[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Magie bij de Grieken en de Romeinen by Karel H.E. de Jong This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Magie bij de Grieken en de Romeinen Author: Karel H.E. de Jong Release Date: March 1, 2005 [EBook #15215] Language: Dutch Character set encoding: UTF-8 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GRIEKEN EN DE ROMEINEN *** Produced by Miranda van de Heijning, Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading Team.
De magie is in wezen handelen, actief optreden bij uitnemendheid en wel met behulp van wonderbaarlijke of wonderbaarlijk werkende middelen, zij doet blijken dat de mensch krachten bezit, die buiten het bereik van de algemeen erkende zintuigen vallen; zij leidt tot de overtuiging dat onze ziel den "dood" overleeft en dat er nog andere intelligenties zonder cellichamen bestaan. Wat de religie betreft, deze onderscheidt zich van de magie hoofdzakelijk daarin, dat zij tegenover de "hoogere" machten uitteraard eene passieve houding aanneemt, een onderscheid, dat zich echter niet streng laat doorvoeren, zooals bijv. het gebed in vele gevallen beslist een actief karakter draagt. De mantiek, d.w.z. het om raad vragen en uitvorschen van de toekomst buiten de rede om, wijkt eveneens door haar passief karakter van de magie af, maar ook hier is de grens niet scherp te trekken, daar immers de magie vaak ter wille van de wichelarij wordt beoefend.
Wij vatten voorts de magie meer in individueelen zin op en roeren daarom bijv. de zg. mysteriën, die immers in den grond der zaak officiëele magie waren, niet dan bij uitzondering aan. Bij de indeeling van de gegeven stof laten wij ons door historische gezichtspunten leiden. Hoofdstuk I behandelt den tijd tot ± 450 v. Chr., het tijdperk van het naïeve geloof, hoofdstuk II den tijd van ± 450 v. Chr.—± 100 v. Chr., waarin het ongeloof bovendrijft, hoofdstuk III den tijd van ± 100 v. Chr.—± 50 n. Chr., waarin de kentering intreedt en het ongeloof terugwijkt; hoofdstuk IV den tijd van ± 50 n. Chr.—± 200 n. Chr., waarin de nederlaag der ongeloovigen niet meer te loochenen valt, en hoofdstuk V de laatste eeuwen der oudheid, ± 200 ± 500 n. Chr., waarin het geloof door de wijsbegeerte wordt gerechtvaardigd.
Hypothesen wantrouwende bepalen wij ons er hoofdzakelijk toe den lezer met de bronnen zelve in kennis te stellen. Wij hebben daarom getracht de citaten, hoe moeilijk, ja zelfs raadselachtig deze vaak zijn, zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen. Ook hierbij hebben wij, zooals van zelf spreekt, ons den arbeid onzer voorgangers ten nutte gemaakt. In de vertaalde teksten staan onze eigene toelichtingen tusschen [ ].
Het is mij eene aangename plicht, in de eerste plaats Prof. Dr. J. de Zwaan, en verder Dr. C. Brakman en den Heer W. C. Cape, voor de nuttige wenken, die ik van hen ontving, mijn hartelijken dank te betuigen.
Den Haag. K. H. E. de Jong.
Blz.
VOORREDE.De magie hangt samen uit allerlei bestanddeelen, die het uiterst moeilijk is, uit elkaar te halen, te meer, daar zij immers vaak met de wichelarij, die wij zooveel mogelijk uitschakelen, dooreen is geward. Toch laten zich enkele onderscheidingen van principiëelen aard maken. Het staat bijv. vast, dat tal van tooverpractijken overleefsels (survivals) zijn, die het nageslacht in toepassing brengt zonder den waren zin ervan te begrijpen. Als wij, zooals immers vaak geschiedt, iets "afkloppen", dan denken wij er niet bij, dat dit kloppen oorspronkelijk de bedoeling had, om afgunstige en gevaarlijke geesten of demonen op de vlucht te drijven. Vaak maakten die overleefsels vroeger deel uit van de eene of andere religie, zooals o.m. de doodenbezwering, die ook in de classieke oudheid voorkwam, op een vroeger tijdperk van doodenvereering duidt. Dikwijls echter klampt de tooverij zich ook aan een nog bestaanden godsdienst vast en zijn nog heerschende religieuze plechtigheden in wezen magisch. Wie bijv. eene hostie bij zich draagt, om zich daardoor voor gevaren te beschermen, drijft tooverij met een bestaand cultusvoorwerp, en de consecratie zelf, waardoor, volgens de kerkleer, de substantie van het brood in de substantie van het lichaam des Heeren verandert, is, uit een oogpunt van godsdienstgeschiedenis, magie. Vaak echter hebben magische handelingen niets met eene ondergegane of bestaande religie te maken en dienen zij slechts om verbazing te wekken, ja, om er geld uit te slaan. Men denke bijv. aan de publieke vertooningen van "telepathie", zooals ze onlangs ten onzent de grootste belangstelling wekten, vertooningen die overigens met telepathie in den strengen zin van het woord niets te maken hebben. En zoo ontbrak het ook in de oudheid niet aan "toovenaars", die op de markt aan nieuwsgierige toeschouwers voor "weinige stuivers" hunne kunststukjes lieten zien.
Wat de opvattingen betreft, die men in de oudheid van de magie had, ligt het voor de hand, dat men, afgaande op de laatst vermelde practijken, haar veelal als eene soort bedrog, hetzij van groven, hetzij van meer verfijnden aard beschouwde. Waar dit niet opging, maakten de ongeloovigen zich liefst met het een of andere groote woord er van af, als bijv. "deisidaimonie", en "superstitie", beide vrijwel equivalenten van de ten onzent geliefkoosde uitdrukking "bijgeloof". Diegenen echter, die de magie als iets supranormaals beschouwden, stelden zich meestal tevreden met een onderscheid te maken tusschen de magie in ongunstigen en in gunstigen zin, waarbij men de eerste meer bepaaldelijk goëtie, en de laatste sinds de tweede eeuw na Chr. bij voorkeur theürgie noemde. Het lag echter in den aard der zaak, dat dit onderscheid niet altijd streng in acht werd genomen. De doodenbezwering bijv., ging voor ongeoorloofd of voor geoorloofd door naar gelang men zich hierbij van afkeerwekkende of van onaanstootelijke middelen bediende. Denkers, die zich niet met een diergelijk op ethische gronden berustend onderscheid vergenoegden, legden bij hunne pogingen om de magie te verklaren, den nadruk hetzij meer op het bestaan van geheimzinnige krachten in de menschen en in den kosmos, hetzij meer op de inwerking van bovenmenschelijke wezens.
In onzen tijd heeft de poging om het alom voorkomende verschijnsel der magie te verklaren, tot diep gaande en ingewikkelde theorieën aanleiding gegeven. Dat met enkel bedrog, hoewel bedrog op dit gebied ongetwijfeld eene groote rol speelt, zich op lange na niet alles laat verklaren, is zeker, en ook, dat men met groote, maar, alles wel beschouwd, zinledige woorden als "bijgeloof" evenmin verder komt. Men beschouwt de magie thans hoofdzakelijk als het onvermijdelijke resultaat van het nog onlogische en niet wetenschappelijk geschoolde denken der primitieve volkeren, terwijl men haar ook wel eens opvat als eene reactie tegen een "hoog" religieus standpunt, reeds in overoude tijden ingenomen. Verder zijn het thans voornamelijk twee theorieën, die elkaar den voorrang betwisten. In de eerste plaats de "animistische", volgens welke er ook buiten de menschheid om "zielen" of "geesten" bestaan, zelfs in voorwerpen, die wij heden ten dage als levenloos beschouwen. Hierbij valt de nadruk op het onloochenbaar verband tusschen het geloof aan "geesten" of "zielen" en tooverij. Daarentegen vestigt de "praeanimistische" theorie de aandacht op het wijd verspreide geloof van eene niet-individueele "levenskracht" door welke de tooverij wordt verondersteld te geschieden. De aanhangers dezer theorie beroepen zich te recht op het feit, dat bij vele magische handelingen niet aan den bijstand of zelfs het bestaan van "geesten" of "zielen" wordt gedacht. Beide theorieën sluiten elkaar echter volstrekt niet uit, zooals immers ook in onze dagen het geloof aan "geesten" met het geloof aan het "magnetische fluïde" of "dierlijk magnetisme" bij zeer velen goed samengaat. In elk geval is bij diergelijke theoretische overwegingen groote voorzichtigheid aan te bevelen, aangezien wij immers het zieleleven der huidige primitieve volkeren niet dan hoogst onvolledig kennen en aangaande de volkeren uit overoude "praehistorische" tijden in hoofdzaak op vrij onzekere gissingen zijn aangewezen. Maar niet alles in de magie berust op bedrog of op foutief denken; zij steunt ook, althans in vele gevallen, op een grondslag van "psychische" feiten, zooals men het nu pleegt te noemen. Dat door hallucinaties, hypnose, verbaalsuggestie en autosuggestie veel te verklaren is, wordt al lang toegegeven. Men dient echter nog verder te gaan en zekere feiten, wier lang ontkende realiteit nu toch meer en meer blijkt, als bijv. de mentale suggestie of telepathie en de helderziendheid er bij te trekken; ook de werking van psychische centra buiten den mensch om is althans niet a priori af te wijzen. Dat bij deze onderzoekingen de grootst mogelijke critische voorzichtigheid behoort te worden in acht genomen, behoeft geen betoog. In elk geval moeten wij echter dit principe als onomstootelijk aannemen; daar de magie een complex is van allerlei heterogene bestanddeelen, moet zij ook door de samenwerking van verschillende theorieën worden verklaard.
a. Van algemeenen aard,
H. Schurtz, Urgeschichte der Kultur (1900).
A. Lang, Magie and religion (1901),
*Zöckler, s.v. Magier, Magie, in Herzog, Realencyklopaedie f. protest. Theol. u. Kirche, 3e uitg. XII (1903).
A.C. Haddon, Magie and Fetishism (1906), in Religions, ancient and modern.
Mgr. A. le Roy, La religion des primitifs (1909).
N.W. Thomas, s.v. Magie, in Encyclopaedia Britannica, 11e uitg. XVII (1911).
Arendzen, s.v. Occult art, occultism, in The Catholic Encyclopaedia XI (1911).
*Frazer, The golden bough, 3e uitg. 1911 - 1915.
R. Dussaud, Introduction à l'histoire d. religions (1914).
K. Beth, Religion und Magie bei den Naturvölkern (1914).
R.R. Marett, s.v. Magie (Introductory), in Encyclopaedia of Religion and Ethics VIII (1915).
A. Jeremias, Allgemeine Religionsgeschichte (1918).
b. Over "Animisme."
L. Frobenius, Aus den Flegeljahren der Menschheit (1901).
E.B. Tylor, Primitive culture, 4e uitg. (1903).
Goblet d'Alviella, s.v. Animism, in Enc. o. rel. a. eth. I (1908).
A.W. Nieuwenhuis, Die Wurzeln des Animismus. Eine Studie über die Anfange der naiven Religion nach den unter primitiven Malaiern beobachteten Erscheinungen, in Internat. Archiv f. Ethnographie, XXIV, Supplem. (1917).
B. Ankermann, Totenkult u. Seelenglaube bei den afrikanischen Völkern, in Zeitschrift fur Ethnologie 50e jrg. (1918).
G.W. Gilmore, Animism or thought-currents of primitive peoples (1919).
c. Over "Praeanimisme".
R.H. Codrington, The Melanesians (1891).
R.R. Marett, The threshold of religion, 2e uitg. (1914).
R.R. Marett, s.v. Mana, in Encycl. o. rel. a. eth. VIII (1915).
P. Saintyves, La force magique (1914).
d. Over "psychische" feiten.
J.A. Mac Culloch, The childhood of fiction, a study of folktales and primitive thought (1905).
*K.H.E. de Jong, Das antike Mysterienwesen in religionsgeschichtlicher, ethnologischer und psychologischer Beleuchtung, 2e uitg. (1919).
Aanm. De met * gemerkte boeken zijn ook voor 't vervolg van dit werk te raadplegen.
De oudste en prachtigste gedenkstukken der Grieksche letterkunde, de heldendichten van Homerus (vóór de zevende eeuw) bevatten verscheidene episoden, waarin de magie onmiskenbaar op den voorgrond treedt.
In de Ilias, die den oorlog der Grieken tegen Troje verheerlijkt, lezen wij o.m. hoe Hera, de echtgenoote van den hoogsten god, Zeus, van Afrodite, de godin der schoonheid, den gordel leent, aan wien eene onweerstaanbare charme is verbonden, en Zeus zoodoende betoovert, teneinde hem te beletten, den Trojanen bijstand te verleenen (XIV, 153-351).
Veel sprekender is echter in dit opzicht de Odyssea, die de lotgevallen van koning Odysseus, een der Grieksche helden uit den Trojaanschen oorlog, bezingt.
Odysseus toch, de meest vindingrijke en meest volhardende van alle helden uit de classieke sagenwereld, raakt bij zijn avontuurlijken terugkeer uit Troje met zijn eenig overgebleven schip op een onbekend eiland verzeild, en stuurt de helft van zijne makkers op verkenning uit. Dezen bereiken het paleis van de toovenares Circe, wier liefelijk gezang tot hen doordringt en gaan, vriendelijk door haar uitgenoodigd, naar binnen, op één na, die uit wantrouwen achterblijft. En terecht, want Circe mengt onder het wijnmoes dat zij haren gasten voorzet booze kruiden, en verandert hen door aanraking met eene tooverroede in zwijnen. De eenige achtergeblevene makker, na tevergeefs te hebben gewacht, keert tot Odysseus terug en spoort hem aan, zoo spoedig mogelijk te vluchten. De held echter heeft daar geen ooren naar en gaat terstond geheel alleen er op uit om de verlorene makkers weer op te sporen. Onderweg ontmoet hem de god Hermes, de geleider van de zielen der overledenen, licht hem in, hoe hij het gevaar moet afwenden en verstrekt hem de geheimzinnige plant Moly als werkzaam tegenmiddel. Odysseus ledigt evenzeer den verraderlijken beker, maar weet zich ongemerkt van het tegengift te bedienen, en als Circe ook hem met de roede aanraakt, springt hij met getrokken zwaard op haar los, als om haar te dooden. Circe valt voor hem op de knieën, smeekt om genade, en biedt hem, als onderpand van trouw, haar liefde aan. Odysseus gaat daar echter niet eerder op in, voordat zij zich door een plechtigen eed gebonden heeft, geen arglist meer in 't werk te stellen. Op verzoek van den held, geeft Circe voorts aan zijne makkers de menschelijke gedaante terug, en de zwervelingen brengen nu een vol jaar op het toovereiland in vreugde en genietingen door.
Vóór hun vertrek echter gebiedt Circe Odysseus, zich naar 't doodenrijk te begeven en aldaar den ziener Tiresias omtrent zijn verderen terugkeer te raadplegen. Odysseus ziet daar zeer tegen op, maar Circe bemoedigt hem en geeft hem nadere inlichtingen over den tocht naar het doodenrijk en wat hij aldaar te verrichten heeft. De held vaart naar het doodenrijk, dat aan gene zijde der wereldzee ligt en gaat naar de plek, hem door Circe aangewezen. Daar graaft hij met zijn zwaard een kuil van eene el breedte en lengte, brengt daaromheen een plengoffer voor alle dooden, eerst van honig met melk gemengd, vervolgens van wijn, daarna van water en strooit er ten slotte wit meel op. Hij belooft aan de "wezenlooze hoofden der dooden" na zijn terugkeer naar Ithaca, zijn vaderland, eene allervoortreffelijkste koe te offeren, en een brandstapel met heerlijke gaven overladen te ontsteken, maar ter eere van Tiresias afzonderlijk een geheel zwarten ram, uitmuntende onder de anderen, te slachten. Hierna keelt hij een mannelijk en een vrouwelijk schaap, zoodat het bloed in den kuil vloeit en beveelt zijn makkers ze te villen en te verbranden, onder een gebed tot de goden van het doodenrijk, Hades en diens gade, Persephoneia. De dooden komen op, maar Odysseus posteert zich, altijd naar de voorschriften van Circe, met getrokken zwaard naast de groeve en laat geen der overledenen, zelfs zijne eigen moeder niet, het bloed naderen, alvorens Tiresias te hebben geraadpleegd. Tiresias, kenbaar aan zijn gouden staf, nadert, drinkt van het bloed en voorspelt aan Odysseus wat hem op zijn terugkeer en na zijn thuiskomst wacht. Odysseus laat vervolgens zijne moeder en ook andere overledenen van het bloed drinken en onderhoudt zich met hen[1].
Deze verhalen, hoe mythisch ook, zijn toch voor de magie der Grieken en Romeinen, of liever voor de magie van alle volkeren in de hoogste mate kenschetsend. Wij zien onwillekeurig welk een nauw verband er is tusschen tooverij en zinnelijke liefde. Wij leeren, dat de magie zelfs den toegang tot het doodenrijk vermag te ontsluiten. Voorts blijkt bij de doodenbezwering het hoofddoel te zijn, zich omtrent het heden en de toekomst nader te laten inlichten; vandaar dan ook de uitdrukking "necyomantie" of de meer gebruikelijke "necromantie", d.w.z. "doodenwichelarij".
In de geschiedenis is herhaaldelijk sprake van doodenbezweerders en doodenorakelen. Wij zullen hier enkele treffende gevallen vermelden, waarbij men zich tot genoemde bezweerders of instellingen wendde, ten einde den toorn van overledenen te verzoenen of bijzonderheden te weten te komen die aan de "levenden" onbekend waren.
De lierdichter Archilochus, vaak in één adem met Homerus genoemd, was, omstreeks 640 v. Chr., gesneuveld. Calondas die hem had neergeveld, wilde het orakel van Delphi raadplegen, maar de Pythia (profetes) verdreef hem, naar algemeen verzekerd werd, met de woorden:
"Weg uit den tempel met U, die gedood hebt den dienaar der Muzen!"
Toen hij daarop zich verontschuldigde als in noodweer te hebben gehandeld en wenschte dat hij maar liever zelf was omgekomen, werd hem geboden, zich naar het doodenorakel te Taenarum (in het Zuiden van de Peloponnesus) te begeven en de ziel van den dichter door smeekbeden en plengoffers te verzoenen. Calondas voldeed hieraan en werd toen tot Delphi toegelaten[2].
Melissa, de echtgenoote van Periander, tyran van Corinthe (omstreeks 600 v. Chr.) had van een vreemdeling een deposito ontvangen. Toen Periander, na haar dood, dit nergens vermocht te vinden, liet hij door middel van het vermaarde doodenorakel der Thesprotiërs (in Epirus) de overledene vragen, hem de plaats, waar het deposito verborgen was aan te wijzen. Zij weigerde echter zulks te doen en verzekerde, koude te lijden daar zij geen baat had van de kleeren die met haar wel begraven maar niet verbrand waren; tevens voegde zij er een identiteitsbewijs bij van zeer intiemen aard. De tiran, overtuigd dat hij inderdaad met zijne overledene vrouw te doen had, liet terstond de Corinthische vrouwen van hare gewaden berooven en deze in een kuil verbranden, waarop de schim van Melissa, voor de tweede keer opgeroepen, de plaats van het deposito aanwees. Het verhaal hieromtrent is bij Herodotus, den "vader der geschiedenis", te vinden (V, 92).
Ter loops zij hier opgemerkt, dat het een zeer oud en wijd verspreid gebruik is, om ter eere van overledenen kleedingstukken te verbranden. Reeds bij Homerus verzekert Andromache, de weduwe van den gesneuvelden Trojaanschen held Hector, zijne fijne gewaden als eerbetoon in 't vuur te zullen werpen (Ilias XXII, 510-514). Te Athene zoowel als te Rome was het verboden, meer dan drie gewaden te gelijk met den doode aan de vlammen prijs te geven. En nog in onzen tijd verbranden Joodsche pelgrims in een zeker dorp van Galilea op een bepaalden dag van 't jaar shawls en zakdoeken ter eere van overledene Rabbis.
Van Pausanias, sinds 480 voogd van een minderjarigen Spartaanschen koning, wordt bericht dat hij, tijdens zijn verblijf te Byzantium eene jonkvrouw, genaamd Cleonice, had willen verleiden en haar bij vergissing had gedood. Sindsdien werd hij onophoudelijk gekweld door de schim der verslagene, die hem in den droom verscheen en hem dreigend toeriep:
"Ga uwe straf tegemoet! Baldadigheid voert ten verderve!"
Hij nam, ten einde raad, tot het doodenorakel te Heraklea (in Klein-Azië aan de Zwarte Zee) zijne toevlucht, liet door allerlei ceremoniën en plengoffers de ziel van Cleonice bezweren en trachtte haar toorn te verbidden. Zij verscheen en zeide dat hij, te Sparta aangekomen, spoedig van zijne ellende bevrijd zou zijn, zinspelende, naar het schijnt, op het einde dat hem wachtte. Inderdaad werd Pausanias van verraad overtuigd en vluchtte hij, om de inhechtenisneming te ontgaan, naar een tempel, waarin men hem echter inmetselde en aan den hongerdood prijsgaf[3]. De Spartanen werden daarna eveneens door schrikwekkende verschijningen verontrust en daar het orakel hun gelastte de ziel van Pausanias te verzoenen, ontboden zij "psychagogen", d.w.z. doodenbezweerders, uit Italië, die een offer brachten en het schimbeeld uit het heiligdom verdreven[4].
Aangaande de liefdestooverij zij opgemerkt, dat men daarbij, zooals allereerst eene zinspeling van Pindarus, den verhevensten Griekschen lierdichter (eerste helft der vijfde eeuw) aanduidt[5], o.m. een vogel uit de familie der spechten, den draaihals (gr. iynx) op een rad (of schijf) bond en in eene zekere richting ronddraaide. Wij zullen in hoofdstuk II er een hoogst interessant voorbeeld van aanhalen.
Het spreekt vanzelf dat de magie zich niet bij de doodenbezwering en de opwekking of verdrijving van liefde beperkte, maar haren invloed op het geheele leven liet gelden. Door tooverij trachtte men ziekten te genezen—reeds de Odyssea (XIX, 457 vlg.) kent eene bezwering, die eene bloedende wond vermag te stelpen—, door tooverij een vijand te schaden, ja, zoo mogelijk, te dooden—waartoe men reeds vroeg van wassen beeldjes gebruik maakte—, door tooverij zelfs het weder en levenlooze wezens te beïnvloeden—zooals men van de Thessaalsche heksen vertelde, dat zij de maan van den hemel vermochten omlaag te trekken.
Aan de mythische figuur van den zanger Orpheus knoopte zich, ongeveer sinds het begin der zesde eeuw, eene geheele litteratuur vast, die in hooge mate een magisch karakter droeg. Orpheus zelf ging door voor een groot toovenaar. Orphische amuletten waren in omloop. De orphische tooverliederen riepen, naar het heette, gestorvenen weer in het leven terug, en bezielden levenlooze voorwerpen. Rondreizende profeten beweerden, door offers en allerlei andere ceremoniën, overeenkomstig de voorschriften van Orpheus, aan belanghebbenden de zaligheid in het hiernamaals te kunnen waarborgen.
Een historisch figuur daarentegen en wel uit de tweede helft der zesde eeuw v. Chr. is Pythagoras, de ascetische, aristocratisch gezinde, geheimzinnige hervormer, die ook als een magiër en wel voornamelijk een beoefenaar der doodenbezwering werd beschouwd. Aangaande zijn volgelingen waren soortgelijke geruchten—blijkbaar niet zonder reden—in omloop. De veelzijdige en geniale Siciliaan Empedocles (±495 - ±435), arts, staatsman, dichter, wijsgeer, wiens leeringen soms aan de evolutie-theorie doen denken, had eveneens de faam van wonderdoener, hetgeen zeer zeker niet in tegenspraak is met het volgende fragment waarschijnlijk uit zijn leerdicht "De natuur"[6]:
"Alle kruiden die er groeien om ziekten en ouderdom af te weren, zult gij leeren kennen, daar ik U alleen dit alles wil toevertrouwen. Gij zult het geweld der onvermoeide winden tot staan brengen, die zich tegen de aarde verheffen en met hun ademtocht de bouwlanden vernielen en omgekeerd zult gij, als gij het wilt, tot herstel van het evenwicht, de winden er bij roepen; gij zult eene donkere regenbui op tijd voor de menschen in droogte doen verkeeren; gij zult ook de zomerdroogte in stroomen herscheppen, die den groei der boomen bevorderen....gij zult uit de onderwereld de kracht van een gestorven man weer terugroepen."
Van de magie bij de oudste Romeinen weten wij slechts zeer weinig. Volgens latere berichten zou Numa Pompilius, de tweede, overigens legendaire koning van Rome, zich er op hebben toegelegd om, door middel van tooverij, de gestalten der goden in het weerspiegelende water te aanschouwen (hydromantie, d.i. waterwichelarij)[7] en zou zijn evenzeer legendaire opvolger, Tullus Hostilius, door een geheim offer Juppiter, den hoogsten god, getracht hebben op te roepen, maar wegens het niet in acht nemen van den juisten ritus door den vertoornden god met den bliksem zijn getroffen[8]. Zeker is het, dat de zoogenaamde wet der twaalf tafelen (ongeveer uit het midden der vijfde eeuw) dengene met straf bedreigde, die het veldgewas had betooverd of eene booze bezwering had uitgesproken.
Vatten wij de uitkomsten van ons onderzoek over de magie in de vroegste eeuwen der klassieke oudheid samen, dan valt te constateeren dat zij blijkbaar van meet af aan in Griekenland en Italië inheemsch was, dat zij wel is waar veelal angstvallig geschuwd en soms van rechtswege gestraft, maar ook in noodgevallen zelfs door regeeringen te hulp geroepen werd en dat, naar alle waarschijnlijkheid, slechts enkelen,—bijv. zeer zeker de pantheïst Xenophanes uit de zesde eeuw—hare realiteit in vollen ernst betwijfelden of ontkenden.
*D. Tiedemann, Disputatio de quaestione quae fuerit artium magicarum origo (1787).
*L. Georgii, s.v. Magie, in Pauly, Real-Encycl. d. class. Alt. IV (1846).
*Kroll, Antiker Aberglaube, in Samml. gemeinverst. wiss. Vorträge, N.F. Heft 278 (1897).
*K.H.E. de Jong, De Apuleio Isiacorum mysteriorum teste. Dissert. Leiden (1900).
*H. Hubert, s.v. Magia, in Daremb. e. Sagl. Dict. d. ant. gr. e. rom. T. III, 2 part. (1904).
*Gruppe. Griech. Myth. u. Rel. II (1906).
E. Samter, Die Religion der Griechen, in Aus Natur u. Geisteswelt Bd. 457 (1914).
*A. Abt, Die Apologie des Apuleius von Madaura u. die antike Zauberei, in Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Dieterich u. Wünsch, IV Bd. 2. Hft. (1908).
F.B. Jevons, Graeco-Italian Magie, in Anthropology a. t. classics. Six lectures edited by R.R. Marett (1908).
Bouché-Leclereq, Histoire de la divination dans l'antiquité (1879-1881).
*Bouché-Leclercq, s.v. Divinatio, in Daremb. e. Sagl. Dict. d. ant. gr. e. rom. T. II, I part. (1892).
*Dubray, Necromancy, in The Cath. Encycl. X (1911).
Mau, s.v. Bestattung, in Pauly, Real-Encyd. d. cl. Alt. 2e uitg. III (1899).
Frazer, Adonis, Attis, Osiris I (1914).
Gruppe, s.v. Orpheus, in Roscher, Lex. Mythol. III.
*Zeller, Die Philosophie d. Griechen I. 5e uitg. (1892).
*W. T(euffel), s.v. Iynx, in Pauly, Real-Enc. d. cl. Alt. IV (1846).
Gossen s.v. Iynx, in Pauly, Real-Encyd. d. d. Alt. 2e uitg. X (1919).
*R. Heim, Incantamenta magica graeca latina, in Jahrbücher f. class. Philologie, v. Fleckeisen, XIX Supplementb. (1893).
*Pfaff, s.v. Incantatio, in Pauly, Real-Enc. d. cl. Alt. 2e uitg. IX (1916).
De tweede helft der vijfde eeuw vóór Christus is de tijd der "sophisten", die, Griekenland in alle richtingen doorkruisende, onderricht gaven in welsprekendheid en in practische levenswijsheid. Zij oefenden scherpe critiek op de van oudsher heerschende opvattingen en de eminentste van hen, Protagoras, trok zelfs het bestaan der goden in twijfel. Waarschijnlijk heeft de twijfel aan de realiteit der magie zich inzonderheid van hen uit in ruimeren kring verspreid.
Toch was het nog langen tijd veel meer de angst dan de twijfelzucht, die de houding van het groote publiek tegenover de magie bepaalde. Dit blijkt zonneklaar uit de beschouwingen dienaangaande van den dichterlijken denker, die voornamelijk door zijn stijl zulk eene bekoring op het nageslacht heeft uitgeoefend, dat hij ook nu nog door velen als de grootste Griek wordt beschouwd—Plato uit Athene (±427— ±347).
Plato toch geloofde niet alleen dat bij de graven wel eens "schaduwachtige verschijningen" van overledenen, die een te materiëel leven hadden geleid, gezien werden;[9] hij spreekt ook van eene "kunst der bezweringen", "die eene betoovering is van slangen, spinnen, schorpioenen en andere dieren en ziekten"[10] en van eene "zwarte" magie, zooals men nu zou zeggen, die zelfs gezondheid en leven bedreigt.
In zijn laatste werk "De wetten" heeft hij het o.m. over schade, door vergif of tooverij toegebracht (XI 932e-933e):
"Het feit dat er twee soorten van vergiftiging onder het menschelijk geslacht gebruikelijk zijn, maakt de uiteenzetting hieromtrent langdradig. De eene n.l. is die, welke op natuurlijke wijze door lichamelijke middelen den lichamen schade berokkent; de andere die, welke door middel van zekere tooverijen, bezweringen en boeiïngen, zooals men 't noemt, werkt en zoowel aan boosdoeners de overtuiging geeft, dat zij iets diergelijks vermogen, als aan anderen het geloof, dat zij in de ergste mate door diegenen, die vermogen te tooveren, schade lijden. Het is niet gemakelijk, er achter te komen, hoe het met deze en diergelijke dingen eigenlijk gesteld is, noch, als men er achter kwam, doenlijk, anderen daaromtrent op overtuigende wijze in te lichten. En ook is het een onbegonnen werk, menschen, die om diergelijke redenen argwaan tegen elkander koesteren, te willen voorlichten, en als ze bijgeval wassen beeldjes, 't zij bij hunne deuren, 't zij bij driesprongen, 't zij bij de grafmonumenten hunner ouders zien, hen aan te sporen, niets om al dat soort dingen te geven, daar ze toch geen duidelijk inzicht dienaangaande hebben. Wij maken de wet in kwestie tweeledig en gaan in de eerste plaats iemand—op welk van beide manieren hij ook trachte schade te berokkenen—verzoeken en aanraden niet te probeeren iets diergelijks te doen en niet het gros der menschen als kinderen schrik aan te jagen en bang te maken, noch ook den wetgever en rechter te noodzaken de menschen van diergelijke angsten te genezen, daar in de eerste plaats hij, die probeert in dier voege schade te berokkenen, niet weet wat hij doet, zoowel wat de lichamen betreft, als hij geen verstand heeft van geneeskunde, als wat de tooverijen betreft, wanneer hij geen wichelaar of teekenuitlegger is. De wet aangaande vergiftiging en tooverij luide aldus: Indien iemand door vergif een ander persoonlijk of diens slaven eene niet-doodelijke schade toebrengt, of zijn kudden of bijenkorven hetzij eenige andere hetzij doodelijke schade berokkent, moet hij, wanneer hij een geneesheer is en wegens gifmengerij wordt veroordeeld, met den dood worden gestraft; als hij echter een leek is, moet de rechtbank uitmaken, welke straf of boete hij dient te ondergaan. Als iemand echter den indruk maakt van door boeiïngen of aantrekkingen of zekere bezweringen of door welke hekserijen van dien aard ook, schade te hebben berokkend, moet hij, als hij een wichelaar of teekenuitlegger is, sterven, als hij echter zonder kennis van wichelarij wegens tooverschade wordt veroordeeld, moet ook aangaande hem de rechtbank schatten, welke straf of boete hem haars inziens moet worden opgelegd."
Hoogst kenschetsend is ook het volgende (X, 909a-c):
"Wie het bestaan van goden of hunne voorzienigheid loochenen of gelooven dat ze te verbidden zijn en voorts tot het dierlijke vervallen en, de menschen verachtende, velen van de levenden verleiden en beweren de gestorvenen op te roepen en belooven de goden over te halen, d.w.z. ze door offers en gebeden en bezweringen betooverende, en zoowel particulieren als geheele families en steden ter wille van 't geld probeeren te gronde te richten,—wie hieraan blijkt schuldig te zijn, dien veroordeele de rechtbank om, overeenkomstig de wet, in de gevangenis in 't binnenland te worden opgesloten en dat nooit eenig vrij persoon toegang tot hem hebbe en dat hij de voeding, hem door de mannen der wet bepaald, uit handen van slaven ontvange; als hij sterft, dan moet men hem buiten de grenzen werpen en hem de begrafenis ontzeggen. En als een vrije hem helpt begraven dan mag wie maar wil hem wegens goddeloosheid aanklagen."
Wie hier ook maar eenigszins objectief tegenover staat, zal moeten erkennen, dat zelfs "de goddelijke" Plato zich door bigotterie en staats-fanatisme op de treurigste wijze heeft laten verblinden. Het is toch al te naïef, een kwaadwillige vaderlijk te vermanen zijn evenmenschen vooral geen schrik aan te jagen, en te onzinnig, gevangenisstraf te eischen voor diegenen, die eene geheele stad trachten te gronde te richten, maar de doodstraf voor hen, die aan een bijenkorf eene niet-doodelijke schade toebrengen! Zeer zeker is het voor Plato eene verzachtende omstandigheid, dat hij niet de laatste hand aan dit werk heeft kunnen leggen, maar eene zware verantwoordelijkheid rust op hen, die zulk verward en verderfelijk geschrijf—men denke slechts aan de heksenprocessen—gedurfd hebben te publiceeren.
Van Aristoteles (384—322), den universeelen en tevens nuchteren man der wetenschap, werd, zooals wij in hoofdstuk V nader zullen zien, verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende, en dit stemt ook met hetgeen ons van hem is bewaard gebleven, goed overeen. Echter heeft hij in zijn geschrift "Over het voorspellen in den slaap" erkend, dat wij somtijds in onze droomen de toekomst vooruitzien en in c. 2 getracht, de meest raadselachtige gevallen aldus te verklaren:
"Evenals wanneer iets het water of de lucht in beweging brengt, het bewogen gedeelte weer een ander gedeelte in beweging brengt en wanneer dat tot rust is gekomen, het voorkomt dat zulk eene beweging tot een zeker einddoel voortgaat, hoewel hetgeen de beweging veroorzaakte niet meer aanwezig is, aldus is er niets tegen, dat zekere bewegingen en gewaarwordingen de droomende zielen bereiken...en hoe ze ook tot [ons] geraakt zijn, 's nachts meer waarneembaar zijn, doordat ze, wanneer zij zich over dag voortplanten, eerder opgelost worden (want de lucht is 's nachts minder in beroering omdat er dan meer windstilte heerscht) en in het lichaam tengevolge van den slaap eene gewaarwording veroorzaken, omdat de slapenden meer dan de wakenden ook de kleine inwendige bewegingen gewaar worden. Deze bewegingen veroorzaken voorstellingen, waaruit men de, toekomst aangaande de betrokken voorwerpen vooruitziet."
"Dat kennissen het meest de toekomst van kennissen vooruitzien, komt door het feit dat kennissen het meest over elkaar bezorgd zijn. Want evenals ze elkaar uit de verte zeer snel herkennen en gewaar worden, aldus worden ze ook de [bovenbedoelde] bewegingen snel gewaar, want de bewegingen, die van kennissen uitgaan, zijn gemakkelijker kenbaar".
Men heeft opgemerkt dat volgens deze ietwat duistere verklaring een zeker rapport tusschen kennissen zou bestaan en dat derhalve aan Aristoteles het geloof aan "telepathie", d.w.z. "gedachteoverbrenging" of juister de overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, niet vreemd zou zijn geweest. Van hoe groot belang dit voor ons onderwerp is, zal spoedig blijken.
De Atomisten, die de ziel verklaarden voor een aggregaat van stofdeeltjes dat zich tegelijk met de ontbinding van het lichaam zou oplossen, werden gewoonlijk mede onder hen gerekend, die de realiteit der magie loochenden. Echter trachtte Democritus (± 400 v. Chr.) de grootste der atomisten, het geloof aan het "booze oog", dat nu nog in de landen om de Middellandsche Zee sterk leeft, te rechtvaardigen door zijne leer der "Idolen", d.w.z. ijle beelden, die door de lucht zweven en verklaarde hij het alomverspreide geloof aan goden door de verschijningen van reusachtige en lang levende, schoon niet onsterfelijke "Idolen"[11]. Er waren dan ook willekeurige hypothesen en ingewikkelde redeneeringen noodig om te ontkomen aan consequenties, die tot de realiteit van geestverschijningen en tooverij voerden. Ja, Epicurus (341-270) die de atoomleer tot een ethisch systeem verwerkte en haar zulk eene groote populariteit deed erlangen, heeft, in zijn ijver voor de wilsvrijheid, de uitspraak gedaan: "Het ware beter zich aan de fabelleer over de goden te houden, dan slaaf te zijn van het noodlot der natuurkundigen, want de fabelleer geeft toch eenige hoop, de goden door eerbetooning te kunnen verbidden, maar het noodlot oefent een onverbiddelijken dwang uit[12]", een uitspraak, die met eene plat materialistische opvatting der dingen in onverzoenlijken strijd is.
De Cynici, d.w.z. Hondschen, aldus genoemd om hunne primitieve levenswijze, die vaak ook met goede zeden in botsing kwam, verstompten zich door hun hoofddogma van de zelfgenoegzaamheid der deugd den blik voor de fijnere verschijnselen van het zieleleven. De populairste vertegenwoordiger dier richting, Diogenes (tweede helft der vierde eeuw) verzekerde dat wij na den dood in 't geheel niets meer waarnemen[13], en dat hij, lettende op droomuitleggers, wichelaars en diegenen, die aan hunne woorden geloof slaan, niets zotters vond dan den mensch[14]. Geen wonder, dat de Cynici ook in latere eeuwen een verwoeden strijd voerden tegen alles wat naar magie en het soortgelijke zweemde.
De Sceptici eindelijk (sinds ongeveer 350 v. Chr.), die tengevolge van hun twijfel aan de juistheid van onze waarnemingen en redeneeringen ook de meest alledaagsche feiten op losse schroeven stelden, wilden van het wonderbaarlijke in 't geheel niets afweten; ook zij richtten hunne wapenen onvermoeid tegen de magie en hare voorvechters, waarbij zij zich o.m. niet ontzien hebben, een man als Pythagoras voor een bedrieger uit te maken[15].
De nuchtere, materialistische, van het ongewone afkeerige wijsgeeren voerden ruim twee eeuwen lang den boventoon, voornamelijk in de kringen der "intellectueelen." Het was een tijd van "verlichting."
Bij zulk eene mentaliteit tiert van alle litteratuur-genres de comedie het meest, die immers uitteraard vijandig staat tegenover het wonderbaarlijke.
Reeds Aristophanes (± 445 - ± 385), de beroemdste dichter der oud-Attische comedie, had herhaaldelijk den draak gestoken met de tooverkunst.
In zijn "Wolken" (423) neemt een oude boer, die diep in de schuld zit, zijn toevlucht tot Socrates en vraagt hem, hoe hij zich aan de uitbetaling van de renten zou kunnen onttrekken. Na lang praten raadt Socrates den boer aan, zich in te hullen en zelf iets uit te denken. De boer jammert, maar gehoorzaamt en roept v. 746 in eens uit:
"O beste Socrates!
Socrates. Wat is er, vadertje?
Boer. Ik heb iets bedacht om van mijne rente af te komen.
Socrates. Laat eens hooren.
Boer. Zeg mij eens—
Socrates. Wat?
Boer. Als ik eene Thessaalsche toovenares geld gaf, en de maan 's nachts omlaag haalde en ze vervolgens als een spiegel, opborg in eene ronde doos en goed bewaarde—
Socrates. Wat zou je dat helpen?
Boer. Wat? Als de maan nooit weer opkwam, zou ik geen rente behoeven te betalen.
Socrates. Hoe zoo?
Boer. Omdat de rente per maand wordt uitbetaald.
Een Grieksche maand liep nl. van de eene opkomende maan tot de volgende.
En in zijn laatste stuk, Plutus (388) bespot Aristophanes (v. 649-747) de wonderdadige genezing van den blinden Plutus (god van den rijkdom) op eene manier, die de ergste straatjongen hem niet had kunnen verbeteren.
In de latere comedieschrijvers wordt al spoedig de geest van Epicurus vaardig; ook Menander (± 343/2-± 291/0) de bekendste van allen maakt hierop geen uitzondering. Dit blijkt reeds uit de titels van sommige stukken als de "Demonenvreezer" en de "Thessaalsche", die blijkbaar tot hoofddoel hadden, het wonderbaarlijke en magische te bespotten.
Met dat al was de magie in die tijden voor de letterkundigen niet slechts een voorwerp van spot. Ook hare poëtische zijde oefende eene machtige bekoring uit en de grootste dichters hebben er partij van weten te trekken.
Euripides (±481-± 406), de fijngevoeligste en wetenschappelijkste der Grieksche tragici, koos tot onderwerp van zijn beroemdste drama de tooveres Medea (431).
Medea, evenals Circe eene figuur uit de mythologie, was de dochter van Aëtes, heerscher van het wonderland Colchis, aan de kust der Zwarte Zee en ten Zuiden van den Caucasus gelegen. Jason uit Thessalië kwam tot Aëtes om het gouden vlies op te eischen, maar de koning verklaarde dit slechts aan dengene te zullen uitleveren, die een allergevaarlijksten kampstrijd met goed gevolg zou hebben daarstaan. Medea vatte liefde voor Jason op en stelde hem door toovermiddelen in staat de bovenmenschelijke taak te volbrengen; toen Aëtes des ondanks met de uitlevering van het gouden vlies talmde, hielp zij Jason dit heimelijk te ontvoeren en vluchtte zij met hem naar Griekenland, waar zij tal van jaren samen een gelukkig leven leidden.
In zijn treurspel schetst Euripides hoe Jason Medea, aan wie hij zooveel te danken had, verstoot om met de dochter van een koning in 't huwelijk te treden. Medea, vastbesloten zich te wreken, veinst in haar lot te berusten en zendt zelfs de bruid kostbare kleeren en een gouden krans ten geschenke. De uitwerking dier geschenken wordt in het navolgende tot Medea gerichtte bodeverhaal (v. 1159-1221) aanschouwelijk beschreven:
"Zij [de koningsdochter] nam de bonte gewaden en deed ze zich om, zette den gouden krans op hare lokken, schikte het haar voor den glimmenden spiegel op en lachte haar zielloos evenbeeld toe. Vervolgens stond ze van haar zetel op, ging door 't vertrek heen, bevallig stappende met blanken voet, en, boven mate verblijd met de geschenken, draaide ze vaak het hoofd om, en keek naar haar opgeheven hiel. Wat er echter op volgde, was een verschrikkelijk tooneel om te zien. Ze verandert van kleur, gaat schuinschachteruit, bevende aan hare leden en ter nauwernood voorkwam zij een val door in den stoel neer te zinken. En eene oude dienares, in den waan, dat de toorn van Pan of van een ander god op haar neerkwam [en haar tot waanzin bracht] gilde een gebed uit, totdat ze zag hoe wit schuim uit den mond vloeide, hoe ze de oogpupillen verdraaide, en geen bloed meer in 't vleesch was; toen ging ze van 't gegil tot eene luide weeklacht over. Terstond rende de eene slavin naar 't huis van haar vader, de andere naar den bruidegom om te berichten, wat de bruid overkwam. Het geheele huis dreunde van al het geloop. En reeds zou een hardlooper in stagen draf het einddoel van een renbaan hebben bereikt, toen de rampzalige met een naar gesteun uit hare sprakeloosheid ontwaakte en het oog weer opensloeg. Een dubbel onheil bestookte haar; de gouden wrong om 't hoofd zond een wonderbaarlijken stroom uit van alverslindend vuur en de fijne kleeren, uw geschenk, verteerden het blanke vleesch der ongelukkige. In brand geraakt, vliegt ze op van haar stoel, schudt het haar en het hoofd nu herdan derwaarts heen en wil den krans afwerpen. Maar de gouden band bleef vastzitten en wanneer zij 't haar schudde, ontvlamde het vuur dubbel zoo erg. Zij valt op den grond, door 't onheil overweldigd, en behalve voor haar vader moeilijk te herkennen. De stand van hare oogen, de edele vorm van het gelaat waren verdwenen, bloed, met vuur vermengd, druppelde neer uit haren kruin en het vleesch viel, door den onzichtbaren beet van het vergif, van hare beenderen af, zooals hars uit een pijnboom druppelt—een ontzettend schouwspel. Schrik belette allen, het lijk aan te raken; haar afgrijselijk lot was voor ons eene waarschuwing. Maar de rampzalige vader, in zijne onwetendheid van 't onheil, komt plotseling binnen, werpt zich op 't lijk, weeklaagt luid, slaat de armen om haar heen, kust haar en spreekt haar toe: "O arm kind, welke demon heeft U zoo schandelijk doen omkomen? Wie maakt den grijsaard, van U beroofd, een graf gelijk? Wee mij, mocht ik maar met U sterven kind!" Toen hij echter met treuren en weeklagen ophield en zijn oud lichaam weer wilde opheffen, kleefde hij vast aan die fijne kleeren als de klimop aan een laurierspruit, en 't werd eene verschrikkelijke worsteling: hij toch wilde zijne knie opheffen, maar zij hield hem vast, en als hij zich met geweld wilde losrukken, scheurde hij het grijze vleesch van zijne beenderen af. Ten slotte bezweek hij en gaf den geest. Het onheil was hem te machtig. Daar liggen ze nu dood naast elkaar de dochter en de grijze vader, een ramp, die tot tranen roert."
Theocritus, de grootste bucolische, d.w.z. landelijke dichter (eerste helft der derde eeuw) beschrijft in zijne tweede ecloga "De toovenaressen", hoe een verlaten meisje haar geliefde door magie weer tot zich tracht te trekken. Zij bezigt tot dat doel allerlei toovergerei, voornamelijk echter den draaihals, reeds in ons eerste hoofdstuk vermeld. Vandaar het refrein in het gedicht, dat wij hier gedeeltelijk laten volgen:
"De toovenaressen.
Waar zijn me de laurieren? Thestylis, breng ze! Waar de tooverkruiden? Omkrans de schaal met de roode wol van een schaap, opdat ik den tegenover mij hardvochtigen man, dien ik toch zoo lief heb, moge boeien, die sinds twaalf dagen, o, die ellendeling! nog maar niet komt, en niet weet of ik gestorven ben of nog in leven en niet aan mijne deur heeft geklopt, die wreedaard! Heeft Eros, heeft Aphrodite zijn wuft gemoed elders heen gevoerd? Ik ga naar de worstelschool van Timagetos, morgen, om hem te zien, en zal hem verwijten dat hij zoo met mij omspringt. Nu echter zal ik hem door de kracht van het offer boeien. Maar gij, o Maangodin, blink schoon! Want U zing ik toe, o kalme godin, en U, onderaardsche Hecate, waarvoor ook de honden sidderen, als gij schrijdt door de graven om het donkere bloed te slurpen. Wees gegroet, o Hecate, schrikwekkende en sta mij bij, tot het einde toe, bewerk dat deze kruiden niet zwakker mogen zijn dan die van Circe noch die van Medea noch die van de blonde Perimede[16].
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Eerst moet het offermeel in 't vuur rooken. Maar strooi het er toch in, Thestylis! Ongeluk, waar zijn je hersens gebleven? Of steekt gij, vuilpoes, ook al den draak met mij? Strooi en zeg te gelijk dit: "Ik strooi de beenderen van Delphis."
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Delphis martelde mij. Maar ik brand tegen Delphis den laurier, en evenals deze, door het vuur gegrepen, luid kraakt en plotseling is ontvlamd en wij zelfs geen asch van haar zien, zoo moge ook het vleesch van Delphis in de vlam worden verteerd.
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Evenals ik dit was[sen beeld?] met de hulp der godin laat versmelten, zoo moge Delphis uit Myndos terstond door liefde versmelten. En evenals die bronzen toovertol door de kracht van Aphrodite wordt rondgedreven, zoo moge hij ronddraaien rondom mijn huis!
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Nu offer ik de klei. Gij, Artemis, zoudt zelfs het gevoellooze staal kunnen ontroeren en wat er verder onwrikbaar is—Thestylis, de honden huilen door de stad heen; de godin is op de driesprongen; sla gauw op het bronzen bekken!
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Zie daar! de zee zwijgt, de winden zwijgen, de smart echter in mijn borst zwijgt niet, maar ik verteer geheel van liefde voor hem, die mij, rampzalige, in plaats van zijne gade tot eene slechte deerne heeft gemaakt.
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Deze franje van zijn mantel verloor Delphis, die ik nu uiteen pluk en in het woeste vuur werp. O martelende liefde! hoe hebt gij als een bloedzuiger aan mij hangende al het donkere bloed uit het lichaam gedronken!
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Eene waterhagedis stamp ik fijn en breng U morgen een boozen drank. Thestylis, neem die tooverkruiden en besmeer daarmee van boven zijn deurpost zoolang het nog tijd is, en zeg, er op spuwende: "Ik vermorzel de beenderen van Delphis!"
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!"
Deze booze tooverij, het "envoûtement", dat bij vrijwel alle volkeren voorkomt, berust in de eerste plaats op het geloof, dat de mensch doortrokken is met eene soort zelfstandigheid, die ook op de voorwerpen overgaat, waarmede hij in aanraking komt. Door op die voorwerpen, zooals in het vermelde geval op een stuk van een kleed in te werken, meent men den persoon zelf te treffen, die verondersteld wordt er altijd in psychisch contact mede te blijven. Onwillekeurig denken wij hierbij aan het veelbesprokene "magnetische fluïde" en enkele onderzoekers hebben dan ook in die richting proeven genomen, uit welke zou zijn gebleken, dat het gebruik in quaestie, schijnbaar alleronzinnigst, toch nog op eenigen rationeelen grondslag zou berusten. Zeker is het, dat bij primitieve volkeren de suggestie zulk eene onweerstaanbare uitwerking heeft, dat menigeen, zoodra hij gelooft betooverd te worden, door de bloote angst ziek wordt en wegkwijnt. Maar het envoûtement veronderstelt nog een ander geloof, n.l. dat symbolische handelingen reëele gevolgen kunnen hebben, bijv. wanneer men, zonder iets te bezitten wat met het slachtoffer in aanraking is geweest, eene figuur ervan in het zand teekent en daarin met stokken prikt. Hierbij toch wordt blijkbaar aangenomen, dat de mensch het vermogen bezit om door wilsconcentratie een ander op afstand te deren, en tevens dat die wil door eene symbolische handeling tot hoogere kracht wordt opgevoerd. De echte telepathische experimenten in aanmerking genomen—niet de publieke vertooningen tegen entree, die onlangs zoo grooten opgang hebben gemaakt—zou iets dergelijks niet als onmogelijk te beschouwen zijn, maar toch altijd wel tot de grootste uitzonderingen behooren.
Apollonius uit Rhodus, een tijdgenoot van Theocritus, verhaalt in het derde boek van zijn epos "Argonautica" op uitvoerige en dichterlijke wijze, hoe de toovenares Medea (zie boven) liefde voor Jason opvat en hem de middelen aan de hand doet zich onkwetsbaar te maken, ten einde de hem wachtende kampstrijden met goed gevolg te kunnen doorstaan. De held gaat heen, om hare aanwijzingen ten uitvoer te brengen (v. 1191—1224):
"De avondzon dook in de duistere aarde weg achter de verstafgelegen bergkruinen der Aethiopiërs. De nacht legde hare paarden het juk op; de helden maakten hunne legersteden gereed bij de kabeltouwen. Maar zoodra de lichten van het schoonblinkende beergesternte overhelden en de lucht van af den hoogen hemel volslagen kalm was geworden, stapte Jason heimelijk als een dief naar de eenzaamheid, met al zijne benoodigdheden, want hij had overdag voor alles afzonderlijk gezorgd; een ooi en melk uit de wei kwam zijn makker Argos brengen; het overige nam hij uit het schip zelf. Maar toen hij een plek zag, die bezijden het pad der menschen lag, kalm te midden van zuivere beemden, baadde hij allereerst, overeenkomstig den ritus, zijne slanke gestalte in de goddelijke rivier, en omkleedde zich met den donkeren mantel, dien Hypsipyle uit Lemnos hem vroeger geschonken had als eene herinnering aan hunne innige liefde. Na vervolgens een kuil van eene el breedte in den grond te hebben gegraven, hoopte hij gekloofd hout op, sneed een lam de keel af en strekte het naar behooren over den kuil heen uit; hij stak de blokken van onder in brand en goot gemengde plengoffers uit, Hecate-Brimo [de geweldige] aanroepende als helpster bij de kampstrijden. En na die aanroeping ging hij weer terug; de geduchte godin echter, haar vernemende uit de diepste holen, begaf zich naar het offer van Jason toe; haar omkransden schrikwekkende slangen te midden van eikenloof; ontzaglijk straalde het licht der fakkels; onderaardsche honden deden om haar heen een scherp geblaf hooren. Alle weilanden langs het pad sidderden; de moerasbewonende nimfen, die rondom de beemden van den Phasisstroom zwieren, gilden het uit. Jason beving wel de vrees, maar desondanks zag hij niet om en zijn voeten droegen hem verder, totdat hij zich onder zijne makkers had gemengd; reeds wierp de in de vroegte geboren Dageraad verrijzende zijn licht over den besneeuwden Caucasus."
Het reinigingsbad heeft hier kennelijk bovenal de bedoeling, de booze demonen af te weren, die licht op den tooverende een schadelijken invloed vermochten uit te oefenen.
Ook elders is dit heldendicht, dat inzonderheid bij de Romeinen in groot aanzien stond en sterk werd nagevolgd, rijk aan verhalen over magie.
Dat men ook in die tijden van spot en scepticisme zich, hetzij voor goede, hetzij voor booze doeleinden van tooverij bediende, blijkt uit tal van gegevens.
In eene redevoering (na 327) die op naam van Demosthenes gaat en in elk geval tot de meest boeiende lectuur uit de oudheid behoort, t.w. eene aanklacht tegen den "chanteur" Aristogiton, vinden wij vermeld dat de Atheners de "giftmengster" Theoris, "de Lemnische" met haar geheele geslacht ter dood lieten brengen en wordt de broeder van Aristogiton ervan beschuldigd, door middel van eene slavin der tooveres hare kruiden en bezweringen te hebben overgenomen ten einde, naar zijn zeggen, daardoor o.m. lijders van de vallende ziekte te genezen. (I. Rede tegen Arist. c. 79 vlg.).
Aan koning Pyrrhus (gest. 272), den bekenden tegenstander der Romeinen, werd eene wonderbare geneeskracht toegeschreven:
"Men geloofde dat hij aan miltzieken genezing bracht door een witten haan te offeren en hun, terwijl zij achteroverlagen, met den rechter voet de milt zachtjes aan te raken. Niemand was zoo arm of onaanzienlijk, dat hem niet op verzoek die behandeling werd toegestaan. Pyrrhus kreeg dan ook den haan, wanneer hij hem geofferd had, en op dit eergeschenk was hij bijzonder gesteld. Men zegt ook, dat de groote teen van dien [rechter] voet eene goddelijke kracht had, zoodat hij na zijn dood, terwijl het overige lichaam verbrand was, ongedeerd en door het vuur onaangeraakt werd gevonden"[17].
De volkenkunde levert hiertoe tal van paralleles.
Bij de primitieve volkeren heerscht algemeen de overtuiging, dat hunne hoofden eene bijzondere kracht of zelfstandigheid bezitten, die men tegenwoordig gewoonlijk met een Polynesisch-Melanesisch woord "mana" noemt, door welke zij o.m. ook zieken vermogen te genezen. Van de hoofden op de Tonga eilanden (in de Stille Zuidzee) geloofde men, dat de aanraking van hun voet aan kliergezwellen en leververharding een einde maakte. Bij de Walos (aan den Senegal) brachten moeders hunne zieke kinderen naar de koningin, die ze plechtig met den voet op den rug, de maag, het hoofd en de beenen aanraakte. Hetzelfde geloof heerschte in Europa. Toen Waldemar I van Denemarken (1157-1182) door Duitschland reisde, brachten moeders hunne kinderen tot hem met het verzoek, zijne handen op ze te leggen, in de overtuiging, dat ze dan beter zouden groeien. Van de Engelsche koningen verwachtte men wonderdadige hulp tegen klierziekten. Koningin Elizabeth (1558-1603) oefende herhaaldelijk de gift der genezing uit. Karel I zou in 1633 op één dag honderd, zijn zoon Karel II in den loop van zijne regeering (1660-1685) ten naastenbij honderdduizend klierlijders hebben aangeraakt. Ook Fransche koningen traden als wonderdadige genezers op. Dat door de kracht der suggestie de koninklijke aanraking vaak zal hebben geholpen is niet onwaarschijnlijk; of echter ook nog het "magnetische fluïde" er wel eens bij in 't spel is geweest, moeten wij vooralsnog in 't midden laten.
Wij komen later nog op diergelijke wonderdadige genezingen terug.
Wat de booze tooverij betreft, zijn ons ook uit dien tijd verscheidene plaatjes, bijna allen uit lood, bewaard gebleven, waarop men vervloekingen kraste. Een voorbeeld hiervan is het navolgende, uit Attica, van omstreeks 300 v. Chr.
"Ik boei Theagenes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook van Pyrrhius den kok de handen en voeten, de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook de vrouw van Pyrrhius haar tong en haar ziel; ik boei ook Cercion den kok en Docimus den kok de tong en de ziel en het pleidooi dat zij voorbereiden; ik boei ook Cineas de tong en de ziel en het pleidooi dat hij met Theagenes samen voorbereidt; ik boei ook Pherecles de tong en de ziel en het getuigenis dat hij ten gunste van Theagenes aflegt; ik boei ook Seuthes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt en de voeten en de handen en de oogen en den mond; ik boei ook Lamprias de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt, de handen, de voeten, de oogen en den mond, al dezen boei ik, ik doe ze verdwijnen, ik stop ze onder den grond, ik spijker ze vast; en als ze voor de rechtbank en bij den scheidsrechter iets doen, mogen ze dan niet in aanmerking komen, noch in woord, noch in daad"[18].
Hier tracht men dus zijne tegenpartij in rechten te schaden en hoopt dat hetgeen met de plaat geschiedt, ook de personen zelf zal overkomen. De symboliek hierbij verraadt een uiterst naïeven gedachtengang. Lood is zwaar, dus moet het ook op een afstand een bezwarenden invloed uitoefenen. De spijker houdt vast, dus moet hij ook op afstand iemand vastleggen. Overigens verwijzen wij naar hetgeen reeds boven over het envoûtement is gezegd.
Meestal worden bij die vervloekingen ook de onderaardsche goden aangeroepen, zooals bijv. op de navolgende plaat uit de vierde eeuw:
"Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Parthenius en Apollonius, de zoons van Hagnotheus de tong en de ziel en de daden en de voeten en de plannen.
Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Euxenus de ziel en het lichaam en de voeten en de handen en de daden en de plannen en de tong totdat hij naar de onderwereld is neergedaald"[19].
Ook bij de Romeinen werd de tooverij gedurende die tijden evenzeer in practijk gebracht en ook bij hen ontbrak het niet aan vervolgingen van staats- en rechtswege.
In den loop van den tweeden Punischen oorlog waren de gemoederen door de voortdurende wisselingen van den krijgskans ten zeerste geschokt. Men nam de toevlucht tot allerlei uitheemsche plechtigheden; magiërs en profeten verkregen grooten invloed op het volk. Toen (in 213) gelastte de senaat, verontrust over de toenemende verwaarloozing van den Romeinschen eeredienst, de geschriften over magische en soortgelijke onderwerpen aan de overheid uit te leveren[20].
Ook kwam het wel eens voor, dat men een landman, wiens voorspoed te zeer in 't oog liep, er van beschuldigde, tooverkunsten te hebben aangewend, zooals blijkt uit navolgend feit, dat in het jaar 157 plaats vond.
"Toen C. Furius Chresimus, een vrijgelatene, van een zeer kleinen akker meer vruchten had geoogst, dan de naburen van de meest uitgestrekte velden, ontstond er een groote afgunst tegen hem, en beschuldigde men hem, dat hij andermans vruchten door booze tooverij verlokte [d.w.z. naar zich toe lokte]. Om die reden door een magistraat, Spurius Albinus, aangeklaagd, vreesde hij te worden veroordeeld en bracht, toen de volksvergadering [waarbij hij in beroep was gekomen] tot de stemming moest overgaan, al zijn akkergereedschap naar het forum [de vergaderplaats] en haalde zijne krachtige, welgevoede en goed gekleede slaven erbij, alsmede zijne voortreffelijk gesmeede ijzeren werktuigen, zware houweelen, geweldige ploeg en en doorvoedde runderen. Daarop zeide hij: "Dit zijn mijne booze toovermiddelen, medeburgers! En al mijn zwoegen, mijne nachtwaken en zweet kan ik U niet eens vertoonen noch naar het forum brengen". Hij werd met algemeene stemmen vrijgesproken[21]."
Er is hier, zooals wij zien, sprake van het verlokken, d.w. z. naar zich toe lokken, van andermans veldgewas; die term komt ook al voor in de wet der twaalf tafelen, die wij aan het einde van ons eerste hoofdstuk hebben vermeld. Hoe stelde men zich echter dat naar zich toe lokken voor? Toch wel niet zoo, dat de rijpe korenaren van het eene veld naar het andere overliepen, al wordt dan ook, zooals later blijken zal, iets dergelijks door dichters gezegd. Om ons een juist denkbeeld te vormen van hetgeen bedoeld wordt, moeten wij op het primitieve denken van landbouwende volkeren nader ingaan.
Zooals wij kunnen opmaken uit talrijke mythen en gebruiken, die zoowel in Europa als elders voorkomen, geloofde men van oudsher dat ook de planten en de oogst bezield waren. De "korenziel" is ook nog ten onzent bekend, zij het dan ook slechts als een onbegrepen overleefsel (survival). Deze ziel wordt veronderstelt in de laatste schoof te huizen, van daar dan ook dat bij een oogst allerlei gebruiken er mede zijn verbonden. Zeer vaak wordt van de laatste schoof eene pop gemaakt, de "graanmoeder", soms met vrouwenkleeren opgetuigd. Teneinde het volgende jaar een goeden oogst te hebben wordt de pop veelal met water besprenkeld, om door deze symbolieke handeling—men spreekt ook van "sympathetische magie"—een vruchtbaarmakenden regen te bezweren. De korenziel leeft naar men aanneemt het geheele jaar lang; door eenige graankorrels uit de laatste schoof met het zaaigraan te vermengen, is men zeker van de aanwezigheid der korenziel in den oogst van het volgende jaar. In onze Oost spreekt men van eene "rijstmoeder" als draagster van eene bezielende zelfstandigheid. De rijstmoeder, d.w.z. enkele halmen van weelderigen en eigenaardigen groei, bijv. van zeven geledingen, wordt met de noodige zorg naar huis gebracht en meestal op eene afzonderlijke plek in de schuur gezet. Zoolang men de rijstmoeder heeft, is men verzekerd van den overigen oogst.
Nemen wij dit alles in overweging, dan ligt het voor de hand, dat men volgens het aloude geloof door bezweringen en tooverijen niet alleen aan het veldgewas van een ander rechtstreeks schade kon toebrengen, maar ook diens korenziel naar zich toe kon lokken en zoodoende zich den oogst van zijn buurman toeëigenen. Dat de dichters, die evenmin als anderen, den oorsprong van het geloof in kwestie kenden, het verlokken van den oogst letterlijk opvatten om hetzij hunne fantasie, hetzij hunne ironie bot te vieren, kan geen verwondering wekken.
Er werden echter aan de magie ook gunstige werkingen toegeschreven. Zoo geloofde men o.a. dat hagelslag door tooverspreuken kon worden afgeweerd en dat bezweringen de kracht hadden wonden te heelen. De oude Cato (gest. 149), de conservatieve practicus bij uitnemendheid, geeft in zijn werk over den akker bouw (c. 160) den volgenden, overigens niet zeer duidelijken raad:
"Indien iets ontwricht is, zal het door deze bezwering genezen. Neem een groen riet, vier of vijf voet lang, splijt het midden door en laten twee mannen het tegen uwe heupen aanhouden. Begin met te bezweren. Motas, vaeta, daries, dardares, astataries, dissunapiter, totdat ze [de stukken riet] samenkomen, en zwaai er [het] ijzer over heen. Wanneer ze op deze wijze zijn samengekomen en het eene stuk het andere heeft aangeraakt, grijp dan dat met de hand en snijd het rechts en links af. Bind het vast aan de plek waar de ontwrichting of de breuk is, en deze zal genezen."
Blijkbaar is ook hier magische symboliek in 't spel; evenals de stukken riet worden samengevoegd, zullen, naar men gelooft, ook de beenderen weer samengroeien.
Het zwaaien van ijzer (blijkbaar het mes) was kennelijk tegen de booze geesten gericht, die, naar men meende, er voor bevreesd waren. Hierover later meer.
De tooverwoorden zelve, van wier uitwerking men ongetwijfeld het meeste verwachtte, zijn onverstaanbaar. Zijn het woorden uit eene oude, vergetene taal en dus een overleefsel? Het oeroude heeft van zelf al iets magisch. Of uit eene vreemde taal? Ook wat uit den vreemde komt, geldt vaak voor tooverkrachtig. Of zijn het willekeurige klankverbindingen? Ook dit is dikwijls in de magie het geval, vgl. slechts het ook ten onzent gebruikelijke hocuspocus en abracadabra. Wij komen op dit onderwerp later uitvoerig terug.
Het geloof aan de kracht van het "belezen" heeft zich in landelijke streken met groote taaiheid weten te handhaven. In West-Vlaanderen bestond nog niet lang geleden het gebruik, om, tot genezing van een verstuikten paardepoot, driemaal het kruisteeken er over heen te maken en daarbij de eerste keer aulé, de tweede keer aulelé en de derde keer super aulé te zeggen. En ten onzent wordt bij gevallen van ontwrichting en dgl. nog wel eens het volgende rijm uitgesproken:
"Dit arm of pootTh. Gomperz, Griechische Denker III (1909).
S. Seligmann, Der böse Blick u. Verwandtes(1910).
R. Wünsch, Die Zauberinnen des Theokrit, in Hessische Blatter f. Volkskunde, VIII (1909).
Frazer, The magic art, Vol I (1913).
A. de Rochas, L'extériorisation de la sensibilité, 5e uitg. (1899).
O. Berthold, Die Unverwundbarkeit in Sage u. Aberglauben d. Griechen, in Religionsgeschtliche. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Wünsch u. Deubner, XI Bd., 1 Hft. (1911).
R. Wünsch, Antike Fluchtafeln, in KI. Texte f. Vorles. u. Üb., hrg. v. H. Lietzmann, No. 20, 2e uitg. (1912).
E.N. Fallaize, s.v. Harvest, in Encyd, rel. eth. VI(1913).
Frazer, Spirits of the corn a. of the wild (1914).
A. Kruyt, Animisme i.d. Ind, archipel (1906).
Frazer, Balder the beautiful II (1914).
A. de Cock, Volksgebr. e. Volksgel, m. betr. t. Huisdieren, in Volkskunde, Tijdschr. v. Nederl. folklore, VII (1894).
De eerste eeuw vóór onze jaartelling kenmerkt zich o.m. door een steeds toenemend verzet tegen materialisme en scepticisme. De ingewikkelde atoomleer zoowel als de onvruchtbare twijfelingen lieten de dieper denkenden op den duur onbevredigd. Het Pythagoreïsme en het Platonisme herleefden. Het onzienlijke en buitengewone trok weer in verhoogde mate de aandacht. Posidonius (± 135—± 51), een der invloedrijkste denkers, de Leibniz der oudheid, evenzeer uitmuntende in de wiskundige wetenschappen als in de geschiedenis, hecht aan droomen en gelooft aan demonen.
De veranderde zienswijze der Grieksche denkers deed zich ook bij de Romeinen sterk gelden. Terentius Varro (116—27) "Rome's grootste geleerde", en geenszins blind voor de bedriegerijen op het gebied der tooverij, vermeldt als een feit, dat, toen de bewoners van Tralles (in Klein-Azië) door middel van magie den afloop van den oorlog met koning Mithradates (tusschen 88 en 63 v. Chr.) van Pontus (aan de Zuid-Oostkust van de Zwarte Zee) trachtten te weten te komen, de daartoe gebezigde knaap in water het beeld van den god Mercurius (Hermes) aanschouwde en de toekomst in 160 versregels voorspelde[22]. De Pythagoreeër Nigidius Figulus, een tijdgenoot van Varro en in kennis ter nauwernood bij hem achterstaande, bracht, door zekeren Fabius om inlichtingen gevraagd aangaande 500 denaren (zilverstukken) die hij verloren had, eveneens knapen door bezweringen in extase, waarin zij aanwezen, waar de buidel met een gedeelte der muntstukken begraven en hoe de rest verdeeld was, ook dat Cato (de jongere) een dier denaren had, en inderdaad erkende deze het muntstuk van een zijner slaven voor een offer aan Apollo te hebben ontvangen[23]. Van Vatinius, eveneens een Pythagoreeër, verzekert Cicero in de tegen hem gerichte redevoering (VI, 14, uit het jaar 56) dat hij de zielen uit de onderwereld opriep en de schimmen door het offeren van knapen gunstig stemde. Aangezien Cicero twee jaren later Vatinius heeft verdedigd, zal de laatstgenoemde gruwel wel niet als een bewezen feit zijn te beschouwen.
In de Romeinsche litteratuur dier tijden speelt de magie, inzonderheid voor erotische doeleinden, eene groote rol. Wij willen hiervan het o.i. meest belangrijke aanhalen.
De beroemdste Romeinsche dichter, de ernstige, verhevene en toch populaire Vergilius (70—19) volgt in zijn achtste herdersdicht (v 64—109) de idylle van Theocritus na, door ons in hoofdstuk II aangehaald. Ook hier weer is het eene verlatene minnares, die met medehulp van eene slavin, liefdestooverij verricht:
"Breng water en omwind dit altaar met een zachten band. Brand saprijke tooverkruiden en uitnemenden wierook, opdat ik beproeve mijn koelen echtgenoot door een magisch offer in hartstocht te doen ontvlammen; hier ontbreken slechts tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Tooverzangen kunnen zelfs de maan van den hemel omlaag trekken; door tooverzangen heeft Circe de makkers van Odysseus veranderd; de kille slang in de wei barst door tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Eerst bind ik deze drie draden van drie verschillende kleuren om uw beeld en voer dit driemaal rondom dit altaar; 't oneven getal behaagt aan de goden.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Amaryllis, leg drie knoopen in de drie kleuren, Amaryllis leg de knoopen en zeg: "Ik knoop de boeien van Venus!"
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Evenals deze klei hard wordt en dit was smelt door één en hetzelfde vuur, aldus moge Daphnis voor anderen gevoelloos worden, maar voor mij in liefde opgaan! Strooi gezouten meel en ontsteek de brosse laurier met aardpek! De gevloekte Daphnis brandt mij en ik brand dezen laurier op zijn beeld.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Zulk eene liefde als die eene vaars overmeestert, wanneer zij, door wouden en diepe bosschen heen, een stier zoekende, vermoeid en verloren naast eene waterbeek in het groene moerasriet neerzinkt en vergeet dat de late nacht haar terugroept: zulk eene liefde overmeestere Daphnis—en moge het niet bij mij opkomen hem te genezen!
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Deze kleeren liet de trouwelooze mij eens als dierbaar onderpand van hem achter, die ik nu onder den drempel zelf aan U, o aarde toevertrouw: dit onderpand staat mij borg voor Daphnis.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Deze giftige tooverkruiden, uit Pontus bijeengegaard, gaf Moeris zelf mij; Pontus is er rijk aan. Dikwijls zag ik Moeris door die kruiden een wolf worden en zich in de bosschen verbergen, dikwijls zielen uit de diepste graven opwekken en het veldgewas elders heenvoeren.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Breng asch, Amaryllis, naar buiten en werp ze over uw hoofd heen in de stroomende beek, maar zie niet om. Hiermede wil ik Daphnis aanvallen; hij geeft niets om goden noch om tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Zie! de asch heeft, terwijl ik draal met haar weg te dragen, van zelf het altaar met trillende vlammen aangetast; het zij een goed voorteeken! Er is zeker iets aan de hand; Hylax blaft op den drempel. Moet ik het gelooven, of droomen zij, die minnen, wakende?
Houdt op, mijn zangen, houdt op! Daar komt Daphnis al van de stad".
Hierbij enkele opmerkingen.
De symbolieke beteekenis van knoopen in de magie is gemakkelijk te vatten. Door het leggen van een knoop wil men boeien, wil men zekere handelingen van personen of uitwerkingen van voorwerpen verhinderen. Knoopen zijn dan ook vooral in de liefdestooverij gebruikelijk. Bij de Arabieren legt een meisje, om een man tot zich te trekken, knoopen in diens zweep. Volgens het oude volksgeloof kon eene heks door tooverij met knoopen een verderfelijken invloed op het huwelijksleven uitoefenen. Maar de macht van den knoop strekt zich nog veel verder uit. De Finsche toovenaars, heette het, vermochten door het leggen van knoopen den wind zelf vast te leggen. En onwillekeurig denken wij hierbij ook aan den Gordiaanschen knoop. Gordius toch, een der oudste koningen van Phrygië (in Klein-Azië) had, naar de overlevering luidt, een wagen aan Zeus, den hoogsten god, gewijd en aan dien wagen het juk met de dissel door een knoop verbonden, die niet gemakkelijk was los te maken. Een orakel verkondigde, dat diegene koning over Azië zou zijn, welke dien knoop vermocht te ontwarren. Alexander de Groote vervulde die godspraak door den knoop met het zwaard door te hakken[24]. Dat het getal drie en andere oneven getallen, eene groote rol in de magie spelen, is eveneens een feit. De toovergodin Hecate werd vaak met drie aangezichten afgebeeld. Herhaaldelijk wordt den toovenaar eene sexueele onthouding van drie dagen voorgeschreven. Mephisto moet drie keer door Faust worden uitgenoodigd, alvorens hij diens vertrek mag binnentreden. Voor eene zekere oproeping van den god Apollo was een lauriertak met zeven bladen vereischt[25]. De toovenaars op het schiereiland Malakka gebruiken zijden draden van zeven kleuren. In de Joodsche toovervoorschriften wordt ronduit verklaard, dat de even getallen beneden tien bepaald ongunstig zijn.
Het geloof, dat een mensch de gedaante van een wolf of ook wel van een ander dier kan aannemen, is bij zeer vele volkeren heerschende. In de zestiende en zeventiende eeuw beschouwde men den weerwolf als een dienaar des duivels en menigeen werd zoodoende het slachtoffer van den brandstapel. Dat de wolf in oude tijden aan primitieve volkeren een demonisch wezen toescheen en in verband werd gebracht met tooverij is geen wonder; voorts hebben ook krankzinnigheid en hallucinaties bij het geloof aan den weerwolf eene groote rol gespeeld.
Van tegenovergestelde strekking als de bezwering in het bovenvermelde herdersdicht is eene episode uit het vierde boek van de Aeneïde, het onafgewerkt tot ons gekomen heldendicht van Vergilius. De dichter laat aldaar (v. 478—498) Dido, de koningin van Carthago, gemarteld door eene noodlottige liefde voor Aeneas, die haar op goddelijk bevel verlaten moet, aldus tot hare zuster spreken:
"Ik heb een middel gevonden—wensch er mij geluk mee—dat mij hem [Aeneas] zal teruggeven of mij van mijne liefde zal bevrijden. Aan den rand van den Oceaan, waar de zon ondergaat, houdt het gebied der Aethiopiërs op, waar het hemelgewelf met zijne fonkelende sterren op de schouders van den ontzaglijken Atlas zich wentelt. Vandaar is eene priesteres van 't Massylische volk mij gewezen, die den tempel der Hesperiden en den boom met de gouden appelen bewaakte, die den draak aldaar voedde door hem vochtige honig[koeken] toe te dienen, bestrooid met slaapwekkenden papaver. Deze belooft door tooverzangen de harten van wie zij wil, van liefde te bevrijden, maar bij anderen eene felle hartstocht op te wekken, het water in de stroomen tot staan te brengen en de sterren te doen terugkeeren op hare baan. Zij roept de nachtelijke schimmen op. Gij zult den grond onder hare voeten hooren grommen en de esschen van het gebergte zien neerdalen. Ik roep de goden en U, geliefde zuster, tot getuigen, dat ik tegen wil en dank het wapen der magische kunst te baat neem. Richt gij in het geheim een brandstapel op 't binnenplein hemelhoog op en leg het zwaard van den man, dat hij, de booswicht, in mijn vertrek vastgehecht achterliet, en al zijne kleeren en het bruidsbed, mijn verderf, er boven op. De priesteres gebiedt mij, al wat mij aan dien verfoeilijken man herinnert, te vernietigen."
Ook hier weer eene symbolische handeling, waaraan eene reëele uitwerking wordt toegeschreven. Het vernietigen van voorwerpen die op eene ongelukkige liefde betrekking hebben, moet ook aan die liefde zelf voorgoed een einde maken.
Aan den wensch van Dido wordt voldaan en het verhaal gaat (v. 504—519) aldus door:
"Maar nadat op het binnenplein van 't paleis een ontzaglijke brandstapel uit blokken van pijnboom-en eikenhout hemelhoog was opgericht, versiert de koningin de plaats met guirlanden uit cyprèssentakken gevlochten en, met volkomen besef van wat zij gaat doen, legt zij de kleeren, het achtergelatene zwaard en het beeld van Aeneas op het rustbed [bovenop den brandstapel]. Er staan altaren rondom en de priesteres, met loshangende haren, roept driemaal het honderdtal goden, den Erebus, de Chaos, de driedubbele Hecate, de drie aangezichten van de maagd Diana met bulderende stem aan. Ook had zij vocht gesprenkeld, dat water uit het meir Avernus moest verbeelden en kruiden bijeengegaard, afgesneden bij maneschijn met bronzen sikkel, tierige kruiden vol van zwart venijn.... Dido zelf stond naast het altaar, met het offermeel in de reine handen, één voet ontbloot, in een los kleed en riep, den dood voor oogen, de goden tot getuigen aan".
Dido, die slechts voor den schijn die magische handelingen laat verrichten, stort zich ten laatste in het zwaard van Aeneas en de brandstapel wordt ontstoken.
Dat ook aan het getal honderd eene bijzondere uitwerking werd toegeschreven, blijkt uit den grooten Parijschen tooverpapyrus v. 252, waar sprake is van een magischen godennaam, die uit honderd letters bestaat.
Bij het meir Avernus, dat in Campanië te midden van huiveringwekkende bosschen lag, was, naar men beweerde, een toegang tot de onderwereld; vandaar dat dit meir bij de magie dikwijls ter sprake kwam, zooals wij nog herhaaldelijk zullen zien.
De symboliek van het loshangende haar, den ontblooten voet en het ontgordelde kleed is vrij duidelijk. Al hetgeen boeit zou bij deze plechtigheid hinderlijk zijn, waar het geldt den knellenden band der liefde los te maken. Maar ook bij andere magische handelingen komen dezelfde gebruiken voor, blijkbaar oorsponkelijk met de bedoeling om de raadselachtige kracht, waarvan reeds in hoofdstuk II sprake is geweest, ongestoorder te laten werken; later is dit alles een bloot overleefsel.
Ook Medea laat, zooals wij straks zullen zien, bij bezweringen het haar neerhangen. Van Apollonius van Tyana (in Klein-Azië) een der beroemdste magiërs, wordt verzekerd, dat hij dit gebruik zijn leven lang in acht nam[26]. Bij de Mohammedanen laat de geestenbezweerder het haar loshangen en hetzelfde doen ook de tooverartsen in het Zuiden van Vóór-Indië.
Wat de ontblooting van één voet betreft, heeft men op eene Grieksche vaas eene afbeelding gevonden van een man met zijn ontblooten rechtervoet op de huid van een offerdier en met zijn geschoeiden linkervoet op den grond[27]. De tweehonderd Plataeers, die in den Peloponnesischen oorlog door de linies der hen belegerende Spartanen heenbraken, hadden slechts hun linker voet geschoeid[28]. Blijkbaar was het een aloud gebruik, eene soort wijding, door diegenen in acht genomen, die een levensgevaarlijk waagstuk beproefden.
Vastgeknoopte kleeren en gordels werden over 't algemeen bij tooverhandelingen als hinderlijk beschouwd. Vandaar dat bijv. ook Medea, zooals spoedig blijken zal, hare kleeren los draagt. Bij het exorcisme, d.w.z. de uitbanning van booze demonen, mocht, volgens het Joodsche gebruik, de patiënt slechts één gewaad, en wel zonder gordel, dragen. Opmerkelijk is ook, dat te Rome de Flamen Dialis, een der hoogste priesterlijke ambtenaren, geen knoop in zijn kleedij mocht dragen en dat de Mohammedaansche bedevaartgangers bij hun tocht naar Mekka hetzelfde gebruik in eere houden.
De Epicurist Horatius (65—8 v. Chr.), zanger van wijn, liefde en vaderlandsche deugd, tracht op alle mogelijke manieren de magie hatelijk en bespottelijk te maken. Herhaaldelijk richt hij aanvallen tegen eene zekere Canidia, waarvan wij in 't midden willen laten of zij al dan niet eene historische persoonlijkheid is geweest. O.m. beschrijft hij in zijn vijfde "Epode" op allergriezeligste wijze hoe een geroofde knaap van voornamen stand door Canidia en hare helpsters, Sagana, Veia en Folia, wordt doodgemarteld (15—38):
"Canidia, het onopgeschikte hoofdhaar omwonden met gezwollen adders, gebiedt wilde vijgeboomen, uit graven opgewoeld, doodsche cypressen, veeren en eieren van de gekuifde uil, besmeerd met het bloed van de afschuwelijke pad en kruiden uit Thessalië en Iberië [Georgië], vruchtbaar aan vergiften, alsmede beenderen, ontrukt aan den muil van eene hongerige teef, in Colchische [magische] vlammen te verbranden. Maar Sagana, opgeschort, sprenkelt door het geheele huis heen water uit den Avernus en lijkt met haar te berge rijzend haar op een zeeëgel of op een rennend everzwijn. Veia, door geen gewetenswroeging afgeschrikt, groef, al hijgende van 't werk, met haar hard houweel een kuil, opdat de knaap, er ingegraven en met zijn mond er boven uit stekende als een zwemmer, die slechts met zijn kin zich boven 't water verheft, door den aanblik van twee- of driemaal in den loop van den langen dag verwisseld eten zou wegsterven, opdat zijn uitgesneden merg en dorre lever voor de bereiding van een minnedrank zouden dienen".
Bij de magie is wel eens meer sprake van kinderoffers. Op eene afbeelding, die ons uit de oudheid is overgebleven, schijnt het offeren van een kindje te worden voorgesteld[29]. In een tooverpapyrus wordt voorgeschreven, hoe men, om eene vrouw in zijn macht te krijgen, den toorn van de maangodin tegen haar moet opwekken: men moet haar nl. beschuldigen dat zij o.m. een ongeboren of een jong kind offert[30]. Dit is, zooals van zelf spreekt, slechts eene fictie. Daar echter het griezelige eene zekere bekoring heeft, achtte men ook later nog de tooverij met het offeren van kinderen en soortgelijke gruwelen verbonden. Vooral in het heksengeloof speelt dit eene rol, zooals men o.m. kan opmaken uit de bereiding van het tooverbrouwsel in de vierde akte van "Macbeth", waarbij onder andere zonderlinge en onsmakelijke ingrediënten ook de vinger van een bij de geboorte vermoorden zuigeling voorkomt.
Met groote ironie verklaart de dichter, in de zeventiende epode, dat hij voor de tooverkunsten van Canidia zwicht:
"Reeds geef ik het gewonnen aan Uwe krachtige wetenschap, ik bid en smeek U bij het rijk van Proserpina, bij de niet aan te tasten majesteit van Diana, bij de boeken met tooverzangen, die de gesternten, aan den hemel vastgehecht, vermogen omlaag te roepen, Canidia, houd eindelijk op met Uwe bezweringen en laat den vluggen toovertol achteruit draaien [ten einde de betoovering daardoor op te heffen] (v. I—7)".
"Ik ben te over reeds door U gestraft, o veel geliefde van matrozen en straatventers! Gevlucht is mijn jeugd en de blozende kleur verliet de beenderen, omhuld met eene vaalbleeke huid; mijn haar is grijs geworden door Uwe tooverwalmen; geen rust ontspant mij van het werk, de nacht verjaagt den dag, de dag de nacht en mijne benauwde borst vindt geen verlichting. Dus word ik, rampzalige, gedrongen om te gelooven wat ik ontkende, dat Sabellische bezweringen de borst tot in het diepst schokken en je hoofd vaneen splijt door een Marsisch tooverlied. Wat wil je meer? (v. 19—30)."
Aan de Sabellen en Marsen, volksstammen in Midden-Italië, van oudvaderlijken eenvoud, schreven de verfijnde Romeinen het bezit van tooverkrachten toe. Ook dit verschijnsel is zeer opmerkelijk. Volkeren van eene "hoogere cultuur" zijn licht geneigd aan te nemen, dat volkeren die, zooals het heet, "op een lageren trap van ontwikkeling staan," in de magie uitmunten. De Hindoes beschouwden de oerinwoners van Indië als toovenaars en zoo ook de Zweden de Finnen. De Hollanders vermoeden vaak bij de Javanen het bestaan van eene "stille kracht". En het is dan ook niet onmogelijk, dat volkeren, die te kort schieten in het uitdenken van machinerieën—dit toch beschouwt men gewoonlijk als het meest sprekende kenmerk van eene "hoogere cultuur"—daarentegen meer begaafd zijn met zekere geheimzinnige krachten die het wezen uitmaken der magie.
En eindelijk worden in eene satire (I, 8) Canidia en Sagana, die 's nachts er op uit gaan om dooden te bezweren, door Horatius op zulk eene wijze gehoond, dat wij de reproductie ervan maar liever achterwege laten, en met de opmerking volstaan, dat de bestrijders der magie het zoo nauw niet nemen.
Ovidius (43 v. Chr.— ± 17 n.Chr.), de meest ingenieuze en meest irreligieuze van alle Romeinsche dichters, steekt althans op minder onhebbelijke wijze den draak met de tooverkunst. Hooren wij, uit een zijner minnedichten (I, 8,5—16) de navolgende beschrijvingvan eene oude koppelaarster, tevens magicienne:
"Zij kent de tooverkunsten en de zangen van Circe; zij doet de snelle wateren zich terugbochten naar hunne bron; zij weet goed wat een kruid, wat een band, rondom een draaienden toovertol gewonden, vermag; ... als zij wil, hoopen zich wolken aan den geheelen hemel op; als zij wil, blinkt de dag aan den helderen trans. Bloed zag ik, (zou je 't gelooven?), van de sterren neerdruppelen; het gelaat der maan was purpurrood van bloed. Ik vermoed, dat zij, van gedaante veranderd, door de nachtelijke schaduwen vliegt en dat haar oud lichaam zich met veeren overdekt; ik vermoed het, en 't wordt beweerd; ook schittert eene dubbele pupil in hare oogen."
Dit laatste is ons ook van de Thibii, eene volksstam aan de Zwarte Zee, bericht, van wie men verder vermeldde, dat zij de macht van het booze oog (vgl. II) uitoefenden en in 't water niet onderzonken[31] .
In zijn "Remedie tegen de liefde", overigens "een geneesmiddel erger dan de kwaal", keurt hij (248—260) het gebruik van magische middelen af:
"Meent iemand, dat de booze kruiden van het Thessalische land en de magische kunsten hulp kunnen brengen, dan zie hij wel toe! Dat is de oude manier van giftmengerij: mijne muze biedt met hare gewijde zangen eene onschuldige hulp. Volgt gij mij, dan zal geen schim op bevel uit den grafheuvel te voorschijn treden; geen tooverkol zal door gruwelijke bezwering den grond doen splijten; geen veldgewas zal van den eenen akker naar den anderen over gaan; en de zonneschijf zal niet plotseling bleek zien. De Tïber zal, als gewoonlijk, naar de wateren der zee loopen, de maan als gewoonlijk, met een sneeuwwit span voortrijden. Geen hart zal door bezweringen van kommer verlost worden, geen liefde voor brandende zwavel op de vlucht slaan ..."
Men schreef nl. reeds in overoude tijden aan zwavel eene reinigende kracht toe en ook in de liefdestooverij werd er gebruik van gemaakt.
Ovidius verklaart verder (v. 289 vlg.):
"Wïe gij ook zijt, die hulp verlangt van onze kunst, ontzeg aan giftmengerij en tooverzangen geloof."
Maar met dat al was de magie als litterair onderwerp ook voor hem onmisbaar. Het werk, waaraan hij bovenal zijn naam te danken heeft, zijn immers de "Metamorphosen," d.w.z. gedaantewisselingen, eene reeks verhalen uit de mythologie, die telkens met verandering van lichaamsvormen, dus met tooverij, eindigen. En de episode van Medea is zeer zeker niet de minste in dit bij uitstek kleurrijke en schilderachtige dichtwerk. Eén greep (VII, 180-188):
"Toen de maan in haar volsten glans en met gevulde schijf op de landen neerzag, verliet Medea het huis, gehuld in ontgordelde kleeren, één voet ontbloot, de haren over de naakte schouders neergolvende; onverzeld gaat ze met zwervende schreden door de stomme stilte der middernacht; diepe rust had menschen, gevogelte en wilde dieren ontspannen; de heggen zijn zonder gefluister; onbewogen zwijgt het loof; de vochtige lucht zwijgt; de sterren alleen flikkeren."
Hierbij eene opmerking.
Er is hier sprake van "ontbloote schouders." Diergelijke ontblootingen en zelfs algeheele naaktheid komen bij de tooverij meer voor. In een fragment uit eene Grieksche tragedie wordt uitdrukkelijk gezegd, dat Medea naakt de benoodigde tooverkruiden maait[32]. Op eene vaas vindt men afgebeeld, hoe twee naakte toovenaressen de maan omlaag halen[33]. In de tooverpapyri wordt voorgeschreven, dat de knaap, die bij zekere handelingen onmisbaar is, naakt moet zijn[34]. Bij het exorcisme, dat aan den doop voorafging, moest oudtijds, inzonderheid volgens het ritueel der Grieksche kerk, de doopeling ontkleed worden. Dit alles sluit goed aan bij het boven vermelde feit, dat men knoopen en gordels bij tooverhandelingen ongewenscht achtte: het geheimzinnige "mana" immers moet zoo vrij mogelijk kunnen werken.
De liefdestooverij was meer dan eene bloote litteraire fictie.
Tooverdranken waren ook toen veel in gebruik en er wordt zelfs vermeld, dat Lucretius Carus (± 97 v. Ch.—55(?) v.Ch.) door het toedienen ervan in zijne geestvermogens zou zijn gekrenkt en derhalve zijn beroemd leerdicht "Over de natuur der dingen", eene uiteenzetting van Epicurus' systeem slechts in zijne heldere oogenblikken zou hebben geschreven. Men heeft wel is waar dit bericht in twijfel getrokken, maar er zijn omstandigheden, die sterk voor de waarheid ervan pleiten: het gedicht is niet alleen onvoltooid, maar heeft ook verscheidene lacunes en plotselinge overgangen; daarenboven doet de inhoud er onwillekeurig aan denken, dat de auteur aan hallucinaties leed, 't geen immers met groote dichterlijke begaafdheid best kan samengaan.
Maar ook andere tooverijen werden blijkbaar herhaaldelijk in practijk gebracht.
Van Catilina, een energiek, maar ook onbesuisd man, die in 63 v. Chr., zooals bekend, eene poging deed om de regeering te Rome omver te werpen, vertelden sommigen, dat hij, na het houden van eene opruiende toespraak, om zijne deelgenoten nauwer aan zich te verbinden, menschenbloed, met wijn vermengd, in bekers liet rondreiken; eerst nadat ze onder vervloekingen, zooals deze bij zekere plechtigheden gebruikelijk waren, den drank hadden geproefd, zou hij hun zijn plan hebben geopenbaard.
Aldus de geschiedschrijver Sallustius (87—35 v. Chr.), die echter verklaart, geen genoegzame bewijzen ervoor te hebben (Samenzw. v. Cat. 22), terwijl een later auteur zelfs verhaalt, dat de saamgezworenen een kind slachtten en bij de ingewanden ervan den eed aflegden[35]. Dat men zich door het storten en ook wel door het drinken van bloed tot trouwe kameraadschap verplichtte[36], kwam meer voor en zoodoende zou het bericht omtrent Catilina eene kern van waarheid kunnen bevatten zonder dat men daarom noodzakelijkerwijs aan het allerergste behoeft te denken.
Hoe het zij, de vrees voor de magie was zoo groot, dat men herhaaldelijk van overheidswege er maatregelen tegen nam. Onder Augustus werden door zijn alvermogenden gunsteling, Vipsanius Agrippa, de toovenaars en de vaak met hen op ééne lijn gestelde sterrewichelaars, uit Rome verdreven (33 v. Chr.)[37]. En in 't jaar 28 v. Chr. moest Anaxilaos uit Larissa (in Thessalië), "een Pythagoreeër en magiër", Italië verlaten[38].
Maar ook de vervolgers onthielden zich niet van occultistische, resp. magische practijken. Agrippa zelf had samen met Octavianus, zooals hij oorspronkelijk heette, zich den horoscoop laten trekken[39], en de keizer droeg, ten einde niet door den bliksem te worden getroffen, altijd en overal het vel van een zeekalf bij zich als afweermiddel[40].
Het optreden van Agrippa had niet, of slechts tijdelijk, het gewenschte gevolg: onder keizer Tiberius moesten (waarschijnlijk in 16 n. Chr.) de astrologen en magiërs wederom uit Italië worden verjaagd. Zelfs werd één hunner, L. Pituanius, van de Tarpejische rots afgeworpen (de straf op hoogverraad) en lieten de consuls P. Marcius buiten de Esquilijnsche poort (aan de Oostzijde van Rome), na met trompetgeschal het sein te hebben gegeven, op de ouderwetsche manier, d.w.z. door geeseling en onthoofding, terechtstellen. Aldus bericht de beroemde geschiedschrijver Tacitus in zijne Annalen (II, 32).
Meer opzien baarde, in 't jaar 20 n. Chr., het proces van Piso, dien men beschuldigde, Germanicus, een neef van den keizer en een zeer populair veldheer, door vergif uit den weg te hebben geruimd. "Er werden", zooals Tacitus in Ann. (II, 69) verzekert, "op den grond en bij de muren overblijfsels van opgegravene menschelijke lichamen en tooverspreuken en vervloekingen en de naam van Germanicus op looden tafels ingekrast en halfverbrande asch met smetstof bestreken en andere toovervoorwerpen gevonden, waardoor men gelooft dat zielen aan de onderaardsche machten gewijd worden". Piso, hoewel hij openlijk zijne vijandschap tegen Germanicus had betuigd, ontkende hem te hebben vergiftigd, maar pleegde, aan zijne vrijspraak wanhopende, zelfmoord.
Men verzekert verder, dat Tiberius zelf vrij was van angstvallige gelooverij, maar toch de astrologie beoefende (Ann. VI,20 vgl.), en, als er onweer dreigde, voor de securiteit een laurierkrans op het hoofd droeg[41], omdat men geloofde, dat dit loof door den bliksem niet wordt getroffen.
Er is een factor, die reeds lang in werking, zich van die tijden af met groote kracht doet gelden, nl. de invloed van Oostersche gedachten, gebruiken, godsdiensten, eene strooming, aan welke men den naam Oriëntalisme heeft gegeven.
De Romeinen, tot dusver onweerstaanbaar voortdringende, hadden eindelijk in 't Oosten een tegenstander gevonden, dien ze niet vermochten te overweldigen: de Parthen. De schitterende overwinning, door de Parthen in 53 v. Chr. op Crassus behaald, die tengevolge hiervan met leger en al zijn ondergang vond, is een keerpunt in de geschiedenis. En terwijl het Romeinendom aldus door het Oosten op het slagveld werd gestuit, onderging het tevens in steeds toenemende mate den invloed van het Oosten op geestelijk gebied. Het is geen toeval, dat de invloedrijkste denker der eerste eeuw v. Chr., Posidonius (reeds in 't begin van dit hoofdstuk genoemd) uit Syrië afkomstig was. Aan Posidonius bovenal is het o.m. toe te schrijven, dat eene door en door Oostersche leer, de astrologie, in Rome tot aanzien kwam. Zooals wij zagen, werd de astrologie door de wetgevers met de magie op ééne lijn gesteld, en inderdaad kwamen beide niet slechts vaak met elkaar in aanraking, maar versmolten zij ook herhaaldelijk met elkaar, zooals nog later zal blijken.
De Oostersche godsdiensten wonnen, om het zoo uit te drukken, met den dag veld, al verzetten ook de ouderwetsch gezinde Romeinen er zich met hand en tand tegen en al deinsden zij zelfs voor vervolgingen niet terug.
In de eerste plaats was het de "Alexandrijnsche" religie, die, op instigatie van koning Ptolemaeus I (± 300 v. Chr.) uit Egyptische en Grieksche bestanddeelen samengesteld, zich reeds vroeg over de Helleensche en Romeinsche wereld ging verspreiden.
De Egyptische godsdienst, dien wij, tengevolge van de talrijke ons bewaard geblevene gedenkstukken, zelfs wat kleine bijzonderheden betreft, vrij nauwkeurig kunnen reconstrueeren, was in wezen magie.
Het geloof, dat men door zekere woorden en handelingen invloed vermag uit te oefenen op de onbezielde zoowel als op de bezielde wezens, heerschte van af de oudste tijden bij de Egyptenaren en was met al hun doen en laten innig verbonden.
En evenals de menschen, weten ook de goden zich niet te helpen zonder magie; ook zij hangen zich amuletten om, om zich te beschermen en gebruiken tooverformulieren om elkaar te bedwingen. Allermerkwaardigst is bijv. het navolgende verhaal, dat wij sterk verkort, maar toch zooveel mogelijk met de woorden van het oorspronkelijke weergeven, hoe n.l. de godin Isis, die de kennis heeft van geweldige tooverformulieren, den zonnegod Rē zijn diepste geheim weet te ontlokken.
Rē was oud geworden en leed aan de gebreken van den ouderdom. Het speeksel droop uit zijn mond op den grond neer. Isis mengde dit met aarde, vormde er eene slang van en legde die neer op de plek, waarlangs Rē zou voorbijkomen. De zonnegod werd door de slang gebeten; de adem des levens verliet hem; zijne kaken trilden en al zijne ledematen beefden. Het vergif verspreidde zich door zijn geheele lichaam, evenals de Nijl door de landstreken van Egypte. Rē riep de goden om hulp aan: "O gij goden, die uit mij zijt ontstaan! Eene verschrikkelijke ramp heeft mij getroffen. Mijn hart voelt haar, maar mijne oogen zien haar niet; ik weet niet wie mij dit heeft aangedaan. Nooit heb ik zulk eene pijn gevoeld; geen ziekte kan meer wee veroorzaken als dit. Ik ben een vorst, de zoon van een vorst, ik heb menigten van namen en menigten van gedaanten; mijn wezen is in ieder god. Ik kwam te voorschijn om neer te zien op hetgeen ik had gemaakt, ik schreed door de wereld, die ik geschapen had, toen iets mij stak, maar ik weet niet wat. Brengt tot mij mijne kinderen, de goden, die woorden van macht en de taal der magie bezitten, en monden die weten hoe ze uit te spreken". De kinderen van iederen god kwamen en ook Isis kwam, met zich brengende hare woorden van magische kracht; haar mond was vol van den adem des levens, want hare amuletten overwinnen de pijnen der ziekte en hare woorden doen weer herleven de kelen van hen die gestorven zijn. En zij zeide: "Wat is er gebeurd, o heilige vader? Heeft eene slang U gebeten en heeft een ding dat gij geschapen hebt, zijn hoofd tegen U opgeheven? Voorwaar het zal neergeworpen worden door mijne machtige woorden en ik zal het wegdrijven buiten het bereik van uwe stralen". De heilige god zeide: "Ik ging langs mijn pad om te zien wat ik geschapen had, toen ik gebeten werd door eene slang, die ik niet zag. Is het vuur? Is het water? Ik ben kouder dan water en gloeiender dan vuur. Mijn oog heeft geen kracht, ik kan den hemel niet zien; het zweet loopt van mijn aangezicht als in den zomertijd". Toen zeide Isis tot Rē: "Noem mij uwen geheimen naam, heilige vader, want al wie bevrijd zal zijn door uwen naam, die zal leven". Rē gaf toen allerlei namen op, maar het vergif werd niet uit zijn lichaam weggenomen; het vrat dieper door en de groote god kon niet langer gaan. Toen zeide Isis tot Rē": "Wat gij gezegd hebt, is niet uw ware naam. Noem hem mij en het vergif zal verdwijnen". Eindelijk gaf de groote god toe, dat zijn naam in Isis zou overgaan en Isis, de heerscheres over woorden met tooverkracht, zeide: "Wijk, vergif, ga weg van Rē. Ik ben het die het overwonnen vergif ter aarde doe neervallen, want de naam van den grooten god is van hem genomen. Moge Rē leven en het vergif sterven! Moge het vergif sterven en Rē leven". Dit waren de woorden van Isis, de machtige heerscheres, de meesteres der goden, die Rē bij zijn eigen naam kende.
Dat speeksel aarde vermag te bezielen, berust op het reeds in hoofdstuk II vermelde geloof aan het "mana", eene kracht of zelfstandigheid, waarmee het lichaam van goden en bevoorrechtte menschen zou zijn doortrokken en die ook buiten de sfeer van het lichaam om, drager van het psychische zou blijven. De wonderdadige werking van speeksel zal ook later nog wel eens ter sprake komen.
Veel belangrijker echter is de rol, die de naam in de tooverkunst speelt. En het is dan ook volstrekt geen wonder, dat de naam, de kortste vertegenwoordiger van iemands persoonlijkheid, van de oudste tijden af aan tooverkracht scheen te bezitten. Volgens het primitieve denken is de naam een deel, en wel een belangrijk deel van dengene die hem draagt. Hij is een dubbelganger en tevens ten nauwste met zijn drager verbonden. Zoo kwam men er toe om aan kinderen, ja ook aan steden, een geheimen naam te geven, waarop een kwaadwillige en een vijand geen vat zou kunnen hebben. Bovenal echter kan de naam van een god niet zonder uitwerking worden uitgesproken; de god is verplicht er antwoord op te geven en te handelen overeenkomstig den eisch van wie hem aanroept.
Zoo was ook van ouds her een mysterie verbonden met den naam van den god der Hebreeën; slechts in zeer bijzondere omstandigheden mocht men hem op de lippen nemen en vandaar dan ook het uitdrukkelijk verbod: "Gij zult den naam Uws Gods niet ijdellijk gebruiken", een verbod, dat thans, nu men den magischen achtergrond ervan niet meer voor oogen heeft, maar al te vaak wordt overtreden.
En toch is ook heden ten dage het geloof aan de mysterieuze kracht van den naam nog niet geheel verdwenen; nog zijn sommigen er van overtuigd, dat onze namen een geheimzinnigen invloed zouden uitoefenen op onze lotgevallen en telkens weer hoort men den spreuk aan voeren: nomen est omen, d.w.z.de naam is een voorteeken.
Van alle Egyptische goden traden reeds in oude tijden Isis en Osiris sterk op den voorgrond. De mythen aangaande hen zijn ons echter in haren samenhang slechts in het verhaal bij Plutarchus (± 100 n. Chr.) overgeleverd[42], die wel is waar klaarblijkelijk uit goede bronnen put, maar zich wel eens tendentieuze uitleggingen veroorlooft. Volgens de traditie was Osiris, de weldadige god, door zijn broeder Set (of, zooals de Grieken hem noemden, Typhon), de verpersoonlijking van het booze, verraderlijk omgebracht en in veertien stukken verscheurd, maar door de bezweringen van zijne gade Isis en hun zoon, Horus, weer samengevoegd en tot het leven teruggeroepen geworden. Het menschelijke tot het goddelijke verheffende, ging men iederen overledene als een Osiris beschouwen, die door de bezweringen van zijn zoon als van een anderen Horus, het eindelooze leven verkrijgt. En nog verder in die richting doorgaande geeft de magiër vaak zich zelf voor den een of anderen god uit, teneinde door den goddelijken naam zijn wil grootere kracht bij te zetten.
Enkele voorbeelden:
"Ik ben Rē, in dezen zijn geheimzinnigen naam "Hij-die-was-in-den-oceaan", zijne pijlen tegen zijne vijanden afschietende".
Of, als men zich tegen een vijand keert:
"Verwijder U, want ik ben Horus, trek U terug, want ik ben de zoon van Osiris. De magie van mijne moeder [Isis] is de bescherming van mijne leden".
Door eene of andere mythe te vermelden meent de magiër de daden te kunnen verrichten, die daarin aan een god worden toegeschreven.
"Ik wil alle booze en slechte dingen, die neerkomen op N, den zoon van M., verbannen, evenals Rē zich zelf voor zijne vijanden redde, evenals Chnoem zich redde voor Sobk, evenals Horus zich redde voor Set."
Wij komen later nog op dergelijke bezweringen herhaaldelijk terug.
Dat de hoofdgoden van den Alexandrijnschen cultus, Osiris, Isis, Horus en de raadselachtige, maar, wat zijne werkingssfeer betrof, met Osiris vereenzelvigde Sarapis, als begunstigers van de magie bij uitnemendheid werden beschouwd, spreekt van zelf. Men verhaalde van hen tallooze wonderen; men verwachtte van hen in den droom goeden raad te ontvangen; men schreef hunne namen op amuletten. De Egyptische priesters gingen voor toovenaars door, en Egypte voor het tooverland bij uitnemendheid.
Niet slechts de Egyptische, maar ook de Joodsche religie deed zich in de Grieksch-Romeinsche wereld gelden. En ook bij de Joden stond de magie toen in grooten bloei, ondanks de strengste verboden en de wreedste vervolgingen. De Joodsche tooverspreuken hadden gezag bij de naburige volkeren. In de Koptische en Grieksche tooverlitteratuur speelt de god der Joden, Iao, Sabaoth, eene groote rol; ook de namen van aartsvaders, van Jozua (Jezus) en Salomo komen er herhaaldelijk in voor. Een lang exorcisme (verdrijving van een boozen geest door bezwering), dat wij nog over hebben[43], is blijkbaar afkomstig van een Joodsch-Orphisch genootschap.
Nog in latere eeuwen hebben de Joden den naam van toovenaars, meestal in ongunstigen zin, behouden. Het geloof aan den "ritueelen" moord, nl. dat de Joden bij hun Paaschfeest of tot andere doeleinden het bloed van een Christenkind gebruiken, behoort nog niet tot het verleden, al ontbreekt het ook ten eenenmale aan deugdelijke bewijzen. Maar ook de hoogere magie, zooals zij in de Kabbala, de Joodsche geheimleer uit de middeleeuwen, werd geleeraard, heeft de aandacht van velen, en niet altijd van de minst begaafden, getroffen. Er is in onze dagen, voornamelijk in Frankrijk en Engeland, veel belangstelling voor Kabbalistiek, waarbij het echter aan degelijke studies over dit ingewikkelde onderwerp maar al te zeer ontbreekt.
Keizer Tiberius is in 19 n. Chr. ook tegen de vereerders van Isis en de Joden met de wreedheid hem eigen, opgetreden, zooals o.m. Tacitus het in zijn Annalen (II, 85) vermeldt:
"Er is ook verhandeld over het verdrijven van de Egyptische en Joodsche religies en een senaatsbesluit genomen om vierduizend vrijgelatenen, met die superstitie besmet, wier leeftijd het toeliet, naar het eiland Sardinië te verbannen, ten einde aldaar de roovers in bedwang te houden; als ze door het slechte klimaat omkwamen, zou er niets aan verloren zijn; de overigen moesten Italië verlaten, tenzij ze voor een bepaalden datum de uitheemsche godsdiensten zouden hebben afgezworen."
Al die wreedheid was te vergeefs.
*L. Fahz, De poetarum romanorum doctrina magica, uit Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. II Bd. 3 Hft. (1904).
W. J. Dilling, s.v. Knots, in Enc. rel. a. eth. VI (1914).
Fraser, Taboo and the perils of the soul (1914).
Skeat, Malay Magie (1900).
*L. Blau, Das jüdische Zauberwesen (1898).
J. A. Mac Culloch, s.v. Lycanthropy, in Enc. rel. eth. VIII (1915).
E. Penquitt, De Didonis Vergilianae exitu, Dissert. Königsberg (1910).
*R. Wünsch, Aus einem griechischen Zauberpapyrus, in Kleine Texte f. Vorles. u. Üb. hrg. v. H. Lietzmann, No. 84 (1911).
J. Heckenbach, De nuditate sacra sacrisque vinculis, uit Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. IX, 3 (1911).
W.Y. Sellar, s.v. Lucretius, in Encyclopaedia Britannica,-lle uitg. XVII (1911).
P.J. Hamilton-Grierson, s.v. Brotherhood (Artificial), in Enc. rel. eth. II (1909).
*Riess, s.v. Astrologie, in Pauly, Real-Enc. class. Alt. 2e uitg. Bd. II (1896).
*A. Bouché-Leclercq, L'astrologie grecque (1899).
*F. Cumont, Astrology and religion among the Greeks and Romans (1912).
*G. Lafaye, Histoire du culte des divinités d'Alexandrie (1884).
*W. Drexler, s.v. Isis, in Roscher, Lex. d. Myth. Bd. II (1890—97).
*F. Cumont, Die oriental. Religionen im röm. Heidentum, vert. v. G. Gehrich, 2e uitg. (1914).
Erman, Ägypten u ägyptisches Leben im Altertum II (1887).
Budge, Egyptian magie, 2e uitg. (1901).
Lange, Die Ägypter, in Chantepie de la Saussaye Lehrbuch d. Religionsgesch. 3e uitg. I (1905).
G. Roeder, Urkunden z. Religion d. alt. Agypten (1915).
H. Schmidt, Namenglauben im Alten Testament, in Die Religion in Gesch. u. Gegenwart IV (1913).
G. Roeder, s.v. Set, in Roscher, Lex. d. Myth. 63. Lfg. (1910).
A.H. Gardiner, s.v. Magic (Egyptian), in Enc. rel eth. VIII (1915).
*T. Witton Davies, Magic, Divination a. Demonology among the Hebrews and their neighbours (1898).
*M. Gaster, Magic (Jewish), in Enc. rel. eth. VIII (1915).
Sinds ongeveer het midden van de eerste eeuw onzer jaartelling neemt het geloof in het wonderbaarlijke en magische eene hooge vlucht. De grootste persoonlijkheden op intellectueel gebied erkennen de realiteit der magie; magie en wijsheid worden als identiek beschouwd. De keizers zelf gaan de tooverij begunstigen en de felle protesten van enkelen bewijzen slechts, hoe weinig zij de teekenen dier tijden verstaan. Allerlei omstandigheden werken als bij afspraak samen tot de nederlaag der ongeloovigen.
Wij willen een en ander nader toelichten. Dat de magie met wijsheid en wetenschap wordt gelijkgesteld komt meer voor. De Arabieren gebruiken het woord ilmoe (wetenschap) ook voor hetgeen op "occultisme", zooals wij het noemen, betrekking heeft. Vandaar het Javaansche ngèlmoe, de kennis der geheime tooverformulieren, een wonderlijk mengelmoes van Polynesische, Hindoesche en Mohammedaansche bestanddeelen. De Javanen jagen deze "wetenschap" ijverig na en meenen door haar al het mogelijke te kunnen gedaan krijgen. Maar niet alle tooverspreuken zijn even machtig en bij een rechtsgeding bijv. zal de verliezende partij hare nederlaag aan de grootere kracht van de bezweringen der tegenpartij toeschrijven.
Wellicht het meest typische voorbeeld van een magiër-wijsgeer is Apollonius van Tyana (in Klein-Azië), omtrent wien wij echter niet zoo goed zijn ingelicht als wij het zouden wenschen. De uitvoerige levensbeschrijving toch, die de belletrist en kunstkenner Philostratus op last van de keizerin Julia Domna (gest 217), van hem te boek stelde, is rijk aan onwaarschijnlijke verhalen en overbodig vertoon van belezenheid; bovendien heeft men, wellicht niet zonder reden, vermoed, dat zij de strekking had, een tegenbeeld te zijn van de Christusverhalen der evangeliën.
Of Apollonius werkelijk, zooals Philostratus verhaalt, het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld doorkruiste om de menschen tot handhaving der oudvaderlijke zeden en zoo mogelijk tot inachtneming van de Pythagoreesche leeringen en leefwijze aan te sporen, blijft eene opene vraag, maar het lijdt geen twijfel dat hij door allerlei wonderbaarlijke handelingen aanleiding gaf, als magiër te worden beschouwd. Het verhaal bijv. dat hij een gestorven meisje in 't leven terugriep[44], wijst onmiskenbaar op wonderdadige genezingen, door hem verricht.
Philostratus is echter met zulke wonderen niet tevreden en verhaalt o.m. dat Apollonius te Ephese eene epidemie vooruit gevoelde en haar vervolgens, op verzoek van de inwoners, deed ophouden door den demon der pest, die zich als een oud bedelaar voordeed, te laten steenigen. En toen de Ephesiërs, op aansporen van den profeet, den steenhoop opruimden, zagen ze, inplaats van dat monster, een hond er onder liggen, van uiterlijk op een dog gelijkend, zoo groot als de grootste leeuw, verpletterd door de steenen en met schuim op den muil[45]!
Eén wonderbaarlijk feit betreffende Apollonius is historisch vrij goed geboekstaafd, en wel het volgende: In 't jaar 96 n. Chr. hield de wijze, reeds op hoogen leeftijd, te Ephese eene openlijke voordracht. Onder 't spreken raakt hij gaandeweg afgeleid, zwijgt, doet eindelijk eenige stappen vooruit en roept: "Stoot hem neer, den tyran, stoot hem neer!" Daarna keert hij zich tot zijn gehoor en zegt: "Heden—op dit oogenblik is keizer Domitianus gedood" en spoedig kwam