[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Elsje, by A.C. Kuiper
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: Elsje
(een verhaal voor meisjes)
Author: A.C. Kuiper
Illustrator: A. Wijthoff
Release Date: June 17, 2005 [EBook #14580]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ELSJE ***
Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team

“Als ’t je blieft, kereltje, hier is de stroopkan. Pas goed op en kijk waar je loopt; de kan is heel vol, zooals je ziet. Wacht maar, ik zal je wel even het stoepje afhelpen. Ziezoo, loop nu maar heel voorzichtig, hoor. Dag ventje!”
En de goedhartige kruideniersbediende keek het kleine mannetje van vijf jaar na, dat met een ernstig gezichtje en stijf op elkaar gedrukte lippen, langzaam de stille dorpsstraat door ging. Met de volle stroopkan stevig tusschen zijn kleine roode handen geklemd, het hoofd een weinig voorover gebogen en schuifelende pasjes, liep hij voorzichtig voort over de ongelijke steenen, die hier en daar verraderlijk glad waren, want het had hard gevroren de laatste dagen en hoewel de zon op enkele plaatsen de ijskorst deed wegsmelten, dat maakte de straat niet minder glibberig. Ons manneke was daarop echter bedacht; hij haastte zich niet en het duurde een heel poosje, eer zijn grappig rond figuurtje langs den hoek der straat verdween.
“Ziezoo, die zal wel veilig bij zijn moeder komen,” [2] zei de bediende, den winkel weer binnengaand. “En wat moet jij nu hebben, Elsje?” vroeg hij, zich tot een meisje wendend, dat geduldig bij de toonbank stond te wachten. Zij zag er frisch en gezond uit met haar roode wangen en heldere, blauwe oogen en het gladgestreken blonde haar kwam even onder het donkerroode wollen mutsje te voorschijn, dat zij onder de kin vastgestrikt droeg. Onder den warmen, zwartwollen doek, die om haar schouders geslagen en van achteren om het middel vastgeknoopt was, droeg zij een blauwgestreept katoenen jakje en onder den gladden rok van zwart merinos, kwamen grove wollen kousen en een paar stevige schoenen te voorschijn, die er uitzagen alsof zij te groot waren voor de voeten, die er in staken. Er lag iets vriendelijks en ook iets kinderlijks over de geheele verschijning, iets guls en prettigs, dat het vrij alledaagsche gezicht van het veertienjarige meisje bizonder aantrekkelijk maakte.
“Alles is weer op bij ons,” zei ze lachend, waarbij een rij witte tanden zichtbaar werd. “Ik moet weer koffie hebben en suiker en gort en wat rijst en meel en bruine boonen—van alles weer evenveel als altijd, als ’t je blieft. Hier is mijn mand.”
En een groote hengselmand van den grond nemend, zette zij die op de toonbank.
“Grootmoeder wat beter?” vroeg de bediende, terwijl hij de verschillende zaken afwoog en in zakjes deed.
“Neen, niet veel,” antwoordde Elsje, met een trek van bekommering op haar gezicht. “De dokter zegt dat ze meer eten moet, maar ze heeft haast nooit zin in wat. Ze is gelukkig wel beter dan verleden week.”
“Het zal langzamerhand wel in orde komen,” klonk [3] het op geruststellenden toon uit den mond van den bediende, “als de winter maar eens weer voorbij is. Dag Krelis!” vervolgde hij, zich tot een jongen wendend, die den winkel inkwam. “Ben je gevallen, baas? Je ziet heelemaal wit en zwart ook, warempel. Die mouw zal wel eens in de waschtobbe moeten voordat ze weer schoon is.”
“Och, dat droogt wel weer op,” zei de jongen, achteloos een veeg over de bewuste mouw gevend. “Twee ons klontjes voor de koffie, als ’t je blieft.”
“Ziezoo, klaar is Kees,” hernam de bediende, Elsje de gevulde hengselmand en Krelis zijn zak met klontjes overreikend. “Dag kinderen, plezierige wandeling samen!”
De twaalfjarige knaap drukte zijn gladden bonten muts vaster op het hoofd, knikte even, deed de rinkelende winkeldeur open en ging vóór Elsje den winkel uit, niet uit lompheid, maar omdat het geen oogenblik bij hem opkwam haar voor te laten gaan.
Elsje volgde hem met haar mand aan den arm, de dorpsstraat door en den straatweg op. Het was heerlijk, gezond winterweer; helder en frischkoud, zacht vriezend. De zon scheen vol en rijk en verlichtte met warmen glans de enkele donkere dennen en de bruinglinsterende open velden aan beide kanten van den breeden straatweg. Over de dorre grassen en halmen lag een gouden gloed en dunne laagjes fonkelenden rijp losten zich in de warme zonnestralen op tot doorschijnende waterdroppels, die aan de kale, gladde takken bleven hangen, schitterend als zoovele diamanten.
Met blijde, gelukkige oogen keek Elsje om zich heen, terwijl zij naast haar jeugdigen geleider voortstapte. [4] Het was haar aan te zien dat haar jonge ziel vatbaar was om al dat heerlijke schoon te genieten en van puur genot haalde zij eens diep adem alsof ze zeggen wou: “Hè, hoe verrukkelijk mooi!” De jongen naast haar liep, een vroolijk deuntje fluitend, verder. Hij voelde zich prettig opgewekt in de gezonde winterkou; het liep zoo gemakkelijk en vlug over den harden, drogen weg; buitendien was het Zaterdag en had hij dus den langen Zondag in het vooruitzicht, waarop hij uren achtereen zou kunnen schaatsenrijden. Kortom, alles werkte samen om hem bizonder goed gemutst te doen zijn, maar zijn stemming was een geheel andere dan die van Elsje. Zij zou niet onder woorden hebben kunnen brengen wat zij voelde; er trilde iets in haar hart, dat haar zou hebben kunnen doen juichen en ernstig zijn te gelijk—het was een zekere heilige bewondering, een aanbidding bijna voor wat zij zag om zich heen. Want in haar eenvoudig kinderhart leefde een groote, rijke liefde voor de natuur; een liefde, die aan haar kalm leven een warmen gloed verleende, maar die haar ook wonderlijk verschillend maakte van de dorpsmeisjes met wie zij in aanraking kwam, al mocht men haar over ’t algemeen graag lijden. Overigens was er aan Elsje volstrekt niets buitengewoons. Hare ouders, brave, oppassende lieden, had zij verloren toen zij nog maar heel klein was en sedert dien tijd had zij altijd met haar grootmoeder gewoond, in het kleine huisje, dat op een half uur afstands van het dorp gelegen was. Haar grootvader was ook reeds jaren dood en zijne weduwe had lang met naaien den kost verdiend en daardoor de spaarpenningen van haar man onaangetast gelaten, zoodat zij daarvan nu op [5] haar ouden dag zuinig met haar kleindochter leven kon.
“Hè,” zei Elsje, terwijl ze even staan bleef, “wat is het vandaag prachtig hier! En kijk eens, wat glinsteren die mooi in de zon!” vervolgde ze, terwijl ze zich heenboog over een der lage, kale struiken en voorzichtig een glimmenden tak aanraakte, waaraan ontelbare waterdroppels flikkerden.
“Ja, allerprachtigst!” lachte Krelis en een dikken tak beetpakkend, schudde hij Elsje de zware druppels in het gezicht en riep spottend: “En ze spatten ook zoo mooi!”
In een oogwenk stond haar mand op den grond en haar gezicht snel met haar hand afvegend, riep ze: “Dat zal ik je betaald zetten!”
“Ga je gang, maar pas op dat je mand niet weggepakt wordt!” plaagde hij en meteen het hengsel beetgrijpend, rende hij vooruit, zoo snel als zijn jonge beenen het hem maar veroorloofden.
“Vreeselijke jongen!” riep Elsje hem na, terwijl zij het ook op een loopen zette, zonder echter den jeugdigen boosdoener te kunnen inhalen.
Eindelijk verdween hij langs een smal zijpaadje, dat naar de kleine boerderij voerde, waar hij thuis hoorde.
“Och hemel, nu neemt hij mijn mand zeker mee naar binnen!” hijgde Elsje, op het zijpad toesnellend. Maar toen zij dichterbij gekomen was, zag zij de hengselmand op een grooten steen vlakbij staan.
“Gelukkig,” zei ze, zich bukkend om haar op te nemen.
“Och, och, wat spatten ze mooi, wat spatten ze mooi!” klonk de stem van Krelis achter haar, terwijl een dichte regen op haar neerviel van den struik, waaronder zij [6] zich gebukt had en dien hij uit alle macht schudde.
Zij richtte zich snel op, maar Krelis was haar al weer te vlug af geweest, want toen zij zich naar hem omkeerde, was hij het zijpad al weer in en niets dan een plagend geroep van: “Dag Els, dag Els!” bewees dat hij nog in de nabijheid was.
“Wacht maar, ik zal je wel krijgen, al is het dan vandaag niet!” riep ze terug, waarop Krelis tergend een langgerekt gefluit liet hooren en toen in huis verdween.
“Ik zal hem wel,” zei Elsje bij zichzelf, terwijl ze verder liep, “hij behoeft niet te denken dat ik me zoo maar ongestraft laat beetnemen, die brutale jongen!” En zij lachte, terwijl ze zich ten tweeden male het gezicht afveegde.
En verder liep ze, langs kale, uitgestrekte velden, waar de donkere aarde door een dunne ijskorst was bedekt en waar de bonte kraaien, deftig als oude heeren, in zwart-en-grijs gewaad voorttrippelden of in lange zwenkingen door de lucht vlogen. Iets verder stak het korte kreupelhout met zijn taaie, warmroode twijgjes, schilderachtig af tegen de hoogere struiken, waarvan de dorre beuke- en eikebladeren, die hardnekkig aan de kale takken waren blijven hangen, goudbruin waren getint. Vlokkige witte wolkjes deden het zonnige blauw van den hemel te helderder uitkomen en Elsje kon niet nalaten, nog even om zich heen te zien met een: “Hè, heerlijk!” van innige bewondering, voordat ze het korte pad opging naar het kleine huisje, dat zij met haar grootmoeder bewoonde. Het zag er netjes en schilderachtig uit met de donkergroen en rood geverfde luiken, de lage groene deur en de smalle ramen, die thans door [7] de warmte van binnen half ontdooid waren, zoodat Elsje het vriendelijke gezicht van haar grootmoeder, omlijst door een hagelwit, geplooid mutsje, naar buiten kon zien kijken. Zij knikten elkaar vroolijk toe, waarna het meisje het plaatsje van roode tichelsteenen op zij van het huis overliep naar de deur, de klink oplichtte en door de smalle gang het woonvertrek inging, dat tevens als keuken dienst deed. De kleine kamer had een zeer eenvoudig aanzien met de vierkante houten tafel voor het raam, vier stoelen met matten zittingen en den bruingeschilderden houten vloer. Aan den eenen kant van den gewitten muur stond de kookkachel en daar tegenover een ouderwetsche latafel met korte, gedraaide pooten. In een zwarte lijst tegen den muur hing een verschoten merklap, door Elsje’s grootmoeder bewerkt, toen ze nog een kind was, terwijl de portretten van Elsje’s ouders op de latafel prijkten in gezelschap van een fleschje inkt, een paar pennenhouders, twee hardblauwe bloemvaasjes, een mandje met gemaakte bloemen, een staand spiegeltje en een Bijbel. Een groote koekoekklok hing naast den schoorsteen, die met aardige blauwe tegeltjes was versierd, terwijl een netjes gerimpelde strook of “val” langs den zwarthouten schoorsteenmantel naar beneden hing. Vlak bij het raam, waarbij de grootmoeder zat te breien, was een klein portretje opgehangen in een fraai nieuwerwetsch lijstje, dat slecht in deze omgeving paste. Het portret was dat van een jonge vrouw, met groote, sprekende oogen en donker, golvend haar. Er lag een trek van trotschheid om den fijnbesneden mond en het was alsof de fraaigevormde wenkbrauwen even minachtend opgetrokken waren, iets wat het overigens zeer innemende gelaat [8] bepaald ontsierde. Er was in het portret een flauwe gelijkenis waar te nemen met het gezicht der oude vrouw, die dezelfde donkere, sprekende oogen had, waarvan echter de uitdrukking veel vriendelijker was, terwijl het thans geheel witte haar volkomen glad langs hare slapen was gestreken en zonder de minste neiging om te golven, even onder de geplooide muts te voorschijn kwam. De kleine handen waren rimpelig en mager van ouderdom en de dikke, blauwe aderen duidelijk zichtbaar, terwijl de ijverige vingers vlug de breinaald hanteerden.
Elsje leek niets op haar grootmoeder. Hare oogen waren lichtblauw, evenals die harer eigene moeder geweest waren, ook had zij hetzelfde geelblonde, touwachtige haar van haar moeder. Fijn besneden waren hare trekken volstrekt niet, maar om haar frissche roode lippen lag, zooals wij reeds gezegd hebben, iets guls en prettigs, en uit de vroolijke, blauwe oogen straalde een glans van tevredenheid en geluk, die een groote aantrekkelijkheid verleende aan haar gezicht.
Haar grootmoeder keek Elsje met welgevallen aan, zooals ze thans voor haar stond met wangen rood van de koude en oogen, nog schitterend van het genot, dat de mooie wandeling haar had bezorgd.
“O grootmoeder, wat is het heerlijk buiten!” zei ze, de mand op de tafel zettend. “Ik wou dat u het ook allemaal eens gezien hadt! De zon schijnt zoo mooi en het is zulk lekker weer om te loopen en alles schittert even prachtig en....”
“Ja, ja, ik wil het wel gelooven,” zei de oude vrouw, lachend haar kleindochtertje in de rede vallend, “maar maak nu maar een beetje voort. Je moet het plaatsje nog [9] schrobben en de koffie malen en dan verlang ik erg dat je eens flink aan het breien gaat. Je bent ook nogal lang weg geweest, dunkt me.”
“Och, die vervelende Krelis heeft me weer geplaagd,” zei Elsje met gemaakte knorrigheid, terwijl ze de pakjes uit de hengselmand nam. “Ik zal gauw voortmaken, grootmoeder.”
Zij deed haar kapje en doek af en begon ijverig heen en weer te dribbelen, waarbij het korte vlechtje op haar rug, dat met een zwart veterbandje vastgestrikt en heel stijf gevlochten was, voortdurend in dansende beweging kwam.
Het vuur werd opgestookt, de groote ketel met water opgezet voor de koffie, die straks bij de boterham gebruikt moest worden, sneden brood met roggebrood werden gesneden en gesmeerd en eindelijk werd de koffiemolen uit de kast gehaald en werden de boonen gemalen, waarbij Elsje een even druk gebruik maakte van haar tongetje als van haar handen. De grap van Krelis werd in kleuren en fleuren aan grootmoeder verteld, wier oude oogen van pret begonnen te glinsteren bij het aardige verhaal. Toen was er genoeg koffie gemalen en zei Elsje, het blad met de kopjes klaarzettend en de koffie opschenkend:
“Zal ik nu maar eerst het plaatsje schrobben, grootmoeder? Dan kan de koffie onderwijl trekken.”
“Best kind.”
Ons meisje deed met een gewichtig gezicht een grooten blauwen boezelaar voor, zette haar wollen kapje weer op, deed haar klompen aan en ging naar buiten. En toen volgde er een plassen met water en een geschrob en een klotsen op klompen, dat het een aard [10] had. De roode tichelsteentjes begonnen terdege te glimmen van al dat geboen en toen Elsje eindelijk klaar was met schrobben en met groote handigheid wit zand over het plaatsje had gestrooid uit een wijden, ruwhouten nap, zag het er zoo netjes uit, dat zij niet nalaten kon een goedkeurend knikje te geven, voordat ze in huis terugging.
“Het water zal wel gauw weer bevriezen,” zei ze, “er is zoo weinig zon aan dezen kant, maar het is toch erg opgeknapt.”
“Hè, ik verlang naar mijn boterham,” hernam ze, toen ze haar boezelaar aan den spijker naast den schoorsteen had opgehangen. “Is de koffie goed, grootmoeder?”
“Ja kind, schenk maar eens gauw een warm kopje in.”
Elsje gehoorzaamde, zette het kopje voor de oude vrouw neer en vroeg toen, met een bezorgden blik op het gelaat der grootmoeder, dat plotseling heel bleek geworden en pijnlijk vertrokken was:
“Al weer die akelige pijn op de borst, grootmoeder?”
De oude vrouw knikte met een zwakke poging om te glimlachen.
“Zoo benauwd,” hijgde ze. “Erg benauwd! Wacht maar even.”
Het meisje ging achter haar staan, trok het grijze hoofd zacht naar zich toe en liet het tegen haar schouder rusten. Zoo bleef zij staan, totdat haar grootmoeder weer vrijer begon adem te halen, het kopje koffie opnam, even dronk en zei:
“Ziezoo, nu is het weer over. Hè, dat is een opluchting! Het kwam nu toch ook heel onverwachts.”
“Zal ik u straks nog eens wat van dat drankje geven?” [11]
“Ja, voordat we naar bed gaan. Eet nu je boterham kind, je zult trek hebben.”
Elsje haalde haar breikous uit de bovenste lade der latafel, nam een stoel en ging over haar grootmoeder zitten. En alweer had zij van allerlei te vertellen, terwijl de breinaalden lustig klapperden, de zwarte kous onophoudelijk heen en weer slingerde en nu en dan haar vroolijke lach helder en opwekkend door de kamer klonk. Zij moest vooral haar best doen dat de oude vrouw geen sombere buien kreeg, had de dokter gezegd en hoewel zij eigenlijk nooit anders deed dan het haar grootmoeder zooveel mogelijk naar den zin te maken, spande zij zich nu natuurlijk dubbel in. De wandeling naar het dorp en het bezoek aan den kruidenier gaven haar stof genoeg tot praten, totdat het langzamerhand donkerder werd en zij als vanzelf de breikous in haar schoot liet zakken en stiller werd. Buiten was de maan langzaam en statig opgekomen en verlichtte met een tooverachtig blauwen glans de zwarte, fijne takken der enkele iepen langs den weg. Zacht dreven de witte wolken verder door de blauwe lucht, waartegen de donkere boomtakken scherp afstaken. In het kleine vertrek werd het hoe langer hoe duisterder. De oude vrouw liet haar hoofd voorover glijden, sloot de oogen en sluimerde in. Met de handen over elkaar geslagen en haar gezicht een weinig opgeheven, zat Elsje met ernstige oogen peinzend naar buiten te staren.
Wat was het daar plechtig stil en mooi, dacht ze en hoe aardig was het om oplettend naar boven te kijken naar die grillig gevormde kleine wolken, die in al haar reine witheid langzaam voortgleden. Zou daar nu de hemel achter zijn? En als men die wolkjes van dichtbij [12] zag, van heel dichtbij, zou men ze dan voorzichtig kunnen bevoelen en er met de hand overheen strijken en zouden ze dan zacht en wollig zijn als fijne watten? En hoe kwam het toch dat de maan dat vreemde, blauwachtige schijnsel wierp over de koude, donkere aarde? En o, wat was het mooi, wat was het alles prachtig mooi! God moest wel heel groot en machtig zijn om alles zoo mooi en heerlijk te kunnen maken in de natuur! En hoe moest het wel in den hemel wezen, als het waar was dat daar alles nog veel mooier was dan hier! En....en als zij dan later in den hemel kwam, o, wat zou ze dan wel niet voelen, hier op aarde was het al dikwijls zoo prachtig! Het zou zeker nog heel lang duren, eer zij den hemel zag, zij was nog zoo jong, maar grootmoeder, die zou....
Met een snik van ontzetting, brak zij haar gedachtenloop af. O neen, neen, grootmoeder moest bij haar blijven, zij moest en zou weer beter worden; wat zou Elsje moeten beginnen zonder haar? Zij boog zich voorover om in de schemering naar haar te kijken en hoorde aan de zachte, geregelde ademhaling dat de oude vrouw sliep. En terwijl de tranen haar in de oogen sprongen, vouwde het meisje onwillekeurig de handen en opziende naar de heldere winterlucht daar buiten, zond ze een vurig gebed op tot God om haar grootmoeder nog lang voor haar te sparen.
“Maar Elsje kind, zit je daar nu nog te droomen?” klonk eensklaps de stem der oude vrouw, die, uit haar dutje ontwaakt, verbaasd was, het zoo donker om zich heen te vinden. “Maar meidlief, dat gaat nu toch zóó niet! Kom, steek gauw de lamp aan en brei dan nog, [13] totdat je aan den voet beginnen moet. We moeten onzen tijd niet zoo verspillen, kindje!”
“Maar het is ook zoo prachtig mooi buiten, grootmoeder. Hè!”
En met een zucht onttrok zij zich aan haar droomerij, stond van haar stoel op, stak de hanglamp aan, liet het gordijn naar beneden zakken en begon den koffieboel op te ruimen. Haar grootmoeder sloeg haar onderwijl oplettend gade, schudde even het hoofd, boog zich over haar breiwerk heen en prevelde zacht bij zichzelf:
“Als het maar gaat! Och, als het maar gaat!”
“Klaar!” zei Elsje vroolijk, het koffieblad wegzettend en haar breikous weer opnemend. “Nu nog flink een steekje breien, he grootmoeder? Dat bevalt u beter dan al dat luie naar buiten kijken!”
“Ja zeker, kind. Je moet ook denken dat je....”
Zij eindigde den zin niet, zoodat Elsje verbaasd opzag en een ernstig gezicht zette, toen zij bemerkte hoe bezorgd haar grootmoeder keek.
“Wat moet ik denken, grootmoeder?” vroeg ze zacht.
De oude vrouw antwoordde niet dadelijk; hare lippen trilden en hare handen beefden zenuwachtig en hoewel zij haar mond opende, als om iets te zeggen,—er kwam geen geluid.
Elsje legde haar breiwerk neer en zag haar angstig aan.
“Komt de benauwdheid weer terug?” vroeg ze snel.
“Neen kind,” klonk het half fluisterend. “Neen, maak je maar niet ongerust. Ik wou je alleen maar zeggen,”—en nu klonk haar stem duidelijk en scherp, alsof zij zich geweld aandeed om luid te spreken,—“ik wou je alleen maar zeggen, dat je je best moest doen om niet te droomerig te zijn....” [14]
“Droomerig!” riep Elsje lachend uit. “Maar dàt ben ik toch niet. Ik maak het u toch soms druk genoeg!”
“Jawel, maar je kunt toch van die stille buien hebben, waarin je lang naar buiten zit te kijken, zonder een woord te zeggen of iets uit te voeren. En dan houdt je er van om Zondagsmiddags alleen lange wandelingen te gaan maken, als je de andere meisjes niet mee kunt krijgen en dan vindt je het prettig om uit te gaan, soms in het verschrikkelijkste weer.... En het is nu allemaal wel heel goed om zooveel moois te zien in de natuur—daarvoor heeft onze lieve Heer haar ook geschapen—maar ik zou zoo graag willen, kind, dat je in alles meer een gewoon meisje waart en dat je vooral niet overdreven werdt in sommige dingen. Want....want als ik er eens niet meer ben en als je later eens onder de menschen komt, zal die liefde voor de natuur je niet heel veel helpen om flink door de wereld te komen en moedig je strijd in die wereld te strijden....”
“Grootmoeder,” zei Elsje en zij liep naar de oude vrouw toe en knielde bij haar neer. “Grootmoeder, waarom zouden wij nu al over dien vreeselijken tijd spreken, die na uw dood voor mij komen moet? Wij zijn nu immers nog bij elkaar en ik hoop dat dit nog heel, heel lang zal duren en later....” zij snikte even, maar vermande zich spoedig en vervolgde vroolijk: “dan hoop ik toch mijn best te doen om hier op het dorp of in de buurt te kunnen blijven. En o grootmoeder,”—en zij lachte door de tranen heen, die haar in de oogen waren gesprongen,—“dan ben ik zeker een flinke, stevige boerenmeid en dan kibbelen ze allemaal om me, wie mij in dienst zal krijgen!” [15]
Er kwam een weemoedig glimlachje op het gezicht der oude vrouw, maar zij zweeg en schudde droevig het hoofd. Elsje zag met oogen vol vragende verwondering naar haar op. Wat was er toch? Waarom was grootmoeder van avond zoo gedrukt; wat kon er gebeurd zijn, dat haar in die stemming had gebracht? Zij was gewoonlijk opgewekt en gelijkmatig van humeur, niettegenstaande haar ziekelijken toestand—wat was er toch, dat haar nu zoo bedroefd maakte?
“Is er iets, grootmoeder?” vroeg Elsje bedeesd. “Heb ik iets gedaan, dat u verdrietig heeft gemaakt? Ik weet heusch niet....”
“Neen, neen, Elsje, je hebt je niets te verwijten, hoor! Kom, maak het vuur maar aan kant. Zijn de luiken al gesloten buiten? Dan moesten we maar naar bed gaan.”
Met een kleur sprong Elsje op. “Ik heb al weer vergeten de luiken dadelijk te sluiten, toen ik de lamp opgestoken had,” zei ze beschaamd. “Het spijt me erg, grootmoeder.”
“Lieve meid, hoe vaak moet ik je dat nog zeggen? Doe het nu maar gauw! Hier, sla je doek even om; het is zoo koud.”
Haastig sloeg Elsje den doek om en liep naar buiten. In een wip waren de luiken voor de ramen geduwd, om later van binnen te worden vastgemaakt; toen keek zij nog even op naar den sterrenhemel, die plechtig en rustig neerzag op de donkere aarde en met een ernstige uitdrukking op haar gezicht ging ze weer in huis.
“Ik moet vóór alles oppassen dat grootmoeder niet weer in zoo’n sombere, vreemde stemming komt,” dacht ze. “De dokter heeft er mij zoo voor gewaarschuwd.” [16]
Maar noch de dokter, noch Elsje konden de oude vrouw van den last bevrijden, die haar drukte. En toen haar kleindochtertje reeds lang sliep, lag zij nog wakker, steeds weer gekweld door die ééne, telkens terugkeerende vrees, dien angstigen twijfel, die voortdurend de woorden op haar lippen bracht: “Als het maar gaat, och, als het maar gaat!” [17]
Den volgenden dag was het Zondag. Toen Elsje zich zachtjes aankleedde om haar grootmoeder niet wakker te maken, die nog vast sliep, was het haar, alsof het vandaag nog veel stiller en rustiger om haar heen was dan andere ochtenden. Buiten scheen de zon even vroolijk en gul als gisteren; er was weinig wind en weer was de lucht helderblauw. Alles juist als den vorigen dag en toch ook weer niet zoo, meende Elsje. Zondags zagen de dingen er in hare oogen bepaald anders uit dan op werkdagen. Zij werd dan wakker met wat zij een “echt Zondagsgevoel” noemde en kon duidelijk zien, vond ze, dat alles om haar heen in de natuur in een stemming was, die geheel bij den Zondag paste. De dorpsmeisjes lachten haar uit, als zij zulke dingen zei en Elsje kreeg een kleur en schaamde zich een beetje, maar zij bleef toch bij haar opinie. Zondags was alles anders, niet alleen in de huizen en niet alleen wat de kleeding der menschen aanging, maar ook buiten. En als de meisjes haar dan op stormachtige Zondagen plagend vroegen, of zij nu ook iets bemerkte [18] van de “plechtige Zondagsrust” in de natuur, beweerde zij ernstig dat het buiten toch “anders” was dan op gewone werkdagen.
Vandaag was het buiten dan ook al heel stil en plechtig. De wandeling naar de kerk zou zeker bizonder mooi en prettig zijn straks. Ze legde haar donkerroode, beste jurk vast klaar op een stoel. Eerst moest ze nog haar rok en jakje aan hebben om het vuur aan te leggen en alles in orde te maken vóór kerktijd. Dan kon grootmoeder rustig in haar zonnig hoekje voor het raam blijven zitten, tot zij weer thuiskwam. Het was een erg nette jurk, die roode, vond Elsje. Mietje, de dorpsnaaister, had haar gemaakt met een geplooid lijfje en lange mouwen, met een smal bandje fluweel gegarneerd. Onderaan op den rok had ze een keurige strook gezet met een band smal zwart fluweel er boven; dat stond toch bizonder mooi, dacht Elsje, terwijl ze de jurk op armslengte van zich afhield en met bewonderende oogen bekeek. Toen hing zij het kostbare kleedingstuk uitgespreid over een stoel, legde haar Zondagschen hoed van zwart stroo, gegarneerd met een vuurrood krulveertje en een strikje van zwart lint, op de zitting, haar kerkboek er naast en opende behoedzaam de deur der kleine slaapkamer, die aan het woonvertrek grensde.
En terwijl ze neerhurkte voor de kachel om het vuur aan te maken, lachte ze vroolijk bij de gedachte, hoe ze Krelis op weg naar de kerk zou tegen komen en hoe ze zich dan boos zou houden en voorwenden, niet met hem te willen loopen en hoe hij dan zeker een oogenblik denken zou, dat het meenens was en haar angstig vragend aanzien. Zij was toch altijd [19] twee jaar ouder dan hij en hij moest het eigenlijk een heele eer vinden om met haar te mogen loopen! Ja, dat moest hij en dat zou ze hem toch eens een klein beetje laten voelen, dat zou ze heusch! En ze knikte lachend tegen het vuur, dat hoog begon op te vlammen en grappige, knetterende geluiden maakte.
Daar klonk de stem der oude vrouw uit de slaapkamer.
“Elsje, Elsje!” riep ze.
“Ja grootmoeder, wat is er?” vroeg Elsje, haastig uit haar knielende houding opstaande en naar het bed toeloopend.
“Is het al warm binnen? Ik wou opstaan.”
“Dan zou ik nog maar even wachten, grootmoeder. Ik zal de tusschendeur open laten staan, dan wordt het hier ook een beetje warmer; de kachel begint al flink te branden.”
“Goed, dan wacht ik nog een half uurtje. Maar kind, ik...”
De oude vrouw zweeg plotseling en wendde het hoofd van Elsje af naar den muur, alsof ze toch maar niet meer spreken wilde en zich gereed maakte, nog wat te gaan slapen.
Elsje bleef verwonderd bij het bed staan.
“Wou u nog iets, grootmoeder?”
Er kwam niet dadelijk antwoord. Eindelijk slaakte de oude vrouw een diepen zucht en zonder haar gezicht naar haar kleindochtertje toe te keeren, zei ze:
“Ik .... ik wou liever dat je vandaag niet naar de kerk gingt, kind. Ik voel me tamelijk goed, maar ik wou toch liever niet alleen zijn van ochtend.”
“Ik wil graag bij u blijven,” zei Elsje terstond. “Maar zou het niet goed zijn dat de dokter even kwam vandaag? [20] Ik kan heel gauw heen en terug naar het dorp loopen om het hem te vragen.”
“Neen, neen, dat is heelemaal niet noodig. Maak je maar niet ongerust. Ga jij nu maar voort met je werk, dan sta ik straks wel op.”
En zij trok de lakens over zich heen en sloot de oogen, als om te kennen te geven dat het gesprek nu uit was.
Elsje gehoorzaamde en ging stil, met een bezorgde uitdrukking op haar gezicht, voort met haar werk. Wat was er met grootmoeder? Eerst gisteravond die vreemde, droevige stemming en nu zoo kortaf, zoo geheel anders dan gewoonlijk! De tranen sprongen haar in de oogen bij de gedachte dat de oude vrouw toch misschien zieker was dan zij wilde bekennen—och, als de dokter maar eens even kwam, dat zou haar een heele gerustheid geven. Zij zou er straks nog eens met grootmoeder over spreken en dan zou alles wel weer in orde komen. De dokter had toch immers ook gezegd dat zij vooruitging—kom, ze moest nu maar geen zorgen hebben vóór den tijd!—
Zoo, daar stond grootmoeders stoel weer in het aardige, zonnige hoekje bij het raam. Elsje deed een kooltje vuur in de stoof en schoof die bij den stoel. Nu gauw stof afgenomen en het ontbijt klaar gezet; ze zou vlug voortmaken, dan was alles netjes, als grootmoeder binnen kwam.
Zij dribbelde ijverig met haar stofdoek heen en weer, het geheele vertrek door. Voor het portret der jonge vrouw in het sierlijke, nieuwerwetsche lijstje, bleef zij even staan. “Zoo’n heel ander gezicht dan dat van moeder,” zei Elsje, “ze kijkt zoo streng! Ik zou haar [21] haast niet “tante” durven noemen!” En snel wischte zij het stof van het glas af, alsof ze haast had om weg te komen van de uitdrukking dier koele, donkere oogen, die zoo strak naar haar schenen te kijken.
Intusschen woelde de oude vrouw onrustig in haar bed heen en weer. “Straks bij het ontbijt zal ik het haar zeggen, dadelijk bij het ontbijt—zoo gauw mogelijk, dat is het beste maar,” mompelde ze en dan weer: “Het moet maar terstond, dan is het er uit, dan weet ze het. Mijn lief, lief kind, arme, kleine Elsje! O, als het maar gaat, als het maar gaat!”
Ze bleef even stil liggen en een paar tranen rolden langzaam langs hare oude, verrimpelde wangen. Toen kwam er een trek van vastberadenheid om haar mond en klonk het zacht en bevend: “Het moet, het is de eenige weg,—God zal ons helpen!”
Een uur later was het ontbijt afgeloopen, maar nog had de grootmoeder den moed niet gehad, Elsje te zeggen wat het was, dat haar drukte. Eerst toen het meisje de bordjes en kopjes afgewasschen en weggezet had, zei de oude vrouw:
“Het is nog vroeg. Krijg je den Bijbel, kind?”
Het was het gewone verzoek, dat iederen Zondagmiddag terug kwam, maar dat nu vroeger op den dag gedaan werd.
“Nu al lezen, grootmoeder?” vroeg Elsje verwonderd.
“Ja,” knikte ze, “het is hier nu zoo rustig en we hebben al den tijd.”
Elsje kreeg den Bijbel en vroeg:
“Zal ik lezen?”
“Ja kind, dat is goed. Mijn stem is zwak vandaag. Lees jij maar.” [22]
“Wat zal ik nemen?” vroeg Elsje, terwijl ze over haar grootmoeder zitten ging en den Bijbel opensloeg.
De oude vrouw bedacht zich even, toen zei ze zacht:
“Psalm 121.”
Er volgde een oogenblik van vredige stilte, door niets verbroken dan door het ritselend geluid van het omslaan der bladen door Elsje, die den psalm opzocht.
Toen begon ze te lezen:
“Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal.
“Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.
“Hij zal uwen voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.
“Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen.
“De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uwe Schaduw, aan uwe rechterhand.
“De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
“De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren.
“De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.”
Met gevouwen handen en aandachtig voorover gebogen hoofd, luisterde de grootmoeder naar de frissche jonge meisjesstem, die duidelijk de troostende woorden voorlas uit den grooten, ouderwetschen Bijbel, welke reeds bij de grootouders van deze oude vrouw in gebruik was geweest. Elsje las vrij goed, langzaam en met ernst, onder den indruk dat zij den Bijbel las, maar het was aan den toon van haar stem te hooren dat de woorden [23] niet diep tot haar doordrongen. Zij vond den psalm mooi, zij voelde een zekere heilige bewondering voor de statige, plechtige Bijbeltaal, maar zij bleef er rustig bij, haar hart kende den strijd nog niet, die haar troost zou hebben doen zoeken en vinden in dezen psalm.

“Met gevouwen handen luisterde de grootmoeder....”
De oude grootmoeder kende dien strijd, och, zij kende dien maar al te goed en het trilde om haar ingevallen mond, terwijl zij luisterde met hare geheele ziel en hare handen gevouwen hield, als bad ze. Bij de woorden: “De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren....” kwam er een blijde glans in hare oogen en een zucht van verlichting over hare lippen en ze knikte even, alsof ze zeggen wou: “Dat is waar, o ja, dat is waar!”
Moedig hief ze het hoofd op, met den trek van hoop nog steeds in hare oogen en zoo bleef ze zitten, tot haar kleindochtertje den psalm uitgelezen had en vroeg:
“Maar verder lezen, grootmoeder?”
“Neen, zoo is het genoeg kind,” zei de oude vrouw zacht. Toen, nadat zij eens diep adem gehaald had: “Elsje, ik heb je wat te zeggen.”
“Ja grootmoeder?”
“Ik heb je wat te zeggen, kind; iets, dat....dat je vreemd zult vinden. Wil je bedaard naar me luisteren?”
“Ja,” fluisterde Elsje benauwd en met angstige verwondering haar grootmoeder aanziende. Wat kon er toch zijn? Waarom keek grootmoeder zoo heel ernstig? Het gaf haar een gevoel van beklemming.
“Het is nu al twaalf jaar geleden dat je moeder dood is, Elsje, en al dertien dat je vader stierf. Je moeder was mijn liefste dochter en je hebt heel, heel veel in haar verloren.” [24]
Elsje knikte ernstig. Ja, dat wist ze, dat had grootmoeder haar al heel dikwijls verteld.
“Over mijn andere dochter, je tante, heb ik nooit veel met je gesproken, maar je weet dat zij niets op je moeder gelijkt, uiterlijk niet en innerlijk ook niet. Toch is zij ook mijn dochter en zij meent het niet kwaad; zij meent het goed, ook al denkt zij anders over de dingen dan ik. Je weet, Elsje, dat je tante een mooi meisje was, toen ze jong was en ze zal nog wel mooi wezen.....”
“Ik vind het portret niets lief,” zei Elsje, geprikkeld door een onverklaarbaar gevoel van jaloerschheid op die tante, die “uiterlijk noch innerlijk” op hare eigene lieve moeder leek. Zij zou zich van dit gevoel geen rekenschap hebben kunnen geven, maar de woorden waren er uit, bijna voordat zij het zelf wist.
Hare grootmoeder zweeg, maar keek haar aan met iets verwijtends in de vriendelijke oogen. Een oogenblik was het heel stil in de kamer, haast even stil als daar buiten, waar de heldere winterzon de kale takken der boomen verlichtte en alles rondom in rust scheen, in één kalme, vredige rust. Een breede zonnestraal gleed tusschen de geplooide witte gordijntjes door langs de tafel op den Bijbel en deed de groote, zwarte letters glinsteren en de stofjes dwarrelen in het licht. En bij al die lieflijke rust klopte het onrustig in Elsje’s hart en er kwam een donkerroode gloed over haar gezicht, toen haar grootmoeder het stilzwijgen verbrak en zei:
“Je hebt je tante nooit gezien, kind; naar een portret alleen mag iemand niet oordeelen. En buitendien is dit portret al drie jaar oud. Je tante gaf het mij, toen ze het laatst hier was en jij naar school waart, zoodat je [25] haar ook toen niet gezien hebt, evenmin als den vorigen keer. En dat is jammer genoeg, want als je haar maar eens gezien hadt, zou er toch....”
Zij eindigde den zin niet, maar zweeg even. Toen hernam ze, op eenigszins vergoelijkenden toon:
“Het spreekt van zelf dat je tante anders is dan wij zijn en je bent oud genoeg om dat te begrijpen, Elsje. Ik heb je nooit heelemaal verteld, hoe alles met haar is gegaan, maar het voornaamste weet je toch. Je tante was een heel mooi meisje en toen ze volwassen was, had zij er geen plezier in, om hier op het dorp of in de buurt te blijven. Ze wou een betrekking zoeken als kinderjuffrouw en ze was er knap genoeg voor om dat te worden, dat moet ik zeggen. Ze kreeg haar zin en ze had het best. De menschen waren goed en vriendelijk voor haar en het beviel haar ook allemaal wel, tot er een rijk heer kwam, die zin in haar kreeg en met haar trouwen wou. Dat trok haar nog veel meer aan dan kinderjuffrouw zijn en ze is toen met dien rijken heer getrouwd en heeft drie jaren lang een gelukkig leven met hem gehad. Dat zij haar oude moeder bij al haar pracht en weelde wel eens een beetje vergat, och, dat is licht te begrijpen....”
Elsje had tot zoover geduldig geluisterd naar het verhaal, dat zij half kende, maar nu kon zij het toch niet langer uithouden.
“Dat vind ik juist zoo leelijk van tante,” riep ze driftig uit, “dat zij net doet, alsof zij geen lieve, oude moeder meer heeft! Dat ze te trotsch is om u bij zich te laten komen, dat ze haar dochtertje nog maar eenmaal hier heeft gebracht en dat jaren geleden, dat ze net precies doet of ze altijd een schatrijke, deftige dame [26] is geweest, dat ze u nooit eens heeft opgezocht met oom, toen die nog leefde en dat ze u alleen met uw verjaardag en met nieuwjaar geregeld schrijft!”
“Stil Elsje, je hebt het recht niet zoo te spreken en je doet me pijn, kind.”
Elsje boog het hoofd en begon te schreien.
“Maar laten wij dan toch ook maar niet over tante spreken,” snikte ze. “Ik heb haar nooit gezien, dat is waar, maar dat verlang ik ook niet en dat zal ook wel nooit noodig zijn,—ze komt nu toch nooit meer hier. Het is al heel mooi, als ze eens een brief schrijft!”
“En nu heb ik een brief van haar en daarover juist moet ik eens heel ernstig met je spreken. Elsje.”
Elsje hield van verbazing op met snikken en zag haar grootmoeder, door hare tranen heen, verschrikt aan.
“Een brief?” stamelde ze.
“Ja, hij kwam gisteren, toen jij naar het dorp waart en....en ik had er je al eerder van willen vertellen. Tante schrijft heel vriendelijk en aardig over je. Zij zegt dat het haar spijt dat ze je nog niet gezien heeft en....en dat ze graag eens kennis met je maken wil.”
“Ik niet met haar!” zei Elsje driftig.
Weer keken de oogen der oude grootmoeder zacht verwijtend, zoodat Elsje de hare neersloeg en hare lippen stijf op elkaar drukte, als om zichzelf tot zwijgen te dwingen.
“Ik ken je haast niet, als je zoo bent, Elsje,” hernam de oude vrouw met iets strengs in haar stem. “Ik vraag je nog eens of je bedaard naar mij wilt luisteren?”
Elsje begon weer harder te schreien.
“Als u over tante begint, krijg ik altijd dat akelige, booze gevoel in me,” zei ze. “Ik kan niet van haar [27] houden, omdat ze naar en onhartelijk is tegen u en ik zou veel liever niet over haar willen spreken—heusch grootmoeder, veel liever niet. Wat heeft zij ook eigenlijk met mij te maken?”
“Zij heeft dit met je te maken, Elsje, dat zij de eenige bloedverwant is, die je nog hebt in de wijde wereld, als ik er niet meer ben. Zij heeft dit met je te maken dat zij zich bereid heeft verklaard, je tot zich te nemen en voor je opvoeding te zorgen, als ik dat niet meer doen kan en....”
“O neen, neen, grootmoeder, dat niet, och neen, dat nooit! Ik smeek het u, dat nooit! U wordt wel weer beter, de dokter heeft het zelf gezegd en we zullen nog lang, heel lang bij elkaar blijven en....als u er niet meer bent, dan....” zij legde haar armen op de tafel, liet er haar hoofd op zakken en snikte het uit: “Dan wou ik dat ik ook maar dood ging!”
“Foei Elsje!”
De woorden kwamen er streng berispend uit, maar de lippen der oude vrouw trilden en hare oogen schoten vol tranen, terwijl ze naar het gebogene meisjeshoofd keek.
Eenige oogenblikken lang heerschte er diepe stilte, een stilte, die Elsje benauwde en eindelijk de oogen naar haar grootmoeder op deed slaan.
“Ik wil wel probeeren om bedaard naar u te luisteren,” zei ze zacht.
“Goed kind. Laat ik je dan maar eens precies vertellen, wat tante schrijft. Het is geen lange brief. Zij vraagt alleen of het mij beter gaat en of ik wel genoeg ben om jou een poosje te kunnen missen.”
Angstig vragend keken Elsje’s beschreide oogen, maar [28] zij zeide niets en knikte alleen even, als om te toonen dat zij nu heusch kalm en oplettend luisterde.
“Tante denkt—en ik geloof het ook—dat het goed zou zijn, als je eens een paar weken bij haar kwaamt om kennis te maken met haar en haar dochtertje. Gij verschilt niet veel in leeftijd; Cécile is vijftien, geloof ik, en jij bent juist veertien geworden, dus dat komt mooi bij elkaar. Wie weet, hoe goed je het samen zult kunnen vinden en....tante en ik denken dat je later waarschijnlijk beter zult kunnen wennen, als je nu eerst eens een poosje bij haar aan huis bent geweest.”
“Mag ik u even iets vragen, grootmoeder?” vroeg Elsje, die nu doodsbleek zag.
“Natuurlijk kind.”
“Ik zou graag willen weten, waarom tante nu op eens vraagt, of ik bij haar komen wil. Zij....zij heeft vroeger precies gedaan, alsof ik niet bestond.”
Er kwam een flauw blosje op het gezicht der oude vrouw en een verlegene uitdrukking in hare oogen. Misschien paste het het kind niet, om zoo iets te zeggen, maar wat zij zeide, was maar al te waar. En dan....zij zelf had eenige dagen geleden aan hare dochter geschreven. Het had haar al maanden en maanden zwaar op het hart gelegen, wat er van Elsje worden moest, als zij eens plotseling van haar weggenomen werd. Elsje was nog bijna geheel een kind—even veertien jaar, en waar moest zij heen, als zij eens eensklaps geheel alleen op de wereld stond? Zij had dan toch immers ook nog een tante en uit zichzelf zou het kind deze nooit om hulp vragen, dat wist de oude vrouw zeker. En, of de tante zich veel aan haar nichtje zou laten gelegen liggen, als niemand haar dit vroeg, ... och, daar was [29] heel weinig van te zeggen. Een kwaad hart had ze niet maar ze had altijd weinig om andere menschen gedacht; zij was altijd heel anders geweest dan haar zuster, van haar vroegste jeugd af. Ze was ook zoo mooi en iedereen bewonderde haar als om strijd—het was zeker niet onnatuurlijk dat ze altijd erg vervuld was geweest van haar eigen schoonheid en bevalligheid en dat ze wel wat ijdel geworden was. Hare hartelijke oogenblikken had ze toch ook gehad....in de laatste jaren waren die zeker niet talrijk geweest,—maar toch, maar toch was de oude vrouw, na lang beraad met zichzelf, geëindigd met aan haar dochter te schrijven. Elsje was toch ook zoo’n lief kind! Het kon wel niet anders, of ze moest de liefde winnen van allen, met wie ze in aanraking kwam en het trof toch ook aardig, dat de nichtjes bijna even oud waren; zij konden zoo veel aan elkaar hebben! Langzamerhand zou Elsje zeker wel wennen aan haar nieuw leven en in ieder geval zou hare tante niet veel moeite met haar hebben—Elsje was zoo’n vroolijk, makkelijk, vlug kind! En de oude vrouw had dus over haar aan haar dochter geschreven op bescheidene, nederige wijze, maar toch ook zóó, dat het geweten der rijke mevrouw d’Ablong was gaan spreken en haar genoopt had aan haar moeder te schrijven, dat zij Elsje graag eens te logeeren wou hebben. Zij was geschrikt, toen zij bemerkt had, hoe beverig het schrift der oude vrouw was en hoe duidelijk de brief de sporen droeg van door een zwakke, vermoeide hand geschreven te zijn. Nu het gevaar dreigde dat zij haar moeder misschien spoedig door den dood zou verliezen, scheen zij er plotseling iets van te voelen hoe groot dit verlies zou zijn en een paar [30] dagen nadat zij den brief had ontvangen, schreef zij terug, hartelijker en uitvoeriger dan zij in lang gedaan had. En de oude vrouw had dit antwoord met ontroering gelezen, blij dat haar verzoek zóó opgenomen werd, maar....toen zij bedacht dat Elsje met alles in kennis moest worden gesteld, toen zij bedacht, hoe het meisje er tegenop zou zien haar te verlaten, toen ze bedacht, hoe eenzaam en vreemd het kind zich in de weelderige omgeving gevoelen zou en hoe haar eenvoudig hart terug verlangen zou naar het aardige stille huisje en de lieflijke, schilderachtige natuur en o, toen ze bedacht, hoe heel erg zij zelf haar missen zou—toen bekroop haar de vrees, of zij wel goed gehandeld had en of zij de zorg voor Elsje niet stil en geloovig had moeten overlaten aan God! Maar lang bleef die vrees haar niet bij. Neen, ze had goed gehandeld, voor het welzijn van haar dochter en Elsje, alle twee. Elsje behoorde daar, als haar grootmoeder niet meer leefde—haar plaats was bij de zuster van haar moeder, daar kon geen twijfel aan zijn.
En ook—zoo redeneerde de oude vrouw in al den eenvoud van haar hart—wie weet, of Elsje met haar frisschen levenslust, met haar aardige, vroolijke praatjes en vooral met de reine, kinderlijke liefde van haar warm jong hart, niet een bizonder gunstigen invloed zou kunnen oefenen op haar tante en op het nichtje, dat wel al te veel gehecht zou zijn aan al de weelderige pracht en het genot, waarin zij leefde! Moeielijk zou Elsje’s leven zeker zijn nu en dan, vooral in het begin, maar toch zeker niet zóó moeielijk, als wanneer zij heel alleen zou staan in de wijde wereld en dan—zij wist immers, waar zij troost en hulp zoeken moest—“de Heer zal [31] u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren”. Hij zou ook zorgen, dat Elsje’s kinderziel niet bedorven werd, niet verloren ging, maar rein en vroom bleef, ook te midden van alle wereldsche heerlijkheid en verstrooiing.
“Al had tante je wel eens eerder kunnen vragen om bij haar te komen, dat is geen reden, waarom je haar niet dankbaar zoudt zijn, dat zij het nu vraagt,” zei grootmoeder, zonder rechtstreeks te antwoorden op Elsje’s uiting, waarom haar tante “vroeger precies gedaan had, alsof ze niet bestond.” “Kom kind, kijk nu eens weer vroolijk. Ik wed dat je later als je weer thuis bent, opgewonden verhalen doet over alles wat je bij tante hebt genoten en over de liefheid van Cécile en haar vriendinnetjes en over de mooie stad en het prachtige huis, waarin tante woont en over de winkels en al de menschen op straat en....en over nog een heeleboel meer. Wie weet, hoe weinig lust je hebben zult om weer bij je oude grootmoeder terug te komen!”
Elsje lachte door hare tranen heen en er kwam een beetje licht in de duisternis van haar gemoed. Was het dan ook eigenlijk wel zoo heel erg? Grootmoeder had gelijk. Het zou best kunnen zijn dat zij het aardig en mooi vond in die groote, drukke stad, dat haar tante erg meeviel bij de kennismaking en dat zij het met Cécile heel goed kon vinden. Misschien zouden ze wel een heeleboel grappen hebben samen—het moest toch ook wel prettig wezen om eens een poosje in één huis te wonen met een meisje van haar eigen leeftijd! En dan....allerlei te zien, waarover zij alleen maar eens een enkelen keer had hooren spreken en later van alles aan [32] grootmoeder te vertellen en aan de dorpsmeisjes—dàt zou toch wel heerlijk wezen!
Zij stond langzaam van haar stoel op, ging naar de oude vrouw toe en gaf haar, een beetje verlegen, een kus op de wang.
“Ik heb er wel meer lust in,” zei ze zacht.
“Zie je wel!” zei de grootmoeder vroolijk. “Maar dat spreekt immers ook van zelf! Kom, trek nu gauw je beste jurk aan ....”
“Mag ik het dan straks even aan Aafje en Geertje gaan vertellen en bij Krelis aan huis? Ik zal niet lang wegblijven.”
“Ja zeker, dat is best. Maar maak dan nu gauw voort, kind.”
“Ja. Maar grootmoeder, wanneer ... wanneer zou tante me dan verwachten en wie komt er dan zoo lang bij u?”
“Ik denk dat tante je graag spoedig bij zich wil hebben, Elsje, en ik zal vragen of Aafje’s zuster dan bij mij wil komen. Zij kunnen er daar nu best een missen, nu Grietje ook uit haar dienst thuis is.”
Twee uur later zat de oude grootmoeder in de vredige stilte om haar heen, met den Bijbel voor zich, den psalm te herlezen en was Elsje bezig, haar kennisjes het groote nieuws mede te deelen. Er viel een traan op het oude gele Bijbelblad en driftig veegde Elsje’s grootmoeder hare oogen af en zei zacht:
“Foei, ik moest blij zijn!”
Toen liet ze hare handen in haar schoot glijden en keek lang en peinzend het raam uit. En met een weemoedig lachje het hoofd schuddend, fluisterde ze:
“Zij zou geen kind zijn, als het nieuwe haar niet aantrok.” [33]
Spoedig daarop kwam er een kort briefje van mevrouw d’Ablong, waarin zij hare moeder meldde dat zij Zondags over zou komen om Elsje te halen, als zij vóór dien tijd geen bericht ontving, dat de oude vrouw haar kleindochtertje liever bij zich wilde houden. Grootmoeder liet Elsje hierop tot antwoord schrijven dat zij gaarne met haar tante mee zou gaan en een poosje bij haar blijven. Het waren maar enkele regels, maar Elsje vond het toch heel moeielijk, die netjes en duidelijk op het papier te krijgen en zij had een erge kleur, toen het briefje af was en, voorzien van postzegel en adres, gereed lag om naar de post te worden gebracht. Het was haar een pak van het hart, toen de brief eindelijk weg was, maar kalmer werd zij er toen toch niet op en hoe meer het gewichtige uur naderde, waarop zij haar tante van aangezicht tot aangezicht zou aanschouwen, des te ongeduldiger werd zij. Nu eens was ze uitgelaten bij het vooruitzicht allerlei nieuws en moois te zullen zien, dan weer benauwde haar de angst om geheel alleen onder vreemden te gaan—want vreemden waren mevrouw d’Ablong en haar dochter voor haar, al waren [34] zij ook haar eigene tante en nichtje. Het meest van alles zag zij er tegen op haar grootmoeder te verlaten, hoewel de gedachte niet bij haar opkwam, dat deze gedurende haar afwezigheid weer zieker zou kunnen worden. Grootmoeder was nu zoo opgewekt en vroolijk, vond Elsje, en ze zag er ook weer beter uit—zij zou zeker wel gauw heelemaal weer opgeknapt zijn.
Elsje moest maar geen goed meenemen, had haar tante geschreven; zij zou haar wel een en ander leenen,—Cécile’s kleeren zouden haar zeker ook wel passen. “Dan zal ik mijn mooie, roode jurk maar aantrekken op reis, vindt u niet, grootmoeder?” vroeg Elsje, “dan zie ik er dadelijk netjes uit, als ik bij tante kom.”
“Ja, doe dat kind,” zei grootmoeder en toen het eindelijk Donderdagochtend geworden was en mevrouw d’Ablong tegen twee uur verwacht kon worden, was Elsje al heel lang voor dien tijd klaar om hare tante te ontvangen. De strooien hoed met het vuurroode veertje lag netjes gereed op een stoel, met een paar wollen handschoenen en een stevige parapluie. Elsje was geheel reisvaardig, maar zij had toch gedurig een gevoel, alsof ze nog iets vergeten had en onophoudelijk liep ze naar het kleine slaapvertrek om te zien, of zij alles wel goed had opgeredderd en Aafje’s zuster veilig haar nieuwe slaapstede kon betrekken; dan weer trippelde zij naar de keukenkast om te kijken, of alles op zijn plaats stond.
“Och grootmoeder, ik wou toch eigenlijk maar veel liever niet gaan,” zei ze opeens met een diepen zucht.
“Maar Elsje!”
“Ik zie er zoo tegen op en het lijkt me niets prettig meer! Ik weet haast wel zeker dat tante niet van mij houden zal en ik niet van haar.” [35]
“Als je zulke dingen zegt, wil ik niet eens naar je luisteren, kind,” klonk het streng en beslist.
Elsje ging zwijgend op haar gewone plaats voor het raam zitten, tegenover haar grootmoeder en keek met een bedroefd gezicht naar buiten. Gisteren was ze nog een eind de heide overgegaan, daar in de verte, om een boodschap te doen bij vrouw Rikkers, die een boerderij had en toen had ze nog gedacht, hoe vreemd het toch was dat de heideplanten nu zoo dor en bruin waren, terwijl zij eenige maanden geleden zoo prachtig hadden gebloeid, vol geur en kleuren. En toen had ze er ook over gedacht, wat zij alles wel ondervonden zou hebben, als al die hei weer bloeide en wat ze dan wel niet allemaal met vrouw Rikkers zou te bepraten hebben—zij hadden het nu samen altijd al zoo druk! Maar gisteren, toen had ze zich vroolijk gevoeld en blij, vol ongeduldig verlangen naar al het ongekende genot, dat haar in de groote stad wachtte en nu—och nu zou ze veel, veel liever bij grootmoeder hebben willen blijven. Zij voelde zich ook niets prettig, zoo raar beverig en zoo akelig benauwd, net of ze niet goed slikken kon. Ze wou dat tante dien brief maar nooit geschreven had!
Maar er was nu niets meer aan te veranderen. De trein, die mevrouw d’Ablong naar het kleine dorp brengen moest, waar Elsje woonde, kwam al nader en nader en stond eindelijk hijgend en blazend een paar minuten stil voor het onaanzienlijke station, waarbij Elsje’s tante uitstapte. De stationschef keek nieuwsgierig naar de deftige dame in den langen mantel van bruin pluche, die bevallig sloot om de slanke, statige gestalte. De chef was eerst een half jaar in dienst en had er geen het minste denkbeeld van, wie de vreemde dame kon [36] zijn. Met een trotsche, eenigszins gebiedende uitdrukking in hare mooie, donkere oogen, liep zij hem langzaam voorbij met de houding eener koningin. Zij beantwoordde zijn beleefden groet met een genadig hoofdknikje en ging toen het stille perron over in de richting van den uitgang. “Wat komt die hier doen!” mompelde de chef bij zichzelf, terwijl hij haar nazag. Eensklaps scheen zij zich te bedenken; ze stond stil, keerde zich om, liep terug en trad op den chef toe.
“Is hier geen rijtuig te krijgen?” vroeg ze.
“Als u even geduld hebt, mevrouw. Het logement is hier vlak bij en daar kunt u heel goed terecht.”
“O, kan daar iemand heen worden gestuurd?”
“Wel zeker, mevrouw, als u dat verkiest.”
“Goed. Laat er dan dadelijk iemand heen gaan en zeggen dat ik het rijtuig terstond hebben moet. Ik zal hier blijven wachten.”
“Tot uw dienst, mevrouw.”
Vijf minuten later was het rijtuig met mevrouw d’Ablong op weg naar de woning van Elsje’s grootmoeder. De oude vrouw stond haastig van haar stoel op, toen ze het geluid van naderende wielen hoorde. Met bevende hand schoof zij het gordijntje op zij, om beter langs den weg te kunnen zien. Zij hield zich goed, ter wille van Elsje, maar haar hart klopte onstuimig en hare oude oogen deden pijn van de inspanning, waarmee zij hare tranen terug hield.
Daar kwam het rijtuig aan. Grootmoeder zuchtte eens diep. Misschien reed het wel voorbij—het was toch niet onmogelijk dat haar dochter loopen kwam van het station; den weg kende ze waarlijk goed genoeg! Het rijtuig stond stil. Zij zat er dus wel in! De oude vrouw [37] liet het gordijntje los en ging weer zitten, bleek als een doode. Maar zij vermande zich en toen de deur geopend werd en mevrouw d’Ablong binnentrad, stond zij bedaard op en ging haar tegemoet. Elsje bleef beschroomd bij het raam staan, met een kleur als vuur en hare handen stijf geklemd om den rug van haar stoel.
“Dag moeder, hoe gaat het?” zei de bezoekster, terwijl ze met haar gehandschoende hand de voile voor haar gezicht wegschoof en zich bukte, om de oude vrouw een kus op het voorhoofd te geven. “U ziet nog bleekjes; bent u nog zwak?”
“Neen, neen, ik ben bepaald beter. Ga zitten, Lize. Kijk, dit is nu Elsje. Toe kind, kom hier en geef je tante een hand. Sprekend haar moeder, vindt je niet, Lize?”
“Ja,” zei mevrouw d’Ablong langzaam, “dat dunkt me ook wel.” Zij hield Elsje’s hand vast en bekeek haar van het hoofd tot de voeten, zoodat het arme kind nog verlegener werd dan ze reeds was.
“Zij ziet er ten minste gezond uit, dat is gelukkig. Maar....maar heeft ze niet nog een andere jurk om aan te trekken voor de reis, moeder?”
Een andere jurk! Elsje trok haar hand driftig los en zei met een gebaar van trotschheid, dat haar grappig stond:
“Dit is mijn beste.”
“O!” zei hare tante met een spottend lachje. ”Dan moet je haar aanhouden natuurlijk. Je vindt het zeker heel prettig om een poosje bij mij te komen logeeren he? Hoe oud ben je?”
“Ja, ze stelt zich heel veel voor van haar uitstapje,” viel Elsje’s grootmoeder snel in, toen ze zag hoe haar [38] kleindochter het te kwaad kreeg met hare tranen. “En het lijkt haar zoo aardig eens kennis te maken met Cécile! Elsje is juist veertien geworden; dus de beide meisjes komen goed bij elkaar, wat den leeftijd betreft.”
“O, maar Cilly is verleden week al zestien geworden,” zei mevrouw d’Ablong. “Dus dat is twee jaar verschil, dat zegt nogal wat op dien leeftijd, maar daarom zal ze zich toch wel eens met Elsje willen bemoeien, natuurlijk. Ze ziet er zoo allersnoeperigst uit, Cilly,—ze wordt bepaald een mooi meisje. Ik moet haar toch stellig eens meebrengen, moeder, als ik weer hier kom—iedereen roept er over, zoo beelderig mooi als ze wordt.”
“Zoo?” zei de oude vrouw droog. “En ze vindt het zeker ook prettig dat Elsje komt?”
“O ja, dat vindt ze heel grappig, geloof ik. Maar vertel mij nu eens moeder, hoe gaat het u eigenlijk? En zou Elsje zich ook onderwijl klaar gaan maken? Zoo heel veel tijd hebben wij niet.”
“Ga je hoed opzetten, kindje,” zei de grootmoeder met een bemoedigend knikje. Zij zag wel hoe vreeselijk Elsje er nu tegen op begon te zien om met hare tante mee te gaan. “Strijk je haar ook nog wat glad, hoor.”
Elsje verdween terstond in het slaapkamertje, blij dat ze alleen kon zijn. Zij streek snel het haar glad, keek of het strikje nog stevig zat om het stijve, korte vlechtje, zette haar hoed op, trok de wollen handschoenen aan en knielde toen neer voor haar bed.
“Help mij, lieve Heer!” smeekte ze met een korten, nijgenden snik, terwijl ze hare handen tegen haar gezicht drukte. Toen stond ze op, keek nog eens om zich heen en ging terug naar de andere kamer. [39]
“Klaar?” vroeg haar grootmoeder vroolijk. “Schenk tante dan nog maar even een kopje koffie in en jezelf ook.”
“Neen, neen, dank u moeder, wij moeten nu werkelijk weg,” zei mevrouw d’Ablong, haastig van haar stoel opstaande. “U hoort dan wel, wanneer Elsje weer thuis komt. En zult u vooral dikwijls bericht sturen, hoe het u gaat? Ik zal goed op Elsje passen, dat beloof ik u.”
“Daar reken ik ook vast op,” zei de oude vrouw ernstig.
“Kom, neem dan nu maar afscheid, kind,” zei mevrouw d’Ablong naar Elsje omziende, die stil achter haar was blijven staan. “Maar mijn hemel, schepseltje, wat heb je daar voor een hoed op! Je moet wat anders opzetten! Daarmee kan ik onmogelijk eerste klasse met je reizen; die jurk is al erg genoeg!”
“Ik heb maar één hoed,” zei Elsje koppig.
“Zet je kapje maar op, kind, gauw maar; laat tante niet wachten.”
De vermanende toon harer grootmoeder deed Elsje terstond gehoorzamen. Maar boos was ze toch. “Ik vind haar een naar mensch!” zei ze, de kast in het slaapkamertje opentrekkend en haar wollen mutsje te voorschijn halend. Met een driftige beweging strikte zij het onder de kin vast. “Dit houd ik op, al gaat ze ook op haar hoofd staan!” zei ze beslist. Toen ging ze weer terug met iets uitdagends in hare oogen.
“Dat gaat ten minste nog,” zei hare tante. “En nu moeten we heusch weg, anders komen we nog te laat aan den trein. Dag moeder, zult u goed op u zelf passen?”
Weer kuste ze de oude vrouw. Toen trok ze haar voile voor het gezicht en ging voor het kleine, ouderwetsche [40] spiegeltje staan, om te zien of haar hoed wel volkomen naar de regelen der kunst op haar hoofd stond.
“Dag mijn lief, lief kind! God zegene je!” fluisterde de grootmoeder, terwijl ze Elsje in haar armen gesloten hield. “Stuur mij maar eens gauw een brief, hoor!”
Elsje knikte. Spreken kon zij niet. Toen sloeg ze haar armen om grootmoeders hals en kuste haar.
Een oogenblik later zat ze naast hare tante in het rijtuig. De oude vrouw stond voor het raam en knikte, knikte met een vriendelijk lachend gezicht, terwijl hare mondhoeken zenuwachtig trilden. Nog een oogenblik en het rijtuig was uit het gezicht verdwenen.
Stil, met een verlegen gezicht, zoo geheel verschillend van de gewone, vroolijke Elsje, volgde ons meisje mevrouw d’Ablong in den keurigen coupé, dien de beleefde conducteur voor de deftige dame opende. “Jij wilt zeker graag bij het raampje zitten, kind?” vroeg hare tante met een werkelijk edele poging om het haar nichtje zoo prettig mogelijk te maken en haar op haar gemak te zetten. Elsje knikte maar eens. Zij had wel “ja tante” willen zeggen, maar ze durfde niet te spreken. Zij had nog steeds dat rare, benauwde gevoel in de keel, net of ze niet goed slikken kon en net of ze zou moeten schreien, als ze probeerde iets te zeggen. Daarbij was er nog een dame in den waggon, die haar nog minder op haar gemak maakte dan ze reeds was. De dame had zoo’n trotsch gezicht en zulke koude, grijze oogen en ze keek Elsje zoo strak aan en zoo lang, alsof ze zeggen wou: “Kind, wat doe jij hier, in een coupé eerste klasse?” En toen Elsje ging zitten bij het raampje en leunde tegen de zachte kussens, evenals zij haar tante zag doen, ging de vreemde dame zoo stijf rechtop [41] zitten en bekeek Elsje zoo nauwkeurig dat het arme kind bepaald dacht dat zij onbehoorlijk zat, ook rechtop zitten ging en verlegen het raampje uitkeek. Het was of een magnetische kracht haar telkens weer noopte om te zien of de dame nog naar haar keek, en herhaaldelijk als zij dit deed, zag ze de koude, grijze oogen op zich gevestigd.
Mevrouw d’Ablong had hare oogen gesloten en zat doodstil, met hare handen in haar mof, over Elsje, die een gevoel had, alsof ze alles zou hebben willen geven, om rustig bij haar grootmoeder te zijn. Maar zij moest zich goed houden,—vóór alles, zich goed houden—flink en moedig zijn en haar best doen,—dat had ze grootmoeder zoo beloofd! Schreien zou ze niet—-vooral hier niet—hare tante zou zich niet voor haar behoeven te schamen tegenover die trotsche, akelige dame daar in den anderen hoek van den waggon. En met groote volharding keek Elsje het raampje uit en deed zich geweld aan om bedaard te zijn. En langzamerhand werd het kalmer in haar, zoodat ze met zekere stille berusting hare tante volgde, toen deze aan een groot, druk station den trein uitstapte met de woorden:
“Ziezoo kind, nu zijn we dadelijk thuis. Ga maar gauw met me mee naar het rijtuig. Loop vlak achter me, hoor; het is hier altijd zoo vol om dezen tijd van den dag!”
Ja, wèl was het er vol! Het was Elsje alsof ze droomde, toen ze zich daar plotseling verplaatst zag in die woelige wereld, die haar tot nu toe geheel onbekend was geweest. Het maakte haar angstig—de dringende, luid pratende en roepende menschenmassa om haar heen, de haastige kruiers, die tegen haar aanliepen en haar [42] op zijde duwden, de heeren en dames, die tusschen de drukte door, deftig heen en weer wandelden op het perron, of beleefd hunne gasten begroetten, het schelle, doordringende gefluit en gesis van aankomende en vertrekkende treinen, het rijden met karren en kruiwagens—dit alles verdreef geheel de kalme stemming, die zij met zooveel moeite was machtig geworden en bevend, erg geagiteerd, haastte zij zich haar tante bij te houden, terwijl deze zich vlug en handig een weg baande naar den uitgang van het station, waar een rijtuig haar wachtte. “Zou Cécile ons komen halen?” dacht Elsje. Die zat dan zeker al ongeduldig te wachten in het rijtuig, of—zou ze er misschien ook een beetje tegen opzien om kennis te maken met het onbekende nichtje? Elsje’s hart klopte sneller, toen het portier van het rijtuig geopend werd, maar een gewaarwording van verlichting en toch ook van teleurstelling, maakte zich van haar meester, toen ze zag dat het leeg was. Mevrouw d’Ablong scheen hier niets ongewoons in te vinden. Zij zei alleen maar: “Toe Elsje, haast je een beetje!” omdat het kind niet dadelijk instapte en keerde zich met een vriendelijk lachje om, toen ze zich door een beschaafde vrouwenstem bij den naam hoorde roepen en een keurig gekleede dame achter zich zag staan. “Hoe gaat het u toch, mevrouw d’Ablong?” zei ze, “Loulou heeft al zóó dikwijls verlangd, Cilly eens weer te spreken en eens bij zich te zien. Zij houdt zoo dolveel van Cilly! Hoe maakt ze het? Ziet zij er nog altijd even beelderig lief uit? Ik vond haar om te stelen verleden winter op die partij van mijnheer van Heusde. Bent u op reis geweest, of....o ja, ik zie het, u hebt een logeetje meegebracht....maar neen, nu vergis ik me [43] toch zeker .... Bent u ook al heelemaal opgaande in werken van liefdadigheid?” vervolgde ze fluisterend, “en moet er voor dat meisje misschien een dienstje worden gezocht bij kinderen, of....”
“Het is een kind van buiten, dat ik een poosje bij mij in huis neem,” zei mevrouw d’Ablong een beetje kortaf, met een zachte stem, maar toch niet zóó zacht, of Elsje had het verstaan.
Een kind van buiten, dat zij een poosje bij zich aan huis nam! Waarom zei haar tante niet dat zij, Elsje, haar nichtje was en bij haar kwam logeeren? Elsje vond het erg vreemd! Zij kreeg een gevoel, alsof hare tante zich over haar schaamde en ze werd vuurrood en de tranen van ergernis sprongen haar in de oogen. Zij veegde ze snel weg met een ongeduldige beweging harer hand. Als mevrouw d’Ablong het een schande vond dat zij haar tot nichtje had, dan zou zij haar niet lang lastig vallen; ze wou wel dadelijk terug, heel graag wou ze dat! En dat zou ze zeggen ook. En toen haar tante eindelijk van hare kennis afscheid had genomen en in het rijtuig zat, begon Elsje met een onvaste stem, maar met fonkelende oogen:
“Waarom.... waarom mocht die dame niet weten dat ik uw nichtje ben, tante?”
Mevrouw d’Ablong keek vreemd op. Heel even gleed er een flauwe blos over haar gezicht, maar zij herstelde zich terstond en zei koel, terwijl zij Elsje strak aanzag:
“Dat mocht ze heel wel weten, natuurlijk. Er is volstrekt geen reden, waarom je je zoo dwaas zoudt opwinden, kind.”
“En waarom weet ze het dan nu nog niet en denkt ze dat ik een kind van buiten ben, dat....” [44]
“Lieve tijd, Elsje, praat niet zoo ontzettend luid en kijk me niet zoo woest aan! Je moet heusch een beetje gaan letten op je manieren, kind. Je gedraagt je zoo allerakeligst burgerlijk! Neen, kijk nu niet het raampje uit, terwijl ik met je spreek en bijt ook niet zoo op je lippen. Die zijn waarlijk dik genoeg. Ik hoop dat wij een prettigen tijd zullen hebben met elkaar en natuurlijk zal ik je aan iedereen voorstellen als mijn nichtje, maar dan moet je zelf ook je best doen en niet toegeven aan humeurtjes en driftige buien, als ’t je blieft.”
Elsje antwoordde niet. Het was haar of een stem haar toefluisterde: “Pas op, denk aan grootmoeder!” En met al de kracht die in haar was, trachtte zij haar ergernis te onderdrukken en het gevoel van eenzaamheid, dat haar dreigde te overweldigen. Zij bleef stil zitten met neergeslagen oogen, tot het rijtuig stil hield voor een groot huis van grijzen steen.
“Welkom hier, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong, die toch een weinig medelijden met haar begon te krijgen. “Kijk, Cécile staat al voor het raam op ons te wachten.”
Eer Elsje tijd had gehad om naar het raam te kijken, was de breede voordeur reeds geopend en stond zij achter hare tante in eene ruime, marmeren vestibule, die smaakvol met palmen en hooge varenplanten was versierd. “Dag mama, dag mama!” riep een welluidende stem en een slank meisje met prachtige donkere oogen en krullend bruin haar, kwam op een drafje de gang inloopen. Zij droeg een jurk van goudbruin fluweel, dat haar warme, donkere tint op haar voordeeligst deed uitkomen en bewoog zich met een gemakkelijke gratie, die hare bevalligheid zeer verhoogde.
“Snoesje, snoesje, loop niet zoo hard! Kijk, je bent [45] heelemaal buiten adem!” zei mevrouw d’Ablong, terwijl zij het meisje naar zich toetrok. Zij kuste haar op het voorhoofd en zag haar vol liefde en trots in de mooie oogen. Toen keerde ze zich om en zei:
“En hier heb je Elsje nu.”
“O!” zei Cécile op een langerekten toon, verwonderd en onverschillig te gelijk. Zij bekeek Elsje, die stil en bedeesd op de mat was blijven staan, van het hoofd tot de voeten, maar stak hare hand niet uit, om haar welkom te heeten.
”Blijft ze Elsje heeten, zoo lang ze hier is, mama?” vroeg ze toen, terwijl ze naast hare moeder de gang doorliep en Elsje langzaam volgde.
Mevrouw d’Ablong bleef lachend staan.
“Waarom vraag je dat, Cilly? Bevalt je die naam dan niet?”
“Ik vind hem zoo echt boerinne-achtig,” zei Cécile met een opgetrokken neusje. “Wij kunnen haar heusch zoo niet blijven noemen. Ze kan wel “Lizzie” heeten—dat klinkt veel ... veel netter. Ze moet toch heelemaal anders gemaakt worden, voordat ze met onze kennissen kan omgaan.”
“Nu ja, dat weet zij ook wel, is het niet, Elsje?” vroeg mevrouw d’Ablong zich tot haar nichtje wendend. “Maar vandaag moet zij nu eerst maar eens een beetje op haar gemak komen; het is alles nog zoo vreemd en zoo heel anders dan bij haar thuis. Kom lieveling, wijs jij haar nu haar kamer eens, dan ga ik even Missy goeden dag zeggen. Is zij op de zaal?”
“Ja mama.”
Zij waren een trapje opgegaan, dat met een dikken. Smyrnaschen looper was belegd en stonden voor een [46] hooge, eikenhouten kamerdeur, die toegang gaf tot de “zaal”, waar Cécile’s Engelsche gouvernante voor een hoog opvlammend haardvuur zat te handwerken.
“Ga maar met Cilly mee, Elsje,” zei hare tante, “en blijf dan maar even wachten tot ik bij je kom; dan kunnen wij eens zien of er ook een jurk van Cécile is, die je van avond aan kunt hebben. Je kunt zóó niet aan tafel komen.”
“Ik begrijp niet....” begon Elsje met een stem, die van boosheid trilde.
“Je behoeft ook niet te begrijpen, kind,” viel mevrouw d’Ablong haastig in, terwijl Cécile Elsje spottend aanzag, “alles, wat je te doen hebt, is met Cilly mee naar boven te gaan en op je kamer op mij te wachten.”
En zonder af te wachten of haar nichtje nog iets te zeggen had, opende zij de eikenhouten deur en trad de zaal binnen met een vriendelijk:
”Well Missy, and how are you?
“Dezen kant op,” zei Cécile kortaf, terwijl ze even een trotsche beweging met haar hoofd maakte in de richting die Elsje gaan moest. “Wacht, ik zal je maar voorgaan. Niet stampen op de trap met die lompe schoenen, als ’t je blieft.”
Elsje’s bloed begon te koken, maar weer kwam de gedachte aan hare grootmoeder haar als ’t ware smeeken, de driftige woorden terug te houden, die haar op de tong lagen. Zij volgde Cécile zonder een woord te zeggen en vroeg zich in het voorbijgaan met bitterheid af, hoe zij met mogelijkheid luid zou hebben kunnen “stampen” op de zware, mollige loopers van de trap.
Haar hand gleed voorzichtig in den groven wollen handschoen over de breede leuning, terwijl Cécile haar in al de elegance van keurige, lage goudleeren schoentjes [47] en zwart zijden kousen voor ging. Spoedig stonden zij op een ruim, breed portaal, waar het gas reeds aangestoken was en eindelijk opende Cécile aan het eind van dit portaal een deur en zei:
“Hier moet je wezen. Nu weet je het.”
Meteen keerde zij zich om en liet haar nichtje midden in de halfdonkere kamer alleen staan. Elsje hoorde haar over het portaal trippelen en onderdrukt giegelen, terwijl zij onduidelijk de woorden opving: “O, wat een kind, wat een lompe boerin!” Toen werd alles stil.
Haar eerste werk was naar de deur te gaan en die te sluiten. Toen sloeg zij de handen voor het gezicht en klaagde bitter en luid: “O, grootmoeder, grootmoeder, was ik maar weer bij u! Ik houd het niet uit, o, ik houd het niet uit!” Toen weer fluisterde ze, met een plotselinge opwelling om heldhaftig te zijn en moedig, ter wille van de oude vrouw, die haar zoo liefhad:
“Maar ik moet mijn best doen, ik moet, ik moet! Ik wil niet schreien, niet laf zijn—tante zal ook wel dadelijk komen,—ik wil niet dat zij mij bedroefd ziet, dat mag niet, nooit! Kom Elsje, niet flauw zijn, wat zou Krelis je uitlachen, als hij je nu eens kon zien!”
Er kwam een glimlach op haar gezicht bij de gedachte aan Krelis en zijne grappige plagerijen en met een zucht deed zij het wollen kapje af en liep naar de groote, wit porceleinen kachel om hare handen te warmen. Het liep tegen halfvijf en begon hoe langer hoe donkerder te worden in de kamer en hoe langer hoe somberder ook, vond Elsje. Zij liep naar het raam toe en zag een binnenplaats, waarvan men een gedeelte een vroolijker aanzien had trachten te geven door er eenige evergreens in groene kuipen neer te zetten. Elsje kon [48] maar een klein, klein stukje zien van de helderblauwe winterlucht—het zwaarmoedige uitzicht benauwde haar en met een lichte huivering keerde zij zich van het raam af en trachtte om zich heen te zien in de duistere kamer. Heel veel vroolijker zag het er daar, nu althans, niet uit. Tegenover het raam, tegen den muur, stond een groot eikenhouten ledikant met een sierlijke sprei van witte kant, gevoerd met rose zijde, die Elsje werkelijk prachtig vond. Naast den zwart marmeren schoorsteen stond een zware, breede waschtafel ook van eikenhout en voorzien van een fraai, marmeren blad en een reusachtig waschstel van Fransch porselein, met takken chrysantemums beschilderd. Aan den eenen kant van het raam prijkte een eikenhouten kleerenkast met een langwerpigen spiegel, waarin Elsje zichzelf levensgroot zag weerkaatst; aan den anderen kant stond een toilettafel, ook alweer voorzien van een spiegel en van candelabres, flacons, toiletkussens, doellooze flaconkleedjes, enz. Donkergroene overgordijnen en een donkergroen kleed droegen er juist niet toe bij om het vertrek een blijmoediger aanzien te geven, terwijl het eentonige, doffe getik der marmeren pendule op den schoorsteen, op sombere wijze de doodsche stilte verbrak. Elsje had groote moeite niet te veel onder den indruk te komen der naargeestige omgeving om zich heen. In geduldige houding stond ze bij de kachel af te wachten, wanneer het haar tante zou believen tot haar te komen—maar heel geduldig en gedwee zag het er niet uit in haar hart. Er kwam een diepe zucht over hare lippen, toen de deur eindelijk geopend werd en mevrouw d’Ablong binnentrad, gevolgd door een dienstmeisje met eenige kleeren over den arm. [49]
“Maar kind, waarom heb je niet even gescheld om het licht te laten aansteken?” zei Elsje’s tante. “Hoe kom je er bij om hier zoo in het donker te blijven staan! Steek even de kaarsen aan op het toilet, Keetje, en leg die kleeren maar op het bed. De jongejuffrouw zal zich vandaag wel alleen kleeden.”
Keetje gehoorzaamde en terwijl ze nieuwsgierig keek naar de “jongejuffrouw,” die er—zooals zij later in de keuken vertelde, “niets jongedamesachtig uitzag met hare dikke, roode wangen,”—vroeg ze:
“Wilt u het gas niet aan hebben, mevrouw?”
“Jawel, dat is goed en vraag dan aan juffrouw Cécile of ze ook even hier komen wil.”
“Ja mevrouw.”
Keetje stak de gaspitten aan, deed de overgordijnen dicht, stookte het vuur wat op en verdween. Het zag er nu vroolijker uit in de kamer, vond Elsje en haar tante keek ook heusch wat vriendelijker. Dit deed haar moed scheppen om te vragen:
“Zou ik mijn eigen jurk niet mogen aanhouden, tante?” [50]
“Neen, Elsje, dat gaat heelemaal niet. Ik wil volstrekt niet dat Miss Piper je ziet in die verschrikkelijke jurk en buitendien zouden Cécile en ik ook onmogelijk den heelen avond naar dat leelijke toilet kunnen kijken. Kom, trek je jurk maar gauw uit. Ik heb geen lust, hier lang bij je te zitten en ik moet er natuurlijk vandaag bij zijn, terwijl je je verkleedt; anders weet je zeker niet, hoe je doen moet.”
Elsje voelde wel dat tegenstribbelen niet zou baten, en begon langzaam, met een bedroefd gezicht, haar jurk los te maken. Terwijl zij hiermee bezig was, werd er aan de deur geklopt en riep de stem van Cécile:
“Mag ik binnen komen, mama?”
“Zeker snoesje, kom maar gauw hier.”
Elsje’s vingers trilden. Als Cécile er nu ook nog bijkwam, was het heelemaal niet meer om uit te houden.—O, kon zij toch maar wegloopen; het was verschrikkelijk! Het schreien stond haar nader dan het lachen en met een klagende stem zei ze:
“Ik kan dat haakje niet los krijgen.”
“Help haar maar eens even, Cilly,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. “Ze treuzelt zoo verbazend.”
Cécile gehoorzaamde, maakte het weerbarstige haakje los, trok Elsje met een ruk de geliefde, roode jurk van de schouders en zei spottend:
“O, o, wat een dikke, roode armen! En die handen! Echte werkmeide-handen! En o mama, kijk toch eens, wat vreeselijk grof vel! Dat wordt bepaald nooit beter; de stumper is er mee geboren.”
“Ik kan wel alleen,” zei Elsje, knorrig Cécile op zijde duwend.
“Hè, wat geeft ze me daar een stomp!” riep Cécile [51] uit, zich boos over den arm wrijvend. “Ik bedank er voor om haar te helpen, mama.”
“Ik heb je hulp ook heelemaal niet noodig,” zei de arme Elsje, buiten zichzelf van ergernis.
“Bedaard wat meisje, bedaard wat!” zei hare tante berispend, “bedenk een klein beetje wie je voor hebt, als ’t je blieft. Kom maar hier bij mij zitten, Cilly lieverd, dan kan ze zien, hoe ze alleen klaar komt. Leg die leelijke jurk nu maar eens eindelijk neer, Elsje, en trek je laarzen uit. Er staan lage schoentjes voor je bij het bed.”
Elsje deed wat haar gezegd werd, terwijl ze uit alle macht slikte om hare tranen in te houden.
“Trek nu die zijden kousen aan,” gebood mevrouw d’Ablong.
De zijden kousen pasten gelukkig en de mooie pantoffeltjes ook, zoodat het eerste gedeelte van Elsje’s toilet spoedig klaar was.
“Ziezoo, wasch je nu eerst maar eens flink.”
Elsje schonk voorzichtig water uit de lampetkan in de groote kom, nam een handdoek en doopte den tip ervan in het water. Zij was op het punt om den natten handdoek naar haar gezicht te brengen, toen Cécile in lachen uitbarstte en riep:
“Maar mama, kijk toch eens! Ze wascht zich met de punt van den handdoek in plaats van met een spons! En hemeltje, wat boent ze zich!” Want Elsje begon in haar drift met den handdoektip stijf en snel over haar gezicht te wrijven.
“Lach haar nu niet al te veel uit, Cilly, zij moet natuurlijk nog allerlei leeren. Er ligt een spons in dat bakje, Elsje; gebruik die een volgenden keer. Kijk, op [52] de toilettafel liggen een kam en schuier; doe nu eerst je haar, voordat je je handen wascht.”
“Mijn haar doen, tante?”
“Ja, dacht je dat je er dat stijve vlechtje in zoudt mogen houden? Maak het maar gauw los en kam het haar goed uit.”
“Een verschrikkelijk leelijke kleur van haar,” merkte Cécile op. “En wat is het akelig glad en sluik! Echt melkboerenhondehaar, vindt u niet, mama?”
“Maar snoesje, hoe kom je aan die uitdrukking?”
“Och, zoo noemen ze zulk haar altijd. Wist u dat niet? Maar mama,” vervolgde ze fluisterend, “wat is ze vreeselijk leelijk, vindt u niet? Hoe is het toch mogelijk, dat zij familie van u is! En dan zoo allernaarst burgerlijk! Ze moet er heel wat anders uitzien, eer ze onze kennissen onder de oogen kan komen!”
“Niet iedereen ziet er even snoeperig uit!” zei mevrouw d’Ablong, terwijl ze Cécile in de kin kneep en een kus gaf. Cilly streek met een tevreden lachje haar krullend haar naar achteren.
“Strik nu dat fluweelen lint netjes om je haar, Elsje,” zei hare tante.
“Noem haar toch als ’t je blieft Lizzie, moedertje,” vleide Cécile. “Dat klinkt heusch zooveel beter.”
“Ik zal het probeeren, lieveling.”
Elsje zweeg. Niets kon haar op dit oogenblik meer schelen. Zij voelde zich zoo ongelukkig dat het haar nauwelijks een vermeerdering van haar leed toescheen, niet bij haar eigen naam te worden genoemd.
“Kind, kind, wat gaat dat onhandig!” zei hare tante. “Heb je dan nog nooit een strik gemaakt? Kom maar eens hier.” [53]
Elsje gehoorzaamde. Mevrouw d’Ablong kamde het “akelig sluike” haar naar achteren en strikte het zwart fluweelen lint om Elsje’s hoofd. Toen probeerde ze een kuif te maken, maar het haar viel weerbarstig neer, glad en slap, zonder eenige elasticiteit.
“Ik moet morgen dadelijk maar eens met je naar den kapper, Els... Lizzie,” zei hare tante. “Misschien kan hij je wat ponyhaar knippen, dat je er een beetje meer presentabel uitziet. We moeten het nu vandaag maar zoo laten. Probeer nu eens of die lichtgroene jurk je past; ja die, met dat teere resedakleurtje. Wat stond jou die altijd beelderig, Cilly; het is eigenlijk jammer dat je dat japonnetje nooit meer draagt.”
“Die kleur wordt nu al weer zoo ouderwetsch,” zei Cécile.
De lichtgroene jurk paste Elsje niet. Hare armen gleden gemakkelijk door de ruim neerhangende mouwen heen, maar de rok was te lang en het lijfje veel te nauw. Met geen mogelijkheid kon de zijden veter, waarmede de jurk dichtgesnoerd behoorde te worden, zoo strak door de vetergaatjes worden getrokken, dat de beide kanten tegen elkaar kwamen en om het middel was het kleedje in het geheel niet vast te krijgen. “Trek toch maar niet meer, mama; zij barst er letterlijk uit,” riep Cécile, schaterend van het lachen.
“Ja, het gaat niet,” zuchtte haar moeder. “Wat moet ze dan in vredesnaam aan! Deze blauwe jurk is niets wijder. Weet jij ook wat?”
“Misschien kan ze die flanellen blouse aan van me! U weet wel, die lichtgele; ik draag haar weinig meer. Mij was ze altijd veel te wijd.”
“O ja, dat kunnen we wel eens probeeren. Och, schel even, lieveling.” [54]
Cécile trok aan het schelkoord en Keetje verscheen weer.
“Haal eens even die crème flanellen blouse van juffrouw Cécile en den blauw-serge rok, die in de kast hangt op haar kamer en ook het zijden ceintuur; dat ligt zeker op je toilettafel, Cilly?”
“Ja, mama.”
De lichte blouse pastte Elsje beter, maar scheen hare roode wangen nog rooder en haar middel nog dikker te maken, door al de ruime rimpelingen en plooitjes, waarmee de stof gegarneerd was. Toch zag zij er niet onaardig uit in haar nieuwe kleedij. De donkere rok werd door Keetje voorzien van een opnaaisel, hing toen netjes en stond, zooals Cécile beweerde, “nog het minst gek.” Het breede ceintuur werd om het middel vastgestrikt en de lange einden beletten te zien, hoe het split van den rok met spelden vast was gestoken; de boord was Elsje veel te nauw.
“Ziezoo, eindelijk klaar,” zei mevrouw d’Ablong met een zucht. “Ga nu eens even daar staan, kind—onder het gas, dat ik goed kan zien hoe alles zit.”
Met een akelig ongemakkelijk gevoel, alsof al hare kleeren van haar af moesten zakken en alsof heur haar heel slordig zat—net of ze pas uit bed kwam en het heerlijk stevige vlechtje nog maken moest—liep Elsje naar het midden der kamer.
Cécile ging naast haar moeder staan en beiden beschouwden haar nichtje met een kritisch oog.
Elsje’s trots kwam boven. Met verhoogde kleur en schitterende oogen, hief ze het hoofd op en keek hare beide kwelgeesten strak aan. De verlegene uitdrukking verdween en hare fiere houding, de glinsterende sterretjes [55] in de blauwe oogen en het werkelijk aardige toiletje misten hunne uitwerking niet.
“Als er nu nog een aanmerking komt, doe ik terstond mijn eigen jurk weer aan,” besloot ze bij zichzelf.
“Ze ziet er werkelijk iets beter uit,” zei mevrouw d’Ablong tot Cécile, “vindt je ook niet?”
Cécile antwoordde niet dadelijk, maar bekeek Elsje nog eens, met tergende langzaamheid. Toen zei ze:
“Ja, wel iets.”
“Kom Elsje, ga dan nu maar mee....”
“Toe mama, neem haar nu toch wezenlijk liever Lizzie. Iedereen zal denken dat u de meid roept als u Elsje zegt.”
“En toch blijf ik zoo heeten,” zei Elsje, zeer gedecideerd.
Cécile keek haar spottend aan.
“Och kind, stel je niet zoo aan, als ’t je belieft, he!” zei ze op minachtenden toon. “Kom mama, zullen we nu eindelijk naar beneden gaan? Missy is al zoo lang alleen.”
Zij opende de deur voor mevrouw d’Ablong, volgde haar en keek niet meer naar Elsje om.
“Kom Lizzie!” riep hare tante, toen ze op het portaal bemerkte dat Elsje in de kamer was achtergebleven.
Stokstijf bleef het kind staan, waar zij stond. “Tante roept mij niet!” mompelde ze boos.
“Lizzie, Lizzie, kom dan toch!” klonk het weer. “Ga nu gauw mee naar beneden!”
Elsje verroerde zich niet. Zij werd hoe langer hoe koppiger. “Alles wil ik verdragen,” dacht ze met een hart vol bitterheid, “maar mijn eigen naam zullen ze me niet ontnemen.” [56]
“Ga jij maar vast naar de zaal, Cilly,” hoorde zij mevrouw d’Ablong zeggen. “Ik kom dadelijk.”
Elsje’s hart begon sneller te kloppen, toen ze haar tante weer binnen zag komen.
“Wat beduidt dat, dat je me te vergeefs laat roepen?” vroeg ze streng.
Geen antwoord. Het meisje stond nog steeds op dezelfde plek, onbewegelijk als een beeld.
“Kom, antwoord me,” hernam mevrouw d’Ablong driftig. “Waarom kwam je niet, toen ik je riep?”
“U hebt mij niet geroepen.”
“Heb ik jou niet geroepen?” En Elsje’s tante keek verbaasd. “Wie anders?”
Elsje haalde met een verlegen lachje de schouders op.
“Lizzie,” zei ze.
“En wist je dan niet dat jij daarmee bedoeld werdt, mal kind? Ben je nog zóó dom?”
“U weet heel goed dat ik Elsje heet naar mijn lieve, lieve grootmoeder,” zei ze, in tranen uitbarstend. De gedachte aan haar grootmoeder was haar te machtig.
Mevrouw d’Ablong zweeg. Weer gleed, evenals daareven in het rijtuig, een flauw blosje over hare wangen, maar er kwam nu tevens een zachtere, teedere uitdrukking in hare oogen, die haar gezicht onuitsprekelijk aantrekkelijk maakte. Zij sloeg den arm om het snikkende meisje heen en haar naar zich toetrekkend, zei ze:
“Je hebt gelijk kind, je heet Elsje en anders niet en ik zal je ook zoo blijven noemen. Kom, schrei nu maar niet meer. Kijk mij eens aan en laat me eens zien, dat je ook vroolijk kijken kunt.”
Elsje sloeg de betraande oogen op en de ongewoon [57] zachte uitdrukking op het gezicht van mevrouw d’Ablong ziende, vroeg ze zacht:
“Mag ik u een kus geven?”
Tot eenig antwoord trok haar tante haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen liet ze haar los en zei:
“Zullen we dan nu naar beneden gaan, Elsje?”
“Ja,” knikte het kind. “En.... en.... ik zal heusch mijn best doen, tante.”
“Dàt hoop ik. Je moet maar goed opletten hoe Cilly zich gedraagt; zij heeft zulke bizonder elegante manieren.”
Elsje zweeg. Waarom moest hare tante nu ook dadelijk weer Cécile er bij halen? Maar het was waar—zij zag er erg deftig uit en alles ging haar zoo gemakkelijk en natuurlijk af! Dát had Elsje dadelijk wel gevoeld, dat er een groot verschil bestond tusschen haar nichtje en haar, niet alleen omdat Cécile donker haar en donkerbruine oogen had en zoo beelderig mooi gekleed was, maar vooral ook omdat ze zulke lieve, bevallige manieren had, zoo netjes liep en zoo rechtop en met kleine, aardige pasjes en omdat ze duizend kleinigheden geleerd had, waarvan Elsje niets afwist en ook, och zoo bitter gaarne, niets weten wilde. Ze voelde zich vandaag zoo akelig linksch en lomp en ze had zulke nare, gloeiende wangen! Al die vreemde kleeren zaten haar ook zoo ongemakkelijk en ze had net een gevoel, alsof het lint om heur haar afzakte,—wat hing dat ook vervelend los in haar nek, zoo warm en slordig. Had zij haar stijf, glad vlechtje nu tenminste ook maar mogen behouden!
Ze streek onhandig een weerbarstig lokje weg, toen mevrouw d’Ablong de deur der zaal opende en zei:
“Dit is mijn nichtje, Missy. Gij kunt u met haar in [58] het Hollandsch spreken oefenen, Engelsch moet zij nog leeren.”
Cécile’s gouvernante, Miss Piper, stond langzaam op van haren stoel bij den haard en bleef bedaard staan wachten, tot Elsje bij haar zou komen om haar een hand te geven.
Cécile zat aan den anderen kant van het vuur op een lage, sierlijk gedrapeerde tabouret en keek met een spottend lachje op, toen hare moeder met Elsje binnen kwam.
Bedremmeld bleef het kind bij de deur staan, totdat mevrouw d’Ablong haar bij de hand nam en naar Miss Piper toebracht.
“Mijn nichtje, Miss Piper,” herhaalde Elsje’s tante. “Gij zult gauw goede vrienden met haar worden, hoop ik. Zij kan nog heel veel van u leeren. Kom Elsje, geef Missy een hand.”
”Call her Lizzie, please,” viel Cécile in, op beslisten toon.
“Welkom hier, Lizzie!” zei de gouvernante, Elsje’s hand even in de hare houdend. “Ik hoop, wij zullen gauw zijn vrienden.”
Met een dankbaren blik keek Elsje op naar de slanke, geheel in ’t zwart gekleede gestalte en het vriendelijke gezicht met de beschaafde, fijn besneden trekken. Er lag een zachte glans in de grijze oogen, die op haar neerzagen en hoewel zij veel te bedeesd was om iets te antwoorden op het gebroken Hollandsch der Engelsche, dat zoo goed gemeend was, voelde zij zich toch dadelijk tot haar aangetrokken en iets moediger gestemd.
“Ga maar naast Cilly zitten, kind,” zei mevrouw d’Ablong, “wij gaan zoo meteen dineeren; je zult wel trek hebben na de reis. Ja, neem dien stoel maar. Je [59] behoeft er niet zoo voorzichtig mee te zijn; hij is stevig genoeg. Och Cilly, help haar eens even; ze weet niet, hoe ze dien stoel verschuiven moet.”
Cécile stond langzaam op, trok den stoel met een ruk naderbei en zei:
“Daar! Ga nu maar zitten!”
“Cilly darling, how unladylike!” zei miss Piper met een zachte stem.
“Hè neen Missy, niet zoo’n boos gezicht zetten!” riep Cécile, terwijl ze naar de gouvernante toeging en haar zachte wang tegen de hare legde. “Toe, u ziet er veel gezelliger uit, als u zóó kijkt,” vervolgde ze met haar arm om Missy’s hals geslagen en smeekend en een beetje coquet tot haar opziende.
“Kindje, kindje, wees toch zoo opgewonden niet! Dat deugt niets voor je!” zei mevrouw d’Ablong bezorgd.
“Maar mother dear, ik ben niet opgewonden. Wacht eens, ik zal wel maken dat Missy weer in een goed humeur komt.” En met vlugge bevalligheid liep ze naar het andere einde der kamer, ging voor de piano zitten, sloeg met vaste hand een paar accoorden aan en zong toen met jubelende stem een couplet van “God save the Queen!”
Toen ze geëindigd had, keek ze met een vroolijk gezicht om.
“Thank you, darling,” zei Miss Piper.
Cécile bleef bij de piano zitten spelen.
“Ze ziet vandaag toch niet een beetje bleek? En heeft ze in ’t geheel niet over vermoeidheid geklaagd?” vroeg mevrouw d’Ablong aan de gouvernante.
“O neen, volstrekt niet. Ik geloof eigenlijk dat Cécile altijd gezond is, mevrouw.”
“Jawel, wel gezond, maar zij moet zich toch een beetje [60] in acht nemen, vind ik. Ze speelt lief van avond, he?”
“Heel lief.”
Het gesprek werd in het Engelsch gehouden en Elsje verstond er natuurlijk niets van. Dat hinderde haar echter niet erg, want nu behoefde zij er ook geen deel aan te nemen en kon zij ongestoord om zich heen kijken en al de pracht van de rijk gemeubileerde kamer bewonderen. Zij had nog nooit zoo iets gezien; waarheen zij ook keek, overal was het even mooi, vond ze. Voor de hooge ramen hingen, in ruime plooien, donkerroode gordijnen van zacht, zwaar pluche. Een donkerrood, mollig smyrnaasch kleed bedekte den grond, terwijl hier en daar een geelbruin vossevel, of een langharige tijgervacht mooi bij het rood van het tapijt afstak. De makkelijke stoelen, de portière voor de deur, het pluche tafelkleed en de smaakvolle, met goud doorstikte draperieën, over de kleine tafeltjes en boven den spiegel aangebracht, alles was in harmonie met elkaar en met de warme, teere kleuren van de vazen en beeldjes, de kostbare snuisterijen en de teergele en rose zijde der lampekappen, waardoor het licht gedempt en helder tevens heen scheen. Hoeveel groote en kleine lampen waren er wel? Dat moest ze toch eens even tellen! Dan kon ze het morgen aan grootmoeder schrijven. Daar in dien hoek, naast die hooge, fraaibewerkte étagère met boeken, stond een echte reuzenlamp, vond Elsje. Wat was daar een lange, koperen stang aan, net een heel dunne, erg uitgerekte steel! En was die neerhangende, gele kap van echte zijde? Zij had zoo’n fraaien glans en wat hing de breede, doorschijnende kant er prachtig over heen! Als zij gedurfd had, zou ze even opgestaan zijn om die lamp eens van naderbij [61] te bekijken, maar zij was blij dat ze zat en zou voor geen geld de heele kamer door zijn geloopen naar dien verren hoek! Wat viel het licht van dat porseleinen lampje op het tafeltje bij de piano mooi op Cécile’s goudbruin kleedje en op haar krullend haar! En wat speelde zij mooi! En o, wat stond daar in dien anderen hoek een prachtig, wit beeld! Zou dat nu van marmer zijn en zou het heel koud aanvoelen, als ze het met hare vingers betastte? En waarom zou dat vrouwebeeld den vinger zoo waarschuwend tegen den mond houden, alsof het zeggen wou: “Stil, niet spreken, geen leven maken!” Naast dat beeld stond ook al weer zoo’n mooie lamp op een standaard en wat werd die groote schilderij aardig verlicht door het grappige, kleine lampje op een tafeltje, dat Elsje voor een soort van nieuwerwetsche latafel aanzag en dat een sierlijk schrijfbureautje van hare tante was! Van de schilderij kon zij hare oogen niet afhouden. Deze stelde een lichte, opene plek voor in het bosch en het was Elsje, als zag ze in werkelijkheid de teere, groene tinten der wilgen en de zonnestralen, die door de takken speelden. Hé, wat moest het op die plek heerlijk zijn! Zij vergat heelemaal om voort te gaan met het tellen der lampen, zoo was ze in de aanschouwing der schilderij verdiept en ze keek verschrikt op, toen Cécile opeens haar pianospel staakte en vlak aan haar oor zei:
“We moeten eten, Lizzie; ga gauw mee.”
Mevrouw d’Ablong en Miss Piper waren de kamer reeds uit. Elsje sprong snel op.
“Och Cécile, noem mij nu niet weer Lizzie,” zei ze dringend. “Tante heeft zelf gezegd, dat zij mij nooit anders dan Elsje noemen zou.” [62]
“Zoo? Nu, dat moet mama weten, maar ik vind Lizzie oneindig mooier en deftiger en je zult er dus maar aan moeten wennen dat je bij mij Lizzie heet. Zeur nu niet langer en kijk ook niet zoo knorrig. Ik zal je den weg wijzen naar de eetkamer; mama zal niet begrijpen, waar we blijven.”
Elsje volgde haar met een zucht. Zij vond Cécile naar en onhartelijk, maar ze wou toch moedig blijven.
De enkele vriendelijke woorden harer tante en van Miss Piper hadden haar goed gedaan en zij streed dapper tegen het verlangen, om terstond haar eigene kleeding weer aan te trekken en met den allervlugsten trein naar haar grootmoeder terug te keeren. Ze keek verrast op, toen ze met Cécile de ruime eetkamer binnentrad, die aan den tuin gelegen en in het benedengedeelte van het huis was. Stevige, eikenhouten meubelen, een langwerpige tafel met gedraaide pooten en stoelen met hooge, rechte ruggen en groenlederen zittingen, gaven aan het vertrek een geheel ander aanzien dan het salon boven vertoonde. Bruin beschilderde witte tegels in eikenhouten lijsten en enkele blauw-porseleinen borden hingen tegen het goudbruine behang en van een rijke gaskroon viel het licht tintelend en flonkerend in de fijn geslepen wijnglazen, de kristallen messenleggers en zoutvaatjes en het zware zilver op de tafel.
“Komt meisjes, wij zitten te wachten,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. “Hier moet je zitten, Elsje, naast mij.”
Elsje haastte zich plaats te nemen en Cécile ging tegenover haar zitten naast Miss Piper. Een net dienstmeisje stond bij den stoel van mevrouw d’Ablong en gaf de borden rond, terwijl hare meesteres de soep [63] opschepte. Elsje vond het haast jammer dat de aardige, losse bloemschilderingen van het porselein bijna geheel door de dampende soep werden bedekt, maar zij had ergen trek en begon dadelijk te eten, toen het bord voor haar stond.
“Je kunt wel heengaan tot ik schel, Dina,” zei mevrouw d’Ablong.
Dina verdween.
“Mama,” zei Cécile fluisterend, terwijl ze zich over de tafel heen naar haar moeder toe boog, om niet door de gouvernante verstaan te worden,—“zeg toch eens dat ze niet zoo afschuwelijk hoorbaar slikt en die dikke, roode handen wat minder laat kijken.”
Zij had luid genoeg gesproken om door Elsje verstaan te worden. Het arme kind kreeg een kleur, maar zij hield zich goed en at stil door, met hare oogen naar beneden geslagen.
Juist toen ze weer een lepel vol soep aan den mond bracht, legde hare tante hare linkerhand op de hare.
“Let er op, hoe Cilly eet,” zei ze zacht.
Met al te groote haast slikte Elsje de soep door, om te antwoorden en toen ze wat zeggen wou, kreeg ze zulk een hevige hoestbui dat zij er akelig benauwd van werd en de tranen haar over de wangen rolden.
“Hè, wat een vervelend geluid!” zei Cécile. “Je kunt best ophouden, als je maar wilt, Lizzie.”
“Take some water, do,” raadde Miss Piper aan.
“Ja, drink eens, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. Dat het kind zich nu ook juist verslikken moest en aldoor die roode handen aan den mond bracht, terwijl Miss Piper over haar zat!
Elsje schonk met bevende hand en al kuchend een [64] glas water in uit een klein, elegant karafje dat voor haar bord stond. Haar hand schudde en het water viel zoo hortend en stootend in het glas, dat dit overliep en zich een smal stroompje op het tafellaken vormde.
“Kind, wat ben je ook onhandig!” fluisterde mevrouw d’Ablong wrevelig. “Bel eens even, Cilly, als ’t je blieft.”
Cécile drukte op het knopje der zilveren tafelschel en Dina kwam binnen.
“Maak dat eens even een beetje schoon,” zei mevrouw d’Ablong met een blik naar het drijvende stroompje, dat hoe langer hoe breeder werd. “Je kunt meteen de borden wel wegnemen.”
Dina gehoorzaamde handig en vlug, terwijl Elsje met een kleur van agitatie weer aan haar soep begon. De anderen hadden de borden reeds leeg; zij vond het verschrikkelijk alleen te zitten eten, met de spottende oogen van Cécile strak op zich gevestigd.
Het dienstmeisje bleef aarzelend wachten; zij zag dat hare meesteres ongeduldig werd en durfde toch het bord niet weg te nemen, terwijl Elsje nog at. Het arme kind zou met plezier de rest van haar soep onaangeroerd hebben gelaten, als zij maar gedurfd had.
Eindelijk was zij bijna klaar en hield het bord schuin om het met den lepel goed schoon te kunnen maken. Maar hare tante, die haar ergenis onmogelijk langer kon bedwingen, kwam driftig tusschenbeide.
“Leg nu je lepel neer, Elsje,” zei ze kortaf. “Neem dat bord weg, Dina; ik begrijp niet, waarom je van middag zoo langzaam bent.”
“Maar ik heb het nog niet heelemaal op, tante,” zei Elsje, om het dienstmeisje te verontschuldigen.
“Neem dat bord weg,” herhaalde mevrouw d’Ablong [65] streng tot Dina, “en geef de jongejuffrouw een ander mes en een andere vork—je hadt moeten zien dat deze geheel nat zijn.”
Dina haastte zich haar verzuim te herstellen en Elsje zweeg bedrukt. Toen het dienstmeisje heengegaan en teruggekomen was, het vleesch en de groenten had rondgediend en weer kon verdwijnen, tot ze gebeld werd om het dessert op tafel te zetten—was Elsje weer tamelijk op haar gemak gekomen en hoewel ze niet veel at, uit vrees van de anderen op haar te laten wachten, smaakten de keurig toebereide spijzen haar toch goed. Zij deed al haar best, zoo netjes mogelijk te eten en keek nu en dan tersluiks naar Cécile om te zien hoe deze mes en vork hanteerde. Elsje vond het vreemd, dat zij haar mes bijna even ijverig gebruikte als haar vork en het was haar heel ongemakkelijk, de vork niet vlak bij de tanden vast te houden—maar zij deed wat ze kon en slaakte een zucht van verlichting, toen ze haar bord had leeggegeten zonder een aanmerking van mevrouw d’Ablong te hebben gehoord.
Het dessert werd opgezet en Dina plaatste naast ieder bord een fraai kommetje van doorschijnend, rood glas, met water gevuld.
Elsje keek er nieuwsgierig naar. Waarvoor zouden die moeten dienen? Wat zag dat water er helder uit en hoe verleidelijk scheen het haar toe er even een klein slokje van te drinken! Ze had zoo’n dorst en het karafje weer ter hand nemen durfde ze niet goed na het ongeluk van daareven. Die mooie kommetjes gebruikten rijke menschen zeker veel in plaats van glazen. Ze liet het stukje witten podding met roode vla [66] nog onaangeroerd op haar bord liggen; ze moest wezenlijk eerst eens even drinken—ze had zoo’n verbazenden dorst! Voorzichtig nam ze het bewuste kommetje in hare beide handen en zette het aan den mond. He, het water was lauw, hoe vreemd en wat smaakte dat naar! Juist wou ze het sierlijke, glazen bakje weer neerzetten, toen Cécile haar aanzag en boos zei:
“Ze kan niet met ons aan tafel eten, mama. Kijk nu toch eens even.”
Elsje schrikte, meende dat ze gemorst had op haar jurk of iets heel onbehoorlijks gedaan en liet in hare verwarring het kommetje uit hare handen glippen. Groote en kleine roode scherven vielen op haar bord, op de tafel en op den grond en met een angstig gezicht keek ze hare tante aan.
“Ik zou maar naar boven gaan, Elsje. Ik vind het heel verdrietig dat je je nog zoo weinig weet te gedragen,” zei mevrouw d’Ablong.
Elsje stond op, waarbij eenige scherven van haar jurk afvielen op den grond. Zij raapte ze snel op.
“Ga nu terstond kind, en laat die dingen liggen.”
Met een bedroefd gezicht en met een haastigen, teleurgestelden blik naar den podding, dien ze nu in ’t geheel niet zou proeven, ging Elsje de kamer uit. [67]