[Blog] [MP3
Musica] [MP3 Audiobook]
[Letture Creative]
[Musica Creativa]
[English] [Francais]
[Deutsch] [Espanol]
[Portugues] [Danish]
[Esperanto] [Norwegian]
[Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian]
[Swedish] [Catalan]
[Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti
di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Grashalmen (Leaves of Grass), by Walt Whitman
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: Grashalmen (Leaves of Grass)
Author: Walt Whitman
Release Date: December 6, 2004 [EBook #14281]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GRASHALMEN (LEAVES OF GRASS) ***
Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
Proofreading Team.
"...............dit is geen boek,
Die 't aanraakt, raakt een mensch aan."
(W. W. "Tot ziens!")
WALT WHITMAN
GRASHALMEN
(LEAVES OF GRASS)
VERTAALD DOOR MAURITS WAGENVOORT
MET PORTRET VAN DEN DICHTER
1917
WERELDBIBLIOTHEEK
ONDER LEIDING VAN L. SIMONS.
UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE
LECTUUR—AMSTERDAM
GEDRUKT TER DRUKKERIJ "DE DEGEL", AMSTERDAM.
INLEIDING
{VII}
Een korte inleiding schijnt mij gewenscht. Van een reis, in 1892, door de
Vereenigde Staten van Noord-Amerika, bracht ik als kostbaarste herinnering de
Leaves of Grass van Walt Whitman mee. Tijdens mijn reis ging er geen dag om
zonder dat ik iets van hem las, en nog lang daarna nam ik dagelijks het boek op om te
herlezen. Diep was de indruk geweest, dien ik van den arbeid en het leven der
Noord-Amerikanen had ontvangen, diep was de indruk, dien ik van de Leaves of
Grass ontving. Deze poëmen, docht mij, geven een kort begrip van wat ik met
bewondering en eerbied, soms met verbijstering heb gezien; zij zijn een verkleind
beeld der geweldige republiek, het leven van Amerika verpuurd door liefde en denken
van een universeel dichter. Toch geven zij meer dan de "athletiscihe republiek": zij
openen heerlijke visioenen van wording, ontwikkeling en voortgang in steeds groeiend
recht: het Universum aanschouwd door een Amerikaan, wien de Menschheid eens een
plaats zal aanwijzen te midden der groot-edelsten van allen tijd.
Anderhalf jaar: te Chicago, Berlijn en Genua, gaf ik aan de vertaling van wat
thans wordt gepubliceerd. Dit is niet de geheele Leaves of Grass, wel de
geheele Whitman, zooals hij zich in de Leaves openbaart. De dichter herhaalt
hier en daar wat hij gezegd heeft: er was geen reden die herhalingen te vertalen;
buitendien liet ik mij door mijn smaak leiden. Er zijn enkele poëmen in de
Leaves of Grass, die mij niet bezielen, wat natuurlijk aan mij en niet aan
Whitman ligt. Zoo ook zijn eenig berijmd gedichtje Captain, my captain, dat ik
onvertaald liet, uit eerbied voor het rijm, en wijl Whitmans karakter als{VIII} dichter toch het
heerlijkst in ongebondenheid zich uit. Niettemin was het denkbeeld mij een gruwel een
salon-Whitman te geven. In mijn vertaling spreekt de bard zich uit met dezelfde zware
en toch zoo zielvolle stem, die de zijne is, ruw soms, duister soms, maar altijd
verheven, altijd menschelijk, altijd natuurlijk.
Mijn loon was mijn arbeid-zelf. Wat kon ik inderdaad van mijn vertaling
verwachten? Behalve door Emerson, Whittier, Thoreau, in Amerika niet, in Europa,
behalve door Tennyson en Rosetti, weinig gewaardeerd, is Walt Whitman arm en ongeacht
gestorven, nadat hij, om de "onzedelijkheid" van de Leaves of Grass, uit een
betrekkinkje aan een ministerie te Washington was ontslagen. Wat ik niet verwachtte,
een kleine twintig jaar geleden, was het bezwaar om Grashalmen gedrukt te
krijgen. Indien ik Whitman fatsoenlijk had willen maken—wat men een bloemlezing
noemt, uit zijn Leaves of Grass—zou ik niet bijna vijf jaren hebben
behoeven te wachten voor een uitgever geneigd was althans een deel van Walt Whitmans
werk te publiceeren. Dit evenwel leek mij toen beneden den eerbied dien ik voor den
bard gevoelde: mijn vertaling zou in haar geheel of niet verschijnen. Zij verschijnt
nu, wel is waar niet in haar geheel, maar toch in haar schoonste fragmenten.
Wàt, in dezen tegenspoed, kon mij teleurstellen? Niets. Walt Whitman kon
wachten, ik had geen haast. Indien mijn levensgeluk afhankelijk ware geweest van mijn
literair succes, zou ik zeer beklagenswaard zijn. Mijne boeken vinden weinig lezers:
het verlies daarvan is niet geheel aan mijn kant. Het verwonderde noch ontmoedigde
mij, dat ik jaren had te wachten eer men mijn Grashalmen wilde publiceeren. De
anderhalf jaar met Whitman doorleefd, schonken mij een levenswinst, die noch door
eenig succes kon vermeerderd, noch door eenigen tegenspoed kon verminderd worden.
Over Walt Whitman en zijne Leaves of Grass wil ik{IX} hier weinig zeggen. Mijn vertaling geeft de
maat aan van de bewondering en de liefde die ik voor deze heerlijke twee-eenheid
gevoel. Misschien toch kunnen een paar verklarende woorden hem een of twee
lovers meer winnen. Men moet de Leaves of Grass niet nemen als
gedichten, Walt Whitman niet als dichter. Om een paar dichters van onderscheiden
genie te noemen: Keats, Kloos, Heine, Verlaine: naar hun beteekenis is Walt Whitman
geen dichter. Noch kan hij gemeten worden naar welken dichter ook: zijn zangen zijn
als symphonieën, en men denkt soms aan Beethoven, wanneer men hem leest.
De oer-dichter was de man, door veel strijd, veel denken, veel leven hoog en groot
geworden, richter, leider, priester, zanger van zijn volk. Hij verkondigde wat recht
was, deugd, liefde en schoonheid. Wat hij sprak was de natuurlijke wijsheid van een
God-gewijde ziel, door innerlijke aanschouwing en nog meer door het vuur des levens
gelouterd. Maat en rijm kende hij niet, van verzen had hij nooit vernomen, wat men
poëzie noemt had geen zin voor hem, maar beter dan eenig ander wist hij wat
harmonie was en schoonheid. Hij had de menschheid lief en kende haar zwakheid en
lijden, haar kracht en vreugde. Hij bezat dien oppermoed, die, geboren uit een
onbedaarlijke zucht naar vrijheid, voorbeschikt om alleen en hoog te staan te midden
der menschen. Het leven had enkel bekoring en de dood geen verschrikking voor hem.
Dus had zijn volk hem erkend als richter van allen, leider van allen, priester en
zanger tevens. Ziehier, in de tweede helft der negentiende eeuw, in een samenleving,
de Noord-Amerikaansche, die nog aan het begin harer geestelijke vorming staat, de
oer-dichter in Walt Whitman herboren, maar verworpen door zijn volk, omdat de
menschen van heden niet natuurlijk kunnen zijn.
Aldus moet de lezer Whitman beschouwen, wil hij hem begrijpen; zijne poëmen,
zijne zangen zijn geen {X}gedichten; het zijn visioenen; uitspraken, wetten,
poëzie, zoo gij wilt, maar poëzie als erts, zooals het gevonden wordt in de
Ilias, in het Nibelungenlied, in de Veda's, in de Psalmen, in het Hooglied.
Wie lezen wil om zich te amuseeren, poëzie wil genieten als een zoete
zielestreelinig, bekoorlijk door fraaie rijmen, lichten cadans en gedachten zwevend
tusschen banaliteit, weemoed en burgermans verliefdheid, dien heeft Walt Whitman zelf
terecht gewezen: de Leaves of Grass zijn niet voor hem of haar. Wien het
gegeven is vrij te zijn van voor-oordeel, wie de schoonheid kan zien, ook wanneer zij
in ongewonen vorm verschijnt, wie zich-zelf wil geven aan den dichter en het lezen
steeds wil afwisselen door lang en rustig nadenken, dien opent Whitman grootsche
verschieten van sterke liefde in de goddelijke eenheid van lichaam en ziel, dien
schenkt hij moed, hoop en zelfvertrouwen.
Wat mijn vertaling betreft: zij zal hare gebreken hebben, maar, wie mij ook het
tegendeel zegge, ik weet dat zij goed is, als geheel. Whitmans vlucht door Tijd en
Ruimte, niettemin, is soms zoo verheven, dat ik hem slechts heb kunnen volgen door
lager te Wijven dan hij; op andere punten is de vertaling, onder het werk-zelf, en,
natuurlijk zonder dat die bedoeling voorzat, beter geworden dan het oorspronkelijke.
Ik gewoel temeer vrijmoedigheid dit te zeggen, wijl ik bij mijn werk geholpen werd
door een dier vrouwen, die door een waarlijk hemielsche eigenschap alles verbeteren
wat zij aanraken. Onze vriendschap-zelve belet mij haar te noemen, maar wanneer ik,
zooals ik hiermeê doe, Grashalmen aan haar opdraag, geef ik haar slechts
terug wat zij mij geleend heeft, wetende, dat ik voor mijn leven haar schuldenaar
blijf, ook waar mij slechts van haar de nagedachtenis rest.
Sevilla, Oct. '98. M. W.
's-Hage—'17.
{1}
UIT: INSCRIPTIES
MIJN LIED IS VOOR HET IK
Mijn lied is voor het ik, is voor den mensch des eigen levens,
Maar van mijn lippen klinkt het woord Democratie, het woord
En-Masse.
Mijn lied geldt fysiologie van hoofd tot voeten,
Mijn muze is niet enkel gezicht, niet enkel ziel, ze is beiden
en dus meer dan ieder waard:
Mijn lied geldt dan het vrouwelijke volkomen even met het
manlijke.
O Leven onbedwingbaar in uw passie, polsslag, kunnen;
Kracht en Vreugde zijn uw namen, geroepen, gij, tot het vrije
doen door goddelijke wetten.
Mijn lied geldt den modernen mensch.
TOEN IK HET BOEK GELEZEN HAD
Toen ik het boek gelezen had, de veel geroemde levensschets,
Vroeg ik mij af: is dit dan wat de schrijver noemt een menschenleven?
En zoo zal iemand, ben ik dood en heen, beschrijven wat hij
noemt mijn leven?
Alsof iemand in waarheid iets weet van mijn leven,
Terwijl ik zelf vaak denk weinig of niets te weten van wat in
waarheid is mijn leven.
Een paar wenken, een paar sleutelwoorden en aanduidingen
Tracht ik in dit boek ten eigen nut te schrijven.
WERPT VOOR MIJ NIET UW DEUREN DICHT
Werpt voor mij niet uw deuren dicht, gij koude boekzalen,
Want wat op uwe doorgebogen planken 't meest ontbreekt en
wat gij 't meest behoeft, dat breng ik
u.
{2} Uit den strijd zelf
opkomende, heb ik dit boek gemaakt;
De woorden van dit boek zijn niets, let enkel op zijn ziel, de
ziel is alles,
Dit boek is eenig in de wereld, dit boek heeft niets van
andere boeken, dit boek wordt door het verstand
alleen
niet gevat.
Uit ieder blad, uit ieder woord vloeit u de heete stroom des
levens te gemoet.
{3}
VAN PAUMANOK UIT (fragmenten)
1.
Van visch-gelijkend Paumanok uit, waar ik geboren ben,
Wel gewonnen en opgevoed door een treffelijke moeder,
Na in vele landen te hebben gedoold, vriend van menschen-drukke
straten,
Toever in Mannahatta[1], mijn stad, of op de Zuider-savanna's,
Dan als soldaat in 't kamp, of dragend geweer en ransel,
straks mijngraver in Californië,
Boersch in mijn huis in Dakota's wouden, sober mijn maal
met een dronk bronwater.
Nu ingetogen tot aanschouwing en bepeinzing in stille eenzaamheid,
Ver van de plaats waar het voetstapgeschuifel der menigte
druischt, gelukkig en dankbaar,
Bewust van den frisschen, vrijen gids, den stroomenden
Missouri, bewust van de machtige
Niagara,
Bewust van de buffelskudden, grazende op de vlakten, den
harigen, sterkborstigen stier,
Door aarde en rotsen en bloemen der vijfde maand ervaren,
door sterren, regen en sneeuw getroffen,
Na des lachvogels lied en des bergvalks vlucht te hebben
bestudeerd,
Na in den ochtendstond het lied te hebben gehoord van den
weêrgalooze, den eenzamen lijster der
moeras-ceders,
Eenzaam als hij, in het Westerland zingend, neem 'k mijn
vlucht voor nieuw een wereld.
[1] New-York.
2.
Victorie, Unie, Geloof, twee-een zijn, tijd,
De onverbrekelijke tezaam-gevoegden, schatten, mysterie,
Beschaving als natuurwet, de kosmos, en de nieuwe arbeid.
{4}
Aldus het leven,
Hier is wat op kwam na zooveel weeën en krampen.
Hoe wonderlijk en tevens: hoe reëel!
De goddelijke aarde onder onze voeten, boven ons hoofd
de zon.
Zie den aardkloot wentelen,
De vader-continenten bijeengegroept ter zij,
De continenten van heden en toekomst, Noord en Zuid, en de
landengte daar tusschen.
Zie, onafzienbre ongebaande landen,
En steeds gewijzigd, als in een droom gezien, woelt daar het
leven,
Ontelbre menigten trekken over hen voort.
Nu zijn ze bedekt met een volk, dat de beschaving leidt, dat
kunsten leven doet, dat al wat goed is lief
heeft.
Zie, heenvloeiend door de tijden,
En voor mij uit een oneindigheid van menschen die mij
hooren.
Met vasten en gelijken tred gaan zij hun weg, en nimmer
rusten zij,
En altijd volgen anderen, Americanos, een honderdtal millioenen,
De eene generatie doet wat zij vindt te doen en volgt het
voorgeslacht,
Een andere generatie komt en doet wat is te doen en volgt
dan in haar spoor.
Zij gaan en keeren het gelaat eerst zijwaarts, achterwaarts
vervolgens, naar mij luisterend,
De oogen in het gaan op mij gericht.
{5}
3.
Americanos! overwinnaars! humaniteitsarmeeën!
Voorwaarts! Nooit rust de eeuw! Libertad! Menigten!
Aan u een reeks van zangen.
Zangen van de prairiën,
Zangen van den ver weg vloeienden Mississippi, neerwaarts
naar de Mexicaansche zee,
Zangen van Ohio, Indiana, Illinois, lowa, Wisconsin en Minnesota,
Zangen als een stroom uit Kansas' harte vloeiend en voortsnellend
in en naast rivieren,
Uit het hart van Amerika zelf schietend door hare polsen als
vloeiend vuur, dat al doet leven.
4.
Neem deze zangen dan, Amerika, neem hen ten Zuid en
neem hen ten Noord,
Bereid hun overal een welkom, want zij zijn leven van uw
leven,
Verklaar hen Oost en West, want zij verklaren u,
En gij, Verleden, heb hen lief, want zij hebben ook liefde
voor u.
Eén in gedachten was ik met vervlogen tijden,
Ik zat aan de voeten der groote meesters en luisterde
naar hen,
Nu, ware 't mogelijk, o dat de groote meesters konden terugkomen
en luisteren naar mij.
Zal ik, in dezer Staten naam, de Oudheid smaden?
Weet ik dan niet, dat zij de kinderen zijn dier Oudheid, en
haar verklaren?
5.
Gestorven dichters, filosofen, priesters,
Gij martelaars, gij zoekers, kunstenaars, verdwenene
regeerders,
Gij die in verre landen uw taal eens tot nieuw leven riept,
{6} Gij natiën eens
gevreesd, nu klein, vergeten of vervallen,
Voor ik saluut breng aan wat er van uw geest nog in ons
naleeft durf ik niet uitgaan tot mijn
arbeid,
Ik heb met u een wijl geleefd en beken dat gij bewondering
verdient,
Ik denk: nooit kan iets grooter zijn dan het is, niets kan ooit
meer verdienen dan het verdient,
Ik heb, voor ik u losliet, u gedachtenvol een langen tijd aanschouwd,
Nu sta ik hier op eigen plaats en in eigen tijd.
En met mij de landen vrouwelijk en mannelijk.
En met mij de erfgenamen der wereld vrouwelijk en mannelijk,
en met mij het vuur der materie,
En met mij het ideaal: verklaring van God, door allen openlijk
erkend,
De altijd voor ons uit zwevende finale van wat daar zichtbaar
is,
De Al-voldoener, die, na lang gedwaald te hebben, nu zijn
weg kiest,
Ja, zij is hier, de Ziel, haar die ik liefheb.
6.
De Ziel,
Altijd en immer, vóór de aarde bruin en vast was levende,
vóór water keerde en weerkwam, ebbe en
vloed, levende!
Niettemin zal ik de materie bezingen, omdat ik door haar
't schoonst de ziel bezing,
En ik zal mijn lichaam en mijn sterflijkheid bezingen,
Want dán en daardoor vloeit door mij het lied van ziel en
onvergankelijkheid.
Ik zal een lied zingen voor deze Staten, dat niet een hunner,
in wat omgaan ook, zij onderworpen aan een anderen
Staat,
En ik zal een lied zingen, dat er overleg zij, bij dag en bij
nacht, tusschen al de Staten en tusschen elk twee-tal
hunner,
En ik zal een lied zingen bestemd om gehoord te worden door
den President, vol van scherppuntige dreigende
wapens,
En achter die wapens ontelbare ontevreden gezichten,
{7} Ook zing ik een lied
van de Eene die uit allen geschapen is,
De vreesbre, luistervolle Eene, die groot is bovenal,
De onwrikbre, de strijdbre Eene, omvattend al en bovenal,
Hoe hoog het hoofd van iemand zij, Haar hoofd is bovenal.
Ik zal alle landen die leven hulde brengen,
Ik zal de landbeschrijving van heel de aarde volgen en een
eerbiedsgroet brengen aan elke stad, 't zij groot of
klein,
En aan allen arbeid! Ik zal zeggen in mijn gedichten, dat met
U, ter land en zee, het ware held-zijn
is,
En ik zal dat held-zijn gadeslaan met de oogen van een
Amerikaan.
Ik zal het lied zingen der kameraadschap,
Ik zal aantoonen wat enkel en ten slotte de menschen
moet bijeenbrengen,
Ik geloof zij zullen hun eigen ideaal van sterke liefde hebben,
zoo als dat nu reeds in mij leeft,
Aldus zal ik hoog laten opvlammen uit mijn ziel de laaiende
vuren die mij dreigden te verteren,
Ik zal deze vuren, die te lang smeulden, vrij-geven,
Ik zal hen vrijelijk laten woelen,
Ik zal schrijven het evangelium-gedicht van kameraden en
van liefde,
Want wie beter dan ik verstaat de liefde met al haar verdriet
en haar vreugd?
En wie eerder dan ik zou de dichter zijn der kameraadschap?
7.
Ik geloof in de deugd, in de eeuwen, in de rassen,
En ik ga uit voor een arbeid in den eigen geest van het volk,
Hoort dan het lied van onbeperkt geloof.
Omnes! Omnes! Laat anderen onbewust zijn van wat zij niet
kennen,
Ik maak een gedicht ook ter eere van het kwade, ik sla dit
levensdeel niet over,
Ik-zelf ben juist even kwaad als goed en zoo is ook mijn
volk—en ik zeg: in werkelijkheid is er geen
kwaad.
{8} (En zoo er kwaad is,
dan is dit voor U, voor allen, voor mij
even gewichtig als wat ook in het
leven).
Ook ik, velen volgend en door velen gevolgd, breng een
religie tot wijding, ik daal in den arena
af,
(Misschien wel bestemd de luidste kreten, den overwinningsroep
te doen hooren,
Wie weet? Dat die kreten dan nu reeds van mij worden gehoord).
Niemand is enkel om zijnentwil,
Ik zeg de geheele aarde en al de sterren in het firmament
zijn daar om religiëns wil.
Ik zeg: niemand was tot nu half vroom genoeg,
Niemand heeft ooit aangebeden en vereerd half genoeg,
Niemand heeft er nog aan gedacht hoe divijn hij zelf en hoe
zeker de toekomst is.
Ik zeg de ware en blijvende grandeur dezer Staten moet hun
religie zijn,
Zonder religie is er geen ware en blijvende grandeur,
(Noch karakter, noch leven dien naam waardig zonder religie,
Noch land, noch man of vrouw zonder religie).
8.
Wat, jonge man, is uw streven?
Zijt gij zoo ernstig, zoo vol toewijding voor litteratuur, wetenschap,
kunst, amours?
Deze tastbare realiteiten, politiek, dingen?
Uw eerzucht of uw vak, wat dan ook?
't Is goed,—ik heb tegen dezulken niets, ik ben ook hun
dichter.
Maar zie! Zie hoe snel in brand en snel verteerd, zie dit
branden om religiëns wil;
Niet alle brandstof verwarmt in haar gloeien, niet alle vlam
geeft licht aan het eigenlijk leven dezer
aarde:
Voor religie is alles meer dan dit.
{9}
9.
Wat zoekt gij zoo nadenkend en zwijgzaam?
Wat is uw nood, Camerado?
Lieve zoon, denkt gij liefde is wat gij behoeft?
Luister, lieve zoon, luister Amerika, 't zij dochter of zoon,
't Is een smartenlast een man of vrouw onstuimig lief te
hebben, en toch 't verheft ons en 't is
groot,
Maar er is iets anders zéér groot, iets dat het al omvat,
Dat, heerlijk boven alle stof verheven, met onvermoeide
handen uitstrooit voor allen en zorgt voor
allen.
10.
Eens toen ik wandelde, in Alabama, mijn morgenwandeling,
Zag ik hoe in de struiken het wijfken des lachvogels op haar
nest zat en haar jongen koesterde.
Ook zag ik het mannetje,
En ik stond een wijl dichtbij en luisterde naar zijn heerlijk
lied van leven.
En toen ik daar wijlde kwam het in mij, dat hij niet enkel
zong voor wat dicht aan zijn zijde was,
Niet enkel voor zijn gezellinne, niet enkel voor zichzelf, noch
enkel voor de echo's die het lied aan het verleden
schonken.
Maar wonder-zacht, onmerkbaar bijna, heel ver omhoog,
Schonk en vertolkte hij in 't lied een hemelgift voor hen die
pas geboren waren voor de toekomst.
11.
Democratie! dicht bij u zingt nu een stem het lied des
levens, blijde en krachtig.
Ma femme! Voor onze kinderen van toekomst en heden,
Voor hen, die om ons heen zijn en voor hen die komen,
Ik, juichend, nu mij-zelf bewust, doe opluiden mijn zangen,
kloeker zangen, hooger zangen dan ooit op aarde
gehoord.
Ik zal den zangen van de passie vrijgeven,
En ook uw zangen, wetschenders en uitgestootenen, want ik
{10} zie u aan met een goed oog, gij ook leeft in mijn hart,
zoo
goed als de anderen.
Ik zal het ware gedicht der schatten schrijven,
En voor lichaam en geest winnen al wat zij behoeven en wat
leven heeft voor hen en door den dood niet wordt
geschaad;
Ik wil egotisme zaaien en toonen, dat het de kiem van alles
is, en ik wil de bard van het karakter
zijn,
En ik zal toonen, dat man en vrouw volkomen elkaars gelijke
zijn,
En sexueele organen en daden! Versterkt U in mij, want ik
ben vast besloten U te erkennen en luide en moedig
te
verkondigen, dat gij verheven zijt,
En ik zal toonen, dat er in het leven geen onvolmaaktheid is,
en dat zij ook in de toekomst niet zal
zijn,
En ik zal bewijzen, dat wat ons in het leven overkomt, de
gevolgen altijd heerlijk kunnen wezen,
En ik zal verklaren, dat ons niets lieflijkers kan overkomen
dan de dood,
En door mijne poëmen zal de gedachte vloeien, dat het
eeuwige en het tijdelijke hetzelfde
zijn,
En dat alle dingen des heelals wonderen zijn, elk hunner zoo
groot als een ander.
Ik zal niet dichten om een deel slechts eer te geven,
Ik wil dichten, zingen, denken ter glorie van het Al,
En ik zal niet zingen om een enkelen dag, maar om alle
dagen te eeren,
En ik zal niet een enkel gedicht, noch een enkelen regel van
een gedicht schrijven, zonder de ziel te
eeren,
Immers, na het leven des Heelals te hebben aanschouwd, vind
ik dat geheel noch deel zijn kan zonder de
ziel.
12.
Vroeg daar iemand de ziel te zien?
Zie uw eigen gestalte en gelaat, de menschen, de dingen, de
beesten, boomen, stroomende rivieren, de rotsen en
de
woestijnen,
{11} Alles heeft eens
het Paradijs gekend en later verloren;
Hoe kan dan waarlijk het lichaam ooit sterven en begraven
worden?
Of waarlijk uw lichaam, of waarlijk het lichaam van welken
man of welke vrouw ook,
Iedere atoom van ons lichaam ontsnapt aan de hand des
afleggers en wijkt naar de sferen die van gelijk
leven zijn,
Met zich nemende al wat bezeten en ontvangen werd van het
moment der geboorte tot het oogenblik des
doods.
De lettertypen door den zetter bijeengevoegd geven in hun
afdruk de meening en de bedoeling des schrijvers
niet
beter weer,
Dan eens mans wezen en leven of eener vrouw door lichaam
en ziel worden weergegeven,
Onverschillig voor den dood of na den
dood.
Zie dan, het lichaam bevat de meening en de bedoeling Gods,
het bevat en is de ziel;
Wie gij ook zijt, hoe heerlijk en hoe goddelijk is uw lichaam
en ieder deel uws lichaams!
13.
O Camerado dien ik liefheb! O gij en ik vereend ten laatste
en wij tweeën nu voor ons-zelf
alleen!
O, één woord dat het leven schoon en kostelijk en eindeloos
maakt!
O, iets dat ons extase geeft en niet van deze aarde! O muziek
van passie!
O, nu is mijn triumf volkomen en de uwe met de mijne;
O, hand in hand—O, enkel vreugde—O, een die mij
begeert en liefheeft meer!
O, het leven is ons! Spoeden wij ons! Spoeden wij ons! Spoed
U met mij voort naar de toekomst!
UIT: HET LIED VAN MIJN EIGEN IK
{12}
1.
Ik verheerlijk mij-zelf en bezing mij-zelf,
En wat ik voor mij vorder zult gij vorderen voor U,
Want elke atoom mijns levens is een atoom uws levens.
Ik ga om in de natuur en bepeins hoe zij zich weerkaatst in
mijn ziel,
Ik dwaal rond, leg mij neder en sla een grasspriet gade.
Mijn spraak, elke bloedatoom in mij is voortgekomen uit
dezen zelfden grond en uit deze zelfde
lucht.
Hier geboren, uit ouders hier geboren oók, uit ouders gelijkelijk
hier geboren en dier ouders tevens,
Ik, nu zevenendertig jaren oud, volkomen gezond, ga uit tot
mijn arbeid,
Hopende dien arbeid te kunnen voortzetten tot mijn stervensuur.
Ik laat credo's en theorieën voor wat zij zijn,
In mijn beschouwing is hun aanzijn reeds voldoende, maar
nooit vergeet ik ze,
Goed en kwaad zijn mij welkom, beiden mogen spreken als
het leven hun dringt,
Natuur, zonder dwang, en met oerkracht.
2.
Ik heb den praat gehoord van de praters, den praat over het
begin en het einde;
Maar ik praat niet over het begin en het einde.
Nooit was het begin aanvankelijker dan het nu is,
Nooit was er meer jeugd of oudheid dan er nu is,
En nooit zal er meer volkomenheid zijn dan er nu is.
{13} Evenmin ietwat
meer hemel of hel dan er nu is.
Vooruitgang was het begin, vooruitgang zal het eind zijn,
De scheppende vooruitgang van de wereld altijd en immer.
Licht is in duisternis en beiden gaan evenredig voort, altijd
en overal is het wezen, altijd zal de kunne er
zijn;
Altijd de vereeniging van wat aantrekt, altijd het zich-zelf
blijven der verscheidenheden, altijd een nieuw
geslacht.
Hier tegen in te gaan heeft geen nut, geleerd of ongeleerd
gevoelt dat dit de waarheid is.
Zeker als de onwankelbare zekerheid, lood in de rechtstandigheid,
goed doorvoegd, gesteund in de balken,
Moedig als een paard, vol kracht van liefde, onbevangen,
electrisch,
Staan wij hier in het leven, ik en dit
mysterie.
Zuiver en zoet is mijn ziel, en zuiver en zoet is alles wat
niet is mijn ziel.
Waar een ontbreekt ontbreken beiden, en het ongeziene wordt
door het zichtbare bewezen,
Totdat ook dit onzichtbaar wordt en bewezen wordt op
zijn tijd.
3.
Heeft iemand ooit gemeend, dat het gelukkig was geboren
te zijn?
Ik haast mij hem of haar te zeggen, dat 't even gelukkig is te
sterven, en ik weet dat.
Ik ga den dood door met den stervende en het leven door
met het zoo-even ontbonden kind, en wat gij daar van
mij
ziet tusschen laarzen en hoed is niet mijn geheele
Ikheid.
Mijn leven is het leven der menigvuldigheid en in die menigvuldigheid
zijn daar niet twee eveneens en allen zijn
goed,
De aarde goed, de sterren goed en alles wat daarop of omheen
leeft goed.
Ik ben geen aarde, ook geen satelliet van een aarde,
{14} Ik ben de maat en
gezel van menschen die allen even onsterflijk
en vademloos zijn als ik-zelf ben,
(Zij weten niet hoe onsterflijk, maar ik weet 't).
Iedere mensch leeft voor zichzelf en voor wat zijn leven is,
ik leef voor mij en weet wat mijn is, mannelijk
en
vrouwelijk,
Zij zijn mijn die knapen geweest zijn en vrouwen begeeren,
Hij is mijn de man, de fiere, die het steken voelt der
geringschatting,
Zij is mijn de verloofde, en de oude maagd is mijn, zij zijn
mijn de moeders en de moeders van
moeders,
Mijn zijn de lippen die glimlachen en de oogen die tranen
storten,
Mijn zijn de kinderen en die kinderen gewinnen.
Naakt! Voor mij hebt gij geen schuld, door mij wondt gij niet
uitgeworpen, door mij niet geminacht,
Ik zie U door kleed en hemd in de ziel,
Ik omgeef U, ik laat niet af voor ik U gewonnen heb, ik ben
onvermoeid, gij kunt mij niet
afschudden.
4.
Ik kom met luide muziek, met trompetten en trommen,
Ik speel niet enkel de marschen ter eere van de overwinnaars
die ieder toejuicht, ik speel ook de marschen
voor
overwonnenen en verslagenen.
Heeft men U gezegd, dat het goed was het pleit te winnen?
Dan zeg ik U daarbij, dat 't goed is de nederlaag te lijden:
veldslagen worden in denzelfden geest verloren als
zij
worden gewonnen.
Ik trommel en trompet voor den dood,
Mijn luidste en blijdste muziek is voor de dooden.
Vivats voor hen die verloren hebben!
En voor hen wier oorlogsschepen in de zee zijn ondergegaan!
En voor hen-zelf die in zee zijn ondergegaan!
En voor alle veldheeren wier leger verslagen werd en voor
alle overwonnen helden!
{15} En vivats voor de
tallooze onbekende helden, zoo luid als
voor de grootste helden wier naam beroemd
is.
5.
Denkt gij, dat ik eenig diep verborgen doel hebbe?
Nu dan, ik heb dat doel, want de zaaiers der Vierde-maand
hebben dat doel en het mica aan de rotshellingen
heeft
het ook.
Houdt gij 't er voor, dat ik verwonderen wil?
Wil het daglicht verwonderen? Wil het roodborstje, dat vroeg
in den morgen kwinkeleert, het doen?
Wil ik 't dan doen eenigermate meer dan zij?
Dit uur wil ik U in vertrouwen iets meedeelen.
Ik zou 't niet gaarne iedereen vertellen, maar U wil ik 't
vertellen.
6.
Ik ben de poëet van het Lijf en ik ben de poëet van de Ziel,
De vreugden des hemels zijn met mij en de pijnen der hel zijn met mij,
De eersten ent en kweek ik op mij-zelf, de laatsten spreek ik
uit in een nieuwe taal.
Ik ben de poëet van de vrouw dezelfde als van den man,
En ik zeg: groot is 't vrouw te zijn, groot is 't man te zijn,
En ik zeg: niets is er grooter dan de moeder te zijn van
menschen.
Ik zing den zang van hoogheid en hoogmoed,
Wij hebben nu tamelijk wel genoeg gehad van nederigheid en
verlaging,
Ik toon aan dat gesteldheid ontwikkeling beteekent.
Zijt gij de anderen voorbijgestreefd? Zijt gij de President?
't Beteekent niet veel, iedereen zal verder dan zoover komen
en toch altijd voortgaan.
{16} Ik ben de man die
met den teederen, klimmenden nacht
wandelt,
Ik spreek tot aarde en zee, door den nacht half-beschemerd.
Druk mij vast tegen u aan, blootborstige nacht—druk mij
vast tegen u aan, nacht die mij magnetisch
doorvloeit!
Nacht van Zuider winden—nacht van enkele groote sterren!
Nacht die mij toeknikt—genotnaakte zomernacht
Glimlach, o wellustige, koel-ademende aarde!
Aarde van de sluimerende, smeltende boomen!
Aarde van den weggeduisterden zonsondergang—aarde van
de nevelbetopte bergen!
Aarde van den glas-schijnenden maanstraal, ietwat met blauw
doortrokken!
Aarde van licht en duister spranklend in den riviervloed!
Aarde van het doorzichtige wolkengrijs, dat om mijnentwil
klaarder en helderder wordt!
Aarde die op de breed-neergestreken elbogen rust—rijke
appelbloesem aarde!
Glimlach, glimlach, want hij die u liefheeft is op weg.
Liefde hebt gij mij overvloediglijk gegeven—daarvoor geef
ik U liefde weer!
O, onuitsprekelijke, onuitbluschbare liefde.
7.
Ik ben niet enkel de dichter van goedheid, ik versmaad niet
de dichter te zijn van slechtheid
tevens.
Wat is er al gebabbel over deugd en ondeugd?
Het kwaad drijft mij voort, de strijd tegen kwaad drijft mij
voort, ik blijf onaangedaan.
Mijn levensdoel is niet onkruid te zoeken hier, te verwerpen
daar,
Ik besproei de wortels van al wat groei heeft.
Hebt gij vrees voor wat scrofula dat uit levenskrachtige
vruchtbaarheid voortkomt?
Denkt gij, dat de goddelijke wetten nog te herzien en te verbeteren
zijn?
Ik vind evenwicht aan deze zijde en evenwicht aan den
{17} tegenkant,
De leer der zwakheid helpt zoo goed als de leer van kracht,
Daden en gedachten des Levens verrijzen met ons en tijgen
vroeg aan den arbeid.
De minuut die nu volgt en over mij heen gaat komt uit een
verleden van eonen,
Er was geen betere dan deze en er zal geen betere zijn.
Wat schoon was in 't verleden en schoon is nu is geen wonder,
Een wonder is altijd en altijd hoe daar een mensch kan zijn
die zich-zelven ontrouw is en die niet
gelooft.
8.
Walt Whitman, een kosmos, zoon van Manhattan,
Onstuimig, vleezig, zinnelijk, etende, drinkende, leven verwekkende,
Geen sentimentalist, zich niet verheffende boven mannen en
vrouwen, zich niet van hen afscheidende,
Niet bescheidener dan onbescheiden.
Ontschroef de deursloten!
Ontschroef de deuren zelven van de scharnieren!
Wie ooit een ander vernedert, vernedert mij!
En wat ooit gedaan of gezegd wordt komt ten slotte tot mij.
Door mij gaat de stroom der goddelijke wijsheid, in mij de
verklaring van leven en toekomst
Ik spreek het oer-wachtwoord, ik geef het teeken der Democratie,
Bij God! Niets zal ik aanvaarden waaraan niet allen op
dezelfde voorwaarden deel kunnen hebben.
Door mij spreken verboden stemmen,
Stemmen van seksen en van begeerten, stemmen heesch nog
en ik verwijder die heeschheid,
Stemmen die laag worden geacht en die ik zal verluiden en
verklaren
Ik leg mij de vingers niet op de lippen,
{18} Voor mij zijn de
ingewanden even schoon en even hoog als
hoofd en hart,
De paring is mij niet minder schoon dan mij de dood is.
Ik geloof in den vleeze en in de begeerten,
Zien, hooren, voelen zijn wonderen, en elk deel en elke vezel
van mij is een wonder.
9.
Ik denk ik zou met de dieren kunnen omgaan en leven, zij
zijn zoo vreedzaam en zelf-voldaan,
Ik sta langen tijd stil om hen te bespieden.
Zij maken zich niet warm en schreien niet over hun leven,
Zij zijn niet slapeloos in den nacht en beweenen hunne zonden,
Zij maken mij niet wee met den praat over hunne plichten
tot God,
Niet een hunner is onbevredigd, niet een geslagen met de
manie van eigendomsbegeerte,
Niet een knielt voor den ander, niet voor zijns gelijke die
duizenden jaren vroeger leefde,
Niet een is achtenswaardig of ongelukkig over de geheele
wereld.
Aldus toonen zij hun betrekking tot mij en ik erken die,
Ik vind eigenschappen van mij zelf in hen terug, die zij
duidelijk toonen te bezitten
Ik verwonder mij hoe zij aan die eigenschappen zijn gekomen,
Heb ik hun weg in den oer-tijd bewandeld en heb ik ze
onachtzaam verloren,
Ik-zelf toen, nu en altijd voortgaande,
Verzamelende en bewijzende altijd meer en altijd sneller,
Oneindig en alsoortig en dus de gelijken van dezen daarbij,
Niet laag neerziende op hen, die mij mijn vroeger bestaan
herinneren,
Zoek ik uit allen een dien ik liefheb en met wien ik als een
broeder zal leven.
{19}
10.
Eenzaam te middernacht in mijn tuin, mijne gedachten gaan
een lange wijl van mij uit,
Daar wandel ik over de oude heuvels van Judea met den
schoonen, zachtmoedigen God aan mijn
zijde,
En snel op door de ruimte, snel op door hemelen en sterrengroepen,
Snel op tusschen de zeven satellieten door den breeden ring
en den diameter van tachtig duizend
mijlen,
Snel op met de staartmeteoren, vuurkloten afwerpende als zij,
Dragende het groeiende kind dat zijn eigen zwangere moeder
in de buik draagt,
Stormend, genietend, ontwerpend, liefhebbend, waarschuwend,
Steunend en tevredenstellend, verschijnend en verdwijnend
Aldus betreed ik deze paden dag en nacht.
Ik bezoek de gaarden der sferen en zie wat zij voortbrengen,
En zie quintillioenen rijpe en quintillioenen onrijpe vruchten.
Ik vlieg de vlucht eener vloeiende, zwelgende ziel,
Mijn loop gaat dieper dan het dieplood peilt.
Ik help mij-zelf aan wat ik stoffelijks of onstoffelijks behoef,
Geen wacht kan mij buitenhouden, geen wet kan mij verhinderen.
11.
Ik hoorde wat daar over het Universum werd gezegd,
Heb 't gehoord en weer gehoord vele duizenden jaren lang;
't Is tamelijk goed, voor zoover 't gaat—maar 't is niet alles.
Ik kom en van mij gaat de Heerlijkheid uit en de Kracht,
Eerst van al overbied ik alle oude waarborgventers der
Alleen-Zaligmaking,
Ik leg mij de zelfde afmetingen als Jehova aan,
Maak een prentje van Kronos, van Zeus zijn zoon, van
Hercules zijn kleinzoon,
Koop plaatjes van Osiris, Isis, Belus, Brahma, Boeddha,
{20} Leg Manitoe los in
mijn portefeuille, Allah op een blad papier,
heb een ets van den gekruisigde,
Ik reken af met Odin en met den afzichtelijk grijnzenden
Mexitli en met ieder afgods- en
heiligenbeeld.
Ik neem allen voor wat zij waard zijn, maar niet voor een
cent meer,
Erken dat zij geleefd hebben en in hun tijd hun werk deden,
(Zij droegen wormpjes aan als voor ongevederde vogels, maar
dezen zullen nu opstaan en uitvliegen en zingen in
eigen
kracht.)
Ik aanvaard de ruwe Godsbegrippen, maar verbeter en verfijn
ze in mij-zelf en deel er gulhartig van mee aan
iederen
man en iedere vrouw die ik ontmoet,
Ontdek evenveel van hun godheid of meer zelfs in den bouwer
die een huis bouwt,
Eisch hoogere rechten voor hem daar met zijne opgerolde
hemdsmouwen en hamer of beitel ter hand,
Weiger niet de bijzondere openbaringen aan te hooren, maar
beschouw een rookwenteling of een haar op den rug
mijner
hand even gewichtig als welke openbaring
ook
Jonge kerels bij de brandspuiten en op de reddingsladders
zijn voor mij niet minder dan de goden in den
antieken
krijg.
Ik luister naar den galm hunner stemmen, die het vlammengieren
der verdelging doorsnijdt,
Terwijl hunne gespierde lichamen ongedeerd over de verkoolde
balken gaan, hunne bleeke voorhoofden
ongedeerd
en boven het vuur uit;
Ik vergelijk die goden bij de smidsvrouw, met haar zuigeling
aan de borst, die genadig is voor iederen
pasgeborene;
Drie gierende seizen ter oogst in een rij van drie sterke
engelen met hemden om hunne lendenen
opgerold;
De roodharige staljongen met puntige tanden, verlosser van
verleden en toekomstige zonden,
Die al wat hij bezit verkoopt en een verre voetreis maakt om
een advocaat te betalen voor zijn broêr, die
voor vervalsching
terechtstaat en om dien broêr bij te
staan;
Wat werd ooit in de mildste rooiing op de vierkante roede om
mij heen gerooid, waarvan die vierkante roede niet
vervuld
was?
De stier en het insect werden nimmer genoeg verheerlijkt;
{21} Drek en vuil zijn
bewonderenswaardiger dan ooit werd gedroomd;
Het bovennatuurlijke is voor ons van geen belang: ik zelf
wacht mijn tijd uit om eens een der allerhoogsten
te
worden;
De dag zal weldra daar zijn, dat ik evenveel goed zal doen
als de beste en even wonderbaarlijk zal
zijn.
Bij mijn lichaam! Ik word reeds een schepper,
En leg de kracht van mijn leven in den omwikkelden schoot
der duisternis.
12.
Dit mijn lied is niet het lied van den sleur,
Het vraagt onverwacht, het snelt op en daalt af, maar brengt
altijd nader;
Dat is een gedrukt en gebonden boek—maar wat is de drukker,
wat is de drukkersjongen?
Een welgeslaagde fotografie—maar uw vriend of meisje
teeder en vast in uw armen?
Het zwarte schip met ijzer gepantserd, zijn vreeselijke kanonnen
in de torens—maar de zeemanschap van kapitein
en
machinisten?
In de huizen de gevulde schalen en het maal en de meubels—
maar de gastheer en de gastvrouw en de blik hunner
oogen?
De hemel daar omhoog—maar hier, of naast de deur of over
den weg?
De heiligen en wijsgeeren in de geschiedenis—maar gij-zelf?
Preeken, credo's, godgeleerdheid,—maar het onnaspeurlijk
menschelijk denken?
En wat is rede? en wat is liefde? en wat is leven?
13.
Ik ben een toppunt van verleden dingen en bevat alle dingen
der toekomst.
Mijne voeten raken een trede van de treden der trap,
En iedere trede draagt bundels eeuwen en grooter bundels
eeuwen liggen tusschen twee treden,
Al wat onder mij is ben ik opmerkzaam doorgegaan en steeds
klim ik en klim ik.
Geslacht na geslacht buigen de geesten zich achter mij neer,
{22} In de verre verte
zie ik het geweldige Oer, ik weet dat ik
dààr zelfs was,
Ongezien wachtte ik alomtegenwoordig en sliep in den lethargischen
nevel,
En wachtte mijn tijd af, zonder geschaad te worden door de
stinkende koolstof.
Lang werd ik door krachtige armen omhelsd—lang en lang.
Onberekenbaar zijn de voorbereidingen voor mij geweest,
Trouw en liefdevol waren de armen die mij droegen,
Door de kringloopen werd mijn wieg voortbewogen, zij roeiden
en roeiden als vroolijke roeiers,
Om mij ruimte te geven stelden de sterren zich in hare ringen
ter zij,
Zij zonden mij hare invloeden om zorg voor mij te dragen.
Voor ik uit mijn moeder geboren werd baanden vele menschengeslachten
mijn weg,
Nooit is mijn embryo in zijn groei vertraagd, niets kon den
glans er van verduisteren.
Nevelen formeerden zich er voor tot werelden,
De lange, langzame melkweg werd vast om het te doen
rusten,
Reuzengewassen gaven het levenssap,
Monsterachtige sauroïden droegen het in den muil en legden
het voorzichtiglijk neer.
Alle krachten van het Heelal zijn eeuwig voor mij ingespannen
om mij te volmaken en te bekoren,
Nu sta ik hier op deze plek met mijn sterke ziel.
14.
Ik open mijn dakvenster in den nacht en zie de ver-uitgestrooide
sterrengroepen,
En allen die ik zie, zooveel vermenigvuldigd als ik kan
becijferen, geven slechts een som die de nog
verdere
sterrengroepen bezoomt.
Zij verspreiden zich verder en verder, wijden zich uit en
{23} wijden zich altijd uit,
Dieper en dieper en eeuwig dieper in de eeuwigheid.
Mijn zon heeft haar zon die gehoorzaam om haar rondwentelt,
Deze vereenigt zich met hare makkers tot een groep van nog
verhevener omgang,
En dichtere rijen volgen, die van de grootsten in haar midden
stippen maken.
Er is geen stilstand en nimmer kan er stilstand zijn,
Indien ik, gij en de werelden en alles beneden en op haar
oppervlak zouden worden herleid tot een bleek
gedobber in
het Al, 't zou niets hinderen op den
duur,
Wij zouden zeker opnieuw komen waar wij nu staan,
En zeker zoover komen als wij gekomen zijn en dan verder
gaan en verder.
Enkele quadrillioenen tijdperken, enkele octillioenen kubieke
mijlen brengen het Verband niet in gevaar of doen
er
ongeduld binnensluipen,
Zij zijn maar deelen, en alles is maar een deel.
Zie zoover gij kunt, verder nog is onbegrensde ruimte,
Reken zooveel gij kunt, daar is oneindige tijd omheen.
Mijn samentreffen is bepaald, is zeker,
De Heer zal mij wachten tot ik in volmaaktheid kom,
De verheven Camerado, de ware liefdegever naar wien ik
smacht, zal ik ontmoeten.
15.
Ik weet mij behoort het beste van tijd en ruimte, en nooit
werd ik gemeten en nimmer zal ik gemeten
worden.
Ik voeteer een altijddurende reis (komt, luistert allen!)
Mijn kenteekenen zijn een waterdichte mantel, sterke schoenen
en een boomtak tot staf,
Geen mijner vrienden kan zijn rust in mijn stoel nemen,
Ik heb geen stoel, geen kerk, geen filosofie,
{24} Ik leid niemand
ten maaltijd, of naar de bibliotheek of naar
de Beurs,
Maar ieder uwer, man of vrouw, leid ik op een bergtop,
Mijn linkerhand kromt zich rond uw middel,
En mijn rechterhand wijst op de landschappen der werelddeelen
en op den open heirweg.
Noch ik, noch iemand anders kan dien weg voor U opgaan,
Gij-zelf moet dien weg opgaan.
Die weg is niet ver, die weg is licht te bereiken,
Misschien bewandelt gij dien weg reeds van het oogenblik
uwer geboorte af, zonder het te weten,
Misschien is die weg overal, te water en te land.
Schouder uw ransel, lieve zoon, en ook ik zal mijn ransel
schouderen en laten wij haast maken om voort te
komen,
Wondervolle steden en vrije volken zullen wij op onze reis
bezoeken.
Indien gij vermoeid zijt, geef mij dan beide lasten te dragen
en laat uw hand op mijn heup rusten,
Ter zijner tijd zult gij mij denzelfden dienst bewijzen,
Want als wij eenmaal dien weg zijn opgegaan zullen wij niet
weder rusten.
Voor 't hedenmorgen daagde ben ik een heuvel opgegaan en
keek op naar den sterrenhemel,
En ik zei tot mijn geest: Wanneer wij een zullen geworden
zijn met gindsche werelden en één
met het genot en de
kennis van alle dingen die zij bevatten, zullen
wij dan zalig
zijn en voldaan?
En mijn geest zeide: Neen, wij dringen enkel tot hunne hoogste
hoogten door om, daar voorbij, verder te
streven.
Ook gij stelt mij vragen en ik hoor U aan,
Ik antwoord dat ik niet kan antwoorden, gij moet U-zelf de
verklaring geven.
Zet U neer een poos lieve zoon,
Hier is brood om te eten en hier is melk om te drinken,
{25} Maar zoodra gij
slaapt en U-zelf dus vernieuwt in een zoet
kleed, kus ik U met een vaarwel-kus en open de
deur
voor uw later vertrek.
Lang genoeg hebt gij verachtelijke droomen gedroomd,
Nu wasch ik U den slaap uit de oogen,
En moet gij U gewennen aan den glans van het daglicht en
van elk uwer levensoogenblikken.
Gij hebt lang genoeg schroomvallig gewaad en de plank
vastgehouden, die U met het land
verbond,
Nu begeer ik dat gij een kloek zwemmer zijt,
Dat gij U midden in de golvende baren werpt, dan weer
opkomt, mij toeknikt, schatert en lachend het water
uit
uwe haren doet spatten.
16.
Ik heb gezegd, dat de ziel niet meer is dan het lijf,
En ik heb gezegd, dat het lijf niet meer is dan de ziel.
En niets, God niet, is gewichtiger voor iemand dan zijn eigen
ik voor hem is,
En wie ook een honderd meter vèr gaat zonder sympathie,
loopt in een doodskleed in zijn eigen
begrafenisstoet,
En ik en gij, zonder een cent op zak, wij mogen het beste
der aarde koopen,
En die zijne oogen op U richt, of een boon in haar schel laat
zien maakt het onderwijs van alle tijden
beschaamd,
En daar is noch handel noch ambt of de jongeling die er zich
in begeeft kan er een held in worden,
En daar is geen ding zoo klein of 't is een naaf voor de
wielen des Heelals,
En ik zeg tot iederen man of vrouw; richt uw ziel onverschillig
en rustig op tegenover een millioen Heelallen.
En ik zeg tot de Menschheid: stel geen vragen ten opzichte
van God,
Want ik die vragen stel ten opzichte van alles, stel geen
vragen ten opzichte van God,
(Niet een enkele woordschikking kan zeggen hoe gerust ik
ben ten opzichte van God en van den
Dood).
Ik hoor en zie God in ieder ding, toch begrijp ik God in 't
{26} geheel niet,
Noch begrijp ik hoe daar een grooter wonder kan zijn dan
ik-zelf ben.
Waarom zou ik wenschen God beter te zien dan ik Hem
dezen dag zie?
Ik zie iets van God elk uur van een etmaal en elk oogenblik
van een uur,
In de gezichten van mannen en vrouwen zie ik God en in mijn
eigen gezicht in den spiegel,
Ik vind brieven van God in de straten en elke brief is
geteekend met Gods naam,
En ik laat hen waar zij zijn, want ik weet dat waar ik ook ga,
Ik anderen zal vinden eeuwiglijk en eeuwiglijk.
17.
En wat U betreft, Dood, en U bittere kus der sterflijkheid,
vergeefs tracht gij mij ongerust te
maken.
Zonder zich op zijn weg op te houden snelt de vroedmeester
naar zijn werk,
Ik zie hoe de ervaren hand drukt, ontvangt, ondersteunt,
Ik zie aandachtig toe aan de drempels dier uitnemend gewillige
deuren,
En zie het uitlaten en merk op hoe verlichting wordt gegeven
en hoe het leven uitbreekt.
En wat U betreft, Lijk, ik denk gij zijt een voortreffelijke
mest, maar hinderen doet dit mij niet,
Ik ruik den zoeten geur der bloeiende witte rozen,
Ik strek mij uit naar de gebladerde lippen, ik strek mij uit
naar de gladde borsten der meloenen.
En wat U betreft, Leven, ik denk gij zijt de erfenis van
velerlei dood,
(En zonder twijfel ben ik-zelf vroeger reeds tienduizenden
malen gestorven.)
{27} Ik hoor uw
gefluister o hemelsche sterren,
O zon—o gras van graven—o eindeloos overbrengen en
bevorderen,
Indien gij niets zegt, hoe kan ik dan iets zeggen?
Van de troebele poel in het herfstbosch,
Van de maan die steile schachten in de suizende schemering
doet glanzen,
Valt vonkels van dag en duister—valt op de zwarte stammen
die in de drab vergaan,
Verlicht het klagelijk gefluister der verdorde rompen.
Ik stijg hooger dan de maan, hooger dan de nacht,
Ik ontdek dat de doodsbleeke schemer een weerschijn is van
de middagzonnestralen,
En goed doet aan het hechtste en middenste van alle leven,
groot of klein.
18.
Verleden en heden wijken naar achteren—ik heb er aan
gegeven, ik heb er aan ontleend,
Nu arbeid ik door en vervul den arbeid van de toekomst.
Gij daar die naar mij luistert! Wat hebt gij mij toe te vertrouwen?
Zie mij in het gezicht, terwijl ik de avondlucht inadem,
(Spreek eerlijk, niemand anders luistert, en ik wil een minuut
langer toeven.)
Spreek ik mij-zelf tegen?
Zeer goed, dan spreek ik mij-zelf tegen.
Ik ben breed, ik omvat veelheden.
Ik richt mij tot hen die mij na zijn, ik wacht op den dorpel.
Wie heeft zijn dagtaak verricht? Wie zal 't eerste klaar zijn
met zijn avondmaal?
Wie wenscht met mij te gaan?
Wilt gij spreken voor ik zal vertrokken zijn? Wilt gij zeggen
dat 't reeds te laat is?
{28}
19.
De gevlekte valk strijkt neer en beschuldigt mij, hij beklaagt
zich over mijn gesnap en getalm.
Ook ik ben niet in 't minste getemd, ook ik ben onverklaarbaar,
Ik doe mijn wilde kreten galmen over de daken der wereld.
De laatste wolkenvlucht van den dag houdt zich voor mij op,
Zij is een beeld van mij zoo gelijkend als eenig beeld kan zijn,
Het vleit mij dat ik damp ben en stof.
Ik ga heen als lucht, ik schud mijn witte lokken bij het wegsnellen
van de zon,
Mijn vleesch wordt damp en drijft weg in sierlijk-gewaaide
vlokken.
Ik vermaak mij-zelf aan het slijk om er het gras uit te laten
groeien dat ik liefheb,
Indien gij mij opnieuw mocht wenschen te zien, zie dan naar
mij uit onder uwe voeten.
Gij zult nauwelijks kunnen weten wie ik ben of wat ik bedoel,
Maar niettemin zal ik U welzijn schenken,
En uw bloed zuiveren en krachtig maken.
En indien gij mij aanvankelijk niet mocht kunnen vinden,
verlies den moed niet,
Onderzoek dan, na de eene, de andere plaats,
Ergens toef ik en ergens wacht ik op U.
UIT: ADAMSKINDEREN
{29}
EEN UUR VAN WOEST GENOT
Een uur van woest genot, O geweldig! O laat mij bandeloos
wezen!
(Hoe komt 't toch dat ik mij in stormen zoo vrij gevoel?
Wat beteekent toch mijn gejuich onder het lichten des
bliksems en het woeden der winden?)
O laat mij meer van de mystieke deliria drinken dan eenig
ander man!
O wilde en teedere pijnen! (Ik vermaak ze U mijn kinderen,
Ik deel ze gaarne aan U mede o bruidegom en bruid.)
O laat me mij aan U overgeven wie gij ook zijt en gij geef U
over aan mij ten trots van de wereld!
O laat ik teruggaan naar het Paradijs! O schaamte en Vrouw!
O laat ik U tegen mij aandrukken om op uwe lippen voor 't
eerst de kussen te planten van een zelfbewusten
man.
O, het raadsel, de drievoudig-gelegde knoop, de diepe, duistere
afgrond, alles ontbonden en verlicht!
O ik wil heensnellen waar ik eindelijk ruimte en lucht genoeg
vind!
Ik wil vrijgemaakt zijn van vroegere banden en vooroordeelen,
ik van de mijnen zoo goed als gij van de
uwen!
Ik begeer een nieuw en ongekend vrijmoedig omgaan met het
beste van natuur!
Ik wil de beklemming van onzen mond losgemaakt hebben!
Heden of morgen het gevoel bezitten: ik ben genoegzaam
zooals ik ben.
O geef mij iets nog onbewezens! iets in een verrukking des
geestes!
Laat mij geheel ontsnappen aan de ankers en de grepen van
anderen!
Vrij te drijven! vrij te leven! zorgeloos gevaarvol door te
slaan!
{30} Verdelging aan te
zien met hoon en haar te lokken!
Op te stijgen tegen de hemelen der liefde waarvan ik droom,
er tegen op te tuimelen!
En steeds hooger te klimmen met mijn liefdedronken ziel!
Verloren te gaan indien dat zijn moet!
Het geheele verdere leven te voeden met een uur van volkomen
zaligheid en vrijheid!
Met een kort uur van woest genot.
OER-MOMENTEN
Oer-momenten—wanneer gij over mij heen gaat—o reeds
komt gij weer,
Geeft mij nu enkel het genot van wellust,
Geeft mij den drank mijner hartstochten, geeft mij welig, wild
leven,
Heden ben ik de metgezel van de lievelingen der natuur,
hedennacht tevens,
Ik behoor tot hen die gelooven in den vrijen wellust, ik neem
deel aan de nachtelijke orgieën van jonge
mannen,
Ik dans met wie dansen en drink met wie drinken,
De echo's weergalmen ons ontuchtig gezang, ik neem een
diepgevallene tot liefsten vriend,
Hij moet een wetschender zijn, ruw, ongeletterd, hij moet
iemand zijn door anderen veroordeeld om bedreven
daden,
Ik wil niet langer veinzen, waarom zou ik vèr blijven van hen
die mijn ware makkers zijn?
O gij geschuwden, ik ten minste houd mij niet verre van U,
Ik begeef mij oogenblikkelijk in uw midden, ik zal uw dichter
zijn.
Voor U zal ik meer zijn dan voor een der anderen.
UIT: CALAMUS
{31}
OP ONBETREDEN PADEN
Op onbetreden paden,
In het gewas der poelzoomen,
Ontsnapt aan het leven dat zich bloot geeft,
Aan alle standaardmaten, die tot nu algemeen golden, aan de
genoegens, voordeelen, gelijkvormigheid,
Waarmee ik te lang mijn ziel heb trachten te voeden,
Duidelijk nu voor mij dat er een eerlijke maat is nog niet
algemeen aanvaard, duidelijk mij nu dat mijn
ziel,
Dat de ziel van den man voor wien ik spreek welbehagen
vindt in zijne gezellen,
Hier in eenzaamheid, weg van het gedruisch der wereld,
Leg ik den kerfstok aan en hoor ik mij toespreken door welgeurende
lippen,
Niet langer beschaamd (want op deze afgelegen plek kan ik
antwoorden wat ik elders niet zou hebben durven
zeggen.)
Krachtig in mij het leven dat zich niet vertoont en toch al het
andere omvat,
Vast besloten heden geen andere zangen te zingen dan die
van mannelijke gehechtheid,
En neem mij voor ze door geheel mijn aardsche leven te doen
hooren,
Voortaan zal ik het voorbeeld geven van athletische liefde,
Op den namiddag van deze lieflijke Negende Maand van mijn
een en veertigste jaar,
Begin ik mijn arbeid voor allen die jonge mannen zijn of
geweest zijn,
Ik zal het geheim vertellen van mijne nachten en dagen,...
Ik zal de noodzaak van makkers loven.
{32}
WIE GIJ OOK ZIJT DIE MIJ NU VASTHOUDT
Wie gij ook zijt die mij nu vasthoudt,
Indien gij mist wat gij boven alles behoeft is al wat gij doet
nutteloos,
Ernstig waarschuw ik U voor gij dieper in mij doordringt,
Ik ben niet zooals gij mij dacht maar heel anders.
Wie is hij die mijn volgeling wilde worden?
Wie wilde mij toonen naar mijn liefde te dingen?
De weg is gevaarlijk, het einde onzeker, misschien ondergang,
Gij zult al 't andere moeten opgeven, ik alleen zal eenig en
alleen den standaard moeten zijn waaraan gij U
meet,
Ook dan zal uw discipelschap lang duren en uwe krachten
uitputten,
Al wat er in uw leven aan leer is en al wat uw leven gelijk
maakt aan de levens om U heen zult gij moeten
opgeven,
Daarom laat nu van mij af voor dat uw leven nog erger door
mij wordt verontrust, laat uw hand vallen van
mijne
schouders,
Laat mij mijn weg gaan en ga gij den uwe.
Zoo niet, kom ga dan stil met mij in de woudeenzaamheid,
waar ik U zal beproeven,
Of achter een rots in de open lucht,
(Want in geen bedekte ruimte van eenig huis verschijn ik U,
noch zult gij mij in gezelschappen zien,
En in bibliotheken ben ik als een stomme, als een zot, of een
ongeborene of een gestorvene),
Of mogelijk met U op een hoogen heuvel, waar wij eerst
zullen uitturen dat niemand voor mijlen in 't rond
ons onbemerkt
kan naderen,
Of te zeilen met U, of met U van het zeestrand af op een stil
eiland,
Daar veroorloof ik U uwe lippen op de mijne te drukken,
Met de langbezielde kus van den makker of met de kus van
den jongen echtgenoot,
Want ik ben de jonge echtgenoot en ik ben de makker.
{33} Of zoo gij wilt,
en mij vertrouwt onder uw kleed,
Waar ik het kloppen van uw hart mag voelen of rusten mag
op uw heup,
Neem mij dan met U als gij landen en zeeën oversteekt;
Want U aldus enkel te beroeren is mij goed, is mij lief,
En dus U beroerende wenschte ik zachtekens in te slapen en
gedragen te worden eeuwiglijk.
Maar indien gij U drenkt met het levenssap dezer halmen,
zal er gevaar voor U zijn,
Want noch deze halmen noch mij zult gij verstaan,
De geest dezer halmen zal U bij het begin ontsnappen en
steeds meer en meer ontsnappen, ik zal U zekerlijk
ontgaan,
Zelfs terwijl gij zult denken, dat gij mij twijfelloos gevat
haddet, zie dan toe!
Reeds dadelijk merkt gij dat ik U ontgaan ben.
Want 't is niet ter wille van wat ik er in heb nedergelegd, dat
ik dit boek heb geschreven,
Evenmin zult gij het bezitten terwijl gij mij leest,
Evenmin kennen zij mij 't best die mij bewonderen en mij
hoogdravend prijzen,
Evenmin zullen zij die dingen naar mijn liefde (tenzij op zijn
best een zeer gering getal) die liefde
winnen,
Evenmin zullen mijne gedichten enkel goed doen, zij zullen
even veel kwaad doen als goed en meer nog
misschien,
Want alles is te vergeefs zonder dat waarop ik zinspeel en
waarnaar gij menigmaal kunt raden zonder het te
vatten;
Daarom verlaat mij nu het nog tijd is en ga uw weg.
NIET ENKEL IN WAT IK MIJ VAN DE BORST WERP
Niet enkel in wat ik mij van de borst werp,
Niet in mijn zuchten, in mijn wanhoop 's nachts, als ik in
strijd ben met mijzelf,
Niet in die lange, kwalijk onderdrukte bange zuchten,
Niet in de vele eeden en beloften die ik brak,
Niet in het krachtige en ontembare willen van mijn ziel,
Niet in de ijle levenskracht der lucht,
Niet in dit kloppen em bonzen van mijne slapen en polsen,
{34} Niet in dat
wonderbare samentrekken en uitzetten in mijn
binnenste, dat eenmaal zal ophouden,
Niet in de vele wellustige wenschen die ik enkel aan de wolken
heb toevertrouwd,
Niet in de kreten, het gelach, de verwenschingen door mij
uitgestooten als ik diep in de wildernissen alleen
was,
Niet in het schor gehijg door vastgeklemde tanden,
Niet in klinkende en weêrklinkende woorden, kakelwoorden,
echo's daarvan, doode woorden,
Niet in het gemurmer mijner droomen terwijl ik slaap,
Noch in dat andere gemurmer dier ongelooflijke droomen van
elken dag,
Noch in de leden en zinnen van mijn lijf, die U voortdurend
aannemen en verstooten—niet
dààrin,
Niet in een hunner noch in allen, O aantrekkingskracht! O
mijns levens polsslag!
Wensch ik dat gij meer wordt gevonden of meer U-zelf bewijst
dan in deze zangen.
DE VREESELIJKE TWIJFEL VAN DEN SCHIJN
De vreeselijke twijfel van den schijn,
De onzekerheid ten slotte dat wij misschien misleid worden,
Dat misschien vertrouwen en hoop slechts hersenschimmen zijn,
Dat misschien het identieke leven aan gene zijde des grafs
slechts een mooie fabel is.
Misschien de dingen die ik waarneem, dieren, planten, menschen,
heuvelen, weerspiegelende en vloeiende
wateren,
De luchten van dag en nacht, kleuren, het vaste, en de vormen
slechts verschijningen (zooals ook zonder twijfel het
geval
is) en wat zij werkelijk zijn nog
onbekend,
(Hoe vaak treden zij uit zich-zelven naar voren als wilden zij
mij verlegen maken en mij bespotten!
Hoe vaak denk ik, dat ik noch iemand het geringste van hen
weet,)
Dat misschien hun schijn dien ik van mijn tegenwoordig
standpunt zie (en die schijn tenminste is zeker)
indien ik op
een geheel ander standpunt naar hen uitzie zal
blijken
anders te wezen (zooals die schijn dan ook even
zeker
anders zal zijn) en niets gemeen te hebben met den
schijn
van nu of in 't geheel niets is;
{35} Deze en dergelijke
vragen worden wonderbaar beantwoord
door hen die mij liefhebben, mijn lieve
vrienden,
Wanneer hij die mij liefheeft met mij reist of langen tijd
naast mij zit, terwijl hij mijn hand in de zijne
houdt,
Als de ijle lucht, de ontastbaarheid, de zin dien woorden en
redenen niet bevatten ons omringt en in ons
doordringt,
Dan ben ik zalig van ongezegde en niet te zeggen wijsheid,
ik ben stil en vraag niets meer,
Wel kan ik de vraag van zijn en schijnen of die van het
identieke leven aan gene zijde des grafs niet
beantwoorden,
Maar ik ga voort of zit neder en stoor er mij niet verder aan,
ik ben tevreden,
Hij die mijn hand in de zijne houdt heeft mij volkomen
bevredigd.
GIJ DIE GETUIGEN ZULT IN DE VOLGENDE EEUWEN
Gij die getuigen zult in de volgende eeuwen,
Komt, ik wil U vertrouwen in het innigste onder dit onlijdelijk
uiterlijk, ik zal U zeggen hoe gij mij heeten
moet,
Noem mijn naam en hang mijn beeltenis op als van den man
die de teederste minnaar was,
Het portret van den vriend, den liefdezoeker, die door zijn
vriend, zijn liefdezoeker zeer teeder werd
bemind,
Die zich niet verhief op zijne zangen maar wel op de onmetelijke
zee van liefde in zijn ziel, die hij mildelijk
uitstortte,
Die vaak in groote verlatenheid waarde en dan dacht aan
zijne lieve vrienden, aan die hem lief
hadden,
Die vèr verwijderd van hem dien hij liefhad peinsde in slapelooze
nachten, vol onvoldaanheid,
Die maar al te goed de pijnlijke, pijnlijke vrees kende, dat hij
hem dien hij liefhad toch heimelijk onverschillig
was,
Wiens gelukkigste dagen die waren als, in de verte van alles,
in velden, wouden en op heuvels, hij en een ander
wandelden
hand in hand, zij tweeën alleen, van andere
menschen
verwijderd,
Die vaak in de straten drentelde zijn arm gebogen over den
schouder van zijn vriend, terwijl de arm van zijn
vriend
op zijn schouder rustte.
{36}
TOEN IK DEN AVONDSTOND HOORDE
Toen ik in den avondstond hoorde dat mijn naam in
het
Capitool met toejuichingen was ontvangen, was voor
mij de
nacht die volgde toch geen nacht van
geluk,
En later in welslagen of wanneer mijn voornemens verwerkelijkt
waren, was ik toch niet gelukkig,
Maar de dag dat ik mij met zonsopgang van mijn bed verhief
volkomen gezond, verfrischt, zingende, ademende
den
rijpen herfstadem,
Toen ik ten Westen de volle maan zag verbleeken en in het
morgenlicht verdwijnen,
Toen ik alleen over het strand wandelde en, ontkleed,
baadde, dartelend met de koele wateren en de zon
zag
opstijgen,
En toen ik dacht dat mijn lieve vriend, die mij teeder liefheeft,
op weg was naar mij toe, o toen was ik
gelukkig,
O toen smaakte elke bete mij zoeter en dien geheelen dag
voedde mijn brood mij beter en die heerlijke dag ging
heerlijk
voorbij,
En de volgende kwam met gelijke vreugd en met den volgende,
's avonds, kwam mijn vriend,
En dien nacht, toen alles rondom stil was, hoorde ik de
wateren langzaam rollen, rollen op het
strand,
Ik hoorde het gierend ruischen van water en zand die fluisterend
op mij toekwamen, om mij geluk te
wenschen,
Want hij dien ik boven alles liefheb lag slapend aan mijn
zijde onder hetzelfde dek in den koelen
nacht,
In de nachtstilte, in den herfstmaneschijn was zijn gezicht
naar mij toegekeerd,
En zijn arm lag zachtkens over mijn borst—en die nacht
was een nacht van geluk.
VIND IK IN U OPNIEUW EEN HART DAT ZICH DOOR MIJ VOELT AANGETROKKEN?
Vind ik in U opnieuw een hart dat zich door mij voelt aangetrokken?
Laat ik U dan dadelijk waarschuwen, ik ben zeker heel
anders dan gij denkt;
Denkt gij dat gij in mij uw ideaal zult vinden?
Denkt gij dat 't zoo gemakkelijk is mijn liefde te winnen?
{37} Denkt gij dat mijn
vriendschap U onvermengde voldoening
zou schenken?
Denkt gij dat ik geloofwaardig ben en getrouw?
Ziet gij dan niet dieper dan den schijn, niet beneden mijne
zachte en verdraagzame woorden?
Gelooft gij dat ge met uwe voeten op de werkelijkheid voortschrijdt
naar een werkelijken held?
Is niet wel eens de gedachte in U op gekomen, o Droomer,
dat dit alles misschien niets is dan maya,
illusie.
IK ZAG IN LOUISIANA EEN LEVENSEIK
Ik zag in Louisiana een levenseik,
Hij stond ganschelijk alleen en het mos hing neer van zijne
takken,
Hij leefde daar zonder een enkelen kameraad, toch uitte hij
zich in blijde donkergroene bladen,
En zijn uitzien ruw, vrij en krachtig deed mij denken aan
mij-zelf,
Toch verwonderde ik mij hoe hij zich in blijde bladen kon
uiten, daar in de eenzaamheid zonder een makker aan
zijn
zijde, ik wist wel dat ik dit niet zou
kunnen,
En ik brak een twijg af met wat bladeren er aan en wond er
wat mos om,
En nam haar mee en hing haar in mijn kamer op, zoodat ik er
altijd het oog op heb,
't Was niet noodig om mij steeds aan mijne lieve vrienden
te doen denken,
(Want in den laatsten tijd, geloof ik, denk ik aan weinig
anders dan aan hen,)
Toch blijft die twijg mij een wonderbaar zinnebeeld en doet
me aan mannelijke liefde denken;
Hoe dan ook, die levenseik moge daar in Louisiana vroolijk
gedijen, alleenig in een groot vlak
land,
Hij moge zich kunnen uiten in blijde bladeren, terwijl hem
heel zijn leven lang geen vriend, geen die zijn
liefde
zoekt nabij is,
Ik weet maar al te goed dat ik 't niet zou kunnen.
{38}
AAN EEN VREEMDE
Voorbijgaande vreemdeling! gij weet niet hoe innig verlangend
ik U aanzie,
Gij moet zijn hem dien ik zoek, of haar die ik zoek ('t komt
in mij als een droom)
Ergens heb ik zeker een vreugdevol leven met U geleefd,
Terwijl wij elkaar voorbijgaan fluïdisch, liefdedorstend, rein
en volwassen, herinner ik mij alles weer
duidelijk,
Gij groeidet met mij op, waart een knaap met mij of een
meisje met mij,
Ik at met U en sliep met U, uw lichaam is niet enkel het
uwe gebleven noch heeft het mijne enkel het mijne
laten
blijven,
Gij geeft mij de vreugde van uwe oogen, gezicht, lijf, als wij
elkaar voorbijgaan, gij neemt in keer van mijn baard,
borst,
handen,
Het is mij niet vergund tot U te spreken, het is mij enkel
vergund aan U te denken als ik alleen ben of waak in
den
eenzamen nacht,
Ik moet op U wachten, ik twijfel er niet aan, dat 't mij vergund
zal zijn U eens opnieuw te ontmoeten,
Ik moet oppassen dat ik U niet verlieze.
IK HOOR DAAR WERD TEGEN MIJ GETUIGD
Ik hoor daar werd tegen mij getuigd, dat ik instellingen door
de eeuwen gewijd zocht te vernietigen,
Maar waarlijk ik ben noch voor noch tegen die door de
eeuwen gewijde instellingen,
(Wat toch heb ik met ze gemeen of met de vernietiging
er van?)
Ik wil slechts vestigen in de Mannahatta en in elke stad
dezer Staten, 't zij diep in het land of aan de
zee,
En in de velden en wouden en boven elke kiel klein of groot
die op de wateren dobbert,
Zonder gebouwen of wetten of besturen of eenige belijdenis,
De instelling van trouwe liefde tusschen kameraden.
{39}
ALS IK EENS NAGA WAT ROEM IS
Als ik eens naga wat roem is, roem van heldendaden, roem
van overwinningen door groote veldheeren bevochten,
dan
benijd ik die veldheeren niet,
En ik benijd evenmin den President in zijn presidentschap,
noch den rijkaard in zijn paleis,
Maar wanneer ik hoor spreken over de broederschap van hen
die elkaar liefhebben, hoe zij leefden,
Hoe zij zijde aan zijde gingen door het leven, door gevaren,
den blaam trotseerende, altijd vol liefde voor
elkaar, heel
den langen weg,
Van jeugd tot manzijn en van manzijn tot grijsheid, hoe fier
zij waren in hun liefde, hoezeer elkaar genegen en
getrouw,
Dan word' ik stil—ik ga haastig voort vervuld van den
bittersten nijd.
SOMS, IN MIJN LIEFDE
Soms, in mijn liefde, word ik vervuld van wanhoop, uit vrees
liefde uit te storten over een die mijn liefde niet
beantwoordt,
Maar nu denk ik, dat elke liefde beantwoord wordt, en dat
op een of andere wijs het loon zeker is,
(Eens had ik vurig lief en werd mijn liefde niet beantwoord,
Nu, door die liefde heb ik deze zangen geschreven.)
{40}
UIT: HET LIED VAN DEN OPEN HEIRWEG
1.
Te voet en blijmoedig neem ik den open heirweg,
Gezond, vrij, heel de wereld voor mij uit,
De onafzienbare bruine weg voor mij uit, die mij brengt
overal waar ik wensch te gaan.
Voortaan zal ik nimmer naar geluk vragen, ik heb geluk in
mijzelf,
Voortaan zal ik niet meer klagen, niets meer verdagen,
voortaan zal ik mij niets voelen
ontbreken,
't Is gedaan met in huiszitten en klagen, met boekenwijsheid,
met het nutteloos oordeel over anderen,
Sterk en tevreden ga ik den open heirweg op.
De aarde is mij voldoende,
Ik begeer mij de sterren niet nader,
Ik weet, wáár zij zijn is 't goed dat zij zijn,
Ik weet, dat zij genoegzaam zijn hun wier leven van hun
leven is.
Maar ook hier draag ik mijne oude lieve lasten met mij,
Ik draag ze mee, mannen en vrouwen, ik draag ze mee overal
waar ik ga,
Ik zweer U: 't is onmogelijk ze van mij af te schudden,
Zij leven in mijn leven, en ik wil hun leven vervullen van
het mijne.
2.
Gij heirweg, dien ik nu betreed en waarover ik mijn oog
laat ronddwalen, ik geloof dat hier meer is dan het
zichtbare,
Ik geloof dat hier ook veel onzichtbaars is.
{41} Gij leert de
moeilijke les van Al-ontvankelijkheid, gij kent
voorkeur noch uitzondering;
De zwarte met zijn wollig hoofdhaar, de uitgestootene, de
melaatsche, de ongeletterde worden door U niet
geweigerd;
De geboorte, het haastig halen van den doctor, de strompelende
bedelaar, de waggelende dronkaard, de
vroolijke
troep werklieden,
De uitgelaten jeugd, de karos van den rijkaard, de pronker,
het vluchtende paar,
De vroeg ter markt gaande man, de lijkwagen, de verhuiskar
naar stad, de wagen die uit de stad
terugkomt,
Zij gaan voort, aldus ga ook ik voort, geweerd wordt er
geen,
Allen deelen in dezelfde ontvangst en mij zijn allen lief.
3.
Links en rechts wijdt de aarde zich uit,
Een levend beeld van leven, alles in zijn beste licht,
Natuurmuziek gehoord waar men haar wenscht te hooren en
onhoorbaar als de ziel aanschouwen wil,
De blijde stem van den open heirweg en de blijmoedige,
frissche ziel van dien weg.
O, heirweg dien ik nu heb ingeslagen, zegt gij mij: verlaat
mij niet?
Zegt gij mij: Waag U niet—gij zijt verloren indien gij mij
verlaat?
Zegt gij mij: Reeds ben ik welgebaand en drukbeloopen, geen
die mij niet roemt, houd U aan
mij?
O heirweg, ik antwoord U: niet bevreesd ben ik U te verlaten,
maar ik heb U lief,
Gij, beter dan ik 't doen kan, verklaart wat in mij is,
Gij zult mij meer zijn dan mijn gedicht.
Ik denk: alle heldendaden en alle vrije gedachten hebben
hun bezieling gevonden in de open lucht,
Ik denk: hier toevende zou ik wonderen kunnen doen,
Ik denk: wat ik ook op den heirweg ontmoete zal mij welkom
zijn en ieder die mij ziet zal mij
liefhebben,
Ik denk: ieder dien ik zie moet gelukkig zijn.
{42}
4.
Van dezen stond af verklaar ik mij los van limieten en
gedachte grenzen,
Ik ga waar 't mij lijkt, geheel en volkomen mijn eigen
meester,
Luister naar anderen, overweeg wat zij zeggen,
Denk na, onderzoek, neem in mij op, bepeins,
Maar ik maak mij vriendelijk doch met onwrikbaren wil los
uit den greep die mij zou willen
vasthouden.
Ik adem de ruimte met lange teugen in,
Ik bezit Oost en West en ik bezit Noord en Zuid.
Ik ben grooter, beter dan ik dacht,
Ik wist niet, dat ik zoo rijk aan goedheid was.
Alles lijkt mij schoon,
Ik kan tot mannen en vrouwen zeggen en herhalen: gij hebt
mij zooveel goed gedaan, ik woû U hetzelfde
doen,
Wat ik op mijn weg zal vinden zal gelijkelijk voor U en voor
mij zijn,
Op mijn weg zal ik aan mannen en vrouwen geven van
mij-zelf,
Ik zal nieuwe vreugde en onstuimigheid in hen werpen,
Wie mij verloochene, het zal mij niet bedroeven,
Wie mij aanvaarde, hij of zij zal gezegend zijn en mij
zegenen.
5.
Indien thans een duizendtal volmaakte mannen verscheen
zou mij dat niet verbazen,
Indien thans een duizendtal schoone vrouwengestalten verscheen
zou dat mij niet verwonderen.
Thans ken ik het geheim om voortreffelijke menschen te
gewinnen:
Het is te leven in de open lucht en te eten en te slapen
met de aarde.
{43} Hier heeft een
groote persoonlijke daad ruimte,
(Zulk een daad legt beslag op de harten van heel het menschelijk
geslacht,
De uitvloeiing van haar kracht en wil breekt de wet en
bespot alle gezag en redenen die zich tegen haar
mochten
willen kanten).
Hier is de toetssteen der wijsheid,
Wijsheid wordt niet in de scholen getoetst,
Wijsheid kan niet worden overgedragen van den een die
haar bezit op den ander die haar niet
bezit,
Wijsheid is ziel, wijsheid laat zich niet toetsen, maar toetst
zelf,
Zij doordringt zich van alle tijden, dingen, eigenschappen en
is voldaan,
Zij is de zekerheid van wat waar en onvergankelijk is in
't leven en van wat volkomen is in 't
leven,
Er is iets in de veelheid der zichtbare dingen dat haar
oproept uit de ziel.
Nu onderzoek ik opnieuw de religiën en de wijsbegeerten,
Zij kunnen voortreffelijk zijn in collegiezalen en toch niets
bewijzen onder de uitgestrekte wolken en langs het
landschap
en de vloeiende stroomen.
Hier is werkelijkheid,
Hier is een mensch—hier openbaart hij wat er in hem is,
Het verleden, de toekomst, majesteit, liefde—indien zij
niet van U zijn vervuld, zijt gij niet van hen
vervuld.
6.
Hier is de uitvloeiing der Ziel,
Wat uit de ziel vloeit komt uit het binnenste door bloembekranste
poorten en stelt vragen steeds.
Waarom toch dat smachten? Waarom toch dat gepeins in
stikdonkeren nacht?
Waarom toch zijn er mannen en vrouwen, die als zij dicht bij
mij zijn zonnelicht en zonnewarmte in mijn bloed
doen
vloeien, waardoor het zich uitzet?
{44} Waarom toch,
wanneer zij mij verlaten, hangen mijne vreugdevanen
slap en plat neer?
Waarom toch zijn er boomen onder wier gebladert ik nooit
wandel of verheven en melodieuze gedachten dalen in
mij
neer!
(Ik denk, dat zij daar winter en zomer aan die boomen
bloeien en als rijpe vruchten afvallen als ik
voorbijkom;)
Wat ruil ik toch zoo plotseling met vreemden?
Wat met dien koetsier als ik op den bok aan zijn zijde zit?
Wat met dien visscher die aan de kust zijn zegen uitwerpt,
terwijl ik in 't voorbijgaan een oogenblik blijf
kijken?
Wat geeft mij een zoo vrij beroep op de welwillendheid van
die vrouw of dien man? Wat geeft hun een zoo vrij
beroep
op de mijne?
7.
Wat uit de ziel vloeit is geluk, hier is geluk,
Ik denk het vervult de open lucht en is van allen tijde,
Nu vloeit het op ons aan en zijn wij er welzalig van.
Hier stijgt het fluïdum op, hier wast de zielegehechtheid,
Het fluïdum en de zielegehechtheid is de frischheid en de
bekoring van man en vrouw,
(Het ochtendstondgras spruit niet frisscher en bekoorlijker
iederen dag uit eigen wortels voort, dan dezen
voortspruiten,
frisch en bekoorlijk altijd, uit
zich-zelf.)
Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid vloeit van jong
en oud het liefdezweet,
En als een regen daalt de verrukking die alle schoonheid en
rijkdom te boven gaat er uit neer,
Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid zwelt het
smachten en sidderen van de pijn der
gemeenschap,
8.
Allons! wie gij ook zijt, kom en reis mede!
Met mij reizende zult gij vinden wat nimmer U vermoeit.
De aarde vermoeit nimmer,
De aarde is eerst ruw, zwijgzaam, onbegrijpelijk, de natuur is
eerst ruw en onbegrijpelijk,
{45} Zij niet
moedeloos, geef niet op, daar zijn godsdingen diep
verborgen,
Ik zweer U daar zijn godsdingen heerlijker dan woorden kunnen
zeggen.
Allons! Wij moeten hier niet toeven,
Hoe verlokkelijk deze overvloeden, hoe gemakkelijk deze
woningen zijn, wij kunnen hier niet
blijven,
Hoe veilig deze haven zij en hoe kalm deze wateren zijn, wij
mogen hier niet ankeren,
Hoe welkom de gastvrijheid zij die ons omgeeft, slechts voor
een korte wijl is 't ons veroorloofd er van te
genieten.
9.
Allons, de drang wordt krachtiger,
Wij zullen onbekende en wilde zeeën bevaren,
Wij zullen het gegier der winden en de stortvloeden der
golven trotseeren en gaan waar de Yankee-klipper
voortsnelt
met volle zeilen.
Allons! Met kracht, vrijheid, de aarde, de elementen,
Gezondheid, moed, blijheid, zelf-achting, weetgierigheid;
Allons! weg van alle evangeliën!
Vooral weg van uwe evangeliën, O loensche materialistische
priesters.
Die mummie blokkeert den doorgang—wij zullen met het
begraven niet langer wachten.
10.
Luister! Ik wil oprecht jegens U zijn,
Ik loof niet de oude, smedige prijzen uit, maar ruwe, nieuwe
prijzen,
Aldus de zelf-overwinningen die uw deel moeten zijn:
Gij zult U niet ophoopen wat rijkdom genoemd wordt,
Gij zult met kwistige hand uitdeelen wat gij wint of verkrijgt,
Gij zult nauwelijks de stad bereikt hebben die het doel uwer
reis was, ter nauwernood hebt gij U er voldaan
nedergezet,
of gij wordt opgeroepen door een onafwijsbaar bevel
om
door te gaan,
{46} Gij zult U niet
storen aan de ironische glimlachen en den spot
van hen die achterblijven,
Welke liefdewenken gij ook ontvangt, gij moogt enkel antwoorden
met hartstochtelijke kussen van
afscheid,
Gij zult niet veroorloven, dat zij die de armen naar U uitstrekken
U vasthouden.
11.
Alles wijkt terug van den voortgang der zielen,
Alle godsdienstvormen, alle tastbare dingen, kunsten, regeeringen—al
wat op deze of welke wereld ook zichtbaar
was
of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de
zielenprocessie
langs de verheven wegen des Heelals.
Den voortgang der zielen van mannen en vrouwen langs de
verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang
enkel
toevoegsel en steun.
Eeuwig leven, eeuwig voorwaarts,
Statig, plechtig, droef, terughoudend, bespot, woedend, onstuimig,
zwak, onvoldaan,
Wanhopig, trotsch, teeder, ziek, erkend door menschen, verloochend
door menschen,
Zij gaan! Zij gaan! Ik weet dat zij gaan, maar ik weet niet
waarheen zij gaan,
Toch weet ik dat zij heenwaarts gaan naar het beste—heenwaarts
naar iets verhevens.
Wie gij ook zijt, kom mee! Man of vrouw kom mee!
Gij moet daar niet staan druilen of leuteren in uw huis,
ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd
is.
Weg uit den duisteren schuilhoek! Weg van achter het schut!
Uwe maren zijn vergeefs, ik weet alles en openbaar alles.
Zie door U heen, gij zijt zoo krank als de anderen,
Zie door het lachen, het dansen, het feestvieren der menschen
heen,
Zie onder hun kleed en sieraden, zie onder hunne gewasschen,
propere gezichten,
{47} Zie dan een
geheime, stille walging en wanhoop.
Geen echtgenoot, geen vrouw, geen vriend vertrouwd genoeg
om de belijdenis te ontvangen,
Als een ander Ik, een dubbelganger van ieder, gaat het
schuilend en angstig door het leven,
Vormloos en woordeloos gaat het door de straten der stad,
beschaafd en lief in de salons,
In spoorwagens, op stoombooten, in openbare bijeenkomsten,
Thuis in de woningen van mannen en vrouwen, aan tafel, in
het slaapvertrek, overal,
Keurig versierd, beleefd-glimlachend, recht van houding: dood
in het hart, verdoemenis in het hoofd,
Onder laken en handschoenen, onder linten en bloemen,
Gebruiken nauwkeurig volgende, met geen syllabe sprekende
over zich-zelf,
Sprekende van alle andere dingen ter wereld, maar nooit over
zich-zelf.
12.
Allons! door gevechten en door strijden!
Het doel dat wij ons gesteld hebben kan niet worden ontgaan.
Was het einde van vroeger strijden overwinning?
Wat heeft overwonnen? Gij-zelf? Uw volk? de Natuur?
Welaan, versta mij goed—de Voorzienigheid heeft in het
wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het
genot
zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt,
iets groeit,
dat een moeilijker strijd noodzakelijk
maakt.
Mijn roep is de roep ten strijde, ik kweek feitelijke rebellie,
Hij die met mij gaat moet wel gewapend gaan,
Hij die met mij gaat zal dikwijls karig voedsel, armoede, boosaardige
vijanden, verlatenheid vinden.