[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Mythen en Legenden van Egypte, by Lewis Spence and J. W. van Rooijen This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Mythen en Legenden van Egypte Author: Lewis Spence and J. W. van Rooijen Release Date: February 12, 2006 [EBook #14826] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MYTHEN EN LEGENDEN VAN EGYPTE *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

De voorstelling van Ani aan Osiris.
Uit de papyrus van Ani.
Reproductie met toestemming van den Directeur van het Britsch Museum.
Na een stilzwijgen van ettelijke eeuwen zijn de monumenten der Egyptenaren weer tot ons gaan spreken. Vervulden zij vroeger den toeschouwer alleen met verbazing en ontzag voor het grootsche en schoone, dat ons werd overgeleverd, thans spreken zij door hun inmiddels ontcijferde opschriften luide tot ons.
De Steen van Rosette, na den tocht van Napoleon naar Europa overgebracht, bleek de sleutel van de geheimzinnige Egyptische taal te bevatten. Door een bloot toeval kon men een begin maken met de ontcijfering en zoo werd langzamerhand de geheele oude Egyptische beschaving voor ons ontsluierd.
Dat in onzen tijd de papyri, overal opgegraven, de Egyptische levenswijze en beschaving mede helpen bekend maken, is overbodig te vermelden, doch voor de oer-Egyptische beschaving zijn wij op de eigenlijke Egyptische monumenten aangewezen.
Deze beschaving in ruimeren kring bekend te maken is het doel van dit boek. Men zal bemerken, dat de schrijver op verschillende plaatsen getracht heeft, de Egyptische mythologie en godsdienstgeschiedenis in verband te brengen met die der onbeschaafde volken, voornamelijk met die der Maya uit Midden-Amerika. Zijn werk, dat handelt over Mexicaansche en Peruviaansche mythen, heeft hem hiervoor goede diensten bewezen.
Een van de moeilijkste problemen om op te lossen is nog steeds dat van de dierenvereering; hoe komt het bijvoorbeeld toch, dat in eenige streken van Egypte sommige dieren voor heilig gehouden werden, terwijl deze in andere deelen straffeloos gedood mochten worden. De [IV]heer Spence tracht deze moeilijke quaestie op te lossen, door haar in verband te brengen met het totemisme.
Doch de schrijver brengt ons ook met verschillende onderwerpen op gebied van mythologie, beschavingsgeschiedenis en godsdienstwetenschap in aanraking. Moge dit boek er toe bijdragen, voor de kennis van de aloude Egyptische beschaving in wijderen kring belangstelling te wekken.
De Bewerker.
Het was voor mij een aangename verrassing van den uitgever te vernemen, dat de eerste druk was uitverkocht. Voor den tweeden druk heb ik verschillende veranderingen en verbeteringen aangebracht, welke mij bij nader inzien wenschelijk bleken. Overigens is de 2e uitgave niet noemenswaard veranderd.
De Bewerker. [VII]
[XII]
| Pag. | |
| De voorstelling van Ani aan Osiris Tegenover den titel. | |
| Het Egyptisch symbool voor de ziel | 6 |
| Hoofdingang van den tempel te Karnak | 14 |
| De Pyramiden bij Gizeh | 28 |
| Model van eene begrafenisboot. Begrafeniskruiken | 34 |
| Tempel van Horus bij Edfû | 42 |
| Voorstelling van het weiden van een groote kudde vee op een Egyptische hoeve | 52 |
| Rāhetep. Een Priester | 62 |
| Osiris | 72 |
| Osiris in de kist gelokt | 74 |
| Isis en de jonge prins | 76 |
| Het vertrek van Isis uit Byblos | 78 |
| Een altaar van Osiris | 84 |
| Isis | 88 |
| Gevleugelde Isis | 90 |
| Zuil van Horus | 94 |
| Strijd van Horus | 100 |
| Nephthys | 104 |
| Set | 108 |
| Anubis | 112 |
| Thoth en Maāt | 116 |
| Het wegen van het hart | 126 |
| Ra | 140 |
| Isis en Ra | 148 |
| Amen-Ra | 150 |
| Mut en Ptah | 156 |
| Sekhmet en Bast | 160 |
| Khnemu, I-em-hetep en Nefer-Tem | 162 |
| Aten | 168 |
| Hathor | 174 |
| Hapi | 182 |
| Taurt en Khonsu | 188 |
| Het meisje van Bekhten | 192 |
| De Godinnen als danseressen | 218 |
| Thoth en de oppertoovenaar | 234 |
| “Wie zijt gij?” | 242 |
| De schatkamer van Rhampsinites | 254 |
| Isis bezweert Ra haar zijn naam te zeggen | 276 |
| Amuletten van Hathor | 288 |
| Bes | 300 |
| Processie van den heiligen Stier | 306 |
| Sebek | 308 |
| Ramses II door een leeuw vergezeld | 312 |
| Mummies van katten | 324 |
| Het Kind Horus | 328 |
| Aanvoer van steenblokken voor de Pyramiden | 332 |
| Een hoofdsteunsel | 340 |
| Tempel van Isis te Philae | 346 |
De verschillende groepen van geloof, welke tezamen den Egyptischen godsdienst hebben gevormd (indien er tenminste van één Egyptischen godsdienst sprake kan zijn), hebben gedurende eenige duizenden jaren dezelfde phases doorloopen, welke aan ieder, die zich met de bestudeering der vergelijkende mythologie heeft bezig gehouden, bekend zijn.
Indien wij in aanmerking nemen, dat de godgeleerden van het oude Egypte niet in staat zijn geweest, een pantheon der Egyptische godenleer te scheppen, waarin aan ieder god, of godin, een bepaalde invloedssfeer kon worden aangewezen, hetzij op wereldlijk, hetzij op geestelijk gebied, dan mag men toch zeker vragen, hoe een hedendaagsch beoefenaar der mythologie in staat zal zijn, in deze moeilijke en duistere problemen, welke de godenleer van het Oude Nijldal ons opgeeft, voldoende licht aan te brengen.
Het antwoord is echter gemakkelijk. De nieuwere wetenschap der vergelijkende godsdienstgeschiedenis breidt zich van jaar tot jaar meer uit en haar licht verspreidt zich, weliswaar langzaam, doch zeker, in de groote duisternis, welke de oude godsdienst omhult.
Laten wij dus bij het licht van deze tooverlamp (een zoo wondervolle is zelfs door een vervaardiger van Oostersche sprookjes niet uitgevonden) dwalen door de donkere pyramiden, door de koele schaduwen der tempelruïnes, ja, door het kronkelend labyrinth van den Egyptischen geest zelf, vertrouwende, dat wij door het licht, dat wij bij ons dragen, er in zullen slagen de raadselen van dit geheimzinnige land eenigermate op te lossen.
Een van de eerste gedachten, welke terstond bij ons oprijzen is, dat het verwondering zou baren, indien er bij [2]een zoo groote menigte goden, die de Egyptische godsdienst aanwijst, geen verwarring ware ontstaan bij de aanduiding over hun oorspronkelijk wezen en hun eigenlijken aard.
Dat deze werkelijk bestond, bewijzen ons de overgeleverde teksten, welke een groote moeilijkheid opleveren om de juiste eigenschappen van bepaalde godheden te definieeren en hen tot één groep, of klasse, terug te brengen. De reden van deze verwarring behoeft men niet ver te zoeken. De goden van een bepaalde landstreek vermenigvulden zich op zulk een verbazingwekkende wijze, dat, terwijl wij in de teksten der eerste dynastieën slechts de namen van tweehonderd godheden ontmoeten, de latere Thebaansche herziening van het “Boek der Dooden” ongeveer vijfhonderd er bij voegt; hierbij moeten nog geteld worden ongeveer achthonderd namen van wezens, welke in de mythologie voorkomen.
Een andere oorzaak, welke tot de verwarring aanleiding gaf was, dat in iedere groote stad van Boven- of Beneden-Egypte en hare omgeving de godsdienst een localen vorm aannam. Zoo kwam het, dat de groote goden van het land in iedere provincie onder een anderen naam bekend waren, hun ritus verschillend was en zelfs de sagen over hun oorsprong en hun komst een verschillende gedaante aannamen. Vele groote steden bezaten bovendien eigen, speciale goden en aan dezen legde men dikwijls de eigenschappen van een, of meer, der grootere en meer populaire godheden bij.
Het geloof van de stad, welke de koninklijke residentie vormde, werd de godsdienst par excellence van het geheele koninkrijk, haar tempel werd het Mekka van alle vrome Egyptenaren en haar god was de Juppiter van het Egyptisch pantheon.
Nu had men mogen verwachten, dat, toen Egypte [3]één gemeenschappelijke cultuur, kunst en nationaliteit verkreeg, haar godsdienst eveneens, zooals dit bij andere volken is geschied, één van vorm en van eenvoudiger gedaante zou worden.
Dit resultaat is echter nooit bereikt. Juist de omgang met vreemden was voor de priesters en het volk een aansporing aan hun godsdienstig conservatisme vast te houden. Ja, men kan zelfs zeggen, dat het volk zich nog conservatiever heeft betoond, dan de priesters.
Veranderingen in de godsdienstpolitiek, verschil in uitlegging der heilige teksten kwamen somwijlen uit den boezem der verschillende priestercolleges voort, of ook wel de koning zelf, de bron van alle godsdiensten, verklaarde zich voor deze, of gene uitlegging.
Nimmer echter werd in de godsdienstige opvattingen, uit eerbied voor de publieke opinie, een verandering gebracht, of het was een teruggang tot een ouder type. Zoo zien wij het schouwspel, hoe verder wij in de dynastieën voortgaan, dat er van lieverlede een groote kloof ontstaat tusschen de priesters en het volk; de eersten vatten de godsdienst meer idealistisch op, de groote massa echter bleef evenzeer trouw aan den uiterlijken schijn der dingen, als aan het oude, voornamelijk omdat het oud was.
De evolutie van het geloof in het oude Egypte moet denzelfden loop hebben doorgemaakt als bij andere volken en iedere veronderstelling, welke dit op andere wijze tracht te verklaren, is reeds bij voorbaat bestemd verworpen te worden. In de laatste jaren zijn er verschillende werken door kundige Egyptologen uitgegeven, welke ten doel hebben een meer of minder uitgebreid overzicht over de Egyptische mythologie te geven en haar diepere beteekenis te ontvouwen.
De schrijvers van eenige dezer werken, hoeveel bewondering men ook voor hen moet koesteren als archaeologen, of als uitleggers der hieroglyphenteksten, [4]zijn voor het meerendeel slechts in geringe mate tegen de moeilijkheden, welke de mythologie ons aanbiedt, opgewassen.
Om in deze moeilijke problemen eenig licht aan te brengen is een speciale oefening hierin een eerste vereischte en een algeheele vertrouwdheid met de verschijnselen van de oudere godsdiensten in het algemeen, in al haar verschillende vormen en gedaanten, is een volstrekte noodzakelijkheid.
In het werk b.v. van een buitenlandsch Egyptoloog van den eersten rang treedt een volslagen onbekendheid aangaande mythologische ontwikkeling aan den dag. Hij wil den Egyptischen godsdienst voorstellen, zooals deze toeschijnt aan iemand, die niets van de moderne godsdienstwetenschap afweet. Een ander zeer bekend Egyptoloog schrijft over het z.g. totemisme op de meest elementaire wijze en werpt de stelling op, dat een zoodanig stelsel nooit in het Nijldal heeft bestaan. Deze vragen echter zullen op de daarvoor bestemde plaatsen worden behandeld.
Om met de vormen van den lageren cultus te beginnen—vormen, welke hoogstwaarschijnlijk uit Afrikaansche bron stammen—het is zoo goed als zeker, dat de oudere Egyptische godsdienst tot aan den tijd der Hyksos bleef bestaan; na dezen tijd heeft men de officieele godsdienst van het land onder een of anderen vorm met de aanbidding der zon in verband gebracht; men heeft dus alle oorspronkelijke goden van het land op een bepaald tijdstip met de idee van één zonnegod òf samengesmolten òf vereenzelvigd.
De Egyptische godsdienst in het Midden- en Nieuwe Rijk was zoowel een vrucht van filosofische vinding, alsook van latere Grieksche mythe; voor zoover wij echter kunnen beoordeelen, was hij niet zoo kunstig en in alle deelen volmaakt. Immers terwijl wij in de teksten ontelbare toespelingen op bepaalde mythen vinden, [5]komen de mythen zelf in de Egyptische literatuur zelden voor.
De voornaamste plaats, waar een Egyptische mythe voor ons is bewaard gebleven, is Plutarchus’ verhaal over Isis en Osiris, en dat is een niet zeer betrouwbaar zegsman. Men heeft nu vermoed, dat de mythen zoo algemeen onder het volk bekend waren, dat het een overbodig werk zou geweest zijn, dezen voor een zoo godsdienstig volk als het Egyptische op te schrijven.
Het is voorzeker een onherstelbaar verlies voor het nageslacht, dat dezen verloren zijn gegaan en daar wij een volledige kroniek van de daden der Egyptische goden missen, kunnen wij slechts het materiaal, dat de teksten en aanverwante voorwerpen ons geven, onderzoeken om hier en daar een brokstuk van het Egyptische godsdienstwezen op te diepen en zelfs, als men al deze stukken bijeenvoegt vertoont het geheel nog slechts een schijn van wezenlijkheid en bondigheid.
Wij zagen reeds, dat bij de oude Egyptenaren, evenals bij de andere vroegste volken, de godsdienst zich onmogelijk kan ontwikkeld hebben, zonder dat hij het bij allen gebruikelijke proces heeft doorloopen.
Door middel van verschillende draden, meer of minder sterk, kunnen wij ontdekken, dat hij de phase heeft doorloopen, bekend onder den naam van animisme of animatisme.1
Dit is het geloof, dat ieder voorwerp, dat den mensch omringt, werkelijk een ziel en een persoonlijkheid bezit, even goed als hij zelf.
Reeds op een vroeg tijdstip ontstond bij den mensch het geloof in een ziel, dit geheimzinnig tweede ik, waaraan [6]zelfs de minst ontwikkelde rassen gelooven. Het verschijnsel van den slaap, het weder tot bewustzijn komen na de sluimering en de vreemde gewaarwordingen en lotgevallen in den droom, zullen de oudste menschen tot de conclusie gebracht hebben, dat zij een tweede ik bezaten en het was slechts een uitbreiding van dit denkbeeld, dat hen tot de veronderstelling bracht, dat deze tweede gestalte na zijn dood zal blijven voortbestaan.
Doch welk bewijs hebben wij, dat de oude bewoners van Egypte deze phase hebben doorloopen? Afgezien van het geloof in een menschelijke ziel, ziet het animisme in ieder voorwerp der natuur een levend wezen. Op deze wijze bezitten boomen, rivieren, winden en dieren allen de natuurlijke gave van denken en spreken. Hoe is het nu mogelijk te bewijzen, dat de oude Egyptenaren het geloof koesterden, dat dergelijke dingen een ziel bezaten, welke bewustzijn had en een eigen persoonlijkheid?
In de eerste plaats wat betreft het geloof van de oude Egyptenaren, dat de mensch zelf een ziel bezat. Het Egyptisch symbool voor de ziel (ba) is een man met het hoofd van een vogel. De opvatting nu over de ziel, als vogel voorgesteld, is algemeen verbreid onder de meeste wilde en onbeschaafde volken. Voor onontwikkelde volken is de vogel altijd een onbegrijpelijk wezen, door zijn eigenaardige vliegkunst: zijn verschijning in de lucht, waar men zich de woningen der goden voorstelde, zijn gezang, dat het spreken naderbij kwam, vermeerderden nog deze opvatting.
Van den vogel ontwikkelde zich bij de wilde volken de idee van den gevleugelden geest of god, den bode uit den hemel. Zoo gaf men aan alle bovennatuurlijke wezens in alle mythologische stelsels vleugels. Verscheidene Indianen uit Amerika gelooven, dat vogels de zichtbare geesten der afgestorvenen zijn. De Powhattans van Virginia geloofden, dat de ziel van hun opperhoofd, na zijn dood, in een vogel overging en de Aztecs, dat de geest van [7]gestorven krijgslieden de gedaante van een kolibrie aannam en in den zonneschijn van bloem tot bloem fladderde.
De Boros van Brazilië koesteren het geloof, dat de ziel de gedaante van een vogel bezit en in den droom in deze gestalte het lichaam verlaat.2 De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia stellen zich de ziel voor, huizende in een ei, dat zich in den hals bevindt. Indien het ei barst en de ziel er uit vliegt, moet de mensch sterven. Een toovenaar uit Melanesië was gewoon zijn ziel in de gedaante van een arend uit te zenden, om te zien, wat er op de schepen, welke voorbijvoeren, geschiedde. Plinius vermeldt, dat men de ziel van Aristeos van Proconnesus uit diens mond in de gedaante van een raaf heeft zien vlieden. Een soortgelijk geloof vindt men in landen, die even ver van elkaar zijn verwijderd als Bohemen van Malakka.
Uit deze overeenkomstige voorbeelden zien wij, dat de oude Egyptenaren niet alleen hebben gestaan in hun voorstelling van de ziel in de gedaante van een vogel. Deze idee behoort tot de natuur van het animistisch geloof. Nog andere en meer concrete voorbeelden echter van dit soort van godsdienstvereering vinden wij bij ons onderzoek.
Om een voorbeeld te noemen: sommige voorwerpen, welke men en in Egyptische graven en elders heeft gevonden, zijn soms gebroken, klaarblijkelijk met de bedoeling hun geesten te bevrijden, zonder twijfel om zich met die van hun eigenaar te vereenigen. Het verhaal verder, in de Osiris-mythe, dat de kist van dezen verward raakte in de takken van een boom—een duidelijke aanwijzing van een volksoverlevering, welke een herinnering is aan een oude vorm van boom-aanbidding—is een tak van het animistisch geloof.
In de teksten komen ons eveneens herhaaldelijk berichten tegen, welke alle tot een vroegere stadium van animisme kunnen worden teruggebracht. Zoo was iedere [8]deur in de andere wereld gevoelig en kon geopend worden na een behoorlijke bezwering. Wij vinden in hoofdstuk 36 van den Papyrus van Asri de vlam der zon toegesproken als een levend wezen, evenzoo de veerboot van Ra in hoofdstuk 13. “Ik ben de knoest van den Asenboom”, zegt de doode man in hetzelfde hoofdstuk, terwijl hij doelt op den boom, welke zich zelf om de kist van Osiris wond.
Dit zijn alle verschijnselen, welke met het animisme in verband staan en men kan dezen nog in grooten getale vermeerderen, wanneer men slechts een blik slaat in een willekeurig Egyptisch manuscript. Eveneens is de latere toepassing der magie in het Nijldal tot op zekere hoogte een overblijfsel van een animistisch geloof.
Het z.g. fetischisme komt eveneens veelvuldig in de Egyptische godsdienstige opvattingen voor. Vele goden beeldt men af met die fetischen, van welke zij waarschijnlijk zijn afgeleid. Zoo zijn de pijl van Neith even zoo goed (deze opvatting zal ik later trachten te bewijzen) als de symbolen van Min en andere godheden, overblijfselen van het fetischisme.
Fetischisme (elders3 gaf ik hierover een meer uitgebreide beschrijving) is een term, welke men gebruikt voor groote of kleine voorwerpen, door de natuur gevormd, of kunstmatig vervaardigd, van welke men zich voorstelt, dat zij een bewustzijn, een wil en bovennatuurlijke eigenschappen bezitten, kortom, een fetisch is de woning van een wandelenden geest, welke zich in haar heeft gevestigd.
De overblijfselen van fetischisme kan men nog bespeuren in de amuletten, welke door ieder Egyptenaar, hetzij dood of levend, werden gedragen. Alle amuletten [9]behooren tot de natuur der fetischen en dikwijls hoort men de bewering, dat het geluk in haar huist.
Evenals de onbeschaafde volken gelooven aan een krachtigen invloed, welke het welzijn van den mensch op het oog heeft, zoo kan zelfs een beschaafd man niet geheel en al de gedachte van zich afzetten, dat èèn of ander voorwerp, aan zijn horlogeketting bevestigd, niet een aangeboren eigenschap bezit, om geluk aan te brengen.
Verscheidene van deze amuletten zijn de zinnebeeldige voorstellingen van godheden, zoo b.v. de afbeelding van een gesp, welke het symbool is van Isis’ bescherming, van het heilig oog, als voorstelling van Horus; zoo kan wellicht het symbool der evenwijdige vingers een herinnering zijn aan de fetischistische halssnoeren van vingers, welke men bij verschillende woeste volken heeft gevonden.
Verscheidene Egyptologen ontkennen, dat het totemisme, als een kracht, in de godsdienst van het oude Egypte zijn intrede heeft gedaan.
Men kan het totemisme definieeren als de erkenning en de werking van de denkbeeldige, mystieke betrekking van een persoon, of een geheele familie, tot de bovennatuurlijke machten of geesten, welke hem omringen.
Terwijl de fetisch in zeker opzicht de dienaar van haar eigenaar is, een geest, welke naderbij gelokt is om in een voorwerp te wonen, ten einde het bevel van een enkel persoon, of een gemeenschap, uit te voeren, is de totem, of tot één persoon, of tot een familie behoorende, een patroon en een beschermer en wordt dikwijls in de gedaante van een dier, of een plant, voorgesteld.
Het fundamenteele verschil tusschen de persoonlijke totem en die van een familie is nog niet geheel opgehelderd, maar het zal voor ons doel voldoende zijn de laatste te behandelen.
De meest bekende tegenstander van de theorie, dat sommige godheden van het oude Egypte van totemistischen [10]oorsprong waren is Dr. E.A. Wallis Budge, de welbekende Egyptoloog.
In zijn werk getiteld: “Gods of the Egyptians” zegt hij o.a. het volgende: “Het schijnt nu over het algemeen door de ethnologen te worden aangenomen, dat er drie hoofdoorzaken waren, welke de menschen tot het aanbidden van dieren heeft gevoerd; zij hebben hen n.l. of aangebeden als dieren, of als wezens, waarin een godheid huisde, of als vertegenwoordigers van de stamvaders der familie.
Er is geen enkele reden om er aan te twijfelen, dat de oudste Egyptenaren, in het neolithisch tijdvak, de dieren in hun kwaliteit van dieren en als niet anders hebben vereerd”.
Geen van de bovengenoemde stellingen komt de definitie van het totemisme nabij. De theorie, dat de totem een stamvader der familie is, wordt thans betwijfeld. Dr. Budge gaat daarna aldus voort: “De vraag of de Egyptenaren dieren aanbaden, als representanten van stamvaders of totems, heeft tot vele discussies aanleiding gegeven en men kan zich daarover niet verbazen, want het onderwerp is zeer lastig.
Wij weten, dat op verscheidene standaards, welke de nomen van Egypte voorstellen, afbeeldingen van vogels en andere dieren voorkomen, o.a. van een havik, een stier, een haas enz. Doch het is niet duidelijk, of men de bedoeling heeft gehad door deze afbeeldingen “totems” aan te duiden, of niet.
De afbeelding van een vogel of een ander dier, dat zich boven op een standaard van den nome bevond, was niet bedoeld als fetisch of stamvader, maar slechts als een wezen, dat als een godheid werd beschouwd, onder wier bescherming de bevolking van een bepaalde streek was geplaatst en wij mogen aannemen, dat het niet geoorloofd was, binnen de grenzen van dat gebied een zoodanigen vogel of een dergelijk dier te dooden”. Totems worden [11]altijd gedragen op banieren, stokken en schilden en het is door de wet verboden hen te dooden. Hij stelt dan vast, dat de theorie over de totems eenige opheldering kan brengen bij bepaalde feiten, welke met de dierenvereering van verschillende woeste en half-beschaafde stammen in eenige deelen der wereld in verband staan, maar het kan niet in de bedoeling van den schrijver liggen, ons een uitlegging van de dierenvereering der Egyptenaren te geven.
Waarom, kan men vragen, zou Egypte alleen van den invloed van het totemisme bevrijd zijn gebleven? Dr. Budge vervolgt en heeft hierbij de bedoeling, de geheele theorie over de totems te weerleggen, dat op de standaards van sommige nomen de afbeeldingen van nog andere voorwerpen, behalve die van dieren werden vereerd en als goden werden beschouwd, of dat zij de symbolen van goden zijn geworden, die in hun gedaante werden vereerd.
Zoo beeldde men op sommige standaards heuvels, pijlen, visschen en andere dingen af. Dr. Budge meent, dat deze voorwerpen niet van fetischistischen, of totemistischen, oorsprong kunnen zijn. Dr. Budge kan, om een voorbeeld te noemen, er geen verklaring voor vinden, dat drie heuvels met een of anderen god in verbinding kunnen staan.
Dit is echter een mythologisch probleem, dat niet zeer lastig op te lossen is. In verschillende deelen der wereld zijn bergtoppen, hetzij afzonderlijk, hetzij groepsgewijze, voorwerpen van directe vereering; een berg kan vereerd worden, omdat hij de woonplaats van een god is; dit kan zijn om zich zelf, zooals bijv. de Olympus, de Sinaï en de berg Karmel, welke later de verheven woonplaats van goden werden, of zij kunnen ook vereerd worden, omdat zij de geboorteplaatsen van bepaalde stammen zijn.
Zoo b.v. had in het oude Peru, zooals de Indische schrijver Salcamayhua ons vertelt, iedere plaatselijke tribus [12]haar z.g. paccarisca of geboorteplaats, en velen van dezen waren bergen, welke door de inboorlingen onder de volgende versregel werden aangesproken:
“Gij zijt mijn geboorteplaats,
Gij zijt mijn levenslente,
Bescherm mij tegen den boozen demon,
O paccarisca!”
Natuurlijk waren deze bergen tevens plaatsen, waar een orakel was gevestigd, evenals die, welke op de Egyptische standaards waren afgebeeld. Dat zij als orakels werden vereerd alleen om de plaats zelf en niet als de verblijfplaats van een godheid, kan men wellicht hieruit bewijzen, dat zij, liever dan de godheid, op de standaards werden afgebeeld.
Evenmin kan Dr. Budge op mythologische gronden een verklaring vinden voor de afbeelding van twee pijlen, met de inkervingen naar elkaar toe gericht en met een dubbele punt naar buiten gekeerd. Pijlen van deze soort komen als fetisch veelvuldig voor, in alle deelen der wereld. Onder de Indianen in de Plains is een getal van vier pijlen, welke heelende kracht bezitten, een palladium van den stam en zij verzekeren, dat zij dezen vanaf het begin der wereld hebben gehad; jaarlijks worden dezen bij ceremonies in hun stam gebruikt, zoo kortelings nog in het jaar 1904.
Zij hadden zelfs een plechtigheid, welke het vastmaken der pijlen werd genoemd, door bepaalde priesters, voor dit doel aangewezen, verricht, die deze fetisch moesten bewaken.4
Er zijn echter nog veel meer andere, overtuigende bewijzen voor de totemistische natuur van een groot aantal Egyptische godheden. Het is b.v. duidelijk, dat Bast, die met den kop van een kat wordt afgebeeld, en die eerst in de gedaante van een kat werd vereerd, oorspronkelijk [13]een kat-totem was. De krokodil was de incarnatie van den god Sebek en woonde in een meer in de buurt van Krokodilopolis.
Ra en Horus worden met een havikkop afgebeeld en Thoth met den kop van een ibis; Anubis heeft het hoofd van een jakhals. Dat sommige van deze gestalten totemistisch waren, is niet te betwijfelen. Het was echter een totemisme, dat in verval was en hierbij was het oorspronkelijk geloof geconcentreerd op bepaalde dieren, welke men als goddelijk beschouwde, totems, welke godheden waren geworden, van vleugels voorzien.
De Egyptenaren droegen standaards, waarop hun totemistische dieren waren voorgesteld, evenals de inboorlingen van Upper-Darling hun totems op hun schilden graveeren, of zooals verschillende Amerikaansche stammen in oorlogstijd stokken dragen, waaraan stukken boomschors zijn bevestigd, op welke men de totems van dieren heeft geschilderd.
Diodorus heeft een bericht, waarbij op de bescherming door een totem wordt gezinspeeld. Hij vertelt, dat er in Egypte een verhaal de ronde deed, dat een der oude koningen door een krokodil van den dood was gered. Tenslotte werden in eenige nomen van Egypte bepaalde dieren door de inwoners niet als spijs genuttigd. Dit is ongetwijfeld een aanwijzing van het bestaan van totemisme en geen meer overtuigend bewijs kan men hiervoor aanwijzen.
Daarentegen is er geen enkele reden om te vermoeden, dat in later tijd in Egypte alleen dieren zijn vereerd om totemistische redenen. Het kan zijn, dat de latere dierenvereering een overblijfsel van totemisme is geweest, doch het is meer waarschijnlijk, dat deze zuiver symbolisch van karakter is geweest.
Juist wanneer de gewone vormen van vereering en geloof, welke met het totemisme verbonden zijn, tenslotte herzien worden, kan het totem dier zijn dierlijke gestalte [14]behouden, en in plaats daarvan neemt dit een halfmenschelijke gedaante aan.
Er is een hit-totem, welke door een bepaalde stam van Noord-Amerika wordt vereerd; deze maakt op het oogenblik een evolutie door en is een godheid geworden, met vleugels voorzien, maar toch heeft hij nog steeds zijn gestalte van paard behouden.
Verder is het gemak, waarmede de Egyptische goden zichzelf in dieren kunnen veranderen, door middel van tooverformules5, in verschillende gevallen een evident bewijs voor hun totemistischen oorsprong.
Er is gezegd, dat niet alleen afzonderlijke dieren, maar alle dieren van een klasse in sommige nomen heilig waren. “Bij deze gevallen”, zegt Wiedemann, “werden de dieren niet als goden vereerd, maar eerder, omdat zij in het bijzonder door de goden werden vereerd”. Daar dit echter juist onder de volken in de totemistische phase voorkomt, kan deze bewering niet steekhoudend blijven.
Er zijn verschillende berichten, welke op de schepping der wereld en der menschen betrekking hebben.
In de teksten der Pyramiden vinden wij toespelingen op het bestaan van acht goden, die de scheppers van het heelal zouden zijn geweest.
Nu en zijn gezellin Nut waren de goden van het firmament en den regen, welke daaruit te voorschijn komt. Hehu en Hehut schijnen de personificatie van het vuur te zijn en Kekui en Kekuit stellen de duisternis voor, welke over de oorspronkelijke watervlakte hing. Kerh en Kerhet schijnen verder den Nacht of den Chaos te personificeeren.
Sommige van deze goden worden afgebeeld met den [15]kop van een kikvorsch6, andere met dien van een slang en in dit verband worden wij vanzelf aan die goden herinnerd, over wie in de scheppingsmythe in de Popol-Vuh, het heilige boek der Kiche Indianen van Guatemala wordt verhaald; twee van deze goden, Xpiyacoc en Xmucane, worden in dit verhaal genoemd: de oude slangen, met groene veeren bedekt, een mannelijke en een vrouwelijke.
Wij vinden in dit bericht over de geschiedenis der schepping, waarvan thans sprake is, de toevoeging van de levenskiemen, in diepe duisternis gehuld, aanwijzingen, welke aan ieder, die de mythologie bestudeert, bekend zijn als symptomen der scheppingsgeschiedenis, over de geheele wereld.
Een papyrus (van het jaar 321 v.C.), welke in het Britsch Museum wordt bewaard, bevat een aantal hoofdstukken van een magisch karakter, welke zich ten doel stellen Apepi, den vriend van de duisternis te vernietigen; in dezen vinden wij twee verhalen over de geschiedenis der schepping, welke een beschrijving geven van het ontstaan der zon.
In één verhaal vertelt god Ra, dat hij zelf de gestalte van Khepera aannam, den god, van wien men geloofde, dat hij de gave van schepping in zich droeg. Hij vertelt verder, dat hij voortging nieuwe voorwerpen te vormen uit die, welke hij reeds had gemaakt en dat dezen uit zijn mond te voorschijn kwamen.
“De hemel”, aldus verhaalt hij, “bestond niet en de aarde was nog niet in wording, en de dingen op aarde en de kruipende wezens bestonden nog niet, maar ik deed hen uit Nu te voorschijn komen, uit het niet”.
Dit beteekent dus, dat Khepera het leven in het heelal deed ontstaan uit een materie, welke uit de diepte van Nu was geschept.
“Ik vond geen plaats”, zegt Khepera verder, om te [16]staan. Ik liet een toovermiddel op mijn eigen hart inwerken. Ik legde den grondslag voor Maät. Ik maakte iedere gestalte; ik was geheel alleen; ik had Shu niet uit mijzelf te voorschijn laten komen en de godin Tefnut niet uit mijzelf gespuwd. Er was geen ander wezen, dat met mij samenwerkte”.
Het zooeven gebruikt woord Maät beteekent wet, orde of regelmaat en uit de toespeling, dat hij een toovermiddel op zijn hart liet inwerken, mogen wij de conclusie trekken, dat Khepera bij het scheppingsproces van tooverkunst gebruik maakte, of het kan ook in den stijl van de Schrift beteekenen, dat hij bij zichzelf nadacht een wereld te scheppen.
De god gaat dan voort, dat uit den grondslag van zijn hart een menigte dingen te voorschijn kwam. De zon echter, het oog van Nu, was verborgen achter Shu en Tefnut en eerst na een onbepaalden tijd rezen deze twee wezens uit de watermassa op en brachten het oog van hun vader met zich.
In verband hiermede vinden wij, dat de zon, als oog, een zekere verwantschap met water heeft. Op dezelfde wijze verpandde Odin zijn oog aan Mimir voor een teug water uit de bron der wijsheid en wij zien, dat aan bronnen, welke beroemd zijn, doordat zij blindheid kunnen heelen, dikwijls legenden zijn verbonden van heiligen, die hun eigen gezicht opofferden.7
De kern van deze legende is waarschijnlijk de omstandigheid, dat de zon, als hij in het water wordt weerkaatst, het uiterlijk van een oog heeft. Zoo volgde het oog van Nu, Shu en Tefnut, toen zij uit het water oprezen. Shu is hierbij waarschijnlijk de voorstelling van het daglicht en Tefnut van de vochtigheid.
Khepera stortte hierop rijkelijk tranen en uit dezen kwamen de man en de vrouw te voorschijn. De God maakte hierna een ander oog; waarschijnlijk is hier de [17]maan bedoeld. Hierna schiep hij de kruiden en planten, al het kruipend gedierte, onder welken de slangen, terwijl uit Shu en Tefnut, Geb en Nut, Osiris en Isis, Set, Nephtys en Horus geboren werden. Dezen maken tezamen de groote goden van Heliopolis uit en hieruit kan men voldoende opmaken, dat het laatste gedeelte der geschiedenis een maaksel der priesters was.
Er was echter een andere lezing, klaarblijkelijk een scheppingsverhaal, dat de vereerders van Osiris moest bevredigen. In het begin van dit verhaal vertelt Khepera ons ineens, dat hij Osiris is, het begin der oerstof. Dit verhaal was zuiver een vrije bewerking der scheppingsmythen ten behoeve van den Osiriscultus.
In dit verhaal verhaalt Osiris, dat hij in den beginne geheel alleen was; uit de onbewegelijke wateren nu van Nu deed hij een goddelijke ziel opkomen, dat wil zeggen, hij gaf aan de oorspronkelijke watermassa een ziel uit zich zelf. De mythe gaat dan woord voor woord precies op dezelfde wijze voort als het verhaal, dat zich met het scheppingswerk van Khepera bezig houdt. Maar slechts tot zoover, want wij vinden, dat Nu eenigermate met Khepera is geïdentificeerd en dat Osiris verklaart, dat zijn oog gedurende een lange reeks van jaren bedekt was door lange struiken.
Hierop werden de menschen geschapen in een wordingsproces, ongeveer gelijk als in de eerste legende wordt beschreven. Uit deze verhalen zien wij, dat de oude Egyptenaren het geloof koesterden, dat een eeuwige godheid, die in een oer-watermassa woonde, waar hij geen steun voor zijn voet kon vinden, de watermassa onder zich van een ziet voorzag; dat hij de aarde schiep, door een toovermiddel op zijn hart te laten inwerken, bovendien uit zijn eigen bewustzijn voortkomende en dat dit hem plaats gaf, om daarop te blijven staan; dat hij verder de duisternis wegvaagde door de zon en de maan uit zijn oogen te vervaardigen. [18]
Na deze daden volgde de schepping van man en vrouw, die hij bijna niet bemerkte, n.l. door te weenen en daarna de schepping van planten, kruipend gedierte en sterren.
Bij dit alles zien wij het overblijfsel van een scheppingsmythe van een zeer primitief en onbeschaafd type, hetwelk meer gelijkt op de ruwe verbeeldingskracht van den Roodhuid, dan een opvatting, van welke men veronderstelt, dat zij is voortgekomen uit het bewustzijn van het klassieke Egypte.
Alle godsdienstsystemen echter ontspruiten uit dergelijk, weinig belovend materiaal en hoezeer men zich ook inspant om te bewijzen, dat de Egyptenaren in dit opzicht van andere rassen verschilden, kan men deze verdediging niet langen tijd staande houden en wel door het onomstootbaar bewijs der feiten.
In de teksten der Pyramiden vinden wij aanduidingen op andere goden, en sommige van dezen dragen zelfs geen naam. In den tekst van Pepi I b.v. zien wij, dat vereering aan een godheid wordt bewezen, welke drie gezichten heeft en storm brengt. Dit schijnt dus een wind- of regengod te zijn geweest en zijn voorkomen is overgebracht op de vier punten van het kompas, waaruit de vier winden komen. De tekst legt inderdaad hiervan bewijs af, terwijl zij zegt: “Gij hebt uw speer opgenomen, welke U dierbaar is, uw gepunt wapen, ’t welk in de oevers van de rivier dringt met zijn dubbele punt, evenals de pijlen van Ra en met een dubbel heft, evenals de haken van de godin Maftet”
In de teksten der Pyramiden vinden wij herhaaldelijk melding gemaakt van verschillende groepen van goden, elk uit 9 bestaande. Eén van deze gezelschappen der goden of Enneads, heette het Groote en een ander het Kleine, en eveneens wordt op de negen goden van Horus gezinspeeld. Het is echter onbekend, of deze groep in eenig opzicht in verband staat met een van beide andere. [19]
In de pyramidenteksten van Teta lezen wij insgelijks over een dubbele groep van achttien goden en dezen vinden wij eveneens in den tekst van Pepi I. Wellicht zijn deze achttien goden eenvoudig de Groote en Kleine Gezellen van goden bij elkaar genomen. In de teksten evenwel van Pepi I en Teta vinden wij een derde gezelschap van negen goden en dezen worden door de priesters van Heliopolis officieel erkend; deze drie gezelschappen worden voorgesteld door 27 symbolen, op een rij geplaatst, die het woord neter (god) vormen.
Hoewel men, indien men over deze gezellen der goden spreekt, steeds het getal negen gebruikt, moet men dit op rekening zetten van de benaming “Pesedt”, welke negen beteekent. In werkelijkheid toch bevat het “Kleine Gezelschap” elf goden, maar hun oorspronkelijk aantal was negen, en zooals Gaston Maspéro zegt, kan ieder van hen, voornamelijk de eerste en de laatste, ontwikkeld worden. Nu kan het zijn, dat een plaatselijke vereeniging van goden, zooals b.v. in Heliopolis, de goden van een anderen nome, of district, in zich heeft opgenomen op een of twee manieren; dat wil zeggen, dat de vreemde god geheel en al de plaats van den localen god heeft ingenomen, of naast hem is geplaatst. Aan den anderen kant kunnen vreemde goden in den hoofdgod van de Pesedt zijn opgegaan.
Wanneer een nieuwe god tot het gezelschap van andere goden werd toegelaten, sloot dit in zich, dat allen, die met dezen verbonden waren, op dezelfde wijze werden opgenomen; hun namen echter werden niet gerangschikt naast die van de vroegere medeleden.
Deze drie vereenigingen van goden werden in het tijdvak der 5e dynastie geheel en al tot ontwikkeling gebracht en het lijdt geen twijfel, of de Egyptische theologie heeft de vorming van dit pantheon aan de priesterkaste, welke te Heliopolis regeerde, te danken.
Aan de derde Pesedt gaven zij geen naam. De goden [20]van het eerste gezelschap waren Tem, Shu, Tefnut, Qeb, Nut. Osiris, Isis, Set, Nephtys. Soms treedt Horus als aanvoerder van het gezelschap op, in plaats van Tem. In den tekst van Unas vinden wij de namen van de goden van het Kleine Gezelschap opgegeven, maar voor het meerendeel zijn zij geheel en al onbelangrijk.
Het derde gezelschap wordt zelden vermeld en de namen van zijn goden zijn onbekend. De aarde, zoowel als de hemel en de onderwereld, hebben hun aantal goden en het is zeer waarschijnlijk, dat de drie gezelschappen der goden op een van deze drie streken betrekking hebben. De leden van elk gezelschap varieeren in verschillende tijdvakken en in verschillende steden. De groote locale god, of godin, was altijd het hoofd van het gezelschap in een bepaalde streek.
Zooals reeds is opgemerkt, kon hij met een andere godheid worden vereenigd. In Heliopolis b.v. was de voornaamste plaatselijke god Tem; de priesters verbonden den naam van Ra met den zijne en richten tot hem hun gebeden onder den naam van Ra-Tem. Teksten uit alle tijden toonen aan, dat de voornaamste locale goden van verschillende steden tot het laatst hun vooraanstaande plaats behielden.
Het Egyptische land was in provincies verdeeld, genaamd hesput, welke door de Grieken nomen werden genoemd; in elk van deze districten had een bepaalde god, of groep van goden, de opperheerschappij, terwijl het verschil voortsproot uit overwegingen, welke met het verschil van ras in verband stonden, of anderszins. Voor de bevolking van iedere nome was hun god de god par excellence, en het is duidelijk, dat in de oudste tijden de vereering van iedere provincie bijna in een aparten godsdienst overging. Deze verdeeling van het land moet in een vroege periode hebben plaatsgevonden en dit heeft gewis bijgedragen tot het bewaren van het verschil op godsdienstig gebied. [21]
De goden der nomen dateeren uit de tijden vóór de dynastieën, zooals men kan bewijzen uit inscripties, welke men voor de teksten der pyramiden dateert. Het aantal dezer provincies varieerde in de verschillende tijdvakken, maar het getal schijnt tusschen 35 en 40 te hebben afgewisseld.
Het zou geen doel hebben op deze plaats de verschillende goden der nomen op te sommen, daar verscheidene van hen onbekend zijn; wel zullen wij vermelden, waartoe zij behoorden. Verschillende nomen vereerden denzelfden god. Zoo werd, om een voorbeeld te noemen, Horus in niet minder dan 6 provincies aanbeden, terwijl Khnemu in 3 en Hathor eveneens in 6 districten werden vereerd.
Het woord, waarmede de Egyptenaren een god en verder alle bovennatuurlijke wezens van welken aard ook, aanduidden, luidde: neter. De meeste Egyptologen zijn van meening, dat de hieroglyph, welke dit woord voorstelt, op een bijl gelijkt, welke aan een langen steel is bevestigd. Sommige archaeologen zien in deze figuren een afbeelding van een rol van geel doek, waarvan het onderste gedeelte is vastgebonden, of vastgeregen, terwijl het bovenste gedeelte volgens hun meening een lap is, aan den top vastgebonden, klaarblijkelijk om te worden losgewonden. Eveneens is het vermoeden uitgesproken, dat het voorwerp een fetisch voorstelt, b.v. een been, zorgvuldig met doek omwonden en niet doek alleen.
Over de meeste goden, die gedurende de eerste 4 dynastieën zijn vereerd, weten wij bitter weinig, voornamelijk door het gemis aan schriftelijke overlevering, hoewel men sommige kent uit de inscriptie genaamd de “Palermo-steen”, welke over verschillende locale godheden aanwijzingen heeft.
Sommige gedeelten van het “Boek der Dooden” zijn wellicht gedurende de 1e dynastie herzien en hieruit kunnen [22]wij bewijzen, dat de godsdienst der Egyptenaren, zooals hij ons uit de latere teksten wordt geopenbaard, ten naaste bij gelijk was aan dien, welke gedurende de drie eerste dynastieën bestond.
Eerst in de 5e en 6e dynastie kunnen wij materiaal ontdekken om het Egyptische pantheon te bestudeeren en wel op de pyramiden van Unas. Teta, Pepi I en anderen. Het schijnt, dat in deze periode de eerste phase der Egyptische ontwikkeling is begonnen. Tevens is het duidelijk, dat het materiaal door de Pyramiden-teksten verschaft, verschillende lagen van godsdienstige gedachten en opvattingen in zich bevat, waarschijnlijk door ontelbare menschengeslachten aan de bouwers der pyramiden nagelaten.
In deze wondervolle teksten vinden wij de duidelijke voorbeelden van de meest primitieve en onbeschaafde godsdienstige elementen van animistischen, fetischistischen en totemistischen oorsprong; deze teksten hebben voor het meerendeel betrekking op de begrafenis en in verband hiermede houden zij zich het meest met de goden der onderwereld bezig.
Om deze eerste phase van het godsdienstig denken in Egypte goed te verstaan, is het zeer zeker noodig in het kort de goden, waarop in de teksten der Pyramiden gezinspeeld wordt, de revue te laten passeeren en voor het oogenblik hen, afgescheiden van de rest van het Egyptisch pantheon, te beschouwen. Op deze wijze moeten wij er ons voor hoeden deze begrippen bepaaldelijk te betitelen met namen als: watergod, dondergod, zonnegod en zoo voort.
In weerwil van de nasporingen der laatste halve eeuw, is de wetenschap der mythologie nog in haar kindsheid en zij, die op dit gebied arbeiden, beginnen nu te vermoeden, dat slechts variaties of phases van bepaalde godheden, [23]welke in het geheel geen afzonderlijke wezens waren, in vele gevallen aanleiding tot het vermoeden hebben gegeven, dat zij iets tot een afzonderlijke wezen vormden, wat dit in het geheel niet verdiende.
De goden van het Grieksche of Romeinsche pantheon zijn zonder twijfel goede voorbeelden van goden, van wie de kenmerkende eigenschappen geheel en al zijn vastgesteld. Zoo kan men zeggen, dat Mars de god van den oorlog, Pallas Athene de godin der wijsheid is; dit waren echter louter de eigenschappen, door deze goden verkregen, welke in de publieke opinie het meest populair waren.
Onderzoekingen van jongeren datum hebben het bewijs geleverd, dat de meeste goden der Grieken en Romeinen tot oudere vormen kunnen worden teruggebracht; sommige van hen bezitten verschillende attributen, andere daarentegen zijn van eenvoudiger vorm dan de latere opvatting over hen zou doen vermoeden.
Verschillende goden, die later een andere strekking hebben gekregen, zijn zonder twijfel met de natuurverschijnselen verbonden. Op deze wijze ontstond er een verbinding tusschen de goden van den regen en den donder en bliksem; het bezit van een lichtenden pijl is vaak een aanduiding op de jacht of den oorlog; alle maangodheden zijn tevens goden der vochtigheid en beschermers der geboorten. Sommige regengoden zijn tevens de beheerschers der winden, van de dooden, het weerlicht, den oorlog, de jacht, de beschaving en zoo voorts.
De zonnegod, in zijn kwaliteit van beheerscher van den hemel, kan tevens alle meteorologische verschijnselen veroorzaken. Hij is de god van den wasdom, den rijkdom, daar het goud de gele kleuren van zijn stralen bezit; hij kan tevens de reizigers beschermen, daar hij zelf den hemel doortrekt en zoo bestuurt hij onbeperkt alle onderdeelen van het menschelijk bestaan.
Men kan zich verder voorstellen, dat uit het polytheisme [24]langzamerhand een soort van monotheisme is ontstaan, waarbij één god de heerschappij over het geheele menschdom verkreeg of, om het anders uit te drukken, het is mogelijk, dat één god zoo populair werd, of de priesters van dezen zoo machtig werden, dat alle andere godsdiensten bij zijn verbreiding en groei in het niet zonken.
Aan den anderen kant echter kan het polytheisme zeer goed ontstaan zijn uit een vroegeren vorm van monotheisme,8 terwijl dit weer op zijn beurt een voortbrengsel is van een volslagen fetisch of totem, want de attributen van een grooten eenvoudigen god kunnen in de handen van een volk, dat zich nog gedeeltelijk in een phase van animisme bevindt, zoo van een persoonlijkheid doordrongen worden, dat zij geheel en al aparte wezens schijnen te zijn.
Bij de behandeling van de goden, waarop in de Pyramiden-teksten wordt gezinspeeld en van wie verscheidene klaarblijkelijk zijn afgeleid, moeten wij ons herinneren, dat, hoewel het noodzakelijk is, hen meer of minder te omschrijven, men de stof van dit hoofdstuk in het oog moet houden.
Het is toch niet ons doel geheel en al over de natuur of de karakteristiek van de goden, in de Pyramiden-teksten vermeld, beschouwingen te houden, doch zuiver en alleen een korte schets van hen te geven, zoodat de lezer in staat is zich een idee te vormen over den Egyptischen godsdienst in het algemeen gedurende de oudste dynastieën.
De godin Net of Neith, die in de Pyramiden-teksten van Unas wordt vermeld, is een gestalte, waarin wij een personificatie van den mist of den regen kunnen ontdekken, daar zij met een pijl wordt afgebeeld, het symbool van den bliksem. Horus met zijn havik-hoofd (waarschijnlijk oorspronkelijk een havik-totem), is een van de [25]manifestaties van den zonnegod, van wien hij wellicht is afgeleid en met wien hij verwant is. Khepera, dien men eveneens, in de teksten van Unas vindt, is een andere vorm van den zonnegod. Het bezit van de afbeelding van den kever is een symbolische voorstelling van de wijze, waarop de zon zich wentelt langs den hemel, zooals de Egyptische kever, of scarabaeus zijn eieren over het zand voortwentelt.
Khnemu, met een hoofd van een ram voorzien, wiens naam beteekent vernietiger, of vereeniger, was klaarblijkelijk de totemistische godheid van een vreemd volk, dat zich in Egypte vestigde, welke het tot een godheid bracht, of misschien het geloof aan één god wist te verwekken, dan wel tenminste voor schepper werd gehouden en in den Egyptischen godsdienst met al zijn attributen is opgenomen. Sebet, de krokodillengod, Ra en Ptah, twee andere gestalten van den zonnegod, Nu, de waterachtige massa van den hemel, deze allen komen eveneens in de Pyramiden-teksten van Unas en Teta voor, evenals Hathor.
De Egyptische godsdienstige leerstellingen bevorderden zorgvuldig de idee het menschelijk lichaam na den dood voor bederf te vrijwaren. In de oudste periode werpen de begrafenissen van dien tijd het meeste licht op de natuur van het godsdienstig geloof.
Het lijk werd, als het begraven werd, in een zoodanige houding neergelegd, dat men kan vermoeden, dat het tevoren dubbel was gevouwen. De knieën raakten de kin aan en de handen werden over het gelaat uitgespreid. Het hoofd werd naar het Westen gekeerd. In den lateren prae-historischen tijd werd het lichaam dikwijls stevig omwonden met lappen, welke strak werden aangetrokken, om alle beenderen evenwijdig aan elkander te doen liggen. In nog later prae-historischen tijd werd een minder stijve [26]lichaamshouding toegelaten, welke een ruimere ligging gedoogde.
In nog lateren prae-historischen tijd omwond men het lijk met linnen kleedingstukken. Het werd met allerlei voorwerpen omringd, welke voor zijn gebruik, voedsel of verdediging in de andere wereld waren bestemd, of wellicht voor het gebruik van zijn ka; zoo treft men steenen vaatwerk aan met bier, verschillende soorten zalf, steenen messen en speerpunten, halssnoeren en andere voorwerpen, welke de overledene gedurende zijn leven had gebruikt. Men plaatste verder amuletten op zijn lichaam om dit tegen den invloed van booze geesten, zoowel op deze wereld, als in het leven hiernamaals, te beschermen.
In het Oude Rijk, dat men het tijdvak der Pyramiden kan noemen, komt een nieuwe wijze van begraven in zwang, en wel een eenvoudige soort van mummificatie. Men heeft goede reden aan te nemen, dat dit gebruik uit de vereering van Osiris, den god der dooden, is ontstaan en dat dit op krachtige wijze zijn invloed heeft doen gelden op de toekomstige begrafenisgebruiken en alle theologische gedachten en gebruiken.
Tusschen den tijd echter, welken wij den prae-historischen kunnen noemen en dien van de Pyramiden, waren nog verschillende andere wijzen van begraven gebruikelijk. De Pharaoh werd, gedurende de eerste dynastie, in een ruim rechthoekig gewelf van baksteen, dat verschillende kamers bevatte, doch van buiten af ontoegankelijk was, bijgezet. In een van deze kamers werd het lichaam van den koning neergelegd en in de andere vertrekken verschillende offeranden en gereedschappen geplaatst.
Het geheel was louter een verdere phase van de prae-historische wijze van begraven. In het uitwendige van de graftombe bevonden zich nissen, door welke de ka van den gestorven koning in staat zou zijn naar believen de graftombe te verlaten en weer binnen te gaan. [27]
Rondom het geheele gewelf was een muur gebouwd, van tijd tot tijd werden versche offeranden voor den gestorven heerscher in de nissen geplaatst en waarschijnlijk was over het geheel een hoogte van aarde, of baksteen aangebracht.
De naam van den monarch werd in hieroglyphen op een groote, marmeren gedenkplaat aan de buitenzijde gegrift, zonder eenige nadere aanduiding over zijn leven, karakter, of daden. Verscheidene van deze oude koningsgraven bevatten tevens de graven van vrouwen, bedienden en honden. Deze wijze van offering, welke inderdaad tot het Neolithisch tijdvak behoort, had ten doel den koning gezelschap te geven en hem van dienst te zijn bij zijn verlangens en behoeften in het nieuwe leven; later echter hield men met deze offers op en in plaats van het offer zelf werden de beeltenissen van vrouwen, of onderkoningen, in de koninklijke tombe aangebracht.
Langzamerhand is uit deze rustplaats de grootsche opvatting der pyramiden ontstaan. Inderdaad is de pyramide niets anders dan een groot grafgewelf, een reusachtige grafheuvel, waarop in plaats van steenen of rotsblokken, groote blokken graniet werden opgestapeld. Dikwijls is de grafkamer, welke zij bevat, niets anders dan een gewelf, dat men door een nauwen doorgang, of galerij, kan bereiken, en dat men terstond na de begrafenis van den koning zorgvuldig dichtmetselde.
Oorspronkelijk waren deze grafkamers van geen enkele versiering voorzien en eerst tegen het einde van het Midden-Rijk werd het gewoonte ze met teksten te beschrijven, welke op het toekomstig leven betrekking hadden. Op deze wijze ontstonden deze wondervolle pyramiden-teksten, uit welke wij zooveel over het leven van het oude Egypte hebben geleerd.
Aan de Oostzijde van de pyramide werd een tempel [28]gebouwd, welke aan de vereering van den gestorven monarch was gewijd en in welke plichtsgetrouw en punctueel offeranden aan zijn schim werden gebracht. Daar hij na zijn dood tot een godheid werd verheven, werd zijn beeld in deze kwaliteit van godheid in een vertrek geplaatst, dat speciaal hiervoor was ingericht.
De eigenlijke steenmassa, waaruit de pyramide zich heeft ontwikkeld, kan teruggebracht worden tot de beschermende muur van de graftombe. In de derde dynastie heeft men deze kleine afsluitmuur met een dak voorzien en tot een stevige massa van metselwerk uitgebreid, welke door de Arabieren Mastaba werd genoemd, eigenlijk een afgeknotte pyramide.
Dit metselwerk werd later gedurende dezelfde dynastie in steen nagebootst, zooals bij Saqquara en door herhaalde toevoegingen en successievelijke bekleedingen van metselwerk vergroot. Ten slotte kreeg het geheel een omhulsel van blokken kalksteen en krijgen wij een bouw zooals de pyramide van Medum.
De bouw in den vorm van pyramiden is typisch Egyptisch en zelfs daar beperkt zij zich tot het tijdvak tusschen de 4e en 11e dynastie, of voor 3000 v.C. Ten onrechte heeft men de teocalli van Mexico en Midden-Amerika, ook trappentempels genoemd, over ’t algemeen met de pyramiden vergeleken; deze laatsten toch waren een plaats van vereering, terwijl de Egyptische vorm alleen een begraafplaats was. Een vast plan lag aan deze reusachtige bouw ten grondslag. Sommige schrijvers hebben opgemerkt, dat de pyramiden door het bloote toeval zijn ontstaan en door woeste krachten. Het is er ver van af, dat dit juist is; integendeel, zij werden met groote zorg gebouwd en wiskunstige berekeningen, buitengewoon ingewikkeld, liggen aan het plan van den bouw ten grondslag. [29]
De oudste pyramiden werden samengesteld uit horizontale lagen van ruw gehouwen steenblokken, voornamelijk door hun eigen gewicht bijeen gehouden, doch de tusschenruimten werden met kalk aangevuld. In de latere phase van den bouw bestond de kern hoofdzakelijk uit puin, waarvan steenen en leem de voornaamste bestanddeelen uitmaakten. Dit werd aan de buitenzijde met een fijn steenen omhulsel bedekt en zorgvuldig bekleed en de doodenkamers geven een gelijke zorgvuldige constructie te aanschouwen. Dezen werden gewoonlijk beneden den beganen grond gemaakt en door een gang aan de Noordzijde der pyramide kreeg men tot dezen toegang. Gewoonlijk waren de doodenkamers één- of meermalen door granieten blokken uit één stuk versperd en soms werden zij door steenen deuren afgesloten, welke om een spil konden draaien, opdat de priesters, indien zij dat begeerden, er binnen konden gaan.
De eerste pyramide wordt op naam gezet van Cheops of Khufu en bevindt zich bij Gizeh. De tweede wordt toegeschreven aan Dad-ef-ra en werd bij Abu Roash gebouwd. Khafra werd in de tweede pyramide van Gizeh bygezet en de pyramide bekend onder den naam van “Bovenste”, welke zich op dezelfde plaats bevindt, werd door het lichaam van Menkaura ingenomen. De kleinere bouwwerken bij Gizeh naast de groote en derde pyramide werden voor de familieleden van Khufu en Khafra opgericht.
Verscheidene pyramiden, waarop in de teksten toespelingen worden gemaakt, zijn of geheel en al verdwenen, of kunnen niet meer geïdentificeerd worden.
Zoo is de plaats, waar Shepseskaf is begraven en welke onder den eigenaardigen naam van “de Koele” bekend is, onbekend. Wij kunnen ons de zorgvuldig geschoren priesters voorstellen, die een toevlucht zochten in de dicht [30]beschaduwde gangen, om zich tegen de gloeiende Egyptische zon beschutten. Zonder eenigen twijfel vond de ka van Shepseskaf de schaduw van zijn begraafplaats aangenaam genoeg, wanneer hij met zijn mummie het damspel beoefende in zijn ontoegankelijke vertrekken. Men weet thans, dat de pyramide van Menkauhor, “het goddelijkste gebouw” zich ergens in de buurt van Saqquara bevindt, doch welke van de statige bouwwerken daar ter plaatse aan hem kan worden toegeschreven, kan men onmogelijk uitmaken.
Hetzelfde is het geval met de pyramide van Assa, welke op tafeltjes wordt vermeld te Saqquara, Karnak en elders. Deze was “de Schoone” genaamd. Evenmin kan “de schoon oprijzende” van Rameses en het “krachtige leven” van Neferarkara voldoende worden aangewezen.
Het is zeer onwaarschijnlijk, dat deze bouwwerken zoo geheel en al in puin zijn gestort, dat er geen enkel spoor van is overgebleven, tenzij zij van steenen, uit leem vervaardigd, zijn gebouwd. De pyramide van Amenemhat III, welke uit deze grondstof was gebouwd, bestaat echter nog, evenals die van Senusert III bij Dahshur.
Er is in den laatsten tijd zooveel geschreven over de pyramiden, dat het geen doel zou hebben, verder op dit onderwerp in te gaan in een werk als het onze, daar dit zich slechts ten doel stelt over de mythologie der Egyptenaren te verhalen en een schets te geven van hun beschaving en kunst. De lezer kan in het algemeen weinig belangstelling koesteren in louter afmetingen en ruimtebeschrijvingen.
Zooals reeds is opgemerkt, was de mummieficeering blijkbaar een uitvinding, bij den dienst van Osiris behoorende. De priesters van Osiris leerden, dat het menschelijk lichaam een heilig voorwerp was en dat het niet mocht overgelaten worden aan de wilde dieren der woestijn [31]omdat hieruit het schitterend en herboren omhulsel van den gereinigden geest zou ontstaan. Het schijnt, dat men in prae-historischen tijd proeven heeft genomen het lichaam voor bederf te bewaren, of door het in de zon te laten drogen, of door het lichaam met een harsachtig preparaat in te smeren en in den loop der eeuwen ontwikkelde deze eenvoudige behandeling zich tot de kunst van het balsemen, tot in de kleinste bijzonderheden nauwkeurig uitgevoerd, met weliswaar duister, doch schilderachtig ceremonieel.
In de tijden van het Midden-Rijk, zooals men kan zien uit de graven van Beni Hassan, heerschte het gebruik de inwendige organen te verwijderen en dezen in een kruik te leggen, in vier afdeelingen verdeeld, welke betiteld waren met de namen der 4 hemelgoden, die hen bewaakten.
In sommige graven uit dezen tijd maakten zij, die voor de begrafenis te zorgen hadden, eenvoudig pakjes, van welken men, door een opschrift op dezen, veronderstelde, dat zij de bedoelde organen bevatten, terwijl zij zonder eenigen twijfel geloofden, dat deze schriftelijke verklaring een magische kracht had en evenzeer voldoende was, als wanneer zij werkelijk daar aanwezig waren.
Tot de periode van het Nieuwe Rijk vinden wij niet, dat het proces van mummieficeering eenigen graad van nauwkeurige bewerking heeft bereikt. In het begin werd zij tot de Pharaohs alleen beperkt, daar dezen met Osiris werden geïdentificeerd; de noodzakelijkheid evenwel van een gevolg, hetwelk hen in de duistere woningen van de Tuat moest dienen, schreef voor, dat hun hovelingen eveneens werden gebalsemd.
De gewoonte werd daarna door de rijken overgenomen en drong van rang tot rang door, totdat ten laatste zelfs het lijk van den armsten Egyptenaar op zijn minst aan een proces van indompeling in een bad van natron onderworpen was.
In de 20e dynastie bereikte de kunde haar hoogtepunt. [32]In dezen tijd was het proces zeer kostbaar en een mummieficeering, welke tot in alle nauwkeurigheid was uitgewerkt kostte ongeveer ƒ 7200, volgens onze munt berekend.
Wanneer de verwanten van den gestorvene de beroepsbalsemers raadpleegden, toonden dezen hun verschillende modellen van mummies en uit dezen kozen zij er een. Het lijk werd daarna aan de balsemers toevertrouwd. Om te beginnen spoten zij een bijtend vocht in de hersenholte, hierna werd de zacht gemaakte inhoud van deze door middel van met haken voorziene instrumenten door de neusgaten verwijderd.
Een mummiemaker, wiens beroep hem bijna tot een pariah maakte, voor zoo heilig hield men namelijk het menschelijk lichaam, maakte met een steenen mes een insnijding in het lichaam, een werktuig, dat hierdoor bewijst eenmaal in den prae-historischen tijd van nut te zijn geweest. De voornaamste inwendige organen werden uit het lichaam verwijderd, gewasschen en in palmwijn gedoopt.
Hierna onderging het lichaam een uitdrogingsproces en werd in sommige tijden of van het vleesch ontdaan terwijl de huid alleen overbleef, of met zaagsel, dat zorgvuldig door inkervingen in het lichaam werd gebracht, opgevuld, zoodat de natuurlijke vorm geheel en al werd hersteld.
De holten, door het wegnemen der organen ontstaan werden wellicht opgevuld met myrrhe, cassia of andere kruiden. Wanneer het lichaam weer was dichtgenaaid, werd het daarop in een bad van natron gelegd en wel gedurende een tijd van zeventig dagen en vervolgens in linnen gewikkeld, dat in een kleverige vloeistof was gedoopt. Een kist werd vervaardigd, welke den vorm van het menschelijk lichaam had en op levendige en kunstige wijze beschilderd was met afbeeldingen van goden, amulets, symbolen en eenige voorstellingen van een begrafenis.
Een afbeelding van het gelaat van den gestorvene [33]kwam nog bij deze schilderingen en de korte vleugel, het zinnebeeld van den levenden Egyptenaar, prijkte in meer of minder fraaie kleuren boven dit conventioneele doodenmasker, dat over het algemeen slechts weinig gelijkenis met den doode vertoonde.
De kruiken, waarin de ingewanden werden gelegd, hadden deksels, welke zoo gesneden waren, dat men er de afbeelding van een menschelijk hoofd uit kon opmaken, maar na de 18e dynastie werden de hoofden van de vier zoons van Horus, Medi, met het menschelijk hoofd, Hapi, die met den kop van een aap wordt afgebeeld, de jakhals Tuamutef en de valk Qebhsennuf, de beschermgeesten van het Noorden, Zuiden, Oosten en Westen op de deksels der kruiken afgebeeld.
In de kruiken werden de maag, de longen, het hart, de lever en de galblaas gelegd. Deze kruiken werden in de graftombe naast de mummie geplaatst, zoodat deze, bij zijn herrijzenis, gemakkelijk de beschikking er over kon hebben. Nu is het een treffende bijzonderheid, dat wij een gelijkenis met deze genii vinden onder de oude Maya van Midden-Amerika, die vier goden bezaten aan ieder punt van het kompas geplaatst, om den hemel te schragen. Hun namen waren Kan, Muluc, Ix en Cauac, of volgens andere schrijvers Hobnil, Kanzicnal, Zaczini en Hozanek en men heeft vastgesteld, dat de Maya bij hun begrafenissen gebruik maakten van grafkruiken, bacabs genaamd, welke de ingewanden van den doode bevatten9. Vreemd genoeg maakten de oude Mexicanen eveneens gebruik van een soort mummificeeren, evenals de inwoners van Peru10.
Het huisraad in de graven der Egyptenaren uit de hoogere standen was kunstig bewerkt en kostbaar; men [34]vindt daar stoelen, kruiken, wapens, spiegels, ja soms zelfs wagens en pruiken! Vanaf den tijd van het Midden-Rijk (de 18e dynastie) werden kleine beeldjes, ushabtiu genaamd, in elke graftombe geplaatst. Dezen stelden verschillende beroepen voor en men veronderstelde, dat zij de gestorvenen in de andere wereld bijstonden, of dienden. De muren van de grafkamer en de zijden van sarcophaag werden gewoonlijk ingenomen door teksten uit het “Boek der Dooden” of formules, geloften inhoudende, brooden, ganzen, bier en andere behoeften aan den ka van den gestorvene te zullen offeren.
De begrafenisplechtigheid was statig en indrukwekkend. Soms gebeurde het, dat het lijk over water moest gevoerd worden en in dat geval had de processie plaats door middel van fraai geschilderde booten; in het andere geval bewoog zich de schare van rouwdragenden langzaam langs den Westelijken oever van de rivier den Nijl.
De begrafenisplechtigheid schijnt bijna altijd een theatraal karakter te hebben gedragen en was een symbolische voorstelling van de nachtelijke reis van Ra-Osiris. De voorgeschreven gebeden werden opgezegd en daarna werd wierook verbrand. De nabestaanden van den gestorvene waren luidruchtig in hun klachten en werden in dezen bijgestaan door mannen, die van dit klagen een beroep maakten; dezen begonnen luide en doordringend te klagen, wanneer de stoet langzaam de mastaba, of graftombe naderde, waarin de mummie zou worden bijgezet.
Deze werd uit de kist genomen, wanneer zij de deur van haar toekomstig verblijf had bereikt en rechtop tegen den muur van de mastaba geplaatst door een priester, die een masker van god Anubis, met het hoofd van een jakhals, droeg. Was men zoo ver gekomen, dan begon een nieuwe uitvoerige plechtigheid, bekend onder de benaming van het openen van den mond. Onder vele formules en symbolen werd de mond van den gestorvene door middel van een haak geopend, waarna men geloofde, dat [35]hij in staat was te spreken, te eten of te drinken. Een speciale lectuur is over dit gebruik ontstaan, bekend onder den naam van: “Het boek betreffende het openen van den mond”. Zorgvuldig bewerkt en talrijk waren de werktuigen, welke men voor deze plechtigheid gebruikte: de pesh-ken, of haak, vervaardigd van een steen van rose kleur, het mes van grijs-groenachtige steen, de vazen, kleine steenen messen, welke het “metaal van het Noorden” en het “metaal van het Zuiden” voorstelden, de zalven, olie enz.
Onbegrensd was het ceremonieel, indien de overledene een man van aanzien was, daar op zijn minst 28 formules moesten worden opgezegd, terwijl verschillende van dezen vergezeld gingen van reiniging, zuivering en verwisseling van kleeding door de priesters, die den dienst leidden. De kist, welke de mummie bevatte, werd daarna in het grafgewelf neergelaten door een lang touw en door de doodgravers aangenomen.
De gestorvene was eigenlijk voor het bestaan in de onderwereld aan de genade van de levenden overgeleverd. Indien zijn nabestaanden niet doorgingen met offers te brengen, dan was hij inderdaad in een ellendigen toestand, want zijn ka moest in dat geval sterven. Deze ka was zijn dubbelganger en kwam op hetzelfde tijdstip als hij op de wereld.
De ka moet scherp onderscheiden worden van de ba, of ziel, welke gewoonlijk na den dood van hem, die haar bezat, de gedaante van een vogel aannam en zij was inderdaad in staat de gedaante aan te nemen, welke zij wenschte, indien de begrafenisplechtigheden correct in acht genomen waren.
Sommige Egyptologen zien in de ka een bijzondere, actieve kracht, welke het menschelijk wezen met leven vervult en zien hierin een equivalent met de Hebreeuwsche [36]uitdrukking voor “geest”, in onderscheid met “ziel”. In het boek Genesis hooren wij, dat God den levensadem in den mensch blies en hij leefde. Op gelijke wijze legde de God der Egyptenaren zijn arm achter de oergoden en terstond kwam zijn ka over hen en zij leefden.
Als de mensch stierf, verliet zijn ka het lichaam, maar hield toch niet op hierin belang te stellen en bij gelegenheid bezielde hij het weer. Het was voor de ka, dat de Egyptische graven zoo goed voorzien waren van eten en drinken en alle noodzakelijke behoeften, om niet te zeggen weelde, voor het bestaan.
De ba bleef niet, zooals we reeds zagen, bij het lichaam, maar nam na den dood vleugels aan. Onder onbeschaafde volken—b.v. de inboorlingen van Amerika—heerscht dikwijls de opvatting, dat de ziel de gedaante en eigenschappen van een vogel bezit. Het gemak, waarmede de vogel zich door het onmetelijk luchtruim voortbeweegt, zijn vermogen om te vliegen, hetwelk men niet begrijpt, zijn geheimzinnig gezang, zijn verwantschap met den hemel zijn oorzaak, dat hij tegelijk een vreemd en benijdenswaardig wezen is.
Zulk een vrijheid, aldus redeneeren primitieve menschen, moet de bevrijde ziel hebben, wanneer zij niet meer gekluisterd is aan het lichaam, dat haar belemmert. Evenzoo moeten goden en geesten van vleugels voorzien zijn en zoo zal het met hem zelf zijn gesteld, hoopt hij, wanneer hij zijn sterfelijk omhulsel heeft afgeschud en op vleugels naar de hemelsche woningen zal opstijgen.
Zoo gelooven de Bororos van Brazilië, dat de ziel de gestalte van een vogel bezit. De Bilquila Indianen van Britsch-Columbia koesteren het geloof, dat de ziel in een ei huist, dat zich in den nek bevindt en dat bij den dood het ei wordt geopend en de vogel, door dat ei uitgebroed, wegvliegt. [37]
Uit de Boheemsche folklore leert men, dat men onder het volk zich de ziel als een witten vogel voorstelt. De Maleiers en Battakkers van Sumatra beelden het onsterfelijk deel van den mensch eveneens in de gestalte van een vogel af, zoo ook de inboorlingen van Java en Borneo. Wij zien dus, dat de Egyptische opvatting in verschillende landen haars gelijke heeft. Nergens echter vinden wij een zoo diep gevestigd geloof, dat zich gedurende een onafgebroken tijdperk heeft staande gehouden, als in het Nijldal.
Geen enkel volk heeft zooveel gewicht gehecht aan de vereering der dooden, noch dezen in zoo hoog aanzien gehouden, als de Egyptenaren. Wij overdrijven niet, indien wij zeggen, dat het leven van een Egyptenaar, tenminste van een, die tot de hoogere standen behoorde, een voortdurende voorbereiding tot den dood was. Het is echter waarschijnlijk, dat hij, door de kracht der gewoonte en omgeving, zich van deze omstandigheid niet bewust was. Het is gevaarlijk een stelling op te werpen met betrekking tot een geheel volk. Doch indien ooit eenig volk het leven beschouwde zuiver en alleen als een oefenschool, of voorbereiding tot de eeuwigheid, dan was het zeker wel dit geheimzinnige en bekoorlijke menschenras, waarvan de uitgestrekte ruïnes de oevers van de oudste rivier van de wereld bedekken en als het ware met minachting neerzien op de minder majestueuze ondernemingen van een beschaving, welke zich van het tooneel van hun myriaden verwonderlijke dooden heeft meester gemaakt. [38]
1 Eenige mythologen spreken ook nog over een vorm van geloof, welke door hen wordt aangeduid met den naam van prae-an