[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders, by Charles de Coster This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders Author: Charles de Coster Release Date: July 3, 2005 [EBook #11208] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK UILENSPIEGEL *** Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team

De legende van Uilenspiegel en Lamme Goedzak

Charles-Theodore-Henri De Coster werd geboren te München, den 20n Augustus 1827. Zijn vader was intendant van graaf Charles Mercy d’Argenteau, aartsbisschop van Tyrus, die peter des kunstenaars was en hem de markiezin Henriette de la Tour Dupin, vrouw van den Franschen gezant te Turijn, tot meter gaf.
De kleine De Coster, een engeltje van een knaap, sleet dus zijne eerste levensjaren in het paleis van den aartsbisschop, midden in weelde, in bloemen, geliefkoosd door zijne ouders en zijnen peter. Zijn eerste opvoeding was dus zeer aristocratisch en die indrukken blijven gewoonlijk onuitwischbaar.
Doch weinig tijds nadien verandert dit alles. Zijne ouders verlaten München en gaan naar Brussel, waar hun tweede kind ter wereld komt; dan sterft zijn vader te Ieperen, bij zijn broeder, die daar geneesheer was. Zijn moeder keert terug naar Brussel bij hare zuster en hare kinderen.
Charles was reeds in eene kostschool te Etterbeek, waar “ik mij zal moeten schikken naar den wil van een ander”, zegt hij, “na zoolang mijn zin te hebben gedaan”. Als hij uit de kostschool komt, is het om in het “Collège Saint-Michel” te treden, waar men een oogenblik hoopte dat het kind, dat reeds de droomerijen boven de droge studiën verkoos, zich aan het priesterschap zou wijden.
Eerst dacht hij in de balie te treden, doch een vriend deed hem opmerken dat de rechten en de kunst moeilijk samengaan, [VIII] en De Coster, geholpen door machtige beschermers, aanvaardde eene bediening in de “Société Générale”.
In ’t lot gevallen, stelde zijne moeder eenen plaatsvervanger, die wegliep; na eenige dagen in het regiment, bij zijn kolonel, vertoefd te hebben, “om den plaatsvervanger te vervangen”, maakte de jonge bediende op zijne beurt van de gelegenheid gebruik om zijne plaats te ontloopen. “Het ambtenaarsleven bevalt mij in het geheel niet”, zegde hij. In de Bank voelde hij zich als een vreemdeling te midden van de bureaucraten. Hij stikte in die atmosfeer en “overigens wilde hij voor zich zelven werken”. De letterkundige roeping verkreeg de bovenhand en hij trad in 1850 in de Hoogeschool van Brussel, waar hij het diploma van candidaat in de letteren behaalde.
Maar De Coster gaf aan de Hoogeschool noch zijn hart, noch zijnen geest, noch zijne pen. Toen hij ze verliet, was hij noch doctor, noch professor, noch dagbladschrijver, noch tooneeldichter. Maar hij was kunstenaar, meer dan ooit.
Vervolgens wilde hij in de redactie van een dagblad treden, maar hij aanbad het schoone boven alles en weigerde “een werktuig te maken van zijne pen”.
Dan begint een jammerlijk leven van voortdurenden tegenspoed en onbegrepen arbeid. In 1856 weigert hij eene plaats bij een makelaar in wijnen,—alles wat men hem aanbood.
Om het even, de jonge kunstenaar heeft wilskracht en, door al zijn kommer heen, maakt hij eervol naam in de Fransche letterkunde. Buiten en behalve menigvuldige gewaardeerde bijdragen in dagbladen en tijdschriften, levert hij, in 1856, les Frères de la bonne trogne (Brabantsche legende); in 1857, de Légendes flamandes et wallones, die een ongemeenen bijval ontmoeten en door de Fransche pers vleiend beoordeeld worden; in 1861, de Contes brabançons.
Zijn peter, de aartsbisschop, had hem sedert lang zijne bescherming onttrokken, die hem zeker ware bijgebleven, hadde De Coster zijne studiën in de Hoogeschool van Leuven willen doen. Hij had Brussel verkozen, waar hij vrienden vond. Dat was eene keuze doen voor de algeheele vrijheid des geestes. In 1863 wordt het petekind van den aartsbisschop van Tyrus lid van de Vrije Gedachte van Brussel. Hij was toen in den vollen bloei van zijn eersten bijval en gansch vervoerd door zijne liefde voor het schoone.
Zijne liefde voor het volk, voor het wakkere Vlaamsche volk, [IX] stuwt hem voorwaarts en houdt zijn machtig genie bezig. De schilder Dillens zijn vriend, bezat in zijn werkhuis een verzameling oude Vlaamsche boeken. De Coster en Dillens doen verscheidene reizen door Zeeland en Vlaanderen: de “Legende van Uilenspiegel” was van dan af geboren in De Coster’s brein.
De Legende van Uilenspiegel en Lamme Goedzak, in de letterwereld met ongeduld verwacht, verscheen in 1867 in een prachtige uitgave, opgeluisterd met twee en dertig etsen van negentien talentvolle kunstenaars.
Ziehier wat onder meer drie Fransche bladen zeiden van dat gewrocht:
La Liberté van 18 December 1868: “’t Is een heldendicht in proza, waarin het bloed zoo rijkelijk vloeit als het bier. Men zou zeggen een kermis rondom eenen brandstapel”.
Le Constitutionnel, 9 December 1868, wijdde drie groote kolommen aan Uilenspiegel, waarin de recensent het boek met Goethe’s Faust vergelijkt.
Le Corsaire: “’t Is een heldendicht in proza, ’t is de verheerlijking van den Vlaamschen geest”.
Heel de Fransche pers deelde dit gevoelen en drukte hare bewondering in de vleiendste artikelen uit.
Onze Busken Huët getuigde: “Hollanders noch Vlamingen bezitten een werk over de XVIe eeuw in Vlaanderen, dat met het meesterwerk van De Coster kan vergeleken worden”.
Na Uilenspiegel verscheen nog: Voyage de noce (1872) en le Mariage de Toulet (1879).
Edoch De Coster, die in het volle succes van de Légendes flamandes zijne vriendin verloren had, zag zich op 29 Juli 1869, wanneer Uilenspiegel zoo gunstig onthaald werd, nu nog zijne moeder ontrukken.
Die ramp schokte hem diep in zijn reeds droevig bestaan, want De Coster leefde veelal in armoede, niettegenstaande zijn talent en de gunst waarmede zijne werken ontvangen werden. Schrale schrijversrechten, karige toelagen, luttel betaalde lessen moesten hem vrijwaren voor ellende. Hij kloeg dan ook, steeds denzelfden strijd te moeten herbeginnen. In 1870 schreef hij: “Hoewel ik veel gewerkt heb uit lust en uit liefde, begrijp ik, sedert minder dan drie jaar, de schrikverwekkende waarde van het geld en de noodwendigheid van een arbeid, die, genoegzaam betaald, den mensch, met den welstand, ook vrijheid en vreugde schenkt”. [X]
Maar daarom legde hij zijne fierheid niet af.
Toen eindelijk de regeering, een tiental jaren vóór zijnen dood, er aan dacht de verstandelijke hulpmiddelen van den grooten schrijver ten behoeve van het onderwijs aan te wenden, was het te laat. Hij stak zoo diep in schulden, dat zijne benoeming geen anderen uitslag opleverde dan eene opschudding te verwekken onder zijne schuldeischers, die zijn traktement aansloegen en hunne prooi niet meer loslieten.
Toen hij stierf, op 7 Mei 1879, verkeerde hij in de diepste ellende.
Den 22n Juli 1894 werd door het gemeentebestuur van Eisene een eenvoudig doch treffend gedenkteeken van den beeldhouwer Samuel ter nagedachtenis van De Coster ingehuldigd. [XI]
Charles De Coster stierf op 7 Mei 1879, te Elsene, in het huis, dat den hoek uitmaakt van de Gewijde-Boomstraat, en toen gehuurd werd door een fruitverkooper. Heel de woning van den grooten kunstenaar bestond uit de twee kamers op de eerste verdieping: de grootste was zijn werkkabinet, de andere zijne slaapkamer; daarin stonden een ijzeren bed, een kleine tafel, een houten kast, eenige stoelen.
Hij had zich den dag te voren te bed gelegd: de pisvloed waaraan hij leed, en diens noodlottige gezellin, de longtering, waren plotseling verergerd. Charles De Coster nam zelden zijne toevlucht tot geneesheeren; een zijner vrienden nochtans, M. Kirkpatrick, verschrikt over den voortgang van de kwaal, had den heer dokter Vaucleroy, geneesheer aan de Krijgsschool, ontboden. Toen deze kwam, vond hij aan de sponde van den zieke eene oppasster, die De Coster in zijn verheven en grenzenloos medelijden met de onterfden en ongelukkigen, bij zich genomen had. Deze arme vrouw, die bij den zieltogende waakte, was zelve het toonbeeld des doods; heel haar aangezicht was ingevreten door zweren. De geneesheer ging heen zonder hoop den zieke te redden, maar hij voorzag toch geen dreigenden dood: hij zou ’s anderen daags namiddags terugkomen.
’s Anderen daags scheen De Coster zijn nakend einde niet bewust te zijn, want hij vroeg noch naar zijnen schoonbroeder, noch naar zijne zuster, die hij aanbad. Doch hij wilde zich omringen van vrienden, als om zijn lichaam en zijn hart te verwarmen. Hij liet deze roepen, die in de nabijheid woonden: zoo werden Félix Bouré, de beeldhouwer, en later ik zelf geroepen. Bouré was ziek; hij verwittigde zijn broeder, mede een vriend van De Coster: de heer Bouré vond in het werkkabinet kapitein Mertens die, diep bedroefd, in de kamer van den zieke niet dorst gaan. Deze betoonde een levendige erkentelijkheid [XII] aan den heer Bouré, die zijn bed wat gemakkelijker schikte en hem te drinken gaf. Toen ik en mijne vrouw op onze beurt kwamen, richtte De Coster zich op in zijn bed en herkende mij heel goed. Kloekmoedig in het aanschijn van den dood, had hij nog het gedacht om den heer Bouré en mij aan elkander voor te stellen. De heer Bouré bevestigde mij dat hij, toespeling makend op mijn beroep van advocaat, eenige Latijnsche woorden mompelde. Maar zijn blik verduisterde, zijne ademhaling werd hijgend; toen mijne vrouw hem naderde om zijn hoofdkussen te schikken en zijn voorhoofd te verfrisschen, moest hij eene inspanning doen om heur te herkennen: “Hoe, gij ook, mevrouw, ik dank u zeer!” Daarna werd de ademhaling flauwer, een laatste naam, die zijner zuster, kwam pijnlijk over zijne lippen: “Ca...ro...line”. Het was zijn hart, dat ontsnapte. Het was twee uren.
Heeren kunstenaars, heeren uitgevers, heer dichter, ik heb u eenige aanmerkingen te doen aangaande uwe eerste uitgave. Hoe! in dat lijvige boek, in dien olifant dien gij met achttienen naar den roem tracht te drijven, hebt gij het kleinste plaatsje niet gegund aan den vogel van Minerva, den wijzen, omzichtigen uil! In Duitschland en in dat Vlaanderen dat gij zoozeer bemint, reis ik gedurig op den schouder van Uilenspiegel, die maar aldus genoemd wordt, omdat zijn naam bediedt: Uil en Spiegel, wijsheid en komediespel. Die van Damme, waar hij geboren werd, naar men zegt, spreken uit: Ulenspiegel, door samentrekking en de gewoonte die zij hebben u in stee van Ui uit te spreken. Dat is hunne zaak.
Gij hebt eene andere uitlegging uitgedacht: Ulen voor U lieden Spiegel, de Spiegel van U, boeren en heeren, geregeerden en regeerders, de spiegel van de dwaasheden, de belachelijkheden, de misdaden van een tijdstip. Dat was vernuftig, maar onredelijk. Men moet nooit afbreken met den slenter.
Misschien vondt gij het vreemd de wijsheid te verbeelden door een—naar uwe meening—treurigen, belachelijken vogel, een gebrilden schoolvos, een kermis-grappenmaker, een vriend der duisternis, dien men niet hoort vliegen en die doodt zonder dat men hem hoort komen, evenals de Dood. Nochtans gelijkt gij op mij, huichelaars die lacht met mij. In menige uwer nachten stroomde het bloed onder de slagen der Moord, die op vilten zolen liep, opdat men heur ook niet zoude hooren komen.
Brak, in uw aller geschiedenis, nooit geen bleeke dageraad aan, die met zijn vale schemering de met lijken van mannen, vrouwen en kinderen bedekte straatsteenen verlichtte? Waarvan leeft uwe Staatkunde, sedert dat gij over de wereld regeert? Van worgen en moorden.
Ik, uil, de leelijke uil, ik dood om mij te spijzen, om mijne jongen te spijzen, ik dood niet om te dooden. Verwijt gij mij [XIV] de vogeltjes op te peuzelen, dan kan ik u even goed de slachting verwijten die gij aanricht onder alles wat leeft. Gij hebt boeken geschreven waarin gij met verteedering spreekt over de lichtheid van de vogelen, over hunne minnarijen, over hunne schoonheid, over de kunst waarmede zij hun nestje bouwen, en over de angsten des moederschaps, vervolgens zegt gij met welke saus men ze moet opdienen en in welke maand van het jaar zij de vetste stoverij opleveren. Ik, ik maak geen boeken, God beware mij daarvoor, anders schreef ik dat, als gij den vogel niet kunt opeten, gij het nest opeet, uit vreeze dat gij een hap zoudt verliezen.
Wat u betreft, onbesuisde dichter, het was uw belang mij terug te brengen in uw werk, waarvan ten minste twintig hoofdstukken mij toebehooren2 de andere laat ik u in onbetwisten eigendom. Men mag toch wel het volstrekt meesterschap behouden over de domheden die men laat drukken. Schreeuwende dichter, gij slaat links en rechts op die welke gij de beulen des vaderlands heet, gij stelt Keizer Karel en Philips II aan den schandpaal der geschiedenis; gij zijt geen uil; gij zijt niet voorzichtig. Weet gij of er geen Keizer Karel of geen Philips II op de wereld meer bestaan? Vreest gij niet dat eene opmerkzame censuur uit den buik van uwen olifant toespelingen op doorluchtige tijdgenooten vinde? Waarom laat gij dien Keizer en dien Koning niet slapen in hun graf? Waarom moet gij al die majesteit aanblaffen? Die het zweerd trekt, zal door het zweerd vergaan. Er zijn menschen die het u nooit zullen vergeven, ik ook vergeef het u niet, gij stoort mijne burgerlijke spijsvertering.
Wat beteekent die bestendige tegenstelling tusschen een verfoeiden koning, wreedaardig van jongs af—daarom is het een mensch—en dat Vlaamsche volk, dat gij ons wilt voorstellen als heldhaftig, gulhartig, eerlijk en werkzaam? Wie zegt u dat die koning slecht en dat volk goed was? Wijselijk zou ik u het tegenovergestelde kunnen bewijzen. Uwe hoofdpersonages zijn dwazen of zotten, zonder er een uit te zonderen: uw deugniet van Uilenspiegel neemt de wapenen op voor de gewetensvrijheid; zijn vader Klaas sterft, laat zich levend verbranden voor zijne godsdienstige overtuiging; zijne moeder, Soetkin, kwijnt van verdriet en sterft ten gevolge van de foltering, om een fortuin [XV] voor haren zoon te bewaren; uw Lamme Goedzak stapt recht door het leven alsof het al was, goed en eerlijk op deze wereld te zijn; uwe kleine Nele, die niet leelijk is, bemint in heel haar leven maar een enkelen man.... Waar ziet men nog zulke dingen? Ik zou u beklagen, zoo ge mij niet deedt lachen.
Nochtans moet ik bekennen dat naast die bespottelijke personages, er wel eenige zijn die ik geerne onder mijne boezemvrienden zoude nemen: uwe Spaansche huurlingen, uwe monniken die het gemeen verbranden, uwe Gilline, spionneerster der Inquisitie, uw gierige vischverkooper, aanklager en weerwolf, uw edelman die ’s nachts duivel speelt om eene onnoozele te verleiden, en vooral dien omzichtigen Philips II, die, geld noodig hebbende, de heilige beelden in de kerken doet breken, ten einde een opstand te beteugelen waarvan hij de wijze aanstoker was. Minder kan men toch niet, als men geroepen is te erven van degenen die men doodt.
Maar ik geloof dat al mijne woorden verloren moeite zijn. Gij weet niet wat een uil is. Ik ga het u zeggen.
De uil is hij die in ’t geniep, eerroof stookt onder de lieden die hem hinderlijk zijn en die, als men hem vraagt of hij de verantwoordelijkheid over zijne gezegden wil dragen, voorzichtig antwoordt: Ik bevestig niets, Men heeft mij gezegd.... Hij weet wel dat Men onvindbaar is.
Uil is hij die een eerlijk gezin binnendringt, zich aanstelt als een trouwer, een meisje verleidt, geld ontleent, soms zijne schuld betaalt en henengaat als er niets meer te nemen is.
Uil, de politieke man die een masker van vrijheid, van oprechtheid, van menschenliefde opzet en die, op een gegeven oogenblik, zonder te verwittigen, een man of eene natie zachtjes de keel toeworgt.
Uil, de koopman die zijnen wijn doopt, zijne eetwaren vervalscht, een kwade maag brengt daar waar spijsverteering,—woede, daar waar vroolijkheid was.
Uil, hij die behendig steelt, zonder dat men hem bij den kraag vatten kan, valsch getuigt tegen de waarheid, de weduwe ten onder brengt, de weeze stroopt, en zegepraalt in ’t vet, lijk anderen zegepralen in ’t bloed.
Uilin, zij die hare schoonheid verkoopt, de beste harten van jongelieden vermorst, dat heeten: de jeugd vormen, en ze zonder eenen cent, achterlaat in het slijk waarin zij hen sleepte.
Als ze ooit treurig gestemd is, zich ooit herinnert dat ze vrouw [XVI] is, moeder zoude kunnen zijn, dan verloochen ik heur. Als ze, dat bestaan moede, in ’t water springt, dan is zij eene zinnelooze, die niet verdiende te leven.
Zie rondom u, domme schrijver, en tel, als gij kunt, de uilen van deze wereld; bedenk of het voorzichtig is gelijk gij het doet, van Macht en List, die koninginnen der uilen, aan te vallen. Kom tot inkeer, zeg mea culpa en vraag op uwe knieën om vergiffenis.
Nochtans hebt gij mijne belangstelling gewonnen door uwe onbesuisdheid, vol zelfvertrouwen; tegen mijne gekende gewoonten in, verwittig ik u dan ook dat ik, op staanden voet, de grofheid en roekeloosheid van uwen stijl ga aanklagen bij mijne neven in letterkunde, die eene sterke pen, eene stoute tong en voortreffelijke brillen hebben, en zeer voorzichtige en pedante lieden zijn, die uwen trant niet gewoon zijn en hunne taal zoozeer kuischen, dat er ten lange laatste niets zal van overblijven.3
Bubulus Bubb.
1 Deze Voorrede werd, met een bepaald aantal platen, gevoegd in de eerste Fransche uitgave. (Lacroix-Verboeckhoven & Co.)
2 Die bewering is nauwkeurig. Aan een Vlaamsch boekje van den uitgever Van Paemel, getiteld: Het aerdig leven van Thyl Uylenspiegel, ontleende de dichter een aantal hoofdstukken van het Eerste Boek van zijn werk.
3 Over afleiding en beteekenis van het woord “Uilenspiegel” verschillen wij—en zeker de meeste Vlamingen met ons—teenemaal met Ch. de Coster. Omstandige, langdradige dissertatiën daaromtrent zullen wel overbodig zijn, en hooren ook in dit boek niet te huis. Zoo wij deze Voorrede in de Vlaamsche uitgave brachten, was het dus enkel met het inzicht het werk van Charles De Coster te eerbiedigen, en het, in zijn geheel, den Vlaamschen lezer aan te bieden. (Noot van den Vertaler.)
In meimaand, als de hagedoorn in bloei stond, werd te Damme, in Vlaanderenland, Uilenspiegel, de zoon van Klaas geboren.
Terwijl Katelijne, de vroedvrouw, hem in warme doeken bakerde, bezag ze zijn hoofd en riep ze blijde uit:
—Hij is met den helm geboren!
Maar weldra jammerend, met den vinger een zwart stipje op den schouder van den boorling toonend:
—Laas! schreide zij, dat is het zwarte merk van den vinger des duivels!
—Heer Satan is vandaag vroeg opgestaan, antwoordde Klaas, dat hij alreeds den tijd vond om mijn zoon te teekenen?
—Satan sliep nog niet, zei Katelijne, want luister, nu eerst kraait Kanteklaar de hennen wakker.
En zij gaf het kind over aan Klaas en ging naar buiten.
De dageraad verdreef nu het nachtelijk duister, de zwaluwen vlogen kwetterend rakelings over de weide, en de zon kleurde vuurrood de kimme.
Klaas deed het venster open en sprak tot Uilenspiegel:
—Kind met den helm, zie, daar is moeder de Zon, die Vlaanderenland komt groeten. Bezie haar als uwe kijkers zullen open zijn; verkeert gij later ooit in twijfel, weet gij niet wat te doen om goed te doen, ga dan om raad bij de Zonne; zij is warm en helder: wees zoo goed als zij warm, zoo eerlijk als zij helder is.
—Klaas, mijn man, zei Soetkin, ge spreekt tot een doove; kom en drink, mijn jongen.
En de moeder stak den boorling hare schoone, blanke borsten toe.

De voorzegging van Katelijne. (Blz. 1).
Terwijl Uilenspiegel zich laafde aan de levensbron, ontwaakten al de vogelkens in ’t veld.
Klaas, die mutsaards bond, bezag zijne vrouw, die Uilenspiegel de borst gaf. [2]
—Zeg eens, vrouw, sprak hij, hebt ge nog veel van die lekkere melk?
—De kruiken zijn vol, man, antwoordde zij, maar dat is niet voldoende om mijn hert te verblijden.
—Gij spreekt zoo treurig en het is zoo vroeg nog in den morgen.
—Ik denk er aan, dat er geen oortje meer steekt in de tassche, die daar aan den muur hangt.
Klaas nam de tassche van den wand; maar hij had goed schudden, er rinkelde geen geld in. Hij was er onthutst over; doch hij wilde zijne vrouw moed inspreken, en zei:
—Waarover bekommert gij U? Hebben wij in de schapraai den koek niet liggen, dien Katelijne ons gisteren gaf? Zie ik daar geen groot stuk vleesch, dat ten minste voor drie dagen goede melk aan ’t kind zal geven? Die zak boonen daar in den hoek, is die een voorteeken van hongersnood? En dat kuipje boter bestaat toch niet in mijne verbeelding? In mijne verbeelding ook niet, die appelen, welke, met elven in ’t gelid, op onzen zolder liggen? En de dikke tonne schuimende Brugsche kuite, noodt zij ons niet, met haren vollen buik, tot een gulle drinkpartij?
—Als ’t kind gedoopt wordt, zei Soetkin, moeten er twee oortjes zijn voor den pastoor en één gulden voor ’t festijn.
Daarop kwam Katelijne het huis binnen met een grooten bundel kruiden en zij sprak:
—Aan het kind bied ik de angelica, die den man voor ontucht behoedt en de venkel, die Satan van hem verwijderd houdt....
—Hebt gij het kruideken niet, vroeg Klaas, dat guldens aantrekt?
—Neen, zegde zij.
—Dan ga ik zien of er iets in de vaart is te vinden.
Hij ging heen, met zijn hengel en zijn net, zeker dat hij niemand ontmoeten zou, want het was nog een heel uur vóór oosterzon, wat in Vlaanderen vijf uren zeggen wil.
Klaas kwam aan de Brugsche vaart, niet verre van de zee. Hij schoof het aas aan den haak, wierp de lijn uit en liet ook zijn net in ’t water zinken. Op den overkant der vaart lag een goedgekleede knaap vast in slaap, op een bed van mosselen. [3]
Op het gerucht, dat Klaas maakte, werd de jongen wakker; hij wilde vluchten, meenende dat het een serjant der naburige gemeente was, die kwam om hem te pakken en naar het Steen te brengen voor landlooperij.
Doch de schrik was verdwenen toen hij Klaas herkende, die hem toeriep:
—Wilt gij zes duiten verdienen? Ja?... Jaag dan de visch langs hier!
Op die woorden ging het knaapje, een kleine dikzak, het water in; het trok er eenige lischbladeren, vatte ze tot een bundel samen en joeg er mee de visch naar Klaas.
Toen de vangst gedaan was, trok Klaas net en lijn uit het water en ging hij de sluis over naar het knaapje.
—Gij zijt het, zegde hij, die Lamme heet van uw doopnaam, en Goedzak om den wille van uw zachtaardig karakter, en achter Onze Lieve Vrouwekerk in de Reigerstraat woont? Hoe komt het dat gij, zoo jong en zoo netgekleed, onder den blooten hemel slaapt?
—Laas! baas kooldrager, antwoordde het jongetje, ik heb thuis eene zuster, die een jaar jonger is dan ik en mij troef geeft bij den minsten twist. Maar op haren rug durf ik mijne weerwraak niet nemen, want ik zou haar zeer doen, baas. Gisterenavond, onder het eten, wischte ik met mijne vingers een teil uit, waarin ossenvleesch met boonen geweest was, en zij wou er heur deel van hebben. Daar was niet eens genoeg voor mij, baas. Als ze mij zag likkebaarden om den goeden smaak der saus, werd ze razend en sloeg ze met de volle hand mij zóó in ’t gezicht, dat ik heel bebloed het huis uitgeloopen ben.
Klaas vroeg hem wat zijn vader en zijne moeder zeiden, terwijl hij zoo geslagen werd.
Lamme Goedzak antwoordde:
—Vader stompte mij op den eenen schouder en moeder klopte mij op den anderen, roepende: “Verweer u, laffe Lamme”. Maar ik wil geen meisje slaan en daarom ben ik weggeloopen.
Eensklaps verbleekte Lamme en beefde hij als een riet.
En Klaas zag een lange vrouw afkomen, met een mager meisje naast zich, dat er barsch uitzag.
—Ah! zuchtte Lamme, terwijl hij Klaas bij zijne hooze vastgreep, daar komen moeder en zuster mij halen. Bescherm mij toch, baas kooldrager! [4]
—Dáár, sprak Klaas, neem eerst die zes duiten voor uwe moeite en heb geen vrees.
Toen de twee vrouwen Lamme zagen, liepen zij naar hem toe, en beiden wilden hem slaan, de moeder omdat hij haar onrust aangedaan had en de zuster uit gewoonte.
Lamme verschool zich achter Klaas en riep:
—Ik heb zes duiten verdiend, ik heb zes duiten verdiend, slaat me niet!
Doch de moeder kuste haren jongen reeds, terwijl het meisje Lamme’s handen wilde openwringen, om hem zijn geld af te nemen. Maar Lamme schreeuwde:
—’t Is ’t mijne, ge zult het niet hebben.... ’t Is ’t mijne!
En hij balde de vuisten.
Toen trok Klaas de kleine meid geducht bij de ooren en sprak:
—Als het u nog voorvalt leed te doen aan uw broer, die goed en zacht is als een lammeken, steek ik u in een donker kolenhok, en daar zal ik u niet meer bij de ooren trekken, maar de roode duivel uit de hel; hij zal u aan stukken scheuren met zijn groote klauwen en zijne tanden, die op vorken gelijken.
Op die woorden dorst de meid Klaas niet meer te bezien, noch heuren broeder te naderen; zij verborg zich achter de rokken heurer moeder. Doch in de stad schreeuwde zij het overal uit:
—De kooldrager heeft mij geslagen; hij heeft een duivel in zijn kelder.
Nochtans dorst zij Lamme niet meer slaan; maar als zij groot was, deed ze hem haar werk doen. En de goede sul gehoorzaamde gewillig.
Onderweg had Klaas zijne vangst verkocht aan een pachter, een lekkerbek, en thuis komende, zegde hij tot Soetkin:
—Zie, dat heb ik gevonden in den buik van vier snoeken, negen karpers en in een volle ben paling.
En hij smeet twee gulden en een oortje op tafel.
—Man, waarom gaat gij niet alle dagen visschen? vroeg Soetkin.
Klaas antwoordde:
—Wel, omdat ik zelf niet geerne zou spartelen in de netten van de stadsserjanten.
Te Damme werd Uilenspiegel’s vader “Klaas de kooldrager” geheeten. Klaas had zwart haar, schitterende oogen; zijn vel [5] was van de kleur zijner koopwaar, uitgenomen op Zon- en feestdagen, als er veel zeep in de stulp was. Hij was klein, hoekig, sterk en blijgezind.
Als zijn werk gedaan was en hij met den valavond naar eene taveerne van den Brugschen steenweg ging, om met kuite zijn keelgat te spoelen, dat zwart was van koolstof, riepen al de vrouwen, die, op den dorpel van heur deur den koelen avond genoten, hem vriendelijk toe:
—Goên avond en klaar bier, kooldrager!
—Goên avond en ’nen man die niet slaapt, antwoordde Klaas.
De meisjes die in troepjes van het veld kwamen, stelden zich vóór hem, lieten hem niet door en vroegen hem:
—Wat geeft ge om er door te mogen: een scharlaken lint, een vergulden gesp, fluweelen schoentjes of een gulden in ons beursje?
Maar Klaas nam er eene om haar middel en kuste heur wangen of heur hals, al naarvolgens zijn mond het dichtst bij de donzige huid was, en dan zegde hij:
—Vraagt, mijne hertjes, vraagt de rest aan uwe minnaars.
En schaterlachend gingen de joelende meisjes voort.
De kinderen herkenden Klaas aan zijn grove stem en aan zijn zwaren stap. Zij liepen naar hem toe en zeiden:
—’n Avond, kooldrager!
—Van ’s gelijken, mijne engelkens, zei Klaas; maar komt niet te dicht, of ’k maak U zwart als moorkens.
De stoute kaboutermannekens kwamen toch nader; dan nam Klaas er een bij zijn wambuis, streek zijn zwarte hand over ’t gladde gezichtje en liet hem zoo loopen, tot groote vreugd van de schaterende bende.
Soetkin, Klaas’ wijf, was een brave, wakkere vrouw, die opstond met de zon, en vlug en vlijtig was als een bij.
Zij en Klaas bebouwden getweeën hunnen akker en spanden zich als ossen vóór den ploeg. Zwaar was het om hem voort te trekken, doch zwaarder nog trok de egge, die met hare houten tanden den harden grond moest scheuren. Toch deden zij het blij te moede, met een liedeken op de lippen.
En de grond mocht nog zoo hard zijn en de zon hare heetste stralen op hen neerschieten: zij konden water en bloed zweeten als zij de egge trokken dat hunne knieën knikten—al hun lijden vergaten zij, als zij even stil stonden en Soetkin heur zacht gelaat naar Klaas keerde, want dan kuste Klaas den spiegel van die teedere ziele. [6]
Den vooravond had men van de pui van ’t gemeentehuis uitgeroepen dat Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.
Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.
—Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.
—Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken, die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.—’k Zag meisjes levend begraven! En de beul danste op de lijken!—De bloedsteen, die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.
—Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister voorteeken voor Vlaanderenland!
—Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.
—Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.
Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:
—Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas, die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken, maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt, zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder; Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel’s gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Ooedzak, een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van ’t volk gaan, en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovende [7] wespen, omlaag de noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.
Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.
Uilenspiegel werd ten doop gebracht, toen plotseling een hevige regenbui viel, die hem gansch nat maakte. Zoo werd hij voor de eerste maal gedoopt.
Als hij nu de kerk binnengebracht werd, kwam de kosterschoolmeester aan peter en meter, vader en moeder zeggen, dat zij zich rond de doopvont moesten scharen, hetgeen zij deden.
Maar boven de vont, was er in ’t gewelf een gat, dat een metser gekapt had om er eene lamp aan een vergulde sterre te hangen. De metser, die, van boven, peter en meter stokstijf rond de toegedekte vont zag staan, goot verraderlijk door het gat een emmer water, dat, tusschen hen, met groot geplas op het deksel van de vont kletste. Doch Uilenspiegel kreeg er het grootste deel van. En zoo werd hij voor de tweede maal gedoopt.
De deken kwam; zij deden hem hun beklag, maar hij zei hun van zich te haasten, dat het een ongeluk was. Uilenspiegel ging te werk als een bezetene, om den wille van het water, dat op hem gespat was. De deken gaf hem het zout en het water en heette hem Thijlbert, wat zeggen wil: “altijd ongedurig”. En zoo werd hij voor de derde maal gedoopt.
Uit Onze Lieve Vrouwekerk ging men daar rechtover, in de Langestraat, eene taveerne binnen, die voor uithangbord een rozenkrans had, met eene pint in het midden. Zij dronken er zeventien pinten dobbele kuite en nog meer. Want in Vlaanderen, als men nat is, droogt men zich met een vuur van bier in den buik. Zoo werd Uilenspiegel voor de vierde maal gedoopt.
Met het hoofd zwaarder dan ’t lichaam, strompelden ze huiswaarts; zoo kwamen ze aan een brugje over eenen poel; Katelijne, die meter was, droeg het kind; zij struikelde en viel in de modder met Uilenspiegel. Zoo werd hij voor de vijfde maal gedoopt.
Men trok hem uit den poel. In ’t huis van Klaas werd hij met lauw water gewasschen. Dit was zijn zesde doopsel. [8]
Dien dag besloot Zijne Heilige Masjesteit keizer Karel, groote feesten te houden, om de geboorte van zijn zoon te vieren. Evenals Klaas, besloot hij uit visschen te gaan, niet in de vaart, doch in de beurzen en tasschen zijner onderdanen. Daaruit is het dat vorstelijke lijnen gouden karolussen, gouden lammeren, rozenobels, dubloenen, zilveren daelders en al die wonderbare visschen trekken, die, naar willekeur van den visscher, veranderen in fluweelen kleederen en schitterende edelgesteenten, in lekkeren wijn en smakelijke gerechten. Want de rivieren, die ’t rijkst zijn aan visch, zijn niet die, waarin het meeste water is.
Nadat Zijne Heilige Majesteit zijn raad bijeengeroepen had, besloot hij, dat de vangst volgenderwijze geschieden zou:
De genadige infant zou rond negen of tien uren ten doop gebracht worden; ten blijke van groote vreugde, zouden de inwoners van Valladolid heel den nacht, op eigen kosten, feesten en kermissen, en ten bate der armen, hun geld op de Groote Markt strooien.
Op vijf punten zou eene fontein, tot aan den dageraad toe, goeden wijn spuiten, die door de stad moest betaald worden. Op vijf andere plaatsen zouden, op houten kramen, allerhande worsten, ossetongen en pasteien uitgestald worden, mede ten laste van de stad.
Op eigen kosten zouden de lieden van Valladolid, op den doortocht van den stoet, in grooten getale zegebogen oprichten, den Vrede, het Geluk, den Overvloed, de Fortuin voorstellend, en allerhande zinnebeeldige toespelingen op de gaven des hemels, waarmede zij onder de regeering van Zijne Heilige Majesteit begunstigd waren.
Ten slotte en behalve deze bogen van pais, zouden er andere opgericht worden, waarop, in helle kleuren, minder goedertieren kenteekenen zouden prijken, zooals arenden, leeuwen, lansen, hellebaarden, vlammende spiesen, kanonnen, falkonetten, slangen met wijden mond, mitsgaders al ander oorlogstuig, om op zinnebeeldige wijze de macht en de kracht van Zijne Heilige Majesteit voor te stellen.
En, voor het verlichten der kerk zou, als een blijk van de genade Zijner Majesteit, aan het gilde der keersgieters toegestaan worden, voor niet, over de twintig duizend waskeersen te leveren, waarvan de onopgebrande einden naar ’t kapittel zouden gaan. [9]
Al de andere kosten zou de keizer zelf betalen, om aldus te toonen, dat het Zijner Goedertierenheid behaagde, zijne volkeren niet te zeer te belasten.
Als de gemeente die bevelen uitvoerde, kwamen jammerlijke tijdingen uit Rome. Oranje, Alençon en Frundsberg, bevelhebbers van den keizer, waren binnen de heilige stede gedrongen en hadden er kerken, kapellen en huizen verwoest en geplunderd, niemand, priesters, nonnen, moeders noch kinderen, sparend. Den Heiligen Vader hadden zij gevangengenomen. De plundering duurde reeds een volle week; ridders en landsknechten doolden door Rome, zwelgend en brassend, met de wapens zwaaiend, op zoek naar de kardinalen, roepende en tierende, dat zij hen allen derwijze verminken zouden, dat geen hunner ooit paus zou worden. Enkelen hadden die bedreiging reeds ten uitvoer gebracht en dweilden langs de straten met halssnoeren van acht-en-twintig of meer bloedige bollen, groot als okkernoten. De wegen leken roode beken, waarin de verminkte lijken der vermoorden lagen.
Onder het volk werd gezegd, dat de keizer, die geld noodig had, er wilde visschen in het bloed van de priesters, en dat hij bekend met het tractaat, den gevangen paus door zijne bevelhebbers opgelegd, hem dwong afstand te doen van al de versterkte plaatsen zijner Staten, 400.000 dukaten te betalen en gevangen te blijven totdat aan die voorwaarden voldaan was.
Nochtans was de droefheid van Zijne Majesteit zoo groot, dat hij al de toebereidselen van vreugde, feesten en vermakelijkheden afzegde en den heeren en edelvrouwen van zijn huis beval den rouw aan te nemen.
En de infant werd gedoopt in zijn witte doeken, ten teeken van koninklijken rouw.
Dat alles aanschouwden de heeren en edelvrouwen als voorteekenen van rampspoed.
Desniettemin toonde de voedster den infant aan de edelen en edelvrouwen van het koninklijk huis, opdat zij hem, naar aloud gebruik, hunne wenschen en giften zouden bieden.
Mevrouw de la Coena hing om zijn hals een zwarten steen tegen het vergif, zoo rond en zoo groot als eene hazelnoot, in een gouden ring gevat; Mevrouw de Chaussade bond aan een zijden draadje eene schelp, wolfsmuil geheeten, hangende op zijne maag, voor de goede spijsvertering; messire Van der Steen, uit Vlaanderen, bood hem een Gentsche worst, vijf ellebogen [10] lang en een halven dik, en wenschte daarbij hoogstnederig aan Zijne Hoogheid, dat hij, alleen op den reuk van de worst, dorst mocht krijgen naar Gentschen klauwaard, daarbij voegende dat, al wie het bier eener stad lust, de brouwers niet kan haten; messire jonker Jacob Christoffel van Castilië bad Zijne Hoogheid den Infant een groenen jaspis aan zijn doorluchtige voetjes te willen dragen, opdat hij goed zou kunnen loopen. Jan de Paepe, de nar, die daar ook was, sprak toen:
—Messire, geef hem liever den horen van Jozua, op wiens geschal al de steden, met alles wat er in was aan mannen, vrouwlieden en kinderen, zich in beweging zetten en liepen. Want Zijne Hoogheid moet niet leeren zelf te loopen, maar wel de anderen te doen loopen.
De bedrukte weduwe van Floris van Borsele, in leven heer van Veere in Zeeland, schonk aan Zijne Hoogheid Philippus eenen steen die, naar zij zegde, de eigenschap had de mannen verliefd en de vrouwen ontroostbaar te maken.
Maar de infant schreide zonder ophouden.
Uilenspiegel schreide ook, maar Klaas stak hem een wisschen klater met belletjes in de hand, deed hem op zijne hand dansen en sprak: Klingelingeling, hadt gij maar altijd belletjes aan uw kaproen, mijn zoon, want de gekken zijn meester van de wereld.
En Uilenspiegel lachte zijn vader toe.
Klaas had een grooten zalm gevangen, die op een Zondag gegeten werd door hem en ook door Soetkin, Katelijne en den kleinen Uilenspiegel; doch Katelijne at niet meer dan een vogelken.
—Maar, zei Klaas tot haar, is Vlaanderens lucht tegenwoordig zoo voedzaam, dat gij maar moet ademhalen om gespijsd te wezen als met een teil vleesch? Wanneer zal men kunnen leven zonder eten? De regen moest goede soep zijn, de hagelsteenen erwten en de sneeuw stoverije; dat zou den armen pelgrims versterking geven.
Katelijne schudde zwijgend het hoofd.
—Maar, moet gij daar zoo jammerend zitten? zei Klaas. Wat scheelt er aan?
Toen sprak Katelijne met eene stem, zacht als een ademtocht:
—De booze geest, de zwarte nacht valt neer.—Daar meldt [11] hij zijne komst, met het geschreeuw van den nachtuil.—Rillend aanroep ik—te vergeefs—de Heilige Maagd.—Voor hem, muren noch hagen, deuren noch vensters.—Licht als een geest, dringt hij overal binnen.—Krakende ladder.—Hij is bij mij, op den zolder waar mijne legerstee staat.—Hij grijpt mij in zijn koude armen, als marmer zoo hard.—IJskoud is zijn gelaat, en zijn kussen vochtig als de sneeuw.—De stroohut schudt en slingert als een schuitje op de woelige zee....
—Elken morgen, zei Klaas, moet gij ter misse gaan, opdat de Heer Jezus U de kracht geve dat helsche spook te verjagen.
—Hij is zoo schoon! sprak zij.
Als Uilenspiegel gespeend was, groeide hij op lijk een boom.
Dan kuste zijn vader hem zoo dikwerf niet meer, maar voedde hem streng op, opdat hij geen weekeling worden zou.
Als Uilenspiegel thuis kwam en kloeg, dat hij, bij een of anderen twist, klop gekregen had, kreeg hij er nog klop bij van Klaas, omdat hij de anderen niet geklopt had: en, aldus opgebracht, kreeg Uilenspiegel den moed van een jongen leeuw.
Als Klaas er niet was, vroeg Uilenspiegel aan Soetkin een duit om te spelen. Dan was Soetkin boos en sprak:
—Waarom moet ge gaan spelen? Blijf liever thuis, om mutsaards te binden.
En als zij niets gaf, begon Uilenspiegel te blaten als een lam. Maar Soetkin maakte dan veel leven met potten en pannen, om te gebaren dat ze hem niet hoorde. Dan weende Uilenspiegel, en de zoete moeder liet hare geveinsde hardheid af, kwam tot hem, streelde hem en vroeg: “Hebt gij genoeg met een denier?” Nu, gij moet weten, dat een denier zes duiten gold.
Zoo beminde zij hem te veel en, als Klaas er niet was, was Uilenspiegel baas in huis.
Op een morgen zag Soetkin haren man met gebogen hoofd in de keuken staan, in gedachten verdiept.
—Wat scheelt er toch, man? vroeg zij. Ge ziet bleek, gij zijt kwaad en verstrooid.
Met eene stem, als een hond die bromt, antwoordde Klaas: [12]
—De wreede plakkaten des keizers gaan ze weer uithalen. Opnieuw gaat de dood over Vlaanderenland heerschen. De aanbrengers krijgen de helft van de have der slachtoffers, als de have de honderd karolusgulden niet te boven gaat.
—Wij zijn arm, sprak zij.
—Arm, zeide hij,... niet arm genoeg. Er zijn lage zielen, gieren en raven, die ons zouden aanklagen, zoowel om een zak kolen als om een zak karolussen met Zijne Majesteit te deelen. Wat bezat het arme Tanneken, de weduw van Sies den kleermaker, die ze te Heist levend begroeven? Een Latijnschen bijbel, drie gouden florijnen en wat potten van Engelsch tin, waarop eene buurvrouw loerde. Wantje Martens werd eerst in ’t water geworpen; haar lijf dreef boven, en daarin zag men hekserij, weshalve zij als tooveres verbrand werd. Zij had wat gebroken meubelen, zeven gouden karolussen in een lederen tassche, en de aanklager vroeg er de helft van. Eilaas! nog tot morgen zou ik aldus kunnen spreken: maar wat baat het, vrouw: in Vlaanderen is het leven onhoudbaar om den wille van de plakkaten. Welhaast zal telken nacht de kar van den Dood dof door de straten rijden en wij zullen zijne beenderen hooren rammelen.
Soetkin sprak:
—Jaag me geen schrik aan, Klaas. De keizer is de vader van Vlaanderen en Brabant; als dusdanig is hij braaf en grootmoedig, geduldig en genadig.
—Daarbij zou hij te veel verliezen, antwoordde Klaas, want de verbeurdverklaarde goederen komen hem bij erfenis toe.
Plotseling hoorde men de trompet en de cimbels van den stadsuitroeper. Op dat geluid kwamen Klaas en Soetkin, die beurt om beurt Uilenspiegel op den arm droegen, met de volksmenigte toegeloopen.
Zoo kwamen zij aan het schepenhuis. Voor de pui waren de herauten te peerd, op bazuinen blazend en op cimbels slaande, de provoost met de roede der justitie in de hand en de stadsprocureur, ook te peerd, die eene ordonnantie des keizers in de hand hield en zich gereed maakte ze aan vergaderde volksmenigte voor te lezen.
Klaas vernam, dat het andermaal aan allen in ’t algemeen en aan elk in ’t bijzonder verboden was, te drukken, te lezen, in bezit te hebben of voor te staan, de boeken, schriften of leerstellingen van Martinus Luther, van Joannes Wycliff, Joannes Huss, Marcilius van Padua, Æcolampadius, Ulricus [13] Zwinglius, Philippus Melanchton, Franciscus Lambertus, Joannes Pomeranus, Otto Brunselsius, Justus Jonas, Joannes Pupperis en Gorcianus, de Nieuwe Testamenten gedrukt door Adriaan van Bergen, Christoffel van Roemonde en Joannes Zell, vol Luthersche en andere heresiën, verworpen en veroordeeld door de Faculteit der godgeleerdheid van de Universiteit van Leuven. Mitsgaders te maken of te doen maken smadelijke konterfeitsels of afbeeldsels van God, van de heilige Maagd Maria of van de santen; te breken, te scheuren of uit te wisschen de beelden of konterfeitsels, vervaardigd tot verheerlijking van en tot aandenken aan God en de Maagd Maria of de heiligen der kerk.
Verder zei het plakkaat, dat het aan niemand toegelaten was, tot welken staat hij ook mocht behooren, zich te vermeten de Heilige Schrifture te bespreken of over haar te twisten, zelfs niet op twijfelachtige punten, tenzij door een godgeleerde van naam, erkend door eene Universiteit, daartoe gemachtigd.
Onder andere straffen besliste Zijne Heilige Majesteit, dat de verdachten nooit of nimmer een eerbaar ambt zouden kunnen bekleeden. En zij, welke in hunne dolingen hervielen of bleven volharden, zouden veroordeeld worden met een zacht of hard vuur, in een strooien huis of gebonden aan een paal te worden verbrand, al naar de sententie van den rechter. De anderen zouden omgebracht worden door het zweerd als zij edelen of goede burgers waren, de gemeene manslieden aan de galg geknoopt en de vrouwlieden levend begraven. Om tot voorbeeld te strekken, zou hun hoofd op een paal worden gestoken. Ten profijte van den keizer was er verbeurte hunner goederen, overal waar verbeurdverklaring geschieden kon.
Zijne Heilige Majesteit schonk den aanbrengers de helft van al hetgene de aflijvigen in eigendom bezeten hadden, zoo die have de somme van honderd pond grooten, Vlaamsche munte, alles in ’t alles, niet te boven ging. En wat aanging het deel van den keizer, dit zou hij aanwenden voor werken van godsvrucht en van bermhertigheid, gelijk bij de plundering van Rome was geschied.
En treurig keerde Klaas naar huis, met Soetkin en Uilenspiegel.

Opnieuw gaat de dood over Vlaanderenland heerschen. (Blz. 12).
Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven florijnen een ezel en negen halsters boonen, en op [14] een morgen besteeg hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent Meiborg, in de Duitsche landen.
Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest, had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen opgevat en leefde in eenzaamheid.
Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst toegetakeld had.
Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale, twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en kruidenwijn.
Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En ’t was wonderlijk ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren schenden en rooven.
Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen borstel in ’t vuur, die door het schroeien der haren de lucht met een geweldigen stank vervulde.
Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen weldra elkander in ’t haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de kamer verdreven.
En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken, van kousen, van hemden en ook oude tanden.
En droefgeestig zei hij tot zich zelven:
—Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong achtergelaten.
In het baljuwschap Meiborg ging Klaas door een smal boschje: de ezel hapte hier en daar naar een distel; Uilenspiegel smeet zijne kaproen naar de vlinders en ving ze weer op, [15] zonder van den ezel te komen. Klaas at eene snede brood en nam zich voor, die in de naaste taveerne te begieten. Van verre hoorde hij een klokje kleppen en een gedruisch als van vele menschen die altegader spreken.
—’t Is eene bedevaart, en de heeren pelgrims zijn zeker in grooten getale. Houd u goed vast, mijn zoon, dat zij u niet van het grauwtje stooten. Wij zullen zien. Komaan, ezeltje, wat gauwer, toe!
En de ezel draafde.
Zij verlieten den zoom van het bosch en daalden naar een groote vlakte, ten Westen door eene rivier bespoeld. Aan den Oosterkant stond een kleine kapel, den gevel versierd met een beeld der Lieve-Vrouwe, met twee stieren aan heure voeten. Op de trappen van de kapel stonden een heremiet—die giegelend, aan ’t kleppen was—vijftig staffieren met brandende keersen in de hand, spelers, klokluiders en trommelslagers, klaroenblazers, pijpers, schalmei- en doedelzakspelers, alsmede een hoop lustige gezellen, die bakken vol oudroest in de handen hielden, doch voor het oogenblik allen stille zwegen.
Meer dan vijf duizend pelgrims, in gesloten gelederen, elk van zeven man, met helmen op en stokken van groen hout in de hand, gingen hen voorbij. Dan schaarden zij zich, telkens zeven, vóór de kapel. Zij lieten hunne stokken zegenen en kregen elk eene keers uit de handen der staffieren, in ruil waarvan zij den heremiet een halven florijn betaalden.
En hunne processie was zoo lang, dat de keersen van de eersten opgebrand waren, toen die van de laatsten nog hare volle lengte hadden.
Klaas, Uilenspiegel en de ezel verlustigden zich met aldus een groote verscheidenheid breede, hooge, lange, puntige, fiere, ronde of slappe buiken te zien voorbijgaan.
Al de pelgrims hadden helmen op. Er waren er die van Troje kwamen, andere, die phrygische mutsen leken. Sommige pelgrims hoewel met bolle wangen en dikke buiken, droegen helmen met uitgespreide vleugelen, doch hadden geenerlei zin tot vliegen. Anderen waren gekapt met zoogenaamde “salades”, door de slakken onwaardig gekeurd omdat ze niet groen genoeg waren.
Maar het meerendeel had helmen, zou oud en verroest, dat ze uit den tijd schenen te zijn van Gambrinus, koning van Vlaanderen en koning van het bier, dewelke regeerde negenhonderd jaar vóór Christus en eene pint op zijn hoofd droeg, [16] uit vrees niet op tijd te kunnen drinken, bij gebrek aan een beker.
Eensklaps begonnen klokken, pijpen, schalmeien, trommelen en het oudroest te kleppen, te fluiten, te schallen, te slaan en te kletteren.
Het was het sein voor de pelgrims zich omme te keeren en bij groepen van zeven zich nu tegenover elkaar te plaatsen. Als uitdaging stak elk de brandende keers in het gelaat van zijn overman. Daardoor ontstond groot genies en daarna regende het stokslagen.
Ze vochten en sloegen met handen en voeten, met hoofden, met alles. Er waren er, die, gelijk de rammen, op hunne tegenstrevers vielen, met den helm vooruit, die bij den eersten schok over hunne ooren schoot, en als blinden terechtkwamen op zeven andere woedende pelgrims, die hen verwelkomden, maar niet met zachtheid.
Anderen, schreeuwers en bloodaards, jammerden om de ontvangen slagen, maar bij het prevelen hunner gebeden werden ze bliksemsnel door nieuwe zeventallen overvallen en zonder genade omvergeloopen of omvergetrapt.
En de heremiet lachte.
Verderop zag men zeventallen, die als klissen aan elkaar hingen en van boven naar beneden in het water rolden; maar zij bleven elkaar toetakelen en ranselen, zonder dat het water hunne woede bekoelde.
En de heremiet lachte.
Zij, die boven gebleven waren, sloegen elkander de oogen blauw en de tanden vaneen, rukten elkanders haren uit, en scheurden wambuizen en hoozen aan stukken.
En de heremiet lachte en sprak:
—Dapper aan, vrienden: wie ’t hardst slaat, bemint het meest. Aan de kloekste vechters, de schoonste liefjes! Hier ziet Onze Lieve Vrouw van Rindbisbels, wie man is!
En de pelgrims sloegen als op kaf.
Middelerwijl was Klaas den heremiet genaderd, terwijl Uilenspiegel lachend en gierend op de slagen bleef toekijken.
—Eerwaarde vader, vroeg hij, welke misdaad hebben die arme sukkelaars bedreven, om elkander zoo wreedelijk te mishandelen?
Doch zonder hem te aanhooren, riep de heremiet:
—Luieriken! gij verliest den moed. Als de vuisten moede [17] zijn, zijn de voeten het immers nog niet! Zijn er onder U, die beenen hebben om te vluchten als hazen? Wat doet het vuur uit de steenen springen? Het ijzer, dat er op slaat!
Op die woorden gingen die onnoozele pelgrims voort te vechten met helmen, met handen en met voeten, ’t Was een verwoede strijd, waarvan Argus met zijn honderd oogen niets hadde gezien dan stofwolken en hier en daar de punt van een helm.
Doch eensklaps begon de heremiet te kleppen. Pijpen, trommelen, trompetten en schalmeien en het oudroest staakten hun gedruisch, tot teeken van vrede.
De pelgrims brachten nu hunne gekwetsten bijeen. Er waren er, wier tong, gezwollen van gramschap, uit den mond hing. Maar die ging van zelve in hare verblijfplaats terug. Moeilijker was het om de helmen af te trekken, die tot ver over de ooren zaten. Zij schudden den kop en bleven hem schudden: de helmen waren vast gelijk groene pruimen aan den boom.
Doch toen sprak de heremiet:
—Leest elkeen een ave en keert terug naar uw wijf. En binnen negen maanden zullen evenveel kinderen meer in het baljuwschap zijn, als heden ’t gevecht dappere strijders telde.
En de heremiet zong het ave voor, en allen zongen het mee. En de klok klepte.
De heremiet zegende hen in name van Onze Lieve Vrouwe van Rindbisbels en sprak tot de pelgrims:
—Gaat in vrede!
En roepend en stompend en zingend, trokken zij naar Meiborg terug. Al de vrouwen, oude en jonge, wachtten hen op den dorpel van de huizen, waar zij binnenvlogen als soldeniers in een stormenderhand veroverde stad.
De klokken van Meiborg luidden al te gader: de jongens floten, riepen, speelden op den rommelpot.
Pinten en stoopen, bekers en glazen gingen lustig aan ’t klinken en rinkelen. En de wijn vloeide in de kelen als een stroom in de zee.
Terwijl de klokken luidden en de wind, bij vlagen, aan Klaas ’t gezang van mannen, vrouwlieden en kinderen bracht, vroeg hij opnieuw aan den heremiet, welke hemelsche gratie die sukkelaars hoopten te verkrijgen, na die hardhandige oefeningen.
Lachend antwoordde hem de heremiet:
—Op die kapel daar, ziet ge twee gekapte beelden, die twee stieren voorstellen. Zij staan daar ter herinnering aan het mirakel [18] van den heiligen Martinus, die twee ossen in stieren veranderen deed, door hen met de horens te doen vechten. Daarna streek hij meer dan een uur keersvet over hunnen snuit, en sloeg er met den stok op.
Welnu, ik kende het mirakel. Ik vroeg Zijne Heiligheid om eene vergunning, die ik duur betaalde en kwam mij vestigen in dit oord.
Toen preekte ik over het wonder en weldra kregen al de mannen, zoo ouden als jongen, de zekerheid dat Onze Lieve Vrouwe hun genadig was als ze goed gevochten hadden met de keers die de zalf, en den stok die de kracht is. Hierheen is het, dat de vrouwen heuren man sturen. De kinderen, die uit kracht van de bedevaart verwekt zijn, worden vlug en wreedaardig, geweldig en roekeloos en, later, vrome soldaten.
Eenklaps vroeg de heremiet aan Klaas:
—Herkent gij mij?
—Ja, sprak Klaas, gij zijt mijn broeder Judocus.
—Gij zijt er, antwoordde de heremiet, maar wie is die bengel daar, die leelijke gezichten naar mij trekt?
—’t Is uw neef, was ’t antwoord van Klaas.
—Welk verschil maakt gij tusschen keizer Karel en mij?
—’t Is groot, sprak Klaas.
—’t Is klein, wedervoer Judocus: de keizer doodt de menschen en bij mij krijgen ze klop, tot ons beider profijt en vermaak.
Dan bracht hij Klaas en Uilenspiegel naar zijne kluis, waar zij elf dagen achtereen kermis vierden.
Als Klaas afscheid nam van zijn broer, steeg hij op zijn ezel, met Uilenspiegel achter zich. Op de Markt van Meiborg stonden velerhande pelgrims en als zij hen zagen, ontstaken ze in woede en hieven de stokken dreigend omhoog. En allen riepen “Schelm! Nietdeug!” om den wille van Uilenspiegel, die zijne hooze losgemaakt en zijn hemd opgetrokken had, en zijne achterkaken liet zien.
Klaas, ziende dat ze zijn zoon bedreigden, vroeg hem:
—Wat hebt gij gedaan, dat zij zoo kwaad op u zijn?
—Vadertjelief, antwoordde Uilenspiegel, ik zit op den ezel [19] en zeg tot niemand een woord, en toch schelden ze mij uit voor een nietdeug.
Toen deed Klaas hem langs voren zitten.
In die postuur stak Uilenspiegel de tong uit naar de pelgrims, en roepend en tierend balden ze hunne vuisten en dreigden met hunne stokken Klaas en den ezel.
Maar Klaas sloeg op zijn ezel om hunne woede te ontvlieden. Toen de pelgrims hen met rust lieten, sprak Klaas tot zijn zoon:
—Gij zijt onder een zeer slecht gesternte geboren, want gij zit vóór mij, doet niemand kwaad en toch willen ze u dooden!
Uilenspiegel hield zijn buik vast van ’t lachen.
Terwijl Klaas door ’t Land van Luik reed, hoorde hij zeggen, dat die van Rivage hongersnood leden en dat ze gesteld waren onder de jurisdictie van den officiaal, eene vierschaar van geestelijke rechters. Zij maakten opstand om brood en om wereldlijke rechters te bekomen. Eenigen werden onthoofd of gehangen, anderen uit het land gebannen; dàt was de goedertierenheid van den zachtzinnigen aartsbisschop, den hoogweerdigen Van de Marck.
Klaas zag onderwege de gebannenen, die de zoete vallei van Luik ontvloden, en, aan de boomen, omtrent de stad, zag hij de lijken van hen die gehangen waren, omdat zij de misdaad begaan hadden, honger te hebben. En Klaas schreide over hunnen rampspoed.
Toen Klaas op zijn ezel weer thuis kwam met een zak vol oortjes, dien hij van zijn broeder gekregen had en ook met een schoonen beker van Engelsch tin, was ’t Zondag en weekdag kermis in de arme stulp; alle dagen at men boonen met vleesch.
Menigmaal vulde Klaas den schoonen beker met schuimende dobbele kuite.
Uilenspiegel at voor drie; hij ging en kwam naar de borden en teilen als eene musch op een graanzolder.
Eet gij het zoutvat niet mee? vroeg Klaas.
Uilenspiegel antwoordde:
—Wanneer, gelijk hier, het zoutvat gemaakt is van een uitgeholde korst brood, moet men het soms opeten, anders komen er wormen in. [20]
—Waarom, zegde Soetkin, veegt gij uwe vettige handen af aan uwe hooze?
—Aan mijne hooze? wel, om nooit met natte billen te loopen.
Daarop dronk Klaas een groote teug bier uit zijn tinnen beker.
Uilenspiegel vroeg hem:
—Waarom hebt gij zoo’n grooten beker en ik maar een klein kroezeken?
Klaas antwoordde:
—Omdat ik uw vader en de baas van het huis ben.
Doch Uilenspiegel hernam:
—Gij drinkt al veertig en ik nog maar negen jaar; gij hebt al genoeg gedronken en mijne beurt is gekomen. Geef mij den beker en neem gij het kroezeken.
—Zoon, sprak Klaas, men giet geen vat bier in een vaatje over zonder morsen.
—Nu ga dan te werk met verstand en giet uwe kan in mijn tonne, want mijn buik is grooter dan uw beker, antwoordde Uilenspiegel.
En lachend liet Klaas hem zijn beker ledigen. En zoo leerde Uilenspiegel listig worden om bier te krijgen.
Onder haren gordel droeg Soetkin het kenmerk van een nieuwe bevruchting; ook Katelijne was zwanger, maar zij dorst heur huis niet verlaten.
Soetkin ging haar bezoeken.
—Ach! sprak zij jammerend, wat ga ik aanvangen met de ongelukkige vrucht van mijn lichaam? Moet ik het wichtje versmachten? Ik zou het besterven! Maar zoo ik een kind heb zonder getrouwd te zijn, zullen de serjanten mij pakken. Ik zal, als een ontuchtige deerne, twintig gulden moeten betalen, en op de groote markt gegeeseld worden.
Om haar te troosten, sprak Soetkin heur eenige zoete woorden toe. Bezorgd en nadenkend keerde zij huiswaarts. Op een morgen sprak zij tot Klaas:
—Zoudt ge mij slaan, Klaas, als ik u twee kindjes schonk in stee van maar één?
—Dat weet ik niet, antwoordde Klaas.
—Maar, sprak Soetkin, als het tweede kindje niet uit mijn [21] lichaam kwam en, gelijk dat van Katelijne, verwekt was door een onbekende, door den duivel misschien?
—De duivel, antwoordde Klaas, verwekt wel vuur en dood en rook, maar geen kinderen. Het kind van Katelijne zal ik als het onze aanzien.
—Zoudt gij dat? vroeg zij.
—Gelijk ik u zeg, hernam Klaas.
Soetkin ging die goede mare aan Katelijne kondschappen en uiterst gelukkig en opgetogen riep deze uit:
—De goede man heeft gesproken voor ’t heil van mijn lichaam. God zal hem zegenen, en ook de duivel, sprak zij huiverd, als ’t een duivel is, die U verwekte, arm schaapje, dat in mijn boezem leeft.
Soetkin bracht een zoon en Katelijne eene dochter ter wereld. Beiden werden ten doop gebracht als zoon en dochter van Klaas. De knaap werd Hans genoemd, maar bleef niet in leven; het meisje werd Nele geheeten en groeide flink op.
Aan vier bekers dronk zij levenssap: aan de borsten van Soetkin en aan die van Katelijne. En een zoete strijd ontstond tusschen de twee vrouwen, om de kleine de borst te mogen geven. Maar tot haar groot leed, moest Katelijne heure melk laten verdrogen, want men hadde heur gevraagd van waar die kwam, zonder dat zij moeder was.
Als Nele gespeend was, nam Katelijne heure dochter bij zich en liet haar niet eerder naar Soetkin gaan, dan nadat zij heur “moeder” genoemd had.
En de buren zeiden, dat het schoon was van Katelijne, die have en goed bezat, het kind op te voeden, want Soetkin en Klaas leefden veelal in kommer en armoe.
Op zekeren morgen was Uilenspiegel alleen thuis. Hij verdroot zich geweldig, en nam een schoen van zijn vader, om er een schuitje van te maken. De groote mast stond reeds vast in de zool en Uilenspiegel ging een gat snijden in ’t overleer, om den boegspriet te plaatsen, toen hij over ’t halfdeurken het hoofd van een ruiter en den kop van een peerd zag.
—Is hier niemand? vroeg de ruiter.
—Ja, antwoordde Uilenspiegel, een mensch, een halve mensch en een paardekop. [22]
—Hoezoo? vroeg de ruiter.
Uilenspiegel sprak:
—Wel, ik zie hier een heelen mensch en die ben ik; verder zie ik een halven mensch, te weten, uw hoofd en borst, en daarbij nog den kop van uw peerd.
—Waar zijn uw vader en moeder? vroeg de man.
—Vader gaat van kwaad tot erger en moeder is bezig met ons in scha of schande te brengen.
—Dat begrijp ik niet, sprak de ruiter.
Uilenspiegel hernam:
—Vader graaft de voren van zijn land dieper, om de jagers, die zijn koren plat trappen, van kwaad in erger te doen vallen. Moeder is geld gaan leenen: geeft zij te veel weer, dan is het ons scha en geeft ze te weinig, dan is het ons schande.
Toen vroeg de man hem den weg.
—Daar, waar de eenden gaan, antwoordde Uilenspiegel.
De ruiter ging heen, doch als Uilenspiegel bezig was met van Klaas’ tweeden schoen eene galei te maken, kwam hij terug.
—Gij hebt mij bedrogen, sprak hij; daar waar de eenden zijn, is het modder en veengrond, waarin zij ploeteren.
Uilenspiegel antwoordde:
—Ik zei u niet van te rijden waar zij ploeteren, doch daar waar zij gaan.
—Wijs mij ten minste den weg, die naar Heist gaat, sprak toen de man.
—In Vlaanderen, zei Uilenspiegel, zijn ’t de menschen die gaan, en de wegen blijven liggen.
Op zekeren dag sprak Soetkin tot Klaas:
—Man, ik heb den dood op het lijf. ’t Is nu al drie dagen, dat Thijl uit den huize is. Waar mag hij wel zijn?
Treurig antwoordde Klaas:
—Hij is waar de straathonden zijn, op den grooten weg, met nietdeugen van zijne soort. God was vol wreedheid, toen hij ons zulk een zoon gaf. Toen Thijl ter wereld kwam, zag ik in hem de vreugd van onzen ouden dag, een werktuig te meer in ons huis; ik meende hem een handwerk te leeren, maar ’t boosaardige noodlot maakt hem tot een schelm, een dagdief. [23]
—Wees niet te gestreng, man, sprak Soetkin. Onze zoon is maar negen jaar, hij is nog in den roes van de eerste jeugd. Moet hij, als de boomen, niet eerst zijne hulsels afwerpen, alvorens zich te kunnen tooien met zijne bladeren, die, voor den boom des volks, de eer en de deugd zijn? ’t Is een kleine guit, ik weet het, maar zijne slimheid zal hem later te goede keeren, als hij ze tot een of ander goed ambacht aanwendt, in stee van ze tot kwade parten te gebruiken. Hij steekt geerne den draak met een ieder; maar later zal hij zijn plaats vinden in een lustige broederschap. Hij lacht gedurig; maar de gezichten, die zuur zien vóór hunne rijpheid, zijn een slecht voorteeken voor later. Zoo hij loopt, is ’t dat hij zulks noodig heeft om te groeien; zoo hij niet werkt, is het dat hij nog niet begrijpt, dat werken een plicht is en als hij somwijlen dag en nacht, een halve week uitblijft, is het dat hij niet beseft hoeveel verdriet hij ons aandoet, want hij heeft een goed hart en ziet ons geerne.
Klaas schudde het hoofd en antwoordde niet, en toen hij sliep, lag Soetkin te weenen. En ’s morgens, als zij dacht dat haar zoon wellicht ergens aan den weg ziek lag, ging zij op den dorpel der deure zien of hij niet afkwam; maar zij zag hem niet en zij zette zich aan ’t venster, om van daar naar de straat te kijken. En meer dan eens bonsde heur het hert in de borst, als zij den lichten stap van een kind hoorde; maar als de kleine voorbijging en zij zag dat het Uilenspiegel niet was, weende zij weer, de arme moeder.
Doch Uilenspiegel was, met zijn deugnieten van kameraden, te Brugge op de Zaterdagsmarkt.
Daar zag men leerzenmakers en schoenlappers in hunne kramen, kleermakers met hoozen, wambuizen, bovenkerels; Antwerpsche meezenvangers, die ’s nachts met een uil ter vogelvangst gaan; daar waren kooplui in wild, hondenvangers, verkoopers van kattevellen voor handschoenen, borstlappen en kragen, en koopers uit alle standen, poorters en poorteressen, knechten en dienstmaagden, broodmeesters, botteliers, eierboeren en -boerinnen en men hoorde ze, ieder op zijn wijs, vragen en bieden, de waren prijzen en afkeuren.
In een hoek van de markt was een schoone lijnwaden tente opgericht op vier palen. Aan den ingang van die tente stond een boer uit het Land van Aalst—met twee monniken naast zich om het geld te ontvangen—die voor een oortje aan de [24] nieuwsgierigen een stukje van het schouderblad van de heilige Maria van Egypte liet zien. Met schorre, heesche stemme, roemde hij de verdiensten der gelukzalige; in zijnen lofzang vergat hij zelfs niet te zeggen hoe ze eens, bij gebreke aan geld, een jongen veerman, die haar overgezet had, betaalde met schoone munt der nature, om Gods gebod, omtrent het loon der werklieden, niet te overtreden.
En de twee monniken knikten om te bevestigen, dat de boer waarheid sprak. Naast hen stond een groot, dik wijf, met een rood gezicht, als Astarte zoo wulpsch, een oorverdoovend lawaai te maken op een gebarsten doedelzak, terwijl een lieftallig meisje naast haar zong als een nachtegaaltje, doch op haar lette niemand. Aan den ingang van de tent wiegelde eene kuip, met de beide ooren aan twee staken vastgemaakt. Als het wijf in hoogdravende woorden vertelde, dat het eene kuip wijwater was, die van Rome kwam en de monniken weer knikten om hare woorden te staven, verviel Uilenspiegel in diepe overpeinzing.
Aan een van de palen der tente stond een ezel gebonden, die meer hooi dan haver kreeg: met hangenden kop zag hij naar de aarde, maar zonder hoop er distels te zien opschieten.
—Jongens, riep Uilenspiegel, naar het wijf, de twee paters en ’t weemoedige grauwtje wijzend, vermits de meesters zoo goed zingen, moet de ezel dansen. En hij liep naar een winkel, en kwam met zes duiten peper. Toen hief hij den steert van den ezel op en wreef er de peper onder.
Als het beest de peper gevoelde, keek het omme, om te zien van waar die ongewone warmte kwam. Het meende, dat het den vuurduivel achter de hielen had en wilde loopen om hem te ontvlieden; dan begon het dier te balken en te stampen en uit al zijne kracht aan den paal te trekken. Bij den eersten schok ging de kuip los, die tusschen de twee haken hing, en al het wijwater kletste op de tent en op hen, die er in waren. Weldra stortte de tent in en de aanwezigen, die naar de geschiedenis van Maria van Egypte luisterden, lagen als onder een natten mantel begraven. En Uilenspiegel en zijne vrienden hoorden van onder het doek groote beroering en geweeklaag, want de geloovigen, die binnen waren, beschuldigden malkander de kuip omvergetrokken te hebben, en wit van woede brachten ze elkander vele vuistslagen toe. Men zag het doek van de tente op en neer gaan, en telkens als Uilenspiegel op het doek een ronden vorm zag uitkomen, stak hij er in met [25] eene speld. Dan hoorde hij grootere kreten en grootere uitdeeling van vuistslagen onder de tente.
En hij had dolle pret en het meest toen hij den ezel zag wegloopen met doek, met kuip en met palen achter zich aan, terwijl de baas van de tent, zijn wijf en zijn kind zich vastklampten aan den sleep van den ezel. Eindelijk kon het dier niet meer voort, het begon erbarmelijk te balken en te stampen, en hield maar op om onder zijn steert te zien of het vuur, dat er brandde, niet haast gebluscht was.
Maar de kwezelaars vochten voort en zonder aan hen te denken, scharrelden de monniken het geld bijeen, dat uit de schaal gevallen was.
Uilenspiegel hielp devotelijk mee, doch niet zonder profijt.
Terwijl de zoon van den kooldrager als een schalk opwies, bracht de ziekelijke zoon van den grooten keizer zijne dagen in droefgeestigheid door. Edelvrouwen en heeren zagen hem, door kamers en gangen van ’t paleis van Vallodolid, zijn armzalig lichaam op waggelende beentjes voortsleepen, alsof hij moeite had de zwaarte te dragen van zijn groot hoofd, met stekelig blond haar bedekt.
Steeds zocht hij de donkere gangen op en bleef er uren lang zitten, met de beenen uitgestrekt. En als een dienstknecht er uit onachtzaamheid op trapte, liet hij hem geeselen, en als hij hem hoorde huilen van pijn, deed het hem goed, maar hij lachte niet.
’s Anderen daags haalde hij elders in de gangen van het paleis dezelfde streken uit. Edelvrouwen, heeren en schildknapen, die hem voorbijgingen, deed hij struikelen, en als zij vielen en zich bezeerden deed hem dat genoegen, maar hij lachte niet.
En zoo iemand hem aanraakte en niet viel, huilde hij alsof hij geslagen was: en de ontsteltenis ziende, was hij blij, maar hij lachte niet.
Zijne Majesteit hierover verwittigd, beval, dat men geen acht op den infant moest geven, zeggende, zoo hij niet wilde dat men hem trapte, hij zijne voeten niet moest zetten waar eens anders beenen gingen.
Zulks mishaagde Philippus, doch hij zei niets; men zag hem [26] niet meer, tenzij in den tuin, wanneer hij, bij helderen zomer dag, zijn schraal lichaampje in de zonne ging warmen.
En als keizer Karel, van den oorlog teruggekeerd, zijn zoon vol somberheid zag zitten, sprak hij:
—Mijn zoon, hoe zeer verschilt gij van mij! Op uwen leeftijd klom ik op de boomen achter de eekhoorntjes; met een koord liet ik mij langs steile rotsen glijden om arendsnesten te ledigen. Ik kon er het leven bij inschieten, maar mijn lichaam werd er des te sterker om. Op de jacht vluchtten de wilde dieren, als ze mij zagen met mijn vuurroer.
—Ach! zuchtte de infant, ’k heb buikpijn, heer vader.
—Paxarete-wijn is een uitstekend geneesmiddel tegen de buikpijn, sprak Karel.
—Dien wijn lust ik niet; ’k heb hoofdpijn, heer vader.
—Mijn zoon, zei Karel, gij moet loopen, springen, stoeien, zooals de andere kinderen van uwen leeftijd doen.
—Mijne beenen zijn stijf, heer vader.
—Kan het anders? sprak Karel, gij maakt er houten beenen van. Wacht, ik ga u vastbinden op een vurig peerd.
De infant weende.
—Bind mij niet vast, sprak hij, ik heb pijn aan de lenden, heer vader.
—Maar, vroeg Karel, hebt gij dan overal pijn?
—Het zou niets zijn, zoo men mij gerust liet, zegde de infant.
—Denkt gij soms, hernam de keizer ongeduldig, uw koninklijk leven als de poëten in mijmering door te brengen? Laat hen hunne perkamenten met inkt bemorsen, in stilte, eenzaamheid en bespiegeling; aan u zoon van het zweerd, behoort het warme bloed, het oog van den arend, de list van den vos, de kracht van een Hercules. Waarom maakt gij het teeken des kruises? Een leeuwenwelp mag geen paternosterknauwer zijn!
—Het Angelus, heer vader, antwoordde de infant.
Bloei- en Zomermaand waren dat jaar oprecht de maanden der bloemen. Nooit zag men, in Vlaanderen, zulke welriekende hagedoornen, in de hovingen zooveel rozen, jasmijn en kamperfoelie. Als de Westenwind de geuren van dat bloemenland naar ’t Oosten dreef, stak iedereen, en meest nog in Antwerpen, verrukt den neus omhoog, zeggende: [27]
—Riekt gij dien goeden wind, die uit Vlaanderen waait?
Onverpoosd waren de vlijtige bijen bezig met honig uit de bloemen te zuigen, was te maken, het broedsel te verzorgen in de korven, te weinig in aantal om al de zwermen te bergen. Heerlijke muziek van den arbeid onder den blauwen hemel, die schitterend den rijken bodem overdekte!
Men maakte rieten, strooien, wisschen bijenkorven. Mandenmakers, kuipers, stroovlechters arbeidden van den vroegen morgen. En de kastenmakers konden bijlange het bestelde werk niet afdoen.
De zwermen bestonden uit dertig duizend werkbijen en twee duizend zevenhonderd hommels. De honigraten waren zoo lekker en van zulke zeldzame hoedanigheid, dat de deken van Damme er elf zond aan keizer Karel, als dankzegging omdat hij, door zijne ordonnantiën de Heilige Inquisitie weder ingevoerd had. Philippus at de honigraten op, maar hij had er geen genot van.
Schooiers, bedelaars, rabauwen en heel die bende luiaards, die vadsig langs de wegen slenteren en zich liever laten opknoopen dan zich aan eenigerhande bezigheid over te leveren, kwamen van heinde en verre aanloopen, verlekkerd door den honiggeur. En ’s nachts zwierven zij in groote menigte door velden en hoven.
Klaas had korven gemaakt om er bijenzwermen heen te lokken; eenige waren gevuld, andere nog ledig. Klaas bleef heel den nacht waken om op zijn goed te letten. Als hij moede was, zegde hij tot Uilenspiegel zijne plaats in te nemen. Deze deed het gewillig.
Nu, op een nacht dat het koel was, kroop Uilenspiegel in een ledigen korf, en gansch ineengedrongen, keek hij door de gaten die er van boven in waren.
Op ’t punt van insluimeren, hoorde hij de haag kraken en de stemmen van twee manslieden, die hij voor dieven aanzag. Hij keek door een der gaten van den bijenkorf en zag, dat de beide mannen lang haar en een langen baard hadden, hoewel een lange baard te dien tijde een teeken van adel was.
Zij gingen van korf tot korf, en zoo kwamen zij aan den zijnen en hem optillende, spraken zij:
—Deze is de zwaarste; vervolgens staken zij er hunne stokken onder en droegen hem mee.
Uilenspiegel vond het geenszins aangenaam, aldus in een bijenkorf vervoerd te worden. De nacht was donker en de dieven [28] spraken geen woord. Alle vijftig stappen bleven zij staan om adem te scheppen en zich vervolgens weder op weg te begeven. Die vóór ging gromde van kwaadheid omdat de last zoo zwaar woog, en die van achteren, kermde weemoedig. Want in de wereld zijn twee soorten luiaards: zij, die kwaad zijn op den arbeid, en zij, die jammeren als er te werken valt.
Uilenspiegel, die niets te doen had, trok den dief, die vóór ging, bij zijn haar, en den anderen bij zijnen baard, zoodat de grommer den janker toeschreeuwde:
—Als gij niet ophoudt, aan mijn haar te trekken, geef ik u eene smete op den kop, dat hij in uwe borstkas valt en gij door uwe ribben kunt zien, als een dief door de traliën van het Steen.
—Ik deed het niet, vriend, jammerde de janker, gij zijt het die aan mijnen baard trekt.
De grommer antwoordde:
—Ik zoek geen ongedierte in een schurftigen baard!
—Maat, sprak de janker, doe de korf niet zoo schommelen, mijne armen houden het niet langer uit.
—Hewel, ik zal ze u van het lijf rukken. En hij trok zijnen riem over zijn hoofd, zette den korf op den grond en sprong op zijn makker. En zij vochten, de eene vloekend, de andere om genade smeekende.
Toen Uilenspiegel de slagen hoorde vallen, kroop hij uit den korf, sleepte dien in een boschje, waar hij hem terugvinden kon, en keerde toen huiswaarts.
En zoo is het, dat de slimmen voordeel halen uit twist en krakeel.
Als Uilenspiegel vijftien jaar oud was, bouwde hij te Damme, met vier palen, eene kleine tent op, en riep dat een iegelijk er zijn tegenwoordig en toekomstig gelaat kon afgebeeld zien, in een schoone lijst van hooi.
Wanneer een opgeblazen rechtsgeleerde binnen kwam, zot van eigenwaan, stak Uilenspiegel zijn hoofd door de lijst en bootste het gezicht van een ouden aap na; dan sprak hij:
—Een ouden snuit kan rotten, maar geenszins bloeien; ben ik uw spiegel niet, heer dokter in de rechten?
Als Uilenspiegel tot klant een oudgediende kreeg, liet hij, in [29] stee van zijn gezicht, in ’t midden van de lijst een schotel vleesch en brood zien, en sprak hij:
—De oorlog zal u tot gehakt maken; wat geeft gij mij om de voorzegging, o snorrebaard, verzot op sakkers met wijden mond?
En als een oud heertje aan Uilenspiegel zijn poezelig wijfje liet zien, verborg de snaak zijn gelaat nogmaals en toonde in de lijste een boompje, aan welks takken messen, koffertjes, kammen en schrijfgerei hingen, alles van hoorn vervaardigd, en zeide:
—Vanwaar komen die schoone snuisterijen, messire? is het niet van den horenboom, die groeit in den boomgaard der oude manslieden? Wie zal nog zeggen, dat horendragers van geenerlei nut zijn in de samenleving?
En Uilenspiegel toonde in de lijste, nevens den boom, zijn jeugdig gezicht.
Als de ouderling hem hoorde, ontstak hij in hevige woede, doch zijn vrouwtje paaide hem, en glimlachend vroeg zij aan Uilenspiegel:
—En mijn spiegel, wilt ge hem mij toonen?
—Kom nader, was ’t antwoord.
Zij deed het. Toen kuste hij haar waar hij maar kon.
—Uw spiegel, sprak hij, is bloeiende jeugd in trotschheid gehuld.
En de schoone ging heen, en vergat niet hem een paar gulden te geven.
Aan een dikken monnik, die hem vroeg om zijn tegenwoordig en toekomstig gezicht te zien, antwoordde Uilenspiegel:
—Gij zijt eene hespenkast, en een bierkelder zult gij ook zijn, want zout noodt tot drinken, niet waar, dikzak? Geef mij een oortje, omdat ik de waarheid zei.
—Mijn zoon, sprak de monnik, nooit dragen wij geld op ons.
—Dan is het, antwoordde Uilenspiegel, dat het geld u op zich draagt, want mij is ’t bekend, dat gij het steekt tusschen twee zolen, onder den voet! Geef mij uw riemschoen.
Maar de monnik hernam:
—Mijn zoon, ’t is het goed van het klooster. Maar als ’t moet, zal ik u toch twee oortjes geven voor uwe moeite.
De monnik gaf ze en Uilenspiegel nam ze minzaam aan.
Daarna toonde hij ook aan de lieden van Damme, van Brugge, van Blankenberge, tot zelfs van Oostende, hunnen spiegel.
En in stee van te zeggen in Vlaamsche sprake: “Ik ben [30] Ulieden spiegel”, zei hij kortweg: “Ik ben Ulen spiegel”, gelijk thans nog gezegd wordt in Oost- en West-Vlaanderen.
En zóó kwam hij aan zijn bijnaam Uilenspiegel.
Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler, dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen welluidende tonen kan halen.
Zeer behendig werd hij in ’t bespelen van den rommelpot, een speeltuig gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt: over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot barstens toe om den pot gespannen. ’s Anderen morgens, als de blaas droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.
En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende papieren ster droeg.
Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven, en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene pint kuite aanveerden.
Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek hij scharlakenrood. Hij probeerde ook ’t portret te maken van Klaas, Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas hem aan ’t werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.
Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser, terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder dat iemand het merkte. [31]
Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van, met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.
En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken, want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren pinten in een veld van bruinbier.
Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.
De keizer, van den oorlog teruggekeerd, vroeg waarom zijn zoon Philippus hem niet was komen begroeten.
De aartsbisschop-leermeester van den infant antwoordde, dat hij niet gewild had, dat hij slechts van boeken en eenzaamheid hield.
De keizer vroeg, wáár hij zich ophield.
De leermeester antwoordde, dat men hem overal zoeken moest, waar het duister was. Zoo deden zij.
Als zij door menige zalen gegaan waren, kwamen zij eindelijk in een somber verblijf, door een smal venster verlicht. En op den grond stond een staak, waaraan een jong en lief aapje vastgemaakt lag, een diertje dat Zijne Hoogheid uit Indië gekregen had om er mede te spelen. Smeulende takkebossen lagen rondom en in het vertrek hing een walm van verkoold haar.
Het diertje, levend verbrand, had zoo verschrikkelijk geleden, dat zijn lichaampje niet geleek op dat van een wezen dat geleefd had, maar op een stuk gewrongen en gerimpelden wortel. En op zijn mondje, dat open was, als om genade te vragen, stond een bloedig schuim, en zijn arm gezichtje was nat van zijne tranen.
—Wie heeft dat gedaan? vroeg de keizer.
De leermeester dorst niet antwoorden en beiden bleven sprakeloos, droef en grammoedig staan.
Maar onverwacht werd de stilte door een lichten kuch gestoord, die uit den donkersten hoek kwam. Zijne Majesteit [32] keerde zich om en zag den infant Philippus, in ’t zwart gekleed bezig een citroen uit te zuigen.
—Don Philippus, sprak hij, kom hier om mij te groeten.
Zonder zich te verroeren, bekeek de infant hem met zijne vreesachtige oogen, waar geenerlei liefde in blonk.
—Zijt gij het, vroeg de keizer, die dat diertje verbrand hebt?
De infant boog het hoofd.
—Waart gij wreedaardig genoeg om het te bedrijven, wees dan vrank genoeg om het te bekennen.
De infant zweeg.
Zijne Majesteit ontnam hem den citroen, wierp dien op den grond en wilde zijn zoon slaan, maar de aartsbisschop hield hem terug, en fluisterde hem toe:
—Zijne Hoogheid zal later een groote ketterbrander zijn!
De keizer glimlachte en beiden gingen, den infant met zijn aapje alleen latend.
Maar ook anderen, die geen aapjes waren, kwamen in vlammen om.
De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.
’t Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren, die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.
Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam, hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.
—Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?
Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen, om hem te drogen en te koesteren.
Thuis gekomen, sprak hij:
—Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?
—Hem verbinden, antwoordde Klaas.
Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op en [33] bond er een doek om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in ’t hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.
Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.
En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in rattenholen en mollenritten aan ’t snuffelen was.

... een mensch, een halve mensch en een paardekop. (Blz. 21).
Aan het einde van de Onze-Lieve-Vrouwestraat stonden twee wilgeboomen aan den boord van een diepe gracht.
Tusschen de twee wilgen spande Uilenspiegel eene koorde, waarop hij op een Zondag na de vespers danste, zoo vlug, dat heel de menigte van straatloopers in de handen kletste. Toen kwam hij beneden en ging rond met zijn schaaltje, dat met geld gevuld werd, maar hij ledigde het in de schorte van Soetkin, en hield elf duiten voor zich.
Den volgenden Zondag wilde hij weer op de koorde dansen, maar eenige bengels, uit nijd over zijne behendigheid, hadden eene snee in de koorde gegeven, zoodat zij na eenige sprongen brak en Uilenspiegel in ’t water tuimelde.
Terwijl hij naar den oever zwom, riepen de kleine koordesnijders hem toe:
—Hoe gaat het, Uilenspiegel-vlug? Gaat gij nu in den vijver den karpers leeren dansen?
Uilenspiegel kwam uit het water en schudde zich af. En daar zij uit angst voor een pak slaag wegliepen, riep hij hun toe:
—Vreest niets; komt Zondag terug, ’k zal U andere kunsten toonen en gij zult uw deel in de winst hebben!
’s Zondags nadien sneden de bengels de koorde niet door, doch hielden er de wacht bij, opdat niemand ze aanraakte, want er waren toeschouwers in groote menigte.
—Dat ieder mij een zijner schoenen geve, en ’k wed dat ik er mee dans, zoowel met den grootsten als met den kleinsten.
—En wat betaalt gij, als gij verliest? vroegen zij hem.
—Veertien pinten bruinbier, antwoordde Uilenspiegel, maar gij betaalt mij drie oortjes als ik win.
—Goed! riepen zij.
En zij gaven hem elk een hunner schoenen. Uilenspiegel legde ze alle in het voorschoot dat hij aan had en, met dien last, danste hij op de koorde, doch niet zonder moeite.
Van beneden riepen de koordesnijders:
—Gij hebt gezegd met elk onzer schoenen te zullen dansen; trek ze aan en houd uwe wedding.
Uilenspiegel danste voort en antwoordde:
—Ik heb niet gezegd uwe schoenen aan te trekken, doch er mee te dansen. Nu, ik dans, en alles danst mee in mijn voorschoot. Ziet gij het niet met uwe paddenoogen? Betaalt mij mijn drie oortjes.
Doch zij jouwden hem uit en schreeuwden, dat zij hunne schoenen moesten terughebben.
Uilenspiegel smeet ze alle te gelijk in een worp naar beneden. Een woedend gevecht volgde, daar niemand zijn schoen dadelijk terugvinden kon.
Uilenspiegel kwam naar beneden en begoot de vechters, maar niet met klaar water.
De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen en trappen en zalen van ’t slot. Doch meestal slenterde hij rond de vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die, gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen. Andere jonkers waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade van minne.
Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.
Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin, [35] en rossig, krullend haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard, verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.
Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen, en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat, zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen, tot haar zegde:
—Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?
Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op ’t oogenblik dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt, antwoordde zij:
—Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.
—Zet U naast mij, sprak de infant.
Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:
—Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd, laas! ik heb het vergeten.
De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong haar telkens tot langzamer spreken.
En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar, die op dit uur aan andere gebeden dacht.
Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem, noch van iets anders.
Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden der vrouw zijn?
Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:
—Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.
Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was, zorgvuldiglijk te verbergen.
Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tien [36] berenhuiden dan met eene el neteldoek bedekken zou.
En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende de vlucht.
Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand: maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen: ’t was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in winternacht. En het brandde hem wreedelijk.
Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje, in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde, totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot, mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.
En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.
De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele, in Vlaanderen, te gaan.
Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.
Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen, bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus Snuffius, die jankte.
—Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden dien armen hond zoo te doen huilen! [37]
Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele schaterlachte nog luider.
De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot de edelvrouwe:
—Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!
Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.
De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:
—Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar Dudzele leidt, niet veranderd is?
Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.
—Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.
Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur in bewondering stond.
—Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen aldus te bezien?
Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.
—Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die van Damme naar Dudzele leidt?
—Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.
—Wilt ge mij leiden?
Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.
—Waar gaat gij?
—Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.
—Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.
Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet, want zij was jaloersch.
Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak. [38]
—Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.
—Ik ben dadelijk terug.
—Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.
—Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.
—Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom, kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?
Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.
Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik; Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester stapte.
Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip, heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.
—Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.
Hij antwoordde niet.
—’t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want ’k had U geerne met een boodschap belast.
—Welke? vroeg Uilenspiegel.
—Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan, aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman, half in ’t zwart, half in ’t rood gekleed, dat hij mij vandaag niet mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht, in mijn slot, langs de sluippoort.
—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.
—Waarom niet? vroeg de dame.
—Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.
De dame sprak toen:
—Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt niet gaan?
—Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.
—Maar als ik U een gulden gaf?
—Neen! sprak hij.
—Neen.
—Een karolus?
—Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur tassche zien.
De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:
—Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan mijne ceintuur bevestigd.
Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de edelvrouwe:
—Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet gij hem nimmer terug.
—En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.
—Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.
En terstond ging hij op zoek.
Middag sloeg de klok; ’t was drukkend warm en stille en eenzaam in het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten, zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef rechtstaan in verzuchting, naast heur.
Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen, en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem, en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde, hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,
De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche niet gevonden had.
—Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn peerd steeg; in ’t vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en zeg mij uw naam.
—Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam, die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige bekoorlijkheid. [40]
De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.
En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.
Toen Uilenspiegel van Dudzele terugkwam, zag hij Nele, aan den inkoom van de stad, met den rug tegen een hek geleund, en een tros blauwe druiven in de hand. Een voor een at zij de vruchten, die haar verfri