[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Reis naar Yucatan, by Desire Charnay
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: Reis naar Yucatan
"De Aarde en haar Volken," jaargang 1886
Author: Desire Charnay
Release Date: September 1, 2004 [EBook #13346]
Language: Dutch
Character set encoding: UTF-8
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK REIS NAAR YUCATAN ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team
Bladzijde 17
Het stadhuis te Merida.
Bij allen, die zich bezig houden met de zoo belangwekkende studie van de amerikaansche oudheid, dat wil zeggen met de studie der beschaving en der geschiedenis van Amerika vóór de ontdekking door Columbus en de verovering door de Spanjaarden en andere europeesche mogendheden,—bij die allen is de naam van den heer Désiré Charnay geen onbekende. Hij gaf ons belangrijke studiën over het oude Mexico en andere landen van Centraal-Amerika, die hij zelf bereisde, voornamelijk met het doel om de nog overgebleven sporen en gedenkteekenen eener ondergegane beschaving te leeren kennen, en daarmede winst te doen voor de oplossing van zoo menig gewichtig vraagstuk op ethnografisch gebied. De lezers van De Aarde brachten wij nog niet met den arbeid van den heer Charnay in kennis: wij willen dit thans doen, door hem te vergezellen op zijne reis naar het schiereiland Yucatan, niet een der minst belangrijke landstreken van Centraal-Amerika.
Den 1sten December 1881 wierp de boot het anker uit op de reede van het dorp Progreso, de tegenwoordige haven van het schiereiland. Er woei een vrij harde noordenwind, en als trouwens alle groote stoomschepen, moesten wij het anker uitwerpen op vier à vijf mijlen afstands van den wal, dien wij ter nauwernood konden zien: de kleine gebouwen van Progreso krompen op dien afstand tot mikroskopische huisjes samen. Deze kust met hare ondiepten en zandbanken staat sinds lang ter kwader naam; evenmin als wij, konden de eerste spaansche ontdekkers haar van nabij naderen. Bij ruw weer is de ontscheping zeer gevaarlijk; maar de bootslieden zijn zoo voor hunne taak berekend, dat zij ons zonder eenig letsel, uitgenomen een aanval van zeeziekte, aan den kleinen houten havendam brengen.
Yucatan is een groot schiereiland, waarvan de vorming nog niet voltooid is. Het noordelijk gedeelte, waar de kalkachtige bodem nog maar met eene dunne laag teelaarde is bedekt, is eene dorre kale vlakte; in het midden wordt de grond, sinds langer gevormd, vruchtbaarder en minder vlak; in het zuiden eindelijk verheffen zich vrij hooge heuvels, die in verband staan met de vertakkingen van de sierra Madre, welke zich door geheel Centraal-Amerika uitstrekt. Het schiereiland, dat noch rivieren, noch stroomende wateren heeft, strekt zich van het zuiden naar het noorden in de golf Bladzijde 18van Mexico uit, tusschen den achtsten en den twaalfden graad oosterlengte van Mexico, en den achttienden en den twee-en-twintigsten graad noorderbreedte.
De eerste berichten omtrent Yucatan, of althans omtrent zijne bewoners, zijn afkomstig van Columbus zelven, die op den 30sten Juli 1502, toen hij op het Pijnboomeneiland, ten zuiden van de noordwestpunt van Cuba, vertoefde, van den kant van het westen eene groote boot zag naderen, uit een enkelen boomstam gehouwen, bemand met vier-en-twintig roeiers en voerende een cacique (opperhoofd, vorst) met zijne familie. Verder wordt verhaald, dat deze lieden het sedert bekend geworden yucatansche kostuum droegen, en dat er zich aan boord van de boot, hetzij ten gebruik van de reizigers, hetzij om daarmede handel te drijven, koeken of brooden van maïs bevonden, benevens verschillende dranken uit maïs bereid; voorts cacao, groote houten zwaarden met sneden van obsidiaan, koperen bijlen en katoenen stoffen, zoo zacht als zijde en met levendige verwen gekleurd.
Ik twijfel er zeer aan of wij in dit verhaal werkelijk met Yucateken of Mayas te doen hebben. Die groote, acht voet breede boot, uit een enkelen boomstam gehouwen, kan niet uit Yucatan afkomstig zijn, een bij uitnemendheid droog en, althans in zijn noordelijk gedeelte, tamelijk dor en kaal land. Bovendien kan men niet aannemen dat de Mayas, die een rotsachtig, vlak en droog land bewoonden, waar geen rivieren zijn, ervaren zeelieden waren; koperen bijlen waren er bij hen wel niet veel te vinden, evenmin als obsidiaan; eerst op hunne tweede reis, onder Gryalva, vonden de Spanjaarden zulke bijlen in Tabasco.
Het komt mij dus waarschijnlijk voor, dat de boot, waarvan Columbus spreekt, van Tabasco kwam: eene landstreek, toen niet minder beschaafd dan Yucatan, maar bovendien doorsneden door groote rivieren en bedekt met een weelderigen plantengroei, waar de inboorlingen te kiezen hadden tusschen ceders en andere woudreuzen om de groote kano's te vervaardigen, waarvan het verhaal melding maakt. Deze inboorlingen gingen evenals de Mayas gekleed; maar de voorraad cacao vooral pleit ten voordeele van mijne onderstelling, want de cacao is in Yucatan niet inheemsch, maar was en is nog steeds een der voornaamste voortbrengselen van Tabasco.
Wat mij het meeste verwondert in dit verhaal, is dat Columbus, bij de voor hem zoo geheel onverwachte verschijning van die groote sloep met hare beschaafde bemanning, niet op de gedachte is gekomen om deze zeevaarders te volgen, ten einde te zien van waar zij kwamen: hadde hij dit gedaan, dan zou hij ook de eerste zijn geweest die de beschaafde landen van Amerika had ontdekt.
De eer der ontdekking van het schiereiland behoort nu aan Vincente Yanez Pinzon, die in gezelschap van Juan Diaz Solis in 1506 langs de oostkust van Yucatan voer, maar zonder haar te verkennen. In 1511 eindelijk leed Valdivia, die met twintig Spanjaarden van Darien kwam en naar Cuba ging, schipbreuk op de riffen, bekend onder den naam van de Alacranes. De bemanning, in eene sloep saamgepakt, werd, na eene omzwerving van dertien dagen, door den stroom op eene onbekende kust geworpen. Dat was de kust van Yucatan; de schipbreukelingen, wier aantal door dorst en honger tot dertien geslonken was, bevonden zich aan de oostelijke punt van het schiereiland, bij kaap Catoche. Zij werden door de inboorlingen gevangen genomen en bestemd om geofferd en gegeten te worden; allen ondergingen dat lot, met uitzondering van twee, Geronimo de Aguilar en Gonzalo Guerrero, van wie wij nog nader spreken zullen. Deze ontdekking was dus bloot toevallig; opzettelijke ontdekkingstochten werden eerst eenige jaren later ondernomen.
In 1517 doet Cordova een verkenningstocht langs het noordoosten van het schiereiland; hij volgt de kust van het oosten naar het westen en bespeurt verschillende groote steden en hooge pyramiden; hij gaat te Campêche aan land, waar hij tempels vindt aan Kukulcan, den god Quetzalcoatl der Tolteken, gewijd; op de muren van die tempels zag hij groote slangen in relief uitgehouwen, gelijk aan die waarmede de buitenmuur van den grooten tempel te Mexico prijkte. Door gebrek aan water gedrongen, landde Cordova aan de westkust, te Potonchan, thans Champoton, waar hij, in een gevecht met de Indianen, zeven-en-vijftig zijner manschappen verloor, terwijl geen enkele van zijn volk ongekwetst bleef. Ook later vond Cortez nergens zoo hardnekkigen tegenstand en zoo geduchte vijanden; want in de gevechten, die hij vijftien dagen lang tegen de Tlascalteken, de moedigsten onder alle indiaansche stammen der hoogvlakten, moest leveren, verloor hij niet meer dan drie man.
In 1518 landt Gryalva te Cozumel, op de oostkust van Yucatan; vandaar verkent hij eene groote stad aan de kust, Tuloom, Pamal of Paalmul; vervolgens richt hij zich noordwaarts en vaart, als zijn voorganger, langs de kust van het schiereiland. Ook hij houdt te Campêche en Potonchan op, gaat Tabasco verkennen en dringt door tot de eilanden Sacrificios en Ulua, vlak tegenover de plek, waar later Vera-Cruz zou verrijzen.
In 1519 volgt Cortez denzelfden weg; maar gelukkiger dan zijne beide voorgangers, vindt hij in Yucatan Aguilar, die hem als tolk zal dienen, en op de kust van Tabasco ontvangt hij, uit handen van een cacique, Marina, het indiaansche meisje, die als het ware de beschermengel werd van zijne expeditie.
Het zonderlingste is dat de Spanjaarden nooit den waren naam hebben geweten van het land, dat zij veroverd hadden. De naam Yucatan zou, naar sommigen zeggen, zijn afgeleid van de woorden Chac-Nuitan (wij begrijpen niet), waarmede de inboorlingen antwoordden op de vraag der Spanjaarden naar den naam van hun land. Anderen verklaren dien naam weer op andere wijze en wagen de wonderlijkste gissingen, die elkander lijnrecht tegenspreken. Trouwens dit behoeft ons niet te verwonderen, als wij bedenken dat de geschiedschrijvers Bladzijde 19op achttien verschillende manieren den naam schrijven van Montezuma, dien keizer met wien de Spanjaarden toch van nabij bekend waren! Men kan zich eenigszins voorstellen met hoeveel moeite de lezing der kronieken gepaard gaat; eerst wanneer men op de plaatsen zelve geweest is, is het mogelijk achter de waarheid te komen. Wij zullen al deze gissingen en onderstellingen laten rusten, en beproeven of wij met behulp van de overgebleven monumenten de verborgenheden van den ouden tijd kunnen ontsluieren. Juist hier hebben de Indianen tal van herinneringen achtergelaten.
Het is niet der moeite waard, zich in het dorp Progreso op te houden: het is eene verzameling van pakhuizen, winkels en ellendige krotten, midden in het zand; de uiterst eenvoudige havendam verkeert in zeer verwaarloosden toestand. De tijd ontbreekt ons voor verder onderzoek, want de trein, die ons naar Merida moet brengen, vertrekt ten tien uren; en de vele koffers van onze bagage moeten nog eerst door de beambten der douane worden nagezien. Deze heeren zijn overigens zoo beleefd mogelijk: van mijne vijf-en-twintig koffers wordt er maar een, en dat nog voor den vorm, geopend; allen beijveren zij zich om ons zoo spoedig mogelijk te helpen. Toch is het goed, zijne bagage niet uit het oog te verliezen, want de commissionairs zijn bijzonder vlug met andermans goed, zoo als ik later tot mijne schade ondervond. De stoomfluit gilt, en wij vertrekken.
Progreso is omringd door een gordel van moerassen, die een zeer treurigen aanblik opleveren; dan komen wij aan eene steenachtige vlakte, hier en daar met struiken en onkruid begroeid. Het is een eentonig, dor landschap; maar de bewoners hebben toch dien kalen dorren grond zeer winstgevend weten te maken. Ter wederzijde van den weg strekken zich onafzienbare henequen-plantages uit: eene agave met smalle en lange bladeren, waaruit zeer stevige en fraai glanzende draden vervaardigd worden, die op de amerikaansche markten grooten aftrek vinden. Links en rechts wijzen verspreide boomgroepen de woningen van de eigenaars der plantages aan; de hooge schoorsteenen, waaruit de rook opstijgt, zijn die van de fabrieken, waarin de bewerking van de henequen-bladeren plaats heeft. Wij ontmoeten op onzen weg nog zeer enkele dorpen: voor de deur der langwerpige, met riet gedekte hutten, zitten bronskleurige vrouwen met korte rokken en omgeven door talrijke groepen naakte kinderen, die den voorbij snorrenden trein met verbaasde oogen aanstaren.
Na een rit van drie uren komen wij te Merida. Hotels zijn hier niet, waaruit volgt dat de verschijning van een reiziger eene zeldzaamheid is; evenmin staan er huizen te huur, hetgeen pleit voor de welvaart der stad, want vroeger stonden er een aantal huizen leeg. Wij loopen gevaar, onder den blooten hemel te moeten overnachten; en niet dan met veel moeite gelukt het ons, eene kleine kamer van vijf el in het vierkant te vinden, waar wij met ons drieën moeten logeeren: mijn secretaris, mijn bediende en ik zelf. In de geheele stad is maar een restaurant—en welk een restaurant! Maar het komt er niet op aan: het is ons om de ruïnen en de oude monumenten te doen, en niet om een lekkere keuken. Bovendien worden wij geïntroduceerd in eene amerikaansche club, waar wij onze avonden aangenaam kunnen doorbrengen.
Merida werd in 1542 gesticht door Francisco de Montejo, tijdens zijne tweede expeditie: want de veroveraar slaagde er eerst bij deze tweede expeditie in, dit kleine dappere volk te onderwerpen en eene der merkwaardigste nationaliteiten van Amerika te vernietigen. Hij kwam hier voor het eerst in 1527; hield Chichen gedurende twee jaren bezet, en moest zich toen, overwonnen en uitgehongerd, terug trekken om te Mexico versterking te gaan halen. Bij zijne tweede expeditie gelukte het Montejo eindelijk, door het verraad van een opperhoofd, vasten voet in het land te winnen. De verovering van Yucatan kostte inderdaad meer inspanning, meer menschenlevens en meer tijd dan de verovering van geheel Mexico; en ook na dien tijd moest de overwinnaar voortdurend op zijne hoede zijn tegen telkens dreigende opstanden van een volk, dat het vreemde juk verafschuwde en altijd gereed was naar de wapenen te grijpen.
Het zou wel der moeite waard zijn, meer in bijzonderheden met deze langdurige worsteling bekend te zijn; maar oneindig belangwekkender ware de kennis van de geschiedenis van het volk, dat ons zulke schoone monumenten heeft achtergelaten. Deze monumenten, die tot zoo velerlei gissingen en hypothesen aanleiding hebben gegeven, zijn heden ten dage de eenige overgebleven getuigen van die in geheimenissen gehulde beschaving. Toch ontbraken tijdens de verovering de authentieke documenten geenszins: manuscripten op aloëpapier en op geitenvel, kaarten, afgodsbeelden, vaatwerk, nog levende traditiën en overleveringen: ziedaar bouwstoffen genoeg, waarvan de toenmalige schrijvers gebruik hadden kunnen maken om ons eene uit de bronnen geputte geschiedenis te geven van de oude beschaving der Mayas. Maar de Spanjaarden dachten aan geheel andere dingen; en op het voorbeeld van den bisschop Zumarraga van Mexico, die de jaarboeken der Azteken vernietigde, verbrandde ook de bisschop Landa, van Merida, te Campêche alle documenten, die hij kon bijeen brengen. Na dit schoone auto-da-fé zette hij zich aan het schrijven zijner geschiedenis van Yucatan! Zeker eene zonderlinge wijze van behandeling der bronnen!
Ons blijft dus niets anders over dan met de meeste nauwgezetheid alle sporen en herinneringen van den vroegeren toestand uit te vorschen en te onderzoeken, en door de studie van de monumenten en bas-reliefs, door vergelijking van deze kunstwerken met anderen die ons bekend zijn, te trachten een beeld te ontwerpen van dat verleden, dat steeds nader bij komt, hoe meer men het bestudeert. Men heeft meermalen aan deze monumenten eene tot in het belachelijke overdreven oudheid toegekend: inderdaad zijn zij betrekkelijk modern, zoo als ik nader, op onzen tocht, hoop te bewijzen. Bladzijde 20
Merida werd gebouwd op de plaats van het oude Ti-hoo of T-hoo, eene der grootste yucatansche steden, waarvan de overlevering echter ter nauwernood melding maakt. Volgens het zeggen der Spanjaarden, was de stad sedert lang verlaten; uit de feiten zelven schijnt echter te blijken dat zij nog bewoond was. Wel waren de pyramiden met struiken en distels begroeid, maar de daarop rustende gebouwen waren, naar de verklaring van Landa, nog ongeschonden in wezen; en Francisco de Montejo kon in de stad zijn intrek nemen met zijne troepen en het contingent der Indianen van Mani. Bovendien verhaalt de jongste geschiedschrijver van Yucatan, de heer Eligio Ancona, van een beroemden tempel, H-Chum-Cáan genoemd, hetgeen zooveel beteekende als: het middelpunt en de grondslag des hemels. De inwoners van T-hoo waren bijzonder gehecht aan dit hoog vereerde heiligdom; en om die bijgeloovige vereering uit te roeien, was het, volgens Cogolludo noodig, den tempel af te breken en hem te vervangen door eene aan Sint-Antonius gewijde kapel.

Het huis van don Francisco de Montejo te Merida. (Blz. 22)
Uit deze mededeeling blijkt, dunkt mij, onwedersprekelijk dat de tempels en paleizen van Merida ook nog na de komst der Spanjaarden bestonden en dat daarin nog dienst werd gedaan; maar deze tempels en paleizen beantwoordden gewis niet aan de overdreven beschrijving van den abt Brasseur. Op het gebied der archeologie vooral is het zeer gevaarlijk, aan de verbeelding vrij spel te laten; het gezond verstand is ook hier de beste gids; en zucht naar het wonderbare spant ons bij het onderzoek soms gevaarlijke strikken. Laat mij daarvan een sprekend voorbeeld verhalen. Landa geeft ons eene beschrijving van het voornaamste gebouw, dat uit vier vleugels bestond, rustende op pyramiden; deze vleugels omgaven eene langwerpige binnenplaats, die door hare gedaante herinnerde aan het paleis der nonnen, dat wij te Uxmal zullen bezoeken, en door haar bouwstijl aan een der paleizen van Kabah, welke wij eveneens zullen zien. De twee hoofdvleugels nu bevatten vijftien vertrekken van twaalf voet lengte, hetgeen te zamen honderd-tachtig voet bedraagt; voegt men daar nu veertig voet bij voor de dikte der muren, dan krijgen wij tweehonderd-twintig voet voor het geheele gebouw. Volgens de teekening hebben de beide terrassen, die het paleis dragen, eene meerdere oppervlakte van tachtig voet: zijnde een totaal van driehonderd voet voor het terras, waarop het paleis was gebouwd. Deze cijfers schijnen de verbeelding van den abt te hebben ontvlamd: de driehonderd voet worden tot drieduizend voet voor het geheele monument. Het is maar een nul te veel, doch het maakt nog al eenig verschil!
De stad Merida, met de bouwstoffen der indiaansche stad opgetrokken, heeft, als alle spaansche steden in de Nieuwe-Wereld, de gedaante van een groot dambord, gevormd door rechte straten en zuiver vierkante blokken huizen. In het midden bevindt zich een groot plein, dat thans in een soort van square is herschapen, met eene waterlooze fontein, dorre en verschroeide bloemperken, en jonge boompjes, in welker schaduw misschien het verre nageslacht eens zal mogen wandelen.—De eene zijde van dit plein wordt ingenomen door het stadhuis, een groot gebouw met twee galerijen boven elkaar, en volkomen gelijkende op alle stadhuizen in de spaansche koloniën. Daar tegenover verrijst de kathedraal, die inderdaad een monument mag worden genoemd voor eene stad, welke thans eene bevolking telt van dertigduizend zielen, maar waarschijnlijk nog geen tienduizend inwoners had toen deze kerk werd gesticht. Het heiligdom dagteekent toch uit de laatste jaren der zestiende eeuw, toen de kolonie nog pas in haar opkomst was en over zeer weinig hulpmiddelen had te beschikken: de inwoners moesten waarlijk voor hunne godsdienst veel over hebben om de zware onkosten van dit werk te kunnen bestrijden. De kerk, in 1598 voltooid, kostte vijftienhonderd-duizend francs: eene som, die gelijk staat met omstreeks vijftien millioen, naar de tegenwoordige geldswaarde berekend.—De voorgevel wordt ter wederzijde geflankeerd door twee sierlijke torens; het inwendige maakt een grootschen indruk: het bestaat uit drie ruime schepen, Bladzijde 22waarvan de gewelven gedragen worden door twaalf kolossale zuilen in het midden, en door twintig anderen van gelijke afmeting, die ten deele in de muren gevat zijn. In de zijschepen bevinden zich kleine kapellen; en het geheel vertoont dien stempel van soliediteit, die aan alle gewrochten der veroveraars eigen was.
Ten zuiden van het plein staat het huis van Francisco de Montejo: dit huis, het oudste van Merida, is eene kostbare herinnering uit de eerste tijden der verovering: het werd in 1549 gebouwd. De zuilen ter wederzijde van de deur dragen twee spaansche soldaten; aan iedere zijde van het venster der eerste verdieping staat het beeld van een gewapenden ridder, wiens voeten rusten op een neergehurkten Indiaan. Deze voorgevel met zijn zuilen, zijn standbeelden, zijn wapenschilden, medaillons en lijsten, is een aardig staaltje van den renaissance-stijl in Amerika; maar zoo het plan door een Spanjaard werd geteekend, werd het werk zelf waarschijnlijk door Indianen uitgevoerd, want toen dit huis gebouwd werd, was het getal der Spanjaarden nog zeer gering: zij waren nog een troep soldaten en avonturiers, die het allen als eene vernedering zouden hebben beschouwd, steenhouwersarbeid te verrichten. Zij vonden trouwens bij de Indianen de werklieden, die zij noodig hadden: de Mayas, die hun land met zoo vele merkwaardige monumenten hadden versierd, waren bekwaam genoeg om ook deze en dergelijke werken uit te voeren: nog heden staan zij bekend als de beste metselaars van Amerika.
Met uitzondering van deze gebouwen, bestaat de stad uit eene verzameling van lage huizen met platte daken en getraliede vensters; sommigen hebben, bij uitzondering, eene bovenverdieping. Van buiten trekken zij door niets de aandacht; maar inwendig zijn zij uitnemend ingericht: groote, ruime, luchtige vertrekken komen uit op eene door moorsche galerijen omgeven binnenplaats, die met bloemen, heesters en palmen is versierd en een recht aangenaam verblijf oplevert.
Alle leven en beweging trekt zich samen op en om de markt: overal elders is de stad als uitgestorven. Daar ziet men de voornaamste winkels en handelskantoren; Spanjaarden, Indianen en mestiezen bewegen zich hier, in hunne eigenaardige kleederdrachten, onophoudelijk heen en weder. In de naburige straten ziet men groepjes indiaansche vrouwen, op de trottoirs neergehurkt voor haar kleine uitstallingen van vruchten en groenten. De markt zelve levert een schilderachtigen aanblik op: die schaar van vrouwen, in haar bevallig sneeuwwit gewaad, maakt een verrassenden indruk. In lange rijen staan zij daar, de schouders ontbloot of met een glanzend witte roboza bedekt en bieden zwijgend of met een stillen glimlach hare eenvoudige koopwaren aan. Gij ziet daar vrouwen van allerlei leeftijd, mooien en leelijken, maar de smaakvolle kleeding geeft aan allen eene eigenaardige bekoorlijkheid.

De kathedraal te Merida.
De Mayas zouden, naar men zegt, tot de oudste rassen behooren, hoewel men niets omtrent hun oorsprong weet; hun type en hun taal onderscheidt hen evenzeer van de omwonende stammen als van die der hoogvlakten. De Maya is evenmin verwant aan de Otomis van Mexico als aan de Roodhuiden van Noord-Amerika, waaruit de onhoudbaarheid blijkt van de theorie, die alle volken van geheel Amerika als tot een en hetzelfde ras behoorende beschouwt. Men zegt dat de Mayas in het bezit waren eener oorspronkelijke beschaving, die zich hetzij rechtstreeks, hetzij door tusschenkomst van bevriende stammen, in Guatemala, Chiapas en Yucatan zou hebben uitgebreid; maar deze hypothese, samenhangende met de onderstelling eener hooge oudheid van deze kultuur, mist allen deugdelijken grond. Volgens deze zelfde theorie zouden de monumenten en de ruïnen, die men in de gewesten van Centraal-Amerika vindt, overblijfselen zijn van deze oorspronkelijke inlandsche beschaving; maar op grond van onze jongste ontdekkingen, durven wij dit ten stelligste tegenspreken. Wij weten toch, en alle traditiën stemmen daarin overeen, dat de hier bedoelde landen, tegen het einde der elfde en het begin der twaalfde eeuw, door de Tolteken werden veroverd en beschaafd; en wanneer wij daarbij in aanmerking nemen, dat alle onderling overeenkomende monumenten aan hetzelfde ras moeten behooren; dat wij afdoende bewijzen bezitten van den architektonischen zin en de technische bekwaamheid der Tolteken; dat bovendien de bouwstijl en de dekoratie der monumenten volkomen overeen stemmen met de beschrijvingen, die de geschiedschrijvers ons gegeven hebben van de tolteeksche tempels en paleizen op de mexicaansche hoogvlakten,—dan mogen wij met vrij veel zekerheid vaststellen, dat er in Centraal-Amerika nooit eene andere kultuur bestaan heeft dan de tolteeksche; althans, zoo er ooit eene andere bestaan heeft, dat daarvan geen enkel spoor is overgebleven, zoodat wij met haar geene rekening hebben te houden.
De Tolteken zouden dus de Mayas gemaakt hebben tot hetgeen zij waren: een onder meer dan een opzicht belangwekkend volk, dat mede zijn deel moet hebben bijgedragen tot de schepping der kunstwerken, waaraan Yucatan zoo rijk is; dat eene zeer krachtige nationaliteit vormde, en beter en langer tijd dan eenig ander ras aan de vreemde overheerschers weerstand bood.
Zoo als hij nog heden ten dage, na eene meer dan driehonderdjarige onderdrukking en vernedering is, onderscheidt de Maya zich nog van alle indiaansche stammen. Ik vind de Mayas een mooi slag van menschen, en ik betwijfel zeer of er onder de landbouwende klassen in Europa, naar evenredigheid, zoo veel welgebouwde menschen en zoo veel verstandige en intelligente koppen te vinden zijn. Zij hebben een rond hoofd, zwarte oogen, een gebogen neus, een kleinen mond en welgevormde ooren, fraaie tanden, een vooruitstekende kin en eene breede borst; hunne kleur is vrij licht bruinrood; hun haar is grof, zwart en niet krullend.
Hunne oude maatschappelijke organisatie schijnt te wijzen op eene vroegere verovering. Aan het hoofd der hierarchie stond de koning; op hem Bladzijde 23volgden de priesters, dan de adel, dan het volk, dan de slaven. Alle lasten en opbrengsten drukten op het volk; de grond was gemeenschappelijk eigendom, en elke Indiaan bebouwde het hem aangewezen stuk; de wijze van bebouwing was reeds toen dezelfde als nog tegenwoordig. Daar de rotsachtige bodem van het schiereiland geene gelegenheid aanbiedt tot ploegen, was de ploeg onbekend, evenals de Spanjaarden, die den ploeg kenden, er toch geen gebruik van maakten. Daarbij was de grond niet enkel steenachtig, maar bovendien met wouden bedekt; men kapte dus eenige maanden voor den regentijd de boomen om en verbrandde ze, nadat zij genoegzaam gedroogd waren, zoodat hunne asch tot bemesting kon dienen; vervolgens boorde men met een puntigen stok gaten in de aarde om daarin maïs te zaaien. Deze wijze van bebouwing had natuurlijk ten gevolge dat de grond lang braak moest liggen; de verdeeling der landerijen was dan ook zoo geregeld, dat de akker eerst na verloop van vijf jaren weer in bebouwing kwam. Slechts een vijfde gedeelte van den grond werd dus werkelijk bebouwd; en hoe snel de boomen ook opschoten, kon het bosch zelden iets meer zijn dan hakhout. De opbrengst van den oogst werd in magazijnen geborgen, en vervolgens aan elke familie, naar gelang van hare behoeften, een deel uitgereikt.
De Indiaan moest niet alleen den grond bebouwen, maar ook jagen en visschen, en langs de kust het zout inzamelen, en dat alles onder opzicht van daarvoor opzettelijk aangestelde ambtenaren, die over de opbrengst beschikten; de vrouwen en meisjes moesten spinnen en weven. De koningen, priesters en edelen leefden dus in overvloed en onbekommerd, te midden van feesten en uitspanningen van allerlei aard; maar zij voerden ook oorlog, en de Indiaan moest steeds gereed zijn om zijn heer in den krijg te volgen. De oorlogen waren talrijk genoeg, maar zij duurden kort: het lot van den veldtocht werd doorgaans in een enkelen slag beslist. Het ging daarbij wreedaardig toe: men kende geen medelijden met den overwonnen vijand; alles werd geplunderd en uitgemoord, en wat men niet mede kon nemen, werd vernield of verbrand. Dit verklaart ons het groote aantal van verwoeste steden en van nieuwe monumenten, die na afloop van den oorlog weder werden opgebouwd.
Als zij ten krijg uittogen, beschilderden de Mayas, even als vele andere volksstammen, hun gelaat, en Bernal Diaz del Castillo, die meermalen met hen vocht, verhaalt ons dat zij een soort van harnas van gevoerd katoen droegen: eene wapenrusting, die de Spanjaarden onder Cortez later van hen overnamen; zij waren gewapend met boog en pijlen, met lans en schild, met slingers en groote houten slagzwaarden. Zij versierden hun hoofd met schitterend gekleurde vederbossen en verfden zich het gelaat wit en zwart, sommigen ook steenrood.
Was men van den krijgstocht teruggekeerd, dan werd die verf weggewasschen en vervangen door een onvernietigbare tatouage: dit tatoueeren was, naar het schijnt, een privilege voor de edelen en de krijgslieden, die op deze wijze de herinnering aan hunne heldendaden bewaarden en zich van de massa des volks onderscheidden; Cogolludo verhaalt dat zij hun lichaam versierden met allerlei figuren en afbeeldingen van dieren, zooals arenden, tijgers, slangen en anderen. De jeugdige krijgsman begon met een of twee van deze symbolische figuren; maar elke nieuwe overwinning moest door een nieuw teeken worden herdacht, zoodat het lichaam van in den krijg vergrijsde helden eindelijk geheel met deze hiëroglyphen bedekt was. Volkomen dezelfde gewoonte heerscht nog tegenwoordig in Nieuw-Zeeland en op andere eilanden van den Stillen-oceaan.
De kleederdracht van de lieden uit de volksklasse was bij uitstek eenvoudig en bestond uit een kleinen doek, die de plaats verving van het traditioneele vijgenblad; trouwens het warme, aangename klimaat liet dit minimum van kleeding toe. Aguilar, een Spanjaard, die acht jaren lang krijgsgevangene was bij de Yucateken, was zoo volkomen gewend aan dit primitieve kostuum, dat hij met de europeesche kleeding niet meer terecht kon. De kinderen liepen tot hun tweede jaar naakt; de kleine meisjes droegen om haar middel een koord, waaraan eene schelp hing; bisschop Landa, die ons dit mededeelt, voegt er bij dat het als eene groote zonde en eene schandelijke daad werd beschouwd, haar deze schelp te ontnemen vóór haar doop, die gemeenlijk tusschen het derde en het twaalfde jaar plaats had.
De kleeding der adellijke mannen en vrouwen was zeer rijk en bestond uit tunica's en mantels van katoen, met verschillende figuren geborduurd of in sprekende kleuren beschilderd. De Mayas lieten hun haar groeien, maar knipten het op het voorhoofd boven de wenkbrauwen af; zij hadden weinig baard en trokken dien uit; de lieden van hooge geboorte en de jongelieden naar de mode moesten scheel zien: dit gold in de oogen der dames als bijzonder schoon. Om dit voorrecht deelachtig te worden, lieten de moeders een vlok hair over den neus der kinderen hangen, waarnaar zij onwillekeurig moesten kijken, zoodat zij eindelijk scheel zagen. De Mayas doorboorden ook hunne ooren, hunne lippen en hun neus, en droegen daarin houten en metalen ringen en andere sieraden.
Evenals bij de Azteken, de Totonaken, de bewoners van Palenqué en de Peruanen, heerschte ook bij hen de gewoonte der schedelmisvorming; maar dit gebruik was verre van algemeen en gold vermoedelijk ook als een privilege voor de adellijke familiën en de priesterkaste. Torquemada verhaalt daaromtrent het volgende: “Ten einde zich een woest en krijgshaftig voorkomen te geven, geldt voor hunne vorsten, in sommige provinciën, het gebod om zich het gelaat en het hoofd (met behulp der vroedvrouwen en der moeders) te misvormen, en daaraan eene puntige en langwerpige gedaante te geven, gepaard met een breed voorhoofd.” Ten aanzien van Tlaxcala voegt hij erbij: “Sommigen hebben een puntig hoofd en een plat voorhoofd; anderen gelijken op die Mexicanen en die lieden van Peru, wier schedel eenigzins de gedaante heeft van een hamer (?) of van een schip (?), die de fraaiste van allen is.”—Heel duidelijk is Bladzijde 24deze beschrijving niet; vermoedelijk wil Torquemada te kennen geven, dat het hoofd buitengewoon langwerpig was. Landa zegt: “De vrouwen gingen zeer ruw met haar kinderen om; het kleine schepseltje was nauwelijks vier of vijf dagen oud, of zij legden het op den grond, op een bed van stokjes en riet, met het gezichtje voorover; dan klemden zij het hoofdje tusschen twee plankjes en drukten het met kracht, totdat, na verloop van eenige dagen, het hoofd den vereischten platten vorm had aangenomen.” Deze operatie was zoo pijnlijk en gevaarlijk, dat vele kinderen op het punt stonden daaraan te bezwijken; de schrijver zelf had een kind gezien, waarvan de schedel achter de ooren gespleten was: hetgeen ongetwijfeld meermalen moest gebeuren.
De moderne geschiedschrijver Eligio Ancona beschrijft als volgt de politieke organisatie des lands voor de verovering: “Een of meer vorsten regeerden met onbeperkte macht; de priesters beheerschten het geweten; de edelen bekleedden alle openbare betrekkingen; de overgroote meerderheid des volks was in twee kasten verdeeld: plebejers, die alle lasten hadden te dragen voor het onderhoud der bevoorrechte standen, en slaven, die geheel aan de willekeur van den meester waren prijsgegeven.—Op politiek gebied, de autokratie; in stede van godsdienst, fanatisme; eene zeer onvolkomen beschaving en ontwikkeling, uitsluitend in handen der priesterkaste; bij de massa, onwetendheid en verdierlijking; slavenhandel en menschenoffers; de vrouw buiten de maatschappij zoo wel als buiten de familie gesloten; en bovenal de onrustige, onverzadelijke eerzucht der caciquen, telken dage en onder de nietigste voorwendsels het bloed des volks doende stroomen.”
Deze beschouwing verraadt in ieder woord haar modern, doctrinair karakter: ge gevoelt het aanstonds, hier spreekt een man, in wiens mond de afgesleten fraseologie der negentiende eeuw bestorven ligt. Dit is zeker, dat, ondanks al deze gruwelen, dit kleine volk niet ongelukkig was, veel meer het tegendeel: het land was dicht bevolkt, en de monumenten leggen nog getuigenis af van den bloei der kunst. Wat heeft dit volk nu wel van de Spanjaarden ontvangen? Hebben zij zijn lot verbeterd; is het door hen minder onwetend geworden; is het peil der zedelijkheid werkelijk verhoogd? Voor de verovering werd Yucatan door ettelijke millioenen Indianen bewoond; tegenwoordig zijn er ter nauwernood nog honderdduizend over, en dezen verkeeren in ellendiger toestand en zijn dieper gezonken dan ooit te voren. Vanwaar dit? De verklaring is gemakkelijk genoeg: ieder volk heeft de godsdienst die het waard is en die het beste past bij zijne geestelijke ontwikkeling; elke beschaving is geschikt voor het volk, dat haar uit zich zelve ontwikkelt of van anderen overneemt en dan zoodanig wijzigt dat het zijn eigen karakter daarin ontplooien kan en ruimte en vrijheid van beweging vindt in gebruiken en instellingen, overeenkomende met zijn aard en zijn aanleg. Of die beschaving, in onze oogen en gemeten met onzen maatstaf, hoog of laag staat, is eene kwestie van ondergeschikt belang; aprioristische beschouwingen, uitgaande van eene of andere abstracte theorie, doen niets ter zake: de eenige vraag is, of die bepaalde kultuurtoestand past voor het volk, bij hetwelk wij dien aantreffen. En het antwoord op die vraag kan alleen de historie geven. Zooveel is zeker, en de indiaansche stammen van Centraal-Amerika leveren daarvan op nieuw het bewijs, dat het opdringen van nieuwe instellingen en gebruiken, van eene vreemde, laat het zijn hoogere beschaving, den ondergang en den dood van een volk ten gevolge kan hebben.

Mayas.
Wij moeten met een enkel woord gewag maken van de vrouwen van gemengd bloed, die tot de voornaamste bekoorlijkheden van Merida en andere steden van Yucatan behooren. Deze mestiezen vormen als het ware eene kaste op zich zelve en schijnen zonder morren de geringschatting te dragen, waarmede zij over het algemeen behandeld worden; zij weten zich echter op verschillende wijze daarover te wreken, waarbij de bekoorlijkheid der vrouwen van geen geringe dienst is. Deze vrouwen schijnen allen mooi, en al zijn ze niet werkelijk mooi, hebben zij toch eene bijna onwederstaanbare aantrekkelijkheid. Dat is zeker voor een groot deel toe te schrijven aan haar smaakvol kostuum, bestaande uit eene wijde tunica met korte mouwen, en op de borst vierkant uitgesneden. Deze Bladzijde 25tunica, uipile genoemd, is van boven en van onderen versierd met roode, groene, of blauwe borduursels, bloemen, bladeren, vogels, en heeft, evenals de uitstaande rok, een breeden zoom van kant. Zij steken een zilveren haarspeld door haar prachtig, gitzwart haar, dat in twee zware tressen is verdeeld; haar vingers zijn overladen met ringen, en om haar hals dragen zij lange gouden kettingen, vaak haar geheele fortuin.
Deze mestiezen wonen in de voorsteden, in kleine langwerpige huisjes met rieten daken; de buitenmuren zijn doorgaans met schuine ruiten versierd, bezaaid met kleine steentjes op de kruispunten der lijnen. Zulk eene hut heeft stellig zeer veel overeenkomst met de woningen der Mayas in den tijd voor de verovering; de wijze van decoratie herinnert ook aan het beeldhouwwerk der oude paleizen. Van binnen vindt men geen andere meubelen dan een hangmat, een paar koffers tot berging van de kleedingstukken bij feestelijke gelegenheden, en een butaca, een kleinen fauteuil met eene lage rugleuning en met leer bekleed.—Deze voorsteden zijn inderdaad bosschen: bij iedere woning behoort een terrein van omstreeks een tiende bunder, beplant met eene bijzondere soort van boom, ramon genoemd, waarvan de bladeren tot voedsel dienen voor de lastdieren.
Men leeft over het algemeen te Merida zeer stil en huiselijk; de dames gaan weinig uit; men ziet haar zelden in de vuile straten, die geen riolen hebben, vol kuilen en gaten zijn en in den regentijd in moerassen zijn herschapen. Zij hebben geene andere afleiding dan het bezoeken der kerk, en des avonds, van vijf tot zes uur, een toertje met rijtuig. De eerste kerkdienst begint reeds des morgens tusschen drie en vier uren; op dit onmogelijke uur worden, tot schrik van alle vreemdelingen, alle klokken geluid, hetgeen een allesbehalve aangenaam concert is.

De volan coché. (Blz. 26.)
Het gezellig verkeer is echter te Merida zeer levendig: letterkundige bijeenkomsten, danspartijtjes, concerten, schouwburgen, dagbladen en tijdschriften:—men vindt er van alles; er is wrijving genoeg van denkbeelden en een opgewekt litterair leven. Twee geschiedschrijvers, Eligio Ancona en de canonigo Crescentio Ancona, schilderen in hunne verhalen de heldendaden der veroveraars, het lijden der eerste kolonisten, de innerlijke partijtwisten en beroeringen en de bloedige episoden van den burgeroorlog. De Yucateken zijn niet alleen staatsambtenaren, zoo als dat meestal het geval is met de Mexicanen der hoogvlakten: zij drijven ook handel en leggen zich toe op industrie: in hun land wordt dit arbeidsveld niet, als bijna overal elders, aan de vreemdelingen overgelaten. Zij zijn een eigenaardig ras, door harde beproevingen geleerd Bladzijde 26en gestaald; een jong en levenslustig ras, bij hetwelk de noodlottige invloed van het klimaat zich, naar het schijnt, alleen toont in de kleine gestalte en het overwicht van het vrouwelijk element in de bevolking. Men kan den Yucateken misschien al te groote winzucht verwijten, die er hen toe brengt met name den vreemdeling op onbeschaamde wijze te plunderen. Ik kan uit eigen ondervinding daarvan een merkwaardig voorbeeld mededeelen.
Ik wilde een huis huren met den amerikaanschen consul, die overal rondkeek en mij inmiddels aan zijne talrijke vrienden voorstelde. Wij werden overal met de meeste welwillendheid ontvangen; men betuigde zijn spijt, dat men ons niet kon helpen; men verklaarde zich overigens geheel tot onze dienst bereid; maar daar bleef het bij. Eindelijk zeide een van de vriendelijksten en ijverigsten, een dagbladschrijver, tot ons: “Ik heb wat gij zoekt; in die straat heb ik een huis; hier is de sleutel; gaat het eens zien; als het u aanstaat, is het tot uwe beschikking.” Wij gaan het huis zien, dat echter voor ons niet geschikt blijkt; terugkeerende loopen wij even bij onzen vriend aan om te zeggen, dat wij het niet nemen. Maar Aymé, de consul, vergeet den sleutel terug te geven en brengt dien eerst na verloop van vijf dagen, zich verontschuldigende over het verzuim.
“O, dat is niets, antwoordt onze vriend: maar ik krijg dertig francs van u.
—Dertig francs: waarvoor? vraagt Aymé.
—Waarvoor? Wel, gij hebt den sleutel vijf dagen gehouden; vijf dagen, tegen zes francs per dag, dat maakt dertig francs. Mij dunkt, dat is eenvoudig genoeg.”
Het was inderdaad zeer eenvoudig; en er schoot niet anders over dan te betalen. Wij hadden evenwel de voorzichtigheid, van dat heerschap, wiens naam ik niet noemen wil, eene kwitantie te vragen.
De Yucateken zijn er op gesteld, meester in hun eigen land te blijven en hunne eigene zaken te beheeren. Met meer ondernemingsgeest bezield, energieker en hooghartiger dan hun volksgenooten op de hoogvlakten, hebben zij voor den aanleg van spoorwegen en andere openbare werken geen beroep gedaan op de kapitalen der Yankees; uit hun eigen, waarlijk niet overvloedige middelen hebben zij de kosten bestreden. Wel vorderen de werken langzaam, maar de Yucateken mogen er dan ook roem op dragen, dat zij er niemand dank voor hebben te brengen.
Het is inderdaad treffend te zien, hoe dit kleine volk, dat zoo vreeselijk door binnenlandsche oorlogen en beroerten werd geteisterd en vergeefs elders om hulp smeekte, zich weer heeft opgericht, met ijver en inspanning zijne hulpbronnen ontwikkelt en de bittere beproevingen te boven komt. In tegenoverstelling van hunne trage en verkwistende buren, zijn de Yucateken arbeidzaam en zuinig: twee onmisbare deugden, die zij zich verwierven in den moeielijken strijd tegen de ongunstige omstandigheden, waarin zij geplaatst waren: de betrekkelijke armoede van den grond, het ontbreken van minerale schatten, en die verschrikkelijke verdelgingsoorlog, die het volk op den rand des ondergangs bracht.
De geschiedenis van dien oorlog is dramatisch in hooge mate; ik zal haar hier niet vertellen, maar slechts aanstippen dat de bewegingen onder de Indianen, reeds in 1761 begonnen, in 1846 tot een geweldigen algemeenen opstand leidden, die nog niet geheel onderdrukt is. Men mag echter aannemen, dat de bloedige oorlog ten einde loopt; de wilde trekt zich voor de beschaving terug en ziet schier met den dag zijn gebied inkrimpen.
Nadat wij te Merida eenige dagen hadden vertoefd, maakten wij ons gereed voor een uitstapje naar Aké. Dit uitstapje was inderdaad een reisje en famille, want Louis Aymé, de amerikaansche consul, die ook in archeologie liefhebberde, en die reeds meer dan eens de ruïnen bezocht had, wilde mij vergezellen; maar mevrouw Aymé, eene Amerikaansche, gaf daartoe alleen hare toestemming, onder voorwaarde dat zij ook mede zou gaan; en daar Shuty niet alleen thuis kon blijven, moesten wij hem ook mede nemen. Shuty was de gunsteling van mevrouw, een mooi hondje, met lange zijdeachtige haren. Met inbegrip van mijn secretaris en mijn bediende, waren wij dus met ons zessen: wij hadden mitsdien twee rijtuigen noodig.
Aké is eene hacienda, hofstede, van don Alvaro Peon, bij wien ik een bezoek ga afleggen om hem vergunning te vragen tot het bezichtigen der ruïnen, en tevens een brief van aanbeveling voor den majordomo of intendant. Don Alvaro deed meer dan van hem verlangd werd: niet tevreden met den brief van aanbeveling, zond hij zijn chineeschen bediende met allerlei levensmiddelen en benoodigdheden, opdat het ons aan niets ontbreken zou.
Wie in het binnenland reizen wil, heeft tusschen twee vervoermiddelen te kiezen: de groote kales, eene soort van diligence, bij ieder bekend; en den volan coché, het eigenlijke nationale rijtuig. Wij kozen het laatste. De volan coché is geheel van hout, met uitzondering alleen van de ijzeren banden om de wielen. Op een zwaar en lomp onderstel rust, gedragen door twee lederen riemen, een soort van langwerpige bodemlooze bak of kist; over een van touw gevlochten net wordt een dunne matras uitgespreid, om het schokken en stooten minder hinderlijk te maken. Voorop zit de koetsier; van achteren is plaats voor de bagage; terwijl ook een aantal voorwerpen onder aan het net hangen. Reist men alleen, dan gaat men lang uit op de matras liggen; maar is men met zijn drieën, dan moet men op turksche manier, met samengevouwen beenen, gaan zitten: eene houding, welke iemand, die daaraan niet gewoon is, in het eind onuitstaanbare kramp bezorgt. De inlanders zitten met hun zessen of achten—hoe, begrijpt men niet—in zulk een wagen. Hoewel de bak volkomen in evenwicht hangt, schokt en slingert hij toch op eene geweldige manier; en wanneer de half dronken koetsier zijn drie muildieren in vollen ren laat draven over de ongelijke, rotsige wegen, schokt en hotst het rijtuig zoo hevig, dat de reizigers Bladzijde 27door en over elkander geworpen worden. Gevaar is er echter niet; het verwonderlijkste is dat er nooit iets aan het rijtuig breekt, en op al mijne tochten ben ik maar eens omgevallen.
Aké ligt tien mijlen ten oosten van Merida. Wij volgen den weg naar Izamal, ter wederzijde omzoomd door onafzienbare velden met agaven beplant, en laten ter rechterhand twee met ruïnen bekroonde heuvels liggen. Vervolgens komen wij aan het dorp Tixpeual, waar de Spanjaarden in 1541 een langdurig en bloedig gevecht moesten leveren. Het dorp ziet er zoo armoedig uit en heeft zoo veel bouwvallige en verwoeste huisjes, als ware de veldslag eerst gisteren geleverd; dat komt, omdat de opstandelingen in 1848 tot aan de poorten van Merida doordrongen en Tixpeual in de asch legden. Maar de gansche landstreek, met haar weinige vervallen dorpen, haar eenzame wegen en schralen plantengroei, maakt een zeer somberen indruk.
Drie mijlen verder wijzen palmboschjes de ligging aan van Tixkokob, waarvan al de inwoners zich bezig houden met het vervaardigen van hangmatten. In de openstaande huizen, ziet men overal de witte, gele, blauwe, roode of veelkleurige netten uitgespannen; deze hangmatten, de eenige soort van bedden waarvan de Indianen gebruik maken, zijn zeer goedkoop: zij kosten niet meer dan drie à vijf francs; de mooisten komen uit de omstreken van Valladolid.
Te Tixkokob waar wij een kop chocolade gebruikten, verlaten wij den grooten weg, en slaan een zijweg in, waarop wij alle gelegenheid hebben om met den volan coché nader kennis te maken. De rotsen zijn steil, en het rijtuig schokt op de merkwaardigste wijze: wij zitten te dansen als de poppen in een poppenkast.—Het was inmiddels avond geworden; de indiaansche hutten, in de duisternis verloren, waren nog maar alleen kenbaar aan het wegstervende schijnsel van de niet langer onderhouden wordende vuren; de omtrekken der pyramiden teekenden zich in zwarte massa's tegen den donker blauwen hemel; overal heerschte een doodelijke stilte, alleen afgebroken door het knarsen en kraken van het hotsende en stootende rijtuig. Wij vonden den toegang tot de hacienda gesloten: men verwachtte ons niet meer. Op het luid geblaf der honden verscheen de majordomo; hij liet de zware balken wegruimen, die de poort barrikadeerden; weldra waren wij geïnstalleerd en sliepen in de vervallen, verwaarloosde zaal der heerenhuizinge.
Aké is eene hacienda voor de veeteelt; en men had ons gewaarschuwd, dat het, overal waar runderen zijn, wemelt van garrapaten. Wij hadden dus alle mogelijke voorzorgen genomen, want deze verfoeilijke houtluis is het geduchtste insekt dat ik ken. Wij knoopten al onze kleeren dicht; wij staken de pijpen van onze pantalons in hooge laarzen; wij stopten zoo veel mogelijk alle denkbare openingen. Mevrouw Aymé, in een sierlijk bloomerskostuum, scheen ook tegen de indringers gewapend; maar Shuty, de aardige Shuty, hoe zou hij zich verdedigen? Ten slotte bleek dat al onze voorzorgen ons niets baatten. De hongerige garrapate laat zich door niets weerhouden; schier onmerkbaar en dunner dan een velletje papier, dringt zij overal door, ook door onzichtbare openingen; wij ondervonden het tot onze schade.
Wij gaan uit om den cénoté op te zoeken; Shuty springt vroolijk blaffend voor ons uit. Wat is een cénoté? Yucatan heeft noch stroomen, noch rivieren, maar daarentegen een zeer uitgestrekten onderaardschen waterplas, meer of minder diep beneden de oppervlakte, naarmate de kalklaag dikker of dunner is; nabij de kust is het water zeer dicht bij den beganen grond, in het binnenland vindt men het eerst op aanmerkelijke diepte. Men noemt nu cénotés de inzinkingen van den bodem, die tot dit water toegang geven. Is het water op geringe diepte onder den grond, en is de kalklaag slechts aan den eenen kant verteerd, dan verkrijgt men een onregelmatige spelonk, die over de geheele breedte open is. Heeft de kalklaag eene middelbare dikte en stroomt het onderaardsche water in bepaalde richting, dan wordt de bodem regelmatig ondermijnd, tot de bovenlaag, niet langer steun vindende, instort; zóó ontstaat een reusachtige put, meestal van ronde gedaante, zooals de cénotés van Chichen-Itza. Is de kalklaag daarentegen zeer dik, dan tast het water slechts de weeke, zachte deelen aan waarvan een gedeelte instort, waardoor somtijds in de bovenste laag eene smalle opening ontstaat: zoo krijgt men eene werkelijke grot, met stalactiten en stalagmiten versierd, zooals te Sacalun en te Valladolid; somwijlen ook is de cénoté niet meer dan eene reusachtige onderaardsche ruimte, zooals te Bolonchen.
Het is opmerkelijk dat alle beschaafde nederzettingen in Yucatan zich hebben gevormd om deze natuurlijke waterbekkens; want in den beginne hadden de kolonisten vermoedelijk niet de noodige hulpmiddelen om putten of waterbakken te graven, noch ook om kunstmatige reservoirs te maken, zoo als zij het later te Uxmal deden.
De cénoté van Aké behoort tot de eerste kategorie; de toegang vormt als het ware een grooten boog, die een zeer schilderachtig en bijna indrukwekkend voorkomen heeft. Op den achtergrond, omstreeks twintig voet beneden het gewelf, en dertig beneden den beganen grond, ziet men een groot bekken vol frisch en helder water, waarin eene menigte kleine vischjes zwemmen, terwijl zwermen van zwaluwen in alle richtingen de grot doorkruisen en de ruimte vullen met haar vroolijk geroep.
Van den cénoté begeven wij ons naar de ruïnen, die onze bedienden inmiddels bezig waren van den overvloedigen plantengroei te zuiveren. In afwachting dat zij daarmede gereed waren, dwaalden wij rond door de bosschen, uitziende naar ruïnen, zonder eenig kwaad vermoeden ons een weg banende door de verraderlijke takken der boomen, maar welhaast stikkende van de hitte in onze nauw sluitende kleeding. Niemand voelde zich onwel of klaagde over iets buitengewoons. Shuty was de eerste, die teekenen gaf van een abnormalen toestand; bij het verlaten van den cénoté was hij onrustig geworden; hij stond eensklaps stil en beet zich in zijne pooten of maakte zonderlinge Bladzijde 28sprongen; maar steeds vroolijk, levendig en aardig, vervolgde hij, luid blaffende, zijn weg. Wij gingen toen door het dichte hout; en de min of meer gekunstelde vroolijkheid van Shuty maakte plaats voor wezenlijken angst; zijn blaffen ging over in janken; hij beet zich met woedende heftigheid, rolde zich in het gras en begon zoo akelig te huilen, dat zijne meesteres hem opnam: het lichaam van het arme dier was geheel en al overdekt met wriemelende garrapaten: wij zelven werden onmiddellijk door dit ongedierte aangetast.—Gelukkig vonden wij bij onze tehuiskomst een uitnemend dejeuner, door den chineeschen kok van don Alvaro klaar gemaakt; maar eer wij aan tafel gingen, begaven wij ons een voor een naar een kabinetje om ons van ongedierte te zuiveren en op nieuw toilet te maken. Mevrouw Aymé en Shuty bleven verder tehuis en waagden zich niet meer aan ontdekkingstochten.

Beeldwerk te Izamal (Blz. 31.)
De ruïnen van Aké zijn zoo goed als onbekend. Stephens, de amerikaansche onderzoeker, spreekt er in zijn belangrijk reisverhaal slechts ter loops van. Hij noemt de groote galerij een kolossaal werk, en het paleis in zijn geheel een gewrocht van reuzen; de ruïnen hebben, volgens hem, het merk van hooger ouderdom dan andere monumenten. Hij voegt er bij, dat volgens Cogolludo de Spanjaarden op hun tocht eene stad ontmoetten, Aké genaamd, waar zij een gevecht moesten leveren tegen eene groote menigte Indianen. Stephens vergist zich; als hij Cogolludo nauwkeuriger had gelezen, zou hij bemerkt hebben dat de stad, waarvan de geschiedschrijver spreekt, niet dezelfde is als die hij heeft bezocht. De ligging van de stad Aké verwijdert haar ten eenemale van den weg, dien de veroveraars volgden.
Francisco de Montejo landde toch aan de oostkust van Yucatan, tegenover het eiland Cozumel; hij trok dus van het oosten naar het westen, door Koba, eene stad vol monumenten, die nog op acht mijlen afstands van Valladolid gevonden worden, en bereikte eene plaats, Cé-Aké genoemd, waar hij bloedige gevechten moest leveren. Van daar ging hij naar Chichen-Itza, waar hij twee jaren bleef. Dit geschiedde op zijne eerste expeditie in 1527; het Cé-Aké waarvan hier sprake is, lag dus omstreeks vijf-en-dertig mijlen oostwaarts van de ruïnen van Aké, waar wij ons thans bevinden.
Aké was ongetwijfeld eene zeer volkrijke stad; vijftien a twintig pyramiden van verschillende grootte, met de bouwvallen van paleizen gekroond, zijn over eene oppervlakte van een vierkante mijl verspreid. De belangrijkste ruïnen schijnen een rechthoek te vormen, en omsluiten eene ruimen binnenhof, die zorgvuldig geëffend is, en in welks midden nog een steen overeind staat, die door de Indianen picoté wordt genoemd. Dit was de straf- of geeselpaal, dien men ook te Uxmal en andere plaatsen vindt, en die zoowel voor als na de verovering, in geen enkel indiaansch dorp ontbrak. Te Tenosiqué verhaalde mij een oud man, dat hij, nog geen dertig jaar geleden, dien steenen paal op het midden van de markt had gezien. De veroordeelde Indiaan werd geheel naakt aan den picoté gebonden, om daar het bepaalde aantal stokslagen te ontvangen. Ik vond dezelfde gewoonte te Tumbala, een indiaansch dorp op den weg van Palenqué naar San-Christobal. Volgens de begrippen der Indianen, wischt de straf de schuld uit; en ik heb Indianen ontmoet, die, om hun geweten tot rust te brengen, zelven aanhielden om eene bestraffing, die niemand hun zocht op te leggen.
Nemen wij thans de ruïnen nader in oogenschouw. Aan den noordwestelijken uithoek verrijst eene pyramide van twee verdiepingen, saamgesteld uit groote steenblokken zonder kalk; zij heeft eene hoogte van omstreeks veertig voet, en eindigt in een klein vertrek, waarvan het dak is ingestort, maar waarvan de muren nog ten deele overeind staan. Wij vinden hier dezelfde constructie terug, die wij reeds te Tula, te Teotihuacan en te Palenqué Bladzijde 30hebben opgemerkt, en die wij ook nog in de andere oude steden van Yucatan zullen aantreffen.

Mestiezen te Merida.
Dit monument met het kleine vertrekje, dat voor bewoning ten eenemale ongeschikt is, kan onmogelijk een paleis zijn geweest; wij mogen veilig aannemen dat wij hier met een tempel te doen hebben; en dat te meer omdat deze pyramide een deel schijnt uit te maken van het daaraan grenzende monument, waarboven zij zich verheft. Dit laatste monument herinnert door zijne rechthoekige gedaante, aan de soortgelijke gebouwen, die wij te Tula en te Teotihuacan gezien hebben en die men met den naam van citadellen bestempelt, maar die inderdaad niet anders waren dan de vermaarde Tlachtli, de kaatsbaan, waarvan alle geschiedschrijvers melding maken. Het kaatsspel was bij uitnemendheid het nationale spel der Tolteken, die het ook in Tabasco en Yucatan invoerden. Wij zullen zulk een tlachtli, beter bewaard, te Uxmal en te Chichen-Itza terugvinden. Waarschijnlijk hadden er, vóór den aanvang van het spel, in dien kleinen tempel godsdienstige ceremoniën plaats.
Een weinig meer ten zuidoosten zien wij een monument, dat tot velerlei gissingen aanleiding heeft gegeven. Het is eene langwerpige pyramide, met een zonderling gebouw gekroond. Het geheel ongewone voorkomen, de buitengewoon groote trap, die zonderlinge architektuur, geheel afwijkende van het gewone karakter der yucatansche monumenten: dit alles verplaatst ons als het ware in eene nieuwe wereld. Het zonderlinge monument bestond uit zes-en-dertig pilaren, waarvan er nog negen-en-twintig over zijn, geplaatst op het bovenvlak van eene langwerpige pyramide of liever een terras van zes el hoogte. Men bereikt dat plat langs een reusachtige trap van ruwe steenblokken, van anderhalve tot twee el lengte, en van dertig tot vijftig duim hoogte. De pilaren waren gemiddeld vier el vijf-en-zeventig duim hoog, te oordeelen althans naar de hoogsten en best bewaarden, die nog voorhanden zijn; zij bestaan uit tien blokken van een el twintig duim in lengte en breedte, en tusschen de veertig en vijftig duim hoogte.
Men had mij gezegd dat de steenen eenvoudig op elkander waren gelegd, en dat de bouwmeesters te Aké geen kalk of cement hadden gebruikt. Dit is onjuist; bij onderzoek blijkt toch dat wel de buitenzijden der blokken, waaruit de pilaar bestaat, werden behouwen, maar dat de binnenzijden ruw werden gelaten. Daar nu die binnenzijden niet juist op elkander konden passen, moest men de ledige ruimten aanvullen met kleine steenen, die nog voorhanden zijn, en werd ongetwijfeld tot bedekking gebruik gemaakt van kalk of cement.
De heer Aymé, de amerikaansche consul te Merida, loochent dit laatste; en daar de kalk verdwenen is, kan ik hem niet met de stukken overtuigen, en moet wachten tot eene nieuwe ontdekking de juistheid mijner meening bewijze. Deze zes-en-dertig pilaren, in drie evenwijdige rijen geplaatst, vormen een rechthoek; de esplanade waarop zij staan, heeft eene lengte van vijf-en-zestig el veertig duim, bij eene breedte van veertien el veertig duim; de richting der pyramide, die aan de uiteinden afgerond is, is van het noorden naar het zuiden; de trap bevindt zich aan de zuidzijde.
Welke was nu de bestemming van dit wonderlijke gebouw? Was het eenvoudig eene open galerij? Men vindt hoegenaamd geen puin op het plat van de pyramide; was er dus vroeger eene bedekking, dan moet dit dak uit hout en riet hebben bestaan, waarvan niets is overgebleven. Was dit gedenkteeken bestemd om de herinnering aan een of ander persoon of feit te bewaren? Wij kunnen op die vragen geen antwoord geven. Zeker is dit monument in geheel Yucatan volstrekt eenig in zijne soort; maar het draagt hoegenaamd geen monumentaal karakter.—Gewisselijk ontbreekt het niet aan commentaren; maar het is bekend, dat de commentatoren dikwijls de schrijvers en ook de monumenten zeer veel meer laten zeggen, dan zij werkelijk doen: van nature zijn zij geneigd, het vreemde, het verrassende, het onmogelijke boven het eenvoudige en voor de hand liggende te verkiezen. Sommige reizigers hebben, ten aanzien van de ruïnen van Aké, hunner fantazie den vrijen teugel gevierd en theorieën verkondigd, die den nuchteren opmerker verbijsteren. Ziehier een staaltje van zulke buitensporigheid.
Het monument, waarvan wij spreken, zou de herinnering moeten bewaren aan tijdperken of regeeringen, en ieder steenblok zou een Ahan Katun of een Katun moeten voorstellen. Volgens de oude tijdrekening der Mayas omvat een Ahan Katun een tijdvak van vier-en-twintig, en een Katun een van twee-en-vijftig jaren. Daar er nu zes-en-dertig pilaren zijn, ieder uit tien blokken bestaande, krijgen wij in het eerste geval een tijdvak van achtduizend-zeshonderd-veertig jaren, en in het tweede eene periode van achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaren. Ik behoef wel niet op te merken, dat het onderste blok, voor achttienduizend-zevenhonderd-twintig jaar gelegd, reeds lang verdwenen zou zijn vóór het aanbrengen van het laatste blok, dat nog eenige eeuwen ouder zou zijn dan de verovering. Bovendien dragen alle blokken het kenmerk van gelijken ouderdom. Maar eigenlijk is het niet noodig, over dergelijke buitensporige dwaasheden veel woorden te verspillen.
Is het niet eenvoudiger, aan te nemen dat dit vreemdsoortige monument eene galerij was, vroeger met riet overdekt, en die hetzij voor openbare spelen, hetzij voor vergaderingen of plechtige ceremoniën bestemd was? De ligging midden tusschen de andere monumenten schijnt voor deze onderstelling te pleiten.
Na dit monument opgemeten te hebben, begeven wij ons naar eene andere ruïne, Akabua, dat wil zeggen, huis der duisternis, genoemd. De vertrekken zijn inderdaad donker, daar zij hun licht uitsluitend ontvangen door de in andere kamers uitkomende deuren. Ook daar, als overal elders, vinden wij de zoogenaamde boveda, het door vooruitspringende lagen gevormde gewelf, dat wij ook in de monumenten der Hindoes en der Tolteken aantreffen. Dit dusgenoemde, oneigenlijke gewelf is hier te Aké sterker gebogen: een gevolg van de gebruikte materialen, Bladzijde 31want, even als de pyramiden, is dit gewelf saamgesteld uit die groote onbehouwen steenblokken, waarvan het gebruik ook aan deze monumenten den naam van cyclopische bouwgewrochten heeft doen geven.
Toch is die benaming niet goed gekozen: immers de dusgenoemde cyclopische constructie bestaat uit veel grooter blokken van onregelmatige gedaante, maar zoo volkomen op elkander passende, dat men er niets tusschen kan steken; de steenen daarentegen in de ruïnen van Aké hebben allen denzelfden vorm: het zijn dikke, niet behouwen zerken, die door aanmerkelijke tusschenruimten van elkander gescheiden zijn.
Ik maakte mijn gids, den heer Aymé, daarop opmerkzaam, en zeide tot hem: “Gij beweert dat er bij de gebouwen van Aké noch kalk, noch cement is gebruikt, en dat men er nooit beeldhouwwerk, noch eenige decoratie welke ook heeft ontdekt. Ik kan dit niet toegeven, hoewel de feiten mij in het ongelijk schijnen te stellen. Hier staan wij voor een raadsel, dat wij moeten trachten op te lossen. De stichters van deze gebouwen hebben zich zeker niet zoo veel moeite en inspanning getroost, om hun werk onvoltooid te laten. Wij moeten dus aannemen, dat deze zerken eenmaal volkomen aan elkander sloten, en dat de tijd ze heeft afgeknaagd en verwijderd; maar dan moeten wij aan deze monumenten een ouderdom toekennen, die volstrekt onaannemelijk is. Bovendien ziet ge dat deze steenen nog geheel in denzelfden toestand verkeeren, als toen zij uit de groeve werden gehaald; ook zijn zij hier in de binnenkamers niet beter geconserveerd dan aan de buitenmuren, hetgeen toch het geval moest zijn. Ik kom dus tot het besluit dat al deze steenen, van de muren zoowel als van de gewelven, vroeger met cement bestreken en, volgens de gewoonte, ook beschilderd waren.
“Toon mij het bewijs van hetgeen gij zegt, antwoordde hij, en ik zal u gelooven.”
Ik moest zwijgen, en wij begaven ons naar eene hooge pyramide, met een ruïne gekroond.
“Laat ons dit paleis gaan zien, zeide ik tot Aymé.
—Er is niets te kijken: het zijn muren en meer niet; ik heb het vroeger al bezocht; antwoordde hij.
—Laat ons toch maar eens gaan zien,” hernam ik. En wij gingen.
Op het plat van de pyramide gekomen, was het eerste wat ik zag een zeer fraai bas-relief van cement, bestaande uit schuine ruiten en afgeplatte bollen. Dit bas-relief vormde de rechterlijst van een groot kader, waar binnen verschillende figuren geplaatst waren, waarvan men nog de overblijfselen kon ontdekken. Een laag cement van ongeveer een el dik bedekte de steenen, vulde de ledige ruimten en maakte de geheele oppervlakte glad en effen. Wij vonden zelfs nog sporen van de oude beschildering.
“Wat zegt ge nu? vroeg ik aan mijn reisgezel.
—Gij hadt gelijk,” antwoordde hij.
Inderdaad was door deze ontdekking een einde gemaakt aan alle tegenspraak.
Van Aké begeven wij ons naar Izamal, waar wij ten drie uren aankomen.
Izamal is eene van de voornaamste steden der provincie, of liever een groot, aardig dorp met tusschen de vijf- en zesduizend inwoners; het vlek maakte een des te aangenamer indruk, omdat men er zoo pas het feest van den heiligen schutspatroon had gevierd, bij welke gelegenheid de huizen, de openbare gebouwen en zelfs de vervallen muren in de buitenwijken opnieuw waren gewit. Behalve zijne nette woningen, bezit Izamal ook nog twee pleinen, door sierlijke moorsche zuilengangen omringd.
Wij moeten hier even een uitstapje maken op historisch gebied, waarbij opnieuw de betrekkelijke jonkheid zal blijken der beschaving in Yucatan, in tegenspraak met de bewering van sommigen, die zich te zeer door hunne verbeelding laten leiden en aan deze beschaving een bespottelijken ouderdom toekennen.
Evenals Merida en andere steden van het schiereiland, verrees ook Izamal op de plek, waar eene indiaansche stad stond. Evenals elders, was ook hier het eerste werk der Spanjaarden, de tempels en paleizen te verwoesten, de geschreven dokumenten te vernietigen, en zoo veel mogelijk elk spoor en elke herinnering van de inlandsche beschaving uit te roeien. Bisschop Landa, wiens werk over de zaken van Yucatan omstreeks 1566 geschreven werd, dat is dus vijf-en-veertig jaar na de verovering, spreekt van de gebouwen te Izamal, waarvan er toen nog twaalf in wezen waren, en deelt ons mede, dat de stichters dier monumenten onbekend waren. Lizana daarentegen, die in 1628, zestig jaren later, schreef, en die veel minder dan Landa in de gelegenheid was om zich bekend te maken met de oude traditiën en legenden, vertelt ons uitvoerig de geschiedenis dier monumenten; van de twaalf bouwwerken, waarvan zijn voorganger melding maakt, kent hij er wel is waar slechts vijf, maar hij weet de namen, die Landa niet wist: wij zullen dus zijne opgave volgen.
Landa, die eerst zegt dat men den oorsprong dezer monumenten niet kende, deelt ons later mede, dat zij door het nog bestaande ras der inlandsche bevolking waren gesticht: immers, onder het puin der verwoeste monumenten, heeft men fragmenten gevonden van naakte menschenbeelden en andere versierselen, zoo als de Indianen nog heden van bijzonder sterke cement vervaardigen. In een graf vindt hij kunstig bewerkte voorwerpen van steen, gelijk aan die welke de Indianen nog tegenwoordig bij wijze van geld gebruiken. Even als te Merida, waar hij genoodzaakt was, eene kapel te verwoesten, om een einde te maken aan de godsdienstige vereering van het oude heiligdom, bestond ook hier, volgens Landa, eene groote pyramide, waarvan wij de afbeelding geven op bladz. 32. De kapel, welke deze pyramide bekroonde, bestond in zijn tijd nog: hij geeft er eene beschrijving van en zegt dat zij opgetrokken was uit zorgvuldig gehouwen, met beeldwerk versierde Bladzijde 32steenen. Met echt-zuidelijke overdrijving, voegt hij aan zijne beschrijving de opmerking toe: “Dit monument is zoo hoog, dat men er versteld van staat.” Toch bedraagt die hoogte nauwelijks tachtig voet!
Het monument bestond uit twee gedeelten: de bijna tweehonderd el breede basis met een ruim terras of platform, en de kleine pyramide, aan de noordzijde van dit terras. Op het terras stond het volk, om getuige te zijn van de godsdienstige plechtigheden, die ten aanschouwe van allen op den top der pyramide werden volbracht. In de kapel, waarvan Landa spreekt, stond het afgodsbeeld. Wij spreken hier bij analogie: want wij weten dat dit het gebruik was te Mexico en in de steden der Tolteken, Teotihuacan en Cholula.

De groote pyramide te Izamal. (Blz. 31.)
Volgens Lizana droeg deze groote pyramide den naam van Kinich-Kakmó, omdat op den top een tempel stond, waarin het beeld van een afgod, die aldus werd genoemd. Deze naam zou zooveel beteekenen als: “Zon, met het vurig stralende gelaat.” De tempel was dus een zonnetempel, met de daarbij behoorende pyramide, evenals te Teotihuacan.
Ten zuiden van deze pyramide verrees eene andere, niet minder breed, maar eindigende in een terras en dus minder hoog dan de eerste; zij heette Ppapp-Hol-Chac, dat wil zeggen: “Huis der hoofden en der bliksemstralen.” Daar woonden de priesters, vermoedelijk in een fraai paleis, zoo als men die ook in andere steden vindt. De Spanjaarden bouwden op die plek een aan Sint-Franciscus gewijd klooster, benevens de parochiale kerk, die zeer mooi is.
De derde pyramide, ten oosten, droeg een tempel toegewijd aan Ytzama-ul, Itzamna of Zamna, den Bladzijde 33legendarischen stichter van de stad Izamal. “Deze koning of deze afgod, zegt Landa, werd door de Indianen voorgesteld onder de gedaante van eene hand; zij beweren dat men de zieken en zelfs de dooden tot hem bracht en dat de god hen door de aanraking met zijne hand genas of weder tot het leven opwekte; daarom noemde men den tempel Kab-ul, hetgeen beteekent de werkzame, de wondervolle hand.”—Deze tempel, waar zoo vele wonderen gewrocht werden, was het doel van scharen van bedevaartgangers: daarom had men naar de vier windstreken groote wegen of heerbanen aangelegd, die tot aan de grenzen van het land waren doorgetrokken en naar Guatemela, naar Chiapas en naar Tabasco voerden. Nog heden, zegt onze schrijver, vindt men op verscheidene plaatsen sporen van die wegen.
Wij zelven hebben de overblijfselen gevonden van den met cement geplaveiden weg, die van Izamal naar den oever der zee liep, tegenover het eiland Cozumel. Wij moeten hierbij opmerken, dat deze manier van wegen te maken bij voorkeur aan de Tolteken eigen was, zoo als wij reeds vroeger in de gelegenheid waren te constateeren.

Beeld van den god Tlaloc, in den omtrek van Tlascala gevonden.
In den naam van den tempel, Kab-ul, de werkzame hand, herkennen wij zonder moeite Hueman, de lange handen, het groote opperhoofd en de wetgever der Tolteken van Tula, die door verschillende geschiedschrijvers voor denzelfden gehouden wordt als Quetzalcoatl, dien wij in Yucatan terugvinden onder den naam van Cuculkan, hetgeen hetzelfde beteekent.
De vierde, meer voorwaarts gelegen pyramide droeg de woning van den opperbevelhebber des legers, die den titel voerde van Hunpictok, hoofdman over achtduizend steenen lansen. Op den top dezer pyramide vindt men niets dan puin; in het onderste gedeelte, dat van gelijke constructie is als de piramide te Aké, bevond zich het door Stephens beschreven beeld, dat thans verdwenen is, en ziet men nog heden, aan de oostzijde, de figuur, op bladz. 28 afgebeeld. Aan dit beeld kunnen wij de manier van werken der bouwmeesters duidelijk waarnemen. Deze kolossale kop heeft eene hoogte van vier ellen; de oogen, de neus, de onderlip zijn gevormd uit ruwe steenblokken, die, even als de wangen, met versche cement zijn bestreken; de ornamenten ter rechter- en ter linkerzijde zijn evenzoo van cement; aan de versierselen links, die beter bewaard zijn gebleven, bespeuren wij nog die dubbele spiralen, zinnebeeldige voorstellingen van den wind of den adem, het woord, die wij reeds zoowel te Mexico als te Palenque hebben gezien en die wij te Chichen-Itza zullen terugvinden.
Aan de westzijde van deze pyramide, waar men een gedeelte van de basis heeft blootgelegd, zien wij een der fraaiste bas-reliefs, die wij in Yucatan hebben ontmoet. De hoofdfiguur is een liggende tijger met een menschenhoofd; het beeldwerk is van cement; de modeleering der figuren is voortreffelijk; deze tijger met het aangezicht van een mensch herinnert ons aan de teekens der mexicaansche ridderorden, arenden, tijgers en sperwers. De orde van den tijger was de voornaamste van allen; en niets past beter bij de bestemming, die het paleis, volgens de legende, zou hebben gehad, dan deze symbolische voorstelling van de kracht en den moed: eene waardige versiering der woning van den opperbevelhebber van het leger van Izamal.
Al deze monumenten, de pyramide met den zonnetempel, de tempel van Quetzalcoatl, het paleis van den vorst en de woning der priesters, leveren het bewijs dat Izamal, op het tijdstip der verovering, eene zeer talrijke bevolking had en een der hoofdpunten was van de nederzettingen der Tolteken; voorts weten wij zeker, dat de godsdienstoefeningen geregeld in de heiligdommen plaats grepen en door het volk werden bijgewoond. Dit is echter Bladzijde 34onbestaanbaar met den hoogen ouderdom, dien sommigen aan deze stad willen toekennen.
Wij vertrokken van Izamal ten vier uren in den morgen; het landschap maakte op ons een bij uitnemendheid treurigen indruk. Op een afstand van vier mijlen ontmoeten wij slechts een dorp, Sitilpech genoemd, eene verzameling van armoedige, meest ledigstaande hutten.
In Yucatan bemoeit de administratie zich waarschijnlijk niet met de dienst der telegrafen en posterijen. Reeds te Merida had ik daarvan de ondervinding opgedaan, daar toch een aantal telegrammen, waarvoor ik zeer duur moest betalen, niet ter plaats hunner bestemming kwamen, of althans onbeantwoord bleven. Bij navraag gaf men mij ten antwoord, dat de telegraaflijn in geen goeden toestand verkeerde. Op onzen tocht kon ik mij daarvan overtuigen. De aanleg van deze lijn moet inderdaad zeer goedkoop zijn geweest, en de kosten van onderhoud zijn vermoedelijk gelijk nul. Er was wel een draad, maar er waren geen palen en geen isolators. Die ongelukkige draad liep langs den zoom van het bosch, vastgemaakt aan een of anderen tak; boog de tak, dan hing de draad neer; brak hij, dan viel de draad op den grond; nu eens zweefde hij even boven den bodem, dan weer lag hij, als lusteloos en wanhopig, slap op de struiken en rotsen. Die draad was te beklagen: maar nog meer te beklagen waren zij die betaalden, om haar weer in orde te brengen, of die er gebruik van maakten zonder eenig nut. Echter werkte hij toch van tijd tot tijd, die rampzalige telegraaf: hij was er ten minste, en onder dat opzicht onderscheidde Yucatan zich gunstig van Tabasco, waar de telegrafen onmiddellijk na den aanleg weer verdwenen, omdat de inwoners de draden voor hun eigen gebruik aanwendden.
Na een zeer vermoeienden rit kwamen wij des avonds ten zeven uren te Citas. Het was volslagen donker, en men wachtte ons niet meer. Voor onze ontvangst was niets in gereedheid gebracht; de dorpelingen waren blijkbaar met deze verrassing alles behalve ingenomen. Waar zouden wij overnachten? Daar de school voor het oogenblik ledig stond, werd die ons ten gebruike afgestaan; wij gingen allen te zamen aan den arbeid, zetten de tafels en banken op zij, en maakten zoodoende ruimte voor onze hangmatten en veldbedden. Maar het souper:—dat is een lastig ding! De tijd is verstreken, en de dorpelingen hebben geen lust, weer aan het werk te gaan. Gelukkig komen de rechter en de burgemeester ons bezoeken: dank zij hunne tusschenkomst, wordt de zaak nog geschikt; de hoop op eene goede winst vermurwt de harten, en wij kunnen ons avondmaal gebruiken.
Te Citas moeten wij den grooten weg verlaten om de bosschen in te gaan; wij moeten dus hier onze rijtuigen achterlaten, en in de plaats daarvan ons dragers, ezels en muildieren aanschaffen: daartoe is natuurlijk tijd noodig, en het verblijf te Citas is in het minst niet uitlokkend. De dorpelingen zijn onwillig; zij vragen een dubbel loon en blijven weg als zij geprest worden. Een vreemdeling, die zulke verre reizen onderneemt om ruïnen te zien, waarin de Indiaan hoegenaamd geen belang stelt, moet iemand zijn die met zijn geld geen weg weet: het is dus niet meer dan billijk dat hij betale. Nu, de Indianen van Yucatan zijn niet de eenigen, die zoo redeneeren.—Eindelijk krijgen wij dan toch onze dragers, tegen een derde boven den gewonen prijs. Paarden zijn schaarsch: zij moeten geprest worden; het militair geleide wordt ons gracieuselijk toegestaan. Natuurlijk zijn noch de soldaten, noch de paarden gereed; wij zelven moeten ook nog verschillende toebereidselen voor de reis maken. Bovendien zijn de paden in het bosch dicht gegroeid; de afstand naar Pisté bedraagt zeven mijlen; het eerste wat wij te doen hebben, is dus mannen uit te zenden om den weg te banen. Zij gaan op weg, en wij houden ons verder met onze uitrusting bezig, daar wij eerst den volgenden dag zullen vertrekken.
Tegen den avond kregen wij eene uitnoodiging tot het bijwonen van een bal. Tot mijne verbazing vernam ik dat er te Citas gedanst werd, ondanks het gevaar, waarin het dorp steeds verkeerde ten gevolge van den opstand der Indianen, die elk oogenblik het vlek konden overvallen, de woningen verbranden en de dorpelingen vermoorden of medevoeren. Natuurlijk namen wij de uitnoodiging aan.
De straten van Citas zijn geene straten, maar kleine ketens van steile rotsen, door miniatuurafgronden gescheiden, waarin de vreemdeling zeer gemakkelijk armen en beenen breken kan. Wij gaan dus op weg, ieder door twee Indianen geleid, want het huis, waar het feest wordt gegeven, is vier- of vijfhonderd el van het dorp verwijderd en het is buiten pikdonker. Wij komen zonder ongelukken ter plaatse onzer bestemming.
In eene hut van armoedig voorkomen, verlicht door het schijnsel van drie vuren, zijn een half dozijn vrouwen bezig met het gereedmaken der spijzen; ik zie gansche stapels van kippen, kalkoenen en groote stukken varkensvleesch, die gekookt of gebraden moeten worden. Buiten zijn andere vrouwen bezig met het malen van maïs, het kneden van het deeg of het bakken van koeken, die warm gegeten worden.
Een met riet overdekte open loods, waarin eenige walmende lampen hangen, dient tot balzaal. Eene rij banken en eenige met leder bekleede stoelen zijn voor de dames bestemd; in het midden van het lokaal staan de heeren, met bloote voeten, een witte pantalon, een wijd loshangend hemd en een gekleurden doek om den hals. Het is er vol: het gansche dorp is hier vergaderd; althans al de Indianen en mestiezen, maar weinig ladinos, dat wil zeggen blanke vrouwen.
“Het is een Indiaan, die dit feest geeft en de kosten betaalt,” zeide de rechter tot mij; “zulk een feest, dat dikwijls verscheidene dagen of liever verscheidene nachten duurt, kost veel geld. Dit feest zal, na afloop van alles, misschien driehonderd piasters (vijftienhonderd francs) hebben gekost: voor een mesties, zoowel als voor een Indiaan, vertegenwoordigt die som eene heele fortuin. Maar voor zulk eene gelegenheid zal hij al zijn geld uitgeven; hij draagt daar roem op; en eerlang zal het de beurt zijn van een anderen Indiaan, om een dergelijk feest te geven. Bladzijde 35
—Maar,” hernam ik, “dat is voor die lieden de ondergang; wat moeten zij daarna beginnen?
—Precies hetzelfde wat zij te voren deden,” antwoordde de rechter; “zij keeren tot hunne milpas, dat wil zeggen hunne plantages, terug. Is de oogst overvloedig, dan leven zij op den ouden voet voort, telkens eenige stuivers besparende om op hunne beurt een feest te kunnen geven; mislukt de oogst, dan binden zij hun maag toe; is er hongersnood, dan sterven zij van gebrek. De zorg voor den dag van morgen is hun, als allen onbeschaafden volken, ten eenemale vreemd, en de bitterste ervaringen zijn machteloos om hen op dit punt te genezen.”

Beeld van den god Tlaloc, te Chichen-Itza gevonden
Deze feestelijke plechtigheid is voor ons een nieuw bewijs voor de taaie levenskracht der aloude traditiën, waaraan men vasthoudt, ook al verstaat en begrijpt men ze sinds lang niet meer. Gij zoudt vergeefs tot deze lieden de vraag richten, vanwaar zij de zonderlinge gewoonte hebben om voor zulk een feest al hun geld uit te geven? Zij zouden u op die vraag niet kunnen antwoorden: wij moeten het voor hen doen.
Wij vinden bij Landa een bericht, dat ons licht geeft. Na gesproken te hebben van de slemppartijen der Mayas en hunnen hartstocht voor feesten en gemeenschappelijke maaltijden, gaat de geschiedschrijver aldus voort:
“Zij verteerden dikwijls bij een enkel feest alles wat zij gedurende een langen tijd met zwaren arbeid gewonnen hadden. Zij vierden hunne feesten op tweeërlei wijze. De eerste gold voor de edelen en de lieden van aanzien: het gebruik wilde dat ieder der gasten, op zijne beurt, een feest gaf gelijk aan dat waarop hij genoodigd was. Aan elk der gasten gaf men een gebraden kip, brood en uit cacao bereiden drank in overvloed; en na afloop van den maaltijd, een mantel om zich te bedekken en een kleinen piedestal met een daarop geplaatsten beker, die zoo fraai mogelijk bewerkt was. Kwam een der gasten inmiddels te sterven, dan ging de verplichting om den maaltijd te geven op zijne erfgenamen of familie over.”—Is dat niet hetzelfde gebruik, hetwelk, zoo als wij zien, nog heden heerscht? En verder: “Bij deze maaltijden werd den gasten te drinken gegeven door schoone vrouwen, die, na hun den beker toegereikt te hebben, zich omkeerden en zoo met afgewend gelaat wachtten tot de gast den beker geledigd had. De indiaansche vrouwen volgen nog dezelfde gewoonte, als zij haar mannen bedienen.”
Wij verlaten vroegtijdig het bal, want wij moeten morgen ochtend vroeg vertrekken. Onze manschappen zijn gereed; muildieren en dragers hebben hun vracht; de paarden zijn gezadeld; een deel van het militair geleide gaat als voorhoede op weg; wij volgen. Het pad is de oude weg naar Pisté, die nu bijna geheel is dichtgegroeid, zoodat wij achter elkander moeten loopen en niet dan met moeite voortkomen. De tocht is vrij vervelend: wij trekken altijd door het dichte kreupelhout, vol lianen en doornen, waarboven slechts enkele palmen en hoogstammige boomen zich verheffen.
Wij komen te Pisté, waarvan niets meer over is dan de gehavende en vervallen kerk, waarin thans eene afdeeling van vijf-en-twintig soldaten is gelegerd, als een uiterste voorpost tegen de Indianen. De manschappen moeten drie maanden in deze wildernis blijven, eer zij afgelost worden. Het gevaar is niet groot, want de Indianen, die opgestaan waren om hunne vrijheid te heroveren en uit wraak hun overwonnen vijanden vermoordden, gaan nu nog maar alleen op roof uit. Bladzijde 36
Het was laat in den namiddag, toen wij de ruïnen bereikten. Hoewel ik vroeger reeds tweemalen te Chichen was geweest, doortrilde mij toch een gevoel van blijde verrassing, toen ik in de verte het dusgenoemde Castillo ontdekte, tronende op zijne steile pyramide van zeventig voet hoogte.
Wij hadden nauwelijks tijd gehad, ons in het Castillo te installeeren, toen de avond viel. Het was een aangrijpend schouwspel. Statig dreef de maan aan den onbewolkten, met tintelende sterren bezaaiden hemel, en goot haar licht uit over de eindelooze met bosch bedekte vlakte; op den voorgrond teekenden zich de grillige gestalten van muren of dichtbegroeide heuvels en terpen. Met deze ruïnen bekend, kon ik mijn reisgenooten elk monument aanwijzen.
Het Castillo vormt het middelpunt der ruïnen; ten oosten, aan den voet der pyramide, lag het marktplein, met twee kleine, daartoe behoorende paleizen; ten noorden, de ruïnen van een fraai gebouw en de gewijde cénoté, met den tempel ter bewaking van het bassin; ten noordwesten de beroemde Kaatsbaan; ten oosten en ten zuidoosten, de Chichanchob, de Caracol, de tweede cénoté, het paleis der Nonnen, de Akab-sib, en verder, de sedert lang verlaten hacienda. Wij spraken half fluisterend over het geheimzinnig verleden van die doode stad, die wij zouden trachten uit het graf op te roepen; geen enkel geluid steeg uit de wijde vlakte tot ons op: alom een plechtige stilte als op een kerkhof, slechts nu en dan afgebroken door het geroep der schildwachten, die met geregelde tusschenpoozen elkander waarschuwden.
Toen de dag was aangebroken, vertoonde zich een ander schouwspel, niet minder schoon. De vlakte, geheel met een dichten nevel overdekt, waarboven de pyramiden en de begroeide terpen uitstaken, scheen een kalme zee, met groene eilanden bezaaid; de horizon tooide zich, bij het rijzende licht, met de heerlijkste kleuren; lichte, doorschijnende nevelwolkjes zweefden door de ruimte, telkens wisselend van vorm en tint. Eindelijk verscheurde zich de nevelsluier en smolt weg voor de zonnestralen, niets achterlatende dan de schitterende droppels, als diamanten over de bladeren van het geboomte verspreid.

Bas-relief aan de Kaatsbaan te Chichen-Itza.
De zoogenoemde steden der Mayas verschilden ten eenemale van onze tegenwoordige steden; de Spanjaarden vergeleken de eerste steden, die zij hier zagen, met de steden in hun vaderland, met Sevilla bij voorbeeld; maar deze vaak herhaalde vergelijking is toch verre van juist. Voor zoo ver wij daarover thans, naar de overblijfselen, kunnen oordeelen, bestonden deze steden uit eenige groepen van gebouwen, die wij overal terugvinden, namelijk: een of meer tempels, de paleizen van den vorst en van de caciquen of hoofden, en gebouwen voor de openbare dienst bestemd. Deze groepen waren, schijnbaar zonder plan of orde, over eene aanmerkelijke oppervlakte verspreid; de tusschenruimten werden ingenomen door tuinen, waartusschen met cement geplaveide wegen liepen; in den omtrek stonden de hutten der bedienden en slaven.
Chichen-Itza—dat wil zeggen, nabij de put van de Itza—ontleent haar naam aan den cénoté of de twee cénotés, aan welker zoom de bevolking zich had neergezet. Chichen is jonger dan Izamal en Aké, maar ouder dan Uxmal: evenals deze laatste stad, behoort zij tot den tijd, toen men bij het bouwen geen cement, maar gehouwen steenen gebruikte. De berichten, die wij omtrent de stad bezitten, zijn zeer schraal en zeer onzeker, zoo als trouwens alles wat wij aangaande Yucatan weten. Dit alleen is met zekerheid bekend, dat Chichen, Bladzijde 38omstreeks de helft der vijftiende eeuw, door hare inwoners verlaten werd. De bevolking verhuisde in massa—de oorzaak dier verhuizing is onbekend—en stichtte in de lagune van Peten, ruim honderd mijlen meer zuidwaarts, een klein vorstendom, waarvan de hoofdstad Tayasal werd genoemd, dat door Cortez op zijn tocht naar Honduras werd bezocht, en dat eerst in 1697—alzoo, nog geen tweehonderd jaar geleden—door de Spanjaarden werd veroverd.

Het paleis der Nonnen te Chichen-Itza.
“Wij weten dus dat Chichen, omstreeks zestig jaar vóór de aankomst der Spanjaarden nog bewoond was, en dat hare monumenten toen nog ongeschonden in wezen waren. Het is trouwens meer dan waarschijnlijk, dat deze stad, die bevoorrecht was niet twee groote en onuitputtelijke water-reservoirs—een onschatbaar bezit in een land, dat van water is ontbloot,—al spoedig nadat zij door hare inwoners verlaten was, op nieuw bevolkt werd en dat zij aldus haar leven voortzette tot op het tijdstip der verovering.
De eerste bezetting door de Spanjaarden had plaats in 1527. Montejo landde, tegenover het eiland Cozumel, op de oostkust van Yucatan, met vierhonderd soldaten. Hij liet zijne schepen achter, onder de hoede der matrozen, en trok, onder het geleide van een Indiaan van Cozumel, naar het binnenland: dit verhaalt de Bachiler Valencia, die zijn verhaal schreef in 1639, te Valladolid woonde en van een der veroveraars afstamde. Bovendien blijkt ten duidelijkste uit de namen der steden, die Montejo doortrok, dat de expeditie haar weg nam van het oosten naar het westen; bij de tweede expeditie daarentegen, in 1541, toen de Spanjaarden te Champoton landden, trokken zij van het westen naar het oosten.
Montejo kwam te Coni, dat van de kaart verdwenen is, trok door de provincie Choaca, en bereikte Kaba; van Kaba begaf hij zich naar Aké, een dorp, dat, zoo als wij reeds opmerkten, niet moet worden verward met de stad Aké, waarvan wij de ruïnen hebben bezocht. Daar stuitte hij op eene talrijke menigte Indianen, die hem den weg wilden versperren; het kwam tot een gevecht, het bloedigste dat de Spanjaarden hadden te leveren; en voor de eerste maal leerde Montejo het dappere volk kennen, waartegen hij te kampen zou hebben. Ondanks hunne vuurwapenen, die vreeselijke verwoestingen aanrichtten in de dichte drommen der Indianen, ondanks hunne ijzeren harnassen, die hen bijna onkwetsbaar maakten, moesten de Spanjaarden twee dagen achtereen vechten, om den hardnekkigen tegenstand hunner vijanden te overwinnen. Van Aké begaf Montejo zich naar Chichen-Itza, dat men hem, volgens Herrera, had aangewezen als eene bij uitnemendheid geschikte plaats om zich daar te vestigen. De stad was dus bewoond. Montejo nam te Chichen zijn intrek in de gebouwen, waarvan wij nader zullen spreken; hij vestigde zich daar te midden van eene bevolking, die ten gevolge van het vreeselijke gevecht bij Aké, door den schrik als verlamd was.
In den eersten tijd ondervonden de Spanjaarden dus geene moeilijkheden en ontbrak het hun aan niets; maar allengs begon het den Indianen te verdrieten, in het onderhoud te moeten voorzien van deze vreemden, die ieder per dag meer gebruikten dan voor het onderhoud eener geheele indiaansche familie gedurende eene maand noodig was; zij weigerden zich langer te onderwerpen aan de afpersingen en wreede mishandelingen van deze bandieten. Nu werden niet langer levensmiddelen naar het kamp gebracht; eindelijk verdwenen de Indianen, de veroveraars in eene eenzame wildernis achterlatende. Op den overvloed van straks volgde nu gebrek en hongersnood; om zich levensmiddelen te verschaffen, moesten de Spanjaarden verre tochten naar de omliggende dorpen ondernemen en daar met geweld nemen, wat men hun niet vrijwillig wilde afstaan: van daar onophoudelijke gevechten; de Spanjaarden hadden honderd-vijftig hunner manschappen verloren, en de overgeblevenen waren allen gewond. Montejo, die waarschijnlijk de gemeenschap met zijne schepen had onderhouden, zag zich genoopt tot den terugtocht. Het omliggende land was geheel door Indianen bezet, en de terugtocht werd uiterst bezwaarlijk. Na een bloedig gevecht, waarin Montejo een deel van zijne beste manschappen verloren had, volgde een zeer donkere nacht, die bij uitstek gunstig scheen voor de vlucht. Hij beval de grootst mogelijke stilte, liet de hoeven der paarden omwikkelen, opdat men hen op den rotsigen grond niet hooren zou; om de waakzaamheid der Indianen te verschalken, liet hij vervolgens een zijner honden aan een buigzamen paal, waaraan een bel bevestigd was, vastbinden; en op eenigen afstand, buiten het bereik van den hond, een stuk vleesch nederleggen, dat het hongerige dier vergeefs trachtte te bereiken. Het gelui van de bel en het janken van den hond brachten de Mayas in den waan, dat hunne vijanden nog steeds in hun kamp waren. Inmiddels trokken de Spanjaarden in alle stilte naar het noorden, in de richting van Cilan. Toen het dag werd, bespeurden de Indianen dat zij misleid waren geworden: woedend zetten zij de vluchtelingen na, die niet dan met groote moeite de zeekust en het grondgebied van een vredelievenden vorst bereikten, die hun eene schuilplaats bood.
Het paleis der Nonnen (el palacio de las Monjas) is een der voornaamste paleizen van Chichen-Itza; men heeft er een klooster van gemaakt, evenals van het groote gebouw te Uxmal, dat denzelfden naam draagt. Sommige schrijvers verhalen namelijk, dat bij de Azteken in Mexico de gewoonte heerschte, om jonge meisjes van aanzienlijke familie en omstreeks twaalf jaren oud, gedurende zekeren tijd aan de goden te wijden. De meesten verlieten den tempel om in het huwelijk te treden; sommigen verbonden zich, door plechtige gelofte, voor haar geheele leven. Sahagun deelt mede dat deze meisjes, kleine priesteressen of zusters genoemd, in de bijgebouwen van den tempel woonden, onder streng opzicht van daartoe aangestelde vrouwen; zij leidden daar een kloosterleven, en waren aan zeer strenge regelen onderworpen. Haar hair werd afgeknipt; zij moesten des nachts opstaan om te bidden en den tempel te reinigen; zij vastten bijna Bladzijde 39onophoudelijk en pijnigden en martelden zichzelven op allerlei wijze ter eere der goden. Zij doorboorden zich de tong en de ooren met scherpe doornen, sliepen steeds geheel gekleed, om elk oogenblik haar arbeid te kunnen hervatten, gingen altijd met neergeslagen oogen, en moesten de doodstraf ondergaan voor iedere inbreuk op de strenge regelen der godsdienstige tucht. Zij waren dus inderdaad nonnen.
Het paleis bestond uit een middengebouw en twee vleugels; de plaat op bladz. 37 geeft den voorgevel van den linkervleugel te aanschouwen, die zeer schoon en uitmuntend goed bewaard is gebleven. Deze façade bestaat uit drie vooruitspringende lijsten, die twee friesen begrenzen, waarvan de versiering uit dezelfde motieven is saamgesteld. Op de eerste fries ziet men twee omlijste hoog-reliefs, waarop mannen zijn voorgesteld in neergehurkte houding; het lichaam van den een is gevat in de schaal van een schildpad; de reusachtige, groteske figuren in het midden en aan de hoeken van de eerste fries vindt men ook aan de façade van het hoofdgebouw, en met geringe wijzigingen op alle monumenten van Yucatan.—Het hoofdgebouw van het paleis der Nonnen leunt tegen eene pyramide, op welker terras of platform een zeer net bewerkt gebouw verrijst, bevattende kleine kamers met twee nissen tegenover elke deur, en gescheiden door een gang, die op den westelijken uithoek van de pyramide uitkomt. Op dit tweede gebouw rust nog een derde van kleiner afmetingen: het geheel vormt dus een paleis van drie verdiepingen.
Wij keeren terug tot het gebouw waarin wij onzen intrek genomen hebben, dat ten onrechte den naam van Castillo draagt en eigenlijk een tempel was. Het rust op eene pyramide met vier trappen, naar de vier windstreken gekeerd; de plaat op bladz. 40 stelt den westelijken gevel voor. De pyramide, waarvan de basis vier-en-vijftig meters bedraagt, bestaat uit negen terrassen, door loodrechte muren gedragen; zij is gekroond met een gebouw, waarvan de zijden ongeveer twaalf el lang en breed zijn, bij eene hoogte van zes el vijftig duim. Het bovenvlak van de pyramide verheft zich een-en-twintig el boven de vlakte; de trap bestaat uit negentig treden van ongeveer twaalf el breed.
Uit deze constructie blijkt dat de naam van Castillo, kasteel, vesting, nog niet zoo ten eenemale onjuist is: immers zoowel in Yucatan als op de hoogvlakten, dienden de tempels in tijd van oorlog als vestingen; op die reusachtige trappen en terrassen verzamelden zich, in den uitersten nood, de uitgelezenste krijgslieden, om den zegevierenden vijand tegen te houden en hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De verdediging van zulk eene vesting kon lang worden volgehouden; en wanneer de bezetting inderdaad uit onverschrokken mannen bestond, die tot sterven bereid waren, dan moest de bestorming van elk dezer terrassen stroomen bloeds kosten. Wij zien daarvan een voorbeeld bij de bestorming van den grooten tempel te Mexico: de Spanjaarden werden bij herhaling terug geslagen, en Cortez moest zich zelf aan de spits zijner soldaten plaatsen, om achtereenvolgens de vier terrassen der pyramide te veroveren; het gevecht werd nog voortgezet op het bovenste plat, waar zich de Azteken hadden vereenigd, die tot den laatsten man werden gedood.
De noordelijke façade, die tevens de voornaamste was, moest, nog ongeschonden, een grootschen indruk maken. Zij bestaat uit eene portiek met twee massieve kolommen, onderling verbonden door houten lijsten, waarop de dubbele kroonlijst van de fries rust, in het midden versierd met een groot medaillon. Deze portiek geeft toegang tot eene galerij, die de geheele breedte van het gebouw inneemt; uit de galerij komt men door eene enkele deur in een groot vertrek, zeer waarschijnlijk het heiligdom, waarvan het dubbele gewelf gedragen werd door twee pilaren met vierkante kapiteelen. De trap tegenover deze façade was breeder dan die aan de drie anderen; ter wederzijde zag men, bij wijze van leuning, een reusachtige gevederde slang, van onderen uitloopende in een monsterachtigen kop met wijd geopenden bek en uithangende tong. De kolommen, de pilaren, de deurposten en houten lijsten zijn bedekt met beeldhouwwerk en bas-reliefs. Even als de paleizen te Mexico en te Palenqué, hadden ook de paleizen te Chichen geene deuren, maar werden de openingen slechts met matten of gordijnen gesloten; men vindt dan ook geen sporen van scharnieren, maar wel kleine gaten in de zuilen, waarin de koorden voor de gordijnen werden vastgemaakt.
Toen Landa omstreeks 1560 Chichen bezocht, was deze voorgevel nog ongeschonden; geen steen ontbrak aan de negen terrassen van de pyramide, en de tempel vertoonde zich nog zoo als hij uit de hand der bouwmeesters was gekomen. Landa maakt ook gewag van de twee slangen ter wederzijde van de groote trap. “De galerij diende voor het ontsteken van reukwerk, en boven de deur ziet men een groot in steen uitgehouwen medaillon, waarvan de beteekenis mij onbekend is. Rondom dit gebouw bevinden zich een aantal anderen, groot en goed gebouwd; de tusschenruimte is bekleed met cement, die een aaneengesloten geheel vormt en geheel nieuw schijnt, zoo hard is de kalk, waarvan zij de cement maken.”
Die lagen van cement, die wij ook elders gevonden hebben, zijn eene kenmerkende eigenaardigheid van de kunst der Tolteken. Te Chichen zijn die cementlagen nu verdwenen; maar uit de beschrijving van Landa blijkt, dat in zijn tijd de bodem nog niet met planten en kruiden was begroeid: hetgeen bewijst, dat de stad nog niet lang geleden verlaten was. De uitmuntende toestand van de gebouwen, van de pyramiden en van dit plaveisel van cement, in een land waar de plantengroei zoo krachtig en welig is, bewijst dit nog te meer en wel op de meest afdoende wijze.
In dezen tempel trof ons voor het eerst de verrassende overeenstemming tusschen de tolteeksche beeldwerken en bas-reliefs op de hoogvlakten, en de bas-reliefs van deze stad in Yucatan. Deze monumenten zijn, naar mijne overtuiging, afkomstig van de Tolteken, en van betrekkelijk jongen datum. Ziehier het bewijs voor deze meening. Bladzijde 40
De balustrade van de groote trap verbeeldt, zoo als wij zagen, eene gevederde slang, geheel overeenkomende met die aan den muur van den tempel te Mexico. De gevederde slang was het symbool van Quetzalcoatl, een god der Tolteken en der Azteken: in Yucatan was zij het teeken van Cuculkan, een god der Mayas; in beide talen hebben de twee namen dezelfde beteekenis, namelijk die van gepluimde slang. Dit beeld, dat op de gebouwen van Yucatan veelvuldig voorkomt, diende ook ter versiering van de huizen der aanzienlijken te Mexico. Clavigero zegt ons dat de Azteken, in hunne bouworde, de kroonlijst bezigden, en dat men aan sommige gebouwen eene reusachtige slang in relief zag, die zich om alle openingen van het paleis slingerde, en zich zelve in den staart scheen te bijten.

Het Castillo te Chichen-Itza. (Blz. 39.)
De twee pilaren van den voorgevel vertoonen eene onmiskenbare overeenkomst met eene tolteeksche zuil, die wij te Tula hebben gezien: ook hier zijn de schachten met vederen versierd en vertoonen de basementen den kop van een slang. Uit alles blijkt dus dat deze tempel aan Cuculkan was gewijd. Ook het kapiteel van den pilaar te Chichen-Itza verdient de aandacht. Het is geheel gebeeldhouwd: in het midden ziet men eene staande figuur, die met haar opgeheven armen het entablement schijnt te torsen. Deze gestalte met haar langen baard is wederom eene voorstelling van den tolteekschen god Quetzalcoatl, die onder verschillende gedaanten werd afgebeeld. Zijne kleeding is buitengewoon rijk: aan de polsen draagt hij breede armbanden, en op het hoofd een reusachtig tooisel van vederen; om zijn hals hangt een lange keten van edelgesteenten, en zijne laarsjes zijn met lederen rosetten versierd. Bladzijde 137

Kampement in het bosch.
Ik heb reeds gezegd, dat er te Chichen-Itza twee cénotés zijn, reusachtige kuilen, met loodrechte wanden, waarin het water door onderaardsche beken wordt aangevoerd. Deze twee natuurlijke reservoirs hebben ongetwijfeld aanleiding gegeven tot de keuze van deze plaats voor de stichting eener stad en voor de nederzetting eener talrijke bevolking in den omtrek. De inwoners van Chichen konden zich de moeite sparen om diepe putten te boren; evenmin behoefden zij kunstmatige waterbakken of vijvers aan te leggen: de natuur zelve had gezorgd voor een rijken overvloed van water, een voorraad, die onuitputtelijk was en ook bij de grootste droogte nooit verminderde. Een van deze cénotés bevond zich in het midden van de stad, en werd dan ook het meeste gebruikt; door middel van eene glooiing, waartegen men eene soort van trap had gemaakt, daalde men naar het water af; de andere, de heilige cénoté, ligt ten noorden van het Castillo, buiten den kring der gebouwen en op de grenzen der stad. Om dezen te bereiken, moeten wij ons een weg banen midden door het bosch; halverwege vinden wij de helft van een groot beeld van Tlaloc, en in de onmiddellijke nabijheid groote hoopen van puin, overblijfselen van twee tempels, aan wier voet wij weder het beeld terugvinden van de gepluimde slang, Quetzalcoatl of Cuculcan, die de voornaamste godheid der bevolking van Chichen schijnt te zijn geweest.
De cénoté, die ongeveer honderd-vijftig el verder ligt, is langwerpig van gedaante; het water is niet te bereiken, want de loodrechte wand is omstreeks twintig el hoog en biedt nergens eene gelegenheid tot afdalen. Het water schijnt groen van kleur: dit kan het gevolg zijn van de aanzienlijke diepte, of ook de weerspiegeling van het dichte gebladerte rondom den put. Deze eenzame cénoté, waarvan de wanden met distels, struiken, heesters en lianen begroeid zijn, te midden van het bosch, maakt een somberen indruk. Deze plek was eens gewijd als bedevaarts- en offerplaats; Chichen was eene heilige stad, en deze cénoté behoorde tot de voornaamste heiligdommen. Een kleine tempel, waarvan wij nog de ruïnen kunnen ontdekken, verrees aan zijn zoom; aan de lokale godheid werden hier niet enkel halskettingen van edelgesteenten, gouden en zilveren vazen geofferd, maar ook volwassen menschen en kinderen, die vermoedelijk hier in de diepte werden geworpen.
Landa maakt zoowel van den cénoté als van Bladzijde 138den tempel melding; een breede, fraai geplaveide weg voert daarheen; hij vindt er vazen en allerhande soort van offergaven; hij voegt er bij, dat er nog in 1560 menschenoffers werden geslacht.
Mij dunkt, dit is duidelijk genoeg. Meer dan veertig jaren na de verovering bestaat de tempel nog ongeschonden, vol van afgodsbeelden en van wijgeschenken, door de toen levende Indianen daar gebracht; er wordt nog voortdurend dienst in gedaan, en men ziet er afbeeldingen van Mayas in hun nationaal kostuum. Hoe kan men dan beweren, dat deze tempels het werk zijn van een verdwenen ras en dagteekenen uit een tijdvak vóór onze christelijke jaartelling? Het verhaal van Landa moet iedereen de oogen openen. De stad was tijdens de verovering nog betrekkelijk jong, en ongetwijfeld bewoond toen Francisco de Montejo haar voor het eerst in 1527 bezette: immers in 1560 werden de tempels nog door de geloovigen bezocht.
Van den heiligen cénoté begeven wij ons naar de Kaatsbaan, het voornaamste en het best bewaard gebleven van al dergelijke gebouwen, die voor het bij uitnemendheid nationale spel der Indianen waren bestemd. Het bestond uit twee evenwijdig loopende, zware gemetselde muren, ongeveer honderd el lang en tien el dik; de afstand tusschen de muren bedraagt vijf-en-dertig el. Aan het uiteinde dier muren bevinden zich twee kleine gebouwtjes, waarvan dat aan de noordzijde slechts een enkel vertrek bevat, van eene op zuilen rustende galerij of portiek voorzien, waar de aanzienlijke heeren, beveiligd tegen de brandende zonnestralen, op hun gemak het spel konden gadeslaan. Over de architektuur en de uitwendige dekoratie van dat gebouwtje kunnen wij in den tegenwoordigen toestand geen oordeel meer vellen; maar van binnen was het zeer rijk versierd: de zuilen en muren zijn geheel met bas-reliefs bedekt, die echter door den tijd in hooge mate geleden hebben.
Dit groote monument alleen, waarvan alle geschiedschrijvers melding maken en dat zij Tlachtli en Tlachco noemen, is op zich zelf reeds een afdoend bewijs voor den tolteekschen invloed in Yucatan, want dit gebouw komt geheel overeen met de voor het kaatsspel bestemde lokalen op de hoogvlakten. De groote afmetingen en de rijke versiering van den Tlachtli te Chichen-Itza, waarvan wij bereids eene proeve hebben gegeven (zie bladz. 36), leveren ons het bewijs, dat het geliefkoosde spel van de bewoners der hoogvlakten in Yucatan niet minder in eere werd gehouden.
Wij mogen Chichen-Itza niet verlaten, zonder nog te spreken van de beide beelden, op de bladz. 33 en 35 afgebeeld. Het eene is afkomstig van Chichen, waar het eenige jaren geleden gevonden werd; het andere is afkomstig uit den omtrek van Tlascala in de onmiddellijke nabijheid van Mexiko: alzoo op grooten afstand van het eerste. Naar de meening van doctor Hamy, waarmede ik mij geheel kan vereenigen, stellen de beide beelden den tolteekschen god Tlaloc voor, den god van den regen en den overvloed.
Een enkele blik op de beide beelden is voldoende om ons te overtuigen, dat zij denzelfden persoon moeten voorstellen. Het verschil in de wijze van bewerking doet niets ter zake: het is blijkbaar dezelfde persoon, in dezelfde houding, met dezelfde kom op den buik om den regen op te vangen, en hetzelfde soort van kapsel of hoofddeksel. Het eene beeld is van kalksteen en het andere van basalt; dat uit den omtrek van Tlascala is misschien van zuiver tolteekschen arbeid en dan zeer oud; maar van waar het ook afkomstig moge zijn, het is zeer stellig tolteeksch van karakter en verspreidt dus ook licht over het andere beeld van Chichen-Itza.
Van Merida begeven wij ons naar Ticul in het zuiden, om vandaar uit de fraaie ruïnen van Kabah te bezoeken. Van dezen tocht is niets te zeggen: het landschap van Yucatan is bij uitnemendheid eentonig, de eene weg gelijkt volmaakt op den anderen. In deze streek zijn de woningen of hofsteden minder ver van elkander verwijderd, maar onderscheiden zich overigens niet van de haciendas in andere streken. Als naar gewoonte, in den vroegen morgen vertrokken, komen wij omstreeks negen uren te Uayalceh; de muildieren moeten eenige rust nemen, en wij maken daarvan gebruik om te ontbijten.
In deze groote hofsteden moet men voor de genoten gastvrijheid betalen; maar de reizigers worden er goed ontvangen; men beijvert zich om u te bedienen en de prijzen zijn matig. Terwijl ons maal wordt gereed gemaakt, gaan wij de hacienda bezien. Uayalceh is een indiaansch woord, dat “de rust van het hert” beteekent; de dusgenoemde plantage is waarschijnlijk de voornaamste in Yucatan. Men verbouwt hier, behalve de noodige maïs voor de voeding van het talrijke personeel, uitsluitend henequen; dit gewas is trouwens winstgevend genoeg, want men verzekert mij dat de netto opbrengst vijftigduizend piasters bedraagt, dat is omstreeks tweehonderd-vijftigduizend francs. De hacienda is voor een millioen te koop! Dat geeft dus eene rente van vijf-en-twintig percent! Het spijt mij, dat ik geen millioen beschikbaar heb.
Op de hacienda leeft eene bevolking van niet minder dan twaalfhonderd personen, die allen een of anderen arbeid verrichten. De kinderen zijn in de woning, onder het opzicht van een ouden Indiaan, bezig met het schoonmaken van een gewas, waarvan de naam mij onbekend is. Hun vroolijk gezang weergalmt door het geheele huis. Vrouwen gaan en komen, in lange rijen achter elkander, naar en van de noria, om de waterkruiken te vullen, die zij op haar hoofd dragen. Men zou zich in den tijd der aartsvaders verplaatst wanen, kwam niet de stoommachine den indruk bederven.
Des avonds omstreeks vijf uren komen wij te Ticul, waar, door de goede zorgen van onzen vriend Don Antonio Fajardo, voor ons een huis in gereedheid is gebracht, dat wij aanstonds betrekken.
Ticul mag in waarheid eene stad worden genoemd; welvarend en mooi, goed gelegen, niet ver van de heuvelreeks, die van het noordwesten naar het Bladzijde 139zuidoosten het schiereiland doorsnijdt. Alle sporen van den indiaanschen oorlog schijnen hier uitgewischt; alles ziet er splinternieuw uit, uitgezonderd de kerk en het groote klooster, waar de door Stephens zoo hoog geroemde abt Carillo woonde, en dat bijna een bouwval is. Daar woont in een der haast niet bruikbare kamers de nieuwe pastoor, een vroolijk, voorkomend, aangenaam man, de broeder van den zoo even genoemden abt, van wien de amerikaansche reiziger ons zoo veel goeds vertelt.
De inwoners van Ticul zijn zeer vriendelijk en ontvangen ons met groote hartelijkheid. Evenmin als elders in Yucatan, vindt men ook hier een hotel; maar in de kleine tienda, waarin wij onzen intrek nemen, vonden wij eene goede bediening en eene vrij wat betere tafel dan te Merida. Daar ontvangen wij geregeld bezoek van eenigen der voornaamste burgers van Ticul, die ons helpen bij onze studie en met wie wij onze avonden op de aangenaamste wijze doorbrengen.
Ons doel was in de eerste plaats de ruïnen van Kabah te bezoeken, die tot de hacienda Santa-Ana behooren; maar tusschen de hacienda en de ruïnen strekt zich een bosch van vier mijlen uit, waardoor geen enkele weg loopt. Don Antonio geeft mij den raad eenige manschappen vooruit te zenden, om een weg te banen; en op last van den burgemeester zal een troep Indianen van het dorp Santa-Helena den arbeid verrichten. Wij zullen twee dagen geduld moeten oefenen; en daar er op de hacïenda Yokat een feest of kermis zal worden gevierd, dringt de eigenaar, die niemand anders is dan onze vriend Fajardo, er op aan, dat wij daarbij tegenwoordig zullen zijn. Zoo gezegd, zoo gedaan.
Deze feesten in Yucatan worden zeer druk bezocht en lokken een aantal menschen, ook al worden zij buiten op het land gevierd. Het feest te Yokat moest drie dagen duren; stierengevechten, dansen, maaltijden in de open lucht, kramen en tenten van allerlei soort, niets zal er ontbreken; en van tien mijlen in den omtrek stroomt de bevolking er heen. De weg is vol van voetgangers en volans cochés: deze wonderlijke rijtuigen, opgepropt met fraai uitgedoste vrouwen, schijnen welhaast bewegelijke bloemenkorven.—De hacienda, mooi gelegen aan den voet van een steilen heuvel, bestaat uit ruime gebouwen en prachtige tuinen; de gelukkige eigenaar is zeer verheugd als ik hem mijn oprecht gemeend compliment maak over zijne kostbare bezitting.
Wij wonen de mis bij, gevolgd door eene preek in de taal der Mayas, die zeer zacht en welluidend klinkt; voor kapel dient eene lange galerij, waar een groot aantal mooie vrouwen, in haar fraaie rijk geborduurde kleederen en met gouden kettingen versierd, liggen neergeknield of op den grond zitten; allen volgen met eerbiedige aandacht de heilige handeling. Nauwelijks heeft de priester het Ita missa est uitgesproken, of zij zweven weg, als een dartele vogelenzwerm.
Daarop volgden de voorstellingen; ik druk de kleine handjes der koninginnen van het feest, drie jonge meisjes van vijftien tot achttien jaar, waarvan de eene met volle recht eene schoonheid van den eersten rang mag worden genoemd. Er worden ververschingen gepresenteerd; en elke van deze bekoorlijke jonge meisjes komt haar rozenlipjes aan mijn glas zetten: dit is zoo het gebruik.
Intusschen groeit de menigte van oogenblik tot oogenblik aan; zij vult de ruime binnenplaatsen van de hacienda en het uitgestrekte terrein voor de woning; daar bevindt zich de circus voor de stierengevechten, een groot amphitheater van takken, met verwonderlijke vlugheid door de Indianen in elkaar gezet. Het geheel bestaat uit planken, takken, palmbladen, lianen, zonder een enkelen spijker: en toch zit alles vast en zal dit luchtig getimmerte, zonder gevaar van bezwijken, het gewicht kunnen torschen van ettelijke duizenden toeschouwers.
Daartegenover bevindt zich de balzaal, van takken en groen gemaakt; en verder, in bonte wanorde door elkander, een aantal kraampjes en winkeltjes, waar allerlei soorten van drank, vooral ook koppig engelsch bier, worden verkocht, en waarvoor de dorstige klanten elkaar verdringen. Er wordt sterk gedronken; de opgewondenheid neemt hand over hand toe; het is een geraas, een geschreeuw een gejuich, dat hooren en zien vergaat.
Het uur voor de stierengevechten is gekomen; de circus is overvol; voor mij ligt de aantrekkelijkheid van het schouwspel minder in de kampplaats, dan wel in het publiek, hoofdzakelijk bestaande uit mestiezen-vrouwen, stralende van vreugde en genot, uitgedost in haar fraaiste kleederen, schitterende in de bontste kleuren, in roode, gele en blauwe borduursels, die zoo goed uitkomen tegen de sneeuwwitte jurken, te midden van wolken van kant, waartusschen de gouden kettingen en edelgesteenten vonkelen. Welk een betooverende aanblik! En, vreemd, niet waar? er zijn daar ruim tweeduizend toeschouwers en daaronder hoogstens drie- of vierhonderd mannen: men zou zeggen, dat men zich in eene vergadering van dames bevond. Deze wanverhouding tusschen het mannelijk en het vrouwelijk element is een verschijnsel, dat men in alle heete landen aantreft, waar het blanke ras zich gevestigd heeft. Op Java zijn van de zeven kinderen, die geboren worden, gemiddeld vijf meisjes. Hier schijnt het verschil nog grooter: de verhouding is hier, naar men zegt, van zeven of acht op tien. Mijn gastheer heeft acht dochters en twee zoons; op eene bevolking van honderd-elf-duizend blanken of mestiezen, zou men dus ter nauwernood twee-en-twintigduizend mannen tellen. Deze schromelijke wanverhouding, het onwedersprekelijk bewijs van den achteruitgang en de verbastering van het ras, komt natuurlijk niet voor bij de indiaansche bevolking, die op honderd-vijftigduizend zielen wordt geschat, en die dus het evenwicht eenigermate zou helpen herstellen. Men moet echter ook niet vergeten, dat de onophoudelijke burgeroorlogen en de langdurige gevechten met de Indianen onder de mannelijke bevolking groote verwoestingen hebben aangericht; misschien is ook daaraan voor een deel het ontzaglijk overwicht van het vrouwelijk element toe te schrijven.
Vermoeid van het oorverdoovend geraas, van valsche muziek en eindeloos herhaalde dansen, keer Bladzijde 140ik naar Ticul terug, waar ik tijding hoop te vernemen van mijne werklieden. Bij mijne tehuiskomst hoor ik inderdaad dat de weg naar de ruïnen gebaand is, en dat ik vertrekken kan wanneer het mij behaagt.
Don Antonio gaat met ons naar de hacienda Santa-Ana, waarvan hij administrateur is; wij zullen daar ons hoofdkwartier vestigen, en de volans-cochés zullen ons, langs den nieuw geopenden weg, naar de ruïnen brengen. Santa-Ana ligt vier mijlen van Ticul verwijderd; Kabah ligt nog een mijl verder. Deze zeer oude nederzetting werd gedurende den burgeroorlog verlaten, maar begint zich tegenwoordig weder eenigzins te herstellen. De bouwmaterialen heeft men in de onmiddellijke nabijheid voor het grijpen; zij zijn afkomstig uit een groep belangrijke pyramiden, die vroeger met gebouwen waren gekroond, welke thans geheel in puin liggen. Onder die materialen merken wij vierkante, geheel nieuwe pilaren op, met dorische kapiteelen; en, hetgeen opmerkelijk is, de kanten dezer pilaren zijn even als onze steenen behouwen en vertoonen de duidelijke sporen van een metalen werktuig, dat van tanden moest zijn voorzien. Het schijnt mij onaannemelijk, dat deze pyramiden, tempels en paleizen, met hunne beeldwerken en bas-reliefs, met behulp van steenen werktuigen zouden zijn vervaardigd: de Indianen moeten, om zulke werken te hebben kunnen voltooien, in het bezit zijn geweest van metalen instrumenten. Zij gebruikten, naar het schijnt, bijlen en andere werktuigen van koper met tin gemengd, die bijzonder hard moeten zijn geweest.

Ruïnen van het eerste paleis te Kabah (Blz. 142.)
De geschiedschrijvers maken ter nauwernood gewag van de ruïnen van Kabah, evenmin als van die van Labnah, Sacbey, Iturbide en vele andere groepen van oude dorpen, op den afstand van dertig of veertig mijlen ten zuiden van Merida; nu en dan spreken zij van de vorsten dier vlekken als van de lieden van de Sierra, omdat deze vlekken of steden aan de andere zijde waren gelegen van de heuvelketen, die Yucatan doorsnijdt.

Het paleis van den gouverneur te Uxmal. (Blz. 142.)
Te oordeelen naar hare monumenten, moet Kabah echter eene van de belangrijkste steden van het schiereiland zijn geweest; hooge pyramiden, reusachtige terrassen met indrukwekkende ruïnen bedekt, triomfbogen, paleizen, beslaan eene aanzienlijke oppervlakte. Deze gebouwen, met