The Project Gutenberg EBook of Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer, by Hendrik Hamel This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer En van het wedervaren der schipbreukelingen op het eiland Quelpaert en het vasteland van Korea (1653-1666) met eene beschrijving van dat rijk Author: Hendrik Hamel Release Date: March 5, 2004 [EBook #11467] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERHALL VAN HET VERGAAN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team VERHAAL VAN HET VERGAAN VAN HET JACHT DE SPERWER EN VAN HET WEDERVAREN DER SCHIPBREUKELINGEN OP HET EILAND QUELPAERT EN HET VASTELAND VAN KOREA (1653-1666) MET EENE BESCHRIJVING VAN DAT RIJK DOOR HENDRIK HAMEL UITGEGEVEN DOOR B. HOETINK 'S-GRAVENHAGE 1920 INHOUD. VOORBERICHT Gebruikte afkortingen INLEIDING JOURNAAL BIJLAGEN: I. Berichten over de gevluchte schipbreukelingen II. Berichten over de in vrijheid gestelde schipbreukelingen III. Gegevens betreffende schepen: A. Het jacht de Sperwer B. Het jacht Ouwerkerk C. Het quelpaert de Brack D. Het schip de Hond IV. Aanteeckeninge ofte memorie vande gelegentheijt van Corea V. Personalia: A. Nicolaas Verburg B. Cornelis Caesar C. Iquan D. Martinus Martini VI. Berichten over de komeet Ao 1664-65 BIBLIOGRAPHIE GERAADPLEEGDE LITERATUUR BLADWIJZER PLATEN: Facsimile van de eerste bladzijde van het HS Facsimile van een gedeelte van het HS Kaart van de tochten van Hamel VOORBERICHT. Talrijk zullen de Nederlanders niet zijn die weten dat een opvarende van een schip van de Oost-Indische Compagnie de eerste Europeaan is geweest die uitvoerige berichten heeft gegeven over Korea. Het door Hendrik Hamel van Gorkum, boekhouder van het jacht de Sperwer, opgestelde relaas van hetgeen hij en zijne kameraden, na schipbreuk te hebben geleden op een eiland van Korea, gedurende hun verblijf van 1653-1666 in dat land hebben ondervonden en waargenomen, heeft bij landgenoot en vreemdeling een gunstig onthaal gevonden en bleef ruim twee eeuwen lang het eenige werkje waarin eene op eigen aanschouwing en ondervinding gegronde beschrijving voorkwam van dit geheimzinnige rijk en zijne bewoners. Toen Korea in 1876 voor vreemdelingen toegankelijk was geworden, kregen nieuwe bezoekers den indruk dat Hamel een betrouwbaar verteller was geweest en eenvoudigweg had neergeschreven wat hij en zijne lotgenooten hadden medegemaakt en opgemerkt. Voor de Linschoten-Vereeniging bestond alzoo reden om door het uitgeven van Hamel's "Journaal" de aandacht op het werk van dezen landgenoot te vestigen. De verzorging van een nieuwen druk droeg zij daarom op aan een harer bestuursleden, die evenwel kwam te overlijden eer hij tot de uitvoering van die taak was overgegaan. Nu wilde het toeval, dat ik mij had bezig gehouden met nasporingen aangaande de aanrakingen van de Oost-Indische Compagnie met Korea, zoodat het mij weldra mogelijk was eene bewerking van Hamel's Journaal, waarbij gebruik is gemaakt van gegevens welke diens verhaal aanvullen en bevestigen, ter beschikking van de Linschoten-Vereeniging te stellen. Waarom de voorkeur is gegeven aan een tot nog toe onbekenden tekst, zal uit de "Inleiding" duidelijk worden; de overneming van de blijkbaar oorspronkelijke houtsneden uit eene in 1668 verschenen uitgaaf van het Journaal zal, naar het voorkomt, instemming vinden. Bij den lezer dezer bewerking zal misschien de bedenking opkomen, dat de lijst te breed is uitgevallen voor de schilderij door Hamel nagelaten, dat te veel aandacht is gewijd aan bijzonderheden welke niets leeren aangaande de lotgevallen van hem en zijne kameraden, noch omtrent Korea. Wie echter toegeeft dat die bijzonderheden op zich zelf wetenswaard mogen worden genoemd--gelijk mij toescheen--zal er vrede mede kunnen hebben dat daaraan in noten en bijlagen eene plaats is gegeven op grond van de uitspraak: "Men mag in werken als die van de Linschoten-Vereeniging wel een weinig buiten de orde treden." Behalve zij, wier mededeelingen uitdrukkelijk zijn vermeld, hebben drie leden van het Bestuur der Linschoten-Vereeniging aanspraak op mijne erkentelijkheid: de Heer S.P. l'Honoré Naber gaf blijk van zijne belangstelling door zijne zaakrijke voorlichting; Dr. C.P. Burger Jr. had de welwillendheid de samenstelling van de "Bibliographie" voor zijne rekening te nemen en de Secretaris, de Heer W. Nijhoff, heeft de verschijning van dit werkje met zorgzame hand geleid. Gaarne zeg ik mede dank aan den Heer W.C. Muller, Adjunct-Secretaris van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië, wiens kunde en hulpvaardigheid mij van groot nut zijn geweest. Moge deze uitgaaf van Hamel's "Journaal" er toe leiden dat het aandeel van Nederlanders in de "ontdekking" van Korea, opnieuw bekend wordt en belangstelling vindt. Den Haag, 1920. B.H. GEBRUIKTE AFKORTINGEN. Dagr. Bat. Dagh-Register gehouden int Casteel Batavia vant passerende daer ter plaetse als over geheel Nederlandts India. Dagr. Jap. Dagregister gehouden door het Opperhoofd van de Compagnie in Japan, eerst te Firando en later te Nagasaki. Res. Resolutie van Gouverneur Generaal en Raden van Indië. Gen. Miss. Generale Missive, d.i. brief van de Indische Regeering aan Heeren XVII. Patr. Miss. Patriasche Missive, d.i. brief van Heeren XVII aan de Indische Regeering. INLEIDING. Van de schepen welke in de 17e eeuw hebben behoord tot de navale macht der Oost-Indische Compagnie, is geen ander zoo bekend geworden en gebleven als het jacht "de Sperwer". Vaartuigen der Compagnie bleken zoo vaak niet bestand tegen de stormen welke in de gevaarlijke wateren van Oost-Azië voorkwamen, dat het buiten den kring van belanghebbenden nauwelijks zal zijn opgemerkt toen dit jacht in 1653, op zijne reis van Formosa naar Japan, de haven van bestemming niet bereikte. Het waren de avontuurlijke lotgevallen van eenige geredde opvarenden, gedurende een verblijf van dertien jaren in onbekende streken, welke op hunne tijdgenooten indruk hebben gemaakt en het verhaal van hun wedervaren mag ook thans nog op belangstelling aanspraak maken, omdat daarin de eerste uitvoerige en betrouwbare inlichtingen van ooggetuigen worden gegeven aangaande een land dat toen ter tijde, en nog lang daarna, ontoegankelijk was voor vreemdelingen en zich verre hield van handelsbetrekkingen met Westerlingen. Wat twee eeuwen lang in Europa is bekend geweest omtrent het geheimzinnige rijk Korea, was te danken aan een schipbreukeling van het jacht "de Sperwer". In het voorjaar van 1653 moest de Indische Regeering overgaan tot de benoeming van een Gouverneur van onze vestiging op het eiland Formosa [1], ter vervanging van den in 1649 opgetreden Nicolaas Verburg [2], die zijn ontslag had gevraagd en op wiens aanblijven blijkbaar ook geen prijs werd gesteld [3]. Er was reden om voor het Bestuur van dit "costelijck pant", van dit Gouvernement "van overgroote importantie", een Compagnie's dienaar uit te kiezen van "bijzondere wijsheijt, discretie ende cloeckheijt" [4]. Op 7 September van het jaar te voren (1652) hadden Chineesche kolonisten het vlek Provintien [5] afgeloopen en acht der onzen vermoord, waarop militairen en inboorlingen waren uitgezonden die, onder het neerleggen van eenige duizenden Chineezen, in twaalf dagen, de rust herstelden [6]. Naar het oordeel van de Bataviasche Regeering was het verzet der Chineezen eene waarschuwing dat te hunnen opzichte minder vrijgevigheid moest worden betracht dan tot nog toe het geval was geweest en dat zij dienden besnoeid te worden in de vrijheden waaraan zij in hun eigen land niet gewoon waren [7]. Geschillen tusschen "Compagnie's principale ministers in kercke ende politie" [8] hadden aanleiding gegeven tot verdeeldheid en het ontstaan van partijschappen. Door overplaatsingen hieraan een einde te maken, liet de dienst der Compagnie niet toe en om te verhoeden dat de slechte verstandhouding tusschen bestuurders en predikanten de belangen der Compagnie zou schaden, kwam het noodig voor het gezag te leggen in handen van iemand van "meer dan gewone authoriteijt". Van verschillende kanten was de Regeering gewaarschuwd tegen "de sone van den grooten mandarijn Equan" [9], d.i. Koksinga, die van plan zou wezen om als hij den strijd op en om het vaste land van Zuid-China tegen de opdringende Tartaarsche overheerschers zou moeten opgeven, zich meester te maken van onze nederzetting op het eiland Formosa en zich daar met zijn aanhang te vestigen [10]. Na weinige jaren heeft de uitkomst bewezen dat de vrees voor aanslagen van die zijde niet ongegrond is geweest, dat de donkere wolk welke in 1652 Compagnie's bezit op Formosa boven het hoofd hing, niet was voorbij gedreven. In 1662 toch slaagde Koksinga er in aan ons gezag over dat eiland voorgoed een einde te maken. Met eenparige stemmen werd in de vergadering der Bataviasche Regeering van 21 Maart 1653 voor den gewichtigen post op Formosa gekozen de Ordinaris Raad van Indië Carel Hartsingh, "die de Taijouanse gewesten vóór desen lange jaren bijgewoont" had [11]. Deze nam de benoeming aan en maakte zich reisvaardig, maar toen Gouverneur Generaal Carel Reniersz den 18en Mei 1653 kwam te overlijden, gaf Hartsingh er de voorkeur aan te Batavia te blijven en den nieuwen Gouverneur Generaal Maetsuijker als Directeur Generaal op te volgen [12]. Alsnu werd besloten "tot het Taijouanse Gouvernement te qualificeeren en te gebruijcken" den Extra Ordinaris Raad van Indië Cornelis Caesar [13] wien werd "opgedragen met de laetste besendinge daerna toe als Gouverneur sich... te vervoegen" [14]. Den 16en Juni 1653 richtte de nieuwe Gouverneur Generaal Maetsuijker een "vrolijck scheijdmael" [15] aan ter eere van den op vertrekken staanden Gouverneur Caesar, die den 18en Juni, vergezeld van zijne familie, van de reede van Batavia onder zeil ging [16]. Voor zijn transport was aangewezen het jacht "de Sperwer" [17]. Aanvankelijk was dit vaartuig bestemd om deel uit te maken van "de eerste besendinge" naar Taijoan; het was echter aangehouden om daarop eenig krijgsvolk te laten overgaan dat uit het vaderland werd verwacht. Toen dit uitbleef en "het moeson al hoog begon te verloopen", werd besloten om in de behoefte aan soldaten voor Formosa op andere wijze te voorzien en aan "de Sperwer" "zijn affscheijt te geven" [18]. Voor het overbrengen van een hoogen Compagnie's dienaar is "de Sperwer" misschien bij uitstek geschikt geweest; ook de Ed. Heer Joan Cunaeus "Raad Ordinaris van India en expres Ambassadeur aan den Grootmogenden Coninck van Persia" had, twee jaren te voren, aan boord van dit jacht de reis ondernomen [19]. Dat het wat laat in zee stak, heeft het op zijne reis naar Formosa niet geschaad; zonder tegenspoed te hebben ondervonden kwam het den 16en Juli 1653 te Taijoan aan [20], zoodat het fortuinlijker was dan het fluitschip "de Smient", dat kort te voren (27 Mei) als behoorende tot de eerste bezending, van Batavia rechtstreeks naar Taijoan was uitgezeild en waarvan nooit meer is gehoord [21]. Lang heeft "de Sperwer" niet te Taijoan gelegen; na zijne lading te hebben gelost en een nieuwe voor Japan te hebben ingenomen, lichtte schipper Reijnier Egberts den 29en Juli 1653 het anker voor de reis naar Nagasaki [22]. Toen het jacht daar niet kwam opdagen en geen enkel bericht of gerucht over zijn wedervaren werd vernomen, lag de veronderstelling voor de hand dat het met man en muis was vergaan in den storm die kort na zijn vertrek was opgestoken, zoodat de Compagnie het verlies van dit hechte schip met zijne lading had te boeken en het "costelijck volck", sterk 64 koppen, was omgekomen. Aan Heeren XVII gaf deze ramp aanleiding de Indische Regeering op het hart te drukken om "wel te letten op de moussons en de schepen niet te laet derwaerts aff te senden, alsoo ons daer uijt groote onheijlen voortcomen," [23] maar het belang van den handel, "de Bruijdt daer omme gedanst werd" [24], zal niet altijd hebben toegelaten zich aan dit voorschrift te houden en de zeelui uit dien tijd, die aan zoo veelvuldige gevaren gewend waren, zullen zich evenmin angstvallig hebben afgevraagd of het voor het uitvaren wel de gunstige tijd was. Al noemden zij het verlies van "de Sperwer" een zware slag voor de Compagnie, de machthebbers te Batavia en in het vaderland konden daarin zonder veel beklags berusten; ondanks de tegenvallers [25], bleven de winsten welke de handel op Japan afwierp, in de zeventiende eeuw zoo aanzienlijk dat de deelhebbers in de Compagnie volop reden hadden dankbaar gestemd te wezen [26]. De dienaren der Compagnie die hare belangen in Japan behartigden [27], zullen van het vergaan van het jacht "de Sperwer" tenauwernood kennis hebben gedragen en aan die scheepsramp stellig niet hebben gedacht toen de kleine Nederlandsche gemeente te Nagasaki [28] in het begin van September 1666 in opschudding werd gebracht door het gerucht dat eenige vreemd uitgedoste Europeanen met een eigenaardig vaartuig op een van de Goto eilanden [29] waren aangekomen. Hoe zullen zij zich hebben verbaasd en verblijd toen weinige dagen later (14 September 1666) dit gerucht werd bevestigd en een achttal schipbreukelingen van "de Sperwer" in hun kwartier werden gebracht. In het eentonige leven der op het eilandje Decima [30] als het ware opgesloten Nederlanders [31] zal elke afwisseling welkom zijn geweest en de verhalen welke deze acht als uit de lucht gevallen landgenooten konden opdisschen, waren bij uitstek geschikt om de verbeelding te treffen en het luisteren tot een genot te maken. Immers wisten zij te vertellen van een Oostersch land waarin, voor zooveel bekend was, tot nog toe geen enkele Europeaan was doorgedrongen en met welks bevolking zij daarentegen dertien jaren lang in nagenoeg volle vrijheid hadden verkeerd; het verhaal van het leven dat zij en hunne kameraden daar hadden geleid, eerst op het eiland waar zij aan wal waren gesmeten en daarna op het vasteland van Korea, zal door hunne toehoorders met spanning zijn gevolgd en aan dezen menige vraag in den mond hebben gegeven welke eveneens opkomt bij het lezen van het te boek gestelde verslag, maar het antwoord waarop ons blijft onthouden; het relaas van hunne wederwaardigheden, van hunne avontuurlijke vlucht en vooral van hunne ontmoeting met een landgenoot, Jan Janse Weltevree, die ruim een kwart eeuw vóór hen in Korea was gestrand, zal een diepen indruk hebben gemaakt. Eveneens zullen de schipbreukelingen gretig hebben aangehoord wat hunne landgenooten te Decima konden vertellen van hetgeen in het vaderland en in Indië was voorgevallen sedert "de Sperwer" van Batavia was uitgezeild. De uitvoerige aanteekening in het te Nagasaki gehouden Dagregister [32] en het ambtelijke bericht aan de Regeering te Batavia [33] getuigen ervan dat het lot der vluchtelingen het medelijden heeft gewekt zoowel van hunne landgenooten als van de Japansche overheid, zoodat mag worden aangenomen dat het verblijf op Decima hun zoo aangenaam mogelijk zal zijn gemaakt. Toch kan dit eiland in hun oog niet anders zijn geweest dan de eerste en welkome pleisterplaats op den terugweg naar Batavia en het vaderland; met klimmend ongeduld zullen zij hebben gewacht op het aanstaande vertrek van het schip aan boord waarvan zij de reis naar Batavia hoopten te ondernemen. Zij hadden echter gerekend buiten de Japansche "precisiteyt" [34]. Eer zij op het Nederlandsche Comptoir te Nagasaki waren gebracht, was hun een verhoor afgenomen [35] dat aan de rijksregeering te Jedo werd gezonden ter verkrijging van de toestemming om Japan te verlaten [36]; het gevolg van dezen ambtelijken omslag was dat zij nog een vol jaar tot de bewoners van Decima bleven behooren. In plaats van den 23en October 1666 met de "Espérance" naar Batavia te zeilen, konden de teleurgestelde zwervers dezen bodem met bedroefde oogen nastaren; de vereischte vergunning was uitgebleven [37] en hoewel de vertegenwoordiger der Compagnie mondeling en schriftelijk daar om bleef aanhouden [38], kwam eerst den 22en October van het volgende jaar (1667) de licentie af welke aan hunne tweede gevangenschap een einde maakte en hun gelegenheid gaf denzelfden dag zich in te schepen op de zeilree liggende "Spreeuw" [39], waarmede zij den 28en November 1667 ten langen leste te Batavia aankwamen [40]. Het is zoo goed als zeker dat zeven hunner--de boekhouder Hendrik Hamel bleef voorloopig in Indië [41]--de reis naar het vaderland ook met "de Spreeuw" hebben voortgezet. Naar het heet [42], zijn zij den 20sten Juli 1668 hier te lande teruggekomen. Nu is, volgens het bericht van Heeren XVII aan de Bataviasche Regeering alleen het schip "Amerongen"--dat 24 December 1667, alzoo een week vroeger dan "de Spreeuw", van Batavia was uitgezeild--op 20 Juli 1668 "ons wel en behouden toegecomen" [43], maar in de toevallig bewaard gebleven monsterrol voor deze reis van "Amerongen" [44], komen de zeven schipbreukelingen van "de Sperwer" niet voor onder de 73 gegageerden noch onder de "ongegageerde coppen". Daarentegen wordt elders vermeld dat "de Spreeuw" den 20sten Juli 1668 "in dese landen arriveerde" [45], hetwelk--naar Heeren XVII schreven--den 15en dier maand zou hebben plaats gehad. Deze tegenstrijdigheid kan worden verklaard door aan te nemen dat "de Spreeuw" den 15en Juli in Texel of in het Vlie ten anker is gegaan en den 20en d.a.v. in de haven van bestemming--Amsterdam--zal zijn aangekomen. De vrijgevigheid van de Compagnie zou men te hoog aanslaan door te veronderstellen dat de gewezen schipbreukelingen ditmaal den overtocht zullen hebben gedaan als passagiers; van Japan tot Amsterdam zullen zij deel hebben uitgemaakt van de bemanning en scheepsdienst hebben verricht, waarvoor zij trouwens ook gage hebben genoten. Het beroep op het medelijden van de Bataviasche Regeering, te hunnen behoeve gedaan door het Opperhoofd in Japan, Willem Volger, bij diens komst te Batavia in het laatst van 1666 [46], zal vruchteloos zijn gebleven. Wanneer toch een Compagnie's schip verloren ging, hield de gage der bemanning van dat oogenblik op en nam eerst opnieuw koers zoodra zij weder dienst deed. Zoo was nu eenmaal de vastgestelde regel [47], op grond waarvan Hendrik Hamel en zijne zeven makkers ook nul op het rekest kregen toen zij bij hunne verschijning in den Raad van Indië op 2 December 1667 het verzoek deden tot uitbetaling van gage voor den duur van hun verblijf in Korea. Hun werd alleen gage toegekend, gerekend van den dag waarop zij in de loge te Nagasaki waren aangebracht; voor een paar hunner werd de vroeger genoten gage met luttele guldens verhoogd voor de thuisreis, maar verder ging de goedgeefschheid der Bataviasche Regeering niet [48]. In het vaderland aangeland, slaagden zij er evenmin in van Heeren XVII betaling te erlangen van hun gage, waarop zij opnieuw aanspraak maakten voor den vollen duur van hun verblijf in Korea; alleen "uit commiseratie" werd eene "gratuiteyt" ten bedrage van f 1530 onder hen verdeeld [49]. De schipbreukelingen die uit Korea wisten te ontvluchten, lieten daar acht kameraden van "de Sperwer" achter, voor wier verlossing onze Opperhoofden te Nagasaki, Wilhelm Volger en na hem Daniel Six, de hulp inriepen van de Japansche Regeering [50]. De betrekkingen welke Japan met Korea onderhield door tusschenkomst van den Daimio van het Japansche eiland Tsusima [51], maakten zulk een "pieus officie" [52] mogelijk; ook heeft de Japansche Regeering misschien van de verschijning van een Koreaansch gezantschap aan het hof te Jedo gebruik kunnen maken om op de vrijlating der Nederlandsche gevangenen aan te dringen--in elk geval hebben de achtergebleven schipbreukelingen aan de bemoeiingen van de Japansche Regeering te danken gehad dat zij door de Koreanen zijn in vrijheid gesteld [53] en door den Daimio van Tsusima zijn voortgeholpen op hun tocht naar Nagasaki, waar zij, zeven in getal, na eene moeilijke zeereis, den 16en September 1668 bij de onzen te recht kwamen [54]. Van den achtsten, den kok Jan Claesz. van Dort, wordt in de ambtelijke stukken gezegd dat hij sedert de ontvluchting van zijne makkers twee jaren te voren, was komen te overlijden. Daarentegen verhaalt Nicolaas Witsen--die het kon weten--dat hij er de voorkeur aan heeft gegeven in het land der vreemdelingschap te blijven: "Hij was aldaer getrouwt en gaf voor geen hair aen zyn lyf meer te hebben dat na een Christen of Nederlander geleek" [55]. De nawerking van de vertoogen der Japansche Regeering schijnt een paar jaren later nog krachtig genoeg te zijn geweest om te voorkomen dat het jacht Pouleron, toen het zich door storm gedwongen zag aan het Quelpaerts-eiland te ankeren, daar werd lastig gevallen en dat de Chineesche bemanning van eene verongelukte jonk van Batavia, werd aangehouden [56]. Na, evenals hunne voorgangers, door de Japansche autoriteiten te Nagasaki te zijn ondervraagd over Korea en den handel van Japanners in dat rijk [57], kregen deze zeven bevrijde Nederlanders vergunning om Japan te verlaten. Ter versterking van de bemanning, werden zij door ons Opperhoofd geplaatst aan boord van de "Nieuwpoort" [58], die den 27en October 1668 van Nagasaki onder zeil ging om over Coromandel naar Batavia te varen. "Door toeval" ging het plan niet door om hen bij Poeloe Timon te laten overgaan op de "Buijenskerke", die te gelijker tijd van Nagasaki rechtstreeks naar Batavia vertrok; dientengevolge zullen zij eerst den 8en April 1669 te Batavia zijn aangekomen [59], terwijl de "Buijenskerke" hen daar al den 30en November 1668 zou hebben gebracht [60]. Wanneer en met welken bodem de tweede groep van geredde schipbreukelingen de reis naar het vaderland heeft ondernomen, is niet vermeld gevonden. Vermoedelijk heeft de te Batavia achtergebleven boekhouder zich daar bij hen aangesloten; in Augustus 1670 toch verschenen twee hunner, benevens Hendrik Hamel, voor Heeren XVII om, gelijk de in 1668 teruggekeerde kameraden, betaling te verzoeken van hun gage gedurende hunne gevangenschap in Korea verdiend of van zooveel als Heeren Meesters hun in redelijkheid wenschten toe te leggen. De uitkomst was dat zij er genoegen mede moesten nemen op gelijken voet te worden behandeld als ten aanzien van hunne lotgenooten in 1669 was vastgesteld: met een geschenk in geld werden zij afgescheept [61]. Hunne verlossing uit de gevangenschap heeft begrijpelijkerwijs minder opzien gebaard dan die hunner voorgangers; zij is zelfs zoo in het vergeetboek geraakt dat de schrijver van een standaardwerk over Korea, waarin een geheel hoofdstuk wordt gewijd aan de Hollandsche bannelingen, heeft gemeend dat omtrent hun lot nooit iets bekend is geworden [62]. Hier en daar in Korea zijn inboorlingen aangetroffen met blond haar en blauwe oogen, welke voor afstammelingen van onze schipbreukelingen zouden kunnen doorgaan, als vaststond dat niet ook andere blanke zeevaarders daar zijn aangeland, die eveneens met de vrouwen des lands omgang hebben gehad [63]. Voor de Koreanen ligt de herkomst dezer blondharige landgenooten in het duister; het verblijf van Hamel en zijne makkers heeft geen indruk achtergelaten [64], het tegenwoordige geslacht hoorde er uit den mond van Westerlingen voor het eerst van [65]. Vele jaren na hunne terugkomst hier te lande worden--zooals wij hierna zullen zien--twee van de geredde opvarenden van "de Sperwer" nog genoemd door een geleerd Bewindhebber der Compagnie, aan wien zij mondelinge inlichtingen hebben verstrekt; behoudens ééne uitzondering, hebben de overigen geen bekend spoor nagelaten. Eén hunner heeft daarentegen zoo groote vermaardheid verworven dat zijn naam in binnen- en buitenland is bekend geworden. Zijn gedwongen verblijf op het eiland Decima, heeft namelijk de boekhouder van "de Sperwer", Hendrik Hamel van Gorkum, zich ten nutte gemaakt door van het wedervaren van hem en zijne lotgenooten een relaas op te stellen en daarin op te nemen hetgeen hem omtrent land en volk van Korea was bijgebleven. Was aan Hamel en zijne zeven kameraden op 2 December 1667 te Batavia de onderscheiding te beurt gevallen "in Rade" te mogen verschijnen [66], in het Bataviasche Dagregister staat onder den 11en dier maand nog aangeteekend dat Hendrik Hamel toen zijn Journaal "aan Haer Ede overgelevert" heeft [67]. Op dien datum heeft de Raad van Indië niet vergaderd, maar Hamel kan andermaal op het Kasteel zijn ontboden omdat de Gouverneur Generaal uit zijn mond bijzonderheden wilde hooren over zijn verblijf in Korea of omdat de Directeur Generaal wenschte te vernemen hoe hij dacht over de kansen voor den handel met dit rijk. Hamel's Journaal dat, volgens de aangehaalde aanteekening in het Dagregister, was "leggende onder de papieren desen jaere van Japan [met "de Spreeuw"] ontvangen", was toen ter Generale Secretarije beschikbaar en kon van daar worden opgevraagd om hem gelegenheid te geven het aan "Haer Edele", d.i. aan Gouverneur Generaal en Raden, aan te bieden. Ook is het niet onwaarschijnlijk dat de aanbieding heeft plaats gehad in de hiervoor vermelde vergadering der Regeering op 2 December en dat de Dagregisterhouder, de Eerste Klerk ter Generale Secretarije Camphuijs, dit eerst den IIen dier maand heeft aangeteekend, zooals meer voorkwam [68]. Een tweede exemplaar van dit Journaal is blijkbaar in het bezit geweest van zijne lotgenooten die vóór hem, den 20en Juli 1668, in het vaderland aankwamen, en door hen kort daarna aan Heeren XVII ter inzage gegeven [69], waarna de tekst in handen zal zijn gekomen van uitgevers. Dat dezen de gretigheid waarmede Hamel's relaas zou worden ontvangen, niet hebben overschat, blijkt uit de verschijning hier te lande van zes verschillende uitgaven, waarvan ten minste drie al in het jaar 1668. Bovendien zijn in het buitenland weldra ook vertalingen als afzonderlijke werkjes in het licht gegeven of later opgenomen in verzamelingen van reisverhalen [70], en voor hen die sedert over Korea hebben geschreven, bleven Hamel's berichten aangaande dit rijk, zijne bewoners en zijne instellingen, eene welkome bron, lang zelfs de eenige van zuiver westersche herkomst. De eerste schrijver die daaruit heeft geput was Montanus, van wiens hand in 1669 een foliant verscheen over de gezantschappen der Compagnie "aen de Kaisaren van Japan" [71]. In het laatste gedeelte van zijn werk, heeft hij de gelegenheid waargenomen om aan het vergaan van "de Sperwer" en de lotgevallen van de schipbreukelingen eenige bladzijden te wijden [72]; waar hij zijne berichten vandaan heeft, verzwijgt hij evenwel en al noemt hij Hamel--dat deze een Journaal heeft opgesteld, heeft Montanus niet noodig gevonden te vermelden, hoewel blijkbaar dit Journaal, in den een of anderen vorm, door hem is gebruikt. Ook de Bewindhebber der Compagnie Nicolaas Witsen heeft niet versmaad in zijn werk "Noord en Oost Tartarye" partij te trekken van hetgeen over Korea door Hamel's Journaal bekend of bevestigd was geworden. In den eersten druk--die in 1692 is gereedgekomen maar niet in den handel is gebracht [73]--beroept hij zich een enkele maal op "de Hollanders die op Korea gevangen zijn geweest" en toont hij van hun schipbreuk en gevangenschap op Quelpaerts-eiland en het vasteland, op de hoogte te zijn; zelfs geeft hij een paar bijzonderheden ten beste welke nergens elders worden aangetroffen en doen vermoeden dat hij met geredde schipbreukelingen in aanraking is geweest. Evenwel spreekt hij niet over hen, noemt hen zelfs niet en rept evenmin van een Journaal. In den tweeden en vermeerderden druk van zijn werk, in 1705 verschenen [74], zijn Witsen's berichten over Korea veel uitvoeriger geworden. Ook nu heeft hij zich niet bepaald tot hetgeen hij heeft kunnen overnemen uit de "Reisbeschrijvinge der Nederlanders die in Korea gevangen gezeten hadden"--zooals Hamel's Journaal wordt omschreven op de eenige plaats waar er in zijn boek melding van wordt gemaakt [75]--maar thans haalt hij ettelijke malen uitdrukkelijk als zijne zegslieden aan twee van de schipbreukelingen, den onderbarbier Mattheus Eibokken en den scheepsjongen Benedictus Klerk van Rotterdam, die hem mondelinge inlichtingen hebben verstrekt. Vooral Meester Eibokken's mededeelingen heeft Witsen terecht als aanwinsten beschouwd. Dat Witsen het Journaal van Hamel--wiens naam hij nergens noemt--heeft gekend en geraadpleegd, blijkt overtuigend uit hetgeen over Korea in zijn werk voorkomt en bovendien uit eene vergissing welke hij begaat. In den eersten druk van "Noord en Oost Tartarye" verduidelijkt hij de ligging van het door de Chineezen Fungma genoemde eiland met de marginale aanteekening: "Nu Moese of Quelperts eiland", terwijl hij op een andere plaats spreekt van: "Quelpaerts-eiland, Moese by d' inwoonders genoemt." Ook in den tweeden druk herhaalt hij dat de inlanders zelf dit eiland Moese noemen [76]. Vergelijkt men hu hiermede de plaats in Hamel's Journaal: "'s middags gecomen in een stadt gent Moggan [77], sijnde de residentieplaats van den Gouverneur van 't eijland bij haar Mocxo genaemt [78]"--waarvan uitgevers hebben gemaakt: "bij haer genaemt Moese" [79]--dan is het duidelijk dat Witsen's bron is geweest een gedrukt Journaal van Hamel en dat hij het Koreaansche woord voor den gouverneurstitel [80] heeft gelezen alsof het eiland zelf daarmede was aangeduid. De gegevens hem door Hamel en zijne zegslieden bezorgd, heeft Witsen op eigenaardige wijze verwerkt en dooreen gemengd, waardoor wonderlijke samenvoegingen zijn ontstaan als deze: "De dorpen zijn daer te lande ontelbaer, iemant by het haer te vatten is daer zeer oneerlijk en veracht" [81]. Minder kan het bevreemden dat de uitgevers van Hamel's Journaal diens tekst niet getrouw hebben gevolgd. Zij zullen rekening hebben gehouden met den smaak van het publiek waarvoor hunne boekjes bestemd waren en daarom die wijzigingen hebben aangebracht welke hun doelmatig voorkwamen. Zoo heeft de een [82] den tekst gesplitst in twee op zich zelf staande stukken: het verhaal van hetgeen den schipbreukelingen is wedervaren en de beschrijving van Korea; een ander [83] heeft die beschrijving zelfs geheel weggelaten; misschien omdat hij daarbij een paar in zijn bezit zijnde plaatjes te pas kon brengen, heeft een derde [84] eene uitweiding ingelascht over olifanten en krokodillen die in Korea niet voorkwamen, voor welke inlassching hij in zijne uitgave zonder plaatjes eene elders gegeven beschrijving van gastmalen aan het Mataramsche hof in de plaats stelde [85]. Bovendien verschillen de gedrukte teksten zoowel onderling als van den onzen, soms op--naar onze opvatting--niet onbelangrijke plaatsen. Van Hamel's gedrukte Journaal verscheen in 1670 al eene Fransche vertaling, twee jaren later gevolgd door een Duitsche, waarna het nog eenige tientallen jaren heeft geduurd eer de Fransche vertaling op haar beurt in het Engelsch is overgezet; in die vertalingen en bewerkingen vindt men natuurlijk de onnauwkeurigheden terug welke aan de vaderlandsche uitgevers van Hamel's tekst te wijten zijn, waaraan de overzetters bovendien sommige vergissingen of onjuistheden van eigen vinding hebben toegevoegd. Buitenlandsche schrijvers die zulk een vertaling moesten gebruiken, droegen er toe bij de door anderen begane fouten te verbreiden [86], soms ook te vermeerderen [87], zoodat tot nog toe aan Hamel's arbeid geen recht is gedaan, zijn Journaal niet is bekend gemaakt zòò als hij het heeft samengesteld. Die leemte aan te vullen kwam wenschelijk voor. In het Landsarchief te Weltevreden is een exemplaar van Hamel's Journaal misschien nooit opgenomen, in elk geval thans niet aanwezig [88]; waar het "verbaal" is gebleven dat Heeren XVII in 1668 in handen hebben gehad, valt niet te zeggen en uit de nog bestaande dagregisters en brieven uit dien tijd, afkomstig van Compagnie's Comptoir te Nagasaki, blijkt zelfs niet dat het bestaan van dit Journaal aldaar is bekend geweest. Misschien heeft Hamel zelf ook een exemplaar daarvan medegebracht bij zijne terugkomst hier te lande; om te kunnen nagaan of dit ergens verscholen ligt, zouden gegevens ten dienste moeten staan aangaande zijn leven sedert zijn terugkeer in het vaderland in 1670 en een onderzoek daarnaar is vruchteloos gebleven. Gelukkig is in de afdeeling Koloniaal Archief van het Algemeen Rijksarchief te 's Gravenhage het exemplaar van Hamel's Journaal bewaard gebleven dat de Indische Regeering heeft gezonden aan de Kamer Amsterdam. Het maakt deel uit van de papieren bijeengebracht in het "Tweede deel van de ingecomen brieven tot Batavia uijt de respective quartieren van Indien, overgecomen pr de schepen 't Wapen van Hoorn, Alphen, Hollants Tuijn, Vrijheijdt, Cattenburgh, Amerongen, Wassende Maan, Loosduijnen en Vlaardingen, den 18 Mei, 13, 20, 23 en 25 Julij respective in Tessel en 't Vlie gearrivt. Vierde Boek Ao 1668", en wordt in het eveneens in dat deel voorkomende "Register der ontfangene brieven etc. sedert 6 December deses jaers 1667 tot 23en desselven maende voor de Camer Amsterdam", vermeld als volgt: "Japan. Dagregister gehouden bij de gesalveerde personen van 't verongelukt Jagt de Sperwer van 't gepasseerde en hun wedervaren in 't rijck van Coree, sedert den 18en Augustij 1653 tot den 14 September 1666." Dat uit dit archiefstuk niet blijkt door wien het Journaal is samengesteld en aangeboden, behoeft niet te verwonderen. Zelfs verzoekschriften werden eertijds vaak ongeteekend ingediend [89] en soortgelijke relazen als Hamel's Journaal worden herhaaldelijk zonder handteekening noch dagteekening onder de Compagnie's papieren aangetroffen. Van zich zelf spreekt Hamel in zijn Journaal als van "den bouck houder" en nergens laat hij uitkomen dat hij er de samensteller van is; door die onpersoonlijke redactie verviel ook de aanleiding om het te onderteekenen. Het is waar dat zijn auteurschap nu ook niet onomstootelijk vaststaat, maar al is het aannemelijk, zelfs waarschijnlijk, dat hij de herinneringen van zijne kameraden zal hebben te hulp geroepen, alleen hij zal--naar het voorkomt--de ontwikkeling hebben bezeten, welke voor de samenstelling van het Journaal werd vereischt, dat, voor zooveel wij weten, ook nooit aan een ander is toegeschreven. Zelfs als het bewaard gebleven archiefstuk slechts een afschrift is, dat de Regeering te Batavia voor de Kamer Amsterdam heeft doen vervaardigen, staan herkomst en bestemming ons borg dat wij in die copie een alleszins betrouwbaren tekst bezitten. Is echter het aangetroffen document zulk een afschrift of daarentegen het exemplaar van zijn Journaal dat Hamel, volgens de aanteekening in het Bataviasche Dagregister van 11 December 1667, toen aan de Indische Regeering heeft aangeboden? Wij zijn geneigd het voor het laatste te houden. Gehoor gevende aan den aandrang van Compagnie's Opperhoofd te Nagasaki, zal Hamel den tijd van zijn verblijf aldaar hebben besteed aan het opstellen van een uitgebreid relaas (waarop al wordt gezinspeeld in de missive uit Nagasaki aan de Indische Regeering van 18 October 1666) [90] en op zijn minst twee exemplaren daarvan hebben laten afschrijven door een klerk van de loge aldaar. In de overtuiging dat vóór het vertrek van Compagnie's schepen in het jaar 1667 de vergunning zou afkomen op grond waarvan de schipbreukelingen van "de Sperwer" Japan zouden mogen verlaten, zal Hamel den tekst van zijn Journaal volledig hebben afgemaakt en op het laatste oogenblik door denzelfden klerk den datum "van de comste van den nieuwen gouverneur" en dien waarop het anker zou worden gelicht, hebben laten invullen (zoodat alleen de datum van aankomst te Batavia nog openbleef) waarna hij het aan de Regeering te Batavia toegedachte exemplaar zal hebben ter hand gesteld aan het Opperhoofd, om het te voegen bij de overige voor die Regeering bestemde papieren. Van dit Opperhoofd zal de opdracht aan den Gouverneur Generaal en de Raden van Indië afkomstig wezen, welke met eene andere hand is geschreven dan de tekst [91]. Neemt men aan dat hetgeen onder 1667 in ons Journaal wordt gemeld, door Hamel daaraan zal zijn toegevoegd gedurende zijne reis van Japan naar Indië, dan verklaart men daarmede ons archiefstuk, dat--behoudens de zooeven genoemde opdracht--van het begin tot het einde met dezelfde hand is geschreven, een eigenhandig stuk van Hamel te wezen, hetgeen echter onwaarschijnlijk voorkomt met het oog op de daarin aangebrachte verbeteringen van sommige verschrijvingen waaraan de auteur zelf zich niet zal hebben schuldig gemaakt. Houdt men het er voor dat het door Hamel te Batavia aangeboden exemplaar, aldaar zal zijn verbleven en later verloren is gegaan, maar dat wij thans in handen hebben een ter Generale Secretarije vervaardigd afschrift voor de Kamer Amsterdam--waardoor de gelijkheid van het schrift van den tekst van begin tot slot, afdoende wordt verklaard--dan rijst de vraag waarom de datum van aankomst te Batavia oningevuld is gebleven en waarom de opdracht aan Gouverneur en Raden van een andere hand is dan de tekst van het afschrift. Dat Hamel zelf--waarschijnlijk reeds te Nagasaki--ons archiefstuk heeft nagezien, staat bovendien voor ons vast. Als de tijd verloopen sedert de beide lotgenooten van Jan Janse Weltevree om het leven waren gekomen, is namelijk eerst geschreven: "19 à 20 jaren" hetgeen is veranderd in "17 à 18 jaren", gelijk duidelijk zichtbaar is [92]. Deze nieuwe lezing--welke eveneens wordt aangetroffen in de gedrukte Journalen welke wij in handen hebben gehad--moet door Hamel zelf of op zijne aanwijzing zijn aangebracht in de verschillende exemplaren welke van zijn Journaal waren gemaakt; aan eene verschrijving van een copiïst valt hier niet te denken. Eveneens komt het weinig waarschijnlijk voor dat Hamel in de gelegenheid zal zijn geweest om een te Batavia gemaakt afschrift van zijn Journaal na te gaan en zoowel daarin als in de oorspronkelijke exemplaren (alzoo ook in het kort na hunne aankomst door zijne kameraden naar het vaderland medegenomen Journaal) de verbeterde lezing zal hebben opgenomen. Waarom zou hij hebben nagelaten dan tevens den datum zijner aankomst te Batavia in te vullen? Trouwens, ook bij dezen loop van zaken zou ons archiefstuk, dank zij Hamel's medewerking, de waarde van een oorspronkelijk document hebben gekregen. Wij houden het er voor dat de Bataviasche Regeering het uit Japan ontvangen stuk zelf, aan de Kamer Amsterdam zal hebben overgezonden en vermeenen daarom te mogen zeggen dat thans hierachter voor het eerst Hamel's Journaal is afgedrukt gelijk hij het heeft opgesteld en ingediend. Intusschen kan in onzen tekst hier en daar een woord zijn uitgevallen dat is blijven staan in het exemplaar door Hamel's makkers medegenomen naar het vaderland en daar uitgegeven; ook zullen in de vroegere uitgaven sommige verschrijvingen reeds zijn verbeterd en enkele uitdrukkingen zijn verduidelijkt; daarentegen komt in geen enkel ons bekend gedrukt Journaal het verbaal voor van het verhoor, door den Japanschen Gouverneur aan Hamel en de zijnen afgenomen bij hunne aankomst te Nagasaki. Ofschoon Hamel's Journaal herhaaldelijk is uitgegeven en vertaald, is het--volgens Tiele--nooit recht populair geworden omdat er te weinig over gruweldaden in voorkwam [93]. Naar den smaak van Hamel's tijdgenooten kan diens verhaal te sober zijn geweest en misschien zou het bij hen grooteren opgang hebben gemaakt als hij op de Koreanen had afgegeven, hen als bloeddorstige wilden had afgeschilderd en zijn Journaal had opgesmukt door verhalen te verzinnen welke beurtelings weerzin en deernis, afgrijzen en medelijden bij den lezer hadden gewekt. Wat ons in Hamel's Journaal bekoort, is daarentegen juist zijne rondborstige erkenning van de goede behandeling welke aan hem en zijne kameraden over het geheel genomen is ten deel gevallen van een oostersch en heidensch volk; de eenvoud waarmede hij heeft weergegeven wat zij gedurende hunne ballingschap hebben ondervonden en opgemerkt; de stempel van oprechtheid welke zijn relaas kenmerkt. Nergens betrapt men hem op eene tastbaar opzettelijke onjuistheid en als een enkele maal kan worden aangetoond dat hij een feit anders heeft voorgesteld dan het zich heeft toegedragen, blijkt bij onderzoek dat hem alleen slordigheid kan worden ten laste gelegd. Zoo laat hij in het verhaal van de ontmoeting met den lang te voren in Korea gestranden landgenoot Jan Janse Weltevree, dezen zeggen dat hij "ao 1627 met het jacht Ouwerkerck naer Japan gaende door contrarie wind op de Cust van Corea vervallen" [94] was, terwijl vaststaat dat dit schip toen niet in die streken is geweest [95]. Uit hetgeen te Nagasaki is aangeteekend in het daar gehouden dagregister [96], blijkt evenwel dat de schipbreukelingen van "de Sperwer" bij hunne verschijning aldaar de toedracht van Weltevree's komst in Korea volkomen juist hebben verteld, zoodat mag worden aangenomen dat Hamel zich enkel aan een onnauwkeurigheid heeft schuldig gemaakt bij de beantwoording van de vragen der Japansche autoriteiten en toen hij later Weltevree's avontuur te boek heeft gesteld. De juistheid van Tiele's opmerking dat Hamel's arbeid niet wetenschappelijk is [97], kan grifweg worden toegegeven. Kon anders worden verwacht van een jongmensch dat op twintigjarigen leeftijd naar Indië ging, daar een paar jaar in dienst der Compagnie werkzaam was en vervolgens dertien jaren lang had geleefd in eene oostersche omgeving, in volslagen geestelijke afzondering, buiten aanraking met ontwikkelde landgenooten of andere Westerlingen? Het is trouwens nog de vraag of wij er bij zouden hebben gewonnen als Hamel in plaats van een scheepsboekhouder een geleerde was geweest. Was de kans niet groot dat hij zich dan niet zou hebben beperkt tot het geven van een onopgesmukt verhaal zijner lotgevallen en van eene eenvoudige beschrijving van land en volk maar eene zoogenaamd wetenschappelijke verhandeling zou hebben geleverd? Van den wetenschappelijken zin van vaderlandsche geleerden die in dien tijd over oostersche landen schreven, krijgt men echter geen hoogen dunk als men heeft kennis gemaakt met de werken van Montanus en Witsen en in de gelegenheid is geweest de toen in zwang zijnde naschrijverij op te merken. Hamel was ten minste oorspronkelijk, wars van ophef en oprecht [98], hetgeen ons vrede doet hebben met zijn stijl; heeft hij onjuistheden neergeschreven dan is dit te goeder trouw geschied. Wij kunnen wenschen dat hij ons omtrent het leven van de schipbreukelingen in Korea meer bijzonderheden had gegeven maar kunnen hem niet euvel duiden dat hij voor zich heeft gehouden wat hem en zijne makkers als een vergrijp zou zijn aangerekend of tenminste ongunstig zou zijn opgenomen. Zoo verzwijgt hij dat de schipbreukelingen--van wie sommigen misschien al in het vaderland waren getrouwd--hebben verkeerd met de dochteren des lands en in Korea vrouwen en kinderen hebben achtergelaten [99], hetgeen mede verklaart waarom het eerste zevental bij hun terugkeer in het vaderland zich dadelijk bereid hebben getoond om deel te nemen aan een tocht welke het aanknoopen van handelsbetrekkingen met Korea tot doel zoude hebben [100]. Ook is niet duidelijk hoe zij gedurende hun ballingschap in hun onderhoud hebben voorzien. De indruk wordt gevestigd, dat zij voortdurend ten prooi zijn geweest aan bittere armoede; hoe kwamen zij dan echter aan het geld dat hen in staat stelde eerst om zich huizen en kleeren aan te schaffen en later om tegen hoogen prijs het vaartuig te koopen waarmede Hamel en de zijnen wisten te ontvluchten. "Dit volk ... zeide van het offervlees meest geleeft, en geen quade dagen gehad te hebben" [101] verklaart Witsen, maar deze--waarschijnlijk van Meester Eibokken afkomstige--inlichting is even weinig bevredigend als hetgeen uit Hamel's verhaal valt op te maken. Zou Hamel bij het schrijven van zijn Journaal gebruik hebben gemaakt van aanteekeningen? Na de stranding van "de Sperwer" konden de schipbreukelingen niet alleen eenige levensmiddelen redden, maar zoowel een paar kijkers als enkele boeken bleven behouden; deze boeken, waartoe het scheepsjournaal zal hebben behoord, zijn aan Hamel teruggegeven; wellicht heeft hij daarin aanteekeningen gemaakt en heeft hij die op zijne vlucht naar Nagasaki kunnen medenemen. Zooals een welwillend beoordeelaar van zijn Journaal vermeent, heeft Hamel gedurende zijn veeljarig verblijf in Korea wel is waar tijd te over gehad om gegevens te verzamelen en op te teekenen voor eene veel uitvoeriger beschrijving van land en volk dan hij ons heeft gegeven, maar zal de lust daartoe hem hebben ontbroken nu hij moest vreezen nooit gelegenheid te zullen krijgen om wat hij had opgemerkt en ondervonden aan anderen mede te deelen [102]. Het is evenzeer mogelijk dat het denkbeeld om een verhaal op te stellen van de lotgevallen van de schipbreukelingen van "de Sperwer", eerst bij Hamel is opgekomen toen hij werkeloos te Nagasaki moest wachten op zijne verlossing en dat hij zich bij dien arbeid uitsluitend heeft moeten verlaten op zijn geheugen en de herinneringen van zijne kameraden. Hoe dit zij, in Hamel's tijd is al erkend dat zijne mededeelingen aangaande Korea niet in strijd waren met hetgeen toen daarover bekend was uit de geschriften van anderen [103]; de juistheid van zijne geografische gegevens is later gebleken [104] en onze indruk van zijne betrouwbaarheid is versterkt doordat wij die berichten in zijn Journaal, welke voor contrôle vatbaar waren, elders bevestigd hebben gevonden; wij zijn daarom geneigd hem voor de overige op zijn woord te gelooven. Hetgeen hij vertelt omtrent "den ommeganck van die natie ende gelegentheijt van 't land", behoeven wij evenwel niet voetstoots aan te nemen. Het aanzien waarin China stond en zijn politieke invloed in de vazalstaten Korea, Siam, Annam, Lioe Kioe eilanden, Birma en Nepal, hebben te weeg gebracht dat zijne hoogere beschaving naar die landen is afgestraald, zijne instellingen in die rijken tot voorbeeld zijn genomen en zijne volksgebruiken daar de oorspronkelijke vaak hebben verdrongen of gewijzigd [105]. Die inwerking van het Chineesche rijk op aangrenzende landen had al eeuwen geduurd toen Hamel zich in Korea ophield en het kan alzoo niet verwonderen dat in zijne beschrijving de overeenkomst in zeden en instellingen in China en Korea duidelijk valt waar te nemen. In deze overeenkomst bezitten wij een maatstaf voor de beoordeeling van Hamel's betrouwbaarheid en nauwkeurigheid, daar voor de kennis van de toestanden in China in vroeger tijd talrijke gegevens ten dienste staan. De afzondering waarin Korea heeft volhard na Hamel's vlucht, heeft voorkomen dat aan den eerbied voor het bestaande, aan den conservatieven aard van zijne bevolking geweld is aangedaan en in haar maatschappelijk leven belangrijke wijzigingen zijn gebracht. Eerst tegen het laatst der vorige eeuw is Korea gedwongen zijne poorten voor vreemdelingen te ontsluiten (1876), waardoor het mogelijk werd om hetgeen op dat oogenblik aldaar werd aangetroffen, te vergelijken met wat Hamel heeft opgeteekend. Die toets is glansrijk voor Hamel uitgevallen; zijne beschrijving bleek geenszins verouderd maar paste nog volkomen op de toestanden van twee eeuwen later--een afdoend bewijs van Korea's conservatisme en tevens een prachtig getuigenis voor Hamel's geloofwaardigheid [106]. Hamel's Journaal was de eerste degelijke bron voor de kennis van land en volk van Korea [107] en men mocht verwachten dat zij die in lateren tijd een studie hebben gemaakt van dezelfde onderwerpen, zijne beschrijving zullen hebben geraadpleegd. Het komt daarom vreemd voor dat twee schrijvers van naam in hunne over Korea handelende werken [108] hem zelfs niet noemen en één hunner aan de zooveel later in Korea gekomen [109] katholieke zendelingen de verdienste toeschrijft van de eerste Europeanen te zijn geweest die tijdens hun verblijf aldaar zich vertrouwd hebben gemaakt met de instellingen en gebruiken daar te lande [110]. De aanrakingen met zijne buren: Chineezen, Tartaren en Japanners, zijn voor Korea's zelfstandigheid noodlottig geweest en hebben tot uitkomst gehad dat China zijn suzerein werd, aan wien het schatting had op te brengen (Ao 1369) [111] en dat de Japanners zich nestelden in de havenplaats Poesan--door Westerlingen, in navolging van de Japanners, Foesan genoemd--aan de Oostkust van Korea (Ao 1592) [112]. In 1619 kwam Korea als vazal van China in strijd met de Tartaren of Manchoe's en deed toen de ondervinding op dat deze indringers in en latere veroveraars van China, ook zijne meerderen waren in den oorlog [113], met het gevolg dat de Koning in 1627 genoopt werd een verdrag met deze vijanden aan te gaan. Toen dit van zijn kant niet werd nageleefd, deden de Manchoe's in 1637 een zegevierenden inval in zijn land--waarbij Weltevree's beide kameraden het leven lieten--en dwongen den Koning om vrede te vragen, die hem werd toegestaan op voorwaarden welker zachtheid de Koreanen hebben erkend door de oprichting van een gedenkzuil [114], en waardoor de Manchoe heerscher in de plaats trad van den Keizer van China als suzerein van Korea [115]. Gehoor gevende aan de eischen van den Sjogoen [116], zond Korea geregeld gezantschappen naar Japan, waarvan wij al in 1617 melding vinden gemaakt [117] en waarover Compagnie's vertegenwoordigers aldaar herhaaldelijk hebben bericht [118], maar welke aan Hamel en de zijnen onbekend schijnen te zijn gebleven, hoewel die huldebetuigingen in hun tijd nog niet waren afgeschaft [119]. Zij hebben wel geweten dat de Japanners te Foesan een loge hadden, van eenige--trouwens hun verboden--aanraking met die vreemdelingen wordt evenwel in Hamel's Journaal niet gesproken; blijkbaar hebben de Koreanen die zoo afdoende weten te verhinderen, dat de schipbreukelingen zelfs geen bericht aan hunne landgenooten te Nagasaki hebben kunnen doen toekomen. Hetgeen de Koreanen van hunne naburen hadden ondervonden, verklaart hun streven om zich zooveel mogelijk te onthouden van elk verkeer met vreemdelingen. De gevolgen welke de toelating van Westerlingen voor hun land kon medebrengen, zal hun bovendien duidelijk voor oogen hebben gestaan na hetgeen in Japan had plaats gehad, waar de verschijning van Portugeezen en hunne pogingen om de bevolking tot het Christendom te bekeeren, aanleiding hadden gegeven tot ernstige troebelen. Vreemdelingen die Korea binnenslopen en wier vermomming werd ontdekt of verraden, werden gemarteld en gedood; schipbreukelingen daarentegen werden met zachtheid behandeld doch in het land gehouden. Aan vele katholieke zendelingen heeft hun geloofsijver het leven gekost en wat er op stond als eene poging van schipbreukelingen om het land te ontvluchten, mislukte, hebben eenigen van de bemanning van "de Sperwer" aan den lijve gevoeld. De buitenlandsche handel van Korea bleef beperkt tot de ruiling van waren met China langs een grenspost in het noorden en met de Japanners in hunne loge te Foesan, waar eene bezetting lag van den Daïmio van het eiland Tsushima, aan wien de voordeelen van dit handelsmonopolie ten goede kwamen [120]. Te vergeefs hebben zoowel Hollanders als Engelschen beproefd dien handel aan zich te trekken, ten minste een aandeel daarin te krijgen. Lang vóór andere Europeanen, hebben de Portugeezen met hunne galjotten en navetten de wateren van het Verre Oosten bevaren en met de bewoners van de daar gelegen landen handelsbetrekkingen onderhouden. Sedert de eerste helft der 16e eeuw bezochten zij Japan (1542) [121] waar zij van het naburige rijk Korea zullen hebben gehoord; de van Portugeesche zeevaarders en zendelingen afkomstige inlichtingen welke Linschoten in zijn Reisgeschrift (1595) heeft medegedeeld [122], zullen de eerste berichten zijn geweest welke kooplieden en reeders in ons vaderland omtrent het bestaan van het rijk Korea hebben vernomen. Toen ingevolge het besluit van "de Breede Raden op 't schip den Rooden Leeuw met pijlen vergadert, leggende in de haven van Firando" [123] (20 September 1609) Jacques Specx aldaar als Hoofd en Opper-coopman was opgetreden [124], ging deze er weldra toe over (Maart 1610) om een zijner assistenten met eene lading peper voor Korea naar het eiland Tsushima te zenden. Nu was destijds peper daar misschien geen gewild artikel [125], en zou tin eerder aftrek hebben gevonden [126], doch ook als Specx in staat was geweest dit metaal te koop aan te bieden, zouden "de strenge wetten des lants" en het eigenbelang van den Daïmio van Tsushima den begeerden handel wel hebben belet. Ook het beroep van Prins Maurits in zijn brief van 18 December 1610 [127] gedaan op "den groot-magtigsten Keizer en Koning van Japan" ter verkrijging van den handel op Korea door diens faveur en hulp, moest om die redenen vruchteloos blijven; onze "small entrance into Corea", waarvan sprake is in een Engelsch bericht van eenige jaren later [128], zal onbeduidend zijn geweest en is niet van eenige beteekenis geworden. Onze Engelsche mededingers waren trouwens niet fortuinlijker [129]. Voor de Oost-Indische Compagnie moet het moeilijk te verduren zijn geweest dat het monopolie van den handel met een land als Korea in andere handen was dan de hare en zij bleef er op bedacht hierin verandering te brengen. Het "ontdecken van Corea" [130] moest aanvankelijk echter achterwege blijven door gebrek aan daarvoor geschikte schepen en zal later zijn opgegeven op grond van de kennis welke was opgedaan omtrent de gezindheid der bevolking, waarover misschien meer tot ons zou zijn doorgedrongen als de journalen waren bewaard gebleven van de schepen welke in de zeventiende eeuw tusschen Formosa en Japan in de vaart zijn geweest. De vijandige houding en het krachtige optreden der kustwacht toen het schip "de Hond" in 1622 in de wateren van Korea verzeild geraakte [131], moet afschrikkend hebben gewerkt en de bemanning van de fluit "de Patientie" werd daar in 1648 niet vriendelijker bejegend [132]. De Compagnie zal er van hebben afgezien hare schepen aan zulke ontmoetingen bloot te stellen voor het najagen van zeer twijfelachtige voordeelen; het antwoord van haar Opperhoofd te Firando op de hem in 1637 gedane vraag [133] omtrent de kansen van een tocht naar Korea, luidde zoo weinig bemoedigend dat bij de Bataviasche Regeering niet de lust kon opkomen zulk een avontuur te wagen. Wat dit Opperhoofd toen over "de gelegentheijt van Corea" schreef [134], had hij blijkbaar vernomen van Japanners en in Japan verblijvende Koreanen; zijn bericht is--voor zooveel ons bekend is--het oudste dat over dit land in Compagnie's papieren wordt aangetroffen en daarom zeker de aandacht waard [135]. De in 1639 aan Commandeur Quast gegeven opdracht om ook "het land Corea t' ontdecken" [136] heeft evenmin tot iets geleid. Bij de terugkomst in het vaderland van het eerste zevental schipbreukelingen van "de Sperwer", gaven deze zulk een gunstige voorstelling van de vooruitzichten van een rechtstreekschen handel met Korea, dat Heeren XVII hebben gemeend de aandacht van de Regeering te Batavia hierop te moeten vestigen [137]. Op den Gouverneur Generaal en de Raden van Indië hadden daarentegen de inlichtingen van diezelfde schipbreukelingen, een jaar te voren te Batavia gegeven, een gansch anderen indruk gemaakt, zoodat zij allerminst een hooge verwachting konden hebben van de winsten die zouden te behalen zijn met eene onderneming als de voorgestelde, welke ook aan de heerschers in China en aan de Japanners onwelkom zou wezen en daarom zou kunnen blijken voor de Compagnie een gevaarlijk waagstuk te wezen [138]. Zouden de schipbreukelingen in het vaderland den invloed hebben ondervonden van "the call of the East"; zou de herinnering van het leed en het ongemak dat hun deel was geweest in het heidensche land, al zijn uitgewischt geweest of het verlangen naar hunne in Korea achtergelaten vrouwen en kinderen zoo luid hebben gesproken dat zij over de vooruitzichten van een tocht naar Korea--waaraan zij zich bereid verklaarden deel te nemen [139]--te gunstig hebben geoordeeld? [140] Eene teleurstelling is hun en de Compagnie bespaard gebleven; op grond van het advies harer vertegenwoordigers in Japan, heeft de Bataviasche Regeering den avontuurlij ken tocht ontraden en Heeren XVII hebben zich bij haar opvatting neergelegd [141]; voor goed schijnt van den handel op Korea te zijn afgezien [142]. Het jacht Corea, dat in 1669 voor de Kamer Zeeland werd gebouwd [143], is misschien bestemd geweest om, als het plan was doorgegaan, het geredde zevental vrijwillig terug te brengen naar het land van waar zij kort geleden met groot gevaar waren ontvlucht. Het eiland op welks rotsige kust het jacht "de Sperwer" te pletter sloeg, was bij de Chineezen in de 7e eeuw bekend onder den naam Tan Lo [144], sedert het begin der Ming dynastie (1368-1644) onder dien van Chi-Chou of Tsee-Tsioe en volgens Europeesche kaarten uit de 17e eeuw, destijds onder dien van Fungma. De oudste Westersche zeevaarders in die streken, de Portugeezen, hebben van zijne bevolking blijkbaar een slechten indruk gekregen en het daarom "Ilha de Ladrones" genoemd [145], in plaats waarvan, sedert Hamel's Journaal bekend is geworden, de naam Quelpaerts-eiland in zwang is gekomen [146]. Waarom en wanneer heeft het dien naam gekregen? Met de schipbreuk van "de Sperwer" heeft die naamgeving niets uit te staan gehad. Dat Hamel en de zijnen het eiland zoo zouden hebben gedoopt [147], is eene gevolgtrekking welker onjuistheid in het oog springt als men vindt dat al in 1648, vijf jaren vóór het vergaan van "de Sperwer", van "'t Eijland 't Quelpaert" melding wordt gemaakt [148]. "Galjodt is te voren ook genaemt een quelpaerd". Zoo luidt eene aanteekening in een "Register op de resoluties van de Kamer Amsterdam zeedert 1603 tot 1743" [149], waarbij tevens twee resoluties dier Kamer worden aangehaald, uit welke blijkt dat in de eerste helft der 17e eeuw in Nederland een type van Compagnie's schepen in de vaart was dat "quelpaert" werd genoemd [150]. Dit waren adviesvaartuigen, van een klein charter, bekwaam om zee te bouwen, vlugge zeilers en geschikt voor de vaart in ondiepe wateren. De veronderstelling ligt voor de hand dat het Quelpaerts-eiland zijn naam aan zulk een schip zal hebben ontleend. Inderdaad heeft meer dan één Compagnie's "quelpaert" vóór 1648 de wateren van Oost-Azië bevaren. Bij hun schrijven van 8 December 1639 gaven Heeren XVII bericht aan de Regeering te Batavia dat zij bij wijze van proef "het quel de Brack" [151] hadden afgezonden en wenschten te vernemen of "soodanige quel" de Compagnie op eenige vaarwaters dienstig zou zijn. Den 17en Januari 1640 uitgeloopen, kwam dit schip, dat nevens de groote schepen welke het vergezelde, zee had gebouwd, den 30en Juli d.a.v. behouden te Batavia aan. Het oordeel van de Indische Regeering over dit nieuwe scheepstype luidde gunstig; voor den dienst in Taijoan werd "het quelpaert" zelfs zoo geschikt geacht dat de toezending werd verzocht van nog twee of drie vaartuigen van dit slag. Al dadelijk valt op dat Heeren XVII spreken van het "Quel de Brack" en de Indische Regeering van "'t Galjot 't Quelpeert"; elders vinden wij dezen zelfden bodem ook genoemd: "t' Quelpaert", "t' Quel", "'t Galiot den Brack" en zelfs "t' Galiot t' Quelpaert de Brack", welke verschillende benaming verklaarbaar wordt door de omstandigheid dat "soodanige Quel" van ongeveer gelijk type was als de in Indië beter bekende galjotten en "de Brack" het eerste schip was van zijne soort dat daar werd gezien en daarom aanvankelijk als het Quelpaert of Quel zal zijn aangeduid. Eerst toen meer bodems van deze soort in Indië verschenen, was er aanleiding om te onderscheiden en den eigenlijken naam van het schip uitdrukkelijk te vermelden ("'t quel de Brack", "'t quel de Hasewindt", "'t quel de Visscher"). Toen "de Brack" op de reede van Batavia ankerde, was de belegering van Malaka in vollen gang, zoodat een adviesvaartuig goed te pas kwam. In plaats van naar Taijoan, werd "het Quelpaert" dadelijk na aankomst naar Malaka gezonden [152], waarheen het in den loop van 1640 nog twee reizen heeft gedaan. Eerst den 15en Mei 1641 zette het koers naar Formosa, waar het den 21en Juni d.a.v. aankwam. Was het mogelijk geweest "het Quelpaert" de bestemming te laten volgen welke de Bataviasche Regeering daarvoor had aangewezen, dan had het weldra een reis naar Japan gemaakt. Behalve door de gedwongen verplaatsing van hare factorij van Firando naar Nagasaki--welke alleen uit een handelsoogpunt beschouwd, nauwelijks nadeelig was te noemen [153]--ondervond de Compagnie door verschillende plagerijen dat op de komst van hare schepen met kostbare ladingen, in Japan niet langer zooveel prijs werd gesteld als zij gewend was. Hare winsten liepen ernstig gevaar en het scheen dat de Japansche machthebbers zelfs in den zin hadden de Compagnie er toe te brengen uit eigen beweging haren handel op hun land te staken. In de hoop verbetering in den staat van de negotie te verkrijgen door de vertooning van een indertijd aan Jacques Specx verleenden pas [154]--die ter Generale Secretarije te Batavia onder de Compagnie's papieren was teruggevonden--besloot de Bataviasche Regeering dit document naar Taijoan en van daar met "het Quelpaert" naar Japan te laten overbrengen. Toen evenwel de opperkoopman Laurens Pith 5 September 1641 met dit staatsstuk te Taijoan aankwam, had "het Quelpaert" kort te voren zijn gaffel gebroken, wat de reden zal zijn geweest dat het fluitschip "de Saijer" in zijn plaats werd aangewezen om den oppercoopman Cornelis Caesar over te voeren, aan wien de bezorging van den pas werd opgedragen. Eerst in het volgende jaar (1642) kwam "het Quelpaert" aan de beurt om van Taijoan naar Japan te worden gezonden. Ook het doel van deze reis was, de Japansche Regenten gunstig voor de Compagnie te stemmen. Hoewel de Compagnie na hare verhuizing van de Pescadores naar Taijoan (1624) [155] zich feitelijk de souvereiniteit over het geheele eiland Formosa had toegekend, oefende zij tot nog toe slechts gezag uit over het zuidelijke deel daarvan, in de streek waar zij zich had gevestigd en de naaste omgeving. Ook had zij niet kunnen beletten dat de Spanjaarden zich in 1626 op Noord-Formosa hadden genesteld ter bescherming van hunnen handel van Manila met China, Macao en Japan [156], en zoolang de daar opgerichte Spaansche versterking Kelang [157] in handen van den erfvijand bleef, kon de Compagnie haar doel, den alleenhandel met China, niet hopen te bereiken [158]. Van Japansche zijde was herhaaldelijk er op aangedrongen dat de Compagnie de Spanjaarden uit Formosa zou verdrijven [159]. In hun eigen land hadden de Japansche Regenten de aanhangers van het roomsche geloof te vuur en te zwaard vervolgd en uitgeroeid; om de kans af te snijden dat van Noord-Formosa priesters en geloovigen van de gehate sekte Japan zouden binnensluipen, zal het hun wenschelijk zijn voorgekomen dat aan de aanwezigheid van Spanjaarden op dit eiland een einde kwam. Werden dezen verjaagd door de Hollanders, die toch ook Christenen en daarom verdacht waren, zoo kreeg de achterdochtige Japansche Regeering hierdoor tevens een geruststellend blijk dat van den kant der Compagnie de overbrenging van roomsche zendelingen niet zou worden vergemakkelijkt. De sterkste prikkel om de Spanjaarden van Formosa te verjagen en te weren, zal evenwel voor de Compagnie vermoedelijk zijn geweest de aanwezigheid van goudmijnen in het noordelijke deel van dat eiland [160]. Door die te bemachtigen, mocht zij verwachten eene vergoeding te vinden voor het gevreesde verbod van den uitvoer van zilver uit Japan [161] en voor de hooge uitgaven welke het bestuur op Formosa vereischte [162]. Dat zij niet van zins was rekening te houden met rechten van inboorlingen op die mijnen, sprak voor de Regeering te Batavia van zelf [163]. Toen tot de uitvoering van "het desseijn op 't noordeijnde van Formosa" was overgegaan [164] en den 7en September 1642 de aangename tijding dat de onzen zich den 26en Augustus van de sterkte Kelang hadden meester gemaakt, te Taijoan werd aangebracht, werd besloten dit heuglijk feit zoo spoedig mogelijk aan de Japansche Regeering te berichten [165]. Als adviesvaartuig, was het "Quel de Bracq" bijzonder geschikt voor die taak en daar het "wel beseijlt ende rustich gemandt" was kon het--al was het wat laat in het jaar--in den betrekkelijk korten tijd van eene maand Japan bereiken. Den 11en September van Taijoan onder zeil gegaan, liep het 12 October de baai van Nagasaki binnen, en den 29en dier maand van daar vertrokken, kwam het 7 November behouden te Taijoan terug. De berichten aangaande deze reis van het "Quelpaert de Brack" zijn betrekkelijk overvloedig doch nergens wordt gezegd dat op weg naar of van Japan iets buitengewoons is voorgevallen, dat een onbekend eiland is aangedaan of gezien, of dat in de buurt daarvan eene vijandige ontmoeting heeft plaats gehad. Trouwens, ook uitsluitend in het Japansche Dagregister staat vermeld wat in 1648 aan "de Patientie" op de Kust van Korea is overkomen [166] en het Opperhoofd Jan van Elseracq, die in 1642 dit Dagregister aanhield, kan het niet de moeite waard hebben geacht daarin iets op te nemen wat niet rechtstreeks betrekking had op de negotie of op de verhouding van de Compagnie tot Japan, zoodat alleen werd aangeteekend dat "het Quelpaert", misschien om zijn ranken bouw of geringe afmetingen, de bijzondere belangstelling van den Gouverneur van Nagasaki had gaande gemaakt [167]. Intusschen is het mogelijk dat "het Quelpaert" op de terugreis van Japan naar Taijoan--toen het slecht weer heeft getroffen--uit den gewonen koers is geraakt en een in de zeilorders tot nog toe niet genoemd eiland is gepeild of gepasseerd. De schipper zal daarvan dan in zijn journaal aanteekening hebben gehouden, waardoor zijne ondervinding ter kennis zal zijn gekomen van de autoriteiten te Taijoan en Batavia, die in het vervolg de aandacht van naar Japan varende schippers op het eiland door "het Quelpaert" vermeld, zullen hebben gevestigd, [168] waardoor gaandeweg de naam "Quelpaerts-eiland" bij onze zeevaarders bekend zal zijn geraakt [169]; de oudste gedrukte en uitgegeven kaart waarop het Quelpaerts-eiland onder dien naam is vermeld gevonden, is die van Joan Blaeu van 1687 [170]. Is die naam werkelijk door Hollanders gegeven--gelijk algemeen wordt aangenomen--dan kan uit de ons bekende gegevens alleen worden afgeleid dat die naamgeving moet samenhangen met de reis van "het Quelpaert de Bracq" naar Japan in 1642. Noch daarvóór noch daarna is dit "quelpaert" in de wateren van Korea geweest en evenmin was dit het geval met de beide andere vaartuigen van deze soort, "de Hasewind" en "de Visscher". Voor zooveel uit de bewaard gebleven berichten kan worden nagegaan, zijn deze beide "quelpaerden", wanneer die na 1642 en vóór 1648 te Taijoan in station waren, alleen uitgezonden met smaldeelen welke in zuidelijker wateren, in de buurt van Manila, kruisten op Chineesche jonken en Spaansche zilverschepen maar nooit gebruikt noch verdreven naar plaatsen ten noorden van Formosa. Op de vraag hoe het Quelpaerts-eiland aan zijn naam is gekomen moeten wij het antwoord schuldig blijven; wij schijnen hier te doen te hebben met een van die raadselen waarvan de oplossing misschien te eeniger tijd door het toeval aan de hand zal worden gedaan, doch waarnaar wij te vergeefs zullen zoeken in de bescheiden uit dien tijd welke rechtstreeks daarvoor in aanmerking komen [171]. De vraag is bij ons opgekomen of de soortnaam "quelpaert" wellicht, evenals "galjot", van Portugeesche afkomst is en of misschien een ongeval aan een dergelijk Portugeesch vaartuig op zijn tocht van Macao naar Japan overkomen, voor Portugeesche zeevarenden de aanleiding is geweest om het Koreaansche Ilha de Ladrones--onder welken naam ook andere Oostersche eilanden bekend stonden--voortaan nauwkeuriger aan te duiden als: "het Quelpaerts-eiland". Zou ook het woord "quelpaard" misschien van Portugeeschen oorsprong zijn? Evenals "luipaard" is ontstaan uit "leo" en "pardus", zou "quelpaard" kunnen zijn gevormd naar "quelpardus", eene samenstelling van "pardus" en "quelly" of "quel", eene op de Kust van Guinee voorkomende soort van luipaard. [172] Een onderzoek in die richting moeten wij overlaten aan hen die kennis kunnen nemen van Portugeesche berichten en kaarten. Aangaande hem door wiens Journaal het eiland Quelpaert zoo groote bekendheid heeft gekregen, kunnen wij weinig toevoegen aan hetgeen hij zelf heeft medegedeeld. Toen de Japansche autoriteiten Hendrik Hamel bij zijne aankomst te Nagasaki in 1666 ondervraagden, gaf hij op 36 jaar oud te wezen [173], zoodat mag worden aangenomen dat hij in 1630 is geboren en van Gorkum afkomstig was. Daarna heeft Compagnie's Opperhoofd aldaar in het Dagregister opgeteekend dat Hamel in 1651 met de "Vogel Struijs" in Indië was gekomen, [174], welk schip den 6en November 1650 uit het Land-diep van Texel is uitgevaren [175] en den 4en Juli 1651 op de reede van Batavia ten anker kwam [176]. Dat Hamel bij zijne uitreis, als soldaat, voor bosschieter, te boek stond, wil nog niet zeggen "dat hij in een berooiden toestand Europa verliet. Wanneer wij bij voorbeeld vernemen dat de latere Gouverneur Generaal Wiese naar Indië toog als hooplooper d. i. als lichtmatroos en tevens weten dat deze tegen Van der Parre, den toenmaligen Landvoogd, oud-oom moest zeggen, dan begrijpen wij licht dat zijn naam alleen op de scheepsrol was gezet om hem aldus vrije passage te bezorgen" [177]. Misschien is ook Hamel met goede aanbevelingen in Indië gekomen en heeft hij daaraan eerst eene plaatsing als "soldaat aan de pen", kort daarna eene bevordering tot assistent en vervolgens tot boekhouder te danken gehad, waardoor zijne aanvangsgage van f  11 pr maand--waarop zijn medepassagier van de "Vogel Struijs", de bosschieter Jan Pieters van Hoogeveen, in 1653 nog stond [178]--tot f 30 pr maand werd verhoogd. Met welk doel hij na zijne terugkomst uit Japan in 1667 te Batavia is achtergebleven, valt niet te zeggen en zijn wedervaren na 1670, toen hij na eene afwezigheid van twintig jaren in het vaderland was aangeland, is ons eveneens onbekend gebleven. Alleen is aan het licht gebracht dat in een te Gorkum bewaard handschrift van ± 1734, waarin genealogische tafelen van voorname Gorkumsche geslachten zijn opgenomen, omtrent hem het volgende voorkomt: "Hendrik Hamel is naar Oost-Indië gevaren en comende van daar, om naar Japan te rijsen, is door een orcaan schipbreuk leijdende op 't Eijland Corea gesmeten en aldaar in slavernij 13 jaar gehouden, vlucht met een boot naar Japan en komt alzoo weder tot Gorcum, reist voor de tweede maal naar Indië en komt weder tot Gorcum en sterft aldaar noch vrijer zijnde den 12 febr. 1692". Te zelfder plaats staat vermeld dat hij is geboren uit het huwelijk van Dirck Hamel en Margaretha Verhaar, dochter van Hendrik Verhaar en Cunera van Wevelinckhoven, zoomede dat het geslacht Hamel tot wapen voerde een zilveren hamel op een goud veld [179]. Komt Hamel's relaas van zijne lotgevallen in het Verre Oosten, onder de oogen van ingezetenen van Gorkum, zoo zal misschien de lust ontwaken om door het bijeenbrengen van meer stellige gegevens dan thans beschikbaar zijn, het leven en bedrijf van dezen voorzaat beter te leeren kennen [180]. Als in de Koreaansche en Japansche archieven de schrifturen zijn bewaard gebleven welke daar te lande naar aanleiding van de aanwezigheid der schipbreukelingen van "de Sperwer" zijn opgesteld, zal aan hetgeen thans omtrent hun verblijf aldaar bekend is, vermoedelijk veel wetenswaardigs kunnen worden toegevoegd [181]. Wij wagen de verwachting uit te spreken dat deze uitgaaf van Hamel's Journaal opnieuw de aandacht zal vestigen op de eerste Europeesche bezoekers van Korea en dat dientengevolge in het Verre Oosten aan hun wedervaren eene zelfde belangstelling zal worden gewijd als is te beurt gevallen aan den eersten Engelschman die--als opvarende van een Hollandsch schip--in Japan is aangeland [182]. Op de belangstelling van de tegenwoordige heerschers in Korea hebben Hendrik Hamel en zijne lotgenooten zeker even goede aanspraken als William Adams. De thans uitgegeven tekst van Hamel's Journaal en de ongedrukte stukken waarvan bij deze bewerking van dat Journaal is gebruik gemaakt, maken deel uit van de schatten van het Koloniaal Archief, eene afdeeling van het Algemeen Rijksarchief te 's Gravenhage. Wie in deze verzameling zoekt naar berichten uit ons koloniaal verleden, wordt tot dankbaarheid gestemd door den rijkdom dien zij bevat maar ondervindt tevens dat zijn arbeid wordt verzwaard door het ontbreken van een gedrukten inventaris, welk gemis niet door ambtelijke hulpvaardigheid kan worden vergoed. Moge de verschijning van dien inventaris niet lang meer tot de vrome wenschen behooren. JOURNAAL [Aend'Ed'e heer Joan Maetsuijcker, gouvernr generael en d E E: Hen Raaden van Nederlants India.] Journael van 't geene de overgebleven officieren ende Matroosen van 't Jacht de Sperwer 'tzedert den 16en Augustij Ao 1653 dat tselve Jacht aan 't Quelpaerts eijland (staende onder den Coninck van Coree) hebben verlooren, tot den 14en September Ao 1666 dat met haer 8en ontvlughtende ende tot Nangasackij in Japan aangecomen zijn, int selve Rijck van Coree is wedervaren, mitsgaders den ommeganck van die natie ende gelegentheijt van 't land. Naer dat wij bij d'Ede Hr gouverneur generael en d' E. E. Hren raden van India naer Taijoan waren gedestineert, soo sijn [183] op den 18en Junij 1653 met bovengenoemde Jacht vande rheede van Batavia 't zeijl gegaen, op hebbende d' E: Hr Cornelis Caeser om 't gouvernement van Taijoan, Formosa, met den aencleven van dien te becleden, tot vervangh van d' E: Hr Niclaes Verburgh regeerende gouverneur aldaar. Zijn naer een geluckige ende voorspoedige reijse den 16en Julij daar aanvolgende op de rheede van Taijouan g'arriveert. Sijn E: aldaar aan lant gegaen ende ons ingeladen goederen gelost sijnde, wierden van d' Hr gouvernr ende den raet van Taijouan voornt wederom naer Japan gedestineert; naer dat onse ladinge ende afscheijt van haer E: becomen hadden, sijn op den 30en daer aanvolgend vande rheede voornt 't zeijl gegaen, om op 't spoedichste onse reijse inde name Godes te bevorderen. Den laetsten Julij zijnde schoon weder, tegen den avont cregen een storm uijt de wal van Formosa, die den aenvolgenden nacht, hoe langer hoe meerder toenam. Den eersten Augo met 't limiren [184] van den dagh, bevonden ons dicht bij een cleijn eijlantie te wesen, sochten ons best te doen agter t selve ten ancker te comen om vanden harden wint ende het hol water wat bevrijt te zijn, quamen eijdelijck met groot gevaer, agter 't selve ten ancker, costen egter wijnig bot vieren [185] doordien agter uijt een groot rif lagh daer het seer hard op brande. Dit eijlantie wiert den schipper eerst gewaer bij geluck uijt 't venster vande gaelderij [186] siende, soude licht anders op 't selve vervallen ende het schip verlooren hebben door den regen ende donckerheijt vant weer, alsoo daer (doent eerst sagen) geen musquet schoot vandaen waren. Met 't opclaeren vanden dach bevonden ons soo dicht opde cust van China vervallen te sijn dat de Chineesen in haer volle geweer met troppen [187] langhs strant sagen passeren op hope soo ons dochte dat wij daer mochte comen te stranden, dog is met de hulpe des Alderhoogsten[[2]] anders geluckt. Desen dagh den storm niet verminderende maer toenemende, bleven voor ons ancker leggen, gelijck den volgende nacht ooc deden. Den 2en do smorgens wast heel stil. De Chineese haer nog stercq verthoonende ende op ons als grijpende wolven (soo wij meijnden) stonden en wachten; als mede om alle periculen soo van anckers, touwen, als andersints voor te comen, resolveerde ons ancker te lichten, ende onder zeijl te gaen, om uijt haer gesicht ende vande wal te comen; hadden dien dach ende volgende nacht meest stilte. Den 3en smorgens bevonden dat de stroom ons wel 20 mijl vervoert hadde, sagen doen weder de cust van Formosa, setten doen onse cours tussen beijde [188] door, met goet weder ende slappe coelte. Vanden 4en tot den 11en do hadden veel stilte ende variable winden, sworven soo tusschen de cust van China ende Formosa door. Den 11en do cregen wederom hart weder met regen uijt den Z. oosten, gingen N.O. ende N.O. ten oosten aan. Den 12: 13: en 14en do nam 't weer hoe langer hoe meerder aan met verscheijde winden en regen, soo dat somtijts zeijl en somtijts geen conde voeren, de zee wiert seer onstuijmigh, soo dat door 't geweldigh slingeren 't schip heel leek wiert. Hadden door den continueelen regen geen hooghte connen nemen, waren derhalven genootsaeckt het meest sonder zeijl te laten drijven, om alle periculen van 't op 't een ofte ander lant te vervallen, voor te comen. Den 15en do waeijdent soo hard, dat boven met den anderen spreekende malcanderen niet conden hooren ofte verstaen, van gelijcken niet een hant vol seijls voeren, t lecq vant schip soo toenemende, dat met pompen genoch te doen hadden om lens te houden [189], cregen door de ontstuijmigheijt vande zee somtijts zulcken water over, dat niet anders en dochten dan daer bij neder soude gesoncken hebben. Tegen den avond wiert door een zee het galjoen [190] ende spiegel [191] ten naesten bij wech geslagen, welcke zee de boeghspriet mede heel los maecte, waer door groote perijckel liepen vande voorsteven te verliesen, wende alle debvoir aan om deselve een weijnigh vast te maecken, dog conde sulcx niet te weegh brengen door het vreeselijck slingeren, ende de groote zeen die ons d'een voor d' ander nae over quamen. Wij geen beter middel siende, om de zee soo veel mogelijck was, eenigsints te ontloopen, vonden geraetsaem om 't lijff, schip ende 's Compes goederen soo veel doenelijck was te salveeren, de fock een weijnigh bij te maecken om daar door eenigsints vande sware stortinge der zee bevrijt te wesen (denckende naest Godt het beste middel te wesen); int bij maken vande fock cregen van agteren een zee[[3]] over, soodanig dat de maets die deselve bij maecte bijnae vande rhee spoelde, en 't schip boren vol water stont, waerop den schipper riep: mannen hebt godt voor oogen, treft ons de zee nog eens of tweemael soodanich, soo moeten wij altesamen eenen doot sterven, wij kennent niet langer wederstaen. Ontrent twee glasen inde tweede wacht [192], riep den man die uijtkijck hadde: lant lant, warender maer omtrent een musquet schoot af, die 't selve door de donckerheijt ende grooten regen niet eer had kennen sien ofte gewaer geworden was; hackten terstont de anckers los, door dien 't roer hadden overgeleijt [193], dog conden door de diepte, aendringen der zee, als harden wint geen stant grijpen [194]; stieten terstont [195], soodat in een ogenblick met drie stooten t schip geheel in spaenderen van malcanderen lagh; degene die om laegh in haer koijen lagen, verscheijde geen tijt hadden om boven te comen, ende haer leven te salveeren, t uijterste daer betaelen mosten; de boven sijnde, sommige sprongen overhoort ende d'andere wierden vande zee hier ende daer gesmeten; aan lant comende waeren 15 sterck meest naeckt ende zeer gequest, dochten datter niet meer haer leven gesalveert hadden. Dus opde klippen sittende, hoorden nog eenig gekerm van menschen int vracq, maer costen door de donckerheijt niemand bekennen ofte helpen. Den 16en do smorgens met 't limieren van den dach gingen die nog eenigsints gaen conden langs strant soecken ende roepen offer nog ymand aan land gecomen was; hier en daer quamender nog eenige voor den dagh, bevonden 't samen 36: man sterck te wesen, waer van de meeste part als vooren seer deerelijck gequest waren; sagen doen int vracq, ende vonden een man tusschen twee leggers [196] seer geclemt leggen, maeckte hem terstont los, die drie uijren daer nae is comen te overlijden, doordien sijn lichaem heel plat tot malcanderengeklemt; wij sagen malcanderen met droefheijt aan, siende soo een schoon schip in spaenderen gestooten ende van 64 sielen op 36: in min als een quartier uijrs gecomen te sijn; sochten terstont ooc eenige dooden die aen lant gespoelt waren, vonden den schipper Reijnier Egberse van Amsterdam ontrent 10 à 12 vadem vant water met den eenen aerm onder 't hooft doot leggen, die wij terstont begroeven, nevens nog 6 à 7 matroosen, die hier en daer doot vonden leggen; sagen doen mede offer eenige victualie (alsoo in de laetste 2 à 3 dagen weijnigh hadden gegeten, doordien de cock door 't harde weer niet hadde [[4]] connen kooken) aen lant gecomen mochte sijn, vonden niet dan een bael meel met een vat daer een weijnigh vleijs ende een do daer wat spec in was, met een vaetje wijntint, [197] dat voor de gequetste wel te pas quam; waren doen meest verlegen om vuijr; door dien geen volcq sagen ofte vernamen, dochten derhalven dat het een eijlant sonder volcq was; tegen den middagh den regen ende wint wat bedarende, brachten soo veel te weegh dat vande stucken der seijlen een tente maeckte om met malcanderen voorden regen te schuijlen. Den 17en do dus met droeffheijt bij malcanderen sijnde, sagen al na volcq uijt, op hoope het Japanders mochte sijn, om door haer weder bij onse natie te comen alsoo daer anders geen uijtcomste was, door dien de boot ende schuijt aen stucken geslagen ende int minste niet te helpen was; voorden middag vernamen een man ontrent een canonschoot vande tent, wenckten hem, maer soo drae ons vernam steldent op een loopen. Cort na de middag quamen drie man op een musquetschoot na bij de tent, dog wilde niet staen, wat wij wesen en deden; ten laetsten een van ons volcq hem verstoutende, hij na haer toecomende presenteerde haer geweer, kreegh eijndelijck vuir van haer (waerom wij zeer verlegen waren); waren op sijn Chinees gecleet, maer hadden hoeden op van paartshair gemaeckt, daer over wij met malcanderen zeer bevreest waren, niet anders denckende dan dat bij eenige zee roovers ofte gebannen Chineesen vervallen mochte zijn; tegen den avont quamen ontrent 100 gewapende man bij de tent, die ons telde ende dien nacht rontom de tent de wacht hielden. Den l8en smorgens waren doende met een groote tent te maken; tegen den middagh quamen wel 1000 à 2000 man soo ruijters als soldaten bij ons, sloegen haer leger om de tent; 't volcq altsamen in ordre staende, wiert den bouckhouder [198], opperstuijrman, schieman [199] ende een jongen uijt de tent gehaelt; op een musquetschoot na bij 't opperhooft comende, deden haer elcq een ysere ketting om den hals, waer onder aan een groote bel (gelijck de schapen in Hollant om haer hals hebben hangen) vast hing, wierden soo al cruijpende langs de aerde voorden veltoverste met het aengesicht opde aerde neergesmeten, ende dat met soo een geschreeuw van 't crijgsvolcq dat 't schrickelijck was om hooren; onse maets vande tent sulcx hoorende en siende, seijden tegen malcanderen, onse officieren gaen ons vast voor, wij sullen haest volgen; een weijnigh gelegen hebbende, wesen dat sij opde knien souden gaen leggen, vraeghden haer den overste haer eenige woorden, maer conde hem niet verstaen; de onse wesen en beduijden haer al, dat wij naer Nangasackij in Japan wilde, maer al te vergeefs, also malcanderen niet verstonden ende van Japan niet wisten, door dient bij haer Jeenare [200] ofte Jirpon [201] genaemt wort; liet haer den overste elc een coppie arrack schencken, ende weder in de tent bij malcanderen brengen; terstont quamen sij sien of wij eenige victalie hadden, dog niet vindende dan 't voorsz. vleijs en specq, 't [[5]] welcq zij den overste aendiende; omtrent een uijr daer nae, brochten ons elc een weijnig rijs met water gekookt omdat sij dochten dat wij verhongert waren, ende van alte veel eeten ons yets mochte overcomen; nade middag quamense met alle man elc met een toutie in de hand geloopen, waer over wij zeer verschrickten, dochten dat sij quamen om ons te binden ende om hals te brengen, maer liepen met groot getier nae 't vracq toe om 't gene nog van 't goet bevonden worde op 't droegh bij malcanderen te brengen; 's avonts gaven ons yder een weijnigh rijs te eeten; 's middaghs had den stuijrman de hooghte genomen ende bevonden 't Quelpaerts Eijland te leggen op 33 graden 32 minuijten [202]. Den 19en do warense nog al doende om 't goet op 't land te halen ende te droogen, het hout daer eenig yser in was te verbranden; de officiers gingen bijden Overste ende den Admirael van 't eijland (die daer mede gecomen was) brochten haer yder een kijcker, namen mede een kanne wijn thint, met 's Compes silvere schael die wij tussen de klippen gevonden hadde, om in te schencken; sij de wijn proevende, smaeckten haer wel, droncken soo veel dat sij heel verheught waren ende sonden de onse weder na de tent, nadat sij haer alle vruntschap bewesen hadde, ende de schael haer mede gaven. Den 2Oen do verbranden zij 't fracq en al 't overige hout om 't yserwerc daer uijt te crijgen; int branden van 't fracq, gingen twee stucken los, die met scharp geladen waren, daer over soo wel de groote als de clijne haer opde vlucht begaven; weijnig tijt daar aan quamen wederom bij ons ende wesen offer meer souden losgaan. Wij wesen van neen, gingen terstont met haer werck weder voort ende brachten ons tweemael daegs wat eeten. Den 21en do smorgens liet den overste eenige van ons halen, wesen dat ons goet dat inde tent hadden, voor hem soude brengen, om versegelt te worden, t welc wij deden, ende terstont in ons presentie geschieden; de onse daer sittende, wierden voor hem gebracht eenige dieven die int bergen van 't goet eenige vellen [203], yser als andersints gestolen hadden, 't welcq op haer rugh gebonden was; worden in ons presentie gestraft tot een teeken dat sij van 't goet niet wilde verminderen, sloegen deselve onder de ballen vande voeten met stocken van ontrent een vadem lanck ende een gemene jongens arm dicq, dat sommige de toonen vande voeten vielen, ider 30 à 40 slagen; smiddaghs wesen dat wij vertrecken soude; die rijden conden cregen paarden ende die om hare quetsure niet rijden conde, wierden door last des overste in hangematten gedragen; nade middagh vertrocken met ruijters ende soldaten wel bewaert, savont logierden in een cleijn steetje gent Tadjang [204]; na dat wij wat gegeten hadden, brachten ons 't samen in een huijs [205] om te slapen, maer leeck beter een paarde stal dan een herberge ofte slaapplaets; waren ontrent 4 : mijl gerijst. Den 22en do smorgens met den dagh gingen weder te paert sitten, aten onder wege voor een fortie, daer twee oorlogsjoncken lagen, het ochten mael; smiddags quamen in een stadt gent Moggan [206] sijnde [[6]] de residencie plaets vanden gouverneur van 't eijland, bij haer mocxo [207] gent; daer comende wierden op een velt recht voor 't lants ofte stadt huijs bij malcanderen gebrocht, gaven ons yder een coppie canje water [208] te drincken; wij dachten dit onse laetsten dronck soude geweest sijn ende met malcanderen eenen doot daar soude gestorven hebben, alsoo 't schrickelijck om sien was soo van 't geweer, oorlogs gereetschap als fatsoen van alderhande cleederen die wij sagen, ende wel 3000 gewapende mannen daer stonden, alsoo van sulcken fatsoen van Chineesen ofte Japanders bij ons noijt gesien off daer van gehoort was. Terstont wiert den bouckhouder met de drie voorn. persoonen op de voorverhaelde wijse voorden gouverneur gebracht ende neer gesmeten; een weijnig gelegen hebbende riep ende wees dat sij boven op een groote planckiring int geme huijs daer hij sat gelijck een Coninck, ende aan sijn sijde geseten sijnde, vraeghden ende wees waer wij vandaen quamen ende waer nae toe wilde; gaven en beduijden soo veel wij conden 't oude antwoort: na Nangasackij in Japan, waer op hij mettet hooft knicte, ende soo 't bleec wel yets daer uijt begrijpen conde; terwijle worde het vordere volc die gaen conde vervolgens met haer 4en teffens op deselve wijse voor zijn E. gebracht ende gevraecht; alles wel ondervraeght ofte gewesen hebbende ende wij ons beste met beduijden daerop geantwoort hadden, als malcanderen als vooren niet conde verstaen, liet ons te samen in een huijs brengen, sijnde een wooning daer den Conincx oom zijn leven lanc in gebannen en overleden was, uijt oorsaeke dat hij den Coninck uijt 't Rijc socht te stooten; liet het huijs met stercke wacht rontom besetten, gaf ons yder tot onderhout 3/4 lb rijs ende zoo veel taruwe meel des daeghs, dog de toespijs was seer weijnig, ende oocq niet eeten conde, mosten daerom ons mael met sout (in plaets van toespijs) ende een dronck water daer toe doen. Desen gouverneur was een goet verstandigh man, soo ons namaels wel gebleeken is, out ontrent 70 jaren, uijt des Conincx stadt ende van grooten aansien int hoff, wees ons dat hij na den Coninck soude schrijven ende ordre verwachten, wat hem te doen stont; geduijrende 't verwachten van 't bescheijt des Conincx 't welcq niet radt stont te comen, door dient wel 12 a 13 mijl over zee en dan nog wel 70 mijl over land most gaen, versochten derhalven aanden gouverneur dat ons somwijlen wat vleijs ende andere toespijs mochte toegebracht worden, door dien 't met rijs en sout niet langer konde gaende houden, als mede om ons wat te vertreeden, 'tlichaem ende cleederen die seer weijnig waren, somtijts te reijnigen, dagelijcx bij buerte ses man mochte uijt gelaten worden, twelc ons toestont, ende belaste dat van toespijs soude besorght worden; liet ons dickmaels voor hem comen, om 't een en 't ander soo op onse als hare spraeck te vragen en op te schrijven waardoor ten laetsten al crom eenige woorden met malcanderen conde spreeken; liet ooc somtijts feesten aanrechten ende andere vermaeckelijckheden opdat wij de droeffheijt uijt den sin soude setten, ons dagelijcx moet gevende [[7]] van weder na Japan gesonden te sullen worden, alsser bescheijt van den Coninck quam; liet mede de gequetste wederom genesen, soo dat ons van een heijdens mensch wiert gedaen dat meijnigh Christen beschamen soude. Den 29en October naerden middag wiert den bouckhouder, opperstuijrman ende den onder barbier [209] bij den gouverneur geroepen; bij hem comende vonden daer sitten een man met een langen rooden baert, vraegden haer den gouverneur wat het voor een man was, waerop sij tot antwoort gaven een Hollander als wij; daar op den gouverneur begon te lachen ende wees ofte sijde dat het een Corees man was; na veel praetens ende wijsens aan wedersijde, vraeghden desen man die tot nog toe stil geswegen hadde, seer crom op onse spraeck wat voor volck ende waer wij van daen waren; sij gaven hem tot antwoort: Hollanders van Amsterdam; hij vorder vragende, waer wij van daen quamen ende naer toe wilde, antwoorde daer op dat van Taijouan quamen ende naer Japan meijnde te gaen, dat ons sulcx door den almogende belet was, zijnde door een storm die vijff dagen geduijrt hadde op 't eijland vervallen, nu een genadige verlossinge [en] uijtcomste verwachtende waren; de onse vraeghden hem na sijn naem, wat hij voor een lantsman ende hoe aldaer gecomen was; gaff tot antwoort: mijn naem is Jan Janse Weltevree uijt de Rijp Ao 1626 met 't schip Hollandia uijt 't vaderlant gecomen, ende dat hij Ao 1627 mettet Jacht Ouwerkerck naer Japan gaende [210], door contrarie wint opde cust van Coree vervallen waren, om water verlegen sijnde met de boot na 't vaste lant gevaren, van d'inwoonders met haer drien gehouden zijn, de boot met de resterende maets het ontcomen was, ende het schip terstont door gingh; dat sijn twee maets over 17 a 18 jaren vanden Tarter (doen hij 't land innam) [211] inden oorlogh waren doot geslagen, te weten Dirck Gijsbertsz. uijt de Rijp ende Jan Pieterse Verbaest van Amsterdam, met den voornoemden Weltevree gelijck int lant gecomen [212]. Vraeghden hem mede waer hij woonde, waervan leeffde, ende waerom op 't eijlant gecomen was; seijde dat hem onthielt inde Conincx stadt [213], dat hem vande Coninck behoorlijck onderhout van cost ende cleeden wiert gegeven, dat daer was gesonden om te sien wat voor volcq wij ende hoe aldaer gecomen waren, verhaelde ons mede dat hij verscheijde malen aanden Coninck ende andere grooten versocht hadden, om naer Japan gesonden te worden, dog haer sulcx altijt wiert afgeslagen, zeggende waert gij vogels soo mocht gij daer nae toe vliegen, wij senden geen vremt volcq uijt ons land, zullen ul. van cost en cleeden versorgen ende moet soo u leven in dit lant eijndigen, met welcke troost hij ons medetroosten ende seijde indien bijden Coninck quamen niet anders voor ons te verwachten stont, soodat onse blijschap van een tolcq gecregen te hebben haest in droeffheijt veranderde; het was te verwonderen, desen man out omtrent de 57 a 58 jaren, sijn moeders tael soo nae vergeten hadde, alsoo [[8]] in 't eerste als vooren geseght hem qualijck verstaen conde, binnen een maent ommegaens met ons al weder leerde. Alt voorverhaelde ende tblijven van 't schip en volcq wiert door last des gouverneurs pertinent opgeschreven, ons voorgelesen ende door den voorn: Jan Janszen vertolckt, om met den eersten goeden wint naer 't Hoff gesonden te worden; den gouverneur gaff ons dagelijcx al goede moet seggende 't bescheijt daer op met den eersten te verwachten stont, verhoopende datter tijdinge soude comen, om ons na Japan te mogen senden, daer mede wij ons mosten troosten, ende ons niet dan alle vruntschap bewijsende sijn tijt geduijrende; liet den meergemelten Weltevree met een van sijn officiers ofte opper Benjoesen [214] ons dagelijcx comen besoecken om 't geen van doen hadden hem bekent te maken. Int begin van December quammer een nieuwen gouverneur alsoo den ouden sijn tijt van drie jaren g'expireert was, daer over wij ten hoogsten bedroeft waren, sorgende dat nieuwe heeren nieuwe wetten mochten inbrengen, gelijck zulcx ooc geschied; den ouden gouverneur liet ons voor sijn vertrecq (alsoo 't kout wiert ende van cleeden weijnigh versien waren) ider een lange gevoerde rock een paer leere kousen een do schoenen [215] maecken, om ons voor de koude daermede te behelpen, liet ons de geberghde boecken [216] weder te hand stellen, gaf ons mede een groote pul traen om den tijt geduijrende den winter daer mede door te brengen; op sijn scheijmael tracteerden ons wel, liet door den voorn: Weltevree ons seggen dat hij zeer bedroeft was, dat ons niet naer Japan had mogen senden, ofte met hem naer 't vaste land mochte nemen, dat wij niet bedroeft over sijn vertrecq zouden wesen, ten hove comende alle debvoir tot onse verlossinge ofte metter haest vant eijland naer 't hoff te gaen, soude aanwenden; voor alle de verhaelde courtoisije, wij sijn E: ten hooghste bedanckte. Den nieuwen gouverneur in zijnen dienst getreden zijnde, benam ons terstont alle toe spijs, soo dat ons meeste mael rijs en sout, met een dronck water daer toe was, waer over wij aenden ouden die door contrarie wint nog op 't eijland was, claeghde; gaf ons tot antwoort dat sijn tijt gexpireert was, ende daer in niet doen conde, dog zoude den gouverneur daer over schrijven, soo dat geduijrende zijn aenwesen, den nieuwen gouverneur nog altemet ons met toe spijs op 't soberste versach om vordere clachten te mijden. [1654.] Int begin van Januarij vertrock den ouden gouverneur, doen gingh 't veel slimmer als te vooren, gaff ons in plaets van rijs, geerst, ende van taruwe, garste meel, sonder eenige toe spijs, soo dat indien wat toe spijs wilde hebben onse geerst vercochten; met 3/4 lb garste meel des daeghs mosten te vrede sijn, dog ons uijtgaen van ses man daegs continueerde; dus in droeffheijt sijnde sochten derhalven alle middelen (alsoo den soeten tijt ende mousson op handen quam, de tijdingh van [[9]] den Coninck seer langhsaem comende waren derhalven zeer beducht ons op 't eijland mochte gebannen hebben, om 't leven inde gevanckenis te eijndigen) van ontvluchten, om ende weder siende of bij nacht eenig vaertuijg aande wal met sijn gereetschap leggende, conde becomen ende 't hasepat te kiesen, 'twelcq int laetse van April met haer sessen, waer onder den opperstuijrman ende nog drie vande te recht gecomen [217] maets waren, onderstaen soude hebben; een vande maets over de muijr dimmende om naer 't vaertuijg ende 't getij van 't water te sien, wiert het de wacht door 't blaffen vande honden als andersints gewaer, waer over soo scherpen wacht hielden, dat voor die tijt van haren aanslag versteeken waren. Int begin van Meij ging den stuijrman met nog vijff andere maets (waer vander drie [218] als vooren te recht gecomen zijn) op haer beurt uijt gaende, vonden dicht bijde stadt een vaertuijgh met sijn gereetschap sonder volcq daer in, bij een cleijn dorpje leggen; sonden terstont een man nae huijs om voor yder twee cleijne brootjes ende eenige platting [219] daertoe gemaect, te halen; weder bij malcanderen gecomen zijnde, ider een dronck water gedroncken hebbende, sonder yets meer mede te nemen, traden int voorseijde vaertuijg, 't selve over een banck die daar voor lagh treckende, int bijstaende van eenige van die vant dorpje, die heel verbaest staende, niet wetende wat het te beduijden was, eijndelijck een int huijs loopende ende haelden een musquet, waer mede hij die int vaertuijg waren tot int water toe nae liep; raeckende [220] egter buijten, behalven een die int vaertuijg niet conde comen, door dien de touwen aen land los maeckten, daerom de wal weder koos; die int vaertuijg 'tzeijl op heijsende, alsoo sij met 't gereetschap niet wel conden omgaen, viel de mast met 't zeijl overboort, die sij met groote moeijten weder opkregen, mette platting aen de mast doft gebonden hebbende ende 't seijl als vooren opheijsende, ist spoor van de mast gebrooken, de mast met 't seijl voorde tweede mael overboort gevallen, costent doen niet weder opcrijgen [221], dreven alsoo na de wal; die van 't land zulcx ziende, sijn haer datelijck met een ander vaertuijgh gevolght, bij malcanderen comende sprongen de onse bij haer over, hoe wel sij geweer hadden, in meeninge haer overboort te smijten, ende met 't selve vaertuijg door te gaen, maar vondent ten naesten bij vol water, en onbequaem te zijn, voeren derhalven met malcanderen naer lant; van daar voorden gouverneur gebracht sijnde, liet haer wel strengelijck binden, een sware planck met een ketting om den hals, d'eene hant met een clamp opde planck gespijckert [222], voor hem neder werpen; de vordere wierden mede uijt 't gevangen huijs gehaelt, mede wel strengelijck gebonden sijnde voor den gouverneur gebracht, al waer wij onse maets in zulcken droefheijt sagen leggen; den gouverneur liet haer vragen off sij zulcx sonder ofte met weten van d' andere hadden gedaen, gaven tot antwoort sonder weten vande andere geschiet te zijn (dat om de vordere swarigheijt [[10]] ende straffe van hare mackers voor te comen) waer op den gouverneur liet vragen wat sij voor hadden; seijde daar op datse naer Japan wilde, waer op den gouverneur voorts liet vragen of met soo een cleijn vaertuijgh, sonder water ende soo weijnigh broot, sulcx wel te doen was; antwoorden zij daer op dattet beter was eens als altijts te sterven; lietse wederom van alles los maken, yder met een stock ontrent een vadem lanck, onder een hand breet en een vinger dick, boven ront, 25 slagen op de naeckte billen geven, waer van ontrent een maent langh inde koeij lagen; wiert voorts ons uijtgaen benomen ende bij nacht en dach scherpe wacht gehouden. Dit eijland bij haer Scheluo [223] ende bij ons Quelpaert gent leijt als vooren geseijt opde hooghte van 33 graden 32 minuten ontrent 12 a 13 mijlen vande suijthoeck van 't vaste lant van Coree, heeft aende binne ofte noort cant een baij daer hare vaertuijgen in comen ende van daer varen naer 't vaste lant. Is seer gevaerlijck voor d'onbekende door de blinde klippen om in te comen, waer door veel die daer op varen, soo se eenig hard weder beloopen ende de baij mis raken, naer Japan comen te verdrijven, alsoo buijten die baij geen ancker gront ofte berghplaets voor haer vaertuijgen is. Het eijland heeft aan verscheijde zijde veel blinde en sighbare klippen en riffen. Is seer volckrijck [224], vruchtbaer van leeftocht, overvloet van paarden en koe-beesten, daer van zij jaerlijcx groote incomen aen den Conincq opbrengen; d'Inwoonders zijn seer arme ende slechte [225] luijden, bij die van 't vaste lant weijnig geacht; heeft eenen hoogen bergh vol boomen [226], de andere meest lage cale bergen, met veel valeijen daerse rijs planten. Int laetse van Maij quam de lang verwachte tijding vanden Coninck tot onser droeffenis dat wij na 't Hoff mosten comen, ende weder tot blijschap dat uijt de sware gevanckenis verlost worden; 6 à 7 dagen daer nae worden in vier joncken verdeelt, met beijde de beenen ende eene hand in een block geslooten op dat sij sorge hadden wij teen off 't ander jonck soude mogen afflopen gelijck zulcx wel mochte geschiet hebben, indien wij vrij ende los hadden komen over te varen, door dien de soldaten die tot geleijders met ons gingen, meest zee zieck waren; nadat wij twee dagen alsoo geseten hadden, door contrarie wint niet conde voort comen, zijn weder ontsloten ende naer ons out gevangenhuijs gebracht; 4 à 5 dagen daer aan de wint goet waijende, gingen des morgens met den dagh weder inde joncq ende als vooren gesloten ende bewaert zijnde, lichten de anckers ende gingen onder zeijl; savonts quamen dicht bij 't vaste lant, alwaer wij des nachts onder ten ancker quamen, smorgens worden uijt de joncken gesloten ende aen lant gebracht, alwaer vande zoldaten wel bewaert wierden; des ander daegs smorgens cregen paerden ende reden naer een stadt gent Heijnam [227], alwaer wij des avonts alle 36 weder [[11]] bij malcanderen quamen, doordien ider jonck in een verscheijde plaets was aangecomen; des ander daegs nadat wat gegeten hadde, saten weder te paert, ende quamen savonts in een stadt gent Ieham [228]; des nachts is Poulus Janse Cool van Purmerend, bosschieter, overleden, die sedert 't verlies van 't schip noijt gesont hadde geweest. Is door ordre vande stadts gouverneur in onser presentie begraven; vant graff vertrocken te paert weder ende quamen savonts in een stadt Naedjoo [229] gent; des volgende morgen vertrocken weder ende bleven dien nacht in een stad genaemt Sansiangh van waer wij des morgens vertrocken, ende logierden dien nacht inde stad Tiongop [230], passeerden dien dagh een seer hoogen bergh waer op een groote schans lagh gent Jipamsansiang [231]; nadat inde stadt vernacht hadde, vertrocken des morgens, ende quamen dien selven dagh inde stad Teijn [232]; den volgenden morgen saten weder te paerde, quamen smiddaghs in een stetje gent Kninge [233]; naer dattet middaghmael hadden gegeten, vertrocken weder ende quamen savonts in een groote stad gent Chentio [234] alwaer in oude tijden Conincx hoff placht te zijn [235], ende wort nu bij den stadthouder vande provintie Thiellado [236] bewoont. Is door 't geheele land voor een groote coopstad vermaert, cunnen te water daer niet bij comen, alsoo een lantstadt is; des volgende morgen vertrocken ende quamen savonts in een stadt gent Jehaen [237], dit was de laetste stadt vande provintie Thiellado, van waer wij des morgens weder te paert vertrocken, ende logeerde dien nacht in een stetje gent Gunjiu [238], gelegen inde provintie Tiongsiangdo [239]; vertrocken des anderen daegs na een stad gent Jensoen [240]. Aldaer vernacht hebbende saten des morgens weder te paert, ende quamen savonts in een stadt Congtio [241] gent alwaer de stadthouder vande verhaelde provintie sijn hoff hout; des anderen daeghs passeerde een groote rivier ende quamen inde provintie Senggado [242] alwaer de Coninklijcke stadt in leijt; naer dat nog verscheijde dagen gereijst ende in diverse steden ende dorpen vernacht hadden, passeerde eijndelijck een groote rivier [243] ontrent vande groote gelijck de Maes voor Dort; de rivier overgevaren ende een mijltie gereeden zijnde, quamen in een seer groote bemuerde stadt gent Sior [244], zijnde de residentie plaets des Conincx (hadden ontrent 70 a 75 mijl [245] gereijst meest noorden wel soo westelijck aan). Inde stadt gecomen sijnde, wierden in een huijs bij malcanderen gebracht, alwaer 2 a 3 dagen saten, wierden doen bijde Chinesen die aldaer woonachtich ende uijt haer lant gevlucht zijn, verdeelt, 2, 3 a 4 tot yder; soo drae verdeelt waren wierden 't samen voorden Coninck gebracht, die ons door den voorn. Jan Janse Weltevree van alles liet onder vragen, waer op bij ons ten besten geantwoort zijnde, versochten, ende Zijn Majesteijt voorhoudende, dat 't schip door storm hadden verlooren, op een vreemt lant vervallen, van ouders, vrouwen, kinderen, vrunden en maeghen ontbloot waren, dat den Coninck ons de genade wilde bewijsen om naer Japan te [[12]] senden, om aldaer weder bij ons volcq te comen ende in ons vaderlant te geraken; gaf ons voor antwoort, soo den veelmael genoemden Weltevree vertolckten, dat sulcx haer manier niet en was, vremde natie uijt zijn lant te senden, maer mosten aldaer haer leven eijndigen, dat hij ons onderhout soude geven; liet ons op onse lants wijse dansen, singen ende alles doen wat geleert hadden [246]; op haer manier ons wel getracteert hebbende, schonck yder man twee stucx lijwaet om voor eerst ons daer naer de lants wijse inde cleeden te steeken ende wierden weder bij onse slaepbasen gebracht; des anderen daegs worden te samen bijden veltoverste geroepen, die ons den meergem: Weltevree dede aanseggen dat den Coninck ons tot lijff schutten [247] van sijn gemaect hadde, maendelijcx met een rantsoen van ontrent 70 cattij rijs yder, gaf de man een ront houte borretie [248], waer op onse namen (die se op haere spraeck verandert hadden) ouderdom, wat voor volcq waren, ende waer voor den Coninck diende, met caracters uijtgesneden, ende met des Conincx ende veltoverstes zegel ofte chiap [249] daer op gebrant was, nevens yder een musquet, cruijt en loot, met ordre dat alle nieuwe ende volle mane onse reverentie voor hem mosten comen doen, alsoo zulcx bij haer de manier is, dat de minder gerantsoeneerde Conincx dienaers voor haer meerdere ende de rijcxraden voorden Coninck moeten doen; den overste met [250] ofte in Conincx dienst uijtgaende met hem soude loopen; drilt zijn volcq in 't jaer 6 maenden, drie int voor ende drie int nae jaer, des maent drie reijsen, ende oeffenen haer int schieten als andere oorloghs manieren des maents drie reijse, in somma oeffenen haer in den oorlogh off sij den swaersten vande werelt op den hals hadden; stelden een Chinees (door dien mede veel Chineesen tot lijffschutten heeft) nevens den veelmael gen. Weltevree over ons als hooffden, om van alles op hare wijse te onderrechten ende opsicht over ons te hebben, gaf yder twee stucx hennippe lijwaet om ons daermede voort van alles te voorsien, ende 't maeckloon vande clederen te betalen. Wij wierden dagelijcx bij veel groote heeren geroepen, door dien zij als mede hare vrouwen ende kinderen nieuwsgierigh waren om ons te sien, om dat de gemene man van 't eijland [251] hadden uijtgestroeijt, dat beter monsters als menschen geleeken, wanneer yets droncken de neus agter het oor mosten leggen, door de blontheijt vant hair beter zeeduijckers als menschen geleeken, ende diergelijcke meer, waer over veel grooten ten hoogsten verwondert waren, ons voor beter fatsoen (door de blanckheijt daer sij veel van houden) van volcq dan haer eijgen natie hielden. In somma wij conden int eerste de straeten qualijck gebruicken ende inde slaepsteden van 't gepeupel weijnigh rust hadden, tot dat den veltoverste verboot bij niemant te gaen, dan die van hem last ofte licentie hadden, door dien ons de slaven sonder haer Meesters weeten uijt onse slaepsteden haelden en voor 't geckje hielden. [[13]] In Augustij quam den Tartar om sijn gewoonelijcke tribuijt te halen [252]; wij wierden door den Coninck in een groote schans gesonden, om aldaer soo lange den Tartar inde stadt was, bewaert te worden [253]; dese schans leijt ontrent 6 a 7 mijlen vande stadt op een seer hoogen bergh, wel 2 mijl op te gaen, sijnde seer stercq, waer na toe den Coninck in tijt van oorlogh de vlucht neemt. Hier houden de grootste papen vant land haer residentie, daer is altijt voor drie jaren victalie in, daer mede haer ettelijcke duijsent mannen kennen geneeren. Is genaemt Namman Sangsiang [254]; alwaer tot den 2 a 3en September, dat den Tartar vertrocken was, bleven. Int laetste van November vroort soo hard dat de rivier een mijl vande stadt gelegen, soo hart toegevrooren was, dat de paerden met haer volle last tot 2 a 300 agter malcanderen daer over conden gaen. Int begin van December den veltoverste aansiende de groote koude ende armoede die wij leeden, diende het den Coninck aan, waer op hem belastte dat hij eenige vellen aan ons soude geven, die int blijven van 't schip aen 't eijland gespoelt, bij haer geberght, gedrooght ende hier met haer vaertuijgen gebracht waren, doch meest verrot [255] ende opgegeten [256], met last dat wij die souden vercoopen om voor de coude soo veel mogelijck was, daermede te versien; vonden doen met malcanderen goet, alsoo de slaepbasen ons dagelijcx quelden met hout halen, dat soo heen en weer wel drie mijlen over t geberghte ver was, 't welcq door de bittere koude ende ongewoonte ons seer droeffrigh ende moeijelijck viel, met 2 a 3 samen huiskens te coopen, siende naest Godt geen uijtcomst te verwachten ende soo te beter te leven, liever willende wat koude lijden, dan altijt van dese heijdense natie [257] gequelt te sijn; leijden de man 3 a 4 taijlen silver bij malcanderen, ende alsoo huijskens van 8 a 9 taijl ofte 28 a 30 gl. cochten; van 't overschot staken ons een weijnigh inde cleeren ende brachten alsoo den winter daer mede door. [1655.] In Maert quam den Tarter weder, als vooren verhaelt hebben; wij worden belast niet uijt onse huijsen te gaen; den dagh wanneer den Tarter vertrock geliet [258] den opperstuijrman Hendrick Janse van Amsterdam ende Hendrick Janse Bos van Haerlem, bosschieter, dat sij om branthout verlegen waren; gingen naer 't bos, alwaer sij aande cant daer den Tarter voorbij most passeeren, gingen leggen; den Tarterse gesant verbij comende, die met ettelijcke hondert ruijters ende soldaten geleijt wort, braken door de selve ende vattent paert vanden opperste gesant bijde kop; de Coreese clederen uijtgeschut hebbende, stonden (vermits deselve daer onder aen hadden) op haer Hollants voorden Tarter gecleet; veroorsaeckte terstont sulcken confusie, dattet alles in roere was; den Tarter vraeghden haer wat sij voor volcq waren, dog conden malcanderen niet verstaen; belasten datmen den stuijrman mede soude nemen ter plaetse daer hij dien nacht soude logieren; vraeghden aan den geene die hem uijt convoijeerde [[14]] offer geen tolcq en was die den stuijrman verstaen conde, waer op den meergem: Weltevree door last des Conincx terstont most volgen; wij worden oocq alt samen uijt onse buijrt int Conincx hoff gehaelt; voor de rijcx raden gecomen zijnde, die ons vraeghden of wij daer niet van wisten; daer op wij tot antwoort gaven, dat sulcx buijten onse kennisse was geschiet; evenwel leijde ons een straffe toe, om dat wij van haer uijtgaen niet hadden gewaerschout, yder 50 slagen opde billen; van al 't geseijde den Coninck telckens wiert rapport gedaen, wilde inde 50 slagen niet consenteeren, seggende dat wij door storm ende niet om te rooven ofte stelen op sijn lant gecomen waren, belasten dat sij ons naer huijs souden senden ende aldaer te blijven tot nader ordre. Den stuijrman met den voorn: Weltevree bijden Tarter gecomen ende van alles ondervraecht sijnde, is de saeck bijden Coninck ende Raden soo besteecken dat den Tartersen gesant voor een somma gelts hem liet om coopen, dat de sake aanden groote Cham niet soude openbaren, sorgende dat 't geschut datse op hadden laten duijcken en de goederen souden moeten op brengen; sonden de twee maets weder na de stadt, die terstont inde gevanckenis geworpen zijn alwaer zij na eenigen tijt zijn comen te overlijden, te weten den stuijrman ende bosschieter; wij hebben noijt seeker kunnen vernemen ofse haer eijgen doot gestorven dan van haer om hals gebracht sijn, alsoo geduijrende de gevanckenis bij haer noijt hebben mogen comen ende verboden was [259]. In Junij stont den Tarter weder op zijn comste, worden 't samen bij den veltoverste geroepen, die ons door den voorn: Weltevree van wegen den Coninck aenseijde onder schijn datter op 't Quelpaerts eijland weder een schip was gebleven, den gemte Weltevree door sijn ouderdom onbequaem was, daer nae toe te gaen; datter drie van ons die de spraeck best conde, derwaerts mosten, om te vernemen wattet voor een schip was, soo dat 2 a 3 dagen daer nae een adsistent, den schieman ende een matroos [260] derwaerts vertrocken met een sergiant tot haer geleijder. In Augustij cregen tijdinge van de twee gevangens haer overlijden ende quam den Tarter wederom; wij worden in onse huijsen wel bewaert ende op lijffstraffe verboden daer uijt te gaen voor en aleer den Tarter 2 a 3 dagen vertrocken was; daegs voorde comste vanden Tarter cregen eenen brief behendicht met een post vande voorseijde drie maets, waer uijt verstonden datse op den uijterste Z: houck van 't land in een vastigheijt waren, ende aldaer seer scherp bewaert worden; tot dien eijnde daer gesonden waren, dat bij aldien den Tartaersen Cham sulcx was ontdect geworden ende ons had comen op te eijsschen dat haer gouverneur alsdan soude schrijven dat sij na 't eijland vertrocken ende onderwegen gebleven waren, om haer alsoo te verduijsteren ende in haer lant te houden [261]. [[15]] In 't laetse van 't jaer quam den Tarter over 't ijs weder om sijn tribuijt; den Coninck liet ons als vooren inde huijsen wel bewaren. [1656.] Int begin van 't jaer, alsoo den Tarter daer nu twee mael geweest ende na ons niet vernomen hadden, drongen eenige Rijcxraden ende andere grooten die ons sat waren, hart bij den Coninck aan, om ons van cant te helpen, waer over onder de grooten drie dagen raet wiert gehouden; alsoo den Coninck, des Conincx broeder, veltoverste ende andere grooten (ons toegedaen) seer tegen waren; den veltoverste seijde dattet beter was, eerse ons soude om hals brengen, datse een van ons tegen twee van haer met gelijck geweer soude setten, ende soo lange laten vechten tot dat wij doot waren, dat daermede den Coninck de naem van zijn ondersaten niet soude hebben dat het vreemt volcq openbaerlijck had om 't leven laten brengen, twelcq ons van goede luijden wiert secretelijck geseijt; geduijrende de vergadering was ons belast inde huijsen te blijven; wij niet wetende wat ons nakende was verhaelde sulcx tegens voorn. Weltevree, die simpelijck tegens ons seijde: kent gijlieden nog drie dagen leven, gij sult wel langer leven; des Conincx broeder die als hooft vande vergadering was, wanneer daer nae toe ging ende weder van daen quam, onse buert moste voorbij passeeren, namen hem waer, vielen op 't aengesicht voor hem neder, waer over ons ten hooghsten beclaeghde ende den Coninck zulxs aendienende, hebben alsoo door den Coninck ende sijn broeder tegen het woelen van veele ons leven behouden, wierden bij den Coninck, op 't aendringen van onse wangunstige, dog tot geluck der te recht gecomene, soo sij voor gaven dat wij weder bijden Tarter mochten loopen ende daer meer swarigheijt uijt conden ontstaen, in de provintie Thiellado [262] gebannen, alwaer ons den Coninck uijt sijn eijgen incomst 50 lb rijs smaents toe leijde. Int begin van Maert zijn wij uijt des Conincx stad te paert vertrocken, bijden veelmaelgene Weltevree ende andere bekende tot aende rivier een mijltje buijten de stadt uijtgeleij gedaen. Wij in de schou gegaen sijnde, vertrock geseijde Weltevree wederom naede stadt, zijnde 't laetste dat wij hem gesien ofte seekere tijding van gehoort hebben; wij reijsden den wech tot inde stadt Jeham die opgereijst waren, passerende de selve steden, worden van stad tot stad van eeten en paarden op slants costen versien, gelijck opde boven reijs oocq geschiet was; eijndelijck in de stadt Jeam gecomen sijnde ende aldaer vernacht hebbende, sijn smorgens van daer weder vertrocken, ende quamen smiddaghs in een groote stadt met een fort, genaemt Duijtsiang ofte Thella Penig [263] alwaer de peingse [264] dat is de eerste naest den stadthouder ende overste over de militie van die provintie sijn residentie hout; wij wierden nevens des Conincx brieven bijden sergiant die ons geconvoijeert hadde aanden overste overgelevert; den sergiant wiert terstont belast om de drie maets 't verleden jaer uijt des Conincx stadt gesonden te halen ende bij ons te brengen, waren in een schans daer den vice admirael woont ontrent [[16]] 12 mijl van daer gelegen; gaven ons terstont een lants huijs daer wij met malcanderen woonde, drie dagen daer nae quamen de drie maets mede bij ons, waren doen nog 33 man sterck. In April cregen nog eenige vellen die soo lange op 't eijland gelegen hadde, sijnde van weijnig importantie alsoose niet waerdig en waren om na des Conincx stadt gevoert te worden, maer dese plaets niet boven de 18 mijl van 't eijland ende dicht aende zeecant gelegen, conde gevoegelijck daer gebrocht worden, met welcke vellen wij ons wederom een weijnig in de cleeden staaken ende 't gene in ons nieuwe logiement van nooden hadden versagen; den gouverneur belaste dat wij tweemael smaents 't gras vande marct ofte pleijn voort slants ofte raethuijs mosten uijt plucken ende schoon houden. [1657.] Int begin van 'tjaar wiert den gouverneur ofte overste over eenige fouten die in slants dienst begaen hadde uijt des Conincx last opgehaelt, stont groot perijckel van sijn leven, was vande gemeene man seer bemint, wiert door groote voorspraeck ende door dien van groote afcomste was, vanden Coninck gepardonneert ende daer nae in hooger bedieninge gestelt, zijnde een seer goet man soo voor ons als de inwoonders. In Februarij cregen eenen nieuwen gouverneur, maer niet als den voorgaende, stelde ons dickwils aanden arbeijt; den ouden die ons vrij branthout gegeven hadde, namt ons ten eersten af [265], mosten 't selver soo heen als weer wel drie mijl over 't geberchte halen, twelc seer droevigh viel, dog wierden daer haest van verlost alsoo in September aan een hartvancq quam te overlijden, waer over wij en sijn eijgen volcq om sijn straffe regeringe seer blijde waren. In November quammer van 't hof een nieuwe gouverneur die hem int minste met ons niet en bemoeijde; als wij hem om cleederen ofte yets anders aanspracken gaf tot antwoort dat vanden Coninck geen ander last hadde, dan 't rantsoen van rijs te geven, onse vordere behoeftigheden met 't een of 't ander middel moste soecken; alsoo onse cleederen door 't continueel hout halen waren versleten, den couden winter op handen quam, wij siende dat dese luijden seer nieuwschierig ende om wat vreemts te hooren seer genegen waren, 't beedelen aldaer geen schande is, ons den noot daer toe dwingende, vonden goet met het selve ambacht ons te behelpen, om daer door ende 't overschietende rantsoen ons voor de coude ende van andere nootwendigheden te versien, alsoo wij dickmaels om een hant vol sout tot de rijs te eeten, wel een half mijl souden gelopen hebben, al 't welcq wij den gouverneur voor leijde; dat mede 't hout halen dat aande borgers vercochten, daer wij ons soo lange mede hadden beholpen, door de naecktheijt der clederen, ons meeste mael met rijs en sout met een dronck water daertoe, seer droevig ende swaer viel, ons wilde verloff geven voor 3 a 4 dagen bij buerte ons fortuijn bijde boeren ende inde cloosters (die daer veel sijn) bijde papen te soecken, ende daer mede [[17]] den winter door te brengen, 't welcq hij ons toestont, soo dat door dat middel wederom een weijnigh inde clederen geraeckte, ende de winter over quamen. [1658.] Int begin van 't jaer wiert den gouverneur op ontboden, ende een ander in sijn plaets gestelt; dese nieuwe wilde 't uijtgaen weder beletten ende ons jaerlijcx drie stucken linde [266] (zijnde ontrent 9 gl) geven, daer wij dagelijcx voor soude arbeijden, dog alsoo wij meer aan de clederen soude versleten hebben, behalven 'tgeen van toespijs, hout ende andersints van nooden hadden, het een slecht jaer van graenen, alle dingen zeer costelijck ende duijr was, sloegen zulcx zeer beleefdelijck af, versouckende dat ons bij beurte voor 15 a 20 dagen wilde verloff geven, twelcq ons toestont, te meer om dat een heete zieckte onder ons ontsteeken was, waervan zij een groote afkeer hebben, belastende dat die thuijs bleven, wel op de siecken soude passen ende dat wij ons wel soude wachten in of ontrent de Conincx stadt [267] en de Japanse logie [268] te comen; 't gras uijtplucken ende somtijts wat te arbeijden, wel moste waernemen. [1659.] In April is den Coninck comen te overlijden [269], ende met consent [1660, 1661 en 1662.] vanden Tarter sijn soon tot Coninck in des vaders plaets gecroont; wij continueerde met ons voorgaende behulp, sochten doen ons meeste fortuijn bijde papen alsoo se goet arms [270] sijn, ende ons seer toegedaen waren, voornamentlijck als wij haer den ommegang van onse en andere natie verhaelde, sijnde daer seer begeerig nae om te hooren hoe het in andere landen toe gaet. Indient ons niet verdrooten hadde, soude wel heele nachten daer nae geluijstert hebben. Int begin van 't eerste jaer wiert den gouverneur verlost ende terstont een ander in zijn plaets gestelt; den nieuwen was ons seer toegedaen ende seijde dickmaels soo 't in sijn wil ofte macht stont, dat hij ons weder na ons lant, ouders en vrunden soude senden, gaf ons de vrijheijt ende last, die bijden afgaende gehadt hadde; dit ende het navolgende jaer, was het heel slecht van granen ende ander gewas, door diender geen regen quam, maer Ao 1662 tot dat het nieuwe gewas uijt quam nog slimmer, soo datter veel duijsenden van honger vergingen; conden de wegen qualijck gebruijcken vande struijckroovers; daer wiert door last vanden Coninck op alle wegen stercke wacht gehouden voorden reijsenden man, als mede om de dooden die van honger langs de wegen storven te begraven, gelijck mede om moorden ende rooven voor te comen, alsoo zulcx dagelijcx gedaen wiert; daer wierden verscheijde steden en dorpen geplondert, de Conincx packhuijsen [271] opengebrooken ende de granen daer uijt gehaelt sonder de misdadigers te becomen door dien meest vande grooten haer slaven gedaen wiert; de gemene en arme luijden die int leven bleven was haer meeste spijse akers [272], bast van vuijre boomen ende wilde groente. Sullen nu een weijnigh van de gelegentheijt van 't lant ende ommegangh des volcx verhalen [273]. [[18]] Dit lant bij ons Coree ende bij haer Tiocen Cock [274] genaemt is gelegen tussen de 34 1/2 ende 44 graden; in de lanckte, Z. en N. ontrent 140 a 150 mijl; in de breete O. en W. ongevaerlijck 70 a 75 mijl; wort bij haer inde caert geleijt als een caerte bladt [275], heeft veel uijt stekende hoecken. Is verdeelt in 8 provintie [276] ende 360 steden, behalve de schansen op 't geberghte ende vastigheden aanden zee cant; Is seer periculeus voor de onbekende, om aan te doen, door de meenighte van clippen ende droogten. Is mede seer volckrijck ende can bij goede jaren sijn selffs van alles versien, door de menighte van rijs, granen ende kattoen, datter om de Zuijt wast, daermede sij haer connen behelpen. Heeft aande Z. O. zijde Japan; opt nauwste wijt,--dat is van de stadt Pousaen tot Osacca [277]--ontrent 25 a 26 mijl; tussenbeijde leijt 't eijland 't Suissima of bij haer Tymatte [278] genaemt; dit heeft nae haer seggen die van Coree eerst toebehoort, is inden oorlogh bij accoort aande Japanders gecomen, daer voor die van Coree t Quelpaerts Eijland weder hebben gecregen. Aande West zijde streckt de cust van China ofte bocht van Nanckin; comt aan 't noort eijnde met een grooten hoogen bergh [279] aan een vande noordelijckste provintien van China vast, soude anders voor een eijlant gereekent worden, door dien aande N. O. zijde niet dan een openbare zee is, daer jaerlijcx verscheijde walvissen met harpoens van ons als andere natie int lijff gevonden werden; daer wort mede in de maenden December, Januarij, Februarij ende Maert groote quantitijt van haringh [280] gevangen, die inde twee eerste maenden d'hollantse gelijck zijn, ende inde twee andere maenden cleijnder ofte gelijck d'pan haring in ons lant, soodat nootsaeckelijck een doortocht tussen Coree en Japan nae 't Waeijgat moet zijn, gelijck wij dickmaels gevraecht hebben aande Coreese stuijrluijden die opd'N. oostelijcke quartieren varen, offer om de N. O. nog eenige land was; seijde niet dan een openbare zee te zijn [281]; die van Coree na China reijsen nement int nauste van d'bocht te water, alsoo te lande den bergh des winters door de coude, ende des somers door 't ongedierte seer gevaerlijck te passeeren is; kennen swinters door dien de riviers dan toe vriesen gemackelijck over 't ijs comen, alsoo 't daer soo hart vriest ende sneeuwt, gelijck ons volcq Ao 1662 inde cloosters die in 't geberghte leggen, hebben gesien dat huijsen en boomen waren onder gesneeuwt datse gaten onder d'sneeuw mosten maken om van 't een huijs in 't ander te comen; om boven en om laegh te geraken, binden cleijne planckjes onder haer voeten, daer sij mede op ende nederwaarts weten te rijden, om in de sneeuw niet te sincken; derhalven moeten de menschen haer in dese quartieren met garst, geerst, ende diergelijcke granen behelpen alsoo daar door de coude geen rijs ende cattoen wassen can ende meest vande zuijdelijcke quartieren moet toegebracht worden; soo [[19]] is den gemeenen man haer eeten ende cledinge zeer slecht ende meest in hennippe, linde ende vellen gecleet gaen; in dese quartieren valt den meesten wortel nise [282] die aanden Tarter voor tribuijt opgebracht ende aande Chineese en Japanders verhandelt wort. Wat belangt de authoriteijt vanden Coninck, is daer souveraijn [283], hoe wel onder den Tarter staet; regeert 't land nae sijn believen, sonder sijn Rijcxraden ergens in te gehoorsamen; men heefter geen particuliere heeren ofte eijgenaers van steden, eijlanden ofte dorpen, de grooten trecken haer incomste uijt haer landerijen en slaven, alsoo wij gesien hebben grooten die 2 a 3000 slaven hebben, ooc mede van eenige eijlanden ofte heerlijckheden die haer vanden Coninck gegeven worden, maer soodra zij comen te overlijden, weder aanden Coninck vervallen. Wat de melitie vande ruijters ende soldaten belanght: Inde Conincx stadt sijn ettelijcke duijsenden die vanden Coninck gegagieert worden ende int hoff de wacht houden, als den Coninck uijtrijt medegaen; d' vrijluijden moeten alle 7 jaren inde Conincx stadt d'wacht houden, alsoo elcke provintie sijn soldaten een jaer moet waernemen, ende soo bij buerte omgaet; elcke provintie heeft sijn velt overste, die heeft weder 3 a 4 cornels onder hem, elcke stadts jurisdictie sijn capiteijn die onder de voorsz. cornels verdeelt sijn; elcq quartier vande stadts jurisdictie sijn sergiant, elck dorp sijn corporael ende yder 10 man een hooft; yder moet de namen van zijn volcq altijt op schrift hebben ende jaerlijcx aan zijn meerder opgeven, zoo dat den Coninck altijt can weten hoe veel ruijters en soldaten heeft in sijn landt, die in tijt van noot int geweer moeten comen; de ruijters haer geweer is een harnas met een storm hoet, houwer, pijl en boogh met een vlegel gelijck als in 't vaderlant 't coorn mede gedorst wort, aen 't eijnde met corte ijser pennen; de soldaten sommige met harnas ende storm hoeden van ysere plaetjes ende oocq van hoorn gemaect, hebben musquetten [284], houwers en corte piecks; d'officieren pijl en boogh; elck soldaet moet altijt op zijn eijgen costen 50 schooten cruijt ende soo veel cogels hebben [285]; elcke stadt moet uijt sijn Cloosters onder haer sorterende bij buerte [286] de schansen en vastigheden op 't geberghte op haer eijgen costen te bewaren ende onderhouden; dese worden in tijt van noot mede voor soldaten gebruijct [287], hebben mede houwers, pijl en boogh, houdense mede voorde beste soldaten, sijnde onder opperhooffden vande papen bescheijden, diese mede op schrift heeft, soo dat den Coninck altijt weet hoe veel vrijluijden, 't sij soldaten, oppassers ofte arbeijtsluijden, ende papen in sijn dienst ofte lant sijn. Die tot sijn ouderdom van 60 jaren gecomen zijn, worden van haren dienst ontslagen ende moeten haere kinderen wederom inden selven dienst treden; alle edeluijden