Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Op Samoa, by Eginhard von Barfus

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Op Samoa

Author: Eginhard von Barfus

Release Date: January 11, 2005 [EBook #14666]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OP SAMOA ***




Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team





Bladzijde 1

E. von Barfus
(Schrijver van “De Goudzoekers aan de Klondyke-Rivier”)

Op Samoa

Geïllustreerde uitgaaf
Vertaling van Mevr. J. van der Hoeven
Amsterdam
C. L. G. Veldt

Bladzijde 2

Eerste Hoofdstuk.

In Apia.

Gedurende een reeks van jaren was ik op het kantoor van den heer Andreas Mertel werkzaam geweest en reeds tot tweeden boekhouder opgeklommen, toen de chef van het huis op een goeden dag zijn bedienden kwam mededeelen, dat hij voornemens was de zaak aan zijn beide zoons over te doen en stil te gaan leven. Ik gevoelde weinig lust, bij de jonge patroons in dienst te blijven en verzocht daarom den heer Andreas, die mij steeds zeer genegen geweest was, zoo vriendelijk te willen zijn, mij door zijn recommandatie een betrekking in een grootere handelszaak te bezorgen, het liefst in Duitsch-Oost-Afrika of op de Samoa-eilanden. Na eenige dagen ontving ik een brief van de Duitsche-Plantage-Maatschappij, waarin mij werd medegedeeld, dat ik op aanbeveling van den heer Mertel, als boekhouder in den dienst der maatschappij Bladzijde 3was aangenomen en mij zoo spoedig mogelijk aan de kantoren vervoegen moest. Een week later bevond ik mij aan boord van een stoomboot op reis naar Adelaïde. Tegelijk met mij was Gustaaf Gaedecke, een mijner vroegere schoolmakkers, ongeveer zoo oud als ik, van Hamburg naar Apia vertrokken. Terwijl ik de lessen aan de handelsschool volgde, had mijn vriend Gustaaf in Göttingen de natuurlijke historie en staathuishoudkunde bestudeerd, en zich hoofdzakelijk toegelegd op de verschillende wijzen van cultuur in de heete luchtstreek, daar hij sedert jaren den vurigen wensch koesterde, om òf in de Duitsch-Afrikaansche-koloniën, òf op de eilanden in de Zuidzee, gelegenheid te vinden, zijn verkregen kennis ten nutte te maken. Door zijn uitgebreide relaties was het hem gelukt, in dienst te komen bij de directie der Plantage-Maatschappij, voor haar koloniën op de Samoa-eilanden.

Toen wij na een zeer belangrijke reis over Port-Saïd, door het kanaal van Suez en de Roode Zee, over Colombo op Ceylon en Adelaïde, benevens de haven van Auckland,—de hoofdstad van Nieuw-Zeeland, gelukkig bereikten, waren wij blij, na een oponthoud van verscheiden dagen, op een naar Samoa bestemde stoomboot onze reis te kunnen vervolgen, want het was vinnig koud in de anders zoo fraaie haven van Bladzijde 4Nieuw-Zeeland. Wij waren in het midden van Augustus, dus in hartje van den winter op het zuidelijk halfrond. Toen wij den Steenbokskeerkring gepasseerd waren, stoomden wij, door het prachtigste weer begunstigd, tusschen de Loyaliteits-eilanden en de Nieuwe-Hebriden in het Westen, en de Fidschi-Archipel in het Oosten, noordwaarts, het doel van onzen tocht, de Samoa- of Schippers-eilanden, tegemoet, en lieten na een zeer voorspoedige reis, in de heerlijk schoone haven van Apia, de hoofdstad van het eiland Upolu, de ankers vallen. Van uit de haven gezien, biedt Upolu een verrukkelijken aanblik. Tot vlak aan het strand strekt zich de heerlijkste, weelderigste plantengroei der tropen uit. Boschjes van hooge, slanke kokospalmen wisselen af met talrijke broodvruchtboomen, oranjebosschen, banyan-wortelboomen en bananen. Op eenige kilometers afstand van de kust, verheft zich het gebergte, dat zich over de geheele lengte van het eiland,—zeven en dertig zeemijlen,—van het Oosten naar het Westen, en meer langs de zuidkust, uitstrekt. Talrijke stroompjes komen bruisend uit het gebergte te voorschijn, kleine watervallen vormend, die van uit de haven gezien, op breede, zilveren linten gelijken. De hoogste verheffing van deze bergketen is de 2570 voet hooge Lanuto, met het meer van dienzelfden naam. De Samoa—Bladzijde 5of Schipperseilanden liggen tusschen 13°.27′ tot 14°. 22.5′ Zuiderbreedte en 169°. 28′ tot 172°. 48′ Westerlengte. Ook behoort het Koraleneiland, Roda, dat ongeveer zeventig zeemijlen Oostelijker ligt, tot deze groep. Het Westelijkste en grootste eiland is Savaii; dan volgt het kleinste, Apolima, dat een oppervlakte heeft van ongeveer twee Engelsche vierkante mijlen, terwijl Savaii 639 vierkante mijlen groot is. Op Apolima volgt Manono, eveneens van weinig omvang, vervolgens het voornaamste eiland van de groep, Upolu, 336.6 Engelsche vierkante mijlen groot; Zuidoostelijk van deze bevindt zich het door zijn landelijke schoonheid bekende eiland Tutuila, met de uitmuntende haven van Pago-Pago; voorts volgen twee kleinere eilanden, Ofu en Olosega, terwijl, het ongeveer twintig vierkante mijlen groote eiland Manua de rij sluit. De geheele groep heeft een oppervlakte van ongeveer 236 Duitsche, of 1086.9 Engelsche vierkante mijlen.

Gelijk men weet, zijn de Samoa- of, zooals zij vroeger heetten de Schipperseilanden, in het jaar 1768 door den Franschen zeevaarder Bougainville ontdekt en vervolgens in 1787 door den beroemden La Perouse bezocht, die ook op het eiland Tutuila landde, waarvan de inlanders verscheiden leden der expeditie in de Bladzijde 6tegenwoordig geheeten “Massacre-baai,” neerschoten. Kapitein Cook bezocht in 1791 eveneens de eilanden Savaii en Upolu.

Het vermoorden van eenigen der equipage van de expeditie van La Perouse, had de bevolking der Samoa-eilanden zulk een slechten naam gegeven, dat Engelsche zendelingen het eerst in 1830 slaagden, op Upolu te landen. Tot hun verbazing werden zij vriendelijk ontvangen en konden zij ongehinderd hun zegenrijk werk volbrengen. Spoedig bezochten ook andere zendelingen de eilanden en dezen ondervonden zooveel zegen op hun arbeid, dat er nu op de geheele groep geen enkele inlander gevonden wordt, die geen Christen is.—

Een half uurtje, nadat wij in de haven voor anker waren gegaan, kwam een lid der gezondheidscommissie aan boord, om te onderzoeken, of onder de passagiers, of de bemanning van de boot geen besmettelijke ziektegevallen voorkwamen. Zoodra alles in orde bevonden was, werd het verkeer toegestaan en in een oogenblik was het dek overstroomd met inlanders en Europeanen. Eerstgenoemden boden ons allerlei zeldzaamheden te koop aan, zooals: schelpen, kralen, mandjes en waaiers, gevlochten uit de bladnerven van den Padanus, benevens bananen, oranjeappelen, passievruchten en kokosnoten. Bladzijde 7

Mijn reis- en landgenoot Gustaaf Gaedecke en ik, waren op het punt het schip te verlaten, toen mijnheer Beckmann, de Directeur van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, aan boord kwam, en nadat hij eenige woorden met den kapitein gewisseld had, zich met de vraag tot ons wendde, of wij de twee pas aangestelde bedienden uit Hamburg waren. Ik beantwoordde deze vraag bevestigend, noemde den naam van mijn vriend en den mijnen en voegde er bij, dat ik verscheiden brieven van het hoofdbestuur voor den Directeur meegekregen had, die ik hem, zoodra ik aan land was, overhandigen zou, daar zij zich in mijn koffer bevonden.

“Ik heet u welkom in Apia, mijne Heeren,” antwoordde mijnheer Beckmann, en hij gaf ons vriendelijk lachend de hand. “Laat uw bagage naar beneden in mijn boot brengen, en gaat met mij aan land. Ik zal u persoonlijk naar het dicht bij het strand gelegen Hotel International brengen, waar u een uitstekend logies vinden zult, daar de eigenaar een landgenoot van ons is. U kunt mij daar dan de brieven geven, mijnheer Arendt. Wees zoo goed, heden avond te zes uur bij mij te komen dineeren; wij kunnen dan de nadere bijzonderheden van uw werkkring bespreken.”

Nadat wij door den hotelhouder op de vriendelijkste Bladzijde 8wijze begroet geworden waren, hetgeen wij ongetwijfeld aan de recommandatie van onzen voornamen geleider te danken hadden, maakte ik in de kamer, die mij aangewezen was, vlug mijn koffer open, en bracht het dikke pak papieren en brieven naar beneden in de spreekkamer, waar de directeur mij wachtte.

Na een verfrisschend bad, trokken wij andere kleeren aan en sloegen een blik uit de vensters op de haven. Wij konden de geheele uitgestrektheid overzien, en tot onze vreugd viel ons de Duitsche kruiser “Falke” het eerst in het oog; op eenigen afstand lag een Engelsch oorlogsschip voor anker, als ik mij niet vergis de “Curaçao” en achter deze twee lag ook een Amerikaansche kanonneerboot. Verder Oostwaarts konden wij duidelijk op het strand het wrak van het ongelukkige Duitsche oorlogsschip “Adler” onderscheiden, dat daar in het voorjaar van 1889, gedurende een vreeselijken orkaan neergeslingerd en geheel uit elkander geslagen was. Behalve den ijzeren romp van den “Adler,” konden wij uit de veranda, vóór onze beide naast elkander liggende kamers, een groote menigte stukken van het schip onderscheiden, die op de kust lagen, en met de eb nu duidelijk zichtbaar waren.

Ten westen van de oorlogsschepen, lagen verscheiden kleinere vaartuigen, zoogenaamde kotters, die, te oordeelen Bladzijde 9naar de vlaggen, zoowel aan de Duitsche Handelmaatschappij, als aan de Duitsche firma Frings en Co. schenen te behooren; des avonds bevestigde mijnheer Beckmann dit ook. Zij onderhielden de gemeenschap tusschen de afzonderlijke eilanden der groep.

Wij hadden veel schik in een groot aantal jonge, bruine knapen die, onder luid gejubel en geschreeuw van het strand in zee sprongen en in het water rondspartelden. Ook zagen wij een groote oorlogsboot van Samoa, naar een model der Amerikaansche walvischbooten gebouwd, en door een twintigtal roeiers in beweging gebracht, in de groote haven naar het westelijk gelegen schiereiland Mulinu koers zetten. De roeiers zaten niet volgens Europeesche wijze met den rug naar het roer, maar met het gelaat, en haalden hun korte riemen of kleine roeispanen door het water; de boot had een groote snelheid en de roeiers begeleidden hun werk met een welluidend gezang.

Tegen etenstijd lieten wij ons door een zwarten bediende van het hotel naar het huis van den directeur Beckmann brengen. Tot onze verbazing zagen wij, dat de woning van onzen chef, die in Apia en de geheele eilandengroep toch als een persoon van gewicht bekend stond, wel een zeer aardig, maar slechts Bladzijde 10klein huisje was van één verdieping, en dat het op zijn hoogst zes kleine kamers kon bevatten. Naar mijnheer Beckmann ons later op onze vraag antwoordde, is het bouwen in Apia ongehoord kostbaar, zoodat de Blanken zich met weinig ruimte tevreden moeten stellen.

“Zooals de voorzitter van het Hoofdbestuur schrijft,” zeide onze chef, toen wij na een uitstekend diner op de veranda, die een heerlijk gezicht op de haven aanbood, onder het rooken eener geurige sigaar, de koffie gebruikten, “zijt gij, mijnheer Arendt, tot boekhouder aangesteld op de groote plantage Mulifanua, terwijl mijnheer Gaedecke de leiding der verschillende cultures, die wij in onze plantages toegepast hebben, op zich zal nemen. Intusschen acht ik het hoogst noodzakelijk, dat beide heeren vooreerst nog een paar weken in Apia blijven, ten eerste om zich eenigermate aan het klimaat te gewennen, ten tweede om, al is het dan ook maar wat oppervlakkig, op de hoogte te komen van het aanleggen en het bestuur eener plantage. Daarom zal ik u in den loop der volgende week naar Vaitele, onze voornaamste plantage in dit district, brengen, waar u voldoende gelegenheid zult vinden om alles goed op te nemen. Vaitele ligt ongeveer tien kilometer ten zuiden van Apia, aan den voet van het Bladzijde 11gebergte, in een verrukkelijk landschap; de directeur der plantage, mijnheer Tiedemann, is zeer ervaren in alles, wat den aanleg en de behoeften der tropische cultures betreft, daar hij jaren lang een groote koffieplantage bij Menado op het eiland Celebes, bestuurd heeft. De eerstvolgende dagen moet u gebruiken om uitstapjes te maken in den onmiddellijken omtrek van Apia; daar zult u veel ontdekken, wat uw belangstelling wekt. Als mijn tijd het eenigszins toelaat, zal ik u met genoegen vergezellen, zoo niet, dan zal een mijner bedienden de leiding van mij overnemen.” Wij bedankten onzen vriendelijken chef hartelijk voor zijn goede bedoelingen en, daar het reeds laat was geworden, namen wij afscheid.

Den volgenden dag deden wij een wandeling door Apia, onder geleide van een bediende uit het hotel, die een weinig Duitsch en Engelsch sprak.

De stad bestaat uit vier groote dorpen, die een enkele, ruim twintig voet breede hoofdstraat vormen, welke zich in een halven cirkel langs de havenbocht uitstrekt. In het midden van dezen halven cirkel ligt het eigenlijke Apia; oostelijk daarvan het dorp Matautu, waarin zich de Engelsche en Amerikaansche Consulaatsgebouwen bevinden, terwijl in het westelijk gelegen Matafele, de grootsche magazijnen der Duitsche Bladzijde 12Handel-Plantage-Maatschappij in de Zuidzee, bijna de geheele ruimte beslaan. In de onmiddellijke nabijheid van Matafele bevindt zich de smalle landtong Mulinu, waarop het zoogenaamde paleis van koning Malietoa, benevens eenige gouvernementshuizen gebouwd zijn.

Zooals mijnheer Beckmann ons ’s avonds verteld had, leven er in Apia ongeveer tweehonderd blanken, waaronder de Duitschers het talrijkst vertegenwoordigd zijn. Dat konden wij al dadelijk op onze wandeling opmerken. De grootste helft der hotels, herbergen en winkels is in Duitsche handen; overal hoort men Duitsch spreken, leest men Duitsche namen op de borden der firma’s en ziet men de zwart-wit-roode vlag wapperen. Zelfs is er in Apia een Duitsche school, die niet alleen voor de kinderen der Europeanen, maar ook voor die der inlanders toegankelijk is en druk bezocht wordt.

Tegen den middag, brachten wij ook een bezoek aan den heer Biermann, den Duitschen Consul in Apia, om ons aan hem voor te stellen en hem onze passen te overhandigen. Evenals de directeur Beckmann, bewoonde de consul een eenvoudig houten huis van één verdieping.

De inboorlingen, waarvan wij een groot aantal in een zalig-niets-doen op de haven zagen rondslenteren, maakten een bijzonder sympathieken indruk. Zooals Bladzijde 13bekend is, behooren de bewoners van Samoa tot het Polynezische ras, hebben een lichtbruine huidkleur in tegenstelling met de donkerder gekleurde Melaneziërs, en een slanke, flinke gestalte. De gelaatstrekken der mannen zijn minder schoon; meestal hebben zij breede platte neuzen, tamelijk dikke lippen en vooruitstekende wangbeenderen, maar prachtige donkerbruine, amandelvormige oogen met lange zwarte wimpers. Tegenover vreemdelingen zijn zij vriendelijk en voorkomend, zooals ik later, gedurende mijn langdurig verblijf op de eilanden, heb kunnen opmerken. Deze beminnelijke karaktertrek, evenals hun besliste afkeer van elken eenigszins inspannenden arbeid, moeten toegeschreven worden aan het gelukkige, zorgelooze bestaan, dat de bewoners van Samoa in hun heerlijk, overvloedig gezegend vaderland leiden, waar de milde natuur alles oplevert, wat zij tot hun levensonderhoud behoeven.

De manlijke inboorlingen zijn, wat mij bijzonder opviel, bijna zonder uitzondering op eigenaardige wijze getatoeëerd. Dit tatoeëeren bestaat uit een aantal rechtlijnige figuren, die van den navel tot aan de knieën reiken. Naar men mij verteld heeft, moet het insnijden van deze figuren tamelijk pijnlijk zijn, daar het uitgevoerd wordt met een soort van harkje, gemaakt van vischgraten of kieuwen. Het werktuigje wordt in een Bladzijde 14mengsel van verbrande notedoppen en water gedoopt en met een hamertje in het vleesch gedreven, waardoor de figuren ontstaan, die meestal heel aardig zijn; veel inlanders verbergen hun tatoeëering echter onder hun Lava-Lava, een lendendoek van Tapa. Dit is een stof, die op papier gelijkt en gemaakt wordt van de roode bladeren van den Ti-boom. In den laatsten tijd is deze Tapa echter door gekleurd katoen vervangen geworden. Onder de inlanders gaan de jongelingen, die zich niet hebben laten tatoueëeren, voor onmanlijk door. Ook onderwerpen veel vrouwen zich aan deze kunstbewerking, hoewel in mindere mate. Zij bestaat doorgaans alleen uit stippen en een aantal plus- en minusteekens, d. w. z. kleine kruisjes en streepjes en is gewoonlijk met den Lava-Lava of lendendoek bedekt.

Gehoor gevend aan een verzoek van den directeur, kwamen wij op den vijfden dag na onze landing, dadelijk na zonsopgang ten zijnen huize, om hem naar de plantage Vaitele te vergezellen. Op aardige, vrij kleine paardjes, die, naar mijnheer Beckmann ons mededeelde, van het eiland Timor ingevoerd, dus zoogenaamde Sandelhoutpaarden waren, reden wij, door twee bedienden gevolgd, die in valiezen eenigen mondkost meevoerden,—het eerst naar den linkeroever van den Sigago-stroom, die zich ten Oosten van Apia in Bladzijde 15de haven uitstort, om vervolgens langs zijn oevers onzen weg stroomopwaarts voort te zetten. Zooals wij van den directeur vernamen, ontspringt de Sigago op de zuidelijke hellingen van den 2500 voet hoogen berg Godefroy, ongeveer vijftien kilometer zuid-oostelijk van Apia, en stroomt dan door een heerlijk vruchtbaar dal tot aan zijn mond bij Apia voort.

Ik was letterlijk overweldigd door den aanblik van deze menigte kokospalmen, bananen, benevens papaya’s, oranje-mango-broodvruchtboomen en bloeiende heestergewassen, wier namen mij onbekend waren; en dan, die kostelijke, bedwelmende geur, dien voornamelijk de bloeiende oranjeboomen en heesters verspreidden! Het was inderdaad verrukkelijk!

Daar wij zonder iets gebruikt te hebben de stad verlaten hadden, rustten wij een uur later in een schaduwrijk boschje van oranjeboomen en bananenpalmen, en verkwikten ons aan de versnaperingen, die de bedienden ons uit de tasschen toereikten.

Zooals de directeur nu onder ons ontbijt vertelde, had het huis Johan Cesar Godefroy en zoon in 1857 zijn eerste handelszaak op Upolu in Apia opgericht, en spoedig daarna in het bovendal van den Sigago, de plantage Vaitele aangelegd, die weldra gevolgd werd door de plantage Veilele, aan diezelfde rivier Bladzijde 16gelegen. In 1865 ontstond in het district Mulifanua, 32 kilometer westelijk van Apia, de uitgebreide en belangrijkste plantage Mulifanua, en wat verder op Savau, het grootste eiland der geheele groep, de kleinere plantage Vaiputi. In het geheel verkreeg de Hamburgsche firma op de Samoa-eilanden meer dan 3500 hectaren grond in bezit, die ontgonnen werd. Toen nu omstreeks het jaar 1880, het huis Godefroy,—dat in dien tusschentijd genoodzaakt geweest was, zijn betalingen te staken,—aanbood zijn bezittingen op de eilanden onder Duitsche bescherming te stellen,—en dit door de regeering, van de hand werd gewezen, nam de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, die kort geleden opgericht was, al de factorijen en plantages der firma in de Zuidzee over.

Na ons ontbijt, stegen wij weer te paard en bereikten een uur later Vaitele, waar wij door den directeur, die van onze komst door een vooruit gezonden bediende verwittigd was, vóór diens woning ontvangen werden. Dit was eveneens een eenvoudig houten gebouwtje, maar te midden van oranje- en bananenboomen gelegen, en maakte daardoor een bijzonder vriendelijken indruk.

Nadat de directeur ons aan den heer Tiedemann had geïntroduceerd, stelde deze voor, de naastbij gelegen Bladzijde 17aanplantingen eens in oogenschouw te nemen, voor het te heet werd. Terwijl in het vochtige, lagere gedeelte, in de onmiddellijke nabijheid van den rivieroever, voornamelijk suikerriet, yams, de zoete knolvrucht, die in de tropen onzen aardappel vervangt—en ook de tarowortels geplant waren, stonden op de eenigszins hoogere hellingen, honderden kokospalmen, broodvruchtboomen, mango’s, bananen, papaya’s en oranjeboomen. De gewichtigste boom voor den handel was, zeide de directeur, intusschen de kokospalm; deze bereikt dikwijls een hoogte van honderd twintig voet, zonder dat er de kleinste tak of twijg aan zijn slanken stam te zien is. Boven aan de bladerkroon groeien de noten in menigte tegen den stam aan.

Mijnheer Tiedemann was zoo vriendelijk, mij en vooral mijn collega Gaedecke, als natuurkenner, uit te leggen, hoe men de kopra,1 dit gewichtig handelsartikel, het best aankweekt. Eerst na zeven of acht jaar geeft een kokospalm den eersten oogst; de noten worden niet geplukt, maar men wacht, tot zij rijp naar beneden vallen; dan worden zij opgeraapt en in manden op ezels naar rijwegen gebracht, vanwaar zij in karren, met ossen bespannen, naar de factorijen vervoerd Bladzijde 18worden. Na opengemaakt te zijn, wordt de vleezige kern er uit gesneden, op eesten gedroogd en eindelijk luchtig verpakt, naar Europa verzonden. De harige bolsters, waarvan in andere landen, zooals op Ceylon, de Sunda-eilanden enz. de kokosvezels verkregen worden tot het vervaardigen van matten, touwen en dergelijke, gebruikt men op Samoa niet; men verbrandt ze eenvoudig.

Verder onderrichtte mijnheer Tiedemann ons nog, dat een volwassen kokospalm op zijn plantage, jaarlijks gemiddeld tachtig tot honderd noten oplevert, en uit vijf noten wordt somtijds een kilogram kopra verkregen, zoodat de netto opbrengst van een palmboom bij gewone olieprijzen, op ongeveer twee mark per jaar kan geschat worden. Uit de kokospalm-plantage geleidde de directeur der factorij ons een eind de helling op, waar wij op een plek, die bijna geheel van groote boomen ontbloot was, een vrij groot aantal sierlijke, kleine boomen op regelmatige afstanden, opmerkten. Ik hield deze mooie boompjes, waarvan verscheidene met witte en roode bloesems bedekt waren, voor kerseboomen, tot ik door een uitroep van den directeur Beckmann, beter werd ingelicht.

“Zoo, zoo! U bent dus met den aanleg van een koffieplantage geslaagd, beste Tiedemann!” riep de Bladzijde 19directeur uit. “Dat doet mij werkelijk pleizier! Die kan ons van heel veel nut zijn.”

“Ja, het is mij gelukt, mijnheer,” antwoordde de opzichter der plantage. “Verleden jaar heb ik twee honderd stuks stekken van koffieboomen uit Menado besteld, en, daar ik bij ondervinding weet, dat de koffie in dit klimaat, het best op een hoogte van vier tot zes honderd meter gedijt, liet ik hier op de helling een vrij groot aantal boomen vellen en de stammen, takken en twijgen verbranden, om de asch als mest te kunnen gebruiken. Op gelijke afstanden werden tien kuilen gegraven en de stekken daarin gezet; ten einde de jonge planten tegen de verzengende zonnestralen te beschutten, liet ik een aantal dik gebladerde tamarindeboomen staan, die voldoende schaduw gaven. De boompjes schoten spoedig wortel en groeiden prachtig op; verscheidene staan reeds in bloei en zullen toekomende jaar, hoop ik, een flinken oogst opleveren.”

“Ik zie, dat u den grond tusschen de koffieboomen geheel grasvrij laat,” zeide Gaedecke. “Waarom doet u dat?”

“Omdat het gras van Samoa als woekerplant voortteelt, op een tot beplanten geschikt gemaakten grond, en alleen door onophoudelijk uitroeien verdelgd kan worden,” luidde het antwoord van mijnheer Tiedemann. Bladzijde 20“Ik heb ook getracht hier cacaoboomen te planten, maar in Vaitele dragen zij niet zooveel vrucht als in Mulifanua; mijn collega Krüger schijnt daar een gunstiger bodem te hebben.”

Op den terugweg naar de woning van mijnheer Tiedemann, zagen wij een troepje werklieden, die van de verschillende plantages naar hun hutten gingen, om te eten en gedurende het heetste gedeelte van den dag te rusten. Het trok mijn aandacht, onder deze mannen geen enkelen inboorling van Samoa, maar lieden van veel donkerder huidkleur te zien.

Toen ik aan tafel mijn verwondering hierover te kennen gaf, verklaarde directeur Beckmann mij de reden hiervan.

“Alle pogingen, om de inboorlingen van Samoa aan geregeld werk te gewennen, hebben schipbreuk geleden op hun aangeboren traagheid,” zeide hij. “Zij eischten ongehoord hoog loon voor buitengewoon geringe diensten en bleken in geen enkel opzicht te vertrouwen te zijn. Daarom waren wij genoodzaakt, vreemd werkvolk in dienst te nemen, en wij vonden dit in voldoend aantal op de Salomons- en Gilberts-eilanden, de Nieuwe-Hebriden en den Bismarck-Archipel. Het aanwerven van manschappen geschiedde door de kapiteins van onze eigen schepen, die met de hoofden dier Bladzijde 21eilanden in onderhandeling traden. De werklieden worden voor drie jaar aangenomen, na welk tijdsverloop, zij vrij naar hun vaderland teruggezonden worden, wanneer zij er niet de voorkeur aan geven de overeenkomst te vernieuwen. Ieder werkman verdient, behalve kost en inwoning, drie dollars per maand, en komt ons dus jaarlijks op ongeveer drie honderd mark te staan, de kosten van import en export daaronder begrepen. Ook verloopt er geruime tijd, voor de lieden zich aan hun dagtaak, en aan discipline gewend hebben; bovendien moeten de inlanders der verschillende eilandgroepen afzonderlijk gehuisvest worden, anders vallen zij elkander aan, slaan elkaar dood, of eten elkander ten slotte op, om de overwinning feestelijk te vieren. U ziet, mijne Heeren,” zoo eindigde de directeur zijn verklaring, “dat wij met veelvuldige moeilijkheden in onze koloniën te kampen hebben, waartoe ook onze verhouding jegens de Engelsche en Amerikaansche autoriteiten op Samoa heel veel bijdraagt.”

Na een korte rust bezichtigden wij nog de overige aanplantingen op de factorij Vaitele, gebruikten eenige ververschingen en sloegen daarna den weg naar Apia in. Vóór wij van den heer Tiedemann afscheid namen, verzocht mijn collega Gaedecke dezen verlof, op een Bladzijde 22der eerstvolgende dagen naar Vaitele te vertrekken, om zich onder leiding van den kundigen planter, op de hoogte te stellen van het aanleggen en de werkzaamheden op een grootere plantage. Mijnheer Tiedemann verklaarde zich vriendelijk bereid, den jeugdigen botanicus bij zich in huis te nemen, op voorwaarde, dat directeur Beckmann, hieraan zijn goedkeuring hechtte; deze had hiertegen geen enkel bezwaar.


1 kopra = het gedroogde, vleezige gedeelte van de kokosnoot.

Tweede Hoofdstuk.

Op de plantage Mulifanua.

Den dag na onze terugkomst verliet mijn vriend Gustaaf Gaedecke Apia, om zich naar de plantage Vaitele te begeven.

De directeur had hem een paard geschonken, benevens een ezel voor zijn bagage; ook werd hem een knecht medegegeven om hem bij het vervoer en op reis behulpzaam te zijn.

Terzelfder tijd deelde mijnheer Beckmann mij mede, dat hij mij over een paar dagen persoonlijk naar de plantage Mulifanua zou brengen, om die te bezichtigen Bladzijde 23en mij voor te stellen aan den directeur, den heer Krüger; bovendien ried hij mij aan in dien tusschentijd naar Matafele, het westelijk deel van Apia te gaan, om in de groote magazijnen en kantoren van de Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij kennis te maken met de ambtenaren, daar ik dikwijls met deze heeren zaken zou moeten doen. Hij zou mij een zijner kantoorbedienden meegeven, om mij aan te dienen.

Zeer vriendelijk werd ik door mijn toekomstigen collega ontvangen, en rondgeleid in de voornaamste pakhuizen, waar een kolossale voorraad van kopra, katoen en andere tropische gewassen opgestapeld lag, die naar Europa moest ingescheept worden.

Twee dagen na dit bezoek in Matafele begaf ik mij, volgens order van den directeur, dadelijk na zonsopgang met mijn bagage naar het strand, waar op de mij aangeduide plaats, de boot van mijnheer Beckmann gereed lag. Zij had, evenals de kano’s der inlanders, den vorm van een walvischboot, maar was iets breeder, van een zonnetent aan den achtersteven voorzien, en met twaalf roeiers bemand.

Een paar minuten na mijn aankomst, verscheen de directeur, van twee bedienden vergezeld, die manden met allerlei eetwaren droegen. Wij gingen onder de zonnetent zitten en op bevel van mijn chef brachten Bladzijde 24de roeiers hun korte riemen in beweging, waarmee zij de boot bijzonder gauw deden voortgaan. Toen wij de “Falke” langs kwamen, begroette de wacht op het dek ons met een luid: “Goedenmorgen! Gelukkige reis!” hetgeen wij met hoedengewuif beantwoordden. De boot van den directeur, die aan den spiegel de Duitsche vlag voerde, was den matrozen van het oorlogsschip goed bekend.

Nadat wij den breeden ingang der haven, die door een wijde opening in de koraalriffen, welke zich langs de geheele noordkust uitstrekken, voorbijgegaan waren, zetten wij eerst regelrecht koers naar het Noorden, om op grooten afstand van de riffen te komen, waar de golfslag zoo onstuimig was, dat wij gevaar zouden geloopen hebben, door de branding tegen de rotsen geworpen te worden. Voornamelijk was deze zeer sterk en gevaarlijk vóór het schiereiland Mulinu, en, zooals mijnheer Beckmann vertelde, moesten er op die plek reeds veel schepen vergaan zijn.

Een goede zeemijl van de kust verwijderd, keerden wij ons naar het Westen en kwamen nu snel vooruit. Thans kon ik dit geheele gedeelte van het eiland overzien, en met innige verrukking het landschap bewonderen, dat zich voor mij uitstrekte. Het gedeelte van het land, tusschen de bergketen en de kust, Bladzijde 25geleek een heerlijke tuin, vol palmen, hooge, breedgetakte tamarinden, schoone boschjes van broodvrucht- en oranjeboomen en een groot gedeelte van een dicht oerwoud op die plaatsen, waar de boomen niet ter wille van de plantages geveld waren. De talrijke bergstroomen met hun groen, helder water, slingerden zich door het voorland in menigvuldige bochten tot aan het strand; het bekoorlijkst echter waren verscheiden watervallen in de verte, die dikwijls vele meters hoog van den rand van den bergkam naar beneden stortten, en op dien afstand op breede, zilveren linten geleken. Mijnheer Beckmann maakte mij in het bijzonder opmerkzaam op een prachtigen waterval, den Letogo, die ten Westen van Apia, midden in het dichte struikgewas van de rotsen naar beneden stort, en daar een bassin vormt, wel zoo groot als een meer; ik kon dit echter natuurlijk van uit de boot niet zien.

Tegen elf uur bereikten wij het doel onzer reis, gedurende welke de roeiers, inboorlingen van Upolu, hun arbeid zonder ophouden met welluidend gezang begeleid hadden. In het koralenrif, dat, zooals wij reeds vermeld hebben, het geheele eiland omringt, bevond zich een opening, waardoor kleinere schepen in een bocht naar de kust kunnen varen; deze bocht vormt Bladzijde 26de haven van Mulifanua, doch is maar van kleine afmeting.

Aan de landingsplaats werden wij opgewacht door mijnheer Krüger, die den vorigen dag van den directeur door een bijzonderen bode bericht had gekregen van onze komst; hij begroette ons vriendelijk en leidde ons in het door hem bewoonde stationsgebouw der Handel-Maatschappij. Dit gebouw was ook van hout, maar had twee verdiepingen; het was zeer lief gelegen, te midden van schaduwrijke mangoboomen en zorgvuldig onderhouden tuinen. Op een ruime veranda vonden wij een welvoorziene tafel, waarop ik tot mijn verrassing ook eenige flesschen bier zag staan. Een paar roeiers brachten mijn bagage en de manden met proviand in huis en gingen daarop naar hun makkers, die achter het woonhuis een onderkomen gevonden hadden in een hut, bestemd voor de bedienden.

Mijnheer Krüger, onder wiens bijzondere leiding ik stond, bracht mij na het ontbijt in een nette kamer, die, naar hij zeide, voor mij bestemd was; hij deelde mij mede, dat wij na een korte rust te paard zouden stijgen, om de plantages in de buurt van Mulifanua te bezichtigen.

Het rustuurtje gebruikte ik, om mijn twee koffers uit te pakken en mijn ondergoed en kleeren in de Bladzijde 27daartoe bestemde kasten te bergen. Toen ik hiermede gereed was, en mij juist wilde verkleeden, verscheen een jonge Samoaner, een “Boy”, zooals men de bedienden daar noemt, en vertelde mij in een wonderlijk mengelmoes van Duitsche en Engelsche woorden, dat hij door zijn “meester” voor mijn persoonlijke bediening was aangewezen en nu bevel had gekregen mij naar het badhuis te brengen.

Dit badhuis lag maar weinig schreden van het stationsgebouw in een bananenboschje. Het was zeer practisch ingericht. In een ommuurd bassin, van een meter breedte, aan den ingang van de ruime, luchtige badkamer, stroomde frisch, kristalhelder water, dat zooals de “Boy” verklaarde, uit de dichtst bij zijnde rivier hierheen geleid was, en tevens tot besproeiing van den tuin diende. Bovendien bevonden zich langs de muren verscheiden douches = stortbaden. Na een heerlijk verfrisschend bad, kleedde ik mij spoedig aan en ging naar de veranda, waar ik reeds de heeren Beckmann, Krüger en nog een jong mensch aantrof, die mij als mijnheer Petersen werd voorgesteld. Deze was een knap persoon, van zes voet lengte, en met een zeer vroolijk opgewekt gezicht. Zooals ik later hoorde, was Hendrik Petersen een verre bloedverwant van mijnheer Krüger; hij had als vaandrig in een Bladzijde 28Pruisisch infanterie-regiment gediend, maar was daaruit wegens een paar ondeugende streken ontslagen geworden. Op Krüger’s voorspraak had de Handel- en Plantage-Maatschappij hem in dienst genomen en naar Samoa gestuurd, waar hij vervolgens op de plantage Mulifanua gedeeltelijk op het kantoor, gedeeltelijk op de plantage zelf, als opzichter werkzaam was. Hij kon ongeveer zou oud zijn als ik, en maakte op mij, door zijn open, vriendelijk gelaat, een zeer aangenamen indruk. Wij dronken haastig een kop thee en stegen toen te paard, om naar de, op ongeveer een kilometer afstands gelegen plantage te rijden.

Deze was reeds in 1865 door de firma Godefroy aangelegd, en de eerste op het eiland Upolu; eenige jaren later volgden de plantages Vaitele en Veilele in het district Tuamusanga. Het geheele eiland is in drie districten verdeeld, waarvan Atua het oostelijkst is; in het midden ligt het district Tuamusanga met de hoofdstad Apia, terwijl Mulifana de voor naamste plaats van Aana, in het Westen, is.

In de onmiddellijke nabijheid van Mulifanua zag ik ook voor het eerst, een dorp van inlanders, dat een bijzonder liefelijken indruk op mij maakte. Elke hut, of liever gezegd, elk huis, want de meeste hebben een omvang van meer dan honderd voet, staat in de Bladzijde 29schaduw van palmen en bananen en is gewoonlijk door een kleine suikerrietplantage omgeven; de geheele ruimte om zulk een huis wordt steeds zeer zindelijk gehouden. Het dak bestaat uit de bladeren van het suikerriet of van de bananen en heeft een lankwerpig ronden vorm; het rust op rond gesneden houten palen, die op een afstand van vier of vijf voet van elkander in den grond geheid worden. Ieder huis bestaat alleen uit een enkele groote ruimte, die gedurende den nacht gesloten wordt door zonneblinden, gemaakt van de nerven der palmbladeren; over dag is zij aan alle zijden open, zoodat in de woonkamers steeds frissche lucht is. De vloer van deze laatste bestaat uit een laag losse kiezelsteenen van verscheiden centimeters dikte, waarop dan kralen of kleine ronde steentjes gelegd worden; hierover legt men dichte matten. Naar Petersen, die mij in zulk een huis bracht, verzekerde, vormen deze matten op de geverfde onderlaag een uitstekende rustplaats, die daarenboven het grootste voordeel bezitten zou, nooit door ongedierte verontreinigd te worden. In het midden van deze ruimte staat een sterke gaffelvormige boomstam, die tot hoofdpilaar dient; deze, benevens de zijposten, zijn gemaakt uit het hout van den broodvruchtboom, dat duurzamer moet zijn dan andere houtsoorten. Naast de middelste Bladzijde 30pilaar is een kleine, uit klei gemaakte haard aangebracht, die echter niet gebruikt wordt om er op te koken, maar alleen tot verlichting dient; in een kleinere hut, die zich op eenigen afstand van het woonhuis bevindt, wordt het eten bereid.

Als huisraad merkte ik slechts eenige gedroogde kokosnoten op, die als waterkannen gebruikt werden, terwijl een grooter aantal dwars doorgesneden noten tot bekers dienden. Verder zag ik verscheiden vliegenklappen van boomschors en waaiers, gevlochten van de bladnerven van den pandanus. Van tafels, stoelen en kasten zag ik niets.

Nadat wij dit huis, dat mij zeer interesseerde, bezichtigd hadden, stegen wij weer te paard en reden in gestrekten draf de twee heeren na, die reeds in de plantage aangekomen waren.

De plantage Mulifanua is aanmerkelijk grooter dan Vaitele of Veilele; de cultuur is er dezelfde als op de twee laatste; alleen wees mijnheer Krüger ons een theeplantage, op de noordelijke hellingen van den berg Tofu, als eerste proef, om de cultuur der theeplant op Samoa in te voeren. Zij groeide uitstekend evenals een uitgestrekte aanplanting cacaoboomen, die reeds rijke inkomsten opleverde.

Mijnheer Krüger had meer dan twee honderd werklieden Bladzijde 31in de plantage, waarover hij het bestuur had; de meesten waren inboorlingen van de Salomons- en Tonga-eilanden, allen flink gebouwde, groote mannen van een donkere huidkleur, daar deze eilandbewoners tot het Melanezische ras behooren.

De eerste Salomons-eilander, dien ik zag, maakte een zeer eigenaardigen indruk op mij. Zijn gekroesd haar, dat wel zes decimeter lang kon zijn, was met kalk wit gemaakt, zoodat ik eerst meende, dat de man een pruik van vuil schapenvel op het hoofd gezet had. Toen ik hoorde, dat zoowel directeur Krüger, als een der opzichters, den werklieden orders gaven in een taal, die ik volstrekt niet verstaan kon, legde mijn vriend Petersen mij uit, dat, daar de bewoners van de afzonderlijke eilandengroepen allen verschillende talen spraken, men genoodzaakt geweest was, wilde men met hen onderhandelen kunnen, zich van verschillende idiomen te bedienen, die veel overeenkomst hebben met het Chineesche Pidjin-Engelsch. Wij hadden nog enkele uren vóór zonsondergang den tijd; directeur Beckmann gaf daarom op de theeplantage, waarop wij ons juist bevonden, den wensch te kennen, den top van den Tofuberg te bestijgen, vanwaar men een schoon uitzicht moest hebben, zooals hij zich nog van een vroegere reis herinnerde. Bladzijde 32

Het was een tamelijk vermoeiend en inspannend werk, om zich door het dicht struikgewas, dat de helling van den berg tot den top bedekte, heen te worstelen, want deze bevond zich wel ongeveer duizend voet boven de theeplantage; maar onze moeite werd ruimschoots beloond, door het verrukkelijk vergezicht dat zich daar aan ons oog vertoonde.

Noordelijk, bijna voor onze voeten, zagen wij Mulifanua en de geheele oostkust tot de haven van Apia, met de landschappen Salapuala, Sasasa en minstens nog tien andere Samoaansche dorpen, terwijl wij aan onze linkerhand, in westelijke richting, eerst het eilandje Manono opmerkten, dat door een koraalrif met de westkunst van Upolu verbonden scheen te zijn; dan volgde het kleinste eilandje der geheele groep, Apolima, dat nog niet volkomen twee Engelsche vierkante mijlen groot is, en verder op verhief zich uit de zee, het groote Savaii, welks gebergte een hoogte van meer dan vijfduizend voet bereikt. Tusschen den berg Tofu en de noordkust strekte zich een groote vlakte uit, beplant met palmen, broodvruchtboomen enz, waartusschen men uitgestrekte velden kon opmerken, waarop de inlanders suikerriet, taro en yamwortels kweekten. Zuidwaarts zag men niets dan de groote, oneindige zee. Bladzijde 33

Toen wij een paar uren later het stationsgebouw in Mulifanua weer bereikt hadden, was ik weliswaar erg moede, maar toch bijzonder in mijn schik over al het belangrijke en nieuwe, dat ik in den loop van den dag gezien had. Den volgenden morgen keerde directeur Beckmann in zijn boot naar Apia terug, terwijl ik onder leiding van den heer Krüger mijn werkzaamheden begon. Deze bestonden voornamelijk in boekhouden en het beheer voeren der kas. Het laatste was een zeer eenvoudig werk, daar het slechts de uitbetaling betrof van het loon der arbeiders op de plantage, en het salaris der opzichters; tot op heden had mijn voorganger Petersen op zeer primitieve wijze boek gehouden, volstrekt niet, zooals het op een handelskantoor behoort. Daar uit de boeken de jaarlijksche afrekening met ons hoofdkantoor te Apia, zoo nauwkeurig mogelijk moest opgemaakt worden, met bijvermelding welke hoeveelheden der verschillende produkten uit de geheele plantage, in den loop des jaars aan onze magazijnen en pakhuizen, door bemiddeling van Mulina geleverd waren, moesten deze leveranties nauwkeurig en stipt in de daarvoor bestemde boeken worden opgeteekend. Toen ik de jonge Petersen op de talrijke vergissingen bij het noteeren opmerkzaam maakte, antwoordde hij Bladzijde 34lachend: “Beste vriend, ik had geen flauw begrip van boekhouderij, toen mijn ondeugende neef mij naar Samoa liet komen; ik ben soldaat geweest en versta van dien rommel verduiveld weinig. U zult die vervelende boeken wel weer gauw in orde maken, en u moest eigenlijk blij zijn, dat ik zoo weinig aanleg voor dezen handelstak heb, want anders had men u hier in het geheel niet heengestuurd.”

“Mijn luchthartige neef heeft hierin werkelijk gelijk, beste Arendt,” zeide mijnheer Krüger, die juist bij de laatste woorden van Petersen het kantoor binnen was gekomen. “Ik geloof, dat het het beste zou wezen, als u onder de vroegere noteering van uw voorganger maar een streep zettet, en van heden af maar op uw manier begont boek te houden. Ik heb te weinig tijd gehad, om het werk van mijn neef op het kantoor voldoende na te gaan, en eerst later heb ik de wanhopige verwarring opgemerkt, die hij teweeggebracht heeft. Daar buiten in de plantage is de jonge heer vrij wat beter op zijn plaats; hij heeft grooten tact om met de werklieden om te gaan, die hij flink onder tucht heeft, en toch is hij zeer bij hen bemind. De opzichters mogen hem ook om zijn vroolijk, welwillend karakter gaarne lijden.”

“Wel bedankt, waarde neef, voor die loftuiting,” Bladzijde 35zeide Petersen lachend, “maar nog meer voor de bevrijding van die afschuwelijke boeken. Wanneer u en mijnheer Arendt mij dus niet meer noodig hebt, zal ik, met uw verlof, naar de plantage rijden, waar ik mij honderdmaal meer op mijn gemak gevoel, dan hier op dit muffe kantoor. Tot ziens dus, vanavond, vriend Arendt!”

Men kon den aardigen, beminlijken jongen man waarlijk niets kwalijk nemen, en evenmin lang boos op hem zijn; ik bracht dus mijn geschokt koopmansgevoel tot rust, en toog aan het werk, dat mij wachtte, nadat mijnheer Krüger mij nog eenige noodzakelijke aanwijzingen dienaangaande gegeven had. De eerste weken gingen zonder eenige stoornis voorbij; met het aanbreken van den dag stond ik op, en in de koele morgenuren werkte ik vlijtig op het kantoor tot elf uur; dan ging ik naar de veranda, achter het huis, vanwaar men een heerlijk uitzicht had op den prachtigen tuin, en gebruikte een uitstekend ontbijt, waaraan mijnheer Krüger en zijn neef Heinrich geregeld deelnamen. Beide heeren waren den geheelen voormiddag op de verschillende plantages bezig, en na het rustuur ging ik dagelijks mee, om zoo goed mogelijk op de hoogte te komen van den aard en de wijze van cultuur der verschillende voortbrengselen. Ik had mij Bladzijde 36vlijtig op de studie van het Pidjin-Engelsch, zoowel als op die der Samoaansche taal toegelegd, ten einde mij bij ons werkvolk en ook bij de inlanders ten minste eenigszins verstaanbaar te maken.

Mijnheer Krüger en zijn neef waren beide talen volkomen machtig. Op een Zondag vertelde onze chef, dat hij een uitnoodiging voor ons ontvangen had, om bij een voornaam, zeer rijke Samoaner te komen dineeren. Deze was opperhoofd van een groot dorp, dat dicht bij de kust lag, tusschen Mulifanua en het landschap Sasana. Wij stegen derhalve om vier uur te paard en ongeveer een uur later bereikten wij het dorp, dat in een goed bebouwde lage vlakte lag, te midden van een schaduwrijk boschje van palmen, bananen en oranjeboomen, dat omringd was van uitgestrekte suikerriet- en katoenvelden. Het opperhoofd ontving ons voor zijn ruime woning met den welluidenden, Samoaanschen groet: “Talofa!” en ging ons toen voor naar de huiskamer, die aan alle zijden open was en waar wij wel een dozijn inboorlingen, mannen en vrouwen, aantroffen, die ons met vriendelijke gebaren de hand gaven.

De vrouwen en meisjes waren zonder uitzondering werkelijk mooie, lieve verschijningen; zij waren schoon gebouwd en hadden allen prachtige, donkerbruine Bladzijde 37oogen met lange, zwarte wimpers; haar kleeding bestond uit den lendendoek van gekleurd katoen; een soort van lijfje en de lava-lava, die tot aan de knieën reikte; de volle, fraai gevormde armen, evenals de beenen onder de knie, waren bloot; op het donkere, meestal onbedekte haar droegen zij een klein soort van kapsel van dunne witte stof, versierd met bloemen en gekleurde steenen. Bijna alle vrouwen hadden kleine varkentjes op haar schoot, die bij de Samoaanschen de schoothondjes schenen te vervangen. Nadat wij ons op matten, in den familiekring van het opperhoofd en zijn gasten neergezet hadden, begon de maaltijd. Verscheiden jonge meisjes droegen de verschillende spijzen op, en wel in bananenblâren, waarin zij ook gebakken waren, want de Samoaner kent geen potten en pannen. De gerechten bestonden uit: gebakken speenvarkens, kippen, visch, brood- en yamvruchten, bananen en tarowortels, alles zeer zindelijk en smakelijk; bananenblâren dienden ook tot borden. Als dessert verscheen een soort van deeg “Tai-ai” genaamd, dat uit het fijn gewreven vleesch van de kokosnoot bereid, in kleine zakjes, van bladeren gemaakt, op de heete steenen van den haard wordt gebakken en heel lekker is. Het eten smaakte mij bijzonder goed, want het was zeer zindelijk Bladzijde 38klaargemaakt en werd ook zoo toegediend.

Na afloop van den maaltijd werd een vrij groote schotel, zeer kunstig uit hout gesneden, midden op de mat gezet, die als tafel gebruikt werd. Ik wist niet, waartoe deze moest dienen, doch Petersen verklaarde mij dit: het was een kawa-bowl, die gebruikt werd om daarin dezen lievelingsdrank der meeste Zuidzee-eilanders klaar te maken.

Kort daarna verschenen vier mooie, jonge meisjes, die zeer schoone, witte tanden hadden; zij legden zich bij den bowl neder en gingen de kawa bereiden. Hiertoe werd de knol der kawa-plant (Piper methysticum) in dobbelsteentjes gesneden en door de meisjes fijn gekauwd; de gekauwde massa werd eenvoudig in den bowl uitgespuwd, met water verdund, en vervolgens met de handen omgeroerd. Toen werden met een stukje boomschors de houtvezels uit het mengsel opgevischt, waarop de meisjes in de handen klapten, tot teeken, dat de drank gereed was om gebruikt te worden.

Ik moet bekennen, dat mijn maag er tegen op begon te komen, dien kost, die er als aardappelmoes uitzag, te proeven; hij werd in kokosschalen rondgediend. Mijnheer Krüger, die zeker mijn afkeer op mijn gelaat gelezen had, gaf mij echter een teeken, dat ik Bladzijde 39bepaald een ferme teug uit de mij aangeboden schaal moest nemen, indien ik onzen gastheer en zijn gasten niet diep wilde beleedigen. Toen de schaal dus bij mij kwam, nam ik met echte doodsverachting een slok van dezen, in dat land geliefkoosden drank, die naar zeepsop smaakt; ik vreesde het volgend half uur onpasselijk te worden, en kwam eerst weer op mijn verhaal, toen mijnheer Krüger mij en den overigen manlijken gasten een sigaar aanbood. Zooals ik later heb waargenomen, wonen er op Samoa Europeanen, die van lieverlede zelfs hartstochtelijke kawadrinkers zijn geworden, iets, wat mij totaal raadselachtig voorkomt; want voor mij bleef hij steeds een afschuwelijke drank. Na het gebruik van den kawabowl, werd de “Siva”, een Samoaansche dans, uitgevoerd. Deze “Siva,” die door een driestemmig lied begeleid wordt, begint met het heen en weer bewegen van het hoofd en bovenlichaam, het slaan met de vlakke hand, zooals bij het schoenmaken, op bovenarmen en dijbeenen, en het maken van allerlei arm- en beenbewegingen, terwijl met een stokje op een mat de maat wordt geslagen. Muziekinstrumenten zijn den Samoaners ten eenenmale onbekend, behalve de houten kerktrommels, door de zendelingen ingevoerd, die als klokken dienst doen. In den laatsten tijd gebruiken de inlanders ook Bladzijde 40Europeesche trommels en signaalhorens in den oorlog.

Al de bewegingen der eerste danseres, een heel knap meisje, wier hoofd met edelgesteenten en paarlen versierd was, werden door de andere dansers en danseressen nauwkeurig nagebootst. In het begin werd de “Siva” tamelijk kalm uitgevoerd, doch spoedig kwam er meer leven onder de dansers; zij werden vuriger en voerden verscheidene grappige voorstellingen uit, waarin b.v. het gevecht met een slang, een onthoofding, de duivel, of de een of andere denkbeeldige persoonlijkheid de hoofdrol speelden. Het geheel bood een zeer eigenaardigen en verrassenden aanblik.

Onmiddellijk na het ophouden van den dans namen wij afscheid van het vriendelijke opperhoofd en diens gasten, en reden onder een heerlijken maneschijn naar Mulifanua terug. Ik was zeer tevreden over dit bezoek, dat mij voor het eerst in de gelegenheid stelde een blik te slaan op het huiselijk leven en de zeden en gewoonten der inboorlingen.

“Waart u niet verbaasd over den grappigen smaak der Samoaansche dames, om een varkentje als schoothondje te gebruiken?” vroeg Petersen mij, toen wij het dorp verlaten hadden.

“Nu, ik vond, dat die beestjes er heel zindelijk uitzagen; zij hadden ten minste geen vlooien, zooals Bladzijde 41zoo menig lievelingshondje der Europeesche dames,” antwoordde ik. “En buitendien: ‘Chacun son gout’.”

Derde Hoofdstuk.

Koning Tamasese.

Weinig dagen na ons bezoek bij het opperhoofd kwam een kotter van onze maatschappij binnen, om een gedeelte van den oogst van onze plantage naar de groote magazijnen in Matafele, het westelijk deel van Apia, te brengen. Nu had ik het erg druk met het opmaken der cognossementen voor den kotter, waarin de verschillende producten, nauwkeurig naar gewicht of aantal, moesten worden opgegeven. Het nam verscheiden dagen in beslag, tot de oogst op karren, door buffels getrokken, van de plantages naar de haven vervoerd was, vanwaar hij, door groote platte booten aan boord van den kotter moest gebracht worden, daar deze, wegens de talrijke koraalriffen en ondiepten, slechts op eenigen afstand van het strand het anker kon uitwerpen.

Toen de kotter geladen was, ging ik zelf aan boord, Bladzijde 42om, volgens opdracht van mijnheer Krüger naar Apia te varen en den directeur Beckmann een uitvoerig verslag van mijn chef over de werkzaamheden op de plantage in de afgeloopen maand te brengen, alsmede de noodige gelden ter uitbetaling der loonen en salarissen in ontvangst te nemen. De kotter, een aardig vaartuig van nog geen twee honderd ton (een ton is 2000 kg.), had op dek een kleine kampanje, (een soort van hut) waarin zich twee kajuiten (kleine slaapkamers) benevens de roef, of eetzaal bevonden, terwijl de kajuit van den kapitein benedendeks in den spiegel lag. Daar ik ’s avonds aan boord was gegaan, omdat het schip bij den eersten vloed den volgenden morgen zee zou kiezen, werd mij een der kajuiten aangewezen, terwijl de andere voor den stuurman bestemd was; de stuurman en de kapitein waren landgenooten van mij. De bemanning van den kotter, acht matrozen sterk, bestond uit Tonga-eilanders, die uitmuntende zeelui moesten zijn, volgens zeggen van den stuurman. Toen ik den volgenden morgen uit de kampanje trad, waren wij reeds een goede zeemijl van de kust verwijderd, en zetten, onder een zwakke bries, koers naar het Oosten.

Na een kleine drie uur, kregen wij de punt van de landengte Mulina in het gezicht, maar wij moesten door de Bladzijde 43buitengewoon sterke branding, niet te dicht bij de kust komen, zoodat wij eerst tegen tien uur voormiddags in de haven van Apia konden binnenloopen en vlak tegenover Matafele het anker lieten vallen. In gezelschap van den kapitein, reed ik toen in diens sjees naar land en begaf ik mij naar het hoofdkantoor der firma, om mijn papieren af te geven. De heeren begroetten mij zeer hartelijk en noodigden mij uit aan hun lunch (tweede onbijt) deel te nemen, waarvoor het juist tijd was. Hierop liet de patroon mij door zijn boot naar Apia roeien, om mij den vrij langen weg langs de haven te besparen.

Directeur Beckmann ontving mij zeer vriendelijk en voegde mij eenige complimentjes toe over mijn werkzaamheden, nadat hij den brief van mijnheer Krüger had gelezen, die zich zeer gunstig over mij scheen te hebben uitgelaten.

“Kom vanavond bij ons soupeeren, beste Arendt,” zeide hij ten slotte; “ik zal tegen dien tijd voor uw chef mijn papieren gereed maken, die gij morgen naar Mulifanua kunt meenemen. Als gij vertrekt, kunt gij mijn boot gebruiken, die gemakkelijk morgenavond hier weer terug kan zijn.”

In het Hotel International nam ik mijn vroegere kamer en rustte eenige uren gedurende het heetste Bladzijde 44gedeelte van den dag, waarna ik mij weer naar Matafele begaf, om de noodige gelden van den heer Krüger te ontvangen. Bij mijn terugkomst in het hotel gaf ik het geld aan den eigenaar in bewaring, en toen was het tijd aan de uitnoodiging van den directeur gevolg te geven.

Den volgenden morgen voer ik bij tijds in de boot, die de directeur ter mijner beschikking gesteld had, maar Mulifanua terug.

Ongeveer een week later, verscheen op het onverwachtst voor ons woonhuis een afdeeling van ongeveer veertig inlanders, aan wier hoofd een flink gebouwd man liep. Wij zaten juist op de veranda aan den voorkant thee te drinken, om daarna naar de plantage te gaan.

“Daar komt waarachtig Tamasese, de hoofdman der oproerlingen!” riep mijnheer Krüger uit, terwijl hij opsprong. “Wat zou die nu van mij willen hebben? Ga mee en laten wij hem en zijn lieden begroeten; hij is met de Duitschers bevriend.”

Wij volgden onzen chef naar het voorplein, waar Tamasese juist van het paard gestegen was en op het punt stond, de treden van het bordes op te gaan.

De tegenkoning van koning Malietoa, Laupopa, die op het schiereiland Mulina zijn verblijf houdt, was een Bladzijde 45knappe man, van zeker zes voet lengte. Hij kon dertig jaar zijn en droeg een soort van kiel van een lichte, witte stof en den lava-lava van gekleurde zijde; in de linkerhand hield hij een zeer mooi geweer en om het hoofd had hij een witten doek gewonden, het teeken van de partij, waartoe hij behoorde. Hij gaf den heer Krüger, met wien hij persoonlijk bekend was, de hand en begroette hem met het gebruikelijke: “Talofa!” Evenzoo deed hij jegens Petersen en mij, waarna mijnheer Krüger hem naar de veranda leidde en hem een plaats aan onze tafel aanbood.

De soldaten, die zijn geleide uitmaakten, waren grootendeels flinke, knappe mannen, allen met buksen van een nieuwe constructie gewapend; om de heupen hadden zij een gordel gegespt, gevuld met patronen. Het bovenlichaam was omwonden met kransen van bladeren, om het hoofd droegen zij een witten doek, en om de lendenen den lava-lava van gekleurd katoen. Op een wenk van Tamasese begaven zich nog drie der inlanders op de veranda en kwamen bij ons zitten; zooals mijnheer Krüger mij toefluisterde, waren dit aanzienlijke hoofden der opstandelingen.

Petersen was intusschen in het huis verdwenen; na een poos kwam hij weer terug, gevolgd door twee bedienden, die een groote partij Bladzijde 46flesschen bier van de Pschorr-brouwerij op de tafel plaatsten, terwijl hijzelf het opperhoofd en den anderen hoofden een kistje sigaren aanbood. Voor de soldaten, die op het voorplein in de schaduw der bananen een plaatsje gevonden hadden, waren verscheiden flesschen whiskey bestemd, die hun door Petersen zelf gebracht werden. Toen mijn chef uit zijn, met schuimend bier gevulden beker, Tamasese een dronk wijdde, hief ook deze vriendelijk lachend den zijnen op, zeggende: “manga!” wat zeker zooveel als ons “prosit” moest beteekenen, en ledigde hem toen in één teug. Den koning scheen onze vaderlandsche drank goed te smaken, want met korte tusschenpoozen herhaalde hij dezelfde plechtigheid met Petersen en mij.

Het lekkere bier maakte Tamasese langzamerhand wat spraakzamer, en spoedig verklaarde hij ons vrij openhartig, dat hij en zijn partij van jongsaf oprechte vriendschap voor de Duitschers gekoesterd hadden, en noch met Engeland, noch met de Vereenigde-Staten van Amerika iets te doen wilden hebben.

Duitschland was steeds bevriend geweest met zijn familie, en op den Duitschen keizer had hij nu al zijn hoop gevestigd om de zaken op Samoa weer geheel in orde te brengen. Daarom verzocht hij den heer Krüger, dien hij reeds sedert een paar jaar kende, Bladzijde 47en die volkomen op de hoogte was van den toestand op Upolu, het daarheen te leiden, dat door bemiddeling der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij, het eindelijk eens rustig en ordelijk mocht worden, op Samoa en dit in het vervolg alleen aan Duitschland zou toebehooren.

Mijnheer Krüger beantwoordde dit verzoek van den chef der opstandelingen zeer voorzichtig en diplomatisch, ten einde zich, zoo mogelijk, niet door een vaste belofte te verbinden, doch beloofde bij de eerste gelegenheid met den directeur Beckmann op deze zaak terug te komen.

Op dit oogenblik sprongen de soldaten van hun zitplaats op, en onder luid geschreeuw wezen zij op de naaste kust, die men van uit onze woning een geheel eind ver kon overzien. Wij zagen verscheiden booten van Apia vlug naderbij komen, die voor zoover wij zien konden, goed bemand waren. Mochten het oorlogsbooten der Malietoa-partij zijn, dan kon de zaak tamelijk onaangenaam worden; want zeer waarschijnlijk zouden de soldaten van Tamasese, reeds door het ongewone gebruik van de whiskey in een opgewonden stemming, er toe komen, om van ons grondgebied uit op de fel gehate vijanden te schieten, hetgeen dan door dezen met gelijke munt betaald zou Bladzijde 48worden; zij zouden daartoe aan land moeten komen en de eerste strijd op onzen grond zou ontbrand zijn, ondanks de striktste onzijdigheid, die aan alle bezittingen der Handel- en Plantage-Maatschappij, verzekerd was.

Het bleek echter spoedig, dat de booten slechts vriendschappelijke bedoelingen hadden, want zij voeren verder in de richting naar Savii zonder in Mulifanua te landen. Toen de avond viel, nam de jonge, slimme koning der opstandelingen afscheid en keerde met zijn gevolg naar zijn vaste legerplaats terug, die, naar mijnheer Krüger mij zeide, op een afstand van ongeveer vier uur, tusschen de bergen was opgeslagen.

Na zijn vertrek, zeide ik tot de beide heeren: “Die soldaten-inlanders maken inderdaad een zeer aangenamen indruk en zijn zeker geen tegenstanders, die men niet behoeft te ontzien, daar zij met de nieuwste geweren gewapend zijn.”

“Zij zijn in werkelijkheid minder gevaarlijk dan men denken zou, beste Arendt,” antwoordde mijnheer Krüger. “De twee partijen, de aanhangers van Malietoa, die door de drie regeeringen als rechtmatig koning erkend is, zoowel als de opstandelingen, doen elkander inderdaad niet veel kwaad; hun oorlogvoeren bepaalt zich meestal tot het omhakken van de kokospalmen en Bladzijde 49broodvruchtboomen der vijanden en de vernieling van hun suikerriet en andere vruchtdragende velden; en maar heel zelden komt het tot een ernstigen, bloedigen strijd, ondanks den bitteren haat, dien zij elkander toedragen. Door dergelijke verwoestingen verkeeren de twee partijen, t.w. de opstandelingen, dikwijls in grooten nood en lijden zij zelfs gebrek aan levensmiddelen.”

Dan komen zij op de plantages van onze Maatschappij en nemen weg, wat hun aanstaat, hetgeen reeds tot tamelijk ernstige oneenigheden aanleiding heeft gegeven. Daar de bij Samoa liggende oorlogsschepen den last hebben, niet veel meer te doen dan een oog in het zeil te houden, en slechts nu en dan een teeken van leven te geven, om zoo mogelijk dergelijke rooverijen te beletten, dus alleen tusschenbeide te komen, wanneer het leven en het eigendom der Europeanen gevaar loopen, hebben de opstandelingen begrepen, dat zij van de oorlogsschepen niets te vreezen zouden hebben, zoolang zij den Europeanen geen lichamelijk leed toebrachten. Nog maar kort geleden hebben zij hun dwaling ingezien.

Zooals gij misschien reeds vernomen zult hebben, is Upolu in drie districten verdeeld: Tuamasanga, het middelste, waarin ook Apia ligt en de kazerne van Malietoa staat,—Aana, dat bewoond wordt door de Bladzijde 50aanhangers van Tamasese, en Atua, het oostelijkst district, dat ook aan de opstandelingen behoort. In deze districten was het nu tot zulke ergerlijke plunderingen en verwoestingen van eenige Amerikaansche en Engelsche koloniën gekomen, dat de Engelsche kruiser “Curagao” en het Duitsche oorlogsschip “Buffard” zich genoodzaakt hadden gezien, tusschenbeide te komen; het kamp der Atua-opstandelingen werd beschoten en vernield, en toen de rebellen een goed heenkomen gezocht hadden in Salua-fata, moesten zij hun wapenen afgeven en zich aan koning Malietoa onderwerpen. Men is nu algemeen van oordeel, dat de oorlogsschepen, eveneens zullen handelen tegenover de opstandelingen in ons district, en hetzelfde van Tamasese verlangen zullen. Het is mijn innige overtuiging, dat dit sluwe opperhoofd der rebellen reeds op de hoogte was van het voorgevallene in het district Atua, en mij alleen een bezoek heeft gebracht, om zijn bijzondere vriendschap voor Duitschland en onze Maatschappij te kennen te geven; want hij stelt zich veel voor van onze hulp, bij een eventuëele keus tusschen hem en Malietoa.”

“Bent u al eens in het vaste kamp van Tamasese geweest, mijnheer Krüger?” vroeg ik.

“Neen, maar Hendrik heeft eenige maanden geleden Bladzijde 51een uitnoodiging van het hoofd der opstandelingen aangenomen, en kan u er alles van vertellen.”

“Dit zoogenaamd vaste kamp ligt hier ongeveer vier uren vandaan bij het dorp Falelatei,” zeide Petersen, “en het geleek wel kinderspeelgoed. Het is omringd door muren en heggen en beslaat ongeveer een oppervlakte van drie kilometer in het vierkant; ook is het voorzien van eenige wachttorens, ruw opgetrokken uit boomstammen, maar op die torens kon ik geen enkelen wachter ontdekken; het uitkijken was den braven soldaten zeker gaan vervelen. Het binnenste gedeelte van het kamp was met tallooze hutten bedekt, die van palmbladeren gemaakt waren en er echt armoedig uitzagen. Hier en daar zag ik eenige, ongeveer twee meter hooge verschansingen, die niet met elkander in gemeenschap stonden, zonder eenig bepaald plan aangebracht waren en als verdedigingswerk niet de minste waarde hadden. Tegenover dit kamp der rebellen, lag op zulk een geringen afstand, dat men het met het bloote oog duidelijk kon overzien, het kamp der regeeringstroepen, dat op dezelfde wijze scheen te zijn ingericht. Zooals ik zeg, het geheel maakte een kinderachtigen indruk op mij,” besloot Petersen.

“Nu, somtijds kan zulk kinderachtig soldaatje spelen Bladzijde 52wel eens vrij ernstig worden,” zei mijnheer Krüger. “Ik herinner mij nog zeer goed het gevecht bij Fangalü, in het district Atua, waarin den 18en December 1888, alleen van de manschappen van onzen ‘Adler’ vijftien mariniers sneuvelden en acht en dertig man gewond werden. Maar nu zullen wij ter ruste gaan, mijneheeren, het is reeds laat geworden.”

Ongeveer een week na het bezoek van Tamasese, zaten wij op de veranda ’s avonds aan het souper, toen de oudste opzichter onzer plantage, plotseling in vollen draf op het voorplein kwam aanrijden, van het paard sprong en den heer Krüger haastig toeriep, dat de plantage Faletata, die aan de Duitsche firma Frings behoorde, door een troep oproerlingen geplunderd werd. De daar wonende bestuurder, een geboren Mecklenburger, dien wij persoonlijk kenden, had hem een zijner zoons gezonden en om hulp gevraagd, maar onze opzichter wilde niet zonder toestemming van den heer Krüger handelen.

“Het spreekt van zelf, dat wij onzen buurman helpen.” riep mijnheer Krüger uit. “Jij, Hendrik,” vervolgde hij zich tot zijn neef wendend, “en gij, beste Arendt, moeten dadelijk met Mertens (zoo heette de opzichter) naar de plantage gaan, waar gij dan zooveel werklieden meeneemt, als gij noodig oordeelt, om onzen vriend Bladzijde 53Hüsmann, wiens plantage maar een klein uur van de onze ligt, te hulp te komen. Ik zelf kan u niet vergezellen, daar ik, zooals gij weet, sedert eenige dagen aan hevigen buikloop lijd. Laat vlug de paarden zadelen, neemt geweren en revolvers, en dan er van door, zoo snel de paarden maar loopen kunnen!”

Na een kleine tien minuten zaten wij in den zadel en galoppeerden over den goed onderhouden weg, naar onze plantage, die wij na een groot kwartier bereikten. Op het plein voor het woonhuis van den opzichter, vonden wij dezen, alsook het grootste gedeelte der werklieden bijeen; zij luisterden opgewonden naar het verhaal van een jongen Blanke, die misschien vijftien jaar oud kon zijn en, zooals Mertens mij zeide, de zoon van den directeur Hüsmann was.

Petersen, die het bevel voeren zou over de kleine expeditie, koos vlug een dozijn van de mannen uit Tonga uit, die zich dadelijk wapenen moesten met hun speren en de lange messen, die zij bij den oogst van het suikerriet gewoonlijk gebruikten; Mertens en nog twee van de blanke opzichters namen hun buksen en pistolen ter hand, voorzagen zich van kogels en kruit, en toen zette de kleine stoet zich onder aanvoering van den jongen Hüsmann in beweging. Wij lieten onze paarden in de factorij achter, daar de Bladzijde 54jongen verklaard had, dat hij ons door het oerwoud over een bergrug leiden en ons zoo binnen het kwartier naar de plantage van zijn vader brengen zou.

De maan was intusschen ondergegaan, maar de heerlijke sterren aan den tropischen hemel verspreidden voldoend licht, om op het smalle pad, over den heuvel, onzen weg te kunnen vinden. Toen wij aan den voet van de berghelling gekomen waren, bracht de jonge Hüsmann ons langs den rand van een dichte katoenplantage, naar het voorplein van zijn vaders woning, die wij dadelijk binnentraden, nadat de knaap eerst het afgesproken teeken gegeven had.

De Mecklenburger, een flink gebouwd man, ontving ons in het ruime portaal met een vroolijken welkomstgroet. “God zij gedankt, mijn beste Petersen,” zeide hij tot dezen, met wien hij persoonlijk bekend was, terwijl hij hem hartelijk de hand schudde, “gij komt juist van pas met uw mannen; de vervloekte rekels zijn nu wel vertrokken, nadat ik ze uit de ramen aan den achterkant flink beschoten heb, maar ze hebben zich zeker allen tusschen het suikerriet en de katoenstruiken verstopt, en willen ons doen gelooven, dat zij weg zijn. Maar ga, als je belieft, eens mee naar de kamers, die op den tuin uitzien; daar staan mijn vrouw met de twee oudste jongens en een paar opzichters op den uitkijk.” Bladzijde 55

Nadat Petersen mij met een paar woorden aan den directeur der factorij had geïntroduceerd, gaf deze mij de hand en bracht ons daarop in een vrij groote kamer met twee ramen, waarvoor wij Mevrouw Hüsmann met haar tweeden zoon Karel en twee blanke opzichters zagen staan, allen met geweren gewapend en door de open vensters oplettend uitkijkend in den tuin en de daarachter gelegen suikerriet- en katoenstruiken. De oudste zoon, Nicolaas, was, zooals Hüsmann ons zeide, met de twee andere opzichters in de kamer, die aan den anderen kant van het portaal lag.

Nadat ik de deftige dame, die mij den indruk gaf, zeer energiek te zijn, begroet had, begaf ik mij met Petersen naar het raam, om het voorplein te verkennen. Ik zag, dat er aan beide zijden van het woonhuis een lage, lange houten loods stond; dat waren de voorraadschuren, zooals Hüsmann mij nader uitlegde.

“Hebt u deze geheel zonder verdedigers gelaten, waarde Heer?” vroeg ik verwonderd.

“O, neen,” luidde het antwoord. “In iedere loods zijn tien mijner werklieden.”

“Maar dezen hebben alleen hun speren en messen, om zich tegen de met geweren gewapende Samoaners te kunnen verweren,” antwoordde ik, “daarmee zullen zij niet veel uitvoeren.” Bladzijde 56

“Collega Arendt heeft groot gelijk,” zei Petersen. “De kerels, ik bedoel de rebellen, zullen bepaald trachten u de kokosnoten en andere eetwaren, die in de voorraadschuren liggen, afhandig te maken; want zij hebben stellig weer groot gebrek aan levensmiddelen, zooals zoo dikwijls bij hen het geval is. Het verbaast mij nog, dat zij uw kokospalmen niet omgehakt hebben.”

“Daar passen zij wel op,” gaf de directeur ten antwoord, “want dat doen zij alleen in den uitersten nood, omdat zij streng gestraft worden, wanneer men hen op diefstal van Duitsch eigendom op heeterdaad betrapt. Het plunderen van magazijnen schijnen zij niet zoo strafbaar te vinden.”

“Toch stel ik u voor,” zeide ik, “dat mijn collega Petersen en ik de loodsen met onze lieden bezetten, om uw oogst te redden, mijnheer Hüsmann. Wij zullen de inlanders met onze geweren wel op een afstand houden.”

“Gij hebt waarlijk gelijk, vriend Arendt,” riep Petersen uit. “Ik zie, dat gij bij de zes en zeventigen in Hamburg uw dienstjaar goed gebruikt hebt. Ik moest mij eigenlijk schamen, dat ik, als oudvaandrig, zelf niet op dit denkbeeld gekomen ben.”

“Troost u maar, beste Hendrik,” gaf ik lachend ten Bladzijde 57antwoord. “Ik heb niet alleen mijn jaar uitgediend, maar ook mijn examen gedaan als reserve-officier en ben zelfs bijna twee jaar reserve-luitenant geweest, voor ik hier kwam.”

“A la bonne heure!” zeide Petersen, mij op militaire wijze groetend. “Geef, als het u belieft, uw verdere orders, luitenant!”

“Kom, kom, geen gekheid, Hendrik,” antwoordde ik. “Je bent al verscheiden jaren hier en kent het land en de menschen beter dan ik. Je moet de aanvoerder van onze kleine expeditie blijven. Ik had toch al gedacht, dat het beter was, de noodige maatregelen ter verdediging te nemen, dan hier onzen tijd te verspillen. De Samoaners kunnen zoo dadelijk hier zijn!”

“Mijnheer Arendt heeft het bij het rechte eind;” zeide de directeur. “Zoodra de sterren verbleeken of de hemel met wolken bedekt wordt, zijn de schelmen ons op de hielen.”

Op dit oogenblik verscheen Mevrouw Hüsmann met een groot presenteerblad, waarop een flesch cognac en verscheiden likeurglaasjes stonden, en zij verzocht ons vriendelijk een hartsterking te nemen, vóór wij tot het bezetten der voorraadschuren overgingen. Ik zou de verdediging op mij nemen van de linkerloods terwijl Petersen de andere voor zijn rekening nam; Bladzijde 58de directeur bleef als een soort reserve in het huis, dat door zijn eigen volk, opzichters en werklieden, verdedigd werd. Petersen had twee van onze opzichters, den oudsten zoon, benevens zes mannen uit Tonga ter zijner beschikking, terwijl ik met Kertens onzen eersten opzichter, de overige zes mannen uit Tonga en den jeugdigen Frans, de mij toegewezen voorraadschuur bezette. Deze had slechts enkele kleine openingen in de muren, die uit dunne aan elkander gevoegde planken bestonden; deze openingen konden uitstekend als schietgaten dienen, en, daar zij aan den voorkant ontbraken, liet ik de mannen uit Tonga met hun groote messen, binnen enkele minuten, nog drie zulke gaten aan die zijde maken. Intusschen waren er wolken komen opzetten, zoodat ik op eenigen afstand van de loods bijna niets meer kon onderscheiden, en, om nu niet door de inboorlingen, die zeker van deze duisternis voor een overrompeling gebruik zouden maken, verrast te worden, was het meer dan noodig, bij tijds van hun komst onderricht te zijn. Ik riep derhalve den jongen Frans, die een flinke, opgewekte knaap scheen te zijn, bij mij, en vroeg hem, of hij vlug door den tuin tot het eerste suikerrietveld durfde sluipen, waar hij zeker duidelijk zou kunnen hooren, wanneer de Samoaners de helling afdaalden om het gehucht te overvallen. Bladzijde 59

“Ja, zeker, Mijnheer!” riep de jongen vroolijk uit. “Dat is maar een kleinigheid, waar niet veel moed toe noodig is. Maar ik zal mijn geweer hier laten, want het kon eens onverwachts afgaan, terwijl ik op handen en voeten naar het suikerriet kruip.”

“Nu, ik wist wel, dat je het aardig zoudt vinden, mijn jongen,” zeide ik goedkeurend tot Frans; ik deed de groote deur aan de lengtezijde van de loods voor hem open, en beloofde, dat ik hem daar weer terug zou wachten.

In gespannen verwachting had ik zeker wel een goed uur daar gestaan, zonder dat Mertens, die bij mij was, en ik nog het minste geruisch vernomen hadden, dat het naderen van menschen deed vermoeden. Juist had de opzichter tot mij gezegd: “Ik geloof niet, dat de kerels vannacht komen zullen; zij hebben zeker op de een of andere manier lont geroken,” toen plotseling, vlak voor ons een donkere gedaante van den grond opdook, die ons zacht toefluisterde: “Zij komen, mijnheer Arendt! Een heele hoop, hoor!”

Vlug trokken wij den dapperen jongen, want het was inderdaad Frans, de deur in, sloten en grendelden deze, en gingen op onzen post bij de schietgaten, waarna Frans ons vertelde, dat hij geruimen tijd aan den kant van het suikerrietveld op den grond had gelegen Bladzijde 60en oplettend geluisterd had, zonder eenig verdacht geruisch te vernemen. Eindelijk had hij duidelijk gehoord, dat iemand op de helling, op een dorren tak trapte; toen was hij overeind gekomen en had uit het aanhoudend geruisch opgemaakt, dat er een groot aantal menschen naar beneden kwamen; ook had hij enkele uitroepen gehoord, waarna hij zeker van zijn zaak geworden was en zich snel uit de voeten had gemaakt.

Het duurde nauwelijks een kwartier, toen wij reeds in de flauwe schemering, die slechts hier en daar door het licht eener ster tusschen de wolken verhelderd werd, een groot aantal donkere gedaanten konden onderscheiden, die voorzichtig, zonder het minste geruisch, door den tuin de groote deur van onze loods naderden. Zij konden nog nauwelijks tien stappen verwijderd zijn, toen Mertens en ik op de voorsten een schot losten. Bijna gelijktijdig vielen ook uit de loodsen, door Petersen bezet, schoten, waarop onmiddellijk een luid gehuil volgde; dit hield slechts kort aan; toen werd alles stil.

Klaarblijkelijk hadden de inlanders, in den eersten schrik over deze zeker niet verwachte ontvangst, zich zoo snel mogelijk door den tuin tot aan den rand van het suikerrietveld teruggetrokken. Bladzijde 61

“Wij zullen de kerels wel weer gauw weerom hebben, Mijnheer Arendt, zeide Mertens,” die sedert verscheiden jaren in Samoa woonde en den aard der inlanders goed kende. “Zij zijn woedend, dat wij op hun komst voorbereid waren, maar nog meer verbitterd over het verlies der hunnen, wier dood of zware verwonding zij ongetwijfeld zullen wreken.” Het bleek, dat Mertens goed had gezien. Kort daarop riep Frans Hüsmann, die bij een der schietgaten aan den voorgevel post had gevat, ons toe: “Zij komen dezen kant uit, een heele menigte!”

Vlug sprong ik er heen, en zag inderdaad een troep donkere gedaanten ijlings naderkomen. Zonder aarzelen schoot ik mijn geweer met dubbelen loop af, en bemerkte bij het flikkeren der schoten, dat de voorsten groote takkenbossen droegen, dus waarschijnlijk van plan waren de loodsen in brand te steken.

Ik was niet weinig verschrikt bij de gedachte, hoe de muren, die uit dunne, door de zon uitgedroogde planken bestonden, als tondel moesten branden, doch spoedig wist ik, wat mij te doen stond; ik riep mijn Tonga-mannen, rukte de deur open en vloog naar den voorgevel, aan Mertens en den jeugdigen Frans, de bewaking voor de deur overlatend.

Wij kwamen geen oogenblik te vroeg op de bedreigde Bladzijde 62plaats. Wel een dozijn inlanders hadden reeds een heelen hoop takken beneden aan den gevel neergeworpen en stonden op het punt dien in brand te steken, toen ik aan den hoek der loods verscheen, en onmiddellijk de zes kogels van mijn revolver op den verrasten vijand afschoot, terwijl mijn Tonga’s met vreeselijk krijgsgeschreeuw op de gehate Samoaners toesprongen en hen met hun lange messen te lijf vielen.

In den eersten schrik weken de aanvallers terug, maar spoedig drongen zij, met wel dertig landgenooten versterkt, woedend op ons in, zoodat wij na weinig minuten tot aan den muur moesten terugwijken. Daar ik geen tijd had, mijn revolver opnieuw te laden, moest ik met mijn hartsvanger de messtooten afweren, die op mij gemunt waren, en reeds had ik verscheiden steken in den rechterbovenarm ontvangen, toen de zaak een andere wending nam.

Van de rechterschuur, die in het geheel niet was aangevallen, kwam Petersen met de twee opzichters, Nicolaas Hüsmann en zijn zes Tonga’s haastig aanloopen, en overviel de Samoaners met revolverschoten en kolfslagen, terwijl bijna gelijktijdig Hüsmann met zijn zoon Karel en twee zijner bedienden uit het woonhuis kwam, om mij en den mijnen te hulp te komen. Wij tastten de inlanders nu van twee zijden Bladzijde 63aan en joegen ze, na een korten tegenstand, door den tuin tot aan den zoom van het bosch, aan den voet der berghelling, terug. Petersen zette de vluchtelingen nog een eind weegs met de Tonga’s na, die zich als razenden midden onder de Samoaners wierpen en hen met hun messen aanvielen. Ik voelde hevige pijn in den rechterbovenarm en volgde den directeur Hüsmann daarom gaarne naar het woonhuis, terwijl zijn zoons met Mertens en de overige opzichters de ronde deden om de gebouwen en den tuin, ten einde zich te vergewissen, of geen inlanders zich daar verborgen hadden.

Mevrouw Hüsmann onderzocht mijn gewonden arm en bevond, dat ik een vrij diepen en breeden steek, benevens twee kleine verwondingen had bekomen; nadat zij de wonden had uitgewasschen,—waaruit duidelijk bleek, dat zij van dat soort van dingen veel verstand had,—bestreek zij ze met een koele, heilzame zalf en deed een linnen zwachtel om den bovenarm.

Toen Petersen en de overige Europeanen terugkwamen, vertelden zij wel een dozijn dooden, maar geen enkelen zwaar gewonde gevonden te hebben; ook hadden zij opgemerkt, dat niemand der inlanders, den witten doek, het herkenningsteeken der partij van de opstandelingen, om het hoofd gewonden had. Bladzijde 64

“O, dat is nog volstrekt geen bewijs, dat de kerels niet tot de aanhangers van Tamasese behoord hebben!” riep Hüsmann uit. “Een doek kan gemakkelijk afgedaan en na den gepleegden roof weer omgebonden worden. Ik ben er vast van overtuigd, dat het opstandelingen geweest zijn, die weer eens groot gebrek aan de noodigste levensmiddelen hebben, en zich bij mij van nieuwen voorraad hebben willen voorzien. Zonder uw flinke hulp, zouden de schelmen hierin zeker geslaagd zijn. Ik en de mijnen danken u hartelijk,” zeide de wakkere Mecklenburger, terwijl hij ons zóó krachtig de hand drukte, dat ik een kreet van pijn niet weerhouden kon, hetgeen hem een verwijt van zijn vrouw berokkende.

“Pardon, Mijnheer Arendt, ik was een oogenblik vergeten, dat u tot de gewonden behoort,” zeide hij zich verontschuldigend. “Hoe staat het overigens met onze lieden?” vroeg hij zijn oudsten zoon.

“Er is niemand dood,” antwoordde Nicolaas, “maar wij hebben allen schrammen en weinig beteekenende messteken opgeloopen, voornamelijk met de schermutseling bij den voorgevel.”

“Twee van onze Tonga’s zijn nog al erg toegetakeld geworden,” zeide Petersen, “de anderen zijn vrijgekomen met enkele steken in gelaat en armen. Ik heb Bladzijde 65ze in de loods gebracht, en mijnheer Mertens verzocht, hen morgen op een buffelkar naar de factorij te laten brengen.”

“Ik ga direct eens naar die stakkers kijken, anders bloeden zij misschien nog dood!” zeide Mevrouw Hüsmann. Nadat zij eerst van een laken een draagband gemaakt had, waarin ik mijn rechterarm moest leggen, ging de goede vrouw naar de loods, om de diepe wonden der beide Tonga’s te onderzoeken en te verbinden.

Bij haar terugkomst deelde zij ons mede, dat de gekwetsten weliswaar eenige diepe messteken in de borst gekregen hadden, maar dat zij toch na eenige uren rust vervoerd zouden kunnen worden.

Na ons met een kop sterke koffie verkwikt te hebben, begaven wij ons, onder geleide van Frans, weer op weg naar onze plantage, over de heuvelen en door het woud, daar de zon intusschen opgegaan was.

In de factorij bestegen Petersen en ik onze paarden, die wij daar gelaten hadden en kwamen een uur later weer in onze woning, waar mijnheer Krüger ons met ongeduld wachtte. Ik gevoelde mij zoo verzwakt door het bloedverlies, dat ik mij zeer spoedig naar mijn kamer begaf en naar bed ging, en het aan Petersen overliet, zijn neef een uitvoerig verslag te geven van alles, wat er dien dag was voorgevallen. Bladzijde 66

Vierde Hoofdstuk.

Op Savaii. De Taifun.

Twee weken na dezen nachtelijken strijd met de opstandelingen vroeg mijnheer Krüger mij, hem op een tocht naar Matautu, een haven aan de noordkust van Savaii, te vergezellen. In de nabijheid van Matautu lag een kleinere plantage Vaipuli, die ook het eigendom was der Duitsche Handel- en Plantage-Maatschappij en door een mijnheer Koning bestuurd werd. Mijn chef was echter met het oppertoezicht over deze ver verwijderde plantage belast, en moest meer dan eens in den loop van het jaar daarheen varen, om zich persoonlijk te overtuigen van den toenemenden bloei van elke cultuur. Op deze reis zou ik hem nu vergezellen en de boeken van den directeur nazien.

Daar de haven van Matautu meer dan dertig zeemijlen van Mulifanua verwijderd is, en de tocht in een open boot, dus vrij ongemakkelijk en ook niet zonder gevaar zou geweest zijn, te meer, omdat met den juist ingetreden West-moesson (Passaatwind) gewoonlijk zeer hevige winden waaien,—had mijnheer Bladzijde 67Krüger den directeur Beckmann een van onze kotters gevraagd, waarmee wij de terugreis zouden aanvaarden.

De wonden in mijn rechterbovenarm waren nu volkomen genezen, en ik kon hem weer goed gebruiken. Op den morgen na het binnenloopen van den kotter, ging mijnheer Krüger met mij en onze twee bedienden aan boord, waarop het kleine, aardige schip dadelijk het anker lichtte en ons uit den bocht van Mulifanua bracht.

Nadat wij het eilandje Manono gepasseerd waren, moest de kotter verder van de kust afhouden, daar er uit het Noordwesten een vrij stevige bries opstak; de hemel was overigens helder, zoodat ik de geheele noordkust van Savaii duidelijk voor mij zag. Kapitein Johannsen en mijnheer Krüger waren zoo vriendelijk mij op enkele zeer vooruitstekende punten en de belangrijkste dorpen opmerkzaam te maken; ook maakten zij mij eenigermate bekend met de plaatselijke gesteldheid van dit grootste eiland der geheele Samoagroep.

Savaii wordt van het Oosten naar het Westen door twee bergketenen doorsneden, die bij enkele toppen een hoogte van meer dan vijfduizend voet bereiken en zeer vulkanisch zijn; uitgestrekte lavavelden bedekken den grond en bemoeilijken den landbouw zeer; door het gemis van groote rivieren is de bodem ook niet zeer vruchtbaar. In het binnenste gedeelte Bladzijde 68van het eiland bevinden zich slechts hooge bergen en eenig hoogland met ondoordringbaar oerwoud bedekt; daarom is het bijna geheel onbewoond; alleen aan de kusten liggen vrij talrijke dorpen, voornamelijk aan de noordoost- en de zuidwest-kust. Langs de eerste strekt zich, ongeveer een zeemijl lang, een koraalrif uit, waarin zich slechts enkele openingen bevinden, die echter zoo weinig breedte hebben, dat alleen booten er door heen kunnen varen; de eenige haven aan de noordkust, die voor groote vaartuigen geschikt is, is de baai van Matautu, het doel van onzen tocht. Een indrukwekkenden aanblik geeft het scherp getande voorgebergte Tuasivi, de oostelijke punt van het eiland, dat meer dan duizend voet hoog is; aan zijn voet ligt het dorp Tofua, een station van het Engelsche zendelinggenootschap; het kerkje kan men op zee reeds van verre zien. Onder de talrijke, daaropvolgende dorpen langs de oostkust is Safotulafai wel het belangrijkste, omdat daar de residentie der opperhoofden gevestigd is, aan wie de bewoners van de geheele landstreek gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Tegen den middag kregen wij de landtong bij Matauta in het gezicht, waarop een hooge vlaggestok stond met de Duitsche vlag. Mijnheer Krüger vertelde mij, dat deze vlaggestok toebehoorde aan de woning Bladzijde 69van den directeur Koning, die zich dit bekoorlijk plekje tot woonplaats had gekozen.

De ingang tot de haven van Matauta was breed genoeg voor grootere schepen, maar, naar ons de kapitein meedeelde, was deze bij hevige stormen uit het Noordwesten, volstrekt niet veilig, daar de inham aan de westzijde geheel open lag, terwijl deze aan den oost kant, beschut werd door de landtong, die ver in zee uitstak.

Daar kapitein Johannsen de aankomst van den kotter reeds van uit de zee, door drie schoten uit de twee kleine kanonnen had aangekondigd, die aan weerszijden van de kampanje op het achterdek geplaatst waren, werden wij dadelijk na de landing, door den heer Koning op het bolwerk ontvangen, en door een heerlijk schoon bosch van oranje-broodvruchtboomen, bananen en waaierpalmen naar het hooge gedeelte der landtong geleid. In een dergelijk boschje zagen wij een huis, dat op een villa geleek; de houten muren waren gewit, een zeldzaamheid op de eilanden, die mij nog niet opgevallen was. Op de veranda van dit fraaie gebouwtje, werden wij door een mooie, jonge vrouw, een inboorling van Samoa, met den gebruikelijken landsgroet, “Tafola” begroet, terwijl twee naast haar staande kinderen, een meisje van ongeveer acht Bladzijde 70en een jongen van zes jaar, ons de hand gaven met de Duitsche woorden “Grüsz Gott!” Het waren de vrouw van mijnheer Koning, mevrouw Selina en hun kinderen Maria en Jan, allen bepaald allerliefste verschijningen, vooral het kleine meisje, dat er als een fee uitzag. Haar gelaatskleur was iets lichter dan die der inlanders en had veel overeenkomst met die der Spaansche vrouwen; van haar moeder had zij de prachtige, donkerbruine oogen met de lange, zwarte wimpers en het blauwzwarte haar geërfd, en zij had snoezig kleine handjes en voetjes. Het knaapje was ook een bekoorlijk ventje, dat heel vertrouwelijk met mij babbelde en mij, in vloeiend Duitsch, allerlei dingen vroeg. Moeder en kinderen waren op Europeesche wijze gekleed; natuurlijk bestond de stof uit dunne gekleurde zijde.

Kort daarna begaven wij ons achter het huis, naar de veranda, waar wij een heerlijk gezicht op de zee hadden en een rijk voorziene tafel ons met het lunch wachtte. Terwijl ik met de kinderen praatte, onderhield mijnheer Krüger zich met mevrouw Koning in het Samoaansch, daar laatstgenoemde zich maar zeer gebrekkig in onze moedertaal verstaanbaar kon maken. Ons lief Duitsch is, zooals men weet, voor vreemdelingen een zeer moeilijk te leeren taal.

Na het lunch deden wij een middagslaapje, en bestegen Bladzijde 71daarop de gereedstaande paarden om naar de plantage te rijden, die ongeveer drie kilometer ver lag.

De plantenwereld langs den geheelen weg tusschen de kust en den voet van het gebergte, vond ik nog oneindig weelderiger dan in Upolu; toen ik hierover mijn verwondering uitdrukte, antwoordde mijnheer Koning:

“De smalle, lage landstreek, langs de geheele noordkust bestaat tot op het kleinste deeltje uit vloedgrond; het overige, veel grooter gedeelte wordt door uitgestrekte lavavelden bedekt. Deze lava maakte juist het aanleggen van plantages zoo buitengewoon moeilijk, doch, waar zij verminderd, of van zelf verweerd is, geeft zij een bodem, zóó vruchtbaar, als men zich maar denken kan, waarop iedere cultuur verwonderlijk goed gedijt. U kunt u echter gemakkelijk voorstellen, mijnheer Arendt, hoeveel werkkrachten er vereischt worden om zulk een lavaveld geschikt te maken om bebouwd te worden.”

In de plantage Matuata gekomen, vond ik alles zoo, als de directeur mij gezegd had. Het grootste gedeelte van de vlakteuitgebreidheid was beplant met kokospalmen, die gemiddeld wel honderd twintig voet hoog waren en onder hun prachtige bladerkroon zeer veel noten droegen; de cacaoboom groeide hier eveneens uitstekend en bracht, zooals mijnheer Koning ons verzekerde, Bladzijde 72reeds een rijken oogst op, hoewel deze plantage slechts enkele jaren geleden, als proef ontgonnen was.

“Het doet mij genoegen zulks te hooren, waarde Koning,” zeide mijn chef; “bij ons, op Upolu hebben wij van onze cultuur met de cacaoboomen weinig pleizier gehad. Het schijnt, dat de grond hier op Savii gunstiger daarvoor is.”

“Ik zal u nu eens naar een kleine tabaksplantage brengen, mijnheer Krüger,” zeide Koning, toen wij het grootste gedeelte der plantage doorgewandeld hadden. “Verleden jaar lag er een schip uit Manilla in onze haven, voor anker; de kapitein wilde kopra en broodvruchten innemen en eenige averij herstellen; toen ik hem in onze plantage rondleidde, was hij van meening, dat op den ontgonnen lavabodem, de tabak ook wel goed gedijen zou. Hij gaf mij wat tabakszaad, dat hij aan boord had, met bestemming naar Nieuw-Zeeland, waar hij op de terugreis moest aanleggen. Ik heb er ongeveer een hectare mee bezaaid en dit jaar reeds een aardigen oogst aan tabaksbladeren gehad. Een mijner opzichters, een Maleier, heeft wel wat verstand van sigarenmaken, en heeft een honderd stuks voor mij gemaakt, die ik heel lekker vind. Als wij thuis zijn, kunt u ons fabrikaat wel eens probeeren, Heeren.” Bladzijde 73

Tegen zes uur verlieten wij de plantage en kwamen een half uur later in de villa, op de landtong van Matauta aan.

Na het middagmaal brachten wij nog eenige uren op de veranda door, vanwaar wij een heerlijk uitzicht hadden op het voor ons liggend landschap en op de zee, die nu door de maan verlicht werden.

Het hooge, met dicht oerwoud bedekte, gebergte vormde een heerlijk schoonen achtergrond. Later op den avond dansten de twee bekoorlijke kinderen ter onzer eer een “Siva,” die aan gratie en bevalligheid alles overtrof, wat ik nog ooit gezien had.

Nog twee dagen brachten wij bij de beminlijke familie Koning door. Terwijl ik de boeken inzag, die door mijnheer Koning zelf bijgehouden waren, maakte mijn chef in diens gezelschap, uitstapjes òf naar de plantage, of verder westelijk langs de kust, om plekken uit te zoeken, die geschikt gemaakt konden worden tot het aanleggen van nieuwe plantages.

Na een hartelijk afscheid van mijnheer Koning en de zijnen, gingen wij vroeg aan boord van onzen kotter, om de terugreis naar Mulifanua te aanvaarden.

Wij konden ons ongeveer vijf zeemijlen van Matauta verwijderd hebben en zaten juist in de roef ons tweede ontbijt te gebruiken, toen de stuurman, die de wacht Bladzijde 74op het dek had, binnenkwam en tot den kapitein zeide:

“Er komt een onweer opzetten, kapitein. De wind begint plotseling te schralen (tegen den boeg te waaien) en in het Zuidwesten is een donkere bank, die snel opkomt.”

Onmiddellijk sprongen wij op en begaven ons naar het dek. Inderdaad, de zeilen begonnen tegen de twee masten van den kotter te klapperen, een onmiskenbaar bewijs, dat de wind gedraaid was, terwijl de lucht in het Zuidwesten met zwarte wolken was bedekt, waarvan de randen een lichtgele tint hadden. Het was zoo donker geworden, dat wij zelfs de hooge bergen op Savaii niet meer konden zien.

“Een Taifun, een cykloon, o, hemel!” riep de kapitein eenigszins verschrikt uit. “Alle man op dek, stuurman!” commandeerde hij vervolgens. “Laat alle zeilen reven en vastbinden, maar vlug! De orkaan nadert met rassche schreden! Binnen weinig minuten zal hij hier zijn!”

Werkelijk zagen wij zeer spoedig, dat de zee zoo glad werd als een spiegel, alsof zij met groote kracht neergedrukt werd; de duisternis nam toe; het werd nacht om ons heen. Plotseling werden in Zuidwestelijke richting, hooge, schuimende golven zichtbaar, die snel naderden, en met zulk een geraas, alsof vele honderden Bladzijde 75paarden over de straatsteenen galoppeerden, en daar trof opeens de orkaan onzen kleinen kotter zoo geweldig, dat hij letterlijk heen en weer schudde en op bakboordzijde kwam te liggen, zoodat ik elk oogenblik geloofde, dat wij zouden kenteren, d.i. omslaan.

Gelukkig hadden onze wakkere Tonga-matrozen in dien korten tijd alle zeilen aan den hoofdmast en het groote zeil aan den bezaansmast vastgemaakt, terwijl de kapitein zelf het roer gegrepen had, waarmee hij het schip zoo ver omdraaide, dat het de breedtezijde niet meer aan den storm blootstelde, en weer overeind kwam. De kotter slingerde intusschen geweldig, zoodat mijnheer Krüger en ik genoodzaakt waren, ons uit alle macht aan den wand der kleine kampanje vast te klemmen, wilden wij niet over boord geworpen worden.

Toen de eerste stoot voorbij was, begon de zee zoo hoog te staan, dat de golven voortdurend over het hek (achterschip) zulk een massa water wierpen, dat het ons tot de borst reikte en wij ieder oogenblik vreesden, meegespoeld te zullen worden. Onze kleine kotter vloog als een meeuw, door den storm voortgedreven, over het water en was soms bijna geheel bedolven onder de geweldige watermassa’s, die over het achterschip heensloegen. Het vaartuig was niet hoog, Bladzijde 76maar bood dapper weerstand aan de woedende golven, omdat het ondanks zijn geringen omvang bijzonder stevig gebouwd was, en de boeg zich telkens veerkrachtig uit de golven ophief, wanneer ik reeds dacht, dat wij in de diepte zouden verdwijnen. Op eens hoorden wij een vreeselijk gekraak; wij dachten niet anders, of het was met ons gedaan. De kapitein, die dicht bij ons, met den stuurman samen, het roer vastgegrepen had, wees met den arm naar voren en riep ons toe, zoo hard hij kon: “De mast is gebroken!”

Toen wij in die richting keken, zagen wij inderdaad, dat de hoofdmast eenige meters boven het dek afgebroken was en met de raas overboord hing. De storm had waarschijnlijk een zeil losgerukt en door den geweldigen druk den mast doorgebroken.

Ondanks het groote gevaar, door de golven van het schip geslagen te worden, liet de wakkere kapitein het roer aan den stuurman alleen over, greep een bijl, die aan den zijwand der kampanje hing, en haastte zich, terwijl hij zich met een hand langs de verschansing voortwerkte, naar voren, waar hij door verscheiden Tonga’s geholpen, met inspanning van al zijn krachten de touwen, tusschen den hoofdmast en de verschansing begon stuk te hakken. Hoe gevaarlijk dit werk ook was, moest het toch noodzakelijk Bladzijde 77ten uitvoer gebracht worden, daar het gedeelte van den mast, dat over boord hing, licht een gat in den zijwand van het schip had kunnen stooten, en dan zouden wij reddeloos verloren geweest zijn. Na een goed kwartier, dat mij wel een eeuwigheid toescheen, kwam de kapitein op het achterdek en nam zijn plaats bij het roer weer in. De kotter slingerde nu zoo ontzettend, dat Krüger en ik ons nauwelijks meer konden vasthouden; maar, als de krachten ons begaven, zouden wij ongetwijfeld over boord geslagen worden; hiervan waren wij ons volkomen bewust, en daarom deden wij, wat wij konden, en klemden ons aan de deurstijlen vast, zonder die ook maar een seconde los te laten.

Wij konden in dien gevaarvollen toestand wel twee uren, die zeker nooit uit onze gedachte zullen gaan, doorgebracht hebben, toen de orkaan even snel bedaarde, als hij was opgekomen; alleen stond de zee geweldig hoog en voortdurend wierp zij geheele waterstroomen op het dek; het vreeselijke loeien van den storm had ten minste opgehouden.

De kapitein zond nu den stuurman naar voren met het bevel, al de matrozen op het achterdek te roepen, om te beproeven, aan den bezaansmast, die was blijven staan, een zoogenaamd stormzeil, een klein driehoekig zeil van zeer sterk linnen, op te hijschen. Na vele Bladzijde 78vergeefsche pogingen gelukte dit eindelijk, en de gevolgen bleven niet uit. De kotter slingerde niet meer zoo vreeselijk, en begon weer naar het roer te luisteren, zoodat hij rustiger in het water lag en zich ook vrij snel voortbewoog, daar de wind nog altijd krachtig genoeg was, hoewel niet zoo sterk meer als gedurende den orkaan.

De hemel was nog altijd met wolken bedekt en weldra viel een echt tropische regen in stroomen op ons neder. Nu de kotter minder hevig slingerde, waren wij niet meer genoodzaakt ons zoo krampachtig vast te klemmen, en dat was gelukkig, want onze krachten waren werkelijk uitgeput. Wij begaven ons naar onze kajuiten om, voor wij iets anders deden, droog ondergoed en droge kleeren aan te trekken, want wij waren tot op het hemd nat. Daarna kwamen wij in de roef bij elkander en versterkten ons met een paar glazen cognac, om onze levensgeesten, die door den doorgestanen angst en de groote vermoeienis zeer verzwakt waren, wat op te wekken. Juist hadden wij een sigaar opgestoken, toen de stuurman, doornat van den regen, bij ons binnentrad en den kapitein met een ernstig gelaat meedeelde, dat een der matrozen hem was komen zeggen, dat er in het voorste gedeelte van het schip, onder het benedendek, Bladzijde 79zeker een lek moest zijn, daar hij duidelijk het ruischen van water in het ruim had vernomen,

Onmiddellijk haastte kapitein Johannsen zich daarheen, om zich van den toestand te vergewissen. Na een half uur keerde hij terug met de tijding, dat de kotter inderdaad een lek bekomen had, en dat het geheele ruim reeds vol water stond. Waarschijnlijk was de legger of steekbalk van den hoofdmast beneden in den kolsem (dwarse, dikke kielbalk) door het breken van den mast, los gaan staan, waardoor eenige planken aan bakboordzijde van elkander geweken waren.

“Ik zal trachten,” zeide de kapitein, “het schip door uitpompen zoolang vlot te houden, tot wij op een der eilandjes kunnen landen, die hier in de buurt moeten liggen. Tot mijn spijt kan ik volstrekt niet bepalen, waar wij ons op het oogenblik bevinden, want met deze duisternis ben ik niet in staat de vereischte berekeningen dienaangaande te maken. Voor zoover ik echter kan nagaan, moeten wij honderd zeemijlen noordelijk van Savaii zijn. De vreeselijke orkaan heeft den kotter zelfs met razende snelheid juist naar het Noorden over het water gejaagd. God geve, dat wij spoedig land mogen zien, anders zijn wij verloren, want het uitpompen zal wel niet veel helpen.”

“Het spreekt van zelf, kapitein,” zeide mijnheer Krüger, Bladzijde 80“dat wij, zooveel als in ons vermogen is, onze hulp bij het pompen verleenen; uw Tonga’s zullen wel spoedig geheel uitgeput zijn.”

“Ik neem uw aanbod in dank aan, mijnheer Krüger,” antwoordde kapitein Johannsen. “De stuurman zal zich ook naar de scheepspomp begeven, terwijl ik het roer overneem.”

Gelukkig had de regen opgehouden, toen wij naar den romp van den gebroken mast gingen, waar de scheepspompen waren; wij bleven dus ten minste van boven droog, want tot aan de knieën stonden wij in het water, daar de onstuimige zee nog van tijd tot tijd hooge golven over het dek wierp.

Langer dan een uur hadden wij onafgebroken den pompslinger op en neer bewogen; het zweet brak ons van alle kanten uit. Een massa vuil water hadden wij uit het ruim op het dek gepompt; het vloeide nu door de spuigaten (opening in het dek) in de zee, maar toch bleef de waterstand in het ruim even hoog, zooals de stuurman door dikwijls herhaalde peilingen gewaar werd; maar stijgen deed hij ook niet. Het kwam er dus op aan, het werk met alle kracht voort te zetten. Eindelijk, het liep tegen vijf uur, riep een der matrozen, die vooraan op den boeg stond: “De branding vlak voor ons!” Bladzijde 81

Werkelijk zagen wij recht voor ons uit, een geweldige branding, maar wij waren er nog wel een zeemijl van verwijderd. Het was duidelijk, dat zich daar een uitgestrekt koraalrif bevond, waartegen de golven met groot geweld braken, zoodat wij het schuim hoog zagen opspatten. Noch de kapitein aan het roer, noch de stuurman konden met hun verrekijkers een opening ontdekken in het rif, waar de wind ons in rechte lijn heen dreef; een schipbreuk kwam ons dus onvermijdelijk voor. Op dit oogenblik riep de kapitein verscheiden matrozen op het achterdek, liet het zeil aan den bezaansmast inbinden en wierp het roer naar stuurboord om, hetgeen tengevolge had, dat de kotter niet veel vooruitkwam en spoedig eenigszins afdreef. Toen daarop de grootere bezaan, evenals het kleinere stormzeil vastgemaakt waren, veranderde het schip na enkele minuten van koers en voer langzaam in oostelijke richting langs het rif, nauwelijks een kwartmijl van de gevaarlijke branding verwijderd.

Ondertusschen gingen wij onafgebroken met pompen voort, tot de kotter de oostpunt van het rif omzeilde, waarin wij zeer spoedig een opening ontdekten. De zee was daar aanmerkelijk kalmer dan aan de zuidzijde; de branding was er ook niet zoo sterk en vlak voor de opening was de zee zelfs zoo effen als een spiegel. Bladzijde 82Het gelukte den kapitein, den kotter veilig door den tamelijk nauwen ingang, in een breede lagune (strandmeer) te brengen, waarvan het water zoo kalm en helder was, dat wij tot op den bodem konden zien. Juist hadden eenige matrozen mijnheer Krüger en mij afgelost en stonden wij vooraan op den boeg, toen ons in het midden der lagune een eiland in het oog viel, dat, voorzoover wij zien konden, niet heel groot was. Het geheele strand van het eiland was met hooge kokospalmen bedekt, waar tusschen wij verscheiden hutten zagen; in de nabijheid lagen ook eenige kano’s aan den oever. Toen ik mijn bevreemding uitdrukte, dat men in het ongewoon heldere water den bodem kon zien, legde mijnheer Krüger mij uit, dat de kleine koraaldiertjes alleen in zulk helder, schoon water hun riffen kunnen vormen; dit kan men bij alle eilanden in de Zuidzee waarnemen.

Niet ver van het strand liet kapitein Johannsen het anker vallen, en dadelijk hierop zagen wij, dat een kano, met een twaalftal inlanders bemand, van den oever stak en snel den kotter naderde. Na een paar minuten legde de boot bij onzen kotter aan en de eilanders klommen langs de valreep op het dek. Te oordeelen naar hun lichtbruine huidkleur, behoorden zij tot het Polynesische ras; tot kleeding hadden zij Bladzijde 83niets dan een lendendoek, gemaakt van palmvezels; de armen en het bovenlichaam waren overal getatoeëerd en ieder had in de linkerhand een korte speer.

Het opperhoofd van de kleine schaar, die zich alleen van zijn metgezellen onderscheidde door een snoer van kralen, gekleurde steenen of schelpen, dat door het dikke haar geslingerd was, sprak den kapitein, die hem tegemoet trad aan, in een taal, waarvan wij geen enkel woord verstonden. De kapitein riep toen een van zijn Tonga’s en nu bleek het, dat deze zich, al was het dan ook gebrekkig, bij de eilanders verstaanbaar kon maken.

“Vraag het opperhoofd eens, hoe dit eiland heet,” gebood de kapitein.

“Olosenga, kapitein,” luidde het antwoord.

“O, nu kom ik op de hoogte,” zeide Johannsen, terwijl hij zich tot ons wendde, want wij waren natuurlijk dadelijk op het achterdek gekomen, toen de inboorlingen aan boord kwamen. “Zooals de kaart aanwijst, is het een klein eiland, aan alle zijden door een koraalrif omringd, en ongeveer honderd zeemijlen noordwaarts van Savaii gelegen. Het heet Olosenga of Swain, als ik mij niet vergis. Wij zullen hier, vrees ik, niet in de gelegenheid zijn, den kotter weer zeevaardig te maken, mijneheeren, maar, komaan, een echt zeeman verliest niet gauw den moed.” Bladzijde 84

Op een wenk van den kapitein volgde het opperhoofd ons nu in de roef, waar wij hem een groot glas cognac gaven, dat hij met zichtbaar welgevallen ledigde. De eilanders, die op het dek gebleven waren, ontvingen van den stuurman eveneens een glas van het geliefkoosde vuurwater.

Nu liet de kapitein het opperhoofd door den matroos, die als tolk diende, vragen, of er aan het strand van het eiland ook een open vlakte was, waar de kotter onmiddellijk aan den oever, in het ondiepe water vastgelegd kon worden.

“Het is totaal onmogelijk,” zeide kapitein Johannsen, “het schip nog langer vlot te houden. Wij moeten het zonder mankeeren op het strand laten loopen, om de verschillende lekken te kunnen stoppen. Daar de orkaan onze eenige boot uit de davids (draaibare kranen) losgerukt en in zee geworpen heeft, kunnen wij het eiland niet verlaten, voor de kotter weer zeevaardig is. In de kleine kano’s der inlanders mogen wij het niet wagen, de reis naar het meer dan honderd zeemijlen verwijderde Savaii te ondernemen; het zou zelfs in onze boot, die maar een jol was, gevaarlijk geweest zijn, daar wij, bij den thans heerschenden west-moesson, ieder oogenblik door storm konden worden overvallen.”

Op dit oogenblik kwam de Tonga-matroos ons mededeelen, dat volgens zeggen van het opperhoofd, het Bladzijde 85strand aan de noordkust van het kleine eiland veel vlakker was, dan de kust, die voor ons lag. Dadelijk liet de kapitein het anker weer lichten en zette den kotter langzaam in beweging, terwijl het opperhoofd met zijn metgezellen in de kano steeg en vooruit roeide om ons tegelijkertijd tot loods te dienen. Daar enkele matrozen voortdurend waren blijven pompen, was het water in het ruim ten minste niet gestegen en behoefden wij niet te vreezen plotseling in de diepte te verzinken.

Door den zwakken wind verliep er wel een half uur, vóór wij de noordkust van het eiland bereikten, waar wij, ongeveer tien minuten later, een kleinen bocht in het lage, zandige strand ontdekten. Het opperhoofd wenkte met de hand en wees op de uitmonding van een klein riviertje in het verst gelegen gedeelte van den bocht. De kapitein liet de zeilen reven, en de kotter gleed langzaam in die uitmonding en zat weldra in het ondiepe water aan den grond, zonder een hevigen stoot gekregen te hebben.

De matrozen moesten met pompen ophouden en eenige planken aan den oever leggen, die ons tot loopplank dienen konden. Wij haalden onze kleine bagage uit de kajuiten en gingen aan land, waar wij ons voorloopig in de schaduw van eenige bananen en oranjeboomen nedervlijden. Bladzijde 86

Intusschen waren er nog verscheiden eilanders bij gekomen, die onder aanvoering van hun opperhoofd, den kapitein en den matrozen de behulpzame hand boden om den kotter, op de lekke bakboordzijde, zoo dicht mogelijk aan den oever van de beek op te trekken, waar hij vervolgens vast gelegd werd en dus geen water meer kon innemen. De matroos, die als kok fungeerde, had zijn ketels en eenige eetwaren aan land gebracht, en was, op een haard van eigen vinding, begonnen een krachtigen maaltijd klaar te maken, waaraan wij allen dringend behoefte hadden, want sinds vele uren hadden wij niets gegeten.

Het opperhoofd en de overige eilanders kregen tot belooning voor hun hulp eenige flesschen brandewijn en verwijderden zich toen weer in hun kano’s.

Vijfde Hoofdstuk.

Midden in den Grooten Oceaan.

Terwijl de kapitein en de stuurman het opzicht hielden over de matrozen bij het lossen van den ballast, uit het scheepsruim, nadat het binnengestroomde Bladzijde 87water na weinig tijds uitgepompt was, hingen mijnheer Krüger en ik onze buksen over den schouder en gebruikten wij de weinige uren voor het invallen van de duisternis, om ten minste eenigszins op de hoogte te komen van den naasten omtrek onzer landingsplaats.

Wij gingen in westelijke richting langs het strand, dat overal met kokospalmen, bananen en broodvruchtboomen beplant was, doch konden noch beek, noch bron ontdekken, zoodat het kleine, nietige stroompje, waarin de kotter vastgelegd was, het eenige water op het eiland scheen te zijn. Ook zagen wij enkele hutten, maar deze waren geheel anders dan die op Upolu en Savaii; zij waren veel eenvoudiger, uit boomstammen opgetrokken en de daken bestonden uit breede bananenblâren. De bewoners dezer hutten schenen goedaardige menschen te zijn, want de mannen lachten ons vriendelijk toe; enkele gaven ons zelfs de hand en spraken eenige woorden, die wij natuurlijk niet verstonden, maar die in ieder geval een groet moesten beteekenen.

Het binnenste gedeelte van het eiland scheen geheel vlak; wij konden ten minste geen enkele verheffing van den grond bespeuren; een dicht bosch bedekte de geheele oppervlakte.

Na een goed uur kwamen wij weer op de landingsplaats Bladzijde 88en deden den kapitein verslag, van hetgeen wij op onze wandeling gezien hadden. “Ja, het is een zoogenaamde Atol (koraalrif) met een eilandje in het midden, waarop de storm ons heengedreven heeft,” antwoordde de kapitein. “Ik heb vroeger de zeekaart van dit gedeelte van den Grooten Oceaan, benevens de daarop betrekking hebbende verklaringen, bestudeerd en herinner mij nu, dat Olosenga tot de groep der Tokelau-eilanden behoort en het zuidelijkste eiland dezer groep is. Het is nog niet eens zoo groot als Apolina, dat, zooals gij ziet, het kleinste der Samoa-eilanden is en heeft een oppervlakte van ongeveer anderhalve Engelsche vierkante mijl; ook is het slechts schraal bevolkt. Toch moeten wij den goeden God van ganscher harte danken, dat wij dat eiland bereikt hebben, vóór de kotter lek werd; het zou onmogelijk geweest zijn, hem, bij die hooge zee ook maar enkele uren vlot te houden.”

“Gij hebt gelijk, kapitein, wij hebben groote reden tot dankbaarheid,” antwoordde mijnheer Krüger. “Hoe lang, dunkt u, zullen wij op dit kleine lapje gronds midden in den Grooten Oceaan moeten blijven?”

“Dat kan wel verscheiden weken duren, beste mijnheer Krüger,” was het antwoord. “Mijn Tonga’s zijn niet zeer geoefend in het kalefateren (dichtstoppen) en het Bladzijde 89uitwerpen van den ballast neemt minstens vier of vijf dagen in beslag, en, voor het scheepsruim geheel leeg is, kan er met het dichtmaken der planken volstrekt niet begonnen worden.”

“Dat is een heel treurig vooruitzicht, kapitein,” zeide mijn chef. “Mijn neef in Mulifanua zal zeer ongerust worden over ons lang uitblijven en zeker gelooven, dat wij op de een of andere manier verongelukt zijn. Mijnheer Beckmann zal dit ook denken, als er in zulk een langen tijd geen bericht van den kotter in Apia komt.”

“Zou het niet mogelijk zijn, kapitein, dat ik in een kano van de inlanders, met het opperhoofd en een paar zijner lieden naar Savaii overvoer, om ten minste mijnheer Koning bericht te geven van ons tegenwoordig verblijf,” vroeg ik. “Daar hij van het losbreken van den vreeselijken Taifun, kort na ons vertrek van Matautu, gehoord moet hebben, zal hij zeker overtuigd zijn, dat de kotter in den storm is vergaan.”

“Aan een tocht naar het eiland Savaii, honderd mijlen hier van daan, in een kano, valt niet te denken, mijn waarde heer,” antwoordde kapitein Johannsen. “Deze kleine bootjes kunnen alleen op de lagune, voor de vischvangst gebruikt worden; zij kunnen zich niet eens op de zee, buiten het rif wagen, daar zij bij Bladzijde 90de geringste hooge zee dadelijk zouden omslaan. Als de inlanders hier zulke groote oorlogsvaartuigen als de Samoaners hadden, zou het eerder te beproeven zijn. Wij moeten dus geduld hebben, heeren, tot de kotter weer zee kan bouwen. Bovendien is geduld een noodzakelijke deugd voor iederen zeeman, en voorloopig moet gij u maar als zeelui beschouwen, wien een ongeluk overkomen is.”

“Tot mijn spijt moet ik u volkomen gelijk geven, kapitein Johannsen,” antwoordde mijnheer Krüger. “Met deze ontzettende hitte is het verblijf in de kleine roef en in de kajuiten bijna ondragelijk; dus daarom stel ik voor, om onder de bananen een tent op te slaan, waarin wij ten minste de nachten wat aangenamer kunnen doorbrengen.”

“Uitstekend, mijnheer Krüger. Ik zal den stuurman dadelijk last geven, om uit een paar reservezeilen en stokken zulk een tent in orde te doen maken, die voor ons vieren ruimte genoeg tot slapen heeft; ik zal het linnen ook met teer laten bestrijken, dan hebben wij ten minste bij de nu dikwijls neerstroomende regens een droog verblijf.”

In den loop van den volgenden voormiddag was de tent geheel gereed; de grond werd met matten belegd, die ons tot legerstede zouden dienen. Bladzijde 91

De scheepskok had zijn tijd besteed, om in een kano, die het opperhoofd ter onzer beschikking gesteld had, naar het koraalrif te varen, en daarvan verscheiden stukken af te breken, die hij gebruikte om een tamelijken haard in elkaar te zetten, want noch op het strand, noch in het binnen-gedeelte was een enkele steen te vinden. Naar de kapitein ons meedeelde, bevatten de meeste der kleinere eilanden in den Grooten Oceaan geen steenen.

Nadat wij onze bagage in de tent gebracht hadden, gingen mijn chef en ik naar de oostkust van het eiland, om het opperhoofd uit naam van den kapitein een flesch brandewijn te brengen. Het was in ons belang de vriendschappelijke betrekkingen met dezen man te onderhouden, want hij kon het ons, indien hij wilde, onaangenaam genoeg maken.

Daar wij geen gesprek met hem konden voeren, stelden wij er ons mee tevreden, hem met een vriendelijk lachje de flesch te overhandigen; ze werd aangenomen met een handdruk, een grijnslach en enkele uitroepen, waarvan wij natuurlijk geen woord verstonden. Toen wij na eenigen tijd, van onze wandeling door het binnenste van het eiland weer op onze landingsplaats kwamen, liet de kok ons een vrij groote mand, uit boomschors vervaardigd vol versch gevangen visch Bladzijde 92zien, die het opperhoofd juist in persoon was komen brengen, waarschijnlijk als een bewijs van zijn dankbaarheid voor den brandewijn.

Mijnheer Krüger en ik hadden op onzen weg door het binnen-gedeelte van het eiland, dat geheel met boomen beplant was, geen andere dieren kunnen ontdekken dan een menigte allerliefste