The Project Gutenberg EBook of Pallieter, by Felix Timmermans This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Pallieter Author: Felix Timmermans Release Date: February 28, 2004 [EBook #11355] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK PALLIETER *** Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders FELIX TIMMERMANS PALLIETER "_Aan Marieke Janssens, mijne vrouw_" INHOUD EEN FIJNE MORGEND IN DE MEI HET TWEEGEVECHT EEN MEIAVOND DE HOF, EN DE BRIEF VAN CHARLOT HET VOGELENBEZOEK 'S ZATERDAGS VOOR DE KERMIS KERMISMORGEND DE FEEST EEN SATERACHTIGE DAG HET VLIEGTUIG ZOMERREGEN DE WALKURENRIT MANESCHIJN DE HONING EEN AANGENAME VERRASSING REGEN DE HOREN VAN OVERVLOED HORENGALMEN EEN GRIJZE NATTE DAG EEN SCHOONE WINTERDAG SNEEUW OUDE ZANGEN DOOILIED DOEDELZAKKEN DE KLOKKEN VAN ROME DE KRUISEN EN DE ZEGENING DER VELDEN DE VRUCHTBAARHEID DE WERELD IN EEN FIJNE MORGEND IN DE MEI In die eerste Lieve vrouwkensdagen was de Lente ziek. De zon bleef weg en klaterde maar van tijd tot tijd, zoo door een wolkenholleken, een bussel licht op de gele boterbloemen. Het versche groen dat zij langs alle kanten geweldig uit den grond, de boomen en het water had gezogen, zat er ongeduldig naar te wachten. Pallieter zei, met een scheeven mond van bitterheid: "'t Spel is nor de knoppe!..." Maar in den avond van dezen dag was de volle maan, rood lijk een blozenden appel, uit de wolken gebroken en een dunne nevel was lijk een fijn gaas op de Nethe en de beemden komen staan. Zie, als Pallieter dat zag, maakte hij met speeksel zijn wijsvinger nat, stak hem in de lucht en als hij voelde dat zijn vinger koel werd langs den Zuiderkant, schoot hij in een luiden lach, rolde spertelend in het gers en zong in den stillen avond dat het klonk tot over de Nethe: "Die mi morghen wecken zal dat salder wesen die nachtigal die nachtigale soete; ick wille dan gaen in genen dal die suvere bloemen groeten...." Morgen was het opnieuw zonlicht! Hij kon er moeilijk van slapen en had bijna den heelen nacht, met het venster wagenwijd open, wakker gelegen. Hij hield den wolkbrekenden hemel in 't oog, die na lang wachten gezuiverd was en fijn blauw bleef, bedrest met bleeke sterren en gevuld met klaren maneschijn. En in die stille, nieuwe heerlijkheid, waarin de dauw zoel neerzeeg, speelde omhoog het perelende lied van een jongen nachtegaal. Pallieter rilde. En hij dacht aan de zon, die nu nog ver achter de wereld zat, ievers bij de Moorkens en de Chineezen. Morgen zou ze opnieuw het zoete Netheland beschijnen en ze zou de boomen en planten van geweld doen spreken en klappen, de bloemen doen breken van reuken, de bosschen doen denderen van 't danig vogelengefluit en hemzelf, Pallieter, een voet doen grooter worden. En hij sloeg van veel te groote blijdschap zijn beenen naar omhoog dat de lakens van het bed vlogen. Hij dekte zich weer onder en sliep met een lach op zijn mond. * * * * * Als er in het Oosten een klaarte bibberde en er een haan had gekraaid, wipte Pallieter uit zijn bed, trok zijn hemd uit en liep in zijnen blooten flikker naar de Nethe. Over den grond en tusschen de hooge boomen hing een grijze smoor. Het was heel stil, het gers woog zwaar van den koelen dauw en van de boomen vielen groote lekken. Pallieter liep en sprong zoo maar rats het hooge water in, duikelde naar onder en kwam weer blinkend van water en geluk, naar asem scheppend, in het midden boven. De waterkoelte deed het bloed in zijn lijf opspringen, het deed hem deugd, en hij lachte. Hij zwom tegen tij in, liet zich op zijn rug terugdrijven, duikelde, zwom op zijn hondekes, draaide en spertelde en stampte met armen en beenen, dat het water sloeg en klotste en 't lisch en 't jonge riet deed buigen en wiegen. Allengskensaan met het vergrooten van het licht waren de nevels dikker en witter gegroeid en hadden ze onvoorziens heel het land ingewikkeld. Fijn vogelengefluit regende nu uit de onzichtbare boomen, en de nieuwgemaakte bloemreuken dreven met heelder kladden door den mist. En ginder over de Nethe was de groote, tomatroode zon als een lustige verrassing uit al die witheid opengebloeid. Pallieter was er van aangedaan en riep: "'t Weurdt fiest vandaag! 't weurdt fiest vandaag!" En hij dreste duizend druppels in de lucht. Dan duikelde hij nog eens onder, als om de ziel van het water meê te nemen en liep dan blinkend, roos als een roos in de witte nevelen naar de Reynaert en hij zong: Zoo dee Adam-- Zoo dee Adam-- Zoo dee Adam's zonen. Adam had zeve zone, zeve zonen had Adam. Hij was nog maar eenige minuten op zijn slaapkamer als het klare begijnhofklokske door de witte landen galmde, en hij Charlot haastig van het trapken hoorde gaan. Charlot bleef op hare kamer tot zij Pallieter op de zijne hoorde, want eens had zij hem in zijn geboortekleed zien weerkomen, en was met een kres en de armen omhoog, terug naar binnen geloopen. Dat mocht nooit meer gebeuren, liever nog de mis te laat komen of ze niet hooren, dan op Gods wegen een mensch te moeten zien zooals hij uit de handen van God zelf gekomen is. Als Pallieter gekleed was, ging hij naar beneden, stak de mechelsche stoof aan, zette de geel-koperen moor op het vuur en maalde koffie. Als het water begon te zingen, te grollen en te stuiven schonk hij door. O, de aangename koffiereuk, die een mensch zijn hart doet bekomen! Hij voelde rijkelijk de heldere lentekamer en Pallieter stond hem genietend op te snuffelen lijk een hond. Buiten kleerde het op. Een zonnestraal kroop schuins het open venster door en rinkelde schitterend op de geelkoperen marmittekes en op het gulden bepapegaaid, brokaten manteltje van een wassen Lievevrouwken. Pallieter stak met de gauwte zijn vinger in die lichtklad en zei: "Heunink heêd er ni on...." Hij sneed boterhammen, veegde er, nen halven pink dik, zuute boter over en haalde uit den kelder een volle schotel versche, hagelwitte plattekees. En in den hof die nog nat was van dauw en besprongen werd met plekken zon, ging hij radeskens plukken--Loebas met zijn vier jong schoten uit hun vat en sprongen hem bassend rond de beenen. Hij gaf hun elk een stuksken suiker en dan liepen zij lijk zot over den natten blijk. Terwijl hij radeskens waschte, kwam Petrus, de ooievaar, met een zilveren visch in den rooden bek naar zijn nest gevlogen, waar zijn wijf met eieren lag. Als alles gereed was voor het eten, ging hij in d'achterdeur staan en keek over het land dat opkleerde in de zon. Was dat geen deugdelijk oog-en neus-en oorenfeest, die lichtgroene, geurende verte met de blinkende waters van de Nethe erdoor, en met koekoek-, haan-en vogelenstem er in? Zeg?... Pallieter zette ook de voordeur open, zoodat er seffens een frissche wind door de gang stroomde, en hij langs twee kanten de nieuwverlichte wereld zag. Langs daar die verte van beemden en velden met blauwe bosschen en windmolens aan den horizon, en langs de vóórdeur de rijkelijke vest, het begijnhof, en, achter bloeiende hofkes en hobbelige huizendaken, de gele Sint-Gommarustoren die juist een dripselend rap kwartierken uitrammelde. De heldere klokkenklanken waren als de blijde tong van het land. "'t Duurt ni lank genoeg!" zei Pallieter, en hij greep het klokzeel in de gang en begon er zoo heftig aan te trekken dat de klok in het torentje bijna geen tijd had om omhoog en omleeg te gaan, en de machtige galm bolde gonzend over de wijde morgenlanden. Hij trok maar, trok, alsof het tot aan 't uiteinde van de wereld moest gehoord worden. En hij zag lachend over end' weer naar 't begijnhof en de beemden. Nadatum heesch hij, ter eere van het goede weer, in het voorhofken een groot wit vlag, waarin de wind klapperde en de zon speelde. Het was verschietelijk den overvloed van het machtig vogelengefluit en getjirp in de breede vesteboomen na te hooren. En ginder, met den vrede op haar gezicht, kwam Charlot terug van de mis met drie kerkboeken onder den arm. Als Pallieter haar zag, zong hij haar toe: "Zeg, kwezelke, wilde gij danse?..." "Het zal e schoe weer weurre, bruur!" "Een heilig weer wor de kwezels in misstaan!" "Ik ben gin kwezel!" "Dor zadde te vet veur! Woroem ette ni wa minder?..." "Daaroem!" zei ze kwaadweg. Ze ging naar de keuken haar kleed uitdoen, en kwam terug in de lentekamer in een blauwbaaien rok en een rood slaaplijf, waaruit hare dikke armen spannend en blinkendvet uitkwabberden. En zij dronken koffie, smeerden de plattekees twee vingeren dik op de lange boterhammen, dopten de ramenetsriekende radeskes in de kees en in het zout, en smakten en klakten lijk twee zuigende kinderen. En al etend zag Pallieter altijd maar aaneen naar den veldbuik waarboven de zon opklom. Er was daar reeds veel leven en beweging van werkende boeren. De roode wieken van den molen draaiden in den frisschen wind die de nevelen had weggevaagd en een witte ronde ballonwolk door het blauw van den hemel zond; en de reuk der witte en purpere kruidnagelen, van voor het venster, wandelde over de tafel heen. Pallieter dronk het laatste eten in de maag, en riep armenzwaaiend, terwijl Charlot met neergeslagen oogen een vaderonsken bad: "O Heer, mijn billen worden licht als strooi en omhoogwillend lijk sprinkhanen. Het is, o Heer, alsof Gij in mijn buik een orgeltje hebt geplaatst!" Hij ging buiten, opende duiven-en hoenderkoten en strooide handsvollen kempzaad, spaansche terwe, rijst, vitsel, haver en koren. En 't was ineens een geharrewar, gekakel en geslaag van vleugelen. Er waren zwalpers, smieren, hennen, hanen, ganzen, kalkoenen en een overschoone pauw. Ze grabbelden met hun rappe bekken gulzig naar het eten, drongen tegen elkander, liepen ondereen en pikten naar de musschen die met groote kladden in den warrelenden hoop neervielen. Wat was het toch schoon, in die zilveren zon die glimmende krobben, waarop bruin, groen blauw en rood goud weg en weer danste, die witte, ros en grijze stippeling der kloeke vleugelen, de roode en gele bekken en pooten, de bloedroode kammen en de sterkgebouwde en lenige steerten vol wemelende koleuren lijk in de schelpen van de zee. Pallieter aanzag het met halfopen oogen en zei: "Rubes bleft er af!..." Als de beste graantjes opgepikt waren ging elk der dieren naar zijn kant, naar den mesthoop, den stal of den blijk. De duiven vlogen in klapperende kladden de fijne morgenvelden in en de pauw wandelde met voorzichtige pooten fier in de weggeskes van den riekenden hof en ontvouwde als een nooitgedroomde koleurenweelde zijn breeden staart uiteen. Pallieter zag bewogen hoe schoon hij daar stond in het doorzichtige groen, onder de witte kersen-en perelaars en de roze pruimenboomen, en hoe de zon dat zoo rijk en kostelijk maakte alsof het een schoongelogen vertelsel was. En daar vloog hij ineens op en zette zich in het hoogst van den bloeienden appelboom. Daar viel zijn staart als eene groene vlam over de rozige witte bloemenscheden en hij scheurde driemaal met zijn leelijken, rauwen kreet de stille lucht vaneen. Pallieter draaide de waterkraan open, en ineens spoot er uit het blauwe vijvertje, waarin roode goudvisschen wiegden, een klaterend fonteintje omhoog. Dan stopte hij zijn pijp, en haalde uit den stal den geweldigen geitebok. Deze was pekzwart van koleur met een blauwe glans erover, droeg gele hoornen en had twee groote lichtgrijze oogen. Zijn naam was Lucifer. Als het beest buiten kwam, snoof het een stond de frissche buitenlucht op en wilde dan met zijwippen vooruit, maar Pallieter greep hem bij de horens, sloeg zijn beenen scherlings over den hoogen rug, stak zijn pijp aan, en reed dan, gemakkelijk gezeten op Lucifer, die den kop onstuimig vooroverboog, den hof door. Pallieter klapte in zijn handen, en daar kwamen de vijf honden aangebast en liepen met lange pooten dol vooruit. Lucifer droeg Pallieter door het achterpoortje dat op de Nethe uitgaf, en volgde dan den slingerenden waterdijk. Langs alle kanten opende zich nu in nieuwe heerlijkheid het wilde, zonnige, meigroene land dat heel in de verte in zilveren misten verblauwde. Dat haalde de ziel omhoog. Het was overal een bonte verschilligheid van bruin en groen, waartusschen hier en daar het felle geel der rapenbloemplekken geweldig kwam losschetteren. De weiden wiegden hun gers onder een witten wind en de Nethe schoof er blinkend haar rappe, koele wateren door. De lucht van alle kanten doorregen met vogelengetjirp, was vol aangename reuken, en de boomen op den Nethedijk stonden daar helder en vroolijk-klaterend als waren ze versch uit den grond gerezen. Op de breede smeerwortel-blâren langs den dijk lagen nog dikke dauwdroppelen te stralen en te blinken lijk echte diamant; Pallieter plukte al rijdend zoo een blad af, bracht het aan de lippen en liet de koele druppelen in zijn mond rollen. "'t Is goe, en smokt nor den hemel," zei hij. Langs alle kanten lag de gewillige aarde weer heel haren rijken schat te geven, bloemen, planten, erwten, peekens en allerhande vruchten; en allerhand gediert dat ontpopte, terwijl andere koppelden, en de lucht rook naar honing, en een spuitende beerkar doordrenkte den grond. Dat is het Leven: altijd maar geven en koppelen, en 't een heeft nog geen dag gezien of het andere wordt reeds gemaakt. Zoo gaat het altijd voort en altijd rond, het eene maakt plaats voor het ander, en staat ge nu met uw tien geboden in het haar, of op uwen vinger te zuigen, de "waarom" komt ge toch niet te weten. "Mor da's niks," zei Pallieter, "'t is schoen, en lot er ons de sijs van aflakke...." en met den smaak van appelkokken en kersen in den mond zag hij naar de wit-en roosbebloemde boomen die de hoeven verborgen. Het deugdwater liep over zijn hert. Soms galmde het lied van een jongen boer, en het gehinnik van een wit of bruin paard. Een ploeg blonk en op de Nethe trok een visscher zijn net omhoog waarin zilveren visch spartelde. Een zwaluw scheerde van den eenen dijk naar de andere, de honden stoeiden door de beemden, sprongen over grachten en rolden ondereen in het fluweelig gers waarvan zij onder 't loopen de tippekens beten. Hun geblaf vulde de lucht, hanen kraaiden, bijen bromden, en in den blauwen hemel stond een lenige pluim van kleine witte wolkskens. Pallieter was geroerd door dit fel, heropbeurend leven; hij haalde een ebbenhouten fluit uit den zak en begon er een blij liêken op te spelen dat klaar over de velden trippelde. Het was alsof het de Lente was die zong. Pallieter was danig blij, greep al rijdend een handvol zurkel die hij uitzoog, speelde weer een liêken, en zóó kwamen zij aan het Hofken van Ringen. Het was een oud, vlaamsch kasteeltje in rooden kareel met witte banden, met een steksch schaliëndak en een fijn torentje, oprecht gemaakt om den regen een schoone, zingende vloeilijn te geven. Er lag een breede groene vijver rond met nenuphars en dicht riet, en daarachter lag een hof van hooge boomen waarin veel vogels leefden. Het stond daar als met den grond vergroeid, als 'n bloem geboren uit al de schoonheden en de wilde krachten en elementen der vlaamsche natuur. Pallieter stapte hier van den bok, die met zotte sprongen door de beemden wipte, hij zocht het malschste groen en dronk zijn dorst af aan de klare slootjes. Pallieter lei zich op den dijk den zotten wellust van den Mei te bezien. Wat later ging hij madelieven en boterbloemen plukken om Charlot blij te maken. Als hij zijn armen vol had, riep hij de honden en Lucifer en begon te loopen zoo hard hij kon. Dat was een spel! Loebas schoot een eind vooruit, de bok huppelde nevens Pallieter en de jonge honden kwamen achteraan. Er werd over grachtjes en slootjes gesprongen, en soms plonste een der jongen bij verrassing er midden in. Er werd geloopen, getuimeld en gerold tot men aan den Reinaert kwam. En achterwaarts gezeten op Lucifer, de armen vol bloemen, reed Pallieter met een lachend gezicht den geurenden hof binnen. "Ha!" riep Charlot als hij haar de bloemen gaf. "Die gon ik veur ons Luverijke lotte rieke, 'k zal ze straks in foskes zette ..." In afwachting stak ze den overgrooten tuil in een koperen melkstoop, en 't was om af te schilderen. "Mor zeg is," zei ze met verheuging in de stem. "Mannier Pastoer heèd hier geweest en heè kome zegge dagge veur e Zondag twie eirebroeë mier zult moete bakke, want er kome drij kozentjes bloetevoetpaters van Dendermonde hem bezuuke, en ze zulle mè twie broeë ni genoeg hemme." "Ja," zei Pallieter, "de vasten is wer uit, en tege dat hem oeptenieft begint zien ze zoe vet as slakskes, da ze ni mier kunne." Charlot grommelde iets in haar eigen, en Pallieter ging malen naar zijn meuleke. Het stond tenden den hof op een hoog groen heuveltje, zoodat er langs alle kanten wind op botsen kwam. Tybaert kwam met opgeheven staart langs zijn beenen fleeren om te mogen meegaan, en met een wip zat hij ievers tusschen het houtwerk van de witbestoven molenkamer te loeren achter muizen. De zak terwe was bijna leeg, maar 't geen er was schudde hij in den bak. Strakskens zou hij om ander gaan. Hij keerde het molenkraam tegen wind in, liet de wieken los die lustig begonnen te draaien; de steenen wentelden en 't graan maalde kapot. Hij stak zijn kop door 't kijkgat en overkeek van uit de hoogte 't land. Hij ontstak zijn pijp, en de blauwe smoor wapperde als 'n fijne struisvogelenpluim in de gezonde lucht en het molentje tiktakte en kraakte in den wind. Hoe geweldig in de nieuwe zomerklaarte zag men alles bijderoogen groeien! Er zat in het groen als een haast om den verloren tijd in te winnen. En als Pallieter dat zag, hoe alles de belofte van veel fruit en duizend zoetigheden bijhad, dan zei hij: "Wie zij er wille steurreve!..." En hij zong: "De Winter is verganghen, ic sie des meien schijn, ic sie die bloemckens hanghen, dies is mijn hert verblijt; zoo ver in genen dale daer is 't genoeghlijck sijn daer singert die nachtighaele, voor mijn soet lieveckyn." Als hij het tweede koepiet meende te beginnen riep Charlot verblijd: "Bruur, manhier Pastoer zit oep ij te wachte, en ha heè ginnen tijt, zeèt-hem." "Zegt dat hem mor oep manne meule komt!" "Watte? denkte ga' da' manhier de Pastoer me zan goei soetaane on, zan eigen in oeve meule go smerig make?..." "Charlot, 't is beter 'ne zak bloem op 'n zwette soetaan, dan 'ne vliegescheet oep â ziel!" Maar zie, daar kwam de Pastoor van 't Begijnhof. Het was een kleine oude vent, met een goedig gezicht en een eirenkop met witte haren rond. Hij bood hen een snuifken. "Wa peisde van de zon, Pallieter?" "Da ze de kreêm is van 't lêve!.." "Ze rapst man keêl droeg." "En zoe vint ne mens tog altij 'n reden oem zan eige deugd te doen. Kom, we gonter ientje pakke." Ze gingen in de lentekamer, waar Pallieter een stoop kaves en een beschimmelde flesch wijn ophaalde. De pastoor dronk den rooden wijn en Pallieter het bruine bier. De zon speelde in het bier en in den wijn en lei er warme, klare lichten in. "Apropoo Pallieter," zei de pastoor, "Charlot heèd oe worschijnlak al gesproke van die twie eirebroeë?" "As z'had moette steurreve, ze zij leèfdig geweurre zijn oem het te kunne zegge, want gelle verstaat toch de kunst de wijve rond ellen duim te winne! 'k Wilde dakket oek kost ..." "Wel, er is niks zoe gemakkelak: weurd oek Pastoer!..." Pallieter pinkte, schonk een versche pint die hij eens even voor de zon hield en dan smakkend uitklokte, zoodat hij naar asem moest snakken, en hij zei: "Hierin leeft de ziel der aarde, lot z'in ma lichom kome!" En hij dronk een andere pint. "Zie, zie! da land!..." riep Pallieter, wijzend naar den veldbuik, "ik zij oe wille kusse van plizier, kom, lot ons danse!..." En hij pakte den pastoor zijn handen, draaide hem meê rond en zong: "'t Is vandaag Magritjesfiest lot ons viere, lot ons viere! 't Is vandaag Magritjesfiest lot ons vieren oemtermiest!" "Ta, ta, ta," zei de Pastoor lachend, "'k hem ginnen tijd, 'k mut nog breviere." En Pallieter liet hem gaan, maar riep nog: "Ik zal oe strak wa rijpe jeèrbeze lotte brengè!..." "Goe," riep de Pastoor terug, "'k hem er dezen nacht justekes van gedroemd!" En weg ging de grijze pastoor, wandelend over de begijnenvest. Hij opende zijn kerkboek en begon erin te lezen. Kladden zon schoven grillig door de hooge boomen op zijn zwarte soutane en zijn glimmenden tikkenhaan, en deden soms schitteren de goude snede van zijn brevier. Pallieter, als hij dat zag, kreeg goesting om het goede weer te psalmeeren. Hij lei den ouden verluchten bijbel open op zijn armen, zette zich vóór het raam, en las luid-op: "Welgelukkzalig is hij denwelken Gij uitverkoren hebt en doet naderen; in uwe voorhoven zal hij wonen; wij zullen verzadigd worden met de goedheid van uw huis en met de heiligheid van uw paleis.... Gij bezoekt het land en, hebbende het begeerig gemaakt, verrijkt Gij het grootelijks; de rivier Gods is vol water; wanneer Gij het alzoo bereid hebt, maakt Gij hunlieden koren gereed. Gij maakt de omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in hare voren; Gij maakt ze week door de regendroppelen en zegent haar uitspruitsel dat zich zal verblijden, Gij gebenedijt de Krone uws Jaars van uwe goedertierenheden en uwe voeten druppen van vettigheid; zij bedruppelen met vruchtbaarheid de weiden der woestijnen en de heuvelen zijn omvangen van verheuging. De velden zijn bekleed met kudden en de dalen zijn bedekt met koren; zij zullen roepen en uwen lofzang zeggen.... O God, die zich omvangt met het Licht als met een kleed, die den hemel maakt als een gordijn, die zijne opperzalen zoldert in de wateren, die van de wolken zijn wagen maakt en wandelt op de vederen der winden.... Die de fonteinen uitzendt in de valleien, dat zij tusschen de bergen zullen wandelen. Alle beesten des velds zullen er aan drinken en de wilde ezelen zullen er hunnen dorst mede laven.... Aan hunne boorden zullen de vogelen des hemels leven en van uit de steenrotsen zal hun gezang weerklinken. Hij ververscht de bergen en zet het land vol allerhande vruchten, voortbrengende gras voor de beesten en kruid tot den dienst der menschen, doende het brood uit de aarde voortkomen, dat het hart des menschen versterkt, alsmede den wijn die het hart des menschen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie.... De boomen des velds verheugen zich en ook de ceders van den Libanon. Daarin zullen de musschen hunne nesten bouwen en de ooievaars wonen. De hooge bergen zijn voor de herten en de steenrotsen voor de kornijntjes.... Ik zal den Heer zingen, lof zingen zoolang als ik ben!..." Pallieter sloeg het boek toe. Hij had onder het lezen goesting naar den smaak van honing gekregen, en hij at hem op een donkerbruin beschuitje. Wat was het toch een goed weêr! Twee kinderen, een in 't rood en een in 't wit, plukten bloemen in het peerdenbeemdeken; twee begijntjes wandelden nevenseen op den Nethedijk en lazen hardop overentweer hunnen paternoster af, en de drie oude, blinde venten, die in 't godshuis op 't Begijnhof woonden, zaten nevenseen in het gers te lachen. Er vlogen duiven en een kwiksteert en Pallieter voelde zijn hert van aandoening smilten tot een zoete zalf en hij zei, gelijk ons Lievevrouwke: "Mijn ziel verheft den Heer!..." En hij stak vóór haar wassen beeldeke een keerseken aan en zei: "As da schoe weêr ij schuld is, dan heddet verdind." Hij ging voortmalen, tot Charlot om eten riep. Zij diende eerst kervelsoep met aspergiën. Daarvan aten ze elk twee tellooren. Nadatum kwam er een varkensgebraad op met spinazie en bloemende patatten, die 'ne smaak en 'ne weêrsmaak hadden. Er was veel mostaard bij, om goed te kunnen drinken. Nadien smulden zij elk een half dozijntje koekebakjes die naar eieren en kaneel roken, en zij smeerden er nog boter, siroop en suiker over. En om 'nen anderen mond te hebben, aten ze 'n schotel schone eerdbeziën leeg, zoodat het roode sap van hun kin druppelde. Het zweet stond op hun voorhoofd en Pallieter zei:--"O God! 't pleizier is werral gedaan, geft er ons nog!..." HET TWEEGEVECHT Na het eten smoorde Pallieter een pijp, wandelde eenigen tijd in den hof om zijn eten te doen zakken, en gaf pieren aan de goudvisschen. En dan reed hij op het blauw hondenkarretje naar den meulder van over de Nethe om een zak graan en een halve zak terwe. Die meulder was de vader van Fransoo, de landschapschilder, Pallieters beste vriend. Loebas baste van vreugd, en liep met korte, rappe stapkens. Zij rolden over de tempelachtige Begijnenvest en een endeke door het zuivere stadje, dat op dit uur vol zonneschijn en stilte lag, met het geklang van twee kasseiers. Als zij op den bleeken steenweg kwamen, die met ronde bochten door de schoone velden draaide, dan verlengde Loebas zijn voorste pooten, en liep zoo hevig dat het karretje er op zij van slingerde, en knetste en bonkte op de bulten der kasseien. Pallieter daar op zijn hukken ingezeten, had er danig plezier van en kletste met de zweep, dat het helder ver klonk over de geruste middagvelden. Er vlogen duiven, en er groeiden veel madeliefkens in het jonge gers der beken. Het rook er naar boter.... Als de zakken betaald en geladen waren, riep Pallieter naar Fransoo, die boven in den houten molen zijn schilderkamer had. Uit het ronde vensterken kwam er seffens een roode, vette kop, die lachend riep "ik koom!" Beiden gingen in "'t Plakleerken" een glas bier drinken. Fransoo was in zijn hemdsmouwen, die tot boven de ellebogen opgerold waren, en zijn dikke bloote armen waren vol verfkladden, tot zelfs op zijn neus was een blauwe vlek. "'t Plakleerken" was een oude afspanning, aan den voet van den meulenberg. Twaalf platte linden belommerden nevenseen de lange witte gevel. In de koelte van die boomen zat de jonge graaf van Dendersteen met een oude heer een pint te drinken. Pallieter zette zich met Fransoo daarnevens en bestelde twee pinten dobbele gersten aan de oude deftige bazin, die nog struisch was lijk een boom. Zij droeg een kanten kap, een bril en lange gouden bellen. Ze bracht het bier op een tinnen schenkbord, en maar juist had ze zich omgedraaid of ze waren leeg, en Fransoo vroeg er twee met Faro in. Loebas kreeg een emmer water en lei zich hijgend op den grond. Het was hier waarlijk een schoon gezicht. De velden en weiden zakten langzaam naar de Nethe, en daarover, klaar in de zon, lag "De Reinaert" van Pallieter, 't Begijnhof en de groote velden. Fransoo vertelde van zijn vaders peerden en koeien, die ginder lijk witte en bruine paddestoelen in den beemd aan 't grazen waren. Daarna luisterden zij naar den verwaanden graaf, die luid riep, opdat zij het zouden hooren, pochte op zijn groot omliggend grondgebied. "Zuukte nog grond bij te koepe?" vroeg Fransoo. En de jonge graaf snauwde hem in 't gezicht. "Daar is niets van gekocht; daar hebben mijn voorouders voor gevochten!" "Als 't ni mier is!" riep Pallieter, "wille w' er dan ook is veur vichte?" De graaf stond op bezag hem kwaad van kop tot teen, en vroeg uitdagend: "Spot gij met mijn voorgeslacht?" "En mè ij!" zei Pallieter. "O mijn eer!" kreet de jonge edelman. "Ik moet voldoening hebben. Ik daag u uit!" en een zijner geglansde handschoenen in Pallieters lachend gezicht kletsend, siste hij "Welke wapens kiest ge?" "Het kanon," zei Pallieter ernstig. "Hoe?... wat?... Hoe wilt ge?..." vroeg de graaf verbluft. "Zoe!" riep Pallieter, en met een kattenrapte, zette hij den graaf in gebogen houding naar het huis, en vóór deze zich had opgericht, hief Pallieter het rechterbeen op, riep "Vlam!" en liet een grooten wind. Tafels vielen, pinten braken, en Fransoo viel van het lachen op den grond. De graaf sprong kressend op als waarlijk getroffen, wilde met zijne karwats Pallieter te lijf, maar Bruur vloog haastig lijk een bieken in zijn hondenkarretje, riep "dju!" en ginder rolde hij over den kasseien weg, en moest de handen op den buik duwen om van het danig lachen niet open te scheuren. EEN MEIAVOND Als Pallieter koffie had gedronken met rhubarberspijzen-boterhammen, ging hij een stuk van zijnen hof bebeeren, om er nadien schorseneelen, postelein en bloemkooltjes op te planten. Hij schepte den drek uit het gemak in een beervat dat hij op een kruiwagen naar den omgeschupten grond voerde. Daar zwierde hij hem in breede geuten over den grond dat seffens heel de lucht er naar rook. Charlot deed de deur toe. "Die heèt deur wierroek en kèesriet eurre neus bedeurreve...." riep Pallieter haar nog toe. Als de aarde goed doordrenkt was, wreef hij verheugd in zijn handen en zei: "Zoe bestaan ik toch veur iet: wat de natuur ma' geft, geef ik heur vroem. Iet veur iet en niks veur niet." Hij waschte zijn handen en ging aan de deur een pijp zitten smoren en zag het spel der vele kinderen na. Er kwamen eenige mannekens vragen: "Menhierke, vertelt nog is iet...." En Pallieter vertelde van de zeven kaboutermannekes en de put met de gevangene prinses. Zij luisterden de ooren van hunnen kop, en daar kwamen maar aaneen toe kinderen bij, die drongen om van vóór te staan. Als het verken kwam met den langen snuit vroegen ze allen gelijk: "Vertelt er nog is ein ..." en ze noemden ondereen op: "Van de waterkleudde, van de Zot nor Rome, van het Zilveren kruiske, het Haantje van den tore" en 'nen heelen hoop keldergatvertellingen. "Neeë, mannekes," zei Pallieter, "oep nen andere kier." Hij wilde opstaan, maar ze sloegen hun armkes rond zijn beenen en trokken aan zijn frak. "Arrè dan!" zei hij en wierp eenige koperen centen in den grabbel. Op 'ne weerlicht lagen de kinderen op 'nen hoop te zoeken en te wroeten achter 't geld. Pallieter ging zijn bootje losmaken om te varen. Hij roeide tegen tij in tot voorbij het Hofken van Ringen, zoodat hij ervan zweette. Daar gekomen liet hij zich tij-mêe weerom drijven, stak zijn pijp aan, en genoot zoo van den zuuten avond, die neerkwam op het wijde land. Het licht van de zakkende zon vloeide lijk goud over de wereld, 't spoelde uit de lucht, dreef over de velden, lekte van de boomen, plakte op de stammen en verguldde de witte koeien en de witte gevelen der huizekes waarvan de ruiten gensterden. Het water was drijvend goud. Daar was geen wolkske. Vleermuizekes trilden zwart op het verdonkerend blauw, waarin twee sterren schenen en dunne nevelen kwamen op het water, stegen over het lisch en de waterbloemen en schoven over den dijk de beemden in, die geurden. En in die heilige stilte van den avond kwam de gele maan omhoog, en tampte van heel ver het klaar begijnhofkloksken los. Toen liep Pallieter zijn hert over. Het was té schoon om te zwijgen, hij moest den diepen vrede, het zuute avondgevoel met woorden tot zijn eigen kunnen zeggen. En hij zei: "'t Pardoent, en op de klokke slaat Gods Engel in een wolkgewaad. Ave Maria! 't Pardoent, en 't vleeschgeworden Woord bij arme liên te huis behoort. Ave Maria! ..." En hij liet zich zoo maar voortdrijven door de nevelen en den avondreuk. Als hij aan kant wilde stappen bleef hij recht in het schuitje staan, luisterend naar een verren herder die toette op zijn horen. En daar was een traan in zijn oogen. * * * * * Toen is Pallieter in het porcelijnen-lamplicht aan 't lezen gegaan in den ouden perkamenten boek: "Hoe men yut de differente planten ende bloemen ende alre kruydekens, salfkens ende pappekens ende olijen weet te maken voor 't genesen van allerhande brand-ende snijwonden ende kwetsuren ende alsook van al de deelen des menscheliken lichaems". Zoo wist hij wat hij thans plukken en gereed maken kon om de boeren, de begijntjes en de arme menschen en iedereen te kunnen genezen. Van tijd tot tijd zag hij eens door het venster naar de maan. Om half tien deed hij het venster toe, blies de lamp uit en ging naar boven om te slapen. Charlot was op haar kamer nog half hardop gebeden aan 't zeggen. Hij stond reeds in zijn hemd en gereed om in 't bed te trappen, maar hij ging nog eens door het venster zien naar buiten waar het vol nevel en maneschijn lag. De avond was kalm lijk fijn olie. "'t Is zonde nij te slape," zei Pallieter, en hij bleef met zijn ellebogen op den vensterrichel geleund in den nacht zitten zien. De meidoorn rook in den lichten nacht als een bedwelming. Daar floot weer die jonge nachtegaal. Pallieter beluisterde zijn gezang. Het waren eerst lange, stille trekken, zoo fijn als een naald: dan werden het klaardere, breede klanken met een diepe, volle waterslag erin, en ineens brak het klimmend gefluit in rollende broebelingskens uiteen. En de stilte van den nacht die tusschen elke herhaling leefde, was als een deel van het aandoenlijk fluiten dat altijd-aan maar schooner en schooner wierd. Pallieter kreeg er een keuteling van in zijn lijf en de quintessencie van zijn woelige blijdschap moest uitgeklonken worden. Hij zocht zijn harmonica, zette zich op 'n stoel voor het venster en zóó, in zijn koel hemd, speelde hij een machtig lied vol zwaarstappende akkoorden, dressen van hooge noten en gedans van heldere middentonen. 't Wemelde ondereen tot een blijde marsch, die vèrweg klonk over de maanbeschenen landen van den geurenden nacht. En dan eerst trapte hij in zijn bed en deed gerust zijn oogen toe. DE HOF, EN DE BRIEF VAN CHARLOT Het smakelijke groen, dat de malsche Mei zoo zot uit de boomen had geklopt, was open gevouwen en overdekte nu het aanschijn van de wereld. De beemden waren één bloem en de reuken van kruidnagel, lisch en peterselie wandelden ondereen bij nacht en dage door de lucht, 't Was om er bij in slaap te vallen lijk een slang door zoet muziek ... Wie had het in den witten winter kunnen denken, dat er in die kale, harde aarde en die bloote, zwarte boomen zulke macht van hartverheugend leven zat bijeengekoekt? Pallieter zat in den hof het jonge groen te zuiveren. De grond was malsch lijk boter en blonk van vettigheid. De zon kwam lijk een warme adem op Pallieter zijn wit hemd, en het deed hem zoo'n deugd dat hij er zijnen rug van ronddraaide, en hij zong. Bij wijlen bleef hij een heelen tijd naar de riekende weelde van den hof zitten zien, en hij had nog oogen bij gewild, want er was meer schoonheid dan hij zag. De boomen waren breed en vol, en 't licht dat rond de stammen hing was groen lijk maneschijn; er stonden al veel bloemen uit, en witte en roode rozen. Een dauwdruppel schitterde op een zwarte pensée. En in dat groene waterlicht speelde 't gefluit van een merel. Hij zat in den bloeienden kastanjelaar, van binnen in de schaduw. In die frissche eenzaamheid haalde hij zijn hert eens deugdelijk op, en 't rilde en 't sleep uit zijn keel een helderklinkend lied. Het klonk lijk in een kerk. Er lag een heiligheid in. "Dor moet oep gedroenke weurre," zie Pallieter in zijn eigen, en hij riep met de hand aan den mond: "Pastoerswijn, Pastoerswijn!" Hij at een handsvol erwten. Een beetje daarna kwam Charlot met een dikbuikig halve-liter kruikske en een fijn kristallen roomer. Hij rook aan de pasontkurkte kruik, deed er zijn mond van open en zijn oogen van toe, en schonk in. Een zonnepriem schoot door het glas en vergulde den blonden klaren wijn. Als Pallieter hem met trage zeupkens had uitgezogen, klopte hij met den duimnagel tegen het kristal en een volle ronde klank sprong in de lucht en singelde zich langzaam uit. Charlot schonk voor haar ook in, en Pallieter zag dan eerst de inktvlekken op haar rood gezicht. "Woroem ziede zoe zwert?" "Wel," zei Charlot, "ik ben nen brief on't schrijve oem nor de kèrmis te kome. Mor 'k hem gedoecht," voegde z'er rap bij, "van Marieke, ma petekind, oek te verzuuke, mag ek?..." "Als ze goe kan ete," zei Pallieter, "lot ze dan mar kome, 'k wil da dink ook is zien ..." "Och 't is zoe schoe meske," zei Charlot vol bewondering, "en brijf gelak 'nen engel. Ze kan nog gin vlieg kwa doen, lot goe staan on ne mensch. Als z'er ieste kommune dêe ..." "Ja, ja, dat hem 'k al honderd kiere g'hoord," zei Pallieter, "zegt da ze meê komt, mè ne lêegen buik en mè ne groeten hoenger ..." "'k Zal 't zegge," zei Charlot en ze ging weg. En Pallieter dronk het stoopke leêg. Hij wilde voortwerken maar daar werd zijn oog op zij getrokken door een vinnig licht. Hij zag op, en 't was een schip met overgroot wit zeil dat heel den hemel besloeg. De zon kletterde er op en de mollige wind deed het zwellen. Pallieter stond op en leunde over de haag om het beter te zien. De anijsreuk die van de hagedoornrozekes in zijnen neus kwam, deed hem het schip vergeten. Maar de jongen, die het roer hield toette ineens op een horen; de klanken droegen ver over het land en vielen, na een kleine stilte, aan den blauwen horizon uiteen. Het zeil schoof weg en daar had hij vóór zich het verre Netheland vol aangename diepten. Het lag daar, lichtgroen, wijd en klaar van het malsche licht dat uit de diepe luchten vloeide. De hemel was van dat zuiver Lievevrouwenblauw, en nevens de aarde schoven hooge gele, vette wolken, van boven wit verlicht, lijk sneeuw. De Nethe was nog dieper blauw, en kalm lijk fijn olie. De molens draaiden langzaam rond, en de verre huizekens blikten wit en rood. De overtollige boter-, pis en peerdebloemen in de weiden waren als levende plassen boter en melk. Een ganzendriehoek in de lucht, en uit het blauwe bosch het lachen van een ekster. "Oh," zei Pallieter, "er kome nog ballonnekes in te keurt." En wat deed hij, "den Bruur"? Hij haalde een koffiekom, maakte er met groene zeep en regenwater een zoppeken in, zocht de zuiverste pijp en zette zich weerom aan de haag. Met de pijp blaasde hij in het water, hard en lang, tot er babbelend een toren van opeengestapelde zeepbellen was uit opgerezen. Hij vatte een van de broze belletjes in zijn pijpekop, blies voorzichtig in den steel en zie een zilveren blaas ontbolde zich uit de pijp. In 't grooter worden kwamen er meteen fijne groene, roode, purpele en gouden kleuren in zwemmen, die dooreenliepen, rezen en daalden en in elkaar versmolten. Pallieter stond er van verpaft en zag er zijn eigen beeld, zijn huis en heel het landschap in. "'t Is precies of da'k man ziel uitblaas," zei hij. En als ze twee kinderkoppen groot was, zwaar wegend van de koleuren, loste hij ze met een klein schokje van de pijp en zie de ijle bel steeg langzaam in de blauwe lucht. "Wad e schoen dinge, 't is zonde da' k da' ni on man plafon kan hange!" En hij maakte er nog grootere, kleinere en heel klein en allen dreven ze, als fier over zich zelven, kalm naar omhoog. Ze teekenden zich goud, of rood of groen af tegen de hemelblauwte en hongen daar te zweven nog schooner dan de sterren in den nacht. Er gingen er heel hoog, anderen zakten neer op den grond, barstten kapot tegen een boom, maar de meesten brak de zon vaneen. Petrus, de ooiëvaar, stond van op het dak met den bek in de pluimen, peinzend het spel na te zien. Pallieter zag het, en poogde blazen naar den vogel te doen drijven. Het ging, maar hij liet ze gerust voorbij gaan. Doch een, die hem te dicht bijkwam,--'t was juist een gouden--purpele--sloeg hij met zijn rooden bek te niet. "Bravo Peterus!" riep Pallieter, "ge kregt strak e stukske vliesch!" En hij maakte voort blazen, want hij kreeg niet genoeg van de hemelsche verven. Terwijl hij daar bezig was, kwam er een magere, gele man voorbij, lezend in een dikken boek. Hij was filosoof, theoloog, historicus, natuurvorscher enz. "Och," riep Pallieter, die hem kende, "hoe kunde nij nog nor snie zuuke van passeerde jaar, als de zon dor zoo schoen te schijnen hangt!" "De zon gaat mij niet aan," zei de geleerde. "Ze schijnt altijd, ik zoek het wereldsysteem." "Gij wilt ne scheet in e vogelekeveke gevange zette!" zei Pallieter, en kwaad ging de filozoof verder, lezend in zijn dikken boek. Maar er ging een geritsel en beweeg onder de breede savooienblaren, en daar kwam, geel en zwart, de schildpad onderuit gekropen. "Ei! Fille," zei Pallieter, "'k hem oe in twie dage ni mier gezien! Hoe is 't?... Kom is hier." Fille, de schildpad, kwam, en Pallieter klopte met zijnen kneukel op haar blinkende schelp. Ze bezag hem. Hij nam ze in zijn armen en met haren drogen harden kop wreef ze heen en weer over zijn kaken. "Gij goe stoem biestje," zei Pallieter haar neerzettend, "hier zie, da's veur ij...." En hij vong met de hand een van de honderd zonvliegen, die op de fijne lucht hingen te brommen, en stak ze in de schildpad haren bek. Daar luidde het noeneklokske zilver gonzend uit het begijnhoftoreken en Charlot kwam uit de keuken, roepend met blijdschap: "Hij is af!... ik zal hem is veurléze!..." Ze zette zich vóór Pallieter, die, op zijn knieën gezeten, luisterde. Een veeg zon schoof over haar rood slaaplijf en haren blauwen voorschoot. Een inktplak liep van haren neus naar de onderste lip, en er bibberde een zonneke op haar linker oog, dat ze daarom toedeed. En alzoo las ze van het wit papier: "_Beste Nonkel Hanrie_". "Ik neem de pen in de hant oem oe den staat van mijn gezondheit te late wete en ik hoop van ellen hetzelfde. 't Is e zondag acht dage kèrremis en onze menhier Pallieter zij gèren emme dagge nor de fiest kwaamt lak passeerde jaar oem te smullen en te smeere. Hij hei gezeit dagget on man hiel familie mor moet zegge, want anders mut ekik te veul brieve schrijve. Komt mor met de vapeur, oem 't zelfden uur as passeerde jaar. Onzen baas zal me kar en peerd on de stasie staan oem de wijven oep te luië; de mannemense moette mor te voet gaan. De smet van on de Nethe zal e joenk vèrke doet doen oem oep t'ete, want gelak ge wet, onzen baas doe gin bieste doet, nog ginne pier. Da kan em ni over zan hert krijge, zeètem, mor a et ze toch oep. Hij wilt zelf gin biesten in huis hijve, en ik zij geren ne kaneurrevogel hemme, mor a wilt er vor den duuvel ni van wete. Ze moette vliege, zeètem. Ik hem al e schoe keveke gekocht van vier frank, mor onzen baas zeè van er mor nen blekken kaneurrevogel in te zette. De joenge patatten en d'eèrte zullen er in abondanse zijn en oek de jeèrbeze." "De meid van den pastoor van 't Beggijnhof heèd e nief medikement verzonne oem appelkokketoerte te make. Ik zal er zoe is ien make. In ie woort, dor zal niks te keurt zijn. Mor leusterd: onzen baas heè gezeè dagge ma petekind Marieke sito, sito mut meebrenge, want dattem anders oep zanne poet zal spele. Ik geloef da 'k nij niks ni mier te zeggen hem, dan veul komplemente on Marieke en da'ze goe veur mij mut leze. In d' hoop dagge dan allemaal zult kome, schrijf ik met de pen en met het hart." "CHARLOT BELLEKENS." "Pé, Sé--Seffes as 't doenker is zal onzen baas ballonnekes aansteke, en e groet vierwerk make." "CHARLOT BELLEKENS." En als 't gedaan was met lezen liepen er twee vette tranen over hare roode wangen en ze zei seffens daarop met een krop in haar keel: "Kom ete." HET VOGELENBEZOEK Na het eten deed Pallieter klimsporen rond de beenen, nam een leerken op zijn schouder en trok de velden in om eens te zien hoe het met de eieren en de jonge vogelen stond. Hij deed bijna boom vóór boom, zette het leerken tegen de strunken om in de holten te zien, of klom met een kattenrapte in de toppen van de boomen. Hij zag alzoo de roze, groen-en zwartbespikkelde eikes in de donkere nesten glimmen, hij telde ze, en had er deugd van, ze eens met lichten vinger te kunnen bestreelen. Maar het langst kon hij blijven stilstaan voor een nest met platte jongen, die met hun gulzige bekken wijd open lagen te schreeuwen naar eten. De velden lagen in den vrede van den noen. Er waren weinig boeren op het land. 't Was alleen de zon, in den fijnbewolkten hemel, die het groote werk deed. Ze warmde door en door de vette groenigheden. De peekens zwollen ervan in den grond en het groen-blauwe koren ging er zichtbaar bij omhoog. De verten waren zuiver lijk op gothieke schilderijen. En Bruur beklom nog vele boomen, sprak met een boer of boerenmeid, zat het veld te bezien, dronk zijn dorst af aan de beken en zoo was hij al 'n heele tap gegaan, en zijn maag keerde om van den danigen honger. Hij meende naar huis te gaan maar daar zag hij ineens, gansch alleen op het bolle van de wijde streek een slanke populier torenhoog in de lucht rijzen, met erachter een ontzaggelijke Hollandsche witte wolk. Dáár wilde hij eerst nog op! Als hij maar hoog en gevaarlijk kost klimmen, dan was hij in zijn element. In een ommezien zat hij in den kruin. God van de zee! Wat was de wereld paradijsschoon van daarboven! 't Was alsof de aarde heur hert had open gedaan! Uren ver strekte het vruchtbaar land onder hem zich uit. Hij zag wel twintig kerktorens en ik weet niet hoeveel hoeven langs alle kanten liggen. Alle dorpen hadden molens, en de roode daken en witte geveltjes lagen als fijne perelen van koraal en oesters in de kostelijke weelde van al die verschillende groenen van bosschen, beemden en gevierkante velden. Zwarte treinen reden heel ver met 'n lange witte wolk achteraan, langzaam in de wijdte. Gezeilde schepen schoven op de Nethe die glinsterend, in rustige bochten, den eenen horizont met den andere verbond. En groot stond de hemel daarover, vijf keeren zoo hoog, en de zon vulde de aardkom met heur overheerlijk licht. Alles scheen zoo klein en zuiver als een stuk nieuw speelgoed en Pallieter zei: "Van hier gezien is de mens nog gin pijp toebak weerd!..." Hij zat daar hoog en droog, als 'n reus, die baas was van dat land. En er kwam tot z'n groote vreugde, 'n wind het sop van den populier bewiegen. Pallieter touterde mee en 't was alsof hij op een wolk waaide naar een ander land. Zonder dat hij 't zelf wist galmde er uit zijn keel een machtig lied dat tot tegen den hemel klonk. 't Was hier te schoon om naar beneden te gaan. Maar 't witte licht vergulde, en de zon wierd grooter en grooter, en rood. Het rood jubelde de wolken in en rolde over de wereld. En achter verre blauwe bosschen zakte de zon in een chaos van rustige, helverlichte reuzenwolken. De schaduwen schoten lang uit en namen de klaarte weg. Beneden was de wereld in de schemering, maar op Pallieter plakte het zonnegoud nog lijk rood papier. Hij had zijn eigen willen bestreelen. Heel ver zag hij twee reigers zweven. Zijn oogen verlieten ze niet, want ze waren grootsch in den wassenden avond. Hij volgde mee de groote lijn die ze met wakken vleugelslag door de toesluitende avondlucht trokken. Soms bleven ze, 'n heelen tijd, met wijduitgestrekten vleugel en schoven dan roerloos voort op het donkerende blauw. Ze waren vol mysterie en gaven een diepen indruk. En even roerloos en zwijgend als ze gekomen waren verdwenen ze in de purperen schemering van den tegenover gestelden einder. Als ze weg waren was er als iets van hunne ziel in de lucht gebleven. De zonnetriomf was uitgestorven; er flakkerde ten westen nog een vage klaarte en in het veld brandde ievers een lichtje. Dat was de avond. Toen daalde Pallieter af, en ging met de gauwte naar huis want zijn beer grolde in zijn lijf. Maar hij zweeg, want hij was aangedaan tot in het klokhuis van zijn ziel. 'S ZATERDAGS VOOR DE KERMIS De zon werd grooter en vlamde de hemel in een rijkelijk blauw. De weelderige boomen waren eens zoo groot geworden en de Nethedijken de helft verhoogd van het lisch, het riet, de smeerwortel en de witte kervels. Het gers der beemden kwam boven de knieën en de duizend vette kruiden wasten ondereen tusschen honderd verschillende bloemen. Zurkel, suikerij, vergeet-mij-nietjes, peerdepoot, wilde klaverpluskes enz., eenen heelen boek. En den eenen dag tegen den andere veranderden zij van uitzicht. Nu eens was geel de hoofdkleur, dan purper, dan roos en dan weer groen, al naar gelang den groei der kruiden en der bloemen. En dat was 'n blijdschap voor 't gezicht, en 'n wellust voor den neus. De beken waren toe van 't groen, en het graan kwam boven de koppen der boeren. De bosschen waren als bergen. En terwijl de zon daarbuiten de kroon bereidde van het jaar, dat zijn de zoete vruchten, waren de menschen in en rond hun huis alles gereed aan 't maken voor de kermis. Deze nu viel juist op Sinksen, het feest van God den Heiligen Geest. En bij Pallieter stoof het er! Charlot haar hert was maar een boon groot van blijverwachten, want de schoone Begijnhofprocessie zou haren grooten ronde doen door het hof en over de Begijnenvest, ze zou er mêe ingaan en alzoo veel aflaten voor zichzelven en de zieltjes verdienen. Een zoete lach krulde gedurig om haren mond. Pallieter hielp haar mêe een volle waschmand strooisel snijden. Zij had rood, blauw, geel en groen blinkend papier gekocht, dat zij in vingertop-groote vierkantjes verdeelde; ze liep de katholieke kruidenierswinkels af om het zilveren papier van de chocolade te krijgen, en den dag van de processie, zou zij er rozen, vlieren en riekende kruiden bijvoegen. Het kon niet schoon genoeg zijn, want onze Lieve Heer zou het met zijn eigen voeten betreden. En terwijl ze sneed, zong ze liedekens uit de kerk. Ze zou kunnen stoeffen en pronken met hare mand strooisel tegen de begijntjes die meestal arm waren en tevreden moesten zijn met de gekleurde omslagen van oude St. Franciskus' en Marias boden. "Wa zal onzen Lieven Hier blij zijn mé zoe' schoe stroessel!" zei Charlot handenwrijvend. De Zaterdag kwam en er was geen wolksken aan den hemel. Geen windeke bewoog; alles stond stil als 'n huis en een pluimken in de lucht zou van zijn plaats niet verroerd hebben. Charlot had haar handen vol. Ze zorgde eerst voor een lekkere merte, rolde het gekapt vleesch tot kinderkopdikke bollen, en, terwijl ze stoofden, maakte ze saus van bezensap en patattebloem. Als de frikadellen goed gestoofd waren en nadien met 'n bruin korstje in zoete boter gebakken, goot zij de roode saus er over. 't Was om er van te bekomen zoo frisch. Binst kookte een groote ketel rijstpap. Ze schudde ze in tafelgrooté schoongebloemde tellooren, en wat er in den ketel bleef, lakte ze met heuren vinger af. Terwijl zij nieuwe erwtjes in haar schoot pelde schuimde Pallieter de soep. Die was om duimen en vingeren van af te lakken, want er was een fellen kempischen haan in, over de tweehonderd ballekens, twee kilo mergbeenderen en een reusachtig stuk bouilli. Charlot stompte in een kuip de jonge patatten hun vel af, en Pallieter zorgde voor 't bereiden van het speenvarksken. Het vleesch en andere spijzen, die morgen eerst mochten gereed gemaakt worden, lagen frisch en versch in den koelen kelder. Zij kuischten nog salaad, sneden de bloemkoolen, liepen overend'weer om dit en om dat, en de stille noenuren gingen vol warme zon over de vruchtbare wereld. En rond vier uren opende Pallieter het zwarte bakhuis van den broodoven. 't Was alsof hij een heilige kast opende, zoo stonden zijn oogen nieuwsgierig gespannen. God! wat 'n warme, zoete reuk van eieren, bloem en melk sloeg hem bedwelmend in 't gezicht! En wat een smakelijk, gouden koleur bloemde op uit de schemering van den oven! Hij haalde de brooden er voorzichtigjes uit en lachte hardop om de diepbruine kleur die naar de kanten blond en geel neerdaalde. Er waren weelderige scheuren in, die het blanke brood-hart lieten zien, en Pallieter plukte er van goesting de losse zijlapjes af. De toerten waren welgelukt en schoon en geurig om een Sint Antonius te verleiden. En de zon die door het venster plonsde blonk schitterend in de roode en gele confituren. Maar ineens verduisterde het licht, en daar kwam een groote, grauwe wolk voor de zon geschoven. Pallieter kon het bijna niet gelooven en Charlot kwam in de bakkerij geloopen, lamenteerend: "Ejé! dormee is 't goe weer nor de knoppe!... En de kermis en de processe!... Och Jezus-Maria-Jozef, ik gon algij ne pottenoster leze!" Ze liep terug weg, naar heur kamer, waar ze néerviel voor haar Scherpenheuvelsch Lievevrouwken en, met toeë oogen, begon te bidden. En klets! daar viel de regen. "Ja, mor dor van geprofeteerd!" riep Pallieter. Hij liet de toerten staan en liep naar buiten in den hof. Op een omzien stond hij uit te lekken lijk een waterhond en 't deed hem deugd, lijk aan een kouden bedelaar warme melk met korentenbrood. De koele, malsche regen ruischte frisch over het land, begoot de boomen en de planten, kletste op het water en kletterde op het dak. 't Was 'n symphonie van water! De duiven en de kiekens sloegen hun vlerken over hun kop, om de warme puttekens van hun zwingen nat te laten worden. Petrus de ooievaar stond roerloos met zijn wijf, elk op een been, in zijnen nest, en de eenden lagen op den blijk met open vleugels bijeen geklodderd. Pallieter was twee dagen te voren het haar rats nevens het hoofd afgesneden en nu kletterde en blonk de regen er op lijk op een steenen bol. Het regende, regende!... En, terwijl hier het water stroomde, kwam er een balk zonnestralen door de wolken geboord, en daar was een vinnige plek lichtgroen land ginderachter in het veld. Het licht zifte door den vallenden regen, en nu was 't goud, dat er viel, allemaal boonen goud. Pallieter keek zijn oogen uit. "Da's manna!" zei hij, en hij wierp zijn kop achteruit, opende den mond en liet er de gouden droppelen invallen. En daar kwam weer een straal, en ginder nog een en 't was alsof de eerste frissche, groene Lente met gauwte terug gekomen was. Ginder, boven den veldbuik rees het uitgewaterd einde van de vlaag omhoog en de helft van het land schitterde in de zon, wijl het donkere gedeelte nog ruischte van den regen. De vogelen schudden het nat van hun zwingen, vlogen op 'nen anderen tak en daar begon een zoetelief te fluiten, een vink te kwetteren, en ineens was het er op: al wat maar bek had sloeg met een gekuischte stem de frissche vreugde uit. De haan kraaide en een leeuwerik steeg omhoog. "Da's plizant, hè?" schampte Charlot, "oe zoe late beregene!" "Och meske, zwijgt, 'k ben er ne voet mee gegroeid," zei Pallieter, en ging een zuiver hemd en een ander broek aandoen. De natuur scheen veertig dagen verjongd; alle mogelijke reuken stegen omhoog uit den natten grond, en alle boomen zongen. De hemel was weer rein en blauw gelijk een vergeet-mij-nietje en de zon deed alles nog nat van den regen blinken. Pallieter wandelde nu vol innerlijken vrede door zijnen hof. Och, daar had dit kwartierken regen ineens de volle zomerweelde gebracht. Het nat haalde al de bloemenreuken omhoog, rozen, vlier, reseda en alles ondereen. Het had de berstensreede knoppen vaneen doen gaan, en nu stonden er eens zooveel bloemen. De boomen lekten nog en in alle bloemen straalden de regen-druppelen zilver. Er kwam een goed gevoelen in Pallieter. Hij nam zijn doedelzak, zette zich nêer op de bank vóór de voordeur en begon te spelen oude doedelzakliederen, zooals: "Ick wil van de kerelen singen, al met hunnen langen baert ..." De grove klanken ronkten in het goud der ondergaande zon. Begijntjes kwamen luisteren, vertelden met Charlot die met hare volle waschmand strooisel pronkte, en zij wandelden over de vest ... In de verschgeschuurde keuken smaakte het avondeten en het bier om driemaal opnieuw te beginnen. De nacht kwam, en de stilte; de grond dampte den regen in fijnen doom omhoog en pas was de laatste schemerklaarte weggestorven, of de zon rees daar terug, rood lijk een oven vuur en 't leven herbegon. 't Was Zondag en Sinksen, het feest van God den Heiligen Geest. KERMISMORGEND De morgendamp hing nog in de lage struiken en op het water, als van overal de klokken begonnen te luiden. Als Pallieter zag, wat een heerlijk weer de dag ging brengen, gooide hij zijn klak in de lucht en liep met lachend gezicht naar den zolder, op het donkere beiaard-kamerken. Hij wierp er een houten dakdeurken open en het witte licht kwam binnengespoten, en van de eerste verblinding bekomen zag hij daaronder het frissche morgenland in al zijn deinende wijdheid bloot liggen. Seffens begon hij op de houten krukken te kloppen en te slaan; de ijzerdraden rinkelden, het hout piepte en kraakte, maar bovenuit klonken de heldere klokkenklanken, als tegeneenrinkelende kristallen bekers in de perelklare lucht. Door zijn hart gonsde de klokkenjubeling, en hij zong mee zoo hard hij kon. Daarna stak hij door het dakvenster een nieuwe kermis-vlag, en de zoetwandelende oostenwind roerde de felle koleuren. Dan ging hij naar 't Zevenurenmisken op 't Begijnhof, en nadat hij met Charlot koffie had gedronken met hesp met eieren in de pan, ging hij wandelen, al smorend een fijne sigaar. De regen van gisteren was voor den grond een zalf geweest, en alles stond eens zoo schoon, zoo helder en zoo rein. Met al de Kermiszorgen had Pallieter de beenen onder zijn gat uitgeloopen, en nu was hij gelijk een kind zoo blij, den scherpen reuk van 't open veld te rieken. Hij lachte, riep echo's op, dronk ievers bier en speelde met de kegelen. Als hij weerkwam spande hij de zwertgevlekte witte merrie in de versch-geschilderde huifkar en reed ermeê naar de statie. Alle huizen in de stad waren bevlagd en de beiaard van St. Gommarustoren rammelde volksliekes over de daken, waarboven duiven toerden. Er wandelden reeds venten met ballonnekens en wat verder klopte een Italiaansche orgel. Terwijl Pallieter weg was stond Charlot in den war met haar eten.--"'t Mag zijn wa' wilt," zei ze, "mor iest veur God gezorgd." En ze haakte aan den gevel blauwe keersarmen met lange keersen erin, en zette tegen de voorpoort een tafel met stijf wit laken over, waarop ze het kasken met het Lievevrouwen-beeldeken zette, een palmhouten krucifix en al de vele heiligen van haar kamer. "Want allemaal meuge z'ons Lievenheer zien," zei ze. En daarrond en daartusschen zette ze zilverglazen vazen met bloemen, en kandelaren in oud koper, met papier omkrulde keerskes in. Ze zag dat het goed was en ging voortwerken aan de spijzen. En in de stilte zongen de vogelen, klapperde de vlag, en straalde de zon door de blaren van de boomen; ze schitterde in de vazen en in 't koperwerk, en deed ketsen en blinken het goudbestikte manteltje van Kindeken Jezus' Moeder.... Pallieter laadde het vrouwvolk in de huifkar. Als hij Marieken zag trok hij oogen lijk sauspannekens en zei met een zucht; "Och, wad e schoe kind!..." Het mannenvolk kwam te voet achteraan. Het huifkarreke was van binnen in de gele klaarte een tuil van overschoonste koleuren. De vrouwen hadden al hun zwaar goud aangedaan en de oudste droegen fijne kanten mutsen, met een stroohoed over, waarrond een bleektonig lint stijf neerhing. Ze hadden zijden pompadouren châles om, waarbij er vuurroode waren, purpele en kreem-witte met wijnroode bloemen in. Er was een vrouw bij met een zuigend kind. Een kwartierken later waren ze aan den Reinaert. En het was met Charlot een gepol en lawijd gelijk een laatste oordeel. Maar daar ineens, in blauw kleed met witte bollekens, en frisch gelijk een bloem in 't veld, stond Marieken vóór haar. De tranen spoten uit Charlot haar oogen, ze pakte ze vast, kuste haar op den mond, hief haar op, en drukte haar haast te pletter op heur dik lijf. "Och wa' zadde toch e' schoe' meske geweurre!" riep ze. "O ma' Marieke, ma' Marieke!..." En ze kuste haar nog eens, en haar tranen plakten op Mariekens gezicht. De mannenmenschen kwamen bij, met getienen, en Pallieter deed al het volk binnenkomen, waar ze seffens begonnen bier te drinken en pijpen te smoren, en te vertellen van hun aarde, hun beesten, hun kinderen, en het weer. Al het andere was hun vreemd als stond het in een boek. Ze wisten niet dat ze van vóór of van achter leefden en Pallieter zei daaruit: "nen boer me' verstand is e' staal van ne mensch." Wat later trokken ze tegelijk den hof in, in afwachting van de processie. Ze waren in groepjes verdeeld, en in dat rijke groen en schoone bloemen vlamden de koleuren van hun zijden halsdoeken. Er bleven er nieuwsgierig voor 't fonteintje staan dat op zijn hoogste spoot, en flitsperelend neerdripselde op den rug der rustige goudvisschen. Anderen zagen de kloeke Kempische hennen en hoendervogels na, en ieder stond verpaft van den schoonen pauwesteert. De pijpen smoorden, en het goud schitterde, en daaromendom lag de wereld in de zon. Ineens liep er een rietklankig lieken door den hof. Het was Pallieter die op een hobo speelde en met Marieken aangewandeld kwam. Aan 't fonteintje gekomen, waaronder Marieke heur hand openhield voor de waterperels, deed Pallieter het speeltuig van den mond en zei tot haar: "Lot ma' oe' nij is fijn bezien!" Hij lei zijn handen op haar ronde schouders en bezag haar van het hoofd tot de voeten. In haar roodkakig hoofd perelden twee groote bruine oogen met een vinnig zwart kinneken, haar appelroode lippekens stonden hoog onder den fijnvleugeligen neus, en in haar rechterwang was er een putteken als ze lachte. Haar kin stak verlangend vooruit, en de melkwitte hals was rond en malsch om erin te bijten. Hare jonge, nog rechtstaande borstjes begonnen hoog, en hare heupen waren rond. Ze had donkerbruin haar en poezelige handen. Och, wat was ze toch schoon! Over heel haar wezen lag de asem van den buiten en de jonge, blijde groeikracht der groote Natuur. Ze stond daar, zoo natuurlijk als water en haar gezicht was lijk een open boek. 't Was melk en brood. En de zon scheen rood dóór de schelpen van haar ooren en poederde kranslicht in haar haar. En Pallieter zei: "Ge komt niks te keurt as vleugeltjes." Ze lachte heur tanden bloot, en zag naar heur schoenen. En Pallieter bleef haar bezien, en voelde een bol in zijn hert komen van verlangen. Maar zij hief terug haar hoofd op en vroeg: "Spelt nog is e' lieke?" En hij speelde opnieuw en ze gingen samen voort. Maar daar schoot ineens de lucht vol groote klokkenklanken, Pallieter riep: "Z'is dor, z's dor! Manne, kom!".... En ieder haastte zich om aan de deur te zijn. Terwijl ze achter de versierde tafel gingen staan, ontstak Pallieter de keersen, en strooide op den zandweg bloemen en gesnipperd papier. Van achter de trapgeveltjes der huizen kwam traag tromgeroffel, een djimslag, en dan een langzame feest-marsch van koperen muziek. "Z'is dor!" riepen de kinderen en menschen, die van uit de stad kwamen zien, en gingen op het gers staan tusschen de hooge boomstammen om den blonden weg vrij te maken. De boerinnen haalden hunnen paternoster uit den zak en begonnen te lezen. En daar van uit de breede poort, kwam de processie op de overlommerde Begijnenvest. Die den stoet opende was de lange koster Lamdieke in roode soutane en wit koorhemd. De dag glom op zijn platte kletskop waarover een dunne klis zwart haar lag gekamd. Hij torschte een hoog mageren kruis, en zijn oogen zagen naar omlaag. Nevens hem stapten onverschillig twee koorknapen, die elk een zwaren zilveren kandelaar met brandende kaars droegen. De weesmeisjes uit de Marollekens volgden op drie lange roten, ze waren deftig in 't zwart gekleed, waarboven hun gezichtje, mager en bleekskes door 't binnen zitten, met rechtgesneden haarkalloteken, bedeesd uitkwam. Er waren dutskens bij van nog geen vijf jaar oud, en ze hielden, even nederig als de grooten, hunne oogen naar omlaag. Er waren veel kinderen bij van zatte vaders. Nevens hen, in wijde zwarte mantels en witte kappen met breede, zwierende vleugels, stapten de strenge marollen. Ze waren alle mager en recht, alleen de moeder-overste was een klotteke vet. Achter hen kwam een struische boer, in roode soutane, die de blauwe fluweelen vlag van Sinte Begga droeg. En dan een verblindende weelde van maagdekes, kleine kinderen allen in 't krakend wit, met vaantjes, en gouden horens van overvloed, gevuld met bloemen, korenaren en riekend kruid. De blijdschap blonk op hun gezicht, en fier stapten ze met stijve beentjes op de maat der muziek, en de gesteven witte rokskens ruischten als een zee. De muzikanten waren oude venten, ze bliezen zoo hard ze konden en hun kleeren roken naar de kas. Dan volgden vier struische kwezels, met witte maagdekleeren aan, waarvan de mouwen te lang waren. Zij droegen gesamen op een berd, dat met lederbeslagen krukken op hun schouders rustte, een blauw geschilderd Lievevrouwken, een duim groot. Het was hier ten tijde der Spanjolen aangespoeld en werd nu vereerd, wel veertig uren in den ronde, voor het keeren van de jaren. Het was "de Honingzoete maagd uit Holland langs de baren der zee hier aangespoeld en in ons land gevaren." En daarachter luidopbiddende, kwamen al de vrouwelijke leden van de congregatie, ouden en jongen, en hunnen rappen gedempten "bid voor ons" antwoordde ring aaneen op de ijzerscherpe litaniestem van een struische begijn. Ieder had zijn paternoster in de hand en het blauw lint met zilveren medalieken aan den hals. Charlot was daartusschen, ze had wel plaats noodig voor drie, en ze zag nog niet eens op naar Pallieter, Marieke en heure familie. Kleine jongens, in roode pauzen en purpele bisschoppen gekleed, volgden met staf en lanteren. Twaalf begijnen in witte lakens, droegen met veel moeite de zware zilveren relikwiekas van Sinte Begga. Zij blonk gelijk de zon en schoot stralen in de lucht. En daarachter op vijf lange roten, allen met witte lakens die den grond raakten, over hun hoofd, volgden al de kinderen Begga's. Het waren lijk spoken, en zij zongen met schraal verhongerd stemmeken slepende kantieken in 't latijn. Alsdan een ruischende koleurenwemeling van zijden en fluweelen vanen, zilveren en koperen geschitter en stralengespetter van hooggestoken brandende lantaarnen en torschers. Daaronder met verpluisden witten zijden hoogen hoed op, en schoone halsdoeken om, al de ouden peeën van 't begijnhof elk met een smokende flambauw van wel een arm dik. De drie blinde venten waren er ook bij. En daarna in een zeeroogend geschitter van zonbeschenen goud, omgeven van gezang en belgerinkel en zoeten wierooksmoor, kwam het Hoogweerdig de processie sluiten. Iedereen ging op zijn knieën zitten en vouwde de handen saam. Vier mannen in 't rood staken de gouden baldakijn omhoog waaronder de pastoor, in gouden koorkap, de blinkende remonstrantie, met de Heilige Hostie er in, vòor zijn gezicht hield. Zijn oogen waren toe, zijn blinkend kletshoofd stak een beetje boven de hooge stijve kap, en zijn lange witte sluikharen waaiden nevens zijn ooren. Menschen van den buiten en de stad, die den toer meededen, kwamen daar achteraan. En traag ging de processie voort onder het weelderige groen der hooge vesteboomen. De zon scheen erover, en de koleuren blonken als diamant. De wind speelde met de kleeren en klapperde in de vlaggen. De muziek ruischte, de bellen rinkelden, en de klokken galmden den grooten feestdag in de lucht. Pallieter was door al dien eenvoud waaronder zoo'n groot geloof blonk, zóó geroerd dat er een krop van in zijn keel kwam. "Kom," zei hij, "we gon 't er oek achter." En het boerenvolk met Marieke voegde zich bij den stoet, en hij Pallieter, den Bruur, sloot de processie en droeg een brandend keersken. De ommegang ging zoo voort, en schitterde van ver door de boomstammen. Twee nachtegalen begonnen tegen elkaar te fluiten, de wierook hing nog blauw en geurend in de boomen en was een reuk over de aarde als een balsem. In de rustige Zondagvelden was geen mensch. * * * * * De processie was binnen. Pallieter wandelde met het boerenvolk op de vest, en Charlot stond binnen te koken. Op het begijnhof was er in eens een blij gekres van kinderen, en zie! van uit de begijnenpoort kwamen joelend de witte maagdekens en de roode en purpele bisschoppekes gedanst, elk met een paksken suikerboonen. Zij liepen algelijk in den beemd en riepen en lachten, al smullend en smerend, hun vreugde in de lucht. Ze waren wel met veertig, en 't was een ritseling en klatering van koleuren die tranen in de oogen keutelde. Ze sprongen over de slootjes, liepen achter elkaar en plukten hun armen vol bloemen en peerdesteert. Doch drie begijntjes kwamen hen berispen en joegen hen naar huis, maar de kinderen lachten er mee, sloten hen in een kring en dansten er zingende rond. De begijntjes vonden het heel plezierig, dat ze seffens mee deden, en nu kwamen al de jonge begijntjes, die op de vest wandelden, afgeloopen en dansten mee in 't ronde. De pastoor verscheen en riep hen weer met den wijsvinger. Pallieter ging achter hem staan en wenkte de begijntjes met zwaaienden arm om den pastoor te komen halen. Zij verstonden het, en leidden den pastoor willens of niet willens in de lachende schaar. En zij omsingelden hem, en draaiden er rond en zongen: Is menhier Pastoor ni t'huis 'k Zâ hem is gere spreke 't Aved in zijn huis. En hij, de pastoor, zong terug met brekende stem, terwijl hij met den wijsvinger de maat sloeg: Ze zegge dat ik ne voddeman ben Ze zegge dat ik gi geld en hem. Als Pallieter dat hoorde en zag, pakte hij Mariekes hand en trok het meisje mee naar de dansende bende, en beiden voegden zich er tusschen. En ze zongen en draaiden; en 't was een beenengeslaag en rokkengezwaai dat de pastoor er zich krom van lachte. En Pallieter zong een ander lied, sloeg zijn beenen boven den kop en wilde van geen stilstaan weten. Op de begijnenvest stond het boerenvolk, de oude en dikke begijnen en godshuismannekes, te gichelen en te lachen, en Charlot van uit de keukenvenster dat de tranen over haar gezicht liepen. DE FEEST Terwijl zij, al wandelend in den hof, den pastoor afwachtten, zette Pallieter, Charlot en Marieke onder de lommerte van den kastanjeboom een lange tafel van planken op schraagkens. Ze sloegen er een blauw-geruit laken over en bedekten het met helgebloemde tellooren, glinsterende glazen, messen, lepels en vorketten. Een dichte root van dikbestofte wijnflesschen stond donker van het eene tafel-eind naar het andere: het waren als achtereenloopende beggijntjes, en in de lommerte lagen twee groote tonnen bier. Na een kwartierken kwam de pastoor met een lange steenen pijp den hof binnengewandeld. Ieder zette zich rond de tafel, en de schaduw temperde blauwachtig de felle kleuren hunner ruischende kleêren. Terwijl zij over 't een en 't ander spraken, wachtend naar het eten, hielden er eenigen, van ongeduldigen eetlust, hunnen lepel reeds vast, en zagen, met hun gedachten in de keuken, over de beemden en de landen, die verlaten in de zon lagen te blinken. Daar kwam Charlot met een groote soepterrien afgeloopen. Zij schepte in, hield haren mond geen Ave-Maria stil, en zocht voor ieder naar veel frikadellekens. De pastoor maakte alsdan een kruisken en bad stil; de anderen deden hetzelfde en Charlot bleef rechtstaan, de oogen gesloten en de vette handen saamgevouwen op haar dikken buik. Daardoor was er een oogenblik van aandoenlijke stilte, waarin verschietend een jong haantje van op den mesthoop kraaide. En dan begonnen de lepels te gaan en 't gesloeber van de vele monden. Als hunne soep ledig was, wierden er al pijpen aangestoken, en toen stond Pallieter recht en sprak: "Nichtjes en kozentjes van Charlot, ge got hier allemaal veul ete, want er is veul geried gemokt, 't moet allemol oep! En daaroem zeg 'k, dat de vier mensche die 't minste zullen ete, staaltje moete trekke, en dat den dië die het kleinste strooike trekt, mè zan bloete achterkake in een talloor rijspap moet gon zitte!" Dat werd met luid gelach aanvaard, en toen is er gegeten en gedronken lijk op een feest van Jupiter. Niemand wilde de schande ondergaan van het belachelijkste gedeelte zijns lichaams te vertoonen. En de vrouwen zoowel als de mannen, ze duwden het eten er in, ze deden om ter meeste; de een wilde niet onder doen voor den anderen. En er kwam achtereenvolgens in overvloed; tarbot met aardappelen, hesp met laboonen, kalfsgebraad met aspergiën, kempische kiekens met salaad, een heel speenvarken, met bril voor de oogskes en appelsien in den snuit, honderd meters worst met witte kool enz., en er werd daarvan gegeten, opgeladen en bijgeschept dat het zweet hen op het voorhoofd stond en in hun telloor lekte. En om alles beter in hun maag te krijgen, goten zij gedurig van het koele bier en den fijnen wijn door hunne keel, zonder kloeken of slikken lijk door een stoofbuis. Het was een lawaai en rumoer, en er werd gelachen als er een wat te weinig at, en op voorhand victorie gekraaid en gezongen. De zon en de lommer speelden op hunne roode gezichten en glansden helder op de stijve kielen en op de zijden halsdoeken; en daarbuiten, over de haag, schitterde de lenige Nethe, en strekten zich de rustige Zondagvelden uit. Er hongen zoete liederen in de boomen, en de aangename reuk der stoverijen wandelde in het veld. Pallieter, die nevens Marieke zijn plaatsken had gezocht, zat zich soms krom te lachen, als hij die vretende menschen zag. Charel Verlinden, een dikke boteropkooper, liet de karbonaden met peekens en erwten passeeren. "Ik zal straks man scha wel inhale," zei hij. Maar iedereen begost hem uit te lachen, en zij verkneukelden er zich reeds in, zijn groot achterste te zien. De buiken zwollen, en drie menschen stonden te wachten vóór 't vertrek. En nog kwam er maar gedurig aan versch eten. Een jonge boer wierd ineens bleek, liep achter een boom, lijk een ezel balkend, braken, en kwam terug zeggende: "'t Is niks." Hij dronk zijn glas wijn leeg en ontstak een versche sigaar. Marieke gaf maar heelder stukken vleesch aan Loebas en meneer Pastoor zei: "Drinken is ook eten". Deze voelde zich beschermd door zijne soetaan, en dronk maar den ouden zwarten wijn. Charlot kon bijna niet meer. "Ik hem nog kans mè het staaltje te trekken!" zei ze. Dan wierd er eerst fijn gelachen, en men zong al van: "Charlot is van de brug het water in gevalle!" Er kwamen nog looze vinken met bloemkool, enz. enz. Er was een aangename angst, en honderd zottigheden werden er verteld. Men dronk maar, en de wijn sloeg naar het hoofd. Maar toen kwam de voorlaatste schotel; jonge duiven met kriekenspijs. Stans gaf haar kind van de spijs met haren vinger, dat hij seffens zoo rood werd als een indiaantje. Een boerenknecht bracht een tweede schotel, maar de kleine sloeg er zijn pollekens in, en de telloor viel met de duifkens in stukken op den grond; tot veler verheuging, want ze waren raar die nog apetijtelijk aten. Stans gaf daarop heur kind een schudding en de kleine begon brand en moord te schreeuwen. Zij opende haar jak, wrong er een dikke witte borst uit, en stak ze in 't roodbekriekt gezicht van 't schreeuwend jong. De kleine sloeg er zijn vettige handekens op en begost te zuigen, 't Rood van zijn gezichtje plakte seffens op haar witte borst. Men werd uitbundig. Pallieter, die Marieke nevens hem voelde, dat schoone kind, nam haar in de lenden, en drukte met bekriekten mond een kus op haar wang waarop een rood plaksken bleef, en seffens wierd al wat vrouw was, door het mannenvolk gekust. Het was een gelachen getier waarboven uit het kind kriaalde. Stans vergat de borst in haar jak te steken en zij zwabberde en waggelde mee met de lachschokken van haar dik lijf. Glazen vielen kapot en flesschen rolden van de tafel. De zon zakte. Maar daar op een draagbert brachten twee man de groote tellooren rijspap. Van dees gerecht hong alles af. Iedereen gaf zijn laatste courage. Een magere tooverheks en Pallieter alleen aten hun schotel leeg. En toen moest er staaltje getrokken worden tusschen meneer Pastoor, Marieke, Charel Verlinden en Charlot. Er was een ongeduldig afwachten. Iedereen stond rond Pallieter, zwijgend en zenuwachtig, en een luid gejuich brak los als de dikke boteropkooper het kleinste strooiken trok. Maar de dikke boer ging loopen. "Pak hem vast!" riep Pallieter. "Charlot, breng de teiloor!" De boeren grepen Charel vast, die spartelde lijk een varken om los te geraken, en Charlot, kwam met de enorme schotel afgeloopen, maar zij lachte zoodanig, dat ze in haar rokken waterde, en de schotel in honderd stukken vallen liet. Charel Verlinden danste verheugd met de armen in de lucht. Iedereen stond te lachen om breuken te krijgen, en Pallieter rolde er van op den grond. Verlamd en vermoeid gingen zij zitten uitrusten op den groenen Nethedijk, terwijl de zon de wereld met gouden armen omhulde. * * * * * Als zij, tot bij klaren maneschijn, onder de lage takken van kromme appelboomen en mispelaren hadden gegeten en gedronken, gelachen en gedanst, en, tot slot, het kort, rap vuurwerk hun beenen had doen rillen, namen zij met veel lawijd en gepol afscheid van Charlot, en trokken zingend, terwijl Pallieter aan den arm van Marieke op een mondharmonika speelde, langs de vest en door de straten naar de statie. Daar gaf hij de vrouwmenschen allen een paar klinkende kussen, bij Marieken kon hij er bijna niet uitscheiden, en hij liet haar niet los voordat ze beloofd had binnen kort voor enkele dagen weer te komen. En ze vertrokken, verhit en luidruchtig, in hun schoon kostuum naar hun ver dorp, om morgen bij zonsopkomst alweer met slechte kleeren in het mest en het groeiende veld te staan labeuren ... En Pallieter voelde dat er iets van hem meeging naar ginder. Als hij thuiskwam lag Charlot in de keuken met ovenrood hoofd op de tafel te slapen, met nevens haar den paternoster en getijdenboek. In den hof rook het naar verbrand papier van 't afgestoken vuurwerk. De maan scheen en lichtte op stukken flesschen en tellooren, in het gers, door het spuitende fonteintje, en op de ordelooze glazen, eetgerief en vruchten op de tafel. Pallieter vond het schoon. Hij zette zich op eene bank en zat het stil te bezien. Heel ver in de stad was er nog kermismuziek, en een nachtegaal floot dicht bij hem. Hij zag hem zitten met den staart scherp profileerend op den zilveren manebol. Hij floot kort, beluisterde lang zijn eigen, maar elke klank was goud waard. Zoo zat Pallieter daar lang met den schijn der maan op zijn handen, en de nacht sprak tot zijn hart. Hij ging wandelen. De Nethe was stil, en slechts nu en dan lekte de maan een guldene plooi in het donkere water. De beemden lagen vol droom en het gers was nat van den dauw. De stilte was heilig. Pallieter wandelde langzaam voort, plukte een natte bloem, die hij tusschen de tanden wiegelen liet, en zijn schaduw wandelde met hem meê. Hij kwam in het veld, waar de vruchten roerloos in den lagen nevel stonden. Het koren glom, strunken bogen maanbelicht over met witte bloemen begroeide grachtjes, en de berkeboomen ritselden blinkend hun ijlen blarenregen. Hij zag het wit gat van een konijntje tusschen de selders weghuppelen, en wat verder nevens een mutsaard zat in het gers een verliefd paar zwijgend te vrijen. Pallieter ging wat op zijde om hen niet te storen. Na al het rumoer en de uiterlijke vreugde van dezen kermisdag was hij door dezen volle-maanbelichten nacht geroerd tot in de ziel, en zijn hart smolt van ongekende goedheid in zijn lijf. Hij dacht aan Marieken, dat goed en zoet Marieken dat hij zoo schoon vond als een veld, wier lichaam hij had omprangd, wier lippen hij had gezoend. En hij was vol van het verlangen dat Marieke bij hem zou zijn, zoo heel stil, hand in hand, lijk twee brave kinderen. Er was iets in hem dat hij niet bepalen kon, maar hij liet het rusten, want het was zoo zoet voor de ziel, als voor een warmen mond een koele kers. En aan een plasje waarin de maan stond, haalde hij de mondharmonika uit den zak, en zuchtte en zoog er zulke zachte zilverklanken uit, dat het leek of 't de maneschijn was die zong. EEN SATERACHTIGE DAG 't Was al wat na de kermis.. Van toen pas de zon was opgegaan en de eerste zwaluwen in de versche lucht aan 't zwieren waren, stond Pallieter reeds op den over-Neetschen Molenberg met een lange voermanszweep te slagen en te kletsen, dat het weergalmde alsof men overal aan 't zweepen was. Hij stond tegen de steenen pijlers van den ouden, houten molen, en de breede wieken zoefden snel met groot gekraak voorbij zijn neus, en tusschen elken slag zag hij het landschap van de Nethe, bedekt met dikke lijnen morgendamp. De zon hing nog matgeel achter de grijze stad, waar vroegmisklokken luidden uit kloosters en uit kerken en schril treingefluit de lucht doorsneed. De zon kon op de boomen nog niet schijnen, maar van achter het onzichtbare bosch bolde alreeds een breede wind, die openingen draaide in den doom; en de boomen begonnen te klepperen. Ommiste koeien loeiden naar malkander. Pallieter dacht aan Marieken, die sedert dien Zondag in zijn gedachten zat en hij zei: "O minne zuster, o minne bruid, ghi hebt mi geckwetst met eene van uw ooghen en met een hair van uwen halse!" Hij dacht aan heur aangenaam gezicht en heur jonge vormen, en harder sloeg en djakte de zweep de opklarende lucht vaneen. De zon klom; de dunne hemelwolken braken uiteen van 't licht, en blauwe diepten gaapten over de aarde. De nevelen zakten, en vensters van de stad schoten vuur; de windwijzer van een hoeve schitterde, en daar bedekte de zonneschijn al wandelende het land. Versch-omgeploegde velden slurpten met groot geschitter de klaarte op hun vettige schellen, dat ze werden als spartelende waters. Er kwam gekraak en gegons van kevers en van vliegen. Pallieter riep: "Vader zon bevrucht Moeder aarde!" En hij liep zoo maar rats tusschen de feldraaiende molenwieken door, den berg af in 't natbedauwde veld. Hij drentelde al zweepkletsend langs wegelkes, hagen en waterkant, en zong het land bijeen. De nevelen waren weg, en opnieuw openden zich de verten, rijk aan korenvelden en savooien. Pallieter verblijdde zich om de blauwheid van de lucht en den kalmen reuk der aarde. De hemel draaide rond de wereld vol bloemkoolenwolken, en in een hof balkte een ezel lijk een verroeste pomp. De meimaand was een gouden hoorn van overvloed. Het Leven was er nu voor goed, de winter was vergeten en de reusachtige zomer stond voor de deur. Het werk was gedaan. De boomen lieten hun vruchten stoven, de vogelen legden geen eieren meer, en er was een schoone kalmte over de Natuur gekomen als bij een krijger na een heeten strijd. Dat zijn de schoonste dagen voor de schapen, die met hun lammekens aan hun uiers loopen, voor de sprinkhanen en de jonge visschen. En de Natuur wil voor niets of niemand iets van hare goedheid achterhouden en hare genietingen hangen zoo maar voor 't pakken in de lucht. Zij is eenvoudig als een kind en goed als eene moeder, en wat zij geeft gaat tot in het leven van de ziel. Dat is de àl-goedheid van de oude aarde, die zich telkens vernieuwt, en door de menschen niet begrepen wordt, daar zij elders zoeken. Daarom zeiden de philosophen: "Gaat tot de Natuur! Gaat tot de Natuur!" Maar zij zelven keerden hun gat naar de zon, en vermagerden lijk graten tusschen stapels boeken en dichtgesloten kamers. "Fillesoof zijn is ni schrijve, mor is leve!" zei Pallieter, die met zijn voeten in de parij stond en 't perelend zonnespel aanschouwde. De zon was zoo hevig, dat ze door de dichtste boomen heelder bundels pijlen schoot en de bladeren bijna doorzichtbaar maakte. Maar daar kwam, van tusschen zilveren olmenstruiken, iets roods, bloedroods in Pallieters oogen pikken. Hij sprong over het grachtje, kroop door het gewas, en daar stond hij voor een overgrooten bunder papavers. De klaprozenplek trok over heure wijdheid al het zonlicht naar haar koleuren, en 't was lijk een groote vijver bloed. Het water liep zoo maar uit Pallieter zijn oogen, en hij zei, met een zucht van bewondering: "Och, Sint-Jan, worroem staat da' ni in oewen apokalips?" Hij werd er naar toe getrokken lijk naar een groot geluk, en ineens liep hij erin en verdween tot aan zijn borst in het machtige rood. De zon vlamde en beet door de groote bloemen, lijk door rood glas, en poeierde van vinnigheid een rooden gloed de lucht in, zoodat Pallieters gezicht ermee omwonden was, en zijn handen en zijn haar. Hij moest de geweldige klanken rood betasten en bestreelen, en hij sloeg zijn handen in de bloemen, rukte een tuil uit, dien hij in de lucht zwierde al roepend: "Koleuren, koleuren is alles in alles!" Hij ging voort, en wilde de begijnenbosschen in, de eeuwige begijnenbosschen, die zijn als een zee, met ook hun eeuwig lied van vogelen of van wind, en ook gevuld met allerhand gediert. Een bosch is als een zee! Hij drong door 't dichte elzenhout, en stond ineens van witte zon in de koele weidschheid van het overdadig groen. De struiken en strunken van hazelnoten, wilg, olm en eik en dorens nog daarbij, stonden er dicht lijk het haar op den hond. Overal klom de klimop een muur dik, op de bemoste boomen en krinselde zich overvuldig met andere slingerplanten van den eenen struik naar den andere. Hij lag op den grond lijk tapijten. Er was niet dóór te geraken, maar Pallieter kroop door hollekens, sprong over strunken, klom op een schuingevallen boom, liet er zich weer afvallen, verdween onder een klimopgordijn, en zoo drong hij al dieper en dieper in het bosch, dat een berg van zomersch leven was. Er klonk muziek van honderdduizend vogelen, 't Kwam als een regen uit de zuchtende takken gevallen, en in de lucht en op den grond gonsde het van vliegen en insecten. Waar een plekske zon lag zaten de hagedissen als steenen beeldekens; broodkoleurige krekelschelpen plakten op de wildgewassen struiketwijgen en overal roerden rupsen, slakken, spinnekoppen, duizendpooters, motten, pieren, kikvorschen, padden, mollen in en op den grond, die rook van al dat leven. Visschen, dikkoppen en wormen in het trillende water van beken en moerasjes. De bosschen zijn het hart der aarde! Overal was de weldadige reuk van mos en sappig hout. En dan de boschbeziën, die roode boschbeziën met een rhijnsch smaaksken achteraan! Pallieter zijn lippen zagen er purper van. En zoo drong hij heên door een wellustige overdaad van leven en groei, tot hij kwam in het eigenlijke woud. Daar deed hij zijn hoed af, bleef getroffen staan, en voelde zich geen duim meer groot. Hier waren geen struiken, maar uit den rossen bladgrond rezen overal de grijze, gladde beukenboomen lijk keersen recht omhoog en spanden ginder boven met dicht bladerengewelf het zicht des hemels af: zij reiden zich achter en nevens elkaar tot een onmetelijke diepte van boomen, die heel ver vergroeide tot een grijze houtgordijn waar lucht noch land doorspierde. 't Was hier een licht alsof de avond al aan 't dalen was, en stil lijk onder water. En om iets te hooren riep hij met de hand aan den mond: "Pallieter!" Zijn naam gaf een galm lijk in een kerk en viel, na drie echo's door in de verre grijsheid van het bosch. En dan begon hij zoo luid en zoo lang te lachen, dat de eene echo tegen den andere botste, dat er overal lachers waren, hier, daar, voor en achter hem, en terwijl de weergalmen kruisten, daverde de lach gedurig uit Pallieters mond. Heel het bosch lachte. "Nij hemme de boeme gesproke," zei Pallieter, en zingend liep hij verder. Het woud was lijk 'n hooge zaal. Hij bleef zien naar een koninksken dat tegen een boom opklom en naar roodgevlekte, wondergroote paddestoelen aan den voet der boomen. Overal lagen konijnenkeutels, en de diertjes ervan, door Pallieters lied verschrikt wipten in hun holen. Hij zag een vossenklem. Met een stamp deed hij ze afschieten, en haar onder den grond stoppend zei hij: "Oemda de vos gi gers èt, mut hem steurve! Arme voskes!" Pallieter dronk zijn dorst af aan een handgroot watervalleken, 't begin van een beek. De boschreuk hing om hem, zijn frak en zijn handen zagen groen van mos, zijn lach dreef nog ievers in de verte, en de boschstilte suisde nog in 't diepste van zijn hert! Hij had het bosch gevoeld! Hoe jammer dat hij zijn jachthoren niet had meegenomen, om al de diepste diepten voor zijn gehoor te laten opengaan! "Mor da's veur later!" zei hij, en hij liep terecht in de vette weiden, overgoten reeds, van zware, sterke zon, en bevlekt met bruine, witte en zwarte koeien. Hij ging door het losse gers, en de opgekomen honger deed hem zien naar de roze uiers, die vol zoete, warme melk hingen. Het water kwam hem in den mond. Hij had maar te trekken om ervan te genieten en de groote goesting deed hem zijn zweep neêrleggen. Hij rolde een stuk papier tot een puntzak, zette zich onder een koe, trok aan eene der tepels en zie! de straal witte melk spoot ruischend en schuimend in 't papier. Als 't vol was dronk hij hem leeg en het bekwam hem zoo goed dat hij er drie zakskes van tapte. Hij hoorde de naar boter smakende melk in zijn holle maag boebelen; het lekte van zijn kin tot in zijn hals, en hij zei tot de koe: "O wandelende herberg, wees gedankt!" Al verder gaande wierp hij van voldoening over de weiden de luide knallen van zijn zweep, en hij dacht: "Marieken is hier nog te keurt!" O! haar bij zich te hebben in deze paleisachtige natuur, haar te mogen omvatten, met haar in zijn armen over de beken te springen, samen met natte kussen door het zachte gers te rollen, en zijn gevoelige vingeren te laten leven op haar gezond vleezeken! Oh!... En zonder het te willen zag hij haar in zijn verbeelding, dwars door haar kleeding dóór. Hij zag niet meer het blauwe kleed met witte bollekes, maar een poezelig naakt lijveken met schoon geronde vormen. Hij deed zijn oogen toe van teeder genot, en zong op haar: "Marieke, pirrewieke, pirrewitje kandieke, pirrewitje kanditje, verrumpeld Marieke! o zallef, o heunink, o boter der ziel!" Pallieter begon van zoet voorgevoelen met de zweep te djakken, stampte de molhoopen uiteen, liep en draaide, met de voeten los van den grond, rond de jonge boomkens, en zette het dóór het gers en de hooge bloemen op een loop, tot hij buiten adem op den Nethedijk terecht kwam. De Nethe was hoog, en droeg zoo klaar gelijk de lucht de wolken van den hemel. Als Pallieter dit groote, ijle water zag, dat aan den overkant zoo zuiver de gele en purpere bloemen weerkaatste, dan zakte de kalmte weer in hem, en hij werd stil zooals een mensch na diep gebed. Het waterelement klotste machtig in hem óp, en op 'nen één-twee-drie, stond hij bloot, sprong in een spettering van zon doorschenen waterperels in de Nethe, en zwom naar de bloemen. Het was een reuk als van warme rijstpap; zijn gemoed kwam ervan naar omhoog en hij wist van diep zielsgenot niets anders te doen dan fonteintjes omhoog te spuiten, die nederpletsten op zijn blinkenden buik. Als hij daar zoo een heelen tijd in 't water had gelegen, en drie gebolzeilde schepen had laten voorbij drijven, kwam hij er terug uit. En hij liet zich afdrogen door de goede zon, plukt een pisbloem af, stak ze tusschen de tanden en wandelde naakt, de handen op den rug, een kikvorsch achterna, die verschrikt voor hem uitsprong. * * * * * De noen stond in zijn heete stilte op de boomen, en Pallieter lag onder een aalbeziënstruik te slapen. De hof was licht en stil. De kiekens lagen in het zand en de twee ganzen stonden nevenseen door de haag te gluren. Er was een voortdurend gegons in en rond de bieënkorven, en van uit de keuken kwam de gedompte stem van Charlot, die kerkliedjes zong. De bloemen stonden beweegloos in hunnen reuk en het water van de Nethe was schelblinkend als de rug van een visch. De beemden sjirpten en de molens draaiden niet.... 't Was de reuk van koffie en gebakken haring die Pallieter deed wakker worden, en al geeuwend riep hij: "Heb dank, o Heer, die man oegen ope doe om neif plezier veur manne mond!".... 't Waren vette haringen, wit lijk zilver, met een echten smaak van vleesch, en als hij ze binnen had, zong hij: "Alle visse zwumme, "alle visse zwumme, "b'halve die gebakken zijn...." "Bruur," kloeg Charlot, "er is gin botermelk oep de Waterschrans...." "Got er halen nor boerken Aap!... "Wa peisde wel," valt ze kwaad uit, "zoe'n dik mensch alleen, zoo ver me zoe'ne zware stoop, in zoo'n heette late gaan! Mor zadde ni beschomt?" "Willik meegaan?" vroeg Pallieter pinkend. "Kunde allien ni gaan?" "Om ginne woroem, meske!" "'k Zal 't ontijve!" zei Charlot. "Wacht mor tot da ge mij is noodig 'et!" en ondertusschen stak ze door nen koperen melkstoop een mispelaar. En samen gingen ze langs het achterpoortje van den hof de klare velden in. De wegen waren wit in de zon, en de lucht hing vol hommelengegons, lijk het uitsterven van groote klokken. Zij namen de kortste binnenweggekes en voor elken steenen kapelleken maakte Charlot een kruis, en daar waar de kersen wat laag over de haag hongen plukte Pallieter ze af, en deelde met Charlot. De zon scheen door hun kleeren heen op hun dikke buik, en het kersensap verkoelde hunne darmen. Ze moesten ievers over een grachtje springen, doch Charlot durfde niet en vroeg: "Zet er mij is over, bruur!" "Dan valle w'er samen in! Maar doet â kousen uit en baad er deur, ik zal oe 'n hand geve!" "Watte! ikke dor deurgaan! Het water komt zeker tot on man knieë!" "Allez toe! wat is da' na' da'k oe knieschijf is zien!" "Noet of van zelêve ni!" en ze keek langsheen de beek of ze nergens wat smaller werd. "Allez toe, meske, zievert ni!" maande Pallieter. "Draaid-oe dan om, dagge ma' ni' zie," zei ze gebiedend. Pallieter keerde zich om, en hij hoorde Charlot heur kousen uitdoen, heur rokken opheffen en voorzichtig in het waterken gaan. En als hij wist dat ze omtrent in 't midden was, draaide hij zich plots om, zag haar witte, dikke billen, en schoot in eenen luiden lach. Charlot wist van 't verschieten niet wat doen, sloeg met de gauwte haar rokken naar omneêr zoodat ze seffens mestnat waren, en liep dan lijk een bezetene terug uit de beek. En dan begon zij Pallieter uit te schelden voor aap, ballonnekeskop, lange vrijdag, schijnheiligen duuvel, tot ze geen asem meer kon scheppen. En Pallieter stond op den overkant te lachen dat hij rood zag lijk een kers. "Neeë," riep Charlot, "ik gon nog liever vroem nor huis dan hier deur te gaan!" en ze trok een gezicht, als wilde ze gaan weenen. "Ni schrieve, Charlot; kom ik zal er oe overzette!" En meteen wipte hij over de beek, nam de kwade Charlot in zijn armen en droeg haar met veel moeite door het waterken. Hij brak er bijna onder, en zij omklemde hem, met in iedere hand een kous, drukte haar hoofd tegen het zijne, en prevelde luidop eenige schietgebedekens. De schrik lag te pakken in haar oogen. "Ziedaar, geloovig vliespaleis," zei Pallieter haar neêrzettend. Charlot bleef kwaad, en sprak onder 't gaan geen half woord meer. Pallieter zag naar de schoone landen, en smoorde een groote, houten pijp. De lucht was stil lijk een vijver, en de smoor ging recht naar omhoog. Er hing een sperwer heel hoog aan den hemel, waarin drie kleine wolkskes dreven. Pallieter zag Charlot koppen en zei: "Ge mut dezen avond is nor Marieke schrijve dat ze na komt." "Och ja!" riep ze luid van overmatige vreugde, "wa zal da plizant zijn!" En heel den weg lang hield ze haren mond geen Ave Maria meer stil. Ze dronken op de hoeve een pint, en gingen terug, doch langs eenen anderen kant, terwille van de beek. Het wit licht van de zon was nu verguld, en de schaduwen waren eens zoo lang geworden. Héél de lucht was veranderd in een "schaapkesmerkt", allemaal kleine witte wolkskes tegeneen gedrumd. Het zakkend licht raakte ze, en ze werden roos lijk pasgeboren kinderen. Voorbij een boschken openden zich de verten van de sappige weiden. En God! de weiden waren lijk vuur en vlam. "Charlot, scheid eruit van Marieken!" riep Pallieter. "De zurkel brandt! De zurkel brandt!" Elk blad van den verschgeschoten zurkel slurpte een lek op van het zonnelicht, elk blad brandde ervan, héél de wereld brandde ervan! Pallieter stond bijna te rillen op zijn beenen van bewondering en hij zei: "Artiste mè en zonder haar, komt allemol zien, en goeit alle gal en botermelk in de stoof!" Het was lijk brandend water; er was nog licht in het licht, 't was als geest in geest, als iets dat niet meer van de aarde was. "Komt voort," zei Charlot, "wat is er nij on roeë zurkel te zien!" "Wacht toetda 't gedaan is!" en Pallieter roerde niet meer. "Dan geun 'k allien voert," zei Charlot en kwaadweg nam ze den stoop aan den arm, en scheefgebogen door 't botermelkgewicht ging ze de kronkelende wegelkes in.... De aarde draaide vóór de zon, en als er in het Westen nog wat vlammen hadden geflakkerd, hing het Oosten al vol blauwe duisternissen met één witte ster. Toen ging Pallieter voort. De avond vulde de lucht. De boomen stonden zwart en stil, en de eene ster na de andere sprong te voorschijn in het blauw. Pallieter zijn hart ging open voor den vrede van het land. En zoo stil lijk het was rond hem, was het in zijn hart. Twee boeren, elk met een hooge zeis op hun schouder, kwamen met doorzakkende knieën over den weg--zij zwegen en rookten, en wat kwijnend licht glom aan het punt van het staal. In gindsche stilte naderde traag en dof kargedokker. Daar herkende Pallieter het wijf van Peterus, den ooievaar, die roerloos en aschgrijs in den avond, met zijn steltpooten in het water van een beeksken, nog te loeren stond naar visch. De geur der toeë bloemen dreef zachtekens over het gebogen gers. Het kargedokker was nu dichterbij gekomen, en Pallieter zag tegen het vale licht van den grond de gaande pooten van het paard en het onregelmatig scheefschokken der hooge wielen. En boven op het opgeladen gers herkende hij de meid van een boer uit de geburen. "Eh!" riep Pallieter, bij een plots gedacht, "mag ik oep oe kar kome?" "Ja, kom mor!" riep ze verblijd. En met twee passen naar omhoog zat hij nevens haar op het doorzakkende gers. Hij lei aanstonds zijn arm om haar dikke heupen, en het geschok der kar stootte zijn lichaam tegen het hare; hij omprangde haar vaster, en gaf haar een kus op de bollige, vaste kaken. En nu begon hij haar van alles te vertellen dat zij met gedempte gicheltjes beantwoordde. Het paard ging met eendere, luie passen voort, en de kar schokte luider in den opgeklommen avond. Stilte omringde de wereld en de sterren stonden grooter en talloos in de schalieblauwe hemelrondte. Een uil vloog met slappen vleugel laag over de kar. Ze lagen zwijgend naast elkaar, en zagen niets dan de groote lucht, en al de sterren gingen meê met hen. Zoo dokkerden ze voort tot ineens het paard hinnikte. Zij sprong op en zei haastig: "Allez toe, eraf! We zijn er, spoed oe!" "Nog, iest e kuske! Tot te neuste kier!" En hij sprong van boven van de kar. Zij antwoordde niets, riep "Dju!" tot het paard, en trok feller aan den toom. Pallieter zag de sneller gaande kar in den donkere verloren gaan, en zei tot zijn eigen: "Onvoorziene liefde smokt het best." En fluitend ging hij over de vruchtbare, slapende velden naar huis. HET VLIEGTUIG Marieke was gekomen! Zij bleef er al drie dagen, en Pallieter was blij gelijk een merel in den uitkoom. Al de zielestreeling, die het open veld hem gaf, verkreeg hij nu ook rijkelijk door haar. Het was alsof zij de buiten was in persoon. Hij mocht tegenover haar staan, heel natuurlijk, zooals hij was tusschen de sleutelbloemen en het riet. Zij was openhartig lijk de wind, die zijn liederen over de Nethe rolt, en zij was goed gelijk de grond, die lisch en klaver geeft. Hij werd warm als hij haar aanzag en haar bijzijn brak zijn hart open. Het was al leven wat er aan was; als haar mond lachte, was het omdat haar hart lachte; dat vleesch was gezond en vol blijde levenskracht, als een stuk gesneden uit Aprilschen grond, 't Was sap! Wie de natuur liefheeft móest haar geren zien. En Pallieter deed het. Och, hij was toch zoo blij dat ze daar was; hij had haar kunnen kraken en opeten en pijn doen, uit hij wist niet welk gevoel. Hij zei: "Als d'aarde oet ne mensch zij make, zij z'r iene make lak Marieke." * * * * * Terwijl zij in den Reinaert woonde, vierde de wereld het feest van den langen zomer. De heete stond op de wereld geduwd, en 't sap kookte in de boomen. Maar op tijd kwamen zoete, malsche regens de aarde vettig houden, en de lucht bleef frisch en puur. Dat was voor het innerlijk leven der aarde een overgroot geluk; want nu kon zij alles geven waar haar hart van oppropte, en lijk een oploop van de zee welden al heure goedheden naar omhoog. De hoven zagen rood van de kersen en de velden geel van 't graan! Het gers stond dik lijk moorkenshaar, en de vlinders, die wandelende bloemen van de lucht, wemelden lijk blaren in den herfst over de dichtbebloemde wegen. Was er ooit zooveel snoek in de Nethe en paling in de grachten? Er ontbrak nog melk en honing in de beken. Maar voor Pallieter was het zoo ook goed. Want is elke streek der aarde geen beloofde land als er de beloofde man maar is? Zet er een duitenkliever of een handelaar, en 't melk wordt dun en blauw, en de honing vol patattebloem.... Maar 't was een dubbele zomer, een van de duizend!... En op een dier morgenden, als de dag paskes in de lucht aan 't klauteren was, werd Pallieter al zingende wakker. Doch ineens zweeg hij, want hij zag van uit zijn bed de eerste maaiers in de beemden staan. Er ging een klop in zijn hert, en in zijn hemd liep hij naar de kamer van Marieke, en riep door 't sleutelgat: "De maaiers staan in 't gers! Kom zien, kom rap!" Daarmee liep hij terug naar zijn kamer, schoot zijn broek aan, en begost weder aan Mariekes deur te roepen en te kloppen. Na veel lawijd ging de deur open, en daar stond Marieke op heur bloote voeten, in een rood katonnetten kleedje en een witte zakneusdoek om den hals. "Och hoe schoon!" ontviel het van zijn lippen, en het was alsof er aan elken vinger een draad was, die hem naar Marieke trok. "Kom," riep hij, "of ik val!" en hij greep haar hand, en zij ritsten van de trap, staken hunne voeten in gerookte kloonen, en liepen in den hof. Maar daarbinnen in den stal, stampte de merrie, en Pallieter kreeg ineens het goed gedacht te paard te rijden. Zij draaiden de staldeur open, en haalden Beiaard, de witte merrie, buiten. 't Was een kolos van een paard, met aders op zijn lijf een manspink dik. 't Schudde zijn grooten kop, en de dik opeengepakte krullende manen, die langs weerskanten zijn breeden nek hingen, wapperden lijk een vlag. Rillingen van genot liepen over zijn huid, de felbehaarde pooten stampten putten in den grond, en zijn lange staart sloeg heen en weer. Het hinnikte en 't was lijk een feestelijke lach die over de velden sprong. Pallieter zette Marieke scherlings op den ronden rug en plaatste zich achter haar. Beiden zonken weg achter den struischen paardennek en zij moesten hun kop bezijds steken om iets van 't vóór hen liggend landschap te overzien. En, de schuimende snuit naar de breede borst gebogen, stapte Beiaard op den Nethedijk, en zijne groote pooten klopten plat en zwaar lijk hamers in het roode zand. Alles bewoog wat er aan was; het genoot en snoof de klare morgenlucht, en was spelend als een veulen, sloeg zijn kop omhoog en opzij, wipte zijn achterste pooten in de lucht, en hinnikte aanhoudend. De buiten was frisch en rook bezonder fijn. De weelde van den nacht leefde nog onder het gers, en op de Nethe rok en kronkelde er zich wat witte damp, maar de verten waren klaar. Er hongen drie leeuweriken te trillen in een lichtgroene lucht, en de laatste ster verwaterde in het uiteenloopend licht van de opstijgende zon. Zij kwamen aan de beemden, hier en daar met ploegen maaiers bezet. Pallieter deed de merrie staan, en overzag met blij gemoed dit rijke zomerwerk. Er hoekten reeds breede straten van afgesneden gers doorheen, beekwater werd zichtbaar hier en daar, en de gerssapreuk kwam met stooten uit de lichtgroene afgemaaide plekken. Overal gonsden de zeiselen; er klonk van alle kanten gewet en geklop op het klankgevoelig staal en de woorden van mannen en vrouwen--klein en miniem onder het hoogopklimmend geweld van de lucht--waren in de beemdenwijdheid groot en lang. En swenst opende zich de zon en stak de wereld vol van licht tot over de horizonnen. Dat spoot stralen uit de zeisens. "Kom," zei Pallieter, "de zon heed de zeiselen geweeën." En met een "dju" reden ze verder langs den molligen weg en klaterende boomen, de open velden in. Beiaard draafde op gelijken pas en zijn pooten klopten dat de aardvlokken boven hun hoofd vlogen. Zij lachten van genot en lieten zich mee opwippen. De paardwarmte drong door hun billen en rond hun kop liep de frissche morgenlucht. Zij reden nevens groote korenvelden, met roode papavers en blauwe korenbloemekens aan den boord. Soms kwam een adem wind over de aren gewandeld, en dan gleed er op het gele koren een blinking van bleek goud. Een haas schoot schuins over den weg en daar in versch omploegde voren, tusschen witte kiekens kraaide een groene haan. Duiven toerden boven de hoeven, en waren nu eens zwart en dan weer wit, en soms hun vleugelen doorzichtig in de zon. Dien morgen was er ievers een koekoek. Marieke lachte, en het tippeken van haren witten halsdoek bleef achteruit staan en klappertrilde van den wind en van het rijden. Met scherlings op het paard te zitten en door 't geschok, waren hare rokken hoog en hooger geschorst, en alzoo zag Pallieter, ten volle uit, haar bloote beenen en boven hare rechterknie den witten garen kant van hare broek. En dat deed hem het veld en de alderblauwste lucht vergeten. Hij kost er bijna niet van spreken, en zijn hart sloeg er een klopken rapper van. Hij werd er heerlijk en uitbundig van, en hij boog zich naar de korenaren, trok er een handsvol uit met wortel en al, en draaide er mee boven zijnen kop. Hij riep "Dju, Dju!" en Beiaard versnelde den pootslag en rok zijn lijf wat langer uit. 't Werd een rappe rit nu op den malschen weg, die kronkelde en keerde lijk een ardeenschen waterloop. Beiaard hong er in 't keeren scheef van, en Marieke wrong de manen rond haar handen en gichelde van 't lachen. Zoo kwamen zij op den veldhoogte vol met groen en graan. Daar hield Beiaard stil, en versloeg zijn dorst aan eene beek. Marieke keerde zich om tot Pallieter en was buiten asem, hare boezemkes gingen rap op en neer, zij kost er bijna niet van spreken, en dopte het zweet met haar halsdoeksken weg. Zij bezag Pallieter voldaan, en hare oogen werden grooter dan anders. Hij tikte op haar handen en wees haar de vier torens die men van hier zien kon liggen: Duffel, Mijlstraat, Huut en Mechelen. Nu lag de Reinaert ver vandaan, heel ver achter de boomen aan den achtersten Nethedraai. Van hier gezien was 't Netheland weeldrig en uitverkoren als een borst der aarde. De korenvelden, en bruine en groenbeplante grond, met hoeven en hooge boomen er op, zakten verdeeld in ongelijke vierkanten naar de lage beemden, die zonken in de Nethe, en aan den overkant rees de grond er even vruchtbaar uit, maar was onzichtbaar door het hevige licht der zon. Het licht hing in het dal gelijk eene dichte wind, en Pallieter en Marieke konden slechts met één oog toe en één oog open de uitgestrektheid zien. En met zijn platte hand het dal aanwijzend, zei Pallieter: "Dat is man beste kamer! Man salon! De loecht is man plafon, de zon man horloge, het gers is man tapijt, de regen man gordijnen, mor ... man bed is zonder vrijw!" Marieke werd rood, glimlachte, zag eens zonder dat ze 't wilde, Pallieter rats in zijn oogen, en zag dan naar omlaag. Pallieter had het gezien, het zei hem meer dan genoeg, en het was alsof men hem een poort opendeed vol riekende appelen. Zoo was er dan een stilte rondom hen, terwijl in ieders hart het grootste ding gebeurde. Maar ineens kwam er van uit de kleere lucht een geweldig geronk. Zij zagen beiden naar boven en, God! heel hoog in de hevig-blauwe lucht hong een wit eendekker-vliegtuig, dat met groot gesnor, effen als op water, door de lucht schoof. Met beide armen er heen wijzend, liet Marieke een kres, en Pallieter zweeg van aandoening lijk een steen, hij vloekte binnensmonds van bewondering, werd wit lijk melk, en er kwam een traan in ieder oog. 't Was toch schoon: gracielijk als een reiger, zonder schok of stoot, veerde het kalm door de lucht, met zijn vleugelen en zijn staart schrilwit op 't warme blauw. De lucht was vol stralen geronk, en al de menschen in het dal liepen van hun werk en uit hun huis, en zagen naar omhoog. "Nen engel heet er ni aan," zei Pallieter stil. "Neeë," zei Marieke, "ik kan man oege ni geloeve!" En zwijgend volgden ze, met het keeren van hun hoofd de wending van zijn vlucht. Het was alsof er iets heiligs over de wereld kwam. De duiven schoten verschrikt weg, en overal waren stemmen van roepende menschen. Maar ineens scheen het vliegtuig als stil te staan, lijk doet een valk als hij zoekt; 't deed een zwenkende beweging, sneed sierlijk een halve ronde over de landstreek en dan ineens met lenige lijn, stak het van uit die duizelingwekkende hoogte recht naar beneen en kwam schoon gelijk een kraai, in de weiden, aan den overkant der Nethe. De koeien, die er gerust te grazen lagen, sprongen verschrikt op en liepen in groote verwarring weg; er waren er bij die al waterend weghuisden, met de pooten uiteen en den staart recht omhoog. "Kom!" huilde Pallieter. "Mor 't water!" riep Marieke bevreesd. "Water, water, water! Over het water! Dju!".... En hij gaf Beiaard twee stampen, greep naar den toom en raffel! daar holde Beiaard er van door, recht vooruit. Het paard werd lang, de pooten raakten bijna geen grond meer, en de manen en de staart stonden achteruit; het reed de lucht kapot, en klotten aarde vlogen in de lucht en in de boomen. Pallieter en Marieke zaten gebogen, hieven zich op om lichter te zijn en de boomen schoten voorbij, het koren was een bleeke ritseling en de grond als een rap water. Pallieter riep en vloekte maar "Dju! Dju!" Rechtdóór ging de rit, rats door de savooien en de peekens, over de grachten, door elzenhout, altijd maar recht door, de aarde dreunde er van, en vogelen schoten op, en kiekens stoven kakelend uiteen! Pallieter zag eens op. Over alle wegelen en het veld kwamen menschen aanloopen, en daár, daár lag de Nethe hoog en stil. Pallieter zijn kloonen vielen uit, Marieke liet een kres, en Beiaard plonsde met daverend geluid in het malsche Nethewater! 't Was lijk een bom die sprong, een lichtgestraal als van honderd hevige fonteinen; het water kwam er van naar omhoog, klotste witte baren open, en smakte en kletste tot op den dijk. Het water kwam tot aan hun borst en sloeg op hunne schouders. Snuivend zwom Beiaard in het waterrumoer over, en hief zich met veel moeite, druipend lijk een regenwolk, op de dijk. Ginder lag het vliegtuig, rondom met menschen bezet, men kost over de koppen loopen, en een macht van waterkletsen verspreidend, kwamen zij er vóór. Het volk stoof verbaasd uiteen, en daar stond het vliegtuig wit en licht, als om met een hand maar op te heffen. Ze waren twee vliegers, beiden in lederen frak en een wollen pots over de ooren. Terwijl de eene in den zitbak olie goot, vijsde de andere aan de geweldige peerleeren schroef. Pallieter vroeg: "Hoeveul vraagde oem het Scheld te laten zien!" De beide mannen lachten om deze vraag, en weigerden beslist. Maar Pallieter blééf aandringen, verhoogde telkens den prijs, tot zij eindelijk toegaven. Hij wreef in zijn handen en zei: "Nij gaan we is samen in het rijk der zon." "Er is maar voor twee man plaats," merkte de stuurman op. Het viel lijk een steen op Pallieter zijn hert. "Da's spijtig, hé kind," zei hij, "mor 'k neem oe dan mee in mijn ziel." Marieke was ineens verlegen, en streelde de manen van het paard.... Een der vliegers gaf aan Pallieter zijn lederen frak, en dat zijn broek mestnat was, deerde niet. 't Was frisch!... Hij zat nu achter den vlieger, die het roer hield, de andere trok eenige keeren aan de schroef, die ineens zoo hevig begon te draaien dat ze onzichtbaar werd, en Pallieter kreeg het geweld van duizend winden op zijn neus, de mannen hun hoeden vlogen af, en de vrouwenmenschen hun rokken naar omhoog. De schroef brulde, en daar rolde het spel een vijftig meters hobbelend voort, en loste zich weg van den grond zonder dat Pallieter er iets had van gevoeld. Op een wip zag hij de boomen reeds onder hem, het volk liep van verwondering mee, en ginder, in 't rood op 'n wit paard, reed Marieke op den dijk, zij wapperde met haar zakneusdoeksken, en riep "tot straks, tot straks!" maar daar hoorde hij natuurlijk niets van. Met een geweldige snelheid ging het vliegtuig hooger en verder. Hij zag verbaasd rond over de wereld, die onder hem lag, waar alles ineenkromp en versmolt, 't Was alsof hij zitten bleef en de aarde rap draaiend in de diepte viel. Er was niets zwaars meer aan hem alsof hij zonder lichaam was. Hooger en hooger! en overal zag hij de blauwe horizonnen, die zich meer en meer optrokken. Wat waren de begijnenbosschen, de huizen, de dorpen, torens, velden, en boomen en de Nethe! 't Was als iets om met een vergrootglas te bezien. Overal was het licht, en vierduizend meters onder hem lag heel de wijde wereld open, schoon en heerlijk en bedwelmend als de oplossing van een groot mysterie. "Och wat is den aardbol schoen!" zei Pallieter. Heel de lucht was gevuld met het geluid der schroef: 't was alsof zij er op gedragen werden. Pallieter zijn ziel groeide van geluk; zoo op de open lucht te zitten, een deel van den wind te zijn, doorzinderd en omringd te worden van licht en lucht, en er doorheen te schuiven en te snijden als een pijl, op weg naar iets eeuwigs! Hij was als dronken van ruimte! En daaronder lag de wereld zoo schoon en innig van zon en van koleur, zoo vol, zoo volstrekt, machtig en heilig als het einde aller dingen. Pallieter was er van ontroerd en zei vloekend: "Hoe schoen, hoe schoen!" ... en dan ... "O dank mijnheerken God, dat gij mij op aarde hebt geblazen!" Maar in de diepte bochtte smal en blinkend, de Schelde door de streek, en daarnevens lag een handsgroote, roode plak, en dat was Antwerpen, die groote stad met haar duizend huizen en honderd straten! en ginder heel, heel ver waar de stroom zich aan den horizont verloor, stond de witte, matte blinking van de groote zee! En ginder lag Brussel, Mechelen en overal kleine steedjes en dorpen! Pallieter kost er tien met één hand bedekken en hij zei: "Dor wone na de mensche!... Dor woene ze na, die denke da z'allemaal gelijk hemme!... Een scheet in een flesch! Och, Thomes à Kempis, als g'in e vliegmachien had gezete, oe boekske had duizend kieren iens zoo schoen geweest!" ZOMERREGEN De avond kwam, en de geur der witte rozen hong in de gele lucht. Pallieter was stil en smoorde langzaam zijn pijp, terwijl hij, tegen een boom geleund, zijn verschgereven hof bezag. Het groote lucht-en lichtgenot was met den avond in hem bezonken, en nu was er in zijn hart een overgroote kalmte. De smoor, die uit de schouwpijpen van 't begijnhof steeg, vervloeide tot een witte lijn, die vóór de vesteboomen roerloos hangen bleef. Drie reine klokkenklanken tampten uit het torentje, en het was alsof er driemaal op Pallieters hert geklonken werd. Het torentje stond zwart op den ambergelen hemel, en Pallieter slenterde over de vest, naar het witte, eenzame begijnhof. De grijze schemering trilde langsheen de witte muurkens, en de kasseien lagen bleek. De huizen schenen ééns zoo hoog, de deuren toe, en de stilte vulde de straten.... Slechts twee zwaluwen scheerden sjirpend heel hoog in de lucht. Pallieter ging op zijn teenen, bleef luisteren naar de stilte, en ging de kerk in. Er was niemand. De glimmende stoelen stonden ernstig op roten, en de godslamp was als een oog. Hij zette zich neer, en deze ongebroken geruchteloosheid deed hem van vrede de oogen sluiten. Zijn ziel opende zich in hem en al het andere was als een vergeten droom ... zoo zat hij. "'k Heb God gevoeld, mor 'k blijf toch mensch," zei hij. Als hij buiten kwam, was het geel uit de lucht, en hongen er grijze wolken--maar de dag was nog niet dood. Bij Pallieter stonden al de deuren open, en was het binnenshuis nog donker. Er was niemand ... Onder het afdak zag hij het punt van de zware zeisen glimmen, en hij kreeg een verlangen om er mee te werken. In den hof sloeg er een merel nu en dan een regel blijde klanken uit, en Pallieter zei: "Da's regen." Hij ging maaien in het peerdenbeemdeken. Hij wette het staal en het klonk verweg in den kalmen, zwaren avond. Hij scheerde de zeisen door het gers, het gers viel om, en het staal ronkte. Pallieter had bij het maaien groote bewegingen, en stond grootsch en donker afgeteekend tegen het bleek licht van den uitgestorven dag, en het licht ging van zijn zeis niet af.-- Er kwam ineens een geritsel door 't gers en in de schemering zag hij een tuil gele bloemen, en wit daarboven het hoofd van Marieke. Hij was blij, en zij kwam nader, zeggende vol bewondering: "het was of dat er ne reus on 't maaien was." "Mak is rieke?" zei Pallieter en hij duwde zijn gezicht in de malsche bloemen. "Ze zijn vor ij," juichte Marieke stil. "Ik riek er oe zieltjen in, och kom"--en hij nam de bloemen in zijn arm en zag haar dankend aan. Hij voelde zich als een kind. "Kom," vezelde hij, "lot ons neerzetten, en vertelt is, wor ge die geploekken hed." Hij zette zich neer in 't afgemaaide gers en lei den ruiker open op zijn schoot. Zij zette zich nevens hem en vertelde traag, dat ze met Charlot naar het veldkapelleken van Sint Anneken was geweest om te bidden, onderwegen had zij bij een boer, die schoone bloemen gevraagd, omdat hij, Pallieter, zoo dikwijls naar hun honingreuk verlangde. Zij zwegen. De boomen stonden stil en, van uit de donkere keuken, kwam luid rozekransgeprevel van Charlot. Ineens zei Marieke verschietend: "Een lek, het regent!" Pallieter hield zijn hand open, en, na wat wachten, kletste er een groote koele druppel op. "'t Is goed gelak gesmolte boter," zei hij. En uit de onzichtbare lucht, viel er langzaam, nu en dan, een groote regenlek. Dan hier en dan ginder. Zij hoorden ze op de boomen openkloppen, voelden ze op hun hand en op hun neus komen, en in de geplukte bloemen versmachten. Nu eens kwamen er wat meer, lijk met een volle hand uitgestrooid, dan was het weer stil, om na eenige hartkloppingen, weer hier en daar er een te hooren vallen. Elke lek kreeg een bijzondere waarde. De bloemenreuken schoten los en vloeiden langzaam, omwentelend rondom hen, en de merel in den hof stootte helderdiepe klanken uit een gladde keel. 't Waren klankslagen van wellust, de deugd van 't lavend water op zijn lijf. 't Scheen Pallieter dat de zotte vogel meteen van de aangename waterlekken in zijn bek aan 't zingen was, zoo brobbelden, dansten en klotsten de klare noten in het rond. Er waren klanken bij, waarop hij zoog en smakte, ze weer inhaalde, en dan als een glad bolleken kristalhelder uitspeekte. En "Wees gegroet Maria" ging het maar gedurig in de keuken. Haar gebed was als iets dat groeide. Pallieter vong met zijn tong een lek van zijne lippen, en zag naar Marieke, en zei ontroerd: "Is dezen avond na ni oem te smilte, Marieke?" Zij zag hem aan en zei niets. Hij nam haar hand, die nat was, en verborg ze onder zijn tien vingers. "Och Marieke!" zei hij, en hij had haar hand kunnen kraken, want zijn hart kwam omhoog van liefde, 't was alsof zijn ziel moest losbarsten. Hij trok haar meer tot bij zich, maar zij boog het hoofd en hij zag niets meer van haar gezicht. "Marieke," zei hij nog eens in een zucht. Maar zij verroerde zich niet en zweeg. En de groote regenlekken tokten langzaam op de blaren en de merel haalde fluitend het laatste steeksken licht uit de lucht. Maar in de keuken viel het stil, en plots schoot het venster vol geel licht, en Charlot riep aan de deur: "Komt algijw binnen, het regent, en het eten is bena gereed!" Marieke trok haar hand uit die van Pallieter, stond op, en ging zonder iets te zeggen weg. Pallieter bleef versmacht onder het gelukkig gevoel, dat Marieke hem ook lief had, liggen, strekte zijn beenen uit, en liet den malschen regen als een balsem en bedwelming op hem neerkomen. DE WALKUREN-RIT Het was stikheet en laf. De zon brak den grond vaneen, de legumen stonden als in arduin, en flets gelijk een schotelvod. Pallieter zat met Marieke tusschen de blauwe lommerte van zonnebloemen en vlieren, verschgeplukte kersen te eten uit zijn strooien hoed. De vlier rook geweldig, en de zonnebloemen zongen van de hommelen. Pallieter stond eens recht om zich te rekken, en riep: "Mitteke zie na toch da' licht, licht! het is gelak muziek!" Marieke stond op, en bezag het schril-verlichte land, met de hand voor de oogen. Er roerde geen levende ziel en er leefde geen steek. De hitte lag te denderen boven de wegen lijk boven een stoof, en de stilte stond lijk lood over de wereld. Pallieter zag hoe kostelijk de zon op Marieke scheen, en hoe gezellig de roode kersen, die hij als koralenbellen aan haar ooren had gehangen, bij haar aangenaam gezichtje deden. En als ze zag dat hij haar bekeek gilde ze, wippend met haar lijf: "Wille we nij is gaan veere?" "Om ter ierste on de Neet?" riep Pallieter en zoo hard ze konden, liepen ze beiden door den hof de licht-klaterende velden in. Ze waren er even rap, en Pallieter hief Marieke lijk 'n pluimken op den dijk. Ze stapten in 't schommelend schuitje, wanneer de vette stem van Charlot riep: "Mor, zijde gelle zot van in zoo'n heete gon te veere! Et liever nog wa kezze!" "Wij ete zon!" riep Pallieter terug, en na twee sterke riemslagen lieten ze zich tijmee drijven door het bakkersoven warme land, dat ze nu rondom hen in al zijn vinnige verlichting zagen openliggen. Marieke zat van achter. Pallieter van voor, en ze lieten hun handen in het lauwe water hangen. Ze zwegen, en zagen van tijd tot tijd eens, als bij verrassing, malkander in 't gezicht, en dan was er een glimlach op hunnen mond en een lichtje in hun oogen. Ze vaarden onvoelbaar verder en zagen traag de voorste velden en boomen voorbijschuiven, terwijl de einders en de verre hooioppers meewandelden. En over dien grooten landlap hing geen zucht. Marieke was die stilte zoo zwaar dat ze vroeg: "Speld is e lieke?" "'K hem ma' fluitje ni bij!" zei Pallieter. "Wel zingt er dan een!" En hij zong: "Daar waren twee coninkskinderen." "Er is mor da verschil," zei Pallieter als 't gedaan was, "dat Charlot, die oude kwene, er nog vier lichtjes zij bijzette, omdat de joenge ni zij verdrinke." Marieke kreeg een rood koleurken. Maar daar zag Pallieter aan den omdraai, roerloos als een steenen beeld, een visscher staan hengelen met lijn, en hij riep: "Dieë sto weer te wachte, nor iene dien hem noet ni hee gezien!" De visscher zag eens onverschillig op, en sloeg rap zijn oogen terug naar het roode stopje. Ze vaarden verder, en Marieke juichte ineens, naar de lucht wijzend: "Dondertores, dondertores!" En waarlijk, langs alle kanten achter de blauwe, boschbelijnde aardeinden rezen dikgevulde, smalle wolken met koppen naar omhoog. Het waren lijk ruwe pijlers waarop de blauwe hemelschedel rustte. "Zijde bang van donder?" vroeg Pallieter. "Ikke? Och neeë, ik hoor het geren!" "Sessa, dan gon w'is kerremis vierre! Lot ze mor kome!" en hij wreef, met 'n rijken glimlach, in zijn handen. Een schaduw liep ginder over de vinnige helderheid van het veld, en lei op een omzien de wereld in den halven donkeren. Ze vaarden verder, en terwijl begonnen de hooge wolken in de lucht dooreen te wroeten, en die witte trotsche kolommen zakten ineen, werden verkneed en uitgetrokken en weer bijeengemengd tot loodgrijze lappen, die het blauw van den hemel sloten, en 't was lijk een groot grijs tentzeil dat over de wereld stond gespannen. Er kwam een felle rukwind die het zand der wegen achtereen in hooge wolken deed voortloopen. De boomen klaterden en huilden; lijk witte papieren waaiden de duiven op de donkere lucht, en een klad kraaien liet zich lijk een hoop zwarte vodden naar den toren zwieren. Maar ineens viel de wind, en er kwam een plotselinge stilte die het hart deed ophouden met slaan. En ginder over de Nethe, in de mauve-donkerte, vlamde een roode slingerslang langsheen den horizon, en dof rommelde achter de wolken een aarzelende donder de wereld rond. Uit de verre hoevekens kwam licht pinken van gewijde keersen. Langs drie kanten, hooger in de lucht nu, vlamde de weerlicht, donderbommen kraakten los, en grolden en dommelden dat de aarde erbij schudde en beefde. "'t Is er oep, 't is er oep!" galmden Pallieter en Marieke. Daar vielen de eerste, groote lauwe druppels op hun dunne kleeding. Ze pletsten koel op hun doorwarmd vleesch, en 't gaf een diepzinkende deugd. En ginder over de verre hoeven schemerde het landschap weg achter een stuivende regenvlaag, die haastig kwam afgezakt, en meteen kletterend op het water kletste. Het zeek water en op 'nen sibot waren ze mestnat. De regen stortte met kuipen overal op het land, de smoor stond er een meter van boven den grond; de bliksems flikkerden, haakten ineen, slingerden door malkaar en de donder kraakte en ratelde, dat er hooren en zien bij verging. Een boerin liep met de rokken over haren kop, over de velden, naar een mutsaard. Maar Pallieter en Marieke lachten van genot; het water vloeide zoo maar over hun gezicht, dat ze blonken lijk een spiegel. Ze vaarden verder en kwamen aan de weide, waarin de peerden en de koeien van den mulder onrustig te loeien en te stampen stonden. Pallieter kreeg ineens een stralende gedacht. "Aan land, aan land!" riep hij. "Woroem?... Wat is 't?" vroeg Marieke. "Te peerd of te koei, hop!" "O, da's goed, da's goed!" juichte ze, en beiden sprongen aan kant. Pallieter zette Marieken op een groote gele merrie. "Houd oe vast bij de mane?" riep hij, en hij sprong op het eerste beste paard, kletste met de vlakke hand op het achterste van het ongeruste dier, dat ineens lijk een pijl uit den boog vooruitschoot, gevolgd door al de koeien en paarden, twintig in getal. En die massa galoppeerde vooruit in den kletterden regen, als een stuk levende aarde. Marieke hield zich vast aan de weelderige manen der steigerende merrie, en lachte heldere gillen uit. Pallieter zat los op zijn paard, zwierde met zijn armen, en huilde uit zijn sterke keel het schetterende horenlied van Walkuren van Wagner. Het klonk lijk een trompet. En het donderde, weerlichtte en regende alsof het laatste oordeel gekomen was. En daardoor draafde de hinnekende en loeiende blok peerden en koeien blindelings vooruit, als eene macht die alles ging verwoesten en de grond dreunde, bonkte en kreunde onder het zwaar gewicht, en de klotten aarde vlogen over de hoofden der schokkende lijven. Marieke heur natte haren waren losgeschud en vlogen van 't geweld als een waaier uiteen. Pallieter wist zijn rijdier te doen zwenken, en sneller slingerde zich die massale klomp vleesch vooruit als een geweld tegen het geweld des hemels in. Maar boven het geloei, gehinnik, gedonder en gestamp, schetterde geestdriftig de "ta, ta, ta, ta!" van Pallieter overheerschend los. 't Was geweldig! En als het vlugge onweer minderde, hield Pallieter in, en de logge massa bleef staan, dampend en blinkend in den verschen helderen zonneschijn, die tusschen de uitgegoten wolken, gulden over de aarde bunselde. En een schoongekleurde vaste regenboog spande triomfantelijk over heel de wereld. Pallieter, nog op zijn paard gezeten en nat tot op het vel, zag naar Marieke, die lekkend van den regen, met losse haren, ademhijgend en stralend van geluk en levensgenot, van op hare reusachtige merrie naar hem glimlachte. Hij zag door de natte, witte mousselinen kleeren die klaar op haar rozig lichaam plakten, hare fijne vormen afgeteekend, de lijnen van de heupen en den bil, en hare jonge, nog rechtstaande borsten. Hij zag haar daar zoo gelukkig en zoo grootsch en wit tegen den donkeren grooten hemel staan, met achter haar het blinkende, lichtgroene zonlandschap met boomen, huizen en molens, en boven haar hoofd den machtigen, breeden regenboog. Ei! wat was dat schooner dan schoon! En toen werd zijn hart geroerd; hij dreef zijn paard tot haar, nam haar plotseling in zijn armen, en riep: "Gij wordt mijn vrouw, mijn honingzoete vrouw!" En Marieke sloeg, met een langgedragen zucht, haar natte armen rond zijn forsche