan. Het eerst ontbeet hij er, met eenige vrienden, den 23sten Mei 1642. Na den dood van Prins Willem II verminderden zijn werkzaamheden natuurlijk, en had hij gelegenheid er dikwijls eenige dagen te slijten; en toen zijn zoon Constantijn hem bij Willem III als geheimschrijver was opgevolgd, hield hij er des zomers geregeld zijn verblijf.--In 1652 bezong hij het, en gaf zijn dichtwerk den 11den Febr. 1653, bij Adriaen Vlac in Den Haag ter perse. (Zie Schinkels _Nadere Byzonderheden_, enz. II, bl. 58 en v). Noot: [1] Het thans afgebroken ministerie van justitie, als men weet. VITAULIUM HOFWIJCK 1652 AEN VROUW GEERTRUYD HUYGENS geseght DOUBLET, VROUWE VAN S. ANNELAND, & c.[1] _Mevrouw en waerde Moeye_; De wijsen van eertijds hebben 't soo verstaen, ende het is altoos waerachtigh gebleven, dat Vrucht en Vreughd, Voordeel en Vermaeck in een getwernt[2], den deughdelicksten draed maecken. Daerop sagh ick dat mijn Vader gesien hadde, als hy sich gelusten liet de lichamelicke lusten van sijn _Hofwijck_ soo te beschrijven, datse de Ziel raeckten, makende van die Wandeling een Handeling, die naer[3] hem sijn Erven, noch naer[3] den ondergangh van de plaetse, te stade komen moght. Ende het soete voornemen alsoo uytgevoert, heeft my te dienstigen licht gedocht voor de Korenmate, daer onder het geschapen was voor eerst te smooren, sonder de moeite, die ick aengewent hebbe, om het oock onze Eewe te mogen bekent maken. Hoe het dese neus-wijse Wereld sal op nemen, staet te sien. By U.E. en meen ick geenen ondanck verdient te hebben: de Stichter van _Hofwijck_ is haer te lief, om een stucksken Wercks van den Dichter te verwerpen. Een stucksken Bywercks noemde ick het beter: dewijle wy heel wel weten, en qualick gelooven konnen, dat hy daer aen al gaende en staende niet meer en heeft besteedt als de brockelingen van vier der druckste maenden, die hy beleeft heeft, sonder dat yemand getwijffelt hebbe, dat hy in 't gewoel van soo vele andere besigheden yet sulcks onder de leden soude hebben. Nu het Kind schielick ter wereld is gekomen, ende my, den oudsten van de Voor-kinderen, als het jonghste van 't tweede Bedd', vertrouwt, weet ick het niet beter te besteden als by U E., beider oudste Moeye, die ick wenschte, dat sich somwijlen daer mede wilde verlusten tegens de swaermoedigheden, die haer overigh mogen zijn zedert sy de twee lieve derdendeelen van hare eigen Bedde-vruchten uyt der tijd heeft sien haelen; wel goeds tijds[4], na ons gevoelen, maer ontwijffelick te goeder tijd, dewijl het Gods tijd was. Hem bid ick, U E. in alle tijden ende naer alle tijden te segenen met tijdelick ende eewigh welzijn, blijvende, _ Me Vrouwe en Waerde Moeye_, U E. Ootmoedige Neef en dienaer C. HUYGENS[5]. Noten: [1] Constantijn Huygens zuster, zie I en II, bl. 836 [2] gedraaid; verg. 't Hoogd. wirn. [3] na. [4] vroegtijdig. [5] Versta 's dichters oudste zoon _Christiaan_, die de uitgave bezorgde. AEN DEN LESER; VOOR DE BY-SCHRIFTEN[1]. Wie is' er met sich selfs of met sijn' tijd verlegen, Sijn' kostelicken tijd? wie soeckt naer niewe wegen, Om lustigh leegh te zijn? wien stinckt[2] de Steen en 't Berd[3], En ander arger vuyl, dat spel gerekent werdt? Hy kome daer ick gae, wanneer ick Haegh en Hof wijck; Hy blijve daer hy is, en volge my op Hofwijck; Hy wandele met my, en spare voet en schoen: Hy kan sijn wellust met een oogen-blick voldoen, Of, is sijn Oogh te luy, met een geduldigh Oor-deel[4]; Daer hooren streckt voor sien, en geeft het oogh geen voordeel; De doove by sijn oogh, de blinde by sijn oor, Kan voelen waer ick tree, en treden in mijn spoor. Men hoor of sie my dan, ick stae in[5] voor 't berouwen By alle keurige van planten en van bouwen; En, ben ick niet verleidt van eigen toover-min, Sy sullen Hofwijck bey soo vinden als ick 't vin[6]. Noch liegh ick voor de helft: de blinden sullen voor gaen, En dobbele genucht sal in des hoorers oor gaen By d'enckele van 't oogh, Soo gaet het met de pen, De Rijm-pen; want sy lieght, ten deele van gewen[7], Ten deelen[9] om de kunst: en die de waerheit soecken In 't los aensienelick van welgerijmde Boecken, Zijn even verr' van 't pad, als die den wilden aerd Van 't weelderigh pinceel aenvaerden voor een Kaert. Leest met voorsichtigheid wat Dichters van haer[10] geven; 't Is rouw'[11] Land-metery, daer staet geen passer neven. En die een dobbeltje wil hangen aen de vracht, Om Hofwijck te gaen sien in d' ongemeene pracht, Dien ick het heb geleent, zal weinigh min als vloecken, En seggen: "Wel, ick segg: is dat het voer van Boecken, Is dat een' Schildery, die op het leven treckt? 't Schijnt, dat men kinderen d' oud' avontuer vertreckt[12] Van 't Koninghs dochtertjen, om in den slaep te raecken! Is dit het hoogh Kasteel, zijn dese dorre staecken Die Eicken Hemel-hoogh, is dit het Masten-woud, Zijn dese Lindekens het andere Voorhout, Is dese bult een Bergh, is dese plas een Vijver? Wat quelt my d'ydelheit van dien verweenden Schrijver! Laegh noch mijn dobbeltjen in 'tsackjen van den Kerck, Soo had ick Godt behaeght en sat noch op mijn werck. Ja, vrienden, blijft by huys, en spaert uw sestien duyten[13]: 'k Heb rijp en groen geseght, om dat het _Dicht_ souw sluyten. Soo gaet het (noch eens) met de Rijmpen; om een woord Dat sonder weergae is, moet arme Waerheit voort, En om een braever[14] woord, dan woorden die wat seggen, Moet onred' in den top, en Reden onder leggen; Mits dat het Klinck-dicht zy, is 't snoodste 't beste Dicht, En beste Dichter is die konstelickst verdicht. Beschaemt[14] den Meester vry, die[15] van de kunst wilt heeten, En laet ons een voor een ontlasten ons geweten: Wy lijden van den Rijm al, dat het Schip in Zee Van vloed en ebbe lijdt: wy leggen 't op de ree, De ree van Reden, aen; en 't schijnt, de volle zeilen, En 't schijnt, de ruyme schoot en weten van geen feilen; Het Roer light midden-boords, de vlagge wijst voor uyt, De Naelde wijckt noch wraeckt[16], en alle gissingh sluyt, En al 't besteck gaet vast; voor-wind maeckt rechte streken, Maer, Stierman! waer is 't Schip ten einde van ses weken? Voor St. Helena? jae, soo 't God en water wil, Soo niet, aen St. Thome, of mog'lick in Brasil! Dat doet de blinde kracht van ongemerckte Stroomen. Soo gaet het in 't beleid van Rijmers en haer' droomen: Sy munten 't op de kust daer 't Schip op is bevracht, Sy hebben Roer en Schoot (soo meenens') in haer macht; Maer daer's wat onverhoeds, in 't Zee-sop en sijn baeren, Haer slechte Zeemanschap in 't zeilen wedervaeren; Een ongevoelde drift, een Tij heeft haer verleidt; Sy hebben eens een woord voordachteloos mis-seidt, Goen avond[17] Redens-ree: dat woord moet weer berijmt zijn, Of 't streeck houdt of geen streeck, of 't Dicht soud' ongelijmt zijn. Soo lijmt men dan voort aen[18], en raect van Oost in West, Van 't Zuyden in het Noord: tot dat m', in 't lieve lest, Verzeilt en bijster 's weeghs, met loeven en laveeren, (God weet hoe gracelick!) naer 't oogemerck[19] moet keeren: Terwijl de Leser staet en gaept met open mond, En wenschte, dat hij eens den Dichter wel verstond, Die wel verstaenlick waer, kond hy sich selfs begrijpen. Gaet, lieve leser! gaet uw herssenen nu slijpen, Om door 't geheim te sien van 't mijmerigh gesegh, Daer, die u leiden sou, verruckt[20] is van den wegh. Nu heb ick my ontkleedt: waer hael' ick Vijgen-bladen Tot masker van de schaemt, daer med' ick sta beladen? Wie wil nu Hofwijck sien of hooren met geduld, Met logens opgepronckt, met klater-goud verguldt? Ghy, Leser! hoort ghy noch dry woorden van verschoonen; Noch ben ick lesens waerd, en kan het sus[21] bethoonen: Al dat ick Hofwijck noem, is Of-wijck[22] van den wegh, Die waerdigh zij betreen; indien ick Hoefwijck segg', Soo spreeck ick uyt mijn Bors en uyt mijn hert te saemen; Maer die het Stof-wijck heet, heeft goet verstand van naemen En van de slechte stof, daer Hof-wijck af bestaet. En van der Dichteren ruym spreken sonder maet. En is 't Gesticht[23] soo slecht, wat sal 't Gedicht verbloemen, Dat, die wat Hofwijs is, sal Holwijck derven noemen? Hol, lieve Leser! hol, en holler dan een blaes, Een blaes met boonen, is dit voddige geraes. Verhaest uw vonnis niet; jae, spreeckt het sonder schroomen, Ick help 't u spreken: 't zijn derd'daeghsche-kortsedroomen, Daer op ick u onthael; 't is ongerijmde Rijm, Een buyten cierlijck graf, van binnen asch en slijm[24]. Maer houd het vonnis in, en hoort my noch eens spreken: Die oyt gewandelt heeft langhs modderige beken, En heeftse niet altoos bewandelt sonder lust; De Zee is alom sout, maer hier en daer de Kust Beset met soet gewasch van Bloemekens en Kruyden, Daer 't keurige begrijp van recht neus-wijse Luyden Sijn sinnen in voldoet, en vindt de wegen kort, Daer hier wat nuts en daer wat schoons gevonden wordt. Het kreupele geschrift van teere Leerelingen Wordt by des Meesters hand met konstelicke ringen, Met strick en spinneweb omvlochten en geciert, En hoe 't min deughdigh is, hoe meer betiereliert[25]: Soo kan een Ebben[26] lijst een slechten doeck[27] verrijcken, En doen hem voor wat goeds verkoopen of bekijcken; Die lagen leg ick u: mijn Boeck, mijn Schrift, mijn Doeck, Mijn tamme Schildery, recht uyt geseght, mijn Boeck, Mijn Hofwijck in papier is wandelen, noch lesen, Noch koop, noch kijcken waerd; dat vonnis is gewesen: Maer kust[28] en strick en lijst, die 't cieren op den kant Zijn op de proeven van het keurlickste verstand. Veracht ghy dan mijn stof, mijn selfkant moet ghy prysen; Danck hebbe 't soet behulp van afgestorven Wijsen: Die heb ick uyt haer graf doen spreken t' mijner baet, En van haer lappen my een feestelick gewaet Geflickt[29] en omgedaen: met Peerlen van Athenen Is dit gewaet versien; de kostelickste steenen Van Roomens burgery, does' op haer rijckste was, Heb ick gelesen uyt haer Puyn en uyt haer as, En my mee geborduert: der Christelicke Vad'ren[30] Heb ick het beste bloed van haer ontsteken ad'ren Gesmolten in mijn vleesch, en uyt haer oud gebeent Het onverrotste mergh gesogen en geleent. Nu pronck ick met den buyt, nu tert ick uw gedulden[31]: Verkoop ick niet als lood, 'ck heb 't weten te vergulden; Nu moet ghy Hofwijck sien, het zij u lief of leed: 't Kind is wanschapen, maer 't is rijckelick[32] gekleedt[33]. Noten: [1] Versta: de bijgevoegde lofdichten, naar den smaak der eeuw. [2] walgt. [3] verkeerbord. [4] Min gelukkige klankspeling. [5] vrijwaar. [6] Voor vind. [7] gewoonte. [8] Welluidendheidshalve voor deele. [9] zich. [10] ruwe. [11] verhaalt. [12] Thans zou men van tien centen spreken. [13] fraayer. [14] Stelt op de kaak, ten toon. [15] Versta: gij die. [16] weerspreekt. [17] Vaarwel dan. [18] Maar voort. [19] doel. [20] vervoert. [21] zoo. [22] af-wijk. [23] Versta: het geheele buiten. [24] slijk. [25] Omkruld. [26] ebbenhouten. [27] schilderstuk. [28] rand. [29] Aangelapt (van 't Hoogd. flicken). [30] De zoogenoemde kerkvaders. [31] geduld hebben. [32] Rijk, weelderig. [33] Dat oud-roomsche en atheensche, en dat kerkvaderlijk borduursel en verguldsel is in deze volksuitgaaf, als minder doeltreffend, echter weggelaten. De desbeluste lezer kan 't in de oudere naslaan. AEN DEN DRUCKER. k Hebb' Hofwijck uytgedruckt: is 't t' uwent niet te druck, Verdruckt my in uw pers, en helpt ons in den Druck; My in den druck van eer of oneer, van berispen Of prijsen, naer het volck of spreken wil of lispen[1]: U in den meerder druck, van Kostelick papier, Als Ketter-vleesch, te sien verdoemen tot het Vier. Van dusend tegen een de nadruck[2] zal ons' beurt zijn; Ick heb 't u ingedruckt; denckt, als het sal gebeurt zijn: Die Dichter heeft sijn plicht uytdruckelick vervult: Mijn onderdrucken[3] is de dochter van mijn schuld. Noten: [1] Voor prevelen. [2] Voor narouw. [3] In den druk raken. AEN MIJN HEER MIJN HEER VAN ZUYLICHEM over het lesen van sijn Eds. HOFWIJCK. 't Is een dagh of vier geleden, Dat ick hallif moe getreden Door de paedtjes van mijn hof Wat gingh sitten onder 't lof[1], Daer de hitte niet kan nypen Onder 't lommeren van ypen, Op een banckje van een deel[2], In een koel en groen prieel; Daer de dichte blaedjes weeren Dat de Son my niet kan deeren, Schoon hy op de middagh blaeckt, Als hy 't Hemel-kreeftje naeckt. Om mijn eensaemheit t' ontvluchten, Die my somtijds doet versuchten, Als ick aersel op de schae[3] Van mijn afgestorven gae, (Wie kan steeds den mensch verkrachten)? Liet ick drijven mijn gedachten[4], Liet ick mijn herdencken gaen Door u lecker letter-blaen, Die ick even had gelesen; Blaen, die voor geen sterven vresen, 't Zy de Somer swicht of brand, Van een soete Joff'ren-hand, Door uw wil, aen my gegeven; Blaen, daer _Hofwijck_ door sal leven Langer, alsser bosch of laen Staet, of met of sonder blaen; Langer, als d' abeele kruynen Sullen _Hofwijck_ en sijn tuynen Decken voor de scherpe snee Van de seyssen uytter Zee[5]: Langer, als sy, met de toppen Van haer hoogh-gestege koppen, Sullen weygeren den pas Aen het huylen en 't gebas Van de nortse Noorder-winden Op den bloesem van de Linden, Die, aen d' Oost' en Wester-kant Van den _Hofwijcks_ Hof geplant, Maecken ruyme wandeldreven, Die het quaelick willen geven Voor 't Voorhoutse Joffren-rack, Munnick-tuyntje, blaeder-dack, Dat, door 't roemen uwer Dichten[6], Voor geen dingh behoeft te swichten, Wat of in of buyten 't landt Sijne borst op schoonheit spant; Langer, als de maste-boomen[7] Sullen wederzijds bezoomen, Met een altijd groenend lof, 't Buytenpad van uwen Hof: Als de nimmer-dorre Climmen[8] Sullen klauteren en klimmen, Langhs 't gebeent' en armen op, Over hooft en kruyn en top Van de hoecksche Vierelingen[9], Al gelijck in alle dingen, Broeders, even hoogh en breedt En al eveneens gekleedt: Daer de Cabbeljaeus-gesinden[10] Noch wel herbergh souden vinden, Soo 't de Landvooghd soo verstond, Dat hy die in schootels sond 't Lijf gesoon, de staert gebraeden, En een kruyck met wijn gelaeden Van de Moesel of de Deel[11], Om het oud-versufte scheel[12] Met een Roemer af te drincken; Langer, als de Vloer sal blincken, En het marmer staen te prael, In uw sinnelicke[13] sael; Langer, als uw Slot zal duyren, Dat, met even-zijdse muyren, Vierkant uyt het waeter rijst, Dat de Waerd en gasten spijst Met een vangst van goede vissen Als 't u die gelieft te dissen, Slot, als men 't van 't Zuyden kijckt, Dat een flesch in 't koel vat lijckt;-- Langer als men 't paerdt sal jaegen Langhs de Vliet, met sweepe-slaegen, Nae den Dam, of Delft, of Haegh, Alsser Schip en schuyt en kaegh, Met sijn vracht en volck en waeren, Uw kasteel verby sal vaeren, Die, of van of nae de Vliet Door den Duycker henen schiet;-- Soo langh als men Duyts sal spreecken, En geen leeser sal ontbreken, Die een aerdigh Rijm bemint, Daer men pit en kruym in vindt. Wijl ick sit en suff en mijmer, Opgetogen, hoe de Rijmer In soo een gemeene stof Wint soo ongemeene lof; Hoe hy Wijsheit mengt met kluchten, Hoe hy sonder jock kan tuchten[14], Hoe hy ernst met lacchen speckt, Daer men les en vreughd uyt treckt, Vind ick my in 't Bosch gekommen En op uwen Bergh geklommen, Daer een vierkant hout-gebouw (Wist ick hoe men 't noemen souw) Braght my weder op mijn sinnen, Datter voordeel was te winnen Van een heerlijck Peterschap Voor die op den hooghsten trap In het gissen konde raecken Van profijtelickst vermaecken In het geven van een naem, Beyde nut en aengenaem. Ick gevoelde my bestreeden Van mijn tochten en de Reden: D' een sey dat ick 't laeten souw, D' ander riep er tegen: "houw! Houw, en wilt u daer voor wachten, 't Is geen werck van uwe krachten, 't Is geen last van uwen rugh; Wat vermeet sich vliegh of mugh, Dat een kemel is te vergen? Wie begeeft sich op de bergen, Die genoegh sich vind beswaert, Dat hy kruype by der aerd?" Reden had nae reen gesproken, Eersucht quamper tegens stoken: "Die niet soeckt, die niet en vind, Die niet waeght, die niet en wint; Waeght ghy: 't kan misschien gelucken; Mist ghy: 't hoeft u niet te drucken; Vele, die wat groots bestaen Hebben met de wil voldaen; Oock soud ghy den eerst niet wesen, Dien, als anderen voor desen, Een geluckigh woort ontvil[15], Als 't geluck maer dienen wil; Blinden kunnen somtijds raecken, En oock acker-lieden spraecken Somtijdts wel een tijdigh woord, Dat den wijsen heeft bekoort; Oock is 't mee al waer bevonden, Dat een haes, voor snelle honden Afgeloopen vry en los, Is gevangen van een Os, Die hem op sijn lenden trapte, Wijl[16] hy door de weyde stapte In een dichte bos van gras, Daer het wild gelegert was". Wat is goed en wat is beter? Soo 't geluckt, soo werd ick Peter[17], En soo 't mist, waer kom ick heen? Wat is 't als een blauwe scheen? Die is lichtelick te waegen: Vryers loopens' alle daegen, En wie gaetter kreupel van? Dus geschuddet[18] in een wan, Dus gehangen tusschen beyden, Eer dit strijden was gescheyden, Had my d' eersucht al vermant, En de Pen was in de hand, En de Reden aen het swijmen, En de Dichter aen het rijmen, En de veder in den int, Om een naem voor 't houte kind. _Hofwijcks_ Hoogh-beroemde Schrijver, Dus geraeckt' ick door den yver, Die de reden had verbluft, Van het peynsen half versuft, Aen het raen en aen het rijmen, Aen het voegen, aen het lijmen, Aen het krabblen met de pen, Waer van ick dit naschrift[19] sen[20]. Heb ick 't wit niet kunnen raecken Van 't profytelickst vermaecken, Soo ick in den naem hier mis Wat en nut en vrolicks is; Heb ick 't bey niet kunnen raemen Wilt de Meester niet beschaemen, En die mee is van de kunst, Deck mijn feilen met sijn gunst!-- 20 Julij, 1652. (jACOB WESTERBAEN). Noten: [1] loof. [2] plank. [3] 't verlies. [4] Westerbaens overleden vrouw, na welker dood hij zich op Ockenburgh gevestigd had. [5] Versta: de zeewind of -lucht. [6] Zie deel III en IV bl. 30 in't Voorhout. [7] Huygens' lievelingen. Zie vervolgens en in de Sneldichten. [8] klimop. [9] "Vier houten cabinetten of prieelen met clim bewassen, staende op de vier hoecken van den Hof, alle uyt eender hand gemaeckt" Huygens. [10] Klankspeling op het vorenstaand hoeksch. [11] In Belgien; deelewijn. [12] verschil. [13] nette. [14] leeren. [15] Ontviel; gelijk wirp voor wierp in 't volg. lofdicht. [16] terwyl. [17] peet-oom. [18] Voor geschud. [19] Zie volgende gedichten. [20] Voor zend, gelijk vin voor vind, enz. PROSOPOPOEA[1]. Spreeckende HOUTE GEBOUW OP DEN BURGH IN 'T BOSCH VAN HOFWIJCK, HOF-STEDE des HEEREN VAN ZUYLICHEM BY VOORBURGH. _Dus sprak een houte Kind, of een van sijnentwegen, Doe hy sich vond op 't Land om tijd-verdrijf verlegen_: Ick heb dat wesen niet dat ick te hebben plagh. Een quaden avond-luym, een felle blixem-slagh, Die hooge bergen treft en spaert de laege heuvlen, Wirp[2] my ter aerde neer, eer hy my dede sneuvlen, Soo dat ick met mijn top, beneden in het gras, Verraedlick lagh, gestort, eer ick gewaerschouwt was. Ick was, of ick geleeck, een van des werelds Wondren, Een van het seven-tal, eer 't blixemen en 't dondren My door een domme kracht ter neder had geploft; Ick leeck der Spitzen een daer Memphis noch op stoft[3], Die Vorsten-beenderen en Konincklicke lijcken Verstreckten tot een graf in de beroemde Rijcken, Daer 't Nylewaeter mest het Kooren-rijck Egipt. Ick wierd van yder een besprooken en belipt[4]; Die timmert aen den wegh is selden buyten opspraeck. Ick leeck der spitzen een daer, eer men tot den top raeck, En siese van der aerd ten wolcken uyt gebout, De Stichter sagh verspilt ruym hondert tonnen gout, En noch eens, en noch eens, en seventigh en negen Aen loock, ajuyn, en kaes, soo ick het heb te degen En men de rekeningh van Steven[5] wel verstaet. Nu ben ick--Kijcker, stae! segh, eer ghy henen gaet, Wat ben ick? Wie hier gaeuwst en kloekst sal in de weer sijn, En't nutst en 't vrolickst vind, die sal mijn Heers Compeer[6] sijn; Jan, maeck het Bosch-heck op, en ghy, o Kijcker-vrind! Komt nader en bedenckt een naem voor 't houte kind. Sie my van elcke kant, van boven, van beneden, En wilt, om wel te sien, wat tijds aen my besteden; Het sien en kost hier niet. Aen een wanschaepen dier Hebt ghy somwijl versnoept een stuyver drie of vier: Te kermis, aen een meyt, die armeloos gebooren Uyttarte met de voet de beste Nayster-slooren, Stack draen door 't naelden-oogh en naeyde wacker heen, En wat daer vingers doen, dee vaerdigh met de teen;-- Aen een die ruym het hoofd van een volkomen man had, Maer borst en buyck en dyen en beenen van een span had; Een Reus in 't Aepenland, die in een Munnicks mouw, Die in een Visschers hoos sijn herbergh vinden sou; Een Karel onder 't volck[7] dat in voorleden tijden, Tweemaal zes duymen hoogh, met Kraenen plagh te strijden; Een schaduw, die de Son hier op de middagh geeft, Als hy een man beschijnt van boven uyt de Kreeft;-- Aen een gebaerde knecht, die met sijn hooft en borst sat Op sijn verdort geraemt, die veel tijds goeden dorst had, En mocht sijn kroes wel uyt, en op de toon-banck sprack, Wat meerder als een hooft daer 't lichaem aen gebrack. Oock siet men aen dit lijf geen beenen noch geen voeten, Maer soo 't geoorloft was te graeven en te wroeten, Men vonde dat ick die heb langh en dick en breet; Maer dat ghy 's niet en siet, dat heeft oock sijn bescheet. Weet dat ick RODEN-BURGH[8] heb onder mijne soolen, En tree de voncken uyt van sijn verborgen koolen, Die hy hier onder my met groene rocken deckt, En door een snoode pest uyt giftich sand verweckt, Mijn buyren sterven deen; dees trapten ick het hooft in, En stae tot op sijn hert, daer ick het vyer verdooft vin. Een koocker is mijn romp, mijn ingewand een trap, Waer langs ick lijde dat men tien en tienmael stap, Tot dat men eyndelick koom boven op mijn schoudren; Daer laed' ick jong' en ouw', en kinderen en oudren, En vrind en vreemdelingh; komt vry in groot getal, En niemand sij vervaert voor ongeluck of val, Danck heb geen sackende maer rijsende-bragoenen[9]; Die door een draeyend hooft raeckt onvast in sijn schoenen, Om dat hy sich te hoogh vind boven in de locht, Die leune vry daer op, en vreese krack noch bocht. Hier siet men 't grootst waerom[10] des Heeren die my boude; Oock isser geen geweest die dese moeyte roude, Dat hy den hoender-trap[11] langhs Rodenburgh beklam, Tot hy door mijn gedarmt op mijne schouders quam. Hier siet ghy over 't vlack der voor en achter-weyen, Hoogh boven top en tack van elsen, eyck, en meyen, En onverhindert komt den halven wereld-kloot In uw verheven oogh; hoe spits, hoe steyl, hoe groot Gesticht of bosch of boom, ghy siet het al gedoocken, En onder uw gesicht ootmoedigh en gebroocken. Sie, Kijcker! dat ghy siet, en neemt wat tijds daertoe; Verschoont mijn schouders niet; die werden nimmer moe; Verschoont alleen mijn hals, daer magh[12] ick weynigh veelen; Met halsen valt het wat gevaerelick te speelen. Ghy siet hoe langh, hoe smal, dat hy nae boven gaet, En wat een top-swaer hooft dat aen het eynde staet; Een hooft, dat nimmermeer is sonder schudde-bollen, En echter even net, hoe het de winden sollen, En 't sij of dagh of nacht, al even fraey gehult; Maer, soo het herssens had by 't kostelick vergult, Wat spijtigh Reyntje kon op mijne schoonheit smaelen? Waer sou het Vosje stof tot leppigh schempen haelen? Wat dunckt u, Kijcker-vrind! hoe staet u 't maecksel aen? Een hals soo dun, soo langh, als tienmael van een Kraen, Een hooft soo hoogh van 't lijf! Maer doch 't en is om niet niet, Dat ghy mijn hals soo langh als eenigh Indisch riet ziet, En dat mijn hooft soo ver van mijne schouders staet; De reden vindghy licht, soo ghy uw oogen slaet Op mijn vergulden kop, daer wonden en quetsuyren, Die ick gekregen heb van Rygens en van Buyren, U leeren, dat mijn hooft streckt tot een Pylen-doel; Men rake soo men kan, het heeft doch geen gevoel, En ick noch arm noch hand om zeer of leed te wreken. Meer wil ick van my selfs voor dese mael niet spreken. Gae, Kijcker! gae nu heen, en span uw krachten in, En geeft het kind een naem na mijnes Stichters sin. Indien 't u wel geluckt, soo sult ghy deughd[13] gevoelen; Men sal op mijnen Doop de beste glasen spoelen, En doen een frisschen dronck van eedle[14] Deele-wijn, Bn ghy sult de Compeer[15] van Hofwijcks Land-heer zijn. Noten: [1] Persoonsverbeelding. [2] Wierp; zie boven vil en derg. [3] Versta de Aegiptische pyramiden. [4] berept, bepraat. [5] Stephanns, in zijn beschrijving. [6] Medepeter, gevader. [7] dat der Pygmeen. [8] "Een Bergh van het roode sandt gemaeckt, dat de boomen dede uytgaen ende namaels verlaeten wierdt, ende op een hoop gekart, ende met groene zooden bedeckt". H. [9] Zie boven in 't Kostelick Mal. [10] reden. [11] "Een trap van een swaere planck gemaeckt, daer de latten over dwers opgenagelt syn, om op den Bergh te klimmen". H. [12] kan. [13] genot, weelde. [14] Later "koele". [15] gevader. KIJCKERS ANTWOORD EN KEUR VAN NAEMEN VOOR HET HOUTE GEBOUW. I. DE "JE-NE-SCAY-QUOY" VAN HOFWIJCK. Elck die uw hooft bemickt, treft sijnen Doele niet; Het is altijds geen lap wanneer de Schutter schiet, Nochtans, wanneer der[1] prijs met schieten is te winnen, Sijn s' altemael te been, die roer of boogh beminnen, En hoopt oock d' alderminst 't geluck van eene schoot, Door een beleefde pijl of door een gunstigh loodt. So waegh ick mee een kans, en vlam op het Compeerschap Meer als op 't beste glas van sulcken braeven Heerschap, Die met een Fenix-pen, wanneer hy 't sich bepijnt, De Son beschrijven kan veel schoonder als hy schijnt[2]. Maer weer soo waegh ick 't niet. Hoe raeck ick dat te vort[3] is? Hoe reyck ick aen een spits, daer mijnen arm te kort is? Hoe werd een rappen haes gevangen van een Koe? Hoe vlieght een lamme gans tot aen den Hemel toe? Wat maeckt een blinderick[4] in winckelen en hoecken, Daer 't voor een Arentsoogh is duyster om te soecken? Wat vind Tiresias[5] daer Argus[6] is van noo? Noch waeg' ick 't evenwel: een vryer al te bloo Besliep noyt schoone vrouw; die 't gunstigh uyr liet deurgaen Als sy wel willen souw, moet naemaels voor de deur staen: "Mijn vrind! ick ken u niet, goen avond en goe nacht, Ghy hebt het luck versuymt dat u heeft toegelacht". Dien de Fortuyn verschijnt, die grijpse by de vlechten; Voor isser vatten aen, 't is naemaels niet te rechten Soo ghyse glippen laet; want achter isse kael, Daer heeftse tuyt[7] noch haer; dies, vryers altemael! Past op het vinck-slagh wel, en laet geen tijd verlooren. So een geluckigh uyr u heden werd gebooren, So wacht tot morgen niet; wanneer het visje bijt, So slaet den[8] hengelaer, of anders is hy 't quijt. Soo waegh ick dan uw naem, die soo langh sonder naem staet, Men oordeel of men dus het nut en 't soet te saem raedt: Een halve kap, een lap van pluys of van fluweel Bedeckt voor locht en kouw het teere Vrouwen-scheel[9] Van 't voorhooft tot de kruyn, en wie kan sich beroemen, Dat hy die kap, die lap, met sijnen naem kan noemen? Nochtans krijght hy een naem waer aen hem yeder kent, En echter yeder seyt: "Ick weet niet wat je bent". Dit is u bey gemeyn; dies segh ick sonder wachten (Men magh het nemen aen of vryelick verachten): Die op het uytterlick alleen sijn oogen wend, Vind tusschen u meer scheels[10] als tusschen Koe en End; Maer soo men meer op reen als nae 't fatsoen en stof kijck, Sijt ghy JE-NE-SCAY-QUOY van het Kasteel van HOFWIJCK. Noten: [1] er [2] In zijn Voorhout, [3] Voor verde, ver. [4] blinde (verg. dommerik). [5] De blinde waarzegger. [6] De honderdoogige wachter. [7] haarvlecht. [8] de. [9] hoofd, schedel. [10] verschils. II. DE SCHOU-BURGH VAN HOFWIJCK. Die u een SCHOU-BURGH sey, sou die sich al vertasten? Of sou het dorre bosch der averechte[1] masten, Het machtigh Amsterdam, de geldsack van Euroop, Niet lijden, dat men u met sulcken naem hier doop? Nochtans soo kunt ghy 't sijn met wel-gegronde reden, Het spijte, soo het wil, die groote Stadt der steden; Haer SCHOU-BURGH heb de naem of heel of hallif wel, En dien' haer, om te sien een bly of treurigh Spel; Maer die uw Burgh beklimt tot boven op den solder, Schouwt steden daer van daen, en menign dorp en polder, Jae, schouwt op zijn gemack den halven wereldkloot, Daer yder speelt sijn Rol, hy sij of kleyn of groot. Noot: [1] Omgekeerde. III. DE KIIK-IN-DE-POT VAN VOORBURG. So Voorburg, door de nood of door de gunst van Heeren, Sich eens sagh in een Stadt met wall' en muyr verkeeren, En bracht haer Vestingh uyt tot om dijns Heeren Slot, Was HOFWIJCK het kasteel, en Ghy KIIK-IN-DE-POT. J. WESTERBAEN. OP 'T HOFWIJCK VAN DEN EDELEN EN GEESTIGEN HEER VAN ZUYLICHEM, &c. Siet hier den rechten Hof, daer buyten 's Hofs geruchten De Wijsheyt leest haer bladt, de Ruste pluckt haer vruchten: Een schoon, een lustigh bladt, een welgesohildert bladt, Als Huygens in het gras en onder d' eycken sadt. Daer Huygens buyten 't Hof sijn Hof-tent heeft geslaegen, En queecksel en geboomt stelt boven 's Graven-Haegen. Maer een dinck vraeg' ick noch, en vraeg' het met verlof: Hoe kan het Hofwijck sijn, is Hofwijck in den Hof? BOXHORN. AEN DEN HEER VAN ZUYLICHEM, OP ZIJN HOFWIJCKSCH GEDICHT. Door-wijse Hovelingh, van veel' door nijdt bestreden, Van meer om strijdt geroemt! die midden in het slick Houdt beyde voeten droogh, en uw' genegenheden Noyt hinght aen ydelheit van 's werelts oogen-blick; Die nu en dan van 't Hof u laet nae Voorburgh voeren, En daer bekommeringh, beslommeringh ontwijckt, En daer uws selven sijt, een Heerschap by de Boeren, En daer u landt, u Hof, u rijck eens over-kijckt;-- U steene Hof-wijck wijckt voor sommige gebouwen, In grootheyt, kostlickheyt, doch niet in cierlickheyt; Maer nu gy door u pen door-kunstigh hebt ontvouwen, Hoe all' de werelts doen daer voor uw ooghen leyt, Mag 't steenen Hof-wijck wel voor and're 't vaentje strijcken, Maer voor 't papiere, 't welck is onwaerderelijck, Is 't reden dat het all' eerbiedighlijcken wijck'. Noch 't steenen Hofwijck, noch het sterckste huys van allen, 't Welck oyt is opgebouwt door Menschelicke hand, En sal altijdt bestaen; maer noyt en sal vervallen Dit HOFWIJCK, opgebouwt, mijn Heer! door u verstandt[1]. HENRICUS BRUNO. Noot: [1] Vernuft. HOFWIJCK. De groote webb' is af, en 't Hof genoegh beschreven: Eens moet het Hofwijck zijn. Wie kent den draed van 't leven, Hoe kort hy is, hoe taey? de snaer die heldste[1] luidt, Scheidt d' eerste menighmael van leven en van Luyt, Verkracht en over-reckt of met der tijd versleten. 'k Heb over-reckt geweest, maer bender[2] deur gebeten: Op 't slijten komt het aen: Twee dingen maecken 't waer, Of ick 't ontveinsen wouw, mijn jaeren en mijn haer. En als de snaer begint te vees'len en te pluysen, Soo staet sy meestendeel op 't schielicke verhuysen. Wie weet of 't schielicke verhuysen deser Ziel Niet voor mijn deur en staet? En of 't God soo beviel, Sou Hofwijck onberijmt sijn Stichter overleven, En wijcken voor 't Voorhout? en soud' ick my begeven, Die anderen mijn pen baldadigh heb geleent? Met reden eischte men de schuld van mijn gebeent. Met reden schreefm'r op: "Hier light een Man begraven, Die meende te volstaen met planten en met graven, De slechte boeren-konst, en moght de moeyte niet Sijn eigen maeckseltjen te cieren met een lied". Mijn sterven weet ick met langh leven niet te weeren; Maer, leef ick weinigh meer, het Grafschrift wil ick keeren, En singen wat ick poot, en rijmen wat ick bouw, Eer dese keel verschorr', en dese penn verouw'. 'k Wil Hofwijck, als het is, 'k wil Hofwijck, als't sal wesen, Den Vreemdelingh doen sien, den Hollander doen lesen. Soo swack is menschen-werck, het duurt min als papier De tijd slijt struyck en steen! eens sal men seggen: hier, Hier was 't dat Hofwijck stond, nu Puyn en Queeck en Aerde: En dan sal Hofwijck noch staen bloeyen in sijn waerde: Ja, waerde, sooder oyt yet waerdighs van mijn hand De jaeren heeft verduert en ouderdom vermant. In Holland, wat een land! Noord-Holland, wat een Landje! In Rhijnland[3], wat een kley! in Voorburgh, wat een sandje! Aen 't Koets-pad, wat een wegh! aen 't water, wat een Vliet! Aen al dat lieffelick of vrolick rieckt of siet, Daer lagh een brockje vets, daer lagh een blockje magers, Een beetje voor het vee, een treetje voor de Jagers; Daer lagh, dat schickelick gevoeght had heel aen een, Maer van het groote spoor verscheiden lagh in tween; Het spoor en Vrouw Natuer verstonden hier den and'ren, Ten Zuyden lagh de wey; op 't Noorderlick verand'ren Van Wey in drooge kroft[4] daer deelde 't spoor het scheel[5], Gelijck een Riem een Man in op- en onder-deel, In Broeck en Wambas scheidt. Daer hoefde geen bedencken Op yeder deels gebruyck: de kley scheen my te wencken, En raedde stommelingh[6], sy was ten Boomgaerd nut, Mits met een wilde muer gemantelt en geschut; De kroft en eischte niet als vruchteloose[7] boomen, Die sy wel machtigh waer in wel-ge-Elste[8] zoomen. Elck heeft sijn Keur voldaen: hier 't Wilde, daer het Tam, Een yeder heeft volbrocht het geen hy ondernam. Let, Ouders, en let scherp op 't keuren van uw gronden: Veel hebben sich vergeefs 't verkrachten onderwonden Van kinderen verstand, met onverstand getucht; Veel hebben wreedelick in eewigh' ongenucht Gekluystert en geboeyt wel draghbaere[9] vernuften, Maer die ondraghbaerlick haer 's levens tijd versuften In onwerck; dat is werck haer driften onbevoeght, Haer krachten ongelijck; veel' hebben sich verploeght, Verweven, of verschaeft, en geen bedijdt van allen; Die Staet of Lettervolck, of Krijgsluy konden vallen, En zijn 't geluckelick, en zijn ter eer en baet Van eigen en gemeen, van Huysgesin en Staet. Het scheel alsoo gedeelt door my en door sich selven, Quam 't op de spaden aen; mijn eerste sorgh was: delven. Noch was 't de tweede maer: d'eerst had wat meerders in: Tot werck hoort overslagh, tot weldoen goed versin, My docht, papieren blad was licht genoegh te krijghen, En daer bleef 's[10] ruym genoegh voor peper en voor vijghen, Of ick 's[10] een riem verkladd' en aen mijn droomen hingh. 'k Sagh menigh misverstand en redenloosigh[11] dingh Des werelds aengesicht mismaken en onteeren, Gelijck een schoone Vrouw lijdt van verbrodde kleeren; 'k Sagh 't schoonste geld in 't slijck geworpen by geval, 'k Vond allom nieuwen druck van Kostelicker Mal Dan ick heb doodt gerijmt of, mogelick, doen leven[12]: En al dit ongeval wist ick sijn naem te geven: 't Hiet Na-docht, soo my docht, en 't was gespaert papier: 't Was noch yet oolickers[13], 't was een onkundigh fier, Een stout' onwetenheit, die niet en kost als waghen, Om dat sy liever wouw niet twijfelen, dan vraghen. Ick twijfelden en vraeghde, en ley mijn rouwe stof Voor oogen, die ick wist, met vollen danck en lof, Stof, als de mijne was, te hebben helpen keuren, En oorbaerlick versnyen, niet snipperen, noch scheuren. Maer al mijn recht was mijn, ick hiel een woord in 't vat[14]; De Landheer had wat wils en d' onderwijser wat. De konst leed geen geweld, maer liet sich wel wat recken. Ter liefde van mijn lust. En soo van dusend trecken Bleef d'een en d'ander vast; en van dat af en aen Bleef yet lichamelicks in 't swart en 't witte staen; Een dingh, dat Armen had en Schouderen en Beenen, Een redelick gestel van 't hoofd af tot de teenen, Soo veel my duncken moght. En nu stond Boom aen Boom, Daer Boom aen Boom sou staen; nu gingh ick in den toom Van voorraed[15] en bescheid, en, hoe 't sich nae moght schicken, Ick hiel mijn plicht voldaen met gissen en met micken. Soo ver gaet menschen macht in allerley belangh; Beraden, overslaen sijn volle stade langh, Meer eischt men hem vergeefs; maer 't langh heeft oock sijn maeten: Die lang doen kan en magh, moet oock eens konnen laeten: Is 't overdencken goed, het over-dencken niet: Hy siet sijn selven uyt, die al te lang doorsiet: Ons oogh verdrinckt in 't werck, daer 't moed' in is geswommen, En ons vernuft beswijmt, gelijck die, hoogh geklommen, Met schrick te rugge sien, en weten niet waer heen, Om hals en been geheel[16] te brengen naer beneen. Soo raeckt men bijster 's weeghs[17] in 't soecken van veel wegen, En daer en komt geen end van stadigh overwegen: Die altijd willen doen, en hebben noyt gedaen; 't Schael-tongesken moet eens in 't huysken blijven staen. Doe 't kind geboren was, hoe 't afliep met sijn lueren, Sijn swachtels, en sijn wiegh, soud' hier wat langer dueren Dan 't yemand lusten moght; en van die eerste jeughd En smaken meestendeel maer ouderen de vreughd: Vreughd, die de Nieuwigheit en Hoop alleen doen leven, Die self den ouderen ten einde werck begeven; Waer op volght ongevoel van wellust, doove plaegh, Daer van ick (ick beken 't) mijn kindsch[18] gedeelte draegh. Nu, 't kind is jongh geweest, en't is gebracht aen't groeien, Aen't bloeyen metter tijd; 'k heb niemand te bemoeyen Met wat het tien jaer langh te queecken heef gekost; De Wijsen eten met, de gecken doen den kost. Komt, wijsen! eet met my, ick sal u niet beswaren Als met welgaere spijs en wel betaelde waren: Ick wil u Hofwijck doen aenschouwen, of 't te nacht, Gelijck als Duivels-brood[19], te voorschijn waer gebracht: Jae meer, ick wil het u en my oock doen betreden, Als waer ons gisteren een gansche eew geleden: 'k Wil met kindskinderen goed deelen voor mijn dood, Als waer ick Grootevaer en twee-dry-mael soo groot[20]. Het wereldsche besit en is toch niet als droomen, En of 't gekomen is, of mogelick te komen, 't En is maer binnen ons het gen' het schijnt of is, 't Zij by voor-sieningen[21] of by geheugenis. Dus sal dan Hofwijck zijn, neen (wy zijn hondert jaren Geboren naer[22] den dagh, dat wy geboren waren) Dus sien wy Hofwijck staen: Ten Noorden van 't groot spoor Nae Voorburgh, 't schoone Dorp (of seght'er Steedje[22] voor), Light een aensienlick Bosch in mindere gesneden[23]; Vraeght naer de lenghde niet by Roeden of by Treden; Die aen den ingangh staet, en siet den uytgangh niet, En 't eind is verr'genoegh daer 't oogh geen eind en siet. Een tamme wildernis van woeste schicklickheden; Soo noemt sich dit vertreck, ter liefde van de Reden En gulde middelmaet, die ick soo waerdigh houw. Te tam waer al te stijf, te wild waer al te rouw; Daer is wat tusschen tween, dat tweederhands begeeren Voldoen kan, tam en wild, en dit door dat vermeeren: Gelijck wat etens dorst, wat drinckens honger maeckt, Gelijck langh slaepen weckt en langh gewaeck vervaeckt. Den tammen lust voldoen vier wonderlicke dreven Van Eicken saeghbaer hout, van Boomen die daer streven Om dickte by der aerd, om hooghten in de lucht, Om breedten onder weegh en groen en koel gerucht. 'k Heb saeghbaer hout genoemt: maer laet het niemant wagen, Mijn Trouw-verlaet[24] t' ontdoen, mijn Dreven om te sagen: Daer 's Potgeld, soo men 't heet, siet dit voort Poot-geld aen. Ick segg' het eew voor eew: Kinds kinderen! laet staen, En brandt of warmt u niet aen hout dat ick hiet waschen[25] Ondanckbaer' erffenis en is niet af te waschen: Ten minsten moet hy doen hetgeen de Sterver hiet[26], Die 't leven door hem kreeg en van sijn sweet geniet. Twee dingen scheid'[27] ick uyt, het derde moet ick dulden: Onschuldigh Brood-gebreck sal u voor eerst ontschulden[28], En d'allerleste nood is buyten alle wet; Gods Koningh[29] heeft sijn maegh met Autaer-brood[30] ontset[31]; Maer welvaert dol gespilt is verr' van mijn meedoogen[32]: Hy is noyt bystand waerd, die noyt heeft willen doogen[33]. Daeraen volght ouderdom van Eicken die vergaen: Men spaertse te vergeefs, die niet en konnen staen. Maer daer den ouden stam ontstaet[34], staet haest een jonge: Soo sal mijn na-kinds kind, schoon ick het niet bedonge, Gedencken, daer een man in 't vechten werd gevelt, Dat daet'lick in de ry een versch man werdt herstelt. Oock staet de wereld soo: die schael moet even drijven; Pas soo veel schepsels niew verschijnen als ontlijven, Of 't waer een leege wer'ld, daer in wy Borgers zijn, Of langh waers' overkropt, geborsten van de pijn. 't Lest (dat ick lijden moet) is 't algemeene lijden Van 's Vaderlands verderf. Staen die bebloedde tijden In 't eewighe beschick van Gods Voorsienigheit: Moet Holland eens niet zijn, of Niet zijn; is 't geseit By diens sien seggen is, en seggen doen, en heden En morgen 't selfde punt, dat Holland weer bestreden, Weer overstreden zij, weer werde soo het was, Doe 't in sijn kolen smoockt' en smoorden in sijn as[35] Moet dat rad noch eens om, broeit Spagnen noch een toelegh Van Thiende-penningh-dwangh, en leght het maer de roe wegh Tot dat het onvoorsiens sijn geeselingh hervatt', En drijv' ons tot den keur van mutsaerd[36] en van rad, Of van versworen trouw en van versaeckt gevoelen; Sal sich dat heete bloed noch eens op 't onse koelen (God zij genadigher, en weer' den droeven dagh!), Dan is mijn wil geen wil; en als heel Holland lagh, En waer 't niet redelick dat Hofwijck over end stond; Van nu af schrab ick uyt wat in mijn Testament stond: Als 't Vaderland vergaet zijn mijn voor-sorgen uyt; 't Is reden dat de vracht versincke met de schuyt. Soo zijn 't vier dreven dan, en altoos weer vier dreven, Die 't Bosch verr en naerby sijn prachtighst aensien geven, Als ick soo spreken magh, van bijds viermael 't Voorhout, Van verre 't hooge groen van 't Mast- en Liesen-hout[37]. Breda vergeve my, en oock den Haegh, dit roemen, Hier derv ick 't Eicken loof by 't Linden blad wel noemen: Daer sien ick niet als Mast, en Eick, en Elst en Berck: Tot mijnent 't selve groen, en even 't selve werck. Hier buygh ick voor Breda; mijn' Masten zijn haer kinderen: 't Heeft Frederick[38] belieft sijn hout-gewasch te mind'ren, Om 't mijne te versien: 't zijn Jofferen van 't Land, Mijns Vaders vaderland, die ick heb voortgeplant: 'k Segg Jofferen, noch eens: 'k mochts' ed'le wijfjes noemen; Bredaesche wijfjes, jae; maer die ick derve roemen Op Hofwijck Haeghs gemaeckt te hebben en Hof wijs: Daer warren s' onder een als overgroeyend rijs: Hier staen sy zedighlick en proncken daer sy stonden, Does' eerst verhylickten aen 't Sand-schap mijner gronden: Daer staens' in 't wild gerucht van kinders kind'ren; hier Als maeghden, sonder meid of kinderen getier. 'k Laet yeder overslaen welck zijn de liefste gasten, Gevolghde of ongevolghd': ick derf 't niet ondertasten; Men krijght' er sulck' en sulck', en houdt sich wel te vreen, Maer, heeft uw gast geen sleep van aenhangh, soeckt' er geen. Dit volckjen heb ick thuis gehaelt als kale wichten, En van der jeught gefockt, en voor my leeren swichten. Neemt dat ick Rhee of Hind gerooft hebb' uyt het wald[39], En in mijn wildbaen ruym en lieffelick gestalt; Soo ben ick altoos thuis, en altoos by de dieren, Die t' harent Mensch noch Beest, maer my tot mijnent vieren. Neemt dat ick uyt Brasil Tapoeyers hebb' ontleent, En blinde Heidenen met Christen melck gespeent: 't Is swart volck, maer dat swart is vel-diep, en van binnen Maeck ickse mijns gelijck, dienstbaer, in blancke sinnen: Soo passen s' op 't gemack van diese voedt en houdt, Soo doen mijn' Bruyntjens oock, mijn' Wijfjens uyt het woud: Besiet, hoe vriendelick sy my staen en beluymen[40]. Als seiden sy: "Lands-heer, geniet ons groene pluymen: Is 't heet, wy keeren u 't beswaeren van den dagh; Is 't koud, wy decken u voor al dat nijpen magh; En onse dienstbaerheit hanght aen geen' Jaer-getijden; Daer dient' er by de Maend; wy konnen doen en lijden Het rond jaer uyt en in, met eenerley gelaet, Wat Eicken, 't stercke blad, nauw 's Somers uyt en staet; Ja, dese trouw munt uyt, en spant haer' fierste krachten In 't felste van de locht, in 't langhste van de nachten: Maeckt staet op vrienden, die op voorspoed niet en gaen, Maer in den tegenspoed als kop're mueren staen". Twee troppen[41] tel ick hier die sulcken tale spreken, En kruysweeghs over een mijn Bosch in vieren breken. Soo most de deelingh zijn; dat weet de minste Cock, En al dat oyt ontzagh eens Hovemeesters[42] stock. Twee schot'len eener sopp' op eene zy te schicken! Daer soud' een swanger Vrouw, jae bergen, van verschricken: Ten minsten slaet het een den hongers lust ter neer: Soo fier is 't keel-gat self: soo speelt het oock den Heer: Ick swijgh van andere, die oock haer weetjen weten, En houden haer gebruyck soo kostelick als eten. 'k Heb dan op 't Cruys gepast, gelijck 't de diskonst noemt: En vraeght ghy, of ick 's my met reden heb beroemt? Let op den overhoeck; ghy vindt hem naer den regel In evenredigheid soo vierkant als een tegel; Dat doet een Eicken block, verstaet een perck van groen, Daer Eickjens Nut, Vermaeck, en Heerlickheid voldoen; Hegh-houtje recht en kromm, dat om de seven jaren Sijn' Meester leert hoe soet genieten is, en sparen (Elck in de middelmaet en ten besetten tijd), Hoe goed een kleedsel is, dat dient en niet en slijt, Dat, zijnde, warm en koel, niet zijnde, warm kan maken. Soo doen mijn Eickentjens: Ick laet den Honds-dagh blaken Op 't steilste van den Noen[43]; ick laet het Noorder guer Sijn scherpste buyen toe, mijn groene dack en muer Belet my wederzijds het sweeten en het beven: En in de leckerny van dit staegh-stervend leven Heb ick altoos getelt het dobbele geniet Van yet verheugelicks op 't kantjen van 't verdriet; Op 't kantjen, sonder schroom; soo dat vast and're smaken Het gene my genaeckt, en niet en kan geraken. 't Zy goed of quaede sin, ick voel mijn voorspoed bet, Als yemands tegenspoed daer nevens werdt geset. Ick scheppe geen vermaeck in mijnes naesten lijden: Maer, als hy 't lijden moet, soo kan ick my verblijden In dat ick 't niet en lij. Geeft my een blockje land, Een Eiland als een vuyst, bezeet[44] van alle kant, Bezeet op sulcken diep, dat op het minste blasen, Sijn holle baren stouwt gelijck de groote dwasen, Die met bergh over bergh ten Hemel wilden gaen, En grijpen naer de Sonn en treden op de Maen; Geeft my dat Eyland, rijck van Beemden en van Koren. Geeft my een huys daer in om weelde te bekoren, Geeft my Bosch om dat Huys, en langhs mijn steile strand Of opgeworpen Hout, of uyt de konst geplant; Siet my daer wandelen vry van den brand van 't Zuyen, Van Oost en Wester vlaegh en van de Noorder buyen; Siet my daer sorgeloos van d'een in d'ander hoeck Vertreden mijn gepeins, of oock een beter Boeck, Een wijsen mans gepeins, terwijl een' vloot van Zeilen, Die storm en holle Zee den anderen toe keilen, Gedreight werdt[45] gangh voor gangh met 's levens lesten krack Op mijner Stranden klip; denckt, of ick mijn gemack Afsteken sie als wit by 't swart van die elende; Denckt, of ick my rondom, als in mijn roosen, wende, Terwijl dat arme volck de handen, van 't geschrob Van touw en takel zeer, ten duyst'ren hemel op Met kromme knyen streckt: denckt, of 't mijn lust verdobbelt Dat ick soo veiligh sit, en mijns gelijck soo tobbelt, Soo dobbelt om sijn lijf. Soo gaet het allerweeghs: Hoe dichter onlust is by wellust, hoe meer deeghs. En soo doet Vrouw Natuer, in vele van haer wercken, Het wederstrijdighe door 't strijdighe verstercken: Soo werdt de kelder warm als 't ijs in 't water leit, Soo werdt de kelder kout als 't Somer-veld verheidt[46]: Soo sit ick in mijn kluys van Eicken, in mijn kluysje, In mijn gevonden hoeck, mijn ongevonden huysje; Hoe 't buyten banger brandt, hoe koeler en min bangh, Hoe 't buyten wilder waeyt, hoe louwer, in den drangh Van blaertjes, die ick hoor rondom my henen ruyschen, Maer als de baren doen die op mijn klippen bruyschen, En doen my minder leed dan of sy 't niet en deen, Om dat ick ongemack verneem, en lijde's geen. Wat scheelt het of my dit een Bosjen of een Boss doet? Wie leeft van overschot? de weide die den Oss voedt Is voor hem all' de wer'ld, en hondert merghen gras En doet hem niet meer nuts dan of 't 'er niet en was; En duysend roeden houts en sou my niet meer strecken Dan minder, die my hier verlustigen en decken. Kost yeder dat verstaen, wat waer de gierigheit In haer holl kaeckgebeent een schoon gebit geleit! Noch werdt mijn kleinigheit geboet met ander voordeel: De mensch is altoos mensch; neemt rijp en onrijp oordeel, Neemt sinnen oud of jongh;--soo menigh als wy zijn, Veranderen geeft vreughd, en niet verand'ren pijn. Die vreughd is in mijn macht, die pijne kan ick schouwen, Soo haest mijn keure my wil schijnen te berouwen; Gelijck de siecke man het eene Bedd' verveelt, Tot dat hy 't ander proeft, en dat het niet en scheelt Van 't eerste sijn gemack; soo ruyl ick Berck voor Eicken, En Elst voor Bercken-bosch. Bey kan ick soo bereicken, Dat dit voor onder, dat voor opper-kleed verstreckt, Dat gen' als mantel, dit als Broeck en Wambas deckt. De Bercken staen om my als Toortsen, die in Kercken Niet half soo dienstigh staen en druypen op de Sercken; Blanck-stammigh is de Boom, gelijck 't was van de Bye Sijn maker werdt onthaelt[47]; noch is 't veel dat ick 't sie, Soo duyster is 't in 't groen, soo groen is 't in den duyster; Den duyster, daer ontrent de flickerighste luyster Van Wolle-wevery, die t' huys mijn' mueren deckt[48], Nau voor een schaduwe van somer-groente streckt. Wat magh de sotte konst haer selven onderwinden? Haer uytterste geweld is qualick werck van blinden, By 't minste Bercken-blad, den minsten Elsen-tack, Mijn' muer-tapijten hier, mijn' sold'ring en mijn dack. In dese wonderen bergh ick de soeticheden Van mijn gesnoepten tijd: hier spreeck ick met de Reden, Met my, met d' eewigheid, met vrienden verr' van my, Met eewen, goed of quaed, te komen of verby. Maer 't is altoos geen ernst: ick hoord' er oock wel spreken, Soo sich een vriend met my in 't groene komt versteken, En op de prate-banck, van zoden daer geplant, Sijn uertjens wagen wil en helpense van kant. Neemt een gelijckenis tot keers-licht van mijn' reden: De Peerel-visscher duyckt tot dat hy gansch beneden Den bodem van de Cuyp, die 't zilte Zee-nat houdt, Geluckelick betreedt en als sijn acker bouwt: Daer tast en grabbelt hy naer Oesters, die haer' schalen En daer sy groot af gaen, sijns lijfs gevaer betalen; Maer 't is met altoos prijs in sulcken Lotery: De Nieten zijn te veel: noch is de Visscher bly, Als baet by lasten komt, en d' een den ander' dragen. Die in mijn groene Meer met my den brand der dagen Of booser weer ontsit, is hier als op den grond Van een ontstelde Zee; de baren, boven rond, Gaen als 't den wind behaeght; beneden is 't stil water; Daer soeck ick peerelen, ick en mijn mede-prater; Maer beter peerelen dan daer den Indiaen Sijn adem om verkracht, en hanght' ons Vrouw-volck aen; Die kralen zijn maer kalck: by d'onze niet te tellen, By d'onze maer Ayuyn van schilferende schellen[49], By d' onse maer Schotsch goed. Ons' peerelen zijn puyck Van Deughd of Wetenschap, bey dingen van gebruyck: Die soecken wy in 't stil, in 't groen diep mijner baeren, Mijn' zee van bladeren, die wy wel hooren baren En ruyschen over ons, maer die ons niet en deert. Daer visschen wy somtijds yet dat ons sticht of leert: Daer mischen[50] wy somtijds dat stichten kan of leeren; Gedachten gaen als wind, en buytelen en keeren, En springen Oost uyt West, eer dat hy 't weet die denkt, Eer dat hy met een oogh of met een oogh-scheel wenckt: Soo slipt men lichtelick van goed' in slechter sinnen, Die dan uyt d'eene Webb' een andere verspinnen, En warren in een' knoop van soete voddery, Dat 's dan een misslagh van verloren Visschery, Een Schotsche peerel, of een' Oester-schelp die hol is: Soo komt het dat de mensch stracks zedigh en stracks dol is: Jae, neemt van 't stadighste, 't schijnt levend Vleesch en Bloed, En all' de menschlickheit beweeght by Ebb' en Vloed: Ernst wil getempert zijn, Jock wilder[51] onder wesen: Ick heb het soo gesien, ick heb het soo gelesen; Wy zijn geen' Engelen: De Reden doet haer best, Maer 't wispeltureloos en komt niet als op 't lest. 'k Wil uyt mijn' Bosjens niet; daer is noch wat te hooren: Is 't mogelick voorby, het tuyt noch in mijn Ooren. 'k Spreeck van geen Nachtegael; die heeft er oock sijn nest, En maeckt' er meer geschals dan all' de vlugge rest: 'k Spreeck van gevogelte met kostelicker veeren, Veel aerdiger gebeckt, en in veel langer kleeren. Voor allen noem ick een UTRICIA[52] voor all, Ons' Swaen, of ons' Swaenin, of hoemens' heeten sal. Die heb ick hier gehoort, die dunckt my noch te hooren, Die heb ick hier gesien de Nachtegalen stooren, Gelijck de morgenstond de fierste Sterren stoort, En houdt alleen het Veld, en vleit sich met die moord, En pronckt met dat gesagh. Aensienlickste der Vrouwen, Aenhoorlickste daer toe! ick hebb' 't soo wel onthouwen, Wat dat ghy schoon geschals gemaeckt hebt in dit groen, In dit stil-wilde louw, dat ick 't u noch hoor doen, Noch voor de waerheit houw, dat van mijn' beste boomen De beste naer uw' keel mijn Bosch in zijn gekomen, Noch voor mirakel houw, hoe 't mog'lick is geweest, Dat daer gelegert hebb' soo veelerhande Beest Als ghy der hebt gelockt; waer d' Olyfanten stonden, Waer Dromedarisen en Kemels ruymte vonden, Waer d'Esel en de Bock, het Vercken en den Uyl; Want, liegh ick van haer' komst soo valt d'history vuyl, Die haer' komst van eertijds op 't spel der Griecksche veelen De wereld heeft verthoont met min gewelds van keelen. Maer ick verdien geloof van 't Vercken en den Bock, Van d'Esel en den Uyl, die uw gesangh betrock; Daer heb ick menighmael getuigh af moeten wesen, En schrick' er nu noch voor, en voel mijn haer geresen, Als 't my te voren komt, 't onlijdelick gehoor Van Beesten Mensch-gelijck, dat 's Menschen sonder oor. Sy staen my in den wegh, sy wegen my op 't herte, En, zijn sy onvernoeght, dry vierendeel der smerte Gevoel ick ruym en suer: sy wenschen sich 't gat uyt, Ick wensch haer daer geen tangh gekent werdt uyt een Luyt: Men wenscht haer in de Hell', maer ick en ben soo fel niet; Daer is een ander Hell', of die wat naer de Hell' siet, De boven aerdsche Hell', de Hell' van misverstand, Van Kercken-scheuringen, van twist in Stadt en Land, Van onmin tusschen Bloed en Swagerschap om erf-quaed, Dat heden erf-goed heet; en al dat op den kerf staet Van tweespalts vuyl bedrijf: daer voegense wel by, En 't scheel is wel gedeelt: sy vrolick, en ick bly: Nu is 't geselschap goed, wy sonder haer gebleven, Sy sonder ons gegaen in 't soetste van haer leven, In 't eewigh mis-geluyd van tweeklancks wreede snaer. 't Is onbezeffelick, 't is grouwelick, maer waer, Daer zijns' aen 't hooghste lot van haer' bevallickheden: En, als men 't overslaet, het heeft de selve reden, Goed mengelmoes van smaeck, van reuck, van verw, van toon. Dat is het uyterste van menschen-mog'lick schoon Te schouwen met een' haet die niet en is om soenen[53]. Wat seght ghy ----, die van 't hoofd tot de schoenen Verstant en reden zijt, die ick soo veel betrouw, Dat ick, wat u mishaeght, voor onbevallick houw; Dat ick toon toonsgenoot, en snaer op snaer gespannen Mijn oor betrecken laet om datse 't uw vermannen Wat seght ghy van den aerd van menschen die noch snaer, Noch keel-werck meer en smaeckt dan of het houts-kool waer; Wat seght ghy van uw Luyt, uw Boogh, en uw Clauwieren, Die uw thien vingeren soo weten te bestieren, Dat, waer ick meester van thien sinnen tot[54] de vijf, Sy roerden in my om het mergh van Ziel en Lijf; Is 't walgelick gerecht, is 't voedsel om vermuylen[55]? Ghy schrickt van eighen lof met eighen lof te vuylen: Ghy weet het, maer uw' deughd waer ondeughd en wat meer, Soo sy maer scheen den prijs te weten van haer eer. Weet ghy 't dan ongeseght, ick weet het en wil 't seggen: De reden moet hun selfs dwars in den weghe leggen, Die d' evenredenheit van toonen, uw of mijn', Of schuppen met vermaeck, of herbergen met pijn. Want (tusschen ons alleen) wat schroom ick goed te vinden Dat u bevallen kan? ick ben niet van de blinden, Die 't niet en zijn als t' huys: maer, nu ghy 't seght, is 't waer, Daer is, ten minsten, wat verdraeg'licks in mijn' snaer; En d'een nakomelingh of d'ander sal 't gestanden[56]; Somwijlen heb ick yets gebaert uyt hoofd of handen, Dat tegens d' opspraeck moght: en daer weet Sion van[57], En dien ick 't heiligh lied heb na gebootst, Gods man, De man na 's Heeren hert; en, die wat nau kan keuren, Sal mog'lick oordeelen, dat sulcken slagh van neuren Op sulcke woorden past; En, als ick 't seggen moght, Dat geen bevallicker geweld en is bedocht Om 't sterck en 't lieffelick van 's Coninghs diep bewegen Ten naesten by te gaen en billick nae te plegen. Nu wil ick uyt het Bosch; het stinckt' er naer mijn mond, En die naer eigen roem, die noyt mond wel en stond. Maer seggen blijft geseght; of 't Waerheit is, of Logen, Of 't Wit is, of geen Doel, die pijl is afgevlogen. Heyl daer ick pijlen noem, en magh ick noch niet wegh: k Heb noch meer wederwercks ten Noorden van den wegh. Geburen in 't Zuyd-west, beleefde Mann en Vrouwen, Leen-volger van den naem die niet en sal verouwen, Soo langh daer Hoonaerts zijn van ondeughd, die den lof Uws Vaders maghtich zijn te scheiden uyt sijn stof; Gebuer en soet gesin, weest doenders en weest tuygen; Brenght Pijl en Koker toe, laet Spaensche Bogen buygen, En beter' Engelsche dan daer men heden siet, Dat Vader mee naer Soon en Soon naer Vader schiet: Ons lust geen menschen-vleesch te priemen of te scheuren: Ick wacht u voor een Doel, dien 't beter kan gebeuren Dan Heiligh Bastiaen[58] te lijden sonder pijn, Als wijse lien, gequetst en niet geraeckt te zijn, Veel' scheuten uyt te staen, en willense niet voelen: Mijn doel is als een Bergh, mijn Bergh is als dry Doelen, Of een' de hand versaeckt[59] of mogelick de Boogh, Of een' een tamme Pijl gelijck een' Wild' ontvloogh, Daer 's borge voor de schand: 't is hier meer konst te missen, Dan elders op 't vierkant van ses voet doels te gissen; 't Is altoos, Penn' of Lap, of Wit, of emmers, Bergh. Denckt dat men u wat gelds in blinde lotingh vergh': Al treckt ghy veeltijds mis, 't is troostelick om hooren, Dat die het sijne mist niet al en heeft verloren; Een doosjen is een Niet, een Spiegeltjen, een' Spel, Maer als 't maer Wat en is, al is 't geen Wat, 't is wel. God selver neemt het soo: wy micken op Sijn' Wetten, En treffen nu en dan: maer met het minst versetten, Wild zijn de schoten, wild, en wy vau 't Heiligh wit: Maer Hy, die vol Gerechts en vol Medoogens sit, Hooft-richter van sijn mensch, sijn schepsel, duydt den mis-schoot. Van een welmeenend hert, als of het wel en wis schoot. Hoe komt de mensch soo wijs, of liever, hoe soo geck, Hoe spant hy sulcken oogh, soo vinnigh, in 't gebreck Van sijns gelijcken vat: wil die geen' misslagh dulden, Die dag'licks seggen moet: vergeeft ons onse schulden? 't Is wonder, een blind man, die stadigh valt of dwaelt, Is d'eerste die sijn Broer, sijn blinden Broer, behaelt! Is 't speeltjen op sijn hooghst, en zijn wy moe geschoten? O neen, 't is op syn laeghst: mijn' lieve Schut-genoten, Siet steiler in de locht; wy hebben schooner werck: Daer staet' er een, in spijt van 't haentje van de Kerck, Ten einde van een steng en drilt[60] als of hy leefde, En sijn gevaer verstond, en voor ons pijlen beefde: Hy schreewde, waer hy niet een Papegaey van hout, En waer veel liever in een warme koy gekrouwt, Dan dus van onderen gepeutert in sijn veeren: Hem moeten wy te lijf: die 't niet en kan, magh 't leeren; De Kempen konnen 't wel en all' de Meyery[61]; Ten minsten is het geen' verboden weyery[62]: De Wet seght, veer met veer; wy nemen 't niet soo teertjens: Het komt ten naesten by: 't is hout met hout, en veertjens. Daer light hy: wat een' vreugd! wat kan daer tegen op? Daer 's een onnosel beest geresen tot den top, En uyt den top gelicht: Zijn 't niet ons' oude perten? 't Hoogh doet ons seer in 't oogh: stracks trecken wy 't ter herten, En wenschen 't naer om laegh: rijst yemant in geluck Van eeren? halsen werck[63]; 't is yeder een sijn stuck, Ten minsten met fenijn van nijdighe gedachten Te schieten naer sijn vlagg', en op sijn val te wachten; Als of 't ons beter ging in yemands minder wel: En, als men 't seggen magh, daer springt' er[64] uyt haer vel Van vreughden, als een valt die haer, wat hoogh verheven, Een nijd-blein[65] in haer oogh onschuldigh hebb' gegeven: En laet ons op den wegh sien struyck'len by geval Die 't niet verdient en heeft, wy lachen om den val. Hoe d' ongerechtigheit haer selfs weet te bekeuren: Wy grimmen om dien lach, als 't ons komt te gebeuren! Bekeur ick dan 't gelach van onse wilde vreughd; Van ons getuymelt beest? o neen, ick prijs de deughd Des Schutters, dien sijn pijl, sijn pees, sijn boogh, sijn oogen, Sijn taaye zenuwen voor die reis niet bedrogen. Meer sal ick 't prijsen, meer, als 't noch en noch een mael. En noch een mael geschiet: nu hangh ick 't in de schael, Of 't heele konst of half, of 't half geluck of heel is. Ick tast aen dese stropp', om dat 't mijn eigen keel is, Die ick er me benauw; wie ghy my kent of niet, Mistrouwt het weinige, dat m'aen my hoort of siet; 't Heb wel een Papegaey een' vleugel afgeschoren Met een bevallick woord: (of sulcken slagh van ooren Vernam het dien 't beviel.); och armen! maer 't is mis, Soo 't my te voller eer oyt toegerekent is: 't Geval heeft me gedaen; En die 't my noch eens verghde, En noch eens, en noch eens, souw sien hoe ick my berghde, En in mijn selven doock, daer 't hol is, als een vat Dat van een klopjen bomt, en laedt noch droogh noch nat. 't En is geen achterklap; ick segh 't voor Son en Sterren; Wanneer ick in 't gedoen der menschen kom te werren, 'k Sie menigh averechts voor-oordeel op het pad: 'k Sie groot geluck betracht, en even op gevat Of 't groote wijsheit waer; 'k sie nytkomste van saken, Of s' uyt den Hemel viel en stortte door de daken: 'k Sie de gelukkige, daer 't soo op solder leeckt, Voor d'allerkloeckste gaen, daer niet en aen gebreeckt: En God weet hoe 't 'er staet, en of sy niet en dachten, Sy waren aen de Caep, als sy 't voor Java brachten! Wel toch! tot Java toe? ey siet, hoe vlieght de wind Van menschen-mijmeringh, hoe vind ick my versint! Ick maeck den wijsen man, den Doctor, en den Leeraer, Oud Schoolkint, maer och Heer, in 't voorste van mijn leerjaer! Ick sie suer buytens tijds: 't is aengenaem en fraey: 'k Stoof soute saucen tot[66] een houte Papegaey. Nu, Buervolck, voor de moey van d' onlust, weest te vreden Een treedjen min of meer mijn Bergh-werck op te treden: Ghy zijt in 't vlack voldaen, de niewigheid van 't hoogh Sal uw' vermoeyden voet ontmoeyen door uw oogh. Mijn noem ick 't sonder roem, of met roem, een van beiden; Sijn afkomst is bekent en van my niet te scheiden (Sijn' opkomst seid' ick best); ten kortsten uyt geseit: 't En is geen Bergh van weeld', maer van Barmhertigheid: Erbarmt u van 't verhael: Ick most barmhertigh wesen, En komense te hulp, die met haer quynend wesen Met eenen voet in 't graf (soo staen sy trouwens noch, Mijn Eicken) riepen "moord", van 't schadelick bedrogh, Dat haer, op hoop van winst, uyt Eykenswaerde gronden In 't sand bracht, daerse nu soo stierven als sy stonden; In 't Rood Sand, soo ick meen, de Turf-asch van de Hell', Die noch brand nae haer dood, en is als kool, soo fel. Soo stonden Boom voor Boom, als ick, op heete kolen; En aen haer' kruynen bleeck het roosten van haer' solen, 't Fenijn diend' onder uyt: 't en diende niet, het most: Wie kond'er tegenstaen? de Reden zei 't, en Post[67]; Post, die de Reden heeft veel meer roems doen bereicken, In 't stellen van soo veel Pilaren schier als Eicken, Dan hem van Hofwijck komt, sijn vormsel niettemin, Gevroevrouwt door sijn' Pen, met dat het uyt den sin, Den redenrijcken sin van Campen[68] wierdt geboren, Van Campen, dien die eer voor eewigh toe sal hooren, Van 't blinde Nederlands mis-bouwende gesicht De vuyle Gotsche schel te hebben afgelicht[69]. Sijn' Reden seid' het me: 't vergift most uyt der aerden; De mijne sei 't er by: flucks wagens en flucks paerden By dusenden, niet min, die my van dat geweld Ontlasten voor mijn' rust, mijn lust, en oock[70] mijn' geld. Nu was de Hell' berooft en all' de boosheit boven: Waer henen met het vuyl? het had ons overstoven En weer op niews verraen, 't en waer ick 't meester was. Mijn' bueren vraeghden wel naer Sand, maer naer geen' Ass'. Soo keerde Nood in Deughd: 'k most bergen wat ick roeyde[71]; Dat bergen wierd een Bergh, die tot des' hooghde groeyde; Wild most hy daer niet zijn: eerst wierd hy onder tam, Met dat ick hem besnoeyde, en hier gaf en daer nam; Flucks wierd hy klocke-rond, gelijck 't spoor van een passer. Bewaren is meer konst dan krijgen is; hy was er. Hy most behouden zijn. Ick vongh hem in dit net, In dese groene Muts; die wierd hem opgeset, Als gaende nu te bedd' om slapers-wijs te dienen, Met gras en bloemekens. Nu geef ick het in tienen, Dit raedsel, wie het zy, die 't van my niet en weet: Hoe 't innerst ingewand van desen Schoon-schijn heet. Van buyten staet hy groen en soeckt my te believen Met kruydjens velerhand, gespeckt met Matelieven; Van binnen is hy ros, verraderlick: of rood Van schaemte; let daer op, ghy, die een' swacke boot Door 's Werelds baren voert: daer moeten[72] sich, niet Bergen, Maer menschen als mijn Bergh, die binnen alles bergen Wat boos en onrecht heet, van buyten in een schijn, Die haer meer Engelen dan Menschen maeckt te zijn. Schrickt oock wat voor rood sand, ghy Groene-wambas-kalven, Die u heel Meesters houdt, en niet[73] en weet ten halven; De Berghjens die ghy vleidt zijn blanck en groen om 't seerst, En 't lachter u al toe, dewijl ghy op uw teerst Tot op den Bodem toe gras-boter meent te vinden: Maer 't is' er sorgelick te treden voor de blinden: Gesuyckert is de korst, de Taerte menighmael Van Gall' of Aloe, en 't vriendelick onthael Van 't Meisje werdt rood sand; Als de beloften uyt zijn, En 't Bruylofts Bed verkroockt: dan moet ghy haer te buyt zijn, En klagen sonder help, dat u een vriend'lick vel Gevoert heeft (ick en weet niet heeters) in de Hell'. Doet oock u self bescheit, Moer Eva's echte kind'ren, Stal-lichtjens[74] voor de Mans, ick wil u niet verhind'ren Uw weer-woord uyt te slaen: het deckt oock wel rood sand, Dat ghy tot onsent licht soudt nemen voor goed Land: Die lieffelicke korst van buygen en van strijcken, Van sterven lit voor lit, uer voor uer te beswijcken, Berght veeltijds (let: veeltijds) soo wonderlicken aerd, Dat ghy het beter wist gescheiden, als gepaert. Dus ben ick Heer in 't groen van Roodenbergh gewerden. Dat was te trotschen Van[75], om soo slecht uyt te herden: Daer most wat aensiens op, soo dat mijn niew besit Ten minsten wierd vereert met kijckers: "Wat is dit?" Dat luckte wis en wel; 'k vermoeyde Land en Luyden, Met vragen: kijck, kijck, kijck, wat heeft dit te beduyden? Wat werpt de Zee al op? wat of dit werden sal? En 't vragen werde meest voldaen met Niet-met-al: Maer met een Niet-met-al, dat Antwoord mocht verstrecken, Daer een 's[76] neuswijsigheid tot vragens toe mocht recken, Wat 's Menschen Neus beduydt in 't schoonste van sijn hoofd, En wat mans tepelen, en Vrouwen kin geklooft, Wat putjens in haer' wangh, wat kuyten aen ons' beenen, En, als men 't nauwer nam, wat nagelen aen teenen? Men antwoordt: "Niet-met-al"; en 't is niet mis geseit; Maer sien wy scherper toe, 't en is maer half bescheid. Daer is een Niet-met-al, dat noodigh werdt gepresen Om dat het noodigh is, en noodigh moet het wesen Om dat het God beval te wesen dat het is; Dat noodigh is 't cieraet van 't schepsel, en, gewis Gods hand-meid[77] voeght alom het Goed en 't Cierlick 't samen. Nature past daer op, wy weten 't als ons' namen, En daerom voeght het ons een voeghlick Niet-met-al Te dulden, hoe het zij, by konst of by geval. By konst of by geval, naer 't yemand lust te doopen, Daer is wat cierlickheids mijn Berghjen op gekropen, Wat tuytighs sonder dienst, wat aensiens sonder nut: De groene Muts was yet voor 't hoofd en sijn beschut, Maer 't pluysken moster op, of 't was geen' Muts by Mutsen Van aensien aen te sien. Soo raeckten ick aen 't klutsen, Aen 't klampen stijl aen stijl, en deel[78] aen wederdeel, Die ick eendrachtigh bond aen een verborgen steel; Gelijck een rugge-been met ribben of met graten Vleesch of visch t' samen houdt, en niet en kan verlaten, Dan als sy bey vergaen: dat maeksel scheen geplant; Maer 't hongh aen 't rugge been, en woegh niet op het sand: Daer most ick in voorsien; men had my sunst[79] verwesen, Als die noyt Heyligh blad in Griecksch en hadd' gelesen. Doe 't uyt den koker quam van steigerings besleur, Verscheen daer, wat? een Spel, een Naeld, of sulcken leur, En stack, als naeld of spel, in d'ooren en in d'oogen: In d' oogen, daer men 't sagh, in d' ooren daer het logen Of waerheit over droegh, soo 't was of niet en was. Wat raed? 't was aen den wegh; daer 't altoos vol gebas Van stoute keffers is: die dat niet kan verdouwen, Moet naer Egypten toe, en in de Sand-Zee bouwen. Maer honden werden[80] mack van vreemden veel te sien: Soo werdt de vreemdigheit onvreemt voor sulcke lien: Soo wierdt mijn opspraeck gunst, soo temden sich de sotten: Eerst hiet ick Schots alleen, doe wierden wy all' Schotten, En sagen 't Schotsche werck voor wat gedooglicks aen; De slechtste van gewoont, de wijste door vermaen Van haer' geheugenis', daer s' in geschreven vonden, Hoe sulcke Bakens noch oud Roomen niet mis-stonden, Noch 't niewe niet mis-staen, en wat oud Roomen de, Om sulcke wonderen te schepen over zee; En wat niew Roomen doet, en wat het derft verteeren, Om sulcke wonderen weer gaen en staen te leeren. Vijf duysend ponden steens, en dat twee hondert mael, Moet daer bewogen zijn en hangen in de Schael, En staen weer op sijn lijf, en konnen noch eens vallen: En al, om (als ick sey) een cierlick Niet met-allen, Een' statigh' ydelheit, of soo 't wat beter is, Tot 's Stichters sterfflicke, maer doch, gedachteniss'. Had ick 't daer oock gemunt? Ick kan 't niet heel ontkennen: Mijn Maecksel was van hout; maer, na de jaren rennen, En mijne zijn gerent naer 't einde van de baen, My docht een houten bouw kost langh na my bestaen; En, of hy 't niet en kost, sy konden 't hem wel leeren, Die na my souden zijn, en sijn verrottingh weeren Met sorg van onderhout. Dat nam ick voor geen' schand: Soo, seid ick, leeft het al dat water voedt of land: Des menschen leven selfs bestaet maer by het lappen Van dagelicks niew aes; en altoos sal men tappen Uyt Heidelberghs vol vat en van den selven wijn, Soo langh daer vullers en hervullers sullen zijn. Dus rekend' ick alleen, en sonder Waerd te hooren, En menschen stonden 't toe: maer 't quam my niew te voren Dat uyt den Hemel quam, als of 't een' stemme waer, Die sey: Mans-maeckseltje, staet af, en gaet van daer. Gods seggen en Gods doen gaen t'samen, als de winden Haer dreigen en haer' drift, haer snuyven en haer slinden: Gods schicken is Gods doen, en 't is niet eer gedacht (Ick spreeck het menschelick tot menschen) als volbracht. Gods woord quam en Gods wind, met ongehoorder buyen, Dan of heel Noorden wouw verhuysen naer heel Zuyen; Gods woord ontstack de locht met sulcken vier op vier, Dat avond middagh wierd, en alle dingh papier, En all aenstekelick wat Donder kon bereicken, Of Blixem, Donders kind: om verr'gingh Yp en Eicken, Aen brand Gewasch en Bergh: en doe 't aen Bergen gingh, Scheen 't niet onredelick, dat ick mijn deel ontfingh. Mijn Naelde kreegh mijn deel, mijn' Bergh en kon 't niet deeren; Dat heeft het Aerdrijck voor, vier kan het niet verteeren, Gods laeste vier alleen sal 't brengen daer het was, Waerachtelick tot niet, waerschijnelick tot glas. Het houte maecksel sprongh als lammeren in 't wilde, Als doe d' Egyptenaer Gods Heir-kracht volgen wilde, Den heuvel stond en sprongh: mijn mast was maer een riet; Hy knapte, daer hy 't moet gelooven die het siet, En daer die 't niet en sagh souw schricken te gelooven; Uyt slipte penn' en gat, het onderste quam boven, Het bovenste te grond; de naem-knoop, verr'gesien, Lagh droeffelick gevelt: SUSANN' en CONSTANTIN: Maer bey noch onverdeelt, gelijck sy moeten blijven; Haer' Zielen, meen ick nu, gelijck wel eer haer' lijven. In 't storten van de Naeld heeft yemand daer ontrent Een swaren sucht gehoort en naderhand bekent: Gevallen sprack sy noch, want viel, noch[81] ongebroken, En, is 't gelooffelick, dus heeft het hout gesproken: "Hier legh ick: feller weer dan Sonn' oyt sagh of Maen Heeft Boomen uyt der aerd, en my ter aerd' geslagen: Ick was maer menschenwerck, most ick het wederstaen? Gods stijfste Schepselen en hebben 't niet verdragen". Dat komt' er af, van 't Zeil te voeren in den top; De hooghmoed gaet niet voor, of neerslagh volght' er op: Ick nam die less' te baet, en, of my vrienden terghden, En weer een tweede Spits in plaets van d' eerste verghden, Ick swichte voor den slagh, geslagen met Gods hand, Die die plaets niet en gunde aen 't geen ick had geplant: Ick kroop in 't ongeluck, en leerde my bedaeren, En koos de Lul[82] voor 't Zeil, om niet meer soo te vaeren: Soo wierd het ongeval maer omgeval, niet scha, Scha-baet, dat 's voor verlies, en wijsheit achter na. Daer staet een staeltjen af in plaets van d'eerste delen[83]; De voet staet soo hy stond; 't scheel is in d'opperdeelen, Die gaen ter halver hooghd, meer stevigh en min eng: Matroos sal seggen: 't is een doorgeschoten steng: Een yeder sal 't op niews herdopen nae sijn oordeel, Des wijsten Doopers vont aenvaerd ick tot mijn voordeel, En hy sal Peter zijn van 't niewe houten kind, Die in den vrolicksten den nutsten toenaem vindt. Want vrucht en vreughd is 't wit dat ick hier schick te raken, De Vreughd is tastelick: gaet op, ghy sultse smaken: Een Baken stond hier eerst tot in den Haegh gesien, Tot in de Duynen toe, tot in de Zee misschien: Maer die aen 't Baken stond, en sagh maer pas de weiden, Die Voorburgh en den Haegh, weerzijds de Scheyingh, scheiden; De reste was geboomt, dat door mijn' eigen schuld Den schoonsten hoeck gesichts met bladren heeft vervult: En 't gingh met Hofwijck toe, als met de Stadt der Steden, Mijn ongesien Parijs, die sich een Geck met reden, Beklaeghde niet te sien door d' al te dicke wolck Van Huysen overhoop en 't woelen van haer volck. Blind had ick my geplant, en wild' ick my ontblinden, Ick most een hooger top dan all' mijn toppen vinden, Die nu gevonden is: thien trappen en thien meer Ontbinden mijn gesicht, waer dat ick 't henen keer. Ick overtop' mijn self, en Hollands beste deelen, Die veel en veel gesien geen' oogen en vervelen, En al dat Delfland heet van Rhijn en Schie tot Maes, Tot in het Noorder silt sijn golven, ben ick baes. Dat heet ick oversien. Haer' Graven en haer' Staten, Die nu Besitters zijn, en die 't, wel eer besaten, En waren noyt meer Baes: sy kosten haer besit Niet meer als oversien, niet meer als daer ick sit. Noch ben ick het wat meer: sy sagen 't door de wolcken Van haer' bekommeringh voor Steden en voor Volcken: Ick sien[84] het sorgeloos en op sijn Hofwijcks aen, En laet Gods weer en wind Gods acker over gaen: Ick vaer als reiser[85] me, de Stierluy moeten waken: Sy woelen onder een in sacken en in saken; Ick sie van boven neer, als uyt de tweede lucht, Daer geen gevoel en is van onder-Maensch gerucht. Dus verre gaet mijn vreughd; de vrucht van dese plancken, Daer heb ick 't ongeval noch ruymer voor te dancken: De reden is soo klaer als middaghs Sonne-schijn, Dat verr'sien beter is als verr'gesien te zijn: Voorsichtigheit siet verr', en mergen[86] is haer huyden; Daer d' onvoorsichtige zijn als bysiende luyden, Min siende dan gesien: en 't is der wijsen lot, Onsichtbaer verr te sien, waerom? want soo doet God[87], Dien niemand noyt en sagh, en die d' aenstaende stonden Soo tegenwoordigh siet, als ofse voor Hem stonden, En dat geschieden sal, als waer het nu geschiet. By die verr'sichtigheit en stell ick 's menschen niet; Maer 's menschen last[88] is, Gods volmaecktheit na te trachten, En diese meer betracht is minder te verachten, Dan diese meest versuymt: laest sagh my alle man, Nu sien ick met gemack, die my niet sien en kan. Is 't hoogh genoegh gepocht, is 't Less' genoegh gesogen Uyt ongesienen bouw? neen, 't is in mijn vermogen Meer wijsheits uyt de planck te trecken dan ick docht[89]: Hier staen wy van der aerd gestegen in de Locht; Let, vrienden, die met my tot deser hooghd geklommen Van boven neder siet: hoe is 't 'er toe gekommen, Waer zijn wy door geschroeft? langhs steile trappen heen, Door enghd' en ongemack met suchten en gesteen; Dat heeft het klimmen in, daer moet hy staet op maken, Die van beneden op aen 't uytsien meent te raken, Aen 't aensien eigentlick: den traegen beurt[90] het niet, Die met den arm in 't kruys staet opwaerts aen en siet: Daer staet wat sweetens toe, en woelen hoort by wenschen, En by gewil geweld[91]: maer daer by zijn wy menschen, En konnen niet als gaen; het vliegen is quaet spel En met den hals betaelt: dat weet de Schipper wel; Die besight hand en voet, sijn menschelick vertrouwen, En klautert in de Marsch by takels en by touwen. By trappen zijn wy hier geklautert, en dat 's recht: Wel hem, die sijn bedrijf by trappen op verrecht, By soete trappen, by niet al te wijde schreden, En staeckt, als in de Marsch, sijn steigeren met reden. Niet aen de Vlagge-spil, daer 't hoofd draeyt eer men 't weet, En daer niet yeder een sijn' moeyte wel besteedt. Half wegen is soo veil[92], dat, konden wy 't bezeffen, Wy souden 't eens soo lief als 't Papegaeyken treffen, Ten einde van de Stengh: 'k beroep my op de pijn Van die, van al te hoogh, te laegh gevallen zijn. Het Bosch is uyt gesuft: God zy gedanckt! seght Leser; De Schrijver seght het oock; daer hoeft wel een Geneser Voor uw oogh en mijn' hand; soo zijn sy bey gefoolt[93] Heeft yemand oyt soo langh in sulcken woud gedoolt? Maer 't is de Naeld haer' schuld, haer maken en haer breken, En ick hebb' van de Naeld ten draed toe willen spreken: Naer[94] my soud 't niemant doen: nu heb ick 't soo gedaan, Dat ick naer my gehoort sal werden en verstaen. En dit 's aen 't Huys ten Deil; wie lust' er me naer Leiden? Komt, Kijcker, Man of Vrouw, ick gae u binnen leiden. Tot noch toe treden wy in 't Voorburght van 't groot Hof, In 't Neer-hof van 't Kasteel; daer volght wel ander stoff'. Is 't uyt de maet gestoft? beveelt my niet te swijgen; Schoon op-doen heeft veel in; 't is om u voort te krijgen. Waer zijn wy? tusschen Bosch en Bogaerd; staet wat still'; Dit 's oock mijn eigendom; ick doen' er wat ick wil; En wat ick heb gewilt en sal u niet vervelen, En wat ick wilde, zijn twee wanden van Abeelen, Die nu ten Hemel gaen, en proncken met haer' kruyn (Denckt aen mijn hondert jaer)[95] tot in het Noorder-duyn, Wel voeght haer dat gepronck; sy mogen sich beroemen Voor Schutters[96] van Geboomt, van Kruyden en van Bloemen; En sood' er een van al ten einde levens kom Daer sy ten scherme staen, 't is maer van ouderdom. Aen haer en siet men 's geen; en 't magh haer wedervaeren Dat een den loover-dril van haer' ongroene blaren Tot minder waerde duy: maer dat' 's 't haer van haer hoofd. En dat 's daer noyt wijs man een man sijn' eer om rooft, 't Grijs heet de kerckhof-blom, maer 't heet soo tegens reden: 't Is 't merck van rijpigheit van Sinnen en van Zeden. Gaet by d'Abeelen op, tot daer sy spitser zijn, Daer is noch krack, noch kreuck, noch schaduwe, noch schijn Van buygen voor geweld van 't vinnige Zuyd-westen, Of van 't verdelgend Noord met all' sijn Boomgaerd-pesten. Abeeltjens, oud, grijs volck, oud Krijghsvolck, seid ick recht; Ghy hebt voor ons gestaen in 't heetste van 't gevecht. Dat 's 't koudste van den strijd; de Appelen en Peeren Of met uw' wapenen gedeckt, of met uw' kleeren: Wel heeft den Hemel u gerechtelick geloont, En in den ouderdom met stijve jeughd gekroont: Heel Voorburgh heeft met my te deelen in 't bedancken, Als 't op uw' vlammen siet en als 't siet op uw' rancken: Het siet u niet alleen voor Voorburghs voorburgh aen; Maer voor de cierlickheit daer 't schier om werdt begaen: Dat weet de Vreemdelingh, de Wandelaer van buyten, Dien sulck' en Galery doet gissen en besluyten Wat van uw binnen is, daer 't buyten staet en lacht, Met sulck'en trotsen vreughd, met sulk'en soeten pracht. Danckt my toe, Vreemdelingh, die, t' uwer gunst genegen, Noch schooner heb gemaeckt den schoonsten wegh der wegen: 't Is maer half prijsens waerd, sich selven te versien; Heel is hy 't, die betracht dat voor 't gemeene dien'. Is 't voorbeeld nut en goed, volght, Boeren, en volght buren, Wy sullen Honslaerdijck verbijsteren en Buren[97], En diese t' samen wil besoecken, heeft voortaen Geen' straeten als den Straet naer Voorburgh te begaen. Aensienelicke straet van Stads-gelijcke Huysen, Is 't dat ick Hofwijck magh van lit tot lit ontpluysen, Gunt my den eigendom van 't eerst in uw getal, En lijdt dat ick het noem mijn Tuynhuys en mijn' Stal; Mijn Kruyd-hof hoort' er toe, en, heb ick wel gekosen, Het is mijn Persen[98]-perck, mijn Queeck van Abricosen: Een houten warme doos, met plancken wel bestaeckt, Die suycker-wercken[99] berght, aen 't Sonnevier gemaeckt. 't Waer veiler[100] niet gemelt, soo dicht aen twee, dry wegen: Maer, daer de heiningh klapt, had ick vergeefs geswegen. Nacht-pluckers, weest mijn' moeyt genadigh en mijn' kost, Had ick u hier ontsien, 't werck waer noch onbegost; Ontsiet u, voor den lust van weinigh soete beten Voor dieven uyt te gaen, of 't in uw hert te heeten. Ghy let op d' eerste meest, ick op de tweede straff, En, krijght ghy d'ander toe, soo denckt: dat komt' er af; Wy hadden wijsselick na Groot-moer[101] om gekeken, En aen verboden vrucht noch hand noch mond gesteken. Maer 't is om niet gepreeckt, de boosheid is in 't bloed; Verbiedt het quaed te doen, 't is daerom dat men 't doet, En dreigen werdt bevel: Ick magh 'er niet om pruylen; Staet bouwen aen den wegh ter keur van alle muylen[102], En aller tongen schimp; die aen de wegen plant En komt niet[103] minders toe van allerhanden tand. Nu, Wandelaer, komt in; 't sal 't Hof van Hofwijck gelden: Versiet u van geduld, ick sal het minste melden, En swijgen niet van 't meest: daer moet de Kijcker aen; Daer werdt[104] noyt planter moed' op eigen grond gegaen, Van eigen grond gepraet, van eigen grond geprevelt; Als 't regent dat het plast, soo dunckt hem dat het nevelt[105], Als 't nevelt, is 't soet weer, als 't stormt, en is 't maer koel, En, dien de lust vervoert, en weet van geen gevoel. Voor d'eerste quellingh, hoort dry woorden, eens voor allen; 't Waer meerder quellingh, staegh op 't selve platte vallen; En staegh te seggen, staegh te hooren, voor of na: Dit 's dus in 't Oost geschickt, in 't West de wederga. Daer is een' middel-lijn, die Hofwijck scheidt in deelen, Daervan de slincker van de rechter niet en schelen: Een' Oost-, een' Wester poort, een' Oost-' een' Wester laen, Een Eiland Oost, een West, in bey gelijcke paen; Een Boomgaerd midden in, een Plein, een Huys, een Vijver, Ten Zuyden op de Vliet een open Tijd-verdrijver. Dit t'samen (kost het zijn) in t Goudgewicht geleght, Soo stond de Tongh in 't huys, en bey de Schalen recht. Wie die verdeelingh laeckt, veracht voor eerst sijn selven, En 't schoonste dat God schiep. Eer ick bestond te delven, Nam ick des wijsen less' tot richtsnoer van mijn doen: 'k Besagh mijn selven; meer heeft niemand niet van doen. Twee Vensters voor 't gesicht, twee voor den Reuck, twee Ooren, Twee Schouderen in 't kruys, twee Heupen daer sy hooren, Een' Dye van wederzijds, een' Knie, een Been, een Voet; Is, seid ick, dat Gods werck, soo is 't volkomen goed; En, waer ick henen sagh, ick wist geen wet te soecken Die by dees' gelden mocht: wegh, riep ick, scheeve hoecken, En oneenparigheit, en ongeregelt scheel, Dat niemant en vermaeckt, dan die sijn' Neus sijn' Keel, Sijn' Mond, sijn' Kin, sijn' Buyck, sijn alle dingh, kan lijden Verr' van de Middel-lijn slim uyt gestelt ter zijden. En, als ick oversloegh waer sulcken stel op trock, Soo viel ick op 't oneens[106] van een' Japonschen Rock, Op 't onbegrijpelick van die verwerde plecken, Die 't kleedsel voor cieraet, en my voor onlust strecken. En, als ick by geval door sulcke paden trad, Soo docht my, 't was om 't jock gedobbelt of om 't wat, Waer dese boom sou staen, waer die steegh sou belenden; Ick wierd' er koortsigh af, en waer ick quam te wenden, Daer draeyde my het hoofd, gelijck des planters de, Die alles onverhoeds gedraeyt had uyt sijn' ste. Verlappers van oud werck kost ick genadigh dulden: Maer Snijders van niew stoff en sagh ick niet t' ontschulden: Mijn Laken was geheel, en ick een schele geck, Soo ick 't versnipperde met een versuft besteck. Recht-zijdigh ongemack en vond ick niet prijswaerdigh; Maer, waer het mogelick, 't gemackelick en 't aerdigh 't Geschickt' en 't dienstige te mengen onder een, Soo was de Nuttigheid verhylickt aen de Reen. Dit hylick sloot ick soo, en noyde Post tot Speelman, Die maeckte d' ondertrouw; en quam' er wat krackeel van, 't Wierd op 't papier gesticht, en, naer een soet gekijf, Vergaderde 't gemack en 't fraey, als Man en Wijf. Dat 's uyt: en nu niet meer van recht of scheef te melden. De Spa gingh door de Zoo van klare klaver-velden, Daer wel een Koe dry vier haer' meugh aen bijten moght: En 't heeft een' taeyen Boer wat jammerlicks gedocht, Soo kostelicken stael soo konstelick te scheuren; Maer 't wasser toe gedoemt, het sou en 't most gebeuren: Waerom sou 't beste groen het eewigh erfdeel zijn Van Beesten-muylen, niet van Menschen, en niet mijn? Men moet wat aen de vrucht, wat aen de vreughd besteden: Wy leven van de Wey en van de Ploegh, dat 's reden: Maer sonder lijf en ziel en is de mensch niet heel; Is 't lichaem dan vernoeght, de Geest verheischt sijn deel, En treckt sijn voedsel oock, maer op een' beter wijse; En Gras of Koren-werck en streckt hem voor geen spijse; Daer hoort sijn voeder toe, noch luchter dan de lucht, Hoe noem ick 't op sijn best? onnoosele[107] genucht. Dat voedsel aest[108] het hert, en daer 't van 's werelds saken Gekneust is of gequetst, kan 't maer vermaeck vermaken; En die voor sulcke Salv' een potjen overgaert, Heeft wisselick gesorght en wijsselick gespaert. Verr' van mijn' kinderen sij 't roeckeloos verquisten: 'k Had beter niet geweest, dan dat sy 't van my wisten; Maer nuttelick gespilt naer Borsen grond en macht, En heeft noyt wijse Man verwesen noch veracht. Vier Sonen heeft my God, en 't Vaderland, geschoncken, En, soo 't een Vader voeght, ick derv' er wat me proncken: Mijn' sorgen hebben haer door wetenschapp en deughd Voorspoedelick geleidt tot door de tweede jeughd. En 't sullen Mannen zijn als ick er niet sal wesen; Daer zijn mijn' plichten uyt: God, Vader van de Weesen, Beveel ick haer bestier, met eene Sus daer toe; Daer bid ick allen voor, als ick voor allen doe: Besteden sy liet klein, dat ick haer naer kan laten, In soeten teer naer neer[109], in vrolickheid met maten, Sy hebben 't lijdelick, en die 't ons gonde, leeft, Die niet te leur en stelt dan die Hem eerst begeeft. Noch staen wy voor mijn' Poort; 't is onbedacht gesproken: Mijn' Poorten most' er staen, of 't waer mijn woord gebroken; Noch staen wy niet daer voor, ons' oogen zijnder in: 't Zijn Heckens, Vreemdelingh, en dat heeft oock sijn sin. 't Is open deuren-werck; 't gelaet van alle vromen, Die in haer blancke hert voor geen gesicht en schromen, Voor geen getuygeniss' van wat daer werdt gedacht, Of in ontfangenis, of in geboort gebracht; Want, als de buyten-stoff, is 't voeder van haer' rocken, En, of ghy op het werck, van binnen op getrocken, Of op den wijser siet, sy slaen altoos op een: Maer sulcken uerwerck is, God weet het, niet gemeen: My, bid ick, dat het voor wat openhertighs strecke, Dat hier en daer een' Poort gescheurt is tot een hecke, En dat het op het hert des Meesters werd' gepast. Twee Poorten seggen meer: onthael ick vriend of gast, 't En is niet door een' deur, 't is door twee open' deuren: Den ruymen ingangh thoont wat binnen sal gebeuren, En dat de vrienden op mijn Brood en op mijn' Wijn Niet half, niet heel, niet eens, maer tweemael welkom zijn. Komt yemand tegens my het blaedjen om te keeren, En seght: twee deuren op?--daer wil men ons by leeren, Dat, als 't op scheiden komt, twee Lanen open staen, En dat ick tweemael heet mijn' gasten henen gaen, Die eens genoodight zijn: dat wil ick niet ontkennen; Aen Man- of Vrouwen-kracht kan ick my niet gewennen; D'Onheusche heusigheit, 't onsinnige geweld Dat op den soeten kerf van vriendschap werdt mis-stelt, En heb ick noyt gelooft[110]: maer wel van outs onthouden Die willen, laten gaen, die niet en willen, houden: De waerd moet gast-vry zijn; maer oock de gasten vry; En dien ick soo misdoe verhael' het soo op my; En 't sal in my den lust van wederkeeren wecken, Daer gulde vryheit woont voor komen en vertrecken. Mijn poorten houd ick wel verdedight: volght mijn Laen, Mijn Lanen' wederzijds: die moet ghy oock sien staen, Als Armen die mijn' vriend omhelsen en onthalen. Doch Armen spreken niet: dees' konnen oock geen' talen: Maer d'ander' menschlickheid, het Lachen, is haer' gaef. Verstaet ghy dat gelach? let op het groene gaef[111] Der Linden, mijn geboomt, en eertijds mijn' Laurieren, Die haeren koelen pracht als wassche Toortsen cieren, En denckt (om kort te zijn: sy selver zijn niet langh), Dat wat mijn' jonge fluyt van 't Voorhouts groene gangh, Op niewe noten peep, van dese staet te pijpen, En, soo ick mijn vernuft noch eens bestond te slijpen, Dat Hofwijck en den Haegh de samen souden gaen, Of, waer de, Haegh de Son, dat Hofwijck waer de Maen. De Stammen zijn gelijck, de schaduwende kruynen Staen hier, soo wel als daer, gelijck begraesde duynen. Hier in gaet Hofwijck voor; in 't 's Gravenhaeghsche Pand Is niet als Linden-hout by Linden-hout geplant, En dan een' steene buert, daer Mensch en Peerd en Wagen De vlugge Fluytertjens[112] den soeten Haegh uyt jagen: Danck hebb' het vuyl gewoel van Wagen, Mensch, en Peerd; Sy jagen Hofwijck toe dat Hofwijck meest vereert. De Goudvinck is van 't minst, de Kneu, de Spreew, de Lijster, Hier sit de Nachtegael en gorgelt met sijn vrijster, De Koeckoeck slaet de maet, en roemt van sijn bedrijf In volle vryheit, want de Land-heer heeft geen wijf: In Ste en doet hy niet dan Mans en Vrouwen tergen, En menigh lacht' er om, diens haeren staen te bergen. Hier danst dat vrye volck van d' een' op d' ander tack, En is 't de Linden moe, het kiest een ander dack, Een dack van Elsen-loof, reis-mantel van die Linden, Die s' in haer' eerste jeughd beschermden voor de winden, Beschutten voor Noord-Oost, behoedden voor Noord-West, En doen noch dagelicks daertoe haer niewe best. Heilsaemen Elsen-rack, wie soud' u konnen derven? Ghy doet ons vreughd en baet in leven en in sterven; Uw leven streekt voor muer, met een, en voor tapijt: Uw leven geeft ons warmt, en koelte, naer den tijd, En altijd louwe warmt en altijd stil verkoelen; Uw' doode beenderen verquicken ons gevoelen, Als 't IJs en Sneew verdooft; het is een meerder goed, Gestorven goed te doen' dan menigh mensche doet. Maer branden is te wreed voor sulcken dienst van leven: Daer is een' minder' pijn, die u niew leven geven Of 't oude lengen kan: ghy leent uw' lieven romp, Daer Schip en goet aen hangt, tot booren van een' pomp. Van kokers onder aerd, daer wateren door sluysen, Spijt Roomens Metselwerck, en Brussels loode buysen, Daer Klinckaert, en Arduyn, en Koper moet vergaen, Daer stadigh lappen is en niew verboeten[113] aen; Daer overleeft uw lijf, en daer ontsterft uw sterven, En daer gerieft ghy kind, kinds kinderen, en erven; In 't water stond uw' wiegh, uw' dood-kist light in 't vocht; Daer duyckt ghy, en ontgaet de schennis van de locht: Onsterffelicker lof verdienen noch uw' stoven; Onsterffelicker penn', dan dese, maghse loven; Mijn' uytspraeck schiet te kort, wanneer ick oversla, Wat winst is door verlies, wat voordeel is door scha. D' ondanckbaer Eicken stamm' en laet sich maer eens houwen: U kan ick hondert mael behouwen en behouwen: Behouwen? dat 's niet al, ghy levert goed voor quaed, Ghy voedt die u verdoet, ghy segent die u slaet, En, die de vreughd wil sien van dikwils niewe telgen, En neem' niet als de moeyt van wreed zijn en verdelgen; 't Onthoofden geeft de winst: waer is dat noch gehoort? Meer kinders dienen my, hoe ick meer ouders moord! De wand van mijn Voorhout, of van mijn' twee Voorhouten, Is noch maer half voldaen: maer u verveelt mijn kouten, Niews-gierigh Wandelaer: soo swijgh ick van het groen Van Haegh en Meyen-Boeck[114], die hier de plichten doen Van Wallen hoogh en dicht, van vriendelicke mueren, Die my het vry gesicht bepalen van mijn' bueren, Die Maertje Knelis oogh onthouden uyt mijn' grond, Als offer tusschen ons een' steenen heiningh stond. Verganckelicke kalck en kon my maer bevrijden; Dit eewige kan bey: bevrijden en verblijden; In een woort segh ick 't al; 't is 't oorbaerlickste schut, Dat schoon en dienstigh is, en aengenaem en nut. Nu rechts of slinghs gewent; of quellen u de bochten, Die dese wereld laeckt, en d' oude tijden sochten? Leght beider redenen in d' een' en d' ander' schael; Wy hebben veel gelijcks, maer min als altemael. Een' lange ry Voorhouts te samen te sien krimpen En sluyten tot een punt, gelijck des Backers timpen, Verheught des Kijckers oogh, al waer het noch soo dom, En in de red'lickheit gaet alle recht voor krom: Maer 't kromm' heeft oock sijn' deughd, en 't buygen van de stegen, Ontwalght den Wandelaer van al te lange wegen; Of, sijnse wat te kort, de kromte maektse langh, En, soo de plaets gebreeckt, de konst is in 't verlangh Het een is prijsens waerd, het ander niet te laken; Elck een voldoet sijn smaeck, elck een versnipt sijn laken Naer eigen welgeval: eens was 't een spitsche schoen, Nu kan een' platte leest, en anders geen, voldoen. Eens was de broeck soo smal, als mag're menschendyen, Nu zij 't soo goed als 't wil, de mode wil 't niet lyen; En 't zij dan spits, of rond, of langh, of ruym, of smal, Elck weet sijn' verwe voor sijn kostelicke mal[115]. De gril rolt als de Tijd: wil yemand Rechter wesen, Het vonnis, ben ick wijs, en sal men hier niet lesen: 't Zijn smaken, en die staen den vryen mensche vry: Laet niemant oordeelen van 's naesten leckerny: De rechte Dreef is recht, de kromm' heeft oock haer voordeel: Sus doen, soo laten doen, is 't veilighst, in mijn oordeel; En die den minsten haet soeckt in de meeste rust, Vergunn' aen yeder een sijn' onbesproken lust. In 't praten vind ick ons het hoeckjen om gekropen Die naer 't Langh Achterom het Korte[116] door wil loopen. Is niet verr' van de Merckt: soo gaet het hier in 't groen: Maer die gelijckenis en kan my niet voldoen: De Boomen passen best tot voorbeeld van de Boomen: Denckt, dat wy 't schoon Voorhout ten einde zijn gekomen: Nu volgt de Kneuterdijck, en stracks de Plaets daer aen: Daer heb ick 't, Hagenaer, en treckt het u niet aen; Noch stoff' ick om den prijs: Ghy levert niets als Linden Naer Linden op de ry: hier is wat niews te vinden, In 't niewe Pad niew Blad; Verandering verheught, En al dat sterf'lick is kan walgen aen de vreughd Die evenstadigh is: De vriendelickste toonen Vervelen op den duer: het oor rust op 't verschoonen, En alle lid begeeft, dat niet verpoost en werdt; Veel soets vergalt sich; jae, langh kittelen wordt smert. Noch is ons oogh het viest en keurighst aller leden: 't Wil wisselen, of 't kreunt, ja, van bevallickheden; En die de reden soeckt van sijn' beweeghlickheid, Sal vinden, datse daer, en naulicks elders leit. De niew' bevallickheit, daer 't hier me staet te vleyen, Is 't lieve loover-groen van suyver' Esschen Meyen. Daer valt min schaduws af dan m'onder Linden siet: Maer schaduwen zijn wind, of schaduwen zijn niet: Het lichaem maeckt den man, de stammen zijn de Boomen: Als 't op de waer aenkomt, voldoet men met geen droomen: Stae by, taey' Esschen waer! De waerde van uw trouw Verdiende wel wat roems, dat hier staen proncken souw; Maer is de Vred' in 't land, ick wilse niet verstooren; Ter Hellen met den krijgh; 'k magh van geen' Piecken hooren, Die dunne Boomen, met een vinnigh ijsren blad! Als 't aen mijn vonnis stond, hy sat noch op een rad, Die d' eerste Esschen stam tot sulcken grouwel kliefde, En menschen raserny met wapenen geriefde. Blijft Boomen tot der dood, plantsoenen van mijn hand: En, soo u Ouderdom, nae' menigh jaer, ontplant, Leent liever uw gebeent voor Pijlen en voor Bogen, En wordt voor tijd-verdrijf geschoten en getogen, Dan dat ghy menschen-vleesch soudt scheuren met geweld, En trecken uyt het groen in een rood bloedigh veld. 't Is langh genoegh gedolt in tweemael veertigh jaren[117], Om eens den Esschen tack tot Bijl en Ploegh te sparen. Laet noyt de Son op gaen, God Vader, en God Soon, God Geest, dry-eenigh God! die ons den ouden toon, Den on-toon, valsch geluyd van Trommelen en Fluyten, Van niews opheffen sie van binnen of van buyten; Laet Dijn' geterghde wraeck versaedt zijn in 't verderf Van ons geburigh volck[118], daer nu Dijn heiligh erf, Dijn' Kercke light versmoort en in haer bloed versopen, Haer Konincklicke bloed, en buyten hulp en hopen, En buyten trouw en troost voor eewigh schijnt ontdaen, 't En zij ghy met de boos' eens in 't gericht wilt gaen. Daer was ick over Zee: afgrijsen doet my keeren, Van daer een eenigh Heer gesplist is in veel' Heeren, Van daer een' Kroon, een' Kroon, en noch een' Kroon[119] verrast Op hoofden is geraeckt, daer op sy niet en past. Hoe soet is 't in mijn Laen te komen uyt die stancken! Wat hebben wy met ernst den Hemel te bedancken, Voor 't sachte spiegelen aen volckeren, diens quaed Het onse schier--niet schier, maer verr' te boven gaet! 'k Heb met den Esch gedaen, Esch-doornen, schooner troncken, Ghy mooght niet ongemelt mijn' Vierhoeck om staen proncken. (Dit 's 't Merckt-veld, of de Plaets, naest aen 't Kort Achterom, Of aen mijn Kneuterdijck) ick heet my wellekom, En, vrienden, u met een, die met mijn' trage treden Tot op dit groene Ruym geduldigh zijt geschreden. Leent noch wat lijdsaemheids eer dat wy verder gaen, 't Is mogelick de pijn wat waerdigh stil te staen. My dunckt het is een Plein: een Pleintje sult ghy 't noemen: Maer, daer de waerheit spreeckt, en schroom ick niet te roemen. Denckt aen het hoogh gebouw van balcken, verr' gebrocht[120], Dat geen vervuyl en kent van Spinnewebs gedrocht: Denckt aen het trots gewelf van Hollands oude Heeren, Daer dusend menschen daeghs en dusend in verkeeren, Daer dack, en muren toe, gekropt zijn met den pracht Van Spaensche Vendelen by Wilhelm t'huys gebracht, By Maurits menighmael, by Frederick om 't beste, By Wilhelm ander mael: (God geve niet voor 't leste: Soo 't oyt gebeurde dat de leste van dien stam Den toom van 's Vaderlands bestier te stade quam) Daer eens het bloedigh jock geschopt en afgesworen, En uyt de slaverny de Vryheit is geboren; Daer laest der pijlen knoop, die op het slippen stond, Van niews versekert is in broederlick verbond, 't En is geen Kamertjen: 't magh wel een' Kamer heeten: 't En magh geen' Kamer zijn: een' Sael is 't, die wy weten Dat by de grootste staet; een vloer, daer menigh voet Den anderen doorwert en geen belet en doet. Maer, brenght de Maet-ry voort, 'k sal 't tot een vloertje maken, Een Vloertje tot mijn Plein: nu schijnen 't stijve kaken; Stracks sullen 't slappe zijn; wat zijn thien roeden vlacks Op vier of vijf in 't kruys? veel, seght ghy, onder dacks: 't Is seker en bekent: maer dobbelt doet veel schelen, En dobbel is de[121] vloer, en tweemael hier de deelen Van gins het breed en 't lang; Siet vry mijn Pleintjen aen: Daer ghy staet, souden pas twee Hoofsche Saelen staen; Maer 't schijnt niet. Dat 's soo waer, dat ick, die 't hoor te weten, Mijn selven menighmael de mis-maet heb verweten, Mijn' oogen menighmael in 't ongelijck gestelt; Tot dat ick 't wiss' en 't waer van niews had overtelt, En 't vonnis tegens mijn steegh onverstand gestreken. Doe 't waer was en waer bleef, bestond ick, de gebreken Van 's menschen oordeel ('k meen sijn oogh-deel) aen te gaen, En, dool ick nu noch niet, soo hebb ick 't doe[122] verstaen. Dit Plein is, als ick sey, twee Saelen; maer twee Saelen Met eene kapp' bedeckt; en die kapp' doet ons dwalen: Die kapp' is 't halve rond des Hemels, dat wy sien; En tegens sulcken kapp' wat is dit Plein? misschien Een punt, in duysenden van punten doorgesneden. Doe pleitt' ick tegens my, doe vraeghden ick mijn Reden: Is 't wonder, dat het krimpt en klein wordt in ons oogh? Is 't wel een stuckjen van een pees tot sulcken boogh? Langhs die leer klom ick op tot boven all' de buyen, Die 't Zuyden tegens 't Noord,'t Oost tegens 't Westen ruyen By dagelicks krackeel: van daer tot by de Maen, Van daer verby de Son, tot daer de Sterren staen, Van daer tot daer Gods man[123] sijn' heilige gedachten, Sijn Lichaam, of sijn' Geest (hy kon 't niet seggen) brachten Ten derden Hemel in; en 'k was mijn Pleintje quijt, Als of 't 'er niet en waer. Doe viel ick aen 't verwijt Van 's werelds ydelheit, en, seid ick, sotte menschen, Besteedt men daer beneen dat sorgen en dat wenschen, Dat eewigh tommelen aen sulcken niet met al? Is heel de werelds kloot niet meer als sulcken bal? Is 't sulcken balletje? en, als wy 't al besaten, Met al den Mieren-nest van Kroonen en van Staten, Waer 't wel een Datje by het onuytspreeckbaer Dit, Waer 't wel besittens waerd by wat men hier besit? Mijn' ziel was soo vernoeght in 't geestigh ommeroeren Van al haer binnenste, en 't heilige vervoeren Verwerdden haer soo soet in 't dencken wat sy docht, Dat ickse pijnelick van boven neder brocht: My dacht sy futselden, en hare lusten spraken Van Tabernakelen omhoogh te mogen maken: Soo wel was 't daerse was, en daerse gingh soo slecht. Nochtans hier is sy weer. Hoe raken wy te recht? Eschdoornen, leeft ghy noch? u liet ick hier beneden; U komt het einde toe van mijn' gebroken reden. Zijt ghy het wild geboomt daer 't mannetjen[124] in sat Om God in 't vleesch te sien? Daer leeft wat in uw blad Dat Sycomorich lijckt; en 't heeft de soete luyden, Die, langh in d' aerd verrot, noch leven in haer' kruyden, Doen seggen: ja en neen; en 't hanght noch in den strijd, Dien ick niet scheiden sal: ick neem u soo ghy zijt, Of als m' u hebben wil, of als ick u kan vinden: Half Moerbey en half Vijgh, half Wijnranck en half Linden, Al soo m' u doopen wil, mits ghy voor slaven streckt, En mijn hoofd met het uw, als Parasollen, deckt. 't Is aengenamen dienst, soo langh uw' kruynen duren; Maer dat 's half-jarigh werck: Dat weten uw' geburen, Mijn' bruyne Mannetjens, die tusschen beiden op By el voor el in 't jaer haer' nemmer grijsen kop Ten Hemel spoedigen, om Somer-Sonn' te blinden, En 't plein te decken voor de schrale winter-winden. 'k Verpraet my: 't is oud Hout, en hondert jaer in staet[125] Van breede schaduwen, en die van verre staet Verneemt van Nootdorp af het vierkant Bosch van Masten; En die 't van bijds[126] geniet (u meen ick, lieve Gasten, Die Coets en Peerden hier of voor de koude berght, Of voor de spitse Mugg', die warme Henghsten terght) Prijst de voorsichtigheid van Hofwijcks dooden stichter Die 't ongemack bevroedd' en maeckten 't Beesten lichter, En menschen aengenaem, gelijck is alle pijn, Die onsen naesten smert, en daer wy vry af zijn. Mijn Wandelaer is moe: ick kan 't hem niet verwijten: Wie soud' sijn lijdsaemheit in 't einde niet verslijten Op soo veel wild geklaps? maer 't sal haest beter zijn: Tot noch toe voed ick hem met Peper en Asijn, Tot allerley Salaet van smaeckeloose bladen: Hier neffens light een Bosch dat beter is geladen; Een dat de keel toe lacht; een' Keucken-wildernis, Daer 't fruyt geschotelt staet en maer te grijpen is. Komt binnen, Heer en Vrouw; maer, Meid en Knecht, staet uyt, en Lackeyen, weest gegroet, en, Pages, wandelt buyten: Voor sulcke Kijckers zijn de sporten van dit Heck, Voor sulcke most mijn' Bors aen 't kostelick besteck, Dat desen Boomgaert sloot in vijverlicke Grachten. Een woord voor duysenden: al die maer met gedachten Mijn' sinlickheden rooft, is hier soo willekom Als hamer-slagen op een' Porceleine kom. Nochtans is 't open Hof in dese vier Saletten; Maer moet ick Heer en Knecht gelijck aen tafel setten? Plant ick voor groot en klein? Ey, jongh volck, neempt mijn geld, En snoept den Merckt-korf uyt, en doet hier geen geweld. Geweld is, achterbacx den Landheer af te halen, Dat weinigh stuyvertjens met niemands leed betalen, Daer 't naer den kooper wacht: Hier kan mijn soet verwacht Van menigh jaer gequeecks, onwetend, ongeacht, 't Gestolen beetjen zijn van die maer lust te snoeyen: Hier kan de dertelheit den teeren tack in 't bloeyen Soo ternen[127] dat hy bloed', en niet en bloey van 't jaer. Maer 'k wenschte, dat soo sterft noch ongeboren waer, Eer dat ick om een leur[128] van Appelen of Peeren Het vriendelick onthael van vreemden most ontbeeren, En sien suer eer ick 't wist. Neen, vrienden, wie ghy zijt, Die my een deel vergunt van uw' verloren tijd, En komt van uyt Den Haegh tot binnen dese hagen, Gevolght of ongevolght; ick stel 't aen uw behagen, De sleutel van mijn hert is die van desen thuyn; Daer is een' vrye Jacht oock in 't verpachte Duyn: Magh de gebroodde knecht sijns Meesters plaets bewaren, Ick gun u met de vreughd de vrucht der volle jaeren; Pluckt en doet plucken, schudt en laet u schudden, raept En laet u raepen: denckt, de Land-heer sit en slaept; 't Is buyt al wat u lust: spaert maer de teere telgen; 't Ooft is ten besten, 't hout en kan men niet verswelgen; Die 't Capitael behoudt, sorght voor den Interest: Die blijft u op mijn gunst voor 't naeste jaer gevest. Doctoren van den Haegh, 't zij t' uwer baet gesproken: Send ick u Siecken t'huys, ick houw my niet gewroken; My is geen leed geschiet, dat wrekens waerdigh zij: Is 't mergen moghelick, Rhabarbertje, stae by, En Sene, windigh blad, en Mann' en Tamarinden, En Aloe, die 't al kont drijven en ontbinden, De schuld is buyten my; ick ben maer Waerd geweest, Dien 't minst van allen past: _dit schaedt_ of _dat geneest_. 'k Heb vry gelagh gegunt, 'k heb mildelick gegeven, En laeten nemen: maer van giften, die vergeven, En draecht mijn acker geen: het schielick witte-brood Dat naer den Duyvel heet[129], en altemet eens doodt, En altijdt geckt en lockt, en wijse luy doet duchten, Schaff ick geen vyanden indien uw' siecken suchten, Sy wijten 't niemand als haer' ongebonden keel, En 't lieve misverstand, dat Kostelick Te Veel, Dat gulde letteren tot uwent mosten eeren; Raeckt dat ter wereld uyt, seght goeden nacht, mijn' Heeren, Aen Boeck, en Apotheeck, aen Croes, en Recipe. Maer 't ambacht lijdt geen' last; de Duyvel lacht' er me: Van Adams Boomgaerd af tot die wy heden pooten, Zijn onse keelen maer bedrieghelicke gooten, Verraders van ons Lijf en onse Zielen toe. Och! of[130] sy lachen kost, die weelderige koe, Die ginder in 't vol-op van Hollands beste weiden Genoegh en overdaed soo wijs'lick weet te scheiden; Wat maeckte sy geschals, wat sprack sy met genucht, Dat, die haer Meester is, sijn selven niet en tucht, Dat die de wetten maeckt en roemt alleen op Reden, Geen' eigen wet en weet voor 't minste sijner leden, Geen' buyck-, geen' mondjes-maet, dat Beesten Menschen zijn En menschen meestendeel maer redelick in schijn! Wat light my aen de moeyt' van 't pleiten voor de Beesten? 't Stuck valt my wat te swaer; ick schenck het sterker' geesten; Want, wat de keel belanght, en 't leckere verdriet, 't Zij roemeloos geseght, de Sond' en raeckt my niet. Danck hebbe Die my gaf mijn selven te vermannen, En tegens 't sot geweld van Mond-lust in te spannen: Ick ben niet smaeckeloos, noch mijn gehemelt steen: Maer 't is mijn Hemel niet: mijn' tongh en is geen been; Sy voelt; en ick voel oock, hoe langh sy dient te voelen, Hoe veel, en hoe veel niet: verdrincken is geen spoelen; Daer hoort maer drincken toe; dat weet ick, en wat meer; Gelijck het spoelen koelt, soo doet verdrincken seer: Al dat ick draghen kan, en schroom ick niet te laden: Maer dat ick niet en kan, het minste Meer, kan schaden: Als 't vat maer vol en is, soo drijft het, of het stond; Soo haest als 't overloopt, soo moet het naer den grond: Dat doet de letste drop: wat doen dan duysend droppen Naer 't vat aen 't sincken is? let, sponsien, let, soppen, Let, drinckers, die te bedd', gelijck te gronde, gaet; En, daer ick wesen wouw, let, Snoepers sonder maet, Wat dat uw' Maegh gewelds van Tongh en Keel moet lijden, Van overswelgens meer als Beestelick verblijden. Een gierige Portier magh aen de deure staen, De deur van 't Kamer-spel, en laeten binnen gaen Al wat 'er wesen wil: in 't ende moet hy hooren Dat over-val benauwt; dan moet het of van voren, Of weer van achter uyt, dat meer is dan de Sael Kan swelgen met gemack. Ick spreeck geen' duyster' tael; De saecke self spreeckt Duytsch: wie ooren heeft, kan hooren; Wy sien wat ons gebeurt van achteren, van voren, (Daer moet geen doeckjen om) van ond'ren, met verlof, Van boven rauw en rot, en geel, en groen, en grof, En al om eens Portiers verraderlick onthaelen Van al dat binnen wil, en eindelick de Saelen Van Maegh en Buyck en Darm doet bersten van Colijck, En, voor het beste loon, maeckt van een Lijf een lijck. Nu, Snoeyers, 't staet u vry; ghy mooght wel binnen komen; Maer, weest' er op bedacht, de dood is in de Boomen; Dan 't leven isser oock. Siet ghy die peersche Pruym, Die ongefoolde[131] Maeghd van vinger en van duym, Dien Appel, goud op groen, die wonderlicke Bessen, Die Kerssen, uyterlick als roode wijn in flessen, Noch beter in haer lijf; die Peer, met haer geslacht, Door menigh overspel tot soo veel keurs gebracht? Het lacht al, dat men 't siet (men schijnt het schier te hooren, En soo waer 't Spreeck-woord valsch: de Buyck en heeft geen' ooren) Maer 't lacht vol Aloes[132], voor die sich selfs verraedt, En niet en onderscheidt versot zijn, van versaedt. Ghy zijt versaedt, en meer, van dit langhwijligh preken; Maer, hoort het tot de lijst van kribbige gebreken, Uyt dingetjens van niet, uyt ongeachte stoff', Te suygen 's schepsels nut, te tuygen 's Scheppers lof; Ick ken[133] de volle schuld, en wilse niet verbloemen: 'k Maeck geeren yet van niet, en distelen tot Bloemen. Al wien het lust met my, de Bloemen gae te slaen, Begeve sich op zy, daer al des' Mannen staen ('k Segh niet meer Mannetjens; dat voeghd' haer' jonge jaren), Mast-boomen, dick en steil, die met haer' bruyne paren De cingels van mijn' Thuyn omcingelen met pracht, En maeckender by naest van Middagh Midder-nacht; D' Atheensche Galery, daer Roomen selfs gingh halen De wandelende less' van wetenschap en talen, Moet swichten voor dit pad, voor deser paden groen. Komt, wijse Wandelaers, hier heb ick u van doen: Laet Vrouw en Kinderen de voose vreughd der vruchten Genieten voor haer deel, en naderhand besuchten; Wy sullen Mond en Tongh besteden aen wat meer, Aen vrucht, daer van den beet tot beter voedsel keer'. Het gemelick[134] verhael van Staetsche vodderyen, Van Werelds werringen en meen ick niet te lyen (Die wetten schrijv' ick voor), ick bann den heelen Haegh, Met al sijn achter-klapp, ick bann de vuyle plaegh Van loose pleitery, ick bann d' onstuymigheden Van overheerigh[135] volck in ongeruste Steden, Den nieuwen overgangh. Ick bann het bits vermaen Van Kercken-spertelingh: Staet uyt, Arminiaen, Die op den Gomarist uw' tanden meent te slijpen; En staet uyt, Gomarist, die desen meent te grijpen En krabben d' oude roov' van 't seer van Achtien[136] op: All' die u sulcken gal voelt steken in den krop, Ick bid u, staet van verr, en laet de vuyle luchten Van sulcke poelen hier d' onnoosele geruchten Van beter onderhout niet smetten met verdriet: Vergalt ons' eenigheit met sulcken Alssem niet. In 't drucke van den Haegh verdragen wy 't by tijden, En dragen met geduld al dat men daer moet lijden, En staen ons' poos te roer, en vinden in 't krackeel, Wel tegens heugh en meugh, ons ongesochte deel; En sien ons niewen haet voor ouden dienst bestellen, En met gerockten vloeck voor vrome meeningh quellen: Hier zijn w' op Hofwijck, schouw[137] van al dat Hooft en Haeght, En al dien onvre lust, en dien de vre mishaeght, Mishaeght ons broederschap, die sonder Eeck en Alssem Naer Waerheit en niet meer, der Zielen eigen Balsem, Door soete wegen spoort, en houdt geen ondersoeck Haer moeyte waerder dan Gods een en ander Boeck. In 't een en 't ander Boeck zijn een' en ander' Bladen Voor onser oogen mist met duysterheit geladen: De Waerheit isser in, dat 's klaerheit sonder vleck; D' onklaerheit is alleen der Leseren gebreck; Die dat den Schrijver wijt, doet even als de blinden, Die midden op den dagh den middagh niet en vinden, En keuren hem voor nacht, omdat haer alles swert In haer onkunde dunckt, en 't witt' onthouden werdt. Al 't noodige nochtans is klaer, voor alle Vromen, Als middagh: uytgeseght[138], de moedwil onser droomen; Den Leser, die sich minst in sulcke droomen voedt, Gedijdt ontwijffelick het noodige tot goed. Maer deser redens toom en zijn wy niet soo machtigh, Of hy ontslipt ons wel: soo dat ons klaer, klaerachtigg, En waer, waerachtigh werdt: en dan volght meer en min, Naer meer en min verlaets op 't soet van eigen sin: Soo komen wy somtijds van sinnen wat te schillen[139], Soo dat' er twee Zuyd-west, twee and're West aen willen; Maer 't scheel en maeckt geen' twist: ick haet mijn' broeder niet, Om dat ick liever groen, hy liever purper siet: 't En is geen Menschen werck; 't zijn stege beest'lickheden. Eens anders met geweld te binden aen mijn reden, En maken plotselick een vyand van een' vrind, Om dat hy sijn Geloof in 't mijne niet en vindt, Om dat hy met en voelt dat ick meen wel te voelen. Laegh dat vuyl over boord, wat waerder min te woelen, Wat waerder min gespoocks, wat waerder min gedruys, Wat waerd' er koele kalmt' in Kerck, in Huys en kluys! Om alles in een woord van kort beslagh te knoopen: Vind ick mijn' even-mensch het toe-pad mis te loopen, Den Bywegh in te slaen; of sien ick hem verlockt Van spijse, daer de dood een' tand heeft in gebrockt; Wat maeck ick voor gebaer? ontstel ick my van buyten, Ontsteeck ick mijn gemoed, werp ick dien Man met kluyten, Schend ick hem met verwijt, wensch ick hem erger quaed Dan 't geen hy eten wil, dan daer hy henen gaet; Haet ick hem om sijn doen, vloeck ick hem om sijn dwaelen? Dat lij den Hemel niet! Ick tracht hem af te haelen, Ick toon hem sijn gevaer; ick wijs' hem 't beter pad Met all' mijn' Redens macht: soo hy se niet en vat, Ick sucht hem droevigh naer, ick wensch hem beter oogen, Ick straff hem met niet meer als broederlick medoogen, Ick doe hem wat ick wouw, dat my gebeuren kond', Wanneer een Broeder my een stal-licht[140] volgen vond; God roep ick tot sijn' hulp; God, die my heeft bevolen, Mijn' vyand wel te doen: want selver soud' ick dolen En in den doncker gaen, gund' ick mijn' naesten quaed, En sultte zijn ellend met Christeloosen haet. Wie deert Gods erfdeel niet, wie treurt niet om de Joden, Het heilige geslacht, dat haeren Heiland doodden? Wie deert de blindheit niet van 's werelds grootste deel, Dat Hel en Duyvels macht noch hebben by de keel? Wie kan de Christenen besien en niet beschreyen, Die door Roomsch misverstand van Sion zijn gescheyen, En willen scheppers zijn des Scheppers die haer schiep, En willen noch voldoen 't geen hy van 't Kruys af riep, By Hem te zijn voldaen, en doen Hem stadigh sterven, Die ons door eene dood het leven heeft doen erven; 't Zijn blinde grouwelen, onnoosel mis-verstand: God weer'se meer en meer van u, mijn Vaderland, God kome noch eens af, en geessel' hier beneden Noch eens die koopers uyt Sijn' huysen der gebeden: Het schijnt geen Menschen werck, wy zijn der moeyte moe, Der vruchteloose moeyt'; daer hoort mirakel toe. Maer eer 't mirakel kom' (Hy weet sijn' goede tijden) Wat zijn ons' plichten meer als treurigh medelijden? Wat zijn ons' wapenen, als bidden om dien dagh, Die eens de heele Kudd' in een koy brengen magh? Dat bidden is mijn haet, mijn vloeck, beminde blinden, Dat sult ghy in mijn' wraeck, in plaets van mutsaerd, vinden, Dat Christelicke yver, in plaets van rad en galgh, Daer van ick even soo als van uw' misdaed walgh. Dit 's uyt het Boeck gepraet, dat God heeft willen spaeren Tot onser zielen licht, van doe wy niet en waren. Het ander light' er by: het Boeck van alle dingh, Van alles dat hy eens in 't groote Rond bevingh, Het wonderlicke Boeck van sijn' ses wercke-dagen. Wat seght ghy, Wandelaer? indien 't u kan behagen, Wy gaen van blad tot blad, van daer de Son begint, Tot daer sy slaepen gaet, en laet de wereld blind: Wy weten wonderen uyt dit Boeck te vertellen: Al zijn de Sterren veel', wy wetense te tellen, Te passen op een' mijl: al loopt de losse Maen Dan blootshoofds, dan gehult, dan met een masker aen, Al duyckt sy voor ons oogh, sy kan ons niet ontslippen; Wy weten wat sy meent met plecken en met tippen, Met ringen, en met geen'; wy weten wat haer schort, Wanneerse somtijds Goud en somtijds Silver wordt: Al krimpt de dageraed van 't Ooster-punt naer 't Zuyen, Wy weten waer 't hem lieght: al pruylt de Locht met buyen, Al huylt sy gins en weer, al stelts' haer self in vlam, Al rommelts', of 't blauw dack van boven neder quam, Al schreitse weer daer op, en lescht haer' eigen' vieren, Al lachtse datelick met Kruyden en met Dieren, Dien haer' gestaltenis tot lust en onlust wendt; Van al dat Uerwerck zijn de veeren ons bekend En rad en ronsselen, en ketingen en snecken: De Mist en mist ons niet, noch wat hem kan verwecken; De Dauw is niet soo fijn, wy 'n sien hem drop voor drop, De Zee is niet soo diep, wy 'n keuren op end' op[141] Wat van haer maecksel is, en waerse 't Sout van daen heeft, Wat datse van de Son, wat datse van de Maen heeft, Hoe datse groent en grauwt, hoe dat haer volle plas Gedurigh voller loopt en houdt sijn Water-pas, Wat Ebb' en Vloed beduydt, wat wetten haer bepaelen, Hoe verr' men Westwaert uyt haer voor-stroom moet gaen halen; Om Oostwaert aen te gaen, hoe verr de Naelde wraeckt, Wat datse somtijds staend' en somtijds gaende maeckt: Wat dat den Aerd-kloot steunt in 't middelpunt van allen, Waerom hy vlot en vast kan drijven, en niet vallen; Wat in sijn ingewand het mindere metael En 't meerdere verweckt; hoe dat doorschijnigh stael, Die steege[142] Diamant, die bloedige Robijnen, Als sterren onder aerd, in 't Oosten veel verschijnen, In 't Westen nemmermeer: hoe d'Oester is van aerd, Die puyck van Peerelen, maer noyt gesond en baert: Waer van 't geboomte groent, waer langs en door wat monden Sijn blaneke voedsel komt uyt sware swarte gronden: Hoe 't in de tacken rijst, hoe 't in de bladen stuyt, Hoe 't in den Somer werckt, en scheidt' er 's Winters uyt: Wat Gouwe stincken doet, wat Roosen wel doet riecken Wat Kraeyen swarte geeft, wat Swaenen witte wiecken; Wat eyeren bevrucht, wat Wasch en Honigh scheelt, Hoe 't by de slechte[143] Bye verstandigh werdt verdeelt; Hoe beesten beesten zijn, en besigen haer' leden, En stieren haer beleid bynaest met onse seden: Hoe 't allerwonderlickst der wonderen, de Mensch, Van Menschen werdt geteelt met min schier als een' wensch; Wat Ziel, wat Lichaem is, en hoe sy konnen paeren; Hoe 't Vier in 't herte komt, hoe 't Silver in de haeren, Hoe 't Bloed de schaemte meldt, hoe 't Oogh van verre voelt, Hoe al het sichtbaere, dat door den and'ren woelt, Geschift werdt sonder moeyt, en sonder konst gescheiden: Hoe Neus en Mond alleen, en Ooren met haer beiden, Gelijcke plichten doen; wat Lippen tot de Spraeck, Wat Tongh en Tanden doen tot beide, Spraeck en Smaeck, En in wat bochten die de dese moet ontmoeten: Hoe 't Hoofd gehoorsaemt werdt van Handen en van Voeten, Niet met de moeyte die een Heer neemt als hy wenckt, En doet sijn' Dienaer gaen, maer even als 't maer denckt: Hoe 't Bloed schift van sijn' Wey, hoe 't Melck wordt in de Borsten Hoe 't elders Vel en Vleesch, en elders harde korsten Van Knor[144] en Beenen werdt: hoe 't in de Keucken gaet, Ontfangster in 't gemeen van alle goed en quaed, De Maegh, verkrachte Maeghd van onse gulsigheden: Wie Koek is, wie Kocks maet, wie Onder-koek met reden Genoemt werdt, geele Gal, of roode Levers warmt; Waer toe den ommeloop van kronckeligh Gedarmt, Waer toe de viese Milt, waer toe de luchte Longen Haer op en neder dient; waerom de Meid geen Jongen, De beste slagh, en viel; waerom--Dit langh waerom Verveelt u overlangh: 't is reden dat ick kom Daer ick 't Boeck opende; dit Boeck; dit Boeck der Boecken, Is soo vol ondersoecks, soo vol van soete hoecken, Als Hofwijck bladeren aen Boom en kruyden telt: Ick heb wat veel geseght, maer niet-met-al vertelt, By al dat seghbaer is: Dit zijn de besigheden, Daer in wy Ziel en Lijf vermaken en vertreden: Dit 's 't veld van onsen strijd, maer strijd van vreedsaemheit, Daer yeder op sijn' beurt sijn' stille meeningh seit, En luystert naer sijn' vriend, en laet sich onderrechten, En heet verliesen winst, wanneer hy valt in 't vechten, En wijs in 't vallen werdt. Ver is het strack gemoed, Dat steegh en ketterlick de waerheit tegen wroet, En liever dolen wil, en dollen wil, dan wijcken, En liever Schip en goed verhoetelen, dan strijcken; Het Hofwijcks Spreeckwoord seght, en alom is het waer, Dat seven oogen veel, maer min sien als vier paar. Dit 's woord en weder-woord van Waerd en waerde gasten, Die hier mijn eenigheit op 't onvoorsiens verrasten, Of veel en veel genoyt verschijnen in mijn' Hof, En vallender op 't fruyt, het fruyt der buycken, of Het fruyt der Boecken: fruyt, dat niet en kan verrotten, Fruyt dat den Maeyeman[145], schuld-eischer van de Sotten, Sijn maenen niet en vreest. Besit ick my alleen, Geheel en onverdeelt, en word ick moe getreen En molewijs[146] gestapt in 't rond, in 't langh, in 't kruys-pad; Of seght my nat of kouw, 't waer oorbaer dat ick t' huys trad; Ick tree wel in vier treen en in vier huysen thuys: Vier huyskens over hoecks, en elck een' groene kluys, Daerin sich kluysenaers gekluystert konden wenschen, Belocken my om 't seerst, en spreken schier als Menschen: "Komt", roept' er een, "tot my", en 't andere: "tot my", 't Zij dat het deses tael, of ghenes Echo zij: En ick hangh tusschen vier, als Mahomet sijn' beenen In 't even staegh geweld van vier versierde steenen! In 't einde deel ick 't scheel, en vraege Sonn en Wind, Waer ick best sitten sal gedoken en geblindt, Geblindt en ongesien: meest winnen 't twee van vieren, Die neffens 't groote spoor mijn Hofwijckjen vercieren, En doen den vreemdelingh in 't rijden en in 't gaen Uytroepen: "'t Is daer moy, en 't staet' er my wel aen". Daer schuyl ick in de Klimm' en in de Memme-bloemen[147]; Daer hoor ick my met lust dan prijsen, dan verdoemen; Daer duyck ick achter my, gelijck de Schilder sat, Die achter 't Tafereel der Kijckers dit en dat Beluysterd' en beloegh[148]; daer ligh ick, als gestorven, En hoor, als naer mijn dood: "Wat is daer gronds bedorven, En klaere kley gespilt, om overdaed van lust!" Daer hoor ick tegen aen: "Wel zij hem waer hy rust, Den Planter, die den poel van eertijds wilde weyen Vercierde met de pluym van altijds groene meyen, En dorst een hoeckjen erfs besteden aen sijn' vreughd, En keurde matelick verquisten voor een' deughd, En docht, het Goud en was in 't water niet geworpen, Dat streckte voor vermaeck van hem, en Stadt, en Dorpen". Daer hoor ick, wat noch meer? of wat en hoor ick niet? Den Kermis-boer sijn geld, den Vryer sijn verdriet Beweenen aen de Meid, die niet en schijnt te hooren. Moy Meisjen, siet rondom, de Boomen hebben ooren: Ick hebb' het Voorburghs-bier sien sieden in uw' borst, En over 't Minne-vier een' and'ren niewen dorst Ontsteken in uw hert; ick hebb' u Kees sien douwen, Sien foolen mond aen mond, ick hebb' den besten Bouwen, Den niewen Schorteldoeck sien wringen tot een slet, En hebje 't Klaes verboon, Kees hebje 't niet belet: "Trijn", seid' hy, "trouwe Trijn, wat heit het te beduyen? De kolen aen den haerd, de Middagh-Son in 't Zuyen Zijn koeler dan de Sneew by 't vier daer ick in brand! Komt, soetert, eens voor al, waer is je rechter hand? Kom, nobele kersow[149], 't is by men ziel ter eeren, En om de werld in echt met suck slagh te vermeeren As jouw moy bakkes is: Wat Duyvel schort'er an? Men Vaertje sagh'et gaern, je Mortje weeter van; Jen oom, Klaes Gerritse, seit meenighmael: wel, Keesje, Hoe maeckj'et mit men Nicht? gaet an; het wildste beesje Wordt metter tijd 'etemt; de Knijne worde mack, Het Nachtegaeltje neemt sen koytje voor een tack: Houdt jy maer voet by steck; de Meisjes moete suer sien; Dat sel wel overgaen: je selt noch sulcken tuer[150] sien; Trijn sel iens mit en wip ontdoyen, dat gaet vast; Soo voer ick mit men Pleun: wat had ick s' op epast, Eer 't ja-woord schuyven wouw! dan wouwse, maer se'n sou niet; Die molen liep rondom: dan souse, maer se 'n wou niet: In 't ende quam't er toe, als ick' er 't minst om docht: Soo benne w' entelick as lijm an ien erocht: Maer, as je weet, het lock en heit niet wille diene, Dat vleis van ongse vleis en bien van ongse biene Liep speulen by de weght; en 't is met Pleun edaen, Wangt die niet meer en magh, die moet wel stille staen; Dan, dat waeyt jou in 't zeil; nouw heb ick woll' noch webbe Noch langd, noch weuninge, Trijn moet al 't hoopjen hebbe, En 't wordt je saem egunt: gaet an slechts, wat je meught, Je vrijt niet min als 't puyck van Delfland en sen jeughd. Nouw mochje miene, kint, nou mochje grouwen, hartje, Dat ick je goetje vry, wangt dat is 't ouwe partje Van 't volck te langdwort[151], jae, wel degelick in ste: Maer by kris en by kras (en daer 's gien jocke me), Je deed me gien spuls recht, wouw jy me dat op tijge: By gurcke, 't moet' er uyt, al mocht ick 't beter swijge, 'k Heb me kley an me gat; dat weet me 't Hongslaerdijk, Te 's Gravensae in 't sangt, te Wateringh in 't slijck: En offer wat an schortt, ongs' Anne Jans, me Meutje, En doeter me niet toe; en Gerrit Oom, 't out reutje, Heit maer ien speul-kint t'huys, soo komt het al op mijn: 't Is soet te deelen, daer twie hangden miester zijn: Neen, liefste, 't aerdsche goet en hoef ick niet te soken: You Hemelse Parsoon, jouw monekje soet besproken, You kaeckjes as een roos, jouw ooghjes as en get[152], You borsjes, met verlof, daer ick men pinck op set (Stil, seyse, schaemje niet, Kees? houdtje hangde voorje, Nouw, Kees, hoe staeje soo?) wel nou dan, Troosje, hoorje, Die hebbe mijn jongh hart ontsteken en beklemt: Jae, 't sou niet overgaen, al s