[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Sagen van den Rijn, by Wilhelm Ruland This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Sagen van den Rijn Author: Wilhelm Ruland Release Date: February 24, 2005 [EBook #15163] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SAGEN VAN DEN RIJN *** Produced by Joris Van Dael, Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team.


De scherprechter van Bergen
Naar een teekening van Adolf Menzel.
Toen de intusschen overleden boekhandelaar Friedrich Heijn te Keulen mij ongeveer tien jaren geleden verzocht, de meest bekende Rijnsagen te schrijven, moest ik mij zelf en den uitgever eerlijk bekennen, dat daarmede nauwelijks een leemte aangevuld zou zijn. Toch gaf ik niet oongaarne gevolg aan dat verzoek, nadat ik de belangrijkste sagen van den Rijn, die ik in mijne verzameling had, doorbladerd had.
Den indruk, dien ik kreeg van deze bekoorlijke verhalen uit den ouden tijd, schreef ik neder en deze uren verschaften mij veel genot.
Een vriendelijk criticus zeide in zijne beoordeeling over mijn boekje in de “Kölnische Zeitung”, dat de vorm altijd naar evenredigheid van de stof was: nu eens liefelijk en teeder, bloemrijk en schilderachtig, dan weer kernachtig en beknopt. Het zal mij verheugen, als ook anderen vinden, dat het doel, waarnaar ik streefde, bereikt is. In elk geval zal niemand, Bladzijde IVdaar ben ik zeker van, in de verzameling die warmte missen, die men van een schrijver als zoon van het Rijnland verwachten kan.
Al kan dus dit boekje met Rijnsagen, in weerwil van de nieuwe vermeerderde uitgave, geen aanspraak maken op volledigheid, toch hoopt het in geringe mate te kunnen medewerken aan de bevordering van de schoonheid van het vaderland, welks ouden roem men in den laatsten tijd steeds meer tracht te doen opleven.
Honnef a. d. R. Mei 1905.
Dr. Wilhelm Ruland. Bladzijde V
Bladzijde 7
In den ouden tijd was er eens een reuzengeslacht in den Elsasz. Burcht Niedeck in ’t Breuschtal welks puinhoopen reeds lang vergaan zijn, was de woonplaats van deze Hunnen, waarvan heden in den Elsasz nog bij overlevering verteld wordt, dat ze zeer vrede- en menschlievend waren.
Eens wandelde de dochter van den burchtheer door het naburige woud. Toen zij aan de velden en weiden in het dal kwam, zag ze een boer, die ploegde. De jonge reuzin keek met vroolijke verbazing naar het kereltje, dat bedrijvig achter het spannetje liep en met den kleinen ploeg den grond omwoelde. Nooit had zij tevoren zoo iets aanschouwd. Dat leek haar aardig speelgoed en zij klapte met kinderlijke vreugde in de handen, zoodat het ver door de bergen weerklonk, toen pakte zij den boer, ’t paard en den ploeg in haar schort en ijlde juichend naar den vaderlijken burcht. Lachend toonde zij haren vader het aardige levende speelgoed. Bladzijde 8
Deze echter schudde ernstig zijn reusachtig hoofd en sprak eenigszins misnoegd:
“Weet je wel, mijn kind, wie dit schreeuwende menschenkind is met dat aardige trappelende dier, dat je uitgezocht hebt om mede te spelen? Van alle dwergen is hij het meest nuttig. Hij tobt zich af bij zonneschijn, wind en regen, opdat de velden ons een goeden oogst zullen opleveren. Wie den spot met hem drijft of hem onderdrukt, zal door den hemel bestraft worden. Neem daarom het boertje op en breng hem weder naar zijn erf terug!”
Beschaamd en blozend keek de jonge reuzin voor zich, en droeg het aardige speelgoed gehoorzaam in haar schort naar het dal terug. Bladzijde 9
De dom was voltooid en de overheid besloot op den hoogen toren een kunstige klok te doen plaatsen. Na lang zoeken werd een kunstenaar gevonden, die aanbood een kunststuk te maken, zooals er nergens een gevonden werd. De wijze raadsheeren waren daarover zeer voldaan en de kunstenaar begon met het werk.
Maanden verstreken daarmede, maar toen het voltooid was, was iedereen vol bewondering, die dan ook wel verdiend was, want de klok was een kunststuk, zooals men er nog nooit een in het land gezien had. Behalve de uren wees zij niet alleen de dagen en maanden aan, naar zij bezat ook nog een aardbol, waaraan men den op en ondergang van de zon kon zien en waarop de zons en maansverduisteringen zichtbaar werden op het oogenblik, dat ze in de natuur plaats vonden. Elke verandering wees Mercurius met zijn staf aan, en elk sterrenbeeld trad, zoodra zijn loopbaan begon, te voorschijn. Even, voordat de klok sloeg, verscheen de dood, en sloeg de Bladzijde 10volle uren aan, terwijl bij de kwartieren en halve uren de gestalte van den verlosser te voorschijn trad, die hem terug wees. Ten overvloede bevatte het kunstwerk nog een prachtig klokkenspel, dat stichtelijke koraalliederen deed hooren.
Aldus was de heerlijke klok in de Munsterkerk te Straatsburg vervaardigd. Nu echter wordt de overheid van Straatsburg, volgens de overlevering van de volgende schandelijke vermetelheid aangeklaagd: waren zij er aan den eenen kant trotsch op, de eenige stad te zijn, die zulk een kunstwerk bezat, aan den anderen kant vreesden zij, dat de kunstenaar ook een dergelijk werk in een andere stad kon uitvoeren. De hardvochtige raadsheeren maakten daarom met vreugde gebruik van de praatjes, die onder het volk in omloop waren, als zou zulk een werk alleen door duivelsche kunsten gewrocht kunnen worden. Zij betichtten den klokkenmaker, dat hij met den duivel in verbinding stond, lieten hem gevangennemen en veroordeelden hem met onmenschelijke wreedheid tot de berooving van het licht zijner oogen. Zonder klagen verdroeg de ongelukkige kunstenaar zijn vreeselijk lot.
Voordat zij echter het vonnis voltrokken verzocht hij nog eenmaal bij de klok toegelaten te worden, opdat hij haar nog regelen kon, hetgeen Bladzijde 11later geen andere hand zou kunnen volbrengen. De wijze overheid, die veel ophad met de onovertreffelijke klok, liet den kunstenaar boven komen. Deze vijlde, zaagde, verstelde en regelde het een en ander en werd toen weer in den toren gebracht, waar hij terstond van het licht zijner oogen beroofd werd.
Nauwelijks echter was het vonnis voltrokken, of men bemerkte, dat het werk van de Munsterklok stil stond. De kunstenaar had zelf het werk vernietigd en zijn voorspelling, die hij in woede gedaan had, dat het klokkenspel voor eeuwig stil zou staan, is tot nu toe uitgekomen. Tot op heden vermocht niemand leven in het doode raderwerk te brengen, en al versiert heden een even prachtig uurwerk de Domkerk, zoo toch is het geen kunstenaar gelukt het raderwerk van de eerste Munsterklok, dat nog steeds bewaard wordt, weer in werking te brengen. Bladzijde 12
De inwoners van Frankfort hadden al lang jacht op een slimmen vogel gemaakt. Eindelijk werd hij gearresteerd en zou nu opgehangen worden. Hij heette Hans Winkelmann en was een strooper, die in het jachtgebied der stad erger huishield, dan tien van zijns gelijken. De overheid had hem medegedeeld, dat hij aan de galg zou sterven, omdat hij een van de gerechtsdienaren, die hem vervolgden, doodgeschoten had, en de beul wachtte reeds naast de cel van den armen zondaar, die in den toren zijn laatste uurtje mismoedig tegemoet zag. Bij het aanbreken van den dag trad een vrome pater bij den gevangene binnen en hield een gemoedelijke toespraak. Hans, die volstrekt geen berouw had, ontving hem zeer norsch, daar hij zich als vrijschutter van geen kwaad bewust was, en er toch niets aan doen kon, dat zijn kogels het hart getroffen hadden, waar hij alleen van plan was, zijn vervolger door een Bladzijde 13onschuldig schot in het been, onschadelijk te maken.
De Capucijner pater wees hem op zijn onchristelijke verstoktheid en bracht hem onder het oog, dat iedereen, tot zelfs het kleinste kind in Frankfort wist, dat Hans Winkelmann een goddelooze strooper was, dat is iemand, die zijn ziel aan den duivel beloofd heeft, die hem in ruil daarvoor verzekerd heeft, dat al zijn kogels doodelijk treffen zouden. Heftig kwam de eerlijke strooper tegen zulk een veronderstelling op, hij had het aan zich zelf te danken, dat hij steeds trof, maar volstrekt niet aan den Satan. Ook voor de rechters bood hij aan, elke gewenschte proef van zijn schutterskunst af te leggen.
Eerst hoorde de pater hem met twijfel, maar later met overtuiging, aan.
“Welnu, geef mij als laatste gunstbewijs, mijn geweer en vergun mij, drie maal drie keer op den knarsenden windwijzer boven op dezen toren te schieten, en indien gij dan de negen daarin niet even kunstig gemaakt ziet, alsof dit door de hand van den smid gebeurd was, dan laat ik mij gewillig hangen.”
Zoo sprak de strooper, en de Capucijner pater berichtte den waardigen raadslieden hetgeen hij gehoord had. Daar werd het minzaam aangehoord Bladzijde 14en besloten, teneinde den burgers een grap te bezorgen: dat als Hans Winkelmann volbracht, hetgeen hij zich vermat te kunnen doen, het vonnis niet voltrokken zou worden.
Door de menigte aangegaapt, die gekomen was om het laatste kwartiertje van den beruchten strooper bij te wonen, stond Hans Winkelmann terzijde van het schavot en legde aan op den windwijzer van den toren, die in den herfstwind knarsend draaide.
Het eerste schot knalde en werd onder doodsche stilte des volks door de andere gevolgd.
Als uit één mond weerklonk de zegenroep na de drukkende stilte, boven in den windwijzer zag men de negen even kunstig gemaakt, alsof dit door de hand van een smid had plaats gehad.
Gelaten overhandigde de strooper den scherprechter de geliefde buks, en plechtig verkondigde de raad het opgewonden volk, dat de veroordeelde in vrijheid gesteld zou worden. Hem zelf werd, tegelijkertijd met zijn bevrijding de betrekking van schutterhoofdman over de vrije stad Frankfort aangeboden.
Toen schudde Hans Winkelmann zijn verwilderd hoofd en dankte voor zooveel eer. Zooals het zich betaamt, heeft hij zijn erkentelijkkeid betuigd voor den ontvangen bijval, en is toen, door de menigte heen het bosch in gegaan, dat Bladzijde 15hem tot zijn liefste verblijfplaats geworden was. Bij zich zelf legde hij de belofte af, dat de inwoners van Frankfort hem nooit weer betrappen zouden. En dat was ook zoo. De negen in den windwijzer kunt gij heden nog in den toren van de stadsvesting te Frankfort zien. Bladzijde 16
Dat de oude Romeinen reeds de heilzame bronnen van Wiesbaden kenden, en hun geschiedschrijver Plinius ze reeds geroemd heeft, is door de geschiedenis bekend. In een vroolijk sprookje wordt verteld, dat de duivel in eigen persoon de kracht der bronnen bij zich zelf geprobeerd heeft. Nadat meester Urian, zoekende naar zielen, door de Papensteeg in het heilige Romeinsche rijk geslenterd had, rustte hij vermoeid van het loopen, in een herberg voor de poorten van Mainz uit. Hij voelde volstrekt geen genegenheid voor deze vrome stad, omdat in het register van de onderwereld geschreven stond, dat uit Mainz sedert jaar en dag geen ziel meer beneden aangekomen was. Het verdroot hem nog meer, dat eenigen van de drinkebroers zoo vermetel waren in overmoedige scherts den dommen duivel te bespotten, wiens zaken in de buurt van Mainz volstrekt niet bloeiden.
Terloops vroeg hij den waard, terwijl hij zijn puntbaardje opstreek, hoe het toch kwam, dat Bladzijde 17de menschen in en bij Mainz volstrekt niet aan sterven dachten. Een fijn glimlachje kwam op het gelaat van den waard, die den reiziger in den sjofelen tabberd mededeelde, dat de drinkebroers om de vurige kracht van het druivensap tegen te gaan en velerlei ziekten af te wenden een bijzonderen witten gloeiwijn dronken, die hen allemaal weer gezond en frisch maakte, zoodat magere Hein met de zeis, de neef van den duivel, op de vlucht gejaagd werd.
Toen spitste de gast de helsche ooren en wist tegelijkertijd, dat deze genezende wonderdrank uit den grond te Wiesbaden ontsprong en in groote hoeveelheid aan de warme bron verkrijgbaar was. Daar vervoegde zich den anderen morgen een vreemdeling in een sjofelen tabberd, die op klagenden toon vertelde, dat alle ziekten der menschheid zich in zijn ellendige beenderen genesteld hadden, slechts de bron te Wiesbaden zou hem kunnen behoeden voor dood en duivel, aldus had zijn gastheer in Mainz hem verzekerd. “God geve, dat dit wonderwater zegen voor u aan zal brengen, arme stakker,” zeide de waard aan de warme bron medelijdend, en bemerkte tot zijn groote ontsteltenis, dat het gezicht met de puntbaard zich bij zijne woorden tot een duivelschen grijnslach vertrok.
Van oudsher bezaten de waarden heldere Bladzijde 18hoofden en waren op hun welzijn bedacht. De kastelein aan de warme bron te Wiesbaden maakte hierop geen uitzondering. Hij zag den wonderlijken kurgast lang zwijgend aan, klopte hem toen rustig op den schouder en zeide slechts: “Beste vriend, gij zijt de werkelijke duivel in eigen persoon.”
En terwijl deze hem verbaasd aanstaarde, vervolgde hij meesmuilend: “Komaan, waar zoo velen zich gezond drinken, kan ook de duivel zijn portie krijgen. Als gij u verplicht zeven dagen achter elkaar tusschen twaalf en een uur vijftig glazen uit de Wiesbadensche bron te drinken, dan verzeker ik u, dat gij daarna van al uwe kwalen genezen zult worden. Onderbreekt gij echter de kuur, dan mag mijn ziel eens in het hemelrijk komen, terwijl gij dan alle rechten daarop verloren hebt.”
Deze overeenkomst behaagde den duivel zeer, die dadelijk daarop inging en onmiddellijk den wonderbaarlijken witten wijn, die borrelend uit de aarde opsteeg, begon te proeven. Hij vond, dat de vijftig glazen wel wat te veel van het goede waren, maar hij overwon zijn tegenzin bij de gedachte aan de arme ziel, die de waard aan de warme bron hem zoo lichtvaardig beloofd had.
De duivel bracht geen rustigen nacht door Bladzijde 19en dronk den tweeden middag met nog meer tegenzin de bepaalde hoeveelheid Wiesbadener water, dat de waard van de bron hem met welbehagen aanbood. Nog onrustiger bracht hij den volgenden nacht door, verwenschte herhaaldelijk dezen boosaardigen drank en verzocht den waard den derden dag dringend om een rustdag. Deze echter wees hem droog op de afgeslotene overeenkomst en bood hem dienstvaardig met vele vrome wenschen het derde halve honderd glazen van den kristalhelderen wijn aan. De duivel sloop geknakt weg en dacht met een rilling aan den volgenden nacht. Toen hij den vierden middag gelijk een schaduw aan de bron kwam, scheen hij werkelijk door alle ziekten der menschheid aangetast te zijn. Maar de waard bleef onverbiddelijk en wilde van een overeenkomst niets weten. Boetende voor alle begane zonden dronk Belsebub de overeengekomene hoeveelheid op.
Den volgenden nacht gebeurde het, dat de verschillende mannetjes en vrouwtjes, die in Wiesbaden de drinkkuur deden, door een helsch lawaai in hun rustigen slaap gestoord werden. Met een zondigen vloek vloog iemand op en nam dan, met een gruwelijke verwensching over den vervloekten helschen Wiesbadener drank, de vlucht. Bladzijde 20
“In Wiesbaden kom ik nooit weer terug!” waren zijn laatste hoorbare woorden.
Den volgenden morgen mompelden de badgasten onder elkaar, dat de nachtelijke rustverstoorder niemand anders dan de duivel in eigen persoon geweest was, en zij vroegen den waard aan de warme bron, die van alles op de hoogte was, naar dezen wonderlijken gast. Deze echter haalde slechts de schouders op over de groote domheid van den duivel. Bladzijde 21
De oudste der steden aan den Rijn in Voorromeinschen tijd gebouwd, mag met rechttrotsch zijn op haar Domkerk, die een der merkwaardigste Romeinsche bouwwerken van Duitschland is en dikwijls door Frankische en Duitsche vorsten tot residentie verkozen werd. Daar Worms, gedurende de groote volksverhuizing de verblijfplaats van den oppersten krijgsheer der Bourgondiërs was, hebben de schoonste heldensagen, welke er bestaan, al daar het licht gezien.
Roemrijk hebben de koningen van dezen Oost-Germaanschen volksstam, komende van de Weichsel, aan de oevers van den midden-Rijn geregeerd, totdat de oorlogzucht der Hunnen en de begeerigheid der Romeinen het op “komende rijk weder te gronde gericht hebben”
Koning Gundikar was met een groot deel van zijn strijders op het slagveld gevallen. De rest van de overwonnenen werd door de Romeinen een woonplaats aangewezen in Zuid-Gallië. terwijl de Franken zich op de thans door de Bourgondiërs verlaten plaatsen aan den Rijn verstigden. Hoewel de Bourgondische koningen Bladzijde 22nauwelijks anderhalve eeuw aan de Main en midden-Rijn geregeerd hebben, zoo toch heeft de herinnering aan hen in de harten der Rijnfrankische volkeren zoo voortgeleefd, dat hun tragisch uiteinde in de wereldliteratuur als de meest merkwaardige sagen-poëzie is blijven bestaan.
In dien tusschentijd zijn andere, ook op de bodem van Worms ontsproten, sagen in de herinnering van het volk levendig gebleven, die edele deugden van mannen en vrouwen met onomkoopbare trouw schilderden. Een dergelijk verhaal is het duizendjaar oude Waltharilied, bezingende den onverschrokken Heer Walter van Aquitanie, die met Hildegonde van koning Attila’s hof terugkeert en onderweg in’t Wasgenwald door den koning der Franken Gunthari en zijn strijders overvallen wordt, die hij na een heeten strijd terugslaat, waarna hij met roem overladen, als held in zijn geboorteland terugkeert. Tot de meest populaire sagen behooren die, waarin die heldenfiguur van Siegfried gevlochten is. Was deze Siegfried, de Sigurd van de oude bewoners van het Noorden (van wiens jeugdige heldendaden dit sagenboek reeds op een andere plaats spreekt) een mythische figuur—een lichtende held aller wereldgodsdiensten, die door de machten der duisternis overwonnen Bladzijde 23werd—of slechts een blonde sprookjesheid of wel een geschiedkundige persoonlijkheid? Laten wij deze vraag den geleerden ter beantwoording. Voor ons is en blijft hij de lievelingsfiguur van de Duitsche heldensage.
Bij elke gelegenheid, dat de ridders van den Rijn genoodzaakt waren naar de wapens te grijpen en zich te verdedigen tegen de mannen van het Oosten, was Siegfried hun aanvoerder Zoo zien we zijn roem vermeld in het oude verhaal van den ridder Dietleib, waarvan de sage zegt, dat hij heenging om zijn vader Biterolf te zoeken. Eveneens wordt hij verheerlijkt in het lied van den Wormser Rozentuin, ofschoon de Opperduitsche auteur door ijverzucht gedreven, den strijders van den Rijn in hun twaalf gevechten van man tegen man met de Gotisch-Hunsche helden, den overwinnaars roem wilde betwisten.
In verschillende overleveringen en vervormingen heeft de geschiedenis van de Bourgondische koningen Gunther, Gernod en Giselher, die tevens de laatste lotgevallen van Siegfried in zich sluit, door rondtrekkende zangers den weg gevonden tot de Neder- en Opperduitsche stammen, zelfs tot in ’t Donaudal, waarbij hun oorspronkelijk heidensch karakter geleidelijk verdwenen is. Bladzijde 24
Doordat een onbekende liederzanger, wiens naam men wel nooit zal te weten komen, aan het einde van het 12e jaarhonderd de sage uitvoerig in een lied omzette, is zij als een kostbaar overblijfsel van Germaansche epiek bewaard gebleven. Een rilling gaat ons thans nog, evenals vroeger onze voorvaderen door de leden, als zij ons vertelt van de hevige teugellooze hartstocht van haar mannen en vrouwen en de schokkende aaneenschakeling van zonde en berouw.
Een vreeselijk lied van schuld en straf! Geheel overeenstemmend met de toenmalige geest van het volk, beginnende als een liefelijke idylle en eindigende als een gruwelijk treurspel. Aan het hof van koning Gunther van Bourgondië te Worms verschijnt, aangetrokken door de lieftalligheid van Kriemhilde, zuster des konings, een jonge held, Siegfried genaamd. Hij is ook een koningszoon. Zijn vader Siegmund regeert in Xanten “nieden by dem Rine”
Koning Gunther neemt den blonden held als leenman in zijn dienst. Als getrouw vazal verovert hij in den strijd, zonder medeweten des konings de trotsche koningin van het eiland Ysland als gemalin voor den vorst. Ter belooning daarvoor ontvangt hij Kriemhilde’s hand. Grootmoedig Bladzijde 25schenkt hij Kriemhilde als bruidsgeschenk den Nibelungenschat, dien hij in jonge jaren in een overwinning op de zonen van den koning der Nibelungen en den bewaker van den schat Alberich als prijs behaald had. Louter vreugde heerscht aan het hof te Worms; echter niet bij allen. Behalve door Kriemhilde wordt Siegfried nog door een ander in ’t geheim bemind. Dit is Brünhilde. Het geluk der bruid Kriemhilde doet de afgunst in haar binnenste ontwaken en zij heeft voor deze geen vriendelijk woord meer over. Aldus vervreemden de beide vrouwen van elkaar. Op zekeren dag uit zich Brünhildes jaloezie in scherpe bewoordingen. Toen weet Kriemhilde haar tong niet meer in bedwang te houden. In een heftige rede werpt zij haar schoonzuster voor de voeten, dat niet Brünhilde’s echtgenoot Gunther, maar Siegfried destijds met haar den eersten huwelijksnacht doorgebracht heeft. Tot bewijs toont zij haar ring en gordel, die Siegfried in dien nacht de sterke Brünhilde ontnomen en Kriemhilde geschonken heeft. Opvliegend werpt zij Brünhilde een leelijken scheldnaam naar het hoofd en betwist haar het recht het eerst de kerk binnen te treden.
Weenend deelt Brünhilde den koning den haar aangedanen smaad mede. De beleedigde Bladzijde 26koning wordt vertoornd en diens vazal Hagen peinst er over hoe hij Siegfried in ’t verderf kan storten. Voor ’t oog doet hij of hij zijn meesteres wil wreken, doch de ware reden is het verkrijgen van den Nibelungenschat.
Bij een jachtpartij in het Odenwald werd Siegfried, toen hij zich bukte, om uit een bron te drinken door Hagen verraderlijk doorstoken. Men besloot, dat er rondgestrooid zou worden dat Siegfried alleen was gaan jagen en roovers hem overvallen hadden. Den volgenden dag reden de koningen met hun gevolg over den Rijn naar Worms terug.
Voor Kriemhilde’s kamer liet Hagen ’s nachts den doode neerleggen, ’s Morgens vroeg, toen Kriemhilde zich gereedmaakte met haar vrouwen naar de mis te gaan, ontwaarde zij den dierbaren afgestorvene. Van veler lippen klonken jammerklachten. Kriemhilde wierp zich weenend op haar vermoorden echtgenoot “Wee mij”, riep ze, “Je schild is niet door zwaarden doorstoken, gij werd door sluipmoordenaars gedood. Wist ik wie de dader was, ik bracht hem om.”
Vol praal liet zij den koninklijken held op een baar leggen en beval, dat men een Gods gericht bij het lijk zou houden. Want er bestaat een groot wonder, dat ook thans nog geschiedt, Bladzijde 27n.l. dat de wonden van het slachtoffer opnieuw beginnen te bloeden, als de moordenaar het nadert. Alle vorsten en Bourgondische edelen passeerden dus Siegfrieds lijk, dat door de beeltenis van den gekruisigden Verlosser beschaduwd werd en zie: als de sombere Hagen zijn slachtoffer nadert, beginnen diens wonden opnieuw te bloeden. Ten aanschouwe der onthutste mannen en vrouwen beschuldigt Kriemhilde nu Hagen den sluipmoord op haar gemaal gepleegd te hebben.
Treurig was de boete, die op deze groote schuld volgde: de Nibelungenschat, die de voornaamste aanleiding tot de schandelijke daad geweest was, moest in den Rijn geworpen worden, ten einde in ’t vervolg hebzucht en twist uit de harten der krijgers te verbannen. Maar Kriemhilde’s oneindig groot verdriet was hiermede niet verdwenen, evenmin als haar drang naar wraak.
Na de begrafenis van den held noodigde koning Siegmund Kriemhilde uit naar den koningsburcht te Xanten te komen, doch te vergeefs. Gedurende dertien jaren bleef zij te Worms in de nabijheid van den innig geliefden doode, toen vertrok zij naar de abdij Lorch, die door haar moeder, de hertogin Ute gesticht was. Daarheen nam ze Siegfrieds lijk mede. Bladzijde 28
Toen daarop Etzel, het opperhoofd der Hunnen haar een huwelijksaanzoek deed, gaf zij den heiden haar jawoord. Niet uit liefde, doch door andere beweegredenen geleid. Zij trok met hem naar Hongarije. Daar liet zij Siegfrieds moordenaar door vele harer dienaren op listige wijze bij zich noodigen, ten einde hem in ’t verderf te storten op een manier, die ons met afschuw vervult. Ook de medeplichtige koningen van Bourgondië, sedert de schat tot hen gekomen was, Nibelungen genaamd, hebben in de Etzelburg onder de aanvallen der Hunnen hun ontrouw met den dood bekocht.
Zonder mededoogen liet Etzels gemalin haar geheele familie onthoofden. Den boosaardigen Hagen sloeg ze eigenhandig met Siegfrieds zwaard het hoofd af. Daarop werd de razende vrouw door den vertoornden Hildebrand gedood.
Hier eindigt de sage. De treurmare van de Nibelungen is in den volksmond het meest populaire heldenlied geworden.
Door deze sage wordt de historische ondergang der laatste Bourgondische koningen van Worms door alle eeuwen heen op dichterlijke wijze verheerlijkt. Bladzijde 29
Hij was een waardig domheer in het oude Mainz, daarbij een zanger bij de genade Gods, die tallooze vrome hijmnen dichtte en toonzette, ter eere van de reinste aller vrouwen, doch tevens ook menige welluidene harptoon aan de wereldlijke liefde gewijd heeft. En daar hij in tegenstelling met vele dichters van zijn tijd in teedere vereering den naam “Frau” d.i. meesteres hooger schatte dan “Weib” wat slechts echtgenoote beteekent, heeft de nakomelingschap hem den naam “Frauenlob” geschonken en onder dezen is hij meer bekend, dan onder zijn werkelijken naam Heinrich von Weiszen.
Groot was de vereering, die de vrouwen van het gouden Mainz voor den zanger koesterden. Dit bleek gedurende zijn léven, maar meer nog bij zijn dood. Niet te beschrijven was de droefheid van het dankbare, zwakke geslacht, toen het bericht kwam, dat de lier van den geliefden minnezanger voor altijd verstomd was. Er werd Bladzijde 30besloten den doode een eer te bewijzen zooals nog nooit een dichter te beurt gevallen was. Onafzienbaar was de stoet, talrijk vooral de schaar van vrouwen, die in rouwkleeren het lijk begeleidden en voor zijn zieleheil baden. Acht van de schoonste vrouwen droegen zijn kist, die bedolven was onder welriekende bloemen. Uit teedere vrouwenmonden klonken aan het graf van den minnezanger de grafliederen en zachte vrouwenhanden goten op zijn rustplaats heerlijken Rijnwijn, die hem zoo dikwijls zijn prachtige liederen ingegeven had. Deze stille liefdegave moet zoo rijkelijk gevloeid hebben, dat de gangen der kerk er van overstroomden. Meer waarde echter dan deze gaven hadden de tranen, die op dien dag door vele schoone oogen om den dooden zanger vergoten werden.
Nog heden kan de reiziger in den ouden Mainzer Dom het gedenkteeken voor den grooten Dichter en Zanger zien. Een prachtige vrouwenfiguur van sneeuwwit warmer legt een krans neer op de kist van den zanger, die den lof der vrouw in onvergetelijke liederen bezongen heeft. Bladzijde 31
In het jaar Duizend ongeveer hadden de inwoners van Mainz een vromen kerkvoogd, Bisschop Willigis. Hij was de zoon van een wagenmaker, en alleen door ijzeren wilskracht en groote bekwaamheid was hij tot de waardigheid van eersten bisschop gestegen. De brave burgers van Mainz beminden en vereerden den edelen dienaar Gods zeer, de trotsche kanunniken en stijve patriciërs daarentegen was het hoogst onaangenaam zich te buigen, voor iemand, die in de armoedige hut van een wagenmaker geboren was.
Ernstig, doch met zachtheid verweet de bisschop eenigen van hen, dat ze zich te veel op hun voorouders lieten voorstaan. Dat verdroot de hooghartige heeren, en eens op een nacht haalden zij een grap uit bij de vertrekken van hun geestelijken heer en teekenden met krijt op alle deuren reusachtige raderen.
Toen de bisschop ’s morgens vroeg naar de mis in de Domkerk ging, zag hij het baldadige Bladzijde 32werk van de spotvogels. Zwijgend keek hij naar de raderen, doch zijn kapelaan, die naast hem stond, wachtte in angstige spanning te vergeefs op het losbreken van den toorn van de beleedigden kerkvorst. Integendeel op het gelaat van den bisschop vertoonde zich een vroolijke glimlach. Vervolgens gebood hij een schilder te toepen, en toen deze gekomen was, beval hij hem overal, waar de spotvogels de raderen geteekend hadden in een vuurrood veld, zichtbaar voor iedereen, witte raderen te schilderen en daaronden het spreukje:
“Willigis, Willigis!
Denk, hoe laag je afkomst is!”
En zelfs nog verder is hij gegaan; de wagenmaker heeft hem een ploegrad moeten maken en dit heeft hij boven zijn legerstede laten ophangen; om steeds aan zijn afkomst herinnerd te worden.
Sedert dien dag hielden de spotters zich stil. De inwoners van Mainz echter hechtten zich met nog grootere liefde aan hun bisschop, die, niettegenstaande het hooge ambt, dat hij bekleedde, toch zoo eenvoudig bleef. En van dien tijd af voeren alle bisschoppen van Mainz de witte raderen in een rood veld in hun wapen.

Uit het brongebied der Rijn
In ’t heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder de beste merken wordt hij geteld, als de koning aller Rijnwijnen. Alle vrienden van het Rijnsche druivensap kennen hem, maar weinigen genieten hem in zijn vorstelijke echtheid. Vorstelijk is hij, niet omdat een vorstenhand den sleutel van den Johannisberg bezit, maar omdat een vorstenhand hem in de gezegende “Rheingau” geplant heeft. En deze gekroonde schenker was niemand anders dan de groote Karel, de machtige beheerscher van het Frankenrijk.
Eens stond hij—’t was voorjaar—op het platform van zijn slot te Ingelheim en liet zijn blikken weiden over het wonderschoone landschap aan zijn voeten. Er was ’s nachts sneeuw gevallen en een wit kleed bedekte de Rüdesheimer heuvels. Terwijl het oog van den keizer nadenkend op het witte landschap rustte, bemerkte hij, dat op de rug van den Johannisberg Bladzijde 34de sneeuw gauwer door de zonnestralen smolt dan op de heuvels in het rond. De groote Karolus, die als een echt Duitsch keizer ook een diepdenker was, meende, dat daar, waar zulk een gezegende zonnegloed viel, ook meer dan gras gedijen kon.
Dadelijk liet hij den grijzen Koenraad zijn wapendrager bij zich komen en gebood hem bij het aanbreken van den volgenden dag zijn paard te zadelen en naar Orleans, de stad van den edelen wijn, te rijden, met de boodschap aan de brave burgers, dat de keizer hun voortreffelijken wijn nog steeds genadig in herinnering had en dat hij gaarne zulk een edel gewas aan den Rijn zou bezitten, waarom hij den getrouwen burgers van Orleans verzocht een pootrank naar de “Rheingau” te zenden.
Aldus ging de schrandere koningsbode op weg en nog voordat de maan haar cirkelkring geëindigd had, was hij weer in het keizerlijke slot te Ingelheim terug. Alom heerschte daarover groote vreugde. Karolus zelf, de groote keizer voer naar Rüdesheim en plantte eigenhandig de Fransche wijnrank in de aarde van het Rijnland.
Het werk van den keizer was geen voorbijgaande gril geweest. Zorgvuldig liet hij zich over den stand der druiven in Rüdesheim en op Bladzijde 35helling van den Johannisberg op de hoogte houden en toen de derde herfst in het land gekomen was, kwam tegelijk met hem Keizer Karel uit zijn lievelingsstad Aken in de “Rheingau”. En het juichen van de oogsters weerklonk in de wijngaarden van Rüdesheim en Johannisberg.
Plechtig werd het eerste geurige product der wijnpers den keizer aangeboden; een gouden vocht in een gouden bokaal. Een koninklijke wijn! Een flinke teug heeft de groote Karel genomen en opgetogen den kostelijken drank geprezen. De vurige, zachte Johannisberger is zijn lievelingsdrank geworden, die hem op hoogen leeftijd den last der jaren deed vergeten. En wat Karel de Groote ondervond, dat bemerkt nog heden een ieder wien dit druivenbloed in den beker parelt. In het heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder de beste merken wordt hij geteld als de koning aller Rijnwijnen, de Johannisberger.
Zeer schoon wordt de sage vervolgd van keizer Karel, die zijn druiven zegent. Door den mond van den dichter is hij in een lied herschapen, dat men dikwijls hoort zingen aan de oevers van den Rijn, waar de druiven groeien. Bladzijde 36
Elk voorjaar, als op de heuvels en in de dalen aan den vloed de druiven bloeien en de welriekende geur van de druivenbloesems de lucht vervult, wandelt ’s nachts een hooge schaduw door de wijngaarden. Koninklijk is zijn gestalte, de purperen mantel golft om zijn schouders en op zijn hoofd schittert de keizerkroon. Het is Karel de Groote, keizer der Franken, die voor ongeveer duizend jaar den wijnstok naar Rüdesheim en aan den rand van den Johannisberg overplantte. De heerlijke geur van de druiven heeft hem uit zijn graf te Aken gewekt en hij is gekomen om de druiven, die hij geplant heeft, te zegenen. Het zachte schijnsel der volle maan verlicht den weg van den keizer en bij Rüdesheim bouwt zij een gouden brug over den stroom. Daarover schrijdt de keizer voort en verder trekt hij langs de heuvels, alom zijn zegen over de druiven uitstortende. Bij het eerste hanengekraai keert hij in zijn graf te Aken terug en hervat zijn eeuwenlangen slaap, totdat hij het volgende jaar opnieuw door den geur der druiven gewekt wordt, om zijn zegenrijken tocht door de “Rheingau” te volbrengen.
En nu, waarde lezer, zal ik U als derde verhaal nog een vroolijke geschiedenis van de Bladzijde 37Johannisberger monniken meedeelen. Eens, kwam onverwachts de hooge abt het klooster op den Johannisberg bezoeken, juist toen de rijpe druiven aan de stokken hingen. De eerwaarde abt vroeg met belangstelling naar alles, betoonde zijn ingenomenheid met de levenswijze der brave monniken, en noodigde eindelijk, als blijk van zijn welwillendheid, het geheele convent uit met hem een avonddrank te gebruiken.
“De wijn vroolijkt het hart der menschen op!”
Met deze spreuk van den vromen koning David begon de abt zijn rede en vervolgde: “Gods milde hand zal uwe wijnstokken ook den volgenden herfst zegenen. Laat ons daarom, waarde Broeders, eenige flesschen uit het groote vat met matigheid op waardige wijze ledigen. Doch neemt, voordat we ons aan Gods edele gaven laven uw getijdenboek en laat ons met een kort gebed beginnen.’”
“Getijdenboek?” gaat het fluisterend door den kring en de oogjes in de welgedane, waardige gezichten flikkeren van hulpelooze verlegenheid.
“Ja, het getijdenboek!” Het door strenge lijnen doorploegde gelaat van den verstandigen abt beschouwt zwijgend de broeders. Zij zoeken, zoeken steeds voort. Bladzijde 38
Gelijdelijk verdwijnen de rimpels van het aangezicht van den abt en speelt daar zelfs niet een onmerkbaar lachje op het vervallen gelaat?
“Houdt nu op met zoeken en laat ons drinken! Gemoedelijk ontneemt hij den broeder, bottelier de bestoven flesch. Bij God, ik had den kurketrekker hier aan den Rijn wel mogen meebrengen. Schertsend zegt de vriendelijke heer dit, nadat hij zijn zakken doorzocht heeft.
“Een kurketrekker?” In een oogwenk voelt ieder in zijn zakken en voor de oogen van den waardigen abt verschijnen evenveel kurketrekkers als broeders om hem heen staan.
Toen kwam er een glans van vergenoegen op het waardige gelaat van den abt: “Bravo vrome Heeren. Welk een rijke zegen aan kurketrekkers. Doch laat het u niet verlegen maken en den dag van heden bederven. Morgen echter ——— maar laten wij denken evenals koning David.” Bladzijde 39
I.
Het is een oude treffende geschiedenis, die ik U zal vertellen, waarde lezer, die bij de andere voorheeft, dat ze een greintje historische waarheid bevat.
In Ingelheim, een mooi stadje in den met druivengezegenden “Rheingau” verhief zich eens een trotsch marmeren paleis, de lievelings verblijfplaats van Karel, den Grooten. In deze heerlijke eenzaamheid, ver van de wereld, trok de groote keizer der Franken zich dikwijls terug. Slechts zijn trouwe dienaren en familieleden vergezelden hem. Onder de uitverkorenen ontbrak nooit Eginhard, secretaris des keizers. Hoewel hij nog jong was, zoo toch stond hij door zijn omvangrijke kennis in hoog aanzien bij Karel en verheugde zich in de bijzondere gunst van zijn gebieder. De vlijtige geleerde, wiens ernstig, zacht jongelingsgezicht dubbel afstak bij de schaar stoere krijgslieden, behaagde de vrouwen aan het keizerlijke hof niet minder. Bladzijde 40
Karel had den geheimschrijver in zijn familie ingeleid en hem opgedragen zijn lievelingsdochter Emma, die toen bekend stond als de schoonste dame van haar tijd, te onderwijzen. Zij was de dochter van Chismonda. Uit haar oogen, die donker als de vleugels van de raaf waren, sprak het bloed van haar Italiaansche moeder. Spoedig ontvlamde het hart van den jongen leeraar door de gloedvolle blikken van de zuidelijke schoone en de schrijf, en leeslessen veranderden in vertrouwelijke minne uurtjes.
II.
Elk van hen beminde en werd wederbemind.
Het was hun eerste liefde.
Had Karel de Groote zulk een afloop slechts kunnen gissen, toen hij het dochtertje met de gloedvolle fluweelen oogen aan de zorg van den jongen geleerde met het meisjesachtige gezicht toevertrouwde. Had hij zulks kunnen gissen.
In het doodstil nachtelijk uur als iedereen sliep, sloop Eginhard in het vertrek van zijn geliefde. Dan luisterde de dochter van Karel den Grooten naar de zoete vleierijen van den dichterlijken geleerde. Zij voer onder de betoovering der liefde met hem op een zee van Bladzijde 41zalige verwachting, welks klippen haar jeugdige onbezonnenheid niet zag.
Eginhard bezat een vurig hart, maar toch was de vlam zijner liefde voor de dochter van zijn heer rein, als het licht der sterren; geen toomelooze lage hartstocht verduisterde haar kuischen glans.
Maar het lot was niet met hen.
Op een herfstnacht bevond Eginhard zich weder bij zijn geliefde. Het groote paleis was in duister gehuld. Geen ster was er aan den hemel, die het geluk der minnenden kon verraden. De uren der liefde gaan snel voorbij. Op het oogenblik, dat Eginhard het vertrek verlaten wilde, bemerkte hij, dat een sneeuwkleed beneden de plaats overdekt had.
Het was onmogelijk haar te overschrijden zonder voetstappen achter te laten. En toch moest hij zijn kamer aan de overzijde bereiken. Wat nu te doen?
De liefde is vindingrijk.
Na kort nadenken kwamen beiden tot het besluit, dat later tallooze dichters bezongen hebben. (Was ik dichter, dan zou ik het ook doen.) Het teedere meisje nam de geliefde op den rug en ging met hem, de witte plaats over. In de schitterende sneeuw teekenden zich de sporen van twee allerliefste voetjes af. Bladzijde 42
Karel de Groote was op dit uur nog wakker. Drukkende zorgen over zijn reusachtig rijk verdreven hem den slaap. Hij leunde aan het venster en keek, ernstig voor zich uit in den duisteren nacht. Daar zag hij een schaduw over de plaats glijden. Hij boog zich voorover en zag Emma, zijn meest geliefde dochter, die op den rug—Karel opende wijder de oogen—een man droeg, en deze man—een zachte kreet kwam over Karels lippen—was Eginhard, zijn gunsteling. In het gemoed des keizers streden smart en woede met elkaar. Hij wilde naar beneden snellen om de ongelukkigen te dooden, maar hij bedwong zich, want de schande zou te groot geweest zijn, indien de dochter des keizers op haar liefdetocht met den schrijver door den gebieder over milioenen overvallen werd.
Een diepe zucht steeg uit zijn breede borst op. Hij trad achteruit in zijn kamer en de kleine vlokken, die om de ruiten dwarrelden, zagen nog lang zijn door smart verwrongen gelaat.
III.
Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels doorploegden Bladzijde 43zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich en sprak: “Wat verdient een koninklijke princes, die ’s nachts een man in haar vertrekken ontvangt?”
De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten niet lang naar den naam van deze vorstendochter.
Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen het woord:
“Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke vrouw nooit gestraft.”
“En wat verdient een gunsteling des keizers, die ’s nachts in de vertrekken van een koninklijke princes sluipt?”
Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl hij zich fier oprichtte:
“Den dood, mijn Heer en Keizer!”
Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste en maakte plaats voor zachtere gevoelens. Bladzijde 44Eenige oogenblikken later gaf de keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen.
Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad binnen. Zij begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij voor haar vader op de knieën.
“Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!” En de groote omfloersde oogen keken smeekend omhoog.
“Genade!” mompelde ook Eginhard en boog de knie.
De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van zijn innig geliefd kind, werden zijn woorden zachter.
“Daar gij elkaar bemint—hij legde bijzonder den klemtoon op dit woord—wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen en voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken.”
De deur sloot zich achter hem.
Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte stem Bladzijde 45deed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst.
“Ween niet, geliefde,” fluisterde hij, “door dat je vader, mijn gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd.”
Heviger vloeiden haar tranen.
“Kom,” ging hij bewogen voort, “de liefde zal ons geleiden.”
Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz.
IV.
Jaren zijn verstreken.
Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd verkondigd werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn gelaat verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde sedert jaren in zijn gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen.
’s Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen hun gouden schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken wierpen, dan zagen zij Bladzijde 46hem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk gebeeldhouwden stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen verborgen.
De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een meisje met donkere oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten.
Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.
V.
Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak. De oude keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand genomen om de herten van het woud te treffen. Bladzijde 47
Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist een trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds hoog aan den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main uitsnelt welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt den vloed, staat een oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door de nabijheid van den vervolger opgejaagd, in de rivier, welks overkant hij zwemmende bereikt. De keizer verschijnt en staat uitgeput aan den oever. Nu eerst bemerkt hij, dat de avond hem onmerkbaar overvallen, en de streek, waarin hij zich bevindt, hem geheel onbekend is.
Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste sterren schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel den rechten weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven doorsneden heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen duisternis omgeeft hem.
Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet het en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen. Vlak bij den oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de koninklijke bespieder een armoedig vertrek.
Wellicht is dit de kluis van een vroom man, Bladzijde 48denkt hij en klopt aan de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt, zonder zich bekend te maken, mede in welk een verlegenheid hij zich bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner stem ontroert de man hevig. Hij laat den keizer binnentreden. Een jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar knieën. Als zij den keizer ziet, glinstert haar donker oog en wordt haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende ruimte om haar snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt, terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt, weigert, het moede hoofd in de handen.
Minuten verstrijken.
Slaapt hij?
Neen, hij is in treurig gepeins verzonken.

De laatste Hohenrätier
Naar een schilderij van E. Stückelberg.
Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een jong meisje met donkere Bladzijde 49oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten. Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.
De keizer slaakte een diepen zucht.
Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen keek de keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de schramele omgeving uit: een pastelteekening in een donkere lijst.
“Hoe heet je, kleine?” vroeg de keizer.
“Emma,” antwoordde het kind.
“Emma!” herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus op haar rein voorhoofd.
Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de man met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend om vergeving.
“Emma, Eginhard!” roept Karel met trillende Bladzijde 50stem en omarmt hen weenend. “Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!” Boven de eenzame hut zweeft de engel des vredes.
VI.
Emma en Eginhard keeren met veel praal aan het hof van den keizer terug. Karel schonk hun het prachtige slot te Ingelheim, en gevoelde zich door het bijzijn zijner kinderen veel jeugdiger. Op de plaats, waar hij hen wedergevonden had, liet hij een klooster oprichten en later ontstond daar een stad, tot op heden Seligenstadt (d.i. stad der zaligen) genaamd.
In de kerk te Seligenstadt bevindt zich het graf van Eginhard en Emma. Volgens hun wensch werd hun stoffelijk overschot in dezelfde sarcophaag bijgezet. Bladzijde 51
In den hoogen Dom te Speyer stonden duizenden mannen in ridderlijke wapenrusting te luisteren. Aan het altaar zat Koenraad de Staufe in den koningsstoel, de handen op het gevest van zijn zwaard gevouwen, luisterende naar de geestdriftige redevoering van Bernard van Clairvaux over de gruwelijke verwoesting van de heilige plaatsen van het beloofde land. Toen de heilige monnik zijn rede eindigde met op indrukwekkende wijze een beroep te doen op den moed der belijders van den christelijken godsdienst, weerklonk door de gewelven van den Dom uit duizenden monden tegelijk als ware het één kreet: “Op, naar Jerusalem!”
Ontelbare ridders boden den vromen keizer in den kruistocht tegen de heidenen hun diensten aan. En onder hen bevond zich ook Hans Brömser, heer van de Niederburg bij Rüdesheim, de laatste afstammeling van zijn geslacht. Niets weerhield hem; zijn gemalin rustte onder Bladzijde 52de aarde, en de eenige telg uit hun huwelijk Mechtilde zou den vader onder de hoede van de naburige familie Falkenstein evenmin missen, als hij dit het aankomende meisje in het Syrische land zou doen.
Zoo trokken de vrome strijders naar de moeilijke wegen van dat land, waar onze Heer geleefd en geleden heeft. De oogen van vele edellieden zijn daar in den strijd tegen de Saracenen voor eeuwig gesloten; velen trof een nog treuriger lot, zij waren levend dood, daar zij vol smaad in de gevangenissen der ongeloovigen versmachtten. Ook ridder Brömser viel, na een verloren slag, in handen der Turken en zat in een afschuwelijken onderaardschen kerker gevangen. Gelijk een dier liet de pacha den ridderlijken vijand een molensteen in beweging houden. Dag op dag verging, en met steeds heviger smart verdroeg de ridder den smaad zijner vijanden. Toen legde hij in een uur van de bitterste wanhoop voor den Heer de volgende plechtige belofte af: “Schenk mij de vrijheid weer en ik beloof u, dat mijn eenig kind Mechtilde den sluier aan zal nemen.”
En hij herhaalde den heiligen eed nog eens en ten derde male.
Toen gebeurde, wat geen der wapendragers ooit had durven hopen: De dappere kruisvaarders Bladzijde 54bestormden het Turksche slot in de zandwoestijn te Syrië en bevrijdden hun geloofsgenooten uit de vernederende gevangenschap. Uit dankbaarheid jegens God leende Hans Brömser zich op nieuw voor de heilige zaak. Toen keerde hij terug naar het vaderland aan den Rijn.
Op het met mos begroeide slotplein omhelsde Mechtilde hem lang en zwijgend. Naast de zeventienjarige stond de jonker van Falkenstein, die zich diep voor den teruggekomen heer boog en hem zacht begroette met de woorden: “Welkom, vader!” Toen kwam er plotseling een herinnering bij den ridder op, die de vreugde van het weerzien vergalde.
In de rijk versierde staatsiezaal vierde Hans Brömser, omringd door zijn getrouwen, zijn gelukkigen terugkeer. Luide loftuitingen weerklonken in den kring der kruisvaarders; iedereen luisterde, toen de gevaren, die de helden doorleefd hadden, verhaald werden. Hoe hij voor het geloof gestreden en in gevangenschap der heidenen geleden had, vertelde de ridder met geestdrift aan de luisterende schaar.
Daarop liet hij zijn stem dalen, en met plechtige woorden deelde Hans Brömser de verzamelde menigte zijn belofte mede, die hij in het heilige land in de grootste wanhoop afgelegd Bladzijde 54had. Toen weerklonk een gil door het ruime vertrek en het dochtertje van den ridder, nog witter dan het tafellaken, zonk bewusteloos ter aarde. De jonker van Falkenstein verhief zich met vlammende oogen en roode wangen, en sprak met vaste stem: “Mechtilde behoort mij, ze heeft in een plechtig uur beloofd, mij voor eeuwig te zullen toebehooren!”
Met gefronst voorhoofd legde de burchtheer de fluisterende gasten het zwijgen op: “Mechtilde behoort den hemel toe en niet jou, knaap. Dezen eed deed de laatste Brömser en hij zal hem ook houden!” Met ingehouden toorn riep de ridder dit uit en in bedrukte stemming gingen de gasten uiteen.
Mechtilde lag in woeste smart in haar kamer. Flikkerend wierp de kleine lamp aan het crucifix haar schijnsel op de liggende, die de voortkruipende uren van den nacht in liefdesmart doorbracht. De met tapijten behangen muren, van het in schemerlicht gehulde vertrek, leken het jonge meisje drukkende kerkermuren.
Zij ijlde, met het lichtje in de bevende hand, den hoogen wenteltrap op naar den zolder en vertrouwde het harde leed van haar jonge ziel den kalmeerenden nacht toe.
Geleund tegen een der schietgaten in den muur, staarde zij naar de tegenovergelegen Bladzijde 55Felsenburg waar de welgemoede minnaar, aan wien ze zich voor eeuwig verbonden had, vertoefde.
“Geliefde!” klonk het snikkend in den nacht. Aan den hemel waren geen sterren: een ruwe herfststorm begeleidde den hartestorm van de jonkvrouw en blies plotseling met een hevigen rukwind om de vesting.
Toen weerklonk er een gil, kort en schel. Was het de loeiende wind of een menschelijke kreet? In de stilte van den nacht stierf hij weg. Van het hoogste punt van de Brömserburg stortte het lichaam eener vrouw in de af grijselijke diepte en werd door het stroomende water van den Rijn verzwolgen.
Een prachtige herfstmorgen volgde op den stormachtigen nacht. Tevergeefs zocht men boven in de Brömserburg naar Mechtilde, het dochtertje van den burchtheer. Beneden echter hebben ze in alle vroegte een meisje uit het water gevischt, waarvan de oogen reeds gebroken waren. Een sombere stoet bewoog zich toen naar den burcht, waar de smartkreten van velen weerklonken over de vroeg geknakte bloem, de laatste spruit van den Brömserstam. Hans Brömser heeft zich op het lijk geworpen en zijn gebaard gezicht lang en zwijgend in de Bladzijde 56plooien van het sneeuwwitte gewaad verborgen. Geen traan hing aan zijn wimpers.
Voor de zielsrust van de dochter, die den sluier niet wilde aannemen, legde hij in de grootste treurigheid opnieuw een belofde af; hij zou een kerkje laten bouwen op den heuvel tegenover zijn vesting. Toen heeft hij zich in zijn vertrek opgesloten en in droevig gepeins de verdere dagen doorgebracht, totdat frisch groen op het graf van zijn onzalig kind ontlook.
Sedert dien tijd zijn er maanden verstreken, maar nog is er niet aan de beloofde boetkapel begonnen. Verbitterd heeft Hans Brömser zich steeds meer van de wereld afgezonderd en zich in de treurige eenzaamheid teruggetrokken. Toen is er eens een knecht met de beeltenis van de moeder Gods bij hem gekomen.
Een stier had dit bij het ploegen op den heuvel tegenover den burcht opgeworpen, en de knecht heeft driemaal “Not Gottes!” hooren roepen. Toen heeft Hans Brömser zich zijn belofte herinnerd en terstond het kerkje, dat hij den Heer beloofd had, laten bouwen voor de zielsrust van Mechtilde. “Not Gottes” heeft hij het genoemd en zoo heet het nog heden. Bladzijde 57
Onder Bingen ligt midden in den vloed op een eenzaam eiland een vesting in den vorm van een toren, de Muizentoren genaamd. Sedert eeuwen is hieraan de naam van een aartsbisschop uit Mainz op sornbere wijze verbonden. In de sage wordt deze slechte Hatto van een vreeselijke misdaad aangeklaagd, waardoor hij in de heele Rijnstreek en nog veel verder veroordeeld is geworden.
Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mensch moet hij geweest zijn, een wreed heer voor zijn onderhoorigen. Hooge belastingen perste hij hun af, liet hen tol betalen en verzon tallooze belastingen om aan zijn heersch- en pronkzucht te voldoen. Tusschen Bingen en Rüdesheim liet hij in den Rijn den stevigen toren bouwen en hief van alle schepen, die stroomaf voeren, tol.
Spoedig daarop was de oogst in het land van den Main mislukt. Bladzijde 58
Droogte en hagel vernielden het toch reeds schaarsche graan en de duurte van levensmiddelen werd nog vermeerderd, daar de aartsbisschop Hatto groote hoeveelheden graan opgedaan en op zijn zolder afgesloten had. De hongersnood was spoedig verschrikkelijk; maar de ongelukkigen smeekten den wreeden heer tevergeefs, den prijs van het graan, dat hij op zijn zolders had, te laten dalen. Wel drongen zijn raadslieden er op aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto bleef ongeroerd, en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid van den gebieder verbittering te weeg brachten en oproerige stemmen zich onder het volk, dat zoo zwaar beproefd was, deden hooren, zette Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze.
Eens drong een bedelende menigte jammerend in het aartsbisschoppelijk paleis en smeekte den aartsbisschop, die juist aan zijn overdadigen maaltijd zat, om voedsel.
Hij had juist tot zijn dischgenooten op knorrigen toon gezegd, dat het beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of andere manier van de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook hij zou dan niet meer door hen lastig gevallen worden. Toen nu de in lompen gehulde menigte, mannen, vrouwen Bladzijde 59en kinderen met holle oogen en bleeke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden, kwam er plotseling een flikkering in zijn oogen. Hij wenkte hen met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in een schuur voor de stad brengen, alwaar ze zooveel graan zouden krijgen als ze noodig hadden. Vol blijdschap en van dank vervuld, ijlden de ongelukkigen weg; toen zij echter allen in de schuur waren, liet Hatto de deur sluiten en de schuur aansteken.
Vreeselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van den bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn. De wreede Hatto riep echter spottend tot zijn getrouwen: “Hoort hoe de korenmuizen piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes zullen mij bijten, als het niet waar is.”
Verschrikkelijk echter trof hem de straf des hemels. Uit de brandende schuur slopen duizenden muizen naar het paleis, vulden alle vertrekken en vielen zelfs den aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen zij door zijn kamers, en hoewel zijn bedienden tallooze gulzige knagers verdelgden, zoo toch werd hun aantal steeds grooter en hun vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen vervulde den aartsbisschop, en daar hij een voorgevoel van Gods Bladzijde 60oordeel had, ontvluchtte hij per schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te onttrekken. Maar de onverdelgbare schaar zwom hem in legioenen na, en toen hij vol vertwijfeling den toltoren bereikte, meenende in de, door water omgeven, vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze muizenleger hem ook hierheen, knaagde met de scherpe tanden een toegang tot den toren en bereikte spoedig hem, dien het vervolgde.
Hij heeft ook het onderspit gedolven, de afschuwelijke. Eindelijk moet hij vol wanhoop zijn ziel aan den duivel beloofd hebben indien deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het helsche vuur tusschenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam bevrijd hebben en de ziel op den derden dag voor zich genomen hebben.
Dit deelt de sage mede. Maar zachter oordeelt haar zuster, de geschiedenis, over Hatto, den strengen aartsbisschop van Mainz. Zij laakt slechts een ding in hem: zijn heerschzucht. Hierdoor verkreeg de Mainzer zetel die wereldlijke macht, waardoor hij later de eerste bisschopsplaats van het rijk werd. Al vonden de burgers van Mainz dit niet onaangenaam, Bladzijde 61zoo toch was de trotsche, despotische geest van hem, die haar verworven had, zeer gehaat, en daar hij bovendien den slottoren in de rivier had laten bouwen, van waar uit hij alle voorbijvarende schepen voor de belasting onderzoeken liet—doorsnuffelen, “müsen” zeiden de Duitsche voorvaderen en zegt de “Rhein-lander” nog heden—zoo mag deze Muizentoren, waarbij ook nog de haat van een onderdrukt volk kwam, deze vreeselijke sage in omloop gebracht hebben. Bladzijde 62
Een treurige geschiedenis is er aan de stichting van de Klemenskerk verbonden, die meer stroomafwaarts dan de burcht Rheinstein aan den oever van den Rijn ligt. Eerst in den lateren tijd is zij door de milde hand van de burchtvrouw van Rheinstein op nieuw verrezen.
Het was ongeveer in den tijd waarop door de flinke regeering van Rudolf van Habsburg een einde gemaakt werd aan de buitensporigheden der roofridders, die vooral in den keizerloozen tijd aan den Rijn zeer huisgehouden hadden. De roofridders beantwoordden met openlijken hoon de ernstige waarschuwingen des keizers, en meer dan ooit voerden ze op den smallen straatweg, die zich aan den Bovenrijn tusschen de rotsen en de rivier uitstrekt, hun roofachtig bedrijf uit.

Gevangen roofridder
Naar het schilderij van Konrad Weigand (Bij de sage: De Klemenskapel).
Daar verscheen de vertoornde keizer zelf met een sterke macht en hield een vreeselijk strafgericht onder de adellijke roovers. Als schurftige Bladzijde 63honden wilde hij hen en hun geheelen aanhang uitroeien. Hiermede had hij de bespotters van den heiligen landvrede gedreigd, en hij voerde zijn bedreiging uit. Brandende burchten waren zijn wegwijzers aan den Bovenrijn. De bewoners van het dal zagen met ontzetting de vlammen uit de vestingen van de Reichensteiners, Sooneckers, Heimburgers en andere gevreesde roofridders opstijgen, en talrijke leden van adellijke geslachten werden door den strop van den beul ter dood gebracht. Toen hoorde men menigen schoonen mond jammeren en weeklagen over de strenge rechtvaardigheid van den keizer. Door de vreedzame kooplieden echter werd zij vol dankbaarheid geprezen.
Voor de overblijvenden waren de lichamen van huns gelijken, die stuiptrekkende aan de boomen langs de rivier hingen een vreeselijke waarschuwing.
Schuwe gestalten zijn toen, beschermd door de duisternis van den nacht, naar de gerechtsplaats geslopen; vol droefheid hebben de betrekkingen van de ter dood veroordeelden de lijken afgenomen, om ze voor smadelijke vernietiging te bewaren. Heimelijk werden de ongelukkigen in gewijde aarde begraven. Maar de gedachte aan een vergelding hiernamaals Bladzijde 64liet de achterblijvenden geen rust; want menigeen, die zulk een smadelijken dood gestorven was, had zijn wapen met het bloed zijns naasten bevlekt.
Men heeft dus op raad van een verstandig, vroom dienaar Gods het hout van de boomen genomen, waaraan zij gehangen hadden, en een boetkapel gebouwd op de eenzame gerechtsplaats aan den Rijn. Ook van de rookende puinhoopen der afgebrande burchten heeft men steenen genomen voor het boetehuis bij Aszmannshausen evenals voor de hut van den beschermer, den kluizenaar.
Toen de dag aanbrak, waarop zich voor de eerste maal het woord van den priester aan het altaar zou doen hooren, zijn er booten met dooden en treurenden stroomop en afwaarts gevaren—in het schip der kerk hebben zij de lijkkisten neergezet—en met plechtige woorden heeft de aartsbisschop van Mainz de dooden van hun zonden ontheven en de armezondaarskerk haar bestemming doen bereiken. Daarop heeft men de nu gezegende lijken ten tweede male in het gemeenschappelijke graf ter aarde besteld. Vele tranen moeten er toen in de nieuw gewijde kerk gestort zijn.

Het reuzenspeeltuig
Naar het schilderij van Cnopf.
Dit had plaats in het einde der dertiende eeuw. Eeuwen achtereen hebben de geloovigen Bladzijde 65en de priesters in dit kerkje bij Aszmannshausen voor de arme zielen der veroordeelden gebeden.
Boven in de burchten zijn ondertusschen vele geslachten uitgestorven, de trotsche burchten zijn vervallen en beneden zijn veelbewogen tijden voorbijgegaan. En de tand des tijds, die boven aan de burchten knaagde, is ook beneden aan het kerkje zijn verwoestingswerk begonnen, heeft het dak vernietigd en de muren afgebrokkeld.
In lateren tijd is er weer een kerkje in de plaats der ruïne ontstaan, en evenals voor zeshonderd jaar klinkt het woord van den priester weer aan het altaar van de Klemenskerk. Bladzijde 66
Op Rheinstein heeft een ridder gewoond, die buitengewoon strijdlustig was. Hij heette Diethelm. Van een rooftocht had hij eens als buit een mooi meisje, Jutta genaamd, mede naar huis gebracht. Evenals teedere klimop zich om den knoestigen eik slingert en zijn ruwen bast in glanzend fluweel verandert, zoo ook heeft deze jonkvrouw met haar vrouwelijk karakter uit den ruwen krijgsman na jaar en dag een braaf ridder gemaakt, die afstand deed van rooftochten en feestgelagen en de schoone Jutta, als belooning voor haar deugd en lieftalligheid, de hand reikte.
De eerste vrucht der jonge liefde kostte de teedere moeder het leven; maar Gerda, het evenbeeld der afgestorvene, groeide op tot een volmaakte schoonheid, zoodat vroegtijdig de minnaars van heinde en ver kwamen, en het aankomende meisje tot echtgenoote begeerden. Maar de ridder van Rheinstein was zeer lastig Bladzijde 67in zijn keus omtrent een pretendent en menigeen trok bedroefd, met een weigerend antwoord af.
Een was er echter, dien het meisje en ook de oude heer gaarne mochten lijden. Hij heette Helmbrecht en was de oudste afstammeling op Sternburg. Het was den jongeling gelukt het hart der jonkvrouw te veroveren, en eens, toen hij voor de tournooispelen op Rheinstein vertoefde, en Gerda met de met ringen versierde rechterhand de ridders op het burchtplein aanmoedigend den dank der vrouwen toezwaaide, deelde Helmbrecht haar zijn liefde mede. Eenige dagen daarna droeg hij, zooals de ridderlijke etiquette voorschreef, zijn oom Gunzelin von Reichenstein op zijn aanzoek over te brengen. Maar Gunzelin was niettegenstaande zijn rijperen leeftijd arglistig en valsch. In plaats van voor zijn neef, deed hij voor zich zelf aanzoek bij Gerda’s vader, en deze aarzelde niet den ridder uit een oud geslacht met aanzienlijke goederen zijn jawoord te geven.
Tot beider verbazing wilde de dochter van den rijken minnaar niets weten. Haar hart behoorde den neef, niet den oom. De toorn in het binnenste van graaf Diethelm groeide steeds aan, en door de hevige woede der laatste dagen, zwoer hij, dat de met goederen gezegende makker uit zijn jeugd zijn dochter zou bezitten, Bladzijde 68en dat de arme stakker von Sternburg haar nooit naar het altaar zou voeren.
In haar stille kamer weende het troostelooze meisje hartverscheurend, maar haar tranen vermochten de ijskorst om het hart van den vader niet te doen smelten. Tevergeefs smeekte de in’t geheim beminde bij den ouden heer toegelaten te worden, deze echter beriep zich op zijn ridderlijk woord, dat hij den heer von Reichenstein op handslag gegeven had.
En zoo brak de dag aan, waarop Gunzelin met het meesmuilend welbehagen van een ouden wellusteling, wien in den herfst de liefelijke lente toelacht, de schoonste jonkvrouw van den Rijn in zijn trotschen burcht zou binnenleiden. Gerda, die het zachte karakter van haar overleden moeder bezat, had zich in het onvermijdelijke geschikt.

De bruidsoptocht
Naar het schilderij van L. Herteridi (bij de sage van de Burcht Rheinstein).
Op een mooien zomermorgen begaf de bruidsstoet zich van de slotpoort van Rheinstein naar den nabij gelegen heuvel, waarop de Klemenskapel stond. Fanfares schetterden, bazuinen schalden. Op een sneeuwwitten telganger zit, het schoone hoofd treurig gebogen, de doodsbleeke bruid. Zij denkt aan den geliefde, die ver van haar is en even als zij door smart verteerd wordt. Daar vliegt opeens een zwerm gonzende paardenvliegen uit de Bladzijde 69struiken. Een daarvan steekt in den buik van het paard, dat de liefelijke vrouwenlast draagt, zoodat het dier, steigerend uit den bruidsstoet springt. De bruigom, op zijn prachtig opgetuigden hengst gezeten, springt moedig het schichtige paard na, maar daar de weg zoo smal is, doet hij een missprong en stort met zijn ros in de diepte. Stervend werd hij door de ontstelde bruiloftsgasten in den burcht gedragen.
De oude Diethelm was bij de poging, om het paard zijner dochter tot staan te brengen, even ongelukkig geweest; het woedende dier had hem het scheenbeen gebroken en dienstvaardige bedienden droegen den steunenden grijsaard voorzichtig naar het slot terug.
De heelmeester had de volgende weken, toen hij de gevolgen van een hevigen trap van het paard behandelde, geen gemakkelijke taak, bij den vloekenden burchtheer. Bij de eerst volgende kromming van den weg had zich echter een man voor het hollende paard geworpen, die het trillende dier tot staan gebracht en de bewustelooze bruid in zijn armen opgevangen had. Treurig gestemd, wilde hij, verborgen door de struiken, den bruidsstoet volgen en was zoodoende de redder geworden van haar, die alleen hem beminde. De heer van Bladzijde 70Rheinstein is, toen hij dezen afloop vernam, tot nadenken gekomen en heeft den geliefden zijn zegen gegeven. Hun stoffelijk overschot rust onder den steen voor het altaar van de Klemenskapel tegenover Aszmannshausen; burcht Rheinstein is hersteld en prijkt even schoon als weleer op de steile rotshelling. Bladzijde 71
De steeds opgeruimde slotheer van Falkenburg was in den heiligen oorlog tegen de Turken in de heete steppen van Phrygië voor de heilige zaak gevallen. Zijn vrome weduwe bewoonde met haar eenig kind Dietlinde den vaderlijken burcht. Deze jonge dame was bijzonder lieftallig en had een aantrekkelijk karakter, zoodat er vele edellieden waren, die de allerliefste jonkvrouw van Falkenburg, die het prachtige vaderlijke slot mede ten huwelijk zou brengen, tot echtgenoote begeerden.
Onder hen, die om de hand van het meisje dongen, was ook Guntram, een ridder uit een oud adellijk geslacht gesproten. Hij was de gelukkige veroveraar van Dietlindes hart.
Daar hij ook de moeder goed beviel, stond niets de vereeniging der beide geliefden in den weg. Onverwachts echter, toen alles reeds voor de bruiloft gereed was, kreeg Guntram een oproeping van den Paltsgraaf om in zijn residentie Bladzijde 72te komen. Daar kreeg de jonge ridder van zijn leenheer de eervolle opdracht zich met een gezantschap naar den hertog van Bourgondië te begeven.
Met een beklemd hart onderwierp Guntram zich aan dit bevel, man dapper afscheid van de weenende bruid en aanvaardde zonder oponthoud de reis.
Zoo snel, als ging hij op vleugelen, ving hij na verscheidene weken den terugtocht aan. Daar trof hem het ongeluk, dat hij op een onbegaanbare plaats in het bosch, van zijn gezelschap gescheiden werd en verdwaalde. Totdat de zon onderging zocht hij naar zijn geleiders zonder hun spoor weer te vinden. Na vele uren tevergeefs gezocht te hebben, ontdekte hij in de nachtelijke duisternis een licht, dat hem naar een eenzamen burcht in het woud leidde. Een grijsaard met zilveren haren heette hem welkom. Zacht waren zijn trekken, en de klank zijner stem evenals de uitdrukking zijner oogen waren treurig en vermoeid. Een rijkelijk maal sterkte den verdwaalden ridder, en een gemakkelijke rustplaats bood hem verkwikking voor het overige gedeelte van den nacht aan.
Toen Guntram met een vroom Ave Maria en met de gedachten vol trouw aan zijn verre bruid de oogen sluiten wilde, klonk uit een aangrenzende Bladzijde 73kamer een zacht, welluidend, en tevens verlokkend gezang.
Luisterende, hoorde de gast, dat een vrouwenmond een vurig minnelied zong. En de nieuwsgierigheid dreef hem, het wezen, te zien, dat aan den stillen nacht haar meisjesklachten toevertrouwde. Hij vond in de aangrenzende kamer een jonkvrouw, een zeldzaam bekoorlijk schepsel. Getroffen door zulk een vreemdsoortige vrouwelijke schoonheid sprak Guntram haar aan, die bij zijn binnentreden plotseling met zingen opgehouden had.
Hij ontving geen antwoord op zijn woorden en toen hij zijn toespraak herhaalde, ontmoette hij den zwijgenden blik van twee vurige oogen.
Toen hij naderbij komend voor de derde maal begon en teedere woorden van bewondering fluisterde, werd er plotseling, omgeven door verblindend licht, een marmeren plaat aan den muur zichtbaar, waarop in schitterend vlammenschrift de woorden stonden:
Musz dauernd schweigen;
Darf nicht mich zeigen.
Der Liebe Wesen
Kann mich erlösen.
Met de hand wees de jonkvrouw daarop. En de booze betoovering der liefde, droeg Bladzijde 74Guntram als op vleugelen in het land der bedwelming. Hij vatte onstuimig de sneeuwwitte hand en drukte zijn lippen op den mond der minzaam glimlachende sirene. Op zijn knie gezeten, zong zij zacht met liefelijke stem smachtende liederen aan de liefde gewijd.
Toen het twaalf uur sloeg, ontrukte zij zich uit zijn omarming en verdween. Een ring had zij in zijn hand achtergelaten. In zijn kamer teruggekeerd, las hij de daarop gegraveerde woorden: “Gij zijt de mijne.” Opeens stond het luid kloppende hart van den ridder seconden lang stil, toen hij tot besef van zijn trouwelooze handelwijze kwam. De rest van den nacht bracht hij, geheel ontnuchterd in wakenden toestand door. Met een haastige, doch hartelijke dankbetuiging aan den ouden gastheer, verliet hij tegen het aanbreken van den morgen den eenzamen burcht. Geen blik wierp hij achter zich. Een vriendelijk herder geleidde hem naar den straatweg. Uit diens mond vernam Guntram, terwijl hij doodsbleek werd, het geheim van deze afgelegen Waldburg:
De bejaarde ridder, die hem gastvrij ontvangen had, was eens de vader van een dochter, Gerlinde genaamd. Zij was zoo schoon als een engel, doch niet zoo braaf als een engel. Zij had van de vele minnaars, die om haar hart Bladzijde 75dongen, in zondige vermetelheid de meest ongehoorde daden geëischt, die hun allemaal het leven gekost hadden. Toen is er eens een troostelooze moeder van een van deze onzalige jongelingen voor het goddelooze meisje getreden en heeft de vloek des hemels over haar zondig hoofd afgesmeekt. En voordat het weer volle maan werd, haalde de dood ’s nachts de jonkvrouw uit de Waldburg. Sedert dien tijd dwaalde haar geest in het slot rond, teneinde elken mannelijken gast door haar vroegere bekoring te betooveren. Slechts de man, die aan haar verzoeking weerstand kon bieden, kon haar verlossen. Wie zich daarentegen door haar verlokken liet, stierf binnen driemaal negen dagen. Toen Guntram, bleek van schrik, deze boodschap uit den mond van den herder vernomen had, reed hij ontsteld weg. Op Falkenburg verwachtte zijn kuische bruid hem vol verlangen. Op dringend verzoek van den bruigom werd de bruiloft op den volgenden dag bepaald. In de feestelijk versierde burchtkapel stond Guntram met de allerliefste dochter van den ridder van Falkenburg voor het altaar. Toen echter de priester beider handen in elkaar wilde leggen, trad, slechts zichtbaar voor den bruigom, de spookachtige jonkvrouw van de Waldburg tusschenbeide en legde haar ijskoude hand in Bladzijde 76de zijne. En Guntram zonk, van zijn zinnen beroofd, op den steenen vloer neer.
Met teedere toewijding verzorgde de bekommerde bruid den geliefden man. Toen hij de oogen weer opsloeg, bekende hij haar berouwvol zijn wederwaardigheden op de Waldburg. Dietlinde’s liefde was zoo groot, dat zij den berouwvollen geliefde alles vergaf. De priester werd nogmaals geroepen en verbond hen in den echt. En, nadat ze driemaal negen dagen van zalig geluk doorgebracht hadden, ging graaf Guntram liggen en ontsliep vol berusting in de armen van zijn trouwe gade.
Dietlinde treurde aan de zijde harer moeder zeer om den verloren echtgenoot en bad veel voor de eeuwige rust van zijn ziel. Zij schonk het leven aan een zoon dien zij ook Guntram noemde. Zij voedde hem op in liefde voor zijn vader, dien hij nooit gekend had. Bladzijde 77
Op het rotsnest Sooneck, viert Siebold, de vermetelste der roofachtige arenden van den Rijn een losbandig feest. Op de rustbanken in de staatsiezaal liggen lichtzinnige vrouwen met gekrulde haren en geblankette wangen in de armen van dronken feestgenooten. En terwijl de muzikanten speelden en gevulde wijnkannen het kostbare maal bespoelden, sprak de burchtheer met een door den drank verhit gelaat en glimmende dronkemansoogen aldus:
“Veeledele vrouwen (hier bulkten de wellustige drinkebroers het uit) en veelvrouwige edelen! (brutaal gichelden de hetaeren.) Na spijs en drank genoten te hebben, zou de gastheer u gaarne zooveel mogelijk verstrooiing bezorgen. Ik zal u dus een gevreesd dier uit mijn kerker doen aanschouwen.”
Terwijl de vrouwen angstig in hun kussens wegdoken en de mannen vol verwachting den spreker aanzagen, gingen de deuren der zaal open. Door twee knechten geleid, schreed een Bladzijde 78man met verwaarloosde haren en baard in een harig gevangenisgewaad over den drempel. Een angstig gefluister deed zich onder de dischgenooten hooren, en aller blikken vestigden zich op het gerimpeld gelaat, waarin men achter de moe neergeslagen oogleden de ledige oogkassen ontwaardde. Weder begon de burchtheer op overmoedigen toon: “Aanminnige vrouwen en ridderlijke mannen! Eens was Hans Veit von Fürsteneck de beste schutter van den geheelen Rijn. Met hem vocht ik in een hevigen strijd op leven en dood. Hij dolf het onderspit.”
“Zonder helm, met gespleten schild en gebroken zwaard lag ik, uit dertien wonden bloedende, voor je en wachtte moedig den laatsten lanssteek af,” mompelde de gevangene met een stem, die uit een graf scheen te komen. En angstig zwegen alle aanwezigen.
“Ik had te veel medelijden met hem om hem dood te steken,” riep Siebold von Sooneck lichtzinnig uit, “en daarom liet ik hem slechts de beide oogen uitsteken en plaatste de beste schutter van den Rijn bij mijn andere rariteiten.”
“Mijn uitgestoken oogen zien je spotternij,” sprak de gevangene streng.
“En toch heerscht er nog een ridderlijke geest op Sooneck,” verklaarde de burchtheer.
“Zoo hoor dan: mijn knechten hedden mij Bladzijde 79meegedeeld, dat gij, zelfs blind zijnde, in staat zijt een uw opgegeven mikpunt met den pijl te treffen. Indien gij hiervan het bewijs kunt leveren, dan is de vrijheid uw loon.” Donderende bijvalsbetuigingen der gasten begeleidden deze woorden.
“De dood zou mij aangenamer zijn dan het leven,” mompelde de blinde. Toen verlangde hij, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat eensklaps veranderde, pijl en boog. In een hoek, tegen elkaar aan gedrukt, sloegen de gasten zijn bewegingen gade.
De heer van Sooneck had een beker ter hand genomen en gelastte den gevangene op het geluid af op dat voorwerp te schieten. Met een zilveren klank valt in het volgend oogenblik een beker op den grond. “Schiet op nu,” klinkt Siebolds stem—en een pijl treft hem doodelijk in den mond. Rochelend als een slachtdier zonk, de aan den dood overgeleverde, ter aarde. Zwijgend en stil met de oogholten gapend geopend, stond de blindgemaakte man daar, het verwilderde hoofd op de onstuimig ademende borst gebogen. Als een zwerm opgejaagde kraaien stoven de heeren en de bevallige vrouwen uit elkaar, en bij het verstijfde lijk van Siebold van Sooneck prevelden de knechten en edelknapen een stil gebed. Bladzijde 80
In den ouden tijd heeft in het woeste dal achter Lorch, dat de Wisperbeek doorstroomt, een molen gestaan. Eens, toen de molenaarsvrouw, een opgewonden jonge vrouw aan het werk was, moet haar een stem toegefluisterd hebben, dat ze naar den Kammerberg moest opstijgen en den schat halen, die in den toren verborgen lag; de sleutel bevond zich in de kist. De molenaarsvrouw keek verschrikt om, maar toen ze niemand zag, kwam ze tot de overtuiging, dat de een of andere onzichtbare grappenmaker haar voor den gek gehouden had. Den volgenden dag echter, toen zij aan de beek de wasch spoelde, fluisterde haar wederom een zachte stem in het oor: “Ga naar den Kammerberger toren en haal den schat. De sleutel ligt in de zwarte kist.”

Siegfried bij den lijkbaar
Naar het schilderij van Emil Lauffer.
Toen heeft de vrouw de wasch laten liggen, en haar man het tooversprookje, zooals zij het Bladzijde 81vernomen had, medegedeeld. Deze echter heeft haar voor een domme vrouw uitgemaakt en schertsend gezegd, dat in zijn meelkast een vertrouwbaarder schat lag, dan in de zwarte kist.
De molenaarsvrouw kon de woorden, die haar ingefluisterd waren maar niet vergeten, en steeds heviger maande de verlokkende stem van het spreukje, totdat zij haar geheel in haar macht had.
Den volgenden morgen, toen de molenaar uitgereden was om een lading meel naar Lorch te brengen, heeft zijn vrouw den molen verlaten, en is met haar jongste kind op den arm den weg naar den Kammerberg opgegaan. Toen zij boven aan de ruïne kwam, is het haar wel angstig te moede geworden, en was zij gaarne omgekeerd, maar wederom klonk de fluisterende stem aan haar oor, die haar mededeelde, dat haar niets deren zou, slechts spreken mocht ze geen syllabe. Wanneer ze zich hieraan hield, dan zou de schat haar eigendom zijn.
Moedig is de vrouw toen het donkere torengewelf binnengetreden, heeft haar knaapje buiten voor den ingang neergezet en de zwarte kist opgezocht. Zij heeft haar ook gevonden, evenals den sleutel, die daarin lag. Hiermede heeft ze de grootere kist geopend, die achter Bladzijde 82in het gewelf stond en toen ze het zware eikenhouten deksel oplichtte, straalde haar een hoop schitterende goudstukken tegen.
Met begeerige handen tastte de vrouw toe, opeens echter begon het knaapje angstig kermend: “Moeder, Moeder!” te roepen, want een slang ritselde naast hem in het met bloemen versierde gras. De vrouw wendde zich om en riep wrevelig uit: “Wat is er, jongen?” Op hetzelfde oogenblik ratelde een donderslag, die de gehurkt zittende vrouw op den grond wierp en vreeselijk weergalmde het nu door het gewelf: “Wee mij, dat gij gesproken hebt! Wederom moet ik honderd jaren onbevrijd blijven! Wee mij en u!”
Tegen den middag is de molenaar teruggekomen en heeft de molen leeg gevonden. Zijn knecht heeft hem medegedeeld, dat de molenaarsvrouw ’s morgens den Kammerberg opgegaan was, met haar jongste kind op den arm. Een droevig voorgevoel is bij den molenaar opgekomen en als ging hij op vleugelen is hij den Kammerberg opgesneld. Rustig was het in den ouden burcht. In het gras zat zijn knaapje te spelen en strekte juichend de armen naar den vader uit. Toen hij op het kind toesnelde, Bladzijde 83hoorde hij zacht kermen in de gewelven van den toren en toen hij ontzet naar binnen vloog, vond hij zijn vrouw op den grond uitgestrekt liggen.
Een bleeke man is in den molen van Wisperbach weergekeerd. Drie dagen daarna heeft het molenrad stil gestaan. Op het Lorcher kerkhof heeft men toen de vrouw van den Wispermolenaar aan de aarde toevertrouwd. Sedert dien tijd heeft niemand het gewaagd, den schat te verkrijgen. Bladzijde 84
Hoewel de burchtheer Lambert von Fürstenberg een levenslustig en genotzuchtig ridder was, zoo toch was hij zijn zachtzinnige gemalin Wiltrud, die van het geslacht der Florsheimers afstamde, zeer genegen, vooral nadat deze hem een zoontje geschonken had. Op een dag echter heeft het ongeluk zijn intrede in het kasteel gedaan in de gedaante van een jonkvrouw, Luckharde genaamd. Zij was de eenige, plotseling wees geworden, dochter uit een geslacht, waarmee de Fürstenbergers sedert oudsher bevriend geweest waren, een ontluikende vrouwelijke schoonheid, die niettegenstaande haar achttien lentes reeds een statig meisje en een verleidelijke schoonheid voor de mannen was.
De zachtzinnige burchtvrouw meende argeloos, dat Luckharde, die zij vol liefde in haar kring opgenomen had, haar, die sedert de geboorte van haar knaapje ziekelijk was, bij de huiselijke bezigheden gaarne behulpzaam zou Bladzijde 85zijn en zusterlijke liefde met wederliefde vergelden zou. Maar Luckharde’s geest hield zich meer bezig met beuzelarijen en vermaak, dan met huiselijkheid en vrouwelijke bezigheden. Hoe meer de maanden verstreken en haar verderfelijke schoonheid zich gelijk een donkere roos ontwikkelde, des te meer gelukte het haar, het hartstochtelijke hart van den burchtheer voor zich te winnen.
Onmerkbaar, doch geleidelijk kwam de ridder steeds meer onder de betoovering van de schoone vrouw, totdat de dag aanbrak, waarop vrouw Venus hen geheel in haar macht had.
Wiltruds oogen waren niet blind voor de goddelooze handelingen van den trouweloozen echtgenoot; maar door haar langdurige ziekte vond zij niet de kracht, de zonde met vlammend zwaard te bestrijden. Intusschen kwam door de heerschzucht en het verterende vuur der liefde het duivelsche plan in Luckharde’s hoofd tot rijpheid, om de gemalin van den heer Lambert uit den weg te ruimen. Op een nacht sloop de zondige vrouw in de kamer der burchtvrouw, naderde gelijk een kat de legerstede der sluimerende en verstikte de benijde Wiltrud, die te laat en zonder resultaat zwijgend weerstand bood, koelbloedig met haar kussen.
De droefheid over de meesteres, die volgens Bladzijde 86iedereen aan een gebroken hart gestorven was, was vooral onder het dienstpersoneel van den graaf zeer groot, doch bij hem zelf uiterst gering. In de armen van de zwartgelokte minnares vergat de heer Lambert spoedig zijn gemalin, en reeds na eenige weken nam Luckharde de plaats van de overleden burchtgravin in. Het knaapje, dat Wiltrud den ontrouwen echtgenoot nagelaten had, was de tweede vrouw tot ergernis. Zij wees den door genot willoos geworden Fürstenberg op de kinderen, die zij hem hoopte te schenken en zette het door, dat de eerstgeboren, natuurlijke zoon van den ridder in een afgelegen kamertje van den burcht aan de zorg van een brommige oude vrouw toevertrouwd werd.
Op een nacht, toen de oude plotseling ontwaakte, zag ze, dat zich een vrouwengedaante in een wit golvend kleed over het bedje van het knaapje, dat naast haar sliep, vol zorg boog en hem zegende. De oude heeft toen een kruis gemaakt en tot de veertien beschermheiligen gebeden. In alle vroegte, met de kenteekenen van den doorgestanen angst op haar gelaat, is zij naar de burchtvrouw gesneld, en heeft haar met bevende lippen de gebeurtenis verhaald, lachend heeft de lichtzinnige Luckharde het ongeloofelijke sprookje aangehoord, maar is Bladzijde 87toen op eens nadenkend en ernstig geworden. Zij heeft de oude vrouw bevolen zich den eerstkomenden nacht een legerstede bij het andere dienstpersoneel te bereiden, het kind echter in de torenkamer te laten. In haar met schuld bevlekte ziel was de veronderstelling opgekomen, die daarop als lood drukte, dat deze nachtelijke geest wellicht Wiltrud in eigen persoon kon zijn, die men bij vergissing voor dood gehouden had.
Zonder angst of gewetenswroeging bereidde ze zich tegen het aanbreken der duisternis een legerstede in de torenkamer. Een moorddadigen dolk hield haar rechterhand omklemd, en vastberaden zag de zondares den nacht tegemoet. En wederom vertoonde zich tegen middernacht de vrouwengestalte in het witte golvende gewaad, die de legerstede van den sluimerenden jongen naderde, hem verzorgde, kuste en zegende.
Terwijl Luckharde met starende oogen, bewegingloos bleef liggen, werd de nachtelijke verschijning steeds grooter, tot in het oneindige. Al dichter boog ze zich tot de liggende over, en het doodsbleeke gelaat van Wiltrud staarde met levenlooze verwijtende oogen de zondige vrouw aan. Het scheen deze, alsof een overhangende rots op haar hijgende borst nederstortte om Bladzijde 88haar te verstikken. Met een laatste krachtsinspanning gaf zij de verschijning een steek met haar dolk; maar het was, alsof het wapen een nevelachtig omhulsel doorboorde, en Luckharde bespeurde met steeds toenemend afgrijzen, dat de wezenlooze gedaante de geest van de vermoorde burchtvrouw was.
Geheel verpletterd door het besef van haar begane schuld, hoorde zij een stem, die uit een andere wereld scheen te komen, haar toeroepen: “Doe boete, doe boete!”
Den volgenden morgen wachtte de heer Lambert tevergeefs op zijn gemalin. In plaats van haar, vond hij een reep perkamentpapier, waarop Luckharde hem in berouwvolle woorden beleed, hoe zij zich in toomeloozen hartstocht aan zijn eerste vrouw vergrepen had, en hoe haar de geest van de overledene dezen nacht verschenen was, om haar aan den omvang van haar zonde te herinneren. De rest harer dagen wilde zij haar schuld in een klooster boeten. Zij verzocht haar vroegeren minnaar hetzelfde te doen.
De heer Lambert von Fürstenberg werd door deze mededeeling diep getroffen. Ook hij kwam tot inkeer, vertrouwde het slot en kind aan de zorg van den jongeren broeder toe en trok zich, tot aan het einde van zijn dagen, als kluizenaar in de eenzaanheid terug. Bladzijde 89
Het oude Bacharach heeft ook eenmaal schoone tijden gekend. Reeds lang voordat de vurige Bacharacher wereldberoemd werd—het was in het tijdperk, toen de grootvader de grootmoeder nam—werd hij door buitenlandsche wijnkenners in Romeinsche en Etrurische bokalen met liters tegelijk gedronken. Destijds hebben de dankbare drinkebroers ter eere van hun Wijngod op een rotsblok, dat zich tusschen een eiland en den rechteroever uit den vloed verheft, een altaar opgericht, en de Romeinen hebben ter eere van Bacchus, den lieftalligen knaap, de stad den naam gegeven, dien hij nu nog draagt. Al zijn ook de opschriften sedert langen tijd onleesbaar geworden, zoo weten de inwoners van Bacharach thans de oorspronkelijke beteekenis van den “Elterstein” (altaarsteen) nog zeer goed, en nog altijd verkleeden de schippers in overmoedige scherts een stroopop als Bacchus—evenals de boeren van Mecklenburg Bladzijde 90in den oogsttijd hun Wodan—plaatsen hem op den Elterstein en varen al zingende om hem heen.
Iets hooger dan Bacharach ligt de ruïne van de vesting Stableck. Ten tijde van Koenraad, den eersten keizer der Staufen, woonde daar een jong, eerzuchtig ridder, Paltsgraaf Herman. Hij was de neef des keizers en trotsch op deze hooge verwantschap, streefde de onbezonnen strijder naar uitbreiding van zijn paltsgraafschap. Hij begeerde niets minder, dan zich de bezittingen van de beide aartsbisschoppen van Mainz en Trier, die aan zijn gebied grensden, gedeeltelijk toe te eigenen. Hij beriep zich hierbij op rechten, die hij meende te bezitten. De naijver, die destijds onder de geestelijke en wereldlijke machthebbenden bestond, maakte, dat zich vele naburige ridders als bondgenooten aan hem opdrongen, en vermetel begon de paltsgraaf zijn strijd met de bestorming van de Moezelvesting Trier, die bij de Triersche parochie behoorde.
Adalbert von Monstereil, een moedig man, voerde destijds de heerschappij over de bisdommen Trier en Metz. Hij verzamelde dadelijk al zijn mannen, om den vermetelen roover van den wederrechtelijk veroverden burcht te verdrijven. De stoutheid van den paltsgraaf had Bladzijde 91hem overbluft, en de overmacht van zijn tegenstander stemde hem tot nadenken. Maar de aartsbisschop Adalbert was een verstandig man; op den morgen, dat de zijnen den burcht wilden bestormen, hield hij met het kruis in de hand een geestdriftige rede tot de ruiters. Hij deelde hun mede, dat de aartsengel Michaël hem in den afgeloopen nacht verschenen was, hem dit kruis overhandigd had en een zekere overwinning toegezegd had, indien elk strijder, in het vaste vertrouwen op de onzichtbare hulp van boven den vijand aantastte.
De redevoering van den aartshertog bracht zijn krijgslieden in geestdrift en wekte hen op tot woeste dapperheid. Geleid door hun veldheer, die met het kruis in de hand allen voorging, bestormden zij den burcht en versloegen het leger van den paltsgraaf. In hulpelooze vlucht stoven zijn troepen uit elkaar, en diep vernederd moest de eerzuchtige Stableck van de voortzetting van den strijd met den Trierer aartsbisschop afzien.
Zeer krenkte hem de smadelijke nederlaag, die hij geleden had. Met nog grooteren haat dacht hij aan zijn geestelijken buurman. Uit verbleekte Bladzijde 92documenten meende hij op te maken, dat hij werkelijk recht had op een gedeelte van het welvarende land, dat de bisschop van Mainz bezat, en hij liet niet na bij den bisschopsstoel te Mainz zijn aanklacht in te dienen. Met kouden spot werd zijn verzoek door den ernstigen Amold von Solnhofen opgenomen.
“Ik zal met dat paltsgraafje even gauw klaar zijn als met de stijfhoofdige inwoners van Mainz, waarvan velen het berouwen, dat ze zich tegen hun bisschop en kerkvoogd verzet hebben.”
Dreigend moet Arnold deze woorden uitgeroepen hebben, terwijl hij het verzoekschrift van den paltsgraaf verscheurde. Stableck werd deze uitspraak medegedeeld en weenend smeekte zijn jonge vrouw hem, niet ten tweede male de hand tegen den gezalfde des Heeren op te heffen. Hij echter keerde zich boos van haar af en zwoer zich op hem, die zoo schandelijk vermetel was zijn bezwaarschrift te verscheuren, te wreken. Het was hem bekend, dat von Solnhofen zich bij de inwoners van Mainz door zijn machtig regiment zeer gehaat gemaakt had, en hiermede wilde hij rekenschap houden, om den somberen tegenstander van land en kroon te berooven.
Wederom rustte Stableck, vereenigd met verscheidene Bladzijde 93moedige ridders zich uit tot den strijd tegen een kerkedienaar. In Mainz gistte het onder de burgers, en daarbuiten rukte de paltsgraaf met zijn mannen aan. De aartsbisschop was buiten zich zelf van woede, en in zijn duistere ziel smeedde hij een vreeselijk plan. Door twee gehuurde landsknechten werd de paltsgraaf verraderlijk vermoord. Groot was de droefheid van zijn ongelukkige gade.
De oproerige inwoners van Mainz hebben den wreeden landvoogd spoedig daarna afgezet, nadat ze zijn paleis stormenderhand genomen hadden. Met gloeiende wraak in het hart is hij teruggekeerd. Te vergeefs waarschuwden zijn vrienden hem, tevergeefs schreef Hildegard, de beroemde profeten hem uit het klooster Rupertusburg bij Bingen: “Keer terug tot den Heer, dien gij verlaten hebt: uw uur is geslagen.” Hij wilde daar niet naar hooren en zoo werd hij in de abdij bij den Jakobsberg voor de stad, waar hij toen verblijf hield, door de oproerlingen vermoord. Bladzijde 94
Op een rots bij Kaub stond in de middeleeuwen de burcht van den heer van Falkenburg. Omstreeks het midden der dertiende eeuw werd hij door graaf Philip met zijn zuster Guta bewoond. De jonge gravin Guta was een buitengewoon lieftallige verschijning en vele ridders dongen om haar hand. Maar geen een had succes gehad; de jonkvrouw had volstrekt geen verlangen, het gezellige samenwonen met haar geliefden broeder, voor dat met een anderen man te ruilen.
Eens werd in Keulen een prachtig tournooi gehouden. Uit alle plaatsen van het rijk, zelfs uit Italië en Engeland waren ridders overgekomen. Ontelbaar was de menigte toeschouwers, groot het aantal van hen, die hier om den prijs, welken zij uit een schoone hand ontvangen zouden, met de wapenen streden. Onder hen bevond zich ook een ridder uit Engeland, die vooral door zijn flinke houding en Bladzijde 95prachtige wapenrusting opviel. Hij streed met gesloten vizier en werd door de commissie van het tournooi als de leeuwenridder afgeroepen, want een gouden leeuw versierde zijn schild.
Spoedig ook baarde de Brit door zijn meesterlijke wijze van strijden opzien, en toen het hem gelukte zijn tegenstander, een der meest gevreesde duellisten, met den lans uit den zadel te lichten, ging er een luid gejuich op. Onder de toeschouwers bevond zich ook de ridder van Falkenstein met zijn zuster. Ook Guta had met groote belangstelling den vreemden ridder gedurende het tournooi gadegeslagen, en het speet haar zeer, den gemaskerde niet in het aangezicht te kunnen zien.
Deze gelegenheid deed zich echter spoedig voor, toen de Brit als overwinnaar uit het strijdperk getreden was. Een zeldzaam gevoel, zooals ze vroeger nooit gekend had, kwam over de jonkvrouw, toen ze het mannelijk schoon gelaat van den Engelschman, nu onbedekt, voor zich zag. Haar verwarring steeg nog meer, toen men haar verzocht, den overwinnaar den prijs, een gouden lauwerkrans te overhandigen.
Of de ridder op het gelaat der bekoorlijke jonkvrouw las, wat deze te vergeefs trachtte te verbergen? Of er op het oogenblik, waarop hij voor het bevallige meisje neerknielde en Bladzijde 96zij met bevende hand den krans op zijn hoofd legde, een vonk van de vlam, die plotseling haar binnenste verteerde, flikkerend in zijn ziel gevallen was?
Wie weet het? Hierover zwijgt de sage.
Toen zij echter later tegenover elkaar stonden en verlegen met elkaar spraken, hij haar verstolen bewonderend, en zij haar gevoelens nauwelijks meester, kwam de liefde zacht aangeslopen. En toen ’s avonds de dansmuziek in de feestzaal weerklonk en de schoone Brit niet van Guta’s zijde week, kwam de liefde schroomvallig aangeslopen, eerst verlegen, totdat zij zich eindelijk met gloeiende woorden over de bevende lippen drong, en deze elkaar bekenden, wat de oogen reeds lang verraden hadden.
De trotsche vreemdeling had Guta om haar wederliefde gesmeekt en haar bezworen, hem trouw te blijven. Binnen drie maanden zou hij uit het vaderland, waarheen dringende plicht hem riep, wederkeeren. Eerst dan zou hij openlijk op den burcht haars broeders om haar hand dingen en zijn naam noemen, want een tevoren afgelegde belofte verbood hem dien thans mede te deelen.

Heinrich Frauenlob
Liefde brengt gaarne elk offer; ook Guta nam gewillig de woorden van den geliefden man Bladzijde 97aan, en onder beloften van wederkeerige trouw scheidden de gelukkigen.
Vijf maanden waren sedert dien tijd verstreken. Over het onbeheerde Duitsche rijk was het keizerlooze, verschrikkelijke tijdperk gekomen. In het Zuiden, in Italië stierf Koenraad, de laatste regeerende vorst uit het huis der Staufen en in het Noorden, in Friesland versloegen oproerige boeren zijn tegenkoning Willem van Holland. Weer weerklonk bij de daarop volgende verkiezing van een keizer de kreet: Hier Welf! Hier Waiblinger! En terwijl aan dezen kant Alfons van Castilie tot koning uitgeroepen werd, kozen ze aan gene zijde Richard van Cornwallis, den ridderlijken broeder van den koning van Engeland. Eerstgenoemde Spanjaard is steeds een vorst van het Schimmenrijk gebleven en heeft nooit het land opgezocht, waar men hem een troontje bereid had. Daardoor kreeg Richard nog meer aanhangers, en in Aken werd hij plechtig gekroond. Vanuit de oude keizerstad maakte hij een reis door het Rijnland om de plaatsen, waaraan hij voornamelijk zijn verkiezing te danken had, te begroeten.
De lente had haar intrede in het Rijndal gedaan, en de vloed, de bergen en burchten werden door de heldere zon beschenen. Alleen Bladzijde 98op het gelaat der lieftallige jonkvrouw, die treurig in haar kamer in de vesting van Falkenstein zat, wilde geen zonnestraal verschijnen. Stil verdriet had daarop zijn stempel gedrukt, en sedert twee maanden werden de wangen van de jonkvrouw al bleeker en bleeker. Gedurende dien tijd had het verdriet, haar trouwe metgezel haar zeer dikwijls het beeld van den geliefden man in de meest verschillende gedaanten voor oogen getooverd. Nu eens zag ze hem in een bloedigen veldslag stervende met haar naam op de lippen, dan weer verscheen hij in haar verbeelding schertsend en lachend, met een meisje van het eiland aan den arm, op luchtigen toon spottend over zijn liefje aan den Rijn.
En steeds vervolgden haar deze gedachten, en steeds sterker kwam zij tot de overtuiging, dat de eerste, dien zij haar jonkvrouwelijke liefde geschonken had, haar vreeselijk bedrogen had. Steeds meer stond het verdriet op haar smal gezichtje te lezen, en te vergeefs trachtte Falkenstein zijn zuster op te vroolijken en te verstrooien.
Van den straatweg klonk trompetgeschal, en een groot aantal ridders hield stil voor den burcht. Guta bemerkte den stoet en trad van het venster terug, waar ze met beschreid gelaat Bladzijde 99gezeten had. Met ridderlijke gastvrijheid ontving de graaf de gasten en geleidde hen in de staatsiezaal.
Groot was zijn verbazing, toen hij in een heer van het schitterend gevolg den statigen Brit herkende, den overwinnaar van het tournooi te Keulen—plotseling schoot Falkenstein het bloed naar de wangen—den ontrouwen, in het geheim verloofde van zijn geliefde zuster Guta. De vriendelijkheid, die op zijn trekken lag, maakte plaats voor sombere ontstemdheid. De andere scheen dit te bemerken; hartelijk drukte hij de hand van den burchtheer en zeide tot hem:
“Ik ben Richard van Cornwallis, tot Duitsche keizer gekozen en hierheen gekomen, om u de hand te vragen van uw zuster Guta, die zich vijf maanden geleden te Keulen met mij verloofd heeft. Ik kom mijn belofte wel laat, maar met dezelfde trouw, na. Ik verzoek u, haar mijn aankomst te melden, zonder mijn naam te verraden.”
Diep boog de graaf van Falkenstein zich voor den doorluchtigen gast, en eerbiedig ver wijderde het gevolg zich uit het vertrek. Met onrustigen tred liep de bezoeker op en neer. Daar gingen de vleugeldeuren open en een bekoorlijke gestalte verscheen op den drempel, het Bladzijde 100fijne gelaat door opwindmg hoog gekleurd. Met een zachten kreet wierp Guta zich in de armen van den geliefden man. Minuten van stil geluk verstreken.
Onbemerkt was Falkenstein binnengetreden, die zijn zuster nu mededeelde, wien zij als toekomstigen echtgenoot omarmd hield. Toen kleurden de wangen van de lieftallige jonkvrouw zich door verlegenheid nog donkerder en bedeesd en aarzelend vlogen haar blikken naar den geliefde. Deze echter sloeg de armen om haar heen en verzekerde haar, dat zij alles, dus ook den troon met hem deelen moest.
Eenige weken later werd de bruiloft van koning Richard met keizerlijke pracht op den burcht aan den Rijn gevierd, dien de overgelukkige Falkenstein, ter eere van zijn geliefde zuster Guta, den naam van Gutenfels gegeven had. Bladzijde 101
Onder Kaub ligt op een rotsachtig eiland in den Rijn een mooie vesting, sedert eeuwen bekend onder den naam van de Palts.
Eenmaal had de liefde, die uit een koninklijk paleis verdreven was, in de donkere kamertjes van deze prachtige, met torens versierde vesting op het eiland een geheime samenkomst. Dat is echter reeds lang geleden. Het was ten tijde van Roodbaard. Destijds leefden als bannelingen op het door water omringde kasteel paltsgraaf Koenraads eigen vrouw en wettig kind, zijn aanvallig dochtertje Agnes.
En dit was aldus gekomen. De hemel had den paltsgraaf geen zoon geschonken, en dus moest de dochter erfgenaam der goederen worden. Machtige vorsten van het rijk hadden reeds om de hand van de sierlijke dochter van den paltsgraaf gedongen, en onder hen waren zelfs een hertog van Beieren en de koning van Frankrijk. Maar het meisje had reeds een keuze gedaan. De gelukkige was de jonge ridderlijke Bladzijde 102held van Brunswijk. Agnes had hem haar geheele hart g