classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Een Heldin, by A.C. Kuiper

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Een Heldin

Author: A.C. Kuiper

Release Date: February 25, 2004 [EBook #11285]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN HELDIN ***




Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders







EEN HELDIN

DOOR

A. C. KUIPER,

SCHRIJFSTER VAN "ELSJE", "ANNEKE", "EEN HOLLANDSCH MEISJE OP EEN ENGELSCHE KOSTSCHOOL", "ALLEEN IN EEN KLEINE STAD", ENZ.


MET ILLUSTRATIËN NAAR FOTOGRAFIEËN.

HAARLEM.

VINCENT LOOSJES.

1906.


[De vestibule van het Iersche kasteel.]Dit verhaal bevat veel, dat verdicht is en toch is het op waarheid gegrond, omdat de voornaamste gebeurtenissen, die erin worden beschreven, werkelijk hebben plaats gehad. Ook de ervaringen op de Engelsche kostschool zijn, zonder de minste overdrijving, geheel naar waarheid weer gegeven, terwijl de hoofdpersoon, een Duitsche, werkelijk heeft geleefd en-nog leeft, al is haar naam niet Hedwig Eiche!

Hoewel zij zichzelf allerminst "een Heldin" zou noemen, heeft zij toch het volste recht op dien naam. Menige jonge lezeres, die zelf een zonnige, gelukkige jeugd geniet, zal dit met mij eens zijn, vooral als in aanmerking genomen wordt dat "Hedwig Eiche" den moed had reeds op haar 15^e jaar de wereld in te gaan in een tijd, toen er van werken buitenshuis voor de meeste meisjes nog maar zeer weinig sprake kon zijn en de keuze van werkkring voor haar dus uiterst beperkt was.

A. C. K.


INHOUD.

 
I. EEN KLOEK MEISJE

II. "MY DEAR!"

III. EEN BRIEF, WAAR VAN ALLES IN STAAT

IV. OP DE PROEF GESTELD

V. CHESTER

VI. KOUDE EN HONGER

VII. "FLINKIE"

VIII. UITKOMST

IX. VIER IERSCHE KINDEREN EN EEN HOND

X. NESTA'S DRIFT

XI. LONDEN EN MIST

XII. AAN DE BLAUWE ZEE

XIII. EEN RIJK LEVEN

HOOFDSTUK I.

Een kloek Meisje.

Zij woonden in de sombere buitenwijk van een Duitsche stad, in een groot blok van een huis, dat in verschillende verdiepingen verdeeld was, één verdieping voor elk gezin. Vóór acht maanden waren zij verhuisd naar de bovenste verdieping, omdat men daar het goedkoopst woonde en toch was het voor hen nog veel te duur! Want de laatste jaren waren zij hoe langer hoe armer geworden en het allerlaatste jaar, o, dat was vreeselijk geweest, zóó vreeselijk dat het jongste zusje, Clärchen, altijd weer angstig en diep bedroefd werd, als er over werd gesproken. Ach, het was ook zoo treurig dat die arme, geduldige moeder zóóveel verdriet had gehad en dat de rust eigenlijk eerst in huis was gekomen na vaders dood, nu drie maanden geleden. Hedwig, de oudste dochter, had toen gezegd dat zij nu dubbel haar best moesten doen om lief voor moeder te zijn en Clärchen had terstond met een ernstig gezichtje: "Ja" geknikt; dat wilde zij ook heel graag. Maar soms, als zij met een kale, verstelde jurk naar school moest of naar bed werd gestuurd zonder avondeten, vond zij het wèl moeielijk om niet boos en ontevreden te zijn. Waarom waren zij dan toch ook zoo heel arm?

"Ik weet niet hoe wij met ons drieën rond moeten komen!" had de moeder gisteren voor de zooveelste maal uitgeroepen, nadat zij allerlei berekeningen had zitten te maken op een stukje papier. Hedwig had daarop wel lachend het papier naar zich toe getrokken en gezegd: "Allemaal maar flink de handen uit de mouw steken, moedertje, en niet in dit paleis blijven wonen, dan zal het wel gaan," maar Clärchen had toen toch heel goed gezien dat ook Hedwig zeer bezorgd was. En toen zij 's avonds te bed lag en de Septemberregen tegen het raam van het zolderkamertje hoorde kletteren, dat zij met Hedwig deelde, werd zij zoo treurig gestemd dat zij wel moest gaan schreien of ze wilde of niet. En snikkend had zij bedacht dat het nu misschien wel niet lang meer zou duren of zij zouden op straat moeten gaan bedelen om een stuk droog brood....

Toen had zij opeens Hedwig's arm om zich heen gevoeld. "Kindje, kindje; wat is er toch? Stil nu!" had het sussend geklonken. Daarop had zij Hedwig alles gezegd wat haar op het hart lag en Hedwig had haar getroost en opgebeurd-dat kon Hedwig zóó goed!--en toen ze kalmer geworden was, had Hedwig nog heel ernstig gevraagd: "Beloof je me zusje, dat je je best zult doen zooveel mogelijk voor moeder te zijn en je flink te houden, ook ... ook als er dingen mochten gebeuren, die je in 't geheel niet verwacht?"

Zij had Hedwig toen verbaasd aangekeken-wat meende ze toch?-maar toen Hedwig herhaalde: "Dat beloof je mij immers?" had zij beslist gezegd: "O ja, ja."

Hedwig had toen even haar hoofd in de kussens gedrukt en een oogenblik had Clärchen gemeend dat zij haar zacht hoorde snikken, maar ze dacht later dat zij zich dit toch moest verbeeld hebben, want toen Hedwig weer opkeek, glimlachte zij en zag ze alleen maar wat bleek.

En nu was het juist alsof vandaag alles weer wat vroolijker was dan gisteren! Zij kregen nu ook wèl avondeten; dat was in lang niet gebeurd. Hedwig had naaiwerk verkocht in een der groote winkels in de stad en er meer geld voor ontvangen dan zij verwacht had en terwijl zij de tafel dekte, deed zij een aardig verhaal van haar tocht, dat haar moeder en Clärchen aan het lachen bracht.

Wat keken Clärchen's oogen begeerig naar de gebakken aardappelen! Die zagen er dan ook zoo lekker bruin uit, met de smakelijke, knappende korstjes; alleen moeder kon ze zóó bakken. Zij kregen er sla bij en ieder een half ei; Clärchen vond het een feestmaal, maar zij had wel heel graag wat meer gehad!

Wat had Hedwig toch langzaam gegeten, dacht ze; die alleen had nog maar wat op haar bord en zij had nog wel het minst genomen, dat had Clärchen duidelijk gezien! Zij keek eens even naar het heerlijke hapje, dat straks in Hedwig's mond moest verdwijnen; toen zag ze snel weer voor zich, want Hedwig had haar lachend aangekeken. Daar schoof ze haar bord naar Clärchen toe.

"Hier, neem jij dit nog maar."

"Neen, neen, Hedwig."

"Ja, ja, Clärchen. Kom, eet maar gauw op; ik zie aan je neus dat je er trek in hebt."

"Ja maar ... jij dan niet?"

"Lang niet zooveel als jij. Komaan, een, twee, drie, opeten! Je moet mij gehoorzamen, vergeet dat niet. Ik ben al vijftien en jij pas elf."

"Over een maand twaalf," zei Clärchen. Ze liet zich echter niet langer nooden. Lachend at zij het lekkere hapje op, terwijl ze Hedwig dankbaar toeknikte. Of zij nog trek had! Eigenlijk had zij dat tegenwoordig altijd nog, als zij van tafel opstond. Hedwig niet, ten minste ... die deed gewoonlijk net of zij wel degelijk genoeg gehad had.

Clärchen hoopte altijd dat zij later op Hedwig zou gaan lijken en even knap worden. Hedwig ging niet meer school; dat was, ten minste volgens Clärchen's oordeel, ook niet meer noodig, zij wist werkelijk genoeg! Zij kon vrij goed Fransch en Engelsch spreken en vele andere dingen, die Clärchen nog leeren moest. Toen zij klein was, had Hedwig een poosje een Engelsche gouvernante gehad, maar dat was geweest in den tijd toen zij nog rijk waren en van dien tijd herinnerde Clärchen zich al heel weinig meer.

Ook Hedwig scheen het thans als een droom toe dat er werkelijk jaren waren geweest, waarin haar moeder geen geldzorgen had gekend. Zóó arm als zij nu dan toch ook waren....

In diep gepeins verzonken zat zij 's avonds laat op den rand van haar bed. Na den storm van gisteren was de lucht als schoongeveegd; nu scheen de maan helder naar binnen, een lichte streep werpend op den houten vloer van het zolderkamertje.

Hedwig keek naar het rustige, zachte licht; toen knikte zij even. "Ik doe het," fluisterde ze, "het moet!" En heel zacht: "Dan zullen moeder en Clärchen ook hier kunnen blijven wonen. Ik zal moeder schrijven...."

Bedaard stond zij op en liep op hare teenen naar de tafel om Clärchen niet wakker te maken. Ze nam papier en potlood en trachtte bij het maanlicht te schrijven, maar het wilde niet vlotten. Voorzichtig stak zij een eindje kaars aan; nu ging het beter, al beefde haar mond en al moest zij een paar malen met de oogen knippen. Maar ze gaf geen geluid; ze bleef voelen dat zij stil moest zijn om Clärchen. Eindelijk vouwde zij het briefje dicht, stond vastberaden op, pakte enkele dingen in een oud reistaschje en keek om zich heen of ze niets vergeten had. Zorgvuldig telde zij het geld na, dat ze nog over had van de verdienste van dien middag en dat haar eerlijk toekwam; het zou juist genoeg zijn voor haar doel, meende ze.

Opeens, een inval gehoor gevend, nam zij de kaars op en liep er mee naar een spiegeltje, dat tegen het houten beschot hing. Ze zette het eindje kaars op een richel; zoo kon ze juist goed zien.

"Niet heelemaal oud genoeg," vond ze, terwijl zij ernstig en aandachtig-haast alsof het iets nieuws voor haar was-keek naar wat de spiegel haar toonde: een smal meisjesgezicht met verstandige, grijsblauwe oogen. "Wacht eens!" En met een vlugge beweging van hare beide handen, legde zij de blonde vlecht, die op haar rug hing, om het hoofd, stak haar vast, schuierde het springerige voorhaar glad en knikte tevreden. "Veel beter zoo," fluisterde zij opgeruimd. "Zoo zullen zij mij heel licht voor achttien of twintig houden. En nu naar bed!"

Zij sliep echter niet veel dien nacht, want als zij al even insluimerde, werd ze spoedig met schrik weer wakker, zelfs in hare droomen gekweld door de vrees dat zij zich verslapen zou. Eindelijk, toen het een weinig begon te schemeren, stond zij op. In het grauwe halfduister knielde zij neer om haar ochtendgebed te doen en God vuriger dan ooit te smeeken haar te helpen; toen kleedde zij zich snel aan, nam haar reistaschje op, drukte voorzichtig een kus op Clärchen's krulhaar, legde haar briefje in de zitkamer, keek verlangend naar de deur van het zijvertrek, waar haar moeder sliep, aarzelde even of zij er binnen zou durven gaan, keerde zich snel af, zei zacht: "Dag mijn lief, lief moedertje"-en liep naar beneden en het huis uit.

Toen zij op straat stond, keek ze nog even naar boven, hoog naar boven. Achter dat smalle raam sliep haar moeder; als zij wakker werd, zou zij haar missen....

Ze mocht nu echter geen tijd verliezen, niet langer staan te droomen. Al was het ook nog zoo vroeg, ze moest zich haasten, als zij, wat haar plan was, werkelijk den eersten trein naar Hamburg halen wilde, waar ze dan om half tien zijn kon. Ze wilde daar de oude kindermeid Anna Schaub gaan opzoeken, die jaren lang bij het gezin had gewoond en alles wist wat er gebeurd was. Anna schreef telkens nog zulke hartelijke brieven aan Hedwig's moeder; zij zou Hedwig zeker voort willen helpen en haar zeggen wat ze doen moest om een geschikte betrekking te vinden. Want dat was wat Hedwig wilde en ze geloofde stellig dat het wel gelukken zou; ze zou dan flink gaan verdienen en een steun voor haar moeder kunnen zijn. Als ze nu maar eerst in Hamburg was, dan kon ze terstond met Anna aan het zoeken gaan!

Snel liep ze door. Zij was buiten adem, toen zij aan het station kwam en juist had zij een kaartje genomen aan het 3^e-klasse loket en was op het punt de wachtkamer in te gaan, toen zij een stem hoorde zeggen:

"Ik zag Hedwig Eiche ook staan zooeven. Waar die opeens naar toe wil? Het moet treurig gesteld zijn daar aan huis...."

Hedwig keek niet om, maar haastte zich op het perron te komen. De trein stond er al. Ze stapte vlug in en was blij, toen de portieren gesloten waren en de trein zich in beweging zette. Zij begon nu vermoeid en slaperig te worden; ze leunde in haar hoekje en sloot de oogen, al haar best doende om zich te verzetten tegen het gevoel van angstige gejaagdheid, dat zich van haar trachtte meester te maken. Ze wou flink zijn, flink zijn, flink zijn, herhaalde ze zacht bij zichzelf. En ze glimlachte even. Hedwig Eiche heette ze immers, dan moest zij haar naam toch ook eer aandoen! Ze dwong zich tot kalmte met die eigenaardige krachtsinspanning, waarvan zij, jong als zij was, maar al te zeer de macht had leeren kennen in de smartelijke jaren, die achter haar lagen.

Met de handen stil in den schoot, bleef zij een poos heel rustig zitten, werkelijk kalmer wordend omdat zij dit worden wilde; toen sliep zij even in.

Zij voelde zich verkwikt, toen zij in Hamburg aankwam en liep in een opgewekte stemming door de mooie, drukke straten. Wat was het prettig levendig hier! Zij was echt blij dat ze gegaan was; hier zou zij ook werk vinden. Ieder scheen het even druk te hebben; dan moest er voor haar ook wel wat te doen wezen! Ze wou hard werken, kleine kinderen les geven als het kon, flink geld verdienen voor haar moeder en Clärchen....

Zij had Anna Schaub een paar malen met haar moeder bezocht en ze wist dus hoe ze loopen moest; het was niet ver en vrij spoedig schelde zij aan bij het kleine, nette huisje, dat Anna bewoonde sedert zij hare schaapjes op het droge had.

De deur werd bijna terstond door Anna zelf geopend. Heel verbaasd keek zij op! Hare bruine oogjes werden eens zoo groot als anders en glinsterden als twee sterretjes. Hedwig keek haar vroolijk aan.

"Hoe vindt je dat nu wel?" vroeg ze.

Anna sloeg de handen in elkaar. "Neen maar...." begon ze.

"Dat dacht je niet, he?" riep Hedwig lachend, terwijl zij het huis inging om daarop door Anna zeer hartelijk omhelsd te worden. "Een echte verrassing, niet waar? Maar breng mij maar gauw binnen en geef me wat te eten, want ik heb nog niets gehad vandaag en ik verga van den honger."

"Wat? Ach, arm kind!" Anna was een en al medelijden. Zij trok Hedwig mee naar het achterkamertje, waar een rij maandroosjes voor het raam stond te bloeien en de koffiegeur van het ontbijt nog flauw in het vertrek hing.

"Ziezoo, ga daar nu maar eens zitten en zeg niets meer voordat je flink ontbeten hebt," zei Anna en in één adem door: "Mevrouw en Clärchen nogal wel?"

Hedwig knikte; ze kon opeens niet goed spreken. Ze dacht eraan hoe haar moeder en Clärchen haar nu zouden missen en hoe heel graag zij nog even afscheid van haar zou hebben willen nemen. Maar ze vermande zich en glimlachte weer. "Vóór alles geen sentimentaliteit," besloot ze bij zichzelf.

Zij deed zich te goed aan de warme koffie, het brood en den honig, die Anna haar voorzette en hoewel deze brandde van verlangen om het doel van haar reis te weten te komen, herhaalde zij toch telkens weer dat zij niets moest vertellen voordat zij geheel verzadigd was.

Hedwig liet haar echter niet lang in het onzekere. "Anna," vroeg zij plotseling heel ernstig, "wil jij me helpen om een goede betrekking te vinden?"

"Mijn lief kind...."

"We zijn heel, heel arm, zie-je, veel armer nog dan verleden jaar en wij kunnen zoo niet voortleven. Ik moet flink aan het werk gaan en geld verdienen; als ik dan van tijd tot tijd wat naar huis stuur, kunnen moeder en Clärchen blijven wonen waar zij nu zijn...."

"Vindt mevrouw dàt goed?"

"Ik ben weggegaan ... heel vroeg van ochtend, ik heb moeder niet meer gezien," zei Hedwig ontwijkend en met een kleur. "Zij zou mij misschien niet hebben laten gaan, maar als ik iets goeds vind, zal zij natuurlijk heel blij zijn. Ik heb een briefje achtergelaten om te vertellen wat ik ging doen. O Anna, het moet gebeuren; zóó gaat het niet langer! Help mij toch! Hier in dit groote Hamburg, waar iedereen het zoo druk heeft, zal toch ook voor mij wel iets te vinden zijn, een betrekking als gouvernante of kinderjuffrouw of iets dergelijks. Ik zal erg mijn best doen dat men tevreden over mij kan wezen en ik ben zoo sterk en ... en niet zoo heel dom...."

Hare oogen glimlachten weer bij de laatste woorden, haar geheele gezichtje gloeide van opwinding.

Anna schudde even het hoofd. "Je bent pas vijftien jaar," zei ze.

"Maar ik zie er ouder uit!" riep Hedwig en toen Anna weer het hoofd schudde: "Ja, ja, ik zie er veel ouder uit, heusch, als ik maar wil! Vanochtend in de haast kon ik het niet zoo gauw goed krijgen, maar kijk eens!"

Ze wierp haar hoed af, haalde een pakje haarspelden uit haar taschje, legde de blonde vlecht weer om het hoofd en stak haar vast en trachtte een streng gezicht te zetten.

"Zou je nu ooit denken dat ik pas vijftien was, als je 't niet wist?"

"Ik ... weet het niet zeker," zei Anna eerlijk. "Maar je bent toch in ieder geval veel te jong om in betrekking te gaan."

"Neen, neen, daar vergis je je mee; gerust, daar vergis je je mee," zei Hedwig zeer beslist. Toen overredend: "En het moet ook wezenlijk gebeuren, Anna, het is heel noodzakelijk; wij zijn zóó arm, zoo verschrikkelijk arm! En als ik misschien iets bij kinderen kon krijgen, ik houd zooveel van kinderen, ik zou het heerlijk vinden...."

"Ja, je waart ten minste als klein meisje ook altijd even engelachtig voor Clärchen," zei Anna met vuur.

"Engelachtig? Ik!" Hedwig lachte vroolijk. "Neen Annalief, nu vergis je je al weer. Dat ben ik nooit geweest. Maar weet je wat? Wees jij nu eens wèl engelachtig voor mij en help me om wat goeds te vinden."

Anna dacht even na. Toen zei ze met nadruk:

"Dan moet je me beloven dat je stellig niets aannemen zult, dat niet werkelijk goed is."

"Dat beloof ik," zei Hedwig plechtig. "Kan ik hier logeeren?"

"Natuurlijk lieveling."

"En ... als het noodig mocht zijn en dat zal wel...." zei Hedwig aarzelend, "dat ik nog wat nieuwe kleeren koop, zou je ... heb je dan ... zou je me dan wat geld willen leenen?"

Anna stond op en sloeg den arm om haar heen. "O zoo graag," zei ze.

"Ik hoop maar dat we heel gauw wat vinden, heel gauw," hernam Hedwig. "Het zal ook zoo prettig zijn om dat dan aan moeder te schrijven. En nu ga ik even uit om een krant te koopen; dan kijken we samen de advertentiën na en dan ... o, natuurlijk vind ik iets, dat geschikt is!"

Ze snelde het huisje uit, kwam spoedig weer terug met een dichtgedrukte krant in de hand en gunde zich den tijd niet om haar goed af te doen, voordat ze de advertentie-kolommen doorgezien had. Anna las over haar schouder heen ijverig mee, met haar bril op het puntje van haar neus.

"Daar is niets bij," mompelde Hedwig een paar malen, maar eensklaps veranderde de uitdrukking van haar gezicht. "O, heb je dat gezien, dat? Daar, daar!" riep zij en ze wees met haar vinger op een advertentie met het opschrift: Gouvernante.

Anna zei nog niets; ze moest eerst de advertentie op haar gemak doorlezen.

Het duurde Hedwig lang genoeg, maar ze bedwong haar ongeduld. Hare oogen glinsterden, terwijl ze nu eens naar Anna, dan weer naar de krant keek.

"Een gouvernante gezocht voor haar dochtertje door een barones, die spoedig naar het buitenland vertrekt ... muziek en kennis der Engelsche taal vereischten," zei Anna eindelijk. "Ja, ik weet niet...."

"Nu, maar ik weet het wel," viel Hedwig lachend in. "Ik ga er straks dadelijk op af, hoor! Kijk, er staat dat men zich in persoon moet aanmelden aan het hotel, waar de barones op 't oogenblik logeert. O, ik hoop, ik hoop, ik hoop dat ik dat krijg!"

Ze greep de oude Anna om het middel en trachtte met haar het kamertje door te dansen.

Anna rukte zich echter vroolijk los. "Als je zóó bij de barones doet," hijgde ze, "zal zij je wel een geschikte gouvernante voor haar dochtertje vinden!"

"Daar doe ik me streng en deftig voor, dat spreekt van zelf," zei Hedwig, rimpels in haar voorhoofd trekkend. "In ieder geval wil jij me straks zeker wel even den weg wijzen? Ik weet niet waar dat hotel is."

"Ik wil je wel den weg wijzen, maar ik ga niet mee naar binnen," zei Anna snel.

"Neen natuurlijk niet, dan zou het net zijn alsof ik niet alleen durfde," zei Hedwig. "We moeten er om twee uur zijn; er staat dat de barones dan te spreken is."

Anna vond alles goed. Zij hielp Hedwig zich zoo netjes mogelijk te maken en er zoo oud mogelijk uit te zien, waartoe werkelijk het glad geschuierde, opgestoken haar, de eenvoudige, zwarte hoed, waarvan Hedwig in overdreven ijver nog gauw de klaprozen door een bouquetje viooltjes van Arma verving en het donkere japonnetje het hunne bijdroegen. Anna sloop even alleen uit om met een glans op haar gezicht terug te komen met een paar keurige glacé handschoenen. "Die moet je van mij aannemen," zei ze en Hedwig zei dankbaar: "Heel graag."

Zij waren blij toen het eindelijk tijd was om op weg te gaan en Anna, die verreweg de zenuwachtigste was van de twee, slaakte een zucht van verademing, toen Hedwig het hotel binnenging en zij, volgens afspraak, buiten op haar bleef wachten. "Nu weten wij het ten minste gauw," dacht ze.

Intusschen liep Hedwig moedig de ruime vestibule van het groote hotel in. Ze keek bewonderend om zich heen naar de smaakvolle meubeltjes en de hooge manden met bloeiende planten, die hier en daar waren neergezet, tot de portier haar vroeg wat er van haar dienst was. Zij zeide het hem en had nauwelijks het woord "barones" genoemd of een kellner stond naast haar.

"Wenscht u aangediend te worden?" vroeg hij.

Hedwig knikte en haar hart begon sneller te kloppen, toen zij den kellner de breede trap op volgde naar de eerste verdieping, waar al weer een frissche bloemengeur haar te gemoet kwam. Zij hoorde hare voetstappen niet over den dikken Smyrna looper, wat de gewaarwording van deftige geheimzinnigheid, die over haar gekomen was, nog verhoogde. Onwillekeurig boog zij even statig als de kellner zelf, toen hij beleefd de deur van een kleine kamer voor haar opende en haar vroeg hier een oogenblikje te willen wachten. Hedwig noemde hem haar naam, toen sloot hij heel zacht de deur en verdween.

Wat een aardig kamertje was het, zoo vroolijk en licht! En men moest hier in dit hotel wel veel van bloemen houden, dacht Hedwig; ook hier zag zij er op de tafel staan, terwijl het behang en de lichte overgordijnen met losse tuiltjes viooltjes als bezaaid waren.

Ze bleef stokstijf staan, toen ze vrij dicht in hare nabijheid een kinderstem hoorde en daarop een andere stem, die vermanend zei: "Neen Tieka, dat mag niet!" Toen was alles weer stil.

Zij moest lang wachten en begon ongerust te worden. Zou de barones haar misschien niet eens willen zien en al klaar zijn met een andere gouvernante? De angst sloeg haar om het hart. Maar spoedig greep ze weer moed, streek de mooie, nieuwe glacés nog wat gladder, trok haar gezicht in de gewenschte plooi en ... wachtte zoo geduldig, als haar mogelijk was.

Hoorde zij daar niet iets? Zij hield den adem in en werkelijk werd thans de deurknop omgedraaid en verscheen de kellner met de vraag of zij zoo goed wilde zijn hem te volgen.

Hedwig wilde niets liever. Nog even een haastigen blik in den spiegel. Juist, zoo'n gezicht moest ze zetten!

Spoedig stond zij in een, naar zij later aan Anna meedeelde, "allerprachtigste zitkamer, alles blauw en terra-cotta en oud goud." Toen zij nader kwam, maakte een statige, lange dame even een beweging alsof zij op wilde staan, maar ging terstond weer zitten. Zij bekeek Hedwig van het hoofd tot de voeten en vroeg haar toen ook plaats te nemen.

Met een bescheiden stem waagde Hedwig het op te merken dat zij kwam voor de betrekking als gouvernante.

"Uw naam is Eiche, Hedwig Eiche?" vroeg de dame met een eigenaardig uitheemsch accent.

Hedwig boog, zeer ontevreden op zichzelf omdat ze zoo warm werd; maar de barones keek haar ook zóó onderzoekend aan! Als nu haar volgende vraag maar niet was: "En hoe oud...?"

Het was Hedwig haast alsof er met groote letters vijftien op haar voorhoofd stond geschreven!

De barones scheen zich echter niet om haar leeftijd te bekommeren, nog niet althans, bedacht Hedwig angstig.

"Wees zoo goed mij nauwkeurig te zeggen waarin gij les kunt geven," klonk het wat hoog.

Hedwig gehoorzaamde terstond. De barones toonde veel belangstelling voor haar Fransch en Engelsch, liet haar die talen even spreken en kwam blijkbaar onder den indruk van de beschaafde wijze, waarop zij zich uitte.

Toen Hedwig op de vraag of zij van kinderen hield, opgewonden: "O ja!" antwoordde, glimlachte zij flauwtjes. Eindelijk zeide zij:

"Ik zou wel lust hebben het eens met u te beproeven. Kan ik nog informaties krijgen uit een vroegere betrekking?"

"O heden," dacht Hedwig, "nu komt het! Nu komt er stellig ook nog: "En hoe oud....""

Maar ze moest antwoorden. "Ik ben nooit eerder in betrekking geweest," bracht zij er bedremmeld uit.

"O juist...." zei de barones langzaam. "Ja, dan moet u natuurlijk ook met een klein salaris beginnen; maar daarover kunnen we straks nog spreken. Ik had u wel eerder mogen vragen of het voor u geen bezwaar zou zijn Duitschland te verlaten? Mijn echtgenoot is consul geweest in Italië; hij heeft zijn betrekking neergelegd en nu gaan wij voor goed in Schotland wonen. Wij hebben een huis even buiten Edinburg. Ik ben een Engelsche."

Hedwig haastte zich op te merken dat er voor haar geen 't minste bezwaar bestond om naar Schotland te gaan. "Ik vind het juist heerlijk veel te zien van de wereld," liet zij zich ontvallen.

De barones knikte even heel genadig. Zij stelde nu juist niet zoo heel veel belang in wat Hedwig "heerlijk" vond.

"Ik heb lust het eens met u te beproeven," herhaalde zij, "maar u lijkt me nog heel jong...." Hedwig beefde, "en u zult u dus met een niet groot salaris tevreden moeten stellen. Ik zal u jaarlijks 15 pond[1] geven; vindt u dat goed? Natuurlijk betaal ik ook uw overtocht."

Hedwig boog haastig toestemmend. Zij vond het salaris niet klein. Vijftien pond! Daarvan zou ze toch het grootste gedeelte aan haar moeder kunnen sturen.

"Wilt u dan nog even piano voor mij spelen of wat zingen?" vroeg de barones opstaande en Hedwig de piano wijzend. "Ik zal mijn dochtertje roepen, dan kunt u kennis met haar maken. Begin maar te spelen, als 't je blieft."

Hedwig gehoorzaamde. Ze was juist in een stemming om te zingen; ze voelde zich zóó opgewekt! Even dacht zij na, toen sloeg ze de toetsen aan en zong vroolijk met haar frissche, jonge stem:"Ein Männlein steht im Walde ganz still und stumm,
es hat von lauter Purpur ein Mänt'lein um.
Sagt, wer mag das Männlein sein,
das da steht im Wald allein
mit dem purpurrothen Mäntelein?
...
Das Männlein steht im Walde auf einem Bein,
und hat auf seinem Haupte schwarz Käpplein klein.
Sagt, wer mag das Männlein sein,
das da steht im Wald allein
mit dem kleinen schwarzen Käppelein?"

Nauwelijks had zij het laatste woord gezongen of een blijde kinderstem riep: "Schön! Nice!" En terstond daarop zong dezelfde stem:

"Das Männlein dort auf einem Bein, mit seinem rothen Mäntelein und seinem schwarzen Käppelein, kann nur die Hagebutte sein!"

Hedwig keek snel om. Naast de barones stond de kleine zangeres, een kind met kort, heel krullend donker haar en donkerblauwe oogen, die haar vroolijk aanzagen.

"Heel goed gespeeld en uwe stem bevalt mij ook," zei de barones. "En dit is nu mijn dochtertje, uwe aanstaande leerling."

Met een aardige, bevallige beweging stak het kind Hedwig de hand toe. "Wat ziet u er prettig jong uit!" riep ze.

Hedwig lachte. "Ik houd ook nog heel veel van spelletjes," zei ze, "en van vertellen en zingen en pretmaken...."

"Tieka moet nu echter ook eens flink aan 't leeren gaan," viel de barones beslist in. "En ik vertrouw dat u begrijpen zult dat zij te oud is om hoofdzakelijk aan spelen te denken."

"O ja zeker, mevrouw," haastte Hedwig zich te antwoorden.

"Als u nu nog even wachten wilt," zei de barones, "dan kan ik u zeggen...."

Zij eindigde den zin niet en ging aan een schrijftafeltje zitten, een eind van Hedwig en het kind af.

"Wanneer komt u bij ons?" vroeg het kleine meisje fluisterend. "Heel gauw, hoop ik. Ik ben nu zoo alleen."

"Heb je dan geen broertjes of zusjes?" vroeg Hedwig, eveneens fluisterend om de barones niet te storen.

"O neen, nooit gehad."

"Hoe heet je ook weer?"

"Tieka," zei het kind gewichtig.

"Tieka? Wat een aardige naam! En hoe verder?"

"Tieka, Helene, Adelaïde von Zercläre, maar niemand noemt mij ooit Helene of Adelaïde, altijd alleen maar Tieka."

"Hoe oud ben je?"

"Over vier dagen word ik al tien. Ik had u straks willen halen uit de aardige viooltjeskamer, maar mama vond het niet goed."

"Ga nu nog maar wat lezen, Tieka en zeg Fräulein goeden dag," kwam de barones tusschenbeide en Tieka gehoorzaamde onmiddellijk; bij de deur wierp zij Hedwig nog vlug een paar kushanden toe.

"Ik veronderstel dat u zoo spoedig mogelijk zult kunnen komen?" hernam de barones. "Wij vertrekken reeds overmorgen naar Londen, waar wij een paar dagen wenschen te logeeren. Het is nu Donderdag, het zou mij aangenaam zijn als u dan Maandagavond op reis kondt gaan. U kunt dan Woensdagochtend in Londen zijn en u per rijtuig naar het station King's Cross laten brengen. Als u een voorspoedige zeereis hebt, vinden wij elkaar daar en u reist met ons door naar Edinburg. Voor alle zekerheid geef ik u ons adres in Edinburg ook nog. Hier is het, benevens het geld voor uwe reis."

Hedwig nam het couvert met een zeer dankbaar gezicht in ontvangst.

"Ik zal erg mijn best doen...." stamelde ze.

"Daarop vertrouw ik ook zeer zeker," zei de barones koel. "Dag Fräulein Eiche, ik geloof dat wij nu alles goed hebben afgesproken en ons onderhoud als geëindigd kunnen beschouwen."

Zij schelde en de kellner verscheen weer. Hedwig maakte een diepe buiging voor haar aanstaande meesteres en verdween.

"O, o, wat ben je lang weggebleven! Ik dacht dat ik je nooit weer terug zou zien. En hoe is het?" riep de trouwe Anna Schaub, zoodra zij haar het hotel uit zag snellen.

"Aangenomen!" riep Hedwig met een stralend gezicht. "Aangenomen als gouvernante bij een allersnoesigst meisje van tien jaar. En zij wonen in Schotland, in Edinburg, en Maandag moet ik eerst naar Londen en ik ben zoo dol, dol, dolblij dat ik jou even een kus moet geven!"

En tot verbazing van de voorbijgangers drukte zij Anna opeens een hartelijken kus op de wang.

"Niet doen! Niet doen!" riep Anna onthutst, maar Hedwig lachte maar. "Den baron heb ik nog niet gezien," ging zij voort, heel rad sprekend, "van hem kan ik je dus nog niets vertellen; dat komt dan later wel. O, nu zal ik moeder echt kunnen helpen! Ik schrijf dadelijk naar huis. Wat zal Clärchen ophooren! Zij zal natuurlijk alles van Tieka willen weten."

"En je leeftijd," vroeg Anna, "was die geen bezwaar?"

"Neen, daar heeft de barones gelukkig niet naar gevraagd. Ze merkte wel een paar malen op dat zij me jong vond, maar ze denkt toch bepaald dat ik minstens twintig ben...."

Anna schudde zwijgend het hoofd; ze zag met zekeren weemoed naar het jonge meisjesgezicht, op dit oogenblik haast weer geheel een kindergezicht, dat blij en onbezorgd het leven in keek. "Ik hoop heel hartelijk dat het je niet tegen zal vallen," zei ze.

"Daar ben ik niet bang voor," klonk het opgeruimd uit Hedwig's mond.


HOOFDSTUK II.

"My Dear!"

De brief naar huis werd dadelijk geschreven: Hedwig's pen vloog over het papier. "O moeder, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij, vooral omdat u ook zoo blij zult zijn," schreef zij. "Prachtig, drie malen blij in één zin, vindt u niet? En dat nog wel voor een gouvernante! Maar u plaagt mij altijd omdat ik zoo graag een woord, dat me bevalt, vaak gebruik, weet u wel? Dat moet u nu echter maar over het hoofd zien; het komt allemaal omdat ik het zoo heerlijk, heerlijk vind dat ik zoo gauw iets goeds gevonden heb. Ik zal u alles haarfijn vertellen...."

Wat ging dat vlug en wat waren er gauw een paar velletjes vol, dacht Anna. Hedwig moest toch wel bizonder knap zijn en de barones von Zerkläre mocht het wel op prijs stellen dat zij zoo'n flink, lief gouvernantetje bij haar kind kreeg!

Hedwig's moeder schreef per keerende post een brief terug vol liefde en hartelijke groeten van haarzelf en van Clärchen. Hedwig zou toch immers dadelijk weer thuis komen, als deze werkkring haar niet beviel? Er zou dan zeker wel wat anders voor haar te vinden wezen en zij was nog zoo heel jong....

Maar Hedwig twijfelde er geen oogenblik aan of alles zou heel goed en prettig gaan. Zij had lust in het werk en verlangde te beginnen en het was met een opgewekt gezicht en een moedig hart dat ze Maandags afscheid van Anna Schaub nam en haar plaatsje op de boot naar Londen veroverde. Anna had haar een grooten koffer afgestaan, "een echt ouderwetsche Duitsche reiskist, een huis haast," zooals Hedwig lachend beweerde. Zij hadden allerlei inkoopen gedaan en Hedwig voelde zich heel rijk met een paar nieuwe blouses en een sterken, serge rok. De koffer was ten slotte nog geheel vol geworden, wat Anna triomfantelijk had doen uitroepen: "Zie je wel dat hij niet te groot is? Het maakt ook dadelijk veel beter indruk, als je met een flink stuk bagage komt," en Hedwig was haar dankbaar geweest voor hare goede zorgen en had meer dan eens gezegd:

"Ik stuur je later terug wat je voor me betaald hebt, hoor; reken daar vast op."

Nu was het afscheid achter den rug en lag ze languit op de bank in de dameskajuit van de boot, die haar naar Londen zou brengen. Het was donker, druilerig weer en zij had geen neiging gevoeld lang op het dek te blijven, waar de fijne motregen haar huiveren deed. Anna had haar taschje gevuld met "allerlei, waarin je zeker wel trek krijgen zult," en soms betastte zij het eens even; het was haar net of Anna daardoor weer wat dichter in haar nabijheid was. Zij had nog in 't geheel geen "trek", maar ze moest herhaaldelijk aan Anna en hare trouwe liefde denken. Het was toch wel eenzaam nu, vond ze. Zij sloot de oogen en bewoog zich niet; ze wou zorgen dat ze spoedig in slaap kwam, maar telkens weer zag zij Anna Schaub voor zich en haar moeder en Clärchen....

Langzamerhand viel zij in een lichte sluimering. Ze was echter weinig verkwikt, toen ze 's ochtends vroeg klaar wakker werd en kreunend keerde zij zich af, toen de hofmeesteres iets tot haar zeide. Ook later op den dag voelde zij volstrekt geen verlangen om op te staan; haar hoofd klopte en ze was heel vermoeid. "Nu ben ik dus zeker zeeziek", dacht ze. Zij was nog nooit op zee geweest en had wel eens gezegd dat zij graag zou weten hoe dat was: zeeziek zijn. Nu wist zij het dan!

Tegen den avond werd zij beter en kon zij zelfs met smaak wat gebruiken en vrij vroeg viel ze weer in slaap, om eindelijk tot haar groote vreugde gewekt te worden met het bericht dat men Londen naderde.

Wat een drukte en gewoel om haar heen, toen ze boven kwam en hoe vreemd was het bij het aan land komen onder al die gezichten geen enkel te vinden, dat haar bekend was en een welkom toeknikte!

De regen was opgehouden en eerst heel flauwtjes, toen wat helderder, begon de zon te schijnen. Het stemde Hedwig opgewekter. "Ik hoop dat moeder en Clärchen en Anna Schaub die zon ook zien en aan mij denken," dacht zij even; toen kreeg zij het te druk met haar koffer en het zoeken naar een vigilante om zich aan gepeins over te kunnen geven.

Ze kwam in een energieke stemming, terwijl ze door de drukke, Londensche straten reed en met groote oogen keek naar al dat nieuwe, geheimzinnig onbekende, dat haar met magnetische kracht aantrok. Zij vond ze mooi die grijze gebouwen, waarop, door een dunnen nevel heen, als een waas van zonlicht lag, de plotselinge kijkjes op de rivier met het bijna stille, even rimpelende water, waarover de booten en schepen schenen heen te glijden, de bruggen met hare ranke bogen en de bevallige hansoms, die haar cab voorbij snelden; en door het open raampje keek en luisterde ze nieuwsgierig naar de pratende en roepende menigte. Het was haar haast alsof zij in een tooverwereld was, ook om dat wonderbaar teere, zachtgele licht, dat zij nergens ooit zóó had zien schijnen en met een soort van schok kwam ze tot zichzelf, toen zij King's Cross station binnen reed en de vigilante stil stond.

Wat een volte! Zij werd er een oogenblik door verbijsterd. Hoe moest zij onder al die menschen de barones en Tieka vinden? Zij sprong uit de vigilante en keek even verschrikt naar haar japon, die door de lange reis erg gekreukeld was. Zij streek er haastig met haar hand overheen; ze had geen tijd er veel aandacht aan te geven, want de koetsier moest betaald worden, onderwijl nam een porter haar koffer op zijn kruiwagen en keek haar vragend aan en intusschen zochten hare oogen, zochten ... om niets te vinden dan een pratende, bevelende, dravende menschenmassa, waaronder niemand zich harer ook maar in 't minst aantrok.

Daar stootte de koetsier haar aan den arm. Wat zeide hij toch allemaal? Hij sprak zoo rad en zulk raar Engelsch; zij kon hem haast niet verstaan. Zij had hem geld gegeven en hij had het op de vlakke hand gelegd en wees er voortdurend naar. Vond hij het niet genoeg? Hedwig meende dat hij reeds meer had gekregen dan hem toekwam; nu legde zij er toch nog maar een shilling bij. De cabby knikte: "All right" en reed weg.

"Where to Miss?" vroeg de kruier. "Come along."

"Edinburg," zei Hedwig wat geagiteerd. "Edinburg," maar ze sprak den naam zoo Duitsch uit dat de man haar niet begreep en de schouders ophaalde. "Got your ticket?" vroeg hij. Neen, Hedwig had nog geen kaartje. "Scotland," zei ze, "Edinburg!" Nu wist hij wat zij meende. Dan moest ze voortmaken, ze had nog maar drie minuten tijd. En Hedwig liet zich den weg wijzen, nam in de haast een kaartje derde klasse in plaats van eerste, hoewel ze bij het reisgezelschap van de familie von Zercläre behoorde en liep op een drafje met haar geleider naar den trein. Daar ontdekte ze zoowaar in de verte het aardige figuurtje van Tieka! Haar ruime, lichte reisjurk stak frisch af bij de donkere kleeding van eenige heeren, die naast haar stonden. Kijk, nu had zij Hedwig ook gezien! Ze wuifde met beide handen en wilde naar haar toesnellen, maar Hedwig zag nog juist hoe een hand uit den coupé haar terughield. Toen werd ze zelf door een ondernemenden conducteur een derde klasse wagen ingetild.

Ze kwam naast een dikken heereboer te recht. "Dat is nog maar net bijtijds," zei hij. "Yes indeed," antwoordde zij hijgend.

"Koffer in den goederenwagen. Alles in orde, Miss," klonk nu de stem van den kruier, die zijn gezicht door het raampje stak.

"O!" riep Hedwig. Dat was waar ook; ze moest dien man nog betalen! Schielijk haalde ze haar portemonnaie te voorschijn en zocht naar kleingeld. De lokomotief floot af.

"Hier," en zij liet heel den schat van groote, koperen pennies, die ze bij zich had, in zijn hand glijden, waardoor haar beurs aanmerkelijk lichter werd. "Thank you," zei de man en verdween; meteen stootte Hedwig's arm tegen den knop van den dikken stok, dien de heereboer tusschen zijn beenen hield, haar portemonnaie gaapte wijder en de geldstukken vielen er uit en verstrooiden zich over den grond.

"Ach, du liebe Zeit!" liet Hedwig zich ontvallen en de heereboer keek haar aan met een medelijdenden blik. "Hoe jammer voor dat jonge meisje om geen Engelsche te zijn," dacht hij met de eigenaardige verwaandheid van een Engelschman, maar trots zijne dikte, hielp hij haar toch heel gedienstig het geld weer bij elkaar zoeken.

Hedwig telde na of zij alles had. Tot haar schrik mistte zij nog het eenige goudstukje, dat zij in haar beurs had gehad. Ze boog zich voorover en keek scherp rond of zij op den grond tusschen de voeten en neerhangende kleeren der andere reizigers ook iets zag blinken; tot haar groote teleurstelling vond zij echter niets. Zij schudde haar portemonnaie uit op haar schoot, misschien was het tien-shillingsstukje in een hoekje achter gebleven, hoopte ze, toen het andere geld op den grond viel,-maar zij zag zich bedrogen in die hoop.

Ze ging heel rechtop zitten met het vaste voornemen nu maar niet meer aan dat ongelukkige goudstukje te denken, toen zij opeens iemand in haar nabijheid in mooi, duidelijk Engelsch hoorde zeggen:

"Mag ik u dit misschien aanbieden?"

Opkijkend zag zij het vriendelijke gezicht van een heer, die tegenover haar zat, maar zoo ver in zijn hoekje gedoken was geweest dat zij hem nauwelijks had opgemerkt.

"Dit" was ... het verloren geldstukje en zij nam het gretig van hem aan.

"Thank you," zei ze, dubbel blij omdat zij zoo goed begrijpen kon wat hij zeide.

"Ik had het al opgeraapt voordat u het mistte," zei hij vroolijk. "Het was niet beleefd van mij het u niet terstond ter hand te stellen, maar om de waarheid te zeggen, had ik plezier in uw verlegenheid. U bent een Duitsche, niet waar? Mag ik vragen of u wellicht ook naar York gaat? Mijn oudste dochtertje is daar op kostschool en ik ga haar bezoeken. Ik dacht ... het was maar een inval natuurlijk, dat u misschien een aanstaande medeleerlinge van haar zoudt kunnen zijn. Er zijn daar meer Duitsche meisjes."

Hedwig voelde snel naar haar kapsel. Ja, het haar was nog wel opgestoken. Hoe akelig dat zij er nu toch weer zoo lastig jong uitzag! "Neen" zei ze bedeesd, "ik ga niet naar York, ik ben op weg naar Edinburg."

"Och, dat spijt me."

"Ik ben niet rijk," zei Hedwig met een vaag besef dat zij hem niet in den waan mocht laten als zouden zijn dochter en zij in gelijke omstandigheden verkeeren. "Ik ga in betrekking als gouvernante." Het kwam er zoo eenvoudig en bedaard mogelijk uit, haast alsof zij reeds jaren als gouvernante was werkzaam geweest, toch keek de heer tegenover haar heel vreemd op en de dikke heereboer liet zich ontvallen: "Well, I never...!"

Hedwig voelde zich min of meer in haar eer getast. "Ik vind het heel prettig," zei ze met nadruk.

"Daar ben ik blij om," zei de heer tegenover haar, "maar ... leven uwe ouders nog?"

"Mijn moeder leeft nog," zei Hedwig zacht.

De vreemde heer vroeg niet verder en Hedwig zweeg thans ook liever. Waarom keek hij zoo ernstig en waarom vond hij het blijkbaar heel vreemd dat zij als gouvernante de wereld inging? Het kwam er toch niet zooveel opaan of zij pas vijftien was, ze zou spoedig genoeg achttien wezen; drie jaren waren gauw om!

Ze vond het niet onaangenaam dat beiden, de heereboer en de heer, wiens dochtertje te York school ging, bij die plaats den trein verlieten en zij tot aan Edinburg toe geheel met rust gelaten werd. Het was een vrij lange reis van Londen af-een uur of acht sporen---en zij begon hongerig te worden en verorberde met graagte wat zij nog in haar taschje had, al waren de broodjes met tong erg oud geworden en al was het stuk Kuchen nu wat lederachtig van smaak.

Zij schudde de kruimels van haar japon af en stond op om aandachtig het raampje uit te kijken, toen de trein Waverley-station binnen reed. Zij was dus nu te Edinburg! Nu moest zij terstond zorgen dat ze de familie von Zercläre in het oog kreeg en zich bij haar voegen; de barones zou zeker ook wel al naar haar uitzien.

Maar was het te Londen aan het station King's Cross vol geweest, te Edinburg aan het reusachtige Waverley-station was het nog veel en veel voller, ook omdat alle reizigers hier den trein verlieten. Daarbij was de trein zoo buitengewoon lang dat het Hedwig toescheen alsof er geen begin of eind aan was. Zij kon zich ook onmogelijk herinneren bij welken coupé ongeveer zij Tieka had zien staan. Zij meende dat zij een goed eind naar rechts moest gaan, maar toen ze zich met niet geringe moeite een weg had gebaand tusschen karren, kruiwagens, kisten, manden, fietsen en dringende, ongeduldige reizigers door, verbeeldde zij zich weer dat ze te ver was geloopen en op een geheel andere plek zijn moest. Het was lastig zoeken op deze wijze. Ze begreep ook niet waarom de barones niet iemand naar haar toestuurde; zij wist toch dat ze met dezen trein mee was gekomen en ze wist ook dat zij, Hedwig, hier geheel vreemd was!

Intusschen zag ze wel in dat ze zóó toch niets verder kwam. Komaan, ze moest dan eerst maar eens zien dat ze haar koffer kreeg; ze kon dan in ieder geval wel weer een rijtuig nemen en zich naar het huis van den baron von Zercläre toe laten brengen. Zij had toch immers het adres nog in haar portemonnaie? Ze keek eens even, maar ... neen, nu zag zij het niet meer! Ze had het zeker verloren meteen toen ze het geld liet vallen, wat moest zij nu beginnen? Ze bedacht zich niet lang en trachtte zoo vlug als het ging, terug te keeren naar den coupé, waarin ze gezeten had. Zij was boos op zichzelf dat ze niet op het nummer had gelet. Wacht eens ... hier was het geweest ... neen, toch niet! Waarom waren er ook zóó vele wagens derde klasse? Zij kreeg het erg benauwd en warm; heel spoedig echter keerde haar moed terug. Den baron von Zercläre zou men in Edinburg toch wel goed kennen en natuurlijk zou men haar weten te zeggen, waar hij woonde.

Eerst dan haar koffer maar! Wat bleef het nog woelig en vol op het perron en wat was iedereen gejaagd, tot zelfs de beambten toe!

Het viel haar op dat alles hier veel minder geregeld en vlug in zijn werk ging dan in Londen. En waar was haar koffer toch? Men had de goederenwagens thans geheel ontladen, stapels bagage waren op het perron neergezet. Hedwig kon er eerst haar koffer maar niet tusschen ontdekken; ze was echter vast besloten het station niet te verlaten, voordat ze haar eigendom veilig weer in haar bezit had. Haar volharding was niet te vergeefs en met den uitroep:

"Ach, da bist du ja, mein liebes Haus!"-een uitroep, die een paar krantenjongens verschrikt deed omkijken-zette zij eindelijk haar elleboog op haar koffer neer om er pal bij te blijven staan, tot een der dravende kruiers het wat minder druk zou krijgen en haar aan een rijtuig zou kunnen helpen.

Het werd donkerder en zij begon er zeer naar te verlangen eindelijk geheel het doel van haar reis te bereiken; maar, toen zij er met moeite in geslaagd was een der voorbijsnellende kruiers bij den arm te grijpen en te dwingen naar haar te luisteren, kwam ze nog niet veel verder. Want hij schudde het hoofd, toen zij den naam von Zercläre noemde. "Nooit van gehoord!" verzekerde hij, om toen een paar andere porters te hulp te roepen, die met hoog beladen wagens met bagage voorbij kwamen. Hun antwoord was al even onbevredigend en ook twee spoorbeambten om inlichting gevraagd, konden die niet geven.

Het begon Hedwig bang te moede te worden. Wat moest ze doen? Te vergeefs spande zij zich in om zich het bewuste adres te binnen brengen, maar hoe meer ze haar best deed haar geheugen te hulp te komen, des te erger liet het haar in den steek! Het werd er niet beter op, toen zij zich plotseling wèl herinnerde, dat de barones haar verteld had dat zij nog maar eenmaal en slechts enkele maanden in Edinburg hadden gewoond.... Het was dus nauwelijks meer dan natuurlijk dat de naam von Zercläre nog niet algemeen bekend was.

Steeds met den arm op haar koffer geleund, stond zij er ernstig over na te denken wat ze toch beginnen zou, want het werd hoe langer hoe later en heel veel langer zou ze hier niet kunnen blijven staan! Ze moest dat lastige adres weer te weten zien te komen. Was het niet een square? Ja, dat meende ze zeker te weten, maar hoe heette dat square nu toch ook weer?

Daar ontdekte zij in de verte een palfrenier in keurige livrei; hij kwam snel op haar toe en zij kreeg een kleur van verrassing, toen hij beleefd voor haar boog met de vraag of zij de Duitsche dame was, die bij den baron von Zercläre verwacht werd.

"Yes, Yes, Yes!" riep zij opgewonden, erg blij dat er eindelijk hulp kwam opdagen.

In een ommezien had de palfrenier iemand gevonden, bereid de zorg voor den koffer op zich te nemen. "The carriage is waiting," zei hij, zich weer tot Hedwig wendend en zij volgde hem het station uit naar een fraai, met twee vlugge, jonge paarden bespannen rijtuig, dat, met den statigen koetsier op den bok, gereed stond haar verder te brengen. Ze zag dat er niemand in zat, wat haar even verwonderde, maar zij begreep dat de familie von Zercläre reeds thuis moest zijn.

Beleefd stak de palfrenier zijn hand uit om haar bij het instappen te helpen; zij vond echter dat zij het wel zonder zijn hulp kon stellen en wilde vlug de trede opwippen, toen de hak van haar schoen haken bleef in het boorband van haar japon, dat losgeraakt was.

"Nein!" riep ze verschrikt en ze zou gevallen zijn, als de voorkomende palfrenier het niet verhinderd had.

Het band scheurde een heel eind verder af. Zij vond het erg verdrietig; nu zag zij er nòg minder netjes uit en ze schaamde zich voor den palfrenier en voor den koetsier, die even omgekeken had.

[Het standbeeld van Walter Scott in Princesstreet, Edinburg.]

Haastig onderzocht zij of ze geen speld bij zich had; ze kon er echter nergens een vinden. Zou de palfrenier ... maar wat was speld ook weer in 't Engelsch? Het was haar opeens alsof ze geen enkel Engelsch woord meer wist!

Daar had zij het! "Pin ... pin!" riep ze. "Have you a pin for me?"

"Certainly," zei de palfrenier, wiens mondhoeken verraderlijk begonnen te trillen en hij nam vier kostbare spelden van den binnenkant van zijn jas en reikte haar die over.

Ze dankte hem met een vriendelijk knikje. Hij sloot het portier en met een zucht van welbehagen leunde zij achterover tegen de zachte kussens van het rijtuig om zich echter al heel spoedig weer voorover te buigen en gretig het raampje uit te kijken, terwijl zij Edinburg doorreed.

Het was mooi, frisch weer en het eigenaardig bekoorlijke licht, dat den avond vooraf gaat, scheen over de schilderachtige stad. Op enkele plaatsen waren de lantarens reeds aangestoken en achter sommige winkelramen wierp reeds het kunstlicht een zacht schijnsel op kwistig uitgestalde, veelkleurige Schotsche zijde en op aardiggevormd bruin- en -geel aardewerk en kristal. Hedwig keek nieuwsgierig naar een paar stoergebouwde, Schotsche soldaten, die vlak langs haar rijtuig gingen en er met hunne frissche gelaatskleur, lichte jassen, korte, geruite kilts (rokjes) en groote, witte pluimen aan de lederen ceintuurs, flink en krachtig uitzagen. Verrast keek zij op, toen ze tegenover de weelderige winkels in Princes-street, in het stille avondlicht, hoog op een rotsblok, de ruïnes zag liggen van het oude, grijze kasteel en daaronder de takken der boomen van het fraaie park zag wuiven, waarin ze nog juist met een oogopslag het beroemde Scott-monument kon onderscheiden. Noemden de menschen in Edinburg dit een straat? Prachtig mooi vond zij alles van toon en kleur en het onwezenlijke halfdonker maakte den rit niet minder aantrekkelijk.

Met innig genot ademde zij de geurige lucht in, die door het open raampje naar binnen kwam en haar hand gleed streelend langs de zachte zijde der rijtuigkussens, maar toen het rijtuig stilhield voor een groot heerenhuis, waaruit veel licht naar buiten scheen, begon haar hart sneller te kloppen en drukte zij de handen even stijf tegen elkaar.

Zou Tieka al in de gang staan om haar op te wachten en ... de barones misschien ook en zouden zij zich erg ongerust gemaakt hebben over haar lang weg blijven? Zij sprong vlug het rijtuig uit en liep haastig het huis in, maar in de hooge, fraai gemeubileerde gang was niemand dan een zeer deftige knecht, die even voor haar boog met de woorden:

"What name, please?"

Haar naam? Hedwig vond het vreemd dat hij dien vroeg, iedereen wist toch natuurlijk dat Tieka's Duitsche gouvernante elk oogenblik verwacht kon worden! De knecht scheen hiervan echter volstrekt niet op de hoogte te wezen en ze noemde hem haar naam en liet zich den weg wijzen naar een vertrekje aan 't eind der gang. Ze moest een heele poos wachten, voordat een tweede knecht verscheen om haar naar een schitterend verlichte drawing-room te brengen, waar de barones en de baron von Zercläre, een mager, nietig, blond mannetje met een vrij onbeduidend uiterlijk, aanwezig waren.

De barones gedroeg zich, naar Hedwig voorkwam, nog statiger dan toen zij haar voor het eerst zag. Zij raakte Hedwig's hand even aan met hare vingertoppen, stelde haar als ter loops voor aan den heer von Zercläre, liet haar blik glijden over Hedwig's kleeding en zei:

"We hebben nog naar u uitgekeken aan het station, maar de volte belette ons u te vinden; daarom zond ik u later het rijtuig maar. Ook van ochtend in Londen hebben wij elkaar gemist. U hebt een goede reis gehad, hoop ik?"

"Het gaat wel, dank u," antwoordde Hedwig kortaf, onder den indruk van de koele ontvangst. Toen snel, omdat ze zag dat de barones weer naar het gekreukelde japonnetje keek:

"Ik ben zeeziek geweest en van ochtend ging alles wat haastig; daarom zie ik er...."

"O ja, juist, juist," viel de barones in met een gebiedend gebaar van haar hand, alsof zij zeggen wilde: "Spaar mij verdere bizonderheden". "Als u nu maar naar boven gaan wilt, dan zal men u uwe kamer wijzen en u daar uw supper en wat thee brengen."

Zij schelde en een keurig gekleede jonge vrouw-"heelemaal een dame", vond Hedwig-verscheen; zij was de kamenier der barones.

Juist wilde Hedwig haar de kamer uit volgen, toen de baron, die zich onledig hield met door het vertrek heen en weer te loopen, toevallig zijn voet zette op een lus van het vastgespelde boorband van haar japon, dat daardoor nog een heel eind verder afscheurde.

"O pardon, pardon," riep hij uit, onthutst naar zijne vrouw kijkend, maar deze, die de spelden ontdekt had, zei alleen koud: "U zult verstandig doen, Fräulein, met u spoedig te verkleeden," en keerde Hedwig toen den rug toe. Hedwig was blij, toen zij de kamer weer uit was. Onder diep stilzwijgen ging de deftige kamenier haar nu voor naar een hoogere verdieping. Hedwig zag wel hoe zij haar op het portaal met een trotsch toegeknepen mondje, van het hoofd tot de voeten op nam, maar ze liet er zich niet door uit het veld slaan. Zij zag er ook werkelijk niet netjes uit, moest zij bekennen ... maar o, ze was ook zoo moe en ... het juffertje naast haar had zeker wel gemakkelijker reis gehad dan zij!

Ze had zich de ontvangst hartelijker en prettiger voorgesteld, maar als zij maar eenmaal gewend was, zou alles zeker goed gaan. Het was nu ook nog zoo vreemd....

Daar werd aan het eind van het portaal een deur met een ruk geopend en een bevallige, kleine gedaante, geheel in het wit, vloog Hedwig te gemoet. "Ach du liebe, kleine Tieka!" riep Hedwig en er sprongen haar tranen van blijdschap in de oogen. Want Tieka sloeg de armen om haar hals en drukte zich tegen haar aan. "Oh, I am glad, glad!" riep ze en zij beduidde de preutsche kamenier dat zij nu wel heen kon gaan; zij zelf zou "Fräulein" verder den weg wel wijzen. "Ik mocht niet naar beneden," fluisterde zij Hedwig toe, "maar ik had toch het rijtuig wel gehoord!"

Ze duwde Hedwig de kinderkamer in, die er met de aardige, kleurige platen aan den muur, vroolijk uitzag, schoof bedrijvig een gemakkelijken stoel voor haar aan en dwong haar te gaan zitten en achterover te leunen. "Zie zoo, rust nu maar eens flink uit," zei ze als een klein moedertje en ze trachtte Hedwig den hoed af te zetten en haar mantel los te maken, maar Hedwig sprong lachend op. "Wijs mij mijn kamer eerst maar eens, Tieka," zei ze en Tieka gehoorzaamde dadelijk. Zij opende een tusschendeur, die toegang gaf tot een kleiner vertrek, waar sierlijke miniatuur-meubeltjes stonden: rieten tafeltjes, stoeltjes, twee linnenkastjes, een kookkacheltje, in een hoek een rij ledikantjes, toilettafeltjes met licht neteldoek en blauwe strikjes getooid, in een anderen hoek een pers en mangeltafeltje, strijkplank met toebehooren en allerlei andere benoodigdheden voor het poppengezin, dat hier wonen moest.

"Dit is de kleine kinderkamer," zei Tieka, die haar Engelsen en Duitsch erg door elkaar haspelde, "hier kunnen wij zoo heerlijk spelen! Mijn poppen zijn nog ingepakt; ik verlang ernaar dat zij uit die donkere koffers komen, morgen moeten zij hier een feestje hebben. En dit," weer opende zij een tusschendeur, "is uw kamer, vlak naast mijn slaapkamertje, dat vind ik zoo heerlijk!"

Onwillekeurig knikte Hedwig blij, toen zij hier haar grooten koffer reeds zag staan, het was bijna alsof ze een oude kennis ontdekte! Ze vond het een heel mooie kamer; alles zag er zoo echt comfortable uit: het flinke ledikant, de spiegelkast, waarin zij haar japonnenschat zou mogen bergen, de waschtafel met marmeren blad en het meest nog het aardige hoekje bij het raam, waar een paar gemakkelijke, lage stoelen waren heen geschoven en tegen den muur een kleine schrijftafel stond. Een schrijftafeltje, dat zij, Hedwig Eiche, gebruiken mocht! Als haar moeder en Clärchen dat eens even konden zien!

Zij lichtte snel het gordijn op om het uitzicht te bewonderen en Tieka drukte haar neusje ook tegen de ruiten. Maar er was niet veel meer te onderscheiden dan wuivende boomen, de verlichte ramen van een paar huizen aan den overkant en het schijnsel der lantarens, dat op het stille, deftige plein viel.

"Zoo echt geheimzinnig, he?" zei Tieka. "Ik wou dat wij saampjes nu eens even uit mochten gaan, dan was het net als in een sprookje." Toen, terwijl zij Hedwig met hare donkerblauwe oogen ernstig aanzag: "Ik houd nú al veel van u!"

"Dat weet je nog niet, daar weet je nog niets van," riep Hedwig plagend.

"Jawel, jawel, ik weet het juist wel, ik weet het zeker," zei Tieka met nadruk. En toen Hedwig haar hoed afzette en het blonde haar-dat nog maar niet aan het opgestoken kapsel kon wennen-losraakte en over haar schouders golfde, klapte het kleine meisje opgetogen in de handen en riep uit:

"O, wat aardig! Wat staat dat grappig! Maar...." en opeens werd haar gezichtje weer ernstig en aarzelend, verlegen vroeg ze:

"Dat mag men niet vragen, is 't wel, hoe oud of iemand is?"

"Wel neen," zei Hedwig terstond, zich op de lippen bijtend om niet te lachen, "dat behoort heelemaal zoo niet, dat is heel onbeleefd."

Zij keerde zich om naar de kast om Tieka's vragende oogen te ontwijken en hing haar mantel op, maar Tieka stond dadelijk weer naast haar.

"Ik heb het nog niet gevraagd," zei ze verontschuldigend.

"Neen, pas dan maar op dat je het ook niet doet."

Tieka zweeg even; hare oogen bleven onafgewend op Hedwig gevestigd. Toen zei ze levendig:

"Ik wou u zoo graag geen Fräulein noemen, ten minste ... niet als wij alleen zijn. Ik wou zoo graag....

"Nu, wat wou je graag?" vroeg Hedwig bij haar neerknielend.

"Ik wou zoo graag," herhaalde Tieka met haar hand onder Hedwig's kin, "een apart naampje voor u hebben en niet altijd Fräulein zeggen. Ik wou ... o, ik weet al wat, my dear zal ik u noemen, nooit iets anders dan my dear, als wij samen zijn. Mag dat?"

"Natuurlijk, maar dan moet je ook je best doen, niet telkens Duitsch en Engelsch door elkaar te spreken, maar iedere taal afzonderlijk."

"Yes my dear, my dear, my dear," riep Tieka, half zingend en ze danste de kamer door, al maar roepende dat ze toch zóó blij was dat "my dear" er nu eindelijk was!

Toen Hedwig den sleutel van haar koffer te voorschijn haalde, vroeg ze gretig: "Moet ik nu weg of mag ik bij het uitpakken blijven?"

"Wel zeker, je blijft hier, je kunt me juist uitstekend helpen," zei Hedwig.

"Zij hebben beneden visite, zie-je," babbelde Tieka voort, "een heeleboel van avond. Ik zal nog wel even geroepen worden misschien, maar ik blijf niet lang weg, ik kom dadelijk terug."

Tot haar teleurstelling stuurde haar moeder echter om haar, toen het uitpakken nog maar even aan den gang was en men hield haar zoo lang beneden dat Hedwig geheel klaar was, zich had verkleed en op het punt was om iets te gebruiken van het eten, dat men voor haar in de kinderkamer had gereed gezet, toen Tieka eerst weer verscheen.

"O, ik moest tegen zóóveel menschen wat zeggen!" riep ze, hijgend van het vlugge loopen. "Ik kon maar niet klaar komen. Mag ik de thee voor u inschenken en brood snijden? Ik kan het best. Hier is visch. Mag ik u bedienen? Kijk, dit zijn scones, een echt Schotsch gebak; dat smaakt zoo lekker, daarvan wil ik nog wel een klein stukje. Zal ik een ei voor u koken? Ik weet heel goed hoe ik dat doen moet."

Hedwig vond alles goed. Zij had er schik in op te merken, hoe handig het kleine meisje met den zwaren, grooten trekpot omging en er later zorgvuldig de cosy weer over trok, hoe zij haar voorzag van wat zij noodig had zonder iets te vergeten en hoe zij later vroolijk toekeek, terwijl Hedwig at en dronk.

Eindelijk zei ze met een zucht:

"Nu moet ik naar bed, erg vervelend, maar mama vraagt altijd 's ochtends of ik den vorigen avond op tijd gegaan ben. Misschien ... misschien komt straks ... iemand nog wel even bij mijn bed, als ik erin lig?"

"Iemand?" zei Hedwig, zoo ernstig mogelijk. "Wie is iemand?"

"Dat zeg ik niet! Dat zeg ik niet!" zei Tieka, lachend opspringend; de glimlach in Hedwig's oogen had haar blijkbaar gerust gesteld. Vlug liep ze naar haar slaapkamertje en Hedwig hoorde niets meer, totdat een vroolijke stem riep:

"Ready! Fertig!"

"O! O! O! Weer Engelsch en Duitsch te gelijk; pas op!" zei Hedwig, maar ze had weer groote moeite haar gouvernante-waardigheid te bewaren, toen Tieka rechtop ging zitten in bed en nieuwsgierig vroeg:

"Ben ik wel tien jaar jonger dan u?"

"Wou je dat heel graag weten?"

Tieka knikte alsof haar hoofd eraf moest.

"Ik mag het je toch niet zeggen, nu nog niet, ten minste."

"Wanneer dan wel?"

"Dat weet ik nog niet, maar, als je mij plezier wilt doen, moet je er niet meer naar vragen en er ook niet met anderen over spreken."

"O."

"Wil je me dat plezier doen?"

"Ik wil wel, maar ik vind het niet prettig."

Hedwig gaf haar een kus. "Nacht lieve Tieka," zei ze, "komt je moeder ook nog bij je?"

"Mama?" Tieka keek heel verbaasd. "Neen, die komt nooit meer, die heeft het veel te druk."

Het speet Hedwig dat zij de vraag gedaan had.

"Nacht kindje."

"Goeden nacht, my dear."

En toen Hedwig heen gegaan was en reeds een poosje op haar kamer had zitten nadenken, klonk het nog eens:

"My dear...."

Hedwig ging dadelijk naar haar toe. "Slaap je nog niet, Tieka? Wat is er?"

Zij keek Hedwig ondeugend aan. "Ik wou alleen nog maar één keer zeggen: "Nacht, my dear!""


HOOFDSTUK III.

Een Brief, waar van Alles in staat.

Ongeveer een maand later slaakten Hedwig's moeder en Clärchen een kreet van verrukking bij het openen van een zeer dikken brief, den eersten langen brief, dien zij van Hedwig ontvingen.

"Lieve beste moeder," schreef zij, "nu zal ik mijn best doen u eens van alles en alles te vertellen! Ik kon tot nu toe niet anders dan haastige brieven schrijven, maar vandaag en morgen is Tieka met hare ouders uit de stad en heb ik dus twee dagen vacantie en ruim tijd voor een langen brief.

Ik zal u ook heusch oprecht op al uwe vragen antwoorden, lief, bezorgd moedertje en dus allereerst maar eerlijk bekennen dat ik soms wel erg naar u en Clärchen verlang. Maar als dat nu eens niet zoo was, hoe zoudt u dat dan vinden? Heel onhartelijk en onnatuurlijk, niet waar? Ja, ja, ik ben soms sentimenteel genoeg om uwe portretten heel dicht ... bij mijn mond te brengen, maar dat gebeurt lang niet iederen dag! Ik vertel Tieka ook dikwijls van u beiden en dan is het net of ik even bij u ben geweest.

Zooals ik u reeds schreef, ga ik geregeld iederen Zondag, dikwijls met Tieka, maar die gaat ook veel met hare ouders mee-naar de Duitsche kerk; dat is altijd een echt verkwikkend, rustig uurtje, maar erg jammer is het dat hier op 't oogenblik geen vaste, Duitsche predikant is en er telkens iemand anders preekt. Het zou zoo aardig zijn, als er wèl een predikant was met een groot gezin, waar ik dan aan huis mocht komen-voorloopig zal daar echter wel niet veel kans op wezen!

Heb ik het anders niet buitengewoon goed getroffen en wat zegt u er toch wel van dat uw vijftienjarige dochter nu gouvernante is in zoo'n paleis van een huis? Soms lijkt het me wèl heerlijk om dat paleis eens voor een half uurtje te verwisselen met ons knus bovenhuisje en even, even mijn armen om uw hals te slaan en Clärchen te zien smullen van een stuk Schotsche scone (een smakelijk gebak) of toffee, want ik zou natuurlijk van alles voor haar mee brengen. Even voor een dagje overkomen gaat echter zoo gemakkelijk niet en daarom zal ik maar stilletjes in mijn paleis blijven! Soms is het mij haast als een droom dat ik hier nu heusch thuis behoor. Het huis is zóó groot, Clärchen zou er best in kunnen verdwalen. Ik weet er nu den weg wel zoowat in te vinden, maar er zijn zóóveel kamers en zooveel mooie, breede gangen met hooge, met bloemranken beschilderde muren en kleine nissen met tafeltjes met planten en rieten stoelen, fraai gedrapeerde rustbanken en kisten van donker, uitgesneden eikehout en o, zooveel trappen en portalen dat ik niet begrijp dat de bedienden zich nooit vergissen, als er van verschillende kanten wordt gescheld.

Die bedienden ... of ik er ooit achter zal komen hoeveel er hier precies zijn? Ik betwijfel het werkelijk, want ik overdrijf niet, als ik zeg dat er stellig bij de twintig zijn. En de meesten zien er zoo verbazend voornaam uit dat men haast niet laten kan een buiging voor hen te maken, als men hen tegen komt. De mannen: huisknechten, butler, koetsier, palfrenier, enz. enz. zijn allen in livrei en loopen allen even statig-al is de aard van den palfrenier werkelijk vroolijk en al heb ik hem herhaaldelijk zien glimlachen om Tieka's grappen.

De meisjes en vrouwen hebben de keurigste japonnetjes aan en gedragen zich over 't algemeen nogal uit de hoogte tegenover mij, net alsof zij na familie van den baron von Zercläre zijn en ik niet! Maar zij meenen het niet kwaad, geloof ik, en ik heb niet veel met haar te maken.

Zelfs de kleine Tieka heeft een aparte maid voor zich; dat is wel een aardig, voorkomend persoontje, maar wie zou ook voor Tieka onaardig kunnen wezen? Dat kind is en blijft een schat. Wat zou ik graag willen dat gij haar eens even zien kondt, mijn lief, lief leerlingetje! Als zij morgenavond thuis komt, zal ze weer met dien aardigen, muzikalen klank in haar stem roepen: "Waar is my dear?" Dat doet zij altijd, als zij me niet dadelijk vindt, ik kruip wel eens opzettelijk weg om haar te plagen-en als zij me dan ziet, danst ze letterlijk naar me toe en al hare korte, donkere krullen dansen mee!

Zijn we met ons tweetjes, dan noemt zij me nooit anders dan my dear, maar als wij beneden dineeren, (ik vergat nog u te zeggen dat mijn eetlust uitstekend blijft en dat ik zoo gezond ben als een hoentje!) vergeet ze nooit mij deftig "Fräulein Eiche" te noemen. Wij eten trouwens heel weinig beneden, want de baron en barones hebben bijna altijd gasten en, als die er zijn, eten wij geregeld op de kinderkamer.

We hebben het heel genoegelijk met ons beiden. Als Tieka naar bed is en ik alleen op de kinderkamer zit, waar het dan zoo heel rustig kan wezen en soms het geluid van pratende en lachende stemmen van beneden tot mij doordringt, ja moeder, dàn verbeeld ik mij wel eens dat ik me wat eenzaam voel, maar dat is natuurlijk niets dan verbeelding!

Wat die aristocratische, schatrijke menschen hier toch een eigenaardig leven hebben! Den baron zie ik soms in dagen niet anders dan aan het ontbijt, waarbij hij de godsdienstoefening leidt; bij de lunch is hij dikwijls uit. Als hij wel thuis is, hoort men toch zijn stem haast niet; alleen als Tieka wat al te levendig is, bestraft hij haar; overigens neemt hij, naar mijn bescheiden meening, veel te weinig notitie van zijn allerliefst dochtertje. Wel letten hij en de barones er erg op dat ze goede manieren krijgt en met smaak gekleed gaat, maar Tieka blijft daar heel eenvoudig onder. Zij geeft niets om mooie jurken en ze zal nog heel wat moeten veranderen, eer zij is wat hare ouders van haar wenschen te maken. De barones bemoeit zich nogal met de lessen en liet zich laatst tegenover mij ontvallen dat zij zeer hoopte dat Tieka niet alleen een heel mooi, maar ook een heel bizonder meisje zou worden. "Zij zal moeten schitteren, ook door haar kennis en hare talenten; u hebt daaraan reeds nù te denken!"

Ik waagde het op te merken dat ik toch vurig hoopte dat Tieka zoo vroolijk en eenvoudig zou blijven als zij thans was, want dat ik haar juist nù zoo bizonder aantrekkelijk vond, maar de barones haalde toen even minachtend de schouders op. "Tieka is nu nog een heel gewoon kind," zei ze, "dat kan alleen anders worden, als er veel zorg aan haar opvoeding wordt besteed."

O, ik hoop dat ik heel, heel lang bij haar zal mogen blijven en ik wou ... dat zij zoo'n moeder had als de mijne!

Met de lessen gaat het heel prettig. Tieka krijgt die, op verzoek der barones, bijna alle in het Duitsch, wat mij wel aanstaat natuurlijk. Het allerbest bevalt ons beiden de zangles. Zij heeft een heel zuiver stemmetje en zingt zoo levendig en met zooveel uitdrukking, dat ik haar dolgraag wat meer zou laten zingen, maar de barones vindt dat niet goed. En Tieka zal wel gauw zangles krijgen van een of ander groot musicus!

Tieka heeft ook een verzameling, Clärchen; dat zul jij zeker heel merkwaardig vinden. Zij is een verzameling begonnen van ... raad eens wat? Van portretjes van kleine kinderen. Ze vindt het zoo vreeselijk jammer dat zij geen broertjes of zusjes heeft en soms zet ze de portretjes op een rij en vraagt mij, wie ik van die kindertjes 't liefst vind en graag als broertje of zusje zou willen hebben. Zij speelt ook dolgraag met hare poppen, maar heel veel tijd heeft ze daarvoor niet; ze moet zóóveel leeren, eigenlijk zelfs als ze speelt.

Waar ze maar kan, vraagt ze tegenwoordig om kinderportretjes; laatst zelfs toen wij aan het wandelen waren bij Holyrood ... maar daar kom ik straks wel op terug, ik moet u nu toch allereerst nog eens weer vertellen hoe prachtig mooi het hier is. Men zegt dat het in Schotland over het algemeen heel veel regent; ik heb tot nu toe bijna aldoor mooi weer gehad en op de wandelingen of ritjes met Tieka erg genoten. Op onze korte ochtendwandeling bekijken wij geregeld even in de fraaie gardens van Princes' street het beroemde standbeeld van Walter Scott, waarover ik u reeds vroeger heb geschreven. Clärchen herinnert zich zeker wel dat ik haar, toen ze verkouden te bed lag, eens een stuk uit Ivanhoe heb voorgelezen? Tieka kent nog geen boeken van Scott natuurlijk, maar zij stelt toch veel belang in hem en iederen dag, als we bij het standbeeld ons bankje opzoeken, vertel ik haar iets uit het leven van den grooten schrijver; ik lees daarover dan den vorigen avond wat na.

O, het standbeeld is zoo mooi! Walter Scott zit daar met zijn lievelingshond Maida-een prachtig dier-naast zich en er ligt een eigenaardige, humoristische uitdrukking om zijn mond, die het gezicht bizonder aantrekkelijk voor mij maakt. Altijd weer vind ik het prettig ernaar te kijken; hij wordt mij langzamerhand als een oude bekende en-ja, lacht mij maar uit!--ik begin het gezicht lief te krijgen; het is of het mij veel te zeggen heeft en mij moed inspreekt.

Over het oude kasteel tegenover Princes' street en het heerlijke uitzicht, dat men vandaar over de stad heeft, heb ik u in mijn vorigen brief al geschreven; ik moet u nu vertellen van onzen tocht naar Holyrood, het oude paleis der Schotsche koningen, waar de barones met Tieka en mij voor een paar dagen heengereden is.

Tieka was uitgelaten dien dag, "onbehoorlijk opgewonden," zei haar moeder.

Ik vond het, eerlijk gezegd, een genot haar telkens zoo frisch te hooren lachen en eenmaal werd zij zoo vroolijk om een koetsier, die voorop een hooge coach zat en allerlei dwaze grappen verkocht aan zijne passagiers, dat ik ook wel mee moest lachen. Ik kreeg toen een bestraffenden blik van de barones en een streng: "Fräulein...." en ik schrikte en deed mijn best zoo ernstig mogelijk te kijken!

Het is een opgewekt volkje die Edinburgsche koetsiers, die de coaches besturen, bestemd voor allerlei tochtjes in den omtrek. Zij zien er ook fleurig uit met hunne roode jassen en hooge, grijze hoeden. Tieka vraagt telkens weer aan haar moeder: "Mag ik ook niet eens een ritje bovenop een coach doen met Fräulein? Dat lijkt me zóó heerlijk!" Maar de barones wil er niet van hooren; zij vindt dat niet deftig genoeg.

Nu, gemakkelijker dan wij in de fraaie equipage der Zercläre's naar Holyrood reden, kan men dit in een coach wel niet doen. Het was een heerlijke rijtoer, waarbij wij ook het huis van John Knox voorbij kwamen, dat er schilderachtig, maar erg donker uitziet.

Nooit zal ik vergeten hoe zacht en teeder de zon scheen op de oude kapel van Holyrood, toen wij aan kwamen rijden. Ik zal dat altijd het mooist vinden van het geheele, oude paleis, dat stuk ruïne, dat overgebleven is van de abdij en er zoo plechtig stil uitziet, indrukwekkend nog in zijn verminkte grootheid, met het grijze steen half door groen mos bedekt.

Door de vensters, waaruit het glas lang verdwenen is, komt het licht vol en rijk naar binnen, grillige schaduwen tooverend op het grijze steen. Zoo rustig, zoo geheimzinnig hoorbaar is de stilte daar dat ook Tieka er door getroffen werd en bedaard, zonder iets te zeggen, haar hand in de mijne legde.

Ik sprak zooeven van de abdij, maar ik had eerst moeten vertellen-wat ik er ook den vorigen dag voor Tieka over had nagelezen-dat het slot Holyrood heet naar het nabijgelegen klooster van dien naam, (Holy rood = Heilig Kruis) dat in de twaalfde eeuw door den Schotschen koning David I werd gesticht en rijk met landerijen begiftigd. Gedurende een paar eeuwen werd het klooster herhaaldelijk door Schotsche vorsten bewoond, maar het eigenlijke paleis of slot werd eerst in 1528 door Jacobus V gebouwd en bleef, nadat het klooster in 1544 totop het schip der kerk door de Engelschen verbrand was, de verblijfplaats van Maria Stuart en van haar zoon Jacobus VI, tot deze in 1603 als Jacobus I den Engelschen troon besteeg en Engeland en Schotland onder één vorst werden vereenigd.

Onder Cromwell werden paleis en klooster grootendeels verwoest en eerst gedurende de regeering van Karel II in 1671, werd het paleis weer opgebouwd, waarbij het Noordwestelijk gedeelte uit den tijd van Jacobus V, dat gespaard was gebleven, zijn oorspronkelijken vorm behield. In dit oude gedeelte kan men nog de vertrekken zien, eens door Maria Stuart bewoond.

Ik voelde mij als een ander mensch, toen wij door die nu zoo doodstille, hooge kamers liepen. Men wees ons ook de deur en de smalle trap, waarlangs de moordenaars van Rizzio zich indertijd toegang hebben weten te verschaffen tot de vertrekken der koningin. Ook door de eetzaal liepen wij, waar zij Rizzio gegrepen hebben, om hem daarna door de slaapkamer en de audientiezaal heen te sleepen en eindelijk bij de hoofdtrap dood te steken....

Zijn bloed liet sporen achter op den vloer der audientiezaal en men zegt dat Maria die vlekken nooit heeft willen laten uitwisschen "omdat zij er haar aan moesten herinneren dat zij het doel van haar wraak geen oogenblik uit het oog mocht verliezen." Vreeselijk, niet waar?

Men wees ons later ook nog een eigenaardig oud huis, dicht bij Holyrood gelegen, dat Queen Mary's Bath wordt genoemd, omdat Maria Stuart-zoo gaat het verhaal, maar u en mij zou het zeker wel een beetje duur uit komen!--hier geregeld iederen dag een bad van wijn kwam nemen ter verhooging van hare schoonheid.

Door dit huis wisten ook de moordenaars van Rizzio te ontsnappen en in het laatst der 18^e eeuw, toen het dak hersteld moest worden, vond men tusschen de planken nog een fraai gedreven dolk, die hoogstwaarschijnlijk aan een der samenzweerders had toebehoord.

Al deze dingen moest ik aan Tieka vertellen, terwijl haar moeder zeer aandachtig toeluisterde (wel wat griezelig!) en mij op de vingers tikte, als ik wat onnauwkeurig was in mijne uitleggingen. Ik vond Tieka nog zoo klein voor al die akeligheid, maar de barones was dit blijkbaar niet met mij eens en Tieka zelf was gelukkig niet zoo heel erg onder den indruk! Zij zag telkens iets, dat haar aandacht afleidde en deed ontelbare vragen en ... toen we weer buiten waren en nog even rond wandelden, liep zij opeens op een drafje van ons weg naar een heel eenvoudige, Schotsche vrouw met een alleraardigst, klein, dik jongetje van een paar jaar aan de hand. Het kereltje had groote, lichtblauwe oogen en zulke bizonder dikke, ronde wangen dat Tieka den lust niet kon weerstaan er even in te knijpen. Met een bizonder ernstig gezichtje keek hij tot haar op, toen zij deze vrijheid nam en de moeder zei lachend, met een sterk Schotsch accent: "Geef de jongejuffrouw gauw een handje, Bob." Maar Bob kon daar maar niet zoo dadelijk toe besluiten. Wèl deed hij zijn mond wijd open om Tieka te laten zien dat hij een pepermuntje op de tong had, maar na deze heldendaad verschool hij zich achter zijn moeder. "Tieka, kom terstond hier," gebood de barones, "wat zijn dat nu weer voor manieren!" En Tieka gehoorzaamde dadelijk, echter niet zonder de vrouw te hebben toegeroepen: "Stuur mij zijn portretje, stuur mij als 't je blieft zijn portretje!"

[Holyrood.]

Eerst toen het te laat was, bedacht zij dat de vrouw haar adres niet wist!

Nu heb ik mijn brief toch nog weer een paar dagen moeten laten liggen; juist toen ik zoo langzamerhand eens wilde gaan eindigen, kwam de familie thuis en Tieka had mij toen zooveel verhalen te doen, dat ik geen lettertje meer kon schrijven.

En nu ... ligt mijn aardig leerlingetje te bed. Zij schijnt koude gevat te hebben op haar reisje en moet er op raad van den dokter, een dag of vier stilletjes in blijven en zich niet vermoeien. Ik zit bij haar en ze slaapt nu gelukkig; dat zal haar goed doen. De dokter denkt dat zij wel gauw weer zal opknappen, maar zij ziet er nu erg bleek en smal uit! Zij is echter opgewekt en eet flink. "Als my dear maar aldoor bij me mag blijven, vind ik het niets erg," zei ze tegen den dokter, die natuurlijk heel verbaasd keek, niet wetende wie "my dear" was! Hij lachte, toen ik het hem uitlegde en zei toen, tot Tieka's groote vreugde, dat ik niet van haar bed mocht wijken. Toen vroeg hij mij-o schrik!--of ik hier logeerde en een ouder vriendinnetje van Tieka was en ik keek opeens heel streng (al beefde ik inwendig!) en zei niet anders dan: "Her governess, sir!" waarop hij bedaard hernam: "Oh indeed! Yes, of course".

Het is toch vervelend dat ik er niet uit zie alsof ik ... tachtig was! De baron kan mij ook zoo lastig onderzoekend aankijken en laatst zei de barones: "U bent nog wel heel jong, Fräulein, u moet trachten wat bezadigder te zijn." Ik boog, zielsblij dat zij mij niet vroeg hoe oud ik toch eigenlijk was-maar och heden, den middag daarop gebeurde er juist iets, waardoor ik een alles behalve "bezadigden" indruk maakte!

Ik doe heusch mijn best met alles, moeder, en hoe zou ik ook niet? Ik heb het zóó goed getroffen en vind mijn werk voor en met Tieka zoo prettig, maar 't is net of ik soms vergeet mijn best te doen om oud te wezen! Het is werkelijk ook niet zoo heel gemakkelijk dat te zijn, als men het eigenlijk niet is. Dat klinkt als een raadsel, vindt je niet Clärchen?

Maar nu is het toch mijn plicht u nog even te vertellen wat er dien bewusten middag gebeurd is. Het was op een Zaterdag. Tieka behoeft dan alleen maar 's ochtends te leeren, de overige uren van den dag mogen wij spelen, wat wij beiden heerlijk vinden! "Ik laat haar zooveel mogelijk met u spelen," zei de barones, toen ik hier kwam, "omdat wij wenschen dat zij ook dat verstandig doen zal. U moet dus ook dàn onderwijzend optreden."

Ik begreep toen niet recht wat de barones hiermee bedoelde, maar dacht en zeide alweer dat ik mijn best zou doen. Een paar malen, als Tieka en ik met hare poppen bezig waren, kwam de barones eens kijken en eens toen Tieka-naar mijne meening heel netjes-poppekleertjes gewasschen en met mijne hulp gestreken had, moest zij alles weer over doen omdat, volgens haar moeder, de kleertjes niet schoon waren.

Eerlijk gezegd, kan Tieka het haar moeder slechts zeer zelden naar den zin maken. Als zij voor de poppenfamilie kookt of bakt en de barones laat proeven, vindt deze ook nooit iets lekker. Tieka zegt dan altijd maar weer vroolijk met haar heldere stem: "Een volgend keertje beter opgepast!" Zij heeft gelukkig een onbezorgde natuur en lacht en zingt van den ochtend tot den avond.

Dien bewusten Zaterdagmiddag waren wij beiden in een bizonder fleurige stemming en ... vergat ik, vrees ik, voortdurend "onderwijzend op te treden".

Tieka houdt dolveel van lezen en is tegenwoordig zeer vervuld van Robinson Crusoe. "Dat vind ik het mooiste boek dat ik ken," zegt ze dan, zooals telkens na ieder boek, dat ze juist uit heeft! Wij wilden dien middag een voorstelling geven van Crusoe en Vrijdag bezig met het bouwen van hun tent en wij hadden het dus, zooals van zelf spreekt, bizonder druk!

Tieka wou graag Robinson Crusoe wezen en had zich daarvoor zeer potsierlijk uitgedost. Zij had haar jurk uitgetrokken, een wit schapenvacht (het haardkleed) omgeslagen, daarover een lederen ceintuur gegespt, haar slippers als sandalen met een rood lint onder de bloote voeten gebonden en hare krullen zoo verward mogelijk over haar voorhoofd laten vallen. Daarbij had ze, heel achter aan het hoofd, hoe weet ik niet, een van hare roode kousjes bevestigd, "omdat zij er dan veel meer wildeman-achtig en voor een onbewoond eiland uitzag."

Wij hadden ons ieder op onze eigene slaapkamer verkleed om later elkaar, als bij verrassing, in de kinderkamer-Crusoe's eiland-te ontmoeten en Tieka juichte van pret, toen zij mij als Vrijdag zag. Ik had mijn gezicht en armen bruin gemaakt en mijn haar los laten hangen langs mijne slapen, het daarna in verschillende strengen verdeeld en toen onderaan de punten zwarte bandjes gestrikt; het zag er anders zoo erg blond uit! Verder droeg ik een zeer fantastisch kostuum in den vorm van een schilderachtig om mij heen geslagen, geruiten reisdeken, om het middel met een gordel van dik touw vast gemaakt, dat verder in trossen van zware knoopen naar beneden hing. Ik weet niet of Vrijdag ooit zoo getoiletteerd is geweest, maar Tieka vond alles prachtig, vooral mijn bruin gezicht en het ongemeene kapsel. Ik had mijn japonlijfje uitgetrokken, maar voelde me onder den plaid toch heel warm natuurlijk, te warm om behagelijk te zijn. En Tieka vond Vrijdag erg lui, toen deze opeens midden in het bouwen van een tent van blokken, kistjes, planken, voetebankjes, enz. op den grond ging zitten en uitriep: "Ik kan niet meer!" Crusoe trok den ontrouwen knecht aan een van zijne lokken en riep bevelend: "Gauw meehelpen! Anders komen wij voor den nacht niet klaar!" toen ... de deur open ging en de barones von Zercläre in ruischende zijde haar voet op het onbewoonde eiland zette!

Even bleef zij zwijgend staan, daarop zei ze op een toon van de diepste afkeuring: "Maar Fräulein!" en Vrijdag, die terstond opgesprongen was, kreeg een kleur onder zijn bruine huid. Tieka riep: "Moeder, moeder, we spelen Robinson Crusoe!" maar deze verklaring stemde de barones volstrekt niet gunstiger. Zij nam Tieka bij de hand en bracht haar naar haar slaapkamer. "Kleed je terstond weer behoorlijk aan en redder daarna dien prulleboel geheel op!" hoorde ik haar toornig zeggen en Tieka zei alleen uit den grond van haar hart: "Hè, wat jammer!" maar deed toen onmiddellijk wat haar bevolen was.

Juist wou ik ook zoo vlug mogelijk naar mijn kamer gaan om me te verkleeden, toen de barones weer voor mij stond. Nooit zal ik vergeten, hoe ongelukkig ik mij toen als Vrijdag voelde en hoe vurig ik verlangde, weer heel gewoon Hedwig Eiche te wezen!

Tieka's moeder vond dat ik mij hoogst onbetamelijk had gedragen. En ik had zeker ook wel een ander spelletje kunnen kiezen, maar wij vonden dit beiden zoo erg prettig!

Ik ontstelde, toen de barones zeide:

"U gedraagt u werkelijk soms geheel alsof u zelf ook nog een kind waart! Dat moet beslist veranderen, anders zou ik Tieka niet onder uwe leiding kunnen laten." Ze zweeg even, toen vervolgde zij met een vreemden blik in hare oogen:

"En dan moet ik u bovendien verzoeken u wat minder te beijveren om Tieka's liefde te winnen. Als zij u gehoorzaamt en ook verder haar plicht tegenover u doet, is dat volkomen voldoende. Liefde behoort zij voor hare ouders te voelen, overigens...."

Zij bracht den zin niet ten einde, maar zweeg weer even om mij toen-alsof dit nog noodig was!--onder het oog te brengen dat "dergelijke circus-achtige voorstellingen" nooit meer mochten plaats hebben. Toen ging zij heen.

Vindt u het erg kinderachtig dat niet alleen het water van mijn waschtafel het bruin van mijn gezicht wegwiesch?!

Maar u moet dit voorval toch vooral niet te tragisch opvatten, hoor! Het is nu alles al weer voorbij en vergeten en Tieka en ik hebben toch nog heel wat pret samen, al wagen wij ons slechts zelden meer aan verkleedpartijtjes en tooneelvoorstellingen!

En wat zegt u nu toch wel van zoo'n brief? Stuur dit pakje ook, als het kan, aan Anna Schaub ter lezing, of geef het haar te genieten, als zij wellicht gauw weer eens bij u komt. Ik heb ook haar nog maar een paar korte episteltjes gestuurd en zij schrijft zelf zoo trouw en zoo hartelijk.

Ik ben zoo blij dat het u beiden goed gaat en dat Clärchen het nu weer zoo prettig vindt op school en ook gouvernante wil worden.

Hoezee! Hoezee! Morgen zend ik u mijn eerstverdiende geld of liever mijn eerstverdiende gouvernantegeld. 't Is een beetje raar uitgedrukt; toch duidelijk genoeg voor u zeker? Neen moeder, ik heb er heusch zelf niets van noodig; ik heb nog wel een paar shillings en pennies in mijn beurs en dat is meer dan genoeg. Mijne kleeren zien er keurig netjes uit; alles wat ik met Anna in Hamburg gekocht heb, is haast nog nieuw. En eten of drinken behoef ik toch waarlijk niet te koopen! Dat krijg ik hier zoo overvloedig; ik word bepaald al wat dikker en mijn wangen zien er haast even rood uit als die van dien kleinen jongen bij Holyrood!

U ontvangt dus een aangeteekenden brief uit Schotland. Gewichtig, he? Ik ga het geld zelf naar het postkantoor brengen. Dat moet u nu niet allemaal aan nuttige dingen besteden, moeder; eet eens een extralekkere kuchen bij de koffie op mijn gezondheid. Ook doen!

En nu houd ik werkelijk eens op. Natuurlijk krijgt u nu voorloopig alleen maar briefjes in telegramstijl. Duizend groeten, ook van Tieka aan Clärchen....

HEDWIG.

Zooeven is de dokter er weer geweest. Hij was heel tevreden en vond dat Tieka goed vooruitging. Als het weer zoo zacht blijft, mag zij morgen eens opzitten en misschien overmorgen een poosje met mij in den tuin wandelen. Er is hier een prachtige tuin, een park eigenlijk, voor en achter het huis, o zoo mooi!


HOOFDSTUK IV.

Op de Proef gesteld.

Tieka herstelde echter niet zoo spoedig als men verwacht had. Zij bleef hoesten en toen de winter naderde en stroomen "echten Schotschen regen" meebracht, moest zij zich bepaald in acht nemen. "Er is volstrekt geen reden om bezorgd te wezen," zei de dokter herhaaldelijk tot de barones, "als uw dochtertje maar eenmaal gewend is aan onze Schotsche lucht, wordt ze stellig weer even flink als zij geweest is. Met droog, zonnig weer mag zij uitgaan; in den regen wandelen is nu echter beslist verkeerd voor haar."

Het was een heele teleurstelling voor Tieka en voor Hedwig ook. Tieka vond het juist zoo "jolly" om 's ochtends in een gietbui met haar lossen regenmantel om en haar Schotsch mutsje op, vergezeld door haar vroolijke gouvernante, naar Princes' street en het standbeeld van Scott te wandelen of, even voor de afternoon-tea, vijf minuten in den regen door de paden van den grooten tuin te draven, met haar neusje in de lucht en dan Hedwig te laten raden, hoeveel druppels zij op de punt van dat neusje had voelen spatten-en nu moest al dat genot den geheelen winter worden ontbeerd!

Zij hield zich echter dapper. "Dan mag ... neen, dan moet ik den volgenden winter zeker dubbel vaak uit, niet waar, dokter?" vroeg zij en de dokter knikte lachend.

"Natuurlijk."

"O my dear, wat ben ik nu toch dubbel blij dat ik my dear heb!" zei ze telkens tot Hedwig, als ochtend aan ochtend de regen tegen de ruiten kletterde om met hatelijke volharding den ganschen dag te blijven aanhouden. Dan lachte Hedwig en kneep haar in de kin of danste eens met haar de kamer door, maar op zekeren dag, toen Hedwig, na ontvangst van een brief van huis, stiller was dan anders, vroeg Tieka opeens aarzelend:

"My dear, wat gebeurt er in de Kerstvacantie?"

"Wat meen je?"

"Of dan niet ... zou ik dan niet ... ik meen maar ... omdat...."

"Heel duidelijk ben je niet, maar ik geloof toch dat ik wel weet wat je vragen wilt!"

"O," zei Tieka, die anders niet gewend was zoo weinig woorden te gebruiken.

"Je zoudt graag eens willen weten of ik met de Kerstvacantie ook naar huis ga; is het niet zoo?"

"Ja, ja, ik hoop maar...."

"Ik zal je eens wat zeggen Tieka, ik ga niet naar huis met Kerstmis en nog lang niet, denk ik."

"Wat heerlijk, wat heerlijk!" Zij sprong op en liet haar breikous op den grond vallen, zoodat een der naalden uit het werk gleed en een heele rij steken weer opgenomen moest worden.

"Kindje, kijk nu toch eens!" zei Hedwig en Tieka moest zelf trachten het onheil te herstellen.

Heel vlug ging dat niet, zij vond het erg lastig al de steken weer op de breinaald te krijgen en met haar donker hoofdje diep over het werk gebogen, zat zij heel stil. Hedwig hoorde haar een paar malen zuchten.

"Gaat het niet?"

"Het gaat wel, maar o, ik vind breien zóó vervelend!"

"Dat zul je niet vinden, als je het maar eenmaal goed hebt geleerd."

"Mijn neus gaat er altijd zoo van jeuken," klaagde Tieka, "en mijn ooren ook!"

Toch legde zij het werk niet neer, voordat al de steken opgenomen waren; toen riep ze vroolijk: "Al weer klaar! En nu is het voor vandaag genoeg zeker?"

"Ja. Ga nu je Duitsche versje maar overschrijven."

"Maar eerst...." en zij sloeg de armen om Hedwig's hals en fluisterde vlak bij haar oor:

"Eerst nog eens even zeggen, hoe heerlijk ik het vind dat my dear hier blijft met Kerstmis."

Hedwig gaf haar een kus. "Lieveling," zei ze zacht en Tieka hoorde terstond aan haar stem dat zij bedroefd was.

"My dear, wat is er?"

Hedwig schudde het hoofd.

"Is het een geheim?" fluisterde Tieka. "Dan, ja, dan màg ik het niet weten!"

"Het is geen geheim," zei Hedwig. "Mijn zusje is ziek geweest, heel ziek...."

"Ook al ziek geweest, net als ik en is ze nu weer beter?"

"Ja."

"Heelemaal?"

"Bijna heelemaal."

"Maar dan is het immers al weer over!"

"Ja, gelukkig wel."

Tieka begreep niet recht, waarom Hedwig dan niet blijder was.

"Verlangt zij zoo naar u?"

"Wel wat, denk ik."

"Maar dan moet u met Kerstmis wèl naar huis gaan," zei Tieka, een overwinning op zichzelf behalend.

"Neen, neen."

Tieka voelde dat Hedwig er verder liever niet over spreken wilde en ging stil aan haar werk. My dear was anders altijd zoo vroolijk! Zij was nu zeker wat bedroefd omdat Clärchen zoo ziek was geweest, maar het was toch geweest; dat was een groot lichtpunt, vond Tieka.

Ja, dat was zeker een groot lichtpunt en in dien geest had Hedwig's moeder ook geschreven. Clärchen's ziekte had echter veel geld gekost en zij hadden angstige dagen gehad; nu moest zij versterkende middelen hebben, ook had ze nog veel oppassing noodig en-haar moeder was zóó arm! Zij schreef zoo opgewekt als ze kon; zij hielden goeden moed; dat deed Hedwig toch zeker ook? Maar dat behoefde haar moeder eigenlijk niet eens te vragen, van haar waren zij het niet anders gewend.

Neen, zij zou den moed niet verliezen, maar ach, wat zou het heerlijk zijn geweest, als zij met Kerstmis één enkelen dag thuis had kunnen zijn! Er kon daarvan nù natuurlijk heelemaal geen sprake wezen ... en haar moeder en Clärchen weer zóó arm en zoo vol zorgen....

Doch zij stond op om over Tieka's schouder heen naar haar werk te kijken en schudde de gedrukte stemming van zich af.

Zij wilde niet bij de pakken neerzitten, maar flink haar weg blijven gaan, wetend dat God helpt die zichzelven helpen en zoodra zij haar salaris kreeg, zou ze haar moeder weer al het geld sturen, dat zou verlichting geven; hoe gelukkig dat de maand bijna om was en dat zij zelf niets noodig had!

"Ziezoo, my dear is weer vroolijk," zei Tieka, toen zij 's middags honderd uit bij Hedwig had gezongen aan de piano, terwijl de regendruppels buiten de maat tikten tegen de ruiten. Ja, Hedwig had haar gewone blijmoedigheid herkregen en 's avonds schreef zij een paar opgewekte woorden naar huis, die haar moeder en Clärchen een gevoel gaven, alsof zij een oogenblikje bij haar had zitten praten.

Enkele dagen later hunkerde zij al naar het uur, waarop zij haar salaris weer zou ontvangen. Gewoonlijk vond zij het in een couvert op haar kamer liggen en ook nu was dit het geval. Tot haar verbazing was er thans echter een briefje bij, waarin de barones haar verzocht dadelijk een oogenblikje bij haar te komen in haar boudoir.-Misschien zou het zijn om over een rijtoertje te spreken, bedacht Hedwig; het was bij uitzondering heden mooi weer. Terstond ging zij heen.

Zij had het boudoir, dat door een zwaar gordijn van een der zitkamers was afgescheiden, nog nooit anders dan uit de verte gezien en zij was echt meisjesachtig nieuwsgierig, hoe zij het er vinden zou. Alweer moest zij een paar bedienden langs, eer het gordijn achter haar dicht viel. Zij had slechts even den tijd om onder den indruk te komen van de zacht-lila tinten van behang en meubileering en van den viooltjesgeur, die in het vertrek hing, want heel spoedig hoorde zij in hare nabijheid de stem der barones tot den knecht zeggen:

"Zorg dat ik niet gestoord word."

Toen zij naderde, ontstelde Hedwig van de koude, hooghartige uitdrukking van haar gelaat. Wat zou er gebeurd zijn? Had zij iets misdaan? Zij herinnerde zich niet in eenig opzicht tegen de wenschen der barones gehandeld te hebben....

"Ik moet eens ernstig met u spreken, Fräulein," klonk het zeer uit de hoogte. "Allereerst moet ik er u nog eens met nadruk op wijzen, dat het uw plicht is ervoor te zorgen, dat Tieka zich niet te veel aan u gaat hechten. Zij ... kortom, zij behoort haar genegenheid te geven aan menschen uit haar eigen stand, niet aan onderhoorigen. Natuurlijk is het mijn wensch dat gij in aangename verhouding tot elkaar staat, maar de afstand moet bewaard blijven."

Hedwig boog het hoofd. Zij zeide niet dat Tieka allerminst een kind was, dat van "afstand bewaren" hield, maar zij dacht het wel en haar hart werd warm.

"Dan heb ik u nog iets te zeggen. Het zou mij zeer aangenaam wezen u wat stemmiger, wat minder jeugdig en ook wat eleganter gekleed te zien. Voor zoover ik weet, heb ik u nog nooit zwart zien dragen. Mag ik vragen hoe dat komt?"

Hedwig antwoordde dat zij geen enkele zwarte japon bezat.

"Dan zult u er u een dienen aan te schaffen; uw toilet is te weinig, zooals ik dat van de gouvernante mijner dochter mag verwachten. Heel stemmig moet het wezen en toch smaakvol. Ik zal u een adres opgeven van een winkel hier in Edinburg, dan kunt u daar van middag een japon koopen, terwijl ik met Tieka uit rijden ben."

"Ik...." Hedwig dacht aan het geld, dat zij den volgenden dag aan haar moeder had willen sturen en er kwam haar een brok voor de keel.

"Hadt u nog iets te vragen?"

"Ik dacht ... zoo'n zwarte japon ... is die niet erg duur?" bracht zij er hakkelend uit.

"Men zal u gaarne verschillende soorten van stof laten zien," zei de barones koel. "Maar ik herhaal dat ik bizonder gesteld ben op zwart. Het hindert me dat men u over 't algemeen een te jonge gouvernante voor Tieka vindt. Als u wat minder jeugdig gekleed gingt en minder levendig waart, zou dat natuurlijk niet het geval zijn, want ... hoe oud bent u eigenlijk?"

"Vijftien jaar ... bijna zestien," zei Hedwig, zoo zacht dat de barones haar onmogelijk verstaan kon.

"Hoe oud?" vroeg zij scherp.

Met de kalmte der wanhoop herhaalde Hedwig nu luid:

"Vijftien jaar."

"Wat?" De oogen der barones flikkerden toornig. "Waarom is mij dat niet eerder gezegd?" zeide zij driftig. Toen zich herstellend, met voorgewende kalmte: "Maar het doet er ook eigenlijk minder toe, hoewel ... u weet immers zeker dat u niet ouder bent?"

Onwillekeurig moest Hedwig nu toch even glimlachen. "Heel zeker," zei ze.

"Dan zult u dubbel uw best moeten doen ouder te schijnen. Het zal mij ook genoegen doen, u een ander soort hoeden te zien dragen, niet altijd dat ronde, meisjesachtige model, meer een kapothoedje of iets, dat daarop lijkt, ten minste."

"Ja," zei Hedwig zacht met de eigenaardige gewaarwording dat zij zou hebben kunnen lachen en schreien tegelijk.

Daar hoorde zij Tieka's stem roepen:

"Waar is my dear?"

De barones stond op. "Ik geloof dat wij elkaar nu goed begrepen hebben," zei ze. "Als ik straks met Tieka ga rijden, kunt u de stad in gaan om uwe boodschappen te doen. Ik heb nu niets meer te zeggen."

Hedwig had echter nog wel degelijk wat te zeggen en hoewel het haar moeite kostte, bracht zij er toch moedig uit:

"Ik vrees dat ik niet rijk genoeg ben om een japon en een hoed te koopen."

De schatrijke barones von Zercläre trok verwonderd de wenkbrauwen op; zij vroeg echter niets. "Dan zal ik u uw salaris eenige maanden vooruit betalen," zei ze.

Weer boog Hedwig en luider en dichterbij klonk Tieka's ongeduldig geroep:

"Waar is my dear toch?"

Hedwig kwam haar op de trap tegen. "Ga je klaar maken, Tieka," zei ze. "Je gaat met je moeder rijden. Heerlijk dat het zulk mooi weer is, he?"

Tieka zag haar met groote oogen aan. Hedwig's stem klonk zóó vreemd!

"Alleen met mama?" vroeg zij teleurgesteld.

"Ja."

Later hoorde Hedwig haar aan de barones vragen: "Waarom mag my dear niet mee?" en het antwoord der barones: "Ik weet niet wie je met die dwaze benaming bedoelt. Je moest je die kinderachtigheden afwennen, Tieka, daar wordt je nu te oud voor."

Met looden schoenen ging Hedwig naar haar kamer om zich gereed te maken voor hare "boodschappen."

Nu zou ze dus geen geld naar huis kunnen sturen en haar moeder had het zóó noodig! En zeker nog in geen maanden zou ze weer wat kunnen zenden, want eer die nieuwe japon en hoed betaald waren....

"En ik trek het me toch niet erg aan en ik schrei er ook niet om, want dat helpt niemand ook maar een ziertje, moeder ook niet," zei ze, met tranen in de oogen! Ze dronk snel een glas water leeg en knikte zichzelf even toe in den spiegel, terwijl zij haar hoed opzette. "Moed houden, hoor oudje!" Toen met een lachje en een zucht: "Och heden, was ik maar wat meer een oudje, dan verdiende ik zeker ook meer. Nu, daarom niet getreurd, dat wordt met den dag beter!"

Even later liep zij met een opgewekt gezicht door de straten van Edinburg. Zij schrikte echter, toen ze voor den bewusten winkel stond; de uitstalling achter de ramen zag er zoo voornaam en zoo duur uit!

Niet erg op haar gemak ging ze naar binnen en liet zich door een onberispelijk gekleeden bediende den weg wijzen naar een salonnetje, waar gemaakte dameskleeding kon worden gepast. "Miss Fichte...." zei de man, een jong meisje roepend, dat stalen stond te sorteeren en Hedwig keek verrast op. Fichte, dat moest een Duitsche naam zijn!

Het meisje kwam beleefd naar haar toe. Zij zag er nog heel jong uit en had een aardig, rond gezicht en vriendelijke, lichtblauwe oogen. "You wish to see...." vroeg ze.

Hedwig hoorde terstond dat zij geen Engelsche was. "Ik ben een Duitsche, u ook?" vroeg zij snel.

"Ja, ja," riep het meisje uit en onmiddellijk waren zij druk aan het Duitsch praten. Miss Fichte vertelde waar zij vandaan was en dat zij over een paar dagen weer naar Duitschland terug zou gaan in een nieuwe betrekking en Hedwig benijdde haar een beetje; maar zij zeide toch dadelijk dat zij het ook heel goed getroffen had.

Toen werden er allerlei zwarte japonnetjes gepast, die Hedwig wel vrij goed zaten, maar haar precies stonden alsof zij zich-zooals Miss Fichte lachend beweerde-"als grootmoeder had verkleed." Ook vond Hedwig de prijzen schrikbarend hoog!

Het aardige Duitsche juffertje zocht echter ijverig verder en vond eindelijk iets, dat beter aan het doel beantwoordde. Het was een eenvoudig kleedje van een zachte, wollige stof, hier en daar met een weinig git gegarneerd. Hedwig legde even haar vinger op het git.

"Zou dit wel stemmig genoeg zijn?" vroeg ze weifelend.

"Maar natuurlijk," klonk het vroolijk terug. "En deze japon kunt u nogal heel wat goedkooper krijgen, omdat zij van den vorigen winter is."

"Hoe heerlijk!" en uitgelaten blij sloeg Hedwig hare armen om haar landgenoote heen.

Miss Fichte lachte opgewekt. "Dat doet mij goed," zei ze, "weer eens met echt Duitsche manieren in aanraking te komen."

"Had ik nu ook nog maar een hoed!" zei Hedwig, opeens weer ernstig.

"Er is hier ook een hoeden-afdeeling. Als u dat wilt, kan ik wel even een paar hoeden voor u halen."

"Dolgraag."

"Gewoon rond model zeker? Met een breeden rand?"

"Neen, neen, geen rond model," viel Hedwig haastig in. "'t Moet een soort kapotje zijn."

"Och neen, dat meent u toch niet?"

"Ik meen het heusch. Kijk maar eens of er niet iets geschikts voor mij bij is."

Het meisje ging hoofdschuddend heen. Een kapotje voor zoo'n jong deerntje; het was al te dwaas! Zij kwam echter na eenigen tijd terug met allerlei soorten hoeden en hoedjes en na veel gebabbel en veel overleg, slaagde Hedwig er werkelijk in iets te kiezen, dat er "heusch nogal erg kapotachtig" uitzag.

"Wat spijt het me dat wij niet alle twee in Edinburg blijven!" riep zij uit, toen zij het adres had opgegeven, waarheen alles moest gezonden worden. "Ik zou het zóó prettig vinden, als ik hier een Duitsche vriendin had!"

"Mij spijt het ook. Wij zouden zeker veel aan elkaar kunnen hebben."

"Stellig. Nu, goede reis naar Duitschland terug. Deutschland über alles!"

Zij wuifde met haar handschoen en: "Auf Wiedersehn!" klonk het hartelijk.

Vlug liep Hedwig langs Princes-street weer naar huis, onderweg even staan blijvend bij het standbeeld van Scott. Zij keek op naar het nobele gezicht met den fijn humoristischen trek om den mond en dacht: "Die heeft nog vrij wat meer doorgemaakt dan ik. Ik begin ook eigenlijk pas!" En met opgeheven hoofd liep zij verder.

De barones en Tieka waren nog niet terug, toen zij thuis kwam. Zij kon dus juist nog even iets nakijken voor de geschiedenisles, die zij straks aan Tieka zou moeten geven. Van avond zou zij dan een briefje aan haar moeder schrijven; ze was weer vol moed.

Verwonderd keek zij op, toen zij op haar kamer een brief van huis vond liggen. "Al zóó gauw weer, moeder heeft net geschreven," mompelde ze. "Clärchen zal toch niet erger zijn!"

Neen, Clärchen begon gelukkig goed aan te sterken, schreef haar moeder. Maar zij had Hedwig iets heel treurigs te vertellen, waarover deze zelf zeker ook erg bedroefd zou wezen. Anna Schaub was dood! Zij hadden dien ochtend bericht gekregen....

Hedwig liet den brief uit haar hand glijden. "Ach Anna! Anna!"

Ze voelde zich opeens zoo verlaten, zóó alleen! "Waarom moest zij heengaan, die goede, trouwe Anna, moeders eenigste vriendin haast! Zij kon haar immers volstrekt niet missen! O, waarom krijgen wij toch ook zoovéél leed te dragen, waarom wij juist? En alles komt ook te gelijk nu...."

Zij nam den brief weer op en las met brandende oogen verder. Anna was plotseling gestorven, men had haar dood gevonden in haar slaapkamer, blijkbaar was zij zachtjes ingeslapen.

Die laatste regels stemden Hedwig wat kalmer. Het was of zij het vriendelijke gezicht van Anna Schaub duidelijk voor zich zag met een uitdrukking van heiligen vrede erop, "den vrede, die alle verstand te boven gaat."[2]

"God zal ons troosten, ook in dit leed," schreef haar moeder. "O, mijn lief oudste dochtertje, wat zou ik je nù graag even bij me hebben! Schrijf mij maar heel gauw weer...."

Toen Tieka thuiskwam, vertelde Hedwig haar waarom zij zoo bedroefd was en den geheelen dag door deed het kind haar best, allerlei kleine vriendelijkheden voor haar te bedenken. 's Avonds vond Hedwig op haar kussen een groot stuk chocolade.

Zooveel zij maar kon, vergat zij zichzelf, toen zij haar briefje naar huis schreef; ze dacht er alleen aan, hoe het haar moeder en Clärchen thans te moede moest zijn. Zij wilde ook geen wanhopig bedroefden brief schrijven en begon met te vertellen van Tieka's deelneming en de chocolade; het schrijven ging verder gemakkelijker dan zij zich voorgesteld had. In een paar regels besprak zij de toilet- en geldkwestie en trachtte die zoo luchtig mogelijk te behandelen, hoewel hare vingers beefden, toen zij de woorden neerschreef.

Ze kreeg spoedig antwoord van haar moeder terug. Clärchen ging werkelijk vooruit en zij zelf verdiende flink met naaien-Hedwig moest zich toch vooral niet ongerust maken.

En ons vijftienjarig gouvernantetje werkte dapper voort, al werd het verlangen naar huis, vooral toen Kerstmis naderde, soms pijnlijk groot. 's Nachts kon zij plotseling wakker worden met een gewaarwording van snakkend verlangen om even, even de gezichten van haar moeder en Clärchen te zien, ook maar één oogenblik haar stemgeluid te hooren;-dan sprong zij het bed uit, dompelde haar hoofd in het koude water en berispte zichzelf om haar "lafheid."

Om Kersttijd was het huis vol gasten, iedere kamer was bezet. In de gangen en op de portalen zag men hulstversieringen en groote bakken met melkwitte kerstrozen. Tieka werd herhaaldelijk beneden geroepen. Soms moest Hedwig meekomen en trouw verscheen zij dan in haar stemmig, zwart japonnetje, waarover de barones, evenals over den nieuwen hoed, haar hooge goedkeuring had betuigd. Zij had Hedwig ook eens toegevoegd dat zij "meer tevreden" was over haar gedrag; Hedwig was "rustiger" dan vroeger. En Hedwig had toen weemoedig geglimlacht, het viel haar in die dagen van droefheid over den dood van Anna Schaub niet moeielijk "rustig" te wezen!

Haar Kerstfeest was heel stil. Zij ging 's ochtends naar de Duitsche kerk en kwam verkwikt en gesterkt terug; het oude, blijde Kerstevangelie had krachtiger dan ooit tot haar hart gesproken.

Toen zij op haar kamer kwam, vond zij daar vele kleine verrassingen van Tieka. De pakjes lagen in een kring op de tafel met hulsttakjes eromheen. Tieka zelf stond er met een vroolijk gezicht bij en klapte in de handen om Hedwig's verbazing over een pennenhouder, dien zij voor haar had gewerkt door er in verschillende kleuren zijde omheen te winden en daarin de woorden "my dear" te weven.

Van de barones kreeg Hedwig een paar handschoenen en tot haar groote blijdschap was er ook een pakje van thuis: zes keurige zakdoekjes, door haar moeder genaaid en door Clärchen met een ietwat wonderlijke H versierd.

Zij was dankbaar voor de goede gaven en 's avonds, toen men Tieka beneden had gehouden om een poosje met de gasten feest te vieren-toen deed zij terdege haar best het "heel gewoon" te vinden, dat zij alleen op haar kamer zat, terwijl in een ander gedeelte van het huis in schitterend verlichte zalen, zooveel meisjes, ook van haar leeftijd, zongen en vroolijk waren en haar jeugd genoten. Heel stil zat zij in het halfduister naar buiten te kijken, zich koesterend in de warmte en den gloed van het haardvuur en even vroeg zij zich af, of geen enkel van al die blijde, lachende menschen beneden, zich erover verwonderen zou dat zij niet aanwezig was. Men wist toch dat zij bestond, kwam haar telkens tegen op trap of portaal en gunde haar nu en dan een beleefden groet. Zou men verder nooit aan haar denken?

Zij wilde er zich niet in verdiepen en dwong zich tot andere gedachten.

Heel spoedig nadat Tieka boven was gekomen om naar bed te gaan, "heelemaal zonder een greintje zin om te gaan slapen," ging zij zelf ook ter ruste, na eerst de portretten van haar moeder en van Clärchen hartelijker dan ooit te hebben toegeknikt en in de stilte van haar kamer het oude, algemeen bekende Duitsche kerstlied "die heilige Nacht" te hebben opgezegd.Stille Nacht! heilige Nacht!
Alles schläft, einsam wacht
nur das traute hoch-heilige Paar.
Holder Knabe im lokkigen Haar,
Schlaf' in himmlischer Ruh!

Stille Nacht! heilige Nacht!
Hirten erst kund gemacht;
durch der Engel Halleluja
tönt es laut von fern und nah:
Christ der Retter ist da!

Stille Nacht, heilige Nacht!
Gottes Sohn, o wie lacht
Lieb' aus deinem göttlichen Mund,
da uns schlägt die rettende Stund',
Christ in deiner Geburt.[3]
...

Na de laatste dagen van het jaar met al hunne drukte en afwisseling, volgden nu weken en maanden van veel werken en veel thuiszitten, want het weer bleef stormachtig en ongeschikt voor Tieka.

Doch eindelijk bracht het late voorjaar betere dagen. Een teere lentezon bescheen de grijze, Edinburgsche gebouwen en bracht lichte tinten in het jonge groen en Tieka was uitgelaten van blijdschap, toen de dokter uitdrukkelijk gebood dat zij nu zooveel mogelijk in de lucht moest zijn. Tot haar niet geringe teleurstelling echter namen hare ouders haar thans telkens lange middagen met zich mee in het rijtuig om bezoeken in den omtrek af te leggen. "Hè, ik moest me van middag weer zóó ladylike gedragen en ik wou veel liever geen lady wezen, ten minste nog làng niet," zuchtte zij dikwijls na zulk een tocht. Het was teekenend voor haar karakter dat zij zich tegenover haar moeder nooit beklaagde, maar altijd stipt deed wat deze van haar verlangde.

Haar gehoorzaamheid bleef niet zonder uitwerking op hare ouders en nooit nog had Hedwig hare oogen zóó zien stralen als aan den avond van een prachtigen Juni-dag, toen zij bij haar kwam binnenstormen met de woorden:

"Wij gaan naar Melrose. Als het morgen mooi weer is, gaan wij samen uit, samen naar Melrose! Alleen uit met my dear! Meer dan dol! En we mogen gewoon in den trein er heen reizen en dan nemen wij ons lunch mee. Ik heb er zóó om gesmeekt en eindelijk mocht het!"

"Maar als ik er nu eens heelemaal geen lust in heb," zei Hedwig langzaam om haar te plagen.

Even keek Tieka ernstig. Toen lachte zij weer en babbelde opgewonden verder.

"En Melrose is zóó mooi! Wij gaan Abbotsford zien, het huis van Scott, en we gaan een groote veldbouquet plukken en op het gras zitten, als wij ons lunch willen opeten en we gaan alles doen, waar we maar zin in hebben. Hè, ik wou dat die vervelende nacht maar om was!"

"Het zou me niet verwonderen, als er morgen regen kwam," zei Hedwig, naar het raam toeloopend. "Er zijn al wolkjes aan de lucht."

"Niets van aan, niets van aan, heelemaal niets van aan," zong Tieka, door de kamer dansend.

Zij kon later haast niet in slaap komen en den volgenden ochtend stond zij reeds heel vroeg klaar wakker naast Hedwig's bed.

Hedwig was nog vast in slaap, maar werd wakker door de zachte aanraking van twee warme lipjes op haar voorhoofd. Zij glimlachte, toen ze Tieka gewaar werd in haar lange witte nachtpon, waarbij het donkere krulkopje zoo grappig afstak.

"Het prachtigste weer van de wereld, hoor!" zei ze.

"Hoe laat is het?"

"Over half vijf. Zal ik me maar aankleeden?"

"Wel neen," zei Hedwig en zij ging recht overeind in bed zitten. "Ga maar gauw nog een beetje slapen."

"Mag ik dan mijn kussen halen en hier voor het ledikant een beetje op den grond gaan liggen? Anders verslapen wij ons misschien," zei Tieka, blijkbaar nu reeds in een stemming om "alles te doen, waarin ze maar lust had."

"Wel neen," herhaalde Hedwig, zóó beslist dat Tieka onmiddellijk verdween.

Het was werkelijk dien dag "het prachtigste weer van de wereld" en beiden waren in de vroolijkste stemming, toen zij de korte reis naar Melrose hadden volbracht en, met het mandje met etenswaren gewapend, uit den trein stapten. Zij hadden gereisd met drie zeer spraakzame Amerikaansche dames, die ook Melrose en Abbotsford gingen "doen", en Hedwig moest lachen om de bizonder voelbare wijze, waarop Tieka haar in den arm kneep, toen het drietal Hedwig vootstelde samen een rijtuig te huren om zich naar Abbotsford te laten rijden. "Niet doen, niet doen," fluisterde Tieka nog ter verduidelijking van haar gebaar en de Amerikaansche dames moesten het aanzien dat er een paar ledige plaatsen in het ruime rijtuig over bleven.

In een, volgens Tieka, "alleraardigsten winkel", kochten zij een goede hoeveelheid kersen en Tieka vond het een genot telkens uit den zak te mogen presenteeren en al wandelende menige kers te verorberen. "Het smaakt oneindig lekkerder dan dat je ze van een bordje eet," zei ze, niet zonder overdrijving.

Wat was het een mooie, lieflijke wandeling naar Abbotsford en hoe genoten zij! Langs heuvelen vol golvend graan liepen zij en Tieka lachte, omdat het net was of het koren haar buigend groette. Dan weer kwamen zij langs velden met groote, witte margrieten en graspluimen, waarvan zij een "prachtruiker" maakten en eindelijk, even voordat zij Abbotsford hadden bereikt, gingen zij tegen een grasheuvel aan liggen en gebruikten haar lunch. "Ik heb toch zoo'n honger vandaag," zei Tieka, "nu ga ik weer eens probeeren hoe dat smaakt," en dan legde zij een kers op een stukje brood en verzekerde dat het "verrukkelijk" was! En toen zij eindelijk klaar waren met haar maaltijd, zei ze: "Als wij nu alweer naar huis moesten, zou ik toch al verbazend veel plezier gehad hebben. Maar we gaan nog lang niet naar huis. We zijn eigenlijk net begonnen, he? Is 't niet lieve, kleine my dear?"

"Stil een beetje, wat meer eerbied als 't je blieft."

"Ik heb juist heel veel eerbied," zei Tieka ondeugend. "Maar ik geloof toch wel dat my dear nog heel jong is."

Hedwig zei niets terug.

"Is het niet zoo?"

"Dat blijft geheim, dat weet je wel."

"Maar ik mag toch zeker wel eens raden?" begon Tieka weer.

"Neen, neen, volstrekt niet."

Het trof gelukkig voor Hedwig dat zij juist op dit oogenblik den ingang van Abbotsford naderden en er van rustig praten nauwelijks meer sprake kon zijn. Want bij het hekje, waarbij de concierge toegangskaartjes stond uit te deelen aan de verschillende bezoekers, was het stampvol. "Hoe jammer, ik dacht dat wij er bijna alleen zouden zijn," fluisterde Tieka, toen zij zich achter de Amerikaansche dames plaatsten, die al een poosje geduldig hadden staan wachten. Als een troep schapen werden allen nu door den oppasser naar de vertrekken gedreven, die het publiek van Abbotsford te zien krijgt. Hedwig en Tieka bleven spoedig een weinig achter en bekeken op haar gemak wat haar het meest aantrok, zeer onder den indruk van het feit dat zij liepen door de kamers, waar de schrijver van Ivanhoe "met het bruine haar en de lichtgrijze dichteroogen", zooveel gedacht en gewerkt en genoten had.

Terwijl de groote menigte reeds door de tusschendeur de bibliotheek was ingegaan, bleven zij samen nog een oogenblik staan in de studeerkamer, bij den stoel van Scott en zagen eerbiedig op naar den schat van boeken, waarmee de muren van onder tot boven waren bedekt. En in de fraaie bibliotheek, die Tieka "een heerlijke leerkamer" noemde, genoten zij in de nis van het groote venster staande, het bekoorlijke uitzicht op Scott's geliefde rivier de Tweed en de zacht glooiende, groene heuvels.

[De studeerkamer van Walter Scott op Abbotsford.]

In de drawingroom vond Tieka, niettegenstaande de vele schatten daar verzameld, het zeer eigenaardige behangsel, een voorstelling gevend van in kleurige kleedij getooide Chineezen en Japanneezen, verreweg het aantrekkelijkst; zij was er haast niet vandaan te krijgen! Haar stemming veranderde echter, toen zij de eetzaal bezochten met de kunstig uitgesneden zoldering van donker eikenhout en dachten aan het uur, waarop Walter Scott hier den laatsten adem uitblies, na alles, wat hij doorgemaakt had, toch nog stervend op zijn innig geliefd Abbotsford, waarvan hij eens schreef: "My heart clings to the place I have created, scarce a tree of which does not owe its being to me."[4]

En geen wonder dat zijn hart "hing" aan Abbotsford! Kende hij er niet nagenoeg iederen steen, iedere bloem en iedere boomsoort? En had hij niet van de onaanzienlijke hoeve en het land, die hij in 1811 kocht, een waren lusthof gemaakt? En werd hij er zelf ook niet met warme aanhankelijkheid gediend door al zijne onderhoorigen, tot den bekenden schaapherder Thomas Purdie en den koetsier Peter Mathieson toe?

"Ik wou dat Walter Scott nog leefde en dat ik dan eens bij hem te logeeren gevraagd werd op Abbotsford, met my dear," zei Tieka, toen zij het kasteel verlieten en zich haasten moesten om de beroemde ruïne van de Melrose abdij nog te gaan zien.

De tijd was omgevlogen en zij mochten natuurlijk niet te laat aan het station komen. "Als wij eens te laat kwamen en pas van nacht weer thuis konden zijn, zou ik het toch wel een beetje prettig vinden," merkte Tieka op, maar Hedwig scheen dit volstrekt niet ook maar "een beetje" plezierig toe en zij begon onwillekeurig nòg vlugger te loopen.

Ten slotte viel de tijd haar toch nog mee, toen zij bij de indrukwekkend mooie ruïne van Melrose Abbey stonden en hier nog eenige oogenblikken konden vertoeven om een dankbare gedachte te wijden aan de begaafde Benediktijner monniken, die eeuwen geleden in zandsteen de sierlijkste lijnen wisten te beitelen en al hunne talenten gaven aan de verfraaiing van het ke