The Project Gutenberg EBook of De Edda, by Frans Berding This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: De Edda Author: Frans Berding Release Date: July 5, 2004 [EBook #12822] Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE EDDA *** Produced by Solar Korenwolf en Jeroen Hellingman De Edda Nederlandsche bewerking van Frans Berding MCMXI Inhoudsopgave Godenliederen De Zending van Skirnir Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg Dwerg Weetal wil vrijen De Roof van den Regendrank Godentwist Vermomde en Roodspeer Hymirs Ketel Het Feest bij Egir Wodan bij de Waarzegster Het Voorspellied Billings Dochter Wodan bij Stormsterk De Wereldzang der Wichelares Een Lied voor Herleving Wodans Runenlied Hoe de Standen ontstonden Heldensagen De Welandsage Helgi, Zwaardwachts zoon Helgi, die Honding doodde De Siegfriedsage Goedroen Ortroens klacht De Zang bij den molen Werklaring van Werk en Inhoud GODENLIEDEREN De Zending van Skirnir Freyer, de zoon van Njord, zat in zijn hooggelegen lichtpaleis, en zag over alle werelden heen. Hij zag neer op Vratenland, waar de ruige reuzen van den winter wonen, en zag er een mooi meisje, dat juist uit het huis van haar vader naar het verblijf van de vrouwen ging. Toen werd hij plotseling zeer ziek in zijn ziel. Skirnir, de drager van het licht, was Freyer's trouwe dienaar. Hem vroeg Njord, dat hij met Freyer spreken zou. Toen zeide Skadi, de vrouw van Njord: --"Skirnir, ga heen, en tracht van onzen zoon te hooren wat hem hindert, vraag hem waarom hij zoo stom en zoo star staart." Toen ging Skirnir naar Freyer. Hij wilde van hem weten, waarom hij alle de dagen zoo eenzaam zat in de lange zaal van zijn zonnezilveren huis. En Freyer vertelde hem het niet te lenigen leed van zijn hart: --"Wel straalt het alfenrad licht door de donkere dagen, maar het lange verlangen van mijn liefde laat het leeg. In het verblijf van den winterreus Gymir heb ik een meisje gezien:--haar blanke armen gaven een glans aan golven en wolken als van schitterende sneeuw. Meer dan ooit een man een meisje beminde heb ik haar lief. Maar geen van de geesten gunt ons bij elkander te komen." Toen stormde Skirnir op Freyers rennende ros, en met zijn stralende zwaard gewapend, door den rossigen nevel van den eindigenden nacht. Hij stormde naar het land van de reuzen en kwam voor Gymirs verblijf. Daar waren woedende honden gebonden voor de opening van het houten hek, dat Gerda's zaal omgaf. Skirnir reed naar den heuvel, waar de wachter zat, die alle wegen bewaakte en op de honden paste. Hij vroeg hem, of hij bij Gerda binnenkomen kon,--maar de wachter weerde hem af. Gerda echter, die door Skirnirs razenden ren, waar de aarde en alle gebouwen van beefden, en door de stemmen der twistenden in haar rust was gestoord, liet Skirnir bij zich komen en bood hem een gastvrijen dronk. Elf gouden appels wilde Skirnir haar geven, en den negenvoudigen, gouden ring, dien Wodan op den brandstapel van Balder wierp, als zij Freyer meer dan alle mannen wilde beminnen. Met de scherpe snede van zijn zonnestraal-zwaard zou hij haar het hoofd afhouwen, wanneer ze niet gewillig was. Maar Gerda wilde de elf gouden appels voor de liefde van een man niet nemen, en in den grond van Gymir had zij goud genoeg. Voor Skirnirs bedreiging beefde zij niet. Toen zeide haar Skirnir: --"Zet u neder, en hoor wat jammer en smarten en winterwee ik zal noemen. De woede van Wodan zal u omvatten en hevig zal de haat van Freyer zijn. Met den tooverdoorn zal ik u treffen, die groeide in het wilde woud: gij zult verstard zijn en verstijfd, en geen oog zal u aanschouwen. Met driekoppige draken zult gij samenleven, altijd gedrukt onder de droefheid zijn. Verdor als de distel in de woning van de winterreuzen,--vreugde zij u vreemd. Hoort het, Vraten, gij winterreuzen, hoort, zonen van Zwelger, gezellen van goden, hoort hoe ik gemeenschap met mannen en ieder beminnen van dit meisje verban. IJsgrim, den reus, zal ze volgen als vrouw naar de poort van de dooden. Drie runen sneed ik in drie berketakken; onmacht, woede en ongeduld;--zooals ik ze insneed, snijd ik ze af, wanneer het mij goeddunkt." Luide riep toen Gerda: --"Heil u, zoon van helden. Neem den ijskelk die van liefdedrank vol is. Nooit dacht ik te dulden, dat een van de Wanen mij werven kwam. Bloesemenland, dat wij beiden kennen, is een windstil woud: daar zal na negen nachten Gerda vol vreugde de vrouw zijn van Freyer." Toen reed Skirnir heen. Buiten voor zijn woning stond wachtend de zoon van Njord, en van verre riep hij Skirnir al aan, vol ongeduld om de tijding te weten: --"Skirnir, hoor, Skirnir. Neem niet het zadel eerst van het paard af,--wat hebt gij bereikt in het land van de reuzen met wat wij beraamden?" Hem antwoordde Skirnir: --"Bloesemenland, dat wij beiden kennen, is een windstil woud: daar zal na negen nachten Gerda vol vreugde de vrouw zijn van Freyer." Toen zeide Freyer: --"Lang is de nacht, lang zijn twee nachten, dringend de drang naar den derde. Zoo dikwijls dacht ik een maand nog minder lang dan, wachtend, verlangend, een halve nacht is." Hoe Dagdrager Goudvreugde verwierf Wodan, de Veelwijze, zat als wachter voor den lichtburcht in het hooge Noorden, waar Goudvreugde de gevangene van den winter was. Een hoog en stevig gestapelde omgording van ijs, die Dondergeschal heet, staat rondom den burcht,--een vlammende gloed van doodsvuren, door Wodan uit de ledematen van den Ruischreus gebrand, laait er rondom. Ze zijn sterk genoeg om stand te houden zoo lang de wereld staat. En om beurten houden Gierig en Gulzig, de wilde honden, de wacht tot de goden vergaan zijn. Eens had een vreemdeling den brandgloed doorbroken en naderde den burcht, waar bedelaars niet lang blijven kunnen. Maar deze liet zich door Wodan niet weren. Want zijn oogen hadden iets schoons gezien, en zoet scheen het hem toe te mogen toeven in de gouden zaal. Koeltewind noemde hij zich, toen de wachter zijn naam vroeg: Lentekoud en Strengkoud waren zijn voorvaderen. Hij wenschte wel te kunnen binnengaan in de zaal, waar het mooie meisje Goudvreugde woonde, die de dochter was van Slaapdoorn's zoon. En hij vroeg aan den wachter of er geen kost was voor de nimmer slapende honden, waardoor ze, vretend, vergaten hun wacht. Veelwijze sprak toen: --"Op Mimirs hoogen boom, die een dak van wolkig loof breidt over heel de wereld, woont Weerhaan in schitterenden schijn. Beide zijn wieken als gebraden bouten zouden een kost zijn, waardoor de honden, vretend, vergaten hun wacht." Toen vroeg hem Koeltewind of er geen wapen was, waarmede hij Weerhaan naar het land van Hel kon zenden. Veelwijze antwoordde: --"Treftwijg is het wapen, dat Weerhaan kan dooden. Bij Sinmara diep onder de harde aarde ligt het gesloten achter een negenvoudig slot." Koeltewind wilde nu weten, of wie er heen ging om die roede te rooven, ontkomen kon;--en welke gave Sinmara vroeg als geschenk. --"Wel kan ontkomen," kreeg hij ten antwoord, "wie erheen gaat om de roede te rooven, als hij de leemgele Aardevrouw geeft wat weinige winnen. In Weerhaans vleugel is een zon-gouden veder. Wie haar die meebrengt als een geschenk, wil zij het wapen zeker geven." Vol verlangen keek Koeltewind naar Goudvreugdes slot: aan alle zijden was het van vloeiende vlammen omslingerd. --"Veelwijze," vroeg hij, "noem mij den naam van het slot, dat van vlammen is omslingerd." --"Vuur," sprak Veelwijze, "is de naam: het zweeft op de stralen als de schitterende spits op een speer: van het heerlijke huis kan men op aarde slechts hooren: verblindend blinkt het voor het oog." Toen wilde Koeltewind nog meer weten: hoe de berg heet, door de bruid bewoond,--en de namen van de dienende maagden,--en of ze hulpe bieden aan wien er om bidt. Veelwijze verhaalde: --"Wie den Kuifberg beklimt en goed den winter doorworstelt, wordt genezen van allen nood. Schutse en Schild en Volkenbeschermster noemt men de maagden, Zachte en Goede, Zilveren en Glans. Wie in den zomer op gewijde plaatsen bede-offers aan haar brengt,--geen ramp is zoo verschrikkelijk of zij zullen hem er van bevrijden." Koeltewind zag weer verlangend naar Goudvreugdes woning en vroeg weer: --"Veelwijze, wil mij nog zeggen: is er een man, die aan Goudvreugdes blanken boezem mag rusten?" En dit was het antwoord: --"Geen man mag aan Goudvreugdes blanken boezem rusten als Dagdrager alleen: lang reeds verbeidt zij haar bruidegom. Toen sprak de vreemdeling: --"Rukt open de deuren,--wijd open de poort! Dagdrager is gekomen. Ga, ik wil weten of Goudvreugde verlangende is naar mijn liefde." Veelwijze ging naar binnen en zeide: --"Goudvreugde, een man is gekomen, zie zelf den gast. De honden likken zijn handen, wagenwijd open vloog de poort. Mij dunkt dat Dagdrager er is." Goudvreugde stond op en zeide: --"Aan de galg zullen gulzige gieren uitpikken beide uw oogen, als ge het liegt, dat de lang verwachte mijn zaal bezoekt." Toen ging zij naar buiten en vroeg aan den vreemde: --"Vanwaar zijt ge gekomen? Langs welken weg? Hoe noemt men u bij de uwen? Uw naam en uw afkomst zullen mij zeggen, of voor u ik bestemd ben als bruid." Ten antwoord sprak de vreemde: --"Dagdrager ben ik. Langs windkoude wegen kwam Zonneberts zoon. Der Norne beschikking kan ook met listen niemand ontloopen." Goudvreugde weende: "Heil, mijn liefde, wees welkom, ik kus u ten groet. Vervulling vond mijn verlangen. Zoolang al zat ik op den lichten berg, dag na dag, kwijnend van kommer, waar de bruidegom bleef. Nu zijt gij bij mij, kwaamt in mijn woning, o, leven van liefde, onverwacht weerzien, gouden geluk." En Dagdrager lachend: --"Mij martelde zoo lang het verlangen naar uw liefde als u martelde het verlangen naar mij. Nu is het beslist; wij zullen eeuwig te zamen blijven." Hoe Thonarr zijn hamer terug kreeg Thonarr, den Dondergod, doorvlamde de toorn, toen hij uit zijn winterslaap ontwaakte en zijn hamer niet vond. Woedend schudde hij zijn woeste haren en waaienden baard, en hij ging aan het zoeken. Toen was zijn allereerste woord: --"Loge, luister, u alleen wil ik het zeggen; op aarde en in den hemel mag niemand het hooren: mijn hamer is weg." Naar Freya's woning gingen zij samen. Daar was zijn allereerste woord: --"Freya, zoudt gij mij uw vederenkleed kunnen leenen,--dan ga ik mijn hamer halen." Freya antwoordde: --"Dat wil ik u heel graag geven, al was het van goud,--ik zou het u leenen, al was het van zilver." Loge vloog heen, het vederenkleed ruischte, hij vloog onvermoeid van Asengaarde tot hij in het Rijk van de Reuzen kwam. Daar zat op een heuvel Thrym, die de vorst van de Dorstigen is. Honden hield hij aan gouden halsbanden, die blonken als de lichte randen om de wolken, en van zijn merries streek hij de manen glad, die fladderden als grauwe nevelflarden in den wind. Toen hij Loge zag, vroeg hij hem, hoe het met de Asen en met de Alfen ging, en waarom hij zoo alleen naar Reuzenland kwam. Loge antwoordde, dat het den Asen slecht ging en den Alfen ook, en dat hij gekomen was om te vragen, of Thrym het wapen verborgen had van den God, die bliksems slingert. Daarop zeide Thrym: --"Goed verborgen houd ik het wapen van den God, die bliksems slingert, zoo diep onder de aarde als in den tijd gemeten acht maanden van den winter zijn. En niemand zal het mij daar ontnemen, tenzij Freya mij gebracht werd als bruid." Loge vloog heen, het vederenkleed ruischte, hij vloog onvermoeid van het Rijk der Reuzen tot hij in Asengaarde kwam. Daar stond Thonarr in den voorhof, en toen hij hem komen zag, was zijn allereerste woord: --"Zeg, Loge, volbracht gij uw taak even voorspoedig als uw tocht? Vertel mij alles van verre: wie zit verzuimt soms iets te zeggen, en leugens verzint men als men ligt." En Loge verhaalde, dat hij zijn taak even voorspoedig volbracht had als zijn tocht: dat Thrym, der Dorstigen vorst, den hamer had, maar dat niemand hem dien zou ontnemen, tenzij Freya hem gebracht werd als bruid. Weer gingen zij samen naar Freya's woning. Daar was zijn allereerste woord: --"Bruidslinnen, o Freya, zult gij om de leden u hangen: samen reizen wij dan naar het land van de Reuzen." Maar Freya werd zoo woedend, dat onder haar toorn de burcht der Goden stond te beven, en dat haar halssieraad van gevlochten goud in stukken vloog. En ze sprak: --"Gek wel moest ik zijn op mannen, als ik meeging naar het Rijk der Reuzen." Nu gingen de Goden en Godinnen allen te zamen in beraad, hoe men den Dondergod toch weer aan zijn hamer kon helpen. Het eerste sprak Helderwit, die de glanzendste van alle Goden is, en, wijs als een Wane, de toekomst kan zien. En hij zeide: --"Bruidslinnen zullen wij Thonarr om de leden hangen, hem tooien met het halssieraad van gevlochten goud, en aan zijn zijde laten wij een ring met sleutels rinkelen. Vrouwekleeding omgolve zijn knie, zijn borst bedekken schitterende steenen en sierlijk zij hem het hoofd gekroond." Thonarr sprak, de sterkste der goden: --"Verwijfd zullen de goden mij vinden en uitlachen mijn lafheid, als bruidslinnen mij om de leden hangt." Maar Loge antwoordde hem, dat het nu de tijd niet was om zulke dingen te zeggen, en dat de reuzen Asgard ras bestormen zouden, als hij niet spoedig zijn hamer had. De Goden hingen nu Thonarr bruidslinnen om de leden, tooiden hem met het halssieraad van gevlochten goud en lieten aan zijn zijde een ring met sleutels rinkelen. Vrouwekleeding omgolfde zijn knie, zijn borst bedekten schitterende steenen en sierlijk werd hem het hoofd gekroond. Slimme Loge wilde als dienares met hem mee, en te zamen met hem naar Reuzenland reizen. Vlug werden de bokken naar huis gehaald en voor den wagen gespannen, ijlings renden ze heen. Rotsen spleten, vonken spatten op den weg, dien Wodans zoon naar Reuzenland nam. Toen Thrym hem daar van verre zag aankomen, riep hij luide: --"Reuzen staat op, en rangschikt de zetels: Freya brengt men mij tot vrouw. Drijft naar huis mij de koeien, die zwart zijn als wolken en wier hoornen lichten als goud: vele schatten bezit ik, alleen ontbrak mij nog Freya als bruid." Het was nog vroeg in den avond, toen de gasten bijeen kwamen. Ook kwam er de oude wintergrauwe zuster van den Reus. Die bedelde een bruidsgeschenk: --"Geef mij de graangouden ringen, die glinsteren aan uwe handen, als gij mijn liefde en gunsten verwerven wilt." Veel schuimend bier werd er op het feest geschonken. Thonarr alleen at een os en acht zalmen, en alle koeken, die men klaar gezet had voor de vrouwen, en hij dronk drie emmers mede leeg, hij alleen. Thrym vond dat vreemd, en hij zeide: --"Nog nooit heb ik een bruid zoo gulzig gezien, en geen meisje ooit zooveel mede zien drinken." Maar de sluwe dienares, die aan zijn zijde zat, antwoordde geslepen: "Acht nachten lang gunde Freya zich geen eten: zoo hunkerde haar hart naar Reuzenland." Thrym, die zijn bruid wilde kussen, lichtte nu verlangend haar sluier op. Bijna stoof hij van ontsteltenis de zaal uit en zeide: --"Wat vreeselijk flikkeren Freya's oogen! Als bliksem brandt haar blik!" Maar de sluwe dienares, die aan zijn zijde zat, antwoordde geslepen: --"Acht nachten lang heeft Freya's oog geen slaap gesloten: zoo hunkerde haar hart naar Reuzenland!" Toen stond Thrym op, der Dorstigen vorst, en sprak: --"Brengt mij den hamer om de bruid te wijden, legt Mjoelnir in den schoot van de maagd: dat een onverbreekbaar verbond ons verbinde." Wat lachte van vreugde Thonarrs sterke hart, toen hij zijn bliksemhamer herkende! Thrym trof hij het eerst, daarna versloeg hij gansch het geslacht der Reuzen, heel de bende beukte hij neer. En ook de wintergrauwe Reuzenzuster, die om een bruidsgeschenk gebedeld had, werd door den moker vermorzeld: van Mjoelnir kreeg ze mooie munten--graan-gouden ringen gaf haar de hamer. Zoo kreeg Thonarr zijn hamer terug. Dwerg Weetal wil vrijen Toen Thonarr eens uitgereden was naar het Oosten en den zomer medegenomen had op zijn tocht, was zijn dochter, het vruchtbare zaad, alleen achtergebleven in de macht van de krachten, welke onder de aarde wonen, en een van de dwergen had zich met haar verloofd. De goden hadden dit goed gevonden, want geen van allen had zich om haar bekommerd, acht maanden lang. Zoodra Thonarr terugkwam van zijn reis ging de dwerg naar diens woning om zijn bruid te halen. De banken in zijn steenige aardehuis had hij laten versieren met mos en jonge sprietjes, opdat er een aangename rustplaats voor zijn bruid zou zijn. Thonarr echter zeide hem: --"Wie ben je, bleeke kerel, heb je vannacht naast lijken gelegen? Mij dunkt, dat er iets van reuzenruwheid steekt in je ziel. Hoor eens, jij bent voor die bruid niet geboren." Dat viel den dwerg lang niet mee. Hij had gedacht, dat niemand zich verzetten zou tegen wat de goden toch hadden goed gevonden, en nu stootte hij op de stugheid van den vader, die hem geen toestemming wilde geven,--en het meisje nog veel minder. Hij zeide: --"Weetal ben ik,--in het gesteente staat mijn huis,--door negen werelden ben ik gewandeld--wat verborgen was werd mij bekend,--kom, schenk mij uw sneeuwschoone dochter." Toen sprak Thonarr: --"Welnu, Weetal, ge kunt haar winnen, als ge mij zeggen zult wat uit iedere wereld ik wensch te weten." Daarover was Weetal zeer verheugd. Vol vertrouwen op zijn sluwheid wreef hij zich de handen, ongeduldig verwachtend wat Thonarr wel vragen zou. --"Zeg mij," sprak deze,--"o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld de aarde genoemd?" Weetal antwoordde hem: --"Aarde bij de menschen, bij Asen veld, weg noemen haar de Wanen. De Reuzen zeggen: immergroen, Alfen: begroeide, omlaag-wonende dwergen spreken van slijk." Ten tweede vroeg Thonarr: --"Zeg mij, Weetal,--o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld de hemel genoemd?" En Weetal zeide: --"Hemel bij menschen, bij goden beschutting, windwever zeggen de Wanen. Van hoogwereld spreken de Reuzen, van glinsterdak Alfen, dwergen van druip-zaal." Toen vroeg hem weer Thonarr: --"Zeg mij, Weetal--o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld de maan genoemd?" En Weetal gaf ten antwoord: --"Maan bij menschen, goedlicht bij goden, in Hel rollend rad, renner bij Reuzen, jaarmaat bij Alfen, wij, dwergen, zeggen maar: schijn." Weetal was zeer tevreden over alle antwoorden, die hij gaf. Heimelijk verheugde hij zich, dat hij den sterken God zoo te pakken had, en reeds dacht hij diens dochter bij zich in het gesteente thuis. Maar Thonarr was met zijn vragen nog niet klaar. Ook van de zon wilde hij weten, hoe ze genoemd werd in iedere wereld, van wolken en wind. En naar de namen van de zee en van het zaad en van het vuur vroeg hij den dwerg. Toen hij hem al deze dingen had gevraagd, en Weetal op alles had geantwoord, vol ijver en vreugde, en verwaand op zijn wijsheid, keek Thonarr tersluiks naar het Oosten, toen weer naar den dwerg. In het Oosten was het nog donker--en Weetals gezicht grijnsde van genot. Toen ging Thonarr weer verder met vragen: --"Zeg mij, Weetal--o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen,--met welken naam wordt in iedere wereld de luwte genoemd?" En Weetal antwoordde: --"Luwte bij menschen, bij goden rust, windstilte noemen haar Wanen, zoelte de Reuzen, de Alfen sluimer, dwergen: kalme-dag." Toen Thonarr weer: --"Zeg mij, Weetal,--o, ik twijfel niet, of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld de nacht genoemd." En Weetal: --"Bij menschen nacht en nevel bij goden, masker bij wijze Wanen, lichtloos noemen de Reuzen hem, slaaplust de Alfen, wij, dwergen: wever van droomen." Thonarr keek weer naar het Oosten, waar nu een lage lichtstreep lag. En glunder gluurde de dwerg of zijn bruid niet gebracht werd. Nogmaals vroeg Thonarr: --"Zeg mij, Weetal,--o, ik twijfel niet of ge zult het mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld het woud genoemd?" --"Woud bij de menschen, manen des velds bij de goden, Hel noemt het heuvelriet, Reuzen noemen het brandstof, hout heet het bij Wanen, en Alfen spreken van siertuin." Weer keek Thonarr naar het Oosten--er kwam al blanke glans--en de bleeke dwerg wachtte op verdere vragen. Toen sprak Thonarr: --"Zeg mij nu nog,--o, ik twijfel niet of ook dat zult gij mij zeggen--met welken naam wordt in iedere wereld het bier genoemd?" --"Bier," sprak Weetal, "zeggen de menschen, brouwsel de goden, Wanen: roes. Reuzen noemen het klaarnat, de Dorstigen: dronk, in Hella noemt men het mede." Toen schoot over den heuvel ten Oosten de eerste zonnestraal, die dwergen versteenen doet. En Thonarr lachte, lachte, dat zijn baard er van beefde:--"Wondere wijsheid heeft je mond mij verkondigd,--meer kennis ontmoette ik nooit. Domme dwerg, dien mijn list misleidde, kijk, daar straalt de zon, verstard stuk steen." De Roof van den Regendrank Wodan was eens uit Walhalla weggegaan om den verjongenden drank van den lenteregen weer terug te halen, dien de Reuzen hem ontstolen hadden en in den harden winterbodem hielden verborgen. Lang reeds hadden de goden uitgekeken, of Wodan nog niet wederkeerde, tot eindelijk een vogel hun heilige hallen binnenvloog. De vogel gaf hun overvloedigen drank en de goden verheugden zich zeer. Want het was Wodan zelf, die zoo tot hen teruggekomen was. Toen verhaalde hun Wodan: --"Daar ben ik dan terug van den berg der Reuzen. Heel wat woorden werden er gewisseld in de zaal van den ouden Drinker. Want zwijgen zou in het geheel niet helpen. Doorbek, de slang, liet ik door den berg knagen: zelf kroop ik toen door het gat. Ik dacht leven en lijf te zullen verliezen, want boven en beneden was de berg van Vratenholen vol. Nooit zou ik ook uit het rijk van de Reuzen ontkomen zijn, als de aardevrouw Strijdvreugde niet goed voor mij was geweest, en als zij haar armen niet om mijn hals had geslagen. Want wij zaten beiden op een gouden zetel, en zij gaf mij te drinken haar kostelijken drank. Spoedig vloog de vogel Vergeten door de zaal;--ook mijn verstand ging fladderen, en ik werd zoo licht als een wolkenvogel. Toen heb ik heel het vat leeggedronken--dat was mijn vergelding voor Strijd vreugde's gunst. Zoo had ik vreugde bij het drinken. Zoo haalde ik de vreugde tegelijk met den drank naar huis." Godentwist In den tijd van de zomeronweders, toen Thonarr van zijn reis naar het Oosten wederkeerde, kwam hij voor een heel breed water. Aan den anderen oever stond een veerman met een schip. Thonarr riep tot deze: --"Wat voor een kerel is die kerel aan den anderen kant van het water?" De veerman, die hem hoorde schreeuwen, riep tot hem terug: --"Wat voor een man is die man, die zoo verschrikkelijk schreeuwt?" De veerman droeg een mantel, die zoo blauw was als de hemel. Hij had slechts een oog, maar dat eene oog was zoo licht als de zon. Want de veerman was Wodan. Hij noemde zich echter niet Wodan, maar Haarbaard, om den langen baard, dien hij droeg, en die hem omsluierde, zooals regenwolken de zon omsluieren en den helderen hemel. Thonarr zag er uit als een boef, en Haarbaard sprak tot hem: --"Ik geloof, dat gij geen drie dingen bezit;--beware! ge hebt niet eens een broek aan." Maar Thonarr wilde, dat de veerman hem over het water zou halen, en hij vroeg hem, wien het schip behoorde, waarop hij voer. --"Strijdwolf," sprak Haarbaard, "heeft mij dat schip gegeven. Maar boeven en dieven mag ik niet overbrengen,--alleen eerlijke lieden. Noem mij ten minste je naam, als je met mij wilt varen." Toen noemde Thonarr zijn naam. Hij vertelde, dat hij de zoon van Wodan was en de vader van Macht, en dat hij reus Berggevaarte gedood had. En hij vroeg aan Haarbaard wat deze had gedaan. --"Vijf volle winters," sprak Haarbaard, "was ik op een eiland, dat Altijdgroen heet. Daar heb ik met vijanden gevochten, maar veel meer nog met meisjes gestoeid. Dat waren vroolijke vrouwen, en door list werd ik haar aller verleider. Bij zeven zusters heb ik geslapen: zij behoorden mij met lichaam en ziel. Wat deed Thonarr ondertusschen?" --"Thiassi, den sterken stormreus," antwoordde Thonarr, "heb ik verslagen. Zijn oogen slingerde ik als sterren tegen den hemel. Daar zijn ze een bewijs van mijn werk, dat alle menschen vermogen te zien. Wat deed Haarbaard ondertusschen?" Deze vertelde: --"Vrouwelijke ruiters, die reden door den nacht, wist ik listig tot liefde te verlokken. Zeestrand, de reus, gaf mij daartoe een tooverdoorn, maar ik ontstal hem zijn verstand. Wat deed Thonarr ondertusschen?" --"Ik," sprak Thonarr, "was in het Oosten om Reuzenvrouwen uit te roeien. Als ze allen bleven leven, zou dat booze volk veel te talrijk worden, en Midgaarde ware voor menschen niet meer te bewonen. Wat deed Haarbaard ondertusschen?" --"In Vechtland," zei Haarbaard, "heb ik voor gevechten gezorgd; de vorsten stookte ik op tot den strijd. Edelen zijn het eigendom van Wodan,--knechten komen Thonarr toe." Toen werd Thonarr vertoornd, en hij zeide, dat alles onder de Asen slecht verdeeld zou zijn, wanneer Wodan over zoo iets gewichtigs naar willekeur kon beschikken. Maar Haarbaard bespotte Thonarr op zijn beurt en zeide: --"Herinnert de sterke Thonarr zich nog hoe hij zich eens in een handschoen verborg en van angst niet durfde ademhalen? Dat moest de bergreus eens weten!" En toen Thonarr dreigde hem te zullen dooden, als hij aan den anderen kant van het water komen kon, ging Haarbaard voort: --"Blijf maar daarginds,--wij hebben niets met elkander te maken. Zeg zoo maar, wat Thonarr deed ondertusschen." --"In 't Oosten," sprak Thonarr, "stond ik op wacht aan het water. Daar kwamen verschrikkelijke Reuzen op mij af, bestormden mij met een hagel van steenen. Maar hun vreugde was kort, want zij vroegen mij weldra om vrede. Wat deed Haarbaard ondertusschen?" --"Ik was ook in het Oosten," zei Haarbaard, "maar om met een vrouwtje te vrijen. Ik schertste en stoeide met het sneeuwblanke schepsel; 't kind was gelukkig met mijn gunst. Wat deed Thonarr ondertusschen?" --"Op een eiland, midden in de zee, heb ik reuzenvrouwen overwonnen: dat was een boos gebroed, waardoor veel volk schade leed." Haarbaard onderbrak hem, en zeide dat het zeer onwaardig werk was met vrouwen te vechten. --"Wolvinnen waren zij," schreeuwde Thonarr, "dat waren geen vrouwen. Zij beschadigden mijn schip, dat ik op stutten had gezet, verdreven mijn dienaar, en kwamen met knotsen op mij af." --"Zoo!"--zeide Haarbaard. "Maar ik zal je eens wat zeggen; bij Sippia, je vrouw, zit een man op bezoek. Wanneer je misschien met hem zoudt wenschen te vechten,--je kunt er je krachten aan meten." Toen zeide Thonarr: --"Alles wat voor je mond komt meen je te moeten zeggen, als je mij maar krenken kunt. Maar nu weet ik, dat je liegt!" --"Waarachtig niet," antwoordde Haarbaard,--"ik heb niets dan de waarheid gesproken. Ga nu maar spoedig op weg. Je kunt in je schunnige kleeding heel ver komen, zonder dat iemand je kent." Thonarr zeide, dat hij al veel te lang was opgehouden, en hij vroeg, dat Haarbaard hem nu met zijn boot over het water zou brengen. Haarbaard echter zeide lachend: --"Ik dacht, dat Thonarr zich door geen veerman ophouden liet. Maar ga gerust weg van het water, want ik denk er niet over je hierheen te halen. Wel wil ik je den weg even wijzen. Loop een uur in die richting tot bij een paal;--dan nog een uur tot waar een steen staat. Sla dan links af: in dat land zult ge je moeder Aarde ontmoeten. Die zal je verder den weg wel wijzen naar de landen van Wodan. Je kunt er vandaag nog gemakkelijk komen." Toen zeide Thonarr: --"Laten wij het gesprek maar verbreken. Spotten is toch het eenige wat je kunt. Maar pas op, als wij elkander ooit weer ontmoeten,--dan zal je weigering hevig worden gewroken, hoor!" Toen ging hij heen. Maar Haarbaard riep hem van verre nog na: --"Ga jij maar gerust met heel je gedoe naar de booze geesten. Dag Thonarr!" Vermomde en Roodspeer Koning Rauthung had twee zonen. Hun namen waren Geirrodh, dat Roodspeer beteekent, en Agnar, de Ander. Eens, dat zij uitgevaren waren om met den hengel te visschen, werden zij overvallen door een hevigen wind. De storm stuwde hun boot voort over de wijde zee, totdat zij in een donkeren nacht op een vreemd land strandden. Daar werden zij opgenomen door een man en eene vrouw, die in de nabijheid een hut bewoonden, en zij bleven er heel den winter. De vrouw zorgde voor Agnar, de man echter voor Roodspeer en hij leerde hem vele sluwe dingen. Toen het voorjaar gekomen was brachten de oudjes hen naar het schip, dat de man hun gegeven had. De man liep met Roodspeer alleen. Voor gunstigen wind voeren toen beide de broeders voorspoedig naar het rijk van hun vader. Roodspeer stond op het schip vooraan. Maar als zij aan het land gekomen waren sprong Roodspeer vlug aan wal, stiet het schip terug in de zee en riep tot zijn broeder: "Vaar ver weg in zee waar booze geesten zijn, die je halen." Ver weg in zee dreef het schip en Roodspeer ging naar den koningsburcht, waar hij goed ontvangen werd. Zijn vader was er pas gestorven en Roodspeer was machtige koning van toen af aan. Wodan en Frigga zaten op den hoogzetel in Asengaarde en zagen over alle werelden heen. Toen sprak Wodan: --"Ziet gij hoe Agnar, uw pleegkind, met een reuzenvrouw in het hol kinderen verwekt?--Roodspeer echter, mijn pleegkind, is koning in zijn land." Hem antwoordde Frigga: --"Maar een boosaard is hij, die zijn gasten plaagt, omdat hij bang is, dat er te veel zullen komen." Wodan echter zeide, dat dit een groote leugen was, en zij gingen beiden een weddenschap aan. Toen zond Frigga haar dienares Fulla, die haar overvloed van sieraden verzorgde, naar Roodspeer om hem den raad te geven heel voorzichtig te zijn met een tooverkundig man, die in zijn land was gekomen. En dit gaf zij hem als een kenteeken: dat geen hond, hoe woedend ook, het wagen zou tegen dien man te blaffen. Eigenlijk was het een groote onwaarheid te beweren, dat Roodspeer niet gastvrij was, maar nu liet hij den man gevangen nemen, tegen wien de honden niet blaffen durfden. Deze man droeg een langen blauwen mantel en noemde zich Grimnir, Vermomde. Maar meer zeide hij niet over zichzelf, hoe men ook vroeg. De koning liet hem toen pijnigen om hem aan 't spreken te krijgen en hij plaatste hem tusschen twee wolken van vuur. Daar zat hij acht nachten lang. Koning Roodspeer had een zoon, die tien winters oud was en dien hij Agnar noemde, naar zijn broeder. Agnar ging naar Vermomde en gaf hem een hoorn vol drank en zeide, dat de koning er heel erg slecht aan deed hem zoo pijn te doen zonder schuld. Vermomde dronk den hoorn leeg. Toen was het vuur zoo ver gekomen, dat zijn mantel al brandde. Vermomde sprak: --"Vretende vlammen, wijkt terug. Reeds rooken mijn kleeren, mijn mantel verschroeit. Acht nachten al toef ik tusschen die vuren,--en niemand, die mij drinken gaf als Agnar alleen. Agnar zal koning zijn in de landen van Roodspeer." Toen verhaalde Vermomde de wonderen van het worden der wereld voor allen tijd: --"Uit het vleesch van Ruischreus werd de aarde geschapen, de zee uit zijn zweet, uit zijn beenderen de bergen, uit zijn haren de boomen, uit zijn tanden het gesteente. Om Midgaarde, waar de menschen wonen, bouwden de goden uit zijn wenkbrauwen een hechte verschansing tot stevigen steun, zij spanden van zijn schedel hoog den hemel, wierpen zijn hersenen als wolken in de lucht. Daar draven hijgend over wolkenwegen Vroegop en Vlugvoet voor den wagen van de zon. Viel het schitterende schild, dat de zon beschermt, dan vlogen bergen en branding in vlammenden brand. Skoell, de wolf, snelt achter de zon tot in de schuimende zee, wild voor haar uit rent Hati langs den weg. Ook bouwden in oude dagen Innewoonds zonen het wondere schip voor de zon: dat is het snelste van alle schepen,--Schrikesch van alle boomen de eerste,--Wodan de grootste van alle goden,--Sleipner het vlugge, vliegende paard,--Bifrost de kunstigste van alle bruggen,--Bragi van alle zangers de beste,--Habrok de havik,--Garm de hond ... Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren. Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen." Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van den wereldboom, die groeit door alle tijden: --"Schrikesch lijdt meer schade dan de menschen weten. Hol wordt het hout. Want van de kruin knabbelen herten de knoppen, aan de wortels knagen de kaken van Nijdhaag, den draak. En Knaagtand, de eekhoorn, rent op en weer neer staag langs den stam,--woorden van Arend, die hoog in den top zit, vertelt het aan Nijdhaag, den draak. Meer monsterige maden dan menig man meent woelen krioelend om den voet van Schrikesch. Elkander omslingerend in 't slijmerige graf slurpen ze, slapend, het sap uit de wortels. Drie wortels zijn er, die naar drie zijden dringen, tot boven Helleland de eene, een andere tot het land der Reuzen, de derde tot waar de menschen wonen. Vele zijn de stroomen, die aan Schrikesch' stam ontspringen. Stormen stuwen de golven, die volken omvatten, naar het land van de menschen en veel verder naar Helleland heen. Stroomen, die aan Schrikesch' stam ontspringen, koele, krachtige, wielende wateren vloeien den hoogheiligen Asen toe. Thonarr waadt dagelijks door het water, als hij daar daalt naar den raad aan den Schrikesch. Dan gaat hij over de brandende godenbrug, waar fel vlamt flakkerende gloed. Daarheen rijden ook alle de goden om te beraden, iederen dag. Goudig van glans zijn de paarden der Asen, stevig van stap,--vlug vliegen ze op hunne lichte hoeven, zilver waaien de manen in den wind ... Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren. Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen." Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van de woningen der goden boven alle tijden: --"Hoog voor mijn oogen ligt het liefelijke land van Asen en Alfen. Thonarr zit in Krachtland ten troon tot de goden vergaan. Vijf honderd-en-veertig zalen weet ik in Bliksemflits' huis. Hooger dan alle huizen, die met daken gedekt zijn, is de zaal van mijn zoon. In Vochtendal heeft de sneeuwwollige Uller zich een burcht gebouwd. Alfenland gaven de Asen aan Freyer bij 't doorbreken van den eersten tand. De derde bouw is met zilver gedekt. Lentezaal was reeds lang geleden voor den hoogen Ase een zetel. Koele wateren spoelen door Storteschuim, waar Wodan en Sage dagelijks drinken uit bekers van goud. In Vreugdeburcht, de vijfde der vesten, glinstert het goud van Walhall: daar komen tot den heerscher de helden, die door staal werden gedood. Thiassi, de stormreus, woonde in Donderland ooit,--de zesde der goddelijke zalen. Maar sedert Skadi, zijn dochter, bruid werd van Njord, is zij in het bezit van den burcht. Ten zevende Schitteringszaal, het smettelooze huis, dat Balder zich bouwde. Helderwit woont in Hemelenburcht, ten achtste, als wachter van de goden. Om menigen dronk mede verheugt hij er zich. Volkerenveld, de negende woning, is Freya's bezit; uit degenen, die in den strijd zijn gevallen, kiest zij zich gasten; het andere deel komt Wodan toe. Forsete richt rechtvaardig alle twisten in zijn Glinsterhuis--het tiende.--Op gouden zuilen steunt een zilveren dak. Noatun is het hooge huis waar Njord heerscht, als machtige koning van mannen. Wijdwoud, ten twaalfde, is Widars woning. Gras groeit welig waar hij van het paard springt om zijn vader te wreken ... Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren. Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen." Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wonderen van Walhall: --"Vijfhonderd-en-veertig poorten weet ik in Walhall,--achthonderd verheerlijkte helden komen uit elke poort om den wolf te bevechten. Al wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: speren zijn er de spanten, schilden het dak en pantsers staan op de banken. Al wie tot Wodan komt en de zaal ziet, kan haar gemakkelijk kennen: een wolf hangt voor de westelijke deur, daarboven zweeft een arend. Donderstroom dreunt daar rondom en de vloed is niet te doorwaden. Voor de heilige poort in het water staat Walgrind, het hek: eeuwen is het oud en weinigen weten hoe het slot sluit. Luchtkok kookt in Vuurketel den zonne-ever, die Zeezieder heet: de edele ever in de spijs in Walhalla, maar weinigen weten, waarmee men zich voedt. Gierig en Gulzig, de wolven Wodans, krijgen het eten van den koenen kampheld, die de legers leidt,--want Wodan zelf drinkt slechts wijn. Herdenken en Denken, de raven, vliegen iederen dag over de aarde: Denken keert, vrees ik, niet terug,--meer bang nog ben ik voor Herdenken. Eikdoorn heet het hert, dat in Heervaders huis aan de boomknoppen knabbelt; van zijn gewei druipen aldoor druppels naar Ruischkolk, waar de stroomen ontspringen. Heidroen heet de geit, die in Heervaders huis aan de boomknoppen knaagt; in schalen schenkt zij schuimenden dronk voor de helden. Slagvaardig en sterk zijn de meisjes, die mede schenken aan de heilige helden, en mooi; schitterend haar schilden, haar lansen lang, en helmen dekken het hoofd. Ook mij bieden zij den beker... Zegen van Uller en aller goden goede gunst voor wie wegneemt de vlammende vuren. Neemt weg mij dien ketel, dat uitzicht weer hebben op aarde de Asen." Maar Roodspeer wilde niet dat de vuren weggenomen werden. Toen verhaalde Vermomde de wondere namen van Wodan: --"De Dolende heet ik, de Wijze en Heer; Vlammenoog ben ik, Bliksemoog, Blindmaker van menschen, Langbaard en Haarbaard, Verwarder, Verwoester, Vader der zege, Brenger van slaap. Bevende ben ik en Bruller, Waaiende, Lucht, Ziedende, Zee, Brander en Oorlogsman, Windrig en Wensch, Goede en Gouden, Stormheer, Regengod, Waarachtig en Stout. Hoog heet ik, Evenhoog, Derde en Donderaar, Watergeest, Wakker en Bries. Sleeper was ik toen ik sleden sleepte, Sluwe in 't geding, Speerespits voor tegenpartij, Vermomde was ik bij Roodspeer. Nu ben ik Wodan geworden." Koning Roodspeer zat, en hield het zwaard halfuitgetrokken op zijn knieen. Toen hij nu hoorde, dat Wodan er was, stond hij op en wilde de vuren van hem wegnemen. Maar zijn zwaard viel, het gevest naar beneden. Koning Roodspeer struikelde en de punt van het zwaard stak hem een doodelijke wonde. Toen zeide Wodan: --"Roodspeer, hebt gij te veel mede gedronken? Vele dingen leerde ik u, maar gij hebt niet geluisterd: nu zie ik rood en rookend van bloed het zwaard van mijn lieveling liggen. De gaven van goden hebt gij verbeurd, de gunst van Walhalls heilige helden en Wodan verloren. Nu kunt gij Wodan zien: Vermomde was een Verschrikker. Komt, goden, het heil is verschenen, komt in de zaal van den Zomerzeegod: het oogstfeest gaan wij er vieren. En Agnar, heil u, heil wenscht u de heerscher van helden; nooit zal een dronk nog met grooter gunsten worden vergolden." Toen ging Wodan heen en Agnar werd koning in de landen van Roodspeer voor zeer langen tijd. Hymirs Ketel Toen de goden aan den maaltijd wilden gaan, bemerkten zij, dat de groote ketel van Egir, hun gastheer, weg was, en er dus geen drank kon worden bereid. De anders zoo vroolijke rotsbewoner was nu met droefheid, als met een nevel, omsluierd. Nergens konden de goden zijn ketel ontdekken, totdat Tyr vertrouwelijk Thonarr in het oor fluisterde: --"Ver in het Oosten, waar de hooge hemel met het wilde water samen komt, daar woont Hymir, de wijze. Een geweldig-grooten en stevigen ketel bezit er mijn vader. Als wij er heen gaan en het listig aanleggen, zullen wij dien wel medenemen." Zij reden samen weg, reisden een heelen dag lang, en kwamen eindelijk, ver van Asengaarde aan de oostelijke zee. Daar gingen zij de hallen van Hymir binnen en ontmoetten er de grootmoeder van Tyr, die negenhonderd hoofden had, en zijn moeder, om wie een glans van goud lag als zonnegloed om barre bergen. Toen Hymir naar huis kwam, verborg Tyr's moeder de beide gasten onder de vele ketels, die opgestapeld lagen in de hal, "want"--zeide zij --"mijn lieve man is menigmaal slecht van humeur, en dan niet erg gul voor gasten." "Heil Hymir"--sprak ze, toen deze, met ruig bevroren baard, zwaar de zaal in stapte,--"heil! Wees welkom in onze woning en goed zult gij voor gasten zijn. Want onze zoon is gekomen, dien wij zoo lang verwachtten,--en onze roemrijke vijand, de weldoener van de menschen, kwam met hem mee. Op het eind van de zaal, daar achter die zuil, zijn zij verscholen." De zuil barstte voor de blikken van den reus, en de balk, die er op steunde, brak. Acht ketels vielen omlaag, maar slechts een, die het hardste was gehamerd, kwam heel naar beneden. Hymir had een bang vermoeden, waarom de sterke bestrijder van de reuzen wel tot hem gekomen kon zijn. Nochtans liet hij drie stieren uit de stallen halen en gereed maken voor het maal. Thonarr at er twee van op. Daardoor was de reus wel eenigszins gerustgesteld en hij zeide: --"Morgenavond moeten wij drieen maar ieder voor onzen eigen kost zorgen." Thonarr zeide, dat hij wel wilde gaan visschen, als Hymir zorgde voor het aas. Maar deze antwoordde hem: --"Kunt gij, die bergvolkeren overwint, niet zorgen voor uw eigen aas? Ga naar de kudde: ik dacht, dat gij aan de stieren gemakkelijk aas zoudt ontnemen." Toen stond Thonarr op, liep naar het woud, greep er een os en brak hem den kop af. Den volgenden avond voeren zij in een boot uit op zee. Terwijl de sterke reus voor zich alleen twee walvisschen ophaalde aan den hengel, bond Thonarr, die glimlachte in zijn rooden baard, een lange lijn aan de boot vast, bevestigde er den kop van den os aan en liet dien in het water zakken. Daar in de diepte hapte de door alle goden gevloekte slang, die de landen omslingert, met gapende kaken vratig naar het aas. Geweldig rukte Thonarr toen door het scheurende water en sloeg den draak aan boord van de boot, beukte bonzend zijn hevigen hamer het beest op den schedel. Rotsen dreunden, bergen beefden, en het ondier zonk weer terug in de zee. Toen roeiden zij naar het land. Met vaste vuist hield de reus het roer en hij sprak geen enkel woord, totdat zij aan het land gekomen waren. Daar zeide hij tot Thonarr: --"Het zware werk moeten wij deelen:--wilt gij de walvisschen naar mijn woning brengen, of draagt gij liever de boot?" Thonarr greep de boot, droeg haar, met al het water dat er in was en de roeispanen en alles, en sleepte tegelijk ook de walvisschen door het woudrijke dal naar de woning van Hymir. Thuis was de reus weer vol trots, en verwaand sprak hij tot Thonarr: --"Hoe machtig een man ook moge roeien,--als hij dezen beker niet breken kan is hij toch zwak." De bliksemslingeraar greep den beker, smeet hem tegen de stukgruizelende steenen, wierp hem met woeste kracht tegen de stevige pijlers, die braken als riet,--maar altijd weer nam Hymir den beker heel van den bodem. Toen fluisterde het mooie vrouwtje van den reus Thonarr een bevrijdend geheim in het oor: --"Werp hem tegen Hymirs hoofd,--dat is harder dan de hardste beker." Al zijn godenkrachten vergaarde Thonarr en spande zijn spieren. Als een bliksem vloog de beker en spatte in gruizels over den grond. Hymirs hoofd was heel gebleven. --"Mijn grootsten schat heb ik verloren," jammerde de grimmige reus, "nu kan ik nooit meer zeggen: mijn drank is te warm. Maar ik wil toch wel eens zien of gij mijn grooten ketel uit mijn huis kunt halen!" Tweemaal trachtte Tyr tevergeefs het vat te tillen: stevig stond het op den grond. Thonarr echter greep het aan, hief het in de hoogte,--luid rammelden de hengsels door de hal. Toen gingen zij ermede heen. Lang reeds waren zij op weg, voor Thonarr nog eens omzag. Daar kwam, met Hymir, uit alle holen en spelonken van het Oosten een zwarte zwerm honderdkoppige kerels aan. Thonarr bleef staan, zette den ketel naast zich neer en zwaaide zijn hamer. Al die rotsenrekels sloeg hij tot stof. Toen bracht hij den ketel van Hymir naar de goden, en op alle feesten van den oogst zullen de zaligen er hun schuimenden drank uit scheppen. Het Feest bij Egir Egir ging voor de goden een drank bereiden, zoodra hij den ketel gekregen had. Bijna alle goden waren op het feest: Wodan en Frigga, Njord en Skadi, zijn vrouw, Tyr, die maar een hand had, omdat de Veenrookwolf hem de andere had afgebeten, toen hij het beest wilde binden, Freyer met Beugel en Buigster, die hem dienden, en Freya, zijn vrouw. Thonarr was er niet: die was op reis naar het Oosten, maar zijn vrouw Sippia wel. En er waren nog veel meer Asen en Alfen. Egir werd door twee dienstknechten bijgestaan: Vuurvanger en Ontsteker. De feestzaal werd door goud in plaats van door vuur verlicht. Het was een lichte, vreugdevolle feestzaal en een ieder prees dan ook de goede bediening bij Egir. Loge hoorde dat niet graag en daarom sloeg hij Vuurvanger dood. Toen werden de goden boos, zij rammelden met speren en schilden en scholden Loge uit en joegen hem weg en vervolgden hem in het woud en keerden toen weer naar het feest terug. Loge echter keerde ook weer terug. Buiten de feestzaal trof hij Ontsteker en hij vroeg hem: --"Zeg, Ontsteker, voor je een stap doet: vertel mij eens even, wat voeren de goden uit op dat feest?" Ontsteker vertelde hem, dat de goden over gevechten en speren spraken, en dat ze geen van allen Loge bizonder goed waren gezind. Loge wilde naar binnen gaan, om alles zelf te zien en de goden eens goed te bespotten. Tevergeefs trachtte Ontsteker hem tegen te houden. Toen de goden zagen wie de zaal weer binnen kwam, zwegen zij allen plotseling stil. Loge stond en staarde ze aan. Toen sprak hij: --"Dorstig ben ik hier binnen gekomen na een lange wandeling door het woud. Ik kom vragen, of niet een van de goden zoo goed wil zijn mij wat drinken te geven." De goden zwegen allen stil. Toen sprak Loge weer: --"Waarom blijft gij zoo stil? Wilt gij niet antwoorden? Wijs mij een zetel, waar ik kan zitten, of zeg mij, dat ik heen moet gaan." Toen antwoordde hem Bragi, de god van de zangers, die al duchtig had gedronken: --"Geen van de goden zal u ooit een zetel wijzen, waar ge kunt zitten; wij weten veel te goed wie wij bij onze lustige feesten laten en wie niet." Aan het einde van de zaal zat Wodan. Tot hem wendde zich Loge en zeide: --"Wodan, gij, die eeden van trouw bewaart,--mengden lang geleden wij beiden niet in denzelfden beker ons bloed? Toen hebt gij gezworen, dat gij nooit een drank zoudt drinken, die niet voor ons beiden was bereid." Op bevel van Wodan mengde nu Widar een beker en reikte hem Loge. Deze nam den drank aan en sprak: --"Heil Asen, en alle Asinnen, heil! Heil allen, die hier samen zijt,--alleen die niet, die daar zit op Bragi's bank." Bragi werd zeer boos, en hij zeide: --"Als ik maar buiten was,--nu zit ik in huis,--dan zou ik spoedig uw hoofd in mijn handen hebben." Loge echter lachte hem uit en antwoordde: --"Ha, Bragi, een sieraad zijt ge op banken, maar in het strijden niet sterk. Kom dan naar buiten, wie moed heeft zit niet te mijmeren." Idoena, Bragi's vrouw, werd wel wat ongerust en zij smeekte haar man, dat hij toch zijn geliefden zou gedenken, en niet met Loge in vinnige woorden vechten zou op het gastmaal van Egir. Maar toen trok Loge tegen Idoena los: --"Zwijg maar, Idoena, zwijg maar gerust. Ik geloof, dat niemand zoo vurig verlangt naar liefde van vele mannen als gij, sinds uw sneeuwblanke armen den moordenaar van uw broeder hebben omhelsd." Idoena schrok zeer van Loge's snijdenden spot: zij had alleen maar Bragi willen bedaren, en zeide dat dan ook. Maar toen Gefioen haar te hulp kwam en aan Loge den raad gaf, nu zijn mond te houden, antwoordde deze haar: --"Blijf maar bij uw eigen zaken. Anders zal ik eens iets vertellen van zekeren zonnelichten knaap, die u met gouden gaven tot wellust wist te lokken." Daar stond Wodan op. Met Gefioen viel niet te spotten: het verloop van de geheele wereld immers was haar bekend, zoo goed als Wodan zelf het wist. Zoodra de goden hoorden, dat Wodan zich in den twist ging mengen, dachten zij allen, dat Loge nu wel zwijgen zou. Maar deze lachte zelfs Wodan uit en hij zeide: --"Zoo, zoo, Wodan! Maar waar gestreden wordt weet ge immers geen beslissing te geven! Hebt gij niet dikwijls een zwakkeling de zege bezorgd? Men zegt ook, dat gij als een landlooper met spoken speelt, zooals heksen en toovenaars dat doen. Waarachtig, 't is me een waardige godengewoonte!" Frigga, die de vrouw van Wodan is en aan zijn zijde zat, trachtte tusschen beiden te komen. Zij zeide, dat goden niet meer spreken moesten over wat ze vroeger hebben gedaan: men moet niet aan iedereen vertellen wat er ooit is voorgekomen. Loge keek haar aan, knikte en zeide: --"Dan zou ik ook maar niet zeggen, dat gij vroeger zoo begeerig waart naar een man, dat gij Wil en Wei en Wodan alle drie tegelijk hebt omarmd!" Nu kon de twist niet meer worden getemperd. Want zoodra had Freya weer niet partij getrokken voor Frigga, of Loge keerde zich tegen haar en zeide: --"Freya, u ken ik volkomen, aan u ontbreekt geen enkele smet. Waart gij voor alle Asen en Alfen, die hier rondom zitten, niet al ooit eens een nacht 'n vriendelijk vrouwtje?" En zoodra maar een der goden of godinnen een enkel woord sprak om Loge tot zwijgen te brengen, had deze altijd weer zijn woorden klaar. Aan ieder wist hij wat te verwijten. Eindelijk kwam Freyer's dienares, Buigster genaamd, tot Loge, schonk hem een hoorn vol heerlijke mede en zeide: --"Luister eens, Loge, en drink dezen hoorn. Maar laat nu tenminste eens een enkele onder de Asen ongemoeid." Loge nam den hoorn, dronk hem leeg en zeide: --"Dat zou dan Sippia moeten zijn,--als zij maar altijd trouw aan haar man was geweest! Maar ik geloof, dat wel iemand die trouw voor Thonarr heeft bedorven." Hem antwoordde Buigster. --"Loge, wees stil, hoor, de rotsen dreunen: de bliksemslingeraar keert terug van zijn reis. Hij zal u wel leeren rustig te zijn en geen van de Asen te lasteren." Toen zeide Loge: --"Houd je mond, Buigster, vrouw van Beugel,--nooit kwam er een schandelijker wezen in de woning der goden dan jij, veile vrouw!" Daar stapte Thonarr binnen en hij donderde Loge toe: --"Schoft, zwijg,--of anders zal mijn moker Mjoelnir je den mond doen houden." Loge schrok, wees met het hoofd naar de deur, en zeide: --"Daar,--dat kind van Aarde is nog niet binnen, of er wordt al gevloekt!" Toen wendde hij zich tot Thonarr en sprak tot hem: --"Maar gij waagt het toch niet om den wolf te dooden, die Wodan eens verslinden zal!" Hem antwoordde Thonarr: --"Zwijg,--of anders zal mijn moker Mjoelnir je den mond doen houden. Dan neem ik je mee op reis naar het Oosten en gooi je neer langs den weg, waar niemand naar je komt kijken." --"Haha!" lachte Loge, "uw reis naar het Oosten! Kruipt Thonarr dan weer weg in den duim van een handschoen?" Maar Loge vond het toch maar verstandig om stil te zijn en hij zeide: --"U, goden, heb ik gezegd wat ik wilde, voor Thonarr trek ik mij terug: die zou mij nog slaan ten slotte." En met een bedreiging aan Egir, den gastheer, dat de vlammen al zijn bezit zouden verslinden, sloop hij heen. Toen verborg hij zich, in de gedaante van een zalm, onder een schitterenden waterval. Maar de Asen vingen hem en bonden hem met stevige strengen, die ze uit de ingewanden van Narwe, zijn zoon, hadden gedraaid. Skadi nam een giftige slang en hing die boven het hoofd van Loge, zoodat er steeds gif op hem druipen moest. Maar Sigyne, Loge's vrouw, zette zich naast hem neder en hield een schaal onder het gif. Zoo dikwijls de schaal vol was, bracht zij die weg, maar dan drupte het gif op Loge's gelaat. En dan schudde hij zich zoo hevig, dat heel de aarde ervan beefde. Dat wordt nu aardbeving genoemd. Wodan bij de Waarzegster In den tijd, dat hij zijn hoogste heerlijkheid zou gaan bereiken, droomde Balder eens een bangen droom. Het gemoed van goden en godinnen was door een vreeselijk vermoeden verontrust, en zij waren bij elkander gekomen om te beraden, wat die bange droombeelden wel beduiden konden. Mijmerend ging Wodan, de vader van goden en van menschen, heen. Een zadel snoerde hij op Sleipner's rug en reed naar de holen van den nevel. Uit de hellepoort kwam een hond gesprongen, de borst met bloed bevlekt, en gromde grimmig tegen den toovermachtigen God. Doch Wodan reed verder, dat de wegen ervan dreunden, reed naar het hooge huis van Hella heen. Hij reed tot aan den ingang aan de oostelijke zijde, waar het woest is als de winter. Daar, onder een heuvel, lag de waarzegster begraven, die alle waarheid weet. Wodan steeg er van zijn paard en zong haar een zang van ontwaken, zong haar zijn wekzang tot de doode ontwaakte en opsteeg uit haar graf. Toen sprak zij de grafsombere woorden: --"Wie is de onbekende man, die mij wekt om weer langs dorre wegen te dwalen? Wit ben ik van sneeuw, door regenvlagen geslagen, met dauwdroppelen gedrenkt,--dood al was ik zoo lang." Wodan zeide: --"Wegendoler ben ik, Doodenmans zoon. Zeg mij, wiens rustplaats ziet gij met ringen bedekt, zeg mij, voor wien is er een bed gespreid in uw zalen?" De waarzegster antwoordde: --"Voor Balder staat hier mede gebrouwen. De schuimende drank is nog door een schild bedekt, maar den goden zij alle hoop ontnomen. Ga nu weg van mij,--ik wil verder zwijgen." --"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie zal Balders bloed vergieten,--wie het leven dooden in Wodans zoon?" De waarzegster antwoordde: --"Hader, die blind is als de winterzon, zal hem hierheen brengen. Hij zal Balders bloed vergieten, hij het leven dooden in Wodans zoon. Ga nu weg van mij,--ik wil verder zwijgen." --"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie zal Balder op den boozen Hader wreken, wie zal dien wreedaard wijden aan de Hel?" De waarzegster antwoordde: --"Eens zal Wodan, in een der lange nachten van het Westen, met de Winteraarde Rinde verwekken een krachtig kind. Dit zal Balder op den boozen Hader wreken en den wreedaard wijden aan de Hel. Ga nu weg van mij,--ik wil verder zwijgen." --"Zwijg nog niet," smeekte Wodan, "zeg mij toch alles. Wie van de wezens der wereld zal om Balders dood niet willen weenen,--wie zal onbewogen heffen het stugge hoofd?" De waarzegster antwoordde: --"Weet gij, dat een van de wezens der wereld niet wil weenen, maar onbewogen heffen zal het stugge hoofd? Dan zijt gij niet Wegendoler, zooals ik dacht,--dan zijt gij Wodan, de machtige God!" Toen zeide Wodan: --"Als gij niet zeggen kunt wie niet wil weenen, dan zijt gij niet waarzegster en wijze vrouw. Dan zijt ge veeleer de wintermoeder der drie Nornen, wier bron bevriest." En de waarzegster sprak: --"Wodan, ga heen, en wees Overwinnaar. Nimmer zal een man mij weer naderen, totdat Loge, losgemaakt uit al zijn banden, den ondergang van de goden brengt." Het Voorspellied Terwijl de groote wereld haar loop volbracht en alle wezens werkten wat hun taak was, werden de goden door een bang vermoeden overvallen. Want zij hadden runenstaafjes gestrooid om de toekomst te kennen en de staafjes vertelden: --"Laat de Nornen zorgvuldig haar bron bewaken,--wanneer zij den aandrang der dingen nog kunnen tegenhouden." Toen zond Wodan zijn raven naar de dwergen die in de diepe duisternis onder de aarde werken, en de raven kwamen terug met het bericht: --"De sterkte der dwergen verslapt. Werelden tuimelen in den gapenden afgrond van den nacht. Vlugvoet laat ze in het niet verzinken; Vlugvoet sleept ze ooit weer in het licht. Zon en aarde wankelen. Onheil waait door de lucht. En Mimirs heldere bron wil geen aanwijzing geven.--Wist gij dat alles?" Idoena, die de bladergroene dochter is der onderaards werkende krachten, was van den wereldboom Schrikesch ter aarde gezonken. Vol droefheid zat ze neer aan den voet van den stam: nu leerde ze eerst beseffen hoe goed het geweest was in haar heerlijke huis. Toen zond Wodan den wachter van de Regenboogbrug om haar te ondervragen, of zij ook wist wat er met de wereld ging gebeuren. Loge en Bragi vergezelden hem. Op getemde wolven reden zij en zongen tooverliederen. Wodan zat op zijn hoogzetel en staarde hen na, terwijl zij reden. Bij Idoena gekomen ondervroeg haar de wijze Wodansgezant, wat zij wist van het geslacht en de lotgevallen van de Asen,--over de werelden van hemel en Hella, wat zij van aller begin wist en leven en einde. Maar Idoena kon niet spreken, kon met geen enkel woord een teeken geven: tranen slechts ontsprongen aan haar oogen en omsluierden heel haar schoone gestalte. Zoodra de drie gezanten zagen, dat zij in zulk een droefheid gedompeld was, bespotten zij haar. Maar haar eenige antwoord was zwijgen. En hoe meer zij bij haar aandrongen, des te meer weigerde zij te spreken. Met al hun praten bereikten zij niets. Toen keerde de Godsgezant terug naar huis, waar hij den schallenden hoorn van Wodan bewaart. Loge alleen liet hij volgen. Bragi, de god van zangers en zingende vogels, bleef zwijgend bij Idoena achter. De gezanten voeren huiswaarts, gezeten op de elementen, die de zonen van den grijzen Oerreus zijn. Zij gingen den godenburcht binnen en begroetten de goden, die aan den maaltijd zaten. Zij wenschten Wodan, dat hij nog lang als de machtige onder de goden zijn troon bezitten zou, aan de Asen, dat zij gelukkig op Alvaders feest zouden zijn. De heerschers ondervroegen hen beiden, wat zij waren te weten gekomen,--of de vrouw hun een aanwijzing op uitkomst gaf,--zij ondervroegen hen heel den namiddag, totdat de duisternis daalde. En toen zij gezegd hadden, dat zij niets waren te weten gekomen, dat de vrouw slechts had geweend en gezwegen, stond Wodan op en hij sprak zoo luid, dat ieder het kon hooren: --"Zoo neemt dan nog een nacht om te beraden. Een ieder bezinne zich op een middel, dat het rijk van de goden vermag te redden." Reeds zonk de zon weg achter de winterbergen van de aarde. Elkander groetend gingen de goden heen. Vochthaar, het paard van den nacht, besteeg de hoogte van den hemel. Tegelijk stak uit het Oosten der wateren de slaapdoorn van den ijskouden reus, die de vader is van Nacht, opdat de vermoeide menschen op aarde sluimeren zouden. Alle krachten verslapten, de armen zonken neer, onmacht vloog door den adem van den nacht en verwarde de zinnen van alle wezens. Toen nogmaals dreef de dag zijn paarden uit de diamanten poort. Over de aarde glansden de schitterende manen van Lichthaar, die de zonnewagen tegen den hemel op trekt. Ver in het Noorden, onder den uitersten wortel van den wereldboom, gingen dwergen en reuzen en spoken en nachtgestalten en zwartalfen schuil. De goden stonden op, toen de nacht naar Nevel land daalde, en over de luidschallende brug schreed Helderwit, de hoornwachter, naar den burcht van de goden. Billings Dochter Slechts wie diep in eigen gemoed een smachtend begeeren beleefde, kent de in volle bewustheid geleden smart van onvervuld verlangen. Ook Wodan leerde dat leed, toen hij eens een meisje beminde. Zij sluimerde toen hij haar zag,--wit was zij als de sneeuw in den winter, wanneer de zon erop schijnt. Vorstenvreugde vond hij van weinig waarde, als hij met zijn geliefde maar leven kon, aan haar met lichaam en ziel kon behooren. Zij was de dochter van Billing, den winterreus. En zij zeide tot Wodan: --"Wanneer gij mij als vrouw wilt bezitten, kom dan heimelijk hier tegen den avond. Want groot zou de schande zijn als meerderen van zulk een zonde iets wisten." Toen ging Wodan weg. Hij hoopte op den heerlijken avond, dat Billings dochter hem haar gunst en geluk zou geven. Zoodra het donker werd, keerde Wodan weder. Maar ondoordringbaar brandden de wintervuren om de verblijfplaats van zijn geliefde, en met vlammende fakkels werd hij verdreven. Den volgenden avond ging hij nogmaals naar het meisje. Nu waren haar wachters allen in slaap, maar aan haar bed gebonden gromde een winterwolf Wodan tegen en weerde hem af. Zoo smaadde hem telkens het sluwe meisje. Had hij, in ruil voor dien smaad, haar tenminste slechts eenmaal kunnen bezitten! Wodan bij Stormsterk Wodan en Frigga wandelden door de ruime hallen van Walhalla. Toen zeide Wodan tot zijn vrouw: --"Frigga, wat raadt gij mij aan? Ik heb veel zin om een bezoek te brengen aan Stormsterks woning. De geweldige wijsheid van dien reus prikkelt mij al sinds lang. Vele dingen heb ik gezien, maar ik weet nog niet hoe Stormsterk woont." Frigga antwoordde hem: --"Ik zou wel al mijn best willen doen, dat gij, Vader van goden en menschen, hier zoudt blijven. Want Stormsterk acht ik den geweldigsten van alle reuzen. Maar als gij wilt gaan kan ik u niet tegenhouden. Zoo ga dan een zegenrijken tocht, en dat gij ongedeerd weer terug moogt komen. De wijsheid beware u, als gij met den reus in woordenstrijd geraakt." Toen ging Wodan heen om zich in wijsheid met Stormsterk te meten. Spoedig kwam hij bij de ruwe reuzenwoning en riep op den drempel: --"Stormsterk, een vreemde wenscht u heil! Ik kom u eens bezoeken en wilde wel weten, hoever uw wijsheid gaat." De reus, die in zijn zaal zat, kwam naar buiten en antwoordde: --"Wie staat daar voor mijn huis en slingert mijn zalen vol met zulke wilde woorden? Gij zult niet ongedeerd mijn drempel verlaten, als ge niet eerst bewijst, dat ge beter zijt dan ik." Wodan sprak tot hem: --"Gangraad ben ik, ik ging verre wegen, dorstig kwam ik hier. Wilt gij, reus, mij vriendelijk ontvangen en den dorstige wat drinken geven?" Stormsterk noodigde den vreemdeling uit in zijn zaal te komen zitten en daar te onderzoeken wie meer wist, de gast of de bewoner. Maar Wodan wilde in de voorhal blijven en zeide tot den reus, dat deze hem eerst maar eenige vragen moest stellen, of hij hem waardig achtte binnen te komen of niet. Toen zeide Stormsterk: --"Nu dan, Gangraad, als gij in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de hengst, die iederen dag hoog over alle wezens draaft?" --"Lichthaar," antwoordde Gangraad, "trekt den schitterenden dag hoog over allen heen. Het beste paard van allen vindt het de wagenvoerder: zijn manen zijn als licht." De reus vroeg vervolgens: --"Nu dan, Gangraad, als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe noemt men het paard, dat den nacht voert van het Oosten?" --"Vochthaar," zei Gangraad, "noemt men het paard, dat nacht na nacht aanvoert van het Oosten. Des morgens druipt het schuim van zijn gebit als dauw in de dalen." Weer vroeg Stormsterk: --"Nu dan, Gangraad, als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de stroom die de scheiding is tusschen het rijk van de reuzen en Asengaarde." --"IJsloos," was het antwoord, "heet de stroom die de scheiding is tusschen het rijk van de reuzen en Asengaarde. Steeds vloeit de stroom, want geen ijs verstijft ooit de golven." --"Nu dan," zei weer de reus, "als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de plaats waar de goden eens tot den hevigen kamp met den Zwarte zullen komen?" --"Vechtveld," antwoordde Gangraad, "is de plaats waar de goden eens tot den hevigen kamp met den Zwarte zullen komen. Naar alle zijden gemeten is ze honderd mijlen lang. Zij weten wel dat zij er zullen strijden." Toen zeide Stormsterk: --"Een wijze zijt gij! Blijf nu niet meer ver van mijn banken, maar kom in mijn zaal zitten en laten wij met elkander spreken. Kom als gast bij mij binnen: wij willen samen wedden om ons hoofd, wie van ons beiden de grootste geest is." Gangraad ging de zaal van den reus binnen en zette er zich op een steenen bank. Nu was het aan den gast om vragen te stellen en deze begon: --"Stormsterk, gij, die zooveel wijsheid bezit, weet gij vanwaar de zon komt en de maan boven de hoofden der menschen?" --"Mondelvaar," antwoordde de reus, "is de vader van zon en van maan: dagelijks deelen zij den hemel en geven namen aan de tijden van het jaar." Toen vroeg Gangraad: --"Stormsterk, gij, dien men wijze noemt, weet gij vanwaar de winter en de warme zomer komen?" En Stormsterk antwoordde: --"Windval heet de vader van den winter en Zuidzacht die van den zomer. Elk van beiden zal ieder jaar weer jong worden, totdat de goden vergaan." Ten derde vroeg Gangraad: --"Stormsterk, gij, van wien men zegt, dat ge slim zijt, weet gij waaruit de Ruischreus, de eerste van alle wezens, ontstond?" De reus antwoordde: --"Uit het oerslijk barstten etterblazen--toen groeide het tot vasten vorm en werd een reus; uit het vlammende Zuiden vlogen vonken over en de gloed gaf leven aan den ijskouden klomp." --"Maar Stormsterk," zeide nu Gangraad, "gij, dien men wijze noemt, weet gij dan hoe er kinderen kwamen bij dien reus, die ze toch met geen vrouw kon verwekken?" En de wijze gastheer verhaalde: --"Onder den oksel ontgroeiden hem een man en een meisje, en de eene voet verwekte met den andere een zoon, die zes hoofden had." En Gangraad weer: --"Stormsterk, gij, van wien men zegt, dat ge slim zijt, weet gij vanwaar de waterrimpelende wind komt, die zelf nog door geen mensch is gezien?" --"Lijkenzwelger," zei de wijze, "is de naam van een reus, die in de gedaante van een arend aan het einde van den hemel zit. Als zijn beide vleugels fladderen, waait de wind over alle wezens heen." Al deze dingen had Gangraad gevraagd over het worden van de dingen dezer wereld. En de reus had hem op alles vol wijsheid geantwoord. Ook over wat hem gevraagd werd uit de geschiedenis van de goden--hoe Njord, die een Wane was, onder de Asen werd opgenomen en hoe de helden van Walhalla elkander dagelijks dooden in den strijd en dan weer gezond bij elkander komen om gezamenlijk den maaltijd te nemen,--over alles wist Stormsterk met veel verstand te verhalen. Want alle werelden had hij gezien, tot zelfs de negende, die dicht bij Nevelland is. Toen stelde Gangraad hem nog eenige vragen over de nieuwe wereld, die na den godenondergang zou komen: --"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: waar zal nog een mensch in leven zijn als de lange winter, die alle wezens doodt, zal zijn verdwenen?" Stormsterk antwoordde: --"In den stam van den wereldboom zijn twee menschen verscholen: Leven en Levenslust. Ochtenddauw is hun eten en drinken, en uit hen beiden ontspruit een nieuw geslacht." Weer vroeg nu Gangraad: --"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: hoe zal er een nieuwe zon aan den hemel schitteren, als de Veenrookwolf deze eens verslonden heeft?" --"Alfenrad," antwoordde de reus, "baart een dochter voor de Veenrookwolf haar verslindt. En het meisje zal dezelfde wegen bewandelen als hare moeder, wanneer de goden vergaan zijn." --"Op verre tochten," zeide toen Gangraad, "voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: wat zal er met Wodan geschieden als de wereld verwoest wordt en de goden vergaan?" --"Den Vader des levens," luidde het antwoord, "zal de wolf verslinden, maar hevig zal de wraak van Widar zijn. Hij, de sterke strijder, zal de gapende kaken van het monster vermorzelen." Weer vroeg Gangraad: --"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: wat fluisterde Wodan zijn zoon Balder in het oor, voor deze verbrand werd?" Toen antwoordde Stormsterk: --"Zou een ander als Wodan weten, dat hij iets fluisterde in het oor van Balder, zijn zoon? Ik weet nu: met Wodan zelf waagde ik het te wedden. Maar gij zult steeds de wijste zijn." De Wereldzang der Wichelares Stilte gebied ik aan allen,--luistert: Ik, die de wijsheid weet, ga u zeggen wondervolle woorden. Ik ga u verhalen van het leven der eeuwige lichtmacht, van Alvaders werken in de wereld. Het eerst van allen werden de reuzen geboren en ik ben hun kind: negen werelden ken ik, die gegroeid zijn aan den diepwortelenden wereldboom. In overouden tijd, toen Ruischreus leefde, beefde aan strandige oevers nog niet de branding van de zee. Beneden was nog geen vaste bodem en in de hoogte geen hemel,--slechts ledige ruimte, gapende afgrond, zonder groei. Toen hebben de zonen van Geborene Mitgaarde geschapen en lichtende schijven aan den hemel geslingerd: in het Zuiden scheen de zon op de bergen en op den grond ontkiemde het groene gras. Zon en maan menden hun paarden langs warrelwegen: nog kende de zon niet haar eigen zalen, en de maan nog niet de maat van haar macht en wisten de sterren nog niet waar zij staan moesten. Dan reden de goden ter vergadering en hielden raad. Zij kozen namen voor den nacht en voor de wisselende manen, voor morgen en middag en avond, en bepaalden, dat de tijden daarmee zouden worden genoemd. Zij leefden gelukkig, de hooge goden, in hun glorievelden, speelden er lustig hun dobbelspelen en er was nog geen begeerte naar goud, tot drie machtige vrouwen verschenen. Mijn oogen zien een boom, die Schrikesch heet. Witte nevel bevochtigt den kruin en druppelt als dauw naar de dalen, in de bron, waar aller dingen oorsprong ligt. Vandaar kwamen drie wijze vrouwen, uit golven geboren wachteressen van den boom. Word heet de eene, Wordend de andere, de derde heet Schuld. Van zondenschuld en verzoening spannen zij draden over de wereld, en weven het wordende lot van alle wezens. Eens kwamen drie der hoog-heilige Asen op aarde. Daar vonden zij aan het strand van de zee Asker en Embla. Deze waren zwak, bezaten ziel noch zinnen, hadden geen bloed en geen levenskleur. Wodan gaf hun een ziel, Henir de zinnen en Loge bloed en levenskleur. Toen wilden de goden in hun glorievelden hooge hallen bouwen en zij werden begeerig naar pralende paleizen. Zij reden ter vergadering en hielden raad. Om sierlijk goud te smeden schiepen zij dwergen, die den vochtigen grond onder de groene aarde met gangen doorgroeven. Gierig vergaderden zij het goud, in vlammende vuren smeedden zij kunstige schatten, en kropen krioelend door de steenen aardezalen rond. De goden haalden Goudschat in hunne hooge hallen en smolten haar en brandden haar driemaal. En driemaal gebrand werd zij driemaal herboren. Waar zij in huis komt noemt men haar Goede. Welsprekend is zij, een toovenares, en met haar wonderlijke kunsten is zij welkom bij listige lieden. Toen ontstond het oorlogsleed. Tegen de wallen der godenburcht stormden de Wanen ten strijde. Maar Wodan slingerde zijn trillende speer. Dat werd het eerste oorlogsleed op de wereld. Dan reden de goden ter vergadering en hielden raad. De reuzen hadden den goden een burcht gebouwd en dezen beloofden Freya als loon. In hevige woede ontstak toen Thonarr,--zelden blijft hij op zijn zetel zitten als hij zoo iets hoort,--en verbonden werden verbroken, verdragen vertreden, en de hevige reuzengevechten begonnen. Bange jammer zag ik komen over Balder, Wodans zoon: reeds groeide de misteltak hoog boven het gras uit. Daar wordt de tak een doodend wapen, daar vliegt de pijl, Hader schiet, ik zie het. En Frigga weent in haar zalen om het verlies dat Walhalla leed. De goden reden ter vergadering en hielden raad. Hoe zouden zij de trouweloosheid bestraffen? Welk offer zou den goden vergelding geven? Ik zie ze stevige strengen uit darmen draaien,--en diep in het woud kronkelt gebonden het lijdende lichaam van Loge. Naast haar echtvriend zit Sigyne, de vrouw, en houdt er weenend de wacht. Broeders bevechten, verwanten vermoorden elkander,--geen spaart den ander. Zwaarden schitteren, bijlen bliksemen, schilden splijten, de bodem beeft en overal hoort men van echtbreuk. Het is stormentijd, het is wolventijd voor de wereld vergaat. En over de wolken rijden Walkuren, gereed voor het gevecht. Schuld draagt het schild en naast haar rijden de andere met speren en helmen en schilden. Eens zat ik eenzaam,--daar kwam de oudste der Asen en zag mij diep in de oogen. Wat wilde hij vragen? Wat wilde hij weten? En ik zeide tot hem: --"Wodan, ik weet waar uw oog is gebleven: Mimir drinkt iederen morgen uit Strijdvaders pand. Wie zou de bron van den kundigen Mimir niet kennen." En Wodan, de legerheer, schonk mij gouden schatten voor de wijsheid, die ik, de Wichelares, tot hem sprak. Want diep doorschouwen mijn oogen de wereld. Begrijpt gij mijn woorden? Veel zie ik vooruit, veel kan ik verhalen van wereldeinde en godenondergang. Mijn oogen zien een boom, die Schrikesch heet. En aan zijn heilige wortelen zie ik verscholen liggen Helderwits hoorn, die schallen zal door de godenschemering. Ik zie de wilde wateren bruisen uit Strijdvaders pand. Begrijpt gij mijn woorden? Eene oude zit in het Oosten, in IJzerwoud, en voedt er een gebroed van wolven. Van dezen wordt een de ergste, het maanhondmonster, dat de maan zal verslinden. Hij vreet het vleesch van vermoorde mannen, en bemorst alles met bloed. In volgende zomers zal de zon verduisteren en hevige onweders zullen er woeden. Hoort gij mijn woorden? De stormreus Schrikker zit aan den heuvel en slaat in de harp; waakzame wachter is hij van de oude reuzen. Dicht bij hem in Arendenwoud zingt de bloedroode haan die Fjalar heet. Bij de goden zingt Guldenkam een weklied voor de helden in Walhalla, en onder de aarde zingt een andere, een zwart-roode haan, in Hella's huis. Wat mompelt Wodan met Mimirs hoofd? Ik hoor Helderwits hoorn weerschallen, vuur slaat hoog in Schrikesch' kruin, de takken sidderen aan Schrikesch' stam, de boom beeft nu Loge zich losrukt, wild huilt de hond voor Hellehol, zijn banden breken. Uit het Oosten nadert de reus,--wild wentelt zich de wereldslang, slaat dreunend op de deinende golven. Verlangend naar lijken gilt de arend zijn oorlogsgeschreeuw, en het Doodenschip scheurt van zijn ankers. De zonen van Vuur stevenen aan uit het Oosten. Loge staat aan het roer en hitst de wilde wolven op. Uit het Zuiden komt Rook met zijn vurig zwaard, waar flikkerende vlammen uit laaien. Rotsen donderen neer om rondhollende reuzinnen, 't is feest voor Hella, de hemel splijt. De reuzen brullen,--de dwergen staan voor hunne steenen kloven, en klagen. Wat is er bij Asen, wat is er bij Alfen? Hoort gij mijn woorden? Wodan komt den wolf bestrijden, Freyer vecht met Rook. Ik zie Wodan door den wolf verslonden, Freyer valt. Waar is de vreugde van Frigga? Daar stormt Widar, Strijdvader's zoon, onweerstaanbaar los op den wolf, hij zwaait zijn zwaard, stoot het monster het staal in de gapende kaken, wringt het diep in het hart. Zoo wreekt hij zijn vader. Thonarr, de zoon van de warme aarde, de beschermer der menschen, stapt dreunend ten strijde naar de wereldslang. Met zijn moker vermorselt hij het ondier den schedel, wankelt nog negen schreden door de dampen van gif, en valt. Zwart wordt de zon en de aarde zinkt in de zee. Van den hemel vallen de schitterende sterren, en in den donkeren top van den wereldboom loeien de laaiende vlammen. Wat is er met menschen, wat is er met goden? Ver van de zon af, aan Doodenstrand, zie ik een zaal. De deuren staan gapend open naar het ijzige Noorden, giftdruppels druipen door kieren en vensters, en glibberige slangenruggen omslingeren de zaal. In het Oosten sleept door etterdalen Slingerstroom een vloed van zwaarden en slijk. In het slijmerige water waden mannen, die moord en meineed bedreven en de vrouw van een ander verleidden. En aan de lijken zuigt Nijdhaag, de draak. Noordelijk, in het Nidagebergte, is een gouden smidse voor Sentri's dwerggezellen, en een andere zaal is in warme streken, waar de bergreus bier dronk. Ik zie de aarde andermaal in eeuwig groen van den bodem der zee verrijzen. De vloed is gevallen en de arend, die op de rotsen zit, zoekt vreedzaam visschen ter prooi. Op de glorievelden komen de goden te zamen. Zij spreken nu zonder vrees van de groote wereldslang, herinneren zich de runen van den oudste der Asen en denken aan menige machtspreuk van vroeger terug. In het gras vinden zij weer de wondervolle gouden tafelen, die Wodan en de andere Asen in oeroude, gelukkige dagen bezaten. Zonder zaad groeien alle gewassen en alle ellende is geeindigd. Ook Balder keert weder en woont samen met Hader in goede gezindheid. En Henir mag zich weer mengen onder de goden. Zoo keert in beider zonen de eenmaal verstoorde vriendschap der vaderen terug. Goed gaat het den goden en zij wonen in Windland. Hoort gij die woorden? Een Lied voor Herleving Het gebeurde, dat Dagdrager naar den heuvel ging, waar zijn moeder Groeikracht, als het leven van de groenende aarde in haar wintergraf, lag begraven. En hij sprak: --"Groeikracht, ontwaak, gij goede! Uit uw sluimer wekt u uw zoon, dien gij hebt ontboden naar de poort van de dooden." Groeikracht stond op uit haar graf en zij zeide: "Welk leed ligt als een last op mijn eenigen zoon? Waarom roept gij uw moeder uit de rust van haar graf? Lang reeds heb ik de wereld van licht verlaten." Toen vertelde Dagdrager haar, dat hij gekomen was om de plaats te weten, waar zijn geliefde Goudvreugde was, die hij zoo vurig verlangde weder te vinden. Groeikracht sprak tot hem: --"Wel ver gaan de verlangens der menschen! En lang is de weg, die naar Goudvreugde leidt,--groot zijn de moeielijkheden, die gij te gemoet gaat." Dagdrager smeekte zijn moeder, dat zij hem dan reddende runen geven, en zegenende tooverzangen over hem zingen zou. --"Moeder," zoo bad hij, "help uw zwakken zoon,--kom uw machteloos kind te hulp. Ik ben nog zoo jong voor dien moeilijken tocht,--alleen zou ik mijn doel niet kunnen bereiken." Toen zong Groeikracht tooverliederen over haar kind: --"Als gij vol droefheid uitgaat op uw verren tocht, mogen de Nornen u genadig zijn, aan wier woorden niemand iets verandert. De dreunende deining van golven, die u dreigen, vervloeie tot een rustig watervlak op uw reis. Toornige vijanden, die uw weg tot doodsweg willen maken, verzoene uw toovermacht,--warmtegloed ademe u mijn lied om de leden, dat hij den band van ijs verbreke, die u bindt. Storm, die opsteekt in zee en hooge golven opzweept voor uw schip, zal zich nederleggen voor uw geheven handen, en vrede laten aan uw vaart. Als op rotsige hoogten felle vorst u overvalt,--dan schade de scherpe lucht niet aan uw lichaam en verlamme u de leden niet. Dat in nevelige nachten geen christenvrouw als winterwreed spook uw weg versperre,--en als gij nadert tot den reus, die met het zwaard gewapend wacht houdt bij de wegen, mogen woorden van wijsheid in uw gedachte zijn. Ga dan heen, eenzame zoon. Gevaren zullen de vervulling van uw wenschen niet weerhouden: mijn weten is zoo zeker, als het grafgesteente waarop ik sta. Houd al de woorden van uw moeder in uw moedig hart geborgen: want geen geluk zal u ontbreken, zoolang gij mijn woorden bewaart." Toen ging Dagdrager heen. Hij ging langs de barre wegen van den winter, om te zoeken waar de lentevroolijke Goudvreugde was. Wodans Runenlied Ik weet hoe ik hing aan den wereldboom Negen nachten, lang als eeuwen, Gewond door de speer, aan God-Wodan gewijd, Ik zelf zoo gewijd aan mijzelf;-- Hing aan den boom, die voor ieder verbergt Waar zijn wortelen groeien. Geen brood bood men mij, noch mede aan, Mijn hoofd zonk zinnende neder, Klagende riep ik om runentoover Tot ik als vrucht van den boom viel. Negen liederen leerde mij de zoon Van Boosdoorn, Bestla's vader. En van Mimir's wondere wijsheidswater Dronk ik een teug. Er kwam in mijn leden een nieuwe kracht En nieuwe lust tot leven: Onheilen kan ik van mijn hoofd afwenden, En de woorden drijven tot daden. Lodfafnir, luister. Wilt gij leeren Runen te ontraadselen, die de hoogste der goden In stevige twijgen sneed? "Wilt gij vernemen de nuttige woorden, Die Godspreker sprak, en gebeden kennen, Die heil aanbrengen,--zoo hoor! Voor de wereld was Wodans wijsheid: Hij keerde vanwaar hij kwam, Liederen ken ik als geen enkele koning Of hoogverheven vrouw. Het eerste lied leert mij hulp te verleenen In gevechten, onheil en gevaar; Mijn tweede zang geneest de zieken, Wanneer de dood hen dreigt. Het derde is verschrikkelijk voor iederen vijand: Want nauwelijks zal ik het zingen, Of het zwaard verstompt van mijn bestrijders En hun baat geen wapen tot afweer. Als een vijand mij heeft gevangen genomen En armen en beenen mij bindt, Zing ik den vierde der tooverzangen, En vrij zijn mijn voeten, daar de boeien vielen, Vrij hef ik mijn handen omhoog. Een pijl, die van de pees werd geschoten En in trillende vlucht mij wil treffen, Staat stil en valt bij 't vijfde lied, Gebonden door mijn blik. Een zesde is machtig, wanneer een man Met de tooverdistel wil steken: Dan valt niet op mij,--dan valt op hem Het verderf, waarmede hij dreigde. Het zevende lied zing ik, zoodra ik zie, Dat een huis in vlammen is gevlogen, Hoe hoog het laaiende vuur ook lekke, Hoe uitgebreid de brand ook zij, Ik dwing hem te bedaren. Twist, die tusschen de helden ontstaat, Beeindigt van mijn lied'ren het achtste, Mijn negende zang, in den nacht gezongen, Verdrijft de gestalten der vrouwelijke spoken, Die over de rotsen rennen. Ik ken nog een tienden tooverzang Om in nood op zee te zingen: Dan stil ik den storm en hooggaande golven, Bedaar ik het dreigende, woeste water, En kan rustig verder varen. Mijn lieveling wordt door mijn elfde lied Beveiligd in alle gevechten: Ik zegen zijn schild en zijn glanzende zwaard, En hij gaat ongedeerd, en hij keert ongedeerd En is in den strijd steeds de sterkste. Het twaalfde bewerkt dit groote wonder: Het jonge kind van een edelen koning, Door mij in het water gewasschen Terwijl ik zing, kan geen zwaard verwonden, Wanneer het als held in den strijd trekt. Wanneer heel het volk ter vergadering komt En ik noem van de goden de namen, Dan zing ik mijn dertienden zang, Want beter dan wie ook ben ik bekend Met 't wezen van Asen en Alfen. Eens zong een dwerggeest, Rustegever, Een lied dat aan volkeren kracht verleent, Wanneer ze des morgens ontwaken: Dat werd mijn veertiende tooverzang, Die sterkte aan de Asen verstrekt En mijzelf verheldert de zinnen. En als ik bij een angstig meisje Mijn vijftiende zang ga zingen, Dan wordt zij goedgunstig en geeft mij geluk En vervulling van al mijn verlangens. Wil zij mij verlaten, zoo zing ik een zestiende lied Waardoor zij mij blijft verbonden, Ik zal aan geen meisje ooit mededeelen En aan geen vrouw vertellen Mijn zeventiende, 't laatste lied. Behalve aan Frigga, de vrouw aan mijn zijde, Is 't slechts een enkele bekend. Nu zong ik geheel mijn hoogen zang, Die den menschen tot steun moge strekken. Gelukkig is hij, die de liederen kan keren, En den zijnen meedeelen mag. Al zal het lang duren, Lodfafnir, voor Gij ze ooit zelf zult zingen, Verheug u dat gij ze mocht vernemen En gebruik den zegen, dien ik u gaf. Door u dit heil te doen hooren." Lodfafnir vroeg aan Wodan, dat deze hem nog meer zou leeren, dat heilzaam voor alle menschen was. Toen sprak Wodan tot hem: --"Lodfafnir, luister dan naar mijn lessen, en doe uw nut met wat gij vernemen zult. Gij hebt de runen van den Hooge gehoord,--luister nu naar zijn levensregels. Het allervoorzichtigste zult gij zijn bij het drinken van den aaldrank, doch ook bij een vrouw, die getrouwd is, en bij schelmen en dieven. Wanneer gij drinkt, roep dan de kracht der aarde te hulp: deze bevrijdt u van een roes, zooals een huis bevrijdt van verwarring, de maan van de woede, en runen van boosheid,--geef daarom aan de aarde een deel van uw drank. Lodfafnir, leer deze wijze les. Als gij gaat over landen en zeeen, neem dan den noodigen mondvoorraad mee en wijk geen stap van uw wapens. Wie honger heeft vindt geen vreugde in gesprekken, en niemand kan zeggen hoe spoedig hij zijn speer noodig heeft. Geef aan uw vijand geen vrede, zoodra u gevaar dreigt, en zie in een gevecht niet angstig rond, want de schrik verandert iemand in een varken. Een angstig man vermijdt het gevecht, alsof hij eeuwig bleef leven: ook als hij de speer is ontsprongen weet de ouderdom wel waar hij is. Aan mannen past een wakkere moed, tot de dood hen heeft getroffen; en koningskinderen zijn dapper in den strijd, maar sober met woorden. Heil den gever! Daar is een gast gekomen, waar zal hij zitten? Wie zijn geluk zoekt op de reis heeft groote haast. Wie van buiten komt heeft verwarming noodig voor zijn koude leden, wie van verre door de bergen komt kan kleeding en voedsel gebruiken. Water en een handdoek zal de gastheer aan zijn gasten geven: door goede behandeling verkrijgt hij hun dank en belooning. Want er is geen enkele goede en gastvrije man, die zich niet verheugt om geschenken,--hoe veel hij zelf ook weggeven moge, nooit zal een belooning hem leed doen. Niemand zult gij hoonen, die in uw huis komt, want wie binnen zit kan de waarde van een bezoek niet altijd zien. Lodfafnir leer deze wijze les: vaar tegen geen enkelen vreemdeling uit en geef gaarne aan wie er om vragen, en geef zoo lang en zoo goed als gij kunt. Spot nooit met een stumper en veracht een ouden prater nooit: verstandigen hebben een verwelkte huid, die slap en verschrompeld om hen heen hangt: maar het verstand kwam met hun jaren. Alle menschen hebben deugden en gebreken, en al is niemand geheel volmaakt, er is ook niemand die niet iets goeds heeft. Een ieder heeft niet dezelfde gaven gekregen, en alleen degene, wien het aan hart en verstand ontbreekt, spot en lacht om alles. Hij moest weten,--maar weet het niet,--dat hij ook zelf niet vrij is van fouten. Een gastheer zij vriendelijk voor zijn gasten, en vroolijk: dan zorgt hij tegelijk voor zichzelf. Want wie goeden raad weet te geven verdient de lof van een verstandig man. Op reis is voorzichtigheid het beste gezelschap,--die heeft men het meeste noodig van alles. Stel daarom ook niet al te hoog vertrouwen op het ontkiemende veldzaad, noch op het verstand van uw kind: het zaad heeft zijn tijd en een kind heeft opvoeding noodig. Hoe vaak blijken beide niet onbetrouwbaar! Prijs den dag nooit voor den avond, en een vrouw slechts dan als ze dood is,--prijs een bruid na de bruiloft, het bier na het drinken, het ijs als ge behouden aan land zijt gekomen, en een zwaard, nadat gij het eenmaal gezwaaid hebt. Brekende bogen en flikkerende vlammen, wilde zwijnen en ontwortelde boomen, huilende wolven en hongerige raven, hooggaande golven en glibberige slangen, krakend ijs en een kookenden ketel, preekende vrouwen en een vleiende heks, stijgerende hengsten en schijndoode helden, pralende vorsten en prijzende heeren, een klaren hemel en een klagend meisje, een brandend huis en een beer, die danst, uw vijand op denzelfden weg als gij bewandelt,--wees altijd voorzichtig, vertrouw dezulken nooit. Wie als gast in een huis komt zal goed om zich rondzien, want niemand weet of daarbinnen zich niet een vijand bevindt. Blijf ook niet te lang in hetzelfde huis, want de beste vrienden worden vervelend, wanneer zij te lang op den bank van een ander vertoeven. Wees vooral voorzichtig, wanneer gij aan den maaltijd gaat. Drink van de mede, maar houd de maat, dan kunt ge zwijgen en spreken waar het noodig is. Niemand zal u verwijten, dat gij vroeg naar bed gaat. Mede is voor de menschen niet zoo goed als men meent, en dronkenschap is de slechtste gezel, omdat iedere slok een stuk van het verstand steelt. En wie zonder nadenken aan zijn lusten maar toegeeft, eet zich ziek: menigeen, die zich in matig gezelschap zoo dom gedroeg, werd later door zijn maag uitgelachen. De kudde kent den tijd om naar huis terug te keeren, en houdt dan met grazen op,--maar een domme mensch let niet op de maat van zijn maag. Wanneer men aan een maaltijd fluistert, moet gij zwijgen, zet echter uw oogen en uw ooren wijd open, opdat gij uw voordeel kunt vinden. Laat u nooit verleiden met den eerste den beste te spreken en vertel aan een schelm nooit van uw eigen verdriet, want in een slecht gezelschap vergeldt men goed niet met goed en worden de braven ontwapend door de schimpscheuten der slechten. Zorg er voor van alles te weten, omdat bij wijzen een domme bespot wordt. Dwaas is hij, die nooit iets zegt, of niet weet wanneer hij moet zwijgen. Wanneer het gesprek op runen komt of op kennis van goddelijke dingen, spreekt een dwaas het verstandigste, wanneer hij zwijgt. Een dwaas doet het beste in gezelschap van andere mannen zijn mond te houden: dan bemerkt niemand, dat hij weinig weet, en houdt hij zijn armoede verborgen. Een man moet echter ook niet meer dan matig wijs zijn. Wie zijn noodlot niet kent blijft bevrijd van veel kommer, en te groote wijsheid kost iemand de vroolijkheid van zijn hart. Wanneer men slechts goed weet hetgeen dat men weet, leidt men het gemakkelijkste leven. Wie verstandig wil zijn moet steeds weten wat hij zal zeggen of vragen. Doch hij vertrouwe slechts den een, en den ander niet, want wat drie weten weet heel de wereld. Houd daarom voorzichtig de wacht aan de deur van uw vertrouwen: hoe menigeen heeft het niet moeten boeten, dat een ander zijn geheime gedachten kende! Hoofd en tong behooren bij elkander en toch heeft menige tong een hoofd afgehouwen; dikwijls is onder een kleed van vrede een gewapende hand verborgen. Hij is een dwaas, die denkt een vriend te vinden in een ieder die hem toelacht, en hij ziet niet in hoezeer men hem bespot. Hij is een dwaas, die denkt een vriend te vinden in een ieder die met hem meepraat, en als hij voor het gerecht geen verdediger vindt, bemerkt hij eerst hoe hij bedrogen werd. Weet gij echter, dat gij een vriend hebt, dien gij volkomen kunt vertrouwen, wissel met hem dan al uw gedachten en vele gaven en ga hem dikwijls bezoeken; want heidekruid en hoog gras groeien op een weg, dien niemand bewandelt. Eens was ik jong en doolde eenzaam rond en verdwaalde op de wegen; nu ben ik rijk, wijl ik een ander vond: een man is voor den man een vreugde. De boom, die op een dorren heuvel staat, krijgt geen bladeren en takken; zoo is ook de man, die door niemand bemind wordt,--waarom zou hij langer leven? Een brandstapel vangt van een brandstapel vonken tot hij zelf in brand vliegt,--zoo leert een man van een anderen man, en zou dom blijven, als deze zweeg. Maar als bij slechte menschen het vuur van de vriendschap vijf dagen brandt, zinkt het in asch voor den zesde, en is alle liefde uitgedoofd. Met wapenen en kleederen moeten vrienden elkander verblijden, zooals men zelf zeer goed weet: wie elkander geschenken geven blijven het langste bevriend, wanneer het geluk overigens wil dienen. Niet alleen groote gaven moet men geven, ook met kleine koopt men zich dank,--met een half brood en een halfgeledigden beker verkreeg ik eens een vriend. Voor een vriend moet men vriendelijk zijn en hem alle gaven vergelden, zooals men hoon met hoon, en bedrog vergeldt met leugens. Voor een vriend moet men vriendelijk zijn, ook voor allen, die hem bevriend zijn, maar wie uw vriend vijandig is, zult ook gij niet als vriend beschouwen. Breek nooit overijld, en nooit het eerst, den band met uw vrienden, want als gij uw gedachten aan niemand toevertrouwen kunt, knaagt de kommer aan uw leven. Uit den verstandigen man weet de macht der liefde een dwaas te maken en dat gebeurt eens bij een ieder. Daarom moet niemand een ander verwijten, dat hij in haar boeien ligt: de schoonheid verwart den flinken man en laat een zwakhoofd onverschillig. Met mooie woorden en rijke geschenken verwerft men de gunst van de vrouwen, en wie de schoonheid van een meisje prijst vangt haar spoedig in zijn armen. Maar ik beken het u eerlijk,--ik ondervond het toch zelf,--de liefde van een man voor eene vrouw is vluchtig. Wij praten prachtig, denken slecht, en bedriegen haar, die ons het meeste vertrouwen. Lodfafnir leer deze wijze les: verleid nooit de vrouw van een ander tot liefde. Maar als gij een meisje, dat vrij is, tot liefde wilt lokken en vreugde bij haar wilt vinden, beloof en geef haar dan schoone geschenken, en nooit geeft gij haar te veel. Lodfafnir, leer deze wijze les: vertrouw niet te veel op het woord van vrouwen en meisjes, want op een rollend rad werd haar hart geschapen en in haar ziel woont wispelturigheid. De liefde van een vrouw met vluchtigen zin is gelijk aan een tweejarig paard, dat zonder toom, met onbeslagen hoeven, schichtig over het ijs holt;--gelijk aan een schip zonder stuur in den storm, en aan een jager op beregende wegen, die struikelt en uitglijdt op gladden steen. Lodfafnir, leer deze wijze les: ontvlucht de omhelzing van een toovervrouw, want zoo zal zij u bedriegen: gij weet niet meer wat rechters en koningen tot u spraken, gij denkt aan geen eten en mannenmoed meer en zorgenvol valt gij in slaap. De booze tong van een vrouw heeft al menigeen leven en hoofd gekost, en haar valsche woorden sleepen hem in het graf, zonder dat hem schuld treft. Lodfafnir, leer deze wijze les: sta in den nacht slechts op als er nood is. Wie alle nachten waakt zal 's morgens zeer vermoeid zijn en toch dezelfde zorgen vinden. Sta echter vroeg op, als gij weinig werklieden hebt, want er wordt veel verloren door wie zich verslaapt. Wie eens anderen mans leven en goed wil verkrijgen moet vroeg opstaan: een luie wolf verliest zijn prooi, en zoo ontgaat een slapende de overwinning. Een ieder moet de maat goed kennen van de houtstapels voor zijn huis, opdat in de wintermaanden zijn voorraad niet opraakt. Een goede voorraad geeft rustigen slaap, zelfs in den barren herfst, als het weer wel vijfmaal verandert op een dag, en hoe dikwijls dan niet in de maand! Met het vermogen, dat een man zich verwierf, moet hij niet gierig zijn: vaak krijgt een vijand wat men voor een vriend had bestemd, 't Geschiedt zoo dikwijls anders als men vermoedde! Een rijke had eens volle schuren,--nu kauwen zijn kinderen op hun vingers,--rijkdom, de onbetrouwbare vriend, verdwijnt zoo vlug als een wenk van de oogen. Hoe klein uw bezit dan ook zij, wanneer gij een huis hebt zijt gij er meester: een dak van stroo en twee geiten in den stal is beter dan bedelen. Hoe klein uw bezit dan ook zij, wanneer gij een huis hebt zijt gij er meester,--alleen bloedt het hart, wanneer men iederen middag zijn eten moet vragen. Maar niemand behoeft zich te schamen, die geen goede schoenen en prachtig paard bezit, als hij maar schoon en verzadigd naar de rechtplaats kan rijden. Een rijke, die tusschen de menigte toch geen verdediger kan vinden, is als een arend, die angstig op een prooi aast. Vuur is het beste onder de menschen, de aanblik van de zon en een goede gezondheid, wanneer men die zonder schande kan hebben. Nooit is een man geheel ongelukkig, zelfs niet dan als hij ziek is: de een verheugt zich over zijn zonen, een ander over verwanten, een derde over zijn vele vee, en een vierde is tevreden over zijn daden. Een lamme rijdt nog op een paard, wie zijn handen verloor kan de kudde leiden, een doove kan nog vechten, en een blinde is beter dan een verbrande. Want dooden dienen tot niets. Het is beter te leven dan dood te zijn,--een levende krijgt nog wel ooit een koe,--bij den rijke zag ik vroolijk vuur opvlammen, maar hij lag zelf voor de deur dood. Een zoon te hebben is goed, ook al werd hij geboren na den dood van zijn vader: zelden staan er gedenksteenen langs den weg, die een zoon er niet voor zijn vader zette. Het vee sterft en alle verwanten sterven, en eens sterft men ook zelf,--maar nooit sterft de roem van hem, die zich een goeden naam verwierf. Het vee sterft en alle verwanten sterven, en eens sterft men ook zelf,--een ding weet ik, dat sterft nooit: het oordeel over den doode." Hoe de Standen ontstonden Helderwit, een van de Asen, ging een verre reis ondernemen. Hij had echter een anderen naam aangenomen, en noemde zich Oerman. Nadat Oerman al zeer ver was gevaren, kwam hij aan het strand van de zee en vond daar een huis. De deur lag naast den ingang, en Oerman ging naar binnen. Daar zaten, over het vuur gebogen, twee menschen, een man en eene vrouw, die Oud en Oude heetten en zeer armoedig waren gekleed. Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, en spoedig werd het midden van de bank voor hem vrijgemaakt, waar beiden zich naast hem nederzetten. Oude haalde een stuk droog brood, dat hard en grof was en met zemelen gebakken, droeg ook een houten nap met slecht bier naar binnen en een stuk gekookt kalfsvleesch, het beste wat zij had. Toen zij gegeten en gedronken hadden, en Oerman hun nog veel goeden raad gegeven had, stond hij op om te gaan slapen. Hij legde zich midden in het groote bed, en naast hem legden zich Oud en Oude neer. Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman weer heen, en vervolgde zijn reis. Na negen maanden echter kreeg Oude een koolzwart kind. Men wiesch het met water, en noemde het Knecht. Voorspoedig groeide het op, maar het had ruwe en doorgroefde handen, zijn rug was krom gegroeid, knoestig waren zijn vingers, en grof zijn gezicht. Het werk, waarmede Knecht zijn kracht ontwikkelde was hakken van hout, boomtakken binden, stammen sleepen, heel den dag. Eens kwam er een vrouw in zijn woning, hinkend op haar bloederige voeten, met eeltige handen en stompen neus. Meid was haar naam. Spoedig werd het midden van de bank voor haar vrij gemaakt, en de zoon des huizes zette zich naast haar neder. Daar lagen, toen het donker was geworden, lachend en pratend, Meid en Knecht. Armelijk woonden zij bij elkander, en kregen vele kinderen. Dat waren kromme en kreupele, plompe, lompe wezens. Zij voederden de zwijnen, groeven turf, en wroetten rond in de aarde. Zoo ontstond de stand der Knechten. Toen Oerman heengegaan was en zijn weg had vervolgd, kwam hij weer aan een huis. De deur lag naast den ingang en Oerman ging naar binnen. Daar zat aan het vuur een vlijtig paar, dat ijverig aan het werk was. Bij den haard stond een houten paal, waarvan de man een gladden weef boom had geschaafd. Zijn vrouw zat naast hem en trok uit het spinnewiel stevige draden. De man, in een kiel gekleed, droeg het haar bij het voorhoofd heel kort geknipt, terwijl zijn vrouw een doek om het hoofd had geslagen, en een halsdoek over haar jak had vastgemaakt. Zoo woonden Afi en Amma bij elkander. Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, maar stond spoedig op van tafel om te gaan slapen. Hij legde zich midden in het groote bed, en naast hem legde het vlijtige echtpaar zich neder. Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman heen, en vervolgde zijn reis. Na negen maanden echter kreeg Amma een krachtig kind. Het had een frisch gezicht en vroolijke oogen. Zij wieschen het met water, wonden het in linnen windselen, en noemden het Kerel. Het werk, waarmede Kerel zijn kracht ontwikkelde, was stieren voederen, het veld bebouwen, met wagens rijden, en den ploeg besturen. Eens kwam er een bruid in de woning van Kerel. Aan haar gordel hingen sleutels, en over haar lange kleed van geitevellen droeg zij een mooien mantel. Het meisje heette Snaartje. Zij deelden samen hun bezit, en woonden als echtpaar bij elkander. Zij leefden gelukkig en kregen kinderen. Dat waren stevige, sterke, werkzame jongens,--flinke, vlugge, montere meisjes. Zoo ontstond de stand der boeren. Toen Oerman heengegaan was, en zijn weg had vervolgd, kwam hij aan een groote zaal. De deur stond naast den ingang, die gekeerd was naar de zon. Oerman ging naar binnen. Daar zaten een man en eene vrouw, die zich met spelen vermaakten. Vader, die de heer was van het huis, hield een boog in de hand, en spande de pees met een puntigen pijl. Moeder, de huisvrouw, streek de plooien van haar kleeding glad. Zij droeg een sluier op het hoofd, en kunstige sieraden om den hals, en zij had een blauw gewaad aan met langen sleep. Voorhoofd, borst en armen waren blanker dan de blinkende sneeuw. Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, en spoedig werd het midden van de bank voor hem vrij gemaakt, waar beiden zich naast hem nederzetten. Toen dekte Moeder de tafel met een gebloemd linnen laken, en zette het beste gebak voor hen neer. Zilveren schalen met spek en gebraden vogels droeg zij binnen, en kostelijken wijn in waardevolle kannen. Zoo ging, pratend en drinkend, de dag ten einde, en Oerman gaf hun menigen raad, totdat hij opstond om te gaan slapen. Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman weer heen, en vervolgde zijn reis. Na negen maanden kreeg Moeder een stevigen zoon. Men wiesch hem met water, wikkelde hem in zijden doeken en noemde hem Heer. Hij kreeg blonde haren en bloeiende wangen, en als slangenoogen blonk zijn blik. De knaap werd flink en sterk, leerde pijlen snijden, bogen buigen, het schild hanteeren, speren slingeren, paarden temmen, en oefende zich in zwaarden zwaaien en in zwemmen. Eens, dat Oerman wederkeerde uit het woud, gaf deze hem zijn naam, en noemde hem zoon. Hij raadde hem aan er opuit te rijden om aan zijn oude bezit nieuwe winsten te verbinden. Heer reed heen langs ongebaande paden en over besneeuwde bergen, totdat hij voor een burcht kwam. Hoog op zijn paard gezeten slingerde hij zijn speer, zwaaide zijn zwaard en zijn schitterende schild. Er ontstond een hevige strijd: de bosschen werden rood van bloed, de vijanden vielen, en heel het land werd overwonnen. Hij alleen was heerscher over achttien burchten, en schonk overvloedige schatten weg: kunstig gesmeede sieraden, edele paarden, geslingerde ringen van goud. Toen zond hij edelen uit, ver over de zee, naar den burcht, dien Herse zich bouwde, en hij beval hun, dat zij Erna, het slanke, mooie adelsmeisje, halen zouden. En Erna kwam, in linnen bruidsgewaad gekleed. Heerlijk leefden zij samen, en teelden een grootsch geslacht van koninklijke kinderen. Zoo ontstond de stand der edelen. De jonge koning kende alle runen van oude tijden, had de macht om zieken te genezen, vijandelijke zwaarden bot te maken, stormen te bedaren, vuur te dooven, vogels te verstaan, en leed te lenigen. Hij was zoo sterk van spieren als acht mannen te zamen. Meer zelfs dan de wijze Oerman kende de koning, en hij was in alle weten ervaren. Eens reed een van zijn edele zonen door het wilde woud ter jacht, en luisterde naar het zingen van de vogels. Toen krijschte er een kraai, en zeide tot den jongen edeling: --"Vorstenkind, wat voert u hierheen om naar vogels te luisteren? Op strijdrossen rennen, en helden vellen is betere taak voor u dan de jacht. Wie na u komen zullen meer burchten bezitten, en grooteren roem verwerven: op snelle schepen zullen zij over de wereld zeilen, en overal de teekenen toonen, die het zwaard hun bloedig sloeg" HELDENSAGEN De Welandsage Er was een koning in Zweden, die Nijdhod heette. Twee zonen had hij, en ene dochter, wier naam Bodwild was. Ook leefden daar terzelfder tijd drie tooverkundige bergbewoners. Zij waren broeders. De oudste heette Slagfid, de tweede Egil en de derde Weland. Zij waren gewoon op sneeuwschoenen te loopen, en maakten jacht op wilde dieren. Eens kwamen zij in Wolvendal en bouwden er zich een huis dicht bij een water, dat Wolvenmeer genoemd werd. Op zekeren dag, vroeg in den morgen, dat de drie broeders op jacht waren gegaan, kwamen over het uitgestrekte Zwartwoud meisjes uit het Zuiden gevlogen. Zij droegen helmen op het hoofd en zochten of er ook ergens werd gevochten. Toen zij niets zagen, zetten zij zich aan het strand van Wolvenmeer neder, en sponnen er de kostbare draden van het lot. Hare zwanenkleeren lagen in de nabijheid, want zij waren Walkuren. Twee van haar waren dochters van koning Lodwer: de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de Alwijze. De derde echter was Aalrune, de dochter van Kiar, koning van Walland. Toen de drie broeders terugkwamen uit de bergen, en de vrouwen zagen, namen zij haar mede naar hunne woning. Egil koos Aalrune, en vleide zich aan haar blanken boezem neer; Slagfid nam de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de derde, omhelsde Weland. Zij bleven zeven winters lang bij elkaar. Maar in den achtsten winter voelden de vrouwen een rusteloos verlangen naar haar eigen werk, en in den negende kon niets haar weerhouden. Een groot verlangen om te zoeken waar gevochten werd dreef de helmdragende meisjes het Zwartwoud in. En toen op zekeren dag de drie broeders waren uitgegaan ter jacht, vlogen de vrouwen heen. Herwor was de laatste, die heenging, en voor zij ging fluisterde zij, rondom zich ziende in den voorhof: --"Wie straks uit het bosch komt zal geen blijheid beleven." Vermoeid van de jacht keerden eindelijk de drie broeders uit het woud in hunne woning terug. Zij vonden alle zalen verlaten,--zij liepen naar buiten, liepen naar binnen, overal zoekend liepen zij rond. Toen ging Egil naar het Oosten om Aalrune te zoeken,--naar het Zuiden ging Slagfid om te zien of hij Ladgud ook vond. Maar Weland bleef in Wolvendal, eenzaam. In fijn-gesmeede sieraden vatte hij edelsteenen, reeg aan banden van boombast ringen van goud en wachtte, hopend, dat zijn blonde Herwor zou wederkeeren. Daar hoorde Nijdhod, de vorst van de Njaren, dat Weland eenzaam in Wolvendal was. Weldra reed hij door de stilte van den nacht met een leger krijgshaftige mannen, wier schilden en schubbige pantsers in den schijn van den manesikkel schitterden. Bij Weland's woning stegen zij van hunne paarden en gingen in de groote hal. Daar zagen zij de aangeregen ringen, zevenhonderd in getal, die het eigendom van Weland waren. Zij trokken ze van de banden, regen ze echter weer aan elkaar, behalve een, die de mooiste was en dien Nijdhod behouden wilde. Toen verscholen zij zich in de holen en in de bosschen, die rondom de woning waren, en wachtten tot Weland komen zou. Vermoeid van de jacht keerde deze eindelijk na een langen tocht terug. Weldra vlamde er een vroolijk vuur in het dorre hout, dat de wind gedroogd had, en ging Weland berenvleesch braden. Nadat hij ervan gegeten had, legde hij zich neer op de huid van den beer, dien hij gedood had, en telde zijn ringen. Hij miste er een, en meenend, dat Herwor dien eraf had genomen, dacht hij, dat de jonge Alwijze was teruggekeerd. Zoo zat hij lang, wachtende tot zij zou komen, en viel eindelijk in slaap. Maar wat jammerlijk wee bracht hem het ontwaken! Harde banden bonden zijn handen, en zijn voeten waren stevig geboeid. Toen riep hij luide: --"Waar zijn de roovers, die mij met ruwe riemen omsnoerden en mij in harde banden gebonden hebben?" Nijdhod, de koning, die dacht, dat Weland al dat goud had gestolen, ging naar hem toe en zeide: --"Zeg, Weland, hoe hebt gij in Wolvendal al dat goud verworven? Want gij hebt niet, als Siegfried, een draak gedood, die schatten bewaakte, en de rotsen van den goud-rijken Rijn zijn ver van uw woning verwijderd." Weland antwoordde den koning: --"Kent gij Ladgud en Herwor niet, Lodwers rijke dochters, en Aalrune, die een kind van koning Kiar is? Ik had nog grootere schitterende schatten, toen ik met Alwijze zoo gelukkig was." 's Konings krijgslieden namen den gevangen Weland op en brachten hem naar het paleis van Nijdhod. De koningin, die buiten stond, zag hen aankomen en zij zeide tot zichzelf, terwijl zij naar binnen ging: --"Het ziet er niet goed uit, voor wie daar uit het woud komt." Nijdhod gaf den gouden ring, dien hij uit Welands woning medegenomen had, aan zijn dochter Bodwild ten geschenke. Zelf echter behield hij het scherpe zwaard dat aan Weland had toebehoord. Toen sprak de koningin tot den koning: --"Welands oogen schitteren als die van slangen. Zijn tanden zullen van woede wel knarsen, als hij zijn zwaard ziet en den ring herkent aan Bodwilds arm. Snijd hem de kniepezen door en laat hem zoo in Zeestad zitten!" Dit geschiedde. Men sneed hem de pezen van de knieen door, en hij werd op een eiland gezet, dat in de nabijheid van het land lag en Zeestad heette. Daar moest hij voor den koning allerlei sieraden smeden, en niemand durfde hem te naderen als de koning alleen. Slapeloos zat er Weland en hanteerde den hamer. Hij dacht hoe nu aan Nijdhods gordel het glanzende zwaard hing, waarvan hij de snede had geslepen zoo goed hij kon, dat hij gehard had met hamerende handen, en dat hem nu ontnomen was en nooit meer in zijn werkplaats zou worden gebracht. En hij dacht aan den roodgouden ring van zijn heerlijke Herwor,--en die nu aan Bodwilds arm blonk. Zoo zat hij en smeedde sieraden voor Nijdhod, knarsend van woede, onmachtig tot wraak. Maar op zekeren dag kwamen Nijdhods jeugdige zonen naar Welands werkplaats. Voorzichtig slopen zij naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in. Daar zagen zij schitterende schatten, en zij vroegen schuchter aan Weland: --"Is al dat glinsterende echt goud?" Weland wendde het hoofd om en zag de beide koningskinderen. Toen rijpte er plotseling een plan tot wraak, en hij zeide: --"Kinderen, komt morgen heimelijk bij mij, dan zal ik u schatten ten geschenke geven. Maar zegt het niet aan de knechten en meiden, verbergt voor iedereen, dat gij bij mij waart." Den volgenden morgen, al heel vroeg, zeide het oudste van de kinderen tot het andere: --"Kom, laten wij gauw naar het goud gaan kijken." Nieuwsgierig gingen zij naar Welands werkplaats, slopen voorzichtig naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in. Toen, met een hevigen slag, sloeg hun Weland het hoofd af en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette hij in zilver en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad voor Bodwilds borst. Korten tijd daarna gebeurde het, dat de gouden ring, waarmede Bodwild pronkte, brak. Zij nam de beide stukken, ging er mede naar Weland, en zeide: --"Weland, wilt gij mijn ring weer maken? Aan u alleen durf ik zeggen, dat hij gebroken is." Weland antwoordde haar: --"Ik zal uw gouden ring zoo maken, dat hij uw vader nog sierlijker schijnt, en dat uw moeder hem veel mooier zal vinden. Gij zelf zult zeggen: hij is weer even goed." Overweldigd door het vele bier, dat Weland haar deed drinken, viel Bodwild weldra, dicht tegen hem aan, in slaap. Toen juichte Weland: --"Nu heb ik alle wandaden gewroken, behalve een. Maar ik zal mij nog wel hoog verheffen boven de schurken, die mijn pezen doorsneden." Heftig begon hij te hameren en smeedde zich vleugels. En toen Bodwild wakker werd, ging zij weenende heen van haar verleider, bevend voor haars vaders wraak, en bang, dat Weland zou ontvluchten. Koning Nijdhod had langen tijd tevergeefs op zijn zonen gewacht. Hij lag op een bank in de groote zaal van zijn paleis, en peinsde. De koningin stond buiten, en zoodra zij hem zag, ging zij tot hem, zette zich naast hem neder en zeide: --"Nijdhod, vorst der Njaren, zijt gij wakker?" De koning antwoordde haar: --"Altijd ben ik wakker, geen slaap sluit mijn vreugdelooze oogen. Mij kwellen zorgen na der kinderen dood. Het hamert in mijn hoofd, sinds gij mij zoo heilloos hebt geraden. Ik wil met Weland spreken." Nijdhod stond op en ging naar Zeestad. Daar sprak hij tot Weland: --"Antwoord mij, Weland,--wat is er gebeurd met mijn zonen, die zoo gezond mij verlieten?" Toen zeide Weland: --"Alles zal ik u zeggen, als gij mij zweren wilt met heilige eeden: bij de spits van uw speer, bij den rand van uw schild, bij de kiel van uw schepen, bij den rug van uw krijgsros, dat gij mijn vrouw niet zult vermoorden, dat gij mijn lief geen leed zult doen, ook niet wanneer zij aan uw huis verwant zou zijn, en mij een kind in konings zalen werd geboren.--Zoo ga dan in de werkplaats, die gij voor Weland bouwdet, en zie er de balken, die druipen van bloed. Daar sloeg ik uw kinderen met hevigen slag het hoofd af, en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette ik in zilver, en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad van Bodwilds borst. En Bodwild zelf, uw beider eenige dochter, gaat en draagt mijn kind." Toen sprak Nijdhod: --"Geen woord, Weland, heeft ooit mij heftiger getroffen,--geen woord wensch ik zoo streng te straffen als dit." Maar lachend vloog Weland de lucht in. Nijdhod stond, en staarde hem na, vernietigd van smart. Daarop zeide de koning: --"Dankraad, gij wiens raad ik zoo dikwijls dankend aanvaardde, ga, en ontbied de blonde Bodwild hier. Ik wil haar verhooren." Toen Bodwild gekomen was, zeide de koning: --"Is het waarheid, Bodwild, wat Weland mij zeide? Waart gij te zamen met hem?" En Bodwild sprak: --"Het is waarheid, koning, wat Weland u zeide. Wij waren te zamen, alleen. Ach, had ik toch nooit dat nooduur beleefd! Maar ik deed het ontwetend, deed het onwillend, ik kon niet weerstaan, kon Weland niet weren." Helgi, Zwaardwachts zoon Koning Zwaardwacht had drie vrouwen. De eerste heette Alfheld, wier zoon Hedin was; de tweede heette Zeerit, wier zoon Schemerling was; de derde heette Zinrood en haar zoon was Sluimerling. Koning Zwaardwacht had gezworen, dat hij de schoonste vrouw zou trouwen, die hij vinden kon. Eens vernam hij, dat koning Slaapner een zeer schoone dochter had, wier naam Sieglinde was. Atli, den zoon van een zijner edelen, die Idmond heette, zond hij uit om de hand van Sieglinde te vragen. Een winter lang verbleef deze edelman met zijn volgelingen aan koning Slaapners hof. Glanswolk echter, een hoveling van den koning, die de verpleger van Sieglinde was, en zelf eene dochter had, die Alof heette, raadde zijn koning aan Sieglinde niet aan Atli mede te geven. Toen ging Atli heen. Maar voor hij heenging stond hij op zekeren dag voor een boschje lage boomen. Daar zat een vogel in de takken, en deze had gehoord, dat Atli's volgelingen de vrouwen van Zwaardwacht de mooiste vonden. Toen zeide de vogel: --"Hebt gij Sieglinde, Slaapners dochter, wel gezien, dat gij de vrouwen van Zwaardwacht nu nog mooi kunt vinden?" Atli vroeg den vogel, of deze hem helpen wilde Sieglinde voor zijn koning te verwerven. De vogel beloofde het hem, wanneer hij in ruil voor zijn diensten rijke geschenken krijgen zou. Maar toch moest Atli zonder Sieglinde wederkeeren. Zoodra hij in zijn eigen land, dat Glasland heette, aangekomen was, vroeg de koning hem welke tijding hij medebracht. Atli zeide, dat hij alle moeite gedaan had, die mogelijk was,--verhaalde den koning van zijn afmattenden tocht over de barre bergen, hoe zij bij ebbe door gevaarlijke rotsspleten aan zee waren gegaan, en dat tenslotte toch nog Slaapners dochter was geweigerd. De koning verlangde, dat zij nogmaals heen zouden gaan, en hij ging zelf mede. Toen zij boven op de bergen gekomen waren, en Slaapners land, dat Svabaland heette, konden overzien, zagen zij daar hoogopslaande vlammen en warrelende stofwolken, die door rennende paarden opgeworpen werden. De koning reed van de bergen naar beneden, en vestigde zijn nachtverblijf aan een breede rivier. Atli hield de wacht, en stak de rivier over. Daar, aan den anderen oever, vond hij een huis, waarvoor een groote vogel zat, die er de wacht moest houden, maar ingeslapen was. Atli schoot den vogel dood, ging het huis binnen en vond daar Sieglinde, de koningsdochter, en Alof, de dochter van den edelman. Deze edelman had zich in een arend veranderd, en hij was de vogel, die door Atli gedood werd, en hij had de beide meisjes met zijn tooverkunst voor de legers beschermd. Want Roodwolk, een koning uit den omtrek, die ook naar Sieglinde gedongen had, was het land van den Svaba-koning binnengevallen, had hem verslagen, en zijn rijk geplunderd en in brand gestoken. Toen nam koning Zwaardwacht Sieglinde tot vrouw, en Atli behield Alof voor zich. Zwaardwacht en Sieglinde kregen een flinken, krachtigen zoon. Maar spreken kon hij niet, en men gaf hem ook geen naam. Eens echter, dat deze op een heuvel stond, zag hij negen Walkuren over de wolken rijden. Een van dezen, Svaba genaamd, die de dochter was van koning Euling, sprak tot hem: --"Helgi, gij zult eens over heel het gebied en over alle burchten van dit schitterende Glasland regeeren." De koningszoon zag tot haar op, en toen hij het meisje gezien had kon hij spreken. En hij zeide: --"Schitterend meisje, wat wilt gij mij nog meer geven, behalve dien naam? Wenscht gij mij nog meer in uw groet? Ik neem dien naam niet zonder u." Svaba, de Walkure, antwoordde hem: --"Zes en veertig zwaarden zie ik in Zegehout staan. Maar een daarvan is het beste van allen. Aan het gevest is een ring, moed in de snede, op de spits schittert verschrikking, in het staal steekt een bloeddrinkende draak. Het zwaard, dat met goud is beslagen, slaat alle schilden stuk, en het trilt als de staart van een giftslang." Toen reed Svaba heen. Helgi echter ging naar zijn vader Zwaardwacht, en zeide: --"Koning Zwaardwacht, gij zijt wel beroemd als aanvoerder van vele legers, maar gij laat de vlammen vreten in het land van vorsten, die u nooit iets hebben misdaan. Roodwolk regeert over de burchten, die aan onze verwanten behoorden, en hij heerscht ongestoord over het eigendom van de dooden." Zwaardwacht antwoordde hem, dat hij hem een leger zou geven, als hij er mede wilde uitrukken om den vader van zijn moeder te wreken. Helgi zocht het zwaard, dat Svaba hem gewezen had, rukte met Atli uit, velde Roodwolk neer en volbracht nog menige heldendaad. Op een van zijn vele tochten versloeg Helgi ook den reus Haat, die boven op een berg zat, aan den oever van de zee. Helgi en Atli legden toen hunne schepen in de Haatfjord vast. Atli zou gedurende het eerste gedeelte van den nacht de wacht betrekken, en terwijl hij op den hoogen voorsteven van het grootste schip stond en uitzag, kwam Ringgerd, de dochter van den gedooden reus, op de rotsen en sprak tot hem: --"Welke helden zijn er in de Haatfjord gekomen? Schilden staan als tenten op uw schip: gij schijnt dus geen vrees te kennen. Hoe heet uw koning, en wie zijt gij?" Atli antwoordde de heks: --"Helgi heet de koning. Gij kunt zijn schip toch niet beschadigen, want het is rondom met ijzer beslagen. Ik ben Atli. En ik haat alle heksen, en vele malen heb ik, op den voorsteven staande, nachtspoken vernietigd. Hoe heet gij, heks?" De heks zeide hem: --"Ringgerd heet ik, de dochter van Haat. Mijn vader heeft zich menige bruid uit de burchten genomen, voor Helgi hem doodde. Want hij was de machtigste onder de reuzen." Atli wist, dat het haar plan was de schepen te vernietigen, als zij er ongemerkt dichtbij kon komen, of wel, afwachtend onder het water, ze om te werpen en zoo te doen zinken. Ringgerd, woedend, dat Atli haar voornemen kende, riep uit: --"Helgi, word wakker. Betaal boete voor den val van mijn vader. Laat mij maar een nacht naast u slapen, dan zal uw wandaad wel gewroken zijn." Helgi werd wakker van haar stem, die huilde als de storm, en hij zeide haar: --"Lodhin, de woudreus, zal u wel temmen,--want voor een mensch zijt gij niet goed genoeg. Bij wilde bergbewoners hoort ge thuis." Ringgerd antwoordde hem: --"Gij zoudt wel liever het blonde meisje hebben, dat de haven voor u veilig heeft gemaakt. Hier zag ik ze aan land gaan,--zij is het geweest, die mij de macht heeft ontnomen, om uw bende in het verderf te storten." Toen Helgi van het blonde meisje hoorde spreken, dacht hij aan Svaba, de Walkure, en hij vroeg: --"Zeg, Ringgerd, was zij alleen, toen zij mijn schepen redde, of stonden anderen haar bij?" Ringgerd zeide: --"Er waren drie rijen meisjes, maar voorop reed er een in helderen glans en zij droeg op het hoofd een helm. Van de waaiende manen harer paarden droppelde dauw in het dal en woei de regen over de wouden. Dat gaf vruchtbaarheid aan de velden,--en ik vloekte ze." Terwijl Ringgerd zoo sprak, was de zon opgekomen, die alle nachtelijke spoken doodt. Helgi en Atli lachten, en spraken tot Ringgerd: --"Ringgerd, zie naar het Oosten, zie hoe ik u ten doode toe trof. Nu is de vaart voor ons veilig,--blijf gij daar nu staan in de haven, als een bespottelijke steenen gedenkzuil." Helgi groeide op en werd een roemrijk krijgsman en machtig koning. Hij ging naar koning Euling en vroeg hem zijn dochter Svaba tot vrouw. Helgi en Svaba beloofden elkander trouw, en zij hielden zeer veel van elkander. Svaba echter bleef bij haar vader, terwijl Helgi verre krijgstochten ondernam. En Svaba was Walkure. Hedin, de broeder van Helgi, was in Noorwegen bij zijn vader Zwaardwacht. Op zekeren avond, dat hij eenzaam uit het woud naar huis terugkeerde, ontmoette hij eene toovervrouw, die op een wolf reed en slangen als teugels gebruikte. Deze bood aan Hedin haar bescherming aan, doch Hedin weigerde. Toen riep de vrouw verontwaardigd: --"Dat zult gij bij den Bragidronk ontgelden!" 's Avonds, toen Hedin met andere helden te zamen zat aan het groote drinkgelag, dat Bragidronk genoemd wordt, verzekerde de een dit, en een ander dat te zullen doen. Luidruchtig roemden zij allen bizondere heldendaden te zullen volbrengen. Hedin legde een gelofte af, dat hij Svaba, die de dochter van Euling en de bruid van zijn broeder was, tot zijn vrouw zou maken. Maar den volgenden morgen had Hedin zulk een groot berouw over wat hij beloofd had, dat hij over de woeste wegen naar het Zuiden ging en zocht, totdat hij zijn broeder Helgi had gevonden. Zoodra deze hem zag, zeide hij tot Hedin: --"Wees welkom, Hedin,--brengt gij goede berichten uit Noorwegen mede? Waarom verliet gij uw land en zijt gij gekomen om mij te zoeken?" Hedin verhaalde alles wat er dien avond gebeurd was en hij zeide: --"Aan een groote gruweldaad ben ik schuldig, broeder. Bij den Bragidronk heb ik de koningsdochter, uw bruid, tot vrouw gekozen." Toen zeide Helgi: --"Beschuldig u niet. Misschien kan wat gij drinkend beloofd hebt, nog wel eens worden vervuld. Een held heeft mij naar een eiland ten strijde gedaagd en na drie nachten zal ik er heen gaan. Ik weet niet of ik ooit zal wederkeeren,--maar als ik val, loopt het lot u misschien ten goede." Helgi sprak aldus, omdat hij een voorgevoel had van zijn dood, en omdat hij vermoedde, dat zijn eigen beschermgeesten hem verlaten en Hedin hadden opgezocht, toen hij die vrouw op een wolf zag rijden. De koning, die Helgi tot den strijd had uitgedaagd, heette Alf. Deze was de zoon van Roodwolk, en hij wilde zijn vader wreken. Als plaats voor den strijd had hij Zegeveld uitgekozen. Toen Helgi na drie nachten daarheen ging, sprak hij tot zichzelf: --"De vrouw, die op den wolf reed en mijn broeder haar bescherming aanbood, wist het wel: Sieglinde's zoon zal op Zegeveld verslagen worden." Daar ontstond toen een hevig gevecht, waarin Helgi doodelijk gewond werd. Hij zond een dienaar tot Svaba, om haar te zeggen, dat hij haar spreken wilde. De dienaar ging tot Svaba en zeide tot haar: --"Helgi heeft mij hierheen gezonden, om u te zeggen, dat de held u nog zien wil voor hij sterven zal." Svaba vroeg verschrokken: --"Wat overkwam dan mijn Helgi? Welk leed moet ik beleven. Heeft de zee hem verzwolgen, of trof hem het zwaard? Vervloekt zij de man, die hem verwondde!" De dienaar antwoordde: --"Vroeg in den morgen viel de vorst, die de edelste was op de aarde. Alf heeft hem verslagen." Svaba ging naar de plaats, waar Helgi lag. Toen deze haar komen zag, zeide hij tot haar: --"Svaba, wij zien elkander voor het laatst in ons leven. Uit vele wonden vloeit mijn bloed,--het scherpe zwaard heeft mij zoo dicht bij het hart getroffen. Luister geliefde,--neen, ween nu niet,--vervul dezen wensch: neem Hedin tot u, heb Hedin lief, maak zoo den jongen held gelukkig." Doch Svaba antwoordde hem: --"Weet gij nog wel, mijn Helgi, wat ik u beloofd heb, toen gij mij uw gouden ringen gaaft? Nooit zou ik na den val van mijn vorst nog een anderen held omhelzen." Toen sprak Hedin, de broeder van den gestorven Helgi, tot Svaba: --"Svaba, geef mij een kus, tot groet. Want ik ga, en nooit zal ik wederkeeren naar mijn land, nooit zal ik weerzien mijn glanzende bergen, voor ik Zwaardwachts zoon heb gewroken, die de edelste was op de aarde." Helgi, die Honding doodde In overoude tijden, toen adelaren zongen en levenverwekkend water uit den hoogen hemel viel, baarde Borghilde, de vrouw van koning Siegmond, in den koningsburcht van Braland een zoon. Daar naderden in den nacht de Nornen om de draden van het lot te spannen voor het koninklijke kind. Heel zijn leven omringden zij met roem en eer. Zij sponnen het geheele land in een net van gouden draden, maakten ze vast midden onder de volle maan, wierpen de einden uit naar het Oosten en naar het Westen en bonden een draad naar het Noorden, die nimmer breken mocht. Hoog in de boomen sprak toen een raaf tot de andere: --"Zie, daar is Siegmonds zoon geboren. Nog geen zonnedag is hij oud en reeds staat hij daar als een sterke strijder en glanzen zijn oogen van oorlogsverlangen. Daar breken vreugdevolle dagen voor ons aan!" Siegmond en Borghilde hoorden die woorden, en op dat oogenblik beklemde hen de angst om wat er wel met hun kind kon gebeuren. Het volk echter, dat het koningskind zag, verheugde zich zeer. Want het bemerkte, welk een machtige held er was geboren. En ook het volk verwachtte een vreugdevollen tijd. De koning gaf zijn zoon frisch groen van de boomen als een teeken, dat hij hem eens het geheele land in bezit geven zou. Hij noemde hem Helgi, naar Helgi, Zwaardwachts zoon, en schonk hem, behalve vele burchten, het vreeselijke zwaard, dat Doodsdraak heette. Hagel, een van koning Siegmonds edelen, werd aangewezen om den knaap op te voeden. Nu was er voortdurend groote strijd tusschen koning Siegmond, wiens geslacht de Welsingen of Wolvingen heette, en koning Honding, den machtige, die over het land regeerde, dat Hondland genoemd werd. Deze moedige krijgsman had vele zonen, die met hem uittrokken ten strijde, en beide koningen doodden velen van elkanders helden. Eens ging Helgi heimelijk naar de krijgslieden van koning Honding, om allerlei tijding te vernemen. Toen hij er eenigen tijd gebleven was, en veel gezien en gehoord had, keerde hij weer naar zijn land terug. Maar onderweg ontmoette hij een herdersknaap, die in het land van Honding woonde, en hij zeide tot deze: --"Zeg aan Heming, Hondings zoon, dat Helgi gezien heeft, hoe er een man gedood werd, die gevangen was genomen, en dien Honding voor Hamal hield. Ik, Helgi, was er bij toen het gebeurde, in een grauw gewaad gekleed. Hamal nu was de zoon van Hagel. Zoodra koning Honding hoorde wat de herdersknaap vertelde, zond hij mannen uit naar Hagel om Helgi te halen. Deze kon zich slechts redden door meisjeskleeren aan te trekken en den molen te draaien. Hondings mannen zochten Helgi, maar vonden hem niet. Toen zeide een van dezen: --"Wat kijkt Hagels dienstmaagd helder uit de oogen! De steenen knarsen, de molen kraakt. Dat is zeker niet het kind van een knecht,--dat kon wel een koning zijn, die daar het koren maalt. Mij d