The Project Gutenberg EBook of Max Havelaar, by Multatuli This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Max Havelaar Of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelsmaatschappy Author: Multatuli Release Date: February 10, 2004 [EBook #11024] Language: Dutch Character set encoding: ISO Latin-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MAX HAVELAAR *** Produced by Marc D'Hooghe. MAX HAVELAAR OF DE KOFFIVEILINGEN DER NEDERLANDSCHE HANDELMAATSCHAPPY DOOR MULTATULI AAN DE DIEP VEREERDE NAGEDACHTENIS VAN EVERDINE HUBERTE BARONESSE VAN WYNBERGEN DER TROUWE GADE DER HELDHAFTIGE LIEFDEVOLLE MOEDER DER EDELE VROUW "J'ai souvent entendu plaindre les femmes de poete, et sans doute, pour tenir dignement dans la vie ce difficile emploi, aucune qualite n'est de trop. Le plus rare ensemble de merites n'est que le strict necessaire, et ne suffit meme pas toujours au commun bonheur. Voir sans cesse la muse en tiers dans vos plus familiers entretiens, --recueiller dans ses bras et soigner ce poete qui est votre mari, quand il vous revient meurtri par les deceptions de sa tache;--ou bien le voir s'envoler a la poursuite de sa chimere ... voila l'ordinaire de l'existence pour une femme de poete. Oui, mais aussi il y a le chapitre des compensations, l'heure des lauriers qu'il a gagnes a la sueur de son genie, et qu'il depose pieusement aux pieds de la femme legitimement aimee, aux genoux de l'Antigone qui sert de guide en ce monde a cet "aveugle errant;"-- Car, ne vous-y-trompez pas: presque tous les petits-fils d'Homere sont plus ou moins aveugles a leur facon;--ils voient ce que nous ne voyons pas; leurs regards penetrent plus haut et plus au fond que les notres; mais ils ne savent pas voir droit devant eux leur petit bonhomme de chemin, et ils seraient capables de trebucher et de se casser le nez sur le moindre caillou, s'il leur fallait cheminer sans soutien, dans ces vallees de prose ou demeure la vie." (HENRY DE PENE) GERECHTSDIENAAR. Mynheer de rechter, daar is de man die _Barbertje_ vermoord heeft. RECHTER. Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd? GERECHTSDIENAAR. Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten. RECHTER. Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen. LOTHARIO. Rechter, ik heb _Barbertje_ niet vermoord! Ik heb haar gevoed en gekleed en verzorgd. Er zyn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n goed mensch ben, en geen moordenaar. RECHTER. Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. Het past niet aan iemand die ... van iets beschuldigd is, zich voor 'n goed mensch te houden. LOTHARIO. Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen. En daar ik nu beschuldigd ben van moord ... RECHTER. Ge moet hangen! Ge hebt _Barbertje_ stukgesneden, ingezouten, en zyt ingenomen met uzelf ... drie kapitale delikten! Wie zyt ge, vrouwtje? VROUWTJE. Ik ben _Barbertje_. LOTHARIO. Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb! RECHTER. Hm ... ja ... zoo! Maar het inzouten? BARBERTJE. Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten. Hy heeft my integendeel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mensch! LOTHARIO. Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mensch ben. RECHTER. Hm ... het _derde_ punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer dien man weg, hy moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van _Lessing's_ patriarch. _(Onuitgegeven Tooneelspel)_ EERSTE HOOFDSTUK[1] Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht, No 37. Het is myn gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef wat naar een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets dergelyks te lezen, omdat ik een man van zaken ben. Sedert jaren vraag ik my af, waartoe zulke dingen dienen, en ik sta verbaasd over de onbeschaamdheid, waarmede een dichter of romanverteller u iets op de mouw durft spelden, dat nooit gebeurd is, en meestal niet gebeuren kan. Als ik in _myn_ vak--ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht No 37--aan een principaal --een principaal is iemand die koffi verkoopt--een opgave deed, waarin maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam, die in gedichten en romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck & Waterman nemen. Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten. Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven doe. Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat menschen die zich met zoo-iets inlaten, gewoonlyk slecht wegkomen. Ik ben drie en veertig jaren oud, bezoek sedert twintig jaren de beurs, en kan dus voor den dag treden, als men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen! En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven was in hun jeugd. Ik zeg: _waarheid en gezond verstand_, en hier blyf ik by. Voor de _Schrift_ maak ik natuurlyk een uitzondering. De fout begint al van Van Alphen af, en wel terstond by den eersten regel over die "_lieve wichtjes_." Wat drommel kon dien ouden heer bewegen, zich uittegeven voor een aanbidder van myn zusje Truitje die zeere oogen had, of van myn broer Gerrit die altyd met zyn neus speelde? En toch, hy zegt: "dat hy die versjes zong, door _liefde_ gedrongen." Ik dacht dikwyls als kind: "man, ik wilde u graag eens ontmoeten, en als ge my de marmerknikkers weigerde, die ik u vragen zou, of myn naam voluit in banket--ik heet _Batavus_--dan houd ik u voor een leugenaar. Maar ik heb Van Alphen nooit gezien. Hy was al dood, geloof ik, toen hy ons vertelde dat myn vader myn beste vrind was--ik hield meer van Pauweltje Winser, die naast ons woonde in de Batavierstraat--en dat myn kleine hond zoo dankbaar was. We hielden geen honden, omdat ze zoo onzindelyk zyn. Alles leugens! Zoo gaat dan de opvoeding voort. Het nieuwe zusjen is van de groenvrouw gekomen in een groote kool. Alle Hollanders zyn dapper en edelmoedig. De Romeinen waren bly dat de Batavieren hen lieten leven. De Bey van Tunis kreeg een kolyk als hy het wapperen hoorde van de nederlandsche vlag. De hertog van Alva was een ondier. De eb, in 1672 geloof ik, duurde wat langer dan gewoonlyk, expres om Nederland te beschermen. Leugens! Nederland is _Nederland_ gebleven, omdat onze oude lui goed op hun zaken pasten, en omdat ze het ware geloof hadden. Dat is de zaak! En dan komen later weer andere leugens. Een meisjen is een engel. Wie dit het eerst ontdekte, heeft nooit zusters gehad. Liefde is een zaligheid. Men vlucht met het een of ander voorwerp naar het einde der aarde. De aarde heeft geen einden, en die liefde is ook gekheid. Niemand kan zeggen dat ik niet goed leef met myn vrouw--zy is een dochter van Last & Co, makelaars in koffi--niemand kan iets op ons huwelyk aanmerken. Ik ben lid van _Artis_, zy heeft een sjaallong van twee-en-negentig gulden, en van zulk een malle liefde die volstrekt aan het einde der aarde wil wonen, is toch tusschen ons nooit spraak geweest. Toen we getrouwd zyn, hebben wy een toertje naar den Haag gemaakt--ze heeft daar flanel gekocht, waarvan ik nog borstrokken draag--en verder heeft ons de liefde nooit de wereld ingejaagd. Dus: alles gekheid en leugens! En zou _myn_ huwelyk nu minder gelukkig wezen, dan van de menschen die zich uit liefde de tering op den hals haalden, of de haren uit het hoofd? Of denkt ge dat myn huishouden iets minder wel geregeld is, dan het wezen zou als ik voor zeventien jaar myn meisjen in _verzen_ gezegd had dat ik haar trouwen wilde? Gekheid! Ik had dit toch even goed kunnen doen als ieder ander, want verzenmaken is een ambacht, zeker minder moeielyk dan ivoordraaien. Hoe zouden anders de ulevellen met deviezen zoo goedkoop wezen?--Frits zegt: "_Uhlefeldjes_" ik weet niet, waarom? --En vraag eens naar den prys van een stel billardballen! Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in gelid 't zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. "_De lucht is guur, en 't is vier uur_." Dit laat ik gelden, als het werkelijk _guur_ en _vier uur_ is. Maar als 't kwartier voor drieen is, kan ik, die myn woorden niet in 't gelid zet, zeggen: "_de lucht is guur, en 't is kwartier voor drieen_." De verzenmaker is door de _guurheid_ van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist _een, twee_ uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. _Zeven_ en _negen_ is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weer moet veranderd, of de tyd. Een van beiden is dan gelogen. En niet alleen die verzen lokken de jeugd tot onwaarheid. Ga eens in den schouwburg, en luister daar wat er voor leugens aan den man worden gebracht. De held van 't stuk wordt uit het water gehaald door iemand die op 't punt staat bankroet te maken. Dan geeft hy hem zyn halve vermogen. Dat kan niet waar zyn. Toen onlangs op de Prinsengracht myn hoed te-water woei--Frits zegt: _waaide_--heb ik den man die hem my terugbracht, een dubbeltje gegeven; en hy was tevreden. Ik weet wel dat ik iets meer had moeten geven als hy myzelf er uit gehaald had, maar zeker myn halve vermogen niet. 't Is immers duidelyk dat men op die wys maar tweemaal in 't water hoeft te vallen om doodarm te wezen. Wat het ergste is by zulke vertooningen op het tooneel, het publiek gewent zich zoo aan al die onwaarheden, dat het ze mooi vindt en toejuicht. Ik had weleens lust zoo'n heel parterre in 't water te gooien, om te zien wie dat toe juichen gemeend had. Ik, die van waarheid houd, waarschuw ieder dat ik voor 't opvisschen van myn persoon geen zoo hoog bergloon betalen wil. Wie met minder niet tevreden is, mag me laten liggen. Alleen Zondags zou ik iets meer geven, omdat ik dan myn kantilje ketting draag, en een anderen rok. Ja, dat tooneel bederft velen, meer nog dan de romans. Het is zoo aanschouwelyk! Met wat klatergoud en wat kant van uitgeslagen papier, ziet er dat alles zoo aanlokkelyk uit. Voor kinderen, meen ik, en voor menschen die niet in zaken zyn. Zelfs als die tooneelmenschen armoede willen voorstellen, is hun voorstelling altyd leugenachtig. Een meisje wier vader bankroet maakte, werkt om de familie te onderhouden. Heel goed. Daar zit ze dan te naaien, te breien of te borduren. Maar tel nu eens de steken die ze doet gedurende het heele bedryf. Ze praat, ze zucht, ze loopt naar 't venster, maar werken doet ze niet. De familie die van dezen arbeid leven kan, heeft weinig noodig. Zoo'n meisjen is natuurlyk de heldin. Ze heeft eenige verleiders de trappen afgeworpen, ze roept gedurig: "o myne moeder, o, myne moeder!" en stelt dus de deugd voor. Wat is dat voor een deugd, die een vol jaar noodig heeft voor een paar wollen kousen? Geeft dit alles niet valsche denkbeelden van deugd, en "_werken voor den kost?_" Alles gekheid en leugens! Dan komt haar eerste minnaar--die vroeger klerk was aan 't kopieboek, maar nu schatryk--op-eens terug, en trouwt haar. Ook weer leugens. Wie geld heeft, trouwt geen meisjen uit een gefailleerd huis. En als ge meent, dat dit op het tooneel er door kan als uitzondering, blyft toch myn aanmerking bestaan, dat men den zin voor waarheid bederft by het volk, dat de uitzondering als regel aanneemt, en dat men de publieke zedelykheid ondermynt, door het te gewennen iets toetejuichen op het _tooneel_, wat door elk fatsoenlyk makelaar of koopman voor een bespottelyke krankzinnigheid wordt gehouden in de _wereld_. Toen _ik_ trouwde, waren wy op 't kantoor van myn schoonvader--Last & Co--met ons dertienen, en er ging wat om! En nog meer leugens op het tooneel. Als de held met zyn styven komediestap weggaat om 't verdrukte vaderland te redden, waarom gaat dan de dubbele achterdeur altyd vanzelf open? En verder, hoe kan de persoon die in verzen spreekt, voorzien wat de ander te antwoorden heeft, om hem 't rym gemakkelyk te maken? Als de veldheer tot de prinses Zegt: "_mevrouw, het is te laat, de poorten zyn gesloten_" hoe kan hy dan vooruit weten, dat zy zeggen wil: "_welaan dan, onversaagd, men doe het zwaard ontblooten?_" Want als zy nu eens, hoorende dat de poort toe was, antwoordde dat ze dan wat wachten zou tot er geopend werd, of dat zy een andermaal eens terug zou komen, waar bleef dan maat en rym? Is het dus niet een pure leugen, als de veldheer de prinses vragend aanziet, om te weten wat ze doen wil na 't poortsluiten? Nog-eens: als 't mensch nu eens lust had gehad te gaan slapen, in plaats van iets te ontblooten? Alles leugens! En dan die beloonde deugd! O, o, o! Ik ben sedert zeventien jaren makelaar in koffi--Lauriergracht, No 37--en heb dus al zoo-iets bygewoond, maar het stuit my altyd vreeselyk, als ik de goede lieve waarheid zoo zie verdraaien. Beloonde deugd? Is 't niet om van de deugd een handelsartikel te maken? Het _is_ zoo niet in de wereld, en 't is _goed_ dat het niet zoo is. Want waar bleef de verdienste, als de deugd beloond werd? Waartoe dus die infame leugens altyd voorgewend? Daar is by-voorbeeld Lukas, onze pakhuisknecht, die reeds by den vader van Last & Co heeft gewerkt--de firma was toen Last & Meyer, maar de Meyers zyn er lang uit--dat was dan toch wel een deugdzaam man. Geen boon kwam er ooit te-kort, hy ging stipt naar de kerk, en drinken deed hy niet. Als myn schoonvader te Driebergen was, bewaarde hy het huis, en de kas, en alles. Eens heeft hy aan de Bank zeventien gulden te veel ontvangen, en, hy bracht ze terug. Hy is nu oud en jichtig, en kan niet meer dienen. Nu heeft hy niets, want er gaat veel by ons om, en we hebben jong volk noodig. Welnu, ik houd dien Lukas voor zeer deugdzaam, maar wordt hy nu beloond? Komt er een prins die hem diamanten geeft, of een fee die hem boterhammen smeert? Waarachtig niet! Hy is arm, en blyft arm, en dit moet ook zoo wezen. _Ik_ kan hem niet helpen--want we hebben jong volk noodig, omdat er zooveel by ons omgaat--maar al _kon_ ik, waar bleef zyn verdienste, als hy nu op zyn ouden dag een gemakkelyk leven leiden kon? Dan zouden alle pakhuisknechts wel deugdzaam worden, en iedereen, hetgeen Gods bedoeling niet wezen kan, omdat er dan geen byzondere belooning voor de braven overbleef hier-namaals. Maar op een tooneel verdraaien ze dat ... alles leugens! _Ik_ ben ook deugdzaam, maar vraag ik hiervoor belooning? Als myn zaken goed gaan--en dit doen ze--als myn vrouw en kinderen gezond zyn, zoodat ik geen gemaal heb met dokter en apteker ... als ik jaar-in jaar-uit een sommetje kan ter-zy leggen voor den ouden dag ... als Frits knap opgroeit, om later in myn plaats te komen als ik naar Driebergen ga ... zie, dan ben ik heel tevreden. Maar dit alles is een natuurlyk gevolg van de omstandigheden, en omdat ik op de zaken pas. Voor myn deugd eisch ik niets. En dat ik toch deugdzaam ben, blykt uit myn liefde voor de waarheid. Deze is, na myn gehechtheid aan het geloof, myn hoofdneiging. En ik wenschte dat ge hiervan overtuigd waart, lezer, omdat het de verontschuldiging is voor 't schryven van dit boek. Een tweede neiging, die my even sterk als waarheidsliefde beheerscht, is de hartstocht voor myn vak. Ik ben namelyk makelaar in koffi, Lauriergracht No 37. Welnu, lezer, aan myn onkreukbare liefde voor de waarheid, en aan myn yver voor de zaken, hebt gy te danken dat deze bladen geschreven zyn. Ik zal u vertellen hoe dit is toegegaan. Daar ik nu voor 't oogenblik afscheid van u neem--ik moet naar de beurs--noodig ik u straks op een tweede hoofdstuk. Tot weerziens dus! Eilieve, steek het by u ...'t is een kleine moeite ... het kan te-pas komen ... ei zie, daar is het: een adreskaartje! Die Co ben ik, sedert de _Meyers_ er uit zyn ... de oude Last is myn schoonvader. _______________________________ | |§ | LAST & Co | | | | MAKELAARS IN KOFFI | | | | Lauriergracht, No 37 | |_______________________________| TWEEDE HOOFDSTUK Het was slap op de beurs, maar de voorjaarsveiling zal 't wel goed maken. Denk niet dat er niets by ons omgaat. By Busselinck & Waterman is 't nog slapper. Een vreemde wereld! Men woont zoo iets by, als men zoo'n twintig jaren de beurs bezoekt. Verbeeld u dat ze daar getracht hebben--Busselinck & Waterman, meen ik--my Ludwig Stern aftenemen. Daar ik niet weet of gy aan de beurs bekend zyt, wil ik u even zeggen dat Stern een eerst huis is in koffi te Hamburg, dat altyd door Last & Co is bediend geworden. Heel toevallig kwam ik daar achter ... ik meen achter de knoeiery van Busselinck & Waterman. Zy zouden een kwart procent van de courtage laten vallen--onderkruipers zyn het, anders niet!--en zie nu eens wat ik gedaan heb om dien slag afteweren. Een ander in myn plaats had misschien aan Ludwig Stern geschreven dat hy ook wat zou laten vallen, dat hy hoopte op konsideratie om de langdurige diensten van Last & Co ... ik heb uitgerekend dat de firma, sedert ruim vyftig jaren, vier ton aan Stern verdiend heeft. Die konnexie dateert van 't kontinentaal stelsel, toen wy dekoloniale waren insmokkelden van Helgoland. Ja, wie weet wat 'n ander al zoo zou geschreven hebben. Maar neen, onderkruipen doe ik niet. Ik ben naar _Polen_ gegaan[2] liet me pen en papier geven, en schreef: _Dat de groote uitbreiding die onze zaken den laatsten tyd genomen hadden, vooral door de vele geeerde orders uit Noord-Duitschland_ ... 't Is de zuivere waarheid! ..._dat die uitbreiding eenige vermeerdering van ons personeel noodzakelyk maakte_. 't Is de waarheid! Gister-avend nog was de boekhouder na elven op 't kantoor, om zyn bril te zoeken. _Dat vooral zich de behoefte deed gevoelen aan fatsoenlyke, welopgevoede jongelieden, voor de korrespondentie in het duitsch. Dat wel-is-waar veel duitsche jongelingen, in Amsterdam aanwezig, hiertoe de vereischte bekwaamheden bezaten, maar dat een huis dat zich respekteert_ ... 't Is de zuivere waarheid! ..._by de toenemende ligtzinnigheid en onzedelykheid onder de jeugd, by het dagelyks aangroeien van het getal fortuinzoekers, en met het oog op de noodzakeijkheid om soliditeit van gedrag, hand-aan-hand te doen gaan met soliditeit in de uitvoering, van de gegeven orders_ ... 't Is, waarachtig, alles de zuivere waarheid! ..._dat zulk een huis_--ik bedoel Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht No. 37--_niet omzichtig genoeg wezen kon met het engageeren van sujetten_. Dit alles is de zuivere waarheid, lezer! Weet ge wel, dat de jonge Duitscher, die op de beurs by pilaar 17 stond, weggeloopen is met de dochter van Busselinck & Waterman? Onze Marie wordt ook al dertien in September. ..._dat ik de eer had gehad van den heer Saffeler te vernemen_ --Saffeler reist voor Stern--_dat de geachte chef der firma, de heer Ludwig Stern, een zoon had, den heer Ernest Stern, die ter volmaking zyner kommercieele kennis, eenigen tyd in een hollandsch huis wenschte geemploieerd te zyn. Dat ik met het oog op_ ... Hier herhaalde ik weer al die onzedelykheid, en vertelde de geschiedenis der dochter van Busselinck & Waterman. Niet om iemand zwart te maken ... neen, bekladden ligt nu juist heelemaal niet in myn manier! Maar ... het kan nooit kwaad dat ze 't weten, dunkt me. ..._dat ik met het oog daarop, niets liever wenschte dan den heer Ernest Stern belast te zien met de duitsche korrespondentie van ons huis_. Uit kiesheid vermeed ik alle toespeling op honorarium of salaris. Maar ik voegde er by: _Dat, indien de heer Ernest Stern het verblyf ten onzen huize --Lauriergracht No 37--wilde voor lief nemen, myn vrouw zich bereid verklaarde als een moeder voor hem te zorgen, en dat zyn linnengoed in huis zou versteld worden_. Dit is de zuivere waarheid, want Marie stopt en maast heel lief. En ten-slotte: _Dat by ons de Heer gediend werd_.[3] Die kan hy in zyn zak steken, want de Sterns zyn Luthersch. En ik verzond myn brief. Ge begrypt dat de oude Stern niet goedschiks by Busselinck & Waterman kan overgaan, als de jonge by ons aan 't kantoor is. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord. Om nu terug te komen op myn boek. Voor eenigen tyd kom ik 's avends door de Kalverstraat, en bleef staan kyken naar den winkel van een kruienier, die zich bezighield met het sorteeren van een partytje _Java, ordinair, mooi-geel, Cheribonaard, iets gebroken, met veegsel_, dat me zeer interesseerde, want ik let altyd op alles. Daar viel my op-eenmaal een heer in 't oog, die daarnaast voor een boekwinkel stond en me bekend voorkwam. Hy scheen ook my te herkennen, want onze blikken ontmoetten elkander gedurig. Ik moet betuigen dat ik te verdiept was in 't veegsel, om terstond optemerken, wat ik namelyk later zag, dat hy vry kaal in de kleeren stak. Anders had ik de zaak daarby gelaten. Maar op-eens schoot my de gedachte in, dat hy misschien reiziger was van een duitsch huis, die een solieden makelaar zocht. Hy had dan ook wel iets van een Duitscher, en van een reiziger ook. Hy was zeer blond, had blauwe oogen, en in houding en kleeding iets dat den vreemdeling verraadde. In-plaats van een behoorlyken winterjas, hing hem een soort van sjaal over den schouder--Frits zegt "shawl" maar dit doe ik niet--alsof hy zoo van de reis kwam. Ik meende een klant te zien, en gaf hem een adreskaartje: _Last & Co, makelaars in koffi, Lauriergracht No 37_. Hy hield het by de gasvlam, en zeide: "ik dank u, maar ik heb me vergist. Ik dacht het genoegen te hebben een ouden schoolkameraad voor me te zien, maar ... _Last_? Dit is de naam niet." --Pardon, zei ik--want ik ben altyd beleefd--ik ben m'nheer Droogstoppel, Batavus Droogstoppel. _Last en Co_ is de firma, makelaars in koffi, Lauriergr ... --Wel, Droogstoppel, kent ge my niet meer? Zie my eens goed aan. Hoe meer ik hem aanzag, hoe meer ik my herinnerde hem meer gezien te hebben. Maar, zonderling, zyn gelaat deed my de uitwerking alsof ik vreemde parfumerien rook. Lach hier niet om, lezer, straks zult ge zien hoe dit kwam. Ik ben verzekerd dat hy geen drup reukwerk by zich droeg, en toch rook ik iets aangenaams, iets sterks, iets wat me herinnerde aan ... daar had ik het! --Zyt gy het, riep ik, die my van den Griek hebt verlost? --Wel zeker, zeide hy, dat was _ik_. En hoe gaat het _U_? Ik vertelde dat we met ons dertienen op 't kantoor waren, en dat er zooveel by ons omging. En toen vroeg ik hoe het hem ging, wat me later speet, want hy scheen niet in goede omstandigheden te verkeeren, en ik houd niet van arme menschen, omdat er gewoonlyk eigen schuld onder loopt, daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. Had ik eenvoudig gezegd, "we zyn met ons dertienen, en ... goeien avend verder!" dan was ik van hem af geweest. Maar door dat vragen en antwoorden werd het hoe langer hoe moeielyker--Frits zegt: _hoe langs zoo_ moeielyker, maar dit doe ik niet--_hoe_ moeielyker dus, om van hem verlost te worden. Aan den anderen kant moet ik ook weer erkennen dat ge dan dit boek niet hadt te lezen gekregen, want het is een gevolg van die ontmoeting. Ik houd er van, het goede optemerken, en wie dit niet doen, zyn ontevreden menschen die ik niet lyden kan. Ja, ja, hy was het, die my uit de handen van den Griek had verlost! Denk nu niet dat ik ooit door zeeroovers ben genomen geweest, of dat ik twist heb gehad in den Levant. Ik heb u reeds gezegd dat ik na myn trouwen, met myn vrouw naar den Haag ben gegaan. Daar hebben wy het Mauritshuis gezien, en flanel gekocht in de Veenestraat. Dit is het eenige uitstapje dat de zaken my ooit hebben veroorloofd, omdat er zooveel by ons omgaat. Neen, in Amsterdam zelf had hy om-mynentwil een Griek den neus aan 't bloeden geslagen. Want hy bemoeide zich altyd met dingen die hem niet aangingen. Het was in drie of vier en dertig, geloof ik, en in September, want er was kermis te Amsterdam. Daar myn oude lui van voornemen waren een predikant van my te maken, leerde ik latyn. Later heb ik myzelf dikwyls afgevraagd, waarom men latyn moet verstaan, om in 't hollandsch te zeggen: "God is goed?" Genoeg, ik was op de latynsche school--nu zeggen ze _gymnasium_--en daar was kermis ... in Amsterdam, meen ik. Op de Westermarkt stonden kramen, en als ge een Amsterdammer zyt, lezer, en nagenoeg van myn leeftyd, zult ge u herinneren hoe daaronder een was, die uitmuntte door de zwarte oogen en de lange vlechten van een meisje, dat als een Griekin gekleed was. Ook haar vader was een Griek, of althans hy zag er uit als een Griek. Ze verkochten allerlei reukgoed. Ik was juist oud genoeg om het meisje mooi te vinden, zonder evenwel den moed te hebben haar aantespreken. Dit zou my ook weinig gebaat hebben, want meisjes van achttien jaren beschouwen een jongen van zestien, als een kind. En hierin hebben ze groot gelyk. Toch kwamen wy, jongens van _quarta_, altyd 's avends op de Westermarkt om dat meisje te zien. Nu was hy die daar voor me stond met zyn sjaal, eens daarby, schoon hy een paar jaren jonger was dan de anderen, en dus nog te kinderachtig om naar de Griekin te kyken. Maar hy was de _primus_ van onze klasse--want knap was hy, dit moet ik erkennen--en hy hield veel van spelen, stoeien en vechten. Daarom was hy by ons. Terwyl we dus--we waren wel met ons tienen--vry ver van de kraam af, naar die Griekin stonden te kyken, en beraadslaagden hoe wy 't moesten aanleggen om kennis met haar te maken, werd er besloten geld by-een te leggen om iets in die kraam te koopen. Maar toen was de goede raad duur, om te weten wie de stoute schoenen zou aantrekken om het meisjen aantespreken. Ieder wilde, maar niemand durfde. Er werd geloot, en het lot viel op my. Nu erken ik, dat ik niet gaarne gevaren trotseer. Ik ben man en vader, en houd ieder die het gevaar zoekt, voor een gek, wat ook in de Schrift staat. Het is my inderdaad aangenaam optemerken hoe ik my in myn denkbeelden over gevaar en zulke dingen, gelyk ben gebleven, daar ik thans over zoo-iets nog juist dezelfde meening koester, als dien avend toen ik daar by de kraam van den Griek stond, met de twaalf stuivers die we saamgelegd hadden, in de hand. Maar zie, uit valsche schaamte durfde ik niet zeggen dat ik niet durfde, en bovendien, ik moest wel vooruit, want myn makkers drongen me, en weldra stond ik voor de kraam. Het meisje zag ik niet: ik zag niets! Alles werd me groen en geel voor de oogen. Ik stamelde een _aoristus primus_ van ik weet niet welk werkwoord ... --_Plait-il?_ zeide zy. Ik herstelde my eenigszins, en ging voort: --_Meenin aeide thea_, en ... dat Egypte een geschenk van den Nyl was. Ik ben overtuigd dat ik in de kennismaking zou geslaagd zyn, indien niet op dat oogenblik een myner makkers uit kinderachtige baldadigheid my een zoo harden stoot in den rug had gegeven, dat ik heel onzacht tegen de uitstalkast aanvloog, die op halvemanshoogte de voorzy van de kraam afsloot. Ik voelde een greep in myn nek ... een tweeden greep veel lager ... ik zweefde een oogenblik ... en voor ik recht begreep hoe de zaken stonden, was ik in de kraam van den Griek, die in verstaanbaar fransch zei dat ik een _gamin_ was, en dat hy de policie roepen zou. Nu was ik wel dicht by het meisje, maar genoegen deed het me niet. Ik schreide, en bad om genade, want ik zat vreeselyk in angst. Maar het baatte niet. De Griek hield me by den arm, en schopte my. Ik zocht naar myn makkers--we hadden juist dien morgen veel over Scaevola te doen gehad, die zyn hand in 't vuur stak, en in hun latynsche opstellen hadden ze dit zoo heel mooi gevonden--jawel! Niemand was daar gebleven om voor _my_ een hand in 't vuur te steken ... Zoo meende ik. Maar zie, daar vloog op-eens myn Sjaalman door de achterdeur de kraam in. Hy was niet groot of sterk, en pas een jaar of dertien oud, maar hy was een vlug en dapper mannetje. Nog zie 'k zyn oogen flikkeren--anders zagen ze flauw--hy gaf den Griek een vuistslag, en ik was gered. Later heb ik gehoord dat de Griek hem duchtig geslagen heeft, maar omdat ik een vast principe heb, me nooit te bemoeien met dingen die me niet aangaan, ben ik terstond weggeloopen. Ik heb het dus niet gezien. Ziedaar de reden waarom zyn trekken me zoo aan reukwerk herinnerden, en hoe men in Amsterdam twist kan krygen met een Griek. Als op latere kermissen die man weer met zyn kraam op de Westermarkt stond, ging ik my altyd elders vermaken. Daar ik veel van wysgeerige opmerkingen houd, moet ik u toch even zeggen, lezer, hoe wonderbaar de zaken dezer wereld aan elkander hangen. Als de oogen van dat meisje minder zwart waren geweest, als ze korter vlechten had gehad, of als men my niet tegen die winkelkast had aangeworpen, zoudt ge nu dit boek niet lezen. Wees dus dankbaar dat dit zoo gebeurd is. Geloof me, alles in de wereld is goed, zoo als het is, en ontevreden menschen die altyd klagen, zyn myn vrienden niet. Daar hebt ge Busselinck & Waterman ... maar ik moet voortgaan, want myn boek moet af voor de voorjaarsveiling. Ronduit gezegd--want ik houd van de waarheid--was my het weerzien van dien persoon niet aangenaam. Ik bemerkte terstond dat het geen soliede konnexie was. Hy zag zeer bleek, en toen ik hem vroeg hoe laat het was, wist hy 't niet. Dit zyn dingen, waar een mensch op let, die zoo'n twintig jaar de beurs bezocht heeft, en zooveel heeft bygewoond. Ik heb al wat huizen zien vallen! Ik meende dat hy rechts zou gaan, en zei dat ik links moest. Doch zie, hy ging ook links, en ik kon dus niet vermyden in gesprek te treden. Maar ik bedacht gedurig dat hy niet wist hoe laat het was, en bespeurde bovendien dat zyn jasje tot aan de kin was dichtgeknoopt--dat een zeer slecht merk is--zoodat ik den toon van ons onderhoud wat flauw blyven liet. Hy verhaalde my dat hy in Indie was geweest, dat hy getrouwd was, dat hy kinderen had. Ik had daar niets tegen, maar vond er niets belangryks in. By de Kapelsteeg--ik ga anders nooit door die steeg, omdat het voor een fatsoenlyk man niet staat, vind ik--maar ditmaal wilde ik by de Kapelsteeg rechts-af-slaan. Ik wachtte tot wy dat straatje byna voorby waren, om goed te doen blyken dat zyn weg rechtuit leidde, en toen zei ik zeer beleefd ... want beleefd ben ik altyd, men kan nooit weten hoe men later iemand noodig heeft: --Het was me byzonder aangenaam u weer te zien, m'nheer ... _r_ ... _r_! En ... en ... en ... ik rekommandeer me! Ik moet hierin. Toen keek hy me heel gek aan, en zuchtte, en vatte opeens een knoop van myn jas ... --Beste Droogstoppel, zeide hy, ik heb u iets te vragen. Er ging my een rilling door de leden. Hy wist niet hoe laat het was, en wilde my iets vragen! Natuurlyk antwoordde ik dat ik geen tyd had, en naar de beurs moest, schoon het avend was. Maar als men zoo'n twintig jaren de beurs heeft bezocht ... en iemand wil u iets vragen, zonder te weten hoe laat het is ... Ik maakte myn knoop los, groette heel beleefd--want beleefd ben ik altyd --en ging de Kapelsteeg in, wat ik anders nooit doe, omdat het niet fatsoenlyk is, en fatsoen gaat my boven alles. Ik hoop dat niemand het gezien heeft. DERDE HOOFDSTUK Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand geweest was om my te spreken. Naar de beschryving was het de Sjaalman. Hoe hy me gevonden had ... nu ja, 't adreskaartje! Ik dacht er over, myn kinderen van school te nemen, want het is lastig, nog twintig, dertig jaren later te worden nagezeten door een schoolkameraad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de Westermarkt te gaan, als er kramen staan. Den volgenden dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal u den brief laten lezen: _Waarde Droogstoppel!_ Ik vind dat hy wel had kunnen zeggen: _Weledele Heer Droogstoppel_, omdat ik makelaar ben. _Ik ben gisteren ten-uwent geweest met het doel u een verzoek te doen. Ik geloof dat gy in goede omstandigheden verkeert_ ... Dit is waar: we zyn met ons dertienen op 't kantoor. ..._en ik wenschte gebruik te maken van uw krediet, om een zaak tot-stand te brengen, die voor my van groot gewicht is_. Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen was? _Door velerlei omstandigheden ben ik op 't oogenblik eenigszins om geld verlegen_. Eenigszins? Hy had geen hemd aan. Dat noemt hy _eenigszins_! _Ik kan myn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des levens noodig is, en ook de opvoeding myner kinderen is, uit een geldelyk oog, niet zooals ik wenschen zou_. Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hy voor zyn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zyn kinderen op een instituut doen te Geneve? 't Was najaar, en vry koud ... welnu, hy woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik dien brief ontving, wist ik dit niet, maar later ben ik by hem geweest, en thans nog ben ik verstoord over den zotten toon van zyn geschryf. Wat drommel, wie arm is, kan zeggen dat hy arm is! Armen moeten er zyn, dit is noodig in de maatschappy, en 't is Gods wil. Als hy maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb ik er volstrekt niet tegen dat hy arm is, maar die opsiering van de zaak komt niet te-pas. Luister verder: _Daar op my de verplichting rust, in de behoeften der mynen te voorzien, heb ik besloten een talent aantewenden, dat, naar ik geloof, my gegeven is. Ik ben dichter_ ... Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige menschen daarover denken. ... _en schryver. Sedert myn kindsheid drukte ik myn aandoeningen in verzen uit, en ook later schreef ik dagelyks neder wat er omging in myn ziel. Ik geloof dat er onder dat alles eenige opstellen zyn, die waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist het moeielyke. Het publiek kent my niet, en de uitgevers beoordeelen de werken meer naar den gevestigden naam van den schryver, dan naar den inhoud_. Juist zooals wy de koffi naar de renommee van de merken. Wel zeker! Hoe anders? _Als ik dus mag aannemen dat myn werk niet geheel zonder verdienste is, zou dat toch eerst na de uitgave blyken, en de boekhandelaars vragen de betaling van drukloon, enz. vooruit_ ... Daar hebben ze groot gelyk in. ... _wat my op die oogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel overtuigd ben dat myn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daarop myn woord durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting van voorgisteren_.... Dat noemt hy aanmoedigen! ... _tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor my by een boekhandelaar zoudt willen borg-staan voor de kosten eener eerste uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de keus van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat hiernevens gaat, zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien dat ik veel gedacht, gewerkt en bygewoond heb_ ... Ik heb nooit gehoord dat hy zaken deed. ... _en als de gaaf van wel zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is het gewis niet door gebrek aan_ indrukken, _dat ik niet slagen zou_. _In afwachting van een vriendelyk antwoord, noem ik my uw ouden schoolmakker_ ... En zyn naam stond er onder. Maar dien verzwyg ik, omdat ik er niet van houd, iemand in opspraak te brengen. Waarde lezer, ge begrypt hoe gek ik stond te kyken, toen men my daar zoo op-eens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die Sjaalman--zoo zal ik hem maar blyven noemen--als de man me by-dag had gezien, zich met zulk een verzoek niet tot my zou gewend hebben. Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avend, en ik trek het me dus niet aan. Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zyn adres niet, en hy liet niets van zich hooren. Ik dacht dat hy ziek was, of dood, of zoo-iets. De vorige week was er krans by de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits was voor het eerst meegegaan. Hy is zestien jaar, en ik vind het goed dat een jong mensch in de wereld komt. Anders loopt hy naar de Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en gezongen, en by 't dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de voorkamer scheen gebeurd te zyn, terwyl wy achter aan 't _gentsch whisten_ waren, iets waarin Frits betrokken scheen. "Ja, ja, Louise, riep Betsy Rosemeyer, geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan 't schreien gemaakt." Myn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar den krans. Ze dacht dat hy Louise geknepen had, of zoo-iets wat niet te-pas komt, en ook ik maakte my gereed er een hartig woordje bytevoegen, toen Louise riep: --Neen, neen, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hy 't nog-eens deed! Wat dan? Hy had haar niet geknepen, hy had gereciteerd, daar hebt ge 't. Natuurlyk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer--de Rosemeyers laten zich _mevrouw_ noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een schip hebben--mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien had gemaakt, ook ons vermaken zou, en vroeg een dacapo aan Frits, die zoo rood zag als een kalkoen. Ik begreep om de wereld niet, wat hy dan toch opgesneden had, want ik kende zyn repertoire op een haar. Dat was: de _godenbruiloft, de boeken van het Oude-Testament op rym, en een epizode uit de bruiloft van Kamacho_, dat de jongens altyd zoo aardig vinden, omdat er iets van een "brillekiek" in komt. Wat er onder dit alles wezen kon dat tranen uitlokte, was my een raadsel. 't Is waar, zoo'n meisje schreit gauw. "Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!" Zoo ging het, en Frits begon. Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers nieuwsgierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze te-huis het pak van Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een neuswysheid en een sentimentaliteit geput, die me later veel last in huis gehaald hebben. Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlyk verantwoorden, want ik hecht er aan, dat men my beschouwe als iemand die de waarheid lief heeft, en die goed voor zyn zaken is. Onze firma is _Last & Co, Makelaars in koffi, Lauriergracht, No 37_. Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aan-een hing. Neen 't hing niet aan-een. Een jong mensch schreef aan zyn moeder, dat hy verliefd was geweest, en dat zyn meisje met een ander getrouwd was--waarin ze groot gelyk had, vind ik--dat hy echter, in weerwil hiervan, altyd veel van zyn moeder hield. Zyn deze laatste drie regels duidelyk of niet? Vindt ge dat er veel omslag noodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits, die, geloof ik, meende dat hy een groot stuk had uitgevoerd, dat hy 't ding in dat pak had gevonden van den man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heeren uit, hoe dat in myn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat Frits er by was, en ook zeide ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat ik heel goed had gehandeld, me van dien man aftehelpen. Straks zult ge zien dat er ook andere dingen in dat pak waren van meer solieden aard, en daarvan komt een-en-ander in dit boek, omdat de _Koffiveilingen van de Handelmaatschappy_ er mee in verband staan. Want ik leef voor myn vak. Later vroeg my de uitgever of ik hier niet by voegen wilde, wat Frits gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud met zulke dingen.[4] Alles leugens en gekheid! Ik houd myn aanmerkingen terug, anders wordt myn boek te dik. Ik wil hier alleen byzeggen, dat die vertelling zoo omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is, en dat dit een inferieur merk is. De koffi, meen ik. Moeder, 'k ben wel ver van 't land Waar me 't leven werd geschonken, Waar myn eerste tranen blonken, Waar ik opwies aan uw hand... Waar uw moedertrouw der ziel Van den knaap haar zorgen wydde, En hem liefdryk stond ter-zyde, En hem ophief als hy viel... Schynbaar scheurde 't lot de banden Die ons bonden, wreed van-een.. 'k Sta hier wel aan vreemde stranden Met myzelf en God, alleen... Maar toch, moeder, wat me griefde, Wat me vreugd gaf of verdriet, Moeder, twyfel aan de liefde, Aan het hart uws zoons toch niet! 't Is nog nauwlyks twee paar jaren Toen ik 't laatst op gindschen grond Zwygend aan den oever stond Om de toekomst in te staren... Toen ik 't schoone tot my riep Dat ik van de toekomst wachtte, En het heden stout verachtte, En my paradyzen schiep... Toen, door alle stoornis heen Die zich opdeed voor myn schreen, 't Hart zich koen een uitweg baande, En zich droomend zalig waande... Maar die tyd, sints 't laatst vaarwel Hoe gezwind ook ons onttogen, Onbevatbaar bliksemsnel, Als een schim voorbygevlogen... O, hy liet in 't voorwaarts gaan, Diepe, diepe sporen staan! 'k Proefde vreugde en smart met-een, 'k Heb gedacht en 'k heb gestreden, 'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden: 't Is me als vlogen eeuwen heen! 'k Heb naar levensheil gestreefd, 'k Heb gevonden en verloren, En, een kind nog kort te-voren, Jaren in een uur doorleefd! Maar toch, moeder! wil 't gelooven, By den Hemel die my ziet, Moeder! wil het toch gelooven, Neen, uw kind vergat u niet! 'k Minde een meisje. Heel myn leven Scheen my door die liefde schoon. 'k Zag in haar een eerekroon, Als een eindloon van myn streven, My door God ten doel gegeven. Zalig door den reinen schat Die Zyn zorg my toegewogen, Die Zyn gunst geschonken had, Dankte ik met een traan in de oogen. Liefde was met godsdienst een... En 't gemoed dat opgetogen, Dankend opsteeg tot den Hoogen, Dankte en bad voor haar alleen! Zorgen baarde my die liefde, Onrust kwelde my het hart, En ondraaglyk was de smart Die my 't week gemoed doorgriefde. 'k Heb slechts angst en leed gegaard, Waar ik 't hoogst genot verwachtte, En voor 't heil waarnaar ik trachtte, Was me gif en wee bewaard... 'k Vond genot in 't lydend zwygen! 'k Stond standvastig hopend daar, Onspoed deed den prys my stygen: 'k Droeg en leed zoo graag voor haar! 'k Telde ramp noch onspoedsslagen, Vreugde schiep ik in verdriet, Alles, alles wilde ik dragen... Roofde 't lot my haar slechts niet! En dat beeld, _my_ 't schoonste op aarde, Dat ik omdroeg in 't gemoed Als een onwaardeerbaar goed, En zoo trouw in 't hart bewaarde... _Vreemd_ was 't eenmaal aan myn zinnen! En al houdt die liefde stand Tot de laatste snik van 't leven Me in een beter vaderland Eind'lyk haar zal wedergeven... 'k Had _begonnen_ haar te minnen! Wat is min die eens _begon_, By de liefde _met_ het leven 't Kind door God in 't hart gedreven Toen het nog niet staam'len kon? Toen het aan de moederborst, Nauw den moederschoot onttogen, 't Eerste vocht vond voor den dorst, 't Eerste licht in moederoogen? Neen, geen band die vaster bindt, Vaster harten houdt omsloten, Dan de band, door God gesloten Tusschen 't moederhart en 't kind! En een hart, dat zoo zich hechtte Aan het schoon dat even blonk, Dat me niets dan doornen schonk, En geen enkel bloempje vlechtte... Zou datzelfde hart de trouw Van het moederhart vergeten? En de liefde van de vrouw Die myn eerste kinderkreten Opving in 't bezorgd gemoed? Die my, als ik weende, suste, Traantjes van de wangen kuste, Die my voedde met haar bloed? Moeder! wil het niet gelooven, By den hemel die my ziet, Moeder! wil het niet gelooven, Neen, uw kind vergat u niet! 'k Ben hier ver van wat het leven Ginds ons zoets en schoons kan geven En 't genot van de eerste jeugd, Vaak geroemd en hoog geprezen, Kan wel hier myn deel niet wezen: 't Eenzaam harte kent geen vreugd. Steil en doornig zyn myn paden, Onspoed drukt me diep ter-neer, En de last my opgeladen Knelt me, en doet het hart me zeer... Laat het slechts myn tranen tuigen, Als zoo menig moed'loos uur Me in den boezem der Natuur, 't Hoofd zoo treurig neer doet buigen... Vaak, als my de moed ontzonk, Is de zucht me schier ontvloden: "Vader! schenk me by de dooden, "Wat het leven my niet schonk! "Vader! geef me aan gene zyde, "Als de mond des doods my kust, "Vader! geef me aan gene zyde "Wat ik hier niet smaakte... _Rust_!" Maar, bestervend op myn lippen, Steeg de bee niet tot den Heer... 'k Boog wel bei myn knieen neer, 'k Voelde wel een zucht me ontglippen, Maar het was: "_nog niet, o Heer! "Geef my eerst myn moeder weer!_" VIERDE HOOFDSTUK Voor ik verder ga, moet ik u zeggen dat de jonge Stern gekomen is. Het is een aardig ventje. Hy schynt vlug en bekwaam, maar ik geloof dat hy _schwaermt_. Marie is dertien jaar. Zyn uitzet is heel netjes. Ik heb hem aan 't kopyboek gezet, om zich te oefenen in den hollandschen styl. Ik ben benieuwd of er spoedig orders van Ludwig Stern zullen komen. Marie zal een paar pantoffels voor hem borduren ... voor den jongen Stern, meen ik. Busselinck & Waterman hebben achter 't net gevischt. Een fatsoenlyk makelaar onderkruipt niet, dat zeg _ik_! Den dag na dat kransje by de Rosemeyers, die in suiker doen, riep ik Frits, en gelastte hem my dat pak van Sjaalman te brengen. Ge moet weten, lezer, dat ik in myn gezin zeer stipt ben op godsdienst en zedelykheid. Welnu, den vorigen avend, juist toen ik myn eerste peer had geschild, las ik op het gelaat van een der meisjes, dat er iets in dat vers voorkwam, dat niet pluis was. Ikzelf had niet naar 't ding geluisterd, maar ik had bemerkt dat Betsy haar broodje verkruimelde, en dit was my genoeg. Ge zult inzien, lezer, met iemand te doen te hebben, die weet wat er in de wereld omgaat. Ik liet me dus door Frits dat fraaie stuk van den laatsten avend voorleggen, en ik vond heel spoedig den regel die Betsy's broodje verkruimeld had. Er wordt daar gesproken van een kind dat aan de borst van de moeder ligt--dit kan er door--maar: "dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit vond ik niet goed--om daarover te _spreken_, meen ik--en myn vrouw ook niet. Marie is dertien jaar. Van _kool_ of _ooievaars_ wordt by ons aan huis niet gesproken, ook niet van den _Volewyk_, maar zoo de zaken by den naam te noemen, vind ik onbehoorlyk, omdat ik zoo op zedelykheid gesteld ben. Ik deed Frits, die dat ding nu eenmaal "uitwendig wist" zooals Stern dit noemt, beloven dat hy 't nooit weer opzeggen zou --althans niet voor hy lid van _Doctrina_ wezen zal, omdat daar geen jonge meisjes komen--en toen borg ik het in myn lessenaar, het vers meen ik. Maar ik moest weten of er niet meer in dat pak was, dat aanstoot geven kon. Daar ging ik aan 't zoeken en bladeren. Alles lezen kon ik niet, want ik vond er talen in, die ik niet verstond, maar zie, daar viel myn oog op een bundel: "_Verslag over de Koffikultuur in de Residentie Menado_." Myn hart sprong op, omdat ik makelaar in koffi ben--_Lauriergracht, No 37_--en _Menado_ is een goed merk. Dus die Sjaalman, die zulke onzedelyke verzen maakte, had ook in koffi gewerkt. Ik zag nu 't pak met een heel ander oog aan, en vond er stukken in, die ik wel niet alle begreep, maar die werkelyk kennis van zaken aantoonden. Er waren staten, opgaven, berekeningen met cyfers, waaraan geen rym te bekennen was, en alles was met zulk een zorg en nauwkeurigheid bewerkt, dat ik, ronduit gezegd--want ik houd van de waarheid--op het denkbeeld kwam dat die Sjaalman, als de derde klerk eens uitviel--wat gebeuren kan, daar hy oud en stuntelig wordt--heel goed diens plaats zou kunnen innemen. Het spreekt vanzelf dat ik eerst informatien nemen zou naar eerlykheid, geloof en fatsoen, want ik neem niemand op 't kantoor, voor ik daarvan zeker ben. Dit is een vast principe van me. Gy hebt het gezien uit myn brief aan Ludwig Stern. Ik wilde voor Frits niet weten dat ik eenig belang begon te stellen in den inhoud van dat pak, en stuurde hem daarom weg. 't Werd my inderdaad duizelig, toen ik zoo den eenen bundel voor, den anderen na, opnam, en de opschriften las. Het is waar, er waren veel verzen onder, maar ik vond veel nuttigs ook, en ik stond verbaasd over de verscheidenheid der behandelde onderwerpen. Ik erken--want ik houd van de waarheid--dat ik, die altyd in koffi gedaan heb, niet in staat ben de waarde van alles te beoordeelen, maar, ook zonder deze beoordeeling, de lyst der opschriften alleen was reeds kurieus. Daar ik u de geschiedenis van den Griek verteld heb, weet ge reeds dat ik in myn jeugd eenigszins ben gelatinizeerd geworden, en hoezeer ik my in korrespondentie onthoud van alle citaten --wat op een makelaars kantoor ook niet te-pas komen zou--dacht ik echter by het zien van dat alles: _multa, non multum_. Of: _de omnibus aliquid, de toto nihil_. Maar dit was eigenlyk meer uit een soort van wrevel, en uit zekeren aandrang om de geleerdheid die voor my lag, in 't latyn aantespreken, dan wel omdat ik het precies meende. Want, waar ik 't een of ander stuk wat langer inzag, moest ik erkennen dat de schryver me toescheen wel op de hoogte van zyn taak te staan, en zelfs dat hy een groote soliditeit in zyn redeneeringen aan den dag legde. Ik vond daar verhandelingen en opstellen: _Over het_ SANSKRIT, _als moeder van de germaansche taaltakken_. _Over de strafbepalingen op kindermoord_. _Over den oorsprong van den adel_. _Over het verschil tusschen de begrippen_: ONEINDIGE TYD _en_: EEUWIGHEID. _Over de kansrekening_. _Over het boek van_ JOB. (Ik vond nog iets over _Job_, maar dat waren verzen.) _Over proteine in de athmospherische lucht_. _Over de staatkunde van Rusland_. _Over de klinkletters_. _Over cellulaire gevangenissen_. _Over de oude stellingen omtrent het_: HORROR VACUI. _Over de wenschelykheid der afschaffing van strafbepalingen op laster_. _Over de oorzaken van den opstand der Nederlanders tegen Spanje_, NIET _liggende in de begeerte naar godsdienstige of staatkundige vryheid_. _Over het_ PERPETUUM MOBILE, _de cirkelkwadratuur en den wortel van wortellooze getallen_. _Over de zwaarte van het licht_. _Over den achteruitgang der beschaving sedert het ontstaan des Christendoms_. (He?) _Over de yslandsche Mythologie_. _Over den_ EMILE _van_ ROUSSEAU. _Over de Civiele Rechtsvordering, in zaken van koophandel_. _Over_ SIRIUS _als middelpunt van een zonnestelsel_. _Over Inkomende-Rechten als ondoeltreffend, onkiesch, onrechtvaardig, en onzedelyk_. (Daarvan had ik nooit iets gehoord.) _Over verzen als oudste taal_. (Dat geloof ik niet.) _Over witte mieren_. _Over het tegennatuurlyke van School-Inrichtingen_. _Over de prostitutie in het huwelyk_. (Dat is een schandelyk stuk.) _Over hydraulische onderwerpen in verband met de rystkultuur_. _Over het schynbaar overwicht der westersche beschaving_. _Over kadaster, registratie en zegel_. _Over kinderboekjes, fabels en sprookjes_. (Dit wil ik wel eens lezen, omdat hy op waarheid aandringt.) _Over bemiddeling, in den handel_. (Dit bevalt me volstrekt niet. Ik geloof dat hy de makelaars wil afschaffen. Maar ik heb het toch ter-zyde gelegd, omdat er een-en-ander in voorkomt, dat ik gebruiken kan voor myn boek.) _Over successierecht, een der beste belastingen_. _Over de uitvinding der kuisheid_. (Dit begryp ik niet.) _Over vermenigvuldiging_. (Deze titel klinkt heel eenvoudig, maar er staat veel in dit stuk, waaraan ik vroeger niet gedacht had.) _Over zeker soort van geest der Franschen, een gevolg der armoede van hun taal_. (Dit laat ik gelden. Geestigheid en armoede ... hy kan het weten.) _Over het verband tusschen de romans_ van AUGUST LAFONTAINE _en de tering_. (Dit wil ik eens lezen, omdat er van dien _Lafontaine_ boeken op zolder liggen. Maar hy zegt, dat de invloed zich eerst openbaart in het tweede geslacht. Myn grootvader las niet.) _Over de macht der Engelschen buiten Europa_. _Over het Godsgericht in de middeleeuwen, en thans_. _Over de rekenkunde by de Romeinen_. _Over armoede aan poezie by toonzetters_. _Over pietistery, biologie en tafeldans_. _Over besmettelyke ziekten_. _Over den moorschen bouwtrant_. _Over de kracht der vooroordeelen, blijkbaar uit ziekten die door tocht veroorzaakt heeten te zyn_. (Heb ik het niet gezegd, dat de lyst kurieus was?) _Over de duitsche eenheid_. _Over de lengte op zee_. (Ik denk dat op zee alles wel even lang zal wezen als op 't land.) _Over de plichten van de Regeering omtrent publieke vermakelijkheden_. _Over de overeenstemming tusschen de schotsche en friesche talen_. _Over prozodie_. _Over de schoonheid der vrouwen te Nimes en te Arles, met een onderzoek naar het stelsel van kolonisatie der Phoeniciers_. _Over landbouwkontrakten op Java_. _Over het zuigvermogen van een nieuw-modelpomp_. _Over legitimiteit van dynastien_. _Over de volksletterkunde in Javaansche rhapsoden_. _Over de nieuwe wyze van reven_. _Over de perkussie, toegepast op handgranaten_. (Dit stuk dateert van 1847, dus van voor Orsini.) _Over het begrip van eer_. _Over de apokriefe boeken_. _Over de wetten van_ SOLON, LYKURGUS, ZOROASTER _en_ CONFUCIUS. _Over de ouderlyke macht_. _Over_ SHAKESPEARE _als geschiedschryver_. _Over de slaverny in Europa_. (Wat hy hiermee bedoelt, begryp ik niet. Nu, zoo is er meer!) _Over schroefwatermolens_. _Over het souverein recht van gratie_. _Over de chemische bestanddeelen der ceylonsche kaneel_. _Over de tucht op koopvaardyschepen_. _Over de opiumpacht op Java_. _Over de bepalingen omtrent het verkopen van gif_. _Over het doorgraven der landengten van Suez, en de gevolgen daarvan_. _Over de betaling, van landrenten in natura_. _Over de koffikultuur te Menado_. (Dit heb ik al genoemd.) _Over de scheuring van het romeinsche ryk_. _Over de_ GEMUeTHLICHKEIT _der Duitschers_. _Over de skandinavische_ EDDA. _Over den plicht van Frankryk, om in den indischen Archipel zich een tegenwicht tegen Engeland te verschaffen_. (Dit was in 't fransch, ik weet niet waarom?) _Over het azyn maken_. _Over de vereering van_ SCHILLER _en_ GOeTHE _in den duitschen middenstand_. _Over de aanspraken van den mensch op geluk_. _Over het recht van opstand by onderdrukking_. (Dit was in 't javaansch. Ik ben dien titel eerst later te weten gekomen.) _Over ministerieele verantwoordelykheid_. _Over eenige punten in de krimineele rechtsvordering_. _Over het recht van een volk, te eischen dat de opgebrachte belasting ten-zynen-behoeve worde aangewend_. (Dat was weer in 't javaansch.) _Over de dubbele_ A _en de grieksche_ ETA. _Over het bestaan van een onpersoonlyken God in de harten der menschen_. (Een infame leugen!) _Over den styl_. _Over een konstitutie voor het Ryk INSULINDE_. (Ik heb nooit van dat Ryk gehoord.) _Over het gebrek aan ephelkustiek in onze taalregels_. _Over pedanterie_. (Ik geloof dat dit stuk met veel kennis van zaken geschreven is.) _Over de verplichting van Europa aan de Portugezen_. _Over boschgeluiden_. _Over brandbaarheid van water_. (Ik denk dat hy sterk water bedoelt.) _Over de melkzee_. (Ik heb daarvan nooit gehoord. Het schynt iets in de nabyheid van Banda te zyn.) _Over zieners en profeten_. _Over elektriciteit als beweegkracht, zonder week yzer_. _Over ebbe en vloed der beschaving_. _Over epidemisch bederf in staathuishoudingen_. _Over bevoorrechte Handelmaatschappyen_. (Hierin komt een-en-ander voor, dat ik noodig heb voor myn boek.) _Over etymologie als hulpbron by ethnologische studien_. _Over de vogelnestklippen aan de javasche Zuidkust_. _Over de plaats waar de dag aanvangt_. (Dit begryp ik niet.) _Over persoonlyke begrippen als maatstaf der verantwoordelykheid in de zedelyke wereld_. (Bespottelyk! Hy zegt dat ieder zyn eigen rechter moet wezen. Waar zou dat heen?) _Over galanterie_. _Over den versbouw der Hebreen_. _Over de_ CENTURY OF INVENTIONS _van den Markies van Worcester_. _Over de niet-etende bevolking van het eiland Rotti by Timor_. (Het moet daar goedkoop leven zyn.) _Over het menschen-eten der Battah's, en het koppensnellen der Alfoeren_. _Over het wantrouwen op de publieke zedelykheid_. (Hy wil, geloof ik, de slotenmakers afschaffen. Ik ben er tegen.) _Over_ "het recht" _en de_ "rechten." _Over_ BERANGER _als wysgeer_. (Dit begryp ik weer niet) _Over den afkeer der Maleiers van den Javaan_. _Over de onwaarde van het onderwys op de zoogenaamde hoogescholen_. _Over den liefdeloozen geest onzer voorouders, blykbaar uit hun begrippen omtrent God_. (Alweer een goddeloos stuk!) _Over den samenhang der zintuigen_. ('t Is waar, toen ik hem zag, rook ik rozenolie.) _Over den puntwortel van den koffiboom_. (Dit heb ik ter-zy gelegd voor myn boek.) _Over gevoel, gevoeligheid_, SENSIBLERIE, EMPFINDELEI, _enz_. _Over het verwarren van Mythologie en Godsdienst_. _Over de saguweer in de Molukken_. _Over de toekomst van den nederlandschen handel_. (Dit is eigenlyk 't stuk dat me bewogen heeft, myn boek te schryven. Hy zegt dat er niet altyd zulke groote koffiveilingen zullen gehouden worden, en ik leef voor myn vak.) _Over Genesis_. (Een infaam stuk!) _Over de geheime genootschappen der Chinezen_. _Over het teekenen als natuurlyk schrift_. (Hy zegt dat een pasgeboren kind teekenen kan!) _Over waarheid in poezie_. (Wel zeker!) _Over de impopulariteit der ryst pelmolens op Java_. _Over het verband tusschen Poezie en mathematische wetenschappen_. _Over de Wajangs der Chinezen_. _Over den prys van de Java-koffi_. (Dit heb ik ter-zy gelegd.) _Over een europeesch muntstelsel_. _Over besproejing van gemeene velden_. _Over den invloed van de vermenging, van rassen op den geest_. _Over evenwicht in den handel_. (Hy spreekt daarin van wisselagio. Ik heb het ter-zy gelegd voor myn boek.) _Over het standhouden van aziatische gewoonten_ (Hy beweert dat _Jezus_ een tulband droeg.) _Over de denkbeelden van_ MALTHUS _omtrent het cyfer der bevolking, in verband met de onderhoudsmiddelen_. _Over de oorspronkelyke bevolking van Amerika_. _Over de havenhoofden te Batavia, Samarang en Soerabaja_. _Over bouwkunde, als uitdrukking van denkbeelden_. _Over de verhouding der europesche ambtenaren tot de Regenten op Java_. (Hiervan komt een-en-ander in myn boek.) _Over het wonen in kelders, te Amsterdam_. _Over de kracht der dwaling_. _Over de werkeloosheid van een Opperwezen, by volmaakte natuurwetten_. _Over het zoutmonopolie op Java_. _Over de wormen in den sagopalm_. (Die worden, zegt hy, gegeten ... bah!) _Over de Spreuken, den Prediker, het Hooglied, en de_ PANTOENS _der Javanen_. _Over het_ JUS PRIMI OCCUPANTIS. _Over de armoede der schilderkunst_. _Over de onzedelykheid van het hengelen_. (Wie heeft ooit daarvan gehoord?) _Over de misdaden der Europeers buiten Europa_. _Over de wapenen der zwakkere diersoorten_. _Over het_ JUS TALIONIS. (Alweer een infaam stuk! Daarin kwam een gedicht voor, dat ik zeker allerschandelykst zou gevonden hebben, als ik 't uitgelezen had.)[5] En dit was nog niet alles! Ik vond, om van de verzen niet te spreken--er waren er in velerlei talen--een aantal bundeltjes waaraan het opschrift ontbrak, romancen in het maleisch[6] krygszangen in het javaansch, en wat niet al! Ook vond ik brieven, waarvan velen in talen die ik niet verstond. Sommigen waren aan hem geschreven, of liever het waren slechts afschriften, doch hy scheen daarmee zeker plan te hebben, want alles was door andere personen geteekend voor: _gelykluidend met het oorspronkelyke_. [7] Dan vond ik nog uittreksels uit dagboeken, aanteekeningen en losse gedachten ... sommigen werkelyk heel los. Ik had, zooals ik reeds zeide, eenige stukken ter-zy gelegd, omdat ze my toeschenen in myn vak te-pas te komen, en voor myn vak leef ik. Maar ik moet erkennen dat ik met de rest verlegen was. Hem het pak terugzenden, kon ik niet, want ik wist niet waar hy woonde. Het was nu eenmaal open. Ik kon niet loochenen dat ik 't had ingezien, en dit zou ik ook niet gedaan hebben, omdat ik zoo van de waarheid houd. Ook gelukte 't me niet het weer zoo te sluiten dat er van 't openen niets blyken kon. Bovendien mag ik niet ontveinzen dat eenige stukken die over koffi handelden, my belang inboezemden, en dat ik gaarne daarvan gebruik maken zou. Ik las dagelyks hier-en-daar eenige bladzyden, en ik kwam hoe langer hoe meer--Frits zegt: "_hoe langs zoo meer_" maar dit doe ik niet--_hoe_ meer, zeg ik, tot de overtuiging dat men makelaar in koffi moet wezen, om zoo juist te weten te komen wat er in de wereld omgaat. Ik ben overtuigd dat de Rosemeyers, die in suiker doen, nooit zoo-iets onder de oogen hebben gehad. Nu vreesde ik dat die Sjaalman op-eens weer voor me zou staan, en dat hy me weer iets te zeggen hebben zou. Het begon me nu te spyten dat ik dien avend de Kapelsteeg was ingegaan, en ik zag in, dat men nooit den fatsoenlyken weg verlaten moet. Natuurlyk had hy my om geld gevraagd, en van zyn pak gesproken. Ik had hem misschien iets gegeven, en als hy my dan den volgenden dag die massa schryvery had toegezonden, ware het myn wettig eigendom geweest.[8] Ik zou dan de tarwe hebben kunnen scheiden van het kaf, ik had er de nummers uitgehouden, die ik noodig had voor myn boek, en de rest verbrand, of in de papiermand geworpen, hetgeen ik nu niet doen kon. Want als hy terugkwam, zou ik het moeten leveren, en hy, ziende dat ik belang stelde in een paar stukken van zyn hand, zou zeker te veel daarvoor vorderen. Niets geeft den verkooper meer overwicht, dan de ontdekking dat de kooper om zyn waar verlegen is. Zulk een pozitie wordt dan ook door een koopman die zyn vak verstaat, zooveel mogelyk vermeden. Een ander denkbeeld--ik sprak er reeds van--dat bewyzen moge hoe ontvankelyk het bezoeken van de beurs iemand laten kan voor menschlievende indrukken, was dit. Bastiaans--dit is de derde bediende die zoo oud en stuntelig wordt--was den laatsten tyd, van de dertig dagen zeker geen vyf-en-twintig binnen geweest, en als hy aan 't kantoor komt, doet hy nog dikwyls zyn werk slecht. Als eerlyk man ben ik tegenover de firma--_Last & Co_, sedert de Meyers er uit zyn--verplicht te zorgen dat ieder zyn werk doe, en ik mag niet uit verkeerd begrepen medelyden of overgevoeligheid, het geld van de firma wegwerpen. Zoo is myn principe. Ik geef liever dien Bastiaans uit myn eigen zak een driegulden, dan dat ik voortga hem de zevenhonderd gulden 's jaars uittebetalen die hy niet meer verdient. Ik heb uitgerekend dat die man sedert vier-en-dertig jaren, aan inkomen--zoo van _Last & Co_, als vroeger van _Last & Meyer_, maar de Meyers zyn er uit--de som van byna vyftien duizend gulden genoten heeft, en dit is voor een burgerman een aardig sommetje. Er zyn er weinig in dien stand, die zooveel bezitten. Recht tot klagen heeft hy dus niet. Ik ben op deze berekening gekomen door dat stuk van Sjaalman over de multiplikatie. Die Sjaalman schryft een goede hand, dacht ik. Bovendien, hy zag er armoedig uit, en wist niet hoe laat het was ... hoe zou 't wezen, dacht ik, als ik hem de plaats van Bastiaans gaf? Ik zou hem in dat geval zeggen dat hy my "m'nheer" moest noemen, maar dit zou hyzelf wel begrypen, want een bediende kan toch zyn patroon niet by den naam aanspreken, en hy ware misschien voor zyn leven geholpen. Hy zou kunnen beginnen met vier- of vyfhonderd gulden--onze Bastiaans heeft ook lang gewerkt voor hy tot zevenhonderd opklom--en ik had een goede daad gedaan. Ja, met driehonderd gulden zou hy wel kunnen beginnen, want daar hy nooit in zaken geweest is, zou hy de eerste jaren als leertyd kunnen beschouwen, wat dan ook billyk is, want hy kan zich niet gelyk-stellen met menschen die veel gewerkt hebben. Ik ben zeker dat hy met tweehonderd gulden tevreden zou zyn. Maar ik was niet gerust over zyn gedrag ... hy had een sjaal om. En bovendien, ik wist niet waar hy woonde. Een paar dagen daarna, waren de jonge Stern en Frits te zamen op een boekverkooping geweest in _het Wapen van Bern_.[9] Ik had Frits verboden iets te koopen, maar Stern, die ruim zakgeld heeft, kwam met eenige prullen t'huis. Dit is zyn zaak. Doch zie, daar vertelde Frits dat hy Sjaalman gezien had, die by de verkooping geemploieerd scheen. Hy had de boeken uit de kasten genomen, en die op de lange tafel voortgeschoven naar den afslager. Frits zei dat hy zeer bleek zag, en dat een heer die daar het opzicht scheen te hebben, hem bekeven had, omdat hy een paar jaargangen van de _Aglaia_ had laten vallen, wat ik dan ook zeer onhandig vind, want dit is een allerliefste verzameling van dames handwerken. Marie heeft het samen met de Rosemeyers, die in suiker doen. Ze knoopt er uit ... uit de _Aglaia_ meen ik. Maar onder dat kyven had Frits gehoord dat hy vyftien stuivers daags verdiende. "Denk je dat ik van plan ben vyftien stuivers daags aan jou weg te gooien?" had die heer gezegd. Ik rekende uit, dat vyftien stuivers daags--ik denk dat de zon-en feestdagen niet meetellen, anders had hy een maand of jaargeld genoemd--tweehonderd vyf-en-twintig gulden 's jaars uitmaken. Ik ben snel in myn besluiten--als men zoo lang in zaken is, weet men altyd terstond wat men te doen heeft--en den volgenden morgen vroeg was ik by Gaafzuiger. Zoo heet de boekhandelaar die de verkooping gehouden had. Ik vroeg naar den man die de _Aglaia_ had laten vallen. --Die heeft zyn conge, zei Gaafzuiger. Hy was lui, pedant en ziekelyk. Ik kocht een doosjen ouwels, en besloot terstond het met onzen Bastiaans nog wat aantezien. Ik kon er niet toe besluiten, een oud man zoo op-straat te zetten. Streng, maar, waar het wezen kan, zachtmoedig, is altyd myn principe geweest. Ik verzuim echter nooit, iets te vernemen wat te-pas kan komen in de zaken, en daarom vroeg ik aan Gaafzuiger waar die Sjaalman woonde? Hy gaf my 't adres, en ik schreef het op. Ik peinsde gedurig over myn boek, maar daar ik van waarheid houd, moet ik ronduit zeggen dat ik niet wist, hoe ik 't daarmee zou aanleggen. Een ding staat vast: de bouwstoffen die ik in Sjaalman's pak gevonden had, waren belangryk voor de makelaars in koffi. De vraag was maar, hoe ik handelen moest om die bouwstoffen behoorlyk te schiften en by-een te brengen. Ieder makelaar weet van hoeveel gewicht een goede sorteering der kavelingen is. Maar ... schryven--buiten de korrespondentie met de principalen--ligt zoo niet in myn kring, en toch voelde ik dat ik schryven moest, omdat misschien de toekomst van 't vak er van afhangt. De inlichtingen die ik in de bundels van Sjaalman vond, zyn niet van dien aard, dat _Last & Co_ het nut daarvan voor zich alleen kunnen houden. Als dit zoo ware, begrypt ieder dat ik niet de moeite zou nemen een boek te laten drukken dat Busselinck & Waterman ook te lezen krygen, want wie een konkurrent op den weg helpt, is een gek. Dit is een vast principe van me. Neen, ik zag in dat er een gevaar dreigt, dat de heele koffimarkt bederven zou, een gevaar dat alleen door de vereende krachten van alle makelaars kan worden afgeweerd, en zelfs is 't mogelyk dat deze krachten daartoe niet eens voldoende zyn, en dat ook de suikerraffinadeurs--Frits zegt: _raffineurs_, maar ik schryf _nadeurs_. Dit doen de Rosemeyers ook, en die _doen_ in suiker. Ik weet wel dat men zegt: _geraffineerde_ schelm, en niet: _geraffinadeerde_ schelm, maar dit is omdat ieder die met schelmen te doen heeft, zich zoo kort mogelyk van de zaak afhelpt--dat ook de raffinadeurs dan, en de handelaren in indigo er by noodig zullen wezen. Als ik zoo al schryvende nadenk, komt het me voor, dat zelfs de scheepsreederyen er eenigszins in betrokken zyn, en de koopvaardyvloot ... zeker, dit is waar! En de zeilenmakers ook, en de minister van finantien, en de armbesturen, en de andere ministers, en de pasteibakkers, en de galanteriekramers, en de vrouwen, en de scheepsbouwmeesters, en de groothandelaars, en die in 't klein verkoopen, en de huisbewaarders, en de tuinlui. En--zonderling toch, hoe de gedachten onder 't schryven in iemand opkomen --myn boek gaat ook de molenaars aan, en de dominees, en hen die Holloway- pillen verkoopen, en de likeurstokers, en de pannenbakkers, en de menschen die van staatsschuld leven, en de pompenmakers, en de touwslagers, en de wevers, en de slachters, en de klerken op een makelaarskantoor, en de aandeelhouders van de Nederlandsche Handelmaatschappy, en eigenlyk, wel beschouwd, alle anderen ook. En den koning ook ... ja, den Koning vooral! Myn boek _moet_ de wereld in. Hiertegen is niets te doen! Laat dan Busselinck & Waterman het ook te lezen krygen ... afgunst is myn zaak niet. Maar knoeiers en onderkruipers zyn ze, dit zeg _ik_! Ik heb 't vandaag nog aan den jongen Stern gezegd, toen ik hem in _Artis_ introduceerde. Hy mag 't gerust schryven aan zyn vader. Zoo zat ik dan voor een paar dagen nog vreeselyk in den brand met myn boek, en zie, Frits heeft my op den weg geholpen. Ik heb dit hemzelf niet gezegd, omdat ik niet goed vind, iemand te laten merken dat men verplichting aan hem heeft--dit is een principe van me--maar waar is het. Hy zei dat Stern zoo'n knappe jongen was, dat hy zulke snelle vorderingen in de taal maakte, en dat hy duitsche verzen van Sjaalman in 't hollandsch vertaald had. Ge ziet, de verkeerde wereld was in myn huis: de _Hollander_ had in 't duitsch geschreven, en de _Duitscher_ vertaalde in 't hollandsch. Als ieder zich by zyn eigen taal had gehouden, zou er moeite gespaard zyn. Maar, dacht ik, als ik myn boek door dien Stern schryven liet? Als ik er wat by te voegen heb, schryf ikzelf van-tyd tot-tyd een hoofdstuk. Frits kan ook helpen. Hy heeft een lystje van woorden die met twee _e_'s geschreven worden, en Marie kan alles in 't net schryven. Dit is met-een voor den lezer een waarborg tegen alle onzedelykheid. Want dit begrypt ge toch, dat een fatsoenlyk makelaar aan zyn dochter niets in handen geven zal, wat niet strookt met zeden en fatsoen. Ik heb toen de beide jongens over myn plan gesproken, en ze vonden het goed. Alleen scheen Stern, die een tint van letterkunde over zich heeft--zooals veel Duitschers--stem te willen hebben in de wyze van uitvoering. Dit beviel me nu wel niet zeer, maar omdat de voorjaarsveiling op-hand is, en ik van Ludwig Stern nog geen orders heb, wilde ik hem niet te sterk kontrarieeren. Hy zei dat: "als de borst hem gloeide van gevoel voor het ware en schoone, geen macht ter-wereld hem beletten kon de tonen aanteslaan, die met zulk een gevoel overeenstemmen, en dat hy veel liever zweeg, dan zyn woorden omklemd te zien door de onteerende kluisters der alledaagsheid."--Frits zegt: _scheid_, maar dit doe ik niet. 't Woord is lang genoeg zoo.--Ik vond dit nu wel heel gek van Stern, maar myn vak gaat me voor alles, en de Oude is een goed huis. We stelden dus vast: 1e Dat hy alle weken een paar hoofdstukken zou leveren voor myn boek. 2e Dat ik in zyn geschryf niets zou veranderen. 3e Dat Frits de taalfouten verbeteren zou. 4e Dat ik nu-en-dan een hoofdstuk schryven zou, om aan 't boek een soliede voorkomen te geven. 5e Dat de titel zou wezen: _de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy_. 6e Dat Marie het net afschrift zou maken voor den druk, maar dat men geduld met haar hebben zou, als de wasch kwam. 7e Dat de afgewerkte hoofdstukken elke week op den krans zouden worden voorgelezen. 8e Dat alle onzedelykheid zou worden vermeden. 9e Dat myn naam niet op den titel zou staan, omdat ik makelaar ben. 10e Dat Stern een _duitsche_, een _fransche_, en een _engelsche_ vertaling van myn boek zou mogen uitgeven, omdat--zoo beweerde hy--zulke werken beter in 't buitenland worden begrepen dan by ons. 11e (_Hierop drong, Stern zeer sterk aan_) Dat ik Sjaalman een riem papier, een gros pennen, en een kruikjen inkt zenden zou. Ik nam met alles genoegen, want er was groote haast by myn boek. Stern had den volgenden dag zyn eerste hoofdstuk gereed, en ziedaar, lezer, de vraag beantwoord, hoe 't komt dat een makelaar in koffi--_Last & Co, Lauriergracht No 37_--een boek schryft, dat op een roman gelykt. Nauwelyks echter was Stern aan zyn werk begonnen, of hy stuitte op moeielykheden. Buiten de zwarigheid om uit zooveel bouwstoffen het noodige uittezoeken en te rangschikken, kwamen er gedurig in de handschriften woorden en uitdrukkingen voor, die hy niet begreep, en die ook mij vreemd waren. Het was meestal javaansch of maleisch. Ook waren hier-en-daar verkortingen aangebracht, die moeielyk te ontcyferen waren. Ik zag in, dat we Sjaalman noodig hadden, en daar ik het voor een jong mensch niet goed vind, dat hy verkeerde konnexien aanknoopt, wilde ik noch Stern noch Frits daarheen zenden. Ik nam suikergoed mee, dat overgebleven was van den laatsten krans-avend--want ik denk altyd aan alles--en ik zocht hem op. Schitterend was zyn verblyf niet, maar de gelykheid voor alle menschen, dus ook wat hun woningen aangaat, is een hersenschim. Hyzelf had dit gezegd in zyn verhandeling over de aanspraken op geluk. Bovendien, ik houd niet van menschen die altyd ontevreden zyn. Het was in de Lange-leidsche-dwarsstraat, op een achterkamer. In 't onderhuis woonde een uitdrager die allerlei dingen verkocht, kopjes, schotels, meubels, oude boeken, glaswerk, portretten van Van Speyk, en zoo al meer. Ik was zeer bang iets te breken, want in zoo'n geval vorderen de menschen altyd meer geld voor de zaken, dan ze waard zyn. Een klein meisje zat op de stoep, en kleedde haar pop aan. Ik vroeg of m'nheer Sjaalman daar woonde? Ze liep weg, en de moeder kwam. --Ja, die woont hier, meneer. Gaat uwee maar de trap op, na 'et eerste pertaal, en dan de trap na 'et tweede pertaal, en dan nog 'en trap, en dan is uwee-d-er, want uwe komt er vanzelf. Myntje, ga 'es eefe segge datter 'en heer is. Wie kanse segge, dat er is, meneer? Ik zei dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, van de Lauriergracht, maar dat ik mezelf wel zou aandienen. Ik klom zoo hoog als gezegd was, en hoorde in het derde portaal een kinderstem zingen: _strakjes komt vader, die zoete papa_. Ik klopte, en de deur werd geopend door een vrouw of dame--ik weet zelf niet recht wat ik van haar maken moest. Ze zag zeer bleek. Haar trekken droegen sporen van vermoeidheid, en deden me denken aan myn vrouw als de wasch beredderd is. Ze was gekleed in een wit lang hemd, of jak zonder schoot, dat haar tot de knieen hing, en aan de voorzyde met een zwart speldje was vastgemaakt. In plaats van een behoorlyke japon of rok, droeg ze daaronder een stuk donker gebloemd lynwaad, dat eenige malen om het lyf gewikkeld scheen, en hare heupen en knieen vry nauw omsloot. Er was geen spoor van plooien, wydte of omvang, zooals dit by een vrouw toch behoort. Ik was bly dat ik Frits niet gezonden had, want haar kleeding kwam me zeer onkiesch voor, en het vreemde daarvan werd nog verhoogd door de losheid waarmee ze zich bewoog, als vond ze zich heel goed zoo. Het mensch scheen volstrekt niet te weten dat ze er niet uitzag als andere vrouwen. Ook kwam het me voor, dat ze volstrekt niet verlegen was over myn komst. Ze verborg niets onder de tafel, verschoof de stoelen niet, en deed niets van wat toch het gebruik is, als er een vreemdeling komt van een deftig voorkomen. Ze had, als een Chinesche, de haren achterover gekamd, en die achter het hoofd in een soort van strik of knoop saamgebonden. Later heb ik vernomen dat haar kleeding een soort van _indische dracht_ is, die ze daar-te-lande _sarong_ en _kabaai_ noemen, maar ik vond het heel leelyk. --Is u juffrouw Sjaalman? vroeg ik. --Wien heb ik de eer te spreken? zeide zy, en wel op een toon waarin iets lag, alsof ook ik wat _eer_ had moeten brengen in myn vraag. Nu, van komplimenten houd ik niet. Met een principaal is dit wat anders, en ik ben te lang by de zaken, om myn wereld niet te kennen. Maar om daar veel omslag te verkoopen op een derde verdieping, vond ik niet noodig. Ik zei dus kort-af, dat ik m'nheer Droogstoppel was, makelaar in koffi, _Lauriergracht, No 37_, en dat ik haar man spreken wilde. Wel ja, waarom zou ik omslag maken? Ze wees my een matten stoeltjen aan, en nam een klein meisje op den schoot, dat op den grond zat te spelen. De kleine jongen dien ik had hooren zingen, zag me strak aan, en bekeek me van 't hoofd tot de voeten. Die scheen ook volstrekt niet verlegen! Het was een knaapje van een jaar of zes, ook al vreemd gekleed. Zyn wyd broekje reikte ter-nauwernood tot de helft van de dy, en de beentjes waren bloot van daar tot aan den enkel. Heel indecent, vind ik. "Kom je om papa te spreken?" vroeg hy op-eens, en ik begreep terstond dat de opvoeding van dat knaapje veel te wenschen overliet, anders had hy: "komt u" gezegd. Maar omdat ik met myn houding verlegen was, en wel wat praten wilde, antwoordde ik: --Ja, kereltje, ik kom om je papa te spreken. Zou hy spoedig komen, denk je? --Dat weet ik niet. Hy is uit, en zoekt geld om een verfdoos voor me te koopen. (Frits zegt: _verwdoos_, maar dit doe ik niet. _Verf_ is _verf_, en geen _verw_.) --Stil, myn jongen, zei de vrouw. Speel wat met je prenten of met de chinesche speeldoos. --Je weet immers dat die m'nheer gister alles heeft meegenomen. Ook zyn moeder noemde hy: _je_, en er scheen een "heer" geweest te zijn, die alles "meegenomen had" ... een vroolyk bezoek! De vrouw scheen ook niet opgeruimd, want ter-sluik wischte zy haar oog af, terwyl zy 't kleine meisje by haar broertje bracht. "Daar, zeide zy, speel wat met Nonni." Een rare naam. En dit deed hy. --Wel juffrouw, vroeg ik, verwacht u spoedig uw man? --Ik kan 't niet bepalen, antwoordde zy. Daar liet op-eens de kleine jongen, die met zyn zusje _schuitjevaren_ gespeeld had, deze in den steek, en vroeg my: --M'nheer, waarom zeg je tegen mama: _juffrouw_? --Hoe dan, kereltje, zei ik, wat moet ik dan zeggen? --Wel ... zooals andere menschen! De _juffrouw_ is beneden. Ze verkoopt schotels en priktollen. Nu ben ik makelaar in koffi--_Last & Co, Lauriergracht, No 37_--we zyn met ons dertienen op 't kantoor, en als ik Stern meereken, die geen salaris ontvangt, zyn er veertien. Welnu, _myn_ vrouw is: _juffrouw_, en moest ik nu tegen dat mensch: _mevrouw_ zeggen? Dit ging toch niet! Ieder moet in zyn stand blyven, en wat meer is, gister hadden de deurwaarders den boel weggehaald. Ik vond myn: _juffrouw_ dus wel, en bleef er by. Ik vroeg waarom Sjaalman zich niet by my had aangemeld om zyn pak terug te halen? Ze scheen er van te weten, en zei, dat zy op-reis waren geweest, en wel naar Brussel. Dat hy daar voor de _Independance_ gewerkt had, maar dat hy er niet had kunnen blyven, omdat zyn artikels oorzaak waren dat het blad aan de fransche grenzen zoo dikwyls werd afgewezen. Dat ze sedert eenige dagen in Amsterdam teruggekeerd waren, omdat Sjaalman hier een betrekking zou krygen ... --Zeker by Gaafzuiger? vroeg ik. Ja, dat was het! Maar dit was tegengeloopen, zeide zy. Nu, hiervan wist ik meer dan zyzelf. Hy had de _Aglaia_ laten vallen, en was lui, pedant en ziekelyk ... precies, daarom was hy weggejaagd. --En, ging ze voort, dat hy zeker dezer dagen by my komen zou, en misschien wel juist naar my toe was, om antwoord te vragen op 't verzoek dat hy my gedaan had. Ik zei dat Sjaalman maar eens komen zou, maar dat hy niet moest schellen, want dit is zoo lastig voor de meid. Als hy wat wachtte, zei ik, zou de deur wel eens opengaan, als er iemand uit moest. En toen ging ik heen, en nam myn bruidsuikers weer mee, want, ronduit gezegd, het beviel me daar niet. Ik voelde me niet op myn gemak. Een makelaar is toch geen kruier, dunkt me, en ik beweer dat ik er fatsoenlyk uitzie. Ik had mijn jas met bont aan, en toch zat ze daar zoo eenvoudig, en praatte zoo kalm met haar kinderen, alsof ze alleen was. Bovendien ze scheen geschreid te hebben, en ontevreden menschen kan ik niet verdragen. Ook was 't er koud en ongezellig --zeker omdat de boel weggehaald was--en ik houd veel van gezelligheid in een kamer. Onder het naar-huis gaan besloot ik het met Bastiaans nog eens aantezien, omdat ik niet gaarne iemand op-straat zet. Nu volgt de eerste week van Stern. Het spreekt vanzelf dat er veel in voorkomt, dat my niet bevalt. Maar ik moet me houden aan artikel _twee_, en de Rosemeyers hebben 't goed gevonden. Ik geloof, dat ze Stern in de hoogte steken, omdat hy een oom heeft te Hamburg die in suiker doet. Sjaalman was er inderdaad geweest. Hy had Stern gesproken, en aan dezen eenige woorden en zaken uitgelegd, die hy niet begreep. Die Stern niet begreep, meen ik. Ik verzoek nu den lezer de volgende hoofdstukken doortebyten, dan beloof ik naderhand weer iets van meer solieden aard, van _my_, Batavus Droogstoppel, makelaar in koffi: _Last & Co, Lauriergracht, No 37_. VYFDE HOOFDSTUK Er was des morgens te tien ure een ongewone beweging op den grooten weg die de afdeeling _Pandeglang_ verbindt met _Lebak_[10] "Groote weg" is misschien wat veel gezegd voor 't breed voetpad dat men, uit beleefdheid en by-gebrek aan beter, de "weg" noemde. Maar als men met een vierspannig rytuig vertrok van _Serang_, de hoofdplaats der residentie _Bantam_, met het voornemen zich te begeven naar _Rangkas-Betoeng_, de nieuwe hoofdplaats van 't _Lebaksche_, kon men nagenoeg zeker zyn, te-eeniger-tyd daar aantekomen. 't Was dus een weg. Wel bleef men gedurig steken in den modder, die in de _Bantamsche_ laaglanden zwaar, kleierig en klevend is, wel was men telkens genoodzaakt de hulp interoepen van de bewoners der naastby gelegen dorpen--ook al waren ze niet zeer naby, want de dorpen zyn niet menigvuldig in die streken--maar als men er dan eindelyk in geslaagd was, een twintigtal landbouwers uit den omtrek by-een te krygen, duurde het gewoonlyk niet zeer lang, voor men paard en wagen weder op vasten grond had gebracht. De koetsier klapte met de zweep, de loopers--in Europa zou men, geloof ik, zeggen "palfreniers" of liever, er bestaat in Europa niets wat met deze loopers overeenkomt--die onvergelykbare loopers dan, met hun korte dikke zweepjes, huppelden weer aan de zyde van het vierspan, kreschen onbeschryfelyke geluiden, en sloegen de paarden ter-aanmoediging onder den buik. Zoo hoste men dan eenigen tyd voort, tot het verdrietig oogenblik weer daar was, dat men tot over de assen wegzonk in den modder. Dan begon het geroep om hulp op-nieuw. Men wachtte geduldig tot die hulp kwam, en ... sukkelde verder. Dikwyls, als ik dien weg langs ging, was 't my als zou ik hier of daar een wagen vinden met reizigers uit de vorige eeuw, die in den modder gezakt, en vergeten waren. Maar dit is me nooit voorgekomen. Ik veronderstel dus dat allen die ooit dezen weg langs kwamen, eindelyk zyn aangeland waar ze wezen wilden. Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van den geheelen grooten weg op Java, een denkbeeld vormde naar den maatstaf van dien weg in 't _Lebaksche_. De eigenlyke heirbaan met zyn vele zytakken, die de maarschalk Daendels met groote opoffering van volk deed aanleggen[11] is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de geestkracht van den man die, ondanks alle bezwaren welke zyn benyders en tegenstanders in 't moederland hem in den weg legden, den onwil der bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trotsen, om iets tot-stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iederen bezoeker opwekt en verdient. Geen paardenpostery dan ook in Europa--zelfs niet in Engeland, Rusland of Hongarye--kan met die op Java worden gelyk gesteld. Over hooge bergruggen, langs diepten die u doen yzen, vliegt de zwaar bepakte reiswagen in een galop voort. De koetsier zit als op den bok genageld, uren, ja, gansche dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met yzeren arm. Hy weet juist te berekenen waar en hoeveel hy de hollende paarden moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan dien hoek ... --Myn God, de weg is ... weg! We gaan in een afgrond, gilt de onervaren reiziger, daar is geen weg ... daar is de diepte! Ja, zoo schynt het. De weg kromt zich, en juist als een galopsprong verder, vasten grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de paarden, en slingeren het voertuig den hoek om. Ze vliegen de berghoogte op, die ge een oogenblik vroeger niet zaagt, en ... de afgrond ligt achter u. Er zyn, by zulke gelegenheid, oogenblikken dat de wagen alleen rust op de raderen aan de buitenzyde van den boog dien ge beschryft: de middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van den grond geheven. Er behoort koelbloedigheid toe, de oogen niet te sluiten, en wie voor 't eerst op Java reist, schryft aan zyn familie in Europa, dat hy in levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om dien angst. Het is myn doel niet, vooral niet in het begin van myn vertelling, den lezer lang bezig te houden met het beschryven van plaatsen, landschappen of gebouwen. Ik vrees te zeer hem afteschrikken door wat zweemen zou naar langdradigheid, en eerst later, als ik gevoel dat hy voor my gewonnen is, als ik uit blik en houding bemerk dat het lot van de heldin die ergens van 't balkon eener vierde verdieping springt, hem belang inboezemt, dan laat ik, met stoute verachting van alle wetten der zwaartekracht, haar zweven tusschen hemel en aarde, tot ik myn hart heb lucht gegeven in de nauwkeurige schets der schoonheden van het landschap, of van 't gebouw dat daar ergens schynt geplaatst te zyn om een voorwendsel aan de hand te doen tot een veelbladzydig vertoog over middeleeuwsche architektuur. Al die kasteelen gelyken op elkaar. Onveranderlyk zyn ze van heterogeene bouworde. Het _corps de logis_ dagteekent altyd van eenige regeeringen vroeger dan de aanhechtsels die onder dezen of genen lateren koning daarby zyn gevoegd. De torens zyn in vervallen staat ... Waarde lezer, er zyn geen torens. Een toren is een denkbeeld, een droom, een ideaal, een verzinsel, onverdragelyke grootspraak! Er zyn halve torens, en ... torentjes. De geestdryvery die torens meende te moeten zetten op de gebouwen die opgericht werden ter-eere van dezen of genen heilige, duurde niet lang genoeg om ze te voleinden, en de spits die de geloovigen naar den hemel moet wyzen, rust, gewoonlyk een paar omgangen te laag, op de massieve bazis, 'tgeen denken doet aan den man zonder dyen op de kermis. Alleen _torentjes, kleine naaldjes_ op dorpskerken, zyn afgewerkt. Het is waarlyk niet vleiend voor de westersche beschaving, dat zelden het denkbeeld om een groot werk tot-stand te brengen, zich lang genoeg heeft kunnen staande houden om dat werk voleind te zien. Ik spreek nu niet van ondernemingen welker afwerking noodig was om de kosten te dekken. Wie juist weten wil wat ik bedoel, ga den Dom te Keulen zien. Hy geve zich rekenschap van de grootsche opvatting van dat gebouw, in de ziel des bouwmeesters Gerhard von Riehl ... van 't geloof in de harten des volks, dat hem in-staat stelde dat werk aantevangen en voorttezetten ... van den invloed der denkbeelden die zulk een kolos noodig hadden om als zichtbare voorstelling te dienen van het ongezien godsdienstig gevoel ... en hy vergelyke deze overspanning met de richting, die eenige eeuwen later het oogenblik deed geboren worden, waarop men 't werk staakte. Er ligt een diepe kloof tusschen Erwin van Steinbach en onze bouwmeesters! Ik weet dat men sedert jaren bezig is deze kloof te dempen. Ook te Keulen bouwt men weder aan den Dom. Maar zal men den afgebroken draad weer kunnen aanhechten? Zal men terugvinden in _onze_ dagen, wat _toen_ de kracht uitmaakte van kerkvoogd en bouwheer? Ik geloof het niet. Geld zal wel te bekomen zyn, en hiervoor is steen en kalk te-koop. Men kan den kunstenaar betalen, die een plan ontwerpt, en den metselaar die de steenen legt. Maar niet voor geld te-koop is 't verdwaald en toch eerbiedwaardig gevoel dat in een bouwontwerp een dichtstuk zag, een dichtstuk van graniet, dat luid sprak tot het volk, een dichtstuk in marmer, dat daar stond als een onbewegelyk voortdurend eeuwig gebed. Op de grens tusschen _Lebak_ en _Pandeglang_ dan, was op zekeren morgen een ongewone beweging. Honderden gezadelde paarden bedekten den weg, en duizend menschen voor 't minst--wat veel was voor die plek--liepen in bedryvig wachten heen-en-weer. Hier zag men de hoofden der dorpen, en de distriktshoofden uit het _Lebaksche_, allen met hun gevolg, en te oordeelen naar den schoonen bastert-arabier die in zyn ryk tuig op den zilveren watertrens knabbelde, was ook een hoofd van hoogeren rang op deze plaats aanwezig. Dit was dan ook het geval. De Regent van _Lebak_, _Radhen Adhipatti Karta Natta Negara_[12] had met groot gevolg _Rangkas-Betoeng_, verlaten, en ondanks zijn hoogen ouderdom de twaalf of veertien palen afgelegd, die zyn woonplaats scheiden van de grenzen der naburige afdeeling _Pandeglang_. Er werd een nieuwe adsistent-resident verwacht, en het gebruik, dat in Indie meer dan ergens kracht van wet heeft, wil dat de beambte die met het bestuur eener afdeeling belast is, feestelyk worde ingehaald by zyn aankomst. Ook de kontroleur, een man van middelbaren leeftyd, die sedert eenige maanden na den dood van den vorigen adsistent-resident, als eerstopvolgende in rang het bestuur had waargenomen, was daar tegenwoordig. Zoodra het tydstip der komst van den nieuwen adsistent-resident bekend was, had men in-aller-yl een _pendoppo_ doen oprichten, een tafel en eenige stoelen daarheen gebracht, en eenige ververschingen gereed gezet. In deze _pendoppo_ wachtte de Regent met den kontroleur de aankomst van den nieuwen chef af. Na een hoed met breeden rand, een regenscherm, of een hollen boom, is een _pendoppo_ zeker de eenvoudigste uitdrukking van het denkbeeld: _dak_. Verbeeld u vier of zes bamboezen palen in den grond geslagen, die aan de boveneinden met elkander verbonden zyn door andere bamboes, waarop een deksel is vastgehecht van de lange bladen van den waterpalm, die in deze streken _atap_ heet, en ge zult u dusdanige _pendoppo_ kunnen voorstellen. Het is, zooals ge ziet, zoo eenvoudig mogelyk, en het moest hier dan ook slechts dienen als _pied a terre_ voor de europesche en inlandsche beambten die daar hun nieuw opperhoofd kwamen verwelkomen aan de grenzen. Ik heb me niet volkomen juist uitgedrukt, toen ik den adsistent-resident het opperhoofd, ook van den Regent, noemde. Een uitweiding over 't mechanismus van het bestuur in deze landstreken is hier, tot juist begrip van hetgeen volgen zal, noodzakelyk.[13] Het dusgenaamd _Nederlandsch Indie_--'t adjektief _nederlandsch_ komt me eenigszins onnauwkeurig voor, doch 't werd officieel aangenomen[14]--is, wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te splitsen in twee zeer verschillende hoofddeelen. Een gedeelte bestaat uit stammen welker vorsten en vorstjes de opperheerschappy van Nederland als _suzerein_ erkend hebben, doch waarby nog altyd het rechtstreeksch bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren Hoofden zelf. Een ander gedeelte, waartoe--met een zeer kleine, wellicht maar schynbare, uitzondering--geheel Java behoort, is rechtstreeks onderworpen aan Nederland. Van cyns of schatting of bondgenootschap is hier geen spraak. De _Javaan_ is _nederlandsch onderdaan_. De Koning van Nederland is zyn koning. De afstammelingen zyner vorige vorsten en heeren zyn _nederlandsche_ beambten. Ze worden aangesteld, verplaatst, bevorderd, door den Gouverneur-generaal die in-naam van den _Koning_ regeert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnisd naar een wet die van 's Gravenhage is uitgegaan. De belasting die de Javaan opbrengt, vloeit in de schatkist van _Nederland_. Van dit gedeelte slechts der nederlandsche bezittingen, dat alzoo inderdaad deel uitmaakt van het _Koningryk der Nederlanden_, zal in deze bladen hoofdzakelyk sprake zyn. Den Gouverneur-generaal staat een Raad ter-zyde, die echter op zyn besluiten geen _beslissenden_ invloed heeft. Te Batavia zyn de onderscheidene bestuurstakken verdeeld in "departementen" aan welker hoofd Direkteuren geplaatst zyn, die den schakel uitmaken tusschen het opperbestuur van den Gouverneur-generaal en de Residenten in de provincien. By behandeling evenwel der zaken van _politieken aard_, wenden zich deze beambten rechtstreeks tot den Gouverneur-generaal. De benaming _Resident_ is herkomstig uit den tyd toen Nederland nog slechts _middelyk_ als _leenheer_ de bevolking beheerschte, en zich aan de hoven der nog regeerende Vorsten door _Residenten_ liet vertegenwoordigen. Die Vorsten bestaan niet meer, en de residenten zyn, als gewestelijke Gouverneurs of _Praefecten_, bestuurders van landschappen geworden. Hun werkkring is veranderd, doch de naam is gebleven. Het zyn deze residenten, die eigenlyk het nederlandsch gezag tegenover de javaansche bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch den Gouverneur-generaal, noch de Raden van Indie, noch, de Direkteuren te Batavia. Het kent slechts den _Resident_, en de beambten die onder hem het besturen. Een dusdanige residentie--er zyn er, die byna een millioen zielen bevatten--is verdeeld in drie, vier of vyf afdeelingen of regentschappen, aan welker hoofd _Adsistent-Residenten_ geplaatst zyn. Onder dezen weder wordt het bestuur uitgeoefend door kontroleurs, opzieners en een tal van andere beambten die noodig zyn voor de inning der belastingen, voor het toezicht over den landbouw, voor het oprichten van gebouwen, voor de waterstaats-werken, voor de policie en voor het rechtswezen. In elke afdeeling staat een inlandsch hoofd van hoogen rang met den titel van _Regent_, den adsistent-resident ter-zyde. Zoodanig Regent, hoewel zyn verhouding tot het bestuur en zyn werkkring geheel die is van een _bezoldigd beambte_, behoort altyd tot den hoogen adel des lands, en dikwyls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in de nabuurschap onafhankelyk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt alzoo gebruik gemaakt van hun alouden feodalen invloed--die in Azie over 't geheel van groot gewicht is, en by de meeste stammen als punt van godsdienst wordt aangemerkt--dewyl door het benoemen dezer hoofden tot beambten, een hierarchie wordt geschapen, aan welker spits het nederlandsch gezag staat, dat door den Gouverneur-generaal wordt uitgeoefend. Er is niets nieuws onder de zon. Werden niet de _Ryks-, Mark-, Gau-_, en _Burggraven_ van het duitsche Ryk evenzoo door den Keizer aangesteld, en meestal gekozen uit de Baronnen? Zonder uitweiding over den oorsprong des adels, die geheel in de natuur ligt, wensch ik toch plaats te geven aan de opmerking hoe in ons werelddeel en ginds in 't verre Indie, dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hadden. Een land moet op verren afstand geregeerd worden, en hiertoe zyn beambten noodig, die 't centraaal gezag vertegenwoordigen. Onder het stelsel van militaire willekeur, kozen de Romeinen hiertoe de _Praefecten_, in den aanvang gewoonlyk de bevelhebbers der legioenen die 't bedoelde land hadden ten-onder gebracht. Zulke landstreken bleven dan ook: _provincien_, dat is: _win_gewesten. Maar toen later het centraal gezag des duitschen Ryks behoefte voelde, eenig ver gelegen volk aan zich te binden op andere wyze dan door stoffelyk overwicht alleen, zoodra een verwyderde streek werd beschouwd als door gelykheid in afkomst, taal en gewoonten tot het Ryk te behooren, deed zich de noodzakelykheid gevoelen, iemand met de leiding der zaken te belasten, die in dat land te-huis behoorde niet alleen, maar door zyn stand boven zyn medeburgers in die streken verheven was, opdat de gehoorzaamheid aan de bevelen des Keizers, gemakkelyk werde door de samengaande neiging tot onderwerping aan hem die met de uitvoering dezer bevelen belast was. Hierdoor werden dan tevens geheel of gedeeltelyk de uitgaven vermeden, voor een staand leger ten-laste der algemeene staatskas, of, zooals meestal geschiedde, ten-laste van de gewesten zelf, die door zoodanig leger moesten bewaakt worden. Zoo werden de eerste Graven gekozen uit de Baronnen des lands, en strikt genomen is dus 't woord _graaf_ geen adellyke titel, doch slechts de benaming van een met zeker _ambt_ belasten persoon. Ik geloof dan ook dat in de middeleeuwen de meening gold, dat de duitsche Keizer wel 't recht had, graven, d.i. _landschapsbestuurders_, en hertogen, d.i. _heiraanvoerders_, te benoemen, doch dat de Baronnen beweerden, wat hun geboorte aangaat, aan den Keizer gelyk te zyn en alleen van God aftehangen, behoudens de verplichting den Keizer te dienen, voor-zoo-ver deze met hun toestemming, en uit hun midden gekozen was. Een graaf bekleedde een _ambt_ waartoe hem de Keizer had geroepen. Een baron beschouwde zich als baron "_door de genade Gods_." De graven vertegenwoordigden den Keizer, en voerden als zoodanig _diens_ banier, d.i. den Standaard van het Ryk. Een baron bracht volk op de been onder zyn eigen vaan, als _baanderheer_. De omstandigheid nu, dat graven en hertogen gewoonlyk uit de baronnen werden gekozen, bracht te-weeg dat zy het gewicht hunner betrekking in de schaal legden by den invloed dien zy aan hun geboorte ontleenden, en hieruit schynt later, vooral toen men aan de erfelykheid dezer betrekkingen was gewoon geraakt, de voorrang ontstaan te zyn, dien deze titels hadden boven dien van baron. Nog heden-ten-dage zou menige vryheerlyke familie--zonder keizerlyk of koninklyk patent, dat is een zoodanige familie, die haren adel afleidt van het ontstaan des lands, die _altyd_ van adel was _omdat_ ze van adel was--_autochthoon_--een verheffing tot den gravenstand, als derogeerend afwyzen. Er zyn voorbeelden van. De personen die met het bestuur van zoodanig graafschap belast waren, trachtten natuurlyk van den Keizer te verkrygen dat hun zoons, of, by-gebreke daarvan, andere bloedverwanten, hen in hun betrekking zouden opvolgen. Dit geschiedde dan ook gewoonlyk, schoon ik niet geloof dat ooit het recht op deze opvolging _organisch_ is erkend geworden, althans wat deze beambten in de _Nederlanden_ aangaat, by-voorbeeld, de graven van Holland, Zeeland, Henegouwen of Vlaanderen, de hertogen van Brabant, Gelderland, enz. Het was in den beginne een gunst, weldra een gewoonte, en ten-slotte een noodzakelykheid, maar nooit werd deze erfelykheid wet. Nagenoeg op gelyke wyze--wat de keus der personen aangaat, daar hier geen spraak is van gelykheid in werkkring, hoewel ook in dit opzicht zekere overeenstemming in 't oog valt--staat aan het hoofd eener afdeeling op Java, een inlandsch beambte die den hem door het gouvernement gegeven rang met zijn _autochthoonen_ invloed verbindt, om aan den europeschen ambtenaar die 't _nederlandsch_ gezag vertegenwoordigt, het bestuur gemakkelyk te maken. Ook hier is de erfelykheid, zonder door een wet vastgesteld te zyn, tot een gewoonte geworden. Reeds by het leven van den Regent is deze zaak meestal geregeld, en 't geldt als een belooning voor dienstyver en trouw, indien men hem de toezegging geeft dat hy in zijn betrekking door zyn zoon zal worden opgevolgd. Er moeten al zeer gewichtige redenen bestaan, voor er van dezen regel wordt afgeweken, en waar dit het geval wezen mocht, kiest men toch gewoonlyk den opvolger uit de leden van dezelfde familie. De verhouding tusschen europesche ambtenaren, en dusdanige hooggeplaatste javaansche grooten, is van zeer kieschen aard. De adsistent-resident eener afdeeling is de verantwoordelyke persoon. Hy heeft zyn instruktien, en wordt verondersteld het hoofd der afdeeling te zyn. Dit belet echter niet dat de Regent, door plaatselyke kennis, door geboorte, door invloed op de bevolking, door geldelyke inkomsten en hiermede overeenstemmende levenswyze, ver boven hem verheven is. Bovendien is de Regent, als vertegenwoordiger van 't _javaansch element_ eener landstreek, en verondersteld wordende te spreken uit naam der honderd- of meer duizend zielen, die zyn regentschap bevolken, ook in de oogen van 't Gouvernement een veel belangryker persoon, dan de eenvoudige _europesche_ beambte, wiens ontevredenheid niet behoeft gevreesd te worden, daar men voor hem vele anderen in de plaats bekomen kan, terwyl de minder goede stemming van een Regent wellicht de kiem zou kunnen worden van beroering of opstand. Uit dit alles vloeit dus de vreemde omstandigheid voort, dat eigenlyk de _mindere_ den _meerdere_ beveelt. De adsistent-resident gelast den Regent, hem opgaven te doen. Hy gelast hem, volk te zenden tot het arbeiden aan bruggen en wegen. Hy gelast hem, belastingen te doen innen. Hy roept hem op, zitting te nemen in den landraad, waarin hy adsistent-resident voorzit. Hy berispt hem, waar hy schuldig is aan plichtverzuim. Deze zeer eigenaardige verhouding wordt alleen mogelyk gemaakt door uiterst beleefde vormen, die evenwel noch hartelykheid, noch, waar 't noodig blyken mocht, strengheid behoeven uittesluiten en ik geloof dat de toon die in deze verhouding heerschen moet, vry wel wordt aangegeven in 't officieel voorschrift dienaangaande: de _europesche_ ambtenaar hebbe den _inlandschen_ beambte die hem ter-zyde staat, te behandelen als zyn _jonger broeder_. Maar hy vergete niet dat deze _jonger broeder_ by de ouders zeer bemind --of gevreesd--is, en dat, by voorkomend geschil, zyn meerdere jaren zouden worden in rekening gebracht als beweegreden om hem euvel te nemen dat hy zyn _jonger broeder_ niet met meer inschikkelykheid of takt behandelde. De aangeboren hoffelykheid van den javaanschen groote--zelfs de geringe Javaan is veel beleefder dan zyn europesche standgenoot--maakt evenwel deze schynbaar moeielyke verhouding dragelyker dan ze anders wezen zou. De Europeaan zy wel-opgevoed en kiesch, hy gedrage zich met vriendelyke waardigheid, en kan dan zeker zyn dat de Regent van zyn kant hem 't bestuur gemakkelyk maken zal. Het stuitend bevelen, in verzoekenden vorm geuit, wordt met stiptheid nagekomen. Het verschil in stand, geboorte, rykdom, wordt uitgewischt door den Regent zelf, die den Europeaan, als vertegenwoordiger des Konings van Nederland, tot zich opheft, en ten-slotte is een verhouding die, oppervlakkig beschouwd, botsing moest te weeg brengen, zeer dikwyls de bron van een aangenaam verkeer. Ik zeide dat dusdanige Regenten ook door rykdom den voorrang hadden boven den europeschen ambtenaar, en dit is natuurlyk. De Europeaan, als hy geroepen wordt tot het besturen eener provincie die in oppervlakte met vele duitsche hertogdommen gelyk staat, is gewoonlyk iemand van middelbaren of meer dan middelbaren leeftyd, gehuwd en vader. Hy bekleedt een ambt _om den broode_. Zyn inkomsten zyn juist voldoende, en zelfs vaak _niet_ voldoende, om aan de zynen het noodige te verschaffen. De Regent is: _Tommongong, Adhipatti_, ja zelfs _Pangerang_, d.i. javaansch prins. De vraag is voor hem niet dat hy leve, hy moet zoo leven als 't volk gewoon is dit te zien van zyn aristokratie. Waar de _Europeaan_ een huis bewoont, is dikwyls _zyn_ verblyf een _Kratoon_, met vele huizen en dorpen daarin. Waar de _Europeaan_ eene vrouw heeft met drie, vier kinderen, onderhoudt _hy_ een tal van vrouwen met wat daarby behoort. Waar de _Europeaan_ uitrydt, gevolgd door eenige beambten, niet meer dan er by zyn inspektiereis noodig zyn tot het geven van inlichtingen onder-weg, wordt de Regent vergezeld door de honderden die tot het gevolg behooren, dat in de oogen des volks onafscheidelyk is van zyn hoogen rang. De _Europeaan_ leeft burgerlyk, de Regent leeft --of wordt verondersteld te leven--als een vorst. Doch dit alles moet _betaald_ worden. Het nederlandsch bestuur dat zich op den invloed van die Regenten gegrondvest heeft, weet dit, en niets is dus natuurlyker dan dat het hun inkomsten heeft opgevoerd tot een hoogte die den _niet_-Indier overdreven zou voorkomen, maar inderdaad zelden voldoende is ter bestryding van de uitgaven welke aan de levenswyze van zoodanig inlandsch Hoofd verbonden zyn. Het is niet ongewoon, Regenten die twee-ja driemaal honderd duizend gulden 's jaars inkomen hebben, in geldverlegenheid te zien verkeeren. Hiertoe draagt veel by de, als 't ware vorstelyke, onverschiligheid waarmee zy hun inkomsten verspillen, hun nalatigheid in 't bewaken hunner ondergeschikten, hun koopziekte, en _vooral_ het misbruik--dat dikwyls van deze hoedanigheden gemaakt wordt door Europeanen. De inkomsten der javaansche Hoofden zou men in vier deelen kunnen splitsen. Vooreerst, het bepaald maandgeld. Vervolgens, een vaste som als schadeloosstelling voor afgekochte rechten die overgegaan zyn op 't nederlandsch bestuur. Ten-derde, een belooning in evenredigheid met de hoeveelheid der in hun regentschap voortgebrachte produkten, als koffi, suiker, indigo, kaneel, enz. En eindelyk, de willekeurige beschikking over den arbeid en de eigendommen hunner onderhoorigen. De beide laatste bronnen van inkomsten vorderen eenige opheldering. De Javaan is uit den aard der zaak landbouwer. De grond waarop hy geboren werd, die veel belooft voor weinig arbeids, lokt hem hiertoe uit, en vooral is hy met hart en ziel overgegeven aan het bebouwen zyner rystvelden, waarin hy dan ook zeer bedreven is. Hy groeit op te-midden zyner _sawah's_ en _gagah's_ en _tipar's_[15] vergezelt reeds op zeer jeugdigen leeftyd zyn vader naar 't veld, waar hy hem behulpzaam is in den arbeid met ploeg en spade, aan dammen en aan waterleidingen tot het bevochtigen zyner akkers. Hy telt zyn jaren by oogsten, hy rekent den tyd naar de kleur zyner te veld staande halmen, hy voelt zich te-huis onder de makkers die met hem _padie_ sneden[16] hy zoekt zyn vrouw onder de meisjes der _dessah_[17] die 's avends onder vroolyk gezang de ryst stampen om ze te ontdoen van den bolster ... het bezit van een paar buffels die zyn ploeg zullen trekken, is 't ideaal dat hem aanlacht ... kortom, de rystbouw is voor den Javaan, wat in de Rynstreken en in het zuiden van Frankryk, de wynoogst is. Doch daar kwamen vreemdelingen uit het Westen, die zich heer maakten van het land. Ze wenschten voordeel te doen met de vruchtbaarheid van den bodem, en gelastten den bewoner een gedeelte van zyn arbeid en van zyn tyd toetewyden aan het voortbrengen van andere zaken, die meer winst zouden afwerpen op de markten van _Europa_. Om den geringen man hiertoe te bewegen, was niet meer dan een zeer eenvoudige staatkunde noodig. Hy gehoorzaamt zyn hoofden, men had dus slechts deze hoofden te winnen door hun een gedeelte van de winst toetezeggen, en ... het gelukte volkomen. Als men let op de ontzettende massa javasche produkten die in Nederland worden te-koop geveild, kan men zich overtuigen van het doeltreffende dezer staatkunde, al vindt men ze niet edel. Want, mocht iemand vragen of de landbouwer zelf eene met deze uitkomst evenredige belooning geniet, dan moet ik hierop een ontkennend antwoord geven. De Regeering verplicht hem op _zyn_ grond aantekweeken wat _haar_ behaagt, ze straft hem wanneer hy het aldus voortgebrachte verkoopt aan wien het ook zy buiten haar, en _zyzelf_ bepaalt den prys dien ze hem daarvoor uitbetaalt. De kosten op den overvoer naar Europa, door bemiddeling van een bevoorrecht handelslichaam, _zyn_ hoog. De aan de Hoofden toegelegde aanmoedigingsgelden bezwaren daarentegen den inkoopprys, en ... daar toch ten-slotte de geheele zaak winst afwerpen _moet_, kan deze winst niet anders worden gevonden dan door juist zooveel aan den javaan uittebetalen, dat hy niet sterve van honger, hetgeen de voortbrengende kracht der natie verminderen zou. Ook aan de europesche beambten wordt een belooning uitbetaald in evenredigheid met de opbrengst.[18] Wel wordt dus de arme Javaan voorgezweept door dubbel gezag, wel wordt hy dikwyls afgetrokken van zyn rystvelden, wel is hongersnood vaak 't gevolg van deze maatregelen, doch ... vroolyk wapperen te Batavia, te Samarang, te Soerabaja, te Passaroean, te Bezoeki, te Probolingo, te Patjitan, te Tjilatjap, de vlaggen aan boord der schepen, die beladen worden met de oogsten die Nederland ryk maken. _Hongersnood_? Op het ryke vruchtbare gezegende Java, _hongersnood_? Ja, lezer. Voor weinige jaren zyn geheele distrikten uitgestorven van honger.[19] Moeders boden hun kinderen te-koop voor spyze. Moeders hebben hun kinderen gegeten ... Maar toen heeft zich 't moederland met die zaak bemoeid. In de raadzalen der volksvertegenwoordiging is men daarover ontevreden geweest, en de toenmalige Landvoogd heeft bevelen moeten geven, dat men de uitbreiding der dusgenaamde _europesche-marktprodukten_ voortaan niet weder zou voortzetten tot hongersnood toe ... Ik ben daar bitter geworden. Wat zoudt ge denken van iemand die zulke zaken kon neerschryven _zonder_ bitterheid? My blyft over te spreken van de laatste en voornaamste soort der inkomsten van inlandsche hoofden: het willekeurig beschikken over personen en eigendommen hunner onderhoorigen. Volgens het algemeen begrip in byna geheel Azie, behoort de onderdaan met al wat hy bezit, aan den vorst. Dit is ook op Java het geval, en de afstammelingen of verwanten der vroegere vorsten maken gaarne gebruik van de onkunde der bevolking, die niet recht begrypt dat haar _Tommongong_ of _Adhipatti_ of _Pangerang_ thans een _bezoldigd ambtenaar_ is die zyn eigen en hare rechten voor een bepaald inkomen verkocht heeft, en dat dus de schraal beloonde arbeid in koffituin of suikerveld, in de plaats getreden is van de belastingen die vroeger door de heeren des lands van de opgezetenen gevorderd werden. Niets is dus gewoner dan dat honderde huisgezinnen van verren afstand worden opgeroepen om _zonder betaling_ velden te bewerken, die den Regent toebehooren. Niets is gewoner dan het onbetaald verstrekken van levensmiddelen ten-behoeve der hofhouding van den Regent. En wanneer die Regent een gevallig oog mocht slaan op het paard, den buffel, de dochter, de vrouw, van den geringen man, zou men 't ongehoord vinden, als deze den onvoorwaardelyken afstand van het begeerd voorwerp weigerde. Er zyn Regenten, die van zoodanige willekeurige beschikkingen een matig gebruik maken, en niet meer van den geringen man vorderen, dan tot het ophouden van hun rang volstrekt noodig is. Anderen gaan iets verder, en geheel-en-al ontbreekt deze onwettigheid nergens. Het is dan ook moeielyk ja onmogelyk, zoodanig misbruik _geheel_ uitteroeien, daar het diep geworteld is in den aard der bevolking zelf die er onder lydt. De Javaan is gul, vooral waar het te doen is om een bewys te geven van gehechtheid aan zyn Hoofd, aan den afstammeling van hen wien zyn vaderen gehoorzaamden. Ja, hy zou meenen te-kort te doen aan den eerbied dien hy aan zyn erfelyken heer verschuldigd is, wanneer hy zonder geschenken diens _kratoon_ betrad. Zulke geschenken zyn dan ook dikwyls van zoo weinig waarde, dat het afwyzen iets vernederends zou in zich sluiten, en vaak is alzoo deze gewoonte eerder te vergelyken met de hulde van een kind dat zyn liefde tot den vader tracht te uiten door 't aanbieden van een klein geschenk, dan optevatten als schatting aan dwingelandsche willekeur. Maar ... aldus wordt door een _lief gebruik_, de afschaffing van _misbruik_ belemmerd. Indien de _aloen-aloen_[20] voor de woning van den Regent in verwilderden staat lag, zou de nabywonende bevolking hierover beschaamd wezen, en er ware veel gezags noodig om haar te _beletten_ dat plein van onkruid te reinigen, en het te brengen in een staat die met den rang des Regents overeenstemt. Hiervoor eenige betaling te geven, zou algemeen als een beleediging worden aangemerkt. Maar naast dien _aloen-aloen_, of elders, liggen _Sawah's_ die op den ploeg wachten, of op een leiding die het water daarheen moet voeren, dikwyls van mylen ver ... deze _Sawah's_ behooren den Regent. Hy roept, om _zyn_ velden te bewerken of te besproeien, de bevolking van gansche dorpen op, wier eigen _Sawah's_ evenzeer behoefte hebben aan bearbeiding ... ziedaar het _misbruik_. Dit is aan de Regeering bekend, en wie de staatsbladen leest, waarin de wetten, instruktien en handleidingen voor de ambtenaren bevat zyn, juicht de menschlievendheid toe, die by het ontwerpen daarvan schynt te hebben voorgezeten. Alom wordt den Europeaan, met gezag in de binnenlanden bekleed, als een zyner duurste verplichtingen op 't hart gedrukt, de bevolking te beschermen tegen haar eigen onderworpenheid en de hebzucht der Hoofden. En, als ware het niet genoeg, deze verplichting voorteschryven _in 't algemeen_, er wordt nog van de _adsistent-residenten_, by de aanvaarding van 't bestuur eener afdeeling, een _afzonderlyke eed_ gevorderd, dat zy deze vaderlyke zorg voor de bevolking zullen beschouwen als een eersten plicht. Dit is voorzeker een schoone roeping. Rechtvaardigheid voortestaan, den geringe te beschermen tegen den machtige, den zwakke te beschutten tegen de overmacht van den sterke, het ooilam van den arme terug te vorderen uit de stallen des vorstelyken roovers ... zie, 't is om 't hart te doen gloeien van genot, by 't denkbeeld dat men geroepen is tot iets zoo schoons! En wie in de javasche binnenlanden soms ontevreden moge zyn met standplaats of belooning, hy sla het oog op den verheven plicht die op hem rust, op 't heerlyk genoegen dat de vervulling van _zulk_ een plicht met zich brengt, en hy zal geen andere belooning begeeren. Maar ... gemakkelyk is deze plicht niet. Vooreerst hebbe men juist te beoordeelen, waar het _gebruik_ heeft opgehouden om voor _misbruik_ plaats te maken? En ... waar het misbruik _bestaat_, waar inderdaad roof of willekeur gepleegd _is_, zyn veelal de slachtoffers zelf hieraan medeplichtig, hetzy uit te ver gedreven onderwerping, hetzy uit vrees, hetzy uit wantrouwen op den wil of de macht der persoon die hen beschermen moet. Ieder weet dat de _europesche_ beambte elk oogenblik kan geroepen worden tot een andere betrekking, en dat de _Regent, de machtige Regent_, daar blyft. Voorts zyn er zoo veel manieren om zich het eigendom van een arm onnoozel mensch toeteeigenen! Als een _mantrie_[21] hem zegt dat de Regent zyn paard begeert, met dit gevolg dat het begeerde dier weldra plaats heeft gekregen in de stallen van den Regent, bewyst zulks nog volstrekt niet dat deze niet van voornemen was--o, zeker!--daarvoor een hoogen prys te betalen ... te-eeniger-tyd. Als honderden arbeiden op de velden van een Hoofd, zonder daarvoor betaling te ontvangen, volgt hieruit geenszins dat hy dit liet geschieden ten _zynen_ behoeve. Had niet zyn bedoeling kunnen zyn, hun den oogst overtelaten uit de menschlievende berekening dat zyn grond beter gelegen was, vruchtbaarder dan de hunne, en dus hun arbeid milder beloonen zou? Bovendien, vanwaar haalt de europesche beambte de getuigen die den moed hebben een verklaring te doen tegen hun heer, den gevreesden Regent? En, waagde hy een beschuldiging, _zonder die te kunnen bewyzen_, waar blyft dan de verhouding van _ouder broeder_, die in zulk geval zyn _jongeren broeder_ zonder grond zou hebben gekrenkt in zyn eer? Waar blyft de gunst van de Regeering, die hem brood geeft voor dienst, maar hem dat brood opzegt, hem ontslaan zou als onbekwaam, wanneer hy een zoo hooggeplaatst persoon als een _Tommongong, Adhipatti_ of _Pangerang_ had verdacht of aangeklaagd met ligtvaardigheid? Neen, neen, gemakkelyk is die plicht niet! Dit blykt reeds hieruit, dat de neiging der inlandsche Hoofden om de grens van 't geoorloofd beschikken over arbeid en eigendom hunner onderhoorigen te overschryden, overal volmondig erkend wordt ... dat alle adsistent-residenten den eed doen die misdadige hebbelykheid te-keer te gaan, en ... dat toch slechts _zeer_ zelden een Regent wordt aangeklaagd wegens willekeur of misbruik van gezag. Er schynt dus wel een byna-onoverkomelyke moeielykheid te bestaan, om gevolg te geven aan den eed: "_de inlandsche bevolking te beschermen tegen uitzuiging, en knevelary_." ZESDE HOOFDSTUK De kontroleur Verbrugge was een goed mensch. Als men hem daar zag zitten in zyn blauw-lakenschen frak, met geborduurde eiken- en oranjetakken op kraag en mouw-opslagen, was 't moeielyk in hem den type te miskennen die voorheerscht onder de Hollanders in Indie ... een menschensoort, in 't voorbygaan gezegd, die zeer onderscheiden is van de Hollanders in Holland. Traag zoolang er niets te doen viel, en ver van de beredderingzucht die in Europa voor yver geldt, maar yverig waar bezigheid noodig was ... eenvoudig maar hartelyk voor wie tot zyn omgeving behoorden ... mededeelzaam, hulpvaardig en gastvry ... welgemanierd zonder styfheid ... vatbaar voor goede indrukken ... eerlyk en oprecht, zonder evenwel lust te voelen de martelaar van deze hoedanigheden te worden ... in 't kort, hy was een man die, zooals men 't noemt, overal op zyn plaats zou wezen, zonder dat men echter op 't denkbeeld komen zou de eeuw naar hem te noemen, wat hy dan ook niet begeerde. Hy zat in 't midden van de _pendoppo_ by de tafel die met een wit kleed bedekt, en met spyzen beladen was. Wel eenigszins ongeduldig vroeg hy van-tyd tot-tyd, met de woorden der zuster van mevrouw Blauwbaard, aan den _mandoor_-oppasser, dat is het hoofd van de policie- en bureaudienaren der adsistent-residentie, of er niets in aantocht was? Dan stond hy eens op, beproefde vergeefs zyn sporen te doen kletteren op den gestampten kleivloer van de _pendoppo_, stak voor de twintigste maal zyn sigaar aan, en ging, als te-leurgesteld, weer zitten. Hy sprak weinig. En toch had hy kunnen spreken, want hy was niet alleen. Ik bedoel hiermee nu juist niet dat hy vergezeld was van de twintig of dertig Javanen, bedienden, _mantries_ en oppassers die op den grond gehurkt in en buiten de _pendoppo_ zaten, noch van de velen die aanhoudend uit-en inliepen, noch van 't groot aantal inlanders van verschillenden rang, dat daar buiten de paarden vasthield, of te-paard rondreed ... neen, de Regent zelf van Lebak, _Radhen Adhipatti Karta Natta Nagara_, zat tegenover hem. Wachten is altyd vervelend. Een kwartier duurt een uur, een uur een halven dag, en zoo voort. Verbrugge had wel wat spraakzamer mogen zyn. De Regent van _Lebak_ was een beschaafd oud man, die over veel wist te spreken met verstand en oordeel. Men had hem slechts aantezien om overtuigd te wezen dat het meerendeel der Europeanen die met hem in aanraking kwamen, meer van hem, dan hy van hen te leeren had. Zyn levendige donkere oogen weerspraken door hun vuur de vermoeidheid der trekken van zyn gelaat en de grysheid zyner haren. Wat hy zeide, was gewoonlyk lang overdacht--een eigenaardigheid trouwens die by den beschaafden Oosterling algemeen is--en wanneer men met hem in gesprek was, gevoelde men dat men zyn woorden te beschouwen had als brieven, waarvan hy de minuut in zyn archief had, om zoo noodig daarop te verwyzen. Dit nu moge onaangenaam schynen voor wie niet gewoon is aan den omgang met javaansche grooten, 't is niet moeielyk alle onderwerpen van gesprek die aanstoot geven kunnen, te vermyden, vooral daar zy van hun kant nooit op bruske wyze aan den loop van 't onderhoud een andere richting geven zullen, omdat dit naar oostersche begrippen in-stryd wezen zou met den goeden toon. Wie dus oorzaak heeft het aanroeren van een bepaald punt te vermyden, behoeft slechts over onbeduidende zaken te spreken, en hy kan verzekerd zyn dat een javaansch hoofd hem niet, door een onbegeerde wending in 't gesprek, zal voeren op een terrein dat hy liever niet betrad. Over de beste wijze van omgang met die hoofden, bestaan overigens verschillende meeningen. Het komt my voor dat eenvoudige oprechtheid, zonder streven naar diplomatische voorzichtigheid, de voorkeur verdient.[22] Hoe dit zy, Verbrugge begon met een banale opmerking over 't weer en den regen. --Ja, mynheer de kontroleur, het is westmoesson. Dit nu wist Verbrugge wel: men was in Januari.[23] Maar wat _hy_ over den regen gezegd had, wist de Regent ook. Hierop volgde weder eenig zwygen. De Regent wenkte met een nauw zichtbare beweging van 't hoofd, een der bedienden die neergehurkt zaten aan den ingang der _pendoppo_. Een kleine jongen, allerliefst gevat in een blauw-fluweelen buis, witten pantalon, met gouden lyfband die zyn kostbaren _sarong_, vasthield om de lenden, en op 't hoofd den behagelyken _kain kapala_, waaronder zyn zwarte oogen zoo ondeugend te-voorschyn kwamen, kroop hurkende tot aan de voeten des Regents, zette de gouden doos neder, die de tabak, de kalk, de _sirie_, de _pinang_, en de _gambier_ bevatte, maakte den _slamat_, door beide handen saamgevoegd opteheffen tot aan het diep neergebogen voorhoofd, en bood daarop zyn heer de kostbare doos aan.[24] --De weg zal moeielyk zyn na zooveel regen, zei de Regent, als om 't lang wachten verklaarbaar te maken, terwyl hy een betelblad met kalk bestreek. --In 't _Pandeglangsche_ is de weg zoo slecht niet, antwoordde Verbrugge die, als hy ten-minste niets stuitends wilde aanroeren, dit antwoord wel wat ondoordacht gaf. Want hy had moeten bedenken dat een Regent van _Lebak_ niet gaarne de wegen van _Pandeglang_ hoort roemen, al zyn die dan ook werkelyk beter dan in 't _Lebaksche_. De _Adhipatti_ beging de fout van een te snel antwoord niet. De kleine _maas_[25] was reeds al hurkend achterwaarts teruggekropen tot aan den ingang der _pendoppo_, waar hy onder zyn makkers plaats nam ... de Regent had reeds zyn lippen en weinige tanden bruinrood geverwd met het speeksel zyner _sirie_, voor hy zeide: --Ja, er is veel volk in _Pandeglang_. Voor wien den Regent en den kontroleur kende, voor wien de toestand van _Lebak_ geen geheim was, had het duidelyk kunnen blyken dat het gesprek reeds een stryd was geworden. Een toespeling namelyk op den beteren staat der wegen in een naburige afdeeling, scheen het vervolg te wezen op vergeefsche pogingen om ook in _Lebak_ dusdanige betere wegen te doen aanleggen, of de bestaande beter te onderhouden. Doch hierin had de Regent gelyk, dat _Pandeglang_ dichter bevolkt was, vooral in verhouding tot de veel kleinere oppervlakte, en dat dus daar de arbeid aan de groote wegen, door vereende krachten ligter viel dan in 't _Lebaksche_, een afdeeling die op honderde palen oppervlakte, slechts zeventigduizend inwoners telde. --Dat is waar, zei Verbrugge, we hebben weinig volk hier, maar ... De _Adhipatti_ zag hem aan, als wachtte hy een aanval af. Hy wist dat er na dat "maar" iets volgen kon, dat onaangenaam zou te hooren zyn voor hem, die sedert dertig jaren Regent van _Lebak_ geweest was. Het scheen dat Verbrugge op dit oogenblik geen lust had den stryd voorttezetten. Althans hy brak 't gesprek af, en vroeg weder aan den _mandoor_-oppasser of hy niets komen zag? --Ik zie nog niets van den kant van _Pandeglang_, mynheer de kontroleur, maar daar-ginds aan de andere zyde rydt iemand te-paard ... het is de _toewan kommendaan_. --Welzeker, _Dongso_, zei Verbrugge naar buiten starende, dat is de kommandant! Hy jaagt in deze buurt, en is vanmorgen vroeg reeds uitgegaan. He, Duclari ... Duclari! --Hy hoort u al, mynheer, hy komt hierheen. Zyn jongen rydt achter hem, met een _kidang_[26] achter zich over 't paard. --_Pegang koedahnja toewan kommendaan_[27] gebood Verbrugge aan een der bedienden die buiten zaten. Bonjour, Duclari! Ben je nat? Wat heb je geschoten? Kom binnen! Een krachtig man van dertigjarigen leeftyd en flinke militaire houding, hoewel van uniform geen spoor was, trad de _pendoppo_ in. Het was de eerste-luitenant Duclari, kommandant van 't kleine garnizoen te _Rangkas-Betoeng_. Verbrugge en hy waren bevriend, en hun gemeenzaamheid was te grooter, daar Duclari sedert eenigen tyd de woning van Verbrugge betrokken had in afwachting der voltooiing van een nieuw fort. Hy drukte dezen de hand, groette den Regent beleefd, en ging zitten onder de vraag: "wel, wat heb je al zoo hier?" --Wil je thee, Duclari? --Wel neen, ik ben warm genoeg! Heb je geen klapperwater?[28] Dat is frisscher. --Dat laat ik je niet geven. Als men warm is, houd ik klapperwater voor heel nadeelig. Je wordt er styf en jichtig van. Zie eens de koelies die zware vrachten over de bergen dragen: zy houden zich vlug en lenig door heet water te drinken, of _koppi dahoen_. Maar _gemberthee_[29] is nog beter ... --Wat? _Koppi dahoen_, thee van koffibladen? Dat heb ik nog nooit gezien. --Omdat je niet op Sumatra gediend hebt. Daar is 't de gewoonte. --Laat me dan maar thee geven ... maar niet van koffibladen, en ook niet van gember. Ja, je bent op Sumatra geweest ... en de nieuwe adsistent-resident ook, niet waar? Dit gesprek werd in 't hollandsch gevoerd, een taal die de Regent niet verstond. Hetzy Duclari gevoelde dat er iets onbeleefds in lag, hem hierdoor van 't onderhoud uittesluiten, hetzyd-i hiermee een andere bedoeling had, op-eenmaal ging hy, zich tot den Regent wendende, in 't maleisch voort: --Weet mynheer de _Adhipatti_, dat m'nheer de kontroleur den nieuwen adsistent-resident kent? --Wel neen, dat heb niet gezegd, ik heb hem nooit gezien. Hy diende eenige jaren voor my op Sumatra. Ik heb je maar gezegd dat ik daar veel over hem heb hooren spreken, anders niet! --Nu, dit komt op 'tzelfde neer. Men behoeft iemand juist niet te zien om hem te kennen. Hoe denkt m'nheer de _Adhipatti_ hierover? De _Adhipatti_ had juist noodig een bediende te roepen. Er verliep dus wat tyd voor hy zeggen kon: "dat hy met den heer kommandant instemde, maar dat het toch dikwyls noodig was iemand te zien voor men hem beoordeelen kon." --Over 't geheel genomen is dit misschien waar, ging nu Duclari in 't hollandsch voort--hetzy omdat deze taal hem gemeenzamer was en hy meende genoeg gedaan te hebben voor de beleefdheid, hetzy omdat hy alleen door Verbrugge verstaan wilde worden--dit moge in 't algemeen waar zyn, maar omtrent Havelaar heeft men waarachtig geen persoonlyke kennismaking noodig ... hy is een gek! --Dat heb ik niet gezegd, Duclari! --Neen, jy hebt dat niet gezegd, maar ik zeg het na al wat je my van hem verteld hebt. Ik noem iemand die in 't water springt om een hond te redden van de haaien, een gek. --Nu ja, verstandig is 't zeker niet. Maar ... --En, hoor eens, dat versje tegen den generaal Vandamme ... 't kwam niet te-pas! --'t Was geestig ... --Tot je dienst! Maar een jong mensch mag niet geestig zyn tegen een generaal. --Je moet in 't oog houden dat hy nog zeer jong was ... het is veertien jaar geleden. Hy was toen maar twee-en-twintig jaar oud. --En dan de kalkoen dien hy stal! --Dat deed hy om den generaal te plagen. --Juist! Een jong mensch mag geen generaal plagen, die bovendien, a