Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Avondstonden, by Hendrik Conscience

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Avondstonden

Author: Hendrik Conscience

Release Date: October 4, 2004 [EBook #13595]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK AVONDSTONDEN ***




Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the PG
Online Distributed Proofreading Team.






HENDRIK CONSCIENCE

Avondstonden

Titelpagina

INHOUDSOPGAVE

QUINTEN MASSYS
DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS
DE NIEUWE NIOBE
WEETLUST EN GELOOF
HET BEULSKIND
DE GEEST
DE SCHOOLMEESTER TEN TIJDE VAN MARIA THERESIA
DE KWADE HAND
STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS

De abdisse nam het boek uit handen der non.
De abdisse nam het boek uit handen der non.

QUINTEN MASSYS


Omtrent den jare 1480 stonden bij de Gasthuisbeemden, te Antwerpen, eenige kleine huisjes, welke het klooster van ter Zieken toebehoorden en aan geringe menschen werden verhuurd. Zij waren meestal bewoond door ambachtsgezellen, die van hun arbeidsloon met moeite genoeg konden overhouden om de wekelijksche huurpenningen te betalen; of wel door oude lieden, die met de grootste zuinigheid van het geld, dat zij in jongere jaren gespaard hadden, nu moesten leven.

In een der minst vervallene dezer huisjes woonde in dien tijd eene weduwe met haren eenigen zoon. Alhoewel zij niets in eigendom op de wereld bezat, hadden niettemin vreugde en genoegen altijd onder haar dak gewoond; zij droeg hare armoede met het grootste geduld en zou niet licht haren nederigen staat tegen eenen beteren verruild hebben. Haar geluk bestond in de arbeidzaamheid van haren zoon en in de zuivere genegenheid, die hij haar toedroeg. Daar zij eene teedere moeder was en al het gevoel van haar liefderijk hart op haren zoon gekeerd had, was het haar een genoegzaam gelukzalig lot, zich door hem zoo bemind te zien. In hare gebeden, in al hare zuchten was de naam van haar kind gemengd; en de liefde, welke zij hem had toegewijd, was in eene soort van zelfverloochening verkeerd. Haar zoon, die zijne moeder met gelijke teederheid betaalde, werkte dag en nacht om haar niets te laten ontbreken, en, wanneer hij maar gissen kon, dat zij iets verlangde, spaarde hij het zweet zijns aanschijns niet, maar zwoegde, totdat hij geld genoeg gewonnen had om zijne moeder het verlangde voorwerp te schenken. Door arbeidszucht was hij zoodanig bekwaam geworden in het smidsambacht, dat hij uitoefende, dat niemand hem in het smeden van allerlei kunstvoorwerpen te boven ging, en hij een ruim loon voor zijnen arbeid ontving. Dit was eene der redenen, waarom de woning der weduwe met meer smaak versierd was en zij als eene der meest-bemiddelde huurlingen der huisjes van ter Zieken werd aangezien. Haar zoon, die in zijn werk buitengewonen lust vond, zong en was blijde zonder ophouden; ook had men zijnen echten naam vergeten, om hem dien van vroolijken smid te geven.

Sedert eenige maanden was op eens in het huis der oude weduwe al dit genoegen, al die vreugde vergaan; nu waren het slechts tranen, die er vloeiden, zuchten die men er hoorde, en het zingen van den vroolijken smid was eene zaak, waaraan de geburen niet meer dachten, dan om zich gelukkige tijden te herinneren.

Het was op eenen Maandag;—de weduwe zat met natbeschreide wangen bij het bed, waarop haar zoon lag uitgestrekt. Die sterke jonkman, welke zoovele jaren den voorhamer met gemak en losheid had behandeld, die zooveel zweet voor zijne moeder had gestort, was nu als in een ontvleesd geraamte veranderd. Men kon op zijnen blooten hals gemakkelijk de ingekrompen spieren zien bewegen; zijne sleutelbeenderen lagen zoo zichtbaar onder zijne huid, alsof zij als met een doorschijnend lijnwaad waren overtrokken geweest: zijn gansch lichaam scheen als weggesmolten. Zijn aangezicht droeg geen het minste teeken van pijn: alleenlijk was er eene diepe droefheid op afgeschetst, en men kon duizende hartgrievende woorden lezen in de flauwe oogen, die hij op zijne moeder gericht hield. Van tijd tot tijd kwam er nog eene uitdrukking van zaligheid zijn mager aangezicht beglanzen: het was wel geen lach, maar iets onverstaanbaars, eene geheime gedachte, die zijne oogen meer deed blinken en hem meer van het graf, dat op hem gaapte, scheen te verwijderen. Dan vatte de bedrukte moeder, ziende wat hevige zielestrijd van hoop, van liefde en van doodende foltering in haren zoon omging, zijne beenige hand en zuchtte vol ontroering; een enkel woord rolde slechts van hare lippen, de naam van haren stervenden zoon:

"Quinten! o, Quinten!..."

Nadat zij elkander aldus ruimen tijd bezien hadden, begon de weduwe opnieuw overvloedige tranen te storten en sprak eindelijk met doffe stemme:

"Quinten, mijn arme zoon, verlangt gij niets? Hebt gij geenen dorst?"

"O neen, moeder; maar gij? Ik zie u niets eten? Gansche dagen weent gij om mij, en gij krenkt uwe gezondheid.—O, wat ben ik ongelukkig!—Ik zal sterven, dit voel ik; niet door de ziekte van mijn lichaam—dit zou mij misschien het leven sparen, maar er is iets, o God!—iets, dat mij sedert lang naar het graf trekt, iets, dat mij 's nachts de rust beneemt en bij dag om den dood doet wenschen.—O, moeder, moeder!"

En niettegenstaande zijn uitgedroogde lichaam onbekwaam scheen om nog veel vochts te bevatten, stroomden op eens de tranen als bij beken over zijne dorre wangen.

De weduwe stond van haren zetel op, en, haar verdriet met geweld verbergende, sloot zij het kranke lichaam van haren zoon met teedere drift in hare beide armen en zoende de tranen van zijn aangezicht.

"Quinten," zuchtte zij, "o, zeg wat uw hart zoo benijpt. Zeg het toch aan uwe moeder! Misschien zal ik die geheime pijn genezen kunnen.—En dan, Quinten, dan zou ik u misschien niet verliezen. Ware dit mogelijk!"

Quinten sprak niet; alleenlijk stuurde hij zijne blikken nog onbeweeglijker in de oogen zijner moeder, zonder dat zijne tranen ophielden van overvloediger op zijne wangen te rollen.

"Zeg het mij toch," hernam de moeder, "zeg mij wat geheim er in uw hart ligt. Ik bid u, in Gods naam, spreek!"

Een zucht, zoo naar als een gehuil, ontvloog der borst van Quinten; hij bedekte zijn aangezicht met beide handen en sprak met eene stem, die zulke geweldige ontroering te kennen gaf, dat men mocht vreezen, dat zijn levensdraad ging breken:

"Gij hebt honger, moeder; sedert drie dagen hebt gij niets gegeten. Denkt gij, dat ik het niet weet? O, zekerlijk, ik zal sterven;—ik zie u vergaan als eene schaduwe en gij lijdt om mij, om uw kind alleen!"

"Is het anders niet?" antwoordde de moeder met moed en schier blijde fierheid. "Troost u dan maar en heb daarom zooveel hartepijn niet. Honger lijden voor u, mijn Quinten? Voor u? O, God zij mij getuige, dat ik in voor mijn kind te lijden den eenigen troost vind, die mij nog op aarde overblijft."

"Armen hebben, die tot niets goed zijn!" riep Quinten met wanhoop, "naar den arbeid als naar de zaligheid snakken, en weten, dat zijne moeder van honger vergaat, zonder haar een stuk zuur brood te kunnen bezorgen! Hemel, ik ware uwe genade onwaardig, indien ik niet stierf!"

Die uitgalmingen hadden hem zeer vermoeid; ook viel zijn hoofd, dat hij door drift had opgeheven, machteloos neder; dan voegde hij met meer kalmte bij zijne eerste woorden:

"Maar, moeder, blijft er ons dan niets meer over, dat eenige waarde heeft, niets, waarvoor men ons een brood geven zou?"

"Niets, mijn zoon," antwoordde de oude vrouw mistroostig, "ik heb alles verkocht,—denk niet meer aan zulk middel."

De ongelukkige Quinten wrong zich met zooveel wanhoop in zijn bed, dat zijn gebeente onder het deksel kraakte.

"Gij zult dus van honger sterven!" riep hij woedend uit. "Ik, die reeds bij den dood ben, ik zal u voor mijn bed zien bezwijken? O, neen, dit zal niet zijn.... Ho, ik zal opstaan en u doen zien, wat de liefde van eenen zoon tot zijne moeder vermag.—Geef mij mijne kleederen, en indien gij, eer twee uren verloopen zijn, niet gegeten hebt, dan straffe mij God met het eeuwig vuur!... O, moeder, moeder! de zoete Jezus heeft zich over mijne zondige woorden niet vergramd.... Ik gevoel kracht! Ik leef!"

Inderdaad, het scheen, dat de jonge Quinten eensklaps uit zijne ziekte was opgestaan; hij bewoog zijne armen als iemand, die zich tot zwaren arbeid bereidt; en de bewegingen, welke hij deed, waren zoo los en zoo krachtig, dat zijne moeder niet begrijpen kon wat dit beduidde; zij dorst zich gansch niet overgeven aan de hoop van een mirakel in haren zoon te zien, en bleef verbaasd en twijfelend op hem staren!

Intusschentijd had Quinten met ongemeene vlugheid al zijne kleederen aangetogen; maar wat geweld hij ook deed om de zwakheid zijns lichaams te overwinnen, men kon echter genoeg zien, dat er weinig in zijnen toestand was veranderd; want zijne bewegingen werden allengskens langzamer en trager en zijn adem korter, totdat hij eindelijk, door de onmacht overmeesterd, zijne moeder nog eens bevend omhelsde, en dan van wanhoop huilend, in eenen stoel nederviel en riep:

"O, lieve moeder, ik wilde voor u gaan werken.... maar—ik kan niet!"

Op dit oogenblik ging de deur van het huisje open, en eene non van het klooster van ter Zieken, hebbende een korfken aan den arm, trad binnen.

"Moeder Massys," riep zij, "ik breng iets voor onzen zieken Quinten.—Maar wat is er dan, goede lieden? Wat ongeluk is hier gebeurd, dat gij beiden daar zit en weent?"

De moeder noch de zoon antwoordden op deze vraag. Daar zij eerlijk waren en nooit om hulp van anderen hadden gebeden, weerhield de schaamte hen, van over hunnen nood iets te kennen te geven.—Waar is toch de vlijtige arbeidsman, die zonder pijn smeekend zal zeggen: ik heb honger?

De non gaf geene acht op de stilzwijgendheid dier ongelukkigen; zij plaatste den korf, dien zij droeg, op eene tafel en nam er eene flesch uit; dan schonk zij daaruit eene goede teug rooden wijn in eenen beker.

"Quinten," riep zij met blijdschap, "dit zal u wat moed geven en u uitermate versterken: daar, drink het uit!"

"Indien mijne moeder het drinkt," sprak Quinten met een biddend gelaat, "beloof ik, dat ik tien missen voor u zal hooren, zuster Ursula!"

"Drink maar," hernam de non, "ik zal uwe moeder ook eenen beker geven."

"O, dan hoor ik er twintig!" riep de ontroerde smid met eenen traan van vreugde in elk oog.

Wanneer zij nu beiden op het aandringen van zuster Ursula eene teug wijns genuttigd hadden, bracht de non haren korf onder Quintens gezicht, zeggende:

"Ho! ik heb nog al iets zie maar."

Niet zoodra had Quinten zijn oog in den korf gestuurd, of hij hief zijne armen ten hemel en riep:

"Goede Ursula, gij weet niet wat gij ons brengt. Aan u durf ik het toch zeggen, aan u, die ons als een engel van barmhartigheid komt laven en troosten. Zuster ... zuster, mijne oude moeder heeft in drie dagen niet gegeten."

"Och Heer, is het mogelijk!" galmde de non uit. "Spoedig dan maar, hier is een fijn tarwebrood voor u en een goed stuk vleesch."

De ontsteltenis der weduwe was zoo groot, dat zij niet van het brood nuttigen kon; hetgeen toch voor dit oogenblik zoozeer niet behoefde, want de gedronken wijn had haar genoeg krachten gegeven. Terwijl de non bezig was met haar tot eten aan te manen, had Quinten ongevoeliglijk eene der handen van zuster Ursula tot zich getrokken, zonder dat deze het had bemerkt. Na weinige oogenblikken echter rukte zij deze met geweld terug, want zij had eenen brandenden adem er op gevoeld.

"Maar Quinten," riep zij, "wat doet gij dan?"

"Vergeef mij, zuster," zuchtte de jongeling, "o, vergram u niet op mij, indien ik uwe hand bevochtigd heb; het zijn tranen van dankbaarheid en van eerbied!"

De non werd rood door een gevoel van schaamte, want het gezicht van Quinten, dat alsdan beweegloos op haar gevestigd was, had eene ongemeene kracht: men zou gezegd hebben, dat hij haar aanbad. Dan, om zich uit die lastige gesteltenis te redden, begon zij eensklaps van wat anders te spreken.

"Ja, moeder Massys," zeide zij, "er zijn tegenwoordig vele zieke menschen; hier in de gebuurte zelfs liggen er drie te bed: de wolwever Veken, de timmerman Balens en Hans de tapissier. Bij de twee eersten draag ik ook zoo al wat, als ik het ergens krijgen kan; maar de tapissier Hans werkt op zijn bed voor ons klooster...."

"Wat doet Hans voor uw klooster, zuster?" viel Quinten haar haastig in de rede.

"Hij schildert gedrukte beeldekens voor de begankenis der melaatschen," was het antwoord; "hij doet het wel niet goed, maar omdat hij ziek is, zien wij daar niet nauw op.—Zie, daar zijn er, die ik juist bij hem heb afgehaald."

Een pak beeldekens uit den korf nemende, gaf zij deze aan Quinten, die ze één voor één overzag.

"Zuster," sprak hij eindelijk, "dit zou ik, dunkt mij, beter kunnen."

"Och, gij lacht er mede, Quinten! Hans de tapissier moet dagelijks beelden in zijne tapijten weven, daarom kent hij er al wat van; maar gij, die een smid zijt,—dit zou u niet gaan, geloof ik."

Quinten stond met geweld van zijnen zetel op, en zich met fierheid tot de non keerende, sprak hij:

"Zuster Ursula, er is noch smid, noch tapissier, noch schilder, die eene pomp maken zal gelijk de pomp, die Quinten Massys op de Handschoenmarkt gemaakt heeft! Het is waar, ik heb nooit met verven gewerkt en zal wellicht in het eerst eenige beeldekens bederven; doch, zuster, vergeet niet, dat een zoon, die voor zijne moeder arbeidt, geen gewoon werkman is.—Misschien zou ik kunnen gelukken; er is iets, dat mij het zegt."

"Welnu dan, Quinten, daar zijn ongekleurde beeldekens. Beproef wat gij kunt. Uwe moeder kome met mij naar ter Zieken, ik zal haar verven en penseelen medegeven."

"Ga, moeder, ga spoedig!" riep Quinten met verrukking. "Och, nu zal ik kunnen werken,—en, geluk ik in mijnen arbeid, dan genees ik zeker, want gij zult om mij niet meer honger lijden. Ga gauw!"

Wanneer zijne moeder met de non vertrokken was, liet hij de beeldekens, het eene na het andere, door zijne handen gaan, overdenkende, wat deel hij blauw, geel, rood of groen maken zou. In die eenzame overweging gloeide hem het hoofd zoodanig, dat zijne magere wangen nog een overblijfsel van warm bloed verrieden; hij bewoog de vingeren zijner rechterhand boven de printen, alsof hij reeds aan het schilderen ware geweest. De beeltenissen, die hij onder het oog had, waren gebrekkelijk en slecht,—hij zag dit wel; want in zijne leerjaren had hij zich de teekenkunst gemeen gemaakt, hetgeen genoeg bleek uit al de kunstwerken, welke door hem in ijzer waren gesmeed.

Zijne moeder met de verven teruggekomen zijnde, ging hij te bed, schikte een vierkant plankje voor zijne borst, en begon zoo half zittende te schilderen. De oude weduwe was dermate nieuwsgierig, om te zien, welken uitslag die arbeid hebben zou, dat zij met angstige nauwkeurigheid al de bewegingen van het penseel volgde.

Alhoewel Quinten zeer langzaam arbeidde, had hij toch, na een uur tijds, eene print met de schoonste kleuren, met de zuiverste tinten bedekt.

Over zijn eigen werk als opgetogen, riep hij:

"O, moeder, zie, ik zal nu ras genezen,—het gaat mijne verwachting te boven!"

De oude vrouw kende niets van de kunst, die Quinten aan haar oordeel aanbood; doch zij liet zich door de blinkende verven verrukken, en stond in bewondering en als verbaasd voor het geschilderd beeldekens.

"Quinten," riep zij, "wil ik dit eens naar ter Zieken dragen om te laten zien!"

"Straks, moeder, als ik er nog eenige gemaakt heb. Kom, geef mij dit terug, opdat ik het vóór mij legge."

"Gaat gij ze dan altemaal op dezelfde wijs schilderen, Quinten?"

"Neen, moeder, maar er zijn op dit nog vele gebreken, en ik zal het bezien, om ze in het tweede te verbeteren."

De oude vrouw was zoo blijde, zoo verrukt, alsof haar een onuitsprekelijk geluk overkomen ware; niet juist omdat haar zoon de beeldekens wel geschilderd had, want daar wist zij in het geheel niets van; ook beloofde zij zich ten hoogste het loon van eenige stuivers voor zijnen arbeid, indien hij dan nog slechts als goed aanvaard werd; maar zij verheugde zich in de welgemoedheid van haren zoon, die nu, door de drift des arbeids ondersteund, in veel beteren staat scheen te zijn en na het voltooien der derde print de eerste woorden van een zijner vergetene liedekens, bij wijze van uitroeping, had laten hooren. Van tijd tot tijd onderbrak de verrukte moeder het werk van haren zoon om hem te omhelzen, waarop hij dan lachende bemerkte:

"Wel, moeder, laat mij toch arbeiden; gij laat mij niet voortgaan!"

De vierde print afgewerkt zijnde, drong de weduwe zoodanig bij haren zoon aan, om ze naar ter Zieken te mogen dragen, dat hij eindelijk er in toestemde; en moeder Massys liep, zou gauw zij kon, naar het klooster, dat op eenige boogschoten in de nabijheid der stad lag. Zij klopte even haastig en wachtte met jagend harte, dat men haar kwame openen.

Eene stokoude non verscheen bij het kijkschuifken, en ziende, dat het eene geringe burgervrouw was, die aangeklopt had, deed zij langzaam open en vroeg:

"Wat moet gij hebben, vrouw?"

"Is zuster Ursula in het klooster?"

"Neen, zuster Ursula is uitgegaan;—kom morgen weer."

Bij deze woorden vatte zij de deur en deed aan de oude vrouw een teeken, alsof zij zeggen wilde: "ga weg, dat ik de poort sluite!"

Moeder Massys gevoelde diep verdriet over de afwezigheid van zuster Ursula, en kon, als door een dwingend gevoel wederhouden, geenen stap doen om het klooster te verlaten.

"Heb gij nog iets te zeggen?" vroeg de non.

"Ja, zuster," antwoordde de oude vrouw, de printen van onder hare huik halende, "gelief de goedheid te hebben de beeldekens aan zuster Ursula te toonen en te zeggen, dat Quinten Massys, de smid, die gemaakt heeft."

De non bezag de haar aangebodene voorwerpen met eene uitdrukking van misprijzen. De beelden moesten gewis niets aangenaams vertoonen: haar gelaat gaf dit genoeg te kennen.

"Och God, wat zijn dit voor leelijke beeldekens!" riep zij. "Men walgt van ze te zien; voor geen geld wilde ik er zoo een in mijn kerkboek!... Ik zal ze toch wel aan zuster Ursula toonen."

"Zijn ze niet goed, zuster?" vroeg de bange moeder.

"Foei, 't is schande zulke dingen te schilderen," was het antwoord, dat zij kreeg.—En hiermede kon zij vertrekken.

Het hart verpletterd en de ziel vol droefheid, keerde de moeder naar haren zoon. Zou zij hem dit zeggen en hem terug in zijne doodende wanhoop dompelen? Maar kon zij hare tranen wederhouden en hare gelaatstrekken en zuchten genoeg bedwingen, om niet te verraden, wat loon zij bekomen had?

Zij bedroefde zich nochtans ten onrechte over de harde woorden der non; want die hadden eene andere oorzaak dan die, welke moeder Massys er aan toekende. Om dit te verstaan, moet men weten, dat de printen, die door Quinten geschilderd waren, allerlei melaatschen, gebrekkelijke en pestzieke menschen voorstelden; de jonge smid had deze zoo natuurlijk geschilderd, misschien door overmaat van gevoel nog overdreven, dat de non, die afgrijselijke vertooningen ziende en door de waarheid er van geraakt, zich eene walg gevoeld had en daarom riep: "foei, foei, het is schande!"

De moeder, die reden niet kennende, had verstaan, dat de wijze, waarop de printen geschilderd waren, voor leelijk en slecht door de non beoordeeld was geworden.

Zij was even binnen de deur harer woning, wanneer haar zoon haar reeds toeriep:

"Welnu, moeder, wat zegt men er van?"

De bedrukte moeder, viel weenend in de armen van haren zoon en kon, uit overgroote droefheid, geen enkel woord spreken; tusschen hare tranen streelde zij met dolle drift haren armen Quinten, die zijn hoofd op de borst zijner moeder had verborgen. Hoe grooter, hoe ondraaglijker de rampen dezer ongelukkigen waren, hoe levendiger hunne liefde scheen te worden. Indien hunne doffe zuchten niet hadden getoond, wat pijn hen folterde, zou men licht gedacht hebben, dat blijdschap hen vervoerde; want zij gaven elkaar de hevigste blijken eener vurige teederheid. Een innig gevoel van martelpijn dreef hen om elkander onderling aldus te troosten; want zij verstonden beiden de uitgestrektheid hunner bittere ellende.

Eindelijk zuchtte Quinten:

"Moeder, lieve moeder, wat nu gedaan? In alles bedrogen, van allen verstooten, o God!"

"Mijn kind," riep de moeder wanhopig en met verdwaaldheid uit, "mijn dierbaar kind! ik heb u met mijne melk gevoed, ik heb altijd voor u als eene slavin gewerkt, toen gij nog jong waart.—Gij hebt mij ook bemind en als een goed zoon en door uw dagelijksch arbeidszweet voor uwe moeder gezorgd. Welaan, Quinten, indien het dan toch zijn moet,—indien wij sterven moeten, en dat de ziekte u, en de honger mij in het graf sleepen moeten ... o, dan blijft er ons toch nog eene zalige zekerheid over:—wij sterven samen!"

Eene lange omhelzing volgde op deze woorden; men hoorde niets meer in de kamer, dan alleenlijk de hijgingen van twee met smart overladene boezems en soms nog eene stille stem, die suisde:

"Moeder, o, lieve moeder."

Reeds hadden zij ruimen tijd, stilzwijgend en weenend, elkaar in de armen gedrukt; want in hunne oneindige treurnis waren zij door liefde tot elkaar als verengeld en hadden wellicht deze wereld gansch vergeten,—toen zij eensklaps aan de deur eene stem hoorden, die vroeg:

"Waar woont de smid Quinten Massys?"

De oude vrouw droogde met haast de tranen van haar aangezicht en wilde de deur gaan openen; doch reeds eer zij deze bereikt had, drongen vier personen te gelijk in de kamer.

De twee eersten, die er binnentraden, waren de vrouw Abdisse van het klooster ter Zieken en een geestelijk persoon, welke haar vergezelde. Achter hen kwamen zuster Ursula en eene andere non, een groot boek onder den arm dragende. Al deze personen stuurden met verwondering het oog naar Quinten, die zijn penseel had neergelegd en beschaamd en bang op een bitter vonnis wachtte.

De Abdisse, wat dichter bij hem naderende en hem zijne eerste printen toonende, vroeg met eene stem, die van veel welwillendheid getuigde:

"Zijt gij het, jongeling, die deze printen geschildert hebt?"

"Ja, vrouw Abdisse," antwoordde Quinten met een bang hart, "maar ik hoop, indien ik uwe gunste mocht verwerven, dat ik mettertijd meer bekwaamheid krijgen zou. Vergeef mij, eerwaarde Vrouwe, dat ik deze bedorven heb. O, vergeef mij, in den naam mijner ongelukkige moeder!"


"Bedorven?" riep de Abdisse met verbaasdheid, "gij zijt wel ootmoedig, jongeling. Ik ben gekomen om u te zeggen, dat niemand ooit schooner beeldekens gezien heeft dan die, welke gij geschildert hebt!"

Deze woorden waren als een donderslag voor den verstomden Quinten; eene kleur als doodsverf verbleekte nog zijn aangezicht, en zijne leden beefden, alsof hij door eene schielijke kwaal ware getroffen geweest. Terwijl die ontroering hem schokte, stak hij zijne armen naar zijne moeder uit en riep:

"O, moeder! lieve moeder!"

De blijde vrouw verstond hem; zij wierp zich vooruit en viel hijgend tegen de borst van haren zoon.

Bij dit treffend tooneel van liefde en vreugd gevoelden de vier personen, die het aanschouwden, zich zoo diep geraakt, dat hunne oogen zich met glinsterend vocht vervulden.

"Quinten Massys," riep de Abdisse, "zoudt gij iets voor mij willen doen?"

Op het hooren van de stem der Abdisse had de moeder haren zoon uit de nauwe omhelzing losgelaten; doch zij hield eene zijner handen vast en bleef bij hem staan. Quinten antwoordde in verrukking:

"Spreek, mevrouw, ik ben uw gehoorzame dienaar."

De Abdisse nam het boek uit de handen der non, en het aan den jongeling toonende, vroeg zij hem, of hij de printen der Passie onzes Heeren, welke er in stonden, voor haar wilde schilderen. Quinten gaf voor, dat hij dit niet durfde ondernemen, uit vrees van het kostelijk missaal te bederven; doch de loftuigingen, die hem door de Abdisse en den geestelijke toegestuurd werden, gaven hem ten laatste moed genoeg om dit groote werk te aanvaarden.

Zoohaast zij de belofte hadden verkregen, maakten de vier personen zich bereid om te vertrekken; doch zuster Ursula naderde eerst bij Quinten en suisde hem in het oor:

"Ga maar voort, jongen. De Abdisse is over uw werk ten hoogste voldaan,—zij kan er niet van zwijgen."

En met zachtere stem voegde zij er bij:

"Uwe moeder zal nu nooit meer gebrek lijden. Heb maar goeden moed!"

Dit laatste gezegde gaf aan Quinten meer zalige ontroering dan men kan begrijpen; hij stuurde eenen dankbaren blik tot zuster Ursula en zuchtte:

"Voor u,—voor u zal ik altijd bidden,—en mijne moeder ook!"

Toen de Abdisse met haar gevolg vertrokken was, keerde de gelukkige vrouw zich tot haren zoon en wierp twee goudguldens op zijn schilderbord, roepende:

"Zie, Quinten, dit heeft de Abdisse mij voor uw werk gegeven! Wij zijn rijk, mijn kind, oneindig rijk! Nu ga ik meteen uit, om alles te halen, dat u in uwe ziekte ontbroken heeft!... En gij zult genezen, mijn lieve Quinten! Al onze pijn is uit; nu zullen wij weer vroolijk leven!"

"Heb ik het u niet gezegd, dat een zoon, die voor zijne moeder arbeidt, geen gewoon werkman is? O, ja, het lijden, dat ik bij het zien van uwen nood moest uitstaan, heeft mij tot schilder gemaakt. Het is God zelf, die daarom mijne zwakke hand bestierde!".


Quinten schilderde tamelijk lang aan het boek der Abdisse; maar toen het werk voltooid was, kon men er reeds wonderlijken voortgang in bespeuren, waarom hem ook eene milde belooning geschonken werd. Hij kreeg dan ander werk van dien aard, dat hij ter voldoening van iedereen afmaakte.—Eindelijk verveelde het hem, op gedrukte printen te schilderen; hij begon zelf zijne beelden aan te leggen, en, alhoewel hem dit moeilijker viel, overwon hij in korten tijd al de hinderpalen, welke de kunst hem aanbood.

Nog tien maanden bleef hij zwak en krank en kon niet verre buiten huis gaan; maar dien tijd nam hij zoo wel waar om alles aan te leeren, wat hem door de milde natuur niet geschonken was, dat hij, voor de eerste maal uitgaande, overal reeds als een befaamd schilder werd begroet.

Het geld ontbrak hem nu niet meer; hij ging met zijne oude moeder een goed burgerhuis bewonen en bezorgde haar met dezelfde liefde, totdat zij, haren zoon den roem zijns vaderlands ziende, welgemoed en met zaligen vrede in zijne armen het leven ontging.


DE ENGEL DES GOEDS EN DE GEEST DES KWAADS


I

MIJMERING



(Een broeder geleidt zijne zieke zuster in den hof tot bij eene zitbank)

DE BROEDER.—Mijn arm zusterken, zit daar neder. Ik zal een donzen kussen achter dijnen[1] rug leggen;—laat dijn hoofdeken ter zijde rusten, dat de balsemende zuiderwind op dijne wangen zich kome verlustigen. Zie, hoe alles dij in dit oord bemint: de bloemen keeren hunne kelken naar dijn aangezicht, de vogelen heffen hunne schoonste liederen aan....

Daar, aan dijnen voet, vertraagt het glinsterend beekje zijnen gang en murmelt zachter; ginds omhult de avondzonne de velden in prachtigen purpergloed ... o, voels du niet, hoe de aangelokte zefier in dijne blonde haren en rond dijnen ranken hals dartelt en speelt?

DE ZUSTER, zittende.—Broeder, de natuur is schoon, niet waar? Alles lacht en juicht om ons heen, alles is genot en vreugde op aarde! Waarom spreekt onze moeder mij dan immer van een schooner en gelukkiger vaderland? En waarom blinken er tranen in haar oog, als zij zegt, dat een beter oord mij wacht?

DE BROEDER.—Lieve Rosa, indien de tranen des menschen als edele gesteenten met verschillende kleuren glinsterden, zouds du uit moeders oogen witte en zwarte waterparelen zien vallen. Zij betreurt dijne vroege opvaart naar het hooge vaderland, doch verblijdt zich, dat de Heer de kroon der reine zielen dij geschonken hebbe.

DE ZUSTER.—Zal ik haast vertrekken, broeder?

DE BROEDER.—God alleen weet het, Rosa.

DE ZUSTER, mijmerend.—Daar vliegt een vogel zoo driftig voorbij! Hij heeft een wormken gevangen om zijn kroost te spijzen. Hoor, hoe vroolijk ontvangt hem zijn schaterend huisgezin.... Als zijne jonkskens zullen zingen, zal ik in het hooge vaderland zijn, niet waar, broeder?

DE BROEDER, met vochtige oogen.—O, zuster, spreek zoo niet! Komt de Engel vroeger, du zals met hem gaan.

DE ZUSTER.—Broeder, de rozestruiken beloven nog zoovele bloemen.... Zal ik vertrokken zijn, eer de lieve knopjes ontluiken?

DE BROEDER.—Rosa, laat toch die droeve mijmering dijne ziele niet overnevelen. Geniet in vrede de giften Gods. Neem deze roze, zij is dijn beeld en draagt dijnen naam; haar geurrijk hart verkwikke dijnen geest.

DE ZUSTER, de bloem aanschouwende.—Arme roze, waarom dij zoo vroeg van dijnen stengel gerukt!... Broeder, wat zal nu het lot der bloeme zijn?

DE BROEDER.—Zij zal verwelken en sterven, Rosa.

DE ZUSTER.—Sterven, sterven! Dit woord doet mij beven.... Sterven moet ik insgelijks, eer ik opvare naar het hooge vaderland!

DE BROEDER.—De dood, o zuster! moge den booze schrikkelijk zijn, dij zal hij lachend en minnelijk schijnen.

DE ZUSTER.—En nochtans, ik voel mijne borst door angst beklemd. Wat zal er toch geschieden in het gevreesd en onbegrijpelijk oogenblik?

DE BROEDER.—Zuster, du zals eenen engel aan dijne rechterzijde zien verschijnen; hij zal dij omringen met lichtstralen, zal dij omsluiten in zijne armen, zijne gulden vlerken uitslaan, en met dijne ziele juichend opstijgen tot God, die dij eene schoone plaatse in zijnen hemel heeft voorbereid.

DE ZUSTER, na lang stilzwijgen.—Broeder, ik voel mijne oogen verzwaren; onder de koesterende zonnestralen wilde ik slapen: het zou mij verkwikken.

DE BROEDER.—Leg dijn hoofd op het kussen, Rosa; ik zal blijven waken bij dijnen zoeten slaap.

DE ZUSTER.—Niet zóó, broeder.... het kussen aan de rechterzijde. Dáár moet immers des Heeren engel staan?—Zies du niets gelijk eene zilveren lichtwolk nevens mij? De engel is reeds dáár misschien?

DE BROEDER.—Neen, neen, zuster, heden zal hij nog niet komen. Verjaag die bedrieglijke droomen en leg dij stillekens met dijn vermoeid hoofd ter ruste.

DE ZUSTER; zij legt het hoofd op het kussen en ontbladert gedachteloos de bloem op hare hand.—Ontwaak mij, broeder, als ik te lang mocht slapen.

DE BROEDER; hij zit neder voor zijne zuster en weent.—Twee bloemen, die verwelken!—Arme roze, daar liggen nu dijne roode bladeren als bloedvlekken op de sneeuw harer handen gestort. (De zuster beweegt hare hand; de rozebladeren vallen in het stroomend beekje.) O, lief zusterken! Zij schetst haar smartend beeld zoo juist!—Hare zestien jaren zijn voorbijgevloden op de zachte vlerken der moederliefde en der vriendschap; zij heeft ze als deze bladeren gul en blijde zien blinken en verdwijnen; maar nu,—kranslooze bloem op gebroken stengel,—nu heeft zij geen enkel blaadje meer om het den levensstroome te schenken. Haar hoofd nijgt loodzwaar ten grave, hare ziel maakt zich los van het kranke lichaam, en misschien staat waarlijk reeds de engel aan hare zijde.... Wat mag toch die ziekte zijn? Zou de Heer uit der maagdenrei zich de zuiverste kiezen, om des hemels zangkoor te vermeerderen? Zou de onbegrijpelijke ziekte der maagden eene voorbereiding tot de verzaliging zijn? Mijne zuster zal dus met de engelen zingen voor des Heeren troon.... (Hij buigt het hoofd en zwijgt.)


VOETNOTEN:

[1] Oudtijds, in plaats van gij, u en uw, schreef men in het enkelvoud du, dij, dijn. Het is te bejammeren dat deze schrijfwijze is verloren gegaan, daar wij met gij, u en uw onze denkbeelden niet juist kunnen uitdrukken. Nog dient er opgemerkt te worden, dat in den tweeden persoon enkelvoud men altijd eene s zet achter het werkwoord, zoodat men schreef du habs, du wils, voor ons hedendaags gij hebt, gij wilt.

Vele Nederduitsche schrijvers, en hieronder de opsteller dezer mijmering, hebben zich verstaan om den tweeden persoon enkelvoud langzaam in de schrifttaal herin te voeren. Onze taal zal er in zoetheid en levendigheid bij winnen, zooals men genoeg uit onderhavig stuk zelf zal kunnen opmerken.

Ziehier hoe deze woorden verbogen worden:



  M. V. O.
1. dijn, dijne, dijn,
2. dijnen, dijne, dijn,
1. van dijnen, van dijne, van dijn,
  of dijns, of dijner, of dijns,
  aan dijnen, aan dijne, aan dijn,
  of dijnen, dijne, dijn,
  X of dijner, of dijnen.
1. naamval du,  
  " dij,  
  " dij, van, aan dij.  

II


DE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJE


DE ENGEL.—Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?

DE DUIVEL.—Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging.

DE ENGEL.—Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?

DE DUIVEL.—Is zij geene dochter Eva's?

DE ENGEL.—Zij is het.

DE DUIVEL.—Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland geschonken.—En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij deze ziele!

DE ENGEL.—Zij is rein, du kans ze niet raken.

DE DUIVEL.—Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? (Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond de maagd; vogelen zingen op het geboomte.)

DE ENGEL, met droefheid en stil.—O, du almachtige, verleen aan mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het verlies betreuren van het zoete maagdelijn!


III


DE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE.


HET MEISJE; zij ontwaakt met eenen glimlach.—O, God, wat is dit? Genezen! Wat zoete begoocheling!

Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig; warm bloed stroomt mij door de aderen.—Waar ben ik toch? Alles is hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (De duivel vaart in eene roze.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!

DE ROZE, waaruit de duivel spreekt.—Zuster, ik kom en rust op dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als de jongste morgenstraal!

HET MEISJE.—Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?

DE ROOS.—Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du! Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer verlate!

HET MEISJE: zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst.—Blijf op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen boezem!.... Roze, dijne doornen wonden mij! (Zij werpt de bloem weg.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (De duivel verbergt zich in het beekje.)

HET BEEKJE, waaruit de duivel spreekt.—O, du allerschoonste maagd, bekoorlijke Rosa!

HET MEISJE.—Wie sprak mijnen naam?

HET BEEKJE.—Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.

HET MEISJE; zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld in den gladden waterspiegel.—Hoe rozevervig zijn heden mijne wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch niet blanker dan mijn voorhoofd..... (De duivel komt uit het beekje.)

DE DUIVEL, spottende tot den engel.—Ha, ha, engel des lichts, du begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal? Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen gemoed,—ijdelheid en liefde? Één sleutel heeft reeds den boezem der maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in hsar hart!

DE ENGEL.—Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.

DE DUIVEL, met woede.—Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;—ja, daar verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht.... Let op, ik ga dij werks leveren! (Hij keert terug in het beekje.)

HET MEISJE, in de beek ziende.—Lief beekje, heeft dijn zilveren plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?

HET BEEKJE.—Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne boorden,—voor haar knielden,—om eenen blik harer oogen smeekten en voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"—En toch, engellijke Rosa, bezat zij noch dijn berooverend gelaat, noch dijn rank lichaam; nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie! (Zij verlaat het beekje.)

HET MEISJE; zij blijft lang in mijmering verzonken.—De schoonste zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!.... Maar, wat zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne krankheid;—zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk....

DE ENGEL, met diepe droefheid.—Rosa, hebs du gansch dijnen goeden vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?

HET MEISJE.—Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne stem nu zoo treurig?

DE ENGEL.—Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden.

HET MEISJE.—Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?

DE ENGEL.—Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.

HET MEISJE.—Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?

DE DUIVEL.—Ha, ha, wel gezegd!

DE ENGEL.—Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en snelle voeten,—den zwane den ranken hals,—den pauwe het gulden vederkleed,—der duive de zoete oogen,—den nachtegale het bekorend lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?

HET MEISJE.—Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de lichaamsschoonheid, door God mij verleend.

DE DUIVEL, tot den engel schertsend.—Engel des lichts, eindig toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren?

DE ENGEL, tot het meisje.—Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.

HET MEISJE.—O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal; anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch mij ontbreekt de macht.

DE ENGEL, tot den duivel.—Achteruit, du verleider, dijn looze strik gaat breken! (Tot het meisje.) Rosa, du hebs een gelaat, een lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd; maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden, rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts ééne dezer twee schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds du kiezen?

HET MEISJE.—O, ik behielde immer de zieleschoonheid.

DE ENGEL.—Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne lichtkroon in den hemel blinken!

DE DUIVEL.—Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts; maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke liefde.


IV


DE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.


HET MEISJE.—O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt den goeden God zelven,—het lichaam alleen den mensche.... (Er komen twee tortelduiven op een wilgetak zitten.) Gij, lieve tortelkens, ik wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins.

DE DUIVEL, tot de duivinne.—Tot wanneer, o wreede, zals du ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van steen?

DE DUIVINNE.—Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du goede, trouwe vriend en beschermer.

DE DUIVEL.—Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; een ander vuur verteert mijn ingewand. (De duiven vliegen weg.)

H*

HET MEISJE.—Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik begreep hem niet;—hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,—en dan is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....

DE ENGEL, tot den duivel.—Mislukt is dijn aanslag op het spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!

DE DUIVEL.—Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien! (Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan.)

HET MEISJE; zij ziet eenen jongeling naderen.—Wie komt daar? O, hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk!

DE DUIVEL, in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat.—Rosa, hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?

HET MEISJE.—O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft gedeeld.—Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine gezellinne niet vergeten?

DE DUIVEL.—Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.

HET MEISJE.—Waarom toch?

DE DUIVEL.—Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden met mij, of ik sterf? (Hij vat hare handen driftig in de zijne.)

HET MEISJE, verschrikt.—Los, los! dijne handen branden als vuur, dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen zielevrede.

DE DUIVEL.—Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O erbarmen, erbarmen! (Hij knielt voor haar.)

HET MEISJE, medelijdend.—Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten verlichten, ik deed het gaarne.

DE DUIVEL.—Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat du niemand boven mij bemins.

HET MEISJE.—Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.

DE DUIVEL.—Het zij zoo, bemin dijne moeder.

HET MEISJE.—Ik heb eenen broeder.

DE DUIVEL.—Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils zijn, dat du niets anders boven mij bemins.

HET MEISJE.—En zoo ik het zegge, Lodewijk?

DE DUIVEL.—O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne liefde!

DE ENGEL.—Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen God?

HET MEISJE.—O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme vriend; zou ik hem niet troosten?

DE DUIVEL.—Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken.

HET MEISJE.—Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te vergrammen.

DE DUIVEL.—O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!

DE ENGEL.—Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!

HET MEISJE.—Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?

DE ENGEL, haastig.—Rosa, beslis over dijn lot; daar vóór u ligt een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.—In den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen voor dijne zaligheid heeft vergoten....

De DUIVEL.—O medelijden, medelijden met mij!

HET MEISJE.—Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!

DE ENGEL, met wanhoop.—Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie mijne vlietende tranen! Dáár, daar is de dood.... Haastig, spreek dijn vonnis of dijne verzaliging.—Behoors du den jongeling en der wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele. Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen jongeling? Spreek!

DE DUIVEL.—Ja, Rosa, spreek.

HET MEISJE.—Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....

DE ENGEL.—Eilaas, zij valt.

DE DUIVEL.—Zege, zege, mij de ziele!

HET MEISJE.—En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne liefde en mijne ziele eeuwig aan God!

DE ENGEL.—Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in den hooge!

DE DUIVEL, in zijne echte gedaante.—Doemenis, doemenis, zij heeft overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil.... Gevloekt, du engel des lichts! (Hij vliegt heen in de ruimte.)


V


DE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER


(De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en staat op.)

DE ENGEL.—Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn hoofdeken in mijnen arm.

HET MEISJE, zij ontwaakt als uit eenen droom.—Broeder, broeder!

DE BROEDER.—Wat verlangs du, Rosa?

HET MEISJE.—Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor dij, en eenen voor moeder.

DE BROEDER.—O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?

HET MEISJE.—Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!

DE BROEDER.—Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.

DE ZUSTER.—Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon. Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,—ik stijg op met hem langs de baan des lichts!

DE BROEDER.—Dood!


DE NIEUWE NIOBE


VERHAAL

Wat onder Godes hand niet buygen
wil, dat breekt.    J. CATS.

Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien spelenden geest, dien de Franschen esprit noemen, had zij zich, volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen, zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame, en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar overkomen ware.

Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede zedelessen bevatte. Las zij er in?—Misschien wel; doch wie haar zag en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette de oogen gansch te openen.—Alles in die plaats gaf getuigenis van den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige en verleidende verf te geven.

Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit; want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak voorstellen.... Ja, het was wel zoo:—die fijne kinderwezens, dit helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,—die blonde haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet gezengd,—die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste bloemen der Lente!

En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot de wereld.

Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen, zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich en sprak:

"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb ze altijd afgewezen;—zij schijnt eene gemeene burgerin."

"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik ben onzichtbaar voor zulke lieden. Maar indien Eugène De Valenge komt, laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge Franschman, die mij gisteren van het concert naar huis geleidde?"

De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:

"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken."

Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:

"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is haar naam?"

"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."

Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger vooruit en antwoordde met gramschap:

"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat ik niet te huis ben. Ga!"

Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken, of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,—een gerucht als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.—Eene nog jonge vrouw sprong er binnen en viel op hare knieën voor de voeten van mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte, misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:

"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt gij?"

De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend:

"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp op hare knieën afbidt...."

De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde zij met eene gemaakte koelheid:

"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort mogelijk."

Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan: want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:

"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn. Maar heb nu toch eens medelijden met ons,—o, red ons van schande en armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam zegenen als dien van eenen engel!"

Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en deed ze twee-of driemaal klinken.

"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen, "men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!"

En zich tot de weenende vrouw wendende:

"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"

Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij weerhield zich en sprak met haastige woorden:

"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood, nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd. Vóór maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht, overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene andere moeder ongetroost laten weggaan?"

Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos.

"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid.

"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende en schaamte zult hebben gered."

Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:

"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Dáár is de deur!"

De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte, ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd:

"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom, dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel, hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?"

Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem:

"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?"

"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?—En hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen vóór den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde, en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt, edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken, en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."

Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende bedreigingen:

"Wat gestolen?—Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis, dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen."

"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon, dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet. En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin, door laag bedrog, in ellende te dompelen...."

Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op hetgeen de jonge vrouw zeide:

"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde, uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."

Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak met klaardere stem:

"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de hersens;—en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen. Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet bij uw verstand...."

"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt, kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!—Maar gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou, zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen.... Bemint gij ze dan niet?—Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:

"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij."

"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster, zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"

De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:

"Welke plaag? Welke plaag?"

"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...."

Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij:

"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze lamentatiën moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te spreken, want de deur blijft voor u gesloten."

"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende. "Vaarwel!"

Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken één voor één terug in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:

"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?"

"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen, wat ongeluk ons nadert."

"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in.

"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,—en dezen morgen zeide hij mij nog goeden dag!"

Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep:

"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij! Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!"

"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;—ik zal ze gaan halen. Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn er éénen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn gevlucht."

Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte daaruit nog eenigen moed.

De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt, dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar beven.

"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij.

"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in mijn lijf."

Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen.

"O, Pieter," huilde zij, "Eugène heeft de cholera. Gauw, loop om dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,—ik zal uwe moeite niet onbeloond laten!"

De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar hare kinderen....

Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare borst opsteeg! Dáár lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk.

Ho!—hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was, bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen besproeide,—hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het vervolgde, wilde ontvluchten;—en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen onfeilbaar schild tegen den dood.—Het kind werd koud op de borst dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef; zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem, die klonk als bevend glas:

"Drinken, drinken! ik heb dorst!"

De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug.

In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij haar hoofd en sprak knielend....

"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."

Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen. Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en schreiden met hartverscheurend snikken.

Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;—doch hij, die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee blinkende tranen uit zijne oogen.

"Rampzaligen!" zuchtte hij.


Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.
Daar lag haar zoon op den rug uitgestrekt.

Op den klank dezer stem ontwaakte mevrouw Van Valburg; zij vloog op van den grond, en tot den geneesheer loopende, viel zij voor hem op de knieën, hief de handen tot hem, en riep tusschen eenen vloed van tranen:

"O, heer Schippers, heb medelijden met mij! Red mijne kinderen om Gods wil, red ze van den dood! Zie, ik kruip voor u,—ik kus het stof uwer voeten als eene slavin! Zult gij mijne kinderen redden?"

De geneesheer hief haar haastig van den grond op, en in zijne ontroering bracht hij zijnen arm om haren hals, alsof hij haar een teeken van liefde wilde geven, maar hij was door hevig medelijden buiten zich zelven. Hij bleef een oogenblik stilzwijgend in hare oogen staren, doch herriep weldra zijnen moed,—en tot de lijdende kinderen gaande, sprak hij:

"Ongelukkige moeder! Gij brengt tranen in mijne oogen, terwijl ik hier al mijne kalmte noodig heb. Wees bedaard, het kwaad is misschien niet zoo erg, als gij het u inbeeldt. Gevaarlijk is deze ziekte, maar niet altijd doodelijk; en hoezeer de toestand uwer beide kinderen ook schrikkelijk zij, blijft mij niettemin nog eenige hoop over."

De knecht kwam op dit oogenblik met nog eenen geneesheer in de zaal. De heer Schippers hernam:

"Pieter, leid uwe meesteresse met hare vier gezonde kinderen in een vertrek, dat aan den anderen kant des huizes gelegen zij. Mevrouw, die maatregel is noodig. Ga, en geef u niet te veel aan uwe droefheid over; zij kan een schadelijken invloed op uwe kinderen hebben."

Zooals de knecht het bevel van den geneesheer wilde uitvoeren en aan zijne meesteresse zeide, dat hij bereid was om haar te vergezellen, liep zij nog eens naar hare kranke kinderen, kuste ze nog eens huilend en riep met verpletterd wee:

"Eugène! Virginia! vaartwel voor eeuwig.... O, God! ik zal u nooit meer zien...."

Zij waggelde op hare beenen en ging ten gronde storten; maar de knecht ontving haar in zijne armen en bracht ze met hare vier kinderen in eene afgelegene kamer. Hier viel zij als zonder gevoel in eenen leunstoel, liet het hoofd slap op de borst hangen, en verroede zich niet meer dan om van tijd tot tijd met de handen eens te tasten, of hare kinderen nog omtrent haar waren.

De knecht had haar verlaten om de geneesheeren te gaan helpen; doch na eenige oogenblikken werd hij door hen teruggezonden naar de kamer, waar mevrouw Van Valburg zich bevond. Hij kwam dan zachtjes omtrent zijne meesteresse en nam het oudste meisje, dat reeds teekens van ziekte gegeven had, van haar weg. Hij ging op de punten zijner voeten als een dief, en deed alle moeite, om niet door de moeder gemerkt te worden;—maar dit was te vergeefsch. Zij opende de oogen met eenen grievenden schreeuw, wierp zich vooruit naar den knecht en rukte hem het kind uit de armen.

"Clotilde!" riep zij, op haar kind met dwaasheid blikkende, "mijne Clotilde, gij, mijn allerliefste telg,—gij, die den naam uwer moeder draagt ... gij zoudt sterven! Ik zou u overleveren in de handen des doods!"

Maar zij gevoelde tegen hare borst de krampachtige trekken der leden van het kind en zag, hoe diep hare oogen reeds in den schedel gezonken waren.

"Clotilde!" zuchtte zij in de uiterste moedeloosheid, "bezie uwe moeder nog eens, mijn arm kind;—gij ook verlaat mij, gij, mijn evenbeeld! Het zij dan zoo! Daar, Pieter, daar is mijn kostelijkste schat.... Vaarwel, vaarwel!"

En zij liep naar den stoel, in welken zij zich als een steen en deerlijk huilend vallen liet.—Na eenigen tijd met starende oogen, misschien in zwijm daar gelegen te hebben, kwam er meer leven in haar, en het was merkbaar, dat schokkende gedachten beurtelings in haren geest opstegen. Eensklaps wierp zij zich op de knieën, met de handen tot God. Het brandend gebed, dat zij den hemel toezond, was onvatbaar; de woorden vergiffenis, genade, hoovaardigheid, zonde lieten alleen met eenige klem zich tusschen hare verzuchtingen hooren. Zij geleek in dien stond de boetende Maria Magdalena, en stortte bloedtranen over haren ganschen levensloop. Dit gebed, die biecht tot God, duurde lang; dan eindelijk stond zij op met niet min hartpijn, doch met een weinig meer kalmte, en riep met luider stemme den knecht, die onmiddellijk verscheen.

"Pieter," vroeg zij, "hoe gaat het met Eugène, met Virginia, met Clotilde? Ho! spreek, mijn vriend, verberg mij de waarheid niet...."

De knecht borst in tranen los; doch antwoordde niet op hare vraag.

"Genoeg! genoeg!" hernam zij met holle stem, "ik versta uwe smart. God wil het! Ik heb sedert weinig tijd geleerd, mij aan Zijnen almachtigen wil te onderwerpen. Kon ik door deze onderwerping Zijne genade, Zijne barmhartigheid winnen! Maar, eilaas, ik voel het wel, de beproeving is nog niet gedaan.—Pieter, mijn vriend, ik verzoek u, dat gij u spoedig naar mijnen zaakwaarnemer begevet: zeg hem, dat hij heden nog den wissel betale van mijnheer Soeteveld, die gevangen zit. Neem ook deze beurs; zij bevat eenige goudstukken. Draag ze tot vrouw Soeteveld, mijne schoonzuster, dezelfde, die hier dezen morgen was, en bid haar, dat zij onmiddellijk gelieve bij mij te komen. Verhaal haar mijn ongeluk en mijn lijden; zij zal niet weigeren. Nu ken ik ze!"

De knecht nam de beurs en verliet haar. Zij, door het gebed merkelijk verlicht, ging tot hare drie overblijvende kinderen en bezag ze beurtelings met gespannen aandacht. Geene verandering op hun gelaat bemerkende, begon zij hen te zoenen en te streelen met eene uitdrukking, die nog genoeg verdwaaldheid verried; want men zou gezegd hebben, dat eene dwaze vreugde op eenmaal de droefheid in haar hart vervangen had.—Maar die blijdschap moest van korten duur zijn. Terwijl zij, in de leunstoel neergezeten, met moederlijken wellust op hare overblijvende kinderen staarde, was de nijdige cholera reeds bezig met zijnen gloed in hunne lichamen te ontsteken. Plotseling viel de jonge Frederik als een looden beeld achterover op den grond, en spartelde met ijselijke grimmingen en met eene ratelende ademing; zijne voetjes sloegen als hamers op den vloer, en al zijne leden kromden onder de trekkingen der akeligste krampen.

U zeggen, hoe het hart der moeder zich scheurde bij dit gezicht, ware onmogelijk; zelfs zou het niet te begrijpen zijn, hoe eene vrouw zonder sterven die onophoudende zielsfolteringen kon doorstaan, indien men niet wist, dat kort opeenvolgende schokken de veerkracht van het zenuwstel verminderen. Dan, mevrouw Van Valburg zag gedurende eenige stonden haar kind voor zich op den grond rollen en met de nagelen het vleesch zijner handen scheuren; zij blikte als in eenen steen veranderd op dit afschuwelijk tooneel, totdat zij eindelijk opsprong, en het kind vattende, er mede naar de zaal liep, waarin de geneesheeren zich bevonden.

Hier ontvloog haar eerst een gil ... en zij stortte machteloos met haar kind op het tapijt.—Arme moeder! Zij had met een vluchtigen blik haren Eugène en hare Virginia gelijkt zien liggen.

Toen zij langen tijd daarna ontwaakte, bevond zij zich in de zaal en in den stoel, dien zij verlaten had. Eene jonge vrouw hield een harer handen en was met teedere zorg bezig, haar tot het leven terug te roepen. Mevrouw Van Valburg zond hare oogen dwalend rond het vertrek, en scheen hare herinneringen bijeen te rapen; hare twee kinderen bij zich ziende, sprak zij tot de jonge vrouw met altijd groeiende kracht:

"Carolina, ik was plichtig aan wreedheid en onrechtvaardigheid jegens u. Uwe woorden zijn als eene voorzegging geweest;—gij ziet het, ik ben rampzalig en verlaten. De Heer heeft mij bezocht en geslagen in alles, wat mij dierbaar is. Ik hoop nochtans, dat Hij mij niet alleen op de wereld zal laten; misschien zal Hij in zijne goedheid mij het leven van een mijner kinderen schenken; maar daartoe heb ik uwe vergiffenis noodig. O, zuster, de blinddoek is mij ontvallen! Zeg mij, vergeeft gij mijne misdaden?"

De jonge vrouw smolt weg in medelijdende tranen en zuchtte:

"O, mevrouw, ik heb God voor u gebeden! Mijne vergiffenis is u lang vergund. Ik versta uwe smart en uw lijden, want ik ben ook moeder, en bemin de kinderen mijns broeders als mijn eigen kroost. Ho, ik wil u niet verlaten, vóórdat wij eenigen uwer kinderen gered hebben; wij zullen te zamen weenen en bidden, en misschien zal de Almogende zijne barmhartigheid over ons laten dalen. Ja, ik voel het, gij zult nog moeder zijn, en u verblijden in den lach dergenen, voor wier leven gij vreest."

"O, Carolina, zeidet gij eene tweede maal de waarheid! Ziet gij niet, hoe bleek mijne Regina reeds is? Maar luister op mijne woorden en onderbreek mij niet.—Ik heb niet eerlijk met u gehandeld, Carolina. Het is waar, ik heb u de erfenis van uwen oom ontroofd: het is waar, ik was eene wulpsche, hoovaardige en wreede vrouw.... De opgeblazenheid had mij blind gemaakt, maar het ongeluk scheurt den sluier met onweerstaanbare kracht: ik ben niet meer, die ik geweest ben, en heden zou het mij eene blijdschap zijn, dat gij mij den naam van zuster gulhartig wildet schenken. Ik versta nu ook de macht van God en den troost van het gebed; maar dit alles is niet voldoende tot mijne verzoening met Hem, die mij straft. Hoor, ik kan u het ontroofde goed niet teruggeven, mits het op de hoofden mijner kinderen staat; maar ik zal ze opvoeden in de kennis van het onrechtvaardig bezit en hun de wedergaaf er van als een punt van hunnen godsdienst doen betrachten. Wat mij aangaat, ik zeg u, dat van heden af, de helft mijner inkomsten u toebehoort...."

"O, ik wil niet," riep de jonge vrouw.

"Ik zweer voor God," hernam mevrouw Van Valburg, "dat ik het deel, dat ik mij onrechtvaardig heb toegeëigend, niet meer aanraken zal! En ik bid u, Carolina, zuster, weiger het niet. Zult gij mijne smart door uwe verwerping verbitteren? Ho, indien ik niet op mijne knieën uwe toestemming afsmeek, is het, omdat ik zwak en tot lamheid toe afgemat ben. Zeg ja, Carolina, o, zeg het! Gij antwoordt niet?—Het kost te veel aan uw edelmoedig hart dit te aanvaarden? Welnu, ik vraag u geen woord,—slechts eenen kus van verzoening en vergiffenis,—en dat de Heer ons zie!"

De twee vrouwen strengelden hare armen om elkanders hoofden en bleven lang in dien kus versmolten.... Iets verhevens, iets hemelsch was er in die verzoening!


Eenige dagen daarna gingen er zeer langzaam twee vrouwen over de Schoenmarkt: eene harer was uitermate bleek en in den rouw gekleed; de andere scheen jonger en min droef. Een klein jongsken stapte tusschen beiden en hield van elk eene hand. De hoofdkerk ingegaan zijnde, drongen zij door tot achter het hoogaltaar, in de kapel van het heilig kruis. Hier deed de bleeke juffrouw het kind op de voetbank voor het kruisbeeld knielen, vouwde zijne handjes te zamen en sprak weemoedig:

"Bid God, Gustaafken ... voor de zieltjes van uwe broederkens en zusterkens, en dank Hem, dat Hij u bij uwe lieve moeder gelaten heeft."

Het kind gehoorzaamde plechtiglijk, boog zijn hoofd in eene godvruchtige houding en zuchtte met fijne, doch roerende stem:

"Onze Vader, die in de hemelen zijt, geheiligd zij Uw naam!"


WEETLUST EN GELOOF


ZINNEBEELD


Ik wandelde alleen met mijne ziel door de naakte velden.

De Winter met zijnen kouden adem had de natuur haar tooisel ontroofd; het geboomte was dor, de bladeren klaterden niet meer,—en alles bracht sombere gedachten in mijn hart op.

Terwijl ik naar het raadselwoord dezer natuurversterving zocht, vertraagden de jagingen mijns boezems onder koude gepeinzen.

Ik voelde, dat ik de rustende natuur gelijk werd; want somber nadenken verdoofde de levenskracht in mijn lichaam.

Het levend raadselwoord stond vóór mij!

Een grijsaard met gebogen rug zat weemoedig bij de baan, op den stam eens booms, door den storm ontworteld.

De wind joeg zijne zilverwitte lokken tegen zijn hoofd op; twee koude tranen rolden door de rimpels zijner wangen; de scherpe winterzon schoot hare schuinsche stralen op zijnen blinkenden schedel. Hij bracht zijne beenige en magere hand aan zijn ooglid, en, terwijl het smartwater op zijne wang droogde, wees hij met zijnen vochtigen vinger vooruit en sprak:

"Zoo naakt als de velden, zoo nevelig als de lucht, zoo dor als het geboomte, zoo koud als het ijs der slapende beek is ook mijn hart.

Want ik heb diep in mijne borst gewroet, en aan den geest, die mij verlevendigt, rekening zijner geheimste aandoeningen gevraagd.

En naar het raadselwoord van alles, naar het onbegrijpelijk grondbeginsel gezocht.

Dit onderzoek was eene godslastering; de straf, die er op volge, was zwaar om te dragen.

Bij ieder antwoord, dat de geest mij gaf, ontviel mij een deel mijner genietingskracht; bij elk gevonden raadselwoord verdroogde het troostend geloof en het steunend betrouwen in mijnen boezem.

Alles werd logen en bedrog in mijn oog: logen en valschheid, tot de dienst Gods zelf.

De bekoorlijke schimmen der jeugd ontgingen mij ontijdig;—mijne wenkbrauwen zonken over mijne oogen;—twee breede rimpels verwisselden elkander steeds op mijn voorhoofd, en koude en drukkende gepeinzen werden mijn aandeel.

Ik bereikte den Winter des levens, zonder de zachte schaduw des Zomers of de vruchten van den Herfst gezien te bebben."


Medelijden drong in mijnen boezem, en ik antwoordde met zachte stem:

"O, vader, indien de nevel des ouderdoms boven uw leven hangt, indien de aarde uw hoofd tot zich trekt.

Kunt gij dan uw treurend hart niet meer door heugenis van betere tijden troosten en voeden? Kan de hoop op een zalig en beter leven u niet verkwikken en ondersteunen,—dat gij weenend ten grave zinkt?"

"Kind!" hernam de grijsaard met eenen galbiteren glimlach, "gij kent des menschens leven niet!"

Eens was ik jong en vermogend, als gij nu zijt; rozen blonken op mijne wangen,—en alles lachte mij toe in de gulle natuur.

Mijn oog verstond hare tooverende kleuren en spelende gedaanten.

En dan bewonderde ik het werk des Scheppers; want dan geloofde ik.—Ik kon bidden en danken.

Maar de dagen der kindsheid gingen voorbij,—als het schitterend dwaallicht, dat bij eenen zoelen zomernacht zich blij en dansend verheft en uitdooft—om nimmer, nimmer weder zoo vroolijk te schijnen.

Ik geloofde alsdan, dat het leven altijd vreugde genoeg geven zou om het lijden te kunnen vergeten.

En blijde trad ik als een nieuweling in de groote wereld.

Mijne gulle hand drukte de hand van allen: ik dacht dat de liefde met de zielen der menschen geschapen was.

Dit geloofde ik, want rijkdom was mijn aandeel.

Eens kwam de armoede mij met hare magere armen omhelzen,—en ik riep mijne vrienden met vertrouwen te hulp. Dan zag ik dat er weinig liefde in 's menschen hart is.

Want zij verlieten mij allen en lachten spottend om mijne wanhoop.

Ik zag hen ieder een deel mijner have wegdragen.

Een eenige bleef bij mij. In ongeluk en rouw droogde hij het zilte water op mijne wangen.

En hij dronk met mij uit den galbeker des rampspoeds.

Ho!—op mijn hart en in mijn hart was zijn verblijf,—mijn boezem klopte zoo dankbaar tegen den zijnen!...

Maar de dood, de nijdige dood wierp hem eenen schicht in de borst;

En het gapend graf ontving zijn lichaam,—en de koude aarde bedekte den eenigen mensch, dien ik beminde op aarde....

En het was voor eeuwig!

Dan zocht ik het geluk in de min.

Rustig en arm leefde ik van het werk mijner handen,—en het arbeidszweet vloeide menigmaal brandend op mijn aanschijn.

Ik kreeg eene teedere vrouw en liefderijke kinderen.

En ik voelde in mijn hart het genoegen en de vreugde herleven.

Aan God dacht ik niet!

Maar dan ging er eene plaag, een schrikkelijke geesel door de wereld.—De zeise des doods liep over de aarde;

En al de hoofden, op welke ik mijne rust en vrede gebouwd had, werden geslagen.

Mijne vrouw, mijne zonen, mijne dochters kwamen beurtelings op mijnen boezem den geest geven. Ik heb hen allen daar op mijne knieën zien liggen en sterven in onuitsprekelijke lichaams en zielsfolteringen.

Toen de oogen mijns eerstgeborenen verdwaalden, en zijne ziel reeds tweemaal op zijne lippen was geweest,

Dan bad ik den Heer om genade;

Doch nu hoorde Hij mijne smeeking niet;—want eene afgrijselijke stuiptrekking wrong de leden mijns zoons te zamen, en dreef den geest, die hem bezielde, uit het zwakke lichaam.

Wanhopig lag ik tusschen hunne koude lijken. Ik riep hen in mijne zinneloosheid.

De dooden hooren niet!...

Dan toog ik de besmette lucht, die hen omringde, met den adem in mijne longen. Hoe zoet ware mij de eeuwige slaap geweest!

Doch ik kon niet sterven: de kelk was nog niet tot den bodem geledigd....

En al wat ik beminde, zonk met hen ten grave.

Een onbeklimbare grenszuil ging tusschen den vader en zijn kroost op.

En ik bleef alleen in de wereld.

Dan liet ik mijnen blik in het verledene gaan, en ik berekende de hoeveelheid mijner pijnen en mijner vreugden.

En ik bevond, dat de oogenblikken van waar genoegen in vergelijking met de droefheidsstonden—waren als 1 tot 1000!

Ik riep spijtig en lasterend tot God:

Is het dan alleenlijk om te lijden en te weenen, dat Gij den mensch hebt gevormd? Waarom hebt Gij de gevoellooze stof niet laten slapen, opdat rust en vrede het deel der ongeschapene natuur bleve?...

En de Heer strafte mij nogmaals om mijne lastering; want mijn hart werd koud:

Geloof ontging mij gansch,—weenen kan ik niet meer, ook niet klagen.

En dan kwam eerst de duistere gevoelloosheid mij den galbeker voor de lippen houden;

En de dagen mijns levens werden voor altijd nevelig en duister!"


De grijsaard stond op, en ik zag hem langzaam heengaan.

Zijn schedel helde zwaar voorover,—hij wandelde moeilijk en ging gebogen onder het gewicht zijner droeve heugenis.

Zijne schrikkelijke voorzegging beneep mijn hart met somber aandenken.

Reeds zag ik in de toekomst de nare spoken van rampspoed en ongeluk mij te gemoet treden.

Doch ik had nog betrouwen in God.

Mijn oog ging smeekend ten hemel.

En een straal van troost en genade dreef de ontijdige overdenking weg.

Ik wendde mijne stappen naar den tempel des Heeren; want verkwikking vroeg mijne ziel.

Mijne voeten liepen dwalend over het wentelende kerkhofpad.

En ik bevond mij op de half doorsletene knielbank van het beenderhuisje.

Dáár ontving ik den grimmenden lach der dooden, en mijn blik viel met angstige vervaardheid in de diepe oogen der slapende schedels.

Ik beefde en eene huiverige koude liep mij over het lichaam,—want eene magere en beenige hand raakte de mijne.

En de grijsaard stond weder nevens mij.


"Kind!" sprak hij, terwijl hij met zijnen vinger eenen witten schedel raakte, "ziet gij daar dit hoofd?—Dit was mijn vader!..."

En een vloed hartbrekende tranen en bittere zuchten verstikten zijne stem.

En de schedel scheen spottend om zijne droefheid te lachen.

Dan de richting zijns vingers veranderende, raakte hij eenen kleineren schedel en sprak:

"Ziet gij daar?—Dit was mijn eerstgeborene!... Jong als gij was hij,—en hij stierf toch.

Dit is het hoofd mijner bekoorlijke vrouw.—Dit mijn vriend!...

Tusschen deze dorre schedels rust mijne hoop, mijn vrede, mijn geluk en mijne zaligheid!

Ziet gij? de stuiptrekkende lach der martelpijnen blijft nog na het leven over.

Daar is ook eene plaats voor u, tusschen dit gebeente, o kind.

En dan zullen uwe oogen ook hol zijn, en het water zal uwen schedel ook wit maken en bederven...."

Terwijl ik met angst in de ziel, des grijsaards woorden als eenen lastigen droom van mij wilde jagen, wachtte de nijdige man op mijn antwoord. Eene vrouw met bleeke wangen sloop zachtjes als eene schaduw voorbij.

Tusschen hare kille tranen zweefde een zalige glimlach, zoo zoet en zoo beminnelijk als de hoop zelve.

Bloemkransen hingen aan hare fijne vingeren; zwart floers dekte haar.

Zij knielde neder op een nieuw gedolven graf en strooide de bloemen op de aarde.

De grijsaard wees nogmaals op de schedels en vroeg:

"O, kind, verstaat gij het leven nu?—Begrijpt gij nu dit raadselwoord van alles—vernietiging?

"Geloof hem niet, o kind!" riep de weenende vrouw, "geloof hem niet!"

Zij hief hand en oog ten hemel en riep als eene profetes, door God verlicht:

"Dáár woont het eeuwige raadselwoord van alles,—van leven, van dood,—van geluk en rouw!...

Ik ben ook door God bezocht geworden,—mij ook is een echtgenoot, een kind ontrukt: De koude aarde dekt ook hunne lijken. En echter heb ik nog troost gevonden in dit eeuwig raadselwoord van alles:—God."

Nu ontviel mij de lastige droom van vertwijfeling.

Met dankbaarheid zoende ik de hand der vrouw, die mij verkwikt en verlicht had; mijn hart verbitterde op den boozen grijsaard.

En ik vroeg stoutelijk naar zijnen naam.

Hij antwoordde: Weetlust!

En de vrouw op deze vraag antwoordde: Geloof!

Zij dekte mij met haren mantel; en geene enkele wanhopige gedachte kon mij onder dat heilige scherm nog raken.

Ik kreeg rust, geluk en vrede ten deel.


HET BEULSKIND


VERHAAL


I


Den avond vóór Sinxen, in den jare 1507, was de nacht te Antwerpen zwarter dan naar gewoonte; de donkerheid scheen voor de hand tastbaar; het was, alsof eene dikke en ondoordringbare wolk over de stad en tot op haren grond gedaald ware. Men hoorde in die duisternis niets dan het nedervallen der druppelen water van de daken, die door eenen fijnen, doch overvloedigen mistregen werden bevochtigd; en soms in de verte het eentonig gebrom eener torenklok. De diepste stilte heerschte in alle straten, alhoewel er nog maar weinig burgeren zich tot de rust begeven hadden, daar het slechts negen uur in den avond was.

Degene, die op dit oogenblik zich bij de Schuttershoven zou bevonden hebben en den dikken nevel met zijn oog zou hebben kunnen peilen, zou bij den muur van dit gesticht eenen man bemerkt hebben, die met den rug tegen eenen populierboom leunde en, met de oogen wijd open en de armen op de borst gekruist, zich gedroeg, alsof hij in den klaren dag en bij helder weder zich aan eene bespiegeling hadde overgegeven. Van tijd tot tijd kwamen er eenige onverstaanbare, doch krachtvolle woorden uit zijnen mond, en dan vergezelde een driftig gebaar de sombere uitgalming; eene korte poos daarna hoorde men een naar en dof gezucht, eene ademing, gelijk aan die van eenen lastdrager, welke zijn pak nederwerpt. Indien men dan het gelaat van den onbekende hadde kunnen zien, zou men eenen lach er op hebben aangetroffen, niet dien zoelen lach, welke de vreugd en het genoegen te kennen geeft, maar wel die grimmende uitdrukking, welke de maat der diepste foltering aanduidt, en in den man de plaats der wanhoopstranen vervult. Hij lachte; maar terwijl zijne wezenstrekken een bedrieglijk teeken van blijdschap droegen, beet hij het bloed uit zijne lippen, en zijne rechterhand wroette met wreeden wellust in het vleesch zijner borst.

O, ongelukkig,—duizendmaal ongelukkig was die mensch! Hoefde hij wel de verschrikkelijke pijnen der helle te vreezen, hij, die reeds twintig jaar de hel in zijn hart droeg?

Toen hij den eersten kreet als een groet aan het leven hooren liet,—dan plaatste zijne moeder hem den welkomskus niet op het voorhoofd; neen, zij stiet haar kind van zich weg. Zijn vader gevoelde geene blijdschap; integendeel, hij bad den Hemel weenend om den dood van zijnen eersten en eenigen zoon; ja, hij weende over die vrucht als over de vrucht eener vloekbare zonde.

En toen het kind, met de tranen zijner moeder eer dan met hare melk opgevoed, zich tusschen andere kinderen begaf, werd het gevlucht, bespot, geplaagd, alsof zijn aangezicht eenen boozen duivel verried;—toch was het zoo zoet en verduldig, dat het nooit eenige teekens van gramschap of van drift tegen zijne vervolgers toonde; alleen zijn vader wist, wat gal er zich in het hart van zijnen zoon vergaderde.

Nu was het kind een man geworden. Ondanks al het lijden hadden de spieren zijner leden zich ontwikkeld en hem eene tamelijke kracht geschonken. Hij gevoelde in zich den dorst naar gezelschap, naar uitstorting des harten, naar achting; maar de haat en de vervolging, waaraan hij gewijd was, hadden hem niet verlaten: hij mocht zich nergens, waar menschen waren, aanbieden, of laster, spotternij en hoon vielen hem ten deel; en zoo hij dan niet als een verworpene slaaf met een genade afbiddend gelaat zich verwijderde, werd hij als een hond met slagen afgedreven. Voor hem geen recht op aarde; het gebed alleen was hem toegelaten, en het was slechts bij God, dat hij biddend om troost en verlichting mocht smeeken.

Dit was het leven van den persoon, die zoo vol wanhoop, zoo vol zielepijn, dáár tegen den populierboom rustte....

En nochtans, er was in zijn hart gevoel en liefde, in zijnen schedel vernuft en geest; zijne wezenstrekken waren edel, zijn tred fier en mannelijk, zijne stem zacht en ernstig.... Hij riep op dit oogenblik verstaanbaar tot den Hemel, terwijl hij zijne twee armen omhoog hief:

"O God, o God! indien Uw heilige wil mij om te lijden geschapen heeft, geef mij dan ook de macht om den last te dragen. Mijn hoofd brandt! Mijne zinnen verdwalen! Bescherm mij, Heer, voor wanhoop en vertwijfeling! Laat mij de troostende gedachte uwer goedheid ... en uwer rechtvaardigheid, want doodende twijfel zinkt in mijnen boezem."

Zijne stem verdoofde langzaam en smolt weg in een onverstaanbaar gemor; dan, zich plotseling vooruitwerpende, liep hij met snelle schreden door de Schuttershofstraat, tot bij den Driehoek, en draaide de Houtstraat in. Van dan af vertraagde hij allengskens zijnen gang, en men kon bemerken, dat eene dwingende gedachte hem beheerschte; want bij poozen bleef hij beweegloos staan gelijk iemand, die, om beter te kunnen overdenken, de beweging zijner leden wederhoudt.—Op eens kwam een schraal en droog geratel uit zijne borst op, een geluid, gelijk aan het gekrijsch der nachtrave. Hij zuchtte:

"Ho! de dorst brandt in mijnen boezem als vergif,—ik moet drinken!"

Dit zeggende, liep hij met looze stappen nevens de huizen, en bleef eene korte poos staan voor al de vensters, waaruit het licht straalde; doch telkens vervolgde hij zijnen weg, want hij hoorde stemmen van menschen in de huizen klinken, en dit was hem genoeg om zich met spoed te verwijderen. In de St-Jansstraat hield hij voor eene herberg wat langer stil en luisterde met meer acht aan alle vensters; na dit onderzoek kwam eene uitdrukking van blijdschap op zijn gelaat, en hij sprak binnensmonds:

"Ha! daar is niemand in,—ik zal kunnen drinken!"

De klink van de deur oplichtende, ging hij binnen. Ongelukkige! Hij dacht, dat niemand er zich in bevond, omdat hij niets hoorde; maar hoe vond hij zich bedrogen, toen hij zag, dat de kamer opgevuld was met allerlei personen, die met de kan in de hand rondom eene tafel op iets schenen acht te geven.

Een der gasten speelde, tot vermaak der anderen, uit den haaszak, en was juist bezig met zich tot het uitvoeren van eenen wonderbaren kunstgreep te bereiden, toen de onbekende wandelaar voor het venster luisterde. Daar de omstanders op de handen van den speler acht gegeven hadden, om het geheim van den kunstgreep te ontdekken, hadden zij zich niet verroerd en met stilzwijgen het spel van hunnen makker nagezien.

De dorstige vreemdeling beefde op het gezicht van zoovele menschen, en deed eenen stap terug naar de deur om het huis te verlaten; doch ziende, dat de hoofden nieuwsgieriglijk naar hem gekeerd waren, en vreezende vervolgd te worden, ging hij tot den toog en eischte eene kan bier van de waardinne. Deze bezag den geheimen gast met wantrouwende oogen en poogde zijn aangezicht onder den rand van zijnen hoed te ontdekken, maar hij, dit bemerkende, boog het hoofd dieper en ontging dus haar onderzoek.

Terwijl de waardin de trappen van den kelder afliep om het gevraagde bier te halen, hadden de andere gasten het oog naar den vreemdeling gewend, en spraken elkander suizend in het oor; een van hen scheen in gramschap ontstoken en deed door zijne toornige gebaren genoeg zien, dat hij groote begeerte had den onbekende te mishandelen. Deze hield den rug tot hen gekeerd en wachtte beweegloos naar het bier, zoodanig bevende van angst en vrees, dat zijne lenden onder zijnen mantel rilden. De waardinne spoedde zich een weinig meer dan naar gewoonte, en reikte weldra de volle kan aan dengene, die hare nieuwsgierigheid had opgewekt.

De jongeling dronk met haast en ledigde in éénen teug de kan tot op de helft; dan deze op den toog plaatsende, gaf hij eenen Stooter van twee stuivers aan de waardinne. Gelijk zij hem eenen Blank wilde teruggeven, kwam een der gasten met drift van de andere zijde der kamer toegesprongen, vatte de kan van den toog en smeet het bier, dat ze nog bevatte, in het aangezicht van den bevenden jongeling.

"Vervloekt beulskind!" schreeuwde hij. "Hoe? gij zult in ons gezelschap komen drinken? Wat let mij, dat ik u op staanden voet hals en beenen breke? Maar gij zijt gelukkig, kerel, dat ik mijne handen aan uw lijf niet wil vuil maken, radbraker!"

De ellendige, dien men beulskind genoemd had, was waarlijk de eenige zoon van den scherprechter van Antwerpen; zijn naam was Geeraart, en hij was weinig boven de twintig jaar oud. Het was daarbij gemakkelijk te verstaan, waarom hij zoo van de menschen schrikte, aangezien de haat en de verachting hem vervolgden. Hetgeen hem nu gebeurde, geschiedde telkenmaal als een scherprechter zich in een gezelschap van burgeren dorst begeven.

De ongelukkige Geeraart boog verduldiglijk het hoofd en bezag het bier, dat van zijne kleederen leekte zonder een enkel woord tegen zijnen wreeden vijand te spreken. Deze hield echter niet op van hem alle hoonende scheldwoorden toe te werpen, en riep eindelijk tegen de waardinne:

"Zie, vrouw, morgen zal ons gezelschap van hier naar den Sebastiaan verhuizen: wij zullen ons geld hier niet meer verteren.—Gij zoudt ons misschien morgen wel uit de kan van den beul doen drinken!"

"Daar! daar ligt de kan!" riep de waardinne met benauwdheid en gramschap, terwijl zij den steenen pot op den grond aan stukken wierp. "Kan ik daar aan doen, dat dit galgekind in eens eerlijken mans huis komt?"

En zich tot Geeraart keerende:

"Gaat gij uit mijn huis gaan, schelm? Menschenpijniger! Vertrekt gij nog niet, beulenras?"

De jongeling had tot dan alles met onderwerping aangehoord; doch bij al die bittere verwijtingen was de mannelijke fierheid in zijn hart opgekomen, en in stede van op het geschreeuw der waardin te vertrekken, hief hij het rijzig hoofd in de hoogte en antwoordde haar met koelheid:

"Vrouw, ik zal heengaan. Ik, alhoewel beulszoon, zou voor mijnen evenmensch meer medelijden gevoelen. Mijn vader pijnigt menschen, omdat de wet en de menschen hem er toe dwingen, maar gij allen pijnigt mij zonder nood en zonder dat ik u ooit iets hebbe misdreven. Gedenkt, dat gij tegen God misdoet, wanneer gij mij als eenen hond behandelt!"

De stem van den jongeling was