[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Bavo en Lieveken, by Hendrik Conscience This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Bavo en Lieveken Author: Hendrik Conscience Release Date: October 4, 2004 [EBook #13596] Language: Dutch and Flemish Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK BAVO EN LIEVEKEN *** Produced by Robbie Deighton, Miranda van de Heijning and the Online Distributed Proofreading Team

Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle, drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste doet leven.
Het is vooreerst de Duivel, dat machtig tuig, waarin het katoen wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne ontelbare spillen en bobijnen.
Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft geschapen.
Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te verslinden.
Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre, als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent tusschen katoen en menschenvleesch!
Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der eenzaamheid en der rust....
Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der afgeloopene week te wachten.
Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood! Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk, omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen toelachte.
Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen wij lachen en vermaak hebben!"
"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn jubilé viert?"
"Welk jubilé?"
"Van vijfentwintig jaar spinner."
"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar op de vingeren: zeven van tweeêndertig, blijft vijfentwintig."
"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig jaar oud."
"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij mede? Eenen halven frank tot inzet.
Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn: een buitengewoon Smeerken, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad Pier de Knul?"
De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
"Ik heb geene goesting, Jan."
"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig cents weigeren om het jubilé van eenen ouden vriend te vieren?"
"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends en zeide hem:
"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het eerste jaar af,—sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet, dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje, dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet, dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens mij."
"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn, zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer willen bezien of herkennen."
Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde overwegen. Dan zeide hij twijfende:
"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen ander erfdeel kunnen nalaten...."
"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen? Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er is er reeds één op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog een pintje bier, en van tijd tot tijd een pleizierig smeerken op af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het jubilé van rossen Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een hart in het lijf hebt."
Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de Blauwe Geit, bij Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog de andere.
"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog niet."
Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te ontvangen was gekomen.
Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden opgelicht.
Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld! Hoera, vivat de leute!"
En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in, gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste gaslantaarn van zijn loon zou betalen.
Op het einde eener enge stege, in de wijk over de Nieuwbrugge, stonden een dertigtal kleine huisjes van gelijken vorm, en zichtbaar in eens gebouwd, om aan fabriekwerkers of andere geringe lieden te worden verhuurd.
In een dezer huisjes was eene vrouw bezig met lijnwaad en kindergoed in eene kuip te wasschen.
Zij scheen nog in de volle kracht des levens. Ongetwijfeld was zij schoon geweest; misschien was zij het nog; maar de slordigheid harer kleederen, de zorgeloosheid en de verzuimenis, waarvan alles op haar en rondom haar getuigenis gaf, konden geen ander gevoel opwekken dan treurnis en afkeer. Zij arbeidde met veel haast, plonsde hare bloote armen in de kuip en schudde en wrong het lijnwaad zoo wild en zoo onbezonnen, dat het water in golven ten gronde stortte en als een slijmige plas zich rondom haar uitbreidde.
De kamer was gansch vervuld met den walglijken zeepsopdamp; en de lamp die tegen de schouw was opgehangen, verspreidde slechts een flauw en als ziekelijk licht.
Nevens haar op de kachel stond het avondeten in eenen steenen pot te koken. Van tijd tot tijd trok zij hare handen uit de kuip, greep een houten lepel, en stompte en roerde in den pot om de spijs niet te laten aanbranden.
Vier kinderen, jongskens en meisjes, van verschillenden ouderdom, onzindelijk, beslijkt en met gescheurde kleederen, zaten of lagen op den vloer in eenen hoek. Zij vermaakten zich met spelen. Niet zelden trokken zij elkander bij het haar of vochten of schreeuwden, of spraken grove woorden, die men uit den mond van kinderen niet zou verwachten.
De vrouw had er tot dan weinig acht op geslagen; evenwel kwam er een oogenblik dat het onverdraaglijk gedruis der kinderen en de noodkreten: "moeder, help! help!" haar het geduld deden verliezen. Zij sprong naar hen toe, gaf den eerste den beste eenen stamp, den tweede eenen vuistslag en den overigen eenige weergalmende oorvegen.
Dan keerde zij naar de kachel terug, roerde de aardappelen nog eens om en voer vergramd uit tegen de kinderen, in zulke ruwe, onkiesche taal, dat de arme kleinen daaruit niets dan eene les van onbeschoftheid konden putten.
"Daar hebt gij 't nu, leelijke deugnieten!" riep zij. "De patatten zijn aangebrand. Vader zal weer den duivel jagen en mij eenen hoop zure woorden naar den kop werpen. Hij en gij, gij meent, dat ik uwe slavin ben en maar alleenlijk leef om te werken en uitgescholden en geplaagd te worden, van den morgen tot den avond? Wel ja! Is hij niet tevreden, dan kan hij er maar bij gaan liggen, totdat het betert. Waar blijft uw lekkere vader? In de Blauwe Geit, bij Pier de Knul, zeker? Hij heeft zijn weekloon getrokken, en de dronkaard is reeds bezig met het geld door zijn keelgat te jagen. Wacht een beetje; ik zal hem eens naar binnen gaan sleuren. Blijft van den pot, terwijl ik weg ben, of ik breek u altezamen den hals, oudersverdriet dat ge zijt!"
Nauwelijks had de moeder het huis verlaten, of de kinderen begonnen met de bloote voeten in het gestorte zeepsop te dansen, zoodat de muren en het huisraad geheel met slijkige vlekken werden bespat.
Zij stoven verschrikt uiteen, toen hun vader zich onverwachts op den dorpel vertoonde. De reuk van het verbrande eten ontrukte den man een gegrom van ontevredenheid; de zeepsopdamp en het slijkig water op den vloer deden hem huiveren, en zijn gelaat verkrampte tot eene uitdrukking van walg en verdriet:
"Waar is moeder?" vroeg hij.
"Naar de Blauwe Geit, bij Pier de Knul," antwoordden de kinderen.
"Bij Pier de Knul?"
"Om u te halen, vader."
"Ha, daar zijt gij, morsige prij!" kreet hij, toen hij zijne vrouw zag binnenkomen. "Wat is dit hier voor een stal? Waarom wascht gij die smerige doeken des avonds, als ik te huis zal komen? Gij hebt zeker weer den ganschen dag rondgeloopen en gaan babbelen bij de geburen?"
"Tistje, ga, roep uwe zuster Godelieve," zeide de vrouw tot een der kinderen, zonder schijnbaar acht te geven op de harde berispingen haars echtgenoots.
"Ik krijg de koorts, zoohaast ik eenen voet in uw varkenskot zet," hernam deze. "Ik heb goesting om er uit weg te vluchten en er nooit meer weder te keeren. Werk dan al eene gansche week, en beul u af en zweet om geld in het huishouden te brengen; dan vindt gij des Zaterdags zwartgebrande patatten en eenen smerigen boel, die u van walg het hart in het lijf doet keeren.
—Gaat gij spreken?"
"Ba, spreken," hernam de vrouw spottend, "ik lach met al wat gij zegt. Meent gij, dat gij mij gehuurd hebt en dat ik uwe meid ben? Bevalt u het eten niet, laat het staan; is het huis niet zuiver genoeg naar uwen zin, kuisch het zelf, indien gij lust hebt, domme praatmaker!"
De man hief de hand op en scheen zijne vrouw te bedreigen.
"Zoo, zoo?" riep zij, "de vuisten jeuken u vandaag? Kom, Wildenslag lief, houd u niet in. Zoudt ge gaarne weder met een aangezicht vol krabben naar de fabriek gaan? Gij moet het maar zeggen; ik ben gereed, indien een borstelingsken u plezier kan doen. Zwijg liever en eet in vrede: de patatten zijn maar een beetje verbrand; daarenboven, schreeuwen, schelden en slaan zullen ze niet beter maken."
Eensklaps trad er een zevenjarig meisje stil en langzaam in de kamer. Zij was mager en scheen ziekelijk; maar hare blauwe oogen glinsterden als parelen, en op haar fijn mondje speelde eene wonderzoete uitdrukking: iets lijdends, iets smeekends, als ware het kind een levend gebed. Ofschoon van nederigen vorm en gemeene stof, waren hare kleederen zeer zuiver, en hier, in dit onzindelijk huis, omringde haar als het ware een wasem van innerlijke onnoozelheid en van lichamelijke reinheid.
Zij ging tot den man, legde streelend hare hand in de zijne, zag hem met eenen stillen, doch diepen glimlach aan en murmelde:
"Dag, vader lief!"
De zilverachtige toon van dit stemmeken, de kwijnende liefde-blik van zijn ziek kind raakten den werkman.
"Dag, mijn goed Lieveken," antwoordde hij, het meisje tegen zijn hart drukkende. "Is het wat beter? Zijt ge nog ziek?"
"Nog een beetje, vader," was het antwoord. "Bazin Damhout heeft mij kruiden doen drinken en het heeft mij verkwikt."
"Is baas Damhout al te huis van de fabriek?" vroeg Wildenslag.
"Neen, vader, nog niet."
"Kom, zit neer, Lieveken, en eet, kind; want die wilde slokoppen zijn al aan den gang. Zij zouden wel niets voor u overlaten."
Het meisje zette zich aan tafel, maakte het teeken des kruises en bad in stilte, waarna zij met opmerkelijke geschiktheid en ingetogene manieren begon te eten.
"Wildenslag vond de aardappelen uiterst bitter en slecht; hij at met lange tanden, grommelde in zich zelven en trok verstoorde gezichten, maar hij bedwong zijne spijt en viel niet meer in scheldwoorden uit, even alsof de tegenwoordigheid van zijn ziek kind eenig besef der betamelijkheid in hem had opgewekt. Eindelijk zeide hij met eenen zucht:
"Maar, Lina toch, zonder twist, zoudt gij uw huis niet wat zuiverder kunnen houden en uwen kinderen betere voorbeelden geven? Zie eens, hoe bazin Damhout het weet te schikken. Haar man is een fabriekwerker als ik; hij heeft anders niet dan zijn dagloon; en nochtans in zijn huis zoudt ge van vloersteenen willen eten, zoo zuiver is er alles."
"Wat komt gij mij spreken van bazin Damhout!" was het bitsig antwoord. "Zij is eene goede, brave vrouw, dit zal ik niet loochenen; maar de Damhouts zijn geene menschen gelijk wij. Wees zeker, Wildenslag, zij hebben eigendommen of uitgezet geld, alhoewel ze het verbergen."
"Neen, dit hebben ze niet. Er komt geen cent in huis, dien Adriaan Damhout niet op de fabriek heeft gewonnen. Zij hebben integendeel minder dan wij, vermits onze jongen reeds vier franken in de week verdient."
"Lekkere jongen! hij zit zeker in de eene of andere kroeg. Hij heeft een aardje naar zijn vaartje: er zal veel goeds van komen, ik beloof het u!"
"Neen, neen, hij is achter de taptoe geloopen. Wees zeker, Lina, bazin Damhout doet haar huishouden met min dan gij. Zooals zij het schikt, kunt gij het ook schikken."
"Kom, kom, Wildenslag, ieder zingt zooals hij gebekt is, en het is moeilijk, eenen ouden aap nieuwe grimassen te leeren. Laat dit liedeken achter, het is nutteloos. Weet ge wat de huisbaas zegt over bazin Damhout? Dat ze zorgend en zindelijk is, omdat ze kan lezen."
"De huisbaas zegt dit om te lachen. Vrouw Damhout kan anders niet lezen dan in den almanak en in haar kerkboek. Daar zal ze toch het huishouden niet in leeren."
"Dan zal het zijn, omdat Damhout minder geld verteerd, en te huis blijft, terwijl gij halve nachten in de kroeg zit te drinken en te dobbelen!"
"Dit is wel mogelijk," antwoordde Wildenslag, het hoofd met ongeduld schuddende. "Wie zegt u, dat ik niet te huis zou blijven, ten minste in de week, indien hier alles niet walgelijk was als in eenen stal, en ik er slechts een vriendelijk gezicht mocht vinden; maar gij, met uwe barschheid en met uwe zorgeloosheid, zoudt een engel de deur uitjagen."
De gekwetste vrouw zette de vuisten op de heupen en meende eenen woedenden uitval te doen; maar de deur vloog open en een veertienjarige jongen, wiens kleederen vol katoenvlokken hingen, sprong binnen; hij eindigde het refrein van een onbetamelijk lied, ofschoon hij eene rookende pijp in den mond hield.
Aan tafel vallende, meende hij van de verbrande aardappelen te eten: maar na den eersten mondvol te hebben gesmaakt, wierp hij bulderend de vork op den schotel en viel uit in onbeschofte berispingen tegen zijne moeder.
In stede van hem te bestraffen, gaf de vader hem gelijk.
"Daar is mijn weekloon," zeide de jongen, drie franken ter tafel werpende. "De patatten zijn verbrand en smaken naar het zeepsop. Ik trek er van door en zal ergens gaan eten, waar men het gevaar niet loopt vergiftigd te worden."
Er werd hevig getwist, omdat de jongen eenen frank van zijn loon had achtergehouden; dit tooneel vernieuwde zich, toen de vader insgelijks zijn weekgeld afgaf. Evenwel, na vele harde, grove woorden verkalmde het tempeest.
"Goeden avond," juichte de jongen, "ik ga naar de Blauwe Geit, eene schel hesp eten."
"Kom, Sander, ik ga mede," zeide de vader. "Het deugt hier niet. Na eene gansche week zuren arbeid mogen wij wel een beetje ons verzetten."
"Ha, ze meenen, dat ik hier den ganschen avond alleen zal blijven koekoeloeren, terwijl zij ginder in de Blauwe Geit hun hart ophalen en tot over de ooren in de leute zitten?" morde de vrouw, toen haar man en haar zoon waren heengegaan. "Ik moet er mijn deel van hebben: ik lust ook hesp. Lieveken, ga gij maar voor een uurtje naar bazin Damhout. Ik zal u laten roepen."
Zij krabde geweldig met den haak in de kachel, om het vuur uit de dooven; doch daar dit niet spoedig genoeg naar haren zin ging, stortte zij eene kom zeepsop op de brandende kolen, zoodat de kamer met een stinkenden rook werd vervuld.
"En gij daar, bengels," riep zij tot de kinderen, "zorgt dat gij van de lamp blijft en met geen vuur speelt, of ik sla den bezem op uwe knoken aan stukken!"
Op dit oogenblik zag zij, dat het oudste jongetje een zijner zusters bij de haren trok, en zij hoorde een gesnor, alsof er eene stof werd gescheurd.
"Beul, schei uit!" bulderde zij. "Wacht maar, booze vadsigaard, gij zult niet lang hier den boer spelen. Te naaste week gaat gij naar de fabriek. Als ik terugkom, zal ik u geene kleine rammeling geven, omdat gij alweder het kleed uwer zuster hebt gescheurd."
"Het is niet waar!" kreet de knaap.
"Ik heb het gezien!" schreeuwde de moeder.
"Gij liegt er aan," snauwde het kind.
En alsof er in dit monsterachtig gebrek aan ontzag en aan zedelijkheid niets ongewoons ware, de vrouw scheen er geene acht op te geven, of het niet te gevoelen; want zij liep het huis uit en wierp de deur toe.
Arme kinderen, wat kon er onder de leiding van zulke moeder uit hen groeien? Niets anders voorwaar dan woeste, onbeschaafde wezens, beroofd van alle gevoel der menschelijke waardigheid. Het was hunne schuld niet; maar was het wel de schuld hunner moeder?
Die vrouw, toen zij zelve kind was, had hare eerste jaren doorgebracht onder de waakzaamheid eener onwetende en grove oude vrouw, te midden van verlatene kinderen, wier moeders, evenals de hare, den ganschen dag op de fabriek hadden te arbeiden. Daar had zij niets geleerd dan eene barsche, onkiesche taal; zij was opgegroeid zonder het minste denkbeeld der plichten, welke de mensch in dit leven te vervullen heeft jegens God, jegens de maatschappij en bovenal jegens zich zelven. Dewijl zij alsdan slechts den ouderdem van negen jaar had bereikt, was er nog hoop, dat zij eenige vonken van het licht der beschaving zou ontvangen; dat, vooraleer zij vrouw wierd, toch eenig gevoel van persoonlijke waardigheid en van maagdelijke zedigheid in haar zou ontkiemen. Maar vóórdat de tiende Lente voor haar aanbrak, was zij reeds op de fabriek, vastgeklonken aan een eeuwigdraaiend tuig, overgeleverd aan het gezelschap van mannen en vrouwen, ruwer nog en onwetender dan zij. Later is zij getrouwd; slechts sedert de geboorte van haar derde kind blijft zij te huis, en geeft daar aan haar kroost het eenig onderwijs, dat zij heeft ontvangen: onwetendheid, barschheid, verlaging, verbastering der menschelijke natuur.
En wij, die spreken van de zedelijke verbetering des werkmans, wij geven zijnen kinderen zulke moeder! En wij, die schelden op den werkman, omdat hij zijne woning ontvlucht, omdat hij drinkt en zwiert, wij geven hem zulke gezellin!
Ja, de reusachtige uitzetting der nijverheid is een wonderbaar en weldadig verschijnsel onzer eeuw; maar de denker, de menschenvriend zal haren onweerstaanbaren voortgang niet zonder geheimen schrik aanschouwen, zoolang zij de vrouw, de moeder uit den schoot des huisgezins wegrukt en het kind tot slaaf der stof maakt in eenen ouderdom, die bestemd is tot zijne vorming als mensch en als Christen.
Wil men de beschaving der werkende klasse, dan moet men met de vrouw beginnen. Deze wet is onverbiddelijk. Heerscht de man over de stoffelijke wereld, van de moeder alleen hangt de zedelijke vorming af, en zij heerscht over den geest en het hart der wordende geslachten met al de macht des engels of des duivels, naarmate der verhevenheid of der laagheid harer ziel.
De menschheid begint het te begrijpen. Uit de diepte van het algemeen geweten rijst een noodkreet op, eene waarschuwende stem, die roept: "Redt de wereld uit de zedelijke verzinking door de vrouw! Onderwijs voor de vrouw! Opvoeding voor de vrouw! Licht, waardigheid en plichtbesef in het hart der moeders van het volk! Zoo niet, duisternis, verbastering, onrecht en bloedige wederwraak over de komende wereld!"
Veel verder in de rij der gelijkvormige werkmanswoningen was er een huisje, dat zich onderscheidde door zijne netheid.
Tot op de straat was er wit zand voor de deur gestrooid. Drie of vier bloempotten geurden op de vensters, achter sneeuwblanke gordijntjes. Op de schouwplaat prijkte een Lieve-Vrouwebeeld, tusschen twee pleisteren papegaaien, wier rood, geel en groen vederkleed de oogen aangenaam verraste. Het kleinste keukengerief, de schotels en koffietasschen stonden op eene kas te pronken, en glinsterden en schitterden, als waren zij hoogmoedig over hunne netheid. De grove biezenstoelen waren zonder vlekken, de withouten tafel gewasschen, de kachel met potlood geglimd.
Even arm als de andere was deze werkmanswoning; de meest schitterende voorwerpen hadden slechts eenige centen gekost ... en nochtans er heerschte zulke bekoorlijke toon van vrede, van levenslust en van gemak; de lucht was er zoo zuiver en zoo aanlachend, dat men bij het gezicht van dit nederig huisje gereedelijk moest begrijpen, hoe een werkman ook zijne woning kan liefhebben evenals een rijkaard, die zich op zijn paleis verhoovaardigt.
In de benedenkamer van het huisje zat eene vrouw bij eene lamp te arbeiden. Zij naaide aan een blauwen kiel; en vermits er op eenen stoel nog vele zulke kielen geplooid lagen, was het te vermoeden, dat zij voor eenen winkel werkte. Zij kon den ouderdom van achtentwintig of dertig jaar bereikt hebben; hare kleederen, van gemeen katoen en door wasschen verbleekt, waren zeer zuiver en zelfs met zekeren eenvoudigen zwier geschikt.
Nevens haar bij de tafel, zat een achtjarig jongsken met bruin haar en groote, levendige oogen. Hij had een brief voor zich liggen en verroerde de lippen, terwijl hij met een stokje de lettergrepen aanwees, welke hij poogde te lezen.
In eenen hoek, op een paar houten bankjes zaten twee kleine meisjes van drie of vier jaar. Zij speelden met poppen en vermaakten zich in stilte, nu en dan eens de stem verheffende om de poppen te bekijven, of zoet lachende onder elkaar.
Sedert eene wijl scheen de jongen in verlegenheid; zijn stokje verroerde niet meer, hij schudde het hoofd met ongeduld.
"Wat is het, Bavo?" vroeg de vrouw. "Gaat het niet goed, kind?"
"Ach, moeder," zeide hij, "de meester heeft mij eene les te leeren gegeven, en daar is een woord in, zoo moeilijk, zoo moeilijk! Ik zweet er van; maar ik kan er toch niet uit. Lees gij het eens, moeder lief!"
Hij naderde dichter, legde haar het boek onder de oogen en wees het onleesbare woord. Maar de vrouw, na eene lange poging, mompelde met moedeloosheid:
"Zelf.... Zelfver.... Zelfverloo.... Het overige kan ik niet lezen, Bavo. Zijn dit ook woorden voor een kind als gij? Kom, sla dit maar over en vraag het morgen uwen meester."
Het jongsken hield zwijgend den blik op het boek gevestigd; zijne leden spanden zich, zijne oogen werden starend en hij verzamelde zichtbaar de kracht zijns geestes.
"Neen, laat af, kind," zeide de vrouw, "breek u de hersens niet nutteloos: het woord is te moeilijk."
"Te moeilijk?" morde de kleine. "Ik moet het lezen, ik wil.... Ach, moeder, stil, stil; gij hebt mij geholpen, het zal gaan.... Zelfverloo.... Zelfverlooch.... Zelfverloochening! Zie, zie, moeder lief, het woord is zelfverloochening!"
Een kreet van bewondering ontsnapte de vrouw; zij greep haar zoontje in de armen en legde eenen langen kus op zijn voorhoofd. Wat haar dus ontroerde, was de vroegtijdige gemoedskracht en de schier mannelijke wil, dien zij in haren zoon meende te ontdekken. Wat droomde zij bij den liefderijken kus? Zij wist het niet, en evenwel dankte zij God uit den grond des harten.
Het kind, door de teedere goedkeuring aangemoedigd, had weder zijn boek gegrepen; maar de vrouw, nog ontroerd, zeide hem:
"Bavo lief, gij moet maar goed leeren, kind; later in het leven zult gij eerst begrijpen, hoe schoon en hoe nuttig het is, te kunnen lezen en schrijven. Iemand, die niet lezen kan, is maar een half mensch, en hij is veroordeeld, al ware hij zelfs met verstand geboren, om altijd onwetend te blijven. Gij zult meer en beter leeren dan ik, Bavo, en daarom zult gij gelukkiger zijn in de wereld. Ach, dat mijn Peter zoo vroeg is gestorven! Anders zou ik goed kunnen lezen en schrijven; maar er was niemand meer om mij te beschermen; ik moest naar de fabriek. Nog wel een beetje heb ik mij zelve geleerd; maar wanneer men moede gewerkt is, gaat dit niet goed. Ja, Bavo, indien iedereen kon lezen, zouden er zoovele slechte lieden niet zijn; want wie lezen kan, gevoelt, dat hij mensch is, en hij eerbiedigt zich zelven. Ongelukkig hebben zoo weinige werkmanskinderen de gelegenheid of de middelen om te leeren; de ouders, die zelven onwetend zijn, begrijpen niet, hoe nuttig en hoe schoon het is geleerd te zijn. Gij, mijn kind, indien God uwen vader de gezondheid blijft gunnen, zult veel kunnen leeren. Bavo, vergeet nooit, dat gij dit geluk zult verschuldigd zijn aan uwen vader, die van den morgen tot den avond slaaft en zweet om zijne kinderen in eere op te brengen, en die zelfs uit de herberg blijft en, om zoo te zeggen, het brood uit zijnen mond spaart, om u naar de school te laten gaan. Niet waar, Bavo, gij zult het nooit vergeten? Wat er ook in uw leven gebeure, gij zult uwen goeden vader altijd eerbiedigen en beminnen?"
"Altijd, altijd, en u ook, moeder lief!" zei het jongsken, haar de wangen streelende.
Op dit oogenblik werd de deur geopend, en een man trad binnen. Zijne kleederen, door katoen en stof bevlekt, waren versleten en schenen vuil in zulke zindelijke plaats. Er was iets spijtigs in zijne uitdrukking en hij scheen van slechte luim.
Maar daar klonk het woord "vader! vader!" hem op alle tonen tegen, en vooraleer hij twee stappen in de kamer had gedaan, waren zijne handen streelend aangegrepen en fijne kinderstemmen verwelkomden hem met eenen vloed van zoete liefdewoorden. Bavo liep naar hem toe, een stukje papier boven zijn hoofd zwaaiende:
"Vader, vader lief!" riep hij, "twintig goede noten! Twee kussen voor mij en vier centen voor mijnen spaarpot!"
En onder het uitspreken dezer woorden had de jongen eenen machtigen sprong genomen, en hing nu aan zijns vaders hals, om de belooning zijner leerzaamheid te ontvangen.
Intusschen was de vrouw bezig met een ammelaken op de tafel te spreiden en het avondeten op te zetten. Zij lachte haren man vriendelijk aan en sprak insgelijks menig blij woord tot welkom.
"Zit neer, zit neer, Damhout," zeide zij, "gij moet eetlust hebben, en de aardappelen zouden welhaast koud geworden zijn. Ik heb een lekker pladijsje voor u gekocht, goedkoop, voor vijf centen, springende levend. Komt, kinderen, aan tafel, aan tafel!"
Adriaan Damhout was gevoelig aan de liefdesbetuigingen zijner kinderen; de rimpels verdwenen van zijn voorhoofd en een stille glimlach verlichtte zijn gelaat. Hij gaf zijn zoontje de vier verschuldige centen en reikte zijn weekloon aan zijne vrouw, die, zonder het te bezien, het geld in haren zak liet glijden.
Dan namen allen plaats aan de tafel, zoo ordelijk, zoo zuiver en zoo netjes geschikt, alsof die arme menschen gekozene spijzen uit porseleinen borden en met zilveren lepels zouden gaan eten. Het waren evenwel slechts gestoofde patatten, grove telloren en ijzeren vorken die er te zien waren, tenzij misschien het gebakken pladijsje voor vader, dat wel lekker geurde en te midden der tafel als een pronkstuk of eerder nog als een liefdesgeschenk prijkte.
Allen te gelijk maakten het teeken des kruises en dankten God in stilte, waarna zij met waren lust begonnen te eten. Slechts toen de visch zou worden aangevat, werd de vrede eenigszins gestoord. Damhout kon het niet over zijn gemoed krijgen, de pladijs, hoe klein zij ook ware, geheel alleen op te eten; hij wilde het lekker gebak met zijne vrouw deelen; maar de vrouw bevestigde, dat het voor hem en slechts voor hem was gekocht. Hij zou haar door langer aandringen bedroeven. Alhoewel de kleinen, door de moeder geleerd, haar hielpen, eindigde toch de vriendelijke twist op zulke wijze, dat elk kind, een stukje van den visch op zijn bord kreeg en de werkman het overige met onbeneveld vermaak genoot.
Onmiddellijk na het avondmaal werd het ammelaken geplooid, en alles verdween in een oogslag van de tafel.
De vrouw zette zich nevens haren man en begon met hem over het werk en over de fabriek te spreken; de twee meisjes kropen op vaders knieën. Bavo stond aan zijne andere zijde met zijn boek in de hand te wachten, totdat zijne ouders ophielden samen te kouten.
Het was een eenvoudig, doch roerend tooneel, dien werkman in zijne slechte en besmette kleederen, te zien zitten met die nette, lachende engeltjes op de knieën, tusschen eene liefderijke vrouw en eenen leerzamen zoon, wiens oogen met ontzag en biddend tot hem waren gericht.
"Vader lief, mag ik eens lezen?" vroeg het jongetje eindelijk. "Wij hebben vandaag zulke schoone les gekregen! Ik weet niet of ik ze al goed ken, maar ik zal mijn best doen."
"Ja, Bavo, lees uwe les eens voor vader," zeide de vrouw.
De jongen opende zijn boek en las met zekere moeite en eenige onderbrekingen, evenwel met genoegzame duidelijkheid om verstaan te worden:
"Kinderen, wilt gij door God gezegend zijn op aarde, eert uwen vader en uwe moeder. Zij hebben u lief als het licht hunner oogen; zij zorgen en werken voor u van den morgen tot den avond; het eenige doel van al hun streven, van hunnen kommer en van hunne gebeden, is uw geluk alleen. Bemint hen teederlijk; zijt hun onderdanig en blijft hun dankbaar; wordt de steun en de blijdschap hunner oude dagen, en beloont aldus de ouderlijke liefde, die zuivere en schier goddelijke zelfverloochening."
Deze lezing scheen eenen ongunstigen indruk op het gemoed van Damhout te doen; zij herinnerde hem wat Wildenslag hem had gezegd, en gaf nieuwe kracht aan de vrees, welke zijn vriend nu weder voor de twintigste maal in hem had opgewekt. Zijn gelaat werd zeer ernstig en hij schudde nadenkend het hoofd.
"Bavo, begrijpt gij wat gij daar hebt gelezen?" vroeg hij na eenige overweging.
"Ja, vader lief," antwoordde het kind, "er staat, dat gij voor mij werkt, en ik u en moeder altijd gaarne moet zien."
"Tot in onzen ouden dag, Bavo."
"Ja, vader, tot in uwen ouden dag, zoolang ik leef."
"En zult gij dit doen, kind?"
De jongen zag zijnen vader verbaasd aan, doch zonder spreken, als begreep hij zijnen twijfel niet.
"Het is wel," zeide Damhout, "gij zijt wijs, Bavo. Blijf zoo, en vergeet nimmer wat daar in uw boek geschreven staat, anders zal God u straffen."
Er volgde eene wijl stilte; de vrouw bespiedde het gelaat van haren man, die nu klaarblijkend in treurige gepeinzen was verzonken.
"Adriaan," murmelde zij, "wat is er toch, man lief? Gij schijnt zoo denkend? Ik heb het gezien toen gij binnenkwaamt: er hangt u iets in het hoofd. Hebt gij verdriet?"
"Ik heb wel geen verdriet, Christina," antwoordde hij, "maar er is toch iets dat mij kwelt. De andere kameraden gaan al eens een pintje te zamen drinken; zij lachen en kouten en vermaken zich een beetje na den weeklangen arbeid. Ik zit hier altijd te huis, alsof ik buiten de wereld was; en de vrienden drijven den spot met mij. Misschien is het onverstandig, zoo zijn leven geheel op te offeren, zonder te weten, wat er in het einde nog zal van komen."
Alhoewel deze woorden haar verrasten, haalde de vrouw een zilveren geldstuk uit haren zak en reikte het met eenen minzamen glimlach haren man toe.
"Damhout lief," sprak zij, "gij moet het voor mij niet laten; daar is geld; hebt gij lust om een uur of eenige uren met de kameraden te zijn, voldoe uwe goesting. Ga, ik zal zelve plezier in mijn hart hebben, als ik weet, dat gij u vermaakt."
Maar de man, als beschaamd over zijn gemor, dreef zachtjes hare hand terug.
"Neen, houd het geld," zeide hij,—mijn lust is over.... Nochtans, Christina, dezen avond vieren de vrienden in de Blauwe Geit het jubilé van rossen Leo, omdat hij nu vijfentwintig jaren spinner is. Wildenslag heeft mij aangemaand om er bij tegenwoordig te zijn; ik heb hem beloofd, dat ik zou komen, indien het mogelijk was."
"Welnu, Damhout, het is mogelijk: gij moet uwe belofte houden."
"Ja, maar ik weet niet, mij dunkt, dat ik nog liever te huis zou blijven met de kinderen."
"Neen, neen, Damhout; morgen is het Zondag; dan zijn wij van den morgen tot den avond te zamen. Doe mij plezier en neem dit geldstuk; ga naar de Blauwe Geit en wees vroolijk met de vrienden. Ik zal tevreden en welgemoed naar u wachten; maar blijf zoolang, zoolang gij wilt. Ga, ga, ik bid u."
Zij moest hem nog gedurende eene wijl met vriendelijk geweld aanmanen om op te staan. Dan vergezelde zij hem tot de deur en wenschte hem eenen genoeglijken avond. Zij keerde tot de tafel terug en hernam haar naaiwerk.
Eenige oogenblikken later werd de deur zeer zachtjes geopend, en een klein meisje trad binnen.
"Bavo, daar is Godelieve," zeide de moeder.
De jongen sprong recht, liep naar het meisje, greep haar de hand en bracht haar bij de tafel, met groote blijdschap zeggende:
"Ha, Lieveken, dat is goed, dat gij nog terugkomt. Ik ben moede geleerd; laat ons nog wat spelen. Willen wij winkel houden gelijk gisteren? Het is zoo vermakelijk."
"O, neen, Bavo, laat ons school spelen!" smeekte het meisje.
"Ja, ja, school spelen!" herhaalden de twee zusterkens, lachend in de handen kletsende.
Bavo haalde eenige boekjes voor den dag, welke hij van zijne eerste leermaanden had gespaard; hij zette Lieveken op het eene bankje en zijne zusterkens op het andere, greep zijns vaders zondagsrietje en begon, met opgeheven hoofd en koddigen ernst, over en weder te wandelen, ondertusschen op verzwaarden toon roepende:
"Stil, in de school, of ik zet u in den hoek! Wie zijne les niet kent, zal noen-overal blijven. Godelieve Wildenslag, let op! Welke letter is dit?—Goed. En deze? En deze?—Gij kent uwe les; gij zult eene klasse verhoogen. Keer het blad van uw boek om. Wat staat daar op den tweeden regel?"
"Da, de, di, do, du, dij!" riep Lieveken.
"Ja, gij kent dit van buiten, ik weet het wel; maar daar, op het andere blad, daar?"
Het meisje deed een oneindig geweld om de aangewezene lettergreep te spellen, doch zij geraakte er niet uit.
"Heb moed, let wel op," zei Bavo. "Die dubbele O is lang; en voeg daar achter nu den klank ge bij, wat hebt ge dan?"
"Oog, oog!" riep Lieveken met zegevierende blijdschap.
"Wel zoo, mijn kind, gij zijt er," juichte de jonge schoolmeester. "Godelieve Wildenslag krijgt tien goede noten!"
De moeder had dit tooneel glimlachende en met welgevallen afgezien. Zij scheen eindelijk ontroerd en zeide: "Kinderen lief, gij speelt daar een schoon en ernstig spel. Zoudt gij gelooven, dat Lieveken eindelijk nog zou leeren zonder naar de school te gaan?"
De jongen en het meisje bezagen haar met verwondering.
"Het is, zooals ik u zeg," bevestigde zij. "Waarom verwondert het u? Ziet eens, Lieveken, zonder het te weten, kent al hare letters en zij begint reeds te spellen. Indien Bavo zich wat moeite wilde geven, wees zeker, Lieveken, gij zoudt wel spoedig kunnen lezen."
"Gij zegt het om te lachen, niet waar, bazin Damhout?" murmelde het meisje twijfelend.
"Zou dit inderdaad mogelijk zijn, moeder lief?" vroeg Bavo, in wiens oog eene vonk van besluit glinsterde.
"Mogelijk? Wel, kind, het is bijna gedaan? gij ziet het immers wel?"
"Ha, ha, Lieveken, wij zullen altijd school spelen! Gij zult leeren lezen!"
"Ik zal leeren lezen!" herhaalde Lieveken met bedwongen geestdrift.
"Gij zult het leeren!" kreet Bavo. "Och, hemeltje, dat zal vermakelijk zijn, als wij te zamen in hetzelfde boek zullen kunnen lezen. Nu ga maar weder op de bank zitten, en geef acht ... of ik doe u twee groote lessen uit den Catechismus van buiten leeren!"
Bavo speelde zijne rol van schoolmeester met verdubbelde vlijt voort. Alhoewel hij insgelijks nu en dan zijnen kleinen zusterkens de letters toonde en met geveinsd ongeduld hen terechtwees, hield hij zich toch meest met Lieveken bezig Hij sprak zulke diepgevoelde woorden van aanmoediging tot haar, en poogde met zulke ware inspanning haar te onderwijzen, dat het eenvoudig kinderspel in een ernstig werk, in eene edele liefdedaad veranderde.
Het duurde zoolang, dat eindelijk de twee kleine zusterkens, hoofdje tegen hoofdje, op hunne bank waren in slaap gesukkeld.
Dan was de school uit. De moeder ontkleedde de ingesluimerde wichtjes en droeg ze naar hun bed. Bavo en Lieveken keerden terug bij de tafel en keken daar in een klein boek met beeldekens.
Terwijl bazin Damhout haar naaiwerk voortzette, spraken de twee kinderen in stilte met elkaar over de gelukkige hoop, dat Lieveken zou leeren lezen, alhoewel zij niet naar de school mocht gaan, dan weder over andere schoone, vroolijke dingen. Meest altijd zweefde er een zoete glimlach op hunne lippen; hunne oogen glinsterden van vriendschap en zielsgenoegen, en soms drukten zij elkander de handen.
Eindelijk hoorde men eene kinderstem van buiten den naam van Godelieve roepen, en het meisje, na Bavo en zijne moeder eenen goeden nacht te hebben gewenscht, meende zich naar huis te spoeden; maar bazin Damhout greep eenen emmer en zeide:
"Kom, Lieveken, ik moet om water naar de pomp; ik zal met u gaan."
Toen zij in de kamer terugkeerde, bevond zij, dat Bavo met het hoofd op zijne boekjes was ingesluimerd.
Zij zette zich neder, zag haar slapend zoontje eene wijl met zaligen blik aan, droomde van onbestemde dingen en legde eindelijk eenen langen, vurigen kus op het gladde voorhoofd, als geloofde de goede, dat een moederzoen de kiemen des verstands in de hersens van haar kind kan verwarmen en bevruchten. Nauwelijks had zij weder haar naaiwerk hernomen, of haar man trad in de kamer.
"Reeds terug? Zoo spoedig?" vroeg zij verwonderd. "Gij doet het toch niet om mijnentwil, Adriaan? Het zou mij bedroeven."
"Neen, Christina," antwoordde hij, terwijl hij zich bij de tafel nederzette. "Ik weet niet, ik kan in dat woeste leven geen vermaak meer vinden. De vrienden zijn brave jongens, dit wil ik niet ontkennen; maar die baldadige manieren en grove woorden stuiten mij tegen de borst. Het is hier in huis tusschen u en mijne kinderen toch beter. Denk eens, daar zijn ze nu in de Blauwe Geit volop aan het ruziemaken. Zeker, de rosse Leo zal dezen avond nog vechten tegen Kobe den zandboer. Zij verwijten malkanderen zulke leelijke dingen, dat er de haren van te berge zouden rijzen op uw hoofd. Ik heb groote spijt, dat ik vandaag naar de Blauwe Geit gegaan ben."
"Ik geloof het, Adriaan; maar gij kondt niet weten, dat men er zou schelden en twisten."
"Daarom is het niet: ik ben droef in mijn hart."
"Hoe zoo? Is u iets geschied?"
"Wildenslag heeft mij vervaard gemaakt! hij maakt mij altijd vervaard.... En misschien heeft hij gelijk; misschien doen wij niet wel met onzen Bavo boven zijne ouders te willen verheffen."
"Alweder dit kwaad gepeins!"
"Kwaad gepeins, Christina? Wie kan het weten? Laat onze Bavo nu jaren lang naar de gemeenteschool gaan en geleerd worden. Hij zal ons veel meer geld kosten dan een ander kind, en darenboven nooit eenen cent in het huishouden brengen; en als hij groot is en geld wint, zal hij het in schoone kleederen steken en zich schamen over den armen fabriekwerker, die zijn zweet heeft gegeven, om eenen mijnheer van hem te maken."
"Ach, hoe kunt ge toch zoo spreken, met uwe oogen op uw onnoozel kind?" zuchtte de moeder. "Bavo zou ondankbaar worden en zijne ouders miskennen? Nooit, nooit, zijn hart is enkel liefde en dankbaarheid."
"Het is een goed kind, ik weet het," morde Damhout "Ze zijn altemaal goed, Christina, zoolang ze klein zijn; maar zoohaast ze man worden, gaan ze hunne eigene gangen en ze bekreunen zich om hunne ouders niet meer. Ja, wanneer ze een beetje verhoogd zijn in de wereld, zien ze wel dikwijls met kleinachting neder op degenen, die zich onvoorzichtig voor hen hebben opgeofferd."
"Dit zal met onzen Bavo niet gebeuren, Damhout," antwoordde de vrouw, haar verdriet bedwingende. "Zijn hart is zuiver, ik zal hem bewaken. Gij vreest, dat ons kind later in de wereld een beter lot hebbe dan wij? Maar geschiedde het aldus, zou uw vaderhart niet van vreugde kleppen? Zoudt gij niet met hoogmoed zeggen, hij is mijn zoon, voor hem heb ik met liefde geslaafd; zijn geluk is mijn werk?"
"Schoone dingen Christina; maar indien mijn zoon werkman bleef, gelijk ik ben, dan zou ik niet vreezen, dat hij zich later over mij zou kunnen schamen."
"Wie zegt u toch, dat hij geen werkman worden zal? Zijn er dan geene werklieden, goede, uitmuntende werklieden, die kunnen lezen?"
"Spinners toch niet veel."
"Maar er zijn andere stielen, Adriaan. Mekaniekmakers, timmerlieden, schrijnwerkers en honderd andere, waarin men met geleerdheid en goed gedrag het tamelijk verre kan brengen."
"Ziet gij wel, Christina, dat gij besloten hebt, onzen Bavo niet naar de fabriek te laten gaan?"
"Hij zal gaan waar hij wil of waar hij kan," zeide de vrouw met klimmende kracht. "Wij mogen daarover niet op voorhand beslissen. Van zijne leerzaamheid, van onze liefde en van Gods wil hangt het af. Uwe vrienden verschrikken u, met u te zeggen, dat ik van Bavo eenen mijnheer wil maken. Wat ik wil, is, dat mijn kind een mensch worde en niet door onwetendheid tot onmacht en eeuwige slavernij veroordeeld blijve. Wordt hij mijnheer, zooveel te beter!"
"Christina, Christina," zuchtte de werkman, "indien gij wist, hoe uwe woorden mij bedroeven! De hoogmoed is een slecht raadsman."
"Hoogmoed?" kreet de vrouw verontwaardigd. "Gelooft gij dan, dat het geluk mijner kinderen mij verschrikt? Ik zou geen moederhart moeten hebben. Ha, gij zult mij misschien niet begrijpen; maar ik zeg u, Damhout, dat, indien onze kinderen later van omhoog op mij konden nederzien, ik God zou danken, omdat Hij hen in de wereld heeft verheven. Schud het hoofd niet. Kon ik onzen Bavo ten prijze van mijn leven koning of keizer maken, ik stierve van blijdschap voor den troon van mijn kind!"
Zij was zeer ontroerd en scheen te beven; er was iets ontzaglijks in hare houding en in haren blik; het moederlijk gevoel had deze nederige vrouw indrukwekkend en schoon gemaakt.
Adriaan Damhout onderging den invloed harer geestdriftige woorden: hij boog het hoofd als overwonnen en bleef eene wijl zwijgend. Dan zeide hij:
"Misschien hebt gij in den grond gelijk, Christina; maar overweeg toch eens met bedaardheid. Nu gaat het nog zoo erg niet; er is veel en goed werk. Onze andere kinderen zijn nog klein. Later zult gij misschien willen, dat de meisjes insgelijks naar de school gaan?"
De vrouw deed een bevestigend teeken met het hoofd.
"Zullen wij, zonder eenige hulp van onze kinderen, dien last wel kunnen blijven dragen? Het schijnt mij onmogelijk."
"Ik zal een beetje meer werken, Adriaan."
"Altijd werken als slaven, zich geheel opofferen gedurende gansch zijn leven!"
"Ha, dan gevoel ik eerst, dat ik moeder ben, wanneer ik weet, dat ik mij opoffer voor het geluk mijner kinderen."
"Goed; maar indien het werk nu eens voor lang wierd gestaakt? Indien een onzer ernstig ziek wierd, wat dan?"
"Dan, Adriaan, dan zouden wij het schikken volgens Gods beslissing. Het onmogelijke kan men niet doen."
"En indien het noodig was, Bavo eenig geld te doen verdienen, zoudt gij hem naar de fabriek laten gaan?"
"Waarom niet, indien de nood het eischte?"
"En wat zou dan de geleerdheid hem helpen?"

"Wat zij hem zou helpen? Hoe kunt gij dit vragen, Adriaan? Hij zou ten minste mensch zijn, een uitmuntend werkman worden, bekwaam tot alles en, met een beetje geluk, zou hij wel zeker eens tot meesterknecht worden aangesteld."
"Zie, Christina," zeide de man met zekere tevredenheid, "zoohaast gij zegt, dat gij er niet tegen zijt, dat Bavo werkman worde, ben ik gerust."
"Nooit, Adriaan, heb ik een ander inzicht gehad; maar is het zijn lot, in de wereld vooruit te gaan, ik zal niet uit baatzucht zijn geluk beletten."
Na een oogenblik stilte zeide zij met zoete minzaamheid:
"Nu, lieve man, laat ons over dit alles niet bekommerd zijn. Waarom zouden wij door eene voorbarige vrees ons zelven verdriet aandoen, zoolang het ons wel gaat en wij niets te kort hebben? Komt er tegenspoed, dan zullen wij ons schikken volgens den nood. In alle geval, wat er ook gebeure, indien onze kinderen kunnen lezen en schrijven, zullen wij, alhoewel arme werklieden, hun toch een kostelijk erfdeel nalaten. Zij, die u berispen, kunnen dit niet zeggen. Leg de hand op uw hart, Adriaan, en gevoel, of het u niet hoogmoedig en gelukkig maakt, te weten, dat gij voor God en voor de menschen uwe vaderlijke plichten met liefde vervult. Wees vergenoegd, en luister niet meer naar kwaden raad van onwetende lieden. Kom, vriend, ik zal Bavo in mijne armen nemen. Wij gaan slapen."
En Adriaan Damhout greep de lamp en lichtte zwijgend zijne vrouw, die achter hem met haar zoontje de trap beklom.
Sedert Bavo de overtuiging had bekomen, dat hij Lieveken zou kunnen leeren lezen, had hij geenen enkelen dag laten voorbijgaan, zonder uren lang haar in het spellen te oefenen. Er was iets wonderlijks in de aanhoudendheid en in de vlijt van den kleinen jongen; ja, dikwijls vermoeide hij Lieveken zoodanig, dat haar hoofd er duizelig van werd en zij om verpoozing smeekte.
Buiten de goedheid des harten, die Bavo aandreef om het arme Lieveken deelachtig te maken aan het onderwijs, dat zijne moeder hem had leeren aanzien als de hoogste weldaad voor een werkmanskind, bestond er eene bijzondere reden van zijne drift en haast om zijne speelgenoote te leeren lezen. Hij wist, dat zij, zoohaast het mogelijk zou worden, naar de fabriek zou moeten gaan, en dan, vreesde hij, zou zij niet meer kunnen leeren; misschien zelfs zou hij niet meer of zeer zelden met haar kunnen spelen.
Inderdaad, vader Wildenslag was een vijand van het onderwijs. Volgens zijne meening,—die, eilaas, gedeeld wordt door vele onwetende werklieden—zijn de kinderen slechts op de wereld om hunnen ouders geldelijk voordeel aan te brengen, en is alle opoffering voor hen eene domheid, zoohaast er middel bestaat om ze te ontwijken. Alhoewel hij zijne kleine Godelieve meer dan zijne andere kinderen beminde, verschrikte het hem, dat zij te huis met een boek op de knieën zat, en door hare netheid en kiesche manieren tot eene juffrouw scheen op te groeien. Het was, volgens zijne gedachte, een slecht voorbeeld in een huisgezin, waar iedereen bestemd was om, van kindsbeen af tot aan het graf, te werken zonder rust en zonder hoop op verbetering.
Godelieve was te jong en te zwak om nu reeds naar de fabriek te gaan; maar er bestond in de buurt een huis, waar men den kleinen meisjes leerde handwerken. Daar zou zij eerlang elken dag eenige centen verdienen, en dit was toch alweder zooveel in het huishouden gewonnen. Daarenboven, zij zou gevoelen, dat zij geboren was om te werken evenals de anderen, en de luiheid, de juffrouwerij, zooals hij het noemde, zou den tijd niet hebben om in haar te groeien.
Meer dan eens reeds had hij met zijne vrouw over zijn inzicht gesproken; maar moeder Wildenslag had hem telkens tot een uitstel overgehaald, door hem te doen begrijpen, dat Lieveken nog altijd zwak en kwijnend was.
Deze reden ontsnapte haar evenwel na eenige maanden; want Lieveken scheen gezond te worden, en hare leden hadden in korten tijd zeer in sterkte toegenomen.
Dan werd op zekeren middag het vonnis over haar geveld, en haar werd bekend gemaakt, dat zij des anderen daags 's morgens, te zes uren, naar het speldenwerkhuis zou gaan.
Het meisje zou zich zonder het minste verdriet onderworpen hebben, want zij wist niet, wat haar in dezen nieuwen toestand wachtte; maar de vader deed haar de ergste zijde van haar lot begrijpen, toen hij haar zeide:
"En dan, Godelieve, is het voor altijd gedaan met leeren lezen. Gij kent daarvan al veel te veel voor een arm werkmanskind. Poog het liever te vergeten, want anders zou het u gedachten kunnen geven, die u later op den doolweg zouden brengen. Geene boeken meer in huis; denk aan werken alleen."
Godelieve ging zwijgend het huis uit en bleef bij de deur met gebogen hoofd staan. Lang overwoog zij. Zij zou niet meer mogen leeren! Dit gepeins rukte tranen uit hare oogen, en zij ging langzaam en als dwalend naar de woning van bazin Damhout.
Zij verscheen in de kamer met het voorschoot voor de oogen. Adriaan Damhout was reeds terug naar zijne fabriek; maar dewijl het Donderdag en schoolverlof was, zat Bavo nog nevens zijne moeder bij de tafel.
De jongen sprong met eenen gil van zijnen stoel op, greep het meisje de hand en vroeg:
"Lieveken, gij krijscht? Wie heeft er u kwaad gedaan?"
Maar Lieveken begon luide te snikken en scheen ontroostbaar.
"Nu, Godelieve, spreek, wat is u geschied? Het zal niet erg zijn," zeide moeder Damhout.
"Ach, ik mag niet meer leeren lezen!" zuchtte het kind.
"Hoe? Waarom? Het kan niet zijn!" morde Bavo met eene uitdrukking van ongeloof en tevens van opstand.
"Neen, ik mag niet meer leeren lezen, nooit meer. O, Bavo, ik kan reeds bijna lezen, en nu moet ik geweld doen om het weder te vergeten!"
"Wie, wie zegt dit?" kreet de jongen.
"Mijn vader heeft het gezegd, en er is niets aan te doen," antwoordde het droeve Lieveken.
"Uw vader!" herhaalde Bavo met schrik.
"Ja, en morgen van te zes uren moet ik naar het kantwerkhuis, en ik mag nooit een boek meer in de hand nemen, dat vader het zie. Och God, wat ben ik ongelukkig!"
Luider nog begon zij te krijschen; de tranen biggelden van tusschen hare vingeren.—Bavo, door medelijden ontroerd, liet het hoofd op de tafel vallen en begon insgelijks te weenen.
Gedurende eenigen tijd deed vrouw Damhout pogingen om de kinderen te troosten; maar zij gelukte er niet in. Om hun eenigen moed te geven, beloofde zij eindelijk, dat zij moeder Wildenslag zou gaan spreken, en zij drukte de hoop uit, dat zij misschien het pijnlijk vonnis zou kunnen verbidden.
Haastig schikte zij alles in de kamer, en zeide dan tot het meisje:
"Zijt gij wel zeker, Lieveken, dat uwe ouders beslist hebben u naar het kantwerkhuis te doen?"
"Zeker, bazin Damhout, reeds van morgen vroeg."
"Zij weten dus niet wat een kantwerkhuis is?"
"Ik geloof, dat zij het wel weten. Dit is niets, bazin Damhout; ik wil wel naar het kantwerkhuis gaan, ik zal er mijn best doen zooveel ik kan; maar dat ik niet mag leeren lezen, daarom heb ik zooveel verdriet."
"Welnu, blijf hier; ik ga naar uwe moeder. Krijsch niet meer. Misschien kom ik terug met goed nieuws."
Eenige oogenbliken daarna trad vrouw Damhout in de woning van Wildenslag.
"Wel goeden dag, Christina, wat geluk u hier te zien!" riep de moeder van Godelieve. "Zijt gij op den wandel? Het gebeurt u niet veel. Ik heb daar juist koffie opgeschonken, omdat het vuur toch aan was. Wij gaan een lekker kopje te zamen drinken....
En gij daar, vuile bengels, de deur uit, totdat ik u roepe, of anders zal het troef op uwen rug zijn!... Nu, zit neer, Christina, wij zijn alleen en kunnen op ons gemak een beetje kouten."
"Het is om een beetje te kouten, dat ik gekomen ben, Lina," antwoordde vrouw Damhout, zich nederzettende. "Is het inderdaad waar, dat gij besloten hebt uwe Godelieve op het kantwerkhuis te doen?"
"Het is waar, Christina. Ik hadde haar nog wel eenigen tijd te huis gelaten. Het kind is nog niet van de sterksten; maar mijn man houdt niet af, en hij heeft misschien gelijk. Hoe vroeger men de kinderen aan het werk gewent, hoe beter. Dan brengen zij al gauw iets of wat in het huishouden. Gij trekt zulk aardig gezicht, Christina? Verwondert het u, dat wij onze Godelieve naar het kantwerkhuis doen gaan?"
"Het bedroeft mij."
"Waarom toch?"
"Ik ga het u zeggen, Lina; en vermits gij moeder zijt en een goed hart hebt, zult gij mij begrijpen, ik hoop het ten minste. Gij weet misschien niet wat een kantwerkhuis is? Ik weet het, ik heb er een paar jaren op eenen stoel genageld gezeten, en ik zou misschien daar eenen vroegen dood mij op den hals gehaald hebben, hadde mijn goede peter zaliger, God zegene hem, mij niet van daar weggenomen om mij naar de school te laten gaan. Ziet gij, Lina, in zulk kantwerkhuis zitten de arme kleine meiskens van den vroegen morgen tot den laten avond over een kantkussen gebogen. Men laat toe, dat de kinderen een oogenblik ademhalen. Nooit opzien, nooit verroeren; altijd werken met gekromde leden en verpletterde borst. Dit eeuwig zitten maakt de kinderen bleek en ziekelijk; velen groeien er krom van, eenigen krijgen een bult, en het ergste van al is, dat, met hun zoo langzaam de borst in te drukken, men dien ongelukkigen kinderen de tering in het lijf steekt. Och, wist gij, Lina, hoevele jonge vrouwen er begraven worden, die in het kantwerkhuis den doodelijken knak gekregen hebben!"
"Hemel, gij verschrikt mij!" zuchtte bazin Wildenslag. "Maar het is zeker niet waar, wat gij daar altemaal zegt!"
"Het is ten minste grootendeels waar, Lina. Ik weet het, er zijn sterke kinderen, die wel niet ziek worden, omdat zij op het kantwerkhuis zijn geweest; maar had ik een kind, dat zoolang ziek was als Godelieve, ik zou het niet durven wagen hare gezondheid te krenken en misschien de schuld te worden des doods van mijn kind. Ik ben moeder...."
"Maar ik ook, ik ben moeder!" kreet bazin Wildenslag.
"Ik weet het, Lina," was het stille antwoord. "Had ik kunnen twijfelen aan uwe liefde voor uwe kinderen, gij zoudt mij vandaag hier niet gezien hebben. Godelieve is mij komen zeggen, dat gij besloten hebt ze morgen naar het kantwerkhuis te doen gaan. Mij raakt de zaak wel niet persoonlijk; maar gij zult het mij vergeven, dat ik uw kind gaarne zie. Zij is toch zoo minzaam en zoo verstandig, en zij heeft zulk goed en zuiver hart. Het doet mij pijn, te moeten denken, dat het arme lam misschien de borst zal worden ingedrukt, om vroegtijdig te sterven."
"Maar, Christina, zij gaat niet naar het kantwerkhuis!" riep vrouw Wildenslag met eene soort van verontwaardiging. "Ik ben arm, ik ben eene onwetende sloor, dit beken ik; maar ik heb ook een moederhart in het lijf; ik zal mijn kind de borst niet laten indrukken, al gave men mij eenen hoop goud!"
"Dit vereert u in mijne oogen, Lina," zeide bazin Damhout, "dat gij uw arm Godelieveken zoo oprecht bemint ... maar uw man?"
"Mijn man? Wat heeft hij zich daarmede te bemoeien? Godelieve is een meisje, en over de meisjes is de moeder alleen meesteres. Dat hij met zijne bengels van jongens doe wat hij wil; ik kom daar ook niet tusschen. Wees niet bevreesd, Christina; al verroerde hij hemel en aarde, onze Lieveken zou toch niet naar het kantwerkhuis gaan. Het is beslist; ik kan niet weten, of gij geheel gelijk hebt, maar met den schrik, dien gij mij hebt aangejaagd, zou ik nog niet plooien, al stond ik voor den koning zelven."
De beide moeders drukten elkander de handen; bazin Wildenslag scheen zeer gevleid door den lof en de vriendschap harer buurvrouw, en het was met onverborgene blijdschap, dat zij haar aandreef om nog een kopje koffie te drinken. Eindelijk zeide zij in gedachten:
"Zeker, Godelieve gaat niet naar het kantwerkhuis; maar zij kan toch niet langs de straat blijven loopen? Haar vader knort dagelijks daartegen, en hij heeft geen ongelijk. Zij is nog te jong om naar de fabriek te gaan. Wat zou ik met het kind doen, Christina?"
"Indien ik u eenen goeden raad mocht geven...."
"Wel, het is naar goeden raad, dat ik u vraag."
"In uwe plaats liet ik Godelieve voor een paar jaren naar de school gaan."
"Naar de school gaan? Ons Lieveken naar de school? Waar zijn toch uwe zinnen, Christina?" riep vrouw Wildenslag als verbaasd. "Hebben wij, arme fabriekwerkers, de middelen, om van ons kind eene juffrouw te maken, die niet meer zou willen en kunnen werken?"
"Gij verstaat mij niet, Lina," bemerkte vrouw Damhout. "Lieveken kan, om zoo te zeggen, reeds lezen. Indien ze nu nog twee jaren naar de school gaat, zou ze geleerd zijn en goed kunnen schrijven en rekenen. Dan deed ik ze bij eene kleermaakster of op een modewinkel. Zij zou dienvolgens ook leeren werken, maar zij zou niet onwederroepelijk veroordeeld blijven, om tot het einde van haar leven eenvoudige werkster en dienstmeid van anderen te blijven. Met hare geleerdheid zou zij zeker winkeldochter worden, en later zou ze zonder twijfel zelve eenen winkel oprichten en meesteresse worden. Het verwondert u? De geleerdheid, Lina, maakt den mensch tot alles bekwaam. Voor ons, onwetende werklieden, is er geene verbetering mogelijk; wat wij zijn, moeten wij blijven tot onzen dood; maar geven wij onzen kinderen de geleerdheid, dan zetten wij de wereld geheel open voor hen, en wij nemen van hun hoofd de vermaledijding weg, de onwetendheid, die hen veroordeelde tot een leven zonder hoop."
Bazin Wildenslag luisterde met wijdgeopende oogen; zij scheen niet wel te begrijpen, wat hare buurvrouw zeide.
"Vooronderstel nu eens, Lina," hernam deze, "dat uwe Godelieve winkeldochter worde, en later zelve meesteresse; dat zij veel geld winne en als eene ware juffrouw gekleed ga. Zou u dit bedroeven? Is het geluk van haar kind de hoogste vreugde eener moeder niet?"
"Inderdaad, Christina."
"En indien gij, met de hand op het hart, u zelve mocht zeggen, dat gij, gij alleen de oorzaak zijt van hare welvaart in de wereld, zou het u niet hoogmoedig maken?"
"Ja, maar zou zij dan hare arme ouders wel blijven beminnen?"
"Waarom niet? Is de dankbaarheid dan vijandin van de liefde? Integendeel, ik ben wel zeker, dat Godelieve nooit uwe weldaad zou vergeten en tot op haren ouden dag nog in zich zelve zou zeggen: mijn geluk, mijne welvaart ben ik verschuldigd aan mijne moeder. Uwen naam zou zij zegenen, haar leven lang, en zij zou God bidden, dat Hij u in Zijnen schoonen hemel beloone voor uwe goedheid."
Vrouw Wildenslag was getroffen; hare oogen schenen vochtig van ontroering.
"En dan, ziet gij, Lina, de verstandige lieden zouden u achten en prijzen. Zij zouden zeggen: die juffrouw, de meesteresse van dien schoonen modewinkel, is de dochter van bazin Wildenslag. De arme werkmansvrouw heeft moed getoond; zij heeft hare dochter laten leeren en dus haar geluk in de wereld verzekerd."
"Het is wel schoon wat gij daar zegt," zuchtte de moeder van Godelieve, "maar zoo valt het niet altijd uit."
"En ware de zaak onzeker, zoudt gij daarom Lieveken tot eeuwige armoede veroordeelen, als gij het middel kent om haar een beter lot te bezorgen? Zijt gij niet moeder, en zou de overtuiging, dat gij uwen plicht hebt gedaan, u niet hoogmoedig en blijde maken voor gansch uw leven?"
"Naar de school gaan, het is gemakkelijk te zeggen," mompelde vrouw Wildenslag, het hoofd schuddende, "maar het geld, de kosten?"
"Daar loopen geene kosten op, Lina. Bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, achter St.-Anna-Kerke, zal men uw kind met vreugde ontvangen en het kosteloos leeren, zoolang gij wilt. Wat zijn die twee jaren? Lieveken kan toch niets winnen, en, eens geleerd, zal zij zooveel te spoediger bekwaam zijn om een schoon dagloon te verdienen. Wees zeker, indien gij mijnen raad volgt, zult gij er mij later om bedanken."
Moeder Wildenslag boog het hoofd en zag zwijgend ten gronde.
"Welnu, wat denkt gij van mijnen raad?" vroeg hare buurvrouw.
"Laat mij overwegen; het is eene gewichtige zaak. Ja, ik ben moeder, en het geluk van mijn kind...."
Eensklaps sprong zij recht, liep tot eene kas, drukte zich eene zuivere muts op het hoofd en wierp zich eenen katoenen mantel over de schouders.
"Kom, Christina," riep zij, "ga mede met mij!"
"Maar wat wilt gij doen?" vroeg bazin Damhout verwonderd.
"Wat ik wil doen? Ik heb nu een goed gepeins, en ik ben vervaard, dat het zou kunnen veranderen. Zóó ben ik. Het moet maar seffens gedaan worden, anders komt het er niet van. Wij gaan naar de Zusters, om te zien, of zij mijne Godelieve op hunne school willen toelaten."
"Moet gij niet eerst uwen man daarover raadplegen?"
"Denk daar niet aan. Van een beetje lawijd en eenen avond gegrom zal ik niet ziek worden. Lieveken is mijn kind, en als de zaak eens afgedaan en geklonken is, zal haar vader zooveel te gemakkelijker te overwinnen zijn. Kom, kom, geen tijd verloren. Gij kunt schoon en beleefd spreken, Christina, doe gij het woord bij de Zusters, dan geraken wij seffens klaar, indien het mogelijk is."
De beide vrouwen verlieten het huis en verdwenen onmiddellijk achter den hoek der stege.
Intusschen wachtten Bavo en Lieveken met koortsig ongeduld op de terugkomst van vrouw Damhout. In het eerst hadden zij elkander getroost met de hoop op goed nieuws; maar dewijl Bavo's moeder zoolang weg bleef, ontzonk hun eindelijk de moed geheel.
Nu zaten zij sedert een half uur zwijgend te treuren, toen eensklaps de deur werd geopend en zij hunne moeders zagen verschijnen. Bevend sprongen gij recht; hoop en vrees glinsterden in hunne wijdgeopende oogen.
"Godelieve," zeide bazin Wildenslag met groote blijdschap, "gij moet niet naar het kantwerkhuis! Morgen gaat gij naar de school, bij de Zusters-ten-Nonnenbosch, en gij zult mogen leeren gelijk Bavo!"
Een blijde kreet ontsnapte het gelukkige Lieveken; zij omhelsde hare moeder en vrouw Damhout; zij greep Bavo bij de handen en danste juichend met hem de kamer rond.
"Ik mag naar de school gaan, ik mag leeren, gelijk gij, Bavo!" riep zij, in de handen kletsend. "Hoe goed, hoe schoon!"
En zij stortte zich vermoeid tegen de borst harer moeder, streelde haar de wangen met de beide handen en stamelde op den toon eener diepgevoelde dankbaarheid:
"Ach, moeder lief, ach, moeder lief, wat zijt gij goed voor uw arm Lieveken. O, wat zie ik u gaarne! Wat zal ik u altijd gaarne zien, mijn geheel leven lang!"
Bazin Wildenslag veegde zich eenen traan uit de oogen. Zulke moederlijke fierheid, zulke zuivere, innige blijdschap had ze nog nooit gevoeld. Het scheen haar, dat er iets in hare natuur was veredeld geworden: zij had ten minste dit besef van eigene waardigheid, dat als eerste belooning van eenen grooten vervulden plicht in den mensch ontstaat.
"Kom, Lieveken," zeide zij, "laat ons naar huis gaan. Ik moet eens goed al uwe kleederen nazien en u een nieuw paar schoenen koopen. De kinderen op de school zijn altemaal zoo netjes, en ik wil niet, dat daar iets op mijne kap te zeggen valle."
In het uitgaan drukte zij met bijzondere kracht de hand van vrouw Damhout, en zeide tot allen groet:
"Dank, dank!"
Lieveken was ter schole bij de Zusters. Hoe fier en hoe gelukkig gevoelde zich het arme kind, wanneer zij, met hare leerboekjes en hare schalie in de hand, door de stege stapte! Nu zou zij het onderwijs genieten evenals Bavo. Zij was dus een bevoorrecht wezen tusschen al deze arme werkmanskinderen, die niet mochten ter schole gaan. De overtuiging, dat zij het voorwerp was van eene onverwachte en bijzondere gunst, dreef haar aan tot eene ongewone vlijt. Elken avond herhaalde zij hare lessen met Bavo. Dewijl zij eenen helderen geest en een sterk geheugen had, deed zij met dit dubbel onderwijs in min dan een jaar zulke groote vorderingen, dat hare leermeesteressen zelven er over verwonderden. Daarenboven, zij was zoo gehoorzaam, zoo dankbaar, zoo streelend, dat de Zusters haar met eene bijzondere voorliefde behandelden, en allengs trotsch werden over de verrassende vruchten van hun onderwijs in dit arme werkmanskind.
Vader Wildenslag had nooit rechtzinnig toegestemd om zijn meisje ter schole te laten gaan. Hij gromde nog immer tegen deze gevaarlijke gekheid, zooals hij het noemde; en wanneer hij met zijne vrouw er over sprak, vielen er vele grammoedige en bittere woorden. Het was zijne ingewortelde gedachte, dat het onderwijs een werkmanskind onfeilbaar moet verloren leiden; want volgens hem sproten uit de geleerdheid de zucht naar schoone kleederen, hoovaardij en vele ergere dingen. Het minste kwaad was nog, dat de kinderen, welke dus boven hunnen staat verheven worden, eindelijk van hoogmoed op hunne ouders nederzien. Daarenboven, terwijl ze leeren, winnen ze niets, en dit is zooveel ontstolen aan de ouders, die recht hebben op het werkloon hunner kinderen. Hij was niet alleen van dit gevoelen; zijne vrouw mocht het vragen aan al hare geburen; buiten bazin Damhout zou geen enkele anders spreken. In het eerst had hij, door zijne herhaalde aanvechtingen en bovenal door zijne droeve voorspellingen, zijne vrouw in twijfel gebracht; maar nu waren allengs zijne woorden onmachtig op haar geworden.
Lieveken woonde dikwijls de samenspraken bij, waarin er over haar lot werd getwist: zij hoorde en zag bevend, hoe hare moeder haar verdedigde en hoe zij te lijden had om haar op de school te houden. Het kind wist zulke zoete woorden, zulke teedere streelingen te vinden om hare moeder te troosten; zij drukte hare dankbaarheid met zooveel gevoel en kracht uit, dat bazin Wildenslag soms haar beminlijk Lieveken tegen de borst drukte en diep ontroerd haar omhelsde.
Uit erkentenis voor hare moeder, poogde Lieveken zich op alle wijze nuttig te maken. Zij stond op met het krieken van den dag, schikte, kuischte en schuurde, en deed zooveel, dat het huisje van Jan Wildenslag allengs een min onzindelijk aanzien kreeg. Zij sprak tevens met hare moeder over hetgeen zij op de schole leerde en over de schoone lessen van zedelijkheid en van wellevendheid, welke de Zusters haar gaven. Zoo begon het kind, zonder het te weten, de opvoeding harer moeder, en het wierp in haar hoofd de eerste lichtstralen, welke er ooit waren in doorgedrongen.
Bazin Wildenslag, hoe woest en onwetend ook, had een goed hart en veel gezonde rede. Wanneer zij alleen was met Lieveken en zij het kind zoo eenvoudig en toch zoo schoon hoorde spreken van haar onbekende dingen, van godsvrucht, van zedelijkheid en van de menschelijke plichten, gevoelde zij zich in eene andere lucht, en het scheen haar, dat hare eigene natuur door de aanraking van haar kind zich verhief en zich louterde.
Ook zeide zij soms tot hare buurvrouw: "Zie, bazin Damhout, wij, arme lieden, wij denken, dat wij dom en slecht zijn. Het is niet waar. Het goede steekt er in, maar niemand heeft het er doen uitkomen. Hadden mijne ouders mij beter opgebracht en mij laten leeren, ik zou een ander mensch geworden zijn; want nu gevoel ik het wel, ik ben zoo bot niet als ik zelve het meende. Ware het nog te herdoen! Maar het is te laat, gebuurvrouw. Ik heb nu toch het geluk, te weten, dat mijne Godelieve goed zal geleerd worden. Zij is een engeltje in mijn huis; en mijn man mag mij vervaard maken zooveel hij wil, ik ben zeker dat ik plezier in mijn kind zal hebben zoolang ik leef. Wat hare broeders en zusters betreft, kleinen en grooten, daar is niets goeds van te verwachten. Zij staan tegen mij op, alsof ik geboren ware om hunne slavin en hunne dienstmeid te zijn. Ik heb al moeite gedaan om de kleinste naar de school te krijgen; maar Wildenslag springt vijf voet hoog van gramschap, zoohaast ik daarvan spreek."
Misschien had de tevredenheid van vrouw Wildenslag nog eene andere reden. Zij was naar de school van Lieveken gegaan. De Zusters hadden haar met eene bijzondere beleefdheid en met eene zichtbare blijdschap ontvangen; haar de wonderlijke vorderingen van haar kind geroemd; haar hoog geprezen, omdat zij, nederige werkmansvrouw, haar kind liet leeren, en haar eindelijk, tot overmaat van vriendelijkheid, op eene lekkere koffie onthaald.
Natuurlijk, zulk eerbewijs en de uitbundige lof over haar zelve en over haar kind hadden haar het hoofd duizelig gemaakt, en zij was uit de school teruggekeerd met het vaste opvat, Godelieve zoolang mogelijk te laten leeren.
Daaruit volgde, dat, als de twee jaren verloopen waren, zij allerlei listen uitvond en zelfs openlijk tegen haren man in opstand kwam, om haar meisje nog eenige maanden langer op de school te laten.
Alles was echter geene vreugde in het leven van Lieveken. Hare broeders en zusters, waarvan er reeds drie op de fabriek werkten, hadden voor haar eene soort van haat opgevat. Het scheen hun eene schreeuwende onrechtvaardigheid, dat Godelieve, zonder geld in huis te brengen, in luiheid mocht leven.—Onrechtvaardigheid vanwege de ouders was het zeker, dat zij al hunne kinderen niet hadden laten leeren; maar zoo verstonden de woestaards het niet. Op Lieveken alleen meenden zij zich te moeten wreken. Zij noemden haar spottenderwijze de Mammezel, scholden haar uit voor eene leegloopster, eene opvreetster, mishandelden haar, bevuilden of scheurden hare boeken en schenen eene samenspanning te hebben aangegaan om het arme meisje te bedroeven en te plagen.
Godelieve verdroeg alles met een engelachtig geduld; slechts wanneer men hare schrijfboeken bemorste of beschadigde, weende zij in stilte, omdat zij vreesde in de school door de Zusters te worden bekeven.
Elken dag, zoohaast het avondmaal was geëindigd, ging zij met hare boeken naar het huis van bazin Damhout. Daar las en schreef zij aan de zijde van Bavo, ontving zijne terechtwijzingen en zijne lessen met een liefderijk gemoed, en speelde dan nog wat, en koutte misschien met haren jongen vriend van hetgeen zij beiden meenden of hoopten later in de wereld te zullen worden.
Bazin Damhout arbeidde zonder ophouden aan het naaien van kielen of van ander lijnwaden kleedergoed. Dewijl haar oudste meisje nu insgelijks naar de school ging, moest zij pogen wat meer geld te winnen, om haren man niet te laten gevoelen, dat het onderwijs der kinderen, ofschoon kosteloos, toch wel eenige opoffering vergde.
Niet zelden wanneer Adriaan Damhout in gezelschap van Jan Wildenslag was geweest, keerde hij naar huis met een versomberd gelaat, en dan ontsnapten hem treurige bemerkingen, die genoeg lieten blijken, dat hij nog altijd ongerust was aangaande de gevolgen der al te hooge opvoeding, welke zijne vrouw aan hare kinderen gaf.
Misschien dat de arme moeder niet geheel zonder vrees of twijfel was; want zij hield niet op van Bavo en Lieveken, onder alle vormen en bij elke gelegenheid, de dankbaarheid en de liefde tot hunne ouders als eenen heiligen plicht aan te prijzen. Alsof zij, door eene geheime inspraak harer ziel, gevoelde, dat geleerdheid niet voldoende is om alleen den mensch te vormen, legde zij met eene teedere oplettendheid in het hart van haren zoon en in het hart van Lieveken de kiemen van het diepste plichtgevoel en van de zuiverste deugden neder.
Zij was sedert jaren gewend aan de tegenwoordigheid der kleine Godelieve; nu vond zij haar geluk in de zoete vriendschap der kinderen voor elkander en in hunne ijverige leerzaamheid. Zij aanschouwde eenigszins het goede meisje als haar eigen kind. Was zij de oorzaak niet, dat zij naar de schole ging? En gaf deze weldaad haar het recht niet om Godelieve uitzonderlijk te beminnen?
Het meisje erkende hare liefde niet alleen door eene groote dankbaarheid, maar tevens door een gevoel van diepen eerbied en van ontzag, dat zij zelfs op Bavo overdroeg; want alhoewel zij aan zijne zijde leefde als zijne zuster en zijne gelijke, bleef hij in hare oogen altijd een waardiger wezen, wiens vriendschap en wiens edelmoedige bescherming zij onverdiend genoot.
Eindelijk toen Godelieve bijna gedurende drie jaar had ter schole gegaan, kon hare moeder het niet langer tegen haren man volhouden, en er werd beslist, dat het meisje met het begin der volgende week het gesticht der Zusters zou verlaten.
Wildenslag meende, dat men haar onmiddellijk op de fabriek moest doen; zij zou er seffens eenige stuivers elken dag winnen, terwijl zij, om een handwerk te leeren, misschien nog wel gedurende twee jaar met eenen of twee stuivers per week zou naar huis komen. Al die geldverkwisting, beweerde hij, had geen ander gevolg dan eene pint bier en een brok vleesch uit zijnen mond en uit den mond harer broeders en zusters te rooven. Het kwetste hem daarenboven, dat zijne dochter op eenen juffrouwenstiel ging en niet fabriekwerkster bleef gelijk hare ouders.
Daarover echter behaalde hij geen gelijk. In den geest van vrouw Wildenslag was de toekomst van Godelieve afgebakend zooals Bavo's moeder ze haar had voorspeld. Zij zou kleermaakster worden, winkeldochter en eindelijk meesteresse; daar was niets aan te doen, haar man mocht er tegen grollen en grimmen zooveel hij wilde.
Toen Lieveken met het onverwachte nieuws bij Bavo kwam en zeide, dat zij hare school ging verlaten, was er eerst verrassing en dan stille treurnis. De kinderen wisten niets daartegen in te brengen en onderwierpen zich; maar hunne oogen, wanneer zij elkanders blikken ontmoetten, waren klagend, en uit Lievekens boezem ontsnapte nu en dan een zucht. Het was zoo goed voor haar bij de Zusters; zij was er zoo bemind geweest en zij droeg haren leermeesteressen zooveel dankbare genegenheid toe. Hare goede weldoensters voor altijd vaarwel te zeggen, viel haar hart bitter en wreed. Maar het kon niet anders: zij was arm in de wereld en moest een ambacht leeren, dit wist zij wel.
Bazin Damhout zeide aan hare buurvrouw, dat zij niet mocht nalaten de Zusters van hare beslissing te verwittigen, en bij deze gelegenheid hen duizendmaal en uit den grond des harten moest bedanken voor hunne goedheid.
Daar Lina reeds eens in het gesticht met bijzondere vriendelijkheid was onthaald geworden, volgde zij den raad harer buurvrouw.
Wie het meest verrast en bedroefd schenen bij de onverwachte aankondiging, waren de Zusters. Godelieve was eene leerlinge, op welke zij niet alleenlijk trotsch waren, maar zij hadden allen het meisje bijzonder lief om hare voorbeeldige zedigheid en ijver, en meer nog misschien om hare aandoenlijke dankbaarheid. Daarenboven, Godelieve was hun reeds sedert eenige maanden behulpzaam geweest om de kleinste meisjes te leeren spellen.
Nadat de Zusters de redenen van bazin Wildenslag hadden gehoord, staken zij de hoofden bijeen en spraken eenigen tijd in stilte met elkander.
Dan zeide de oudste:
"Vrouw, het zou ons pijn doen, onze beste leerlinge nu reeds te moeten verliezen. Wij waren fier op haar, en hadden ze wel gaarne nog een jaar behouden, om te doen zien waartoe wij bekwaam zijn, als onze lessen in eenen goeden grond vallen. Zoudt gij ze niet nog een beetje op onze school kunnen laten?"

"Onmogelijk, Zuster," antwoordde bazin Wildenslag met eenen zucht. "Ik wenschte het ook wel. Vermits ik slechts één kind heb, dat heeft mogen naar de school gaan, zou ik ze willen laten leeren zoolang ze kan; maar mijn man is niet meer te stillen. Wij kunnen zóó niet leven. De kinderen kosten geld. Ik heb er niet minder dan zes; en, gelooft mij of niet, ze eten ons waarlijk het haar van het hoofd. Als de kinderen hunnen eigen kost niet verdienden, zoohaast ze groot genoeg zijn, dan moeten al de menschen van onze soort naar de armen."
"En wanneer denkt gij, dat Godelieve, met den kleermakersstiel te leeren, haren kost zou beginnen te verdienen?"
"Niet spoedig, Zusters, ik weet het wel: binnen twee jaar misschien, zoo allengskens."
"Welnu, wij willen u een goed voorstel doen. Laat Godelieveken nog naar de school komen. Zij zal hier het noenmaal en het avondmaal genieten, en zelfs het ontbijt, indien gij wilt. Wij zullen eene bijzondere zorg aanwenden om haar goed te leeren naaien. En zoohaast zij dertien of veertien jaar bereikt en wel onderwezen is, zullen wij zelven haar op eenen winkel doen, bij eene meesteresse, die haar zal beschermen en bevorderen. Zij zal dus den verloren tijd ruimschoots inwinnen. Bevalt u dit voorstel?"
"Ach, menschen lief, wat zijt gij toch goed voor mijn arm kind!" riep moeder Wildenslag met de tranen in de oogen. "Dat God u beloone voor uwe liefdadigheid. Ja, ja, zeker, ik neem uw edelmoedig voorstel aan uit gansch mijn hart."
Zoo bleef Godelieve, ondanks de tegenwerpingen haars vaders, op de school der Zusters.
Wat Bavo betreft, het is onnoodig te bevestigen, dat hij op de gemeenteschool insgelijks zich onder al zijne medeleerlingen onderscheidde. Hij was in geleerdheid oneindig verder dan Lieveken; hij had een schoon geschrift, was zeer geoefend in het rekenen en had reeds eenige vorderingen in de Fransche taal gedaan. Zijne meesters hadden hun genoegen in zijn helder begrijp en in zijne leerzaamheid, en roemden op zijnen spoedigen voortgang.
Daar zijne ouders hem voor den stiel van mekaniekmaker of van timmerman bestemden, woonde hij sedert anderhalfjaar de lessen der teeken-academie bij, en alles liet vermoeden, dat hij ook in dit nieuwe vak behendig worden zou.
Met al deze bezigheden, en alhoewel hij nu slechts te acht uren des avonds naar huis kwam, vond hij nog tijds genoeg om spelenderwijze Lieveken voort te helpen in hare eerste studie der Fransche taal, welke zij op hare school nu insgelijks had begonnen te leeren.
Een gansch jaar verliep er dus, zonder dat eenige tegenspoed het stille geluk van bazin Damhout en van beide kinderen kwam storen. Een enkel voorval—indien men het voorval mag heeten—was van aard om aangeteekent te worden in hunne herinnering.
Bavo had sedert eenigen tijd eene zonderlinge strekking tot eenzaamheid getoond. Reeds tweemaal, wanneer zijne ouders des Zondags volgens gewoonte hem mede wilden nemen op de wandeling, was hij alleen te huis gebleven, onder voorwendsel dat hij veel schoolwerk had af te maken. Zijne moeder had hem eens verrast, terwijl hij met angstige haast iets voor haar verborg.
Wat mocht hem dus bezighouden? Hij wilde het niet zeggen; hij ontweek alle uitleggingen daarover, en bazin Damhout was niet zonder kommer, alhoewel zij niet juist wist wat zij vreesde.
Op zekeren avond kwam Bavo te huis van de school; hij scheen uitermate blijde, liep van den eenen kant der kamer naar den anderen met zichtbaar ongeduld en deed niets dan in zich zelven zeggen:
"Is Lieveken nog niet gekomen? Waar blijft toch Lieveken? Indien zij eens dezen avond niet kwame!"
En als bazin Damhout hem vroeg, wat hem zoo aanjaagde, antwoordde hij lachende:
"Gij zult het straks zien, moeder lief, en dan zult gij weten, wat ik voor u hield verborgen."
"Ha, ha, daar is Lieveken!" riep hij uit.
Het meisje aanschouwde hem verbaasd en keek rond om te raden, wat hem zoo vroolijk maakte.
"Welken dag van het jaar zijn wij?" vroeg hij haar.
"Ik weet het niet," stamelde zij. "In de maand Juli...."
"Welnu, zie eens in dezen almanak, daar op den zesden der maand, welke heilige staat daar?"
"Sinte-Godelieve!" zeide het meisje met verwondering.
"Ja, Godelieve, het is uw dag," juichte hij. "Ik ga u besteken; ik heb een geschenk voor u. Eene maand lang heb ik in het geheim er aan gewerkt. Gij moogt er niet mede lachen en moeder ook niet. Ik heb gedaan wat ik kon."
Hij opende een groot schrijfboek, trok er een blad papier uit, legde dit op de tafel en riep:
"Zie, Lieveken, zie, moeder, daar is mijn geschenk!"
Op het blad papier stonden de beelden van twee kinderen, met waterverf gekleurd, een jongen en een meisje, hand aan hand, en houdende elk in de hand, die hun vrij bleef, een open boek. Er was een breede, driekleurige band rondgeschilderd, en deze bonte verven gaven het eenen grooten glans. Ongetwijfeld had Bavo geweld gedaan om zijne eigene beeltenis en die van Lieveken na te bootsen; de kleederen geleken klaarblijkend; maar het geheel was een zoo gebrekkig en grof kinderwerk, dat men moeilijk het inzicht des makers hadde kunnen raden, indien hij niet onder de beelden in groote letteren hadde geschreven: BAVO EN LIEVEKEN.
Verrast en schier droef, omdat het kleine meisje beweegloos bleef en niet juichte, zeide hij beschaamd:
"Ja, Godelieve, het is niet goed, ik weet het wel. Ik heb het gemaakt om te lachen; het is eene gedenkenis van dat wij te zamen hebben leeren lezen."
Godelieve boog het hoofd en begon in stilte te weenen; de tranen rolden als parelen uit hare oogen.
"Wat is dit?" murmelde de verbaasde jongen. "Waarom weent gij nu?"
"Ik weet het niet," was het antwoord, "omdat gij zoo goed voor mij zijt."
"Kom, kom, het is maar spel," riep Bavo. "Hadde ik geweten, dat het beeldeken u moest bedroeven, ik hadde het aan stukken gescheurd."
"Ho, aan stukken scheuren!" gilde Lieveken met schrik. "Doe dit niet! Geef het mij, als 't u belieft!"
"Wel, het is voor u, Lieveken, dat ik het heb gemaakt."
"Wees gedankt, Bavo; ik zal de gedenkenis uwer vriendschap zoo zorgvuldig bewaren!"
Zij greep het blad papier van de tafel en, als verschrikte haar de gedachte, dat het schoon geschilderd beeld haar nog kon worden ontnomen, liep zij er mede de deur uit, roepende dat zij het hare moeder wilde toonen.
Eindelijk was de tijd gekomen, dat Bavo de gemeenteschool zou verlaten, om als leerjongen op een werkhuis van mekaniekmakers te gaan. Hij was meer dan veertien jaar, en zijne opvoeding was voltrokken.
Toen de onderwijzer van dit besluit kennis gegeven was, kwam hij zelf in de woning van Damhout, om den ouders van zijnen leerling te verzoeken en aan te raden, hunnen zoon nog op de school te laten, ten minste tot de aanstaande prijsuitdeeling. Hij twijfelde niet, of Bavo zou al de eerste prijzen der hoogste afdeeling behalen. Dus zijne opvoeding sluiten als primus der school, zou hem een groote eer zijn, en het kon hem een gewichtige titel op latere bescherming worden. De hoofdonderwijzer had Bavo lief om zijn goed hart en zijnen wakkeren geest, en hij verborg den ouders niet, dat hij er aan hield, zijnen beminden leerling de eer en blijdschap van de zegepraal te zien genieten.
Er werd dienvolgens beslist, dat Bavo nog ter schole zou blijven tot de prijsuitdeeling.
Sedert eene maand was Lieveken door hare leermeesteressen bij eene goede kleermaakster geplaatst geworden. Als beschermelinge der Zusters won zij van den beginne af een frank per week.
Dit klein loon was oorzaak, dat Wildenslag nog dikwijls zijne vrouw van dwaasheid beschuldigde, en haar poogde over te halen om Lieveken naar de fabriek te doen gaan. Daar moeten de kinderen geene lange leerjaren onderstaan, en zij winnen er onmiddellijk veel meer geld dan met welk ander ambacht. Evenwel, hoe onophoudend hij ook daarover zijne ingewortelde meening uitdrukte, zijne vrouw wilde van zulk iets niet hooren.
Des avonds, na de arbeidsuren, kwam Lieveken bij bazin Damhout. Zij had toch te veel van hare woeste broeders en zusters te lijden; en hare moeder zelve spoorde haar aan om bij hare brave buren den vrede en het stil vermaak te zoeken, welke zij in haar huis niet vinden kon.
Uit gewoonte en uit neiging nam zij nog deel in de lessen van Bavo, of juichte op voorhand met hem over de eer en het geluk, die hem zouden te beurt vallen bij de aanstaande prijsuitdeeling der gemeenteschool.
Onverwachts ontstonden er gebeurtenissen, die de Gentsche nijverheid, en dus ook de werklieden, aan harde beproevingen gingen onderwerpen. Vele vraagpunten, door de omwentelingen van Frankrijk en van België in 1830 geweldiglijk opgeworpen, waren nog onbeslist gebleven. De onderhandelingen, tusschen de mogendheden machteloos zijnde om tot vereffening te leiden, dreigden eenige der belanghebbende landen, door de wapenen hun recht te doen gelden. Alle volkeren, door de vrees van eenen Europeeschen oorlog aangedaan, riepen hunne krijgsmachten met grooten spoed te zamen. Dit verwekte eenen algemeenen schrik, waarvan, volgens gewoonte, handel en nijverheid de eerste slachtoffers werden. De overmatige voorraad van stoffen in de magazijnen, eenige groote bankroeten te Londen en te Parijs, de opslag van de ruwe katoen, spruitende uit het vooruitzicht eener belemmering in de scheepvaart, dit alles bracht voort, dat de fabrikanten niet dan met verlies konden laten werken en de meesten inderdaad hunne fabrieken sloten.
Twintigduizend menschen geraakten in Gent alleen zonder werk. Dewijl de arbeider, zelfs wanneer hij veel geld wint en geene kinderen heeft, gewoonlijk aan den dag van morgen niet denkt, vielen al deze lieden van een betrekkelijk welzijn eensklaps in de diepste armoede. In het eerst vonden zij nog iets of wat bij de winkeliers en bakkers te borgen; maar na vijftien dagen was deze hulpbron geheel opgedroogd, en dan kwamen de honger en de ware ellende deze duizenden menschen met vrouw en kinderen wreedelijk aangrijpen. Men zag ze in talrijke groepen op de markten staan of door straten dwalen, met verbleekt gelaat en ontvlamden blik, morrend en dreigend en in schijn gereed om door gewelddadigheid zich uit den bitteren nood te redden.
Door medelijden aangedreven en hopende, dat deze erge toestand niet zou voortduren, boden eenige fabrikanten hunnen werklieden aan met zekere vermindering van loon te werken; en op dien grond werden er inderdaad meer dan de helft der nijverheidsgestichten geopend.
Maar een groot getal spinners en wevers verstieten de aangebodene voorwaarden met gramschap, en beschuldigden de fabrikanten, dat zij uit zelfzucht van de omstandigheden gebruik maakten, om het werkloon neder te drukken. Na elkander gedurende eene halve week te hebben opgehitst, verdoold door onwetendheid en honger, liepen zij in stormige scharen naar de geopende fabrieken en wilden met geweld alle werkzaamheid doen staken. Zij mishandelden hunne makkers, die, om toch brood voor vrouw en kinderen te hebben, de tijdelijke loonsvermindering hadden aanvaard; zij beschadigden de gebouwen en werktuigen, en leverden zich over aan gewelddaden, die de tusschenkomst der gewapende macht noodzakelijk maakten.
Deze tooneelen van woest geweld boezemden den fabrikanten eenen grooten schrik of eene diepe spijt in. Dan werden de fabrieken voor goed gesloten en de duizenden werkmanshuisgezinnen in eene eindelooze ellende gedompeld.
Het was bovenal in de woning van Wildenslag, dat er nood en derving heerschte; want daar waren de kinderen talrijk, en men was er gewoon zonder vooruitzicht en zonder zorg op voorhand alles te verteren, wat er werd gewonnen. Moeder Wildenslag had een wreed en bitter leven; al het verdriet en al de onwil van man en kinderen vielen op haar, en zij hoorde den ganschen dag niets dan scheldwoorden en verwijtingen, als ware zij inderdaad de slavin, die in het huishouden het natuurlijke doel moest zijn van de ontevredenheid der anderen. Lieveken, die ook deel had in de kwade bejegeningen harer broeders en zusters, was de eenige troost, die bazin Wildenslag overbleef; want dit kind ten minste beminde en eerbiedigde haar, en het weende tranen van liefde en van medelijden op hare borst, wanneer de overigen haar hadden mishandeld of gehoond.
In de woning der Damhouts deed de ellende zich zoo spoedig niet gevoelen. De winkeliers hadden in hen meer vertrouwen, omdat zij bekend stonden als spaarzame lieden, en gaven hun ook langer op borg. Daarenboven arbeidde moeder Damhout, wie geen naaiwerk ontbrak, nu van het krieken van den dag tot elf uren des avonds zonder ophouden. Misschien wel had de zorgende vrouw eenen kleinen spaarpot? Hare vlijt, hare zucht om te beletten, dat haar man zich ooit over het onderwijs zijner kinderen beklaagde, laat toe te vooronderstellen, dat zij iets had bewaard tegen eenen onvoorzienen nood.
In het eerst ten minste ontbrak er niets in haar huishouden. Zij verzocht zelfs dikwijls de arme Godelieve, die honger leed ongetwijfeld, met hen het avondmaal te nemen; maar het meisje werd telkens rood bij zulke aanbieding en weigerde, zichtbaar sidderend, alsof het gepeins van in dit huis eene aalmoes te ontvangen haar met schrik en schaamte sloeg.
Nog altijd dwaalden de werklieden in de straten van Gent verhongerd en lijdend rond. Van kindsbeen af aan eene enkele soort van arbeid, aan eene eenvormige en beperkte beweging gewend, waren zij onbekwaam om tot eenig ander werk hunne toevlucht te nemen. De gedachte daarvan kwam zelfs niet in hen op, en zij zouden veeleer zich met gansch hun huisgezin van honger hebben laten sterven, dan in eenige andere bezigheid ten minste eenen tijdelijken onderstand te zoeken.
Door den langen duur der werkstaking werd de nood insgelijks voelbaar voor het huisgezin der Damhouts. Inderdaad, wat de vrouw door haren drukken arbeid met naaien kon verdienen was niet toereikend, om de huishuur te betalen en de voeding van vijf personen te bekostigen. In de winkels begon men insgelijks moeilijkheden tot langer borgen op te werpen.
Aangespoord door den ijver zijner vrouw, die, zooals hij zelf zeide, zich de vingeren van de handen werkte, poogde Damhout in de stad werk te vinden om iets te winnen. Het gelukte hem in de eerste week niet; want schrik voor den oorlog had meer dan eene nijverheid verlamd, en er liepen honderden menschen rond om werk en om brood.
Eindelijk toch, en hoezeer het hem, als spinner van ambacht, tegenstak, nam hij aan met eenige anderen eene slijkige gracht en eenen vijver uit te delven en te verdiepen.
Het bedroefde bazin Damhout uitermate, dat hij zulken arbeid had aanvaard, en zij poogde hem te overtuigen, dat hij hem moest verlaten; er zou wel een middel zijn om voort te sukkelen, totdat hij wat beters hadde gevonden, maar de man, die wanhopig was over de werkeloosheid en niet langer al den last van het huishouden op zijne vrouw wilde laten drukken, weerstond haar en begon des anderen daags den voor hem zoo ongewonen arbeid.
Gedurende de eerste week hield hij het vol; hij was wel treurig in zijn hart en tot bezwijkens toe vermoeid in al zijne leden, maar hij toonde er niets van en veinsde voor zijne vrouw en kinderen eene stille welgemoedheid.
Op eenen namiddag evenwel kwam hij naar huis, liet zich zwak en ontzenuwd op eenen stoel vallen, en zeide, dat de koude koorts hem had bevangen. Hij was inderdaad zeer bleek, en van tijd tot tijd doorliep eene zonderlinge siddering zijne leden. Eene uitdrukking van geheime verschriktheid, eene kwaadvoorspellende ontsteltenis zijns gelaats deden vrouw Damhout vreezen, dat haar man eene ernstige ziekte kon hebben betrapt. Zij bedwong hare tranen om hem niet te verontrusten, deed hem te bed gaan en kookte hem eenigen warmen drank, hem onderwijl troostende en hem de hoop op eene spoedige herstelling insprekende.
Maar de toestand van Adriaan Damhout verergerde alle oogenblikken; hij had groote pijn in het hoofd, hoestte met dor keelgeluid en klaagde over eene hevige steekte in de zijde.
De bekommerde vrouw wist niet wat te doen; zij dorst haren zieken man niet alleen laten, en evenwel moest er iemand in allerhaast naar den dokter loopen. In het over en wedergaan zeide zij in stilte aan haar kleinste meisje, dat zij bazin Wildenslag moest gaan verzoeken onmiddellijk te komen. Toen zij kort daarop de deur hoorde openen, daalde zij de trappen af, vertelde aan hare buurvrouw hoe Damhout met eene dreigende ziekte was naar huis gekomen, en verzocht haar bij zijn bed te waken, totdat zij den dokter zou hebben kunnen gaan verwittigen.
Bij geluk vond vrouw Damhout den dokter te huis en gereed om uit te gaan. Hare gebeden waren er niet noodig om hem tot een spoedig bezoek aan te sporen. Uit hare verklarigen oordeelde hij, dat hij hier waarschijnlijk met eene geweldige pleuris zou te doen hebben, en zulke kwaal is dikwijls doodelijk, indien men ze niet onmiddellijk bestrijdt.
Zijn voorgevoel was gegrond; bij het bed van den zieke erkende hij eene borstvliesontsteking, en gevolglijk was het eerste wat hij deed, den zieke de ader te openen en hem zoolang bloed af te trekken, totdat hij in bezwijming viel.
Bij het gezicht van het bloed haars echtgenoots kon vrouw Damhout hare smart niet meer bedwingen; zij borst in eenen tranenvloed los en bleef met de handen voor de oogen weenen, terwijl bazin Wildenslag den dokter in zijn werk behulpzaam was.
Toen de geneesheer bemerkte dat de zieke tot zich zelven kwam, schreef hij een briefje voor een fleschje en zeide:
"Men hale dit bij den apotheker, en geve er den lijder elk uur eenen koffielepel van. Gij moogt zoo niet wanhopen, vrouw; de kwaal is wel erg, wanneer men er niet intijds bij is, maar gij hebt wel gedaan mij seffens te komen roepen. Nu ben ik schier zeker, dat ik uwen man geheel zal genezen; maar het kan nog weken duren, vooraleer hij geheel hersteld zij. Hij zal nu waarschijnlijk lust hebben om te slapen; stoor hem niet en spreek hem niet aan; hij heeft rust noodig. Gaat beiden beneden; gij zult wel hooren wanneer hij iets verlangt. Bovenal, dat men hem geen het minste voedsel geve of late nemen. Het zou hem doodelijk kunnen worden."
En met de vrouwen beneden gekomen, zeide hij nog, terwijl hij het huis uitstapte:
"Hebt goeden moed; dezen avond zal ik wederkeeren om te zien, hoe het met onzen zieke gaat."
Bazin Damhout liet zich op eenen stoel vallen en begon nog overvloediger te weenen. Uit hare verschrikte snikken kon men slechts nu en dan de woorden: "mijn ongelukkige man! mijne arme kinderen!" verstaan.
Hare buurvrouw poogde haar te troosten en moed te geven. Of zij daarin gelukte en of de bewustheid van haren plicht als echtgenoote en moeder de arme bazin Damhout eenige kracht terugschonk, althans de tranen dezer laatste hielden op van vlieten.
"Ja, Lina," zeide zij, "gij hebt gelijk: ik moet het hoofd recht houden, alhoewel ik verga van droefheid en van angst. Ik ben alleen voor alles. Ach, mijn arme Bavo! hoe zal ik hem zeggen, dat men zijnen vader al zijn bloed heeft afgetapt? Maar ik mag zoo niet spreken. Ik zal pogen het hem te verbergen. Daar is het briefje, Lina; ik kan mijnen zieken man niet verlaten. Zoudt gij de goedheid hebben, eens om het fleschje te gaan?"
"Welke vraag?" antwoordde vrouw Wildenslag. "Zeker, men gromt en scheldt reeds ten mijnent, omdat ik weg ben; maar om u dienst te bewijzen, zou ik al wel ergere dingen willen uitstaan. Zoo alleen kunt gij niet blijven; ik zal u iemand zenden, die u misschien eene betere hulp zal zijn dan eene betaalde dienstmeid."
Bazin Damhout, nu alleen zijnde, stilde haar klein meisje door troostende woorden, luisterde met kloppend hart aan de trap en klom zelfs eens naar boven om haren angst bevrediging te geven. Zij hoorde haren man ademhalen, zij maakte met inzicht eenig gerucht; maar de zieke verroerde niet en scheen te slapen.
Dit gaf haar eenigen moed; zij daalde weder in de benedenkamer, zette zich op eenen stoel, vouwde de handen te zamen en begon met de oogen ten hemel te bidden.
Daar trad Godelieve met het fleschje van den apotheker in de kamer. Zij zette het op de tafel, naderde tot vrouw Damhout, omhelsde haar teederlijk en begon in stilte op hare borst te weenen.
Het liefderijk medelijden van het meisje ontrukte vrouw Damhout nieuwe tranen; maar nadat zij met Godelieve het ongeval van haren man gedurende eenigen tijd had beklaagd, werd zij zich zelve meester en vroeg op treurigen toon:
"Lieveken, waart gij dan niet op uwen winkel, dat gij om het fleschken zijt gegaan?"
"Mijne moeder is om het fleschken geweest," was het antwoord. "Zij is op onzen winkel gekomen en heeft met de juffrouw gesproken. Ik mag te huis blijven zoolang ik wil, al ware het gedurende vele dagen."
"Waarom te huis blijven?" murmelde vrouw Damhout, die de waarheid begon te vermoeden.
"Gij zijt zoo alleen! Om u te helpen baas Damhout op te passen en om uwe boodschappen te doen."
"Neen, neen, kind, dit is te veel goedheid van uwe moeder en van u. Ik zal Bavo van de school doen blijven. Gij moogt uwen leertijd zoo niet onderbreken, het zou u groote schade kunnen zijn."
Het meisje voegde de beide handen smeekend te zamen en zeide:
"Gij waart altijd zoo goed en zoo vriendelijk voor mij; gij zijt de oorzaak, dat ik heb mogen leeren. O, ik bid u, weiger mijnen kleinen dienst niet! Ik heb verlof van mijne moeder en van mijne meesteresse, om met u te blijven zoolang ik u nuttig kan zijn. Laat Bavo op zijne school; anders zou hij geene prijzen kunnen behalen. Het ware voor hem, voor u en voor zijnen zieken vader een nieuw en groot verdriet."
En zonder een antwoord af te wachten, schikte zij de stoelen, die in wanorde geraakt waren, en greep eenen bezem om de kamer te keeren.
Vrouw Damhout aanschouwde haar eene wijl met kloppend hart, ging tot haar, omhelsde haar en murmelde:
"Welnu, mijn goed Lieveken, ik aanvaard uwe hulp voor een paar dagen, totdat mijn man een beetje zij bekomen. Daarvoor zal God u zegenen, dat gij zoo dienstwillig zijt!"
Des avonds, als Bavo en zijne zuster Amelia te huis kwamen, zeide men hun, dat vader de koorts had, en men zijne rust niet mocht storen. De jongen zag wel aan de treurigheid zijner moeder en aan het droeve zwijgen van Lieveken, dat de ziekte zijns vaders ernstig was. Hij vergoot stille tranen, totdat de dokter, die nu was gekomen om den kranke nog eens te bezoeken, van de trap daalde en op blijden toon zeide:
"Wees gerust, vrouw, de ziekte zal geene erge gevolgen hebben; maar voor alsnu nog geen het minste voedsel en de volledigste rust. Ween niet, mijn brave jongen, uw vader zal genezen, twijfel daar niet aan."
Deze stellige verzekering gaf hun allen moed en hoop; en van dan af waren hun verdriet en angst veel verminderd.
Bavo en zijne kleine zuster gingen naar de school, als te voren. Lieveken werkte als eene ware dienstmeid; van den vroegen morgen verscheen zij ten huize van bazin Damhout, keerde en schikte de kamer, ging om water, kookte de koffie en deed alle boodschappen op zulke wijze, dat moeder Damhout de uren, welke zij niet bij het bed van haren man doorbracht, kon toewijden aan haar naaiwerk, het eenige middel om wat geld te winnen voor het huishouden.
In dien zin bovenal was de tegenwoordigheid van Lieveken eene weldaad voor de Damhouts; want ondanks het naailoon, was er veel te kort, en worstelde de arme Christina tegen eenen klimmenden nood. De ziekte van haren man dwong haar tot vele buitengewone uitgaven; zij had zelfs in 't geheim reeds hare oorringen en andere kleine juweelen verpand. Wat ware het dan niet geweest, indien de tijd tot werken haar volstrekt hadde ontbroken?
Godelieve gevoelde wel, hoe zij zich het nuttigst maken kon. Zij ijverde met eene wonderbare aanhoudendheid om vrouw Damhout allen huisarbeid te sparen, en wanneer zij zelve niets meer te doen wist, greep zij naald en garen en naaide mede aan het grofste lijnwaad.
Op eenige dagen tijds was Adriaan Damhout zichtbaar aan het beteren; maar zijne herstelling vorderde zeer langzaam. Inderdaad, de dokter had hem na den eersten dag nog tweemaal bloed afgetrokken. Daarbij had hij hem het gebruik van alle voedsel verboden. Geen wonder dus, dat de arme man welhaast zoo mager was als een geraamte, en ofschoon gezond van harte misschien, zoo zwak, dat hij nauwelijks kon spreken. Mogelijk ook dat zijne ziekte voortduurde en zich slechts langzaam liet overwinnen.
Zoohaast zijne beternis toeliet, dat men hem gezelschap hield, gingen vrouw Damhout en Lieveken bij zijn bed zitten naaien, en dan gaven zij hem moed en troostten hem door allerlei zoete woorden. Het was insgelijks bij het bed zijns vaders dat Bavo een gedeelte van den avond doorbracht.
Er geschiedde iets zonderlings in den jongen. Hij was somber en zwaarmoedig; de anderen, bij de zekerheid dat de zieke zou genezen, toonden vreugde en lachten betere tijden tegen, maar Bavo's lippen bewogen nooit meer tot den minsten glimlach. Het was, als drukte er iets op zijn hart.
Deze duistere gemoedsstemming werd inniger en vermeerderde tot eene soort van geheime spijtigheid, wanneer zijne moeder, in stede van te gaan slapen, alleen bleef zitten werken tot half in den nacht.
Zij zeide hem somwijlen, dat het niet anders kon zijn; dat, dewijl vader niet arbeiden kon, zij moest pogen iets te verdienen om den bitteren tijd door te worstelen.
De jongen antwoordde daar niet op, maar ging ontevreden en morrend naar zijn bed.
Eenige dagen later had Bavo eensklaps zijne blijmoedigheid teruggevonden. Hij was het nu die den anderen moed gaf en zich opgeruimd toonde. Vermits hij sedert eenige dagen veel vroeger dan gewoonlijk zich naar de school begaf om er werkzaam te zijn, vooronderstelde men, dat hij in de prijskampen op zijne school was gelukt, en hij ontkende zulks niet. Ieder juichte dus met hem over zijne waarschijnlijke zegepraal.
Nu Adriaan Damhout geheel buiten gevaar was geraakt, oordeelde de dokter, dat het tijd was om zijne neergedrukte krachten allengs een beetje te herstellen. Hij zeide dus op zekeren Maandag tot de vrouw, dat zij eene sterke soep van ossenvleesch moest koken, en hem daarvan nu en dan een kopje moest te drinken geven.
Groot was de verlegenheid en het verdriet van bazin Damhout. Zij was reeds twee weken huishuur ten achter; haar laatste weekloon had zij den bakker geheel gegeven, om nog wat brood op borg te bekomen. Niets was er in huis, dat waarde genoeg had om tot pand tegen geld te worden aanvaard. Nu moest er vleesch zijn: goed ossenvleesch om haren zieken man een beetje te versterken. Hoe zou zij dit vleesch bekomen zonder geld? Zij dacht aan het bureel van weldadigheid, zij droomde van de menschlievendheid van den eenen of anderen rijke in te roepen; maar deze middelen boezemden haar schrik in; het gepeins alleen van eene aalmoes te gaan vragen, deed haar beven.
Onder hare angstige bewegingen opende zij werktuigelijk de kleine lade der kas, waar zij haar geld in legde, wanneer zij geld had. Een schreeuw van verrassing ontsnapte haar. De lade was ledig sedert meer dan vijftien dagen ... en daar blonk haar nu eensklaps een glinsterend vijffrankstuk in de oogen!
Hoe kwam dat muntstuk daar? Was het God zelf, die medelijden had gehad met haren nood? Maar neen, hier kon geen wonderwerk in het spel zijn.—Lieveken? Maar Lieveken had geen geld, en hare ouders vergingen schier van gebrek. Men kon het zien op hunne bleeke aangezichten en holle wangen, dat de honger hun ingewand verteerde. Daarenboven, Lina Wildenslag verborg het niet, dat zij soms geheele dagen zonder eten waren; en bazin Damhout, hoe arm ook, had haar met eenige stuivers te gelijk het weekloon van Lieveken doen aanvaarden. Zeker, Lina hadde in elk ander geval deze teruggaaf geweigerd; maar nu zeide zij zelve, met de tranen in de oogen, dat de ellende haar dwong te vergeten, dat zij een hart had.
Van waar kon toch dit vijffrankstuk komen?
Die onoplosbare vraag maakte het hoofd der verbaasde vrouw duizelig, en zij bleef de onverwachte hulp lang bestaren. Dan eindelijk zeide zij in zich zelve:
"Wie ook onze onbekende beschermer zij, dat God hem zegene! Ho, welke sterke, goede soep zal ik gaan maken! En kan iets mijnen armen man genezen, dan zal het zeker de weldaad zijn, die ons zoo geheimzinnig en zoo edelmoedig wordt bewezen!"
Eenigen tijd daarna stond de soep op de kachel te koken; het gansche huis was vervuld met eenen verkwikkenden geur, en de verhongerde zieke lag in zijn bed te juichen over het beloofde voedsel, dat hem zoo bekorend werd aangekondigd.
Vrouw Damhout verborg noch voor haren man noch voor Lieveken, dat zij, als ware het uit den hemel gedaald, in hare kas een vijffrankstuk had gevonden, hetwelk er wel zeker nooit in gelegen had. Zij was immer vervolgd door het tergend raadsel, van waar dit geld mocht komen, en sprak er den ganschen avond van; niemand wist haar iets te zeggen, dat haar tot de ontdekking van den geheimen beschermer kon helpen. Bavo folterde insgelijks zich de hersens; maar zijne inspanning bleef even vruchteloos.
In den loop dezer week waren er geruststellende tijdingen aangaande de Europeesche staatsaangelegenheden gekomen; men zeide, dat de vrede niet zou gestoord worden, en men kondigde aan, dat sommige fabrieken ten minste gedeeltelijk zouden beginnen te werken.
Den volgenden Zondag, zeer vroeg, terwijl Bavo naar de eerste mis was gegaan, meende Bazin Damhout eenige centen uit de kas te nemen om koffie te halen. Daar zag zij, nevens een geplaatst en als ten toon gespreid, vier enkele franken in een hoekje liggen.
Nu was hare verbazing zonder palen; zij bleef eene wijl verblijd het geld bezien, sloot de kas en stapte langzaam en het hoofd schuddend, ter deur uit.
In den winkel, terwijl men haar de koffie geriefde, zeide haar de vrouw:
"Erge tijden, niet waar, bazin Damhout? Hopen wij, mensch lief, dat het haast zal beteren. Men zegt, dat er goed nieuws is van Parijs en dat het geen oorlog zal worden. Uw man is toch aan de betere hand; God zij geloofd, hij zal genezen zijn tegen dat er weder werk is. Ik beklaag u echter voor één ding; het is, dat de nood u verplicht heeft uwen Bavo van de school te trekken vóór de prijsuitdeeling. Het is spijt: de jongen hadde groote eer behaald."
"Gij bedriegt u, onze Bavo gaat nog altijd naar de school," was het antwoord.
"In het geheel niet: hij heeft sedert meer dan twee weken de school verlaten."
"Maar gij dwaalt; het is niet mogelijk!" kreet bazin Damhout met groote verwondering.
"Hoe? Blijft hij van de school zonder uwe kennis!" zeide de winkelierster. "Ik weet het van eenen ondermeester, die gisteren bij mijnen broeder, den kleermaker, op den winkel was. Sedert vijftien dagen heeft men uwen Bavo op zijne school met geene