[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
Project Gutenberg's Camera Obscura, by Nicolaas Beets (AKA Hildebrand) This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Camera Obscura Author: Nicolaas Beets (AKA Hildebrand) Release Date: June 3, 2005 [EBook #15975] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK CAMERA OBSCURA *** Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team


“La Chambre Obscure”
Naar een sepia-teekening door Jurriaan Andriessen 1742–1819. In het bezit van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.
De schaduwen en schimmen van Nadenken, Herinnering en Verbeelding vallen in de ziel als in eene Camera Obscura, en sommige zoo treffend en aardig dat men last gevoelt ze na te teekenen en, met ze wat bij te werken, op te kleuren, en te groepeeren, er kleine schilderijen van te maken, die dan ook al naar de groote Tentoonstellingen kunnen gezonden worden, waar een klein hoekje goed genoeg voor hen is. Men moet er evenwel geen portretten op zoeken; want niet alleen staat er honderdmaal een neus van Herinnering op een gezicht van Verbeelding, maar ook is de uitdrukking des gelaats zoo weinig bepaald, dat een zelfde tronie dikwijls op wel vijftig onderscheiden menschen gelijkt.
Anonymus
in libro non edito.
Bladzijde III
Het is nu juist vijfentwintig jaren geleden dat, in het najaar van 1839, de Camera Obscura hare intrede in de wereld deed. De pseudonieme Schrijver, toen zelf nog maar even vijfentwintig jaren oud, ofschoon in een ander vak van letterkundige voortbrengselen, onder zijn eigen naam, niet onvriendelijk door zijne landgenooten opgenomen, zag zijne stoutste verwachtingen overtroffen, als de buitengewoon hartelijke ontvangst van dit zijn werk binnen ’t halfjaar een tweeden druk noodzakelijk maakte, welke dan ook in ’t voorjaar van 1840 het licht zag. Toen, elf jaren later, een derde druk noodig werd, had hij den moed de nieuwe uitgave met eenige tot hiertoe onuitgegevene opstellen zoodanig te vermeerderen dat het boekdeel, hetwelk nu (1851) het licht zag, schoon kleiner van formaat, wat den inhoud betrof meer dan verdubbeld was. Van dat oogenblik af, kwam er een nieuw leven in eene belangstelling, die van den beginne aan boven verwachting was geweest en nimmer was afgebroken. De Belgische pers vereerde het Hollandsche boek eerlang met een nadruk (1853); maar deze verhinderde niet dat reeds in het volgende jaar een vierde wettige uitgave in het vaderland noodzakelijk was, onder wier omslag nu ook de tot nog toe hier en daar Verspreide Stukken van Hildebrand aan zijn hoofdwerk werden toegevoegd. Ook deze was echter in 1858 uitgeput en maakte plaats voor eene vijfde,—en zie hier nu de zesde, in alles aan de vijfde gelijk, behalve dat eenige druk- en stijlfouten verbeterd en waarschijnlijk ook weder eenige nieuwe gemaakt zijn, en dat de verstandige lieden, die tot deze zesde uitgave gewacht hebben zich het boekdeel aan te schaffen, zonder vermeerdering van kosten, daarbij nog dit voorbericht winnen.
Het is den Schrijver eene streelende gedachte, dat aan zijn werk, in deze zesde uitgave, het voorrecht te beurt mag vallen in handen te komen van een geslacht van landgenooten, nauwelijks Bladzijde IVof niet geboren, toen hij het voor het eerst aan het licht bracht; het volwassen, meerderjarig kroost van dat, waaronder hij zelf is opgegroeid, waarvoor hij schreef, en dat hij schetste; maar niet minder treft het hem, zich daarbij inderdaad te moeten afvragen of niet dit nieuw geslacht ruim zoo zeer behoefte zou hebben aan ophelderende aanteekeningen bij zijn werk gevoegd, als aan deze, min of meer historische, voorrede? Of maakt niet het vierde eener eeuw; en eener eeuw als de negentiende; maakt niet het vierde eener eeuw een tijdperk uit, lang genoeg om een boek als het zijne hier en daar zonderling te doen voorkomen en op menige plaats onverstaanbaar te doen worden?
De mannen, die met den Schrijver het jaar van den “Volksgeest” beleefd hebben, tot welks eer wij nu in de hoofdstad een gedenkteeken zien pralen, dat—eenig in zijn soort mag worden genoemd, herinneren zich b.v. zonder twijfel de loffelijke poging nog wel, destijds van diezelfde hoofdstad uitgegaan, om in Nederland, tot schitterender triomf over België, eene nationale kleederdracht te improviseeren. Als zij hunne oogen sluiten, zien zij gewis nog weder voor hun geest oprijzen die nationale “tunica’s”, waarop de eerste nommers van het nationale modeblad de nationale oogen deden verlieven! Maar wat stelt het tegenwoordige geslacht zich voor, wanneer het den Schrijver van “nationale hoeden” ziet gewagen? Wat denkbeeld vormt het zich, in dit jaar 1864, van dameshoeden met luifels, van Rapponische krachten, van een mathesisexamen in het Latijn, of van eene Vierde Klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut? Hoe ondenkbaar moet in zijn oogen een Nederland zonder spoorwegen; hoe buitensporig een Sint-Nicolaas met verguldsel voorkomen; hoe ongepast een karakteristiek der periodieke pers, als in “Gerrit Witse” beproefd is! Wat weet het van baleintjes om lange pijpen door te steken? van achtëntwintigen? van veete tegen de Belgen? wat van lantarenvullers? En waar de namen van een Smallenburg, een Macquelyn, een Don Carlos genoemd worden, waar van de Industriëlles van Bertolotto, De Avondbode, de woestijn van het Koegras, gewaagd wordt, zou daar voor zeer velen een kleine aanteekening wel overbodig zijn?
Met dat al heeft de Schrijver nog niet kunnen besluiten, bij de tegenwoordige uitgave reeds in deze “dringende behoefte” te voorzien. Het blijve voor gehoopte latere drukken bewaard, als Bladzijde Vde behoefte nog dringender, de notennood nog hooger gestegen zal zijn. Ook mag de Schrijver zich afvragen, of het niet al te onedelmoedig wezen zoude, door het voorshands nutteloos maken van hunnen arbeid, aan de oudheidkenners, Navorschers en Commentatoren van volgende tijden een bewijs van wantrouwen te geven, hetwelk zij in geen opzicht hebben verdiend.
De oudste stukken in dit boekdeel, waarin geene van een latere dagteekening dan het jaar 1841 voorkomen, zijn: Een Beestenspel, dat reeds in den Studenten-Almanak voor 1837 een plaats vond, en Vooruitgang, opgenomen in het October-nommer van De Gids van dat zelfde jaar.
Wat Een Beestenspel betreft, ik hoop dat het Nederlandsch Woordenboek zich ontfermen zal over den Naam. Sedert de loffelijke instelling, welke het groot publiek zich verhardt Apentuin te noemen, en die door beschaafde lieden Artis, door niemand Diergaarde geheeten wordt, behoort de Zaak nu reeds tot de antiquiteiten, en heeft de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede grootendeels uitgediend. Het “hybridisch” stukje Vooruitgang dankt aan dit zijn gebrek zelf, in verband met de wel wat ruwe, maar niet geheel onrechtvaardige tuchtiging, welke daaraan terstond na zijn verschijning in het genoemde maandwerk, van eene scherpe pen te beurt viel, zijn onsterfelijkheid en voor den Schrijver een groot gewicht. Het heugt hem als de dag van gisteren, hoe weinig de kastijding, ten dage dat zij uitgedeeld werd, hem smaakte, en met welk eene verontwaardiging hij zijne pen opnam en aanpuntte en een antwoord schreef en overschreef en—ter zijde legde... “De Heer G. schijnt te hechten aan den steller, wiens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt zulk een regter”—vond hij ergens geschreven door eene andere pen, waaruit wel nooit iets, dat niet puntig was, is voortgekomen.1 Dit was en olie, en zout. Beide deden goed. Zonder dat woord, hetwelk hier, na vijfentwintig jaren, dankbaar vermeld Bladzijde VIwordt, ware de Camera Obscura misschien niet, en stellig niet beter, geschreven.
Dat echter het boek, zooals het is, in meer dan één opzicht de sporen draagt van den jeugdigen leeftijd waarop het is tezamengesteld, ziet de Schrijver zelf nu beter dan menig ander, en hij weet de zoo ongemeene gunst, welke het bij zijne landgenooten steeds gevonden heeft, aan niets anders toe te schrijven dan daaraan, dat het zijner onbekommerde jeugd, hij weet zelf niet hoe, over het algemeen eenigszins gelukt moet wezen, met waarheid te schetsen, zoodat in zijne kleine tafereelen de Mensch den Mensch, en de Nederlander zijn Vaderland gevonden heeft; terwijl de herkenning niet al te pijnlijk was gemaakt door een jong gemoed dat, van boosaardigheid vrij, zijn vaderland en de menschen liefhad. En, ook na vijfentwintig jaren, is dat gemoed niet veranderd.
Ook in den Vreemde is zijn arbeid niet onopgemerkt gebleven. Behalve vertalingen van enkele episoden (die van Keesje en van de Verguldpartij) in het Bngelsch in Fraser’s en in Chamber’s Magazine (1854), en in het Fransch in de Revue des Deux Monden (1856) blijkbaar van zeer bekwame hand, en van Gerrit Witse, in het Hoogduitsch in Die Niederlande door Dr. Alb. Wild (1862), zag eene volledige overzetting van de Camera Obscura, gedeeltelijk onder den titel van: Scènes de la Vie Hollandaise (1856), gedeeltelijk onder dien van Chambre Obscure (1860), te Parijs het licht. Van deze zegt de Schrijver dit: dat de hem hierdoor wedervaren eer hier en daar nog al zeer verbitterd wordt door blijkbaar misverstand van zijne bedoeling; en dat niemand het hem al te kwalijk kan nemen, indien hij aan hoogmoedige gedachten toegeeft, wanneer het blijken mocht, dat het geestigste volk der wereld met zijn werk, in deze vertaling, opheeft. Er zijn voorbeelden dat vertalingen van tijdgenooten, in latere dagen, tot opheldering van duistere plaatsen in het oorspronkelijke werden te baat genomen. Hiertegen echter acht de schrijver zich verplicht de nakomelingschap, met opzicht tot deze vertaling, eenigszins te waarschuwen. Wat hij b.v. met de “leerwijze van Prinsen” mag bedoeld hebben, zal, indien het ooit duister kon worden, niet veel licht verkrijgen uit eene overzetting met “la doctrine des princes”: en indien er ooit een tijd kon komen, dat een volzin, als waarmede het hier in de laatste plaats voorkomende Bladzijde VIIstukje aanvangt, niet terstond begrepen werd: nooit voorzeker zal hij begrepen worden, indien men opheldering zoekt bij de volgende vrije vertaling: ”Le nom de la garde (Baker) est une preuve évidente—qu’il ne faut pas avoir d’accès aux étoiles (ster) pour faire connaitre le titulaire d’un emploi féminin par excellence”. Ik ben benieuwd te weten wat de Fransche gardes er van gemaakt hebben2.
1 October, 1864.
H.
1 Aan het slot eener beoordeeling van Geel’s Onderzoek en Phantasie, geplaatst in De algemeene Konst- en Letterbode, 1838, No. 1. Het stuk was onderteekend met een T. Men meende destijds zoo zeker te weten wie de steller was, als nu b.v. wie in Nederland de eerste stuurman is op het schip van staat. [Niemand minder dan Thorbecke.]
2 [Zie over deze vertaling de artikelen van Jean Kleyntjes in L’Enseignement des Langues modernes. Ie Ann. Livr. 5 & 6. IIIe Ann. Livr. 2 Brux. 1887, 1889.] Bijv. 1888.
Ziedaar het voorbericht der zesde uitgave, in deze veertiende wederom, waar men getoond heeft prijs op te stellen, in zijn geheel afgedrukt. In de zevende (1871), met den Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel, en met het Laatst en weemoedig Bijvoegsel tot de Narede en Opdracht aan den in datzelfde jaar ontvallen Vriend vermeerderd, voegde de Schrijver aan de zeven jaar te voren gedane opgave van blijken van belangstelling in den Vreemde eene aanteekening toe van den volgenden inhoud: “Deze opgave kon, bij gelegenheid van den tegenwoordigen, zevenden druk, nog vrij wat vermeerderd worden, daar ik dankbaar erkennen moet dat alle Duitsche landen, Brunswijk, Saksen, Pruisen, Oostenrijk, om strijd van hunne belangstelling hebben doen blijken. Ik bespaar het echter tot den achtsten. Voor mijne eigenliefde is het op dit oogenblik meer dan genoeg hier aan te stippen, dat de Duitschers nu laatstelijk begonnen hebben ook hunne reisherinnerinqen uit de Camera Obscura te putten. (Zie Im Neuen Reich 1871, N°. 18)”1. Wat echter, volgens deze aanteekening, voor de achtste uitgave werd bespaard, werd, ondanks het aangroeien van de stof, ook in die achtste (1872), en voorts in alle volgende, teruggehouden, om plaats te maken voor eene verklaring, welke thans aldus zou kunnen luiden: “Wat er ook streelends moge zijn in de eer zich, met beter of slechter gevolg, in het Fransch, het Engelsch, het Hoogduitsch, het Italiaansch, en wellicht ook in ’t Deensch en Zweedsch vertolkt te zien, en lezers te vinden tot in het verre Japan: voor het hart van den Schrijver der Camera Obscura heeft het weinig te beteekenen bij de zoete ondervinding der duurzame genegenheid van eigen land- en taalgenoot”2.
Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening omtrent het nog niet bereikt zijn van het noodpeil voor ophelderende aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds dezelfde, en “zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden der toekomst werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen.” In den laatsten tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk, door geleerden en ongeleerden, met zoovele vragen bestormd, dat hij in dit opzicht een ander begrip begint te krijgen van zijn plicht, en er ernstig aan begint te denken, in de meer en meer “dringende behoefte” eenigszins, in den een of anderen vorm, te gaan voorzien.
Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu veertiende uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend Johannes Dyserinck.
Een belangstellender en oplettender lezer dan dezen, beide in oostersche en vaderlandsche letteren, zoo zeer ervaren landgenoot, heeft onder hare duizenden de Camera Obscura niet gevonden. Hare dertiende uitgave (1880) gaf hem aanleiding tot het schrijven dier voortreffelijke monographie, welke, eerst in De Gids verschenen, later in “vermeerderden herdruk” afzonderlijk uitgegeven is3. In dit keurig opstel worden het leven en de Bladzijde IXlotgevallen, zoo in den Vreemde als in het Vaderland, van het nu meer dan veertigjarig boek beknoptelijk, maar vollediglijk, verhaald, en heeft de vriendelijke ingenomenheid van den geachten letterkundige, in verband met vroegere en latere oordeelen en beschouwingen van anderen, eene hartelijke en door den Schrijver der Camera Obscura hooggewaardeerde uitdrukking gevonden.
Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot gewicht hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der allerbijzonderste oplettendheid door den heer Dyserinck aan de onderlinge vergelijking der elkander opgevolgde uitgaven gewijd, aan welke nog de zin-storende of zin-veranderende drukfouten welke van tijd tot tijd in den tekst waren ingeslopen, noch de niet onbelangrijke uitlatingen, welke daarin van lieverlede hadden plaats gehad en door de onoplettendheid der correctie van de eene uitgave in de andere waren overgegaan, waren ontsnapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen, door den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord in elk dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds in uitzicht zijnden, thans in ’t licht verschijnenden, veertienden druk, en zich daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn vriend Dyserinck te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt gevallen en, met een goed geweten, als die overtuigd is, in dezen niets bereikbaars verzuimd te hebben, meende hij dan ook ditmaal het “met zorg herziene” op den titel te mogen stellen. Bij de zuivering der drukproeven, is van elk der opstellen nu weder de eerste druk tot grondslag gelegd, al het gaandeweg verdwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of opgeofferd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van (niet slechts druk-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of min gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar vooral een goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderlandsche taal vervangen.
Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de wijzigingen, die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door Bladzijde Xhen, die alleen deze uitgave in handen nemen, bij het lezen onopgemerkt blijven en zelfs niet worden vermoed; maar die het der moeite waardig mocht achten haar met de vorige te vergelijken, zal ze, zoo hij hoopt, niet onbelangrijk vinden en aan het meerendeel zijne goedkeuring niet onthouden.
1 November, 1883. H.
1 Zie tot nadere toelichting van dit merkwaardig verschijnsel: Jons. Dyserinck, Hildebrands Camera Obscura. Middelburg, 1882, bl. 40.
2 [Van een hem ten jare 1885 beleefdelijk te kennen gegeven voornemen eener gedeeltelijke vertaling in het Volapük schijnt niet gekomen te zijn. Ook heeft de S. haar, voor zooveel in hem was, verbeden.] Bijv. 1888. [Toch verscheen dit jaar eene vertolking van “Een oude Kennis” in die z.g. wereldtaal. (Arnhem, de Muinck & Co.)] Bijt. 1891.
3 Hildebrands Camera Obscura door Johs. Dyserinck. Vermeerderde Bladzijde IXnherdruk uit “de Gids” van Dec. 1881. Middelburg, J.C. en W. Altorffer. 1882.
Zoomin als bij de elkander schielijk opgevolgde 15de, 16de, 17de, 18de en 19de, heeft de Schrijver, bij deze 20ste uitgave, aan het bovenstaande iets toe te voegen dan de verzekering, dat hij ook voor haar zijne beste zorgen heeft overgehad; en de herinnering, dat aan de reeds bij het schrijven der Voorrede voor de 6de gevoelde en sedert steeds “dringender” gebleken “behoefte”, in het najaar van 1887, door zijn “na vijftig jaar, Noodige en overbodige Opheldering van de Camera Obscura”, naar vermogen voldaan is. Een tweede, geheel herziene druk zag daarvan in het voorjaar van 1888 het licht. (Haarlem, De Erven F. Bohn.)
1 Juli, 1900.

Verspreide stukken van Hildebrand.
De Gids, Jaargang 1837, 1838. Proza en Poezy, Verspr. Opstellen en Verzen. Haarl. 1840.
Souvenirs d’un Voyage à Paris, par J. Kneppelhout. Leyde, 1139.
Leeskabinet, Jaarg. 1811 (De Patrijzen.)
De Nederlanden. Karakterschetsen enz., ’s Gravenhage, Nederl. Maatsch. van Schoone Kunsten. 1841–1842.
Ook het volgende stukje was voor De Nederlanden bestemd en reeds in handen der redactie, toen het werk gestaakt werd, en de Maatschappij van Schoone Kunsten ophield te bestaan. Het verschijnt dus te dezer plaatse (1854) voor het eerst in druk, om het dozijn schetsjes vol te maken.
Hollandsche Illustratie 1865/1866.
Bladzijde 1
Hoe zalig, als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.
Een hout geweer, een blikken zwaard
Verrukken ’s knapen borst,
Een hoepel en een hobbelpaard,
Dat draagt hem als een vorst.
Voor u de geur van ’t rozenbed
En Filomele’s zang!
Hij speelt kastie, dat ’s andre pret!
Met rozen op de wang.
Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan,
Of ballen over ’t dak.
Frisch op maar, jongen! vroeg en spa,
Den lieven langen dag!
Loop over ’t veld kapellen na,
Zoo lang het duren mag
Haast zult ge op school gekortwiekt zijn;
Uw vreugd loopt snel naar ’t end;
Haast krijgt gij Bröder tot uw pijn,
En Weytingh tot torment.
Het oorspronkelijke is een lief versje van Hölty, die er wel meer lieve gemaakt heeft, waarvan het alleen jammer is, dat zij jeugdige dichters tot zeer onhollandsche vertalingen verleiden; ik althans heb er van dit zelfde versje nog een liggen, die beter onder een Neurenburger legprent “Knabenspiele” zou passen, dan onder de voorstelling van een hoop aardige Hollandsche jongens. En wezenlijk, de Hollandsche jongens zijn een aardig slag. Ik zeg dit niet met achterstelling, veel min verachting, van de Duitsche, of Fransche, of Engelsche knapen, aangezien ik het genoegen niet heb andere dan Hollandsche te Bladzijde 2kennen. Ik zal alles gelooven wat Potgieter, in zijn tweede deel van “het Noorden”, over de Zweedsche, en wat Wap in het tweede deel van zijne “Reis naar Rome”, over de Italiaansche in ’t midden zal brengen; maar zoolang zij er van zwijgen, houd ik het met onze eigene goed-gebouwde, roodwangige, sterkbeenige en, ondanks de veete tegen de Belgen, voor ’t grootst gedeelte blauwgekielde spes patriae.
De Hollandsche jongen;—maar vooraf moet ik u zeggen, mevrouw! dat ik niet spreek van uw bleekneuzig eenig zoontje, met blauwe kringen onder de oogen; want met al het wonderbaarlijke van zijn vroege ontwikkeling, acht ik hem geen zier. Vooreerst: gij maakt te veel werk van zijn haar, dat gij volstrekt wilt laten krullen; en ten andere: gij zijt te sentimenteel in het kiezen van zijn pet, die alleen geschikt is om voor oom en tante te worden afgenomen, maar volstrekt hinderlijk en onverdragelijk bij het oplaten van vliegers en het spelen van krijgertje,—twee lieve spelen, mevrouw, die UEd. te wild vindt. Ten derde, heeft UEd., geloof ik, te veel boeken over de opvoeding gelezen, om een enkel kind goed op te voeden. Ten vierde, laat gij hem doosjes leeren plakken en nuffige knipsels maken. Ten vijfde zijn er zeven dingen te veel, die hij niet eten mag. En ten zesde, knort UEd. als zijn handen vuil zijn en zijn knie door de pijpen van zijn pantalon komt kijken; maar hoe zal hij dan ooit vorderingen kunnen maken in ’t ootje-knikkeren? of de betrekkelijke kracht van een schoffel en een klap leeren berekenen?—ik verzeker u dat hij nagelt, mevrouw! een nagelaar is hij, en een nagelaar zal hij blijven:—wat kan de maatschappij goeds of edels verwachten van een nagelaar?—Ook draagt hij witte kousen met lage schoentjes: dat is ongehoord. Weet UEd. wat UEd. van uw lief Fransje maakt? 1°. een gluiper; 2°. een klikspaan; 3°. een geniepigerd; 4°. een bloodaard; 5°... Och lieve mevrouw! geef den jongen een andere pet, een broek met diepe zakken, en ferme rijglaarzen, en laat hij mij nooit onder de oogen komen zonder een buil of een schram,—hij zal een groot man worden.
De Hollandsche jongen is grof: fiksche knieën, fiksche knokkels. Hij is blank van vel, en kleurig van bloed. Zijn oogopslag is vrij; bij ’t brutale af. Liefst draagt hij zijn ooren buiten zijn pet. Zijn haar is van zondagmorgen half elf tot zaterdagavond, als hij naar bed gaat, in volkomen wanorde. Het overige van de week zit het goed. Krul zit er meestal niet heel veel in. Gekrulde haren, gekrulde zinnen! Maar sluik is het óók niet; sluik haar is voor gierigaards en benepen harten; dat zit niet in jongens; sluik haar krijgt men, geloof ik, eerst op zijn veertigste jaar. De Hollandsche jongen draagt zijn das liefst als een touwtje, en nog liever in ’t geheel niet; een blauw of schotschbont kieltje over zijn buis, en een verstelde broek—dit laatste kenteeken gaat vast. In dees broek voert hij met zich—al wat de tijd opgeeft; dat wisselt af; knikkers, stuiters, ballen, een spijker, een aangebeten appel, een stukkend knipmes, een touwtje, Bladzijde 3drie centen, een kluit vischdeeg, een dolle kastanje, een stuk elastiek uit de bretel van zijn oudsten broer, een leeren zuiger om steenen mee uit den grond te trekken, een voetzoeker, een zakje met kokinjes, een grifje, een koperen knoop om heet te maken, een hazesprong, een stukje spiegelglas, enz. enz. alles opgestopt en in rust gehouden door een bonten zakdoek.
De Hollandsche jongen maakt in ’t voorjaar eene verzameling van uitgeblazen eieren; in het uithalen van nestjes geeft hij blijken van kracht en behendigheid, en misschien van den aanleg tot de zeevaart, ons volk eigen; in het inkoopen van vreemde soorten, bewijzen van onverstoorbare goede trouw; en in het verkwanselen van zijne doubletten, van vroegtijdigen Hollandschen handelsgeest. De Hollandsche jongen, het is waar, slaat zijne bokken hardvochtig, maar in ’t geven van roggebrood aan diezelfde dieren heeft hij zijns gelijken niet. De Hollandsche jongen is veel minder ingenomen met de leerwijze van Prinsen dan de Hollandsche schoolmeester; maar wat de opvoeding van plakkers en paapjes betreft, hierin zou hij een examen kunnen doen voor den eersten rang. Hij is dolgraag op een paardemarkt, en wandelt op de parade voor de tamboers uit, met den rug naar de mooie mannen toe. De Hollandsche jongen encanailleert zich lichtelijk, en noemt spoedig over uit een woordenboek, dat aan Hollandsche moeders niet bevalt; maar hij heeft ook weinig aanmatiging jegens de dienstboden. Hij is gewoonlijk hoogrood als hij binnen moet komen om aan oom en tante te vragen hoe zij varen, en spreekt bij dergelijke gelegenheid bijna geen woord; maar minder spaarzaam met woorden en minder verlegen is hij onder zijns gelijken, en niet bang om voor zijn gevoelen uit te komen. Hij haat lafaards en klikkers met een volkomen haat; hij zal nog al eens gauw zijn vuisten uitsteken, maar spaart in ’t vechten zijn partij; hij speelt niet valsch; hij heeft een bestendigen inktvlak op zijn overgeslagen halsboord, en wel wat neiging om zijn schoenen scheef te loopen;—hij houdt zijnen vader staande dat hij over ijs van één nacht loopen kan, en beschikt over vriezen en dooien naar lust en welgevallen; hij eet altijd een boterham minder en leert eene les meer, dan waar hij trek toe heeft; hij gooit een steen tienmaal verder dan gij of ik, en buitelt driemaal over zijn hoofd zonder duizelig te worden.
Gegroet, gegroet, gij vroolijke en gezonde, lustige en stevige knapen; gegroet, gegroet, gij speelsche en blozende hoop des vaderlands! Mijn hart gaat open als ik u zie, in uwe vreugde, in uw spel, in uw uitgelatenheid; in uw eenvoudigheid; in uw vermetelen moed. Mijn hart krimpt toe, als het bedenkt wat er, ook van u, worden moet. Of zult gij, die daar beurtelings een frisschen beet uit een zelfden appel doet, in later jaren nooit gewaar worden dat het noodig is den appel in een hoek te nemen en alleen op te eten; ja, de schillen weg te stoppen, en de pitten te zaaien voor uwe nakomelingschap? En gij; die daar geduldig Bladzijde 4uw sterker rug leent aan uw vlugger vriend, die zich op uwe schouders verheft om in den boom het spreeuwenest te zoeken, dat heel hoog ligt: zal de ondervinding u de verdrietige wijsheid onthouden, dat het beter is zelf een ladder te krijgen, en zelf het nest uit te halen, dan een goeden dienst te doen en af te wachten óf en hoe men u zal beloonen?
Dat is de wereld. Maar ook in uzelven zijn de zaden aanwezig van veel onheils en veel verdriets. Uwe voortvarende drift, uwe onschuldige teederheid, tot opvliegendheid, eerzucht en wellustigheid gerijpt; uwe levendigheid en onafhankelijk gevoelen, tot wereldzin en ongeloof verhard!... O, als gij in later jaren op uwe kindsheid terugziet, dat, dat zal de vreugde wezen, die gij het meest benijdt en nu toch het minst geniet, dat gij zooveel minder boos waart, dat gij zooveel onschuldiger waart tot zelfs in het kwaaddoen toe. De goede hemel zegene u allen, goede jongens, die ik ken, en rondom mij zie, en liefheb! Hij doe u lang en vroolijk spelen, en als de ernst des levens komt, zoo geve hij u ook een ernstig harte daartoe! Maar hij late u tot aan uw laatsten snik nog veel kinderlijke en jeugdigs behouden. Hij spare u, in hunne volle frischheid, eenige dier kinderlijke gevoelens, die den jongeling helpen in het zuiver houden van zijn pad en den man versieren; opdat gij mannen wordende in het verstand, kinderen blijft in de boosheid. Dit is een stille wensch, jongenslief! want ik wil u nog geen oogenblik van priktol of hoepel aftrekken, zonder u voor die vreugde iets anders te kunnen geven dan ... een wensch!— Bladzijde 5
Ik kom nog eens terug op het versje van Hölty.
Hoe zalig als de jongenskiel
Nog om de schouders glijdt!
Dan is het hemel in de ziel,
En alles even blijd.
Niets, niets ter wereld doet hem aan
Of baart hem ongemak,
Dan stuiters die te water gaan,
Of ballen over ’t dak.
Het ontbreekt zeker niet aan dergelijke lofredenen op het geluk van jeugd en kinderjaren. Ik stem er van harte mede in; maar ik neem de vrijheid te mogen opmerken, dat ze alleen door menschen van leeftijd, of ten minste door jongelingen geschreven zijn, van wier standpunt gezien, het kinderlijk geluk bijna geen uitzondering toelaat. En zeker, zeker is dat een droevig bewijs voor den treurigen toestand van later dagen. Maar ik weet niet dat er ooit dichtertjes geweest zijn van zeven, acht, of negen jaar, die hun actueel geluk zoo onvoorwaardelijk hebben geprezen. En toch dezulken waren er de naaste toe. Toen ik op de Hollandsche school ging, maakten wij in de hoogste klasse, bestaande uit heeren van negen tot tien jaar, allen des woensdag-voormiddags een opstel, soms over een gegeven, soms over een door onszelven gekozen en uitgedacht onderwerp. Maar ik roep al de Jannen, Pieten, Willems en Heinen, waarmee ik in de Jacobijnenstraat te H. op de banken zat, tot getuigen, of er ooit iemand is geweest, die zijn lei volgeschreven heeft met een optelling der genoegelijkheden of een uitweiding over ’t ongestoord geluk des kinderleeftijds. Neen: wij schreven wel diepzinnige vertoogen over de Deugd, of over de Vier Jaargetijden: Sander U., wiens vader adjudant van een generaal was, heeft zesmalen over het Paard geschreven; en Piet Q. die nooit op het bord stond, en nooit meedoen wilde in de edele oefening van het puisje vangen, had het altijd over de Gehoorzaamheid en over de Vlijt, een denkbeeld, waar hem de opschriften van zijn extra-kaartjes Bladzijde 6op brachten. Eigenlijk vroolijke onderwerpen heb ik te geenen tijde door de collega’s zien behandelen. Ik zelf heb het nooit verder kunnen brengen dan tot de philosophische beschouwing der Tevredenheid; een geluk, ’t welk gewoonlijk door den jongeling voorbij-, en door den man vruchteloos nagestreefd wordt, en dat den grijsaard uitmuntend te pas zou komen, indien zijne lichaamsgebreken hem nog even veroorloven wilden het te genieten; een heel mooi ding die tevredenheid, maar in het volop des kinderlijken geluks vanzelf ingesloten en niet opmerkenswaardig.
Doch om tot de zaak te komen! Van dat volop des kinderlijken geluks dan, schenen wij toentertijde toch niet heel vol, of althans niet zóo vol te zijn, dat wij het moesten uitstorten. Ik heb wel eens gemeend, dat het een onderscheidend kenmerk des echten, waarachtigen geluks zijn zou, dat het de minste behoefte had zich uit te boezemen, terwijl het ongeluk klachten en verluchtingen noodig heeft—om van de tranen niet te spreken. Want de menschen, die altijd den mond van hun geluk vol hebben, heb er ik wel eens op aangezien of zij ook naar een autoriteit zochten die, na gehoord verslag, hun zou verklaren dat zij gelukkig zijn, iets waarvan zij zelf tot nog toe zoo heel overtuigd niet waren. Zij achten zich zóó-zóó, niet ongelukkig, en niet razend gelukkig ook; maar zij schikken het goede in hun lot zoo bij elkander, en stapelen het in redevoeringen, die zij op wandelingen en, zoo gij met hen in ééne kamer slaapt, uit ledekanten, vooral na een goed souper, houden, dat zij u in de verzoeking brengen hen te benijden. Dat verhoogt dan onmiddellijk hun koud geluk tot een hooger temperatuur. Gij slaat een warme hand aan hun thermometer.
Ziedaar een mooie opmerking, die ik gemaakt heb, en die ik met dit mooie physische beeld besluit; maar over ’t onderwerp meer nadenkende, heb ik ook wel eens gedacht, of de school dan toch ook de rechte plaats wel was, om het kindergeluk diep te doen gevoelen. Ik weet wel, de meester zit er niet meer met slaapmuts en kamerjapon en een ontzettende plak in den katheder, en brengt ons niet langer door de verschrikkelijkheid zijner oogen en gebaren tot een punt van angst, waarin wij (als de jongen van ouds) zouden willen bekennen, dat wij zelf de wereld geformeerd hadden, maar ’t nooit weer zouden doen, liever dan het antwoord schuldig blijven op de eerste vraag van het vrageboek. Wij lezen er ook niet meer, tot onze schrikbarende verveling, de Haarlemmer Courant, van A–Z. (Zijn wij daarom later minder goede politici?) Wij zitten er ook in een goed ruim lokaal, zoo hoog en zoo luchtig, dat het er somtijds aan de beenen tocht; wij hebben er niet zelden het uitzicht op een bleekveld met een appelboom, of op een binnenplaats met een bestekamer. Maar toch, de meester is zoo dik, en de ondermeesters zijn zoo lang, en hunne brillen en bakkebaarden zien er zoo onverbiddelijk uit, en de borden zijn zoo zwart, en de tafels zoo ongezellig, en de kaart van Nederland hangt zóó lang op dezelfde plaats, dat wij er de kleine scheurtjes en Bladzijde 7inktvlekjes nog beter op weten aan te wijzen, dan de steden der—toen was ’t nog 17 provinciën1. Dan hebt ge—nog bloedt mijn hart—de Tafel van Werkzaamheden. Schrikkelijke werkzaamheden, wier optelling aan rekenboeken denken doet, en geographieboeken, en wat voor boeken er al meer zijn, wier blaren heen en weer schuiven in den band, wegens de krampachtige aanraking der wanhopige vingers van jeugdige heeren, die maar niet onthouden kunnen hoeveel koeien er jaarlijks aan de Hoornsche markt komen, en hoeveel inwoners en drukkerijen van Enschedé, en Kostersbeelden, en instituten voor schoolonderwijzers Haarlem heeft; of niet begrijpen kunnen, hoe zij de 9de som uit de “Herhaling der voorgaande Regelen” moeten opzetten. O, die rekenboeken! zij waren de zwakke zijde van velen onzer. In mijn oog waren er geen hatelijker boeken. Vooreerst waren zij veel te vol letters, en ten andere veel te vol cijfers. Ten overvloede zijn er soms fouten in de opgave der uitkomsten; maar al zijn die er niet in, die opgaven zijn verschrikkelijk. Ga eens na. Gij hebt uw lei vol met een berekening van belang: driemaal hebt gij reeds de helft uitgeveegd, omdat gij bemerkte dat gij het vraagpunt niet begrepen hadt; maar eindelijk, de som is af, en gij krijgt tot uitkomst: 12 lasten, 7 mudden, 5 schepels, 3 kop, 8 maten rogge. Met een gerust geweten, en met het zalig gevoel van als ijverig lid der maatschappij uw plicht gedaan te hebben, zoudt gij uw lei aan den ondermeester overgeven om te laten nacijferen. Maar neen! het hatelijk rekenboek geeft, onder den verwaanden titel “Uitkomst”, op: 95 lasten, 2 mudden, 1 schepel rogge, en niet ééne kop of maat. Het is blijkbaar dat gij u vergist hebt; driemaal doet gij al de vermenigvuldigingen en deelingen over en weer over; eindelijk besluit gij alles uit te veegen, en nog hebt gij uw mouw op de lei, als de ondermeester komt om te gelooven dat gij niets hebt uitgevoerd. Dat had ik tegen die rekenboeken! Maar het kwaadwilligst en het onbillijkst van diezelfde uitvinding is, dat zij u op alle mogelijke manieren sarren en in uw zwak tasten. Daar zit gij sedert klokke halftien op school, bij mooi weer, in de maand Mei, als het groen jong is gelijk gijzelf en, wat meer is, als de plassen opgedroogd zijn, zoodat het heerlijk weer is om te knikkeren. Daar zit gij sedert halftien op de school, waar gij den voet hebt ingezet, met benijding terugziende op de armelui’s kinderen, die geen opvoeding krijgen en “duitjen òp” speelden op straat. Eerst hoeft men u gedwongen met al uwe speelsche lotgenooten het lied aan te heffen:
Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen,
Waarnaar elk kind om ’t zeerst verlangt.
Daarna hebt gij een uur gelezen van het model van een braven Bladzijde 8jongen, zoo braaf, zoo zoet, zoo gehoorzaam, zoo knap en zoo goedleersch, dat gij hem met pleizier een paar blauwe oogen zoudt slaan, als gij hem op straat ontmoette; of, indien gij al wat verder zijt, de levensschets van een onbegrijpelijk groot man, wien na te volgen u pedant en wanhopig toeschijnt, en door welke levensschets kunstiglijk een samenspraak is heengevlochten van knapen en meisjes, voor wie gij ook al geen de minste sympathie gevoelt, al “staan zij ook waarlijk verbaasd over de ontzettende kundigheden van dien man,” daar vader Eelhart of Braafmoed van verhaalt. Het volgende uur hebt gij geschreven; naar een mooi exempel; als bijv., zoo gij groot schrijft, het woord wederwaardigheid, opmerkelijk door twee moeilijke W’s, zonder aandikken bijna niet goed te krijgen, zevenmaal; of indien gij klein schrijft, vijftien maal, achtmaal op, en zevenmaal tusschen de lijn: Voorzichtigheid is de moeder der wijsheid; bij welke gelegenheid gij in twee regels het lidwoord der hebt overgeslagen, wat tengevolge van de laatste lettergreep van het woord moeder zeer licht gebeuren kon, en eenmaal voorwijzigheid in plaats van voorzichtigheid hebt gezet, welke omstandigheden, zoo ieder op zichzelf als in onderling verband, u eenigszins angstig doen denken aan het uur, waarop de critiek des meesters haar uitspraak zal komen doen. Om niet te spreken dat gij gekweld zijt geweest met een linksche pen, ontelbare haren in den inkt, een klad of drie, met kunstenaars achteloosheid over uw schrijfboek verspreid, en de onverbiddelijke wet dat gij maar tweemaal uw pen op mocht steken om ze te laten vermaken, door een ondermeester, die even zoo ver is in die kunst als gij in ’t schrijven. Nu komt het rekenboek. Ik heb het lang laten wachten, lieve lezer; maar het was uit wraak, omdat het voor mij zoo dikwijls te vroeg is gekomen. Nu komt het rekenboek. Merk op, dat gij in den loop van den morgen tweemaal op ’t bord zijt geschreven: eens, omdat gij met uw rechter buurman een verdacht gefluister hebt aangevangen, dat evenwel over niets liep dan over goedkoope ballen in de Wijde Appelaarsteeg, en eens, omdat gij aan uw linker dito een albasten knikker (gezegd alikas) hebt laten zien, zonder een eenig rood aartje, van welk delict het corpus u is ontnomen, tegen de pijnlijke onzekerheid of gij het ooit terug zult zien. Vat dit alles te zamen, en sla dan uw rekenboek op, dat u sart met de 13de som, waarin u, om u of ’t ware te tantaliseeren, met de grootste koelbloedigheid een mooie voorstelling gedaan wordt van vijf jongens, zegge vijf, die te zamen zouden knikkeren, en waarvan de eene bij den aanvang van ’t spel bezat 20, zegge 20, knikkers, de tweede 30, de derde 50, de vierde—neen, het is niet uit te houden! de tranen komen er u bij in de oogen; maar daar zit gij, voor nog een geheel uur, en dan nog wel te cijferen.—Waarlijk ik houd het er voor, dat de meeste rekenboekmakers afstammelingen van koning Herodes zijn! Bladzijde 9
Uit al wat ik tot nog toe in het midden heb gebracht, zal zonneklaar blijken, dat de school de plaats niet is om het kinderlijk gemoed te doen overstroomen van het besef van geluk en genot. Ik geloof niet dat het denkbeeld daarvan ooit onder eenig blond of bruin kinderhaar is opgekomen. Neen, neen! de school is zoo goed als zij zijn kan. De school wordt, naar de nieuwste verordeningen, zoo aangenaam en dragelijk mogelijk gemaakt. Maar hare genoegens zijn ten hoogste negatief. De school blijft altijd iets van het gevangenisachtige, en de meester, met en benevens al de ondermeesters iets van het vogelverschrikkende behouden. Dat gezegde van Van Alphen:
Mijn leeren is spelen
wil er bij niet één kind in, zelfs niet bij de vlijtigste. Ik verbeeld mij nog al onder de vlijtigste behoord te hebben; maar toch, wanneer mijn vader of moeder mij de eer aandeed van aan mijn ooms en tantes te vertellen dat ik altijd blij was als de vacantie uit was, kwam mijn gansche gemoed tegen dat edel denkbeeld (dat mij ondertusschen vrij dweepachtig voorkwam) op, en ik heb jaren noodig gehad om zekere angstige schuwheid voor mijn respectieve meesters te leeren overwinnen. Ook zijn er, in weerwil van de verbeterde leerwijze, nog altijd onder, die een kind, al is het niet van de bloohartigste, als electriseeren.
Ja, lieve vrienden! laten wij deze bladzijde voor alle vliegeroplaters en soldaatjespelers verbergen en verstoppen; maar laten wij het bekennen: daar zijn Kinderrampen! Klein en nietig, van onze verwaande hoogte beschouwd, maar gewichtig en groot, in de kleine evenredigheden van de kinderwereld. Rampen, die benauwen, kwellen en schokken, en die niet zelden een grooten en hevigen invloed hebben op de vorming van het karakter.
De eerste en grootste hebben wij al gehad. Het is, met verlof van Pestalozzi en Prinsen, de school. Dat is een kanker; een dagelijks weerkeerend verdriet. Een man met schuldeischers geplaagd ondervindt iets van het leed van een kind met meesters aangehaald. Nu, onze goede Hölty zelf kan niet nalaten aan ’t eind van zijn versje daarmede te dreigen. Daarom wilde ik u verzoeken: heb deernis met het lot uwer telgen. Ontziet als iets heiligs het levensgenot uwer kinderen. Zij moeten allen schoolgaan; dat is een natuurwet, zoo zeker als die volgens welke zij allen ingeënt, wij allen sterven moeten; maar even gelijk wij, naar den gewonen loop der dingen, niet sterven moeten op ons achttiende jaar, wilde ik ook niet dat hun de school overviel vóór hun achtste, ’t Is wel aardig, en wij hebben het aan de veranderde uitspraak van de namen der medeklinkers te danken, dat zij op hun vijfde jaar met kleinen Piet zeggen kunnen: “Nu kan ik al le-zen”; maar ik weet niet of kleine Piet op zijn tiende jaar, in massa, zoo veel meer geprofiteerd zal hebben Bladzijde 10dan een ander, die op zijn zevende of achtste begonnen is “met de spa” te werken. Ik geef dit alleen in bedenking aan alle kinderminnende harten, en waag het niet, met zoo weinig ondervinding als Hildebrand (de baardelooze Hildebrand, zullen de recensenten zeggen) in zoo weinig jaren heeft kunnen opdoen, mijne meening te staven.
Om het onderwerp eene wending te geven, en van een andere ramp uit het tranendal der kinderen te spreken, noem ik het wisselen der tanden. Waarlijk, lieve dame, die de wereld zoo trouweloos en de mannen zoo wuft vindt! la perte des illusions kan op uwe jaren nauwelijks zoo zwaar wegen als la perte des dents op de hunne. Herinnert ge ’t u nog wel? Gij voelde—neen, gij voelde toch niet;—ja, helaas, gij voelde maar al te zeker—dat gij een dubbelen tand hadt. En de voorste zat zoo vast als een muur. Zes dagen lang verborgt gij uw leed; somtijds vergat gij het; maar zesmaal daags, midden onder uw spel, bij het genot van de lekkerste krakeling, onder ’t bewerken van de zoetste ulevel—daar stond weer eensklaps voor uw oog, die akelige, allerakeligste dubbelheid!—Uw eenige troost was, dat de voorman vanzelf wel wat losser zou worden. Inderdaad, natuur en rede geven deze hoop aan de hand. De ondervinding leert het echter meestal anders. Op den zevenden dag; het was een zondag; uw kleine theegoedje stond klaar op uw kleine tafeltje; en uwe stoeltjes stonden er bij klaar met twee poppen: de nieuwste voor u, en de oudste voor uw nichtje Keetje, die bij u te spelen kwam; en ’s avonds zoudt ge een tulbandje bakken van gestampte beschuit en melk; en een boterham met aardbeien zou alles bekronen. Met een grooten schreeuw gaaft gij uwe vreugde over het laatste artikel te ennen. “Laat ik je mond reis effen zien,” zei mama; “wat? een dubbele tand?” en weg was uw vreugd! Gij droopt af alsof gij op een zware misdaad betrapt waart; waarschijnlijk zoudt gij onder uwe kwelling nestig en kribbig zijn tegen Keetje, het tulbandje zou geene bekoorlijkheden voor u hebben, de aardbeien geen smaak; en ge zoudt naar bed gaan en droomen van den tandmeester! Vergeefs beproefdet gij achtereenvolgens alle huismiddelen: wiggelen met den vinger, bijten op een harde korst, die gij evenwel om eventueele pijn te vermijden, in een gansch anderen hoek van uw mond inbracht; aanleggen van een draad garen, waaraan ge toch niet durfdet trekken. De tandmeester moest komen. Hij kwam, niet waar? de ijselijke man! Hij had voor u de verschrikkingen eens scherprechters. Hij veinsde maar effen naar uw tand te voelen; hij trok er hem verraderlijk uit. Ondertusschen was deze slinksche streek voor u een weldaad, die voor alle volgende keeren verkeken was.—Spreek mij niet van groote-menschen-jammeren! Zij halen niet bij deze. Geen koopman die “op springen staat” ziet met meer angst den dag tegemoet waarop hij zal worden “omvergegooid”, Bladzijde 11dan een blijde jongen of vroolijk meisje den dag, waarop men scheiden zal van den dubbelen tand!
Wij zijn aan de physieke rampen. Welnu, er zijn er meer dan men denkt. Het grootworden, hoe schoon en voortreffelijk een uitvinding ook, is de oorzaak veler smarten. Want vooreerst, men steekt lange bloote armen uit de mouwen, groote en den kous uit de broek. Daarbij schaamt men zich dan gewoonlijk dat men nog rijglaarsjes of schoenen met gespen draagt, omdat er altijd eenige voorlijke knapen zijn, die al halve-laarzen hebben, en vroegtijdige juffertjes, die zich op schoenen met lange linten verheffen. Ook rekenen vele moeders er naar ’t schijnt niet op, dat niet alleen de beenen, maar het geheele lichaam groeit, en dat het diensvolgens op goede natuur- en wiskundige gronden te bewijzen is, dat, al kunnen de broekspijpen worden uitgelegd, het overige gedeelte van dat kleedingstuk hetzelfde blijvende, men eene niet zeer aangename bekrompenheid in de circumferentie van het lichaam gewaar wordt, die ook al weer de oorzaak is van menig nieuw kruis, in een dubbelen zin, en van ontelbare scheuren. Maar ook dit is een kwade kant van den edelen groei, dat hij bij de individuen verschilt, en zelfs zóó, dat bij sommige tegen het geprezene grootworden, het verwijtende kleinblijven o verstaat. Nu is het niet pleizierig, ieder keer als men een boodschap van papa of mama komt doen, of bij Lodewijk of Doortje spelen komt, altijd door mijnheer of mevrouw, of de juffrouw, of de meid somtijds, tegen Lodewijks of Doortjes rug gezet te worden, om met de ververschte overtuiging dat men een hoofd of een half hoofd kleiner en een ware peulschil is, naar huis te gaan. Dat noemt men in het maatschappelijk leven, als men’t op het moreele toepast, taxeeren; en die taxatie van ’t physieke is de eenige, waarvoor de kinderleeftijd gevoelig, en ook zeer gevoelig is. Neen, ’t is niet aardig van de groote menschen, dat ze ’t den kleinen aandoen, evenmin, als dat altoosdurende uitgillen van: “wat ben je groot geworden!” op den duur bevallen kan.
Maar daar is toch ook wel een moreele taxatie die, zoo zij de kinderen niet dadelijk grieft, hun althans menig genoegen onthoudt. Zij ontstaat uit de omstandigheid, dat een mensch van vijfendertig of veertig, een dertig of vijfendertig jaar van zijn vijfde jaar verwijderd is, en in dien tijd machtig veel vergeten kan, en zóó veel, dat hij eigenlijk in ’t geheel niet meer weet, wat hij dacht, gevoelde, besefte en smaakte toen hij een kind was, en wat niet. Van daar dat hij zeer dikwijls den maatstaf, waarbij hij de kinderen meet, te klein en te bekrompen neemt, en menige vreugd, die hij den jeugdigen van harte gunt, terughoudt omdat hij in zijne mannelijke wijsheid besluit: “dat zij er eigenlijk nog te klein voor zijn”, en er “waarlijk nog niet aan zouden hebben.” En dan, “het nergens aan mogen komen,” alsof men geheel handeloos en met een instinct om alles nu ook Bladzijde 12maar stuk te gooien en te breken in de wereld was gekomen!—En dan het paaien met zoetigheid, als men zich juist gisteren te groot is begonnen te voelen voor koekjes tot den prijs van iets anders!—En dan de velerlei beschaamdzettingen, die men ondergaat, omdat iedereen gelooft dat een kind menig ding niet gevoelt dat hem toch diep gaat!—Waarlijk, waarlijk, men heeft in de maatschappij menig menschenschuw, bloohartig, en zenuwachtig wezen doen opgroeien, alleen doordat men het als kind te jong en te klein voor gevoel van waarde achtte.
Ik spreek niet van het naloopen met hoeden en petten, en van het verschil van gevoelen omtrent het weder, dat tusschen ouders en kinderen dikwijls aanmerkelijk kan uiteenloopen. Ik spreek niet van sommige barbaarsche instellingen, als daar is: dat de jongere de kleederen van de oudere moeten afdragen, waardoor het vierde zoontjen een buisje draagt van de kraagjas van mijnheer zijn oudsten broeder; van welke kraagjas de beide tusschenbroers respectievelijk een jasje met één kraag en een jas zonder kraag gehad hebben;—noch van ellendige spreekwoorden, als orakelen door de ouders aangevoerd, en als verachtelijke paradoxen en sophisterijen door het kroost verwenscht, als b.v. dat de oudste de wijste zijn moeten. Ik spreek van al die rampen niet,—want mijn stuk is reeds veel te lang. Mocht het maar sommige mijner lezers bewegen, om nog kiescher te worden omtrent de jonge harten der kleinen; en nog oplettender om hun kleine verdrieten te sparen en groote genoegens onbeknibbeld te laten genieten. De jeugd is heilig: zij moet voorzichtig en eerbiedig behandeld worden; de jeugd is gelukkig, maar men moet zorgen, dat zij zoo min mogelijk deelt in de rampen der samenleving, voor zoo ver zij die in hare jaren kan ondervinden. Men moet haar soms kwellen en lastig vallen—tot haar nut!—maar passen wij vooral op, dit niet te overdrijven! Een geheel volgend leven kan geen gedrukte jeugd vergoeden; want welke zaligheid zouden latere jaren te stellen hebben tegenover het verspeelde geluk eener schuldelooze jonkheid?
1 Welk een vereenvoudiging brengen de “24 Artikelen” in ’t lager onderwijs! Het heele jonge Holland wint in gemak bij de omwenteling van Dertig.
“Les peines infamantes sont:
Code Pénal. L. I. Art. 8.
Neen, ik wil niet naar ’t beestenspel! Ik houd er niet van. Zeg mij niet dat het belangrijk is; dat men het gezien moet hebben; dat men in geen gezelschap komen kan of men moet ten minste goed of kwaad zeggen van de lokken, de bakkebaarden en den moed van den eigenaar, van de lama, van de verlichting der tent, en van de twee tijgers in één hok;—herhaal mij niet dat men ten minsten één ongeluk heeft moeten zien “bijna gebeuren” en ééne bijzonder teekenachtige houding van ’t een of ander gedrocht bespied hebben, in een oogenblik, “dat er niemand anders naar keek”;—zeg mij niet dat men moet gaan kijken hoe de vrucht van ’t zweet en bloed van onvermoeide hengelaars in één oogenblik door den gulzigen pelikaan verslonden wordt, en hoe de Boa Constrictor een Leidschen bok met hoornen en al, in een oogwenk tijds verzwelgt;—roep mij niet toe dat men zijne anecdote behoort te hebben op den kasuaris, zijn snakerij op de apen, en zijn woordspeling op de beren. Op dit alles antwoord ik u: ik haat het beestenspel; en ik zal u de reden van mijn afgrijzen uiteenzetten.
Een beestenspel! Weet gij wat het is?—“Eene verzameling”, zegt gij, “van voorwerpen van natuurlijke geschiedenis, even belangrijk voor den dierkundigen...” Als voor den beestenvrind, wilt gij zeggen? “Neen, als voor ieder mensch, die er belang in stelt zijn medeschepselen op dit wijde wereldrond te kennen.” Gij zegt wèl; maar dan wenschte ik mijn medeschepselen te zien, zoo als ik ze op plaat I. van iederen prentenbijbel zie, in aardige groepen door elkander geschikt, allen in hunne natuurlijke houding: den leeuw, met een opgeheven voorpoot, als op brullen staande; de kaketoe, van een boomtak nederkijkende, als om te onderzoeken wat voor kleur van haar Adam heeft; en niet, och, ik bid u, niet in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort van groote lijsterbogen) in eeuwige beweging; Bladzijde 14de boa in ’t verschiet, om den boom in schoone verleidelijke bochten gekronkeld, en naar den noodlottigen appel opziende; den adelaar, hoog in de lucht zwevende, als een nauwelijks merkbare stip: ja, dan nog veel liever geheel onzichtbaar, dan zóó als ik hem in een beestenspel zie... Zoo zou het mij aangenaam en belangrijk zijn.—Maar hier in deze enge, bekrompene hokken, achter die dikke tralies, in die slaafsehe, weerlooze, gedrukte, angstige houding,—o! een beestenspel is een gevangenis, een oudemannenhuis, een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken; een hospitaal is het, een bedlam vol stompzinnigen.
Gij hebt nog nooit een leeuw gezien; gij stelt u iets majestueus voor; een ideaal van kracht, grootheid, waardigheid en moed; een wezen geheel woede, maar bedwongen door zelfbeheersching, voor zoo lang het verkiest; den koning der dieren. Welnu; verplaatsen wij ons met onze verbeelding in de woestijn van Barbarije!
Het is nacht; het is het kwade seizoen. De lucht is donker; de wolken zijn dik en drijven onstuimig en snel heen en weder; de maan scheurt ze nu en dan met een waterachtigen straal. De wind huilt door ’t gebergte; de regen ruischt; van verre gromt de donder. Ziet gij daar dat gevaarte, met dichte struiken bewassen, zich afteekenen tegen de lucht;—ziet gij daarin die donkere rotskloof, beneden, gapende, boven zich verliezende in heesters en distelen? Het bliksemt: ziet gij ze? Houd uw oog derwaarts gericht. Het is alles duisternis. Let op! Wat is dat? ’t Is het glinsteren van twee oogen; gloeiende kolen. Hoor toe! Dat was de donder niet; het was een schor gehuil; het diepe geluid van een leeuw die ontwaakt. Hij tilt zich uit zijn hol naar boven. Hij rekt zich uit. Een oogenblik staat hij met opgeheven hoofd brullende stil. Hij schudt de zwarte manen. Eén sprong!... Achter uw wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig gaat hij om; met woeste bewegingen, met ongeregelde sprongen, met schrikkelijke geluiden.
Wien zal het gelden? Een breedgeschoften buffel misschien, die hem met gebukten hoofde en sterke hoornen zal opwachten. Geen nood: hij zal hem aanvliegen; hij zal zijn nagelen klemmen in zijne lenden; hij zal aan hem hangen blijven; hij zal hem de blanke slagtanden in den korten rimpeligen nek slaan; één oogenblik—en hij zal hem afmaken, hem in stukken scheuren en zijnen honger bevredigen. Dan zult gij hem met rooden muil en bespatte manen rustig zien nederliggen, zijn zege genietende, trotsch op zijn koningschap.
Welnu!—die Koning der dieren, die schrik der woestijn, die gedachte, die woedende, is hier. Ziedaar de antichambre van zijn paleis; it van voren open vertrek, middending tusschen een salon, een kantoor, en een tentoonstelling van schilderijen. Deze heraut, met den geschilden wilgetak in de hand, noodigt u uit. Zijne majesteit geeft audiëntie. Zijne majesteit is voor geld te kijk. Zijner majesteit staatsdame licht het behangsel op. Gij zijt in zijner majesteit onmiddellijke Bladzijde 15tegenwoordigheid. Geef u de moeite niet bleek te worden; de koning zal u wèl ontvangen. Maar voorzichtig! stoot u niet aan dezen—wat is het? een reiskoffer? Vergeef mij, het is een ecrin vol slangen! arme reuzeslangen! Hierheen! Pas op: die lamp druipt! Stap over dien emmer, vischvijver van den pelikaan, badkuip des ijsbeers! Wij zijn er. Hier, op dit wagenstel, in dit roode hok, zes voet hoog en zes voet diep, ligt hij. Ja, hij is het wel. Ik zweer u dat hij het is. Zijne pooten steken onder tusschen de traliën uit: dat zijn leeuweklauwen. Zijn staart, die geesel! schikt zich naar den rechthoek van zijn verblijf. Hij is slaperig; hij ronkt. Zouden wij hem kunnen doen opstaan! “Nero, Nero!” ‘Il est dêfendu de toucher aux animaux, surtout avec des cannes’. Gevoelt gij al het vernederende dezer waarschuwing? Daarin is al zijn weerloosheid. Het zou hem zeer doen. Hebt gij uw illusiën, heeft de leeuw zijn prestige nog? Zijt gij nog bang voor dien bullebak? Gelooft gij nog aan de schets van zoo even? Zegt gij niet
Laat hem komen, als hij kan?”
Onttroonde koning! Gekrompen reus! Zie, hij is voorzichtig in al zijne bewegingen; hij neemt zich in acht, om zijn hoofd niet te stooten, zijn muil niet te bezeeren, zijn staart niet te schenden. Wat onderscheidt hem van eenig tam beest? Wat van dien lagen hyena, die de kerkhoven schoffeert? van dien gevlekten tijger, viervoetige slang die van achteren aanvalt? van dien wolf, dien een kloek kozak dood geeselt? van dien afschuwelijken mandril, hansworst der verzameling? van al die walgelijke apen, daar zooveel menschen zich vroolijk mee maken? Altemaal zijn zij opgesloten: de vorst als de knecht, de vorst meer dan allen. Waan niet dat gij hem in zijne natuurlijke grootte ziet. Dit hok maakt hem kleiner; hij is wel een voet gekrompen. Zijn gelaat is verouderd. Zijn oogen zijn dof geworden; hij is suf; het is een verloopen leeuw. Zou hij nog klauwen hebben? Bedroevend schouwpel. Een haspel in een flesch; men weet niet hoe ’t mogelijk is dat hij er inkwam! Een ziek soidaat; een grenadier met geweer en wapens, berenmuts en knevels (foudre de guerre) in een schilderhuis; Simson met afgesneden haar; Napoleon op St. Helena.
Als gij in ’t midden van deze tent staat, tusschen staatsiegordijnen en schoorsteenvallen, en ijzeren tralies, en onderstellen van wagens, en wilde dieren; als gij uw oog slaat op al die vernederde schepsels—waan niet dat gij leeuwen, dat gij tijgers, dat gij gieren, arenden, hyenen, beren ziet. De kinderen der woestijn zouden hunne broederen, zoo zij ze hier zagen, verachten en verloochenen. Berg dat zilveren potlood, steek die portefeuille op, gij teekenaar! Maak hier geene schetsen. Gij hebt geene wilde dieren voor; het zijn Bladzijde 16er slechts de vervallen overblijfsels van; zij zijn naar ziel en lichaam gekraakt. Hun aard drukt zich niet meer uit. De leeuw stierf in den leeuw; de tijger is dood in den tijger. Uwe teekening zou zijn als een portret naar een lijk ontworpen. Gij kunt even zoo goed een petit-maître onzer eeuw tot model voor een zijner Germaansche vaderen stellen, of een mummie afbeelden, en zeggen: zoo is een Egyptenaar! Nauwelijks kunt gij hunne vormen, hunne omtrekken, hunne evenredigheden zien of berekenen onder de slagschaduwen dezer vierkante kooien. Hoe zoudt gij dan het eigenaardige van hunne houding kunnen raden? Ze zijn hier als planten in een kelder; zij verkwijnen; zij zijn in een droevigen staat van ongevoel, een naren dommel verzonken. Zij sterven sinds maanden. Het licht hindert hen. Zij zien er dom, verstompt uit. Dans la nature ils sont beaucoup moins bêtes.
“Stil”, zegt gij, “zie daar den eigenaar. Hoor hoe zij brullen. Zij zullen gevoed worden. Het souper der wilde dieren.” Smartende bespotting! Hun souper! De cipier zal elk dezer staatsgevangenen zijne afgepaste portie komen toedeelen. “Ja, maar hij zal ze tergen, en een oogenblik zult gij ze in hun kracht zien.” Wee onzer, zoo dat waar is! Neen, het is eene tooneelvertooning. Zij worden tot acteurs vernederd. Hun woede is die van operahelden, van beleedigde vaders in de vaudeville. Het is namaaksel. Het is een woede van klokke halfacht. Het rammelen der boeien, als de gevangene opstaat om zijn brood en water aan te nemen. Ook in het gebrul des leeuws, het gehuil der wolven en het lachen der hyena’s is een pectus quod diserfum facit. Waan niet dat zij zich verwaardigen zouden hun verschrikkelijke welsprekendheid aan dien knecht te verkwisten, die toch eindigen moet met hun het afgewogen stuk vleesch in den bek te steken.
Hun souper! o Zoo zij mochten, zij zouden van dit behulpelijk, bekrompen genadebrood een beroep doen op hun avondmaal in de woestijn! Weekelingen, die uw brood bakt en die uw vleesch kookt om het te kunnen verduwen! zoo gij genoodzaakt werdt dien maaltijd aan te zien, daar zij de rookende spieren van de breede knoken aftrekken, en er zich met al de felheid, al de heftigheid hunner bewegingen opstorten, brullende van genoegen, niet omdat zij eten, maar omdat zij slachten,—hoe zouden u de haren te berge rijzen, hoe zou vleeschhouwer en uitdeeler, hoe het geheele heir geabonneerden rillen en beven!
Alleronuitstaanbaarst is mij in een beestenspel de uitlegger. Gij lacht om zijn gemeen Fransch en nog ellendiger Hollandsch, om zijn eeuwig wederkeerende volzinnen: ik kan niet lachen. Hij ergert mij.
Sire, ce n’est pas bien:
Sur le lion mourant vous lâchez votre chien!
Foei! hij noemt den tijger monsieur en de leeuwin madame; hij vertelt aardigheden op hun rekening; zij zijn de dupes zijner van buitengeleerde geestigheid. O! zoo zij konden, hoe zouden zij zich op den grappenmaker wreken. Hoe zou monsieur hem vierendeelen, madame hem vernielen. Hij zou ’t verdienen. Hij behandelt dieren als dingen. Hij verdient een dommen glimlach aan den een, een drinkgeld aan den ander. Hij ontneemt u het schoone zinnebeeld der moederliefde, dat gij in den pelikaan zaagt, en maakt liever een slaapmuts van zijn onderkaak. Ellendige potsenmaker, straffeloos lasteraar, die zijne beteren bespot. Met een paar knevels en een stok loopt hij om, en speelt den held onder de gevangenen.
Ja, het is ijselijk als gij een verren neef of halfvergeten vriend overkrijgt, die u vriendschappelijk dringt hem het Leidsch museum te laten zien, en ge moet, terwijl gij liever de bekoorlijken op Rapenburg en Breestraat gadesloegt, met hem op een schoonen voormiddag de eene zaal na de andere doordrentelen, zonder iets te zien dan natuurlijke historie, zonder ergens een knie te buigen; en het is er kelderachtig koud! Maar zoo het er op aankomt om vreemde dieren te zien: ik zie ze liever daar dan hier. Liever een museum dan een menagerie, ’t Is waar, het knekelhuis, dat gij eerst door moet wandelen, neemt een goed deel van de illusie weg; de anatomie, gelijk alle analyse, is schadelijk aan de poëzie; maar de opgezette dieren zijn niet vernederd. Hier ronken zij niet, hier slapen zij niet, hier sterven zij niet, hier zijn zij dood. Hier geen dofheid, geen traagheid, geen luiheid; hier koude en ongevoeligheid. Het is hier als in hun onderwereld: gij ziet hunne schimmen, hunne omtrekken, hunne είδωλα! Aan hun stoffelijk omkleedsel, hun houding, hun stand moge door opvulling en kunstenarij een weinig zijn te kort gedaan, maar de ziel (gij gelooft toch dat de dieren een ziel hebben?) wordt hier niet verdoofd of verminkt. Niet de lage baatzucht, maar de deftige wetenschap heeft hen bijeenvergaderd. Zij staan hier niet te kijk, zij staan hier tot uwe onderwijzing. Hunne namen worden in eerbiedig Latijn genoemd. Zwijgend gaat men langs hunne rijen, met al het ontzag, dat men voor de dooden heeft.
Maar een menagerie!
o Gij, heeren der schepping! ik weet niet of gij in de 19de eeuw onzer jaartelling, en zoo ver van het paradijs, dien naam nog verdient.... maar gij hoort hem zoo gaarne, en zijt er zoo hoovaardig op; o gij, heeren der schepping! laat u gelden in het Bladzijde 18dierenrijk, laat u gelden bij al wat slagtanden, klauwen, hoeven en horens heeft. Heerscht, dwingt, gebiedt, overweldigt, beschikt; zet uw krijgsburcht op den rug der elefanten; legt uw pak op den nek der buffelen, zet uw tanden in het oor van onagers, jaagt uw lood door het voorhoofd der tijgers, en maakt hun vacht tot schabrak uwer paarden; overwint als een Cesar de wereld, en spant als een Cesar vier leeuwen voor uw triomfkar. Het is wèl. Maar misbruikt uwe kracht niet. Spot niet, kwelt niet, vernedert niet, dooft niet uit. Geen gevangenhuis, geen tuchtcel, geen schavot, geen kaak, geen draaikooi, geen beesten-spel. Ja, een spel is het, een afschuwelijk wreed spel. Moet gij een spel hebben: herstelt het molmend coliséum tot een worstelperk, en hebt ten minste de grootmoedigheid, uw gelijken met hen ten kamp te doen treden. Vermaakt u (zoo gij nog niet genoeg hebt van barbaarsche vermaken) met hunne krachten, met hun moed, met hun heldeneinde;—niet met hunne slavernij, niet met hunne ontaarding, niet met hun heimwee, niet met hun teringdood.
Onbegrijpelijk veel menschen hebben familiebetrekkingen, vrienden of kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik eenvoudig toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad. Ik had er voor een paar jaren nog een verren neef. Waar hij nu is, weet ik niet. Ik geloof dat hij naar de West gegaan is. Misschien heeft de een of ander van mijne lezers hem wel brieven meegegeven. In dat geval hebben zij een nauwgezetten, maar onvriendelijken bezorger gehad, als uit den inhoud van deze weinige bladzijden waarschijnlijk duidelijk worden zal. Inderdaad, ik ken vele menschen, die nog al ophebben met hunne Amsterdamsche neven, vooral als ze tot de “Lezers” in Felix behooren, of als ze rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd gestaan over mijne verregaande koelheid omtrent den persoon van mijn neef Robertus Nurks; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hij mij zaterdagmiddag per diligence een steen zond met een brief er aan, inhoudende dat hij (mits het weer goed bleef en er niet, maar dat kwam er nooit, het een of ander in den weg kwam) met mij den dag in den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het gemelde bosch heb, maar wel iets tegen ZEd.
En evenwel was hij een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond goedhartig. Maar er was iets in hem—ik weet het niet—dat maakte dat ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents, in één woord iets volmaakt onaangenaams.
Ik zou, om iets te noemen, een nieuwen hoed gekocht hebben; geen buitensporig fatsoen (geen nationalen bijv.), geen te hoogen of te platten bol; geen te breeden of te smallen rand; een hoed, goed om af te nemen voor een verstandig man en op het hoofd Bladzijde 20te houden voor een gek, doch stellig een hoed om niets van te zeggen. Toch kon ik bijna overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef Nurks, de eerste maal dat hij er mij mee zag, met den hatelijksten glimlach van de wereld en met een soort van ontevredene verbaasdheid zeggen zou: “Wat een weergaschen gekken hoed heb jij op”.—Nu is het onbegrijpelijk moeielijk; schoon ik gaarne beken, dat de een zich daar handiger in gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gauwsten ben; nu is het onbegrijpelijk moeielijk, onder eene dergelijke critische verklaring omtrent uw hoed, een tamelijk figuur te blijven maken. Het in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een: “hé, vindje dat?” af te laten loopen, verraadt volslagen gemis van tegenwoordigheid van geest. Te repliceeren met een hatelijkheid op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel een aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een schat van aardigheden mogelijk is, zoo is het evenwel bijzonder opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een oogenblik bij de hand heeft. Zoodat de critische hoedeninspecteur gewoonlijk de voldoening heeft eene kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht, welke hij met demonischen wellust geniet.
Indien gij uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed; het is in ’t oog loopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen; niet een vrij beslissenden kijk op mijn neef Nurks’ karakter hebt, dan zal het heele verhaal, dat ik schrijven ga, nutteloos aan u verkwist zijn, lezer, en dan zal ik ook zoo vrij zijn u tot uw straf te houden voor een sprekend evenbeeld en wedergade van dienzelfden Robertus Nurks. Men zou intusschen verkeerd doen, zich dien waardigen Amsterdamschen jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden, of zwartgallig. Hij was alleen maar hatelijk, en zulks deels uit gewoonte, deels uit een diepe en misschien voor hemzelven verborgen jaloezie. Hij was in ’t geheel geen kniezer, altijd vroolijk gestemd en de vroolijkheid beminnende; maar hij scheen er een genoegen in te vinden, zijnen vrienden kleine grieven aan te doen, en niet alleen zijnen vrienden, maar in het algemeen de onschuldigste menschen van de wereld. Eene opvoeding boven zijn stand had hem, geloof ik, die lompe aanmatiging gegeven; en onverstandige ouders hadden hem te vroeg er aan gewend om zijn jong oordeel over een iegelijk, die hun huis bezocht, met toejuiching te zien ontvangen. Van daar dat hij niets had van dien kieschen terughoudenden schroom, die even bang is om te beleedigen als om beleedigd te worden; niets van die zachte humaniteit, die men, ondanks alle gezag van spreuken als “Ingenuas didicisse fideliter artes” etc. nog veel beter van zijn moeder kan overnemen, dan uit de classieke literatuur halen. Trouwens hij verstond maar zeer weinig Latijn.
Indien Robertus Nurks zeker wist dat gij half verliefd waart, hij zou de gelegenheid vinden om het voorwerp uwer stille genegenheid in het gesprek te pas te brengen, onder de voor u hartdoorsnijdende Bladzijde 21bijvoeglijke naamwoorden van “leelijk, dom, onbeduidend, mal”, of dergelijke. Kende hij mijn lievelings-auteur, hij haalde er in gezelschap de leelijkste plaatsen uit aan, met bijvoeging van “zoo als Hildebrands hooggeloofde die of die zegt”. Waagdet gij nog eens een oude anecdote, die u veel genoegen verschaft had, waarvoor gij dus billijk eenige genegenheid voeddet, en waarvan gij u ook deze maal nog al vrij wat beloofdet, omdat allen zich hielden als of zij haar niet kenden: hij bedierf er de uitwerking van, door juist als ’t op de aardigheid aankwam, het verhaal al raffelende voor u af te maken, van den Enkhuizer Almanak van ’t jaar één te spreken, en te zeggen dat alle anecdotes laf zijn, en dit er een was, die hij honderd malen van u gehoord had. In ’t kort, hij kende al de zwakke plaatsen van uw familie, van uw verstand, van uw hart, van uw liefhebberij; van uw studie, van uw beroep, van uw lichaam, en van uw kleerkast, en had er vermaak in, ze beurtelings pijnlijk aan te raken. En ik weet niet welke bezwerende of magnetische kracht hij op u uitoefende, om u geheel weerloos te doen zijn.
Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig omgaan met jaren, want ik ben nog zoo jong; dat mijn neef Nurks mij op zaterdag den 14den Juli—gij kunt den almanak nazien of het uitkomt—weder een steen zond, die mij dan ook als zoodanig op het hart viel. Hij zou morgen, na ochtendkerktijd, bij mij komen, en ’s avonds met den wagen van achten weer vertrekken. De uren daartusschen zouden wij aan de vriendschap en het genoegen offeren.—Ondertusschen had ik plan gemaakt voor eene andere vriendschap en een ander genoegen. Ik had een Leidschen makker bij mij gelogeerd, met wien ik te Zomerzorg eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen, waar wij den nacht zouden doorbrengen om ’s morgens naar de Breezaap te gaan en aldaar wat te botaniseeren, waarvan wij beide groote liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers mij daarom verachten zal, naar de gewoonte van vele menschen, die aan de waarde en het gehalte van genoegens twijfelen, die zij niet in staat zijn te beoordeelen. Mijn neef Nurks behoorde tot dezulken.
Het opgemelde plan was met groote opgewondenheid en wederzijdsche goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik beloofde mijnen medischen student; wiens naam omdat hij bang voor recensenten-hatelijkheden is, ik heb moeten beloven te zullen verzwijgen, en wien ik daarom voor ’t gemak Boerhave zal noemen; ik beloofde mijnen medischen student, behalve de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van Aristolochia Clematitis, op den weg tusschen Zomerzorg en Velzerend en, daar hij ook eene verzameling van conchiliën er op nahield, stond hij in lichterlaaie verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blauwe Trappen de wijngaardslakken over uw laarzen Bladzijde 22kruipen of ’t zoo niets is.—Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde al die zaligheden, en het gansche plan moest worden uitgesteld onder de voor ons verschrikkelijke gedachte, den geheelen dag in Den Hout te zitten; want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in Den Hout.
De opoffering viel ons moeielijk, en ik verdacht den hupschen Boerhave (die niet zooals ik den band des bloeds gevoelde, en daarenboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de wetenschap, die hij beoefende) van den heimelijken wensch, dat mijn liefelijke Nurks, van wien hij zich half bij instinct, half door mijne kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tusschen zaterdagavond en zondagochtend eene kleine ongesteldheid mocht ontwaren, die hem mocht doen besluiten tot een kort briefjen op de eerste schuit enz.; maar ik wenschte hem op een allerliefste buitensociëteit vol “vermoakelijkheden”, of op een dolprettig diné aan den Berenbijt, met drie leden van De Munt en zeven van Doctrina, waar men elkander allergeestigst met het wederzijds ophemelen der beide sociëteiten plagen kon, tot groote bemoeilijking van den elfden man, die lid van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk wilde geven, omdat ze de meerderheid hadden, maar den Munters niet afvallen, omdat ze de grootste heeren waren. In een dergelijk gezelschap had mijn vriend Nurks, die in de universaliteit van den elfden deelde, dan gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over den “lastigen dikken weerga” (een oom van een der gasten), die altijd den Haarlemmer las als hij hem wou hebben, in de eene, en “den onverdragelijken langen zwiep” (een vollen neef van een ander der aanwezigen), in de andere, die altijd pot maakte als hij pas begonnen was carambole te spelen. Edoch het was bestemd, dat hij den zondag van den 15den Juli in den Haarlemmerhout zou doorbrengen.
“Ha, hoe maakje ’t, Rob!” riep ik uit toen hij binnenstapte. “Mijn vriend, de student Boerhave, neef”.—Was het valschheid dat ik hem hartelijk ontving? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van Zomerzorg en de Breezaap heen en hij werkelijk daar was, nam ik er den besten kant van; en ik had hem toch ook in zoo lang niet gezien.
“Best, jongen;—mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat end van de Amsterdamsche poort weer tegengevallen!”
“Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn,” merkte Boerhave aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad te toonen.
“Ja, dat is zoo”, zei Nurks, met een bijzondere kracht op ’t woordje is, “maar daarom juist, als men zoo’n mal klein stadje als Haarlem de eer aan doet, wil men ’t liever niet.”
Nurks wierp een blik in den spiegel. Zijn eene halsboord had Bladzijde 23het door de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de diligences; had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in zwijm over den rand van zijn strop.
“Malle dingen! Anders een goed fatsoen. Ik hou niet van die ronde boorden.”
Boerhave en de nederige inwoner van het malle, kleine stadje waren er mooi mee; hij verbeeldde ’t niet gezien te hebben.
“Kanje nog al niet rooken, Hildebrand?”
Ik vloog naar den portecigares en bood hem dien aan.
“Hebje nog altijd dat strooien soortje?” zei hij, de punt van degene, die hij genomen had, met het ongeloovigste gezicht van de wereld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opnemende, daar hij nog niet genoeg van had:
“Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet rooken kan. Hij zit altijd met zijne vingers ergens aan. Ik ken nog iemand die nooit rookt, maar dat is de miserabelste kerel van de wereld.”
Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, bij eventueel overlijden van dien heer, denzelven in zijn hoogen rang in de schatting van mijn neef op te volgen.
Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit eenige informatiën naar wederzijdsche kennissen, waarin geen enkele onaangenaamheid voorkwam, dan dat hij, toen ik naar een zeer intiemen vriend vroeg, dien hij zeer wel kende, noodig had zijn geheugen op te scherpen met de herinnering, “of het die was, wiens broer die smerige affaire met de politie gehad had”, opdat Boerhave, die daartoe al den tijd had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen opvatten. Ik weet niet of hij het deed; maar kort daarop verliet hij ons een oogenblik om een knijpbriefjen af te vaardigen, welk punt des tijds onmiddellijk door Nurks werd waargenomen, om mij met de aanmerking op te winden:
“Die vriend van jou lijkt sprekend op dien schoenenjood, die altijd op den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht staat;”—en toen ik groote oogen opzette,—“och ja, je weet wel, die leelijke kerel! net of hij een trap van een paard gehad heeft.”
Nu, op dat oogenblik kwam Boerhave weer binnen. Over de gelijkenis met den schoenenjood, op den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht, kon ik niet oordeelen, omdat de respectieve aangezichten der respectieve schoenenjoden van Amsterdam mij niet duidelijk en onderscheiden voor den geest stonden; maar op mijn vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in eenige on vermakelijke aanraking geweest was met het viervoetig dier door den vleienden Nurks genoemd, was mij t’ eenenmale onmogelijk.
Wij gebruikten koffie en brood, welke beide artikelen de eer hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel beweerde hij de nadeeligheid van de eerste zonder melk te drinken, waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde hij dat hij ’t Bladzijde 24altijd aan iemands teint zien kon “want het teint werd er leelijk van;” maar toen de medicus er voor uitkwam dat hij medicus was, en in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hij van batterij, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood, op dure kamers woonden en allerlei laagheden doen moesten om een bus te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht geschikt om een medicina candidatum in zijn studiën aan te moedigen; terwijl hij ze allen bekroonde met de plechtige verklaring “dat er niet één medicus in de wereld was, wien hij, Robertus Nurks, wat hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde.”

In ’t logement op den hoek zit een Zaandamsche familie....
Wij gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede dingen hebben hun gestelden tijd. De nachtegalen komen in ’t voorjaar, de vinken en lijsters in ’t najaar; de zon schijnt bij dag, de kaars bij avond, en de maan bij nacht. Zoo is het ook met de menschensoorten. Al wie met de duizend en een species van het genus Haarlemmer bekend is, weet dat zij allen des zondags haar verschillenden wandeltijd hebben; iets, ’t welk zeer natuurlijk wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarbij in ’t oog houdt dat er veel menschen naar de middagkerk gaan, terwijl een groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze species rangschikt, en men tevens achtslaat op de vreemde vogelen, die uit andere luchten op een zonnigen zondag komen aanwaaien, dan zal men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der elkander, naar de schoone vergelijking van Homerus, als boombladeren wegstootende geslachten in het bestaan des menschdoms, of aan die der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.
Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondagsmorgens de kerk verzuimt of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstellen wil) en om tien uren, half elf, in Den Hout komt, op het Plein of bij den Koekamp (de naam is niet welluidend), eenige zwermen feestvierende vogels van den Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van zevenen uit Amsterdam vertrokken. De mannetjes zijn blauw of zwart geteekend en hebben sliknatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze zijn voorzien van lange Goudsche pijpen, waaruit ze òf rooken, òf die ze losjes bij den kop tusschen de vingers houden en zoo, met den steel naar beneden, onverschillig laten slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjes zijn wit. Zij houden haar opperkleed op, zoo dikwijls ze over een droppel water stappen, en dragen ’t geheel opgesteld als er wezenlijk plassen liggen van den regen van zaterdag. Zij eten gestadig uit haar zak; sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog een toegeknoopte kinderluur met mondkost bij zich. Men ontmoet ze meestal in koppels van negenen: twee mannetjes op zeven wijfjes. Ze dwalen een heel end ver, somtijds wel tot Heemstede of de Glip af, maar strijken ’s namiddags, onder een kruik bier en een Bladzijde 25bosje scharren, aan de Groene Valk of in den Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit naar Amsterdam te vertrekken, terwijl intusschen de toegeknoopte kinderluur van knapzak tot een korfje is omgeschapen, om “blommen” in thuis te brengen, die drie weken lang in een aarden melkkan zonder oor, in een klein winkeltje, of op den bovensten trap van een kelder, hier zonder licht, en daar onder den frisschen adem van een stinkend riool, het geluk en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen en band verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en hout slijt en tegelijk uit werken gaat.
Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hij in ’t voorbijgaan eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van het Paviljoen verlustigt, en waarvan al de individu’s, om zich te overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de spijlen van het hek vastklemmen, zich bij geen mogelijkheid kunnende verklaren wat voor aardigheid of vroolijkheid er wezen mag in de groep van Laokoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in het frontispice “Wullem” beduidt.
Meergemelde natuuronderzoeker heeft even de Dreef verlaten, om in de verrukking van deze vreemdelingen te deelen, maar gaat nu door een allerliefst laantje, waarin de ochtendzon allergeestigst door ’t hoog geboomte speelt, op de “logementen” af. Hij wandelt een gele barouchette en een blauwen char-à-bancs voorbij, die hij onder ’t geboomte uitgespannen ziet, als ware ’t om menigeen van huns gelijken derwaarts te lokken. Hier is alles nog doodstil. ’t Is een liefelijke morgen. Een enkel heer met een grijzen paardenharen Saksen-Weimar, bruinen rok, grijze zomerbroek, Engelsche spikkelkousen, lage schoenen en een tenger, hoogstfatsoenlijk uiterlijk, zit aan een der houten marmeren tafeltjes van het “Wapen van Amsterdam” voor de deur, zeer op zijn gemak een boek te lezen. Een dikachtig heer met roode wangen en een opvliegend voorkomen, met zwarten rok en in ’t kort, leest er steunende op zijn stok een courant, zonder tafeltje op een stoel neergevallen. Een jonge vrouw, eerst onlangs uit het kraambed hersteld en nog een weinigje bleek, zit aan een ander tafeltje, waarop uitgediend ontbijtgoed staat, met een lief mutsje met lichtblauw Zeister op en een lichtblauw japonnetje aan, gemakkelijk in haar stoel geleund, te breien, en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar kindermeid, die met een Amsterdamsche kornet op ’t hoofd, of liever ààn ’t hoofd, want dat soort van mutsen laat het hoofdhaar tot de kruin toe onbedekt, en een rozerood japonnetje met een zwart schort met puntjes voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de eene gehandschoende hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedje met rozeroode strikjes en, aan de andere, een van drie, in beugeltjes; welke kinderen zij, zoo dikwijls als zij Bladzijde 26iemand tegenkomt, wien zij een goed denkbeeld van hare opvoeding of van haar dienst geven wil, met het plechtige “uwé” toespreekt: “Spreekt uwé niet tegen meneer, Sorsetje?—Foei Franswatje, wat maakt uwé uwees handjes vuil met die schullepies.”—Aan de Hertebaan vertoonen zich hier en daar een paar jonge dames, in ’t bloote hoofd, en in een costuum, dat zij “zoo geheel buiten” noemen, en ’t welk voornamelijk gekenmerkt wordt door sterk gekleurde zijden schortjes, bezig met “aan de lieve beestjes eten te geven”.—Dit nu zijn de gelukkigen, die bij Stoffels logeeren.—In de Sociëteit is nog niemand, maar een tweetal knechts, een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan tegen elkander over in het middelste deurraam met de handen op den rug het talent van Zocher te bewonderen, dat de heeren van Trou Moet Blijcken in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te zien, die door ’t Sparen gaan.—In ’t logement op den hoek zit een Zaandamsche familie, gisteren aangekomen, al de mannen zeer lang, en in een volmaakt pak blauwe kleederen uitgedost, met zwarte dassen en witte onderdassen; de vrouwen met de nationale kap, en zwarte tanden. Zij drinken reeds koffie, en laten zich van den kastelein, die de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan, omtrent vele wetenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man, niet zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een dier onsterfelijken, die de oudste Haarlemmers altijd even oud en altijd even beschadigd, daar gezien hebben. Sommige verdenken hem van een stilleverklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien hij het is, dan is hij het zeker alleen maar om aan de kindskinderen te verklikken op wat wijze hunne grootvaders in Den Hout hun geld verteerden.
In dezen toestand blijft Den Hout tot elf uren of half twaalf. Alsdan rukt de voorhoede der Haarlemsche wandelaars er in. Zij bestaat voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange roksmouwen; de boekhouders met watten in de ooren; de ambachtsbazen met hooge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hunne vrouwen één, en met hunne dochters drie graden boven haar stand gekleed, en alleen in dit bijzondere geval met hunne zonen, wanneer deze het niet zóó ver in de wereld hebben gebracht om zich hunner te schamen; want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gij zeker zijn, vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men nu reeds een enkel jong mensch uit deftiger stand, hetzij dan een notarisklerk of een surnumerair bij het gouvernement van Noordholland, die, daar hij geen schepsel wist Bladzijde 27te verzinnen, aan wien hij na kerktijd een bezoek schuldig was, nu maar naar Stoffels stapt en, verbaasd van daar nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met den hond van den kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst dat mijnheer habitué is.
Hem volgen, tegen halftwee, twee uren, de deftige bewoners uit de stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie, de boekhandelaar met zijn familie, en de wereldsche kinderen van den geestelijke, zonder hunne ouders. Ook komen nu de bloemisten van den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt men zusters met haar eerste voiles, die met broers met hun eerste rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broers met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als b.v. de sjees van den dokter, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een toertje doet, en het wagentje van den grutter, die geen pleiziergeld betaalt, alreede tegenkomt; voorts de demi-fortune van den kleinen rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelden makelaar, en het rijpaard van den kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en voorbijgereden van Amsterdamsche char-à-bancs voor twaalf personen, daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf met een hoedendoos in zitten, schoon ik zeggen moet dat de meeste dezer laatsten in de stad uitspannen.
Het gebeurde alzoo dat, als wij drieën om één uur de Houtpoort uittraden, wij noodwendig op hun terugtocht tegenkwamen de kleine winkeliers met de lange roksmouwen, de boekhouders met de watten, de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen enz., en als ’t ware aankondigden de komst der notarissen, der fabrikanten, der boekverkoopers, der doctoren, der apothekers, der bloemisten, der zusters en broers enz., die nog achter ons waren.
“Wat zien uw stadgenooten er over ’t algemeen peu fashionable uit!” zei Nurks, met dien bijzonderen lach, die de Engelschen a sneer noemen, een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende en oogenblikkelijk weer opvattende, om mij het antwoorden te beletten.
Een boom of wat verder pleegde hij mij hetzelfde boevestuk met den uitroep:
“Ik dacht dat er zooveel beau-monde in je menniste Haarlem was!” en weder vergunde hij mij niet in het midden te brengen, dat de geheele deftige middelstand nog achter onzen rug was, die niet voor een uur later, eerst door de hoogere ambtenaars, en daarna door de haute volée zou worden opgevolgd. Hij wist het ook trouwens even goed als ik.
Wij namen plaats bij Stoffels. De onbeleefdheden, die tot nog toe alleen aan ons beiden verkwist waren, werden nu ook algemeen Bladzijde 28verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen Nurks al uitriep, zoodat al de belendende gezelschappen het hooren konden:
“Lieve hemel, Hild, wat hebje een mooi vest aan; dat had ik nog niet van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achteren is.”
De leelijkert had duidelijk bemerkt, dat ik het voor ’t eerst aanhad en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak onmiddellijk mijn beenen onder de tafel; want het was mij op zijn minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hij, met een opgetrokken neus naar de punten van mijn schoenen loerende, mij had afgevraagd: “Waar laat je die turftrappers maken?”
Van een goedigen krulhond, die met veel liefde door een oud man gestreeld werd, heette het “Wat een mormel!” Van een paar schimmeltjes, die voor de deur stilhielden en waarmee de eigenaar met groot zelfbehagen pronkte: “Leelijke koppen!” Van het kindje in beugels, dat al van half elf gewandeld had en er schrikkelijk verhit uitzag: “Als ik er zóó eentje had, deed ik het een steen om den hals”. Alles luid genoeg om verstaan te worden door de respectieve eigenaars van het mormel, de leelijke koppen, en den jongen heer. Er zat een statig man, wiens geluk half weg was, omdat hij in den morgen bloemen gezien hebbende in het “Cieraad van Flora”, bij het inkruipen van een enge broeikas, eenigszins aan een spijker was blijven haken. Hij had daar toen niet veel acht op gegeven, maar nu rustig in Den Hout een sigaar zittende te rooken ontdekt hij te midden zijner overpeinzingen een kleinen winkelhaak in zijn pantalon, vlak bij de knie. Hij had het zoo haast niet gezien of hij wierp er met veel handigheid zijn zijden zakdoek over, maar te laat om de aanmerking van Nurks te ontgaan, die juist op dit zelfde oogenblik tot ons zei: “Ik mag wel zoo’n maneschijntje”. De bloemliefhebber kreeg een kleur als een Cactus Speciosa, om welke te verbergen hij in verwarring naar zijn zakdoek greep om zijn neus te snuiten, zoodat de maan weer plotseling door de wolken brak, tot groote vroolijkheid van een gezelschap Amsterdamsche juffrouwen en heeren uit een manufactuur-winkel, dien zich op dien merkwaardigen dag op zijn minst voor staatjufferen en kamerheeren van Z.M. den koning wilden gehouden hebben.
“Is dat een rok van je vader?” vroeg Nurks grappig aan den jongen, die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrompen in dat kleedingstuk bewoog.
“Ik heb geen vader,” zei de arme jongen, en het ging mij door de ziel.
De beau-monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en kleuren; met al de pracht van vederen, sjaals, parasols, mantilles, amazones, koetsiers, rijtuigen en rijpaarden. Ik had het ongeluk gehad Nurks te voorspellen, dat hij een brillante nieuwe equipage zou zien. Hij kreeg die zoodra niet in het oog, of hij vroeg mij ongeduldig: Bladzijde 29
“Wanneer komt nu die mooie equipage, waar je van gesproken hebt?”
En zoo was het telkens, tot groote ergernis van Boerhave, die evenwel nog al aardig vrijliep, maar wiens horlogesnoer ijselijk door Nurks gefixeerd werd, zoodat hij alle oogenblikken dacht dat er iets op komen zou, en eindelijk dan ook zijn rok maar toeknoopte. Ik herinner mij nog slechts twee onaangenaamheden, die Nurks mijn goeden medicus deed doorstaan, doch die even als de aangehaalde zich ook alleen bij het physionomisch hatelijke bepaalden. De eene was deze. Wij spraken over de ongelukken, die men met zwemmen kan krijgen. Op een warmen zomerschen dag is ’t een wellust om over water te handelen. Boerhave verhaalde een treffend geval van schitterende zelfopoffering in een zwemmer, buitengewoon genoeg om al de eerepenningen der Maatschappij tot Nut enz. te verdienen, indien deze ’t niet tot regel gesteld had, alleen dezulken te beloonen die niet zwemmen kunnen, maar althans buitengewoon genoeg om een steenkoud hart te doen ontgloeien. Nurks evenwel hoorde het met de volmaaktste onverschilligheid aan en nam zelfs onder ’t verhaal allerlei bijzaken waar. Nu eens, bijvoorbeeld, scheen hij zich met de borst toe te leggen op het vormen van kunstige kringen van tabaksrook; dan weder blies hij, volmaakt in de houding van iemand die volstrekt niets anders te doen heeft, de sigaarasch van zijn knie, en zelfs van de tafel; dan weder scheen hij al zijn aandacht en belangstelling te wijden aan zijn nog altijd ziekelijken halsboord, die nog telkens nieuwe aanvallen van flauwte had; welke veelzijdigheid van oefening mijn opgewonden vriend, die van geestverrukking gloeide, op den duur weinig streelde. Hij trof het even ongelukkig met het verhalen eener splinternieuwe anecdote van drie Leidenaars, waar ik met mijn heele familie den vorigen avond tot schreiens toe om gelachen had, met groot gevaar van in ons warm brood te stikken, maar die totaal schipbreuk leed op de stalen onbuigzaamheid van mijn heer en neef, die ditmaal in een ander uiterste viel, en zeer geduldig en ingespannen zat te luisteren, ja zelfs zoo geduldig en ingespannen, dat het hem scheen te treffen dat het verhaal waarlijk uit was, en hij nog altijd op het slot en de aardigheid zat te wachten, die, indien men zijn gezicht had willen gelooven, nog immer komen moesten. Mij is niettemin van goederhand verzekerd, dat opgemelde neef èn de edelmoedige menschenredding èn het geval der drie Leidenaars, nog dien zelfden avond, met zichtbare blijken van zelfbehagen heeft medegedeeld op de diligence; gelijk hij ze ook beiden des anderen daags wist te pas te brengen op Doctrina, aan zijn tafel, en in de Munt, en in den loop van de week te pas te jagen op twee concerten en in vijf koffiehuizen (zoodat ik met grond onderstel dat hij er nu de harten der liplappen en der blauwen in de West mee verkwikt); en al wie de eerste niet “verbazend” en de laatste niet “om te schreeuwen” vond, wist Bladzijde 30hij oogenblikkelijk iets stekeligs te zeggen op het gevoelig punt van bakkebaarden en stropdassen.
Er kwam muziek. Drie dames met lange reticules en opmerkelijk door roode linten op de muts, oranje tissu’s om den hals en voorschooten met diepe zakken met schuifjes. Eene breede sproeterige Saffo met een hooge sproeterige harp in het midden, en twee tanige vrouwen, die met handen vol diamanten, die een sterken familietrek van glas hadden, op de viool speelden. “Drie poetjes van gratietjes”, zei Nurks lachende, en luid genoeg om een langen procureursklerk mee te doen lachen, die veel verder van hem af was dan de gratietjes in quaestie. Het snarenspel begon, Nurks stopte van tijd tot tijd den vinger in de ooren, dat toch niet opwekkelijk wezen kon voor drie kunstenaressen, die ook wel wisten dat het zoo heel mooi niet was, en ook niets verder bejaagden dan een dubbeltje of een stuiver van elk der toehoorders, en een weinigje geduld. De violen hielden met een fiksche kras op, en de harpspeelster hief, met een eenigszins schorre stem, en juist voor de drieëntwintigste maal op dien gedenkwaardigen morgen, het toen even zoo min als nu nieuwe, maar altijd slepende
Fleu—ve du—Ta—ge!
aan.
“Ba; wat is ze leelijk als ze zingt,” klonk het, dwars door de aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuschen mond van Robertus, wien het zeker nooit in ’t hoofd was gekomen dat ook een arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben.
Het lied liep verder zonder stoornis af; zoodat de reticule geopend kon worden, om het bekende roodverlakte flesschebakje met blinkenden rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen, indien de zangeres Nurks niets gevraagd had. Maar er was geen houden aan; dus gaf ik maar een dubbeltje. Zij kwam tot Nurks.
“Hoeveel octaven kan jij wel zingen?” vroeg hij werkelijk grijnslachende, maar tegelijk een vijfje op ’t blaadje leggende; want zoo was hij.
Men moet in den handel ook het vuile geld aannemen.
“Merci, monsieur”, zei de harpspeelster, met neergeslagen oogen en was reeds bij den man met den gescheurden pantalon.
De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd, en zat nu toevallig aan een tafeltje, ’t welk de virtuoze alreede was voorbijgegaan.
De violen hadden ondertusschen lustig doorgespeeld; ik weet niet of men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de oogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Bladzijde 31Thans zag een eenloopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook zijne talenten te doen hooren.
“Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek,” merkte Nurks aan.
“Och, ik vind het nog al vroolijk,” zei ik bemiddelend.
“Ja maar”, zei hij, mij strak in de oogen ziende, en een lange teug limonade nemende—“ja maar—ik geloof, om je de waarheid te zeggen, niet dat je heel muzikaal bent.”
Nu, voor deze laatste onhebbelijkheid behoeft men geen Robertus Nurks te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ieder liefhebber gerechtigd, die in zijn huis een eerste en eenige, en in het een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen zou, indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de paukenslagers gekend, die in dit opzicht de crimineelste waren. Och, al is men maar iemand, die op een concert de hand met zekere majesteit onder de kin kan leggen e