Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Het zwevende schaakbord, by Louis Couperus

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Het zwevende schaakbord

Author: Louis Couperus

Release Date: January 31, 2005 [EBook #14850]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET ZWEVENDE SCHAAKBORD ***




Produced by Miranda van de Heijning and the Online Distributed
Proofreading Team






Het Zwevende Schaakbord

LOUIS COUPERUS

HET ZWEVENDE SCHAAKBORD

NEDERL. BIBLIOTHEEK

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR—AMSTERDAM

1922

GEDRUKT TER DRUKKERIJ VAN DE WERELDBIBLIOTHEEK


Het Zwevende Schaakbord

INHOUDSOPGAVE

EEN WOORD VOORAF
HOOFDSTUK I
HOOFDSTUK II
HOOFDSTUK III
HOOFDSTUK IV
HOOFDSTUK V
HOOFDSTUK VI
HOOFDSTUK VII
HOOFDSTUK VIII
HOOFDSTUK IX
HOOFDSTUK X
HOOFDSTUK XI
HOOFDSTUK XII
HOOFDSTUK XIII
HOOFDSTUK XIV
HOOFDSTUK XV
HOOFDSTUK XVI
HOOFDSTUK XVII
HOOFDSTUK XVIII
HOOFDSTUK XIX
HOOFDSTUK XX
HOOFDSTUK XXI
HOOFDSTUK XXII
HOOFDSTUK XXIII
HOOFDSTUK XXIV
HOOFDSTUK XXV
HOOFDSTUK XXVI
HOOFDSTUK XXVII
HOOFDSTUK XXVIII
HOOFDSTUK XXIX
HOOFDSTUK XXX
HOOFDSTUK XXXI
HOOFDSTUK XXXII
HOOFDSTUK XXXIII
HOOFDSTUK XXXIV
HOOFDSTUK XXXV

EEN WOORD VOORAF

In de meeste gevallen is het woord, dat het eigenlijke werk vooraf gaat, een woord, dat den lezer doet meesmuilen, want de lezer houdt, in de meeste gevallen, al heel weinig van "Woorden Vooraf". Als schrijver dweep ik er ook niet meê, maar, in dit bizondere geval, dit geval van mijn Zwevende Schaakbord, geloof ik, dat Een Woord Vooraf wel eenigszins van nut zal zijn en hoop ik, dat de lezer het niet over zal slaan, zoo als ik zelve met zoo vele Woorden Vooraf tot mijn schade en schande gedaan heb. Want zie, om den avonturen-roman van Het Zwevende Schaakbord te lezen, is het volstrekt geen vereischte, dat de lezer zich heelemaal op de hoogte stelle der Middeneeuwsche Romans van de Tafel-Ronde, het zij die in de Wallische taal ontstonden, het zij die later door Chrestiens de Troyes, in het Fransch, in volmaakteren vorm werden gedicht, maar de atmosfeer, die om dit Zwevende Schaakbord hangt, zal den meesten lezers wel een heel vreemde zijn, en de schrijver voelt zich verplicht hen even "er in te brengen", vóór hij zijn Schaakbord laat zweven....

Laten wij ons dus een oogenblik herinneren, dat, na de grootsche, epische, maar dikwijls ruw-zedige Middeneeuwsche romans-in-verzen, die, na Charlemagne's dood, de sagen bezongen der dappere Pairs des grooten Keizers en waarvan de Chanson de Roland het prachtige voorbeeld is, een nieuw ideaal ontstaat voor de Ridderschap en voor de Litteratuur, die haar bezingt. De Kruisvaarders hebben Jeruzalem ingenomen, zij hebben het Oosten gezien, zij zijn met een Oosterschen schat, zoo wel van materieele weelde als van morgenlandsche poëzie terug gekeerd in hunne haardsteden en geheel nieuwe ideeën en idealen schitteren hun voor de oogen hunner verfijndere zielen. Hun ridderlijke geest is niet meer alléén bezield door den drang machtig en krachtig te zijn en alom te overheerschen. Men zoû kunnen zeggen: werd in de Karel-romans een Frankisch-Germaansch ideaal van macht en kracht naïef-weg nog zonder veel meer gehuldigd, in de Koning-Artur-romans, die het gevolg zijn der nieuwe cultuur, staat vooral een geheel Latijnsch ideaal den ridder zoowel als zijn zanger voor oogen. Dat ideaal is vooral de "hoveschhede"; de "hoofschheid" is boven alles hèt ideaal. Maar deze "hoofschheid" is zéér gecombineerd; deze "hoofschheid" bestaat uit eene zeer samengestelde mengeling: eerstens de nog antieke, blinde trouw en gehoorzaamheid van vazal aan leenheer, van ridder aan koning, en daarna de eerbiedige hulde van dien zelfden ridder aan de Vrouw. De Vrouw—zij werd in Karel-sage en Karel-roman weinig herdacht, zij trad tusschen de oermannelijke Pairs al zeer weinig met hare teedere vrouwelijkheid op den voorgrond; zij kreeg van den woedenden, grammen "baroen", die haar gemaal was, wel eens een vuistslag, die haar het aangezicht tot bloed sloeg; zij werd, als dit te pas kwam, bij de haren over den grond gesleurd.... Dit is geheel veranderd. Gebeurt het nog wel eens, dat een ridder zich aan de Vrouw vergrijpt, zoo wordt hij een "feloen" gescholden, "een schurk ende een ruffiaen" en iedere "hoofsche" ridder zal dadelijk voor de beleedigde Vrouw in het krijt treden en zijn bloed veil hebben om haar te wreken en te verlossen. En de schoonste en hoogst gehuldigde van alle Vrouwen is de Heilige Maagd, wie de "hoofsche" ridder zijne innigste "hoveschhede" wijdt en voor wie de vinder, die Haar bezingt, zijne meest eerbiedige, maar tevens zijn meest galante en "courtoise" termen zal weten te kiezen.

Een nieuw element in de Koning-Artur-romans is tevens de magië ende de tooverië. Bedenken wij wel, dat de eerste bronnen zijn de Keltische en Wallische sagen, die zich om de werkelijk historische figuur van een zekeren koning, Artur, weven, met herinneringen aan de geheimzinnige Angelsche wouden, herinneringen aan de Druïden-mysteriën, herinneringen aan vroegere eeuwen, toen een somber, vreemd half Heidensch, half Christelijk mystiek element zich openbaarde in eene natuur, die met zware wolken, eeuwigen wind en geheimvolle wouden en wildernissen, den bewoner van Wallis, Brittannië, Noord-Frankrijk omgaf. De tijden zijn nu veranderd; de ridder, uit het Heilige Land terug, in zijn kasteel en genietende daar tusschen zijne "maisniede"—hof- en huishouding—fijnere weelde met, door zijn blik op de wereld, verwijde levensopvatting, wenscht te hooren van "sa propre vie en beau" zoo als Taine[1] het zoo goed uitdrukt, en de vinder schrijft hem den nieuwen ridderroman, dien de jongleur hem toezingt in zijne burchtzaal, terwijl de veêler, op zijne veêl, het epische reciet begeleidt. De edelvrouwen hooren toe, bekoord om de nieuwe "hoveschhede", die "courtoisie", waarbij zij niets dan gewonnen hebben in de "vernoye" of verveling van haar niet altijd amuzante burchtleven. De ridder herkent in de "jeeste", de "chanson de geste", als de roman heet, zijne eigene, ridderlijke lotgevallen, maar gefestoeneerd met allerlei cier en zwier: draken bekampt hij er in en wel honderd vijanden verslaat hij alleen in een enkele ure; reuzen bestrijdt hij en verschrikkelijke reuzinnen en dan bekoort hem vooral te hooren van die zonderlinge tooverië, van die mysterie-volle magie: de Heilige Graal, waarnaar de Ridders van Tafel-Ronde op "queste"—zoekingstocht—gaan; de Speer van Longinus, die Gods Zone, aan het Kruis, stak onder het harte en sedert, bloedende, Zweeft door de luchten.

[1]

Histoire de la Littérature Anglaise.

Het is merkwaardig, hoe, in deze berijmde ridderromans—en rijm en rhythme zijn wel veel luchtiger en bevalliger geworden dan zij in de zware, monotone couplets similaires[2] van de vroegere Karel-romans waren—deze tooverië, deze magië verwant is aan zekere verfijnde werktuigkunde, waarmede vermoedelijk in die, na de verzwijmde overbeschaving der Oudheid, op nieuw naïef gewordene, eerste Middeneeuwen, door knappe en handige werktuigkundigen, toovenaars en magisters van occulte wijsheden, indruk kon worden gemaakt op eenvoudige geesten, zelfs op ridderlijke. Zoo heeft men dus de tooverfonteinen, die een "bain de Jouvence" verschaffen, de Wonderboomen, van goud, waarop gouden vogeltjes zingen en tal van meer verschijnselen van magie, dikwijls op te vatten als meer of minder effectvolle, gecompliceerde, werktuigkundige scheppingen, waarom tevens de fantazie van den "vinder", de trouvère, die zijn roman dicht, niet zelden een dichterlijk waas weeft, en niet altijd den lezer verraadt, dat de gouden Wonderboom met de zingende vogeltjes hol is en boven een "duwiere"—gewelf—geplant staat, in welk "duwiere" zestien mannen met acht blaasbalgen wind toejagen om de vogeltjes te doen zingen.

[2]

Couplets similaires herhalen in de Karelromans een treffende situatie twee, drie malen, met weinig verschil van uitdrukking. De versregels, bestaande uit tien lettergrepen, van het dikwijls zeer lange couplet—van drie tot honderd regels toe—eindigen op den zelfden rijmklank of assonantie, wat op ons een zeer zwaren, vermoeienden indruk maakt.

De Artur-romans zijn daarentegen gedicht in elegante, licht trippelende verzen, van niet meer dan acht lettergrepen, twee aan twee door zuiver consoneerende rijmen verbonden tot een zeer bevalligen en toch epiesch blijvenden verhaaltrant.

In deze vreemde, oneigenlijke, ridderlijke, naïef-tooverachtige atmosfeer—wij mogen haar zoo ongeveer in de elfde eeuw denken, even voor de Gothiek, met nog den Romaanschen boog gecirkeld in den ridderburcht, die zich in haar vroeg mediaevale waas verduidelijkt, wenscht de schrijver zich eenigen tijd van de werkelijkheid onzer eigene eeuw te verstrooien en noodt hij den lezer meê. Onmiddellijk geïnspireerd is hij geworden door de Midden-Nederlandsche, vermoedelijk oorspronkelijke dichting: de Roman van Walewein, door Penninc en Pieter Vostaert, in den jare 1350 geschreven[3].(Of onze "Walewein" een origineele schepping is of een bewerking en vertaling van een Roman de Gauvain is een geleerde kwestie, die ons hier niet behoeft bezig te houden). Prof. W.J.A. Jonckbloet gaf onzen Roman van Walewein naar het handschrift uit, dat berust in de Bibliotheek der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden. De hedendaagsche schrijver, die dit werk, tijdens zijne jaren lang geledene studiën in de Geschiedenis onzer Nederlandsche Litteratuur bestudeerde en voorts voor zijn genoegen herlas, heeft altijd gemeend: hier is een bron, om eens een eigene schepping uit te doen wellen. En dit oogenblik is gekomen. Het Zwevende Schaakbord is geschreven en... een soort humoristisch vervolg geworden op den Midden-Nederlandschen roman van Penninc en Pieter Vostaert.

[3]

Hoewel in 1350 geschreven, denke men de handeling van den Walewein—en ook van mijn Zwevende Schaakbord—niet later dan het eerste begin der Elfde Eeuw en dan nog in de regionen der fantazie en niet der werkelijkheid....

Het Zwevende Schaakbord vertelt de avonturen van ridder Walewein na zijne eerste "queste", maar laat eene periode van tien jaren verloopen. De moderne schrijver noemt zijn ridderheld Gawein. Gawein is ook vaak de naam van Walewein, wiens Keltische naam luidde bij de Wallische dichters Gwalchmai (Valk van den Slag), vaak verlatinizeerd tot Galvanus of Walganus. De schrijver heeft gemeend, dat Gawein stoerder en sterker klonk dan het wel slappere Walewein. Hij heeft twaalf ridders geplaatst rondom Koning Arturs Tafel-Ronde: dit getal wisselt wel eens in de Middeneeuwsche romans, zelfs met vijftig, maar twaalf ridders zijn genoeg voor schrijver en lezer om uit elkaâr te houden. Verder laat de schrijver zijne ridders en edelvrouwen spreken een taal, die niet modern Nederlandsch is. Dat zij geheel zuiver grammatikaal Midden-Nederlandsch zijn zoû, durft de schrijver niet beweren. Hij had, na eene verfrissching zijner studiën van jaren geleden, het wel op zich durven nemen zijn sterken helden en zoete heldinnen zuiver grammatikaal de taal huns eigenen tijds in den mond te leggen, maar vreesde, dat het voor den lezer dan wel heel moeilijk zoû geweest zijn den dialoog te volgen. De schrijver heeft dus een middenweg gekozen: hij emailleerde de gesprekken van Lancelot en de koninginne Guenever, van Gawein en de zoete Ysabele met Midden-Nederlandsche termen en tikjes; hij incrusteerde er zelfs zijn eigen beschrijvenden stijl mede en spreekt dus wel eens van een "foreest" in stede van een "woud" en van een "liebaert" in stede van een "leeuw". Hij hoopt, dat noch dialoog, noch beschrijvende stijl op deze manier, die een zekere "locale kleur" geeft, den beschaafden lezer moeilijkheid bare, en dat de eerst fronsende lezer—om zoo veel Midden-Nederlandsch email—spoedig de brauwen ontfronsen zal en wel heel gauw op de hoogte zal komen. Moge professor en geleerde in onze Midden-Nederlandsche Taal- en Letterkunde—mochten zij in een oogenblik van verstrooiïng dit Zwevende Schaakbord wel willen volgen—den modernen trouvère niet al te streng oordeelen over zijn maar hier en daar, grillig-weg, Midden-Nederlandsch getint Nederlandsch, dat geen geleerde creatie wil zijn, maar niet meer dan de vroegere chanson-de-geste of ridderroman zelve was: eene "littérature d'agrément", die nu wel geen te burcht gekomene Kruisvaarders wenscht te verstrooien, maar alleen de pretentie heeft den modernen lezer een oogenblik te vermaken, en misschien zelfs wel te ontroeren, want, we weten het nog allen heel goed: het recept van den Humor is niet anders dan heel eventjes maar ontwelden traan met heel eventjes maar ontlokenen glimlach te mengen en vooral niet te doen snikken en schateren....

In het Middeneeuwsche handschrift, en ook in de editie van Prof. Jonckbloet, komt een afbeelding voor van Gawein, als hij te paard, op zijn goede ros, Gringolette, het Zwevende Schaakbord achterna rijdt. De détails van de wapenrusting zijn wel heel curieus; maliëncotte en wapenrok; helm met neêr geslagen vizier en "halsberg"—dikwijls naam voor de geheele wapenrusting; soms alleen dubbele, vierkante platen, die veel op oorkleppen gelijken—; en een ontzettend lange speer. Op paardehoes, schild, wapenrok en halsberg en zelfs op "artsoen", of hoogen zadelboog, is overal Gaweins wapen aangebracht, dat zoowel een leeuwenkop als een everkop kan bedieden: dit hebben de hooge geleerden niet uitgemaakt, geloof ik. De fiere appelschimmel, het edele strijdros stapt met zijn berijder langs een naïeven boom aan een naïeve bloemenweide, die zich met kinderlijk primitief maar gevoelig perspectief verliest in de hoogte, terwijl het Schaakbord—let wel, met zeven maal acht velden!—de lucht doorzweeft en den ridder tot volgen noodt.

Mag ik nog één oogenblik over de uitspraak die ik zoû wenschen voor mijne half Keltische, half Wallische en Angel-Saksische eigen-namen? Ik zoû ze het liefst door den lezer gedacht of gezegd hebben—naar mate hij hard-op of stil voor zich leest—met zuiver Nederlandschen klank. Dat hij dus zegge: Guenever, met een Hollandsche G, een even aangezweemde u, twee opene e's en een derde e die stom blijft. En dat hij bij dien naam der zoete koninginne van Logres (spreek uit met een Hollandsche g en een s aan het slot) niet denkt aan: jenever, want dat zoû misplaatst zijn. De naam Guenever luidt wel eens later Ginevra, maar dit klinkt mij te Italiaansch en luidde wel eens héél vroeger, in de oertijden der Wallische zangers: Jenover en dat klonk mij al weêr te archaïsch. Ik heb dus Guenever gekozen en den naam van de fee Morgueine verzoek ik den lezer dus ook te willen uitspreken met een g en even aangetikte u.

Ik heb, hiermede, geloof ik, alles gezegd wat ik als Woord Vooraf had op het hart. En dus kunnen wijken de wolken, die het ridderlijke verleden van Tafel-Ronde nog bedekken voor onzen blik, en moge het Schaakbord zweven....


HOOFDSTUK I

Nu van Riddereeuw de nevels omhoog trekken—dicht gordijn, dat oprolt voor schouwspel van eeuwen her—zien wij, o toeschouwer, het Land van Logres en het strekt zich uit als een donkere, scherp geknipte silhouet van ridderburchten en bosschen, zwart, tegen een rood-blauw geluchte. Zoo doet het als een romantische achtergrond, als een reusachtige, donkerrood, -blauw en zwart gekleurde reclameplaat en boven den Burcht van Camelot, waar Koning Artur hof houdt, verschijnt en verdwijnt, de wolken door,

HET ZWEVENDE SCHAAKBORD

dat de dappere ridder Gawein zal zoeken en achterlaten om het den Koning aan te bieden....

Het land van Logres lag toèn, in die toovertijden, dat schaakborden de wolken doorzweefden, misschien wel in Engeland; het was misschien wel te vinden in Wallis; het kan echter even goed elders gelegen hebben en het is misschien heel moeilijk thans uit te maken waar het Land van Logres lag. Het was zelfs toèn een vreemd land, want er waren geen steden gesticht en dorpen gebouwd: er waren niets dan bosschen en ridderburchten; er woonde dus eigenlijk geen volk; ja, er bestònd eigenlijk geen volk van Logres: er bestonden alleen ridders om hun Koning Artur heen en die ridders hadden schildknapen en garsoenen; er bestonden daarbij ook nog toovenaars, en de ridders en de toovenaars bewoonden de burchten en in de bosschen scholen draken en monsters maar de eene of andere jonkvrouw, op een witten palafroet, reed die bosschen dikwijls door, geheel eenzaam, en werd dan betooverd door een toovenaar of bijna verslonden door den draak maar daarna steeds gered van die booze noodlottigheden door den dappersten dezer dappere ridders, die dit elk op zijn beurt wel was.

En nu het vreemde Land van Logres, met zijn bosschen en burchten, opgerezen is aan den horizon, nu zien wij ook duidelijker zich uit de ijlere nevels los maken den Burcht van Camelot, waar Koning Artur in vredestijden verblijf houdt: zoo er al geene steden zijn in het Land van Logres, de Burcht van Camelot is bijna zoo groot als een stad: er heffen zich zware muren om heen; tusschen iedere twee muren is gegraven een diepe gracht en menigertiere toren steekt spiedende over de vlakte, die den burcht omringt, uit den trans der tinnen, zoo mooi romantisch en zoo mooi Romaansch vierkantend als tanden tegen de vreemde reclame-plaatlucht, die is donkerblauw met vuurroode schemering, misschien van zonsopgang, misschien van zonsondergang, misschien wel van vuuradem der draken. En nu de Burcht van Camelot zich duidelijker heeft uitgeteekend voor onze toeschouwende verbeelding, nu zien wij de Groote Zaal, eveneens Romaansch en romantisch, waar Koning Artur met zijne ridders aan de Ronde Tafel zit. Het is een Zaal, die is rond als de Tafel zelve en er om heen gaan de ronde, Romaansche bogen en door de bogen ruischt, van vogelstemmen vol, de zomermorgen binnen uit de bloeiende vergieren, die staan vol bloesemende appelaren. En de groote, ronde zaal is verlucht ende rijk gepinghiert met tal van tafereelen van wandschildering en die tafereelen bedieden de tallooze heldendaden, die de Ridders van Tafel-Ronde, niet langer dan tien jaren geleden, volbrachten ter eere van hun Koning, Artur, die heerscht over het Land van Logres.

Aan het hoofd van de Ronde-Tafel zit op een troonzetel de Koning en met hem zitten mede elf Ronde-Tafelridderen aan. Zij zwijgen. Het schijnt, dat de Koning wacht en dat de ridders om hem heen zich dezen morgen meer dan gewoonlijk vervelen. De twaalfde ridderplaats, die naast den Koning, rechts, is verlaten: gevoegelijk ware hij ingenomen door Lancelot, maar Lancelot—der koninginne amijs—wandelt met gouden-draad-blonde Guenever, in minziek jolijt, de vergieren door der bloesemende appelaren; telkens, harentare, verschijnen zij en verdwijnen tusschen de bloesem sneeuwende twijgen, achter den rooden rugge des Konings en wel zichtbaar door de Romaansche bogen, wen de zittende ridders schuinoogen naar het lievende paar. Zij lieven malkanderen reeds meer dan tien lange, trouwe jaren, Lancelot en koninginne Guenever en hunne liefde is als een gelukkig en jonstig huwelijk, allen den ridders wel bekend en misschien Koning Artur ook wel, die Lancelot inniglijk mint, als misschien wel zijn allerdappersten ridder.

Koning Artur troont op zijn zetel en zijn oude gelaat is vol zorg onder zijne krone, die de grauwe, lange lokken omspant. De baard, ook zoo lang en zoo grauw, beweegt soms zacht wippende op en neêr: dat is als Koning Artur, die wacht, terwijl zijn elf ridders zich vervelen en om beurten gapen achter de handen, mummelt met goeden, ouden tandloozen mond. 's Konings gelaat is gelijk aan een verweerd perkament, beschreven door een geleerden clerk met tal van geschrifts in rooden inkt: dat is om de aârtjes, die tusschen de rimpels ontsprongen zijn, gelijk roode fonteintjes tusschen diepere rivieren verdroogd. Koning Artur draagt —als klaver- of ruiten- of schoppenheer—wij durven hem geen hartenheer noemen—een hermelijnen schouderkraag over een rooden, fluweelen mantel en wat hij onder dezen draagt, is moeilijk te zien, om de plooien van den mantel, om de lokken van zijn baard. Beide, mantel en lokken, maar de hermelijnen kraag vooral, schijnen van de mot te hebben geleden maar justement dat even mottige en aangetaste geven aan de koninklijkheid van Koning Artur een onmiskenbare aandoenlijkheid, die den ouden Koning met het rimpelgelaat en de bevende, groote, zwaar geaderde handen wel genegen doet zijn. Zijne ridders zijn hem ook allen genegen en Lancelot niet het minst, die telkens met de koninginne in amoureuselijk gedivertier het bloesemend vergier doorwandelt. Ook de altijd jeugdige Guenever zelve, die "fonteyne aller schoonhede", al was zij meer dan tien jaren de amië van Lancelot, heeft haar gemaal wel lief, zij het dan ook als heur grootvâ.

Naast Koning Artur, ter slinke—herinner u, dat ter rechte Lancelots leêge zetel staat—zit Gawein, met Lancelot de dapperste, zelfs de allerdapperste. Is hij niet bijgenaamd "der aventuren vader", hoewel hij niet vele meerdere jaren telt dan elk dier gondere ridders en dat aantal bedraagt slechts even dertig voor de meesten. Toch schijnt Gawein wel de oudste van allen, de ernstigste ook, de degelijkste: al gaapt hij wel eens achter zijn hand, het is meer uit degelijk gemis aan werkzaamheid dan uit lichtzinnige verveling.

Want Gawein voelt met Koning Artur mede, voelt mede zorg....

Omdat er sind tien jaren geen Aventuur zich voordeed!

Staat de wereld dan stil? Broeien de draken dan geen draakjes meer uit in de foreesten van het Land van Logres? Berijden er dan geen belaagde jonkvrouwen meer witte palafroeten door die zelfde foreesten? Moet keytievige ondeugd dan niet worden gefnuikt en zijn er geen interessante queste's meer te volbrengen? Zoo de Graal is gevonden en bewaakt wordt door ridder Perceval in den Burcht van Montsalvat, zweeft er dan nooit meer eens minstens een Schaakbord de lucht door? Ja, Gawein, naast den Koning, herinnert zich het Zwevende Scaec: het kwam wiegende aangezweefd, op een zomerbries... tien jaren geleden....

—Herinnert gij u, mijn vorst? vraagt Gawein den Koning, die de broeder is zijner moeder.

—Bij gerechter trouwe, ik herinner mij, Gawein, mijn neve en dappere wigant! mummelt Artur en de baard wipt op en neêr als de tooneelbaard aan een masker. Het zweefde binnen en zette zich hier voor mij....

De Koning slaat met de vlakke hand op het jaspis-blad van de Tafel. De slag klétst de zaal door en weêrechoot tusschen der vogelen gekwinkeleer. De gapende tien andere ridders schrikken heviglijk op. Guenever en Lancelot staken hunne verliefde wandeling.

—Wat is er? vraagt Lancelot aan den reus Bohort, die zetelt naast Gawein.

—Wat is er?? murmelt de koningin tot Ywein, den stotteraar, die zetelt naast Lancelots ledigen zetel.

—Dddàà...r en is niets! stottert tenorelijk Ywein tot zijn vorstelijke vraagster.

—Niets!! bassigt in bevestigenden ondertoon de reuzige Bohort tot Lancelot.

—Het Scaec, gaat de Koning peinzende voort; was in velden van chalcedoon en agaath verdeeld, zeven velden maal acht....

De stukken, bepeinst Gawein; waren van rooden goude en van zilver blank gedreven....

—Zij stonden geschaard in rijen....

—Voor eene partië, bij mijne wet!

—Ik deed een zet, heugt Artur zich.

—Onzichtbare hand, heugt zich peinzend Gawein; speelde tegen....

—Ik vervolgde het spel met den onzichtbaren speler....

—"Coninck!" waarschuwde mijn heer.

—Toen......

—Toen... zweefde op dit woord het Scaec weg....

—Voor ik des onzichtbaren spelers zilveren koning schaakmat had gezet....

—Mijn prins droomde die nacht....

—Dat de partië volbracht moest worden, wilde ik mijn krone niet te loor en zien gaan!

—Bij Jesu Kerst van Nazarene! juicht Gawein bezield en de andere ridders schrikken op. Ik zocht en vond u, o prins, dat Zwevende Scaec...!

—Ik speelde voort!

—Gij wont!

—Het Scaec verdween—weg zwevende als een in de wiek geschotene vogel!

—Maar heerschen bleeft gij over uw Land van Logres! En ik, o mijn Koning, had, na menigertiere aventure, mijne schoone Ysabele gewonnen!

De Koning slaat op de Tafel. De echo's mengen zich langs de wanden der Ronde Zale met het vogelengekwinkeleer buiten. Maar niemand schrikt meer. Ginds, buiten, waait de sluier der koningin rondom het aanbiddelijke, blond krispe hoofd van Lancelot, als een mist, die hun kus onzichtbaar doet zijn aan het nooit uitgekeken geschuin-oog der ridderen.

—Voorwaar! zegt de Koning. En sedert....

—Sedert...! O wee, o wacharme, mijn Vorst!

Deed geen Aventure zich voor!

—Tien jaren geleden, bij Sint Michiel! heugt zich Gawein; gingen wij nooit ten disch voor Aventure zich had gekond!

—Sedert, klaagt de Koning; wentelden de jaren in veiligheid voort en gastreerden wij in belanglooze vrede....

—Iederen vesper, iederen vesper!

—En meldde nooit ende nie zich een jonkver meer aan, die gewroken moest worden?

—Nimmermeer! Nimmermeer!

—Veronveiligde een draak nooit ende nie meer de immer onveilige foreesten van Logres?

—Nooit ende nie, ai, nooit ende nie!

—Zweefde nooit meer een bloedige Speer, een heilige Vaas, een betooverd Scaec het geluchte door om een hoofschen ridder ter queste te nooden?

—Geen Speer! Geen Vaze! Geen Scaec zelfs, mijn prins! En mijne Ysabele, o lace, zij stierf!

—Ik wacht! Ik wacht! klaagt de Koning.

En het oude hoofd knikt in zijn wippenden baard op zijn hermelijnen mantelkraag.

De koninginne, Guenever, nadert hem liefdevol.

—Oûvadertje, zegt jolijselijk de "fonteyne aller schoonhede" en hare stem is als het murmelen van zangerig water, terwijl zij haar gemaal de blanke handekens legt over de princelijke schouders van even motputterig hermelijn. Oûvadertje, troost u van daag zoo geen Aventuur zich kondt. Zie, de dag is zalig vroô van zonneschijn; de appelbloesems zijn blijde van wondere belofte; menigertier vogelijn kwinkeleert er bijna zoo zuiverlijk als de gulden vogelen, die Merlijn mij zingen doet op de twijgkens van den tooverboom in mijn Vergier der Vreugde en ik wil, dat gij de zoo zoete lente ademt, in steê van hier steeds te beiden aan deze Ronde Tafel, tot Aventuur zich meldt! Oûvadertje, bij mijne rechte trouwe, sta op en kom mede spanseeren met Guenever, die u lief heeft en met Lancelot, die ook zoo veel van u houdt!

En de koningin, ter eene, Lancelot ter andere zijde buigen zich over 's Konings schouderen. De Koning schouwt van den een naar de ander. Zij zijn beiden zoo schoon en van liefde stralend. Hij, zoo blond en zoo sterk; zij, zoo blond ook en zoo bevallig! Hij, zoo breed in zijn geluw-en-zwart fulpen surcoet, die zoo nauw om zijn heldhaftige ridderlijf spant; zij, zoo smal in heur nauwe slope van goudsindaal, door de smalle bandekens hermelijn omzoomd, terwijl heur haar als gouden draad schittert tusschen de mazen van het ronde net, dat de roode robijnen bezetten en dan met vier robijn-doorvlochten vlechten over hare maagdjonge schouders en borstekens. En de Koning, verheugd over hun tweeër schoonheid, staat op, getroost en zegt:

—Zelfs al kondt zich geen Aventure, een dag is schoon, als Lente en Liefde heerschen.

Gawein, gerezen, volgt, weemoedig om zijne Ysabele, die stierf, den Koning, die zich verwijdert, een arm zoowel om Guenever als om Lancelot... volgt vol gepeize en weemoed om het Aventuur, dat zich beiden laat, tien lange jaren, lace....

En gondere tien andere ridders, luid gapende, rekken zich nu, breed van armbeweeg, in hun zetels om Ronde Tafel van jaspis en staan dan, van verveling vervaarlijk, op, 's Konings handslag op de Tafel na doende, tot de rammelende echo's elkander op een rijtje naloopen langs den wand van de rijk gepinghierde, ronde zaal....


HOOFDSTUK II

Zij droegen, de tien Ronde-Tafelridders—even als Gawein, die, den Koning gelijk, verlangt naar Aventure—en als Lancelot, die nooit naar iets anders dan naar Guenever verlangt—mooie, sonore namen van Keltischen klank. Bohort, dat was de reus met de basstem en Ywein, dat was de tenorelijke stotteraar en naast hen wil ik roemen Acglovael en Sagremort, Gwinebant en Galehot, Didoneel en Mordret, Hestor en Meleagant. En als zij elkander eens riepen of noemden, deze ridders met de sonore namen:

—Hei, Galehot! Ha, Gwinebant! Hoor bij Gode doch, Sagremort! Held Acglovael! Welkom Meleagant en gij, valiante Hestor! Didoneel en Mordret, dat u God moge eeren! Ywein gij en gij, Bohort, o wigant!

...dan weêrdaverden langs de wanden der burchtzalen, verlucht met de tafereelen van dier ridders eigene heldendaden, de, niet minder dan de Keltische, oer-oude adelsnamen, sonoor-klinkende echo's en was het of lichte donderrommelingen elkander opvolgden onder de lage verwulfsels en langs de plomp breede pijlers.

Maar er was nog een andere ridder, die nooit aan zat en die heette alleen maar Keye. Keye... dat klonk niet sonoor tusschen de Keltisch sonore klanken; Keye, dat klonk geniepig, venijnig; dat was tusschen het dondergerommel als de steke van een wesp: Keye... Dààr, dààr heb je weêr een onzachte prik: Keye... Zoo héél even maar: Keye... Meer niet dan een muggesteek: Keye.... Welnu, toen de Koning, teerderlijk omhelsd houdende Guenever en Lancelot en gevolgd door den degelijken Gawein, zich verwijderde door het vergier, trad Keye van ter zijde op en gluurde schuin spottend, met kwaden scherts, naar de edele vier. Hij loenschte een weinig met één oog; hij hinkte een weinig met één been; zijn eene arm was, o een weinig maar! korter dan de andere. Hij had de zoogbroeder kunnen zijn van den Koning maar hij was het niet want zijne moeder had hem gespeend om Koning Artur te zoogen. Hij was echter tot drossaet benoemd en liep steeds met zijn sleutelbos aan zijn gordel. En was Artur een majesteitelijke Koning geworden, Keye, zonder ooit één heldendaad, zonder Aventure en zonder liefde, was geworden als een booze dwerg, als een nijdige gnoom en hij spotte, hij spotte altijd.

Zoo als hij ook nu spotte, achter de edele vier, knikkende met zijn grauw ruigen gnome-baardkop.

—Schouwt eens wat eensgezinde familie! God geve hun eere, o ridderen! Wie zijn die?? Vader met dochterlijn en schoonzoon, dacht mij?? Schildknaap er achter? O neen: het is, bij alle Engelen van den Trone, de wigantenrug van Gawein, die allerdapperste, ook voor de vrouwkens!! En het is, tusschen Guenevers vrouwruggetje en Lancelots mannerug, de roode mantelrug van onzen Koning! Ik herken niet zoo goed ruggen als gij zekerlijk wel doet, valiante ridderen, gij allen, op uwe beurt, allerdapperste, die steeds ruggen voor u uit zaagt vlieden!

En Keye lachte grinnikend en de ridders, nog na geeuwende en rekkende, zagen hem norsch van ter zijde aan.

Toen nam oude Keye twee ballen en speelde met zichzelven bal in het vergier en hinkende was hij lenig en loensch miste hij niet één van de twee, die hij beurtelings, en onder zijn arm door, op ving.

Op een goeden dag, zoo helpe God, nek ik hem nog, zeide Bohort. Zoo, tusschen mijn vuisten: krkk!

En Bohort, met zijn reuzenvuisten, gebaarde of hij eene kele omspande en wurgde.

De tien ridders traden loomelijk de zaalpoort uit. Zij kwamen op het opene burchtplein en zetteden zich op de ronde bank, die stond onder een breedkruinigen kastanjelaar, vol van opgestokene bloesemkeersen. Zij zetten zich allen ter neêr, de machtige beenen wijd, met nu en dan nog eens een geeuw.

—Bi caritate, het wordt wel van groote noye tot Camelot! meende Galehot en gaapte: tien jaar geleden had hij drie draken verslagen en twee jonkvrouwen bevrijd uit betooverde kasteelen, maar als hij niet gaapte, glimlachte hij steeds gracielijk als men van de jonkvrouwen en draken sprak.

—Smacht gij, Galehot, naar uw vierden drake? vroeg Gwinebant, jongste en schoonste van allen, neef der koninginne en zoo blond als zij: hij had, heél jong nog, achttien jaren, met Sagremort en Acglovael Lancelot eens verlost uit het Dal van den Dollen Dans, waar wie was binnen gedanst, bleef dansen tot hij dood viel.

—Neen ik! zeide Galehot. Bij Sint Jan, dat niet, Gwinebant. Een draak dooden, onder ons gezegd, is niet zoo roemrijk fayt van wapenen.

—Het gebeest spuwt tòch vier, God weet!? weifelde Sagremort, brauw gefronst.

—De reus, Sagremort, zei Galehot; dien gij te eenen werf hebt verslagen, was zekerlijk geweldiger tegenstander dan mijn drie draken waren.

—Bij den goeden dage! beäamde, klein maar dapper, Meleagant, die ook wel een paar draken gedood had. Galehot heeft wèl recht!

—Ik, zeide modestelijk Hestor; heb alleen en zonder bijstand tien keytieve ridderen den een na den ander in den zande doen bijten, eenige geschaakte damoselen bevrijd maar een draak en heb ik nie vernomen!

—Een drake is met één prikke te pointe in zijn buik al doodelijk gewond, kleineerde Galehot.

—Spuwt het gebeeste vlamende vier ofte en spuwt het dat niet? vroeg, brauwen gefronst, Sagremort. Dat is de vrage!

Galehot hief de breede schouderen hoog.

—Wen gij er tegen spuwt, schroeit zijn aâm zelfs niet! Dat is alleenlijk wat sulferachtig geblaas, dat stinkt.

Hierom schaterlachte Acglovael want hij schaterlachte veel, ook als het niet van pas kwam, en lachende nog, hoewel het onderwerp des gespreks heel ernstig was, zeide hij:

—Gij konst toch verstikken wen een drake blies en de luchte om u bedierf?

—Of het geheele foreest konde in barning geraken! verzekerde boos Didoneel. Alzoo helpe mij Sint Michiel!

—Of dat konde gaan aardbeven en tempeesten daarbij als het monster uit zijn spelonk kwam, beweerde ontstemd Mordret: Mordret en Didoneel, die wel draken hadden bekampt maar nooit ééne damosele bevrijd, vonden het voor hunne twijfelachtige glorieuzigheid niet aangenaam, dat Galehot zijn eigen heldendaden zoo verkleineerde....

Maar Galehot bleef de schouders halen.

—Ik herhaal, zeide hij; éene prik te pointe in zijne weeken buik en.... Is een drake eigenlijk wel een drake, Sagremort? Mijn draken en waren niet meer dan lezarden maar gevlerkt en zoó schadelijk niet!

—De onze waren draken! verdedigde zich Mordet.

En Dioneel zeide somber:

—En maakten wel degelijk groot dangier.

—Even veel dangier als die damoselen, die gij bevrijddet! riep Keye, knikkerende nu met de ballen.

—Gij zegt wel, Galehot! meende Sagremort en ontfronste de brauwen. Een draak bestond—misschien?—even min als een reus! Was de reus, dien ik velde, wel een reus? Of was hij niet dan vileinig ribaud, die een paar voet hooger was gewassen dan ik??

—Dddd...aar zijn wij het immm...ers al lll...àng over eens, kwam Ywein aan; dat reuzen ende ddd...raken niet en bb...estaan.

—En Wonder even min, zoo helpe mij Sinte Mariëns Kind! bevestigde Bohort wat ruw. Wat wij deden, was kinderespel. Wij telden niet meer dan twintig vroegzomeren, toen wij die aventuren volbrachten en groot jolijt dreven wen wij er een ridderlijk meende te hebben doorgemaakt maar eigenlijk was het mallen....

—Met onszelven, viel Galehot in.

—En van alle mijne wonden, ging Bohort voort; heb ik zelfs geen lijkteeken over omdat ik in den Yvoren Bedde werd verpleegd, waar alle wonden in één nacht genezen.

Keye's spotlach grinnikte, oud, slecht en venijnig.

—En dus is dat Yvoren Bedde, waar alle wonden genezen, geen tooverbed? O, Bohort, gij werkelijke reus, je kop is groot als Goliaths maar je verstande is dorperlijk klein, wees des gewes, man!

—Ik ben die gone, die je om je kwade lachter nog eene werve verderven zal, heer Keye! dreigde Bohort en liep met beide vuisten open op Keye toe.

Maar Keye gebaarde of hevige vrees hem beving; hij veinsde te vluchten achter een boomstam, hoe oud hij ook was, vlug hinkende en riep:

O, wat felle liebaert! O, wat vreeslijke lioen is los gelaten in dit vreêzaam vergier! Helpt mij, helpt mij, gij alle Heiligen van Paradise!

Een naderend gesnor snorkte aan door het blauwe geluchte.

—Dat is Merlijn! Dat is Merlijn! riepen door malkanderen de ridders met groot misbaar en Ywein riep:

—Ddd...dat is Merlijn!!

Acglovael schaterde, niet omdat Ywein stotterde, maar omdat hij wel heel veel schaterde en van pleizier....

En de ridders wezen malkanderen, nog in de verte, een wijd vliegenden vogel, die aanvloog, windesnel.

—Op zijn fenix, die ook geen Wonder is! grijnsde Keye den ridders toe. Maar die geene van gondere wiganten verstaat!

De ridders staarden verrukt omhoog. In der daad, daar zweefde een blauwe fenix aan, maar zijn vlucht verwekte vreemd rhythmisch geruisch en er snorde en snorkte iets geheimzinnigs in hem. Zijn smalle nek droeg een fantastischen vogelkop met pluimen en al zijn geveêrte geleek wel juweel, zoo schitterde en schakeerde het pauwachtig om hals en oogen, heel groot en de wijde wieken, waarop hij in cirkel dreef boven den burcht, schenen wel van blauwe zijde gestrekt. Het was de toovervogel van Merlijn, den toovenaar en Merlijn zelve bereed hem en zat in het gouden geveêrte van den hollen rug en richtte hem en wendde hem naar believen, tot het zwevende tooverdier met zwierige drijfvlucht in den ronde neêrdaalde in het vergier, op leêg grasplein en toen, trillende, stille stond.

Merlijn steeg af en naderde hoofsch groetend de ridders. Hij was van Arturs en Keye's leeftijd, maar omdat hij elken morgen baadde in zijne fonteine der Jouvence, zag hij er jonger uit dan alle die ridders en geleek meer een ondeugende jongeling met een baard.

—God van Hemelrijk geve u eere! riep hij luid, terwijl hij, pralende in gracielijke samaar van rood sindaal, zijn lokken zwart, zijne brauwen gelijk schorpioentjes opstekende hun scherpe tangetjes en zijn cierlijke baardje geknipt met felle punt, over het grasplein naderkwam. Ik ben gekomen om mijn Koning eere te doen, maar is hof dan al gehouden, dat ik u allen hier aantref in lediglijk vertier en lentegepeise?

—Wij spreken, zeide Sagremort en fronste de brauwen, wat hij steeds deed als hij twijfelde; of wonderen, reuzen, draken en heldenfayten bestaan, Merlijn!

—Het Scepticisme heeft jullie in de klauwen, o Sagremort! waarschuwde Merlijn.

—Het wie? Het wat?? vroeg Acglovael schaterlachende.

—Des Duivels zone, zeide Merlijn. Als jullie vertwijfelen aan jezelf, gaan jullie stappans na den doode Hellewaart!

—Maar Mordret en Didoneel twijfelen niet, o Merlijn! grinnikte Keye, van achter een dikken boomstam. En zullen toch niet ten Hemel gaan!

Didoneel en Mordret hoorden hem niet; zij waren te zamen in geheimvol fluistergesprek. Waarover? Dat wil ik u nog niet zeggen....

—Ik twijfel niet heelemaal, zei Sagremort; maar ik weifel veel, Merlijn. Zeg mij, Merlijn, is je vliegende vogel werkelijk een vogel van tooverië? En al die schoone beziensweerdigheden in je burcht, is dat tooverië? En magië? Als gij met een van zelven snellenden wagen over den gladden wege vaart, is dat werkelijk dan magië?

—Het is alles magië en tooverië, Sagremort! verzekerde Merlijn. Zoo goed als de Wonderboom, dien ik der koninginne gemaakt heb en op welks gulden twijgkens duizend vogelkens kwinkeleeren, en het Yvoren Bedde, dat ik ook maakte en waarin uw aller wonden genezen.... Het is alles tooverië, Sagremort!

Keye, om den azuur gewiekten fenixvogel, die stond op het grasplein, hinkte, oplettende, en telkens luid lachende rond om het enghien.

—Tooverië! riep Keye. Tooverië! Staal is de vogel en zijde, juweel is zijn kop en zijne oogen zijn diamant en hij snort en snorkt als hij oprijst, wen Merlijn hem drijft het geluchte in! Hij snort en snorkt door tooverië! En wie er aan twijfelt, gaat Hellewaart!

—Merlijn! vroeg Bohort. Waarom sinds tien jaren en meer, kondde geen Aventuur zich aan?

—Is het omdat wij twijfelen? Omdat wij weifelen met Sagremort? Omdat wij geen lijkteeken overhielden van alle onze verledene wonden?? drongen om Merlijn de ridders.

—Wacharme! Mocht wederomme Aventuur zich melden, om ons van dit gepeize te redden!

—Om ons te redden van deze vernoye!

—Ook al geloofden wij niet aan den Aventure! zoo riepen om beurten Sagremort en Acglovael, Hestor en Meleagant, Galehot en Ywein en Bohort. Maar Gwinebant, de schoone knape, der koninginne neef, riep niet mede maar hield Mordret en Didoneel in het oog, wat of die toch smoezelden zoo met elkaar.

—Hoort! fluisterde tot de ridders Merlijn heel Zacht—om Keye, die steeds nieuwsgierig, rondom den fenix, hinkte. Ik kan met magië wel een Aventuur bereiden of liever een Aventuur herhalen zich doen, omdat eigenlijk alles in dit leven zich herhaalt maar telkens anders en dat noemen wij evolutië....

Welk Aventuur?? drongen de ridders rondom Merlijn.

—Eén, fluisterde Merlijn geheimzinner, vinger omhoog; dat alléén Gawein volbrengen kan en herhalen, omdat hij gelooft en smacht!

—Hij was nooit trouw aan zijn vrouw! zei Galehot; maar trouw bleef hij aan Wonderwet!

—Hij beminde vele vrouwen, fluisterden de ridderen onder elkaâr; maar boven haar allen: Het Aventuur!

—Gawein zal het Wonder en Aventuur dan gebeuren! fluisterde Merlijn. Gawein zal het zich konden. Wat het zal zijn? Ik denk: een Zwevende Scaec, als het de laatste male reeds was. Komt, lieve vrienden, deze nacht in mijn burcht, om ons te beraden!

De ridders beloofden het, blij om de samenzwering. Zij beloofden malkanderen op handslag geheim te houden, dat Merlijn het te gebeuren Aventuur zoû bereiden.

Keye, met zijn bos sleutels, hinkte weg, om bevel voor het noenmaal te geven en Merlijn riep tot Mordret en Didoneel:

—Didoneel en Mordret, komt gij ook in mijn burcht deez' nacht?

—Wij zullen komen, Merlijn!! stemden haastig de twee ridders toe, opschrikkend uit heimelijk tweegesprek.

—En gij, Gwinebant? vroeg Merlijn.

Gwinebant was jonger dan de anderen: over de schouderen was hij breed, den neus had hij schoon en recht, voorhoofd breed en glad, oogen grauw en wenkbrauwen bruin, haar had hij krisp en blond, hals sneeuwwit en rond, zijne lieren bloeiden als rozen, een kuiltje lachte in zijn kin, om het middel was hij smal: zoo was hij volmaakt naar alle leden.

Hij beloofde Merlijn te komen maar zijn peinzen was noch bij het aanstaand Aventuur noch bij Didoneel en Mordret, want hij minde een verre jonkvrouw....

En als hij, zoo als nu, de koninginne, zijne moei, zag dwalen door het vergier, immer met Lancelot, dien zij minde en wien zij trouw was als hij haar, zuchtte Gwinebant van onvoldaan verlangen, vooral als hare wijle woei op den wind en zij zekerlijk malkanderen kusten, onder de stuivende appelebloesems....

En dan dacht hij aan de jonkvrouw, die hij minde, aan Ysabele, de schoone, princesse van Endi en Koning Assentijns kleindochter... Ysabele, die hij niet wist hoe te winnen omdat hij te schuchter was, al was hij neve van koninginne Guenever....

—Gwinebant, welschoone knape, dien ik krank van minne raad, wilt gij Lancelot, dien ik niet storen wil, nu dat de koninginne en hij met malkanderen drijven zoo amoreuselijk dat groote solaes, die zoete melodië in het appelbloesemend vergier, kond doen, dat ik ook hem beid in mijn burcht, deez' nacht, om te beraden van nieuwe dingen?

Gwinebant beloofde het.

—Ja, ik Merlijn....

En zuchtte diep want smachtte, naar Ysabele....


HOOFDSTUK III

Die nacht was de Koning van weemoed moê en had zich vroeg te ruste begeven hoewel de maan licht aan den hemel stond en bosch en burcht zoo zwart en romantisch Romaansch tegen die klaarte zich teekenden, dat schoener nacht zich niet denken liet. Door de duistere schaduwen en blauwwitten lichtval in de schuimblank bloesemende vergieren wandelden Lancelot en Guenever, of zaten op de marmeren bank en hare wijle, als witte nevel, waar maan door scheen, sluierde om beider hoofden hun staâgen kus. Gawein ook was ter ruste getogen, maar Keye, de drossaet, hoorde in de nacht vreemd rumoer, onderdrukt, en zag uit, uit zijn rond raamke, hoog in den burcht, zijn neus plat tegen de kleurige ruitkens. Hij zag ter andere zijde des burchts de kemenade der koninginne verlicht met een geligen schijn van toortsen en meende, dat zij niet sliep en Lancelot evenmin, maar dat was bekender zake, waarom Keye niet zoû geven een aas! Doch, om het rumoer spiedde hij uit in den binnenhof en werkelijk, in het schuin vallen van maan en van schaduw, die verdeelden den hof tusschen haar beiden met één lange streep dwars over de muren en torens en pavement, zag hij de achterhand van een ros, dat, getuigd, een garsoen bij den teugel hield.... En zag hij Lancelot uitkomen de poort van den toren van Guenevers porprijs, zag hij de gelige toortsen dooven en vernam toen meerder paardgetrap en, bij alle engelen van den Trone! zag hij de geschaduwde of even maan-opgelichte ridderen, te peerd, den cour uit rijden, dien hij zelve had doen sluiten. Lancelot, opgestegen, voegde zich in hun midden en zij reden, als schimmen, altemaal weg.... Hij kon ze niet volgen meer, maar waar gingen zij henen? Hij verbaasde; hij stond versaagd en verwonderd; hij verstond niet, dat in de nacht alle Koning Arturs ridderen van Tafel-Ronde—want dat Gawein hun ontbrak, had hij niet bespied—Camelot zouden verlaten om wie weet waar heen te gaan?! En furieus, dat zij de dichte poorten wisten door te komen, alle de dichte poorten zekerlijk, die naar alle de bruggen van de elf grachten toegang gaven, nam hij zijn zwaren bos sleutels, dien, om niet te rammelen en den Koning te wekken, hij wikkelde in een slip van zijn mantel, verliet zijn closet en hinkte, een licht in de hand, van schoentip op schoentip, de sombere, zwijgende gangen van den donkeren burcht door. Daalde de smalle trappen af, opende zachtkens de hoofddeur, keek om en om en uit en uit, spiedde éenoogig in duister, hoedde voor maan zich ter eene en sloop in de schaduw ter andere zijde, naar de poort, om te zien of zij toe was.... Werkelijk, zij was gesloten en toen hij haar nu zelve geopend had en uitgekeken naar de tweede poort aan de andere zijde van de eerste gracht—een brug er over, die opgehaald was, bevond hij, dat, werkelijk de tweede poort ook gesloten was...! Zoo vermoedelijk zouden àlle poorten wel gesloten weêr zijn na der ridders geheimvolle uitvaart en Keye verwonderde zich.... Hoe, bij den rijken God van Hemelrijk! hadden zij zich alle de verschillende sleutels na laten bootsen?? En plòts begreep hij: het was Merlijn! Het was het Wonder, dat zij wel eens betwijfelden omdat zij moê waren des tien jaren wachtens op Aventuur, maar dat er toch was, vooral in Merlijns euvele wetenschap! De poorten wederom gesloten, hinkte, schuin oogend met één oog, Keye terug, boos en bang, zich nijdig vragend wat het er toe deed zoo vele poorten elken avond met vele sleutels te doen sluiten als toch Merlijn met tooverkunst... en met Wonder...! Hij rilde nu van vreeze. Waar waren zij heen, die keytivige feloenen, die booze ribauden? Denken kon hij zich niet anders dan dat zij waren te Merline-waart maar waarom en wat speelde hun door de zinnen? Hij sloop weêr terug in den burcht, sluitende iedere poort achter zich met licht getinkel der sleutels, toen zijn zoekende hand zich verwarde in den bos en hij er zocht in zijn mantelslip, het lichtje telkens neêr zettende op het pavement en dan weêr moeizaam het beurend, in vreemd gespook van geschaduw, tot hij eindelijk, hinkend en boos, de nauwe gang zich terug af sleepte waar der ridderen kemenaden uit kwamen.... Tot hij plots hoorde in Gaweins closet als den diepen zucht van een, die slaapt en zich ommewendt in zijn slaap.... Hij dus niet? Was Gawein niet mede? Waren alle de anderen wel mede?? En Keye sloop terug en hij luisterde aan deze deur, aan die deur, hij ging ter andere zijde, hij legde oor en oog tegen de kier en hij besloot, dat alle de anderen waren mede getogen want er was niet het minste geruchte, noch van Bohorts reuzegesnork, noch van schoonen Gwinebants murmelen in liefdedroom noch van wat ook, dat hem denken kon doen, dat Ywein de stotteraar, Sagremort de twijfelaar, Acglovael de lachebek, Meleagant en Hestor of Mordret en Didoneel—die beide schalken, die nooit een damosel hadden gewroken!—zich te ruste hadden gelegd. Ook Galehot niet, die zijn draken tot groote kikvorschen kleineerde? Neen, ook hij niet.... De kameren, nu Keye spiedde, voelden ledig aan, ja wàren ledig.... En Keye ging terug naar eigen kamerkijn en hij dacht:

Wat zweren zij samen, die kwade jongens? Of in welk kwalijk huis gaan zij zich divertieren....??


Maar al rees er ook wel in de foreesten van het Land van Logres, tusschen de vele burchten, een burcht op, waar schoone en slechte vrouwen tusschen feloenige ridderen de goede ridders belaagden en binnen lokten, de elf makkers dezen avond—vergeet niet hunne sonore namen, die immers zijn Lancelot, Bohort en Ywein, Mordret en Didoneel, Hestor, Meleagant en Acglovael, Sagremort, Galehot en Gwinebant!—reden rustig stapvoets, gewapend als steeds maar aan Aventuur niet geloovig, de zwarte, donkere wegen langs, die zij zoo goed kenden, om dan in eens tusschen het ijlere, doorzichtige loover uit te komen op vlakte of viersprong, waar de witte maan over vloeide als loome melk tegen der boomschaduwen zwarten inkt. Zoo liebaert noch drake school in dat zwarte of plots dreigend uitschoot over dat wit, het geheimenis weefde er wel door de geluidlooze stilte of zweefde den ridders voor door den val van het manelicht en geleidde de zwijgende ruiters naar den burcht van Merlijn. Slechts brieschte nu en dan een ros en kraakte het kreupelhout onder zijn ijzeren hoef....

En plotseling, op wijdener opene vlakte, rees de burcht vreemd op, zoo geheel anders dan Camelot en niet Romaansch en niet middeneeuwsch romantisch maar meer verrassend Oostersch grillig, met blankere muren, spitsere torens, flamboyant en Gothiesch reeds, ongemeen nog deze wereldfantazie, in een wijden, witten rozentuin vol reuzekelken, die stoomden-uit wolkjes van zichtbaar wit neveligen geur en geen gracht of wal beschermde het, in de maan als een diamant schitterend, slot. Zoo scheen het wel een kasteel van blanke tooverië, dat niemand ooit zoude naderen dan wie wist welkom te zijn en niet plots doorschokt te worden met den tooverschok, dien veroorzaakten de geheimzinnige, metalen draden, tusschen de rozen verborgen en die doodden wien hunne hevigheid voer door het heftig doortrilde lijf....

Zekerlijk zag Merlijn, zagen zijne trawanten reeds van verre door tooverkijkers van kristal of diamant den stoet naderen, want plotseling schitterde, bij wijze van welkomstgroet, geheel het slot om poorten en ramen en torentinnen van licht, heller dan starrenschijn en de grootste poort week open om een verschiet van diepsten gloed....

—Ik dacht wel, dat het Wònder is, zeide Hestor verblind; waarmede Merlijn zijn kasteel zoo doet gloeien!

—En tooverië, zeide Meleagant; waarmede hij zonder sparen doodt wie zich verwart in zijne felle draden, die liggen verholen tusschen de rozen, serpenten gelijk.

—Vroô ben ik, dat hij ons vroed maakte van zulke booze hinderlage en dat wij weten den weg tusschen de zoete rozen, lachte Acglovael.

—Rechts af ter poortewaart, mijn lieve gezellen! waarschuwde Lancelot.

—Het is diablerië, die niet en door riddermoed noch kracht ware te overwinnen! bromde Bohort, onder den indruk.

—Het is dia...dia...dia...bbblerië! was Ywein het eens.

En desniettemin is Merlijn de magiër vol goede prise! loofde de schoone Gwinebant met zijn stem, die was als een nachtegaal klaar.

—Zouden al zijne treken wel diablerië zijn? twijfelde, brauwfronsende, Sagremort. Of tooverië zelfs? Of alleenlijk maar...?

—Wat, Sagremort? drongen op hunne rossen de ridders om den twijfelaar rond. Bij caritate, wàt Sagremort?

—Clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen! Hij leest véél in heel dikke boeken!

—En al ware het al clerkekonste, die hij weet in praktijk te brengen, zoude dat dan niet diablerië ook zijn?

—En tooverië? riepen Mordet en Didoneel, om wat mede te zeggen, want zij waren in eindeloos tweegesprek, fluisterend en de andere ridders letten hen op: Gwinebants donkere oogen begluurden hen fèl.

—Gij zegt wel, bij Sint Michiel! gaf Sagremort zich wel weêr gewonnen maar dacht toch na, brauwen fronsende en ontfronsende.

Maar de ridders waren tusschen de rozen, die hoog stengelden en wijd bloeiden en zichtbaar welriekende stoofden, gereden tot op een voorplein; er stonden op voetstukken marmeren figuren in het rond, voorstellende de helden, die gestreden hadden voor en in Troye, waarvan de blinde Homeros gezongen heeft en de goden en godinnen, die hen beschermden en er stonden ook Aeneas en vrouw Dido, van wie een zekere Vergilius eens dichtte in de Latijnsche sprake—de clerken en de trouvère's dichtten die dichters wel na, en zongen hen na op de lange schemeravonden in de kasteelen. En de beelden waren zoo schoon, dat de ridders zich verbaasden, iedere maal, dat zij ze zagen.... Tal van garsoenen schoten toe, terwijl de ridderen afstapten en grepen bij de teugels de rossen; een seneschalk naderde met een stoet van dienaren, en toen de elf ridderen binnen traden, doofde plots, voor de poort nog zich sloot, al de illumineering van het slot. En verbaasden de ridders steeds om de prachtige inkomst van breede, marmeren trappen, met de blanke goden- en heldenfiguren ter weêrszijden bezet en dan die felle gloed, die straalde òp voor hun blik en doofde dadelijk weêr achter hun tred. Hoe Merlijn toch meester was over licht en donker! bepeinsden zij allen nu wel en zij stegen de treden op en Merlijn heette hen wellekom boven aan de trap en zij vonden, hij was zoo jong niet meer als dien morgen vlak na zijn Jouvence-bad; hij had een goediger gelaat, meer gerimpeld en onder zijn puntdiadeem scheen zijn haar even gegrijsd en zijn gestalte boog even, gebrokener, in zijn stijf van gesteente, scharlaken, wijde magiërsamaar. Zijne wellieve gasten voerde hij naar een groote zale, die was van zuilen zoo schoon en doorzichtig als nergens in Land van Logres een burchtzaal, en de ridders, vol tuitinge van love, verbaasden.

Toen zeide Merlijn:

—Ik heet u, lieve gezellen, wel dank, dat gij gekomen zijt om samen te rade te gaan over wat wij bedochten om uit deze vernoie te raken van aventuurloosheid, die vooral onzen beminden Prins en Gawein zoo bedrukt en smachten doet. Ik heb bedacht te hunner weldade een Zwevend Scaec Camelot binnen te laten vliegen, als tien jaren geleden geschiedde, en zoo gij wilt, zult gij allen mij trouw zijn en niet verraden, nu ik u in mijn vertrouwen neem, want ik heb u allen van noode. En om u wederom goed en duidelijk te doen heugen van zoo lang verledene maar voor Gawein glorievolle Aventure, wil ik u de Verledenheid voor tooveren opdat gij u allen ziet in de dagen van weleer, toen gij twintig vroegzomeren teldet en zoo frissche knapen waart, allen vol vertrouwen in Aventuren en Wonder en Heldenfayten....

En hij wees den elf ridderen elf wijde zetels aan. Zij zetten zich en Meleagant vroeg:

—Zien wij de Verledenheid wellicht in een grooten smaragd?

Neen wij, zeide Merlijn. Salomo zag het Verleden in een grooten, ronden smaragd, die zijn magische spiegel was; ik toon u dat eenvoudiger op dezen witten wand.

En hij toonde vóór de ridders een witten wand, die was gelijst in gouden, vlammend geloover en de wand was een vierkant amelaken gelijk, gespannen strak en ontvankelijk voor alle des Verledens beeltenis.

—Tooverië? Of geen tooverië? vraagde zich Sagremort af. Dat is de vrage!

—Tooverië! Tooverië! verzekerde Merlijn.

En met eenen doofde de zale van alle lichten en straalde alleen aan de overzijde des witten wands een geheimvollen lichtbundel uit met felle stralen: er snorde en draaide iets onzichtbaars, en....

De ridders, plots, zagen in trillend beeld op den witten wand ontrollen het Verleden zelve, hun eigen Verleden! Zij schrikten heftig op. Te twijfelen voor Sagremort, niet-te-weten voor Galehot was ondoenlijk, om dit sobere feit.... Aan den smaragd van Salomo hadden zij misschien nooit één van allen geloofd; aan Merlijns blanken tooverwand, waarover het Verleden óp trilde, moesten zij wel gelooven! Want zij zagen zich allen, maar tien jaren jonger, zitten in de Ronde-Tafelzaal, rondom de Tafel-Ronde! De Koning, zoo krachtig en fier nog, vergeleken bij den weemoedigen grijsaard, die hij nu was.... Gawein, reeds ernstig, maar even jeugdig als zij allen toen waren geweest.... Gwinebant, bijna een knape, van achttien lentes nauwelijks. En de stoel aan 's Konings rechterzijde leêg, als dien morgen, want Lancelot met de jeugdige Guenever, wandelde de bloesemende vergieren door, soms teederlijk door opgewaaide wijle omwoeld.

—O Wonder! O Wonder!! riepen zij allen. O tooverië! Diablerië! Hoe doèt gij het, zeg toch, Merlijn? Ons eigen Verleden, wij zien het voor ons! Het en is niet te gelooven en wij zien het...! Toen... op het triltafereel over den wand zweefde uit de lentewolken een Schaakbord binnen en het zette zich, als een vogel licht, voór Koning Artur en de ridders zagen zich allen even ontstellen maar niet lange omdat destijds zeer vaak vreemd Aventuur zich meldde. En zij zagen den Koning spelen met den onzichtbaren tegenspeler en toen het Schaakbord zich weêr verheffen, weg zweven en verdwijnen in het geluchte....

—O Wonder! O Wonder!! herhaalden zij allen.

Ja, zoo was het eenmaal geweest! Zoo en niet anders! Tien jaren her, tien jaren her!!

En een huivering, koud, doorvloot hunne elftal heldenzielen, terwijl zij in den donker Merlijn zagen uit stralen, steeds zichtbaarder, maar steeds ouder ook, met een grauwen baard, die scheen te groeien....


HOOFDSTUK IV

In het zaalgedeemster zagen de ridders op den strak witten wand voor zich, als op een levend schilderij, tusschen de al flamboyant Gothische krullen der omlijsting—stijl der toekomst nog vreemd aan hun aesthetisch bewustzijn—het laatste Aventuur herleven, het Aventuur van Gawein, het Aventuur van het Zwevende Schaakbord, dat Gawein den Koning gezocht had en gevonden na moeitevolle queste. Ja, nu waren zij er zeker van, dat Merlijn het Verleden op nieuw kon doen zichtbaar zijn, precieselijk als het geschied was: zij zagen, als het geschied was, zich allen zitten blijven, om de Ronde Tafel, toen de Koning rondom vroeg wie hem het Schaakbord zoude zoeken; zij zagen toen Gawein rijzen, zich wapenen, te paard stijgen op zijn goed ros Gringolette, dat nu nog wel op stal stond, maar oud en weinig meer wrochte; zij zagen hun gezel zich in het foreest verliezen en stand houden voor een berg, die hem den weg versperde; zij zagen den berg, met tooverië, zich openen en Gawein verslinden en toen plots, zagen zij Gawein in fellen strijd met den draak, terwijl hem de draak in zijn staart omkronkelde! Dat wat zij zelven sedert jaren niet meer hadden gezien noch gedaan, een drààk en eens ridders strijd met dien zagen zij nu, gezeten in hunne wijde zetels en het was als een schouwspel ten vermake! En zij waren allen zeer verbaasd en versaagd en verwonderden zich, tot Merlijn eensklaps zeide, terwijl het licht in de zale als uit groote edelsteenen, jochanten en karbonkelen, straalde overal uit den wand:

—Verder, mijn valiante wiganten en lieve gezellen, kan mijn conste u niet toonen het Aventuur van der Aventuren Vader. Mijn diengeesten vermochten alleen nog Gaweins strijd met het serpent te fixeeren in hunne enghienen, die het Verleden opzuigen en bewaren voor immer. Maar wat gij zaagt, is genoeg en zal u herinneren doen hoe het Scaec binnen kwam zweven, hoe gij allen weifeldet en zoo, zeg ik u, zal op nieuw, nu Pinksteren nadert, een Scaec op Pinksteren-dage binnen zweven en zult gij op nieuw, zoo gij mij en Gawein te wille wilt zijn en den Koning voor sombere geesteskrankte bewaren, aarzelen op te staan om de queste te volbrengen. Dan zal, als hij reeds deed, Gawein zich verheffen; dan zal hij ten tweeden male....

Op dit oogenblik weêrklonk een trillende zilveren bel boven een groote lelie van parelmoêr en Merlijn zeide:

—Vergeeft mij, mijn makkeren en jont mij, dat ik even spreek met mijne zuster, die is de fee Morgueine en zij is vèrre, in haren burcht en belt mij op!

De ridders verbaasden zeer, maar Merlijn naderde het toover-enghien der groote parelmoêren lelie, en hij riep door de bloem heen:

—Hallo!... Wellieve zuster Morgueine, zijt gij daar? Ja... ja, zeker... Volgeerne zal ik u morgen mijn tooverwagen zenden, die van zelve gaat, zonder peerdegespan en gij zult zekerlijk er meerder jolijt mede drijven op de gladde wegen, die uw slot omgeven aan den zoom van de zee, dan ik, die midden in deze foreesten van Logres toch geen nut van mijn schoonen wagen heb! Zonder meswende, wellieve zuster, ik zal u den wagen zenden en gij zult ondervinden hoe ruischloos hij vaart!

De ridders waren opgetogen en verzamelden zich rondom Merlijn, die zich afwendde van de groote, parelmoêren lelie.

—Wat! riepen door elkaâr Sagremort en Acglovael, Bohort, Hestor en Meleagant. Bij Sint Jan! Bij Sint Michiel! Bij Maria's Kind, den rijken Gode van Hemelrijke! Hebt gij met uwe zuster gesproken, Morgueine, die zoo verre woont aan de zee??

—En waarom en zoude ik niet, wellieve gezellen, mijn gevoeg hebben aan mijne tooverlelië? antwoordde Merlijn, en zij zagen nu allen, dat hij geheel veranderd was en verouderd en voor hen stond als een oude man, als een eerwaardige grijsaard met zilvergrijze lokken, zilvergrijzen baard. Heeft mijne zuster niet ook in haar slot een dergelike tooverlelië—eene sprakebloem heeten wij de schoone kelke—, waarin zij met mij spreekt en waarin zij mij spreken hoort?

—Mm...Mm...Mmm...et wie, vroeg Ywein; zijt gij nog meer verbonden, Merlijn, door dergelijke sprakeblom?

—Met niemand meer, Ywein, verzekerde Merlijn; want alleen grootste tooverconste kan deze aansluiting van slot tot slot bewerkstelligen en met Camelot, lace, zoude het niet en mogelijk zijn omdat onzes Heeren Konings burcht een huis is naar al te oude zede en costume gebouwd, en niet abel voor onze laatste uitpeizinge van tooverië. En nu, mijn ridderen, peis ik in mijn moed, dat gij slapen moet gaan en zoete droomen hebben, die ik u zenden zal, om morgen, met Pinksterendage, voorbereid te zijn op het Aventuur van Gawein, dat zich herhalen gaat ten gerieve van onzen held en ter liefde voor onzen Koning, die smacht....

De ridderen namen van hun gastheer oorlof met hoofsche manieren; de wijde deuren openden en over de trappen, in eenen, straalden de lichten op, die schenen te schijnen en te dooven naar mate Merlijn maar zijn hand bracht aan een knop van jochant, die hier en daar aan den wand zich bijna verborg tusschen het nieuw Gothische geflamboyeer van goudene krullen.... Tot Galehot, die hem had bespied, achter de anderen aan loopende, nauwelijks toen de seneschalk, naar Merlijns voorbeeld, achter de trap neer tredende ridderen het licht had doen tanen, zijn hand bracht aan den jochanten knop, dien hij vond en... het juist gedoofde licht weer op deed stralen!

—God zij gebenedijd, mijn makkers! riep Galehot. Schouwt eens! Ook ik ben toovenaar en laat het licht zijn naar mijn wille!!

De andere ridders wendden zich, zagen het stralen waar zij juist achter zich het hadden voelen dooven en verschrikten hevig. En Bohort riep:

—Ik bid Gode om zijne genade, wellieve Galehot!! Draken heb ik verslagen, ik en weet niet meer hoe vele, maar vaar heb ik, trots mijn ridderschap, voor deze duivelsche gloeilampen; hoe hebt gij ze op doen glanzen??

—Zoo ende niet anders! riep Galehot en deed wederom een lamp aan den wand opstralen, die juist de seneschalk had gebluscht en hij lachte, de ridder Galehot. Maar de andere ridders, en zelfs Acglovael, lachten niet en drongen angstig Galehot niet met die tooverenghiene zijn spel te drijven....

Niet alle ridders echter waren de trap afgegaan om naar Camelot terug te keeren. Toen Merlijn terug in de zaal keerde, na den vertrekkenden uitgeleide te hebben gedaan, vond hij Gwinebant, den neef der koninginne, misnoegd zitten in een zetel en Lancelot bezorgd voor hem staan.

—Wat is er, wellieve vrienden? vroeg Merlijn; en waarom volgt gij niet alle de anderen van Tafel-Ronde?

—Krank is Gwinebant, peis ik, Merlijn, zeide Lancelot, die zijn hand op des jongelings smal voorhoofd legde. Zijne slapen kloppen met hamerslagen en zie zelve hoe bleek zijn lieren zijn. Kunt gij hem niet genezen, Merlijn, gij, die toch alle tooverconsten weet en ook die van kruiden en heilzame bloem?

Merlijn zag een pooze op den schoonen Gwinebant neer. En toen zeide hij:

—Voorwaar, mijn lieve Lancelot, deze knape, die bloeit anders een roze gelijk, boven alle zijne gezellen van Tafel-Ronde, kwijnt den lesten tijd, als een gebrokene lelie.... Bij mijne trouwe, niet moeilijk is het te raden wat hem scheelt. Hij drijft rouwe, onze lieve Gwinebant, om liefdes wille, wees des ghewes! Gwinebant, is dat niet zoo?

—Het is zoo, Merlijn, antwoordde Gwinebant en kwijnende vielen zijn anders zoo krachtige armen langs zijn slank jonge leden. Sedert ik, maanden geleden, bij het leste tornooi Ysabele gezien heb, de schoone dochter van Koning Assentijn van Endi, heeft Liefde mijn zinnen gevangen en vervult mijn geest geen andere gepeize dan die aan de jonkvrouw. Want de jonkvrouwe Ysabele heeft meer schoonheden te haren deele dan Venus heeft, de godinne, die over de Minne gebod voert; Ysabele is schooner dan Helena van Sparta of Ysaude van Ierland, die zoo ongelukkiglijk Tristan minde; ja, Ysabele is schooner, vergeef mij, o wellieve Lancelot, dat ik dit zegge, dan onze beroemde koninginne Guenever en wen ik u beiden spanseeren zie door de bloesemende vergieren, dan weet ik wel, dat Ysabele verre Guenever overtreft in menigertiere schoonheden, maar ai mij, wacharme, dan sterft mij ook het harte in mijn borst omdat ik van vlammen verteer en niet weet hoe ik mijn brandenden dorst zal drenken!

En minnekranke Gwinebant, gezeten, legde zijn kloppend hoofd tegen Lancelots hart als om troost bij een vriend te zoeken, toen Merlijn—wat was hij oud, nu dat het over middernacht was!—vinger tegen voorhoofd uitriep:

—Ysabele! Ysabele, Assentijns kleindochter!! Maar wellieve vrienden, ik had nog niet aan haar gepeisd in mijn moed maar wij hebben haar harde noodig voor ons Aventure, dat zich na tien jaren herhalen gaat! Want vond Gawein niet Assentijns dochter, Ysabele eveneens geheeten, in den Burcht van Endi, waar het eerste Scaec werkelijk binnen dreef door het opene venster en nam hij haar niet en mede en huwde hij haar niet aan onzes Konings hove en stierf zij niet in kinderbedde! Arme Gawein: ontrouw was hij haar dikwijls al minde hij haar, zijn Ysabele, zijn lieve wijf, vol van deugden! En eene kleindochter heeft Assentijn, ik weet het, van zijn zoon, die omkwam in den strijd tegen Rome en zij is geheeten als hare moei was: Ysabele! Ysabele, de tweede Ysabele, zij zal haren oom, Gawein, ontvangen te Endi als eenmaal hare moeie het deed!

Gwinebant was opgesprongen, in groote verwarring.

—Wat meent gij, Merlijn? En wat wenscht gij met al uwe achtergedochten en toovergepeize?

—Niet anders, o wellieve Gwinebant, dan uw liefde te dienen, zoete knape! Lancelot, ga terug tot Camelot, en laat mij Gwinebant. En gij, Gwinebant, vertrouw Merlijn, die nie een kwade toovenaar en was, en stijg deze nacht nog mede op mijn fenix.... Zoo voer ik u tot Ysabele!

De jonge ridder gaf een kreet van geluk.

—Tot Ysabele! Tot Ysabele! riep hij uit.

Een pooze later reed Lancelot, alleen, in de nacht, terug naar Camelot. Dat hij zoû binnen komen door alle de poorten, die Keye zorgvuldig gesloten, had, beloofde hem Merlijn, zoo als hij het den anderen ridders beloofd had.

En stegen, op de fenix, die Merlijn stuurde, Gwinebant en de toovenaar op. De jonge ridder zat achter zijn stuurder en verbaasde zich. De schitterend pauwevervig geschakeerde vogel, met recht gestreken wieken, azuur in den maneschijn, zweefde hooger en hooger op en uit zijne diamanten oogen schoten twee bundels felle lichtstralen, die verlichtten den weg door de lucht en de boomkruinen van het nachtelijk foreest. En tusschen hemel en aarde, tusschen bosch en sterren, voerde Merlijn Gwinebant naar zijn liefde. Van gelukzaligheid glimlachte, open zijn zacht hijgenden mond, Gwinebant, de sterren toe of de zwarte bladerenzee, beneden even gekabbeld de golven.... Hoe zij zweefden, hoe de fenix zweefde! Hoe zij vlogen, hoe de fenix vloog! O tooverië, o heerlijke tooverië van vliegen en zweven, de luchten door, de zomernacht door, over de wereld, tusschen sterren en bosschen! Tot ginds, afgeteekend tegen de klare nacht, de zware burchtsilhouet rees van het slot van Assentijn, Gaweins schoonvader—lace, Ysabele, zijne dochter en Gaweins lieve vrouwe, zij was verscheiden van deze aarde! Maar Ysabele, de jonge maagd, en Assentijns kleindochter, die Gwinebant zoo beminde, zij leefde, dààr in dat slot....!

De fenix cirkelde boven het slot: de vogel, nu geruischloos en onzichtbaar, door kunst van Merlijn, Merlijn zelve en Gwinebant onzichtbaar.... Er was een aanzwellend gesuis rondom in de lucht als van vele vluchtige en luchtige vleugelen: een gesuizel, tevens aanzwellende, als van honderden stemmen....

—O Merlijn...! begon Gwinebant.

Maar het scheen, dat hij zwijmde, achter Merlijns rug.

Mijn zoete trawanten! fluisterde naar de lucht, links en rechts, Merlijn. Mijn trouwe dienaren uit de lucht! Mijn blijde sylfen: hierheen, hierheen op uw lichte vlinderwieken!! Neemt den jongen ridder hier bachten mij in uwe armen en geeft zijn lijflijk huls aan mijne gnomen in het foreest, ter bewakinge, aan mijn goede gnomen, dat zij hem houden in zoete vaak en voert gij zelve, o sylfen! zijne ziele van liefde met u tot in Ysabele's droom! Komt! Komt! Neemt hem en voert hem met u!

Er was even een manestraal door de wolk, die veronzichtbaarde de fenix, Merlijn, Gwinebant.... En in den manestraal verduidelijkte voor duizenden geestesoogen, die van boven neêr zagen, het blauwe tooverenghien, het zwevende fenixdier... verduidelijkten even tal van zilverige sylfewieken, die waren als van waterjofferen en libellen, doorschijnende glas, dooraderde vlies: de wolk van sylfen, die droegen het bezwijmde lijf van Gwinebant, zacht dalende, dalende laag.... Verduidelijkten zij daarna zilveriger, in stralender lijnen, toen zij, opstijgende uit het duistere foreest, Gwinebants astrale lijf hieven omhoog in hare armen, in hare handen, liggende levenloos de schoone jongelingvorm in hare stijging.

—Weeft den droom van hier naar daar, van daar naar hier! fluisterde bevelend Merlijn en wees van slot naar bosch, van bosch naar slot.

Als met een wijd geweven spinnerag zilverden de ijle draden van slot naar bosch, van bosch naar slot terwijl Merlijn, onzichtbaar, op den beweegloos zwevende fenix, zijn staf hoog, staande, verroerloosde...

En het droomeweb, het ijle spinnerag weefde voort, weefde voort, tusschen aarde en hemel, tusschen ridder en maagd....


HOOFDSTUK V

In hare kemenade lag de princes Ysabele te bed en sliep. In het lage, bruine, gewelfde vertrek, tusschen der wandtapijten beweeglooze figuren, die te waken schenen in de zacht gouden schemering van het robijnroode lampje voor de beeltenis der Moeder Gods, rees het groote, vergulde bedde, twee treden hoog. Het was harer ouderen bedde, en de princes Ysabele sliep, als de zede was en de costume, op de eéne plaats, rein en kuisch, recht haar blonde hoofdje op het rolkussen met kwastjes, de couverture getrokken tot hare borst en haar eene handje over de deken heen. Het scheen of zij in haar slaap afwachtte wie haar ter zijde in het te groote bedde als haar gemaal zoû komen liggen. In de schaduw, die bruineerde tusschen de rossige gordijnen, lag haar wit gezichteke zoo zoet als van een kind, met de twee gelokene oogleden onder de duidelijk geharceerde wenkbrauwboogjes. Hare lippen openden zich in een onbewusten glimlach. Op een treê van het bedde was, ter zijde, haar princessekroontje geplaatst. Hare muiltjes stonden zoetjes en recht op de pelline, die voor het bedde uit lag. Door het éene kruisraam blauwde een weinig de nacht binnen over de twee vazen met bloemkens in de vensterbank en achter in het vertrek dommelden goudig de schemeringen—dat was om het lampje—over het bidgestoelt. Een koperen wijwaterbak glimmelde. Voor het andere raam waren de luiken half toe; er blauwde alleen een smalle reep nacht tusschen de kier en het tafeltje stond daar, met ter zijde het boekenschrijntje: daar rijden Levens van Heiligen en de door clerken van dien tijd opgestelde, tien jaren geledene Aventuren der Ridders van de Tafel-Ronde. En het zwart-bruine hondje lag te slapen, midden in het vertrek.

Onbewegelijk lag de princes Ysabele. Weeze, was zij de kleindochter van Koning Assentijn, wiens land van Endi grensde aan dat van Logres. Somber en booze om veel ongeval en smart, die hij geleden had, bewaakte de Koning zijn laatste spruit jaloerschelijk. Zij mocht het kasteel niet uit dan met dicht gevolg van vele gewapenden, ter jachte of ten tornooi of ten pelegrimage en verder bleef zij onverbiddellijk binnen. Twaalf muren omringden het slot, tusschen iedere twee muren een diepe gracht en het al omringde een diepe, breede rivier, die was van steeds ziedend water en wie er in verdronk, verbrandde eveneens. En wie hij zijne kleindochter toe had bedacht te slapen ter leêge stede in het groote, vergulde bed, was de oude Koning Clarioen van Noordhumberland, aan wien Koning Assentijn veel verplicht was, om hulp van wapenen in verleden krijg en Koning Clarioen wachtte Ysabele te trouwen tot zij zestien jaren volbracht zoû hebben.

Ysabele wist het en had haar grootvader beloofd een lieve vrouw te worden voor Koning Clarioen, ook al had hij een grauwen baard en al was hij bijna als haar grootvader zoo oud. Zij had gelezen in de berijmde kronijken der clerken, dat Koning Artur, van het Land van Logres, ook oud was en de koninginne Guenever zeer jong steeds bleef. Zij had ook gelezen van Lancelot en dat hij een trouw ridder steeds der koninginne Guenever gebleven was meer reeds dan tien lange jaren, en Ysabele hoopte, dat, als Koning Clarioen haar gemaal werd, Gode van Hemelrijk, Sint Marië's Kind, haar ook wel zulk een lieven, dapperen hoofschen, trouwen ridder zoû jonnen. Zij was vol vertrouwen op toekomst. En zij lag zoo kalm als een zoet kindeke, recht op het rolkussen, met de oogen toe, onder de duidelijke brauweboogjes. Ook het sluimerende hondje bewoog niet. En ook bewogen niet de wakende figuren, uit lichtende als bewaarengelen op de wandtapijten, in de gouden dommeling der schemeringen....

Buiten bruiselde nauwelijks de wind, over de boomkruinen van het woud. Was het wind door de blâren of waren het te vroeg ontwaakte vogelen? Of was het gesuizel van sylfestemmen, duizenden, maar zoo licht, dat het Ysabele zelfs niet in den slaap bewegen deed? Het waren geen vogelvlerken, die tegen de blauw beschenen ruitjes tikten des kruisraams. Het waren sylfewieken, want zij maakten nauwelijks geluid.... Dat was toen de sylfen binnen drongen door het raamke, dat niet voor hen bestond. Noch voor hen afsloot binnen van buiten, kemenade van lucht.... Binnen drongen, tot zij, duizenden, vulden de kemenade. Maar zoo licht, zoo luchtig, zoo niets dan nevel onzichtbaar, wat maneschijn meer, naar het scheen. Het hondje bewoog niet, sliep. Maar Ysabele had zich lichtelijk omgewend naar de leêge plaats in het bedde. En haar andere arm bevrijdde zich van de couverture en beide armen strekten en sloten zich nu als omhelsden zij één, die daar lag....

En zij droomde van Gwinebant en omdat de elfen iets namen van haar slapende wezen, astrale gelijkenis, droomde Gwinebant, in het foreest, waar de gnomen zijn lichaam bewaakten, den zelfden droom.

Ysabele droomde, dat zij wandelde met den jongen ridder, wien zij op het laatste tornooi hare losse, lange mouw had gereikt, opdat hij te harer eere zoude josteeren tegen de andere ridders en die hij aan den helm had bevestigd.... Dat zij wandelden, in zoet jolijt ende solaes van amoers, als de koninginne Guenever en Lancelot, van wie zij gelezen hadden, waren gewoon.... Over de wallen van het kasteel, door de vergieren, in de zalen; zelfs, dat zij samen waren in de kemenade, zaten in de vensterbank, tusschen de vazen met bloemkens, lazen in het zelfde boek: den Roman van Alexander, den Roman van de Helden van Troje, den Roman van Lancelot zelven, dien de clerken juist dichtten in deze dagen....

En toen zeide Gwinebant tot Ysabele, in den droom:

—O schoone jonkvrouwe, ik heb u lief, want gij zijt de roze, die over alle andere bloemen vol van deugd bloeit in schoonheden.

En Ysabele antwoordde:

—Mijn ridder, vol van deugden en hoveschhede, ik heb u ook zoo lief sedert het tornooi, toen gij mijn mouwe vast hechttedet aan uw helm en zoo mij Koning Clarioen van Noordhumberland tot zijne koninginne verkoren heeft, zult gij mij zijn wat Lancelot is der koninginne Guenever, zoo als ik gelezen heb in de boeken, die de clerken dichtten en waaruit de minnestreelen zingen en vertellen....

Toen, in den droom, werd Gwinebant treurig, maar hij dorst, om Ysabele's reine onwetendheid niet te verrassen, haar niet zeggen, dat hij harde veel pijn en verdrietelijkheden zoude hebben, zoo de zoete jonkvrouw met den ouden Koning Clarioen zoude huwen. En hij zeide alleen:

Ysabele, mijn zoete jolijt, solaes van mijn vie, hebt gij ooit gehoord van ridder Gawein, die met ons mede zit aan Tafel-Ronde?

—Ja, ik, Gwinebant, antwoordde Ysabele. Want Gawein is mijn oom en hij huwde mijne moei, wier ziele is in Paradijs,

—Zoo weet, dat hij zal komen, spoediglijk om Aventure, dat hij volbrengen zal en het zal goed zijn, zoo gij hem liefdevol ontvangt, in de zelfde maniere als uwe moei—Ysabele als gij geheeten—hem ontving tien jaren her....

—Ontvangen zal ik mijn oom Gawein, o Gwinebant, als mijne moei hem ontving, antwoordde Ysabele.

En zij dreven verder in den droom de zoete melodie te zamen, in kuische vreugde en zaligheden, en de kussen, die zij wisselden, werden hun door de sylfen gegund, maar niet méér gunden hun de sylfen.


Den volgenden dag was het Pinksteren; de klokken der kapel van Camelot bimmebamden en de Koning en de Koninginne schreden ter vroegmis, zingende zacht in ondertoon de hymne aan den Heiligen Geest, de vergieren door, waarvan de bloesems stuivende op den bries over hunne hoofden verwoeien. En na de mis, die vierde de kapelaan, zetten zij alle twaalf zich om Koning Artur neder in de Ronde Zaal, omme de Ronde Tafel van jaspis, zetten zij zich zwijgende, als zij iederen dag reeds deden, durende tien jaren, om Aventure af te wachten. Ook Lancelot zette zich maar Guenever, tusschen de ooftboomen, wenkte hem, want zij wist van niets, dat was voorbereid; omdat vrouwen meer praten dan mannen over dingen, die beter verzwegen worden, had Merlijn den ridders verzocht niets aan de koninginne te melden. Ook Keye, de spotaard, wist niets en hij verbaasde zich zeer, toen Guenever Lancelot tot spanseeren noodde in de vergieren—omdat er immers toch nimmer Aventuur meer zich meldde, —dat de amys der koninginne haar bediedde met schuddinge des hoofds van niet, en dat hij zittend moest op zijn plaats blijven. Waarom de koninginne verbaasd en zelfs booze werd, tot zij hare wijle om zich heen dichter wond en beleedigd alleen weg wandelde; hare vrouwen die zich, bescheidenlijk, eerst hadden terug getrokken, naderden haar, vroegen, begrepen niet en begeleidden Guenever toen in hare verpoozing, haar noodende naar heur eigen tuin te gaan, waar Merlijns tooverboom stond, om de gouden vogeltjes er te hooren zingen....

Om den Koning bleven zwijgen de ridders, terwijl Keye bal speelde, alleen, behendiglijk als een jonge man, hoe hij ook hinkte, hoe hij ook loenschte. En zorgelijk en weemoediglijk zat de Koning in zijn wat motputterig hermelijn en fluweel—mottig ook even zijn zilveren baard, en Gawein, naast hem, zat weemoediglijk en zorgelijk als hij. Geen van beiden, in het diepst hunner ziel, geloofde meer aan het nieuwe Aventuur en dat het ooit meer zoude komen. En zoo zij daar zaten, stil, zwijgend, te wachten, met de anderen, Lancelot, Bohort en Ywein, Acglovael, Sagremort en Meleagant, Hestor, Mordret en Didoneel, Galehot en Gwinebant, was dit meer uit niet te verstoren vroomheid aan het Verleden, aan de groote Verleden Dagen, toen zij zelden ten avonddisch zich begaven voor zich Aventuur had gemeld en een of twee ridderen ter gloriënde queste zich op maakten. En Gawein gaapte even, achter de hand, had wel slaap na de mis en nu om het altijd te vergeefsche wachten. Maar de andere elf, zij gaapten niet, vol spanning om wat gebeuren zoû. Zelfs vloekte Bohort tot Lancelot:

—Bij Sint Michiel, komt er nog niets aan?—waarop Lancelot ter sluiks naar de lucht zag en Ywein fluisterde:

Ge...ddduld dd...an toch!

Zoodat Acglovael een zenuwigen schater moest onderdrukken om eerbied voor den zwijgenden Koning en Sagremort, zelfs twijfelend dezen morgen, of Aventuur zich melden zoû door toedoen van Merlijn, schudde het hoofd, brauwen gefronst. De anderen zwegen steeds: Hestor, modest, zeide nooit veel; Mordret en Didoneel keken malkander wel wetende aan omdat zij beiden dachten aan een aventuur, dat zij met hen beiden voorbereidden en waarvan ik niets anders melden kan dan dat het niet waardig der Tafel-Ronde was; o, zoo Koning Artur er van hadde geweten...! Galehot glimlachte vol felle nieuwsgierigheid en Gwinebant gedacht zich zijn zaligen droom en was, nu Lancelot zitten bleef, bijna niet meer jaloersch op de wandelingen door het vergier, omdat hij zich heugde eigene droomen en droomzaligheden.... Tot plotseling....

—Zie, zie! riep Gwinebant.

Zij zagen allen op.... En zij zagen allen—zij zagen het!—door de blauwe lucht, die zomerde boven de appelaren en tusschen de Romaansche bogen groote ronde stukken azuur deed stralen, een Schaakbord zweven, zwevende den burcht naderen, zwevende in het ronde dalen, een grooten, schitterenden vogel gelijk, zweven toen boven s' Konings oude hoofd, dat zich opwendde, opdat zijn ongeloovige oogen konden zien. Gawein was, met een forschen kreet, opgestaan; achter de tafel stond Keye, openmonds, handen in de zij en geloofde niet wat hij zag en terwijl de koningin en hare vrouwen toe liepen en het vergier vulden met hare verbaasde kreten, riepen de ridders, allen te zamen, zoo als een koor, dat goed de zangmeester drilde:

—Een Wonder! Een Wonder! Een Scaec zweeft ten tweeden male aan!

Zoo de Koning en Gawein en de koninginne en Keye niet buiten zichzelven waren geweest in liezen oogenblik van verwondering, zoû het hen zeker getroffen hebben, dat de elf ridders zoo maatvol vol en rhythmiesch te zamen en te gelijk hun koorzin zin hadden uitgeroepen en gescandeerd: Bohort riep met zijn diepst basgeluid, Ywein stotterde niet, Acglovael grinnikte maar even en Gwinebant klaterde het uit met zijn nachtegaalstem. En de roep deed mooi aan, door de echo's der Ronde Zaal herhaald, tot de klanken elkaâr als op een rijtje na liepen langs de gepinghierde wanden; toen zwegen allen; wie was opgestaan zette zich en terwijl de Koning de oude handen bevende hief, zweefde het Scaec met een licht gesnor als van een zwaren hommel, maar véél lichter van geluid dan Merlijns fenixvogel snorde, nog even in de lucht en zette zich toen vóor Koning Artur.

Diens oude perkamenten gezicht was geheel opgeklaard en scheen verjeugdigd van vreugde.

—Het Aventuur van het Scaec komt weêr! juichte de Koning met krakende stem.

—Komt weêr! jubelde Gawein.

—Komt weêr! verwonderde zich Keye.

—Komt weêr! sopraanden de vrouwen er tusschen.

—Komt weêr! klonk, als de finale van een opera uit latere eeuwen, het koor der elf ridderen.

En alles te zamen klonk het héel mooi.... Nu stond het Scaec van tooverië voór den Koning en trots het zweven waren de gouden en zilveren stukken niet verward of omver gevallen maar geschaard gebleven naar behooren op de velden van agaath en chalcedoon. Wat was het een schitterend schoon Schaakbord! De gouden stukken stonden voor den Koning, uit hoffelijkheid zeker van den onzichtbaren tegenspeler en zij waren cierlijk gedreven: zij vertoonden Koning Artur, koninginne Guenever zelve, staande de figuurtjes ten voeten uit; de raadsheeren waren ridders der Tafel-Ronde en ieder der twaalf kon zich wel, als hij wilde, herkennen, zoo als de beide paarden, de steigerende gouden, gelijken konden op de beroemde paarden van elk dier ridders, die allen even beroemde paarden hadden, hoewel Gaweins ros, Gringolette, misschien het allerberoemdste was, en de kasteelen waren zeer zeker getrouwe gesmeed en gedreven naar den Burcht van Camelot. En hoe schoone garsoenen en schildknapen waren niet de acht pionnen!

Terwijl de zilveren koning wel iets had van Koning Clarioen van Noordhumberland....

Toen, opgestraald van geluk, deed oude Koning Artur een zet: hij zette een der garsoenen vooruit....

Een onzichtbare hand speelde tegen.

Allen zagen toe....

En het scheen Gwinebant, dat hij de schimme-hand, die tegen speelde, zàg en dat die hand geleek op de hand van Merlijn....


HOOFDSTUK VI

Ademloos volgden de ridders het spel. Want zij waren wel voorbereid, dat het Scaec binnen zoû zweven, maar verder had Merlijn hun niets gezegd. Ademloos volgden zij dus het spel: Koning Artur, goed speler, mocht niet verliezen tegen zijn onzichtbaren tegenspeler. Bedachtzaam speelden beiden, met tusschenpoozen vol overdenking en de vreemde atmosfeer van het Oneigenlijke vervulde als een raadselachtige geur de zaal.... Uit het vergier spiedde ook Guenever toe, hare oogen niet kunnende gelooven... spiedden ook hare vrouwen.... Een zwijgen heerschte en de vogels schenen te tjilpen in ondertoon.... Noodlottigheid zoû het spellen, zoo de onzichtbare den Koning schaakmat zette: ramp zoû dat bedieden... En de ridders wisten niet wàt te gelooven. Zeker, Merlijn, had het Scaec doen zweven, maar toch, het Zwevende Scaec blééf een Wonder: dat waaraan zij, elf van hen, eigenlijk niet meer geloofden, al weifelden zij wel eens in hun ongeloof, al twijfelden zij, al wisten zij eigenlijk niet of zij moesten gelooven of niet.... Nu, nu zagen zij het, als zij gezien hadden het optrillende beeld van het Verleden op den witten wand en de lelie der sprakebloeme en al het licht, dat doofde en op straalde naar Merlijns enkele handbeweging.... Wonder ofte geen Wonder? Galehot poogde te glimlachen, maar niet te best ging het hem af, al dacht hij de draken, die hij gedood had, lezarden te zijn geweest.... Sagremart fronste en ontfronste zijn brauw. En wat ook de anderen deden, Gawein, geloovig, staarde toe als op eene openbaring van bovenaardsche heiligheid.

Het spel vervolgde zich, met snellere zetten. De gouden Camelot-burchtjes in des Konings hand gleden in rechte lijnen, zijn goudene paardjes sprongen hun paardesprong; zijn gouden koninginnetje nam het zilveren schaakvorstinnetje.

—"Koning!" waarschuwde Arturs jubelende, oude stem.

De zilveren koning liep gevaar. Wel kon hij zich nog redden met een achterwaartschen zet, maar toch zoû hij, zonder bizonderste schaakgenialiteit, vermoedelijk wel in twee, drie volgende Zetten schaakmat zijn.... Allen zagen toe.... Koning Artur mocht niet verliezen.

Plotseling trillerde het Scaec en verhief zich snel in de lucht hoog. De ridders, de vrouwen, de Koning slaakten hun kreet. Het bord verhief zich met de stukken, zoo als zij, nog weinige, stonden bij dit einde van de partij, dat noodlottig zich voor het zilveren koninkje had gekondigd. En de van weêrszijden genomene stukken verhieven zich eveneens, verdwenen als het ware in het niets of onzichtbare handen ze weg goochelden. Maar het Scaec zelve, recht, en de weinige stukken staande blijvende, zweefde hooger en hooger, weg. Het Zweefde, zoo hoog, niet zoo snel meer, als tartte het allen, die daar omlaag waren, en boven de appelaren dreef het, onder de witte, dikke stapelwolken in de blauwe lucht langzaam, langzaam weg.

—Wie achterhaalt mij het Zwevende Scaec!? riep Koning Artur opgewonden en wees naar het tooverbord. De helft van mijn koninkrijk aan wie mij het Scaec achterhaalt!

Nu had de Koning dit tien jaren geleden, toen zonder Merlijns medewerking een Schaakbord was binnen gezweefd, ook al uitgeroepen. Maar toen Gawein, na vele Aventure, terug was gekeerd, voor op zijn ros Gringolette Ysabele, Koning Assentijms dochter!—en den Koning het Scaec had gebracht, scheen Artur zijne belofte geheel te hebben vergeten, want de notarissen van het Hof van Logres haddden geen bizonderen last gekregen 's Konings belofte te boeken, opdat minstens na 's Konings verscheiden Gawein de helft van Logresland toe kwam. Zoodat nu, op 's Konings na tien jaren herhaalden uitroep, Galehot fijntjes glimlachte en Acglovael een giechelen onderdrukte en Sagremort de brauwen fronste en ontfronste, want hij twijfelde ietwat, Sagremort, aan zijn leenheers woord en belofte.

—Wie!? riep de Koning. Wie achterhaalt mij het Scaec!? Want zoo ik wederom droom, dat mij mijn krone te loor gaat, zoo ik niet win deze partië en den zilveren koning schaakmat zet, zal ik zekerlijk zelve, o mijne ridderen! zoeken het Scaec, tenzij een uwer wel het mij achterhalen wil!!

Het hoofd van den Koning schudde van ontroering en oudheid en, staande hij, beefden zijne oude, groote, opgehevene handen. Maar de ridders zwegen, wachtende op Gawein. En iedereen zweeg, ook Guenever, ook Keye zelfs, die altijd spotte, ook Merlijn, die jong, dwaas jong, met een zwart puntbaardje, achter een der Romaansche bogen verschenen was en toezag en luisterde.

Toen, plechtig, rees Gawein op. Hij rees groot en prachtig, en het scheen den elf anderen, dat hij grooter was en pràchtiger dan zij allen. Zij verwonderden er om één oogenblik. Zij, elf, bleven zitten en hunne roerloosheid, hun zwijgen bediedden den Koning, dat zij zich verontschuldigden voor hun Prince op queste te tijgen naar het betooverde Scaec.... Maar Gawein was opgerezen. Wat was hij grootsch, toen hij daar stond! Zijn hoofd, zoo ernstig van aangezicht, even hoog gericht, zagen zijne donkergrauwe oogen als bezield voor zich uit. De donkerbruine haren golfden tot op de zware schouders en glansden als vrouwenhaar. Maar de nek was breed en rond als een zuil. Zijne leden waren forsch en edel, de spieren zich nauwelijks teekenend onder de bruine bliaut, die spande over borst en lendenen, onder de keelkleurige hozen, die de lange, sterke beenen omgoten. Op zijne ridderlijke vuisten leunde Gawein over de Ronde Tafel. En allen, op dat oogenblik, gevoelden, dat zij Gawein beminden, allen... maar niet Mordret en niet Didoneel....

Toen zeide Gawein:

—Mijn Vorst, als ik reeds deed te uwer liefde en te uwer eere zal ik het Scaec achterhalen, zoo helpe mij Sint Marië's Kind, God van Hemelrijk, zoo helpe mij Sint Michiel met zijn vlammenden brant, zoo helpen mij alle Heiligen van Paradijs. Aventure heeft zich eindelijk gekond, om na zoo vele bedenkingen tot daad te doen besluiten. Mijn Prins, ten tweede male zal ik het Zwevende Scaec u achterhalen; mijn Koning, ten derden male, al ware het over tien jaren weêr, zoû ik het Scaec u achterhalen, zoo het ten derden male zich kondde en voor u omneder zweefde. Want ik ben die gone, die trouw u is en was en zijn zal, in den Aventure, die was, in den Aventure, die is, in den Aventure, die zijn zal. Zegen mij, mijn Vorst, en beveel mij te gaan.

En Gawein knielde voor Koning Artur neêr, die hem zegende....

Maar nauwelijks was Gawein opgerezen of Keye's spottende hekellach klonk:

—Hahaha! grinnikte Keye zoo schel, dat het Acglovaels schaterlach smoorde in diens keel, toen hij schateren wilde om Keye's plotse verschijning van achter een boom tot in de zaal, terwijl ook Galehots glimlach bezwijmde.

—Dappere wigant, Gawein! spotte Keye. Merk ende versta! Hadt gij genomen een draad en dien aan het Scaec gebonden, zoo mocht gij nu het getrokken hebben tot u toe en het en ware u niet ontvaren!

—Zoo gij, heer Keye, sprak hoog en kalm Gawein; u eindelijk onthouden wilde van zoo kwade scherne, zoude ik dit wel op prijs stellen en u loven voor uwe hoofschheid.

En Gawein beval Gringolette te zadelen en men bracht hem spoedig zijn paard voor. Het was niet jong meer, het strijdros, dat Gawein bij zoo vele Aventuren bereden had; jaren reeds genoot het zijn rust want al besteeg hem zijn heer iederen dag, die stille rit door vreedzaam foreest was niet wat eertijds geweest was strijdbaar steigeren en draven in drakenstrijd en tweegevecht.... Dit dachten wel alle ridders, toen zij den schildknaap Gringolette voór zagen leiden, terwijl Gawein in den hof werd gerust en gewapend. Maar tevens dachten zij na, dat draken niet meer bestonden, nooit hadden bestaan en reuzen eigenlijk evenmin....

Twee andere schildknapen gespten Gawein den zilveren halsberg om, de maliëncotte, die sloot om borst en beenen en armen en waarover de wapenrok van zwaar donker scharlaken gleed tot aan de heupen. En een gouden liebaertkop was gewrocht op den wapenrok en op de hoes, die Gringolette, de geäppelde schimmel, omhuifde en die zelfde liebaertkop schitterde op Gaweins schild in goud. Toen boden de schildknapen de speer en het zwaard en Gawein steeg op en de Koning riep:

—Wellieve neve, dappere wigant, zie wat gij doet en hoor den raad, dien ik u geve: wacht u en uw paard voor ongeval, want zeer zoude ik daar toorn van hebben...!

Toen, na een laatsten groet met zijn speer, reed Gawein weg. En allen snelden de hooge tinnen op....

De Koning stommelde Guenever na, die reeds met Lancelot en de tien ridders vooruit was gesneld en Keye volgde den Koning, hinkende, na, de steile, smalle trappen van den toren op en de kapelaan met de clerken en de hellebaardiers en alle serianten, zij volgden allen eerbiedig den Koning, tot de Koning hen vóór wenkte te gaan en hij achter-aan met Keye de eene treê na de andere zich moeizaam opheesch. Tot zij allen tusschen de barbekanen en de kanteelen—zoo hoóg, dat zij de kruinen der boomen beheerschten—uit zagen over de vlakte, die omringde den burcht en bemerkten hoe Gawein draafde achter het Scaec, dat bij wijlen hoog, bij wijlen lager, hem scheen te tarten, te lokken....

En de ridders, de elf, achter den rooden mantelrug van den Koning, achter Guenever en hare vrouwen en alle de anderen, wisselden een blik met Merlijn, die, zoo dwaas jong, aandachtig toezag ter zijde....

—Is het Scaec Wònder? vroeg fluisterend Sagremort.

—Is het Scaec tooverië? vroeg grinnikend Acglovael.

—Dià... iablerië? vroeg Ywein.

Ook de anderen vroegen ter sluiks.

—Wat is diablerië? Wat tooverië en Wonder? En wat is het niet? antwoordde, met vaag beweeg van armen, Merlijn en Galehot meende, dat hijzelve, eveneens, zoo had kunnen antwoorden, en zonder toovenaar te zijn....


Maar Gawein, in de vlakte, draafde steeds achter het Scaec. En het zweefde zoo loom en zoo laag, dat Gawein meende, het werkelijk wel onder de hand te kunnen vatten...! Bijna had hij de gemaliede vingers geheven! Maar hij hief de vingers niet, want plotseling beving hem de vrees:

—Zoo ik het met de hand niet en zoû vangen, mocht er heer Keye zijn scherne meê maken....

En Keye's spot was het eenige, waarvoor versaagde Gaweins anders vreesloos hart.

Toen zweefde het Scaec weder hooger, boven de opene vallei.

En Gawein hoorde nog roepen den Koning van af de hoogste tinnen:

—God moet u geleiden, Gawein! Scheiden moeten mijne oogen hier van u...!

—God moet u geleiden! hoorde Gawein de ridders om den Koning roepen.

Gawein, zonder ommezien, om het Scaec niet uit het oog te verliezen, hief ten laatsten groet de speer hoog....

Toen breidde vlakte en vallei om hem rond, eindeloos en in de middaglucht, die goud gloeide tusschen witte wolkstapels in blauwen ether, zweefde steeds, als een vierkante vlieger, het Scaec....

—Maar ik en houd het niet aan een draad...! peinsde Gawein; als mij kwade heer Keye ried...! O, wonder Aventuur, zijt gij gekomen en zult gij u herhalen na tien jaren beidens, zoo precieselijk eender als ik u Destijds volbracht!? Het Scaec zweefde binnen, het Scaec zweefde weg.... Zal droomen mijn Koning deez' nacht? En zal ik? O, liever ware het mij geweest, zoo nieuw Aventure zich hadde gekond! Wat zich herhalen moet door noodlottigheden, herhaalt zich toch zekerlijk anders...? Zal ik mij nu niet verwerren in wat geweest is en wat nu zijn gaat? Wat bepeis ik in mijn moed? Versagen en wil ik niet! Het Scaec, het Scaec zal ik vinden, zal ik vangen, als ik het toen ving en vond! Het Scaec zal mijn eigen zijn en ik zal het mijn Prince brengen! O, Aventure, o menigertiere Aventure, dat toen mijn jeeste omringde, omring mij ten tweeden male!

Gawein draafde het Scaec achterna en hij bespeurde, dat het Scaec den zelfden weg zweefde, dien Destijds dat andere—of dat zelfde, want verdwenen was het eerste, niemand wist waar!—gezweefd had. De zelfde vallei omheen en toen... toen....

—O, Wonder! dacht Gawein.

...Rees, als vroeger, een gebergte, geheel den horizon afsluitende.... Spleet de berg open met nauwe spleet als vroeger.... Zweefde het Scaec binnen de spleet in den donkeren berg, als vroeger ...Reed Gawein, als vroeger, den berg binnen....

De spleet sloot dicht; het was donker, met hier en daar een gezeef van zwakken dageschijn door hoogere, smallere spleten heen....

Gawein seinde zich.

En hij bad:

—Helpe God, Sinte Marië's Kind! Ik ben in den berg, als ik was! Het is duister als het was! Het Scaec heb ik verloren! En al mocht ik uit den berg gaan, kwam ik zonder het Scaec te hove, ik zoude buiten love geworpen worden en met mij zoude heer Keye zijn kwade schere maken! God, die voor ons stierf en om ons verkoort den bitteren dood aan het kruis, help mij, Heer, uit dezen nood!

Toen hinnikte Gringolette angstig....


HOOFDSTUK VII

Gawein herinnerde zich.... Dit was de zelfde donkere, euvele plaats, waar hij tien jaren geleden door tooverië en magië, hemzelven onbekend, was binnen gedrongen en ingesloten....

Ruim was de holle berg, een eindelooze spelonk gelijk en de dag, door de nauwe spleten, scheen niet meer dan, hier en daar, een ster.... En, destijds, in deze duistere, bleek doorlichte, labyrinth-achtige caveerne, had hij het serpent gezien, de vreeslijke draak, met hare vier jongen en hij had eerst den vier jongen strijd geleverd—als kronkelende hellelarven hadden de drieste slangen om hem heen gekronkeld met de staarten en met de vlerken geflapperd. Gringolette had hen gruwzaam vertrapt, terwijl Gaweins zwaard naar links en rechts had gestoken, hun de breede pooten afbouwende, hun het vlijmende staal in de vlammende sulfer spuwende muilen stekende. Tot zij als een bloedig doorkloofd kluwen van afgrijselijke monsterlijkheid lagen levenloos in het nest, in hun laatsten fosforglans, die doofde met den dood en de moederdraak, blazende, was aangeschoven en aangeslopen door de donkere gangen, van buiten, waar zij voedsel en aas was gaan voor hare jongen halen. Het felle moederserpent, vier spuwende en verstikkende vlam, was over Gawein, in het duistere hol, neêr gevlogen, en had hem aangegrepen met klauwen en tanden, hem met den langen staart omkronkeld, terwijl hare wijde vlerken als van een duivel op stonden met de klapperende scherpe schermen. Gawein, in hare doodsomhelzing, was gegleden van zijn ros en Gringolette gevlucht, bonzende tegen de grottige muren, zich een uitgang zoekende en, omwrongen in des serpenten staartgekronkel, had Gawein eerst met zijn zwaard en, toen hem dit uit de hand viel, met zijn goede misericorde, zijn breeden dolk, steke na steke toegebracht, tot het gebeeste eindelijk dood lag en uit honderd wonden het heet ziedende bloed sproeieren deed over Gawein.... En nu wachtte Gawein af, tot wederom...? Waarom niet? Waarom zoû op nieuw niet een drakemoeder haar helsche kroost hebben gebaard in de caveerne; waarom zoû het op nieuw niet gaan gloren van fosfor, waarom zouden op nieuw niet de strijden worden gestreden? En Gawein, van Gringolette afgestegen, en het ros leidende aan den breidel, spiedde uit, langzaam voort gaande vol voorzichtigheid of niet plotseling.... Tot hij langs de sombere gangen van den hollen berg aan een wijdener holte kwam en zich herinnerde en zelfs zàg! Hier had hij de jonge serpenten verslagen...! Dáár had hij het moederserpent verslagen...! En hij versaagde, Gawein, meer dan hem een nieuwe drake hadde gedaan, toen hij, in het sterrebleeke gezeef des dagelichts door de spleten, onderscheidde de geraamten der jonge slangen, de blankende riffen met de leêge ribben, de blanke schedels, de bekkeneelen, de wervelgeledingen der lange staarten.... En, op korten afstand, spookte, als het skelet van een leviathan uit de eeuwen toen Christenen noch Heidenen zelfs leefden, het vreeslijke geraamte der moederdraak, versperrende den weg door de nauwe berggang; de wijde muile nog open gesperd, onder de witte ribben de leêge wijdte van den buik, die geweest was een gloeihaard van vuur, nu gedoofd en de vliezen der hooge schermevlerken, verschrompeld, hingen in rafels aan de beenderen ervan en schenen een reusachtige vleêrmuis, in den dood verschrikkelijker want spookachtiger dan een nieuw ondier geweest zoû zijn.... En Gawein seinde zich en toorn had hij in zijn gemoed, dat zich alleen de dood van het Verleden herhaalde en niet het levende Verleden zelve.... Hij besloot bij zichzelven, zoo hij ooit behouden en met het Scaec terug te Camelot zoû keeren, niet van deze verbleekte overblijfselen één woord ook maar te reppen: hij was bang voor heer Keye's venijnigen spot.... En met zijn zwaard hieuw hij in het geraamte, dat hem versperde, links en rechts: de ribben rolden door elkaâr en de vlerken stuivelden te zamen tot stof en door wat een spooksel geweest was, trok Gawein zijn ros meê, dat tegen stribbelde als gevoelde het de huiveringwekkendheid van dit nog overgeblevene Destijds... Maar zijn heer, die zich heugde het nauwe pad door den hollen berg heen, zag eindelijk het licht heller stralen en de opening in den berg, die hij ook Destijds uit was gegaan....

Ja, ook de berg, daar buiten, was de zelfde gebleven. De berg rees, als toen, op uit een onafzienbaar breede rivier, met groote rotsblokken gestapeld en scheen wel een reusachtige kerk, die gebouwd zoû zijn op een eiland, midden in een diepen, diepen vloed. En Gawein herinnerde zich, dat hij met Gringolette van die hooge oevers in den diepen vloed was gesprongen en dat zij gezwommen had uren lang en toen gerust op een landtong en wederom was door gezwommen, tot hij gezien had voor zich een burcht, die, met tallooze torens, wel scheen van goud te zijn. En dáár, in dien burcht, had hij immers toen getroffen den Koning van den Mirakele, en Alidrisonder, zijn zoon en tusschen hen beiden had, o Wonder, het Scaec gestaan en de Mirakele-koning had beloofd het Gawein af te staan zoo deze hem het Zwaard zoude brengen, het Tooverzwaard met de twee Ringen...!

Dat Zwaard behoorde aan koning Amoraen en deze had het Gawein wel willen afstaan, zoo hij hem bracht Ysabele, de schoone dochter van Koning Assentijn, en Gawein had Ysabele gewonnen, maar ook lief gekregen, de schoone! En, ach ja, toen Gawein Ysabele aan Amoraen volgens ridderbelofte was komen afstaan, was deze reeds zoo fortuinelijk van de aarde verscheiden, zoodat Gawein de jonkvrouw voor zichzelven had kunnen behouden, al had hij het Zwaard moeten geven aan koning Mirakel, om het Scaec voor Koning Artur te krijgen....

En met Ysabele en Scaec was hij te Camelot Destijds gekeerd en Keye had niet kunnen spotten.

Wacharme, hoe zoû het nu verloopen? Waarom had het zelfde Aventuur zich herhaald? Nu Gawein er over dacht, opgestegen aan den boord van de breede en diep verzonken rivier en in den glad weg stroomenden afgrond van wateren, als in een toekomstspiegel, poogde te zien, vroeg hij het telkens zich wederom af: waarom had dit zelfde Aventuur zich herhaald? O, waarom had zich niet liever een nieuw Aventuur gemeld? Het is afmattend en niet bemoedigend het reeds volbrachte Aventuur weêr door te maken; het is afmattend en niet bemoedigend, in steê van een pas uitgebroed of gebaard drakennest—broeden of baren, dat wist eigenlijk niemand en een drake-ei was nooit gevonden—de riffen en ribben weêr te zien van jaren geleden verdolgen ondieren. Destijds was Gawein oversproeierd geworden met drakebloed en in den strijd was hem wapenrok gescheurd, halsberg ontmalied, schild bijna versmolten in vurigen drakezwadder en zwaard geschaard en verwrongen. En hij had zich, Destijds! daat beneden in het gras gezet, gewasschen zijne wonden met het water van de rivier en Gringolette gewreven de flanken met krachtige palmen en met meer liefde zeker dan welke stalgarsoen ook het ros verzorgd zoude hebben met roskam en borstel! Terwijl nu, dat Gawein tuurde in het water, hij zich bewust werd toorn in zijn gemoed te hebben, niet gewond te zijn en niet met drakebloed te zijn oversproeierd... Gringolette was heelemaal niet moê.... Toch zoo lange te zwemmen in den diepen afgrond van water tegen den stroom op, zoû Gringolette het nù nog vermogen? Gawein klopte met de maliënhand het ros op den nog satijnigen hals en het trilde zalig onder de welbekende, om den metalen handschoen, wat ruwe koozing. En Gawein besloot van ja en dat Gringolette niet oud nog en was... Hij dwong haar dus, met de lange sporen in de zijde, te springen en, een korte wijle aarzelend, sprong zij den afgronddiepen sprong. Het glad stroomende water bruiste om haar op en schuimde en zij hief haar ietwat hijgende hoofd omhoog, de oogen verwilderd van den sterken stroom, dien zij tegen op moest zwemmen....

Toen een schaterlachen van boven weêrklonk. Gawein, verbaasd, keek op en hij zag aan den oever van de rivier, waar hij was afgesprongen, een