[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Mijnheer Snepvangers, by Lode Baekelmans This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Mijnheer Snepvangers Author: Lode Baekelmans Release Date: February 14, 2005 [EBook #15048] Language: Dutch and Flemish Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MIJNHEER SNEPVANGERS *** Produced by Miranda van de Heijning, Guido Royackers and the Online Distributed Proofreading Team.
Mijnheer Snepvangers en Madame Snepvangers, geboren Verstraete, hadden jaren gediend bij Notaris Boeykens in de Hobokenstraat. In het statig, oude huis werd de vrijage van den heerenknecht met de keukenmeid niet opgemerkt of stilzwijgend geduld. Daarbij gaf de minnehandel geen aanstoot, geen stoornis in den dienst. Beiden waren zeer degelijk en ernstig, en alle aardsche zotternij was hun oogenschijnlijk vreemd. Om de veertien dagen profiteerden zij van een half Zondagmiddagverlof om te wandelen en om plannen voor de toekomst te beramen. De andere Zondagen, wanneer bovenmeid en koetsier op gang waren, zaten zij gezellig voor het keukenraam uit te rekenen wat er nog aan hun spaarpot ontbrak. Jaren lang hadden zij zoo hun leven gesleten, gierig gespaard hun loon En de fooien, tot zij eindelijk een flinken duit bezaten. En op een Zondag, zij waren toen zes-en-dertig jaar geworden, was de beslissing gevallen. Een eenige gelegenheid bood zich aan om een bloeiende kruidenierszaak over te nemen en hun eigen meester te worden. Spitsvondig onderzochten zij de kansen om noch Mevrouw noch den Notaris te krenken, vermits zij in de buurt bleven en de oude meesters goede klanten konden wezen. Daarbij was de bescherming niet te versmaden voor kleine lieden! Toen zij het eens waren dat Snepvangers M. Boeykens onder vier oogen om raad zou vragen, zaten zij in de schemering te staren naar de poort van het krijgsgasthuis aan den overkant der straat. En toen het tijd werd om voor het avondmaal te zorgen, overviel hun voor de eerste maal het gevoel vreemden, ondergeschikten in dit huis te zijn.
Na het souper zat de Notaris meestal nog een uurtje op zijn bureel en las er, onder pruttelend gaslicht, zijn gazet. Snepvangers talmde niet, waagde het voor den eersten keer zijn meester te storen in zijne rustige afzondering. Een beetje bekwemd keek hij naar het oud grijs heerken, naar de bibliotheek achter hem, hoorde het kreukelen van de krant. Dan vertelde hij van de schoone gelegenheid, van hun gewettigd verlangen om eindelijk te trouwen, en zij kennen daarbij een geschikt meisje en een kranige jongen om hen op te volgen. Dat gaf doorslag aan het voorstel. Welwillend beloofde de Notaris zijn steun bij Mevrouw, en meer nog wou hij doen om hen te beloonen voor de goede diensten sinds ongeveer zestien jaar: Snepvangers zou hij in dienst nemen als vaste getuige en ook voor verdere notariskarweikens gebruiken.
Zoo werd beslist over het leven van Mijnheer Snepvangers en zijn vrouw geboren Verstraete!
Mevrouw Boeykens had toegestemd; de nieuwe dienstboden bleken te voldoen.
De Zoutkeet nabij de Rozenstraat werd overgenomen door de jonggetrouwden, die zich mochten verheugen in de klandizie van het notarishuis. Een mooi stuivertje won Snepvangers als getuige, met onder allerlei akten zijn naam te zetten. Het leven was nieuw en schoon, zij gingen vooruit in de wereld met hard werken en zuinig te leven. Zij beseften ten volle hoe zij zich verheugen mochten in de gunst van den Notaris, maar waren tevens overtuigd dat eerlijkheid en vlijt steeds passende belooning vinden in dit aardsche leven. Wie niet te lui is om te werken brengt zijn schaapkens wel op het droge! Zij konden gemakkelijk concurreeren tegen de winkels der buurt, verkochten alles en nog wat, verleenden geen krediet, lieten niet poffen. Na een jaar reeds namen zij een meid in dienst, een kloeke deerne uit Madame's geboortedorp in den Polder: eenige maanden later huurden zij een knechtje om den stootwagen te voeren en de bestellingen rond te dragen.
De zaak was een goudmijn! Maar Madame was ook buitengewoon geschikt om met de menschen om te gaan, luisterde geduldig en met belangstelling naar de praatjes, had geen eigen meeningen over de menschen en gebeurtenissen, kon dus steeds instemmen. Het dienen had haar iets onderdanigs op het gelaat gedrukt, wat haar niet belette meid en knecht flink te kunnen aanporren tot werken, en hard zijn tegenover het schamel volksken uit de Rozen- en Paradijsstraten, dat wel eens, door nood gedwongen, kleinigheden poogde te borgen. Zij kon pingelen bij de reizigers en leveranciers, wist De vriendschap der meiden uit heerenhuizen te onderhouden met kleine geschenkjes, zag steeds kans om overjaarsche waren in de handen te stoppen van het janhagel, dat toch geen fijnen smaak heeft. Snepvangers hielp zooveel hij kon, maar werd steeds meer en meer in beslag genomen door het winstgevend baantje van getuige. Hij was een uitgeslapen vent, en de Notaris waardeerde in hem zeer bijzondere hoedanigheden, kieschheid en bescheidenheid. Zoo had Snepvangers gewezen op wat te leeren valt in de Roepzaal der Notarissen. Zedig en sluw volgde hij maanden na maanden de verkoopingen, leerde er de waarde kennen van huizen en gronden, begreep stilaan de verkoopwaarde, de speculatie, het opjagen, doorzag wat men winnen kon met inzetten, met "verdieren", met hoogen. Hij kwam in kennis met inzetters en verdierenpikkers, kleine renteniers en menschen van zijn slag, die spraken van interesten en winsten, van verkavelingen en... de gelukkige hand!
Eén sloot zich bijzonder bij hem aan, een bleeke man met neerhangende snor, waarop hij zenuwachtig kauwde, terwijl hij wonderen verhaalde van door het lot begunstigde verdierenpikkers, die rijk geworden waren door toevallige speculaties of door wat hen eerst een strop had toegeschenen. Benijder was hij van hen die eens leefden van kleine winstjes, zijn gelijken waren, waarvoor hij nu zijn hoed afnam zooals voor de rijke speculateurs en de notarissen. Snepvangers kon geduldig luisteren naar zijn teemende uiteenzettingen, onderwijl bezig met eigen plannen waarvan zijn roode, gladgeschoren heerenknechtentronie niets verried.
Weldra vertrouwde M. Boeykens hem om eigendommen op te jagen in den eersten zitdag en de gemakkelijk gewonnen opcenten openden hem een nieuw veld van bedrijvigheid. Eenigen tijd later werd hij de strooman voor een anderen notaris en zijn vrienden die een uitgestrekten bouwgrond kochten te Borgerhout. Na korten tijd waren er straten getrokken en de gronden voordeelig verkocht aan aannemers en eigenaars. Met deze winst en het opgespaarde geld kocht Snepvangers een paar bouwvallige krotten in de oude volkswijk, in Sint-Andrieskwartier, waarvoor M. Boeykens hem eene rente bezorgde. Nu waren zij eigenaars, al was het ook maar van huizen met papieren balken. Doch dat hinderde niet, rijke eigenaars hadden ook huizen door hypotheken bezwaard.
Een jaar later, het was het vierde jaar van hun huwelijk, werd de gelukkige echt gezegend door de geboorte van een dochterken. De geboorte van het kind kostte bijna het leven aan de moeder. Maanden verbleef zij in het sukkelstraatje, zoodat de zaak wel een beetje achteruitboerde. Marieken werd bij familie, boerenmenschen in den Polder, uitbesteed. Zoohaast alles in 't reine was herbegon het zwoegen en het geld verdienen der waardige echtelingen. Het geluk bleef het dienen. Zekeren avond kwam M. Snepvangers een weinig geestelijk verheugd thuis. Zijne vrouw duidde het hem niet ten kwade want zij wist dat het buitenkansje hem niets gekost had. Hij had namelijk met zijn vriend, den verdierenpikker een wijnverkooping gaan bijwonen waar men kosteloos kon proeven en kaas gebruiken. Dat aardige uitspanningsken had hij door zijn vriend leeren waardeeren. Zoo werd men wijnkenner en fijnproever. Maar nu was het dubbel meegevallen! Snepvangers had er een man aangetroffen die hem zijn huisjes wou af koopen aan zeer gunstige voorwaarden. Ondanks dat zijn gemoed vermilderd was door den wijn, had hij zijn belang sluw behartigd, vooral toen hij gewaar werd dat M. Peeters deze krotten volstrekt noodig had om zijn danspaleis te vergrooten aan de straat.
Na zijne eerste gelukkige speculatie kreeg M. Snepvangers meer zelfbewustzijn van zijn kunnen en zijn durven. Glad als een paling was hij in zaken, meende hij zelf wel in vertrouwelijke oogenblikken, hij overtrof zijn vrienden in de Roepzaal en daarbuiten! Madame was vergroeid in haar winkel, bedrijvig van den vroegen morgen tot den avond. Het mesje sneed langs twee kanten en zij werden met de jaren stijve burgers, die een schoonen spaarpot hadden, eigen huizen en bouwgrond, stadsloten en aandeelen in naamlooze vennootschappen. Wanneer zij samen 's zondags naar de mis gingen in de St.-Jacobskerk, wekten zij onwillekeurig de afgunst der geburen op. In vroeger jaren ging elk op zijn beurt, maar nu paste een winkeldochter op de zaak. M. Snepvangers was deftig gekleed, droeg een zwaar gouden ketting op den buik en had dan zijn hoogen zijden hoed. Madame verlangde het, zoo leek hij wat grooter en... voornamer. Want beiden waren klein van gestalte, en dat hinderde haar en heur echtgenoot. Was hij met den tijd vetter geworden, zij niet. Haar rusteloosheid had er volgens de meening van Snepvangers schuld aan. Naast haar man voelde zij telkens een groote bewondering voor hem, met hem had zij het ver gebracht. Ze droeg veel goud, een zijden kleed en een hoed met binders, zeer Kostelijk goed, niets van dat ondegelijk mode-goed. Het platgestreken haar was echter lichtjes met het pinijzer gekroezeld.
Nieuwe verandering kwam in hun leven, toen de achttienjarige dochter thuis kwam uit de kostschool. In den beginne scheen het vreemd. Zij hadden Marieken maar op feestdagen kunnen bezoeken en haar telkens, een vergoeding van de ouderliefde die ze niet geven konden, met geschenken getroost. De korte vacanties brachten nooit de groote toenadering. Weldra was het geluk volkomen in het gezin. Marieken had eene fijne opvoeding genoten bij de nonnekens, kende manieren, sprak fransch, speelde piano, en was tevens zeer vroom.
In toenemenden welstand had Snepvangers mooie meubelen gekocht in sterfhuizen en op de graanmarkt, bij de uitdragers, spiegels, lusters, piano en zoo meer.
Nu gingen zij reeds jaren met hun drieën 's Zondags naar de kerk... Snepvangers was lid van den Dierentuin, waar zij regelmatig de concerten bijwoonden of 's Zondags in den hof wandelden om de beesten te bekijken. Er kwam het deftigste volk van de stad, zooals de stokoude familie Boeykens, de peperkoekbakker van de St-Jacobsmarkt, die koffiekoopman van over de deur, en die was zelfs lid van den Gemeenteraad.
Het leven was zeer fraai en redelijk.
Maar de weelde zoekt ook verandering, en zoo gebeurde het dat Mijnheer en Madame zekeren dag tot de ontdekking kwamen dat zij niet jong meer waren, recht hadden op rust. De winkel gaf te veel slameur, en hun kind kon onbezorgd haar toekomst tegemoet zien. De Zoutkeet konden zij gemakkelijk overlaten aan den zoon van den schouwvager, die geen lust had in het roetbedrijf van zijn vader. Wie het voorstel opperde van buiten te gaan wonen is later nooit gebleken, maar zeker is het dat zij het roerend eens waren, 't Was heerlijk te denken, aan de koele buitenlucht, aan den schoonen hof, en zijn vruchten, en zijn bloemen!
Op een stuk bouwgrond, waar enkel schrale dennen groeiden, door Snepvangers onlangs bij ongunstig verdieren aan zijn broek gehouden, zou het huis verrijzen. De schouwvagerszoon leerde de affaire en zijn vrouw, dochter van een kruidenier, bleek zeer goed aangelegd om de zaak te drijven. Zij ook kende geen genade voor het straatjesvolk, was zeer voorkomend voor De andere menschen. Gerust gingen zij dus van huis weg naar Cappellen. Tien minuten buiten de kom van het dorp lag hun eigendom, op de baan naar Putte. Zij waren aanwezig toen de eerste spade in den grond gestoken werd, volgden het uitgraven, het metselen der grondvesten, zagen de villa optrekken met jammerlijke traagheid, steen na steen. In den natten herfst keerden zij peinzend terug, droomend van het schoone buitenleven. Vele avonden brachten zij zoek om een naam te vinden voor het landhuisje. Eindelijk doopte Marieken den rooden blok Villa Yvonne, dat klonk romantisch en chic. Begin Maart was de woning klaar, en alleen in den tuin was de hovenier nog bezig met het planten van boomkens en struiken.
Den vooravond van hun vertrek zaten zij boven, voor het raam van het salon, tusschen ingepakte meubelen. Nu ging men weldra van de schoone rust genieten, nog enkele dagen en zij zouden rentenieren. Mijnheer en Madame dachten aan het verleden, wat nu komen ging was de betrachting van hun leven geweest, waarvoor zij gewroet hadden, gescharreld en gespaard. Marieken hunkerde naar haar verjaardag, die in het nieuwe huis zou gevierd worden, zij werd zes-en-twintig. Madame trok het raam open, en zij keken nu nog eens, als tot afscheid, in de ouder bekende straat. 't Was tusschen licht en donker. Het plein lag eenzaam, en de lucht werd stilaan befloersd door den aandoezelenden avond. Leerjongens en leegloopers stonden fluitend en rookend te lanterfanten aan den hoek. De uitstallingen van het ellengoederenmagazijn op den hoek der St-Annastraat waren reeds helder verlicht. Ja, het licht klaarde reeds helder overal. Ginder, in de Roodestraat, tegen het oude Begijnenhof, kwam de lantaarnman met het weifelend lichtje op zijn langen stok, en telkens als hij stil stond brandde er een gaslamp meer. Aan den overkant, bij den loodgieter, schemerde nu rossige lampschijn achter de vitrien, en ook in De Hoop, het oude danslokaal, verder huis na huis, ook op de bovenverdiepingen, ten allen kant van het driehoekig plein, bloeide het avondlicht. Boven de Ossenmarkt, in het broksken hemel, schitterden nu sterren als wonderheldere lichtoogen. Het kloksken der kapel tampte rustig. Nu lazen ongetwijfeld de paterkens in bruine pijen hun avondgebed onder het schamel knetterlicht der kaarsen. Vreemd en eenzelvig stond kerkgevel en kloostermuur in het donker, 't Was Maandag, en in De Hoop begon het orgel te draaien. Voor de open deur probeerden aankomelingen te dansen. Telkens zwenkten zij even door de lichtstreep, schoven dan weer in de schaduw weg op het kreunend georgel en gedjingel der muziek. De jongens begeleiden het deuntje met schel-vinnig gefluit, de meisjes deden hun best om de rokken zoo bol mogelijk te doen uitzetten bij elken zwier, alsof het krinolienen waren. Wanneer een dans uit was, en het orgel zweeg, dan hoorde men nog immer het meewarig-kalm gelui. Beneden zag Madame een haveloos, slonsig meisken op moeders pantoffels komen aansloffen. De blikken petroleumkan liet zij keer op keer tegen den muuur rammelen. Dat volksken kom altijd in den laten avond, morde zij, dan pas worden zij gewaar dat er geen olie meer in de lamp is. De stemming was weg, en met genoegen, met verlichting werd aan de toekomst gedacht, aan morgen en de volgende dagen.
Nadat de verhuiswagen weggereden was, nam het gezin, op zijn paaschbest gekleed, afscheid van de nieuwe eigenaars der Zoutkeet, van de twee oude knechten, van de geburen. Daarna gingen zij vaarwel zeggen aan de familie Boeykens, eten in een hôtel over het station, zeer verteederd en opgewonden. Madame droeg den regenscherm van Mijnheer, die al zijn voorzichtige aandacht wijdde aan den reiszak, waarin de papieren zaten, eigendomstitels waarde-aandeelen en geld, reiszak die zwaar woog.
Een week zonnetje verwelkomde hen buiten. In de villa, waar het rook naar de klamme kalk en versch geschilderd houtwerk, vonden zij de oude meid bezig met de verhuisventen. Na eenige rommeldagen kwam alles op zijn plaats. Nu vonden zij gelegenheid om hun eigendom te "ontdekken." Marie roemde het salon waar men zoo'n prachtig uitzicht had op het bouwland aan den overkant. Tot verre in den Polder kon men zien waar de lucht, achter de hoeven en boerenhuisjes, tot aan de boomen en den grond scheen te raken. Madame genoot van haar eetkamer en het terras er voor, waar men in den zomer zou kunnen koffiedrinken en genieten van den tuin. Mijnheer dweepte met de slaapkamers boven, zoo ruim en frisch, daar kon men pas goed het omliggende land bewonderen. De meid was in haar schik met de keuken en het schommelhuis. Allen waren vol minachting voor de stad waar men benepen gehuisvest was, waar het dompig rook, waar men van het leven niet genieten kon zooals hier. Snepvangers vergat zijn Roepzaal, zijn verkoopingen, zijn stamkroeg en zijn vrienden; Madame begreep niet hoe zij het jaren volgehouden had in den winkel, Marieken koesterde de hoop hier dik te worden en fleurig, want zij was bleek en mager. 's Zondags zaten zij vooraan in de kerk tusschen de notabelen van het dorp, de pastoor had hen met een bezoek vereerd, bakker, beenhouwer en winkelier waren zeer beleefd, en de melkboer en groentenvent kwamen geregeld en op tijd.
De lente was in aantocht. Overal begon het groen uit zijn zwachtels los te breken, en de fruitboomen droegen bloesem. De lucht was meestal helder, en de zon scheen zoo plezierig over de wereld. Zij schenen het alles voor den eersten keer in hun leven te mogen aanschouwen. Regen en wind kon hun stemming niet bederven, er viel nog zooveel te veranderen een t schikken, en 't werd avond vóór men 't wist. Vroeg ging men slapen, doodmoe van het bezigzijn en de zware lucht. Vooraleer de vensters te sluiten en de rolgordijnen neer te laten keken zij dan soms in de richting der stad, waar een lichtschijn tegen den hemelkoepel, opsteeg. Dan beseften zij pas goed hun geluk. De honden blaften in de verte, en 't was eenzaam en vredig alom. In het dorp brandde nog licht, maar het was er stil, doodstil. Slechts de wind suizelde, en op de kerk sloeg de klok.
Zoo kwam M. Snepvangers op het gedacht ook een hond te houden. En vermits het buiten zoo eenzaam was, vond elkeen het goed dat een waker 's avonds op het erf zou kunnen passen. Dan sliepen de bewoners der Villa Yvonne nog veiliger. Het beest, een grimmige doghond, kon huilen en blaffen dat het een aard had. Hij was weldra berucht om zijn kwaadaardigheid, erkende enkel Snepvangers. Uren lang lag hij met gloeiende oogen aan de ketting voor zijn hok te loeren naar het houten hekpoortje, opspringend wanneer iemand belde, vooral nijdig wanneer het volk van Putte, dat 's morgens vroeg en 's avonds laat voorbijtrok, in aantocht was.
Alles stond thans in lentegroen, de lucht kreeg nu een lekkere mildheid, vogels zongen in de boomen, de wind zoemde, bracht varende geruchten aan en den balsemgeur der dennebosschen. Twee nesten zwaluwen hadden hun huisje gebouwd onder het houten beschot der dakgoot, wat Madame als een goed voorteeken beschouwde. Het bracht geluk, al gaven de vogels wel wat last, zoo juist boven het terras, want zij lieten wel wat vallen. Marieken kreeg zin in duiven en Madame in kippen. Duiven waren zoo'n dichterlijke beestjes, al beweerde vader dat het stomme dieren waren! Kippen legden eieren, beweerde Madame, al kraait een haan ook vroeg de menschen wakker, maar de hond wekte hen ook vroeg genoeg. En duiventil en kippenhok werden gebouwd, netjes groen geverfd, en bevolkt. Zij telden de eieren, zagen de jonge duiven groeien, hun duivelshaar verliezen, rekenden uit hoeveel een doghond verorberen kan, stelden belang in de kwijnende rozelaars, telden de vruchtknoppen aan elk boomken, begoten het magere gras en de bloemen, de viooltjes, de madeliefjes, de vergeet-mij-nietjes en de andere, onderzochten de kale hagen en de boomenstokjes met zuinigen bladertooi.
De dagen lengden zachtjes aan en brachten de zomergenoegens, de jonge groenten, de eerste vruchten. En wat zij zelf gewonnen hadden, achter in een kleinen moestuin, al was het nog maar een mager gewin, al kwam het pas wanneer de nieuwheid reeds voorbij was, smaakte nog eens zoo heerlijk! De salade was wel te weelderig opgeschoten, had geen malschen krop; de radijsjes waren wel bitter, klein en voos; de erwten schaars te zoeken tusschen het loof; de aardappelen waren als knikkers en weinig talrijk! Doch wanneer zij bezoek kregen, en zij hadden nu haast alle Zondagen bezoek van oude kennissen en geburen, vertelden zij welgevallig en fier van de vruchten, van de zelfgewonnen vruchten, terwijl zij argeloos er maar niet bijvoegden dat, wat op tafel stond, door den groentenleurder geleverd was. Zoo overviel hen de verschroeiende zonnebrand, waarin de villa, naakt en onbeschut, de hitte stond op te zuigen. De tuin bood geen plekje schaduw, en alleen aan den straatweg schenen de boomen langs den macadamweg een beetje koelte te bewaren. Gelukkig dat er nu niets meer te verrichten viel! Zij konden binnenshuis rusten en stil zitten in de halfdonkere kamers, waar de rolluiken waren neergelaten. Geen belangstelling meer voor de uitschietende twijgen van den wingerd, noch voor de verschrompelde appelkens en peerkens, noch voor de beesten. Zalig zoo niets te moeten doen, ongegeneerd te luieren wijl men ginder, in de stad niet voelen mocht de teistering van den zomer.
Na het middageten deden zij een smakelijk dutje, man en vrouw tegenover elkaar gezeten in een leunstoel, en de koffietijd brak aan voor men het wist. Marieken, die niet slapen kon, bracht de lange namiddagen door met haakwerk, met borduren, of las de werken van Conscience, die vader in vroeger jaren gekocht had. Buiten joeg het macadamstof omhoog onder de jagende autos en bedekte alles met grijzen schimmel.
Dat was nu rentenieren! Men kon tenminste zijn vijf zinnen eens bijeenrapen meende Snepvangers. Geen verlangen meer naar de stad, slechts in zeer bijzondere aangelegenheden waren zij te bewegen eens over en weer met den trein te gaan. 's Avonds, wanneer de zon onder was, hadden zij het druk den hof te begieten. Zij pompten en sleurden het water in den tuin tot zij piepaf waren, en op het terras gingen zij dan zitten uitblazen in de nieuwe tuinzetels. Hier kloegen zij wel eens over de zwaluwen die niets ontzagen, en over de muggen die hen zoo lastig vielen. Tegenover de zondagbezoekers gewaagden zij nooit van deze kleine onaangenaamheden, roemden maar voortdurend en opgewekt het onschatbare buitenleven. Het gebeurde menigmaal dat Snepvangers moedermensch alleen terugkeerend van het station tot waar hij bezoekers vergezeld had, zichzelf overtuigde dat zij gelukkig waren. Zijn lantaarn wierp een verren lichtschijn voor hem uit, de maan lachte aan den hemel, en het dorp lag dan achter hem wanneer hij tot deze gevolgtrekking kwam. In het dorp was er nog licht in de herbergen, daar zaten de dorpelingen te kaarten. Ja, dat was toch wel gezellig! Daar schoof soms iemand in 't duister voorbij en riep goedenavond; hij verschrok even, riep dan zeer joviaal zijn wedergroet, maar was blij weer op eigen erf aan te landen en zijn doghond te hooren aanslaan. Madame vond het dagelijksch leven wel een weinig eentonig, zij die zoo gewoon was al de kletspraatjes te moeten aanhooren in haar kruidenierszaak. Marieken had ook wel eens vage gevoelens van onrust, neen zij benijdde haar vriendinnekens niet die naar bals gingen, uitstapjes deden, ja, die met een vrijer mochten gaan wandelen, maar toch!...
Na zoo'n oogenblikken van zwakheid probeerden zij tegenover elkaar den lof te zingen van den buiten, alsof zij wederzijds iets van elkaar afwisten. Zij zochten nieuwe veranderingen en verbeteringen, lieten voor het huis een vijvertje aanleggen in cementrotsblokken, schilderden de trappen, kochten konijnen. Maar het vijvertje stond altijd droog en de konijnen stierven spoedig. Eenigen tijd hield een mol, die hun eigendom in alle richtingen doorwroette, hen in spanning, Maar het beest verdween even geheimzinnig als het gekomen was. Mijnheer begon nu weer iets te voelen voor de prijzen van bouwgronden, liep heele voormiddagen langs de wegen, knoopte kennis aan met de boeren.
Zoohaast de dagen korter werden, en de vroege herfst zijn killig, buiïg weer liet aanstormen, bleven de bezoekers weg. In den begin vonden zij het aardig zoo hun alledaagschen gang te kunnen gaan. Zij konden nu 's Zondags ook eens de vijf zinnen bijeen rapen, en na het middagmaal een uil vangen. Maar eenzaam was het! Marieken was het eerst de lustelooze stilte en afzondering moede, want zij had de minste bezigheid. In den tuin viel nu niet meer te gieten, het regende meer dan te veel, de planten en struiken waren haar te bekend, de kleine fruitoogst was lang reeds geplukt. Moe gestaard op de kale velden, naar den neveligen, triestigen horizont achter de boerderijen aan den overkant, speelde zij troosteloos piano of las weer een boek van Conscience. En zij dacht aan het heilig sacrament des huwelijks... Madame wist wat elke dag brengen kon in het huishouden aan schuren en wasschen, aan strijken en kousen stoppen.
De beslommeringen van vruchten inmaken was voorbij, in den kelder stonden dozijnen pottekens gelei, steenen kruiken ingelegde boontjes, snijboonen en witte koolen. De winterprovisie brandhout en steenkolen was ingedaan, en nu had men weer geen kommer of zorgen meer, kon men rusten. Maar Snepvangers zelf, die niets te doen had, zocht maar telkens om de baan te Kunnen op trekken. Hij had in het dorp kennissen gevonden om kaart te spelen, maar hield het huis verdoken. Om eens naar de stad te kunnen gaan had hij dagen lang de noodzakelijkheid doen uitschijnen van een barometer te bezitten. Met zoo'n ding wist men tenminste wat u te wachten stond, regen of wind, of men al of niet zijn paraplu moest meesjouwen op de wandelingen, die zij niet deden. Hij bracht een Zwitsersch, in hout uitgewerkt kastje mee. Was er regen op handen, dan kwam er een paterken met een paraplu uit een deurken te voorschijn; kwam er droogte in de lucht dan stapte een flierefluiter, een heerken, zomersch uitgedost, uit het ander poortje. Zij mochten niet veel plezier aan het ding beleven dat meestal het weer aanwees dat geweest was. Ten einde raad wendde Mijnheer dringende zaken voor die hem dwongen, dwongen tot zijn spijt, naar de stad te gaan. Hij pinkte dan geheimzinnig, noemde terloops M. Boeykens, dit zeer kramakkelachtig werd en hem noodig had.
Met danig stoken kreeg men het in Villa Yvonne ongeveer warm genoeg. Het kwam wel eens voor dat men in den vroegen avond gewaar werd dat de lampen ongevuld waren, en men naar het dorp moest door het vlagend weer voor petroleum. 't Was een geploeter door de duisternis over den slijkerigen weg! Er was nu niets nieuws meer te ondervinden. Zij wisten wanneer er treinen aankwamen, wisten wie voorbij zou stappen, nu een paar boeren, straks de matten-leurders van Putte, later nog het werkvolk, zonder den heremiet te rekenen, een jonge vent, die wat verder alleen in een huisje woonde. Nog slechts een paar autos snorden dagelijks heen en weer met kasteelvolk dat ergens, uren van de wereld verwijderd, woonde.
En de winter was bar, en streng, en lang. Amper mocht men het licht van den dag
aanschouwen. De wind joeg onbarmhartig door de kale boomen, over de velden, rukte
aan deuren en vensters. De regen zong door dagen en nachten zijn eenzaam lied. Dan
vroor het weer weken lang of gierden sneeuwstormen, zoodat alles blank lag en
bedolven. Eens moesten zij zelfs een pad graven naar het hekpoortje, zoo lag alles
onder den dikken sneeuwpels. Teeken van leven kregen zij niet uit de stad, en M.
Snepvangers waagde zich niet buiten. Met Nieuwjaar bracht de postbode Met de
dagelijksche krant eenige nieuwjaarkaartjes, wenschen van
voorspoed en geluk. Bedrukt spraken zij weer maar
hoopvol van de
lente, van de komende geneugte. De piano werd niet meer aangeraakt, de grauwe lucht
en de regen stemden te moedeloos. Het pluimvee werd een last, men moest het
verzorgen ook als men maar liefst bij de kachel bleef zitten soezen, en de hond, de
grimmige dog, bevuilde het huis.
Was dat nu het schoon rentenieren op den buiten? Zij dachten terug aan hun gelukkige bedrijvigheid in de stad, waardoor zij nooit het ellendige winterseizoen hadden gevoeld in zijn ijselijke naarheid. Al lengden de dagen, zij werden het niet gewaar, en zoo lang het te koud was om buiten te zitten konden zij van de mooie dagen niet genieten. In de stad kon men ten minste wandelen, door de drukke straten, naar de winkels kijken. Sinds de kermis van Putte hadden zij geen bezoek meer ontvangen, al die maanden hadden zij geen menschen meer gesproken buiten de dorpelingen, en die telden zij niet. Karnaval was nog wel de triestigste dag, want zij dachten aan het volk dat zich ginder, onder den lichtgloed der stad, wist te amuseeren. Was dat nu rentenieren? Marieken verslond maar al de boeken, die zij kon leenen in het dorp. Madame gunde sinds lang niet meer aan Snepvangers zijn uitstapjes naar Antwerpen. Het inroepen van M. Boeykens mocht niet baten, en de arme man vond geen genoegen meer in de bouwgronden van den omtrek, rookte maar verwoed pijp na pijp, zoodat alle kamers van tabakrook doortrokken waren. Zoo kwam Goede Vrijdag.
Snepvangers kon het niet langer volhouden. Vandaag moest hij de stad zien, hij wou en zou. Aan de koffietafel kreeg hij den gelukkigen inval.
—Het water rijst me over het hart als ik aan schelvisch denk!
—Zoo, wat gedacht, wantrouwde Madame, dat kunnen we niet krijgen in het dorp.
—Schelvisch, dweepte Marieken.
—Ik ben ziek van goesting naar schelvisch, droomde Mijnheer.
—Ge kunt bottekens krijgen, misschien ook mosselen, als de vent van Bergen-op-Zoom komt!...
—Och!
—Schelvisch, onderlijnde Marieken.
—Kunt gij hem halen? vroeg bits Madame.
—Och, als ik u daar plezier kan mee doen ... Ja dan wil ik wel eens naar de vischmarkt gaan.
—Naar de stad!?
—Wel ja, Mama, 't is toch zoo geen reis.
—Wel, ik zal maar gauw gaan.
—Wat vreemde kuren, schuddebolde Madame, die zich verloren moest geven.
En Snepvangers ging met zijn paraplu en zijn vischnet onder den arm. Aan het kleine station ontmoette hij de vroolijke menschen, die dagelijks naar de stad gingen werken. Hij mengde zich in hun gesprekken, voelde zich leven. Een mensch moet toch menschen zien, zich niet van de wereld afzonderen! Wat gewoel bood de stad en wat afwisseling! Hij verbeuzelde zijn tijd met kuieren en met pintjes pakken in de estaminets, door hem vroeger regelmatig bezocht. Hoe prettig zich weer thuis te voelen in de beweging der menschen! Ja, de stad was toch wel aantrekkelijk, daar kan men, alles wel beschouwd, nog van het leven profiteeren. Het werd middag voor hij er aan dacht naar de vischmarkt te gaan. Madame zou zuur zien nu hij nog niet thuis was... maar hij was immers man en meester! Kon hij het verhelpen dat de tijd hier zoo vlug voorbij ging? God, nu moest de schelvisch maar voor het avondmaal dienen. Wat zouden zij smullen. Na lang met kennersoogen de kramen te hebben onderzocht, na loven en bieden kocht hij twee puur nog levende schelvisschen. Met zijn vischnet in de hand en zijn paraplu onder den arm gekneld trok hij nu terug naar het station, maar hij wandelde zoo gelukzalig traag dat hij zijn trein mankeerde.
Doelloos liep hij over de De Keyserlei, dacht aan het onthaal dat hem te wachten stond. Was dat niet een ouwe vriend, de verdierenpikker, die daar kwam aangeslenterd?
—Wel verdorie, Snepvangers, zijt gij het? En ik die dacht dat ge reeds dood en begraven waart!
—Neen, goddank, maar ik woon buiten...
—Dat wil zooveel zeggen als levend begraven!
—Neen, dat is wat sterk! ...
—Trein gemankeerd?
—Ja.
—Kom, we gaan er eenntje pakken op het weerzien.. Zoo, zoo!
En ze pakten er eenigen op het weerzien, spraken van vroeger dagen, van verdierenpikken en gronden, van bekenden en notarissen. Zij hadden beiden geluk gehad in het leven, zagen alles rooskleurig in, deden joviaal. Voor zij het wisten zaten zij elkaar genoegelijk toe te knikken in een hotelzaal. Het was Goede Vrijdag! Zij prezen het lekker vischdiner, proefden als twee smulpapen van de gerechten en de wijnen, voelden zich behaaglijk zwellen. Wat tafelweelde! Visch te kust en te keur, en wijn, witte en roode, beter en meer dan op de beste verkooping. Juist toen zij discuteerden waarom taling toegelaten wordt op een vischdiner in den Vasten, werd het electrisch licht opgedraaid. Hun oogen knipperden even, het tafelgerei schitterde licht helder en zij bemerkten dat de glazen leeg stonden.
—Dat mag niet, beweerde Snepvangers als beleedigd.
—Neen, zeker niet! ...
De vrienden kenden uur noch tijd. De "Villa Yvonne" lag zoo ver, en de schelvisch was door den garçon ergens weggelegd, als om de zorgloosheid te verhoogen. De kreeft werd nu een eenig belangrijk ding, de wijnsoorten een oud zwak. Met verteedering dronken zij op elkaars gezondheid, en dat spel beviel hen zeer. Bij het nagerecht bestelden zij champagne, sigaren en koffie.
—Het leven is schoon, mijmerde de verdierenpikker.
—Dat is het ja... dat is de waarheid, stemde Snepvangers in, vleide zich wellustig tegen de leuning van zijn stoel en zag diepzinnig de rookwolkjes na.
Hoe lang het geduurd heeft is lastig bij benadering te bepalen en Snepvangers heeft zich er nooit rekenschap van kunnen geven. Zij genoten nog lang van elkaars aantrekkelijk gezelschap, behandelden alle mogelijke onderwerpen, vertelden moppen en fluisterden zinnelijke opwellingen, waarbij ze vertrouwelijk knipoogden. Menig glas werd nog gedronken en menige dure sigaar gerookt. Wat Mijnheer bijbleef was het vreemd geval dat zij ruzie hadden gekregen bij de betaling van dit uitspanningsken. Elk wou het gelag voor zijn rekening nemen, maar ten slotte betaalde elk Zijn deel en was wat vrijgeviger tegenover den garçon. Deze stopte Snepvangers wat in de hand, zijn vischnet met schelvisch en zijn paraplu, en dan trokken de vrienden weg met hoogroode gezichten. Tot afscheid werd nog een glas gedronken, hier een, daar een, dan ging Mijnheer zijn vriend een eindje vergezellen tot aan den tram, want hij meende te bespeuren dat deze een klein beetje zattekens was.
Later zeilde hij alleen terug naar het station. Plots was zijn vriend verdwenen en nu voelde hij zich danig moe, wou ergens rusten om het even waar, zitten en uitrusten.
En hij werd wakker op eene bank onder kale boomen van het Park. Waar was hij? Hij rilde van koude, voelde zich ziek, had hoofdpijn. Scheen het daglicht? Neen, 't was de lantaarnschijn. Hoe laat was het nu wel? Even zien. Maar hij vond zijn uurwerk niet in zijn zak, tastte instinctmatig naar zijn geldbeugel. Ook weg. God wat beteekende dit nu! Zijn blikken zochten rond, zijn regenscherm, zijn zijden regenscherm met zilveren kruk, eveneens spoorloos verdwenen. Voor zijn voeten echter lag het vischnet met de schelvisschen, besmeurd door het slijk. God! kon hij zijne vijf zinnen maar eens bijeenrapen! Wat zou hij doen, wat zou hij zeggen? Zoo'n avontuur moest aan hem overkomen, aan een deftig getrouwd rentenier, aan den eigenaar der "Villa Yvonne"!
Zeer verlegen stond hij recht, onthutst raapte hij zijn vischnet op, liep de stad in. Hoe nu naar huis gesukkeld waar men angstig op hem zat te wachten in den nacht? Zij zouden natuurlijk niet kunnen slapen, het huis doorloopen en bang het ergste ongeluk vreezen Hij moest ook om schelvisch gaan, Marieken moest ook aandringen alsof haar moeder niet meer verstand had... Maar het dwaaste van al, M. Snepvangers moest ook eens buitensporigheden bedrijven, zich te buiten te gaan, Goeden Vrijdag vieren! Te laat beklaagd oude zot! Wat nu aangevangen?
Hij ging M. Boeykens spreken, zou hem alles biechten en die zou wel raad weten om de ruzie te vermijden in zijn huishouden, wie weet en echtscheiding kunnen beletten!
Suf stond hij voor de woning van den notaris te wachten tot het licht werd. Tot zijn verbazing werd plots de poort geopend en liep de knecht hem op het lijf.
—Hoe weet gij het nu al? vroeg de knecht verwonderd.
—M. Boeykens?...
—Ja, zoo plots... ja hij was wel niet goed, maar niemand kon zich daaraan verwachten.... Saluut... tot weerziens.
M. Snepvangers oogde den knecht na, die haastig voortliep in den nacht. Nu kon hij plots zijn vijf zinnen bijeenrapen! Hij had wel kunnen jubelen van verrukking, nu was hij gered, nu kwam alles in orde. Hij had immers zijn kaartje nog om weer te keeren?
Met den eersten trein trok hij naar Capellen. De nacht lag nog over de velden, en in de verte scheen het licht in de "Villa Yvonne". Hoe meer hij naderde hoe luider de hond begon te blaffen. Het tuinpoortje knarste open, uit de open deur viel het helle licht. Hij hoorde geklaag en geschrei, gesnik en gejammer, keek niemand aan, zag strak en wezenloos voor zich uit. In de keuken liet hij zich zuchtend op een stoel neerzakken, den schelvisch vóór de voeten.
Een oogenblik hoorde men de stilte, dan zei hij langzaam, met tranen in de stem:
—M. Boeykens is dood!
—Maar wij blijven hier niet langer... wij hebben duizend angsten uitgestaan, zei Madame tot rouwbeklag.
—Alleen in den nacht, zuchtte Marieken, alleen in den triestigen buiten...
—Ja, 'n mensch weet nooit wat er gebeuren kan, beaamde Snepvangers nederig en treurig, zoo 'n goede man... Het buitenleven is toch niet zoo schoon als men denkt... Voor mij is het niks... ik ben niet bang... Ik ben heelemaal van streek... 't heeft me danig gepakt.
—We zullen maar gauw koffie drinken, meende Madame.
Elk der huisgenooten was als ontlast. De oplossing was gekomen, zonder dat een hunner zijn weerzin voor het landleven had moeten te kennen geven, zijn verlangen had moeten toonen naar de loszinnige geneugten van de stad, die zij voor maanden met zooveel genot hadden verlaten en belasterd. Zij hadden genoeg van de stijve deftigheid, wenschten maar liefst te gaan rentenieren in de oude buurt waar het zoo gezellig was, waar de menschen en straten hen zoo bekend waren, waar zij meetelden in het leven, waar muziek was en bedrijvigheid, en waar zij nooit onder de drukkende afzondering, de eenzaamheid zouden lijden. Marieke peinsde daarbij stillekens aan het huwelijk, en Mijnheer aan zijn parapluie en zijn uurwerk. Bij het eerste schemeren van den dag was M. Snepvangers bezig achter het tuinhek een paal op te richten waaraan een bordje bevestigd was, vermeldende met onzekere, zwarte letters: _Villa te huur of te koop_.
De familie Snepvangers woonde weer in de stad. Het renteniershuisje in de Hobokenstraat was kraakzindelijk. Het geveltje, frisch in de verf, was versierd met kolommetjes en grillig loofwerk, op het balcon prijkte een lange vlaggestok en op de witgeschilderde deur blonk de geelkoperen naamplaat. Binnen hielden Madame, Marieken en de werkvrouw met dagelijksche zorg alles helder aan kant en vrij van stof. In de achterkamer stond de piano, in de veranda, die als huiskamer diende, kefte een zwart spitsken, het salonneken aan de straat werd slechts voor vreemden geopend.
Het tuintje, een voorschoot groot, bood Snepvangers en zijn dochter gelegenheid tot tuinieren. Het geurde en fleurde er met bonte bloemen en riekende kruiden, terwijl een sappige wijngaard zijn ranken schoot onder het glazen afdak.
's Morgens vroeg stond Snepvangers op den drempel der woning zijn pijp te rooken, liet het hondje zijn ochtendwandeling doen; wanneer de melkboer kwam, nam hij het pannetje aan, trok dan aan de huisbel om Madame en Marieken te wekken. De dames kwamen gekleed beneden, want na het ontbijt ging Madame in de buurt winkelen en speelde Marieken piano, terwijl de werkvrouw den boel in orde bracht.
Snepvangers knutselde in het tuintje, las andermaal de gazet van den vorigen avond, kleedde zich dan voor de wandeling. Zijn barometer gunde hij geen blik meer, in de stad was dat overbodig, en daarbij nam hij, uit louter voorzorg, haast altijd zijn zijden regenscherm mee. Elken dag had hij zijn afwisselende stamlokalen waar hij een pintje of een borreltje dronk en over de stadsnieuwsjes en het weer redekavelde. In de buurt bezocht hij "De Koning van Spanje", "Het Zwart Paard", "De Paardenwei", "Sint-Jacob", "De drij Kauwkens", verder in de oude stad "De Klok", "Het Gulick", "Het Koningsken", "Het Nachtlicht", "De Boer van Tienen", "De Wildeman", "Het Schuttershof", "De Oude Sint-Jan", "De Gouden Kroon", De Kolkoensche Haan", "De Zeven Provinciën". In de week dronk hij garsten, 's Zondags, in de buurt van het station, verkoos hij uitheemsche bieren.
Klokslag één was hij thuis voor het middagmaal, ving dan een uiltje, ging daarna naar de roepzaal, waar hij, bij gelegenheid, nog een paar centen verdiende, trof er zijn vriend aan, den verdierenpikker. Samen keuvelden zij dan over eigendommen, gronden en centjes verdienen. Rond acht uur kwam hij voor het avondmaal. Madame vertelde van menschen die zij ontmoet had, van koopjes en buurtnieuws, Marieken verslond de feuilleton en zalig genoot Snepvangers. Later las hij de gazet, terwijl zijn vrouw kousen stopte en Marieken weer piano speelde. Op Vrijdag en Zaterdag gingen de vrouwen niet op boodschappen uit, er werd gekuischt en geboend en Snepvangers ging, na het avondmaal, kaarten in "De Klok."
Maar de Zondag werd, naar ouden trant, bijzonder gevierd. De familie trok de beste kleeren aan en 't was vette keuken. De schrale Madame in haar ruischende zijde stapte links van haar dikken echtgenoot naar de kerk. Op zijn buikje bengelde de zwaar gouden ketting en zijn zijden hoed stond achterover in den nek. Zijn hoogroode, gladgeschoren tronie glom van zelfvoldaanheid. Marieken, naar de mode gekleed, ging aan zijn rechterkant, in stille bewondering voor haar papa. Hij was zoo'n tegenstelling van mama, hij was een klein vetzakje, een joviaal rentenierken, dat veel menschen kende en groette. Doch zij geleek veel aan mama, was sprietmager, hetgeen haar ergerde en soms verbitterde.
Na de hoogmis wandelden zij naar de bloemenmarkt op de Groenplaats, zagen het volk uit Onze-Lieve-Vrouwekerk door de spitskar trekken, volgden mee, langs de Schoenmarkt en de Meir, door de Leysstraat, naar de De Keyserlei. Daar dronk men ergens een pot Münchener, waarbij Mijnheer de bekenden groette en de dames critiek uitoefenden over kleeding en menschen. Na deze eerzame en onschuldige uitspanning ging men eten, wat dutten, trok dan weer op wandeling, kwam thuis om te avondmalen, keerde opnieuw om te luisteren naar het concert in den Dierentuin of bezocht men de feesten en vertooningen in den Burgerskring, waar de vrouwenrollen ook door mannen werden vervuld.
Aan deze ordelievende, deftige levenswijze brachten de seizoenen met wind en regen soms lichte afwijkingen, zoodat de dames thuis bleven, geen onderhoudende en opwekkende critiek konden voeren, en Mijnheer alleen zijn stamlokalen bezocht.
Het leven was schoon in zijn effen uitzicht, zonder ontroering, zonder slag of gebeurtenis. Alleen Marieken had vlagen van droefgeestigheid, wanneer zij dacht aan getrouwde vriendinnen. Dan was zij onhandelbaar, had scherpe woorden. Mijnheer zorgde dan dat het hondje niet onder de voeten liep. Madame peinsde, terwijl zij de dampende potten in de keuken bestaarde, aan de kennissen die als schoonzoon welkom hadden kunnen zijn. Marieken ging naar de dertig.
Zekeren avond in de lente had het echtpaar een belangrijk gesprek in de slaapkamer.
—Marieken heeft weer leelijk haar kuren!
—Ja, mama, bevestigde Snepvangers bekommerd.
—Snepvangers, zei Madame besloten, ik heb er lang over nagedacht ... Marieken moet trouwen.
—Ja, mama, gaf hij onderdanig toe, maar met wie?
—Dat weet ik juist niet, zuchtte zij: wij moeten uitzien naar 'n treffelijken burgersjongen!
—Ja!
—Gij kent zooveel menschen....
—Ja!
—Ik zal mijn best doen, beloofde Snepvangers, terwijl hij in de echtkoets stapte.
—Hij nam den verdierenpikker in zijn vertrouwen, die de zaak niet te zwaartillend onderzocht. De beste koeikens zoekt men op stal, maar toch moeten de liefhebbers ze weten staan. Hij zou eens rondzien, maar nu had hij Snepvangers over iets gewichtigs te onderhouden.
—'t Is geen politiek en toch politiek, Snepvangers.... Tegenwoordig is alles politiek om de kiezers te lokken en stemmen te winnen. Katholiek en liberaal, uit schrik voor de socialisten, houden het werkvolk tot vriend... alles voor den werkman, en de burgers worden vergeten.... Dat kan niet blijven duren, dat mag niet? Wij willen het hekken aan den ouden stijl houden, de belangen der neringdoenden behartigen....
—Wie zijn wij?
—Wij? De bond der neringdoenden!... Wij willen ons woordje te zeggen hebben in het Bestuur.... Wij zijn onpartijdig in ons belang, liberaal en katholiek en democraat kan meedoen wanneer zij het goed meenen met de belangen der kleine burgers en neringdoenden! Wij strijden tegen cooperatieven en naamlooze maatschappijen, willen de nering bevorderen, ons beschermen door goede wetten.... Recht door zee, willen wij; de neringdoenden zijn den politieken winkel beu.... En nu vraag ik u of ge meedoet.... Ge zijt een onafhankelijk man, een rentenier, en zoo'n mannen hebben wij noodig, wij, handelaars, wij, ambachtslieden en eigenaars!
—Ik heb me nooit met politiek bemoeid, opperde Snepvangers, ik ben van den ouden eed en ga naar de kerk.
—Dat is geen beletsel.... Wij zijn met veel goede katholieken, maar wij vergeten ons belang niet.... Het is geen geuzenbond, maar eene vereeniging om onze stoffelijke—ja stoffelijke, dat is het woord van den President—belangen te verdedigen.
—Zijt gij reeds lang lid?
—Ik? Een paar weken, maar op de vergadering werd het zoo klaar uiteengezet. Er zijn knappe bollen bij, mannen die het goed kunnen zeggen, en 't staat allemaal in de gazet De Noodkreet. Ik heb seffens aan u gedacht!... Dat was nu iets voor Snepvangers, iemand die zelf affaire heeft gedaan, bij een notaris gewoond heeft en dus al de knepen kent, onafhankelijk is! Den President heb ik over u gesproken en hij vond dat wij mannen van uwen aard noodig hebben voor den gemeenteraad en voor den provincieraad!...
—Hm! Te veel eer; ik ben maar 'n simpele burger, geen advokaat, meende de gevleide Snepvangers.
—Wij willen juist geen advokaten, maar mannen van ons... geen praatjesmakers, maar mannen waarop wij rekenen kunnen.
—Lid wil ik wel worden... maar de rest blijft onder ons... ik kan dat niet aannemen, ik houd van de rust, ik houd veel van de rust... dat moeten jonge mannen doen, die van den spanaard gesneden zijn.
—Snepvangers, ik bedank u namens den Bond voor uwe bijtreding, die wij hoogschatten, zei de verdierenpikker langzaam en plechtig, laat er ons nog een pint op drinken; maar één ding zeg ik u: met snotters en tafelspringers zijn wij niet gediend, wij willen ernstige mannen!
Na dit vekwikkelijk gesprek keerde Snepvangers mijmerend huiswaarts. Geheimzinnig hmde hij aan tafel, liet soms zijn vork zakken om zich even in zijn toekomstdroomen te verdiepen.
—Papa, wat scheelt er toch? ondervroeg Marieken, wier kuur weer voorbij was.
—Och, kind!
—Awel ja, Snepvangers, ge doet zoo vreemd, wat is er gebeurd?
—Och, mama, nu willen ze mij met alle geweld naar den gemeenteraad zenden!
—Zijt ge zot, Snepvangers? Daar zenden ze andere kleppers, die daar iets kunnen vertellen!
—Dat weet ik niet, mama; ik ben onafhankelijk, ik ken veel menschen, ik ben zoo geen wauwelaar van een advocaat, maar ik heb veel ondervinding en er zetelen er anderen dan Snepvangers.... De neringdoenden willen mij absoluut, verklaarde hij behagelijk.
—Och Papa dat zal aardig zijn als ze bij u komen bellen voor plaatskens op 't stadhuis, en als we gevraagd worden op de feestjes...
—Ja, maar zoo ver zijn we nog niet!
—Pas maar goed op, de politiek kost centen en ik geloof daar nog niks van dien gemeenteraad, waarschuwde Madame.
—Och ik weet nog niet of ik aannemen zal!
—Maar Papa toch!
—Ja, als ik den Bond en de President daarmee een plezier kan doen, en als de leden er dan erg aan houden, dan zal ik mij nog eens bedenken...
Van dat oogenblik af werd het leven voor Snepvangers vol belangrijke vraagstukken en tijdroovende bezigheden. Madame kon alleen over de kuren van haar dochter nadenken en het heilmiddel opsporen. Spoedig was hij zijn propagandavocabulaar meester, en met den verdierenpikker was hij een ijverig ronselaar voor nieuwe partijgenooten. Menigmaal gebeurde het nu dat de zachtmoedige, vredelievende Snepvangers in geweldige herbergtwisten gemengd werd. Drukker bezocht hij zijn herbergen en wanneer hij dan, een beetje zwaar van bier, rook en welsprekendheid naar huis toog, kwam soms wel zijn rustig gemoed in opstand, doch telkens dacht hij aan den gemeenteraad.
Om in breederen kring de aandacht op "zijnen" Bond te vestigen liet hij zich als eerelid opnemen in de onpartijdige fanfarenmaatschappij "De Broedermin". Een paar dagen later werd hij eerevoorzitter van een Vogelpikvereeniging in de buurt "De Lustige Pikkers" en van de tonmaatschappij "De Moedige Spelers", nam het voorzitterschap aan van "De Gezworen Spaarders", liet zich afgevaardigde kiezen van een duivenkring in het "Algemeen Verbond" en ondervoorzitter der liefdadige vereeniging "Nood baart Troost".
Dat kostte slechts pinten, goede woorden en centen. De uitslag was schitterend. Madame, die niet erg ingenomen was met de nieuwe levensinrichting, werd overbluft en stormenderhand gewonnen.
Bij fakkellicht werd het nieuwe eerelid door zijn fanfare een serenade gebracht, en afgevaardigden van de verschillende vereenigingen, hiertoe door den verdierenpikker aangezet, brachten complimenten en bloemen. Madame was ontroerd door het onverwachte.
Marieken gloeide van trots en Snepvangers stond met milde eenvoudigheid te genieten van dit voorsmaakje der toekomstige glorie. Hij trakteerde op wijn de afgevaardigden die zich in het salon en de eetkamer verdrongen, liet de muzikanten in de kroegen der buurt drinken op zijn kosten. Redevoeringen prezen zijne liefdadigheid, zijn zin voor kunst en muziek, zijn burgerdeugd en zijn liefde tot het volk, zijn vaderschap en zijn goedheid.
Tegen zooveel beeldsprakige ophemeling voelde hij zich niet bestand, het verteederde hem en hij geloofde in zijn eigenwaarde. Hij gaf een wenk aan den President van den Bond en aan den verdierenpikker die de glazen volschonk als trouwe regisseur van het spel.
"Mijne heeren, zei hij, het glas beeft mij in de hand bij zooveel sympathie die mij betuigd is geworden... Ik kan het niet zoo met stadhuiswoorden zeggen, maar 't komt uit mijn hart, onze stad heeft onafhankelijke mannen noodig om te strijden tegen bazars en cooperatieven, tegen Tietz en bakkerijen die het brood stelen uit den mond van den neringdoende!...
"Ik verklaar volmondig fier te zijn als lid van den Bond der neringdoenden waarvan de President mij de eer aandoet aanwezig te zijn op deze betooging die niet mij, maar onze heilige princiepen treft... Dank, vrienden, dank... 't Is een steun in den strijd die mij zal aanzetten om nog meer te vechten... Ik bedank u allemaal uit den grond van mijn hart, vooral den vriend die ik jaren ken en die mij den weg gewezen heeft naar den Bond!... Mijne heeren, nog eens op de gezondheid. Leve de neringdoenden! Leve de burgerij."
Uitbundig werd hij toegejuicht tot buiten de Brabançonne weerklonk.
—Hij heeft het goed gelapt, fluisterde de President tot den verdierenpikker, 't is een schoone propaganda-avond. Toen in de verte de muziek wegstierf en het rumoer in de straat opgehouden had, zat de familie nog, stil van opgetogenheid, te luisteren onder het gaslicht. Madame kloeg niet eens over het bevuild tapijt noch over den mildgeschonken wijn. Marieken kwam het eerst tot de werkelijkheid terug, draaide de overbodige lichten uit, nam de glazen weg.
—Wij moeten den President onze klandisie gunnen, oordeelde Madame.
—Ja Papa, steunde Marieken.
—Maar wij hebben niks noodig, de dakgoten zijn in orde!...
—Wij moesten een bad koopen, een bad hebben al de rijke menschen.
—Een bad?
—Een bad, herhaalde ook de verbaasde Madame, en voor wat? Wat zullen wij daarmede aanvangen, en waar zullen wij het zetten?
—Wel, Mama toch, op de kamer boven de keuken.
—Maar wat zullen wij met een bad doen? Pleitte Snepvangers.
—Wel, ons wasschen, Papa!
—Ik wasch me alle dagen kind, maar in een bad, denk eens na!
—Een toekomstig gemeenteraadslid die geen bad in huis heeft... de menschen moesten het weten.
—Ja daar is toch iets voor te zeggen, Snepvangers.
—Maar Mama, dat kost veel geld.
—Die over den hond kan, kan over den staart... Wij zullen eens naar den President gaan kiezen.
's Anderen daags trokken de moeder en de dochter naar de Melkmarkt, De President was niet thuis, maar zijn vrouw, een pronte, zwaarlijvige en praatlustige vrouw ontving. De serenade was haar stokpaardje. Haar man had er niet kunnen over zwijgen, en Craen was niet makkelijk. Zij kende de dames van in de Zoologie te zien, en Marieken had ze altijd zoo'n aardig meisje gevonden. Het gezellig gesprek werd in den winkel gevoerd. Madame Snepvangers zat in een ziekenstoel, Marieke op een tentoongesteld porceleinen kuipje met mahoniehouten deksel. Madame Crean leunde tegen een badkuip en zag zich weerkaatst in den ovalen spiegel van een lavabo.
Toen het onderonsje gestoord werd door winkelbezoek had men nog geen badkuip gekozen, niet eens bekeken. Volgens afspraak zou men den volgenden Zondag op koffievisiet komen met Snepvangers. Er was geen haast bij, en de man moest maar meekiezen.
De familie Snepvangers genoot de ongewone ontroeringen van nieuwe betrekkingen en verrassingen. Het leven had gebeurtenissen. De politiek bood zeer aardige uitzichten, ook voor de dames. Slechts een ding werd opgeofferd op het altaar der neringdoenden: het prettig kuieren en winkelen bij Tietz.
Zij togen dus naar de Melkmarkt en werden luidruchtig verwelkomd door den stevigen loodgieter en zijn gade. De President voerde het gezelschap in het salon boven den winkel, waar men op rood-fluweelen stoelen rond de koffietafel plaats nam. Terwijl men boterkoekjes en krentenbroodjes naar binnen werkte en ontelbare kopjes koffie dronk, zoodat de meid tweemaal moest opschenken, vertelde Madame Craen haar levensloop. Zij waren kleintjes begonnen. De President deed toen zelf de karweikens op de daken, maar 't was hen mee gevallen, hun eenige zoon hadden zij in een floreerende zaak geplaatst nadat hij gestudeerd had voor apotheker-drogist. Zij bleven maar in d'affaire uit gewoonte en uit schrik dat zij het rentenieren niet zouden gewoon worden.
—Ja, dat hebben wij ook ondervonden... en wij waren naar buiten gaan wonen.
—Spreek mij van geen buiten. Madame Snepvangers, ik ben er bang 's avonds.
—Wij waren ook blij terug in de oude buurt te zijn, en voor Marieken was het ook te triestig!
—Natuurlijk, een jong meisken!... Seffens komt onze jongen een goedendag zeggen, en dan is er zoo wat jonkheid bijeen... In zijn affaire kan hij zoo moeilijk weg ... ge weet wel De Gaper, op de Torfbrug, bekend om het vliegenpapier ...
—Och zoo, dat is uw zoon! Marieken, daar koopen wij onze borstels en opneemvodden.
—Ja, onze jongen is werkzaam en braaf, maar ... zoo'n toonbeeld moest een vrouw hebben, ook voor d'affaire. Maar hij zegt geen tijd te hebben om er een te zoeken, dat hij nog jong genoeg is ... hij is nu drie-en-dertig.
Nu de dames zwegen en peinsden na, luisterden naar de mannen, die in politiek verdiept, eikaars vernuft en wijs inzicht waardeerden.
—Zouden wij niet eens in den winkel gaan zien? stelde Madame Snepvangers voor.
Gedwee volgden de mannen, doch staakten geen oogenblik het onderhoud. Madame Craen noemde prijzen van badkuipen, waterketels, lavabos, gemakken, raamde de kosten van plaating.
De belangrijke mededeeling werd onderbroken door de komst van den drogist, een mager jongmensch met bleek gelaat. Hij had een scherpen neus, waarop een gouden bril zijn flauw-grijze oogen beschermde.
—Dat is nu onze Antoine..., het eenig kind dat over bleef van de vier .... Antoine, dat is de familie Snepvangers, waarover wij gesproken hebben.
De drogist zei hoe aangenaam het hem was te mogen kennismaken met de familie, pluisde onderwijl aan zijn vlasblond geitenbaardje.
De badkuip werd vergeten. Antoine had zijn winkel gesloten en bleef in den familiekring die, in het salon, den wijn van den President proefde. Marieken, na lang pramen, bespeelde de piano die anders nooit geopend werd. Het was er zoo gezellig dat de familie niet weigeren kon te blijven avondmalen. Men was reeds als thuis tusschen oude vertrouwde vrienden. De oude heeren zaten in hun hemdsmouwen, en hun hoogroode, glimmende gezichten knikten elkaar mild toe onder het gaslicht.
De drogist zong nu, begeleid door Marieken, met lichte tenorstem een paar fransche romancen. Plots gaf hij zijn Vlaamsch gezindheid lucht:
Zij zullen hem niet temmen, Den fieren Vlaamschen leeuw, Al dreigen zij zijn vrijheid Met kluisters en geschreeuw...
Het begeesterd gezelschap zong het refrein mee. Maar na den ernst kwam de losgelaten leute, die de ouderen lang vergeten strophen in het geheugen riepen uit den tijd toen zij ook nog zongen of luisteren gingen naar de zangers in de zanglokalen aan de Werf. De president viel in met:
"Vaarwel, schoon lief, de tambour slaat,Snepvangers kende slechts
"Er is gebeurd bij den pastoor van Heylen,Madame Craen zong sentimenteel
"Wat was zij schoon, de blonde maagd,en Madame Snepvangers won den bijval met het guitig-onfatsoenlijke:
"Want Sint-Nicolaas dat is een manVerhit danste men hand aan hand rond de tafel en keelde
"Waar kan men beter zijn,'s Anderendaags was Marieken zeer teruggetrokken, en Madame voelde zich katterig, wat zij toeschreef aan de gebakken aardappelen en de te vette hesp!
Beiden waren een beetje verlegen met hun ongewone, dwaze luim van den vorigen avond.
Alleen Snepvangers gebaarde van niets, deed zijn dagelijkschen propagandatocht door de herbergen. Hij had andere katten te geeselen, werkte voor de partij die reeds met de aanstaande verkiezingen in het strijdperk zou treden. De loodgieter had hem nu zelf de stellige verzekering gegeven dat hij kandidaat zou gesteld worden.
Veertien dagen later ontving men het tegenbezoek, dat even prettig afliep. De President loofde de keuken van Snepvangers; nooit had hij zoo smakelijk Konijn gegeten. Antoine bleef in Mariekens nabijheid aan de piano. Madame Craen achtte Snepvangers een wijnkenner. Een lichte roes woog op allen en gaf het leven een rozig-leutig aanschijn.
—Ik heb onzen Antoine nog nooit zoo gezien, fluisterde Madame Craen.
—En Marieken dan... dat is de jonkheid, zuchtte Madame Snepvangers.
—Waar is onze tijd gebleven! treurde de loodgieter.
—Och, wij zijn ook nog kleppers, blufte Snepvangers, en klopte zijn zich verwerende vrouw op de knie.
Ook ditmaal liet de opwinding een beetje haarpijn achter, en Madame streek suf over de platte blessen. Zij was blij toen alles weer opgeredderd was en een kalmer uitzicht bood. Marieken liep neuriënd en bedrijvig rond en de rustelooze Snepvangers was reeds vroeg de baan op.
De zomerconcerten in den dierentuin brachten de vrienden geregeld samen. Het was een meer ingetogen verzet; de mannen hielden eindelooze redenaties over de verkiezingen en de middelen om De Noodkreet overal te verspreiden; de vrouwen fezelden over het huishouden en over de menschen die rond hen zaten. Antoine en Marieken zwegen, luisterden aandachtig naar de muziek die versmolt met het geruisch der voetstappen van de rondwandelende meisjes over den kiezelgrond.
—Dat zoekt allemaal 'n vrijer, meende Madame Craen, dat loopt in de spitskar om zich te laten zien.
—Dat heeft Marieken nooit gedaan, weerde zich Madame Snepvangers.
In de pauze gaf Antoine zijn muziekbeschouwingen ten beste, de vaders bestelden een nieuw glas en vonden het lekker zitten onder de boomen. Na het concert werden de Snepvangers door hun vrienden naar huis gebracht. Antoine en Marieken liepen voorop, soms wel gearmd, gevolgd door de moeders, en op afstand door de politiekers.
Zoo liep de maand Juni ten einde. Doch toen gebeurde het dat Antoine aan Marieken voorstelde een eindje op te wandelen. In de oogen der ouders glom de nieuwsgierigheid al hielden zij het gesprek aan gang. Marieken voelde haar hart feller kloppen toen zij, onder de donkere boomen, waar een geur van wilde beesten en bloemen aanluwde, de helverlichte kiosk uit het oog verloor. Nabij de leeuwenzaal gingen zij op een bank zitten. Treinen floten langgerekt, de roofvogels krijschten in de verte en de woestijnkoningen brulden vervaarlijk in hun hokken.
Antoine plukte aan zijn geitenbaardje, wierp zijn sigaar weg, keek naar het stukje nachthemel dat zichtbaar was. Marieken had de handen in den schoot gevouwen,
—Marieken, aarzelde hij, wij zijn geen kinderen meer... Onze ouders zullen er niets tegen hebben... wij zijn van den zelfden stand... 'k heb 'n goede affaire en nog te verwachten, gij zijt een eenige dochter van welhebbende menschen en... ik zie u gaarne!
—Antoine!
In de verte begon de muziek opnieuw te wiegelen. Zij waren beiden bedremmeld.
—Ja, ik zie u gaarne, maar ik wist niet hoe ik het u zeggen moest ... ge zijt zoo 'n deftig meisken.
—Antoine toch!
Hij schoof nu dichter bij, lei zijn arm over haar schouders. Zij liet het hoofd tegen hem aanleunen, rilde alsof zij koorts had.
—En ziet ge mij ook gaarne? fluisterde hij, het gelaat dicht bij het hare zoodat de krullende haarkens boven de slapen zijn wang kittelden.
Haar oogen glansden, en zij voelde zijn warmen adem over haar wezen. Eindelijk was het gekomen waarvan zij als jong meisje gedroomd had.
—Ja, Antoine!
Hij zoende haar en zij kuste terug zonder nog te denken aan fatsoen. In zijn armen vergat zij ouders en concert.
---En wanneer trouwen wij?
—Als Papa in den Gemeenteraad zit... Dat zal de menschen niet weinig doen biskeeren.
Het publiek trok reeds weg toen zij de geduldig-wachtende ouders vervoegden.
—Awel jongen, wat hebt gij Marieken toch zoo te vertellen gehad? wierp de loodgieter op.
—En in den donkeren nogal, plaagde Snepvangers die het minst argwaan had.
—Dat zal ik seffens bij Mariekens' ouders verklaren, zei de drogist gewichtig.
—Maar 't is al zoo laat, Antoine, wacht tot morgen.
—Neen Mama!
In de eetkamer der Hobokenstraat deed Antoine aanzoek naar de hand van Marieken Snepvangers.
Madame schonk een glas wijn. Madame Craen zei nu haar levensdroom vervuld te zien, Craen toastte en Snepvangers zat verwezen te kijken naar de wondere Teniersmannekens op de deuren der eikenhouten buffetten uitgestoken. Nooit had hij dat zoo nauwkeurig bekeken. En Marieken ging trouwen zoohaast hij in den Gemeenteraad zou zetelen. Zijn kind ging zijn hhui verlaten, een eigen gezin vormen! Op haar beurt zou zij kinderen krijgen, misschien ziekten en tegenslag kennen! Maar Antoine was een goede jongen en kleinkinderen zouden een vreugd zijn voor hun levensavond.
Madame was blij dat zij niet langer moest nadenken over Marieken. Haar kuren zouden nu voorbij zijn, en de rust zou in huis heerschen. Het hoofd zou men neerleggen zonder angst dat het kind alleen achterbleef. Was Snepvangers nu maar wat minder ongedurig!
Onder het verteederd toekijken der ouders namen de verloofden afscheid.
Om het bedekt en openlijk vrijen der kinderen bekreunde Snepvangers zich niet.
De weken vergingen in bezoeken, vergaderingen, bijeenkomsten en herberggetwist. De strijd was reeds volop aan gang, in den Bond strijd om voorrang, buiten den bond strijd tegen de partijen. Onvermoeibaar stond hij op de bres van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Zijn persoonlijke meeningen had hij zoo goed het ging in een manifest uiteengezet. Antoine had het verbeterd, een sierlijken vorm gegeven zoodat het nu gerust kon gedrukt worden in De Noodkreet. De avond vóór de algemeene vergadering, waarop de kandidaten zouden worden aangeduid, verzekerde hem de President dat hij gerust mocht zijn over den uitslag. De verdierenpikker had de mannekens van de fanfare bewerkt, de vogelpik- en tonspelers, de spaarders en de vrienden van den armen gesproken. De echte neringdoenden zouden stemmen voor den onbaatzuchtigen rentenier.
Toch baande Snepvangers zich slechts met beklemd gemoed een weg door de propvolle zaal naar de tafel, waarachter het bestuur geschaard zat. De President knipoogde. Hij hield zijn gelaat in effen plooi om de inwendige ontroering te kunnen verbergen, maar hij zoog smakkend op zijn sigaar, en zijn blikken gleden over allen en zagen niemand. Hij luisterde niet naar het lezen van het verslag van den secretaris, naar de woorden van den voorzitter, naar de losgelaten welsprekendheid der andere kandidaten, die een voor een zich bij hun medeleden kwamen aanbevelen. Zijn zekerheid was hij kwijt, de vaste grond zakte onder hem weg en hij voelde zich hulpeloos tegenover de menigte in de zaal. Van zeer verre klonk het hem eindelijk uit den rook: Het woord is aan M. Snepvangers! Zijn aanhangers juichten hem toe. Dat stak hem een hart onder den riem. Met een woesten ruk wipte hij recht naar het verhoog, schonk zich een glas water, dronk, en toen weer stilte heerschte, sprak hij met gloeiende overtuiging:
"Medeburgers!
"Op dit plechtig oogenblik dat gij komt te kiezen tusschen uw mannen die uw belangen zullen gaan verdedigen in den Gemeenteraad, zal ik zeer kort zijn en geen lange redevoeringen uitspreken... Ik ben geen advokaat, maar ik weet wat de burgerij en de neringdoenden toekomt. Wat ik in het verleden geweest ben dat zal ik ook in de toekomst zijn! Ik ben tegen bazars en coöperatieven, ik wil ze belasten zoodat de kleine burger niet meer failliet zal gaan met te willen concureeren. Uwe belangen zijn zoo treffelijk als die van het werkvolk, waar zooveel voor gedaan wordt. Ik wil mij opofferen voor de zaak! Als onafhankelijk man zal ik uw intresten verdedigen. Ge kunt lezen wat ik in De Noodkreet geschreven heb... Bij mij is het niet te doen om op de kussens te zitten, mijn princiep is: Leven de Neringdoenden!"
Onder uitbundig gejuich verliet hij het podium, drukte handen, ontving gelukwenschen. Van dat moment af en voor altijd wist Snepvangers wat hij voor had op den gewonen sterveling: hij was een spreker! Hij was direct vergeten dat zijn hart geen boontje groot was vóór de begeestering over hem kwam! Het baarde hem geen verwondering, met groote meerderheid, te worden aangeduid naast acht andere kandidaten. De partij zou met een onvolledige lijst optreden, berekend naar de omstandigheden en naar de stemming onder de kiezers. 's Morgens aan de koffietafel feliciteerde hem Marieken.
—Nu zullen de geburen het gauw weten, Papa.
—Het kan niet anders, kind, oprecht, ik ben niet rap content over mezelf, maar ik heb gisteren avond goed gesproken.
—Snepvangers, zei Madame, ik heb er over nagedacht, nu ge kandidaat zijt, zult ge uw rang moeten ophouden.
—Dat spreekt!
—Ja, en daarom zoudt ge maar alle dagen uwe redingote moeten dragen, dat staat zoo deftig!
—En 's Zondags dan?
—Ge laat er 'n nieuwe maken bij een anderen kleermaker... dat zijn weeral stemmen.
—En 'k zou mijn buis maar dragen, Papa.
—Alles behalve dat... zij is voor 's Zondags en blijft voor 's Zondags... maar ge moest nog eens aan het bad denken dat, met al die stroebeling, in den vergeethoek is geraakt.
—Ja, Papa.
Drukke dagen volgden. Met den verdierenpikker, de leden van het bestuur en de andere kandidaten schreven zij adresbanden om De Noodkreet te verzenden, bezochten winkeliers, herbergiers, beenhouwers, bakkers, kleermakers en andere neringdoenden, menschen die niet bij den bond waren aangesloten. Ook onder de leden zelf moest het heilig vuur onderhouden worden, want de tegenpartijen vielen hen reeds aan in eigen kamp.
Snepvangers vermagerde zichtbaar van inspanning, onrust en slapeloosheid. Laat duurden de vergaderingen waar plakkaten en vlugschriften werden opgesteld, kiezerslijsten uitgeplozen en stemmen berekend. De secretaris, een gewezen onderwijzer, wiens ambt betaald werd, gaf uitleg over de kieswet, leerde hen wat zij te doen hadden als getuige in de kiesbureelen en cijferde de ingewikkelde kansen na om de kandidaten gekozen te zien.
Toen Snepvangers hun lijst op de aanplakplaatsen in de stad zag prijken, en zijn eigen naam en al zijn voornamen las, toen oordeelde hij de kansen gunstig. De lijst hing naast de roode der socialisten, de blauwe der liberalen, de driekleurig omkranste der katholieken.
De politieke strijd begon thans voor goed. Meetings zouden zij niet houden, vermits zij niet op de massa maar wel op de eigen standgenooten steunden. De dagbladen mengden zich in 't gevecht met al de klem en de kracht van het gedrukte woord. Snepvangers las alles en raakte soms de kluts kwijt, werd haast wanhopig onder de aantijgingen tegen menschen die, al waren zij niet van den bond, hem toch eerbiedwaardig schenen. Zijn simpele ziel duizelde onder het schelden en bezwadderen, hij had nooit zooveel kwaad in de wereld vermoed, en hij begreep niet dat journalisten zoo wat durfden te schrijven. De mannekens der eigen partij werden opgehemeld, alle deugden en bekwaamheden hun toegeschreven. De verdierenpikker moest hem steunen in zijn moedeloosheid.
—Dat is politiek, Snepvangers, politiek, anders niks... Geloof niet dat zij dat zelf meenen... Zij zijn er voor betaald juist gelijk onzen sekretaris... Als de kiezing voorbij is spelen zij weer samen smousjes op 't Groenkerkhof in hun café, en de mannen die in den gemeenteraad zitten van de verschillende koleuren zijn dan weer dikke vrienden.
—Neen, maar zoo versta ik het niet!
—Gij zijt 'n brave vent, Snepvangers, en neemt dat veel te serieus op... Ze spelen allemaal komedie in de politiek... Trek het u vooral maar niet aan wanneer ge vandaag of morgen door 't slijk gesleurd wordt.
—Ik doe een ongeluk als er een het hart heeft mij zoo te affronteeren!
—Doe liever niks, anders wordt gij nog veroordeeld tot schadeloosstelling en de kosten, en de menschen zullen met u lachen omdat ge niet meer van de politiek verstondt en toch kandidaat hebt willen zijn. Een kandidaat moet tegen alles kunnen; als zij schrijven dat ge 'n dief zijt, dan moet ge er nog uw botten aan vagen... Om kandidaat te wezen, moet ge 'n filosoof zijn. Wacht maar, uw beurt komt wel. In de Gazet van Allen beginnen ze portretten te geven van de mannen der "nief partie". Bakker Janssens hebben ze vandaag uitgekleed, ze noemen hem 'n vermomden geus en doen verstaan dat hij zich rijk gestolen heeft met te pooteren op het gewicht!...
Dag aan dag verschenen nu portretten der medekandidaten in het frutkrantje, dat overal gratis verspreid werd. Morgen werd het nu zijn beurt; hij was de laatste om afgetakeld te worden. Heel de stad zou het lezen, velen zouden er een heimelijk plezier in hebben of het voor waarheid verslijten. Ja, men moest filozoof zijn om dat alles te verdragen voor zijn overtuiging! Vooral niks toonen, waardig doen gelijk iemand die het gewoon is, porde hij zich zelf aan.
Hij hoorde de gazettenleurders toeten en gillen in de straten, toen hij aan het lokaal van den Bond kwam. Nauwelijks zat hij tusschen de strijdmakkers, of de deur vloog geweldig open en President en verdierenpikker verschenen in zeer opgewonden toestand. Zij hielden de gazet in de vuist geklemd.
—'t Is schandalig, Snepvangers!
—Trek het u toch vooral niet aan. Snepvangers, 't is te gemeen!
—Laat maar eens zien, zei de kandidaat zoo bedaard mogelijk; die dat geschreven heeft, is toch een tienstuiversgast!
Hij nam het dagblad, keek nog eens naar den President, die rood zag van oprechte verontwaardiging, naar den verdierenpikker, die hem met zeemzoet mededoogen aankeek, en voelde aller oogen—die der medekandidaten—vol nieuwsgierigheid op zich gevestigd. Taai blijven! Hij las:
De Baaskens der Nief Partie!
"Nu gunnen wij onze lezers het plezier kennis te maken met den laatste der fameuze pateekens, die gaarne in den raad zouden zitten en er niet bekwaam voor zijn.
"Een dezer vermomde geuzen is Snepvangers, die de neringdoenden zal gaan verdedigen, precies alsof wij dat niet altijd hebben gedaan.
"Deze framasson stinkt van pretentie en is zijnen tijd vergeten toen hij bij Notaris Boeykens de deur mocht open en toe doen, of korenten verkocht in "De Zoutkeet".
"Hij is rijk geworden met den strooman te spelen in de Roepzaal voor geuzenaffaires die het daglicht niet mochten zien.
"Hij is bekend in al de garstencafés, waar hij stoeft alsof hij reeds gekozen was.
"Het eerste deel van zijn naam is snep, en die beesten hebben gaarne een natten bek. Het tweede deel, vangers, beteekent dat hij de kiezers zou willen vangen, maar de kiezers zijn allemaal geen jongens uit "De Gaper"!
"Moest hij gekozen worden, wat de verstandige kiezers wel zullen beletten, dan wordt de Gemeenteraad herdoopt in Sneppenraad! Wij willen serieuse menschen!
"De kiezers mogen lachen, maar zich niet voor den aap laten houden door de vijanden van den godsdienst of door anarchisten! De deftige kiezers stemmen onder nr 1!"
Snepvangers hield zich kranig onder de mokerslagen. Zoo iets monsterachtigs schreef men tegen een deftigen burger, die altijd, naar behooren, zijn kerkelijke plichten vervuld had. Wat al leelijke aantijgingen, wat vuige beschuldigingen door een naamlooze uitgekraamd! Hij moest de stilte verbreken, toonen dat Snepvangers door zoo iets niet in zijn eer kon gekrenkt worden.
—Ik een framasson, zei hij schouderophalend, ik weet niet eens wat een framasson is!... Het kunnen misschien heel deftige menschen zijn. Als zij denken Snepvangers bang te maken, dan zijn zij er nog niet half... Ik ben onafhankelijk en niemand kan mij deren!... Zij zijn bang van ons.
—Wij moeten onze mannen verdedigen, schreeuwde de President.
-Ja! Ja!
—Tegen dat janhagel verdedigt men zich niet, verklaarde Snepvangers kalm, maar inwendig kookte hij van machtelooze woede.
—Ik ben zeker dat het van dien fijnen jezuiet komt, die op den Kauwenberg woont en secretaris is van de spaarmaatschappij, meende de verdierenpikker, hij schrijft in de gazet.
De vergadering duurde laat in den avond. In den frisschen herfstnacht ging Snepvangers alleen naar huis. De volle maan lei een zilveren glans over de stad. De gewogen Snepvangers, verstrikt in het geharrewar van de politiek, kwam in de stille haast tot bedaren.
Uit de eenzame Keizerstraat klonken stappen en een lange slungel scheerde hem voorbij. De man groette.
—Halt! vriendje, riep Snepvangers en greep den man stevig vast aan zijn ondervest, gij hebt mij dus dat affront gebakken, gij leelijke, lange slingeraap! Ik ben dus 'n framasson, 'n zatlap en 'n stoeffer!
—Wat wilt gij, Mijnheer Snepvangers, ik begrijpt u niet, verweerde de slungel angstig.
—Wij zijn nu onder vier oogen, niemand ziet ons, span nu maar een proces in zonder getuigen, deugniet, sjamfoeter, vuile jezuiet!
Snepvangers moest telkens opwippen om met zijn vuist te kunnen bonken op de tronie van den lange. Jammerend probeerde deze zich los te rukken, maar de kandidaat hield wraakgierig vast, wipte maar en bokste op neus en oogen tot hij hijgend niet meer kon. De slungel griende.
—Zoo tem ik de gazettenmannekens, triomfeerde Snepvangers, zeg na maar gerust aan de andere sloebers wat zij van mij verwachten kunnen, en zeg dat ik mijn botten vaag aan die smeerlappekens! En als zij niet oppassen dan wordt ik nog framasson! Slaap wel en droom van zoetekoek! Maar in de spaarmaatschappij vliegt ge zeker buiten ...
Hij liet zijn slachtofter in den steek. Niemand had het gezien en niemand kon getuigen! 't Zal morgen 'n schoone jongen zijn, peinsde hij. Zegevierend kwam hij thuis waar de vrouwen, die ook de gazet gelezen hadden, angstig op hem zaten te wachten. Aan zijn kneukels kleefde bloed.
—Arme Papa, kreet Marieken, en hebben zij u daarbij nog willen vermoorden!
—Maar Snepvangers toch!
—Ik heb den deugniet zijn zaligheid gelezen achter den hoek, morgen loopt hij gelijk 'n karnavalzot met twee blauwe oogen, en hij kan mij niks, want hij heeft geen getuigen! 't Is de secretaris der spaarmaatschappij die mij dat gelapt heeft.
—Maar, Snepvangers, wat zullen de menschen denken van zoo in de gazet te figureeren, en dan nog vechten op den koop toe...
—En dan over De Gaper, snikte Marieken.
—Van 't vechten zal hij wel zwijgen en dan weet niemand iets... en de gazet dat is politiek, dat is maar comedie!... In de politiek moet ge filosoof zijn, en 't is niet zoo gemakkelijk om in den Gemeenteraad te komen.
—'k Wou dat de kiezing maar voorbij was!
—Ik ook, beaamde Marieken en zij dacht aan haar huwelijk.
—Ik ook, zuchtte Snepvangers terwijl hij zich het bloed van de hand wiesch.
De verdierenpikker en de President, in het geheim der tuchtiging ingewijd, verkneuterden zich van plezier. In hun brieventesch bewaarden zij het uitknipsel der gazet. Zij herlazen menigmaal het relaas van het voorval verschenen onder de rubriek Stadsnieuws:
"Gisteren avond was onze getrouwe medewerker A.S. het slachtoffer van een bandietenaanval. De lafaard mishandelde en kwetste onzen vriend zoodanig dat hij er bedlegerig van is. Politie was natuurlijk weer niet in den omtrek. Onder de regeering der mannen van "licht, immer licht" heeft onze stad niets meer te benijden aan Parijs en zijn apachen. De kiezers moeten er paal en perk aan stellen!"
Terwijl de kiesstrijd in volle hevigheid woedde, zorgden de dames voor den uitzet der kinderen. De mannen waren niet te spreken zoodat de moeders vrij waren alles naar eigen smaak te bedisselen. Antoine en Marieken gingen vrijend wandelen in den valavond, zoohaast de winkeldrukte voorbij was. In den loop van den dag wipte Marieken, dikwijls, onder een of ander voorwendsel, in De Gaper binnen. Zij was verzot op drop, snoepte regelmatig aan den bokaal "jappekens", in de buurt als de beste befaamd. De reuk der specerijen, gedroogde kruiden en verfstoffen was haar haast reeds een behoefte geworden, en zij snuffelde in kasten en schuiven, in bakken en vaten. Den winkel, den aantrekkelijken winkel wou zij leeren, zij telde de dagen af die haar nog van het oogenblik gescheiden hielden dat zij de klanten zou te woord staan. Zij liet de moeders maar betijen; wanneer zij eenmaal bazin in De Gaper was, dan zou zij alles wel naar eigen zin inrichten. In zijn drogerij was Antoine ernstig, een bijdehandsche winkelier.
Den vooravond der verkiezingen werden de laatste woorden aan de kiezers per post verzonden of nog in de brievenbussen gestopt. Een kort en bondig woord: "Wie zijn eigenbelang bemint en de groote concurrentie wil kapot maken, stemt onder Nr. 3!" De teerling was geworpen. Dien nacht sliep Snepvangers niet. Zeer vroeg stond hij op, trok zijne nieuwe redingote aan om zijn burgerplicht te gaan vervullen. Overal waren de muren bedekt met plakkaten, op de voetpaden nabij de kiesbureelen waren de strijdcijfers geschilderd, aan de deuren stonden de reclamedragers met een "Stemt onder Nr..." Na zorgvuldig zijn kiesbriefjes bewerkt te hebben ging hij een pintje drinken.
De roes der laatste weken viel weg wanneer hij zoo rustig achter eene herbergtafel zat. Ja, hij was vermagerd onder de zenuwachtige opwinding, en voor geen geld wou hij de geschiedenis opnieuw beginnen. Zou hij nu gekozen zijn? In geval het hem tegenviel zouden zijne vijanden niet weinig lachen! Anders kwam er weer een serenade met brabançonne, dan het huwelijksfeest, daarna de vergadering van den Gemeenteraad waarin hij den eed zou afleggen. Aan tafel praatte hij opgewekt en onbekommerd met Antoine en Marieken, met Madame Craen en zijn vrouw. Maar de tijd viel hem lang. Hij verlangde naar en vreesde de komst van den President om den uitslag te kennen, 't Werd avond en de stemming een beetje gedrukt. Dan klonk de huisschel onzeker, 't Is mis, peinsde Snepvangers. Beschroomd stonden President en verdierenpikker voor hem. Hun begrafenisgezichten waren welsprekend.
—Wij zijn helaas geklopt, fluisterde de President.
—Wij moeten den volgenden keer herbeginnen, beweerde de verdierenpikker, de kiezers werden misleid, zij hebben hun belang niet begrepen... En de anderen hadden gazetten!
—De kiezers zijn stommerikken, oordeelde Snepvangers die zijn luchtkasteelen zag ineenstorten, er is niks mee aan te vangen... en daar heb ik mij voor opgeofferd, mijn tijd, mijn centen en mijn ambitie in gesteld, mij door de goot laten sleuren! ...
—Ja, wij hebben er ons voor opgeofferd, getuigden ook de vrienden.
—Schreeuw niet, Marieken, 't is allemaal niks... ik vaag er nu toch mijn botten aan... 't Is nu gedaan met de politiek... Ik trek er uit... Ik geef mijn ontslag aan al de maatschappijen... dat zij het karreken maar zelf kruien, ik ben het beu... ik zet geen voet meer op de vergaderingen... ik ga rusten en van het leven profiteeren... 'n mensch is zot zich muug te maken voor al die vodden... De politiek is een smerige komedie, en ik wil geen komedie spelen in mijn ouden dag!... Ik ben er mager van geworden... Wij gaan nu samen een lekker glas wijn drinken in familie, om te toonen dat wij niks geven om hunnen Gemeenteraad... Antoine, jongen, als ik u 'n goeien raad mag geven, doe dan nooit aan politiek... 't Is puur zottigheid! De wereld wil bedonderd worden, awel voor mij is 't ook goed... En, Marieken, dat bad wil ik ook niet meer in mijn huis... ik heb mij nooit in een bad gewasschen en ik zal het zeker nu nog niet doen, ik geef het u cadeau in uw huishouden... en ik blijf van den ouden eed en wasch mijn voeten in een tobbeken!... Mama, haal maar een lekkere flesch op, ik ben blij dat alles voorbij is!... Niemand sprak de wrevelige rede tegen, vrucht van ondervinding en ontstemming.
En zoo werd de verloving nogmaals gevierd, en de rust gehuldigd, die voortaan in het gezin zou heerschen.
Wanneer de gasten uitgeleid werden en in leutige opgewektheid afscheid namen, hoorden zij in de verte schorre stemmen weergalmen. Hij voelde zelfs geen bitterheid meer bij het kiesliedje der overwinnaars: "Van 't ongediert der papen, verlost ons vaderland?"
Marieken was met pralende plechtigheid getrouwd om de geburen en kennissen te doen biskeeren. De zingende mis in St.-Jacobskerk, het orgelmuziek op het Stadhuis en het Bruiloftsfeest bij Weber hadden heel wat opschudding verwekt en het aanzien der familie Snepvangers weer hersteld, dat door het mislukt kiesavontuur gedaald was.
Wanneer de wijnroes was opgeklaard, hernam Snepvangers zijn rustig renteniersbestaan. Madame, in eeuwige ongedurigheid, dribbelde in huis rond of winkelde in de buurt.
's Zondags dineerden zij met de familie Craen bij de kinderen. Heimelijk zonden beide moeders een en ander om de dischkaart een fraaier uitzicht te bezorgen. De winterzondag-namiddagen werden met lekker eten en drinken, in famillie-gezelligheid, doorgebracht.
Het jonge paar had, voor het oog der menschen en omdat men toch een huwelijksreis moet doen, enkele dagen te Brussel doorgebracht. Daarna werd Mariekens blanke bruidstooi voorzichtig in een koffer geborgen, haar bruidskrans en ruiker onder een glazen stolp, op de schouw der slaapkamer te prijken gesteld, en Marieken nam haar plaats in achter den toog der drogerij op de Torfbrug. De oude meid liet zij baas in de keuken, de winkelknecht verontrustte zij niet in kelder of magazijn. Zij regeerde dus met wijsheid, en troonde naast Antoine met groot zelfgenoegen. De uren vlogen voorbij met het gerammel op den beiaard van Onze-Lieve-Vrouw-toren, 's Maandags ging zij in den namiddag met de moeders op boodschappen uit; 's Woensdags woonden zij de avondconcerten in den Dierentuin bij; Vrijdag morgen gaf als afwisseling het druk geloop van buitenlieden in de drogerij tot het beiaardspel van twaalf uur verpoozing bracht; de Zaterdag werd besteed aan schoonmaak en de rustdag volgde dan met groote eetpartij.
Snepvangers had woord gehouden, zich teruggetrokken uit het vereenigingsleven. Craen bleef President van den Bond der Neringdoenden en verweet zijn vriend de verregaande onverschilligheid tegenover de openbare belangen. Maar Snepvangers, openlijk gesteund door zijn vrouw, was niet van zijn stuk te brengen. Met den verdierenpikker was het haast tot een breuk gekomen daar deze aan hetzelfde zeel trok met den President. De critiek van een ouden vriend kan men natuurlijk minder dulden! Hij vergaf daarbij zijn kameraad niet hem in dat spoor te hebben gevoerd, ontmoette hem nog slechts in de herberg om den wille van het kaartspel.
Hij schiep groot behagen in zijn schoonzoon die, 's Zondags na het eten, nooit naliet uit te pakken met zijn wetenschappelijken ballast te Leuven opgedaan. Antoine noemde zijn kruiden met hun latijnsche namen die Snepvangers niet onthouden kon. Hij sprak over sterrekunde en delfstoffen, over scheikunde en filosofie.
De geneeskunde was hem niet vreemd, zijn zalf tegen brandwonden, eigen uitvinding, vond wonderlijk veel afzet. En hij peinsde, hij peinsde maar door op nieuwe uitvindingen, middelen om het menschdom te helpen en zijn inkomsten te verhoogen. Om op de hoogte te blijven der jongste wetenschappelijke gegevens, las hij geregeld populaire tijdschriften, want in zijn vak was er voortdurend nieuwigheid en vooruitgang.
De belangwekkende beschouwingen werden gewoonlijk in den winkel gehouden. Marieken bewonderde haar echtgenoot en snoepte onderwijl drop, de dames Kauwden jujube, en de heeren rookten hun sigaar. Antoine ploos zijn geitenbaardje, zijn gelaat stond ernstig en zijn woorden klonken beslist en doctoraal. Het was verbazend vreemd voor Snepvangers en Craen die gretig luisterden, wat de dames niet deden. Marieken knikte telkens alsof zij het fijne van de zaak verstond.
—De zon wordt kleiner, verzekerde eens Antoine.
—Maar jongen wat ge nu zegt, schuddebolde zijn vader.
—'k Heb het altijd gepeinsd, bevestigde Snepvangers diepzinnig, de zomers worden korter.
—De zon wordt dagelijks ouder, orakelde Antoine die zich door geen onderbreking liet afleiden, de zon neemt af en verliest in warmte.
—Precies zooals ik gedacht heb, zei Snepvangers, deed een zware haal aan zijn sigaar en blies kwaadaardig een rookwolk op.
—Zij verliest haar zelfstandigheid, ja zij verliest haar zelfstandigheid en vermagert, als ik mij zoo doodgewoon mag uitdrukken, zij vermagert door ons haar stralen toe te zenden! De geleerde J. Bosles,—er klonk eerbied in zijn stem—heeft berekend dat de zon elk jaar door uitstraling een gewicht van 18 maal 10.20 gram verliest...
—Dat moet een cijferaar zijn, betwijfelde de President.
—Met andere woorden, hield Antoine vol, in dertig millioen jaren zal de zon een hoeveelheid stof uitgestraald hebben die gelijk is aan de aardmassa.
—'t Is kolossaal, bedacht Snepvangers en hij voelde dat Antoine hem doordringend aankeek.
—Ja Papa!... Als nu de zonnemassa vermindert, dan wordt haar aantrekkingskracht kleiner: de aarde, minder sterk door haar aangetrokken, moet minder snel van het aphelium naar het perihelium afdalen en minder snel van het perihelium naar het aphelium opklimmen!... De duur van deze dubbele beweging, met andere woorden het sterrekundig jaar, moet langer worden.
—Zoo is 't Antoine, M. Boskes heeft gelijk, ik ben er zeker van, gaf de President toe, verheugd dat de uitleg voorbij was.
—Ik versta niks van ofelium en perium, bekende Snepvangers schuchter, maar ik wil u wel gelooven op uw woord... maar hoeveel langer moet volgens u het sterrekundig jaar wel worden?
—Elk millioen jaar, en hij lei den klemtoon op millioen, elk millioen jaar zes seconden.
—'t Is niet veel, meende Snepvangers teleurgesteld, en dan moeten wij er ons nog niet ongerust in maken, wij hebben nog al den tijd...
—Laat ons maar liever gaan soupeeren in plaats van daar den kop mee te breken, stelde Madame Craen voor.
—De vrouwen hebben geen verstand van wetenschap, misprees Antoine.
—Neen jongen, troostte Snepvangers. Terwijl zij eens aan een goudbruin-gebraden kip peuzelden, lei Antoine eene echte geloofsbelijdenis af:
—Wat is een mensch tegenover het heelal?
Bedenkelijk vaagde hij de vettige vingers aan zijn servet; hmde genoegelijk en bekeek strak zijn schoonvader.
Snepvangers verschrok, liet het kippen boutje, waaraan hij zoo blijhartig te kluiven zat, terug in zijn bord vallen, loerde bedeesd naar zijn teljoor en vond in zijn bedremmeling geen antwoord. Met zijn plakkerige hand streek hij zich over zijn kort-grijs stekelhaar, voelde aller oogen op hem gevestigd.
—Ja, wat is een mensch tegenover het heelal?
—Niet veel, waagde Snepvangers en wou zijn boutje weer vastgrijpen.
—Neen, niks, Papa, niks, absoluut niks, klonk vernietigend het betoog uit den mond van den drogist, zoodat Snepvangers de hand van het kippenboutje aftrok.
—Dat is wat straf, Antoine, verweerde hij zich.
—Neen, niks, niks, niks! Een korreltje zand in de woestijn, een druppel water in de zee... een molecule...
—Watte?
—Een molecule, dat is de kleinste denkbare hoeveelheid stof die op zichzelf kan bestaan!...
—Toch iets meer, Antoine, toch iets meer, hield Snepvangers, rood van ontroering, vol, nu ben ik het niet akkoord.
—Ha, ik weet wat ge zeggen wilt, zegevierde de drogist, ge wilt zeggen dat wij een ziel hebben, dat wij redelijke schepselen Gods zijn! ...
—Ja, stemde Snepvangers direct in, gelukkig dat hij zich aan dat argument kon vastklampen, en hij greep weer naar zijn bord, ja Antoine.
—Maar dat is een ander kwestie... ik ben het met u eens op dat punt... maar gesproken volgens absolute stelling, onder wetenschappelijk oogpunt beschouwd, zijn wij tegenover het heelal niet meer dan een mier, een zandkorrel of een druppel regenwater!...
Snepvangers voelde zich angstig onbehagelijk, hij begreep niet waar zijn schoonzoon heen wou met zijn smakelijk gepeuzel te onderbreken.
—Wetenschappelijk mag dat waar zijn, antwoordde hij gebelgd maar waardig, doch 'n mensch is geen mier, 'n mensch is een mensch!.. Ja een mensch!... Geen regenwater!... Hij is naar God geschapen!... Zoo is 't! ... De geleerden kunnen ons wijs maken wat zij willen!... Ik blijf bij het geloof, Antoine.
—Maar Papa toch, kreet Marieken.
—Papa heeft gelijk, koos Madame Craen partij.
—Wij moeten tot stof vergaan, probeerde Madame Snepvangers te verzoenen.
—Mama begrijpt mij, draaide Antoine bij. Hij had de tafel vergeten en zag niet in waarom de fraaie, wetenschappelijke bespiegeling niet beviel. Ja, wij moeten helaas tot stof vergaan.
—Ja, dat is zoo, gaf Snepvangers toe, in het besef dat er een eind moest aan komen.
—Ja, rotten moeten wij allemaal, verzekerde ook Craen.
—Papa heeft me verkeerd begrepen, ik ook verbind de wetenschap aan den godsdienst... geloof sluit geen wetenschap uit...
—Ja, 't is wat te zeggen in de wereld, gaf Snepvangers nu berustend toe en begon ditmaal opnieuw te kluiven. Het woord molecule moet ik onthouden, dacht hij, terwijl hij wat appelmoes op zijn bord nam.
—Ik ben neo-thomist, speelde Antoine onverstoord uit.
—Een neo-thomist? vroeg Marieken benauwd.
—Die partij ken ik niet en wil ik niet kennen, weerde Craen zich.
—Gelooven die dat we van de apen afstammen? Vroeg Snepvangers bekommerd, maar bleef voortpeuzelen.
—Dat kan niet, zei Madame Craen angstig.
—Ik wil van geen apen afstammen, weigerde Marieken.
—Neen, maar zij oordeelen... Darwin...
—Och dan is het goed, Antoine, besloot Snepvangers onverschillig, en nam nog een stukje van de borstkas, dan zullen ze wel gelijk hebben.
—Snepvangers, ik geloof dat het nu een goed oogenblik is om petrool-fondsen te koopen... die gaan stijgen, man!
Hierdoor gaf de President het gesprek een andere wending, want hij ook was bevreesd voor de wetenschappelijke invallen van zijn zoon. Hij had verschrikkelijk veel geleerdheid opgedaan, doch Craen sprak liever over koetjes en kalfjes zooals het een gewoon, ordentelijk man past. Antoine benuchterd, liet zijne benarde zaak in den steek, daalde af tot de gemeenschap en sprak over fondsen en beurskoersen.
Snepvangers bewonderde de kundigheden van zijn schoonzoon, maar was toch tevreden, na de zondagsche hoogvliegerij, weer zonder inspanning te kunnen praten met geburen en herbergvrienden.
Tot zijn overbuur voelde hij zich bijzonder aangetrokken. Zoohaast het weer eenigszins beter werd, liet hij 's morgens vroeg zijn spitsken weer de dringende wandeling doen in de straat. Hoe vroeg hij ook opstond, steeds lag de man uit het kousen winkeltje aan den overkant, met gekruiste armen over de halfdeur te loeren en riep hem, immer welgemutst een goeden morgen toe. Hij dampte uit zijn goudsche pijp en hield den steel tusschen de dikke worstvingertjes geklemd. Steeds spuwde hij regelmatig, met pletsend geluid, juist op den kant van het voetpad voor zijn deur. Ssnepvanger kende hem sedert lang als een zwaarlijvig wezen, van gelijkmatig humeur. De vrouw regeerde in den kousenhandel. De baas mocht de vitrien wasschen en de uitstalling van kousen, roode snuifzakdoeken, sajet en garen onderhouuden, soms een boodschap doen uit visschen gaan of bij zijn duiven zitten op zolder. In zijn vrije oogenblikken lag hij maar altijd over de halfdeur te rooken en te spuwen. Snepvangers die jaren de welvarende nering kende, vermoedde wel dat het koppel dikkerds er warmpjes in zat. Zij leefden afgetrokken en vergenoegd, de man wist dat de vrouw de broek droeg, maar 't verhinderde hem niet vermits hij op tijd zijn natje en zijn droogje had. Het huisje was nog antieker dan zijn ouderwetsche bewoners, al was het trapgeveltje weggebroken om plaats te maken voor een kroonlijst. De halfdeur was gebleven om overbuur van zijn gemakje niet te berooven.
Het bleef bij wederzijdsche beleefdheid. Snepvangers had maar gaarne geweten wanneer overbuur opstond; hij deed heimelijk zijn best om eens voor hem te zijn, doch steeds lag de vent, die hem mogelijk doorzag, reeds rustig te rooken en groette hem met een welwillend gegrinnik. Hij slaapt niet, oordeelde Snepvangers, er zijn menschen die niet slapen kunnen omdat zij wat op den lever hebben. Maar het geweten van den man zou wel door niets bezwaard zijn, hij was steeds te vergenoegd. De duiven zullen hem wekken, veronderstelde hij, hij zal juist onder het duivenhok slapen. Hij moet een droge keel krijgen met al zijn speeksel zoo te vermorsen, bedacht hij verder. Nooit had het doen en laten van een mensch zoozeer zijn belangstelling gewekt. Aan de koffietafel zelfs praatte hij over de eigenaardigheden van den buurman, over zijn spuwkracht. Nooit ontvingen de menschen uit het oude kousenwinkeltje bezoek, vertelde Madame, de vrouw, het mafkoeiken, zei geen schamel woord meer dan noodig was in de winkels, en rijk waren zij gewis, want ook het huisje was hun eigendom. Propere, stille menschen, die jaarlijks hun geveltje laten schilderen de deur in eik zetten! Op een voorjaarsmorgen, de zon koesterde reeds warm den spinnenden, grijzen kater vóór het huis van Sander, bood zich de gelegenheid om nader kennis te maken. Spitsken joeg in lente-overmoed achter de poes, die over de halfdeur naast het hoofd van haar meester wegsprong. Snepvangers stak de straat over en zocht zijnen hond te verontschuldigen.
—Dat doet hij anders nooit, Sander.
Neen, schuddebolde de kousenvent, maar hij zei geen woord, verbluft door den plotsen aanval. De mogelijkheid van een gesprek met Snepvangers te voeren had hij nimmer bedacht. Onthust staarde Snepvangers in den klaren hemel, Sander vergat te rooken.
—Schoon lenteweer, teemde Snepvangers.
—Ge wordt weer vetter... ge krijgt weer buik... dat is goed, antwoordde Sander en spuwde tot bevestiging.
—Ja, Sander!
Schuw was hij, hij had berouw den man gestoord te hebben in zijn ochtendbezigheid. Met inspanning en ontzetting zag hij Sander spuwen, prevelde iets en trok zich terug. Eenige dagen gingen voorbij zonder dat hij een poging waagde, hoe toeschietelijk Sander ook glimlachte en lustig knikte wanneer hij aan de deur verscheen. Maar Spitsken joeg weer achter den kater, en het beest wipte weer binnen over de halfdeur.
—Hij kan hem niet krijgen, pochte Sander.
Snepvangers stak de straat over en ging tegen de oude deurlijst leunen, van waar hij aandachtig het waterspel van Sander gadesloeg.
—Ge speekt toch zoo vreeselijk veel, Sander, oordeelde hij vol ontzetting, is dat van 't smooren?
—Bijlange, niet, Snepvangers, ik kan speeken zonder smooren... ik kan altijd speeken als ik aan de deur sta.
—Maar waarom dan toch, Sander?
—Omdat mij dat amuseert!
—Amuseert u dat?
—Ja kolossaal... ik speek nooit in de goot, altijd op 't kantje van den trottoir.
—Wat de zegt!
—Ja, dat is zoo'n gewoonte en ge kunt niet gelooven hoe plezant het is!... ik doe het nu al jaren... en toen ik eens in mijn bed stak met flerecijn was ik ziek omdat ik niet speeken kon!...
—Ge zult te veel speeksel hebben, Sander.
—Dat kan wel, maar ik doe het toch meer om het verzet... ieder mensch heeft zoo'n liefhebberij... gij hebt de politiek gehad, ik speek liever... en loer naar de menschen.
—Ja, gaf Snepvangers verlegen toe.
—Ik loer naar mijn speeksel en naar de menschen, en denk na!...
—Ge zijt 'n filosoof, Sander.
—Dat kan wel, al ben ik er niet zeker van... soms tel ik de keeren dat ik speek, 't zijn cijfers, Snepvangers! Soms zie ik van alles in mijn speeksel, allemaal dingens om te lachen, want ik ben nooit triestig.
—Ik heb u al zoolang in 't oog gehouden, ik was bang dat het speeken een ziekte was!...
—Ik had het wel in de gaten, maar 't is geen ziekte, al zou dat wel kunnen bestaan; de speekziekte! Het komt omdat ik zoo weinig tegen de menschen spreek, weet ge, daarom speek ik. De mond moet toch beweging hebben.
—Dat zal wel, Sander.
—Ik kan maar niet verstaan waarom de steenen niet verslijten!
—Verslijten?
—Ik heb eens gelezen van een steen in een gevangenis, en de steen was door een waterlek uitgesleten, fluisterde Sander geheimzinnig.
—Onmogelijk is het niet, bedacht Snepvangers.
—Maar ik zou nog veel meer moeten speeken om het zoover te brengen, zuchtte Sander, en in den dag heb ik nog wat anders te doen.
De volgende dagen kwam Snepvangers, zonder belet te vragen, leunen tegen den buitenkant der halfdeur. Zijn nieuwsgierigheid was nu bevredigd, maar de belangstelling bleef bestaan voor het onderhoudend spuwen. Zij spraken niet veel, zoo wat over kat en hond, over weer en wind, luisterden naar het tampend klokje der paterkens op de Ossenmarkt. Het gebeurde wel dat Snepvangers aangehitst, betrapt werd dat hij poogde mee te spuwen.
—Niet ver genoeg, keurde Sander af, in de goot, klonk het anders minachtend.
Beschaamd zweeg Snepvangers dan, maar wanneer hij toevallig in den plas kon treffen, dan zegevierde hij:
—'t Is er in, Sander.
—Ge leert bij, moedigde de kousenvent aan, 't is niet zoo gemakkelijk als het wel schijnt... Ge begint er ook al plezier in te krijgen, niet waar?
Zoo ging de lente voorbij en de zwoele zomer woog op de stad. Snepvangers leefde genoeglijk en stil. In De Gaper werd een kleine gaper verwacht en op de gezellige, zondagsche eetpartijen werd haast over niet anders meer gesproken. Antoine en Marieken lazen boeken over kinderkweek, over het verzorgen van zuigelingen, over de verpleging der kraamvrouw, raadpleegden werken over gezondheidsleer voor pasgeborenen en moeders, over de kunst om kinderen op te voeden.
—Dat is de nieuwe tijd, stelde Madame Snepvangers vast. Zij was inschikkelijk nu zij naar hartelust haar leven had ingericht.
—In onzen tijd, meende Madame Craen, werden er zooveel babbelguigjes niet gemaakt, en kinderen kwamen er ook.
—De wetenschap heeft veel verbeterd, verzekerde Marieken.
Craen en Snepvangers profiteerden van de gelegenheid om stillekens naar de kroeg te sluipen. De vrouwen en Antoine zouden dat wel bedisselen, van wetenschappelijken kinderkweek hadden zij geen begrip, en ook het verzorgen van den kindskorf viel buiten hun bevoegdheid. Eens dat zij langer dan naar gewoonte hadden blijven plakken in Het Nachtlicht, kochten zij, om zich te verontschuldigen, een prachtige wieg.
Een morgen in Oogst stond Snepvangers weer aan den buitenkant der halfdeur naast Sander aan den binnenkant. Het zou weer erg warm worden zoodat men niet wist waar kruipen, overwoog Snepvangers.
—Morgen ziet ge mij niet, bedreigde Sander.
—Wat is er gebeurd? ondervroeg Snepvangers verschrikt.
—Er is nog niks gebeurd, maar er gaat iets gebeuren!
—Wat zegt ge, Sander?
—Er gaat iets gebeuren!
Snepvangers keek verstomd naar den talmenden, vergenoegden kousenvent. Deze lachte sluw en pinkoogde.
—Wat gaat er dan gebeuren, Sander?
—Ik ga uit visschen!
—Och anders niet, ontviel het den teleurgestelden Snepvangers.
—Ik ga uit visschen en zal dus niet speeken!
—Wel, wel toch!
—En ik ken iets van visschen! Ik vang baars, brasem, snoek, karpel en paling... Ik weet ze zitten, ik ken de beestjes, ik weet wat ze gaarne eten. Ik heb het leven van de visschen bestudeerd!...
—Ik ook, zei Snepvangers, die niet wou onderdoen in kennis, ik heb ze bestudeerd in het aquarium van de Zoologie.
—Waar? In het aq... wat?
—Ja, daar zitten zij achter glas... en ge ziet ze eten en permentelijk ademen want de luchtblaasjes broebelen boven het water uit.
—Achter glas. Snepvangers, visschen achter glas? Snepvangers, wij zijn goeie vrienden en 'k heb u leeren speeken met plezier, maar ge moet mij niks willen wijsmaken, betoogde Sander ongeloovig.
—Toch is het zoo, hield Snepvangers vol.
—Ik ben wel eens in de Zoologie geweest in mijn jonge jaren, en 'k heb er leeuwen, tijgers, vogels en andere wilde beesten gezien... maar visschen achter glas!... Neen, dat is geen echte visch, dat is zoo'n komieke uitvinding...
—'t Is echt!
—Geloof het niet, Snepvangers, 'k heb er ook vogels gezien, opgevulde vogels... en 't zal wel zoo iets zijn in karton of blik... ze probeeren alles om de menschen te verneuken. En dat gij u laat beetnemen?
—Ge moet eens mee gaan zien, Sander, we zullen eens samen gaan...
—Neen, Snepvangers, dat nooit, ik ben te oud om mij voor den aap te laten houden!...
—Maar Sander toch!
—Gij moet eens met mij gaan visschen, ik zal u eens echte, serieuse visch laten zien.
—Ik wil wel, zei Snepvangers.
—Nog niemand heb ik meegenomen, want ik vertrouw niemand... Maar u, Snepvangers, u zal ik eens leeren visschen... Alleen moet ge mij beloven te zwijgen en u niks meer te laten wijsmaken... Koop uw gerief, en zorg dat ge om drie uur klaar zijt, want we trekken vroeg naar buiten.
—Ik zal klaar zijn, beloofde Snepvangers vermits hij zeer belust was op de nieuwe uitspanning.
In den namiddag voorzag hij zich van zijn gereedschap. Hij kocht een rieten inschuifhengelroede, snoeren, haken, loodjes, kurken dobbers, een wormbakje en een vischmand. Op den koop toe kocht hij een handboekje: De Hengelaar.
Daar hij vroeg wou gaan slapen liet hij de vrienden van de kaarttafel uit Het zwart Paard in den steek. Vlijtig las hij de algemeene beschouwingen over zijn sport en de bepaling van den besten vischtijd:
"De hengelaar is iemand die er nooit tegen opziet, om zich met zonsopgang in het veld te bevinden.
"De sport werkt volgens geneeskundigen kalmeerend op de overspannen zenuwen. In Engeland wordt veel gehengeld door heeren en dames, die veel geestelijken arbeid verrichten.
"De hengelaar moet er steeds naar streven met de politie op goeden voet te blijven.
"De kenner weet bij instinct altijd de beste plekjes op te sporen.
"Door oefening wordt de kunst verkregen.
"De eigenlijke hengelperiode begint met Augustus...
"De visch houdt van een licht gedekt luchtje... maar men lette ook op den wind ..."
Dan las hij hoe men zich moet kleeden. Een kostuum met veel zakken, vetleeren kaplaarzen om natte voeten te vermijden en een regenjas tegen... regen! Daar zou hij moeten overheen stappen, want noch een noch ander had hij in zijn garderobe. Dus ook zijn regenscherm moest hij thuis laten!
Belangwekkend waren de mededeelingen over de voorbereidende maatregelen: het voederen van den visch en de verboden geheimmiddelen. Vooral het aas vergde al zijn aandacht. Wormen, kaas, brood, zoetekoek, aardappel, garnaal, kleine visch van zes tot twaalf centimeters, kikkers! Hij peinsde na, onderbrak zijn lectuur, ging pieren steken in een vochtig hoekje van zijn tuintje, lei ze zorgvuldig in het wormbakje. Dat ik nu geen peterselie heb, betreurde hij, het peterselievocht prikkelt danig hun huid! Het vangen van de verschillende vischsoorten alsmede de wettelijke bepalingen kon hij niet meer doorwerken, dat zou iets voor later zijn, want nu was het bedtijd.
Toen Sander aanbelde stond hij kant en klaar, beladen met zijn vischtuig en zijn boterhammen. De buurvriend was nog erger beladen, men zag het aan zijn uitrusting dat hij een oud visscher van beroep was. Hij droeg een breedgeranden zonnehoed.
Zij togen door de stille stad in den lichtenden ochtend, voorbij het begijnenhof der Roodestraat, langs de Rijnpoortvest, naast het Stapelhuis en de dokken vol schepen en schuiten. Onder weg tjilpten de musschen. Een dronken matroosje lag ergens in een goot zijn roes uit te slapen. Nu en dan zagen zij een politieagent, een douanier of een nachtwaker. Zoo verlaten en stil had Snepvangers de stad nog nooit gezien. Sander voerde hem over bruggen, doorheen een doolhof van houtstapels, tot zij eindelijk, naast een sas, over de brug der Royerssluis, den Scheldedijk optrokken. Voor hen lag de kabbel-klotsende rivier in den morgensmoor, waarop het Licht reeds straalde.
Achter hen lag de stad met de torens en de huizen zonder leven. Rechts, in de laagte, liep breed en diep de donkere gracht van het Noordkasteel, waarvan de groene wallen heuvelend opstaken. Maar hun blikken gingen naar den grooten Scheldeplas, waarin mogelijk zooveel visch moest verscholen zitten! Een paar kleine garnaalknotsen met bruine zeilen laveerden naar de stad, een driemaster lag voor anker achter den hoek. Aan Oosterweel, verscholen tegen den dijk, volgden zij den s