[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Jack Rustig, by Kapitein Marryat This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Jack Rustig Author: Kapitein Marryat Illustrator: Johan Braakensiek Translator: A. J. van Dragt Release Date: June 14, 2005 [EBook #16063] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK JACK RUSTIG *** Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team


“Ik zeg het niet,” griende Jaapje.
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Arnhem.
Bladzijde 5Eerste levensjaren van Jack. Hoe hij al spoedig den baas speelt.
Meneer Nicodemus Rustig leefde als welgesteld man op zijn buitengoed Boschlust in het Engelsche graafschap Hampshire. Dolgraag zou hij zoo’n paar kleine kleuters om zich heen hebben zien springen; maar, ofschoon reeds tien jaar getrouwd, nog altijd bleef hij met zijn vrouwtje alleen. Om zich te troosten over de verijdeling van zijn hoop, meende hij niet beter te kunnen doen dan zich op de wijsbegeerte toe te leggen, en weldra waren de gelijkheid en de rechten van de mensch zijn stokpaardje geworden. Niemand luisterde echter naar zijn betoogen, en hoe meer meneer Rustig doorsloeg, des te beter lieten de bezoekers zich zijn portwijn smaken; want al sneden ’s mans beweringen geen hout, zijn wijn was uitstekend.
Terwijl meneer Rustig zich in zijn studiën verdiepte, zocht mevrouw ontspanning in het patience-spel, en zoo leefde het echtpaar heel kalmpjes voort. Meneer wist, dat vrouwlief zijn redeneeringen niet kon begrijpen en eischte daarom ook niet, dat ze aandachtig naar hem luisterde; mevrouw van haar kant stoorde zich weinig aan het gepraat van haar echtgenoot en was tevreden als ze maar bij haar spelletje kon blijven. Die wederzijdsche inschikkelijkheid maakte den grondslag uit voor hun huiselijk geluk.
Ook bestond er nog een andere reden, waarom zij ’t zoo goed met elkaar konden vinden. Moest er iets besproken worden, dan begon meneer Rustig altijd met te zeggen, dat vrouwlief haar zin zou hebben,—en dat vond ze heel pleizierig; daar echter manlief, als ’t er op aankwam, steeds zijn eigen zin volgde, was hij evenzeer in zijn schik. Wel had mevrouw sinds lang begrepen, dat zij haar zin toch niet kreeg, maar ze was erg meegaande, en omdat ’t in negen van de tien gevallen toch heel weinig verschil maakte wat er gedaan werd, stelde zij zich volkomen tevreden met zijn toeschietelijkheid bij het overleggen. Meneer Rustig had erkend, dat zij gelijk Bladzijde 6had, en al volgde hij nu bij de uitvoering een anderen weg, wat kon zij, als zwakke vrouw, daartegen doen?
Op het einde van het elfde huwelijksjaar kwam er evenwel een groote verandering in het tot dusver zoo kalme huishouden; want mevrouw Rustig verblijdde op een goeden dag haar echtgenoot met een stamhouder, dien we als den held van ons verhaal zullen leeren kennen.
Er werd heel wat geredeneerd en betoogd eer meneer en mevrouw het eens waren over den naam, dien de jonge wereldburger dragen zou, maar het einde van de geschiedenis was, dat men hem Jack zou doopen. Het jongske groeide als kool, raakte na zes maanden uit de lange kleeren, en begon al spoedig over den vloer rond te kruipen en naar alles te grijpen, wat maar onder zijn bereik kwam. Hij solde met de kat, krabde zijn moeder in ’t gezicht, en vond er volstrekt geen been in, zijn vader duchtig aan zijn kuif te trekken; maar toch werd hij door al de huisgenooten voor het mooiste en liefste kind van de wereld versleten. Als we alles wilden opschrijven wat Saar, de meid, van Jack’s eerste kinderjaren wist te vertellen, zouden we wel drie boekdeelen vullen; we zullen ’t echter maar laten bij de vermelding, dat men hem, als zoo menig eenig kind, in alles zijn eigen hoofdje liet volgen. Daardoor kreeg hij weldra zooveel noten op zijn zang, dat dokter Middleton, die als huisvriend dikwijls op Boschlust kwam, er soms bedenkelijk het hoofd over schudde en begon te vreezen, dat de al te toegeeflijke ouders het ventje glad zouden bederven.
Op zekeren dag kwam een knecht van meneer Rustig te paard bij dokter Middleton aanrennen, met de boodschap of de dokter onmiddellijk op Boschlust zou willen komen. De man voldeed aan dit verzoek en vond bij zijn komst het heele huis in rep en roer—meneer liep erg onrustig heen en weer, mevrouw had maar werk om niet flauw te vallen en al de meiden verdrongen elkaar zenuwachtig om haar stoel. Iedereen was danig van streek, behalve de kleine Jack, die, met een lompje om zijn vinger en eenige bloedvlekken op zijn kiel, heel kalmpjes met kersen zat te spelen en zich aan niets stoorde.
“O dokter!” riep mevrouw Rustig den geneesheer bij diens binnentreden als in wanhoop toe, “Jack heeft zich zoo vreeselijk in zijn hand gesneden; stellig is er een zenuw geraakt en dan....”
De dokter gaf er geen antwoord op, maar onderzocht de gewonde hand, terwijl Jack met de andere bleef doorspelen.
“’t Is nog al goed afgeloopen, mevrouw,” zei de dokter, toen hij gezien had, dat de jongen zich maar even aan den vinger had gewond. Bladzijde 7
“Heeft u soms ook een stukje hechtpleister in huis?”
“O ja; gauw Marie,—loop Saar!” In een oogwenk waren de twee meiden terug; Saar met de hechtpleister en Marie er achteraan met de schaar.
“Stel u maar gerust, mevrouw,” zei dokter Middleton, nadat hij een pleister op de wond had gelegd, “kwaad kan ’t volstrekt niet.”
“Maar zou ’t niet beter zijn als we hem boven brachten en wat te bed legden?” hernam mevrouw.
“Bepaald noodig is ’t niet, mevrouw, maar in elk geval blijft hij dan gevrijwaard voor verdere ongelukken.”
“Kom, mijn lieve jongen, je hoort wat dokter Middleton zegt.”
“Ja, ik hoor ’t wel,” antwoordde Jack, “maar ik ga niet.”
“Maar Jaapjelief, doe ’t nu toch, mijn ventje.”
Jaapje bleef doorspelen en gaf geen antwoord.
“Kom, Jaapje,” zei Saar.
“Ga weg, Saar,” zei het driftige manneke, en weerde haar met de hand af.
“O foei, Jaapje!” zei Marie.
“Kom, mijn hartedief!” zei mevrouw op overredenden toon, “kom,—wil je nu niet?”
“Ik wil naar den tuin nog wat kersen plukken,” antwoordde Jaapje.
“Kom dan maar, lievert, dan gaan we naar den tuin.”
Jaapje wipte van zijn stoel en vatte mama bij de hand.
“Wat een braaf, gehoorzaam kind is ’t toch!” riep mevrouw uit, “je kunt hem aan een zijden draadje leiden.”
“Ja wel, als ’t om kersen te doen is,” dacht Dr. Middleton.
Mevrouw Rustig, Jack, Saar en Marie gingen nu naar den tuin, zoodat de dokter alleen bleef met meneer, die gedurende de stribbeling geen woord gezegd had.
Bij zijn veelvuldige bezoeken op Boschlust had dokter Middleton opgemerkt, dat de kleine Jack uit zijn aard wel een flinke, kordate jongen was, maar alle kans liep door de dwaze inzichten van zijn vader en de overdreven toegevendheid van zijn moeder bedorven te worden. Zoodra nu mevrouw de kamer verlaten had nam hij een stoel en richtte tot den heer des huizes de vraag:
“Heeft u geen plan uw jongen school te leggen, meneer Rustig?”
Meneer Rustig sloeg de beenen over elkaar en vouwde zijn handen om de knieën samen, wat hij altijd deed zoodra hij iets wilde betoogen.
“Het groote bezwaar, dokter, dat ik heb tegen het naar school zenden van een kind, is dat er te veel dwang wordt uitgeoefend; Bladzijde 8en dat strijdt niet alleen tegen de rechten van den mensch, maar ook tegen alle gezond oordeel. Men zendt een jongen naar school, in de hoop dat er door leer en voorbeeld goede hoedanigheden in hem zullen gekweekt worden, niet waar? Maar hoe zal hij nu welwillendheid leeren, als hij telkens de dreigende gard ziet zwaaien, of geduld, als zijn leermeesters bijna uit hun vel springen van kwaadheid? Welk onderscheid bestaat er tusschen hem, die de kastijdingen toedient, en dengene, die ze ondergaat? Zijn ze niet beiden met rede begaafde schepselen, die evenveel recht hebben op hetgeen de wereld biedt? Door gewetenlooze dwingelandij hebben weinigen zich toegeëigend wat voor allen bestemd was, en al heeft men zich door langdurige gewoonte en valsche voorschriften daarin leeren schikken, ’t is de plicht van een vader er voor te waken, dat zijn eenige zoon niet zulke verlagende dwaalbegrippen inzuigt, waardoor hij zich later alles zou laten welgevallen, zoolang men hem maar het leven liet. En worden zulke dwalingen niet op school door de gard verkeerdelijk ingeprent in het jeugdig gemoed? Reeds de eerste les in het ABC is tevens een les in slavernij en leert al aanstonds de geheiligde gelijkheid verzaken, die ons geboorterecht is. Neen, meneer, zoolang ze niet kunnen onderwijzen zonder de ergerlijke toepassing van de gard, zal mijn jongen nooit op school.”
Hier wierp meneer Rustig zich achterover in zijn armstoel, in de verbeelding dat hij al heel wat verstandigs had te berde gebracht.
Dokter Middleton kende zijn man, en had hem maar stilletjes uit laten praten.
“Ik moet toegeven,” zei de dokter ten laatste, “dat er in al wat gij daar zegt misschien veel waars is; maar zou u niet denken, meneer Rustig, dat men, juist door te verhinderen dat een jongen onderricht kreeg, hem des te vatbaarder maakte voor de dwalingen waarover gij spreekt? Alleen de opvoeding kan vooroordeelen uit den weg ruimen, en iemand geschikt maken om de kluisters van den ouden sleur te verbreken. Toegegeven al dat er van de gard gebruik wordt gemaakt, ’t gebeurt toch enkel op een leeftijd, waarin het jonge gemoed zoo kneedbaar is, dat ’t er spoedig onverschillig onder wordt; en zijn eenmaal de gebruikelijke grondslagen der opvoeding gelegd, dan zult gij uw zoon genoegzaam voorbereid vinden tot het ontvangen der lessen, die gij zelf hem wenscht in te prenten.”
“Zelf zal ik hem alles leeren,” antwoordde meneer Rustig en vouwde de armen over elkaar, als of hij zeggen wilde: “daar gaat niets af.”
“Ik twijfel geen oogenblik aan uw bekwaamheid, maar ongelukkig Bladzijde 9zult gij steeds met een onoverkomelijke zwarigheid te kampen hebben. Neem me niet kwalijk, ik weet waartoe gij in staat zijt, en de jongen zou zich inderdaad geluk mogen wenschen met zulk een onderwijzer, maar—openhartig gesproken—het kan u evenmin als mij ontgaan, dat de moederlijke toegeeflijkheid van mevrouw een leelijke hinderpaal voor uw goede bedoeling zal wezen. De jongen is nu al zóó door haar verwend, dat hij niet zal gehoorzamen, en zonder gehoorzaamheid kunt gij hem niets inprenten.”
“Ik erken, mijn waarde heer, de zwarigheid, die daarin gelegen is; maar moederlijke zwakheid dient dan overwonnen door vaderlijke gestrengheid.”
“Mag ik weten hoe? want dat schijnt me onmogelijk.”
“Onmogelijk! Wel drommels, ik zal hem leeren gehoorzamen, of anders zal ik hem....”
Hier brak meneer Rustig plotseling af eer het woord “ranselen” aan zijn lippen kon ontsnappen.
Dokter Middleton had moeite een glimlach te onderdrukken, toen hij antwoordde: “Dat gij wel een middel zoudt vinden om hem de baas te worden, daarvan ben ik ten volle overtuigd; maar wat zal er het gevolg van zijn? De jongen zal zijn moeder als een beschermster en u als een dwingeland beschouwen. Hij zal een hekel aan u krijgen en dientengevolge nooit de vereischte aandacht wijden aan uw hoog te waardeeren voorschriften, als hij eenmaal oud genoeg zal geworden zijn om ze te begrijpen. Het komt me voor, dat het door u opgeworpen bezwaar uit den weg te ruimen is. Ik ken een zeer achtenswaardig kostschoolhouder, die geen gebruik maakt van de gard—ten overvloede zal ik er hem uitdrukkelijk over schrijven—en als de jongen dan gevrijwaard is voor het gevaar, waarmee de te groote toegeeflijkheid van mevrouw hem bedreigt, zal hij binnen kort rijp zijn om onder uw meer gewichtige leiding te komen.”
“Wat gij daar zegt, dokter,” antwoordde meneer Rustig na een poos, “verdient, dunkt me, alle aandacht. Ik heb heel goed opgemerkt, dat de onzinnige toegeeflijkheid mijner vrouw den jongen ongezeggelijk heeft gemaakt, zoodat hij me tegenwoordig niet wil gehoorzamen, en als uw vriend geen gebruik maakt van de gard, denk ik er ernstig over hem mijn Jack te zenden, om hem de eerste gronden te leeren.”
De dokter had het pleit gewonnen door den wijsgeer te vleien.
Den volgenden dag kwam hij terug met een brief van den paedagoog, waarin deze met verontwaardiging sprak over het gebruiken van de gard, en meneer Rustig deelde nu onder het theedrinken aan zijn vrouw mede, welke plannen hij ten oprichte van zijn zoon Jack had. Bladzijde 10
“Naar school? Jaapje naar school? de jongen is nog heelemaal een kind!”
“Alles goed en wel, beste, maar vergeet niet, dat hij zeven jaar is en ’t dus hoog tijd wordt, dat hij leert lezen.”
“O, lezen kan hij al; ja, ja, dat heb ik hem zelf geleerd. Niet waar, Saartje?”
“Gunst ja, mevrouw, eergisteren heeft hij nog de letters opgezegd.”
“Maar, Rustig, wat heb je toch voor malligheid in je hoofd gehaald? Jaapjelief, kom eens hier als een brave jongen, zeg nu eens, wat is de letter A? Je hebt ’t van morgen nog in den tuin gezongen.”
“Suiker moet ik hebben!” antwoordde Jack, en reikte zoo ver mogelijk met zijn arm over tafel om bij den suikerpot te komen, wat hem niet gelukte.
“Nu ja, lievert, je zult een groote klont hebben, als je eerst maar zegt wat de letter A is.”
“A is een aapje, dat eet uit zijn poot,” antwoordde Jack op een vervelenden dreun.
“Zie je nu wel, Rustig; en zoo kent hij het geheele alphabet—is ’t niet, Saar?”
“Dat kan hij, de zoete jongen,—kun je niet, Jaapjelief?”
“Nee!” antwoordde Jaapje.
“Ja, ja, je kunt ’t wel, mijn hartje, je weet best wat de letter B is. Weet je ’t niet?”
“Jawel,” antwoordde Jaapje.
“Daar nu, Rustig, je ziet wat de jongen al kent, en hoe gehoorzaam hij is bovendien. Kom, Jaapjelief, zeg nu eens, wat is de letter B?”
“Nee ik wil niet,” antwoordde Jaapje. “Ik moet nog meer suiker hebben!” En Jaapje, die op een stoel geklommen was, ging nu met zijn geheele lijf over tafel hangen om bij den pot te komen.
“Mijn hemel! Saar, houd hem tegen, hij zal den theepot nog omgooien!” riep mevrouw Rustig. Saar pakte Jaapje beet om hem terug te trekken, maar, op die tusschenkomst niet gesteld, draaide de bengel zich om, zoodat hij met zijn rug op tafel kwam te liggen, en schopte Saar in het gezicht, juist toen ze een tweede greep naar hem wilde doen. Van den weeromstuit gleed Jaapje een eind over de gladde tafel en kwam met zijn hoofd tegen de theepot terecht. Wel greep mevrouw er schielijk naar, maar toch kreeg haar man een flinken scheut van het kokende vocht over zijn beenen; zoodat hij opsprong en al stampvoetend alles behalve wijsgeerig uitviel. Intusschen hadden Saar en mevrouw Jaapje verwijderd en susten hem Bladzijde 11om het zeerst met zoete woordjes van beklag. De pijn der brandwonden en de omstandigheid, dat men volstrekt niet naar hem omzag, brachten meneer Rustig in een bui van woede. Hij rukte Jaapje uit de armen der vrouwen, en in ’t minst niet denkend aan zijn gelijkheid en zijn rechten van den mensch, sloeg hij er zonder genade op los. Saar vloog tusschenbeide en liep een veeg op, die haar duizende sterretjes voor de oogen tooverde en over de vloer deed tuimelen. Mevrouw kreeg ’t op haar zenuwen en Jaapje zette een keel op, dat men hem wel een kwartier ver kon hooren.
Hoe lang meneer Rustig aan ’t ranselen gebleven zou zijn, valt moeilijk te zeggen; maar de deur ging open, en toen de man onder de strafoefening even opkeek, zag hij dokter Middleton in stomme verbazing staan. Hij had beloofd op de thee te zullen komen, en zoo noodig meneer Rustig een handje te helpen om mevrouw met diens plannen te doen instemmen; maar blijkens vond hij, dat meneer bij het betoog, dat hij op dit oogenblik hield, volstrekt geen hulp behoefde. Bij het binnentreden van dokter Middleton werd Jaapje evenwel losgelaten en bleef al schreeuwend op den grond liggen; ook Saar, mevrouw en de theepot lagen over den vloer, en al was meneer overeind gebleven, staan kon hij toch niet, maar sprong aanhoudend van het eene been op het andere.
Nooit kwam een geneesheer beter van pas. Meneer Rustig was eerst stellig van die meening, maar zijn beenen begonnen zoo hevig pijn te doen, tot hij weldra tot andere gedachten kwam.
Zooals de hoffelijkheid meebracht, tilde dokter Middleton eerst mevrouw van den grond en vlijde haar neer op de sofa. Saar sprong overeind, greep Jaapje op en droeg den luid schreeuwenden, om zich heen schoppenden bengel de kamer uit; voor welken bewezen dienst zij verscheidene beten kreeg. De huisknecht, die den dokter aangediend had, raapte den theepot op, als zijnde dat voorwerp het eenige waarmee hij krachtens zijn betrekking te maken had. Meneer Rustig wierp zich al hijgend en kreunend op een tweede sofa en dokter Middleton wist letterlijk niet wat hij doen moest. Hij zag, dat meneer zijn hulp noodig had en dat mevrouw die best kon missen; maar zich af te maken van een dame die elk oogenblik dreigde te bezwijmen, was lang niet gemakkelijk; want telkens als hij van haar vandaan wilde gaan, begon zij vervaarlijk om zich heen te slaan en te gillen. Eindelijk gelukte het den dokter een ruk aan den schel te geven, wat den huisknecht deed verschijnen, die nu de meiden riep om mevrouw naar boven te dragen. Zoo kreeg onze aesculaap ten laatste de handen vrij, om zich te bemoeien met den eenigen patiënt, die werkelijk zijn hulp behoefde. Meneer Rustig gaf Bladzijde 12met een paar woorden, telkens afgebroken door uitroepen van pijn, opheldering van het voorgevallene en intusschen was de dokter bezig hem de kousen uit te trekken. De behandeling van den geneesheer gaf den gewonde spoedig leniging van pijn. Maar wat hem vrij wat meer hinderde dan de brandwonden aan zijn beenen, was de omstandigheid, dat dokter Middleton er getuige van was geweest, hoe hij inbreuk had gemaakt op de gelijkheid en de rechten van den mensch. De geneesheer, wien dit niet ontging, wist ook op deze wonde een pleister te leggen.
“Mijn waarde meneer Rustig, ik betreur zeer het ongeval, dat gij aan de dwaze toegeeflijkheid van mevrouw tegenover den jongen te danken hebt; maar toch doet het me genoegen, dat gij zulk een juist begrip toont te hebben van Salomo’s uitspraak: ‘Wie de roede spaart, bederft het kind.’ Hiermede geeft de wijze koning te kennen, dat het de plicht van een vader is zijn kinderen te kastijden, wat volstrekt niet in tegenspraak komt met de rechten van den mensch of met eenige natuurlijke gelijkheid, want de zoon is een deel des vaders, zoodat deze eigenlijk slechts zichzelven kastijdt. Het bewijs daarvan is hierin gelegen, dat een vader bij het bestraffen van zijn zoon evenveel smart gevoelt alsof hij zelf de straf onderging. De geheele zaak komt dus op zelfkastijding neer.”
“Ik denk er precies zoo over,” antwoordde meneer Rustig, blij dat de dokter hem zoo netjes uit het nauw had geholpen. “Maar—morgen moet hij op school, daar helpt niets aan.”
“Dat zal hij aan mevrouw te danken hebben,” hernam de dokter.
“Juist.—O dokter, mijn beenen beginnen weer zoo vreeselijk te gloeien en te steken.”
“Maar voortdurend nat houden met azijn en water, meneer, tot ik u een zalfje zend, dat onmiddelijk verlichting zal schenken. Morgen kom ik nog eens aan. A propos, een van de leerlingen van meneer Bonnycastle is onder mijn behandeling; als ik er u genoegen mee kan doen, wil ik uw zoon gaarne meenemen.”
“O, dat zou me veel pleizier doen, dokter,” antwoordde meneer Rustig.
“Welnu, mijn waarde, ik zal nog even naar boven gaan, om te zien hoe ’t met mevrouw gesteld is, en morgen tegen tienen ben ik weer hier. Ik heb dan een uur den tijd. Goedenavond meneer Rustig.”
“Goedenavond, dokter.”
De dokter moest nu nog mevrouw zien te winnen. Hij stelde het ongeval, dat meneer getroffen had, veel erger voor dan het was, maakte grooten ophef van diens verbolgenheid en raadde haar ten sterkste maar stil te zwijgen, tot hij weer geheel tot bedaren zou zijn gekomen. Bladzijde 13
Jaapje wordt op kostschool gelegd, waar hij een toontje lager leert zingen.
Den volgenden dag hamerde dokter Middleton nog eens op hetzelfde aanbeeld en in weerwil van Sara’s weeklachten en de tranen van mevrouw, die geen enkel woord in het midden durfde brengen, in weerwil van den heftigen tegenstand van Jaapje zelf, die een soort van voorgevoel scheen te hebben van wat hem boven het hoofd hing, werd onze held in dokter Middleton’s koetsje gestopt. Wel trapte hij onder de bedrijven een ruit van het portierraampje in, maar de dokter, die den jongen nu geheel in zijn macht had, wiesch hem daarvoor eens duchtig de ooren. Zonder verder ongeval bereikte men weldra het huis van meneer Bonnycastle, en Jaapje werd door den knecht van den dokter naar de spreekkamer gedragen en in een stoel neergekwakt. Nauwelijks was de man den bengel kwijt, of hij bekeek eerst zijn handen, die op verschillende plaatsen bloedden, en wierp vervolgens met op elkaar geklemde tanden en saamgeknepen lippen een blik op Jack, als wilde hij zeggen: “Als ik maar dorst, dan zou ik je wel leeren!” Daarna verliet hij de kamer en begaf zich weer naar de voordeur, waar hij zijn toegetakelde handen aan den koetsier liet zien, die er van zijn bok een meewarigen blik op wierp en volkomen instemde met de verontwaardiging van zijn kameraad.
Maar we moeten weer naar de spreekkamer. Dokter Middleton neusde in een krant, terwijl Jack heel in elkaar gedoken op zijn stoel zat, met zijn voeten op de bovenste sport, zoodat zijn neus bijna zijn knieën raakte. Waarlijk een veelbelovend leerling, die Jack.
Meneer Bonnycastle trad binnen. Hij was een slank, flink gebouwd man, van een gunstig voorkomen; bij zijn netjes gepoederd haar droeg hij een deftig zwart pak, waartegen zijn keurig linnengoed helder afstak. Als hij glimlachte, vertoonde zich een rij hagelwitte tanden en zijn zachtblauwe oogen getuigden van de grootste welwillendheid. Dat was eerst het ideaal van een onderwijzer, en onmogelijk kon iemand hem aanzien en naar zijn zoet vleiende, aangename stem luisteren, zonder al zijn zonen onder ’s mans hoede te wenschen. Hij was een kundig en degelijk man, aan wiens zorgen, op het oogenblik waarvan wij spreken, meer dan honderd jongens waren toevertrouwd. Hij stond bekend als een uitstekend opvoeder en velen Bladzijde 14van zijn leerlingen hadden het tot hooge ambten en betrekkingen gebracht en zich daarin gunstig onderscheiden.
Dokter Middleton, die met meneer Bonnycastle op zeer vertrouwelijken voet stond, rees bij diens binnentreden op en zij schudden elkaar de hand. Middleton wendde zich vervolgens in de richting waar Jack zat en met den vinger naar hem wijzende, zei hij: “Zie me dat daar nu eens.”
Bonnycastle glimlachte. “Ik kan niet zeggen, dat ik er erger gehad heb, maar toch wel van hetzelfde slag. Ik zal echter spoedig genoeg wat leven brengen in dien vormeloozen klomp. Komaan, Middleton, ga nu eens zitten.”
“Maar Bonnycastle,” zei de dokter, toen hij zijn plaats weer ingenomen had, “je moest me toch eens zeggen, hoe het mogelijk is zoo’n bengel in zijn fatsoen te krijgen, zonder de toevlucht te nemen tot de gard.”
“Van het gebruik der gard verwacht ik niet de minste vrucht en daarom pas ik ze ook niet toe. Ik heb zelf te Harrow school gelegen en was toen een hachje. Evenals de meeste jongens werd ik nog al eens uit de bank geroepen en ik herinner me zeer goed, dat ik spoedig om een bestraffing met de gard niets gaf. Ik was er tegen gehard geraakt. Die wijze van straffen laat niets achter, dat de herinnering er aan levendig houdt.”
“Dat had ik me geheel anders voorgesteld.”
“Mijn waarde Middleton, met éénmaal den stok te gebruiken werk ik meer uit dan door twintig bestraffingen met de gard. Ga maar eens na, de gard treft alleen de minst gevoelige plek; maar de stok komt overal neer, van het hoofd tot de voeten. Zoodra de eerste tinteling, door de gard teweeggebracht, over is, volgt er een verdooving van het gevoel in het getroffen lichaamsdeel, en de pijn heeft dan verder niets te beteekenen; een flink pak met den stok daarentegen laat hevige pijnen en kneuzingen achter op allerlei lichaamsdeelen, die bij spierbewegingen dienst moeten doen. Na een kastijding met de gard kan een jongen best meeravotten in de speeluren, maar na een duchtig pak met den stok is ’t heel wat anders; dagen lang kan hij geen lid verroeren zonder door de pijn herinnerd te worden aan de straf, die hij heeft ondergaan, en hij past wel degelijk op, dat hij niet voor de tweede maal uit de bank wordt geroepen.”
“Beste vriend, ik verkeerde werkelijk in de meening, dat ge uitermate zachtzinnig waart,” antwoordde Middleton lachend, “maar het doet me pleizier, dat ik me vergist heb.”
“Zie me daar nu zoo’n figuur eens zitten dokter, ’t heeft meer van een stom dier dan van een redelijk wezen; zoudt ge soms Bladzijde 15denken, dat het ooit gelukken kon daar zonder krasse maatregelen eenig fatsoen in te brengen? Laat ik u tevens zeggen, dat ik mijn stelregel als verreweg de beste beschouw. Op sommige scholen zijn de straffen zoo licht, dat de jongens er eenvoudig niets om geven; bij mij echter mag elke bestraffing waarlijk dien naam dragen en het gevolg is, dat het toepassen er van maar hoogst zelden noodig is.”
“Gij brengt er dus den schrik in, Bonnycastle.”
“De twee machtigste drijfveeren in ons zijn vrees en liefde. In theorie is het veel mooier op de laatste te werken; maar in de praktijk heb ik er nooit de gewenschte uitkomsten van gezien,—en dat ligt eenvoudig hieraan, dat onze eigenliefde sterker is dan onze liefde tot anderen. In de uitwerking van de vrees daarentegen heb ik me nog nooit bedrogen, en alweer om dezelfde reden; immers door vrees werken we op de eigenliefde en anders niet.”
“Toch zijn er velen, die beweren dat lichaamsstraffen verlagend werken en ze daarom van de scholen willen weren.”
“Och dokter, er zijn zoo’n boel gekken in de wereld.”
“Dat doet me denken aan den vader van dien jongen daar,” hernam dokter Middleton. En nu begon hij den opvoeder de dwaze denkbeelden van meneer Rustig te ontwikkelen en de omstandigheden mee te deelen, die tot het naar school zenden van Jack hadden geleid.
“Dan mag er geen oogenblik verzuimd worden, dokter. Ik moet dat jongemensch geheel onder den duim hebben, eer zijn ouders hem komen bezoeken. Reken er op, binnen een week zal hij zoo volgzaam zijn als een lammetje.”
Dokter Middleton nam nu afscheid van Jack en zei hem, dat hij maar goed moest oppassen. Jack verroerde geen vin en gaf geen antwoord.
“Stoor u daar maar niet aan, dokter, als ge weer eens komt zal hij wel beleefder wezen, reken daar gerust op.” En de dokter vertrok.
Ofschoon meneer Bonnycastle streng was, ging hij toch steeds met oordeel te werk. Op het bedrijven van een of ander kattekwaad volgde slechts geringe straf, zooals in school blijven tijdens de speeluren en dergelijke; ook kwam hij zelden tusschenbeiden als de jongens met elkaar vochten, ofschoon hij er een stokje voor stak als er een den baas wilde spelen. Waar het bij hem vooral op aankwam was attentie bij het werk. Spoedig was hij er achter, waartoe zijn leerlingen in staat waren; en naar die mate werden hun ook eischen gesteld; voor een luiaard, die wel kon maar niet woû, kende hij geen genade. Het gevolg er van was, dat hij de knapste Bladzijde 16jongens afleverde. Ook bleef hij in de behandeling zijner leerlingen zoo gelijkmatig en onveranderlijk, dat, al vreesden zij hem zoolang ze onder zijn toezicht stonden, toch allen, die zijn onderricht genoten hadden, veel van hem hielden en in hun later leven zijn vrienden bleven.
Meneer Bonnycastle zag terstond in, dat er met overreding bij onzen held niets te beginnen zou zijn, en dat vrees het eenige middel was om hem tot rede te brengen. Zoodra dus dokter Middleton de kamer verlaten had, sprak hij hem op gebiedenden toon toe: “Wel, jongen, hoe is je naam?”
Jack schrikte op; hij gluurde naar zijn meester, zag hoe diens oogen strak op hem gericht waren, en begreep uit de geheele houding van den man, dat er niet met hem te spotten viel. Jack was lang niet gek en ook de kastijding, die zijn vader hem had toegediend, deed hem wel een beetje huiveren voor hetgeen er komen zou. Dus vond hij ’t geraden zich tot een antwoord te verwaardigen en zei met zijn wijsvinger in den mond:
“Jaapie.”
“En hoe heet je verder?”
Jack, die al berouw scheen te hebben over zijn inschikkelijkheid, gaf eerst geen antwoord, maar keek meneer Bonnycastle weer even in het gezicht en vervolgens de kamer rond: er was niemand die hem helpen kon, en zelf wist hij ook geen raad, daarom antwoordde hij maar: “Rustig.”
“Weet je, waarom je naar school bent gezonden?”
“Omdat ik vader gebrand heb.”
“Neen, je bent hierheen gezonden om te leeren lezen en schrijven.”
“Ik wil niet leeren lezen en schrijven,” antwoordde Jack druilig.
“Dat zul je toch; en je begint nu maar eens dadelijk de letters op te noemen.”
Jack zei niets. Meneer Bonnycastle opende een soort van boekenkast en gunde ons verbaasde Jaapje een kijkje op een reeks van stokken, die evenals biljart-queues netjes op een rij stonden.
“Weet je waar die voor dienen?”
Met een benauwd gezicht tuurde Jack er naar; hij had een flauw besef, dat hij er stellig nader kennis mee zou maken, maar antwoorden deed hij niet.
“Ze dienen om kleine jongens te leeren lezen en schrijven, en nu zal ik eens met dat onderricht beginnen. Je zult wel spoedig leeren. Kijk eens hier,” vervolgde meneer Bonnycastle terwijl hij een boek met groote letters opensloeg en aan het begin van een hoofdstuk op een letter wees van wel een halven duim groot. Bladzijde 17
“Zie je die letter?”
“Ja,” antwoordde Jaapje, wendde zijn oogen af en wriemelde met zijn vingers.
“Nu, dat is de letter B. Zie je ’t? Kijk er nu goed naar, opdat je ’t straks ook weet. Dat is de letter B. Zeg me nu eens, welke letter is ’t?”
Jack besloot nu koppig te wezen, en gaf geen antwoord.
“Je weet ’t dus niet? Welnu, dan zullen we eens zien, wat een van deze kleine vrienden er van weet te maken,” zei meneer Bonnycastle en kreeg een stok. “Let wel, Jaapje, dat is de letter B. Nu, hoe heet die letter? Antwoord me onmiddellijk.”
“Ik wil niet leeren lezen en schrijven.”
Flap! kwam de stok neer op de schouders van Jaapje, die een luiden schreeuw liet en ineenkromp van de pijn.
Meneer Bonnycastle wachtte een paar seconden. “Dat is de letter B. Zeg me nu eens onmiddellijk, ventje, hoe heet die letter?”
“Ik zal ’t aan ma zeggen!”—Flap!—“O jé! o jé!”
“Hoe heet die letter?”
Met open mond, hijgend en terwijl de tranen hem langs de wangen biggelden, riep Jaapje nijdig uit. “Houd op! Ik zal ’t aan Saar zeggen!”
Flap! ging ’t opnieuw en Jaapje gilde ’t weer uit.
“Hoe heet die letter?”
“Ik zeg ’t niet,” griende Jaapje; “ik zeg ’t niet—ik doe ’t niet.”
Flap—flap—flap! en daarop volgde een poos stilte. “Ik heb je zooeven gezegd, dat ’t de letter B is. Hoe heet nu die letter? Zeg ’t zonder dralen.”
Bij wijze van antwoord deed Jaapje een greep naar den stok. Au! daar had hij ’m, welzeker, maar niet precies zooals hij ’t gewild had. Jaapje greep nu het boek en smeet het in een hoek van de kamer. Flap, flap! Jaapje trachtte meneer Bonnycastle te bijten. Flap, flap, flap, flap! en Jaapje viel op het vloerkleed en brulde van de pijn. Meneer Bonnycastle liet hem toen een poos ongemoeid om hem gelegenheid te geven weer op zijn verhaal te komen.
Toen eindelijk het gegil van Jaapje in een zacht snikken overgegaan was, zei meneer Bonnycastle tot hem: “Je zult nu wel begrepen hebben, Jaapje, dat het geraden is te doen wat ik je vraag, want dat er anders klappen vallen. Kom, sta eens gauw op. Versta je me niet?”
Eer Jaapje het zelf wist, stond hij weer op zijn beenen.
“Zoo, dat is eerst een brave jongen; je ziet nu wel, dat je geen Bladzijde 18slaag krijgt, als je maar doet wat ik je vraag. Komaan, Jaapje, je moest het boek eens gaan oprapen, dat je daar ginds neergesmeten hebt. Gauw hoor, breng ’t onmiddellijk hier!”
Jaapje wierp een steelschen blik naar meneer Bonnycastle en naar den stok. Al had hij ook nog zooveel lust om te weigeren, hij raapte het boek op en lei het op tafel.
“Goed zoo, mijn jongen; nu zullen we de letter B eens opzoeken. Hier is ze: wel, Jaapje, hoe heet die letter nu?”
Geen antwoord.
“Zeg ’t me terstond,” zei meneer Bonnycastle en hief den stok hoog op. Die aanmaning was Jaapje te machtig. Hij gluurde angstig naar den stok; ze kwam in beweging en daalde al. Buiten adem schreeuwde hij haastig: “B!”
“Juist zoo, Jaapje, heel goed. De eerste les is nu afgeloopen, en je gaat thans naar bed. Je hebt meer geleerd dan je zelf vermoedt. Morgen beginnen we opnieuw. We zullen den stok nu maar wegzetten.”
Meneer Bonnycastle schelde en gaf last, dat men den jongenheer Jack naar bed zou brengen, en wel in een afzonderlijk kamertje. Avondeten mocht hij niet hebben, want een beetje honger zou morgen het leeren des te gemakkelijker maken. Alleen met pijn en honger kan men wilde dieren temmen, en dezelfde middelen moeten toegepast worden tot het onderdrukken van die hartstochten in den mensch, waardoor hij aan een redeloos dier gelijk wordt. Jaapje werd naar bed gebracht, ofschoon het pas zes uur was. Hij leed niet enkel pijn, maar ook zijn hoofd was geheel in de war; en geen wonder, al zijn leven had men hem zijn eigen zin laten volgen en tot op gisteren had hij nooit eenige kastijding ondergaan. Na al de liefkoozingen van zijn moeder en van Saar, die hij nooit naar waarde had weten te schatten—na het dagelijksch zich volstoppen en maar dooreten tot hij er van begon te walgen, zag hij zich nu ineens zonder moeder, zonder Saar, zonder avondmaaltijd, overdekt met builen, en, wat nog het ergst van alles was, zonder dat hij zijn eigen zin kon volgen.
Geen wonder dus dat Jaapje niet goed wist hoe hij ’t had; ineens was hij gedwee geworden en meneer Bonnycastle had volkomen gelijk, toen hij tot hem zei, dat hij al meer geleerd had, dan hij zelf vermoedde. Wat zou mevrouw Rustig wel gezegd hebben als ze alles geweten had—en Saar? En meneer Rustig, met zijn rechten van den mensch? Terzelfder tijd dat bij Jaapje het duiveltje der koppigheid uitgedreven werd, zaten zij zich te troosten met het denkbeeld, dat er in elk geval op de school van meneer Bonnycastle Bladzijde 19niet van de gard gebruik werd gemaakt, en zij verloren geheel uit het oog, dat evengoed als men een hond nog wel op een andere wijze van kant kan maken dan door hem te verdrinken, er ook verschillende manieren bestaan om jongens te kastijden. Gelukkig in hun onwetendheid, sliepen allen rustig in zonder er in ’t minst van te droomen, dat Jaapje al genoeg kennis had opgedaan om een vrij voldoend begrip te hebben omtrent het geheim van den stok. Wat Jaapje zelf betrof, hij schreide zich in slaap, minstens zes uren vroeger dan zij.
Jack neemt de proef van zijns vaders grondbeginselen en komt ten slotte dicht bij de waarheid.
Den volgenden morgen was Jack niet alleen erg pijnlijk, maar ook vrij hongerig, en toen meneer Bonnycastle hem mededeelde, dat hem in plaats van een ontbijt een vernieuwde kennismaking met den stok te wachten stond, toonde Jaapje zich verstandig genoeg om het heele alphabet op te zeggen. Hiervoor werd hij zeer geprezen, en al maakten de loftuitingen weinig indruk op hem, in elk geval was hij er toch oneindig veel liever van gediend dan van een dracht slagen. Meneer Bonnycastle zag in, dat hij met één uur van gestrengheid op zijn pas den jongen volkomen onder den duim had gekregen. Hij liet hem nu over aan de hulponderwijzers zijner school en daar ook deze gerechtigd waren tot het toedienen van een gevoelige aansporing, werd Jaapje al spoedig een handelbaar ventje.
Misschien denkt men dat zijn gemis thuis bijzonder sterk werd gevoeld, maar dat was niet het geval. Vooreerst had dokter Middleton er mevrouw Rustig nadrukkelijk op gewezen, dat op school de gard niet werd gebruikt, terwijl er alle kans bestond dat de bestraffing, die de jongen van zijn vader had ondergaan, nog wel eens zou herhaald worden—en in de tweede plaats, al meende mevrouw eerst, dat zij de scheiding van haar lieveling nooit zou kunnen overleven, spoedig begreep ze toch, dat zij zonder hem vrij wat gelukkiger was. Een bedorven kind is altijd een bron van kommer en verdriet, en na Jaapje’s vertrek genoot mama eerst de rust en de kalmte, waarop zij zoo bijzonder gesteld was. Langzamerhand Bladzijde 20ontwende zij van hem, en tevreden met nu en dan een bezoek aan de kostschool en met de rapporten van dokter Middleton, was zij er ten slotte geheel mee verzoend, dat de jongen school lag en enkel in de vacantie thuis kwam. Jack maakte groote vorderingen; hij had heel veel aanleg en als zijn vader den dokter ontmoette, wreef hij in de handen en zei: “Ja, laat ze hem nog maar een jaartje of twee houden, dan zal ik er zelf wel de laatste hand aan leggen.” Elke vacantie had hij gepoogd Jaapje de gelijke rechten van den mensch in te prenten. De jongen scheen erg weinig te letten op vaders betoogen, maar gaf toch duidelijk blijk, dat al die wijsheid niet geheel aan hem verspild was, want zonder vragen eigende hij zich alles toe waar hij lust in had. Onder deze manier van opvoeden bereikte onze held zijn veertiende jaar en was toen een flinke, ferme jongen en lang niet op zijn mondje gevallen—ja als ’t er op aan kwam, kon hij zelfs zijn vader van z’n stoel praten.
In niets had meneer Rustig zooveel plezier als in Jack’s welbespraaktheid. “Goed zoo, mijn jongen, altijd maar redeneeren en de zaken duidelijk uiteenzetten,” zei hij gewoonlijk, als Jack met zijn moeder aan het redetwisten was. En in zijn handen wrijvend keerde hij zich dan tot den dokter met de opmerking: “Let eens op, Jack zal nog een groot man worden, een zeer groot man.” Meestal riep hij dan Jack bij zich en gaf hem een goudstuk voor zijn knapheid, zoodat zoonlief weldra zelden een gelegenheid liet ontglippen om aan ’t redeneeren te slaan. Tegenover meneer Bonnycastle hield hij zijn praatjes stilletjes voor zich, want hij wist maar al te goed, dat diens bewijsgronden hem te sterk waren. Wel echter redetwistte hij met al de jongens, wat gewoonlijk op een kloppartij uitdraaide; soms zelfs nam hij het op tegen de hulponderwijzers.
Toen nu de groote zomervacantie aanbrak, had Jack zijn hoofd vol van allerlei betoogen en liet er zich niet weinig op voorstaan. Hij wist alles zoo haarfijn te beredeneeren en spon alles zoo breed uit, dat men ten slotte geheel van de wijs raakte en er eigenlijk niets meer van begreep.
Eens was Jack in de rivier gaan visschen, maar een heele morgen was voorbijgegaan en nog had hij niets gevangen. Daar viel zijn oog op den grooten vijver, die hem voorkwam nog al goed voorzien te zijn. Hij klom zonder complimenten over de heining van het buiten en lag zijn hengel in den vijver. Toen hij al verscheiden mooie visschen opgehaald had, werd hij aangeklampt door den eigenaar, die een paar parkopzichters bij zich had.
“Mag ik uw naam ook weten, jongeheer?” vroeg de eigenaar aan Jack. Bladzijde 21
Nu moet gezegd worden, dat Jack altijd even hoffelijk en beleefd was. Hij antwoordde dan ook:
“Met genoegen, meneer; ik heet Rustig, om u te dienen.”
“Gij schijnt ’t nog al luchtigjes op te nemen,” hernam het heerschap; “maar gij zult toch zeker wel begrijpen, dat ge u aan een overtreding schuldig maakt?”
“Over dat woord overtreding”, antwoordde Jack, “valt heel wat te redeneeren, meneer. Vooreerst wordt ’t gewoonlijk als een overtreding beschouwd, als iemand zonder verlof op een anders land of erf komt. Maar nu vraag ik u toch, meneer, is niet de aarde voor allen geschapen? Heeft een enkel bewoner er van, desnoods in vereeniging met anderen, wel het recht een gedeelte als zijn uitsluitend eigendom aan te merken? Me dunkt, ik stel de vraag nog al duidelijk. Laten we er nu eens over gaan redeneeren.”
De heer, door wien Jack aangesproken was, had wel eens over meneer Rustig en diens liefhebberij in het betoogen hooren praten; hij was een luimig man, die veel meer hield van lachen dan van zich boos te maken, en bovendien vond hij het noodig Jack te doen inzien, dat zijn begrippen onder de gegeven omstandigheden niet houdbaar waren.
“Maar, meneer Rustig, aangenomen al dat het betreden van mijn grond verschoonbaar is, dan zult ge toch niet willen beweren, dat gij recht hebt mijn visschen te vangen; ik heb ze gekocht, ze in den vijver gepoot en vervolgens steeds voedsel gegeven. Gij kunt toch niet ontkennen, dat die beesten mijn bijzonder eigendom zijn en dat het wegnemen er van diefstal is?”
“Daar valt nog heel wat op aan te merken, mijn waarde heer,” hernam Jack; “maar—met uw verlof, ik heb juist beet.” Jack sloeg “en fermen karper op, tot groote ergernis van de opzichters en tot vermaak van hun meester. Hij deed den visch van den angel, wierp hem in zijn mandje, vernieuwde doodbedaard het aas, en hervatte, terwijl hij weer inlei, het gesprek.
“Zooals ik u deed opmerken, mijn waarde heer, is dat voor heel wat weerlegging vatbaar. Alle schepselen der aarde werden den mensch gegeven tot zijn gebruik—met mensch wordt bedoeld de menschheid.—Ook het water is een gave des hemels en tot aller gebruik bestemd. Nu komen we tot de vraag, in hoe ver de visschen uw eigendom zijn. Als de visschen alleen voortteelden om u plezier te doen en u hun kroost ten geschenke te geven, dan zou ’t een heel ander geval zijn; maar nu dat zoo niet is, betwijfel ik zeer of gij kunt bewijzen, dat die visschen u meer toebehooren dan mij. Bovendien—maar daar heb ik weer beet—met uw verlof, meneer—ai, hij gaat er van door.— Bladzijde 22
“Dus zijt gij van meening, dat de wereld en al wat zij bevat voor allen geschapen is?”
“Juist, meneer; zoo denkt mijn vader er over, en die is een groot wijsgeer.”
“Maar waaruit verklaart uw vader dan, dat sommigen eigendommen bezitten en anderen weer niet?”
“Daaruit, dat de sterkeren de zwakkeren hebben beroofd.”
“Maar zou dat riet altijd het geval zijn, ook al konden we allen gelijke aanspraken doen gelden, zooals gij vooronderstelt? Laten we bijvoorbeeld eens aannemen dat twee menschen jacht maken op hetzelfde dier en het beiden te gelijker tijd machtig worden, zal dan niet de sterkste er mee naar huis gaan?”
“Dat stem ik toe, meneer?”
“Nu, waar blijft ge dan met uw gelijkheid?”
“Daaruit volgt nog niet, dat het de bedoeling niet is geweest de menschen gelijk te doen wezen; het bewijst enkel dat ze het niet zijn. Ook vervalt daarmede niet de bewering dat alles tot aller nut is geschapen, maar het toont alleen dat de sterke tegenover den zwakke zijn meerdere kracht doet gelden, wat zeer natuurlijk is.”
“Ei zoo, gij vindt dat dus zeer natuurlijk. Nu, meneer Rustig, ik bemerk tot mijn genoegen dat we het volkomen eens zijn, en we zullen dat wel blijven, vertrouw ik. Vergeet niet op te merken, dat ik en mijn twee opzichters er drie zijn, wij vormen dus de sterke partij in dit geval, en al nemen we nu uw stelling aan, dat de visschen evengoed u als mij toebehooren, toch maak ik nu gebruik van mijn meerdere kracht om opnieuw in het bezit er van te komen, wat, zooals gijzelf zegt, zeer natuurlijk is.—Jakob, pak die visschen op.”
“Met uw verlof.” viel Jack hem in de rede, “laten we dat eerst eens beredeneeren.”—
“Volstrekt niet; ik zal handelen volgens uw eigen stelregels—de visschen heb ik, maar ik verlang nog meer—die hengelroe is evengoed van mij als van u, en daar ik de sterkste ben eigen ik ze mij toe. Jakob, Willem, neem die hengelroe,—ze behoort ons.”
“U zult me toch eerst wel de opmerking veroorloven,” hernam Jack, “dat, al heb ik mijn meening te kennen gegeven, dat de aarde en de daarop levende dieren voor ons allen geschapen zijn, ik toch volstrekt niet beweerd heb, dat niet wat iemand zelf vervaardigt, zijn deugdelijk eigendom is.”
“Met uw verlof; de boom, waarvan gij die hengelroe gesneden hebt, was voor ons allen bestemd, en als gij goed gevonden hebt er een hengelroe van te maken, kan ik dat evenmin helpen als dat Bladzijde 23ik de visschen gevoed heb in de ondersteling dat ze mij toebehoorden. Daar alles gemeengoed is en het niet meer dan natuurlijk is dat de sterke van zijn kracht gebruik maakt tegenover den zwakke, moet ik me die hengelroe toeëigenen, tot ze me weer door een sterkere afhandig wordt gemaakt. Bovendien zal ik als de sterkere partij en als bezitter van dit land, dat volgens u niet meer aan mij dan aan u behoort, mijn opzichters last geven u van mijn grondgebied te verwijderen. Jakob, neem die hengelroe en zet meneer Rustig eventjes over de heining. Dag, meneer Rustig, goedenmorgen?”
“Meneer, ik vraag u wel verschooning, maar gij hebt al mijn bewijsgronden nog niet aangehoord,” begon Jack weer, die het volstrekt niet eens was met de gemaakte gevolgtrekkingen.
“Ik heb geen tijd om nog langer naar u te luisteren, meneer Rustig; goedenmorgen.” En de eigenaar vertrok en liet Jack in gezelschap van de twee opzichters achter.
“Ik zal je moeten lastig vallen om die hengelroe, heerschap, zei Willem. Jakob was intusschen druk bezig met de visschen een eind bies onder de kiewen door te halen.
“In elk geval zult gij toch naar rede hooren,” zei Jack. “Ik kan u bewijzen....”
“Nog nooit heb ik een goed bewijs gehoord, dat het stroopen geoorloofd is,” viel de opzichter hem in de rede.
“Je bent een onbeschaamde vlerk,” antwoordde Jack. “Door zulk slag van volk als jullie te betalen, zijn sommige menschen in staat allerlei ongerechtigheid te bedrijven.”
“Door ons te betalen weert men de stroopers—en al is er verschooning te vinden voor een armen drommel zonder werk, voor jou, die nog wel een heer wilt wezen, stellig niet.”
“Als we op zijn eigen praatjes afgaan, is hij geen steek meer dan wij.”
“Zwijg, kerel, ik zal me niet vernederen tegen jou te redeneeren; als ik dat wou, kon ik je gemakkelijk bewijzen, dat jullie een paar laaghartige slaven bent, die evenveel recht hebt op dit landgoed als je meester of ik.”
“Als jij, dat wil ik waarachtig wel gelooven.”
“Ja, als ik, vlegel; deze vijver en de visschen er in behooren evengoed aan mij als aan je meester, die ze zich wederrechtelijk beeft toegeëigend.”
“Wel, Jacob, wat zou je er van denken, als we dien jongenheer eens in het bezit stelden van zijn eigendom?” zei Willem met een knipoogje tot zijn kameraad.
Willem begreep den wenk en eensklaps werd Jack bij armen en beenen opgegrepen en in den vijver gesmeten. Na een flinke onderdompeling Bladzijde 24kwam hij weer boven en wist al snuivend en proestend weer naar den kant te scharrelen.
Intusschen verwijderden zich de opzichters onder luid gelach over de poets, die zij onzen held gespeeld hadden. Hengelroe, visch en blikken pierenbak namen ze mee.
“Er moet toch zeker,” dacht Jack, “aan die wijsbegeerte van vader iets niet in den haak zijn, of anders is de wereld al erg verdorven. Ik zal er eens met hem over spreken.”
Het antwoord, dat Jack op zijn vraag kreeg, luidde aldus:
“Ik heb je vroeger al eens gezegd, dat de groote waarheden nog niet genoeg ingang hebben gevonden; maar daaruit volgt volstrekt niet dat ze minder deugdelijk zijn. We leven in de ijzeren eeuw, waarin macht voor recht wordt gehouden, maar er zal een tijd komen dat mijne stellingen worden erkend, en dan zal je vaders naam beroemder worden dan die van eenig wijsgeer der oudheid. Denk er om, Jack, al heb je bij de bestrijding van het verkeerde en het verdedigen der rechten van den mensch nog zooveel te lijden, toch moet je volharden in je plicht, en nooit het pleit gewonnen geven.”
“Dat nooit,” antwoordde Jack; “maar als ik weer eens aan ’t betoogen ga, zal ik zien de macht op mijn zijde te krijgen en liefst een plek uitzoeken, wat minder dicht bij een vijver.”
“Mij dunkt toch,” zei mevrouw Rustig, die stil toegeluisterd had, “dat Jack maar liever in de rivier moest gaan visschen; al vangt hij er weinig, in elk geval zal hij dan niet in het water geworpen worden en op die manier zijn kleeren bederven.”
Maar mevrouw Rustig was geen wijsgeer.

Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde.
Eenige dagen later kreeg Jack op een mooien morgen aan den anderen kant van een heining, een appelboom met verlokkende vruchten in het oog. Onmiddelijk kroop hij door de heining, klom in den boom, zocht de lekkerste appels uit en ging zitten eten.
“Heila mannetje, wat doe je daar?” riep een barsche stem.
Jack keek naar omlaag en zag beneden een stevigen boer staan.
“Wat ik hier doe, kunt ge, dunkt me, wel zien,” antwoordde Jack; “ik ben aan ’t appels eten—zal ik er u ook een paar toegooien?”
“Dank je vriendelijk, hoe minder er afgeplukt worden hoe beter, maar denk je soms, dat ze jou toebehooren, dat je er zoo vrijgevig mee bent?”
“Ze behooren mij evengoed als u, waarde vriend.”
“Dat zul je toch wel mis hebben, ventje; die appels zijn van mij, en ik raad je om maar drommels gauw uit den boom te komen. Bladzijde 25Als je beneden, bent kunnen we er verder over praten, en je zult dan ruimschoots je deel hebben, voegde hij er bij met een veelbelovende beweging van zijn dikken stok.”
Dit deed Jack niet veel goeds verwachten.
“Mijn beste man,” zei hij, “’t is bepaald een vooroordeel van u, te meenen dat appels niet, evengoed als ander fruit, ten nutte van ons allen gegeven zijn—ze zijn algemeen eigendom, geloof me toch.”
Dat mag jij misschien meenen, kereltje, maar ik denk er heel anders over. Ik heb er al lang op geloerd, wie toch mijn appels stal, en nu ik een van de dieven gesnapt heb, zal hij er niet zonder een behoorlijke kastijding afkomen. Er uit dus, jou kleine rakker, en gauw wat ook, of anders zal ’t slecht met je afloopen.”
“Dank u wel,” zei Jack, “ik zit hier heel best. Maar, als u ’t goed vindt, wil ik gaarne het geval met u nader beredeneeren.”
“Daar heb ik geen tijd voor; ik heb nog heel wat te doen, maar je hoeft niet te denken, dat ik je zal laten ontsnappen. Heb je geen lust om naar beneden te komen, welnu, dan blijf je maar stilletjes boven, maar ik verzeker je, dat ik je na afloop van mijn werk hier nog goed en wel vinden zal.”
“Wat aan te vangen met iemand die naar geen redeneering wil luisteren?” dacht Jack. “Wat een verdorven wereld toch! Maar dat weet ik wel, als hij terugkomt, zal hij me hier niet vinden.”
Daarin vergiste Jack zich echter. De boer deed een paar stappen naar de heining, riep een jongen wat toe en deze ijlde naar de hofstede. Eenige oogenblikken later zag men een groote bulhond door den boomgaard heen op zijn meester losstuiven. “Pas op, Caesar,” zei de boer tot de hond, “pas op!” De hond vleide zich neer op het gras, gluurde met opgeheven kop onafgewend naar Jack en liet daarbij een paar rijen tanden zien, die onzen held voor het oogenblik al zijn wijsgeerige denkbeelden deden vergeten.
“Al kan ik niet wachten, Caesar wel, en ik verzeker je in gemoede dat er geen stuk van je heel blijft, als hij je bij de kladden krijgt. Als ik met mijn werk klaar ben, kom ik terug.” Dit zeggende verwijderde zich den boer en liet het aan Jack en aan den hond over om de kwestie uit te maken, als ze er lust in hadden.
Na een poos liet de hond zijn kop zakken en sloot de oogen, alsof hij sliep, maar niet zoodra bewoog Jack zich even, of een er van werd een weinig geopend. Jack vond het dus maar geraden om te blijven waar hij was. Hij plukte nog een paar appels, want ’t was tijd voor het middagmaal, en begon al etende te overpeinzen.
Nog niet lang was hij daarmee bezig, toen hij gestoord werd Bladzijde 26door een stier, die al brullende den boomgaard doorrende en op het gezicht van Caesar den kop naar omlaag boog. Caesar vloog overeind en vatte den stier in het oog, die met zijn staart in de lucht op hem losstoof. Vlakbij gekomen deed de stier een aanval op den hond; maar deze ontweek den stoot en vloog op zijn beurt op zijn tegenstander aan. Deze schermutseling duurde voort, tot de vechtende partijen een heel eind van den appelboom verwijderd waren geraakt. Jack dacht nu zijn kans waar te nemen om te ontsnappen, maar ongelukkig werd het gevecht juist gevoerd aan dien kant van den boomgaard waar de heining was, die Jack weer over moest. Dat hindert niet, dacht onze held, dan neem ik den anderen kant maar, al moet ik dicht langs den boerenwoning, er valt nu eenmaal niet te kiezen. Terwijl Jack zich uit den boom liet zakken, hoorde hij opeens een vervaarlijk gebrul; de hond was door den stier op de horens genomen en in de lucht geslingerd, en Jack zag hem aan den overkant der heining neersmakken; het gebrul was de zegekreet van den overwinnaar. Toen Jack nu bemerkte dat hij van zijn bewaker verlost was liet hij zich in een wip verder naar omlaag glijden en zette het op een loopen. Ongelukkig kreeg de stier hem in het oog en stoof in den zwijmel der overwinning met een vernieuwd gebrul onzen vriend achterna. Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde, en de angst gaf hem vleugelen; hij vloog niet alleen door den boomgaard, maar ook over de heining, die bijna vijf voet hoog was en wel juist toen de stier er met zijn kop tegenaan rende. Kijk waar je loopt, leert een oud spreekwoord. Als Jack daarna gehandeld had, zou hij ’t er beter afgebracht hebben; maar nu er in dit geval nog al eenige verschooning voor hem kan ingebracht worden, zullen we enkel maar zeggen, dat hij zich aan den anderen kant van de heining in een kleinen bijenstal beland zag. Twee korven had hij in zijn vaart omgeworpen en eer hij goed en wel weer op de been was, waren de verontwaardigde bijen al druk bezig hem van alle kanten te steken. Het eenige wat Jack doen kon was weer aan den haal gaan, maar de bijen vlogen sneller dan hij loopen kon en de arme jongen was dol van de pijn, toen hij half verblind struikelde over het steenen ringmuurtje van een put. Zijn val in den put kon Jack niet stuiten, maar hij greep de ijzeren ketting, die hem in het gezicht sloeg. Het windas liep af—en daar ging ’t met de grootste snelheid naar beneden. Na een daling van een voet of veertig zat hij geheel onder water en had nu geen last meer van de bijen. Jack werkte zich aan den ketting, die geheel afgeloopen was weer wat omhoog en voelde nu iets tegen zijn beenen slingeren. Het was de emmer, die Bladzijde 27ongeveer twee voet onder water zat; Jack zette er zijn beenen in en voelde zich nu vrij behaaglijk; want na de steken der bijen en de verhitting van zijn wedloop met den stier, bracht het water hem een heerlijke verfrissching aan.
“In elk geval,” dacht Jack, “als de stier er niet geweest was, zou de hond op me zijn blijven passen en had ik later een pak ransel gekregen van den boer; maar aan den anderen kant zou ik, als de stier er niet geweest was, niet onder de bijen terecht zijn gekomen, en als de bijen er niet geweest waren, zou ik niet in den put getuimeld zijn; en als die ketting er niet geweest was, zou ik verdronken zijn. Wat een reeks van gebeurtenissen, enkel omdat ik lust had een appeltje te eten!”
“Hoe het zij, van den boer, den hond, den stier en de bijen ben ik af; maar hoe kom ik nu hier uit dezen put? Het schijnt wel, of de geheele schepping tegen de rechten van de mensch heeft samengespannen. Zooals mijn vader zegt, leven we in een ijzeren eeuw en hier hang ik nu te bengelen aan een ijzeren ketting.”
Jack begint vrij verstandig te overleggen, maar komt toch tot een erg onverstandig besluit.
Nadat Jack ongeveer een kwartier in zijn zonderlinge positie had doorgebracht, begonnen zijn tanden te klapperen en zijn lippen te trillen; hij voelde een dofheid in al zijn ledematen en achtte het hoog tijd om hulp te roepen. In het eerst durfde bij wel niet goed, uit vrees dat hij dan weer zou blootgesteld raken aan de verontwaardiging van den boer en diens gezin, maar hij kon hier toch niet blijven. Juist sperde Jack zijn mond open om een schreeuw te geven, toen er beweging in den ketting kwam en hij langzaam omhoog ging. Eerst hoorde hij klachten over de zwaarte van den emmer, wat hem volstrekt niet verwonderde; daarna hoorde hij gegrinnik en gelach van twee personen en weldra ging het vrij vlug naar boven. Ten slotte kwam zijn hoofd boven het lage muurtje uit en juist wilde hij zijn eene arm uitsteken om zich vast te grijpen, toen de twee aan het windas hem in de gaten kregen. Het waren een stevige boerenknecht en een meid. Bladzijde 28
“Dank u,” zei Jack.
Maar men moet nooit te vlug zijn met bedanken. De meid gaf een gil en liet den draaier los, de knecht schrikte en kon het windas ook niet meer houden; de draaier ontglipte aan zijn handen, sloeg hem tegen de kin, zoodat hij languit op den grond rolde en eer het “dank u” goed en wel over Jack’s lippen was gekomen, ging hij weer als een pijl uit den boog naar omlaag. Gelukkig had hij den ketting nog niet losgelaten, anders zou hij tegen den kant geslagen zijn en er stellig het hachje bij ingeschoten hebben; hij kwam er nu af met een tweede onderdompeling en bevond zich weldra weer in zijn vorigen toestand.
“Dat is me ook wat moois,” dacht Jack, terwijl hij zijn pet wat vaster op het hoofd drukte, “maar ze kunnen zich nu ten minste niet meer houden, alsof ze niet wisten dat ik hier was.”
Intusschen stoof de meid de keuken binnen, liet zich op een stoel vallen, maar gleed er onmiddellijk weer af en kwam terecht op eenige opgemaakte brooden, die nog gebakken moesten worden en op den grond bij het vuur gezet waren om wat te rijzen.
“Hemeltje lief! wat is er met Suze aan de hand?” riep de pachtersvrouw uit. “Heidaar,—Marie—Jan—waar zit je? Och, och, al mijn brooden zoo plat als een koek!”
Jan kwam spoedig daarop, met zijn hand aan zijn onderkaak. Hij zag er ontdaan en verschrikt uit, wat geen wonder was; want vooreerst dacht hij dat zijn onderkaak gebroken was en bovendien geloofde hij stellig en vast, dat hij den duivel gezien had.
“Goeie genadigheid! wat is er toch gaande!” riep de pachtersvrouw alweer. “Marie, Marie?” schreeuwde ze en begon nu zelf ook angstig te worden, want hoe ze ook alle krachten inspande, ze kon maar geen beweging krijgen in Suze, die als een klomp lood op haar bed van deeg lag. Marie gaf gehoor aan het luid geroep harer meesteres en met haar hulp gelukte het Suze van den grond te tillen; maar de brooden weer in hun fatsoen te brengen, daar was geen denken aan.
“Waarom help jij dan ook eens niet een handje, Jan? snauwde Marie hem toe.
“Au-au-au!” was al wat ze ten antwoord kreeg van Jan, die van dat helpen van Suze al plezier genoeg had gehad, en maar steeds zijn hand aan de wang hield.
“Wat is er toch te doen, vrouw?” riep de pachter onder het binnentreden. “Wel verdraaid, wat scheelt Suze toch? En wat scheelt jou?” vervolgde hij, zich nu tot Jan wendend. “Duivels, het schijnt wel dat de heele boel in de war loopt vandaag. Om te beginnen Bladzijde 29worden mijn appels gestolen—dan vind ik in den tuin al mijn bijenkorven omvergesmeten—de stier heeft Caesar leelijk toegetakeld, is vervolgens door de heining gebroken en daarna in den zaagkuil gevallen—en nu ik hier hulp kom halen om er hem weer uit te krijgen, vind ik de meid meer dood dan levend en Jan met een gezicht alsof de booze hem verschenen was.”
“Au-au-au!” antwoordde Jan met een veelbeteekend hoofdknikken.
“Je zoudt waarachtig gaan denken, dat de duivel vandaag losgebroken was. Wat is er toch, Jan? Heb jij hem soms gezien, of Suze?”
“Au-au!”
“Loop heen met je au! Met jou valt niets te beginnen. Is dat schepsel weer bij haar positieven gekomen!”
“Ja, ja, ze is weer beter.—Suze, wat is er gebeurd?”
“O, o, juffrouw! de put, de put.”—
“De put! Daar is ’t zeker niet in den haak; ik zal eens gauw gaan kijken.”
De boer haastte zich naar den put. Hij zag dat de emmer naar omlaag en de ketting geheel afgeloopen was; hij boog zich wat over den rand en keek in den put. Jack, die vrij ongeduldig geworden was en al telkens opgekeken had of er nog geen hulp kwam opdagen, zag nauwelijks het vollemaansgezicht van den boer of hij riep:
“Hier ben ik, haal me spoedig op, of ik zal ’t besterven.” Die bewering was niet zoo ver buiten de waarheid, want de jongen was doodaf, ofschoon hij nog altijd moed had gehouden.
“Verduiveld, daar is er eentje in den put gevallen!” riep de boer uit; “er komt vandaag geen eind aan de ongelukken. Ja, een christenmensch gaat toch altijd boven een stier; dus eerst hem uit den put gehaald en dan mijn beest uit den kuil geholpen.”
Fluks riep hij eenige arbeiders en nu zou het reddingswerk beginnen.
“Opgepast daar beneden, hou je stevig vast.”
“Ga je gang maar!” riep Jack.
Het windas werd in beweging gebracht en weldra kwam Jack opnieuw over den rand kijken. Een paar handen werden hem toegestoken en spoedig was hij uit zijn benarden toestand gered. Ze moesten hem echter languit op den grond leggen, want zijn krachten hadden hem begeven.
“Wel verdraaid! ’t is dezelfde jongen, die bezig was mijn appels te stelen,” riep de boer uit—“maar toch, het kapen van een paar appels mag hem den dood niet kosten; alloo, jongens, opgepakt Bladzijde 30en hem naar binnen gedragen—hij is heel verkleumd van de kou—en geen wonder.”
De pachter liep vooruit en zijn arbeiders droegen Jack in huis, waar hij een glas brandewijn te drinken kreeg. Dit wekte de levensgeesten weer op en spoedig was de jongen weer aardig opgeknapt.
Nadat Jack verteld had hoe alles zich had toegedragen, vroeg de boer hem, hoe hij heette.
“Mijn naam is Rustig,” antwoordde Jack.
“Hoe! ben je de zoon van meneer Rustig van Boschlust?”
“Ja.”
“Alle drommels! dat is mijn pachtheer, en wat een goede, hoor!—Waarom heb je dat niet gezegd, toen je in den appelboom zat? Voor mijn part hadt je dan den heelen boomgaard kunnen plunderen.”
“Beste vriend,” hernam Jack, die na een tweede glas brandewijn weer erg spraakzaam was geworden, “laat het u een les zijn, om voortaan altijd te luisteren, als iemand u iets uiteen wil zetten. Als gij maar geduld hadt gehad, zou ik u onweerlegbaar bewezen hebben, dat gij niet meer recht op die appels hebt dan ik; maar gij verkoost niet te luisteren naar mijn betoog, en zonder redeneering kunnen we nooit achter de waarheid komen. Gij hebt er uw hond bijgehaald en nu ligt hij met een opengescheurd lijf—uw stier heeft zijn poot gebroken in den zaagkuil—uw bijenkorven liggen overhoop, zoodat al de honig verloren is—uw knecht heeft zijn onderkaak gebroken—uw meid heeft al uw brood bedorven—en waarom? Enkel en alleen omdat gij mijn redeneering niet hebt willen aanhooren.”
“Ja, zie je, jongenheer, ’t mag waar zijn, dat al die ongelukken gebeurd zijn omdat ik u niet hebt laten uitpraten, maar als ik nu toch den boomgaard van uw vader gepacht heb, dan begrijp ik me niet, hoe gij me zoudt kunnen bewijzen dat de appels mij niet toebehooren. Maar al bekijken we het geval op uw manier, dan zie ik nog niet in, dat gij er zooveel beter af zijt gekomen: gij klimt in een boom om een paar appels, terwijl gij meer dan genoeg geld in uw zak heb om ze te koopen als ge er lust in hebt—een hond belet u weer naar beneden te komen—een stier gaat u bijna met zijn horens te lijf—de bijen steken u erbarmelijk en gij tuimelt in een put; ja, ’t is een duizend lukje, dat gij er het hachje niet bij ingeschoten hebt—en dat enkel om een paar appels, die nog geen dubbeltje waard zijn.”
“Dat is alles zeer waar, mijn goede man,” hervatte Jack, “maar gij vergeet, dat ik, als wijsgeer, bezig was met de rechten van den mensch te verdedigen.” Bladzijde 31
“Zoo? Ik heb nog nooit geweten, dat een jongen, die appels stal, een wijsgeer genoemd werd; wij noemen zoo eentje een kleine gauwdief. En wat die rechten van den mensch betreft, ik zie niet in hoe men die kan verdedigen door verkeerde dingen te doen.”
“Gij begrijpt niet hoe de zaak in elkaar zit, pachter.”
“Neen, dat doe ik ook niet—en ik ben te oud geworden om het nog te leeren, jongeheer. Al wat ik er van zeggen kan is dit, dat gij altijd welkom zijt in den boomgaard als ge lust hebt in een paar appels, en als gij, in de vooronderstelling dat gestolen vruchten het lekkerst smaken, ze liever wilt stelen, welnu, dan zal ik last geven, dat men u stil uw gang moet laten gaan. Maar, jongenheer, mijn sjees staat voor de deur en mijn knecht zal u naar huis rijden. Doe alsjeblieft mijn groeten aan uw vader en zeg hem, dat ’t me erg spijt, dat gij in onzen put zijt gevallen.”
Daar Jack op het oogenblik veel meer lust had om in zijn bed te kruipen dan om aan ’t betoogen te gaan, wenschte hij den pachter goedenavond, en liet zich naar huis rijden.
De pijn, die de steken der bijen hem veroorzaakten, was intusschen zoo hevig geworden, dat hij heel blij was dokter Middleton bij zijn vader en moeder aan de theetafel te vinden. Jack vertelde enkel, dat hij het ongeluk had gehad onder een zwerm bijen verzeild te raken en hevig gestoken was. Hij gaf aan het heele geval een anderen draai. Toen de dokter hem de pols voelde, bemerkte hij, dat de jongen een hevige koorts had, wat na al hetgeen er dien dag met hem gebeurd was, niet te verwonderen viel. Een week lang moest hij het bed houden, gedurende welken tijd hij allerlei dingen door zijn hoofd haalde en een plan maakte.
Maar we moeten een omstandigheid vermelden, die misschien wel de oorzaak was van Jack’s besluit. Toen hij op dien bewusten avond thuis kwam, trof hij er behalve dokter Middleton ook een zekeren kapitein Wilson aan, een verren neef die slechts zelden Boschlust bezocht, omdat hij nog al veraf woonde. Bovendien had de man vrij wat moeite om in het onderhoud van zijn groot gezin te voorzien, zoodat er van snoepreisjes niet veel sprake kon zijn. Het bezoek van kapitein Wilson gold thans een poging om van meneer Rustig geldelijken bijstand te krijgen. Hij was pas aangesteld als gezagvoerder over een oorlogschip, en daar zijn uitrusting nog al veel kostte, kon hij zijn vrouw geen voldoende som tot onderhoud van het gezin achterlaten. Daarom verzocht hij nu meneer Rustig hem eenige honderden guldens te leenen, die hij zoodra mogelijk zou terugbetalen. Meneer Rustig was er de man niet naar om zoo iets te weigeren en daar hij altijd een aanzienlijk bedrag bij zijn Bladzijde 32kassier had uitstaan, trok hij op dezen een wissel van duizend gulden en gaf dien aan kapitein Wilson, met de bijvoeging dat hij het bedrag maar terugbetalen moest, als het hem gelegen kwam. Juist was deze zaak bedisseld en kapitein Wilson weer met meneer Rustig in de huiskamer gekomen, toen Jack van zijn uitstapje terugkeerde.
Jack groette kapitein Wilson, dien hij sinds lang kende; maar, zooals wij reeds opmerkten, leed hij zooveel pijn, dat hij al spoedig zich met dokter Middleton verwijderde en naar bed ging.
Een week geeft heel wat gelegenheid tot overdenken, zelfs aan een jongen van veertien, al is die leeftijd niet bijzonder geneigd tot overpeinzingen. Maar Jack lag te bed; van de steken der bijen waren zijn oogleden zoo gezwollen, dat hij volstrekt niet lezen kon of zich op eenige wijze bezig houden waarbij zijn gezicht te pas kwam. Te luisteren naar het gebabbel van Saar, die hem oppaste, beviel hem ook niet erg; zoodat hij zich maar met zijn eigen gedachten den tijd zocht te verdrijven.
Nadat hij acht dagen te bed had gelegen, verscheen hij eindelijk weer in de huiskamer, en deed nu aan zijn vader een uitvoerig verhaal van de omstandigheden, die hem genoodzaakt hadden het bed te houden.
“Zie je wel, Jack”, antwoordde zijn vader, “’t is precies zooals ik je gezegd heb: de wereld is in merg en been verdorven door wat ze maatschappelijke instellingen gelieven te noemen, en ieder die zich tegen die ordeningen verzet, bemerkt telkens dat hij aan het kortste eindje trekt. Maar geen moed verloren, de waarheid moeten we blijven voorstaan, als zou ’t onze ondergang zijn.”
Alles goed en wel, papa, maar bij het betrachten van die wijsbegeerte ben ik nu, in den korten tijd van twee dagen, beroofd van de visschen, die ik gevangen had, en van hengelroe en tuig bovendien—ze hebben me in een vischvijver gegooid—een bulhond heeft me een doodsangst op het lijf gejaagd—’t scheelde niet veel of een stier had me gedood—bijen hebben me allerjammerlijkst toegetakeld, en tweemaal ben ik in een put gevallen. Als dat nu in twee dagen gebeurt, wat staat me dan niet in een heel jaar te wachten? Het lijkt me onverstandig hier nog verdere pogingen te doen, want het schijnt dat de menschen te land voor geen rede vatbaar zijn. Maar al is de grond ook zoo schandelijk onder weinigen verdeeld, het water is ten minste algemeen eigendom. Niemand maakt aanspraak op een deel er van, ieder kan het naar hartelust doorkruisen, zonder dat een ander dit als overtreding beschouwt. Alleen op zee denk ik de gelijkheid en de rechten van den mensch erkend te zien, en daarom ben ik besloten niet naar Bladzijde 33school terug te keeren, waar ik erg een hekel aan heb, maar op zee te gaan en daar zooveel mogelijk onze denkbeelden te verbreiden.”
“Daar heb ik geen ooren naar, Jack. In de eerste plaats moet je weer naar school, en in de tweede plaats mag je niet naar zee.”
“En toch verklaar ik bij de rechten van den mensch, dat ik niet weer naar school wil, maar naar zee. Wie en wat zou me verhinderen? Heb ik niet evenveel recht op mijn deel van de zee als ieder ander sterveling? Ik dring aan op de volkomen gelijkheid,” voegde hij er bij en stampte op den grond.
Wat kon meneer Rustig hierop antwoorden? Hij moest òf als wijsgeer zijn stellingen opgeven, òf als vader zijn zoon laten varen. Als alle wijsgeeren, koos hij wat hem het minst gewichtig toescheen, hij bracht zijn zoon ten offer; maar, we moeten tot zijn eer zeggen, hij deed ’t met een zucht.
“Nu, Jack, als je er op staat, zul je naar zee.”
“Natuurlijk,” antwoordde Jack met den glans der overwinning op het gelaat: de vraag is maar, met wien? Ik meen gehoord te hebben, dat kapitein Wilson spoedig zee zal kiezen en met hem zou ik graag onder zeil gaan.”
“Ik zal hem schrijven,” zei meneer Rustig op droeven toon; en hiermee was de zaak beklonken.
Kapitein Wilson’s antwoord luidde natuurlijk toestemmend, en hij beloofde, dat hij Jack als zijn eigen zoon zou behandelen.
Onze held reed dienzelfden middag op zijn vaders paard naar meneer Bonnycastle.
“Ik ga naar zee, meneer.”
“Dat is heel goed voor je,” antwoordde deze.
Onze held begaf zich naar dokter Middleton.
“Ik ga naar zee, dokter.”
“Je kunt niet beter doen,” luidde het antwoord.
“Ik ga naar zee, moeder,” zei Jack.
“Naar zee. Jaapje, naar zee, zeg je? o neen, neen, Jaapjelief, niet naar zee!” riep mevrouw Rustig met afgrijzen uit.
“Jawel, moe, pa heeft ’t goed gevonden en me gezegd, dat hij ook uwe toestemming zal weten te krijgen.”
“Mijne toestemming! Och, mijn lieve, lieve jongen!”—en mevrouw Rustig weende bitter. Bladzijde 34
De jongenheer rustig krijgt zijn eerste les over dienstijver.
Er viel niet veel tijd te verliezen, onze held moest de ouderlijke woning spoedig vaarwel zeggen, en zat al gauw te Portsmouth. Daar Jack volop geld had en het heel prettig vond zijn eigen meester te wezen, maakte hij volstrekt geen haast om zich op het schip aan te melden, en vijf of zes jongelui van niet al te best allooi, met wie hij onderweg in kennis was gekomen en die op zijn zak teerden, raadden hem ten sterkste het aan boord gaan zoo lang mogelijk uit te stellen. Toevallig stemde die raad volkomen overeen met Jack’s eigen meening, zoodat onze held bijna drie weken in Portsmouth was, eer iemand iets van zijn komst had vernomen. Maar ten slotte ontving kapitein Wilson een brief van meneer Rustig, waarin onder anderen gemeld werd, wanneer Jack van huis was vertrokken. De kapitein verzocht nu den eersten luitenant eens onderzoek te doen, daar hij vreesde dat den jongen eenig ongeluk overkomen mocht zijn. Daar meneer Sawbridge, de eerste luitenant, dienzelfden avond toch naar den wal moest, misschien wel de laatste maal vóór het uitzeilen van het schip, liep hij bij verschillende logementen aan, om te hooren of er ook een zekere meneer Rustig zijn intrek genomen had.
“O ja,” antwoordde de bediende uit de Fontein, “meneer Rustig is hier al drie weken gelogeerd.”
“Wel verduiveld,” bromde Sawbridge met al de verontwaardiging van een eersten luitenant, die bemerkt dat hij gedurende drie weken door een adelborst is misleid.
“Waar is hij; in de gelagkamer?”
“O neen, meneer,” antwoordde de bediende, “meneer Rustig heeft de voorkamers der eerste verdieping betrokken.”
“Nu, wijs me die dan maar.”
“Mag ik ook zoo vrij wezen uw naam te vragen, meneer?” zei de bediende.
“Eerste luitenants laten zich niet vooraf aandienen bij adelborsten,” antwoordde Sawbridge; “hij zal spoedig genoeg te weten komen wie ik ben.”
Op dit bescheid, liep de bediende, gevolgd door Sawbridge, de trap op en deed de deur open. Bladzijde 35
“Daar is een heer om u te spreken, meneer,” zei de bediende.
“Verzoek hem binnen te komen,” zei Jack; “en hoor eens: zorg dat de punsch wat beter is dan gisteren; ik heb nog twee heeren meer ten eten gevraagd.”
Intusschen was meneer Sawbridge, die zijn uniform niet aanhad, binnengetreden, en zag nu Jack alleen zitten bij een keurig aangerichte tafel, waarop voor acht personen gedekt was. Zoowel het diner als het vertrek zelf zou, volgens Sawbridge’s meening, veeleer gepast hebben voor een kommandant dan voor een adelborst van een oorlogsschip.
Sawbridge was een flink officier, iemand die zichzelf tot luitenant opgewerkt had, en niets bezat dan zijn tractement. In zijn zeven en twintig jaren dienst had hij iets stroefs over zich gekregen, en vooral jongelui van aanzienlijke familie, wier getal steeds toenam op de schepen, kon hij niet uitstaan. Geheel zonder reden was dit niet, want hij bemerkte dat door dien toevloed zijn eigen kansen op bevordering verminderden. Volgens zijn oordeel werden de adelborsten des te onbruikbaarder naarmate ze meer het heertje uithingen, geen wonder dus dat hem de gal overliep bij het aanschouwen van al de vertooning en drukte gemaakt door een jongmensch, dat weldra op een zuur gezicht van hem zou ineenkrimpen, en zulks al drie weken geleden had moeten doen. Toch was Sawbridge een rechtschapen mensch, al bleek hij soms wat naijverig op degenen, die zich meer weelde konden veroorloven dan hij.
“Mag ik vragen, meneer,” zei Jack, die altijd buitengewoon beleefd was, “waarmede ik u van dienst kan zijn?”
“Jawel, meneer,—met onmiddellijk naar uw schip te gaan. En mag ik op mijn beurt eens vragen, wat de reden is, dat gij al drie weken hier aan wal zijt zonder u te komen aanmelden?”
Jack, die volslrekt niet gesticht was over Sawbridge’s bevelenden toon en intusschen plaats had genomen, sloeg de beenen over elkaar, speelde achteloos met zijn gouden horlogeketting en antwoordde na een poos vrij koel:
“Maar, meneer, wie zijt gij dan toch?”
“Wie ik ben, meneer?” hernam de bezoeker van zijn stoel opspringende, “mijn naam is Sawbridge, meneer, en ik ben de eerste luitenant van de ‘Harpij.’ Ziedaar het antwoord op uw vraag.”
Sawbridge, die zich verbeeldde, dat het noemen zijner waardigheid van eersten luitenant den adelborst een schrik om het hart zou doen slaan, liet zich weer op zijn stoel vallen en nam een air van groot gewicht aan.
“Inderdaad, meneer,” antwoordde Jack, ik moet erkennen, datBladzijde 36ik uit onbekendheid met den dienst weinig besef heb van uw eigenlijke positie aan boord, maar uit uw gedrag zou ik opmaken, dat u een niet geringen dunk van uzelven heeft.”
“Hoor eens, jongmensch, ik wil aannemen, dat ge niet weet wat een eerste luitenant is—uw houding tegenover mij geeft er duidelijk blijk van—maar reken er gerust op, dat ik het u spoedig zal laten merken. Tevens sta ik er op; dat ge onmiddellijk mee naar boord gaat.”
“Het spijt me, meneer,” antwoordde Jack doodbedaard, “maar ik kan aan uw hoogst bescheiden verlangen niet voldoen. Ik zal aan boord komen, zoodra mij dat goeddunkt, en u zult mij verplichten met u verder niet over mij te bekommeren.”
Jack trok aan het schelkoord; de bediende, die aan de deur had staan luisteren, trad onmiddellijk binnen en eer Sawbridge, verbluft door zoo’n verregaande brutaliteit, iets zeggen kon, gaf Jack den bediende last meneer even uit te laten.
“Alle donders!” riep de eerste luitenant uit. “Wacht maar, ventje; heb ik je eenmaal goed en wel aan boord, dan zal ik je het verschil tusschen een adelborst en een eersten luitenant terdege duidelijk maken.”
“Ik erken alleen gelijkheid, meneer,” antwoordde Jack; “als gelijken zijn wij allen geboren, dat zult gij toch toestemmen, hoop ik.”
“Gelijkheid—wel verdraaid! wou je soms ook het bevel over het schip op je nemen? We zullen je spoedig uit den droom helpen. Ik ga nu aan kapitein Wilson rapport uitbrengen over uw gedrag en dit verzeker ik je, als ge niet nog hedenavond aan boord zijt, dan zend ik morgenochtend met het krieken van den dag een sergeant met eenige mariniers om je in te rekenen.”
“Wees verzekerd, meneer,” antwoordde Jack, “dat ook ik niet in gebreke zal blijven aan kapitein Wilson mede te deelen, dat ik u als een onhebbelijken ruziemaker beschouw en hem raad u niet langer aan boord te dulden. Met zulk een ongelikten beer op een zelfde schip te wezen, is niet om uit te houden.”
“Hij moet gek zijn—stapelgek,” riep Sawbridge uit, wiens verbazing de overhand kreeg over zijn verontwaardiging.
“Neen, meneer,” antwoordde Jack, “een gek ben ik niet, maar een wijsgeer.
“Wat voor een ding?” riep Sawbridge uit, “Wacht maar, grappenmaker, we zullen de wijsbegeerte van je wel op de proef stellen.”
“Juist daarom heb ik besloten op zee te gaan, meneer,” hernam Jack; “en als gij aan boord blijft, hoop ik met u eens te redeneeren, en u te bekeeren tot erkenning der gelijkheid en der rechten van den mensch.” Bladzijde 37
“Wees er maar zeker van, dat ik je spoedig tot onderwerping aan de krijgsartikelen zal bekeeren, als je tenminste ooit aan boord komt. Voorloopig ga ik nu den kapitein rapport maken over uw gedrag, en laat u bij uw diner als ge nog eetlust overgehouden mocht hebben.”
“Ten zeerste verplicht, meneer, maar over mijn eetlust behoeft ge u volstrekt niet bezorgd te maken. Het eenige wat me spijt, is dat ik, met het oog op het nette gezelschap dat ik wacht, u niet durf uitnoodigen onzen dischgenoot te zijn. Ik zou dat anders gaarne gedaan hebben, nu het blijkt dat we tot hetzelfde schip behooren. Ik wensch u goedendag, meneer.”
“Twintig jaren ben ik in dienst,” bulderde Sawbridge, “en nu zou me daar zoo’n.... maar hij is gek, stapelgek.” En de eerste luitenant stormde de kamer uit.
Jack was zelf ook wat verbluft. Had Sawbridge zijn uniform aangehad, dan was ’t nog wat anders geweest, maar dat zoo’n alles behalve indrukwekkend persoon met zwarte bakkebaarden, slordig onderhouden haar, een ouden blauwen rok en een geel kaschmiren vest, het durfde wagen hem op zoo’n manier toe te spreken, dat was onbegrijpelijk. Hij noemt me een gek, dacht Jack, maar ik zal kapitein Wilson eens netjes vertellen, hoe ik over zijn luitenant denk. Een oogenblik later verschenen de gasten en spoedig was Jack het geheele geval weer vergeten.
Intusschen begaf Sawbridge zich naar den kapitein en vond hem thuis. Na een omstandig verhaal van wat er had plaats gehad, eindigde hij zijn rapport met in drift te eischen, dat Jack onmiddellijk ontslagen of anders voorbeeldig gestraft zou worden.
“Nu, nu, meneer Sawbridge,” antwoordde kapitein Wilson, “komaan, neem plaats, en laten we er eens over redeneeren, zooals meneer Rustig zegt; ik wed, dat ik u tot betere gedachten breng. Wat dat straffen betreft, ja, zie je, dat is een lastig geval, want vooreerst heeft meneer Rustig zich nog niet op zijn schip aangemeld, en ten tweede kon hij immers niet weten dat gij de eerste luitenant waart, want ge hadt uw uniform niet aan.”
“Dat is waar meneer,” antwoordde Sawbridge, “daar had ik niet aan gedacht.”
“En wat dat ontslaan of liever niet toelaten op het schip aangaat, meneer Rustig is aan den wal grootgebracht en heeft mogelijk zijn heele leven geen grootere uitgestrektheid water gezien dan een vischvijver. Van zeedienst of van wat er aan vast is, zal hij wel evenveel begrip hebben als een kind van nog geen jaar. Ik wed dat hij niet eens weet wat een luitenant is, en stellig heeft hij geen flauw idee Bladzijde 38van de macht van een eersten luitenant, dat blijkt duidelijk uit de manier waarop hij zich tegenover u gedragen heeft.”
“Dat moet ik ook gelooven,” antwoordde Sawbridge droogjes.
“En daar nu zijn gedrag het uitvloeisel moet zijn van volkomen onwetendheid, mag hij, dunkt me, niet al te streng gestraft worden. Ga ’t zelf maar eens na, Sawbridge.”
“Misschien hebt gij gelijk, meneer, maar hij noemde zich toch een wijsgeer en sprak over de gelijkheid en de rechten van den mensch. Hij zei, dat hij alleen gelijkheid tusschen ons kon aannemen en wilde dat nader uiteenzetten. Nu vraag ik u toch, meneer, wat moet er van den dienst terechtkomen, als zoo’n adelborst over elk bevel, dat er gegeven wordt aan ’t redeneeren slaat?”
“Die opmerking is zeer juist, Sawbridge; daaraan heb ik in ’t geheel niet aan gedacht, toen ik beloofde den jongen Rustig aan boord te zullen nemen. Ik herinner me nu dat zijn vader, die een verre neef van me is, eenige vrij dwaze denkbeelden in zijn hoofd had, precies dezelfde die zijn zoon bij zijn ontmoeting met u te berde heeft gebracht. Toen ik eens bij meneer Rustig ten eten was, had hij ’t maar steeds over de beginselen der natuurlijke gelijkheid en der rechten van den mensch, tot groot vermaak van zijn gasten en ook van mij, moet ik bekennen. Ik maakte nog de opmerking, dat die denkbeelden onmogelijk toe te passen waren op den dienst, want dat ’t dan gedaan zou zijn met alle tucht. Hoe weinig vermoedde ik toen, dat zijn eenige zoon, voor wien niet de minste aanleiding bestond om het zeeleven te kiezen—want zijn vader is een rijk grondbezitter—nog ooit met mij onder zeil zou gaan en die denkbeelden op mijn schip komen brengen. ’t Is jammer, erg jammer.”
“Maar Meneer,” zei Sawbridge, “als ’t mij geoorloofd is mijn meening over het geval te zeggen—zou ’t niet het best zijn, zoowel voor hemzelf als voor den dienst, dat hij maar weer naar huis werd gezonden? Als officier zal hij enkel zichzelven en anderen last bezorgen.”
“Mijn waarde Sawbridge,” hernam kapitein Wilson, nadat hij de kamer een paar malen op en neer was gestapt, “we zijn te gelijk in dienst gekomen, hebben verscheidene jaren aan denzelfden disch gegeten en niet enkel langdurige vriendschap, maar ook vertrouwen op uw degelijke kennis hebben er mij toegebracht u voor te stellen mijn eersten luitenant te worden. Nu zal ik u eens een geval ter beslissing voorleggen, en wat meer is, ik zal me aan uw uitspraak onderwerpen.
“Neem eens aan, dat gij evenals ik scheepskommandant waart Bladzijde 39met een vrouw en zeven kinderen, en dat ge na jarenlang getob om in hun onderhoud te voorzien, in weerwil van de grootste spaarzaamheid in schulden waart geraakt. Nu gelukt het u eindelijk een flinke aanstelling te krijgen, waardoor ge u uit alle ongelegenheden zult kunnen redden. Maar al uw hoop dreigt in rook te vervliegen, omdat ge geen geld hebt voor een uitrusting en voor het afdoen der meest dringende schulden. Als nu in zulk een benarden toestand een verre bloedverwant, dien ge ternauwernood kent, zoo edelmoedig is u duizend gulden te leenen, zonder daarvan rente te vorderen en het geheel aan u overlaat wanneer ge de som wenscht terug te betalen, dan vraag ik u, Sawbridge, wat zoudt gij voor zoo iemand gevoelen?”
“Ik zou mijn leven voor hem wagen,” antwoordde Sawbridge getroffen.
“Vooronderstel nu dat, louter bij toeval of door een samenloop van omstandigheden, de zoon van dien man onder uw bescherming werd gesteld; wat dan?”
“Ik zou als een vader voor hem zorgen.”
“Maar laten we toch eens verder gaan en vooronderstellen, dat ge niet in alle opzichten met den jongen ingenomen zijt, dat hij dwaalbegrippen heeft ingezogen, die, als ze niet uitgeroeid worden, verderfelijk voor hem kunnen worden. Zoudt ge hem dan om die reden uw bescherming onttrekken en hem aan zijn lot overlaten?”
“Volstrekt niet, meneer,” antwoordde Sawbridge; “integendeel, ik zou hem zoo lang bij me houden, tot ik hem, hoe dan ook, van zijn verkeerdheden had genezen, en op die wijze zooveel mogelijk de schuld der dankbaarheid aan den edelmoedigen vader had betaald.”
“Na al wat er gebeurd is behoef ik u wel niet te zeggen, Sawbridge, dat het jongmensch, met wien ge in aanraking zijt geweest, de zoon is en meneer Rustig van Boschlust de vader.”
“Het eenige wat ik zeggen kan, meneer, is dat ik, niet enkel om u genoegen te doen, maar ook uit eerbied voor iemand, die u zooveel welwillendheid heeft betoond, het jongmensch volgaarne vergeef wat er tusschen hem en mij is voorgevallen en bovendien al wat er waarschijnlijk nog gebeuren zal, eer we hem in het rechten spoor hebben.”
“Hartelijk dank, Sawbridge, ik had niet anders van u verwacht, en ik heb me in die verwachting niet bedrogen.”
“Maar wat moet er nu gedaan worden, kapitein?”
“We moeten hem aan boord zien te krijgen, maar niet met een escorte mariniers—dat zou meer kwaad dan goed doen. Ik Bladzijde 40zal hem een uitnoodiging zenden om morgenochtend bij me te komen ontbijten en het een en ander te bepraten. Ik wil hem geen schrik aanjagen; hij moest anders eens hals over kop naar Boschlust terugkeeren.”
“Dat mag in geen geval, want zijn vader schijnt zijn grootste vijand te zijn. Hoe jammer dat iemand met zulk een goed hart zoo’n zwakhoofd kan wezen!”
Meneer Sawbridge verwijderde zich en kapitein Wilson zond aan onzen held een schriftelijke uitnoodiging om den volgenden morgen te negen uur bij hem te komen ontbijten. Het antwoord luidde bevestigend, maar werd mondeling overgebracht, want Jack had te veel champagne gedronken dan dat hij een pen op het papier durfde zetten.
Aan boord en onder zeil.
Den volgenden morgen zou Jack stellig de invitatie van den kapitein glad vergeten geweest zijn, als niet de bediende van het logement begrepen had, dat, na de vreemde manier waarop onze held den eersten luitenant had ontvangen, het niet raadzaam zou wezen ook nog in eerbied voor den kapitein te kort te schieten.
Tot dusver had Jack zijn uniform nog niet aangehad, en hij vond ’t nu een geschikte gelegenheid, te meer daar de bediende beweerde dat hij in tenu behoorde te verschijnen. Of het soms een voorgevoel was van wat hem te wachten stond, maar Jack voelde zich niets prettig in zijn nieuwe plunje. Het kwam hem voor, dat hij zijn onafhankelijkheid prijs gaf en hij kreeg grooten lust het pak met de glimmende knoopen weer uit te smijten. Daartoe kwam het echter niet, en na zijn hoed opgezet te hebben, begaf hij zich naar het logement van kapitein Wilson. Deze ontving hem zeer heusch en hield zich alsof hij niets wist van Jack’s verzuim om zich tijdig aan boord aan te melden of van diens ontmoeting met den eersten luitenant; maar eer het ontbijt afgeloopen was, had Jack zelf het geval reeds met enkele woorden verteld. Kapitein Wilson begon nu uit te weiden over de plichten en den rang der verschillende personen aan boord van een schip, en betoogde Jack hoe ’t met het oog op Bladzijde 41de tucht onmogelijk was, dat er meer dan één persoon het kommando voerde. Die eene was de kapitein, in wiens persoon koning en vaderland vertegenwoordigd werden. Daar nu de kapitein zijn bevelen gaf aan den luitenant en deze ze overdroeg op de adelborsten, die ze op hunne beurt weer aan de overige bemanning overbrachten, was ’t inderdaad alleen de kapitein, die de bevelen uitdeelde en was iedereen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht. Ja, de kapitein zelf volgde weer de orders van zijne superieuren, den admiraal en de admiraliteit; men kon dus met recht zeggen, dat aan boord allen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht waren. Door telkens op het woord gelijkelijk veel nadruk te leggen, diende hij zijn eerste les met de noodige omzichtigheid toe. Zijn geheele betoog geleek veel op een handige pleitrede, want terwijl hij Jack duidelijk zocht te maken dat in dienst gelijkheid volstrekt onbestaanbaar was, trachtte hij tevens aan te toonen dat alle rangen volkomen gelijk stonden, in zoover allen evenzeer hun plicht tegenover het vaderland hadden te vervullen; en of nu een matroos zijne bevelen gehoorzaamde, dan of hijzelf die van een hooger officier opvolgde, alles kwam ten slotte daarop neer, dat ze het vaderland dienden.
Met die manier van beschouwen was Jack het vrij wel eens, en de kapitein zorgde wel, dat hij er niet te lang bij bleef stilstaan, maar ging spoedig tot ten ander onderwerp over, dat hij voor Jack aangenamer achtte. Hij zette uiteen, dat de krijgsartikelen de wetten waren volgens welke de dienst werd geregeld, en dat iedereen, van den kapitein tot den minsten jongen aan boord, er gelijke gehoorzaamheid aan verplicht was; dat ieder een vast rantsoen kreeg, wat voor allen gelijk was, zoowel in hoeveelheid als in hoedanigheid; dat al moesten er noodzakelijk rangen zijn en al moesten de bevelen van den kapitein door allen opgevolgd worden, toch elk officier, van welken rang ook, als een beschaafd man beschouwd werd. Kortom, kapitein Wilson wist het zoo ver te brengen, dat Jack begon te gelooven, dat hij de te land vergeefs gezochte gelijkheid nu eindelijk gevonden had. Maar daar herinnerde hij zich ongelukkig de ruwheid, waarmede meneer Sawbridge hem den vorigen avond bejegend had en hij vroeg den kapitein, hoe die man daartoe had kunnen komen. Nu deed de taal door den luitenant gebruikt al heel weinig aan gelijkheid denken, en kapitein Wilson zat er wel een beetje over in. Hij betoogde echter dat volgens de krijgsartikelen ieder, die zich van het schip verwijderde, een vergrijp beging tegen die artikelen. Werd nu zulk een vergrijp begaan door iemand van de bemanning, dan moest de oudste officier daar rapport van maken, of anders was hij zelf strafbaar. Zijn eigen verantwoordelijkheid Bladzijde 42noodzaakte hem dus wel zulk een overtreding niet door de vingers te zien, en als hij er den schuldige in wat al te krasse bewoordingen op wees, dan toonde hij daarmede slechts zijn dienstijver.
“Aan zijn dienstijver valt dan stellig niet te twijfelen,” antwoordde Jack, want als het gansche vaderland op het spel had gestaan, kon hij niet erger hebben uitgevaren.”
“Hij deed dus zijn plicht; maar reken er op, dat hij ’t zelf niet aangenaam heeft gevonden. Ik sta er voor in, dat, als gij hem aan boord ontmoet, hij even vriendelijk zal wezen alsof er niets gebeurd was.”
“Hij zou me anders eens laten zien wat een eerste luitenant was. Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?” vroeg Jack.
“Niets dan dienstijver.”
“Ja, maar zoodra ik aan boord kwam, zou hij me het verschil toonen tusschen een eersten luitenant en een adelborst.”
“Dienstijver, anders niet.”
“Ook zou hij mijn verstand wel een beetje opfrisschen.”
“Alles dienstijver.”
“En hij zou me door een sergeant en eenige mariniers laten halen.”
“Alles dienstijver.”
“Ook zou hij mijn wijsbegeerte eens op de proef stellen.”
“Alles dienstijver, meneer Rustig. Die ijver kan zich soms wat overdreven uiten, maar we zouden het in den dienst niet zonder kunnen stellen. Ik hoop en vertrouw mettertijd in u een even volijverig officier te hebben.”
Hier zette Jack een bedenkelijk gezicht, en gaf geen antwoord.
“Ik ben er zeker van,” vervolgde kapitein Wilson, “dat gij in meneer Sawbridge een uwer beste vrienden zult vinden.”
“Misschien wel,” antwoordde Jack, “maar onze eerste kennismaking, beloofde niet veel.”
“Dat is wel jammer. Maar wat ik u zeggen wilde, we zullen morgen uitzeilen. Van avond komt de sloep mijn goed halen, dat is een mooie gelegenheid om ook het uwe mee te geven. Om acht uur ga ik aan boord, we kunnen dan van dezelfde boot gebruik maken.”
Jack had daar volstrekt geen bezwaar tegen. Na zijn rekening in de Fontein betaald te hebben, liet hij zijn koffer naar de sloep brengen en wachtte voor zijn eigen vertrek de boodschap van den kapitein af. Tegen negen uur in den avond bevond Jack Rustig zich goed en wel aan boord van Zijner Majesteits fregat de Harpij.
Toen Jack aan boord kwam was het reeds donker en hij wist niet goed wat hij zou aanvangen. De kapitein werd op het dek door de Bladzijde 43officieren in allen vorm ontvangen, en eerbiedig gegroet. Hij beantwoordde dien groet en Jack volgde dat voorbeeld zoo beleefd mogelijk; daarna knoopte meneer Wilson een onderhoud aan met den eersten luitenant, zoodat Jack voor een oogenblik aan zichzelven overgelaten was. Het was te donker om de gezichten te onderscheiden, en voor iemand die nog nooit aan boord van een schip was geweest, zelfs te donker om een voet te verzetten, zoodat Jack maar stilletjes bleef waar hij was, namelijk niet ver van de betinghouten. Maar dat duurde niet lang; de sloep was aan de groote davits vastgehaakt en de bootsman had geroepen:
“Aanhalen, jongens!”
Op een schel gefluit en het kommando: “Op!” kwamen de matrozen met de takels aangerend en gesprongen. In de duisternis werd Jack omvergeloopen en een half dozijn kerels rolde over hem heen. De matrozen, die niet wisten dat er onder anderen ook een officier van de been was geraakt, hadden schik in de grap en bleven maar voortwippen over degenen die gevallen waren, totdat ze eindelijk zelven neerkwakten. Jack, die er niets van begreep, kwam leelijk te land, en eerst nadat het sein tot vastjorren was gegeven, geraakte hij weer overeind, nadat de halve stuurboordwacht over hem heengegaan was en de adem hem bijna begeven had. Jack strompelde naar een der stukken geschut, toen de officieren, die even goed als de manschappen over de fopperij gelachen had, zijn toestand opmerkten, onder anderen ook Sawbridge, de eerste luitenant.
“Hebt ge u bezeerd, meneer Rustig?” zei hij vriendelijk.
“Een beetje,” antwoordde Jack, weer bij adem gekomen.
“Dat was een wel wat ruwe welkomstgroet,” hernam de eerste luitenant, “maar op sommige tijden heet ’t aan boord: ieder voor zich en God voor ons allen. Harpur,” vervolgde hij tot den dokter, “neem meneer Rustig mee naar de konstabelkamer, ik kom zoo spoedig mogelijk zelf ook beneden. Waar is meneer Jolliffe?”
“Hier, meneer,” antwoordde Jolliffe, een stuurmansmaat en kwam van achter de leizeilspieren te voorschijn.
“Er is met den kapitein een nieuwe adelborst mee aan boord gekomen. Laat een van de kwartiermeesters zorgen voor een hangmat.”
Intusschen ging Jack naar de konstabelkamer, waar een glas wijn hem weer wat opkwikte. Lang bleef hij er niet en tot veel praten bad hij ook geen lust. Zoodra zijn hangmat klaar was, haastte hij zich om te bed te komen en daar hij doodaf was, werd het den volgenden morgen over negenen eer hij ontwaakte. Hij kleedde zich aan, ging op het dek en bespeurde dat het schip al in volle zee was. Spoedig begon hij zich onwel, ja zelfs ziek te gevoelen, zoodat een Bladzijde 44der matrozen hem naar beneden brengen en in zijn hangmat leggen moest, waar hij onder een hevigen wind drie dagen doorbracht, versuft door het schokken en slingeren, terwijl hij elk oogenblik met het hoofd tegen de scheepsbalken sloeg.
“Noemen ze dat na op zee gaan?” dacht Jack. “Geen wonder dat ze zich hier zoo weinig om elkaar bekommeren; maar dit weet ik wel, als ik ooit weer voet aan wal zet, dan gun ik den drommel mijn portie van de zee, ik heb er al meer dan genoeg van.”
Kapitein Wilson en meneer Sawbridge hadden beiden aan Jack gedurende zijn ziekte meer rust gegund dan gewoonlijk aan adelborsten werd toegestaan. Toen de storm tot bedaren was gekomen, had het schip de hoogte van kaap Finisterre bereikt. Den volgenden morgen was de zee volkomen rustig en er lag slechts een flauw briesje op het water.
De betrekkelijke kalmte van den afgeloopen nacht had onzen held weer vrij wel op zijn verhaal doen komen, en toen een stoot op de fluit het sein gaf tot het optrekken der hangmatten, kwam meneer Jolliffe, de stuurmansmaat, hem vragen of hij er niet eens over zou denken op te staan en zich in de kleeren te steken, dan of hij van plan was onder de dekens naar Gibraltar te zeilen.
Jack, die zich een heel ander mensen gevoelde, wipte uit zijn hangmat en kleedde zich aan. Volgens bevel van den kapitein had een matroos Jack tijdens zijn ongesteldheid opgepast en deze man was hem ook nu behulpzaam; hij opende Jacks kist en bracht hem al wat hij verlangde.
Toen hij gereed was vroeg Jack waar hij heen moest gaan, want ofschoon al vijf dagen aan boord, toch had hij nog geen kijkje genomen in de adelborstenkajuit. De matroos duidde hem den weg er heen uit, en Jack, die een geweldigen honger had, klauterde over kisten en koffers tot hij eindelijk terechtkwam in een vertrek, dat er vrij wat slechter uitzag dan de hondenhokken bij zijn vader thuis.
“Niet alleen mijn portie van de zee,” dacht Jack, “maar ook mijn deel in de Harpij wil ik dolgraag overdoen aan ieder die er maar naar taalt. Gelijkheid is er genoeg hier! want ik verbeeld me dat iedereen er even slecht aan toe is.”
Na aldus aan zijn gedachten lucht gegeven te hebben, bespeurde hij dat er nog iemand in de kajuit was, en wel de stuurmansmaat Jolliffe, die Jack eens goed stond op te nemen, wat dezen noopte tegenover hem hetzelfde te doen. Het eerste wat Jack opmerkte was dat Jolliffe erg van de pokken geschonden was en maar één oog had; dat ééne oog glinsterde echter zoo fel, dat het een kooltje Bladzijde 45vuur geleek en meer licht scheen te geven dan een gewone kaars.
“Die manier van kijken bevalt me niet”, dacht Jack—“we zullen nooit vrienden worden.”
Maar Jack oordeelde hierin enkel naar den schijn, en—zooals later zal blijken—hij vergiste zich.
“Het doet me plezier dat ik je weer op de been zie, jongmensch,” zei Jolliffe; “je hebt langer plat op den rug gelegen dan gewoonlijk met anderen het geval is, maar, zie je, juist de sterksten hebben ’t het zwaarst te verantwoorden. Het plan om op zee te gaan is vrij laat bij je opgekomen, doch ‘beter laat dan nooit’, zooals het spreekwoord zegt.”
“Ik voel heel veel lust om over de juistheid van dat gezegde eens nader te praten,” antwoordde Jack, “maar ’t zou op dit oogenbik toch weinig helpen. Ik heb een verbazenden honger, wanneer gaan we ontbijten?”
“Morgenochtend om half negen;” antwoordde Jolliffe. “Voor vandaag is ’t al twee uur over den tijd.”
“Moet ik ’t dan maar zonder iets stellen?”
“Dat wil ik nu juist niet zeggen, want we dienen rekening te houden met je ziekte; maar toch, een ontbijt zal ’t niet wezen.”
“Noem ’t zooals ge wilt,” hernam Jack, “maar doe me het genoegen en laat de bediende me wat eten geven. Geroosterd brood of zoo iets, ’t komt er minder op aan wat; maar het liefst zou ik er een kop koffie bij hebben.”
“Gij vergeet dat we op de hoogte van Finisterre zijn en nog wel in een adelborstenkajuit. Koffie is er niet, en van geroosterd brood kan geen sprake zijn, om de eenvoudige reden dat we in ’t geheel geen brood hebben; maar wel kan ik den hofmeester verzoeken een kop thee met wat scheepsbeschuit en boter voor je klaar te zetten.”
“Welnu,” hernam Jack, “gij zult me verplichten met me dat te bezorgen.”
“Hei daar!” riep Jolliffe een matroos toe, “laat Mesty eens hier komen.”
De toegesprokene droeg het bevel aan een volgenden matroos over, deze weer aan een derde en zoo ging ’t van mond tot mond, tot het eindelijk vooruit op den bak den bedoelden persoon bereikte.
Deze was een neger, indertijd naar Amerika overgebracht en daar als slaaf verkocht. Ofschoon zeer lang en schraal, teekende het lichaam toch groote spierkracht en het gelaat week geheel en al af van den gewonen vorm bij zijn ras. Het hoofd was lang en smal, met uitstekende jukbeenderen, zoodat het gezicht naar de kin als in een punt uitliep; de neus was zeer klein, maar recht en van Romeinschen vorm; ook de mond was buitengewoon klein en de lippen Bladzijde 46veel te dun voor een Afrikaan; de tanden waren hagelwit en scherp gepunt. Of zijn bewering, dat hij in zijn eigen land den rang van vorst had bekleed, waarheid bevatte, viel natuurlijk niet uit te maken. Zijn meester was met hem naar New-York getrokken en daar had Mesty Engelsch geleerd, als men ten minste zijn broddeltaal dien naam wilde geven.
Daar men hem had verteld, dat er in Engeland geen slavernij bestond, had Mesty zich aan boord van een Engelsch koopvaardijschip verscholen en was op die manier ontvlucht. Bij zijn aankomst in Engeland nam hij dienst op een oorlogschip. De eerste luitenant, die hem aangemonsterd had, gaf hem om zijn vreemd uiterlijk den naam van Mephistopheles, wat al spoedig verkort werd tot Mesty. In vele opzichten was die Mesty een zonderling persoontje. Kwam hij soms te praten over zijn stamboom, dan was hij het eene oogenblik uitermate trotsch, en dan weer zwaarmoedig, ja gemelijk zelfs, maar in gewone omstandigheden, als niets hem in den weg zat, kon hij vermakelijk en grappig wezen.
Al spoedig kwam de geroepene opdagen, waarbij hij zich nagenoeg dubbel vouwde om onder de dwarsbalken door te komen en vervaarlijke stappen nam met zijn bloote voeten.
“Maar, Massa Jolliffe, hoe kunt u me nu laten roepen, terwijl juist mijn grauwe erwten staan te koken, en er hier en daar al zoo’n verwenschte rakker van een jongen op den loer ligt om er een handje vol uit den pot te pikken.”
“Je weet wel, Mesty, dat ik je nooit laat roepen, of ’t moet bepaald noodig zijn,” antwoordde Jolliffe; “maar deze arme jongen heeft sinds hij aan boord is nog niets te eten gehad en hij is erg hongerig—je moest hem wat thee geven.”
“Thee bedoelt u, meneer? Wel om thee te krijgen, dien ik toch in de eerste plaats water te hebben en vervolgens ruimte in de kombuis om een ketel te vuur te zetten. Maar waarachtig, meneer, al zou je maar enkel de top van uw pink willen branden, dan nog zou je er in de heele kombuis geen warm water genoeg voor vinden. Warm water om dezen tijd! Dat is immers totaal onmogelijk!”
“Hij zal toch het een of ander moeten hebben, Mesty.”
“’t Behoeft ook juist geen thee te wezen,” zei Jack, “melk is ook goed.”
“Melk? Spreek je van melk, Massa? Van de groenvrouw soms aan den wal?”
“We hebben geen melk, meneer Rustig; gij vergeet dat we in volle zee zijn,” hernam Jolliffe; “ik begin waarlijk te vreezen, dat ge tot het middagmaal zult moeten wachten. Wat Mesty zegt, is de waarheid.” Bladzijde 47
“Ik zal u wat zeggen, Massa Jolliffe, als ik den jongenheer eens in plaats van thee wat uit den ketel gaf, misschien zou hij daar genoegen mee nemen. Thee of nat van grauwe erwten, dat verschil is zoo groot niet. Zoo’n kom vol, met wat beschuit er bij en een scheut peper er in, zal hem goed doen.”
“Misschien is dat nog het beste, Mesty; ga ’t maar gauw halen.”
Na eenige oogenblikken kwam de neger terug met een kom soep, waarin heele erwten rondzwommen; ook zette hij een tinnen bord met kleine beschuiten en een peperbus voor onzen held neer. Op het gezicht van dit gerecht vervlogen Jacks visioenen van thee, koffie, geroosterd brood en melk; maar hij had een verbazenden honger, en toen hij aan ’t proeven ging viel ’t hem