[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Wandelingen door België, by Anonymous
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: Wandelingen door België
De Aarde en haar volken, 1886
Author: Anonymous
Release Date: March 18, 2005 [EBook #15403]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK WANDELINGEN DOOR BELGIE ***
Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team
Bladzijde 41

Gezicht op de omstreken van Bergen.
Mijn vriendelijke lezer herinnert zich misschien nog wel onze omzwervingen door Vlaanderen, dat schilderachtig schoone, kalme, vredige land, waar over steden en vlekken en dorpen eene zondagsrust ligt uitgespreid, en ge vaak wel den indruk ontvangt dat de rijke en schitterende herinneringen van een zeldzaam grootsch verleden de eischen en behoeften van het heden op den achtergrond dringen en niet tot hun recht laten komen. Ik noodig hem thans uit, een ander deel van België met mij te bezoeken: het waalsche land, bewoond door een ander ras, drukker, rumoeriger, hartstochtelijker van aard, levendiger in voorkomen en gebaren: een ras, dat al heeft het ook eene groote en rijke historie achter zich, toch niet in gelijke mate door de herinnering aan dat verleden wordt beheerscht en onder de wisseling der fortuin niet is bezweken. In het leven dezer mannen, wier bloed sneller door hunne aderen stroomt, is geene plaats voor mijmeren en peinzen over het verleden, over de oude dagen, die sinds lang zijn voorbij gegaan; zij hebben geen tijd om te luisteren naar de wonderzoete fluisterende stem der traditie en der sage, die als muziek in de ooren klinkt, maar ook zoo dikwijls een ontzenuwenden en verzwakkenden invloed uitoefent, en de fiere kracht tot daden in het harte uitdooft. Zij hebben geen tijd, want de felle koorts van het moderne leven heeft hen aangegrepen; de rustelooze ontdekkingen der wetenschap, de onophoudelijke vorderingen der industrie drijven on zweepen hen voort; hun leven is welhaast een voortdurend gevecht, een nimmer poozende strijd, die de inspanning vordert van alle krachten en die niet ware vol te houden, zoo niet het elastischer, opgewekter temperament telkens met nieuwen moed en nieuwe energie bezielde en de zware lasten des levens licht deed achten.
En zijn ze niet in waarheid een groot slagveld, Bladzijde 42die mijndistrikten, waar de mensch en de natuur in rusteloozen kamp hunne krachten beproeven; waar de strijders, dag aan dag, in dichte gelederen aanrukken, gewapend met spade en bijl en houweel en honderd andere werktuigen der vernieling, om den tegenstand te overwinnen van den ouden titan Tellus en hem zijne diep verborgen schatten te ontrukken. Al verder en verder rukken zij voort, telkens op nieuwe veroveringen uitgaande in de onderaardsche holen, in dat huiveringwekkend gebied van nacht en dood, waar, als in katakomben, de versteende overblijfselen van vroegere wereldperioden liggen opgetast, waarop en waarmede de moderne beschaving hare steden bouwt. Maar de oude titan verdedigt zijn gebied voet voor voet: beter dan een door Hephaistos gesmeed schild, dekken hem zijne duistere geheimenissen, de ontelbare hinderpalen die zijn vijand op den weg ontmoet, de noodlottige hinderpalen en verrassingen, die loeren bij elken tred. Het is een hardnekkige verbitterde strijd, een kamp op leven en dood. Als een monsterachtige hydra, in haar duister hol verscholen, knarsetandt en brult de oude titan bij iederen slag, die hem eene nieuwe wonde toebrengt: iederen duim breed gronds betwistende, trekt hij onwillig achteruit, al verder en verder wijkende in het ondoordringbaar ingewand der aarde; maar vreeselijk wreekt hij zich over zijne nederlagen door plotselinge, moorddadige, verraderlijke slachtingen, als te midden van rook en vlammen, die het gedrocht uit honderd monden braakt, de onverschrokken pionniers verpletterd neerzinken onder de instortende gewelven, of snakkend naar lucht den adem uitblazen in een dampkring van gas; of wel, levend begraven, al de martelingen ondergaan van den langzamen hongerdood. Toch, hoe vreeselijk het monster moge zijn, over welke moorddadige wapenen hij moge beschikken, toch wordt voet voor voet het rijk van den duisteren titan veroverd; toch dringen de kloeke scharen al verder en verder door in de ongemeten en ongepeilde afgronden, waarin hij schuilt en waarin hem de lichtstraal vervolgt, die den mensch den weg wijst in het harte der aarde.
Daar naadren de delvers met spa en houweel;
Zij spitten in de aardkorst, en boren de schacht,
En dringen al verder door modder en nacht!
Aan ’t rammelend rad vliegt de korf op en nêer;
De zwoegende pomp gaat het water te keer;
De moker rinkinkt, en de koker verwijdt:
Voorbij zijn lagen van zandgruis en krijt:
Nu glinstert... de steenkool!... De mijngroef ontsluit,
En breidt tot spelonken en gangen zich uit,
Tot straten en pleinen, door balken geschraagd,
Waar ’t lampjen de schaduw verlicht, niet verjaagt!
Hier woelen, diep onder het zeebed, beneên
De zeilende schepen, de werkliên dooréén;
En ’t paard voor zijn kar, met bedaard overleg,
Vindt, dampend van zweet, door dien Orkus zijn weg.
Omhoog maar! omhoog maar! gij kostlijke vracht,
Waar ’t zonlicht u kust en—vooruitgang u wacht!
Men begrijpt welk een invloed zulk eene levenswijze moet uitoefenen op een van nature stoutmoedig, ondernemend, onbuigzaam ras, dat zich niet licht door moeilijkheden en tegenspoeden laat ontmoedigen, en begaafd is met die voortvarende energie, die telkens de perken uitzet der menschelijke werkzaamheid. Wie deze kloeke bevolking van onverschrokken strijders naar waarde schatten wil, die moet met eigen oog het altijddurend wonder dezer mijn-industrie hebben aanschouwd, haar schatten gaande opsporen in de ingewanden der aarde; die moet door de verbazingwekkende schacht zijn afgedaald naar de schier onpeilbare diepte, waar een volk van kobolden leeft en werkt, ieder oogenblik blootgesteld aan het gevaar om weggeslingerd te worden in den gapenden afgrond, of verpletterd onder eene lawine van steenen en gruis, of neergebliksemd door de vlammende ontploffing van het mijngas; die moet vooral ook getuige zijn geweest van de stemming na een dier vreeselijke rampen, als gansche dorpen weenende opgaan om de verminkte lijken op te sporen van vaders en echtgenooten, van broeders en zonen; die moet hebben gezien, hoe, na de eerste oogenblikken van schrik en ontzetting, langzamerhand de kalmte wederkeert in de gemoederen, hoe de moed weer herleeft en tevens de rustige doodsverachting en het onvernietigbaar plichtbesef, dat de overgeblevenen, zoodra de laatste doode in zijn graf is ter ruste gelegd, ernstig en kalm doet terugkeeren naar de akelige afgronden, waarin hunne broeders een zoo gruwelijken dood vonden. Er is inderdaad geen voorbeeld van, dat ten gevolge van een dier verschrikkelijke katastrofen, in de duistere diepte, vijf of zeshonderd ellen onder den grond, een van hen die aan het verderf ontkwamen, den gevaarlijken post heeft verlaten, waar hij een oogenblik, te midden van den rossen gloed der uitbrekende vlammen, den dood in het aangezicht heeft gezien. Niet vreemd, dat dit altijd herboren gevaar, die als het ware onbewuste heldenmoed, die zekere mate van onverschilligheid tegenover het onontkoombaar noodlot, in het eind een geslacht hebben gevormd en geteeld, tegen alle beproevingen gehard, in het vuur gelouterd en gestaald, en voor niets terugdeinzende in het stille besef van rustige, onverwinbare kracht. Wij zullen deze mannen aan het werk zien, niet enkel in de mijnen, maar ook in hun fabrieken en werkplaatsen, de elementen bedwingende, stand houdende tegen den verterenden vuurgloed der smeltovens. En rondwandelende door het waalsche land, zullen wij gaandeweg voor onze verbeelding het beeld zien verrijzen van dat merkwaardige België, dat zoo sterk sprekende tegenstellingen tot eene hoogere eenheid poogt saam te binden.
Want, in der waarheid, men zou bijna meenen dat de diplomaten, die de vlaamsche en de waalsche gewesten tot eene politieke eenheid vereenigden, dit enkel deden om den wijsgeerigen onderzoeker binnen een klein bestek de scherpste contrasten te kunnen aanbieden. Evenals uit een geologisch oogpunt, de onafzienbare groene weidevlakten van Vlaanderen en de bergachtige vallei van de Maas met haar aaneenschakeling van rotsen en ravijnen, twee geheel verschillende landen zijn, die zoo goed als niets met elkander gemeen hebben; evenzoo behooren de bewoners dier streken tot twee geheel verschillende rassen, die, Bladzijde 43afgezien van den band der politieke eenheid en van het gemeenschappelijk materieel belang, schier in elk opzicht van elkander afwijken. Gaat de een, bij de vervulling van zijn dagelijksche arbeidstaak, ernstig, stil, kalm zijn gang, in zich zelf gekeerd, volhardend, maar weinig geneigd tot luidruchtige openbaring zijner gevoelens; de ander daarentegen is in de hoogste mate mededeelzaam, draagt zijn hart op de tong, maakt zich den arbeid licht door vroolijkheid en dartele scherts, is bewegelijk, prikkelbaar, rumoerig, opvliegend van aard. Te Bergen, te Namen, te Luik waant men zich bijna in Frankrijk verplaatst; en niet alleen de bewoners der groote steden, maar ook de bevolking der landelijke vlekken en dorpen toont in haar geheele wijze van denken en handelen zekere verwantschap met het fransche volk. In dit ethnologisch onderscheid vindt ge, voor een deel, de verklaring van die erfelijke vijandschap tusschen Vlamingen en Walen; en ook de verklaring van dien voortdurenden hang van het waalsche element naar het bondgenootschap met Frankrijk, van dat vereenigd optreden van den waalschen en den franschen adel tegen het demokratisch revolutionair streven der vlaamsche gemeenten.
Ik zeide het reeds, wie het waalsche volk inderdaad wil leeren kennen, moet het gadeslaan bij zijn arbeid, bij den rook zijner kolen, bij het oorverdoovend geraas zijner machines. Een groot deel van het henegouwsche land, dat wij gaan bezoeken, is het best te vergelijken bij eene reusachtige smidse; de steenkool en het ijzer hebben eindelijk hun stempel op het landschap zelve gedrukt en daaraan een onbeschrijfelijk woest en zonderling aangrijpend voorkomen gegeven, dat u denken doet aan sommige kringen van Dante’s hel, waar het verschroeiend vuur allen plantengroei heeft gedood. Van het terras van het kasteel van Bergen overziet de blik eene wijde, golvende, kale vlakte, hier en daar met eene armelijke, verschrompelde flora besprenkeld en overdekt met een vuile, met den dag dichter wordende lijkwade van rook en roet, afkomstig uit de hooge schoorsteenen der tallooze fabrieken. Dezen gruwel kenden althans onze voorouders niet. Onder dien langzaam, maar gestadig wassenden zondvloed van kolendamp, wordt de dampkring doortrokken van roetkleurige tinten, die zelfs het daglicht van zijn glans berooven; de zon zelve zinkt weg in een zee van vuile zwarte dampen, als een schip in een oceaan van inkt. Welk een overgang voor wien, als wij, uit het idyllische vlaamsche land komt, uit dat stille, kalme paradijs van malsche groene weiden, het beloofde land van herders en runderen! Hoe moeilijk gewent zich onze blik, waarin zich nog het liefelijk beeld van het vlaamsche landschap weerspiegelt, aan die sombere, geschonden, donkere natuur; aan dien doffen, in stinkenden nevel gehulden horizon, waartegen zich de zwarte massa’s afteekenen van eene menigte vormlooze, kale en naakte heuvels en terpen! Hier strooit de rozenvingerige dageraad geen regen van topazen, robijnen en smaragden over de met schitterende dauwdroppels besprenkelde weiden; neen, als een gewonde in onreine doeken gewikkeld, bevlekt hij den hemel met een bloedroode streep, wier kleur weldra verdoofd wordt door het vuile zwarte stof, in dichte wolken opdwarrelende van de dorre aarde. Poog hier geen herderszang te beluisteren, en zoek niet naar de ruischende voetstappen der dichterlijke sage, rondwandelende door het bloeiende land: deze aarde is vervloekt; een onuitblusschelijk vuur verteert haar ingewand; legioenen schoorsteenen braken onophoudelijk zwarte rookwolken over haar uit, die haar met een vuil stinkend lijkkleed overdekken. Overal wordt het oog beleedigd door stijve, geometrische figuren en getimmerten, wier wonderlijk verwarde lijnen en omtrekken zich als zware zwarte strepen afteekenen tegen den zwartachtig grijzen hemel en van verre gelijken op de geraamten van reusachtige walvisschen. Overal een afschuwelijke chaos van schoorsteenen, van balken, van getimmerten, nauwelijks van elkander te onderscheiden bij de twijfelachtige schemering van dien onreinen dampkring, en het gelaat der aarde bedekkende als met een reusachtig masker van ijzer en hout. Nog eens, dezen vloek en dezen gruwel kenden onze voorvaderen niet; zulke onvergefelijke ontwijding der natuur hebben hunne oogen nooit aanschouwd.
Van het kasteel te Bergen overziet men het middelpunt van het kolendistrikt. Verder op, naar den kant van Charleroi, dien anderen krater, die onophoudelijk een vlammenden stroom van kool en ijzer uitbraakt, vindt men nevens de steenkolenmijnen, ook pletterijen en glasblazerijen; maar hier heerscht de kolenindustrie alleen en onverdeeld, in geheel de landstreek, onder den naam van de Borinage bekend. Niets leidt hier de aandacht af van het groote werk der kolenontginning; alle krachten en vermogens, alle werkzaamheid en inspanning is op dit eene doel gericht; allen verwachten brood, welvaart, rijkdom van het zwarte goud, dat het nimmer rustende houweel der delvers aan dit onderaardsche Californië ontrukt. Het hijgend snuiven der machine, die de kooien rusteloos op en neder doet gaan,—eene schelle symphonie, die ge nimmer vergeet als zij eenmaal uwe ooren trof,—is als de gloeiende, gejaagde ademhaling van het koortsige leven dat daar in de diepte woelt. Nu en dan stijgt een geweldig geloei, als van gewonde bisons, uit den schoot der aarde op, gelijk een kreet van smart en woede van den vertoornden titan. Deze en andere geluiden, de ratelende donder der waggons die in volle vaart over de platformen rollen; het gelui bij de aankomst en het vertrek der kooien; en beneden in de galerijen, het rammelen der door paarden langs de rails voortgetrokken of langs eene schuine helling afglijdende karren, het brullen en stampen der machines:—dit alles te zamen vormt een onharmonisch, oorverscheurend, verdoovend orkest, een baaiert van geluiden, wel passende bij de akelige doodschheid van dit sombere landschap, waarover de hooge schoorsteenen, als zoo vele gapende drakenmuilen, onophoudelijk wolken van zwarten rook en vuilen kolendamp uitbraken.
Waarheen ge den blik ook wendt, overal stuit ge op groote terpen, als het ware puisten en gezwellen Bladzijde 44op het gelaat der aarde, door de inwendige gisting te voorschijn geroepen: dat zijn de zoogenoemde terris. Met iederen dag wassen zij in omvang door de sintels en slakken, die daar worden opgestapeld. Sommigen zijn bijna kleine bergen met afgeknotten top, met half ingezonken hellingen en diepe sporen en groeven, niet ongelijk aan reusachtige litteekenen. Onder de ruwe, grove oppervlakte smeult het bestendig, en het verborgen vuur zendt zwermen van vonken omhoog, die ’s nachts de zwarte massa dezer donkere terpen fantastisch verlichten en met roode stippen bezaaien. Langzamerhand echter ontfermt de weldadige natuur zich over deze monsterachtige gedrochten: dan ontkiemt het groene gras in de spleten, dan beginnen de wortels der planten en boomen zich uit te spreiden tusschen de geblakerde steenen en het zwarte gruis; dan worden eindelijk de kale verbrande hellingen bedekt met het bloeiende groene kleed van het opluikende boschje, dat zijne twijgen en bladeren wiegelt op den wind en te midden van het groote ledig van het doodsche landschap eene verkwikking, een wellust voor de oogen is.

Mijnwerkers in de steenkolenmijn.
Geheel de Borinage vertoont hetzelfde beeld. Omdolende door dit verschrikkelijke land, krijgt ge den indruk dat de bewoners door een demonisch noodlot gedoemd zijn tot den hopeloozen arbeid om eene duistere, onderaardsche zee leeg te schoppen, en nu, buiten bereik van zon en sterren, hun leven slijten in nooit rustende pogingen om hunne taak ten einde te brengen. Geene genade voor deze veroordeelden, geen uur, geen oogenblik van rust en verademing; bezwijken zij, dan staan anderen gereed om hunne plaats in te nemen. Want altijd en altijd door vraagt de mijn haar offers, niet alleen krachtige mannen en jongelingen in Bladzijde 46den bloei der jeugd, maar ook kleine kinderen, jonge dochters en moeders. Op den leeftijd, waarop het kind, lachend en dartelend, het leven gaat intreden, wordt het reeds in den afgrond geworpen, evenals het jonge meisje, in den opgang der teedere jeugd. De moeder zelve des gezins, die den huiselijken haard behoorde te bewaken en daar al de leden der familie, als om een levend middelpunt, om zich moest vereenigen, ook zij zelve wordt niet gespaard; ook zij moet zich in de gevloekte mijn, als een lastdier, voor de berlaines spannen, de karren, waarmede de kool vervoerd wordt. Op dertigjarigen leeftijd is de vrouw, op wie de verplichting rust om haar schoonheid en boven al de reinheid en frischheid van haar gemoed tot in den hoogen ouderdom te bewaren, ten gevolge van dezen verschrikkelijken arbeid in de mijnen, die haar tot slavin maakt van een werk dat met haar natuur strijdt en tevens tot slavin van den man;—op dertigjarigen leeftijd is zij eene afgeleefde, verwelkte tooverkol, wier gebogen figuur en hoekige vormen afschuw inboezemen, die rookt, zich bedrinkt, vloekt en tiert als de ruwe kerels, met wie zij voortdurend in aanraking is. En nog mogen zij zich gelukkig rekenen, de mannen zoowel als de vrouwen, als de onverzadelijke minotauros hen nog levend, zij het dan ook geschonden en verminkt en gebogen, haast meer aan dieren dan aan menschen gelijk, aan zijne vreeselijke kaken laat ontsnappen;—want zoo vaak worden zij allen zijne prooi en worden geveld als slachtoffers zijner demonische lusten.

Het feest van Sinte-Barbara in de Borinage.
Evenals men op Kreta jonge meisjes opvoedde om geofferd te worden, zoo wordt hier de jeugd groot gebracht voor de mijn. Een paar dagen na een der geduchtste rampen, die deze landstreek hebben getroffen, zeide eene moeder tot mij, terwijl zij met een akeligen grijnslach op den zuigeling aan hare borst wees: “Dat is voor de Agrappe!” Die Agrappe nu, wier naam, eenige jaren geleden, half Europa van ontzetting huiveren deed en nu ook eensklaps voor mijn geest het schrikkelijk beeld opriep van een aantal mannen door eene ontploffing gedood;—die Agrappe was de mijn, die door haar uitbarsting half Frameries vernielde. In de bitterheid haars harten, in haar sombere, broedende wanhoop had die moeder, met ruwe brutaliteit, de vreeselijke waarheid gesproken.
En toch, zoo groot is de kracht der gewoonte, zoo groot ook de half onbewuste moed dezer ruwe bevolking, dat ge bijna overal een onbekommerd ter zijde zetten van het gevaar, eene luchthartige onverschilligheid, ja zelfs wel de liefelijke bloem der hoop, in de harten ontsluikende, vinden zult. Zoo gaat de zeeman vroolijk aan boord, en denkt er zelfs niet aan, dat de golven zijn graf kunnen worden. Daar is inderdaad, onder sommige opzichten, veel overeenkomst tusschen het leven van den zeeman en dat van den mijnwerker, in zoo verre beiden het onbekende trotseeren en ieder oogenblik door den steeds dreigenden dood kunnen worden geveld. Ach, maar is dat eigenlijk niet met ons allen het geval? En is het in werkelijkheid wel zoo vreemd, dat zij, die van kindsbeen af dagelijks in dat gevaar verkeeren, daarmede in het eind vertrouwd raken, en er even weinig aan denken als wijzelven, wier gewaande veiligheid toch in den grond der zaak even onzeker en bedriegelijk is? Alleen omdat wij, niet aan die levenswijze gewoon zijnde, het gevaar in dezen vorm zoo duidelijk zien, verbaast het ons, als wij nader kennis maken met de talrijke bevolking van de vele dorpen, die zich rondom de mijnen gevormd hebben, dat de vrees voor, en zelfs de gedachte aan het steeds dreigende doodsgevaar, in het leven van den mijnwerker zoo luttel plaats beslaat. Daar zijn er, ja, enkelen, in wier starre blikken ge als het ware de ontzetting lezen kunt, door de verschrikkingen van den afgrond hunner ziele ingeprent; maar, voor zoo ver de dierlijke arbeid niet alle menschelijk gevoel heeft uitgedoofd en hen tot werktuigen verlaagd, kenmerken de mijnwerkers van de Borinage zich veeleer door eene ruwe, luidruchtige, buitensporige vroolijkheid, die zich vooral op kermissen en feestdagen uit, en zelfs door den geesel der periodiek wederkeerende crisissen nóg niet is gedoofd. Vroeger, toen de vraag zoo groot was dat men tot iederen prijs den arbeid moest verhaasten en vermenigvuldigen, toen was die vroolijke, opgewekte stemming een natuurlijk gevolg van de overvloedige verdiensten. Te Jemmapes, te Bergen, te Saint-Ghislain weet men nog te verhalen van de weelderige, verkwistende levenswijze in die dagen, toen het voor de mijnwerkers bijna het gansche jaar door kermis was. De vrouwen der mijnwerkers, zoo zegt men, kleedden zich in zijde en fluweel, versierden zich met goud en edelgesteenten, en hielden er eene meid op na. De mannen dronken, in de herbergen en de danshuizen, champagne en fijne wijnen en lieten zich de kostbaarste gerechten voorzetten. Maar de tijden zijn sedert veranderd: met smullen en feestvieren is het gedaan: de arme Borains mogen nu blijde zijn als zij in het noodigste kunnen voorzien, en van dag tot dag, van jaar tot jaar, hebben zij te kampen met het altijd dreigende gebrek. Doch de oude vroolijkheid moge, door de moeielijke en zware tijden, eenigszins gedempt zijn, uitgedoofd is zij niet, al heeft zij soms een bijsmaak gekregen, die verre van geruststellend is. In hun luiden schellen lach klinkt een toon van verborgen hartstocht, van bitterheid en toorn: hunne vroolijkheid is vaak de onechte, ongezonde vroolijkheid van een volk, dat zich ongelukkig voelt, zich verongelijkt acht en door wrokkende wangunst wordt verteerd. Hier vinden de apostelen en predikers van het socialisme een wel toebereiden, vruchtbaren akker; en met gretig oor luisteren deze mannen en vrouwen naar de dwazen en verleiders, die in de schrilste kleuren hun rampzalig lot afmalen, en hun een geluksstaat voorspiegelen, waaraan de profeten zelven wel geen oogenblik gelooven, maar waarvan de schildering er op berekend is om deze arme hersens te verwarren en te ontvlammen, en in deze zoo licht bewegelijke gemoederen de slechtste en gevaarlijkste driften en neigingen wakker te roepen.
Iemand, die de mijnwerkers zeer goed kende, zeide eens tot mij: “Naar den eersten indruk oordeelende, zou men hen voor slecht en verdorven Bladzijde 47houden; maar zij zijn veeleer ruw en onbeschaafd, zonder eenig besef van wellevendheid en betamelijkheid. Daarbij komt dat zij in de hoogste mate zorgeloos zijn en van sparen geen begrip hebben; zij leven letterlijk van den eenen dag op den anderen, zonder zich in het minst om de toekomst te bekommeren; zij staan geregeld in het krijt bij den bakker en den kruidenier, en wanneer zij geld hebben, verspillen zij het op de buitensporigste manier aan feesten en drinkgelagen, aan weddenschappen, balspel en schijfschieten, waarvan zij hartstochtelijke liefhebbers zijn. Ondanks hunne ruwe onbeschoftheid, hun gestadige vechtpartijen en herhaalde botsingen met de justitie, zijn zij in den grond niet boosaardig van natuur en wel te leiden.”
Hij die zoo sprak, had geen ongelijk: het weinige geld dat zij verdienen, wordt verbrast in de kroegen, roekeloos weggesmeten of verdobbeld, want het spel is de grootste liefhebberij van die mannen, die zelven voortdurend hun leven op het spel zetten; maar wat mijn zegsman er niet bijvoegde, is dat al deze uitspattingen en buitensporigheden, hun jenever drinken en hun dobbelen, in de eerste plaats moeten dienen om hun hunne ellende te doen vergeten, hun worstelen met het gebrek, het steeds dreigend doodsgevaar waarin zij verkeeren, den openbaren verkoop wegens schuld van hun armzaligen inboedel, den jammer van hun afschuwelijk bestaan in de ingewanden der aarde. Voor dezen arbeid gebruikte de oude wereld haar veroordeelde slaven en misdadigers; de mijnwerkers van de Borinage heeten vrije mannen en staatsburgers; misschien zullen zij eerlang kiezers zijn, en rusteloos preekt men hun de fraaie theorieën der algemeene gelijkheid voor...... Aan welke zijde is de onbarmhartige wreedheid, de demonische spotternij?
Van Bergen tot Quiévrain strekt zich de lange reeks der mijnwerkersdorpen uit: Jemmapes, Quaregnon, Saint-Ghislain, Boussu, Elouges, Cuesmes, Dour, Pâturages, Frameries, Flénu, Hornu. Maar terwijl te Jemmapes, te Quaregnon en Saint-Ghislain aanzienlijke vlekken, die bijna het voorkomen hebben van kleine steden, nevens de kolenindustrie ook nog andere takken van nijverheid worden beoefend, dragen Elouges, Dour, Frameries, Cuesmes, Flénu, den echten onvervalschen stempel van de Borinage.
Hier volgen de mijnwerken elkander onafgebroken op; overal ziet men de kale hooge terpen, die het uitzicht belemmeren; overal steken de wanstaltige getimmerten en de leelijke schoorsteenen in de lucht en bedekken met hun schaduw, zoowel als met hun regen van vuilen smook en kolenstof, de kleine huizen met roode daken, die als paddestoelen aan hun voet zijn opgeschoten. Evenals rondom de muren van den feodalen burcht de hutten der hoorigen stonden gegroept, zoo omringen de armoedige krotten der mijnwerkers aan alle kanten de mijn; daar slijten zij hun leven in de gloeiende atmosfeer van den minotauros, zoo als de hoorigen in de vaak dreigende nabijheid van den machtigen landheer, wiens toorn hen verdelgen kon. Maar geen ruwe, onbarmhartige, tirannieke middeleeuwsche baron vergde immer van zijne hoorigen zoo vreeselijke offers als het moderne monster der industrie: de baron, hoe ruw en woest hij mocht zijn, was toch altijd een mensch, in wiens boezem een menschelijk hart klopte, terwijl bovendien zijn eigen belang hem waarde moest doen hechten aan het leven en de betrekkelijke welvaart zijner onderhoorigen; maar de mijn, maar het werktuig, is eene blinde, onbewuste macht, die van geen erbarmen weet, voor wie duizend menschenlevens niet meer waard zijn dan het tot gruis geslagen stuk steenkool; die verplettert en vermaalt en verminkt en schendt, en altijd, altijd, altijd door nieuwe offers vraagt.
Men heeft de mijnen en fabrieken met de oude feodale burchten vergeleken: en onder sommige opzichten mag de vergelijking gelden. Ook de mijn met haar fabriek beheerscht den omtrek en maakt het land aan zich schatplichtig; ook zij vordert tienden—en meer dan die!—en schattingen en heerediensten; ook zij voedt zich met den arbeid en de levenskracht der omwonende bevolking. Maar, nog eens, nimmer drukte eenige burcht zoo loodzwaar op het land of vorderde zulke schatting aan leven en bloed; nimmer was der hoorigen lot zoo schrikkelijk, zoo troost- en hopeloos, als dat der slaven van de verschrikkelijke mijn. Hoe ze u aangrijnzen, die sombere burchten van den demon des vuurs, die hunne wortelen uitslaan tot in het hart der aarde en de beste levenssappen van den ganschen omtrek tot zich trekken, om ze om te zetten in klinkend goud. En dit geheimzinnig reusachtig alchimisten-laboratorium is altijd daar en op honderd verschillende plaatsen in functie: op dit kleine plekje gronds telt men niet minder dan tweehonderd steenkolenmijnen, die bijna allen zonder ophouden bewerkt worden en wier onderaardsche gangen en galerijen zich steeds verder uitbreiden—duistere katakomben van den arbeid, gevuld met menschen-beenderen.
Elke mijn heeft hare eigene bevolking, die onder den walm van haar rook opgroeit en leeft; die zich woningen bouwt op haar krater; die ten huwelijk neemt en ten huwelijk gegeven wordt, kinderen verwekt en sterft bij het gesnuif en gestamp der machines, wier onwelluidend blazen en fluiten en gillen hen bij hunne geboorte begroet, en het oor verscheurt van den stervende. Dezelfde werktuigen, die in de mijnschacht de kooien op en neder doen gaan, brengen het leven dezer gansche bevolking in beweging, als de kloppingen van een ontzaglijk ijzeren hart; en wanneer naast de groeve, waaruit hij weer omhoog stijgt, voor den Borain die andere groeve gedolven wordt, waaruit men niet meer opstaat, dan mengt het zwarte, kleverige kolenstof uit de schoorsteenen zich met de aarde, waarmede de buren, op het naaste kerkhof zijn uitgeput en misvormd lichaam bedekken. Zooals de vlaamsche boer onafscheidelijk verbonden is aan de aarde, die hij met zijn zweet drenkt en Bladzijde 48bevrucht, zoo is de mijnwerker verbonden aan de mijn: maar dit huwelijk is vrij wat gevaarlijker, want de duistere echtgenoote is lastig, vol nukken en kuren, en eindigt doorgaans met haar gemaal te verslinden. En dan—welk hemelsbreed onderscheid tusschen den eerwaardigen, gezegenden landbouw, dien gezonden, sterkenden, levenwekkenden arbeid op het open veld, onder den vrijen hemel, voor het aangezicht der zon: en dat slavenwerk in de donkere mijn, dat den arbeider verteert en zoo vaak ook moreel te gronde richt. Toch hebben zij hunne mijn lief en gevoelen zich aan haar gehecht; zelfs krom en stram van ouderdom, kunnen zij nog niet zonder haar leven: deze taaie gehechtheid is een trek, dien de mijnwerkers gemeen hebben met de zeelieden, die hoe de zee hen ook moge mishandeld hebben, zich toch nog, machteloos en afgeleefd, naar het strand sleepen en daar, op een bank neergezeten, in droomend gepeins staren naar de wijde zee, wier melodisch ruischen hunne zwervende gedachten in slaap wiegt.

Eene pletterij in den omtrek van Charleroi.
Men heeft mij hier oude, hoog bejaarde lieden gewezen, mannen en vrouwen, die, na gedurende ruim eene halve eeuw dagelijks in den afgrond te zijn neergedaald, nu nog hunne overige levensdagen sleten aan den rand der diepte, waarin zij, afgeleefd en zwak, niet meer konden afdalen. De weinige krachten, die zij nog hadden overgehouden, besteedden zij nu met het bijeenrapen der sintels, het uitzoeken der kolen, het schoonmaken der lampen en andere werkzaamheden van dien aard. De jongeren gaan vroolijk en luchthartig, lachend en zingend, naar beneden; meermalen was ik er getuige van, hoe de kooi, waarin de mijnwerkers plaats nemen, onder luid gelach, gejoel en dartele pret in de diepte verdween, waaruit eindelijk nog maar de verwijderde echo hunner vroolijkheid mij tegenklonk.
Ondanks—of misschien wel juist om het sombere, zwarte, akelige der omgeving, zijn de jonge meisjes van de Borinage gesteld op opschik, op sprekende kleuren, houden zij er van, zich op eene of andere wijze te tooien. Schoon gewasschen en helder in haar werkkostuum—een buis en pantalon—dat haar op knapen doet gelijken, gaan zij in troepjes naar de mijn, met eene bloem tusschen de tanden, lange kleurige linten wapperende langs haar rug, haar hair saamgevat in een netje of een zakje van taf, onder een strooien hoed. Zoo dalen zij in den afgrond neer, waaruit zij straks weder te voorschijn zullen komen, vuil, stinkend, besmoezeld, het gelaat zwart gevlekt, de oogen en den mond vol steenkool. Zoo gaat het dag aan dag: als wilden zij den ruwen demon verteederen, door zich mooi te maken en althans voor zoover zij kunnen, naar echt-vrouwelijken aard, de schoonheid Bladzijde 49te huldigen. Laat ons daar niet mede spotten; daar is veeleer iets weemoedigs, iets treurigs in die onuitroeibare zucht om te behagen, om een aangenamen indruk te maken, die deze arme schepsels tot zelfs in de klauwen van het monster bijblijft. Wat vreeselijk en gruwelijk is, is dat meisjes en vrouwen tot zulken arbeid gedoemd zijn.
Haar bloei is van zoo korten duur: zijn zij eens gehuwd en is de jeugd voorbij, dan veranderen zij spoedig in oude slonzige vrouwen, die aldra tot hetzelfde peil afdalen als de mannen, en die door niets meer behagen of de aandacht trekken. Alle zorg voor haar uiterlijk, voor haar toilet, is dan ook vergeten en uitgedoofd onder de vele andere zorgen voor het bestaan. Maar zoo lang zij jong zijn, hebben zij bijna allen eene zekere soort van krachtige, soliede, kleurige schoonheid, die wel getuigt voor de energie van het ras, dat in spijt van den ruwen zwaren arbeid, in spijt van kommer en ellende, nog zooveel frischheid en levenskracht heeft behouden.

Stadhuis te Bergen.
Elk dorp in de Borinage heeft zijn salons of danshuizen, waar op zon- en feestdagen de jonge meisjes, die nu haar jongenspak hebben uitgetrokken, het donkere hair glanzende van pommade, in nauwsluitende jakjes en kleurige met bloemen versierde mutsjes, in het licht ontvlambaar gemoed der dansers het vuur der liefde en ook van den minnenijd komen ontsteken. Drie of vier lampen, tegen den met bontgebloemd papier beplakten muur opgehangen, werpen haar rossig schijnsel op de sprekende kleuren van haar toilet, waarin rood, blauw en groen den boventoon voeren, als wilden zij in die schitterende verwen de smetten uitwisschen van de vuile kool, die haar de geheele week aankleven. Op eene kleine verhevenheid zitten een Bladzijde 50clarinet, een cornet-a-piston en een trombone: en op de schelle tonen van dat orkest dansen en draaien en wervelen de paren in wilde drift, in toomelooze opwinding rusteloos voort. De grond dreunt onder het regelmatig gestamp, dat welhaast een verren donder gelijkt en wolken stof doet opgaan; weldra woelen en wemelen de hartstochtelijke dansers in een grijzen nevel; de aan den zolder hangende korfjes met papieren bloemen wiegelen heen en weer; de dampkring gloeit, bijna niet minder dan de oogen en de wangen van dansers en danseressen, die maar altijd voorthollen in razenden galop, tot zij eindelijk, buiten adem, uitgeput, hijgend en zwoegend, op de banken neerzijgen, snakkende naar versche lucht.
In zulk eene omgeving loopt de moraliteit groot gevaar; en hoewel hetgeen men van de losbandigheid der Borains verhaalt overdreven moge zijn, is het ontwijfelbaar waar dat het zedelijk peil onder deze bevolking vrij laag gezonken is. En hoe kan het ook anders? Meisjes van vijftien jaar emancipeeren zich en gaan uit zwieren met lummels van denzelfden leeftijd. Zoodra de jongen iets begint te verdienen, acht hij zich ontslagen van de ouderlijke tucht: hij loopt de kermissen na, bezoekt de herbergen, leeft in één woord als een volwassen man; hij betaalt aan zijne ouders wekelijks eene zekere som voor huisvesting en voeding, en doet verder met zijn geld wat hij wil. Over de noodlottige gevolgen van deze tuchteloosheid, deze verwildering, behoef ik wel niet uit te weiden; maar hoe zal er tucht, besef van orde en plicht en wet zijn, waar de heilige, de door niets te vervangen leerschool van dit alles en van zoo veel meer, waar het gezin niet meer, althans weinig meer dan in naam, bestaat? Immers, wat wordt er van het gezin, waar niet slechts de vader en de zoons, maar ook de moeder en de dochters, de kinderen zelfs geregeld de woning verlaten om daar buiten, in de mijn, in de fabriek, verloren onder honderden anderen, te gaan werken? Van alle diep ingrijpende geweldige veranderingen, die de moderne industrie in de economische, sociale en huiselijke toestanden en verhoudingen heeft gebracht, is er wellicht geene zoo verderfelijk, van zoo ver strekkende noodlottige gevolgen als deze, dat in duizenden bij duizenden gezinnen, de vrouw aan hare natuurlijke roeping gewelddadig wordt onttrokken, en daardoor zedelijk te gronde gericht: dit is de ontwijding, de ontbinding der familie en, als onvermijdelijk gevolg, de ontbinding der maatschappij. Tegen dit euvel baten geene uitvindingen, geene wonderen van wetenschap en kunstvaardigheid; dit kwaad kan alleen gestuit en hersteld worden—indien het nog mogelijk is—door een terugkeer tot de van God gestelde orde der dingen, die de mensen nooit straffeloos schendt.
Er is één dag in het jaar, waarop de ruwe ongebondenheid, die in gewone tijden reeds groot is, haar toppunt bereikt: op den dag der groote kermis van de Borinage, den feestdag bij uitnemendheid, den dag van Sinte-Barbara. Op dien dag staat de arbeid in de mijn stil en dommelt de moloch. Zelfs in de slechtste jaren trekken de mijnwerkers, mannen, vrouwen, jongens, meiden, met trommels en trompetten voorop, in gansche troepen van de eene herberg naar de andere; elk oogenblik wordt de lucht verscheurd door de losbranding van kleine kanonnen, waarmede eereschoten worden gedaan ter verheerlijking van de heilige patronesse, wier naam aan al dat onstuimig gejoel en getier, aan deze liederlijkheid, wordt verbonden.
Vijf-en-twintig jaar geleden, toen de kolenindustrie in vollen bloei was en er geld in overvloed verdiend werd, gingen deze kermissen gepaard met maaltijden waaraan patroons en gezellen te zamen deelnamen, met allerlei grappen en vertooningen, met eene uitdeeling van prijzen aan de mijnwerkers, die in den loop van het jaar de grootste hoeveelheid steenkool hadden uitgegraven. Elke parochie versierde toen hare altaren met groen en bloemen, met een bonten, veelkleurigen opschik, ter eere van de heilige patronesse.
De toenemende nood der bevolking heeft sinds dien tijd deze feestelijkheden vrij wat vereenvoudigd; toch wordt er nog altijd geschoten, en nog steeds stroomt eene talrijke schare naar de hoogmis, om daar, als in de tegenwoordigheid der beschermvrouwe, voor eenige oogenblikken de moeite en den kommer van het leven te vergeten en het harte op te heffen tot hooger en beter dingen dan de arbeid in de mijn en de uitgelatenheid in de herberg. Ook op de tafel der armsten verschijnt dien dag de rijsttaart met pruimen, waaraan het gansche gezin smult, onder het drinken van groote kommen koffie. Het oude gebruik brengt ook mede, dat op Sinte-Barbaradag, de eerste ploeg die in de mijn afdaalt, eene ruw bewerkte afbeelding van de “goede vrouwe”, die op algemeene kosten is gekleed en versierd, met zich neemt. Dat beeld blijft daar den geheelen dag, als het zichtbare teeken en onderpand van de hulp en bescherming, die deze heilige aan het arme volk der mijnwerkers wil verleenen, en te harer eere worden verschillende ceremoniën verricht, die echter niet in alle mijnen dezelfden zijn. Doorgaans wordt het beeld in eene nis geplaatst, onder het schijnsel van drie of vier kaarsen: eene zwakke herinnering aan den schitterenden glans van de honderden waskaarsen op het hoogaltaar der kathedralen. Maar de verblindende pracht dier kathedralen haalt toch niet bij den treffenden aanblik van die drie of vier glimmende lichtjes, verloren te midden der eeuwige duisternis, maar die met hun wemelend schijnsel de ruwe harten van zoo velen, althans voor een enkelen dag, met hoop en vertrouwen vervullen. Zoo lang zij in den afgrond tegenwoordig is, de goede en barmhartige en veel vermogende vrouwe, schijnt het altijd dreigende gevaar bezworen; en gelijk zij des morgens met plechtig eerbetoon in de mijn werd gebracht, zoo wordt zij des avonds weer statig en ernstig omhoog gevoerd, maar nu bezoedeld en besmoezeld door rook en damp en kolenstof. Boven gekomen, beijveren de jonge meisjes zich nu om haar toilet weer in orde te brengen; vervolgens wordt het beeld in een daarvoor bestemd kistje weggeborgen en door eene der vrouwen, aan wie de zorg voor de relikwie is opgedragen, Bladzijde 51mede naar huis genomen, om daar bewaard te blijven tot het volgende jaar.
De Sint-Barbaradag, 4 November, valt juist samen met den aanvang der kermis te Bergen. Reeds tegen den middag wemelen de wegen naar de hoofdstad van menschen; men vecht om eene plaats in de spoortreinen; in talrijke troepen gaat men op naar het oude Bergen. Daar beweegt zich eene nieuwsgierige en kijklustige menigte langs de tenten en kramen; met open mond staan de Borains in troepen te kijken naar de kunstverrichtingen van den koorddanser en den goochelaar, en wisselen zeer gepeperde aardigheden met de hansworsten en kunstrijdsters. De huismoeders staan stil voor de kramen, waar zij haar inkoopen willen doen, en loven en bieden en dingen tot in het oneindige, van de eene kraam naar de andere drentelende, tot zij eindelijk haar gading gevonden hebben. Dan gaat men gezamenlijk, onder luid rumoer, een bezoek brengen aan de dikke dames, aan het kalf met twee koppen, aan het vreeselijke zeemonster dat levende menschen verslindt. Ook de nederige tent van de waarzegster wordt niet vergeten, want ieder is begeerig te weten wat de toekomst hem brengen zal; en is men hieromtrent meer of minder volledig ingelicht, dan gaat het in troepen naar de poffertjes- en beignetskramen, waar men zich de maag vult met het gebak, dat rijkelijk met sterken drank wordt besproeid. En wanneer eindelijk, diep in den nacht, in de kroegen en danshuizen de laatste stuiver is verteerd en het laatste glas geledigd, dan keeren de kermisgangers, die voor een enkelen dag hun zorgen en kommer vergeten hebben, onder onbeschrijfelijk rumoer en getier naar hunne woningen terug. Wie zijne illusiën aangaande de bevolking van de Borinage behouden wil, doet beter, het vertrek van zulk een trein vol terugkeerende kermisgangers niet bij te wonen.
Afgescheiden van het Sinte-Barbarafeest hebben de dorpen in de Borinage nog allen hunne eigene kermissen, die op verschillende dagen vallen, en met eigenaardige gebruiken gepaard gaan. Zoo is het bijvoorbeeld de gewoonte om aanstonds na afloop eener kermis, van huis tot huis rond te gaan om giften in te zamelen voor het vieren der volgende. De jongelieden, aan wie deze taak is opgedragen, voeren den titel van kapiteins: deze betrekking is een soort van eerepost, waaraan zekere voordeelen verbonden zijn en die bij opbod wordt uitbesteed. De liefhebbers bieden tot honderd, tweehonderd, soms wel driehonderd potten bier, naar gelang van de belangrijkheid van het dorp. Met de opbrengst der kollekte organiseert men bals en bekostigt men vuurwerken en illuminatie: het overschietende komt ten bate van de aannemers.
Zoolang de kermis duurt wandelen deze kapiteins zeer deftig door het dorp, bekleed met de teekenen hunner waardigheid, namelijk: een steek met pluimen en een rotting; zij zijn naar behooren in het zwart met witte das en zien er uit als kellners of ceremoniemeesters. Indrukwekkend vooral is de plechtigheid, waarmede zij het bal openen: nauwelijks laat de muziek de eerste tonen hooren, of zij beginnen langzaam, met gebogen armen, in het rond te draaien, met al de majesteit en de deftige sentimentaliteit van ouderwetsche hovelingen, die een menuet of eene sarabande gaan dansen. Met half gesloten oogen schijnen zij de ongeduldigen en driftigen in bedwang te houden, die gevaar zouden loopen de eischen der welvoegelijkheid uit het oog te verliezen; maar deze vertooning is niet meer dan het verplichte voorspel. Weldra treden kleine meisjes van zes tot acht jaren, mooi gekleed en met linten en strikken versierd, in den kring; de kapiteins voeren de blozende kinderen, wier kleine voetjes onregelmatig trippelen op de maat der muziek, ten dans en walsen met haar ten aanschouwe van de verrukte moeders, die voor haar dochtertjes tegen klinkende munt het voorrecht gekocht hebben om door de kapiteins als “dames de danse” te worden genoodigd.
Een wonderlijke vertooning sluit de reeks van al deze feesten. Is er onder de kapiteins een gehuwde, dan rust op hem de verplichting om de aanbestedingen te houden voor het kapiteinschap van het volgend jaar; maar eerst moet hij zich leenen tot een grap, die zeer krenkend is voor zijne waardigheid als echtgenoot, en vermoedelijk haar oorsprong dankt aan het avontuur van een of anderen Sganarelle, dat in de gedachtenis is blijven voortleven. Men bindt den jongen man, na zijn gelaat met roet besmeerd te hebben, op een ezel, en voert hem zoo, onder het gejuich en gelach der schare, door het dorp.
Wie de Borinage als het ware met een enkelen blik overzien wil, die moet te Bergen plaats nemen in den trein naar Quiévrain, welke het geheele kolendistrict doorsnijdt. Binnen een paar uren is men in deze hel ver genoeg doorgedrongen, om er op het gelaat en de handen en op de kleederen de teekenen, den smet en den stank van mede te brengen, als hadde men een tocht ondernomen naar de fornuizen van Beëlzebub. Verdoofd door het onophoudelijk geratel van den telkens hernieuwden donder, die het gansche land doet gelijken op een reuzenaambeeld, dreunend onder de mokerslagen van honderdduizend hamers; verblind door de vuurtongen en de rookwolken, die omdwarrelen door den verstikkenden, benauwenden dampkring; verbijsterd door het schouwspel van al die ijzeren gedrochten, als met ontembare woede ronddraaiende, stampende, op en neer gaande, slaande en snuivende, onder een zwarten met kolendamp en roet bezwangerden hemel, te midden van een landschap, dat u aan een der kringen van Dante’s Inferno doet denken:—zult ge van dezen tocht een indruk medebrengen, die u nimmer uit de herinnering zal wijken.
De vuurspuwende salamander, die u, langs zijn tweelingslijn, in vliegende vaart voortsleurt door dit zwart geblakerde landschap, dwars door de vlammen en den smook van dezen gloeienden en toch donkeren dampkring, past volkomen bij het karakter van dit oord der verschrikking. Terwijl hij in vollen ren voortsnelt, rolt de doffe donder zijner snelle raderen verder en verder, zich voortplantende door de uitgeholde en trillende aardkorst. Bladzijde 52De gansche streek is op schrikwekkende wijze ondermijnd en doorboord, als waren hier tallooze legioenen van paalwormen aan het werk geweest; zij gelijkt op een koraalrif, in alle richtingen doorkruist door een onnoemelijk aantal gangen en galerijen. Elk oogenblik snort de trein door gebarsten tunnels, over waggelende bruggen, die zich als door een wonder staande houden op dien golvenden grond, zoo onvast als eene onstuimige zee; bezweken zij, dan zou zich onder den vliegenden trein een afgrond openen, waarin wagens en reizigers reddeloos zouden verdwijnen.
Met eene onbegrijpelijke zorgeloosheid leeft de Borain op dien uitgestrekten, sluimerenden krater, die elk oogenblik, door eene grondverplaatsing beneden, door een of anderen krachtigen schok, natrillende onder de ondermijnde korst, van een kan splijten en afgronden openen, waarin groote rivieren zich zouden verliezen. Het uitwendig voorkomen van het landschap maakt den indruk van een geweldige vulkanische werking, die de aardkorst heeft gescheurd, heuvelen heeft doen oprijzen en ravijnen geopend, en op alles den stempel gedrukt van het inwendige vuur. Slechts op een enkel punt vertoont deze gefolterde en gemartelde natuur een ander, vriendelijker gelaat. Eensklaps bevinden wij ons te midden van een echt landelijk tafreel, eene liefelijke idylle, waar het malsche groen onze oogen verkwikt en wij weder de landlieden op den akker zien; waar geene afschuwelijke geluiden de heerlijke stilte verbreken en het helsche geknars en gestamp der machines niet wordt gehoord; waar de grond niet is bedekt met eene vuile laag van modder en roet, en Gods lieve zon niet schuil gaat achter stinkende kolendamp. Het is eene verkwikkende oase, zooals wij er zoo velen zullen vinden in het land van Charleroi, en die ons vergunnen, weder eenigszins tot ons zelven te komen en de benauwende nachtmerrie van kolenmijnen en machines en onmenschelijke slavernij en verwildering van ons te werpen. Maar evenals bij den storm soms eensklaps op een zeker punt de wolken scheuren en de blauwe hemel ons tegenlacht, om onmiddellijk daarna weder, bij het gieren van den wind, omfloersd te worden: zoo heeft men ook ter nauwernood de verkwikking gesmaakt van dit gezegend plekje, of de noodlottige tooverkring sluit zich weer, en verdwenen is het liefelijk landschap, badende in den zonneschijn, als een Eden in het hart der hel.
En toch, ondanks den nevel en de zwarte en grauwe tinten, is de aanblik van het landschap in zekeren zin schilderachtig. Een breede straatweg, die de dicht op elkander volgende dorpen verbindt en tevens de hoofdstraat vormt, is ter wederzijde omzoomd door twee ongelijke rijen van lage huisjes met donkerroode daken. Op een pleintje verheft de katholieke kerk hare spits ten hemel, tegenover het protestantsche bedehuis; want onder deze bevolking heeft het Calvinisme talrijke aanhangers, die, gelukkig, met hunne katholieke landgenooten op goeden voet leven. Voor de deuren zitten, in hun vrijen tijd, de mannen neergehurkt, en rooken hun pijp, met de armen rustende op de opgetrokken knieën. Zelfs binnenshuis geeft de mijnwerker aan deze ongemakkelijke houding de voorkeur boven een stoel; uren lang kan hij zoo, soezend en droomend, voor den haard zitten, zich koesterende in de warmte.
Doorgaans behoort bij de woning van den Borain ook een klein tuintje: welke tuintjes in dit land der schaduwen des doods eene ware verkwikking zijn. De bewoner zorgt ook voor dit gezegende plekje: hij kweekt daar zonnebloemen, dahlia’s, pioenrozen, groote, sterk gekleurde bloemen, die schitteren in het zonnelicht en wier aanblik voor deze arme lieden een genot is, waarvan alleen de minnaars van tuinen en bloemen in de steenen wildernissen der groote steden zich eene voorstelling kunnen maken. Als hij niet in de mijn vertoeft, verzorgt de mijnwerker zijn tuintje, bindt zijn bloemen op, roeit het onkruid uit, harkt de paadjes op, begiet zijn perkjes; in dien stillen, vreedzamen arbeid vindt hij een uitweg voor de zachtere gevoelens, voor de onbewuste poëzie, die ook bij hem onder de zoo ruwe en vaak zoo terugstootende schors slaapt. Waarom geeft men zich niet meer moeite om zijn beter ik bij hem wakker te schudden en tot bewustzijn te brengen, om hem te verlossen uit dien staat van halve verdierlijking, waarin hij dreigt te verzinken? Overal waar de poging werd beproefd, zijn de resultaten gunstig geweest. Het komt er slechts op aan, de alleszins billijke behoefte dezer tot zoo schrikkelijken arbeid gedoemde bevolking aan uitspanning en vermaak, aan recreatie—om dit zoo treffend juiste woord te bezigen,—met verstand te leiden en op zoodanige wijze te bevredigen, dat het peil der zedelijkheid daardoor wordt opgeheven en niet verlaagd. De taak is—vooral in onzen tijd—uiterst moeilijk, maar mag toch niet als onmogelijk worden opgegeven. In de Borinage echter, waar zoo veel mogelijk geldverdienen op den voorgrond staat, is men er, ongelukkig genoeg, meer op bedacht, met bijl en houweel de steenkool uit het ingewand der aarde te voorschijn te halen, dan onder de ruwe schors van zinnelijkheid en egoïsme de goddelijke vonk op te sporen en te ontsteken, die sluimert in iedere menschelijke borst.

In de glasblazerij.
Wij gaan in onze verbeelding een paar eeuwen terug. Het land van Charleroi en de omliggende streken waren toen nog niet, als nu, de prooi van eene rustelooze, rumoerige, alles verdringende industrie, de geboren vijandin van alle natuurschoon en alle poëzie; de bevolking legde zich veel meer op landbouw dan op nijverheid toe. Wel waren er te Châtelineau, te Grilly, te Charnoy (de bakermat van het latere Charleroi), te Lodelinsart, te Jumet, enkele kolenputten; maar de kunst om die putten of mijnen te exploiteeren verkeerde nog in hare kindsheid; men gebruikte wat als het ware voor de hand lag, en de steenkool, die als handelsartikel nog weinig beteekende, dacht er nog niet aan, de heerschappij van het hout op het gebied der nijverheid te betwisten. De metallurgie deed Bladzijde 54nog niet de aambeelden zuchten onder de rustelooze slagen der zware hamers en wekte de echo’s der stille valleien nog niet met het oorverscheurend gefluit der machines. Te Marchienne, te Monceau, te Presles, te Loverval en op enkele andere plaatsen vond men eenige onbeteekenende smederijen of pletterijen; voor het overige brachten de landlieden, in de meeste dorpen langs de Sambre, de lange winteravonden door met het vervaardigen van spijkers. Niets deed toen en ook nog veel later de ontzaglijke vlucht vermoeden, welke de groote industrie later zou nemen, en die het geheele aanschijn des lands zou veranderen. Wie toen langs de liefelijke boorden der Sambre, door geurige bosschen, door bloeiende boomgaarden en met bloemen beparelde weiden wandelde, ademde eene zuivere lucht in, niet bezwangerd met vuile dampen van allerlei soort, en kon zijne oogen vrij laten dwalen door het schilderachtige, romantische landschap, zonder overal te stuiten op monsterachtige fabriekgebouwen en wanstaltige, vuur en rook spuwende schoorsteenen. Onze benijdenswaardige voorvaderen leefden ook nog niet in dien eeuwigen, verbijsterenden rosmolen, in den wilden roes die ons onweerstaanbaar medesleept in zijn suizelende vaart; zij hadden nog den tijd om van den arbeid uit te rusten en in stille kalmte het leven te genieten; zij kenden ze nog niet, die aangezichten, waarop de onverzadelijke geldzucht, de razende speculatiekoorts haar onuitwischbaren stempel hebben gedrukt, uit wier harde koude trekken zelfzucht en koele berekening spreken; die aangezichten, waarop iedere flikkering van hooger leven is uitgedoofd, trouwe spiegels van de ledige, door zelfzucht verteerde, door ongeneeslijke verveling en onvoldaanheid verkankerde harten. Onze voorvaderen, zij hebben de schoone Sambre-vallei nog gekend als een dichterlijk Eden, hier gekroond met boschrijke heuvelen, aan wier voet de golfjes kabbelden der rivier; daar zich uitbreidende in groene weilanden, met veelkleurige bloemen bezaaid, waar de bij haar honig puurde en de veelkleurige vlinders fladderden; tuinen en velden, waartusschen de murmelende Sambre, in tallooze bochten, zich slingerde als een zilveren lint, wandelende in ongestoorde vrijheid. Want de ingenieurs waren nog niet gekomen en hadden de dichterlijke, kronkelende rivier nog niet misvormd tot een rechtlijnig kanaal, leelijk als een spoorweg; en vischrijke beekjes, waarin kreeften en forellen huppelden en dartelden tusschen de gladde glimmende steentjes en over het smaragdgroene mos, vroolijke zingende, dartele beekjes met welluidende, sonore namen, spoedden zich vroolijk en lustig naar de rivier, om haar de schatting te brengen van haar kristallen wateren. Een waas van plechtige stilte, van stemmende sabbathrust lag over geheel het schoone landschap uitgespreid: eene stilte, niet verstoord, maar verhoogd en als gewijd door het statig ruischen der bosschen, het gemurmel der vlietende wateren, het gezang der vogelen. Nevens een groot aantal aanzienlijke boerderijen en hofsteden, waar in aartsvaderlijke eenvoudigheid, van geslacht tot geslacht, brave en achtenswaardige landbouwersgezinnen hun leven sleten, verhieven zich in het dal enkele kleine steden, trotsch op haar sterke muren en wallen, haar torens en grachten, haar veilige ligging op de steile rots: Thurin, Walcourt, Fontaine-l’Evêque, Marchienne, Châtelet, Fosses; voorts eenige aanzienlijke vlekken, met recht fier op hun hooge oudheid: Gosselies, Gerpinnes, Fleurus. En te midden der boerenwoningen troonden de hooge adellijke burchten, met hun zware gekanteelde muren en torens, hun ophaalbruggen, met de glorierijke herinneringen van heldenroem en ridderdeugd: Monceau, Montigny, Farciennes, Acot, Presles, Loverval. En op de liefelijkste, schoonste plekjes schuilden, in het stille bosch, in de rustige betooverende vallei, de groote, van ouds beroemde, rijk begiftigde abdijen: Lobbes Alne, Oignies, Floreffe; en vele kloosters van minderen rang, Soleilmont voor vrouwen, Saint-Frangois-sur-Sambre voor mannen, als ook enkele kluizen, Saint-Blaise te Bouffiaulx en nog een paar anderen, die mede bijdroegen tot de schilderachtige fysionomie van het stille landschap. Daar, in die kloosters en abdijen, in die kasteelen en heerenhuizingen, vloot het leven meestal rustig en kalm voort, vaak gewijd aan studie en wetenschappelijke nasporingen, aan gebed en vrome overpeinzingen. De massa der bevolking leefde stil en eenvoudig, naar voorvaderlijke zede, in eerbiedige onderwerping aan het eeuwenoude gezag van den wereldlijken of geestelijken heer, onbekend met hetgeen daar buiten in de wereld geschiedde, ten eenemale vreemd aan de politiek en wat daarmede samenhangt. De landman, de ambachtsman, de stille gezeten burger, zij allen verrichtten met zorg en ijver en nauwgezetheid hun arbeid; zij kweten zich van de verplichtingen, die uit verschillenden hoofde op hen rustten en trachtten zich in hun kring nuttig te maken; maar zij waren te verstandig om te staan naar hetgeen buiten dien kring ligt, om te meenen dat ook zij geroepen en bevoegd waren om mede het land te regeeren....
Die tijden zijn voorbij. Wie nu per spoortrein van Bergen naar Charleroi reist, aanschouwt een gansch ander tafreel, al heerscht hier ook, in vergelijking met de koortsige, razende werkzaamheid in de Borinage, een betrekkelijke rust, en al wordt het oog menigmaal verkwikt door den aanblik van groene weilanden en bloeiende akkers.
Binche, de vroolijke bakermat dier Gilles, die een zoo voorname rol spelen in het beroemde karnaval der stad; Binche heeft steenkolenmijnen en glasblazerijen, wier geraas evenwel de stilte en rust van het landschap niet al te zeer verbreekt. Deze kalme, rustige natuur reikt tot aan de boorden van de Sambre: maar daar wijkt de idylle eensklaps voor het verbijsterend rumoer der alles overweldigende industrie. Toch is het hier nog niet zoo erg als in de Borinage: te midden van dit gebied van ijzer en vuur vindt men nog stille liefelijke plekjes vol lommer en landelijke poëzie. Dikwijls nog bewaart de eens zoo liefelijke vallei, nu onophoudelijk weergalmend van het geraas der smederijen, voor den reiziger de aangename verrassing van die stille nestjes, in het dichte lommer verscholen, vol geheimzinnige schemering en welluidend Bladzijde 55gezang, van die bekoorlijke plekjes, waar men ongestoord de vrije natuur genieten kan: paradijzen te midden dezer hel waar de stoom en de machines hun triomf vieren. Reeds te Marchienne verbijstert u het oorverdoovend geraas van tallooze hamers, nederdalende op ijzeren platen of trillende aambeelden; wij bevinden ons weder in het gebied van den demon des vuurs, aan wien wij te Cuesmes ontsnapt waren, maar die ons nu niet eer zal loslaten voor wij den kring hebben overschreden eener vrij wat meer saamgestelde industrie dan in de Borinage, want bij de exploitatie der steenkolenmijnen komt hier, in het land van Charleroi, de bewerking der metalen en van het glas.
Reeds bij de met heete kolendamp bezwangerde nevels van Elouges, Dour en Hornu, was het ons, of wij door eene hel rondwandelden; maar hier is die indruk nog sterker, in zoo geweldige mate is hier de geheele natuur veranderd en misvormd door den rusteloozen menschelijken arbeid, onverbiddelijk en onbuigzaam als het noodlot. Men moet in waarheid zijne toevlucht nemen tot beelden en vergelijkingen aan eene bovennatuurlijke orde ontleend, om een eenigszins getrouwe voorstelling te geven van dien verwoeden, razenden kamp, door eene gansche bevolking tegen de elementaire natuurkrachten gevoerd: een strijd, waarin de mensch wordt bijgestaan door dat andere wezen, dat hij naar zijn beeld heeft geschapen, dat voor en met hem arbeidt, als met verstand en oordeel des onderscheids begaafd, maar dat hem ook, onder meer dan een opzicht, tot zijn slaaf heeft gemaakt. De machine—dat schepsel van ijzer, niet het evenbeeld, maar de karikatuur, de aap van den mensch;—heerscht hier alom als de natuurlijke bondgenoot en helper van haar heer en meester, van dien bleeken, uitgeteerden, hongerigen man, die haar in beweging brengt, hare gewrichten insmeert en lenig houdt, en haar maag vult met telkens nieuwen voorraad, dien zij brullende verslindt. Of liever, die machine, de titan, die in zijn geblakerd paleis niets nevens zich duldt; die wanstaltige Briareus, die zijne duizend armen uitstrekt in alle richtingen, die der zon zijn vuilen adem in het aangezicht spuwt en de ingewanden der aarde doorwroet; die apokalyptische reus heerscht hier als koning en opperste gebieder over een volk van slaven, dat niet dan door hem leeft. Inderdaad schijnt de mensch, een machtelooze dwerg tegenover den geweldigen titan, niet anders dan een slaaf, die voor het levensonderhoud en de veiligheid van den reus moet waken; maar daarbij voortdurend op zijne hoede moet zijn tegen de verraderlijke streken en doodelijke aanslagen van den geweldige, die er steeds op uit is, zich te wreken over de banden, welke de nietige mensch hem aanlegt, over de strenge tucht, waaraan hij hem onderwerpt. Want hij gevoelt het wel, de machtige heerscher, dat ondanks al zijne reuzenkracht en zijn onberekenbaar vermogen, waartegen de zwakke mensch niets vermag, toch de wil van dien zwakken nieteling hem regeert en hem het onverbiddelijke: “Tot hiertoe en niet verder!” toeroept, waarvoor hij zwichten moet. Hij buigt voor die wet; maar terwijl hij zijne reuzenarmen op en neder laat gaan en het gansche veelvoudige samenstel van raderen en buizen en zuigers en riemen, als de ledematen van een monsterpolyp, in beweging brengt; terwijl hij de lucht vervult met zijn geloei en gesnuif en geblaas, zint hij op wraak en loert op eene gunstige gelegenheid om de pygmeën, die hem omringen en beheerschen, te straffen voor hunne vermetelheid. Nu eens grijpt hij er een, in het voorbijvliegen, bij een slip van zijn kleed, sleurt hem mede tusschen zijne tanden, vermaalt hem en werpt hem op den vloer, eene vormelooze, bloedende massa. Daar weder waagt hij eene stoute poging om zijne banden te breken: als een andere Simson verheft hij zich in zijne woeste kracht, doet zijne ketels barsten, vernielt zijn tempel, plettert alles tot gruis, begraaft de lijken onder het neerstortend puin en verspreidt wijd en zijd dood en verwoesting.
Beschuldigt men mij wellicht van te stoute beeldspraak, van te fantastische overdrijving? Welnu, treedt dan een dier groote pletterijen binnen, die te Couillet, te Marchienne, te Châtelet, te Monceau-sur-Sambre, bij honderden den grond doen dreunen onder de rustelooze beweging harer machinerieën; en zeg mij dan of niet bij den aanblik van deze verwonderlijke gewrochten der wetenschap, zoo zuiver stoffelijk en mechanisch, en toch op wonderlijke wijze doortinteld van een verborgen leven: zeg mij, of dan niet onwillekeurig de gedachte bij u oprijst aan een zelfbewust wezen, dat krachtens eigen wil en wet handelt en werkt, onafhankelijk van hetgeen daarbuiten is? Als de ledematen van het menschelijk lichaam, zoo schijnt elk deel van dit reusachtig organisme zelfstandig te werken, met haastiger of langzamer beweging, naar gelang de bewuste wil dat voorschrijft en regelt, met het oog op het doel van al dezen gemeenschappelijken arbeid.—Wat mij aangaat, het is nooit zonder een gevoel van bewondering, maar ook van geheimen onwederstaanbaren afschuw, dat ik de bewegingen, nu verblindend snel, dan tergend langzaam, de slingeringen en wendingen van deze reusachtige werktuigen aanzie: hier, die in vliegende vaart rondwentelende raderen, wier tanden in elkander grijpen; elders die als in stomme wanhoop op en neer gaande zuigers; ginds die monsterachtige hamers, in staat om rotsen te pletter te slaan en toch soms zoo onmerkbaar, zoo huiveringwekkend zacht nederkomende, dat ge uw vinger op het aambeeld zoudt kunnen leggen zonder schade te ondervinden; al dat gedraai, gewoel en gewemel, dat u den indruk geeft van een levend wezen, van een of ander voorwereldlijk gedrocht, dat overal, naast u, achter u, voor uwe voeten, hoog boven uw hoofd, zijne tallooze armen en voelhorens en wonderlijke organen uitstrekt en in beweging brengt; met een gesnuif, als van eene benauwde ademhaling, met een verdoovend gesis en gefluit en gegons, met snijdende kreten als van een gemartelde op de pijnbank.

In eene ijzerpletterij. (Blz. 55.).
In den ketel kookt en woelt en brult de stoom, die van dit middelpunt, het onstuimig kloppend Bladzijde 57hart van den reus, door honderden buizen, als zoo vele aderen, de levenskracht doet uitgaan, welke het gansche mechanisme in beweging zet. Zoodra die heete stroom door zijne aderen bruist, ontwaakt de titan uit zijne rust: zijne gewrichten ontspannen zich, de kettingen kraken, de raderen beginnen te wentelen; de geweldige kolossus rekt zijne ledematen uit, richt zich op en hervat in woedende drift zijn arbeid. Wee den ongelukkige, die het monster te nabij komt! In een oogwenk wordt hij aangegrepen, meegesleurd, vermaald en verslonden, zekerder dan door de kaken van tijger of krokodil. Maar die vreeselijke kracht tot vernielen, waarmede de wetenschap hem heeft toegerust, wordt in toom gehouden door het genie van den mensch, die den geduchten titan aan zijne wetten onderwerpt, ieder zijner bewegingen bepaalt en regelt, hem als aan eene onverbreekbare ketting leidt, en dienstbaar maakt aan zijn wil. Zoo arbeidt hij, de geweldige, ten behoeve der moderne industrie, die zonder hem niet bestaan kan, niet denkbaar is.

De kapel in het kasteel te Ecaussines-d’Enghien. (Blz. 64.)
Van Marchienne tot Monceau en van Couillet tot Sainte-Marie d’Oignies is de hemel rood gekleurd, als door den weerschijn van een reusachtigen brand, en is de lucht met rook en damp vervuld, als waren eenige honderden batterijen rusteloos in werking. Overal steken de hooge schoorsteenen, als bladerlooze boomstronken hoog in de lucht. In eene eindelooze rij, bijna zonder tusschenpoozen, volgen pletterijen op kalkovens, steenkolenmijnen, glasblazerijen, hoogovens; op sommige plaatsen, zoo als te Couillet, te Monceau, te Sainte-Marie d’Oignies en te Mariemont, vormen deze Bladzijde 58verschillende inrichtingen uitgestrekte établissementen, onder een enkel bestuur geplaatst en met eene talrijke bevolking: kleine steden op zich zelven. Het zijn inderdaad steden, met haar straten, haar grachten, haar spoorwegen, haar eigen organisatie, met eene groote mate van zelfstandigheid en eene eigene fysionomie, die elke van haar in het bijzonder onderscheidt.
Reeds in 1830 liet de maatschappij Marcinelle-et-Couillet de eerste werkmanswoningen bouwen, en gaandeweg werden nieuwe inrichtingen ten behoeve der arbeidersbevolking in het leven geroepen: bewaarscholen, scholen voor lager onderwijs, teekenscholen, ambachtsscholen, een muziekgezelschap, een spaarbank, een maatschappij van levensverzekering en dergelijken. Te Mariemont heeft de welvaart, dank zij vooral de ijverige bemoeiingen en verstandige energie van den heer Abel Warocquié, een hoogen trap bereikt. Te Sainte-Marie d’Oignies vormen de ruim zestienhonderd bedienden en werklieden in zekeren zin eene groote familie, die, behalve haar scholen, ook een winkel van levensmiddelen, eene goedkoope spijsinrichting, hulp- en spaarbanken bezit en eene tamelijk ingewikkelde maatschappelijke organisatie op zich zelve vormt. Elders vindt men hetzelfde, zij het ook op kleiner schaal; deze industriëele centra streven er naar, eene zelfstandige maatschappelijke organisatie in het leven te roepen, waardoor ook voor de welhaast in duistere slavernij verzonken arbeidersbevolking een weg geopend wordt om zich uit de diepte op te heffen en tot een meer menschwaardig bestaan te geraken.
Evenals in de Borinage wordt ook hier deze geheele beweging hoofdzakelijk geleid door een uitgelezen korps van ingenieurs, die zich zoo veel mogelijk trachten neer te buigen tot het peil der onontwikkelden om hen langzamerhand tot zich op te heffen, en ook in de onderste lagen der maatschappij het licht der wetenschap te doen schijnen. Hun aantal is legio: de school te Luik, waar beroemde leeraren eene talrijke schaar van leerlingen om zich vereenigen, is de kweekplaats, die telkens nieuwe officieren levert, om op de slagvelden der industrie de drommen der soldaten aan te voeren. Ik weet niet hoe het in andere landen, waar de grootindustrie bloeit, gesteld is; maar ik weet wel, dat in dit waalsche land, waar telkens de moeilijkste vragen worden opgeworpen, met ijver en toewijding gearbeid wordt aan de geestelijke en zedelijke verheffing en bevrijding van de arbeidende klasse :—dat geduchte probleem, aan welks oplossing de moderne demokratie wel waarlijk haar beste krachten mag beproeven, want aan die oplossing hangt haar leven. En het ware onrechtvaardig en onbillijk, de goede vruchten van dien arbeid te loochenen, de waarde der verkregen resultaten te miskennen; te loochenen dat, althans in de voornaamste centra, het peil der ontwikkeling niet onbelangrijk gerezen is en de beschaving, ook onder de lagere klassen, vorderingen heeft gemaakt. En niet alleen tracht men den geest te beschaven, men doet ook het mogelijke om de positie van den werkman te verbeteren en hem in zijn eigen oog te verheffen. Te Sainte-Marie d’Oignies kan de werkman, door geregelde betaling zijner huur, zich den eigendom verzekeren van zijne woning, die, hoe nederig zij moge zijn, toch den eigenaar in eigen schatting doet rijzen en hem iets geeft van het rustige zelfgevoel van een landheer, die op zijn eigen goed zit. Ook zal het besef van eigendom hem dikwijls bewaren voor de gevaarlijke verlokkingen van eene fantastische toekomst, waarvan het toch niet zeker is dat zij inderdaad verbetering in zijn lot zou brengen. Te Mariemont, waar men hetzelfde stelsel in toepassing brengt, heb ik arbeiderswoningen gezien. Zij bestaan doorgaans uit vier vertrekken, twee beneden en twee boven, met een tuintje, dat de noodige groenten voor het gezin kan opleveren. Eene familie van vijf of zes personen heeft het in zoo’n huisje wel niet ruim, maar de woning is ten minste gezond en zindelijk; er heerscht zekere mate van welvaart, een geest van orde en spaarzaamheid, die deze arbeiderskoloniën zeer gunstig onderscheidt van de ellendige krotten in de Borinage.
Dit alles is zeker uitmuntend en voortreffelijk; en men moet zonder eenige aarzeling den ijver, de toewijding en de goede bedoelingen prijzen van hen, die dit alles in het leven riepen en, naar hun oordeel, niets onbeproefd lieten om de onvermijdelijke noodlottige en verderfelijke invloeden en werkingen der moderne industrie te keeren, en den voortgang van het kwaad te stuiten. Toch—ik mag het niet verzwijgen—is bij mij menigmaal de vraag gerezen, of aan al dien arbeid, aan al die inspanning, aan al die opoffering en toewijding niet iets ontbreekt, eene hoofdzaak ontbreekt: en of niet door het gemis van dat ééne, al het andere in het eind zal blijken ijdel en vergeefs te zijn geweest? Voorzeker, deze industrieelen en ingenieurs zijn geen grove materialisten, die meenen dat voor den mensch alles gedaan is, wanneer hij eene goede woning en overvloedig voedsel heeft, wanneer hij trouwen kan en kinderen verwekken; neen, zij weten en begrijpen dat hij ook geestelijke behoeften heeft, zij trachten zijn verstand te ontwikkelen, den kring zijner kennis uit te breiden, het licht der wetenschap ook op den werkman te doen schijnen. Maar, voor hen, immers voor de meesten hunner, is dat dan ook genoeg: dat intellektueele ontwikkeling en zedelijkheid, dat kennis en karakter al zeer weinig met elkander hebben uit te staan; dat het bezit van het eene niet den minsten waarborg oplevert voor de aanwezigheid van het andere; dat althans voor de overgroote meerderheid eene bloot verstandelijke, wetenschappelijke beschaving zonder zedelijk-godsdienstigen grondslag, zonder positieve religieuse overtuiging, inderdaad geene beschaving, maar eene verniste barbaarschheid, niet eene weldaad en zegen, maar veeleer een vloek en een zeer groot gevaar is:—ziedaar eene waarheid die, naar ik vrees, ook hier, als elders, al te zeer uit het oog wordt verloren. Zou het niet in de eerste plaats daaraan zijn toe te schrijven, dat juist onder die zoogenoemd verlichte en ontwikkelde arbeidersklasse, juist in die kringen der half-cultuur—veel erger en veel gevaarlijker dan Bladzijde 59volslagen onwetendheid—het socialisme zijne vurigste predikers en ijverigste aanhangers telt?
Maar in dergelijke vragen, hoe gewichtig ook, hebben wij ons hier niet te verdiepen. Overigens zou men zich zeer vergissen, indien men den toestand der bevolking van deze geheele streek ging afmeten naar enkele bevoorrechte dorpen, waar de voorgang en de werkzaamheid van eenige welwillende en menschlievende patroons een weldadigen invloed heeft uitgeoefend op het lot der arbeiders. Overal elders, waar die invloed zich niet heeft doen gevoelen, komt de oorspronkelijke ruwheid aan den dag, die bij de eerste aanraking uwe sympathie voor den ongelikten, onvriendelijken, brutalen en ontevreden werkman op eene harde proef stelt. Wanorde en zorgeloosheid kweeken en bevorderen de armoede, die weder op haar beurt eene gansche sleep van ellende en verkeerdheid medebrengt.
Wie nu echter niet als moralist of wijsgeer, maar enkel als kunstenaar deze bevolking gadeslaat, zal getroffen worden door eene krachtig geteekende individualiteit, door zekere oorspronkelijkheid en een waas van sombere poëzie, waardoor deze ruwe, misdeelde menschen zoo goed passen bij de omgeving, bij de woeste, onherbergzame, ruwe fysionomie van dit land van nimmer poozenden, buitensporigen arbeid. De aard zelf van dit leven in de ingewanden der aarde of tusschen de gloeiende fornuizen en smeltovens der pletterijen en glasblazerijen, schijnt hen als van nature voor te bestemmen tot zekere natuurlijke ruwheid en woestheid: zij maken bijna den indruk van wezens tot eene andere, lagere orde behoorende, gedoemd tot den onophoudelijken strijd met de elementen en de onbewuste krachten der natuur. De donkere teekening die ik, naar waarheid, van de Borinage heb opgehangen, past ook volkomen op dit eenmaal zoo schoone land, waarvan de industrie eene huilende wildernis heeft gemaakt, dat zij heeft misvormd, verscheurd, geteisterd, omgekeerd, en van alle natuurschoon, van alle frischheid en leven beroofd.
Echter zou ik u een verkeerden indruk van deze streek geven, indien ik ook niet wees op de bewonderenswaardige orde onder deze schijnbaar chaotische wanorde, en op de weergalooze bekwaamheid, waarmede de industrie van dat verwoeste land heeft weten partij te trekken voor haar middelen van gemeenschap en vervoer. Als een reusachtig spinneweb strekken de spoorwegen naar alle kanten en in alle richtingen hunne tallooze rails uit, die de fabrieken en werkplaatsen verbinden met de lijnen van den staat. De onophoudelijke donder der voortsnorrende treinen doet den grond beven, bruist door de tunnels, ratelt over de viaducs; en dit oorverdoovend geraas vermengt zich met het knarsen en kraken van duizenden karren op de sintels en het steengruis der wegen; met de kreten der voerlieden, die hun vracht op- en afladen; met de beweging en het rumoer van de drukke scheepvaart op de Sambre en het kanaal van Brussel naar Charleroi: twee belangrijke waterwegen, waarlangs de produkten van deze reusachtige werkplaats tot in de uiterste deelen des lands en naar den vreemde worden vervoerd.
Ik zal mijn lezers niet in de fabrieken rondleiden. De bezichtiging van dergelijke inrichtingen, pletterijen, smeltovens, glasblazerijen en hoe ze meer mogen heeten, is toch alleen voor den deskundige van belang en heeft ook alleen voor hem eenige aantrekkelijkheid. Geen deskundige zijnde, gevoel ik nooit eenigen aandrang om zulk eene fabriek te gaan bezichtigen; gebeurt het mij eene enkele maal dat ik haar drempel moet overschrijden, dan is de algemeene indruk in de hoogste mate onaangenaam, en wensch ik niets liever dan dit lokaal, waar oog en oor, gevoel en smaak om het zeerst worden gekwetst en beleedigd, zoo spoedig mogelijk te verlaten. Welnu, ik zal mijn lezers die kwelling besparen; wij hebben nu waarlijk lang genoeg over de industrie gesproken, en keeren van harte gaarne tot aangenamer en belangrijker onderwerpen terug.
De verwonderlijke scheppingen der hedendaagsche wetenschap, de alles verdringende werkzaamheid der industrie, ze mogen ons niet verhinderen een blik te werpen op het verleden van het land, waarop de nieuwere tijd zoo machtig zijn stempel heeft gedrukt, maar waar de sporen en herinneringen van vroeger eeuw gelukkig toch nog niet geheel zijn uitgewischt. Trouwens, eene ontwikkeling als waarvan wij getuigen waren, is alleen mogelijk op een grond, sedert lang door menschen bewerkt en door hun zweet gedrenkt: en de bodem van Henegouwen heeft heugenis van tijden, nog ouder dan de oudste historische herinneringen.
In de Borinage heeft zich tot op onze dagen een type bewaard, wezenlijk verschillende van dien in het overige deel der provincie, en die door den gelaatsvorm en de breede vierkante schouders eenigszins herinnert aan de soldaten der romeinsche legioenen, die in deze streken de pionniers waren der beschaving. Op de plek, waar thans Bergen, de hoofdstad der provincie, is gelegen, bevond zich weleer een van die talrijke versterkte legerplaatsen, zooals de soldaten van Caesar overal in het veroverde land aanlegden. Zoo vlecht de oude traditie een band tusschen de moderne cyclopen, die in de mijnen en smelterijen arbeiden, en de bouwers van waterleidingen en militaire heirbanen, wier werk, de eeuwen tartende, nog bijna overal in Henegouwen in stand is gebleven. Maar hoe eerbiedwaardig ook, deze traditie zelve rust op de overblijfselen eener nog veel oudere traditie, die langen tijd in den schoot der aarde verborgen bleef, als het geheim van een verdwenen geslacht, dat bij zijn verdwijnen van de aarde iedere herinnering aan zijn bestaan mede had willen nemen in het graf der eeuwige vergetelheid, waarin voor en na alle geslachten der menschen verdwijnen.
Toen de mijnwerkers, die onophoudelijk op hun ontdekkingstocht in de duistere diepte het eeuwenen eeuwenoude graf schenden, waarin de versteende overblijfselen slapen van de geheimzinnige reusachtige wouden der voorwereld,—van welker omvang men zich eenigszins een flauw denkbeeld zal Bladzijde 60kunnen vormen, als men bedenkt dat de dikte van de steenkolenlaag in het bekken van Bergen veertig meters bedraagt, en dat, volgens nauwkeurige berekening, onze dichtste wouden na verloop van eene eeuw niets meer zouden opleveren dan een enkele schop kool van acht millimeters dikte!—toen de mijnwerkers de eerste bladzijden aan het licht brachten van het geheimzinnige boek, waarop de hand der natuur zelve de geschiedenis der aarde heeft geschreven, en men daarop de gewijde teekens begon te ontcijferen, toen kwam het wel bij niemand op, dat het immer mogelijk zou zijn, op deze diepte onder de bewoonde aarde sporen te vinden van den mensch.—En toch, naarmate men met meer ijver en nauwgezetheid deze relikwieën bestudeerde eener oorspronkelijke wereld, ontdekte men in de diep bedolven lagen, die eenmaal, in de verre schemering der eeuwenreeksen, de bovenkorst der aarde hadden gevormd, de sporen van een menschelijken voetstap. En die sporen volgende, kwam men langzamerhand tot de ontdekking van menschelijke woonplaatsen, afkomstig uit een tijd, waaraan iedere andere herinnering reeds bij den aanvang van hetgeen wij het historische tijdperk noemen, verloren was. In de provincie Namen vond men voor het eerst het geheimzinnig spoor van den voorhistorischen mensch. Op het zware gordijn, waarachter zich voor ons het verleden verbergt, vertoonden zich eensklaps de geheimzinnige omtrekken van een volk van schimmen, in wie het toch onmogelijk was de menschelijke gedaante niet te herkennen; van wezens, die hoe laag zij naar onze schatting ook mogen staan, toch met ons dezelfde menschelijke natuur gemeen hadden, even als wij aan de wet van lijden en smart waren onderworpen, en wier lot, als het onze, buiten hun toedoen geregeld werd door die eeuwige machten, tegenover wie wij even weerloos staan als zij. Pompeji, eeuwen lang onder de asch bedolven, herrees op zekeren dag uit haar graf, en toonde ons een menschengeslacht, te midden van de werkzaamheid en genietingen des levens plotseling in den dood gestort. Zoo vond men in de grotten en spelonken van de Lesse en de Hermeton, onder de asch der tijden en der geslachten, de sporen van eene primitieve wereld, aan welke het denkbeeld van maatschappelijk leven nog vreemd schijnt te zijn geweest.

Kapel in het park te Enghien. (Blz. 62.)
In Henegouwen kan het nieuwsgierig onderzoek niet zoo ver terug gaan. Op het punt, waarop hier de geodesische waarnemingen en ontdekkingen ons gebracht hebben, vindt men reeds een begin van beschaving en ontwikkeling; in den strijd om het bestaan—die van den aanvang af gepaard ging met moord en bloedstorting—in dien bitteren strijd bediende deze primitieve maatschappij zich Bladzijde 62van de wapenen, die haar de aarde zelve verschafte. De eerste arbeid van den mensch, liever de eerste kunstindustrie—begin en oorsprong van alle anderen—is gericht op de vervaardiging van doodelijke wapenen, die hij in de eerste plaats keert tegen het gedierte, dat hem het leven betwist en dat hij zich tot voedsel neemt, en vervolgens ook tegen zijn medemensen. Gedreven door de harde noodzakelijkheid om in zijn levensonderhoud te voorzien, scheurt hij den moederschoot der aarde open, die hem tot dusverre met haar planten en wortels gevoed heeft, maar zijne wassende begeerlijkheid niet meer bevredigen kan. Te Spiennes, niet ver van Bergen, heeft men, diep onder den grond, een aantal steenen voorwerpen en gereedschappen gevonden, buiten eenigen twijfel door de hand der menschen bewerkt. Tusschen Dour en Bergen, midden in het centrum der moderne industrie, heeft men zeven putten ontdekt, die blijkbaar gediend hadden voor de exploitatie van vuursteen. Bestond toen reeds in deze streken een brandpunt van industrie?

De Grand’ Place te Doornik.
In later eeuw, toen het geslacht dezer alleroudste bewoners sinds lang was ondergegaan, kwamen de romeinsche legioenen, die het oude Gallië hadden overstroomd, ook in deze landstreek, waar zij de kiemen zaaiden eener beschaving en ontwikkeling met zoo forsche en taaie levenskracht begaafd, dat nog heden het geheele land vol is van de teekenen en herinneringen aan de werkzaamheid dier machtige kolonisten.
Sedert 1829, toen opgravingen te Montigny-sur-Sambre overblijfselen eener waterleiding aan het licht brachten, heeft men op tal van plaatsen genoeg sporen van den arbeid der Romeinen gevonden, om zich eenigermate eene voorstelling te kunnen vormen van den toestand dezer streek tijdens de heerschappij der onsterfelijke wereldstad. Zeker moet men hier geen monumenten verwachten als in het land van Trier; deze bodem, waarin sinds eeuwen onophoudelijk werd gegraven en gewroet ter opsporing van metalen, eigende zich slecht voor de schepping en vooral de instandhouding van schoone kunstgewrochten; maar hetgeen men, onder de eeuwenheugende laag van asch en sintels en slakken gevonden heeft, hoe misvormd en geschonden ook, toont ons toch duidelijk, hoe ook hier het zoo verwonderlijke organiseerende en scheppende genie van Rome werkzaam is geweest om dat ruwe land van rotsen en ondoordringbare wouden te herscheppen en te ontginnen, ongeveer op dezelfde wijze als Caesar de ruwe natuur der Nerviërs bedwong en beschaafde, die bij zijne verschijning de streek bewoonden. Op verschillende plaatsen vond men graven en werden geheele nekropolen bloot gelegd. Te Presles—waar, naar de vrij algemeen aangenomen meening, de gedenkwaardige, zoo moorddadige veldslag geleverd werd, waarbij zestigduizend Nerviërs aan de legioenen van Caesar de zege betwistten,—vond men veertig gallo-romeinsche grafsteden. Te Aiseau ontdekte men een geheel kerkhof. Te Marcinelle ziet men reeds op vrij grooten afstand eene groote tombe, waar boven een boom oprijst: ook deze tombe is van romeinschen oorsprong. Te Gerpinnes brachten de opgravingen eene villa aan het licht, bestaande uit drie gebouwen met eene onderaardsche kamer, vermoedelijk een lararium, waarheen een trap van eenige treden toegang gaf, en die, te oordeelen naar de kruisen tusschen de nissen, later voor de christelijke eeredienst moet zijn gebruikt.
Deze verre herinneringen zijn echter niet de eenigen, die bij eene wandeling door het henegouwsche land worden opgewekt.
Henegouwen was van ouds de zetel van een machtigen en schitterenden adel, waaronder vele geslachten, wier namen door de historie met onsterfelijken roem zijn gekroond. Welke schromelijke verwoestingen de moderne industrie ook hebbe aangericht, zij heeft niet overal de sporen kunnen uitwisschen van de machtige feodaliteit, die haar forschen stempel op het land drukte en overal hare burchten oprichtte. Nog vindt ge in dit gewest menig vorstelijk park, menigen ouden feodalen burcht, menig historisch kasteel: fiere, hooge huizingen, bij wier aanblik ge het rusteloos rumoer, de razende drijfjacht van het moderne leven, den woedenden strijd der industrie vergeet: zij doen u denken aan de kalme, statige, half-koninklijke levenswijze dier hoog-adellijke geslachten, die niet noodig hadden, in halsbrekenden wedstrijd, te zwoegen en te draven om eene positie in de maatschappij, welke hun van zelve toekwam, om het goud, dat van zelf naar hunne paleizen vloeide.
Ginds, in een uithoek der provincie, schuilt, half in de uitgestrekte bosschen van zijn prachtig park verloren, het in gothischen stijl gerestaureerde kasteel van Chimay, waaraan zich nog de herinnering hecht van madame Tallien, die de hand wist te verwerven van een prins van Chimay.—Elders Enghien, het eenmaal zoo prachtige kasteel, waar Voltaire toefde en waar een hertog van Arenberg, naar de mode van de achttiende eeuw dwepende met Jean-Jaeques Rousseau, een soort van kluis,—maar eene kluis met vijftien à twintig kamers en het overige naar evenredigheid—liet bouwen. De aloude hooge heerlijkheid van Enghien was in vroeger tijd het eigendom der Luxemburgs en der Bourbons, en behoort tegenwoordig aan de familie van Arenberg. Het kasteel met het park werden door de fransche republikeinen verwoest en sedert niet meer hersteld. Slechts enkele gebouwen zijn nog hier en daar overgebleven; en het park, waarin nog de echo’s schijnen om te zweven van vorstelijke jachtpartijen en schitterende feesten, keert langzamerhand tot den toestand van een natuurwoud terug, zoo als het was voor vijf eeuwen, toen Pieter van Luxemburg dit uitgestrekte terrein met een muur liet omgeven. Van het oude kasteel is niet veel meer over dan de voormalige kapel, die nu geheel op zich zelve in een weiland staat. Hoe schilderachtig is haar aanblik, nu de natuur haar groenen mantel van klimop en kamperfoelie om de oude muren heeft gedrapeerd. Treedt haar binnen, door de gebeeldhouwde eiken deur, en werpt een blik op die rijke versiering, die beeld- en schilderwerken langs alle Bladzijde 63muren; op het altaar met zijne oude schilderijen in den trant der eerste duitsche meesters; op het uit hout gesneden en geschilderde altaarblad; op dit zonderling aangrijpend geheel, waaruit een geur van oudheid en eerwaardigheid, van rust en kalmte u tegenkomt.
Sommigen van deze adellijke huizingen schijnen welhaast in diepen sluimer verzonken, wegschuilende in de schaduw hunner eeuwenheugende wouden, en, even als het betooverde paleis der Schoone Slaapster, wachtende op de herleving van haar blijde, schitterende, glorierijke jeugd. De portretten der voorouders, in de statige vertrekken, in de breede gangen en portalen opgehangen, schijnen weemoedig neer te zien op de eenzaamheid en verlatenheid van het heden, zoo treurig afstekende bij de beweging en de vroolijke drukte eener schier vorstelijke hofhouding, waarvan die voorouders in hun tijd het middelpunt en het sieraad waren. Anderen daarentegen hebben nog iets overgehouden van het dreigend, krijgshaftig voorkomen der oude feodale burchten. Zoo, bij voorbeeld, het aan den prins van Ligne behoorende kasteel van Antoing, dat zijn zonderlingen toren zoo fier en schilderachtig opheft, omgeven door den wijden muur, waarvan het zware metselwerk, voor zoo ver het nog in stand werd gelaten, schijnt te getuigen van de aanvallen en bestormingen, die de trotsche burcht had te doorstaan. Binnen de wallen van dit kasteel werd in 1565 een prachtig tournooi gegeven, ter gelegenheid van het huwelijk van de dochter van den prins van Epinoy met den baron van Montigny. De bloem van den nederlandschen adel was bij dat feest tegenwoordig: onder anderen de graven van Egmond en Hoorne en de prins van Oranje. Drie jaren later werden de beide eersten op de markt te Brussel onthoofd; de bruidegom zelf, Montigny, eindigde zijn leven onder beulshanden in den kerker te Simancas; de prins van Oranje viel door het moordend lood van Balthazar Gerards.
Wie den naam van den prins van Ligne noemt, mag Beloeil niet vergeten, de vorstelijke residentie van dit vorstelijk geslacht: Beloeil, met zijn door Delille bezongen prachtige tuinen, de schepping van niemand minder dan Le Nôtre. Men heeft, en niet geheel zonder grond, tallooze malen den draak gestoken met dezen architekt der parken, met zijne symmetrische lanen, perken en heggen, met zijne smakelooze en kinderachtige misvorming der natuur. Maar wie over dezen stijl van tuinaanleg een billijk oordeel vellen wil, moet een park als dat van Beloeil hebben gezien, met zijne breede allée van een mijl lengte en zijn vijver van zes bunders, met zijn priëelen, zijn heggen en fonteinen en kunstwerken: alles even grootsch, even breed van opvatting, even vorstelijk van uitvoering. Want in gewone tuinen, op kleine schaal, inderdaad den indruk maakt van kinderachtigheid en suffenden wansmaak, dat verkrijgt hier een geheel ander karakter. Hier gevoelt ge het, dat eene machtige kunstenaarshand haar stempel op de natuur heeft gedrukt, het gansche landschap vervormd en gemaakt tot eene grootsche dekoratie, tot de levende uitdrukking, het tastbaar beeld van dat architektonisch ideaal, dat den kunstenaar voor den geest zweefde. Van zulk een park was het vorstelijk kasteel het middelpunt: de lanen met haar geschoren heggen waren de voortzetting van de gangen en galerijen van het kasteel; de rijk versierde salons vonden hun wedergade in de kunstige berceaux en priëelen met hun marmerbeelden en vazen; geheel de aanleg leende zich uitstekend tot de volle ontplooiing dier rijke, statige pracht van de koninklijke en vorstelijke hofhoudingen uit de zeventiende en de achttiende eeuw.—Aan dien ouden tuin van Le Nôtre, dien de prinsen van Ligne den goeden smaak hebben gehad te bewaren, grenst de moderne aanleg, het zoogenoemde engelsche park, in zijn soort niet minder fraai, niet minder rijk aan schoone partijen en verrukkelijke gezichten.
Het inderdaad vorstelijke kasteel is een museum, niet alleen van kunstwerken, maar ook van zoogenoemde curiositeiten, waaronder voorwerpen van hooge historische waarde. Wij kunnen zelfs niet beproeven eenig denkbeeld te geven van dien schat, door de opvolgende geslachten hier bijeen gebracht en die alle zalen en vertrekken van het kasteel vult. Onder do schilderijen vindt men er van Rubens, Van Dijck, Dürer, Holbein, Velasquez, Caravaggio, Van Eyck, Cranach en andere beroemde meesters.—Tot de merkwaardigheden van Beloeil behooren vooral ook die twee afgelegen vertrekjes, die de bekende veldmaarschalk, prins van Ligne, als krijgsman en diplomaat beroemd, maar bovenal als de geestige, galante, fijn beschaafde held der hoven van Versailles, Weenen en Petersburg, die volmaakte type van den grand seigneur uit het laatst der achttiende eeuw—dus ook filosoof op zijne manier—bewoonde, en waar hij die Mémoires te boek stelde, waarin hij met een fijnen, sceptischen glimlach den ondergang eener wereld beschrijft.
Daar is in waarheid iets eerwaardigs, iets gewijds, in zulk eene bezitting, van eeuw tot eeuw in dezelfde familie verblijvende, van geslacht tot geslacht van vader op zoon overgaande, en aldus als het ware het zichtbaar teeken, het tastbaar symbool wordende van de eenheid, den roem, de glorie der familie, wier naam en wier leven als onafscheidelijk met dit domein verbonden is. Welk een schat van herinneringen bewaart dit eerwaardig kasteel, bewaart iedere kamer in het vorstelijk slot, ieder plekje in het wijde park. Het tegenwoordige geslacht hecht niet veel waarde aan de eigenaardige eigenschappen van geest en gemoed, van denkwijze en karakter, van de geheele persoonlijkheid, die door dit erfelijk bezit van rang en aanzien en macht, van eene vaste, door allen erkende hooge positie, gaandeweg worden gevormd en ontwikkeld en ten slotte haast niet minder een erfelijk bezit zijn dan de voorvaderlijke grond; het tegenwoordige geslacht hecht daar niet veel aan, ja, ziet daar laag op neer en wijst het liefst op de schaduwzijden van dit aristokratisch karakter; maar of deze geringschatting, deze vijandige minachting geene noodlottige dwaling is, die schromelijke gevolgen Bladzijde 64na zich moet sleepen,—ziedaar eene andere vraag. Wat ons aangaat, met eerbied en Avarme sympathie begroeten wij deze vorstelijke kasteelen met hun doorluchtige namen, hun nobele traditiën, hun historische herinneringen; met eerbied en stillen weemoed wandelen wij om door hunne zalen en galerijen, door hun parken en tuinen, waar bij iederen voetstap het schoon en roemrijk verleden tot ons spreekt. Wie weet hoe spoedig ook deze nobele monumenten van den ouden tijd door den wassenden zondvloed der sociale revolutie zullen worden verzwolgen!

Het kasteel Beloeil (Blz. 63.)
Een groet aan Ecaussines-Lalaing, vroeger het eigendom der prinsen van Croy, nu van het doorluchtig geslacht van Arenberg; aan Ecaussines-d’Enghien, met zijne schilderachtige gothische kapel; aan Trazegnies, den eerwaardigen, door velerlei restauraties misvormden burcht, de aloude bezitting van een hoog en edel geslacht. Een groet aan die allen, voor het meerendeel halve ruïnen, maar ook in hun verval zoo schoon, zoo eerwaardig, zoo onuitsprekelijk aantrekkelijk en belangwekkend.
En hoe zouden wij ze mogen vergeten, de schilderachtige ruïnen van Mariemont, dien prachtigen burcht, waar Maria van Hongarije, de zuster van Karel V, haar schitterend hof hield? Koning Hendrik II van Frankrijk, wiens kasteel van Folembray in Picardië, op last der landvoogdes in de asch was gelegd, wreekte zich, door bij een onverhoedschen inval, door de nachtelijke duisternis begunstigd, het paleis van Mariemont te vernielen en aan de vlammen prijs te geven. Toen de morgen aanbrak, was het prachtige kasteel verdwenen; maar op het rookend puin had eene onbekende hand de woorden geschreven:
”Royne folle! souviens toi de Folembray!”
Het kasteel werd later onder Albertus en Isabella herbouwd en tot vorstelijke residentie verkoren. Bij den inval der Franschen in 1794 werd het op nieuw, en nu voor goed, verwoest. Bladzijde 237

De abdij van Aulne.
Van den top van den Drieëenheidsberg, die zijn breeden rug opheft uit de vlakke velden van het oude Tournaisis, het Doorniksche gebied, tusschen de Dender en de Schelde, met zijne vier steden en zijne drie-en-tachtig dorpen; van den top diens bergs ziet men, uitstekende boven de daken, de vijf hooge, vierkante torens van Onze-Lieve-Vrouwe van Doornik (zie bladz. 61). Schoon zij eenigermate wegduiken in den nevel, die den horizon omhuift, toch maken zij indruk door hunne forsche afmetingen en hunne stoute verheffing; uit het hart der doorluchtige, eerwaardige stad beuren zij hunne spits ten hemel, als een wegwijzer in het schemerend verschiet van het verre, verre verleden.
Inderdaad, in het oude België is daar geene oudheid te vergelijken met die van Doornik. Wij staan hier bij de bakermat van de fransche monarchie; evenals de groote rivieren, wier bron op een vergeten plek in de bergen, uit den rotsigen bodem opwelt, ver van de landen die zij met haar overvloedige wateren drenken, zoo ontkiemt de heerlijkheid en roem der oude fransche kroon aan het barbaarsche hof dier frankische koningen, die, van Chlodion tot Chilperik, hun zetel hebben in het Tornacum van de vijfde eeuw. Maar dit kleine volk, weldra gestaald in de harde leerschool van den krijg, was tot eene groote taak geroepen; en het bewees die roeping waardig te zijn, toen het, in de verwarde tijden der ontbinding van het Romeinsche rijk, met beslistheid en zelfbewuste kracht op den voorgrond trad en straks, onder de germaansche volkeren, den eersten rang wist in te nemen en de erfenis van Rome voor zich dorst te aanvaarden. Dit ging evenwel niet zonder bittere beproeving en harden kamp: in 451 werd de ontluikende frankische koningszetel door Attila verwoest; vier eeuwen later werd de oude stad de prooi der Noormannen.
Sedert was Doornik als het ware de aangewezen weg, dien de legers, uit het noorden of het zuiden komende, volgden, dood en verwoesting verspreidende op hun schreden; en meer dan eens scheen het, als ware de geteisterde en ter dood gewonde stad onherroepelijk veroordeeld om in wanhopige stuiptrekkingen te bezwijken. Maar het leven was krachtig en taai in die oude geslachten; mettertijd sloten de wonden zich weder, de krachten keerden terug, en het bloed stroomde weer als van ouds door de aderen; beschermd door haar nieuwe wallen, die de plaats der gesloopte muren hadden vervangen, zal Doornik eeuwen lang nieuwe lauweren winnen Bladzijde 238in schier rusteloozen krijg, nu eens tegen de Vlamingen alleen, dan tegen de Engelschen en de Vlamingen te zamen, tegen Hendrik VIII en Karel V, tegen Parma, tegen Lodewijk XIV, tegen Lodewijk XV. Niets kan haar moed buigen: de gevaren, waaraan zij telkens is blootgesteld, de rampen die haar treffen, de belegeringen die zij ondergaat, voeren haar geestdrift telkens hooger op. De vrouwen wedijveren in onversaagdheid met de mannen en sneuvelen op de wallen, met de wapens in de hand, liever dan zich over te geven. In het midden van de tegenwoordige stad, op het verwonderlijke schoone plein, dat met recht haar forum mag worden genoemd, waar nevens Onze-Lieve-Vrouwe de Belfroot fier zich opheft, prijkt het standbeeld van Christine van Lalaing, prinses van Epinoy; en het monument ter eere der heldhaftige edelvrouw vereeuwigt tevens de herinnering aan den wanhopigen tegenstand, dien de kloeke stad, twee maanden lang, aan den hertog van Parma bood: zestig vrouwen en meisjes en drie-en-dertig knapen sneuvelden in den woedenden kamp. Deze eeuw was tevens het tijdperk van den hoogsten bloei der nijvere stad; volgens Guicciardini en Strada dankte zij haar voorspoed vooral aan haar twee-en-zeventig groote gilden; haar lakens waren wijd en zijd beroemd, en nog tegen het einde der zeventiende eeuw wordt zij eene groote, rijke en prachtige stad genoemd. De krachtvolle, energieke burgerij ook van deze gemeente onderscheidde zich niet minder door haar dapperheid en lust tot avonturen, dan door haar werkzaamheid en rustelooze vlijt. Niet minder dan elf ridders van Doornik namen, met tal van mannen van wapenen, deel aan den eersten kruistocht; kinderen van Doornik vormden, in oorlogstijd, de lijfwacht der koningen van Frankrijk, die in deze stad steeds een trouwe bondgenoote vonden. In de gelederen der beroemde bonden van ordonnancie, die zoo geduchte ruiterij, namen de poorters van Doornik een eersten rang in; en een niet minder talrijk contingent leverden zij aan die schitterende spaansche infanterie, die tot op den dag van Rocroy voor onverwinlijk gold en wier glorierijke dood Bossuet heeft verheerlijkt. De koning van Frankrijk, Karel VII, loonde de trouw en de gehechtheid der poorters van Doornik, door aan de stad het recht te schenken, aan haar wapenschild de drie koninklijke leliën op azuren grond toe te voegen, die daar nog heden prijken als eene nobele herinnering aan haar grootsch en roemrijk verleden. Niet altijd evenwel was, bij veranderde omstandigheden, de verhouding tusschen de fransche monarchie en de henegouwsche stad zoo hartelijk; en de herinnering aan Karel VII weerhield Lodewijk XV niet, om na de zegepraal bij Fontenoi, het een oogenblik opgeheven beleg van Doornik met alle kracht voort te zetten, en de rampzalige stad bijna te bedelven onder de veertigduizend bommen, die zijne vuurmonden in rustelooze woede over haar uitbraakten.
Als door een wonder ontsnapte Onze-Lieve-Vrouwe aan dien verdelgenden regen van vuur en ijzer, waarin het laatste overschot van de vroegere welvaart der eens zoo bloeiende stad te gronde ging. Maar reeds vroeger had die welvaart een onherstelbaren knak gekregen: voor Doornik, als voor zoo menige andere stad in de zuidelijke Nederlanden, waren de noodlottige troebelen en oorlogen der zestiende eeuw een keerpunt in haar geschiedenis. Door een aantal harer burgers verlaten, aan wanorde en innerlijke verdeeldheid ten prooi, fel belegerd, zonk zij gaandeweg al dieper; haar bevolking nam af en haar rijkdom smolt weg. Toch, wie weet, was die sluimer misschien voor haar, als voor het overige belgische land, eene weldaad: deze rust, volgende op zoo langdurige en heftige beroering, op zoo koortsachtige opwinding vaak, gaf gelegenheid om de uitgeputte krachten te herstellen en alzoo gereed te zijn, om, als de ure van het ontwaken sloeg, den nieuwen arbeid met frissche kracht en vurigen moed aan te vatten.
Heden ten dage althans is Doornik, dat in de laatste jaren geheel van gedaante is veranderd en het voorkomen eener vroolijke, bezige, moderne stad heeft aangenomen, een der eersten op het gebied van intellektuëele en materiëele ontwikkeling. Nog altijd evenwel leeft in haar de oude krijgshaftige geest, en nog steeds schenkt zij aan het belgische leger eene breede schaar van zijne beste officieren. Voor het overige heeft zij eene volkomen herschepping ondergaan. Vroeger zag de reiziger, die haar naderde, een woud van torens voor zich oprijzen: zij telde toen niet minder dan elf parochiale kerken en vier-en-twintig kloosters en abdijen, bewoond door duizend monniken en nonnen. Nu beurt zij niet langer haar vijftig torens ten hemel; maar nog steeds is haar aanblik indrukwekkend; en wie haar betreedt voelt zich aangenaam aangedaan door de werkzaamheid en de onbekommerde vroolijkheid der bevolking, die haar welvaart geniet en door de eeuwen heen haar onverstoorbaar goed humeur heeft weten te behouden.
Op de helling van den heuvel, die de stad bestrijkt, verrijst de indrukwekkende kathedraal van Onze-Lieve-Vrouwe, haar vijf donkere torens ten hemel heffende, als eene edele gedachtenis aan de roemrijke middeleeuwen. Van welken kant men haar ook nadere, steeds is zij even reusachtig en verheven, en beheerscht zij, in haar onbewegelijke majesteit, de stad die aan hare voeten rust, veilig in de schaduw harer vleugelen. Inderdaad is de kathedraal van Doornik het schoonste monument der romaansche architektuur, dat België bezit; zij gelijkt onder geen enkel opzicht op de tooverachtige architektonische scheppingen der gothische kunst: hier treedt de soliditeit in de plaats der dekoratie, het getal en de massa vervangt den weelderigen rijkdom en de bevallige lichtheid. Maar deze kerk is grootsch en reusachtig; haar vijf torens, in het midden van het gebouw saamgegroept, zijn indrukwekkend als de pyramiden. Dit monument draagt den onmiskenbaren stempel van die stoere en kloeke mannen van het Noorden, van die mannen, wier sterke handen, nadat eenmaal hun gemoed zich voor den invloed van het Christendom had geopend en de kerk hen met haar geest gezalfd en doordrongen had, uit den chaos eene nieuwe wereld schiepen Bladzijde 239en gedenkteekenen oprichten, onvergankelijk als het marmer, waaruit zij ze optrokken.
De beperkte ruimte, waarover wij beschikken kunnen, maakt het onmogelijk, eene ook maar eenigermate volledige beschrijving te geven van de kathedraal: trouwens, mannen van talent hebben geheele boekdeelen geschreven om dit wondervol monument in al zijn rijkdom en verscheidenheid te doen kennen: en nog is, naar het schijnt, de stof niet uitgeput. Overweldigend is de indruk, wanneer men door den hoofdingang der kathedraal binnentreedt. De grootsche afmetingen van het majestueuse gebouw; de strenge en sobere eenvoud van het ernstige romaansche schip, dat aan een klooster doet denken; de majesteit van het transept en de weergalooze grootschheid der beide absiden, waarvan men naar waarheid heeft kunnen getuigen, dat geene enkele romaansche of byzantijnsche kerk in geheel Europa iets dergelijks heeft aan te wijzen; de verbazende stoutheid, de ideale verheffing en zwevende lichtheid van het koor, een wonderwerk der gothiek; de kleurenpracht der rijk geschilderde ramen; het contrast zelfs der verschillende stijlen, waardoor het monument in verscheidenheid wint wat het aan eenheid verliest: dit alles werkt samen om van de kathedraal van Doornik een der schoonste en merkwaardigste gewrochten te maken, ons door de heerlijke kunst der middeleeuwen nagelaten: een dier gewrochten, wier aanblik voldoende is om ons al onze kleinheid te doen gevoelen.
Wel zijn, zoo als ik zeide, van de vijftig torens, die vroeger het oog trokken van den reiziger, als hij zijne schreden naar Doornik richtte, er eenigen verdwenen, maar toch blijven er nog genoeg over om te getuigen van den vromen, godsdienstigen zin der voorgeslachten, die zich ook uitsprak in zoo menig eerwaardig heiligdom, om de majestueuse kathedraal van Onze-Lieve-Vrouwe gegroept. De Sint-Jacob draagt nog in haar geheelen bouwstijl de sporen van het tijdperk van overgang tot de eigenlijke gothiek. Sint-Piat en haar vierkante toren met drie rijen rondboogvensters; Sint-Quentijn, waar de strenge soberheid van het romaansche schip eene zoo aangrijpende tegenstelling vormt met de sierlijke elegantie van het gothische koor; Sint-Nicolaas, de overoude kerk, zoo bij uitnemendheid schilderachtig in haar verval: zij allen staan daar om de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal geschaard, niet minder eerwaardig, ook zij, door haar ouderdom en haar nobele traditiën. Dit geldt vooral van de aan Saint-Piat gewijde kerk, wel waarschijnlijk de oudste van allen; naar men meent, gebouwd op de plek, waar weleer een heidensche tempel stond. Ge kent de legende van Sint-Piatus? Hij was een romeinsch soldaat, die als martelaar voor zijn geloof werd onthoofd. Nadat de doodelijke slag gevallen was, richtte het lichaam van den martelaar zich weer op; hij nam het afgehouwen hoofd in zijne handen, verliet, door engelen geleid, Doornik en begaf zich naar Seclin, waar hij ter aarde werd besteld. Dat wonder wekte zoo groote verbazing, dat niet minder dan vijfduizend heidenen zich op dien stond bekeerden.
Men zou somwijlen in verzoeking kunnen komen, Saint-Piat te verzoeken, zijne wandeling nog eens te hervatten: want—het valt niet tegen te spreken—de oude vrome geest is voor een goed deel uit Doornik geweken, en eene zeer gedunde schare vergadert hier nog onder de vleugelen der Kerk, van wier macht en heerlijkheid zoo vele monumenten getuigen. Doornik is—om voor een oogenblik in krantenstijl te spreken,—een van de “bolwerken” van het belgische liberalisme; en haar oude heiligdommen zijn voor een deel van haar bevolking alleen nog maar belangwekkend als historische monumenten. Bovenal echter is Doornik, en met volle recht, trotsch op haar majestueuse basiliek, waarvan de vijf torens—de “choncq clochiers”, in het onbevallige doorniksche dialekt—zoo innig saamgeweven zijn met haar geschiedenis en eene voorname plaats bekleeden in alle liederen en gezangen, die in den mond des volks voortleven.
Maar niet minder trotsch is de stad op haar schoone, haar ruime Grand’ Place, waar de fiere moed en de heldhaftige vrijheidszin der oude gemeente nog schijnt voort te leven in het beeld dier Christine van Lalaing, dier kloeke prinses van Epinoy, die in de oogen van het volk als het ware eene soort van patronesse der stad is geworden, de type van den alouden schitterenden riddermoed en hoogen ridderlijken zin. Dit forum van een krijgshaftig volk is overigens uitnemend geschikt, om met en nevens de strenge indrukwekkende kathedraal eene breede plaats te beslaan in de herinneringen, die een volk, dat zich zelven acht en voor de toekomst leven wil, nooit mag vergeten, nooit mag laten uitwisschen of verdringen.
Keizers en koningen, machtige vorsten en grooten der aarde hebben op dit plein den indruk hunner voetstappen achtergelaten—helaas! maar al te menigvuldig ook een spoor van bloed. Dikwijls werd de eer om deze gekroonde hoofden te mogen herbergen, gekocht voor den prijs van den vrede naar buiten of de rust van binnen, als de stad werd gemengd in twisten en oorlogen, die haar eigenlijk vreemd waren, en waarbij haar belang niet of slechts voor een gering deel was betrokken. Maar ook hier, als elders, was dit plein het hart, het brand- en middelpunt der stad, waar haar eigen leven zich het krachtigst openbaarde, waar iedere groote of beslissende gebeurtenis in hare historie òf voltrokken werd òf haar spoor achterliet. Hier was het dat het volk, op het gelui van de alarmklok der Belfroot, zich vereenigde om het gevaar van een overval te bezweren, te wapen te snellen tegen Engelschen of Vlamingen, maatregelen te treffen voor de verdediging der stad;—hier, dat de volkshartstochten kookten als de baren eener stormachtige zee;—hier eindelijk, dat het geweten van een getergd volk zich uitte in de rochelende geluiden van de slachtoffers der inquisitie, die er onder de wreedste folteringen het leven lieten. De “steenen man”, die, onbeweeglijk op een der hoeken van het plein geposteerd, zoo menigmaal de zegekreten der uit den strijd wederkeerende poorters vernam, was niet minder vaak getuige van deze menschonteerende handelingen en beestachtige wreedheden.

Het gevecht van den Lumeçon.
Als de golf zich bij ebbe terugtrekt van het strand, zoo is de donkere vloed der eeuwen sinds lang teruggekeerd in de breede bedding der historie, niets achterlatende dan dien trotschen toren van den Belfroot, als een zwijgend getuige van het verleden. Van de vele monumenten der aloude fiere gemeenten, die wij achtervolgens in oogenschouw hebben genomen, is deze een van de oudste en eerwaardigste. De hooge boognissen aan de vier zijden behooren tot den oudsten tijd der gothiek, en de toren rijst omhoog met die fiere kracht en slanke bevalligheid, die de torens der kathedralen uit denzelfden tijd kenmerkt. Het plein, sinds eeuwen bewaakt door dien steenen wachter, die noch door de vijandelijke bommen, noch door het vuur, noch door de stormen werd gedeerd, draagt nog in geheel zijn voorkomen dat karakter van eerbiedwaardige oudheid, dat schilderachtige en aantrekkelijke, dat aan het hart en middelpunt der eeuwenoude stad past: de torens van Onze-Lieve-Vrouwe, het portaal van Sint-Quentyn, de gevel in renaissance-stijl van de oude Lakenhal, het standbeeld van de prinses van Epinoy—zij vormen, met den Belfroot, een dier verwonderlijk schoone stedelijke dekoraties, waaraan België zoo rijk is.

De Maas bij Namen.
Maar het oude Doornik heeft ook nog andere herinneringen achtergelaten. Op den hoek van de rue des Cordes wijst men u een prachtigen gevel, die zeker, met de Korenhal van Gent, tot de oudste monumenten van den romaanschen stijl in het geheele land behoort. Voorts de Pont des Trous, eene voormalige waterpoort, ongeveer zeshonderd jaar geleden gebouwd: de brug bestaat uit drie spitsbooggewelven, die twee torens verbinden en op twee pijlers in de Schelde rusten; ongelukkig zijn de torens gemoderniseerd en verbouwd, en heeft men ook door andere onhandige restauraties het karakter van het monument geschonden. Deze brug maakte vroeger deel uit van de vestingwerken der stad; daartoe behoorde ook de toren van Hendrik VIII, het eenig overgebleven stuk van de citadel, die de koning van Engeland, nadat hij zich in 1513 van Doornik had meester gemaakt, liet bouwen om de stad in bedwang te houden. Dit kasteel besloeg eene aanzienlijke uitgestrektheid on mocht welhaast eene stad op zichzelve genoemd worden: het bevatte eene kerk, een hospitaal, een aantal woningen en eene munt. Zorgvuldig bewapend, ruimschoots van geschut voorzien, was dit kasteel van Hendrik VIII bovenal verderfelijk voor de financiën der stad: zij moest eerst voor den bouw der citadel vijftigduizend kronen aan den koning van Engeland betalen, en later van den koning van Frankrijk voor tweehonderd-duizend gulden de vergunning koopen om het kasteel te mogen afbreken. Wellicht zijn ook van Bladzijde 242den zwaren toren, die alleen van de vesting overbleef, de dagen geteld.
De reiziger die te Brussel aan het Zuiderstation in den spoortrein is gestapt, ziet, als hij de boschen van Ghlin heeft verlaten, eene door kanalen doorsneden vlakte zich voor zijne oogen ontrollen, en aan den gezichteinder een toren, op eene hoogte gebouwd, benevens de verwarde massa eener zee van daken, zich uitstrekkende naar alle richtingen. Mons! roepen de conducteurs; en na het station te zijn doorgegaan, ziet hij voor zich eene breede straat, die weldra smaller wordt, en dan ombuigende en kronkelend, door vaak mikroskopische trottoirs omzoomd, eindelijk uitloopt op een ruim plein, waarop het stadhuis verrijst. Deze onregelmatige, smalle, slecht geplaveide straat is toch de voornaamste der stad, waar de meeste drukte en levendigheid heerscht. Hier vindt men de fraaiste winkels en magazijnen, wier bontkleurige, opzichtige uitstallingen u herinneren dat ge in eene provinciestad zijt. Op markt- en feestdagen verdringen zich ook in deze straat de scharen van mannen en vrouwen uit de Borinage, de sombere mijnwerkers, voor wie Mons als het ware de hoofdstad is van dat donker schimmenrijk, waarin zij hun leven slijten.
Tweemaal in het jaar vooral stroomen zij, in dichte scharen naar de stad, om daar pret te maken: ter gelegenheid van de jaarmarkt van Sinte-Barbara en bij de kermis van Trinitatis. De jaarmarkt v