[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Eene Gekkenwereld!, by Hendrik Conscience This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Eene Gekkenwereld! Author: Hendrik Conscience Release Date: November 16, 2005 [EBook #17072] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EENE GEKKENWERELD! *** Produced by Clare Boothby and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
Inhoud
Wat Geluk Dat Het Niet Waar Was!
I
Het Wonderei
I
II
III
Het Paradijs Der Krankzinnigen.
I
II
III
IV
V
VI
Ik was verdoold geraakt op de naakte, grenzenlooze heide, waar boom, heuvel noch dorpstoren mij de goede richting kon aanwijzen.
Mij bedroefde dit echter niet: het is zoo vermakelijk, verloopen te loopen, wanneer men eindelijk toch zijnen weg naar huis zal terugvinden.
Maar geheel anders werd ik te moede, toen de nacht mij in de woestijn overviel, en het rondom mij allengs zoo ondoorgrondelijk zwart werd, dat ik soms tastende de hand uitstak, in het denkbeeld, de duisternis te kunnen voelen.
Met onverpoosd over de effene vlakte vooruit te gaan, zou ik ongetwijfeld eerlang eene menschenwoning aantreffen.—Naar welken kant mij gericht?
Ha, daar zag ik eensklaps in de verte een lichtje flikkeren!
Tusschen mij en de plaats waar dit lampken brandde, moesten boomen of andere hinderpalen staan; want het waggelende licht scheen, volgens mijne bewegingen, uit te dooven, weder op te vlammen, te dansen of van den eenen kant naar den anderen te springen.
Daar moest ik naar toe, daar zou ik menschen vinden, eene herberg voor den nacht of een dienstwilligen leidsman.
Allerlei onbekende, angstwekkende geruchten bruisten uit den schoot der heide op: gesis, gesjirp, geschuivel, gekras, onduidelijk, somber en doodsch, alsof de aarde wreede pijnen doorstond en aan de loodzware zomernachtlucht haar lijden klaagde.
De vervaardheid gaf mij vleugelen; ik draafde met koortsigen stap over de beide, immer den blik op het pinkend vlammetje gericht.
Nu en dan verwarden mijne voeten in het houtige heidekruid; ik viel, stond zuchtend op, wreef mij het scherpe kiezelzand van neus en voorhoofd, en hervatte mijne blinde vlucht door de duisternis.
Het is wonderlijk, hoe in den donkeren nacht een verre licht den mensch over den afstand kan bedriegen! Ik was reeds moede geloopen, en nog scheen het mij, dat ik het flikkerende lampken geen boogschot was genaderd.
Wat ik voor een aardsch licht aanzag, was misschien eene star? Zoo zou dan mijn gansch leven, al werd ik honderd jaar oud, te kort geweest zijn om het te bereiken? Mijne vrees was echter ongegrond; er blonk geene enkele star aan den inktzwarten hemel.
Hoe lang ik, met het parelende zweet der vermoeidheid op het aangezicht, had gedraafd, dit weet ik niet: vele uren zeker; want toen ik, geheel ten einde van krachten, een oogenblik stilhield om wat adem te scheppen, dacht mij dat aan den verren Oosten een flauwe, witte schijn als een grijsachtige vlek begon op te dagen. Over de heide heerschte nog het dikste helleduister; maar de eerste schemer, voorlooper van het komende licht, was daar!
Die blijde boodschap schonk mij hoop en moed; ik hernam mijnen gang, ditmaal echter met stramme, slepende voeten....
O, hemel, wat is dit! Rol ik niet van eene hoogte in den eeuwigen afgrond? Gruwelijk! een straal ijs schiet mij door het ruggemerg; geen einde aan dit duizelig nederdalen. Ik hen dood!
Neen, nog niet, God zij dank! Daar kom ik terecht op eenen grazigen bodem, als op een mollig bed. Ik betast mijne leden; niets gebroken, niets bezeerd!
Opstaan zal ik, en met meer voorzichtigheid mijne droeve reis voortzetten; maar mijne pogingen zijne vruchteloos: ik kan mijne beenen bijna niet meer verroeren, en val krachteloos terug op het gras.
Daar lag ik nu, uitgeput en als een blaasbalg hijgende. Wat kon ik doen? Wachten en onderwijl over mijnen pijnlijken, onuitlegbaren toestand nadenken, totdat de rust nieuw zenuwsap door mijne beenen deed stroomen.
Maar nadenken, mijmeren werkt als een geestverdoovende slaapdrank op den vermoeiden mensch.... Ik schoof mijnen linkerarm mij onder het hoofd, en zonk weg in eenen sluimer, zoo diep en zoo zwoegend, dat mijn ratelend snorken ongetwijfeld alle kruipend of vliegend ongedierte van mij moest verwijderd houden.....
Het was reeds klaar dag toen ik ontwaakte.
Mij oprichtende, staarde ik roerloos en stom van verbaasdheid, naar alle zijden uit. In welk land, in welke wereld bevond ik mij?
Recht voor mij, op een honderdtal stappen, verhief zich een ontzaglijke muur van groote baksteenen, gescheurd, ingevreten en hier en daar vooroverhellende, als gereed om in de diepte neer te storten. Deze muur verlengde zich van wederkante zeer verre, totdat hij, door eene cirkel vormende ombuiging, zijne uiteinden aan mijn gezicht onttrok.
Ik was ongetwijfeld in de nabijheid eener stad, of wat vroeger eene stad moest geweest zijn; want boven den grooten ringmuur zag ik eene menigte bouwvallige huizen, paleizen en kerken, met verbrokkelde gevels, ingezakte daken, afgeknotte torens.
Was het de oorlog, eene aardbeving of eene vermaledijding des Heeren, die deze stad dus had bedorven en ten gronde gericht? In alle geval moest de schrikkelijke ramp sedert meer dan eene eeuw haar getroffen hebben; want de tijd had alle hoeken en kanten afgeknaagd, en in de scheuren en reten zaden geworpen, welke nu tot heesters en boomen waren opgegroeid, of als slingerplanten van de gevels nederhingen.
Over de brokkelige puinen rustte eene sombere, doodsche stilte, als ware deze slapende stad het graf van een weggestorven menschengeslacht.
Ik sidderde bij dit akelig beeld van verdelging, eenzaamheid en troosteloos nietzijn; en keerde het oog er van af. Eenen uitweg zou ik zoeken om weder de vlakke heide te bereiken; want hier was het mij zonderling benauwd aan het hart.
Hoe vermeerderde mijne bekommerdheid, toen ik meende te erkennen, dat het mij onmogelijk zou zijn, uit de diepte te geraken!
Inderdaad, achter mij verlengde zich een even hooge muur, en de plaats waar ik nu stond, was niets anders dan de bodem der oude, uitgedroogde stadsgracht.
Langs deze zijde was er geene hoop om den muur te kunnen beklimmen: niet alleen scheen hij wel dertig voet loodrechte hoogte te hebben; maar, naar het Noorden gekeerd zijnde, had hij weinig van den tijd geleden, en nergens bemerkte ik eene kloof of scheur, groot genoeg om mijne handen of voeten eenen steun tot klimmen te leenen.
Aan de overzijde der gracht was de muur integendeel zeer bouwvallig, en ik bespeurde zelfs dat daar, aan den voet van een groot huis, steenen en aarde in de diepte waren afgezakt, en eene soort van dijk of brug vormden, langs waar men met gemak, dacht mij, in de verlatene stad kon geraken.
Maar hoe den anderen kant der gracht bereikt? De grond was, vooral naar het midden, moerassig en slijkig. Ik had nog geene tien stappen beproefd, of ik voelde mijne voeten door den modder zinken, en sprong, huiverend van schrik, terug.
Ik richtte den blik naar alle zijden om een uitkomen te ontdekken. Niets! geen ander middel dan over de gracht te gaan.
Het hoofd schuddende en zuchten slakende, staarde ik roerloos op de groene vlekken van het poelgras, die hier en daar uit het drabbige turfmoer zich verhieven, en op het ijzerachtig water, dat met zijne gele, roode tinten als eene vale slang door het midden der gracht kronkelend voortzijpelde.
Mij klopte het hart wel angstig in den boezem. Het was echter geene eigenlijke verschriktheid die mij ontstelde; want ik begreep niet welk gevaar mij hier kon bedreigen, en de lange zomerdag, die nu eerst had aangevangen, liet mij tijds genoeg om naar een redmiddel uit te zien; maar mijne verlegenheid was zeer groot, en ik gevoelde mij als beschaamd over mijnen neteligen toestand.
Wat zou ik beginnen? Vooruitgaan langs den boord der gracht en zoo den voet van den buitenmuur volgen, tot zelfs achter zijne ombuiging? Waarschijnlijk zou ik toch eene plaats vinden, die mij toeliet uit de diepte te geraken.... Maar indien deze hoop werd teleurgesteld? Zou ik dan eeuwig rondloopen in eenen cirkel zonder einde? Beproeven moest ik het evenwel.
Ik stapte dus voort over de waggelende zode, nu en dan terugtredende, om mijne voeten op vasteren bodem te zetten.
Wonderlijke streek! Geen gerucht, geen klank, geen leven. Zelfs het loover aan kruid en boomen hing hier stil en doodsch, als had er de wind geenen adem....
Ha, ik ben gered! Daar ontwaar ik een voetpad.... Misschien het nachtelijk spoor van verslindende dieren, welke hunne krochten binnen de bouwvallen hebben gekozen? Neen, menschen hebben dien wegel gebaand; beesten zouden toch het verstand niet hebben, steenen aan te brengen om den moerassigen grond vastigheid te geven?
En zie ik niet dat zulke steenen, soms ontzaglijk zwaar, als eene brug dwars over den bodem der gracht zijn gelegd? Ten einde van den wegel is zelfs eene poort, of ten minste een gat, in den muur van een reusachtig gebouw. Dit is ongetwijfeld de ingang tot de stad, welke ondanks hare bouwvalligheid door redelijke wezens, door menschen moet bewoond zijn.
Deze ontdekking vervulde mij met blijdschap; ik volgde het steenen pad, bereikte zonder hinder de overzijde der gracht en stapte door het gat van den muur, met de zekerheid dat ik op eene straat der stad zou uitkomen.
Maar ik zag mij in deze verwachting bedrogen; want ik bevond mij in eene lange, overwelfde gaanderij, gesteund op eene dubbele reeks pijlers van arduinsteen: misschien een voormalig klooster?
Eene andere opening dan degene langs waar ik was binnengetreden, kon ik niet ontdekken, zelfs niet toen ik het einde der gaanderij had bereikt. Hier stiet ik op eenen hoogen, blinden muur en werd gedwongen, terug te keeren om eenen anderen uitweg te zoeken. Waarschijnlijk was het gat in den muur van dit gebouw de ware ingang der stad niet. Mij bleef niets over dan weder door dit gat uit te gaan....
Hoe ik echter met verbaasdheid de oogen opensperde, ik kon de opening niet meer terugvinden,—en nogtans was ik overtuigd en zeker, dat ik ter juiste plaats stond waar ik was binnengekomen. Ik herkende deze aan eenen omgevallen pijler, waarover ik bij mijne intrede had moeten heenstappen.
Wat beduidde dit? Had men op zoo korten tijd het gat toegemetseld? Er was geen spoor van zulken arbeid te ontwaren.... Tooverij? Kom, kom, dat is een kinderachtig verdenken. Maar wat dan? Ik zal mij misgrepen hebben: ongetwijfeld bestaat het gat verder....
Het is om zinneloos te worden: ik heb tweehonderd stappen meer door de gaanderij gedaan, en geene opening te bespeuren! Van tooverij ben ik niet vervaard, en evenwel is mijne ademing lastig en klopt het hart mij geweldig. Waar ben ik hier en hoe geraak ik uit deze hachelijke verlegenheid?
Goede hemel! bedrieg ik mij niet? Hoor ik niet, achter den binnenmuur, eene menschenstem hergalmen? Ja, de zanger moet dicht omtrent mij zijn; want zijne stem klinkt voor mij verstaanbaar. Ik ken dit gezang; het is een lied van Theodoor Van Rijswijck:
Wie graag eens een reisje door Holland wil doen,
Hij zal het zich nimmer beklagen.
De morgenstond komt er, als hier, vóor den noen;
Er zijn zomersche en wintersche dagen.
En is er de luchtstreek wat koud,
Zijn er geen bronnen noch mijnen van goud,
Men is er zoo zalig gezeten
Te midden van Schiedam en kaas en tabak,
Ducaten en poëten.
Ha, ha, dommerik die ik ben! Waar men zoo vroolijk zingt, kan verdriet noch lijden heerschen... en ik, die reeds schrikte, in de verwachting der vervaarlijkste dingen!
Gerustgesteld door het trippelend lied, keek ik uit naar eenen weg om bij den zanger te geraken; ik ontdekte na lang zoeken eenen duisteren, kronkeligen gang, dien ik ten allen gevalle intrad en eene wijl twijfelend volgde. Eindelijk zag ik in de verte het daglicht schemeren, en welhaast bevond ik mij bij de opene deur eener overwelfde zaal, onzindelijk en somber als eene krocht.
Ik bleef in de halve duisternis staan, met den verbaasden blik gericht op een zonderling wezen, dat nu uit volle keel de laatste strofe van Van Rijswijcks lied herhaalde.
Dit wezen,—een slag van mensch evenwel,—was eene gekleede ton, breed en rond als een dubbel biervat; en daar bovenuit stak een dik mannenhoofd, glimmend en zoodanig opgezwollen, dat men nauwelijks de oogen in hunne diepe holen kon ontwaren.
Aan de ton zag ik armen noch beenen; zij rustte met den bodem op een kussen,—een lederen stroozak ongetwijfeld ... en dit monsterachtig menschenhoofd lachte, zong en scheen uitgelaten vroolijk!
Deze krocht, welke haar licht ontving door drie hooge, punt-bogige vensters, was schier naakt. Aan de ziltige muren hingen drie of vier groote messen, eene breede handzaag en een zwaard, dat door den rossen roest bevlekt scheen met gestold bloed. In eenen hoek was eene alkoof of diepe slaapstede, met zwarte gordijnen gesloten, en daarnevens rustte op den grond een grof speeltuig met dikke snaren, als eene soort van harp. Onder een der vensters stond eene lange, zware tafel. Vier of vijf stoelen, uit ruwe boomtakken getimmerd, en eene bank langs den wand vormden het overige huisraad.
Van het wezen in de ton,—klaarblijkend onbekwaam om zich te bewegen,—had ik niets te vreezen, dacht mij; ik trad, hoewel schuchter en aarzelende, in de krocht.
Hoe stond ik verbluft, toen dit stuk mensch mijnen naam noemde en met een schaterlach mij toeriep:
"Wel, wel, wie zou zich daaraan verwacht hebben! Gij, gij, hier, mijn achtbare vriend? Zie dan, gij herkent mij niet? Hoe dikwijls nogtans heb ik u de hand gedrukt!"
"Neen, mijnheer, ik heb de eer niet u te kennen," was mijn stamelend antwoord. "Mij dunkt niet, dat ik u ooit ergens heb ontmoet."
"Zeker, meer dan twintigmaal: in het Zwarte Paard, op de Paddengracht, waar wij zoo dikwijls den avond met den geestigen Door Van Rijswijck sleten."
"Ik herinner het mij niet."
"Het is omdat ik, sedert toen, zoo onmenschelijk vet ben geworden. Gij weet wel: Jacobus Loris, de kleermaker uit de Lange Nieuwstraat?"
"Jacobus Loris!" herhaalde ik, buiten mij zelven van verwondering. "Ja, nu bemerk ik inderdaad eene zekere gelijkenis. Gij, gij zijt Jacobus Loris? En wat doet gij in die ton?"
"In welke ton?"
"De ton waarin uw lichaam is verborgen."
"Wel, die ton ben ik zelf. Had ik mijne armen nog, om mijn vest los te knoopen, ik zou u overtuigen...."
"Maar waar zijn toch uwe armen en beenen gebleven?" riep ik.
"Mijne armen en beenen? Waar ze gebleven zijn? Dit zou ik u waarlijk niet kunnen zeggen; maar wat ik al te goed weet, is dat ze zijn opgegeten."
"Gij hebt uwe eigene leden opgegeten?" gromde ik met afschuw.
"Ik? Bijlange niet."
"Wie dan?"
"Ja, hoe dit hellebroedsel moet gedoopt worden, dit mag de Nikker zelf u zeggen. Het is toch niet noodig. Ha, ha, ha, gij zult al spoedig kennis met de monschenoters maken, en uwe armen en boenen denzelfden weg zien ingaan als de mijne!"
En hij lachte zoo dwaas, dat ik niet twijfelde of de ongelukkige moest krankzinnig zijn; maar hoe hij, dien ik waarlijk als een flinke man,—zeer mager, doch rap en vroolijk,—had gekend, in zulken beklagenswaardigen toestand was geraakt, dit raadsel tergde mij den geest.
"Neem eenen stoel en zit neder," zeide hij. "Wij hebben tijd om wat van Antwerpen en de vrienden te kouten. De meesters dezer krocht zijn uitgegaan en zullen slechts binnen een paar uren wederkeeren: zoo is het elken morgen.... Hoe vaart die goede Theodoor? Altoos levenslustig en geestig? Komt hij nog dikwijls in het Zwarte Paard, met Blommaert Gevers en De Wolf? Ho, wat zou hij zeggen, indien hij mij zoo zag zitten, zonder armen noch beenen, als eene monster-pompoen op den toog van eenen fruit winkel!"
Ik antwoordde hem niet, en richtte in gedachte hem zelf deze vraag toe:
"Maar, mijnheer Jacobus, ik kan mijne oogen niet gelooven. Het is nu een paar maanden geleden, dat gij eensklaps, in gezelschap van uwen vriend, den bakker Mathijs, uit onze stad zijt verdwenen. Iedereen gelooft, dat gij beiden naar Amerika zijt gevlucht, uit hoofde van tegenspoed in uwe zaken. Men heeft zelfs alles ten uwen huize openbaar verkocht om uwe schuldeischers te voldoen...."
"Dit kan mij nu bitter weinig meer schelen," viel hij in mijne rede. "Dezen middag reeds zal ik mijne rekeningen daarboven aan den oppersten schuldeischer overgegeven hebben; en dewijl ik hier, in dezen moordenaarskuil, veel heb betaald, twijfel ik niet of de hemelpoort zal voor mij wagenwijd openstaan."
"In alle geval," hervatte ik, "zijt gij niet naar Amerika gegaan? Hoe kwaamt gij hier?"
"Op eene zeer eenvoudige, doch tevens volstrekt onbegrijpelijke wijs. Mijn vriend Mathijs en ik hadden sedert lang een ontwerp gevormd, om het klooster der Trappisten, bij Westmalle, eens te bezoeken. Een zekeren vroegen morgen, vertrokken wij met de diligence Van Gend & Co., stapten af bij het klooster, bezichtigden het op ons gemak, en gingen verder naar het dorp Westmalle, om er eens goed te middagmalen. Wij bleven lang aan tafel,—veel te lang voor ons geluk,—en dronken er zoo menige flesch wijn, dat de diligence Van Gend, die ons terug naar Antwerpen moest voeren, reeds lang voorbij was, eer wij er aan dachten dat het tijd was om te vertrekken.... Vijf uren te voet afleggen, dit was geen troostend vooruitzicht, bovenal langs eenen rechten, eentonigen steenweg. Dan kwamen wij op de gedachte over de vlakke heide achter het klooster der Trappisten om te gaan. Wij dronken nog eene flesch, zongen eenige liederen, en stapten dan welgemoed de heide op. Wij liepen verloren; de duisternis verraste ons, en wij beklaagden te laat onze onvoorzichtigheid,—maar daar zagen wij eensklaps in de verte een licht schitteren...."
"Juist hetzelfde als met mij!" mompelde ik.
"Gij hebt insgelijks achter het vermaledijd stallichtje geloopen?"
"Den geheelen nacht."
"Maar dan hoef ik u niet te vertellen, wat gij, evenals wij, hebt ondervonden."
"Hoe meent gij het?"
"Gij zijt na lang dolen gevallen, niet waar?"
"Ja."
"Beneden eene oude stadsvest?"
"Inderdaad."
"Een steenen voetpad bracht u over de gracht, en gij zijt, door een gat in den muur, hier binnen gekomen?"
"Maar hoe kunt gij dit alles weten?"
"Wel, het stallichtje, het voetpad en de opening in den muur zijn niets dan listen en strikken, door deze onmenschen aangewend om reizigers te vangen."
"En wat doen zij met de reizigers?" vroeg ik, huiverend van angstig voorgevoel.
"Wat zouden zij er mede doen? Ze vet maken, indien ze te mager vallen; zijn ze integendeel goed in 't vleesch, dan ze maar seffens opeten."
"Kom, gij drijft den spot met mij," riep ik uit. "Zoo iets is onmogelijk!"
"Onmogelijk? Was mijn vriend Mathijs nog hier, hij zou u kunnen vertellen hoe dit gaat...."
"Ha, uw vriend is ontsnapt?"
"Ja, langs de broodstraat... Gij begrijpt mij niet? Hij is mijne armen en beenen voorafgegaan door de keel van dit helsch gespuis. Hij was vet genoeg."
"Hoe, zij hebben den armen bakker Mathijs verslonden?"
"En er zelfs geen het minste graatje van overgelaten. De zak, waarop ik te zelfder tijd sta en zit, is zijne huid; de snaren, daar aan dit slag van harp, zijn zijne darmen."
"Welke gruwelijke dingen!" gilde ik verbleekende. "Gij droomt voorzeker of neemt een wreed vermaak in mij schrik aan te jagen."
"Waar meent gij dan, dat mijne armen en beenen zouden gebleven zijn?" wedersprak hij. "Men heeft ze onder mijne eigene oogen verslonden, dat het een vermaak was om aan te zien."
"Ongelukkige vriend, ik heb medelijden met uw droevig lot," gromde ik. "Het scheelt u zeker in de hersens, gij zijt krankzinnig; maar het schijnt mij evenwel hier niet goed voor eenen eenen Christen mensch, en wat ik nu allereerst ga doen, is dezen kuil te ontloopen."
"Ha, ha, ontloopen?" lachte bij. "Er is geen ontloopen meer aan. Kijk slechts naar de opening langs waar gij zijt binnengekomen."
"O, hemel, waar is die opening?" gilde ik in de grootste verslagenheid. "Verdwenen? Niets meer dan den effen, naakten muur!"
En, voortgezweept door de akelige overtuiging, van het doodsgevaar dat mij bedreigde, liep ik naar den tegenovergestelden kant der krocht, scharrelde langs den muur, bukte ten gronde en sprong in de hoogte naar de vensters.... Eilaas, alles was vruchteloos!
"Ontsnappen kan men uit dezen kuil niet," schertste Jacobus. "Ja, ja, loop in het ronde, zoek, snuffel in alle hoeken: gij zult geene opening vinden, breed genoeg om er uwe hand door te steken. Zoo gaat het hier. Kom, gij moet van den nood eene deugd maken; er is niets aan te doen. U zullen ze toch niet seffens opeten, alhoewel gij anders niet bijzonder mager zijt; maar ik ben oneindig vetter dan gij. Eerst mijne beurt.... Nu, vermoei u niet nutteloos en zit neder. Nog meer dan een uur voordat ze terugkeeren. Laat ons liever kouten. Wat hebben de vrienden in het Zwart Paard zoo al van mij gezegd, toen ze vernamen dat ik was verdwenen?"
Hopeloos, verpletterd en in al mijne leden sidderende, viel ik op den stoel en legde mij de handen voor het aangezicht.
"Gij beeft, gij zijt vervaard?" zeide hij. "Gij meent dat het buitenmate pijnlijk moet zijn, wanneer men u de armen of beenen afsnijdt? Daarin bedriegt gij u geheel. Deze lieden of, om beter te zeggen, deze duivels hebben eene wonderbare zalf; zij stelpt niet alleen het bloed, maar doet u tevens als een gevoel van welzijn en genot door de aderen vloeien.... Ik lag daar, op die tafel; de groote Saloc,—dit is de vader,—sneed mij de beide beenen af en reikte ze zijn hongerig huisgezin toe. Wel met tien vielen ze er op aan, sloegen hunne tanden er in en sleurden vechtend het nog trillende vleesch er af. Gij gelooft dat ik weende of beefde? Integendeel, het vreemd en koddig schouwspel der kinderen, die elkander het haar uitrukten om de laatste vezels mijner beenen te krijgen, deed mij in zulken koortsigen lach uitbarsten, dat ik mij den buik moest vasthouden om niet te stikken. Toen had ik nog mijne armen...."
"Het is afschuwelijk!" kreet ik. "Hoe gij ziet uwe lidmaten onder uw oog verslinden en gij kunt lachen? De dood, de afgrijselijkste dood wacht u, en gij zijt vroolijk!"
"Ja, ik ben blijde, uitgelaten van vreugde," juichte hij, "omdat ik heden zal sterven. Dunkt het u dan zoo vermakelijk, het leven dat ik sedert twee maanden hier doorsta, rustend op de huid van mijnen vriend Mathijs en verplicht de zielfolterende muziek aan te hooren, welke deze goddelooze booswichten uit zijne darmen lokken? Maar dit is het ergste niet: om mij vet te maken, duwen en stompen ze mij viermaal daags eenen walgelijken deeg in den mond. Dit lekker kostje bevat onder andere: vorschenbroed, paddenkwijl, addervet.... Ik heb er genoeg van.—Hoe vindt gij die kluchtigaards? Ze noemen mij hun Ortolaan, omdat ik van dien hatelijken brei zoo dik ben geworden. Heden is het de dag van hunnen Oboch of huisduivel. Het zal hier kermis zijn; mij heeft men voor de smulpartij zoolang gespaard. In den dood lacht mij de verlossing toe.... Maar wat hoor ik? Is het niet de stem van Norica? Luister, zij zingt het eeuwige, het eenige lied dat men hier kent:
Eten, eten, eten.
Nog eten, altoos eten!
Ik was rechtgesprongen en vroeg, bleek van angst:
"Norica, zegt gij. Wie is dat?"
"De oudste dochter van den Saloc. Dat meisje heeft eenen mond.... en tanden! Ik heb haar met eenen enkelen beet mijne knieschijf zien kraken als eene hazelnoot."
"Hemel, gaan ze komen? De menscheneters?"
"Ja, maar blijf toch gezeten; u zullen ze nog geen kwaad doen: ze hebben genoeg aan mij.... Tenzij nogtans, dat ze u een been of eenen arm afsneden om te beproeven hoe uw vleesch smaakt."
Een kreet van afschuw en verschriktheid ontsnapte mijnen beklemden boezem; ik liep als een krankzinnige rondom de krocht, zoekende naar eene plaats om te ontvluchten of mij te verbergen.
Wat ijselijke toestand! Niets: geene opening, geen schuilhoek.... en ik hoorde de menscheneters meer en meer naderen!
Eindelijk! mijn oog viel op de geslotene gordijnen der alkoof.
"O, ik bid u, Jacobus, heb medelijden, verraad mij niet!" smeekte ik met saamgevoegde handen.
"Voor wien ziet gij mij aan?" was zijn antwoord. "Wat gij doet is wel nutteloos, maar verraden zal ik u niet."
Ik lag reeds in de alkoof, en had metterhaast de gordijnen zoo dicht mogelijk toegetrokken. Ondanks mijne koortsige inspanning, bleef er echter eene smalle spleet, juist voor mijne oogen, zoo dat ik,—of ik er lust toe had of niet,—gedwongen was te zien wat er in de krocht zou gebeuren. Binnen de alkoof was het donker als in een graf.
Daar opende men, recht over mij, eene deur welke ik niet had opgemerkt: het was als scheidde de muur door tooverij van een. Een tiental kinderen van allen ouderdom, een afzichtelijk oud wijf en eene jonge vrouw stormden de krocht binnen, en begonnen vóor den lachenden Jacobus te dansen, terwijl ze, knarsetandende en zich de lippen lekkende, hun gruwelijk lied herhaalden:
Eten, eten, eten;
Nog eten, altoos eten!
Zonderling ras van menschen! Dikke hoofden, dikke lijven, korte dikke beenen, handen als arendsklauwen, monden tot onder do ooren gespleten, tanden als domino-steenen, een verwarde rosse haarbos, in kleverige lokken hun om de kaken waggelende, oogen gloeiend als vurige kolen en fonkelend van begeerlijkheid.
En hunne kleeding? Vuile, gescheurde lappen van onbekende stof, vroeger hoog van kleur: rood, goei, blauw; en boven die smerige lompen een manteltje van grijs leder, dat op hunnen rechterschouder met een pikkelbeentje was vastgehecht. IJselijkheid der ijselijkheden! elk dezer mantels was eene menschenhuid; op hunnen schouder kon ik, aan vier gaten:—neus, mond en oogen,—het masker der slachtoffers hunner snoode wraakzucht herkennen!
Door de openstaande deur traden nu twee bejaarde mannen binnen. De eerste, die eene zware knots in de hand hield, moest de Saloc of vader zijn, want hij riep gebiedend uit:
"Stil in het nest, onverzadelijk gebroed! Houdt uwe tanden gesloten, of ik streel uwen rug met mijne knots!"
Allen zwegen.
De andere was een grijsaard, geheel gekleed in grauw lijnwaad; op het hoofd droeg hij een witte kap met afhangende vleugels, evenals de beelden der oude Egyptische priesters. Ongetwijfeld was hij de offeraar dezer onmenschelijke schurken.
Beiden naderden tot mijnen vriend Jacobus. De Saloc, terwijl hij met welgevallen in de gezwollene wangen van het slachtoffer putjes duwde, zeide tot den grijsaard:
"Malsch en vast als caoutchouc. Wat dunkt u van onzen Ortolaan?"
"Waarlijk een echt koningsbeestje," mompelde de offeraar met bewondering. "Indien er wat van overblijft, zou ik u aanraden mij een ribbenstuk geschenk te doen."
"Ik bespreek het hart en de lever!" riep Norica.
"Voor mij de wangen! Ik wil de handen! Ik de voeten! Ik den borstlap!" klonk het van alle kanten.
Maar de Saloc hief zijne knots boven den hoop schreeuwers, en deze bedreiging deed hen zwijgend terugdeinzen.
Ondertusschen betastte de offeraar den armen Jacobus, evenals de beenhouwers doen bij het koopen van een beest, en hij bleef eene lange wijl zonder spreken.
"Nu, waaraan denkt gij zoo diep?" vroeg hem de Saloc.
"Ik denk, ik denk," was het antwoord, "dat wij zulk uitstekend offer ter eere van den grooten Mikias zouden moeten bewaren. Uw huisgeest kan dit niet kwalijk nemen, integendeel. Binnen een paar weken treedt de zon in het teeken van den Leeuw; dan vieren wij het huldefeest van den grooten Mikias...."
"Wat bewaren? Niemendal bewaren!" riep de dochter Norica woedend uit. "Gij zoudt onzen Ortolaan alleen willen opeten? Niet te doen: wij zullen er vandaag aan smullen tot middernacht!"
"Zwijg, onbeschofte vreetster," wedervoer haar vader. "Gij hebt niets te zeggen: ik alleen mag hier beslissen,—en, denk ik het raadzaam, aan den wensch van den offeraar toe te geven...."
Ik zag met verwondering, dat Jacobus begon te weenen.
"Hou u stil, onnoozele schreeuwbek!" snauwde de Saloc hem toe. "Wat geeft het u, of gij heden of binnen twee weken door onze keel naar de andere wereld gaat?"
"O, laat mij een enkel woordje spreken!" smeekte Jacobus.
"Wat zoudt gij weten in te brengen? Het zijn uwe zaken niet. Spreek evenwel."
"Maar, lieve menschen," zeide mijn vriend snikkende, "gij wilt mij nog eene halve maand in het leven houden? Ik kan bijna geenen adem meer scheppen. Haast gij u niet mij op te eten, dan zeker, eer de week ten einde is, ben ik gestikt in mijn vet. Wat zal de groote Mikias, wat zult gij zelven hebben aan eenen mensch, van ziekte gestorven?"
"Hij heeft gelijk!" riep Norica.
"Ik geloof het insgelijks," mompelde de Saloc.
"Welaan, ik trek mijn voorstel in," zeide de offeraar. "Laat ons eten."
"Eten, eten, eten; nog eten, altoos eten!" klonk het tegen de gewelven, terwijl de kinderen en vrouwen, door huppelen en zegevierend handgeklap, hunne blijdschap betuigden.
Jacobus werd op de groote tafel geheven; men kroonde zijn hoofd met verdorde festoenen, hing hem eenige gekleurde lapjes op borst en schouders, en zette eenen stoel tegen zijnen rug, opdat hij niet achterover viele.
De offeraar haalde eene rol perkament uit de tasch van zijn kleed, en begon prevelende te lezen wat daar op geschreven stond.
Al de anderen hielden het hoofd gebogen, en antwoordden nu en dan daar een enkel woord, dat klonk als Selim Selim.
Ik zag dit alles in doodelijken angst aan. De lange stilte en de roerloosheid dezer beulen, brachten mij terug in mij zelven. Ik dacht aan mijne goede vrouw, aan mijne arme kinderen. Tranen rolden uit mijne oogen; en, ofschoon dit ziltig water mij aan neus en wangen pijnlijk jeukte, weerstond ik door geweldige wilsinspanning den nood tot niezen.... Mij daalde nog eene zwakke hoop in het hart, bij de overweging dat de deur open was gebleven. Kon ik mij nu verborgen houden, totdat de menscheneters de krocht hadden verlaten, dan zou ik misschien nog langs die deur kunnen ontsnappen.
Maar, groote God, wat voel ik daar aan mijne beenen?.... Iets dat kruipt en krabbelt! Een gedierte, een monster.... Het klimt op langs mijn lichaam, het drukt op mijne borst, het nadert mijn aangezicht! Wat zijn de twee blauwe vonken, die lichten in de duisternis der alkoof? De oogen van het ondier?.... Het angstzweet breekt mij uit, en ik mag niet om hulp schreeuwen, mij niet roeren!.... Ai, ai, het zet zijne tanden in mijn oor en begint mij levend te verslinden! Mijn wil bezwijkt; ik sla mijne beide handen aan den hals van het wangedrocht en poog het te verwurgen.... maar, o ramp, daar galmt een akelig "mauw, mauw!" uit de alkoof, en de kat springt huilend tusschen de gordijnen door. Ik ben verraden!
Inderdaad, mijne beenen worden door een tiental klauwen aangegrepen; men rukt mij uit de alkoof, men sleurt mij langs den grond naar het midden der krocht. Ik spring recht en wil tegenstand bieden; maar de wreede Saloc heeft mij bij den schouder, en ik voel wel hoe de minste neep zijner vingeren mij vleesch en beenderen plettert.... Eilaas, alles is nutteloos: ik moet het aanvaarden, mijn gruwelijk lot!
"Ha, ha, de groote Mikias zelf zendt ons dit geschenk toe! De kerel is niet mager," juichte de Saloc. "Nu kunnen wij onzen Ortolaan voor het plechtig huldefeest bewaren. Komt, kinderen, wet uwe tanden: er is genoeg om ons allen te verzadigen. De gebeden zijn gedaan. Zet den Ortolaan terug op zijnen zak, dat ik het nieuwe wild op de snijtafel kunne leggen.—Zoo, zoo is het wel, brengt mij nu mijn groot mes; en gij, vrouw, en gij, Norica, houdt hem vast bij de armen."
Ik lag als een arm slachtkalf uitgestrekt. Mij beefden de lidmaten zoo hevig, dat het tafelblad er van daverde. Ik had willen schreeuwen; maar mijne stem verstikte in mijne beklemde keel....
O, wat electrieke schok siddert daar eensklaps mij door de aderen? Zie ik niet de kinderen, de afzichtelijke schepsels, ter zijde loopen met mijns beenen? Scheurt niet de vraatzuchtige Norica met hare lange, witte tanden de kuitspieren er af? Ja, ja. Ach, mijne arme lidmaten, zij; verdwijnen, gekraakt, gepletterd, gemalen, in de keel dezer afgrijselijke monsters! Kon ik geluid geven, hoe zou ik huilen; maar de angstkrop, die mij in den gorgel zit, versmacht mij.... Hemel, die bliksems boven mijne oogen? Wat is het? Een groot mes!.... De Saloc grijpt mij bij het haar en rukt mijn hoofd achterover: hij gaat mij de keel afsnijden. Ramp, ramp, het is gedaan met mij: ik voel het ijskoude staal in mijn vleesch dringen.... maar nu breekt mijne stem los en ik schreeuw met reuzenkracht:
"Hulp, hulp! moord, moord!"
Eene bekende, eene beminde stem roept aan mijn oor:
"Jan, Jan, wat hebt gij? Het koude zweet staat op uw voorhoofd. Word wakker: gij droomt!"
Ik open de oogen, kijk verbaasd mijne goede vrouw aan, en stamel met eenen blijden glimlach:
"Ja, ik heb gedroomd, vervaarlijk gedroomd; maar wat geluk dat het niet waar was!"
Wat ik hier vertellen wil, is voorgevallen, kort na 1830, toen de vrijwilligers van generaal Niellon, in de dorpen der Antwerpische Kempen, bij de boeren gelogeerd waren, om daar op het hernemen van den oorlog te wachten.
Ik zie nog, in mijnen geest, de herberg van baas Kobus Noppe, waar het Bonte Kalf uithing.
Zij stond op drie of vier boogschoten van het dorp Lichtaert, bij de Molenstraat, in de richting naar Thielen.
Dit huis had eerder het voorkomen eener kleine hofstede dan eener herberg; want op den open voorhof, ter zijde van den gevel, lag een breede mesthoop, met kakelende hennen, en daarachter, binnen den stal, kon men in de halve duisternis twee koeien zien herkauwen. Slechts de voorkamer aan de straat was tot drinkplaats ingericht, ten dienste van voorbijgangers en voerlieden.
Wat de dorpelingen en de boeren der omstreken betrof, zelden kwam een hunner gedurende de week in het Bonte Kalf; maar den Zondag, na den noen tot het vallen van den avond, was de herberg van Kobes Noppe vol volk. De oude vaders speelden er met de kaart, de jonge lieden op de schuiftafel of de bollenbaan, en moeder Noppe en hare dochter Lisa hadden werk genoeg om, onder het wisselen van eenige vriendelijke woorden, de gasten te bedienen, terwijl de baas bijna gedurig in den kelder bleef om bier te tappen.
Op een vroegen lentemorgen van het jaar 1831,—het was eenen Dinsdag,—trad Kobus Noppe van de straat in zijne woning, stapte langzaam tot het diepe der kamer, trok eenen stoel nevens de kas van het uurwerk en liet zich als mismoedig er op nedervallen. Eene uitdrukking van slechte luim benevelde zijn gelaat, hij liet het hoofd op de borst zakken en zonk weg in gepeinzen.
Scheen baas Noppe ondanks zijn struischen lichaamsbouw, opmerkelijk loom en traag, zijne echtgenoote, die nu uit den stal in de gelagkamer trad, was integendeel klein en mager, maar hare levendige oogen en rappe beweging en een zuurzoeten blik, dien zij van terzijde op haren man richtte, konden doen denken, dat zij met meer wilskracht was begaafd dan hij, en waarschijnlijk niet gewoon was voor hem te zwichten.
Zij naderde hem en vroeg half schertsende:
"Nu, Kobus, jongen lief, op welken doorn hebt gij getrapt? Gij gaat even uit, om ons gebroken houweel naar den smid te brengen, en daar keert gij terug met een gezicht als de kwade moordenaar! Wat is er alweder?"
"Ik heb moeder Houtman ontmoet," zuchtte hij.
"Is het het anders niet? Wat wonders is daar aan?"
"Zij heeft mij opnieuw gesproken van haren zoon Frans en van onze doohter Lisa."
"Het is te begrijpen; maar moet gij daarom zuur zien als een stekelvarken?"
"Ik zie niet zuur, Christien; ik ben bedroefd.
"Zoo, en waarom?"
"Ach, Christien, er drukt mij iets op het hart, zoo zwaar als lood. Gij zoudt mij een groot plezier doen, wildet gij mij gedurende eenige oogenblikken laten spreken."
"Altijd hetzelfde liedje ongetwijfeld?"
"Het is gelijk, Christien.... Lisa is naar het veld, wij zijn alleen. Wees goed en zit eens neder."
"Nu, laat hooren, Kobus."
"Gij zijt, hoop ik, nog niet vergeten, vrouw, wat goede, getrouwe vriendschap wij en de Houtmans, van jongs af, elkander altijd toedroegen. Vroeger waren zij onze naaste buren, en hun zoon en onze dochter hebben te zamen gespeeld, van voordat ze nog alleen konden loopen."
"Maar waarom zegt gij dit alweder?" morde de vrouw. "Weet ik het niet zoo goed als gij zelf?"
"Ja, ja, des te beter; maar ik bid u, laat mij voortgaan. Wij hebben met de moeder van Frans en met zijn vader zaliger dikwijls, lachende doch ernstig evenwel, gezegd dat de kinderen later een schoon paar zouden zijn—en het is waarlijk zoo. Dit ten minste kunt gij niet betwisten, Christien, al trekt gij de schouders op. Hij is een welgemaakte, sterke jongen; onze Lisa heeft ook armen aan het lijf. Beiden zijn braaf en werkzaam. Zij beminnen elkander; en dewijl zij sedert lang weten, wat wij voor hen van hunne eerste jonkheid af hebben gedroomd...."
"En het is daarom, onnoozele Kobus, dat gij zuur ziet? Heeft moeder Houtman u misschien verwijten durven doen?"
"Zij heeft mij geene verwijten gedaan, maar mij onder de oogen gebracht, dat het tijd wordt om over het lot der kinderen besluit te nemen."
"Kan zij dan niet meer wachten? Het brandt er zeker niet?"
"Zij heeft mij weder gesproken van het hofstedeken onder Thielen, dat met St.-Baafsmis ledig valt en dat de eigenaar, op haar verzoek, aan onze kinderen wil in pacht geven. Het zou eene dwaasheid zijn, denkt zij wel te recht, zulke goede gelegenheid te laten ontsnappen; en dewijl de kinderen...."
"Goed, goed, Kobus, de kinderen hebben daar niet over te beslissen; maar gij, wat hebt gij haar geantwoord?"
"Ik heb haar gezegd dat zij gelijk heeft, dat ik niet beter wensch dan de jonge lieden maar seffens te laten trouwen; maar dat ik eerst mijne vrouw daarover moest spreken."
"En gij waart opvoorhand spijtig, omdat gij voorzaagt, dat ik daarop geen gunstig antwoord zou geven?"
"Om de waarheid niet te verbergen, ja, het is zoo."
"Welnu, gij hebt u niet bedrogen, man. Onze dochter is nog jong genoeg om te wachten; wij kunnen hare tegenwoordigheid nog niet missen. Om eene meid in onze herberg te nemen, daartoe heb ik in het geheel geenen lust."
"Christien, gij zijt niet oprecht," mompelde de baas. "Er speelt u wat anders in het hoofd."
"Het is wel mogelijk."
"Zou het zonder redenen zijn, dat gij den zoon van den secretaris zoo uiterst veel vriendschap betuigt, alsof de grond te hard was voor zijne voeten? Sedert dat die jongen uit de stad is gekomen en hier dagelijks een paar uren rondom onze Lisa draait, hebt gij slechte gedachten gekregen, vrouw."
"Slechte gedachten?" herhaalde zij met een zegevierenden glimlach. "Wil ik u eens iets zeggen, dat u verrassen zal, Kobus? De secretaris heeft mij Zondag, na de vroegmis bij den uitgang der kerk, aangesproken over zijnen zoon Theodoor, en mij gevraagd of wij niet zouden genegen zijn, hem met onze Lisa te laten trouwen."
"Hemel, heeft hij dit waarlijk gevraagd?" riep de baas verschrikt. "Maar gij, Christien, gij hebt hem doen gevoelen dat zulks onmogelijk is, niet waar? Dat wij andere inzichten hebben....?"
"In het geheel niet; ik heb hem gezegd dat ik wensch, dit huwelijk te zien sluiten, maar dat mijn man zoo gemakkelijk zijne toestemming niet zou geven."
"Gij hadt groot gelijk, Christien."
"Ja, maar ik heb er bijgevoegd, dat gij van zulke zaken geene kennis hebt, dat aan de moeder alleen het recht toebehoort om over het lot harer dochter te beschikken, en ik u wel zal overhalen om, met dank of tegen dank, de hand onzer Lisa aan Theodoor te schenken."
"Welnu, ditmaal toch hebt gij u bedrogen!" viel de baas in gramschap uit. "Ik wil van dien Theodoor niet meer hooren. Lisa zal met Frans Houtman trouwen of zij moet in St.-Anneschapraai, voor geheel haar leven! En, komt de zoon van den secretaris wat veel beslag in mijn huis maken, zoo waar ik leef, ik smijt den flierefluiter de deur uit!"
"Toe, toe, maak u nutteloos geen kwaad bloed, man," schertste de bazin. "Zie hem daar nu zitten met gesloten vuisten en een aangezicht zoo rood als van een kalkoenschen haan! Bijt mij maar niet, dolle kerel."
"Gij durft mij nog uitlachen, mij bespotten, onbeschaamde?"' gromde baas Noppe, woedend opstaande. "O, weerhield ik mij zelven niet!.... Omdat gij eene vrouw zijt en klein daarenboven, meent gij dat gij mij straffeloos moogt tergen; maar, maar, Christien, om Gods wil, spaar mij, ik zou een ongeluk kunnen doen!"
"Het is uwe schuld, Kobus. Waarom zijt gij zoo opvliegend?" antwoordde zij op zachteren toon. "Met dit haspelen en schreeuwen geraken wij tot geen besluit. Kom, bedaar, mijn vriend; zit neder en laat ons redelijk zijn."
"Ik vraag niet beter; gij weet het wet, Christien," zeide de baas met zichtbare tevredenheid.
"Lieve man, het is moeilijk met u te kouten," begon vrouw Noppe. "Ik heb met engelachtig geduld u aangehoord; wees gij nu even toegevend voor mij en luister op mijne redenen. Trouwt onze Lisa met Frans Houtman, dan zal zij eene boerin zijn en tot het einde harer dagen moeten arbeiden en zwoegen, in nat en droog, van den morgen tot den avond, slechte kost eten en gekleed gaan als eene arme sloof, met eenen groven rok en eene trekmuts. Trouwt zij met Theodoor Peeters, dan wordt zij eene juffrouw, moet niet meer werken, draagt kleederen van zijde en komt voor den burger als eene madam uit de stad...."
"Madam, madam?" viel Kobus Noppe met ongeduld in hare rede. "Onze eenvoudige Lisa eene madam? Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw? En daarenboven, gij weet niet wat ge zegt. De secretaris is een onbemiddeld man; wat hij zijnen zoon zou kunnen medegeven is bitter weinig, terwijl de weduwe Houtman integendeel een goeden spaarpot heeft."
"Hij zal zijnen zoon het ambt van secretaris afstaan."
"Zegt hij dat?"
"Ja."
"En waarvan zal hij dan zelf leven?"
"Wat raakt ons dat, Kobus? Hij is landmeter en zal zich dit ambacht met meer vlijt aantrekken."
De herbergier gevoelde met verdriet, dat men geweld zou doen om hem een gevaarlijk of noodlottig besluit af te dwingen.
"Christien, Christien," mompelde hij, "gij hebt u door de fleemerij van den zoon Peeters laten verleiden; maar, ik smeek u, bedenk u toch eens wel, eer gij verder gaat. Theodoor is de echte broeder niet, geloof mij. Hij studeerde vroeger te Turnhout, op kosten van een zijner oomen. Waarom heeft hij het collegie voor den tijd verlaten? Weet gij wat de lieden zeggen? Hij was te lui en wilde niets leeren."
"Kom, kom, flauwe praat van de Houtmans, die hem niet kunnen lijden.... natuurlijk!"
"Die zelfde oom,—een apotheker of drogist,—heeft hem naar Antwerpen doen komen, om hem zijn ambacht te leeren; maar nog geene zes maanden of hij moest hem wegzenden. De jongen gedroeg zich slecht en zijne onoplettendheid deed zijnen oom vreezen, dat hij bij misgreep de klanten zou vergiftigen...."
"Laster van nijdigaards," wedervoer de vrouw. "Theodoor heeft Antwerpen moeten verlaten, omdat hij er de lucht niet kon gewoon worden en gedurig de koorts had.... En indien hij op het collegie geene vorderingen had gedaan, hoe zou hij dan secretaris der gemeente kunnen worden? Hij is integendeel zeer geleerd en verstandig, en slim genoeg om twintig onnoozele boerenjongens als Frans Houtman in de doeken te leggen."
"Maar Lisa heeft geene genegenheid voor hem," morde de baas.
"Ik moet lachen om uwe eenvoudigheid, Kobus. Wat weet gij daarvan? Gij zit immers in haar hart niet?"
"Hoe, vrouw gij zoudt kunnen vooronderstellen....?"
"Is zij hem niet zoo minzaam, dat iedereen het opmerkt? Daarenboven, was het nog niet geheel zoo, wees gerust, het zal wel komen; de zaak is op goeden weg.... en indien Frans op de eeuwige liefde van onze Lisa rekent, dan beklaag ik den armen sukkelaar."
Baas Noppe slaakte eenen zucht en wreef zich met de hand over het voorhoofd. Wat hij hoorde, verblufte hem. Hoe? zijne dochter zou de zuivere, de innige genegenheid van geheel haar leven ontrouw worden? Den goeden Frans verraden, voor iemand dien zij, drie maanden te voren, nog niet kende?"
"Kobus, vriend, wil ik u eens eenen goeden raad geven om uw hoofd van al die muizenissen te verlossen?" vroeg de vrouw met fleemende zachtheid. "Worstel niet langer tegen een besluit, dat gij toch zult nemen. Geef uwe toestemming, dan hebt gij u niet verder daarmede te bemoeien; ik zal alles wel af haspelen zooals het behoort."
"Mijne toestemming geven tot een huwelijk onzer dochter met den zoon van den secretaris? Neen, vrouw, dit doe ik niet, zeg ik u, noch vandaag, noch morgen, noch ooit! Ha, gij meent dat gij, als naar gewoonte, mij zult kunnen dwingen? Ditmaal toch bedriegt gij u. Wij zullen eens zien, of gij eeuwig met mij zult handelen als met een onnoozelen dommerik!"
"Een dommerik? Gave God, dat gij geene andere ondeugden hadt, versteende koppigaard!" riep de bazin met de handen in de zijde. "Hoe? gij zijt vader; men laat uwe dochter de keus: boerin te blijven of, als eene madam, vereerd en zonder werken te leven.... en gij, ziellooze mensch, gij zoudt uw kind veroordeelen tot armoede en eeuwige slavernij? Gij moet geen brokje hart in het lijf hebben.... Maar wees zeker, gij zult toestemmen, willen of niet. Er is evenwel geene haast bij; bedenk u nog eenige dagen—Laat ons nu liever daarover zwijgen: ik hoor onze Lisa komen.
"Arm kind, zij zingt!" zuchtte de baas. "Wist zij wat er tegen haar geluk wordt gebrouwen!"
"Nu, zwijg maar, Kobus; geen woord meer over deze zaak, daar is ze...."
Eene jonge maagd van iets meer dan twintig jaar, gezond en bloemig als eene roos, trad in huis met eene sikkel in de hand en een zwaren bundel snijkoren op het hoofd.
Onder het murmelen van eenen stillen groet ging zij in den stal, wierp haren last af, en kwam dan in de kamer, waar zij als vermoeid zich op eenen stoel liet vallen, terwijl zij zeide:
"Prachtig lenteweder, moeder; alles groeit op het veld dat men het ziet; de vogelen zingen in de boomen, als was er een prijs te verdienen.... Vader, ik heb Frans ontmoet. Zijne blauwgeschelpte duiven hebben jongen; zij zijn voor u; hij zal ze Zondag medebrengen."
Baas Noppe knikte goedkeurend, doch sprak geen woord; even stom bleef zijne vrouw, ofschoon Lisa beiden verwonderd aankeek, als vroeg zij de reden van dit zonderling stilzwijgen.
Deze houding werd voor allen lastig.
"Daar hoor ik de hennen kakelen." zeide de bazin. "Zij doen mij gedenken, dat ik mijn werk verzuim. Lisa, gij weet dat gij met eenen korf eieren naar den winkel moet. Ik ga het nest ledigen, dan zullen er nog een dozijn meer zijn."
Met deze woorden verliet zij de Kamer.
"Maar, vader," vroeg het meisje, "wat is hier gebeurd, dat gij beiden er zoo treurig uitziet?"
"Niets, niets, mijn kind," antwoordde baas Noppe, "uwe moeder is wat vreemd gezind vandaag.... Maar, kom, het moet mij van het hart! Zeg mij eens oprecht, Lisa, wat denkt gij over Theodoor Peeters?"
"Wat zou ik over hem denken, vader? Hij is een goede, vroolijke jongen en heeft veel verstand."
Deze woorden schenen baas Kobus te bedroeven.
"Ja, ik heb sedert eenigen tijd opgemerkt, dat gij hem zeer vriendelijk zijt," morde hij, het hoofd schuddende. "Ach, wie kan op het veranderlijk gemoed eener vrouw betrouwen!"
"Maar wat wilt gij toch zeggen, vader? Ik ben Theodoor Peeters beleefd en vriendelijk evenals ik het jegens al onze klanten ben; maar het is mijne schuld niet, dat de andere jongens zoo weinig weten te vertellen, terwijl Theodoor altijd iets geestigs in den mond heeft."
"Gevoelt gij inderdaad genegenheid voor hem?"
"Ik kan hem goed lijden, vader."
"Eilaas, uwe moeder had dus gelijk!.... Ik moet daar klaar inzien; de twijfel pijnigt mij.... Lisa, indien men u voorstelde met Theodoor te trouwen, wat zoudt gij doen?"
"Met Theodoor trouwen, ik?" mompelde de maagd half glimlachend en half verschrikt. "Wat zijn dit nu voor gedachten, vader? Ben ik niet, sedert jaren, beloofd aan Frans? Ik de bruid van Theodoor? Neen, neen, trouw ik ooit, dan zal het met Frans Houtman zijn en niemand anders...."
Baas Noppe sprong met een blijden kreet van zijnen stoel op, vatte de beide handen zijner dochter en zeide:
"Wel gesproken, mijn kind; gij zijt braaf en hebt een eerlijk hart. Luister, voor deze zaak ten minste, niet naar uwe moeder. Wij zullen samensspannen en elkander helpen, om haar te wederstaan,"
"Hemel, heeft moeder zich in het hoofd gestoken, mij met...."
Maar daar hoorden zij op den voorhof een vreemd geschreeuw, als van iemand die om hulp roept. Zij hadden reeds een paar stappen gedaan, om te gaan zien wat er gebeurde, toen de achterdeur werd geopend en bazin Noppe binnentrad, zoo bleek en met zulke verwilderde oogen, dat hare verschijning den baas en zijne dochter met eenen angstkreet dood terugdeinzen.
"Wat is er voorgevallen, vrouw? Eene koe dood?" vroeg Kobus Noppe.
"Mirakel, een mirakel!" stamelde de vrouw, zonder iets meer te kunnen zeggen.
"Een mirakel? Wat beteekent dit? Spreek, ik smeek u!" riep haar man.
"Ach, ik ben meer dood dan levend!" zuchtte de bazin, terwijl zij een ei toonde, dat zij in de hand hield. "Menschen lief, wat zal ons nog overkomen! Ik ga in het wagenkot, om het hennennest te ledigen; ik haal er vijf eieren uit en leg ze in mijnen korf; ik grijp er een zesde, en voel daar iets vreemds aan, dat mij verwondert; ik loop onder de lucht om te zien wat het is. Wie zou niet beven? Het was een ei met letteren er op!"
"O, Christien, onvoorzichtige vrouw, waarom ons zoo ijselijk doen verschieten?" gromde de baas. "Begrijpt gij het niet? Een onzer klanten, die zich ten onzen koste wil vermaken, heeft de letteren op het ei geschreven."
"Kom, moeder, is het anders niet dat u zoo verschrikt?" lachte het meisje.
"Maar zwijgt toch en laat mij spreken. De letters op het ei zijn niet door eene menschenhand geschreven. Zij zijn in de schaal gegroeid en van dezelfde stof. Wel zeker heeft een hen het ei gelegd zooals het is."
"En wat staat er op, Christien? Eene klucht zeker?"
"Ja, kon ik maar lezen. Daar, Kobus, zie gij zelf."
Zij reikte haren man het ei, en deze, na het met eene klimmende verwondering te hebben rondgedraaid en bekeken, hield het stil onder zijne oogen, als poogde hij den zin der letteren te ontcijferen.
Eensklaps werd hij bleeker dan een lijk, slaakte eenen wanhoopskreet en viel sidderend op eenen stoel, terwijl zijn strakke blik op het wonderei bleef gevestigd.
"Eilaas, eilaas, die arme Frans!" zuchtte hij. "Hoe ongelukkig voor hem! Maar wat kan de mensch tegen den wil van God?"
Bazin Noppe stond bevend voor haren man en staarde hem met wijd geopende oogen aan; zij scheen den moed niet meer te hebben om hem eene uitlegging te vragen, welke zij zich voorstelde als moetende verschrikkelijk zijn.
"Maar, vader," stamelde Lisa, even ontsteld, "wat staat er op dit ei? Frans ongelukkig? Laat mij het zien, dat ik het leze."
Zonder spreken legde baas Noppe het ei haar in de hand. Even had zij het oog er op gericht, of een gil van smart en schrik ontsnapte haar, en zij week waggelende terug naar haren stoel, als ging zij bezwijmen. Zij bezigde de laatste kracht, die haar overbleef, om haastig het ei op de tafel te leggen; anders ware het zeker op den grond aan stukken gevallen.
De bazin sprong toe met groot misbaar en nam hare dochter in de armen. Eene korte wijl vergoot het meisje overvloedige tranen tegen hare borst en snikte hevig. Dan werden hare klachten duidelijk.
"O, die arme Frans!" zuchtte zij, "hij zal er van sterven! En ik, die hem zoo beminde, ik moet hem nu aan zijn bitter lot overlaten, zonder troost en zonder hoop, eilaas, eilaas!"
"Kind, kind, er is niets aan te doen," zeide baas Noppe, nu een weinig tot zich zelven gekomen. "Wat helpt ons weenen of klagen? Wij moeten deemoedig bukken onder Gods bevel."
"Maar zeg mij toch, wat staat er dan zoo schrikwekkend op het ei?" vroeg de bazin.
"Geef het mij, ik zal het u zeggen, Christien."
En toen zij hem het ei ter hand had gesteld, las hij met diepe stem en woord na woord:
"Lisa.... moet trouwen.... met Theodoor: het is Gods wil."
Nieuw misbaar en nieuwe klachten ontsnapten het meisje, terwijl integendeel op het gelaat der vrouw een glimlach van blijde verwondering straalde.
Het ei werd nog eens door allen met angstige aandacht, en daarenboven door Lisa met eenig mistrouwen, bekeken en onderzocht. De letteren waren er inderdaad niet opgeschreven. Zij bestonden uit dezelfde kalkstof en waren even wit als de geheele schaal; men zou ze nauwelijks bemerkt hebben, indien ze niet een weinig boven den grond der schaal waren verheven geweest.
Allen bekwamen de volledige overtuiging, dat het ei wel werkelijk, zooals het was, door eene hen in het nest was gelegd geworden, en niemand twijfelde, of God zelf—om redenen, welke zij niet durfden doorgronden—openbaarde hun op zulke geheimzinnige wijze zijnen wil ten gunste van Theodoor Peeters.
Bazin Noppe was daarover niet bedroefd; integendeel, zij juichte innerlijk en zegevierde over haren man, die nu zelf getuigde dat het zondig, ja, misdadig zou zijn, zich niet met deemoed en zonder morren aan Gods beslissing te onderwerpen.
Dit was eveneens de overtuiging van Lisa; alhoewel zij diep bedrukt was, kon onmogelijk in haren geest de gedachte opkomen, aan het uitdrukkelijk bevel des hemels weerstand te bieden; en zoo was dan de arme Frans Houtman wel beslissend veroordeeld zonder dat de baas noch zijne dochter zieh vermetel genoeg gevoelden, om hem nog langer te beklagen.
Er hield op dit oogenblik een voerman voor de deur stil, en hem werd natuurlijk het wonderei getoond. Deze, even verschrikt, maakte een kruis en opperde insgelijks de meening, dat zij niets anders konden doen dan zonder uitstel den wil des Heeren, hun door dit ei zoo duidelijk veropenbaard, te vervullen.
Even was de voerman echter van zijne verbaasdheid wat bekomen, of hij dronk zijn glas bier uit, verliet de herberg en dreef zijne paarden met haast naar Lichtaert, wel besloten dit ontzettend nieuws in het geheele dorp te gaan rondbrieven.
Het spreekt van zelven, dat talrijke lieden naar het Bonte Kalf kwamen geloopen, om het wonderei te zien.
Des namiddags en tot laat in den avond, krielde de herberg van dorpelingen en boeren, die, met verschriktheid op het gelaat en met zichtbaren eerbied, het ei in de hand namen, en over het onbegrijpelijk voorval redekavelden.
Intusschen wekten de angstige overwegingen hunnen dorst op, en kon de baas geen oogenblik uit den kelder komen, aangezien hij werk genoeg had om zonder ophouden bier te tappen.
Vrouw Noppe stond alleen de gasten ter spraak, en zij had reeds meer dan honderdmaal verteld, hoe zij naar het wagenkot was gegaan om het hennennest te ledigen, hoe zij het ei had gevonden en wat onbeschrijfelijke schrik hen allen had aangegrepen, toen haar man de openbaring van Gods wil er op had gelezen.
Lisa zeide niet veel. Hoe gaarne hadde zij geweend! maar, hoe diep treurig ook, gevoelde zij wel, dat het haar een onverbiddelijke plicht was, zich zonder morren aan de uitspraak des hemels te onderwerpen.
Niemand der talrijke bezoekers kwam op de gedachte, de echtheid der openbaring in twijfel te trekken. Wel hadden eenige stoutmoedige jongelieden reeds van op de straat met de zaak gespot en waren lachend in de herberg getreden, maar toen zij het ei onder de oogen hadden en moesten bekennen, dat geene menschenhand die letters kon gevormd hebben, bleven zij allen stom van verrassing en eerbied.
Frans Houtman kwam in den vooravond: hij had het nieuws niet eerder vernomen. De arme jongen was zeer eenvoudig en godvreezend; ook toen hij het ei had gezien en zelf zijn vonnis er op had gelezen, waren de tranen hem uit de oogen gesprongen en hij was met gebroken hart heengegaan, evenals Lisa ten volle overtuigd, dat hun niets overbleef dan zich aan hun bitter noodlot te onderwerpen.
Slechts de nacht bracht een einde aan den toeloop der lieden.
De bazin telde met dubbele vreugd de geldstukken, welke in de tooglade opgestapeld lagen.... Zij hadden dien dag meer dan anders op zes weken ontvangen, en zij mochten denken dat het morgen en overmorgen op dezelfde wijs zou toegaan.
"O, dit gezegend ei!" riep moeder Noppe. "Laat ons het met dankbaarheid en zorg bewaren; want, viel het op den grond en brak het aan stukken, alle hoop op verdere winst ware verloren."
Zij nam het ei uit het koffiekopje waarin het lag, en bracht het met eerbied aan hare lippen. Hierbij bemerkte zij, dat de boeren, met het honderden malen in de hand te nemen, het vuil hadden gemaakt; ten minste de letters schenen als zoovele zwarte strepen op de grijsachtige schaal uit te lossen. Zij waschte het met zeep en jenever, droogde het af met een zuiveren doek en legde het terug in het kopje, op wat katoen, om het zachtjes te laten rusten.
De persoon, die het meeste belang in deze zaak had, was dien dag in het Bonte Kalf niet verschenen; maar het verwonderde niemand, daar men wist dat Theodoor Peeters, op last zijns vaders, naar Antwerpen bij zijnen oom was gegaan.
Des anderen daags, terwijl het Bonte Kalf alweder vol bezoekers was, kwam Theodoor in de herberg, vragende spottend en met ongeloovig gelaat, of het geene lachmerkt was, wat men hem had verteld.
Maar nadat hij insgelijks het wonderei had beschouwd en met aandacht onderzocht, werd hij niet min dan al de anderen met verbaasdheid getroffen, en bleef eene lange wijl in stomme overweging verslonden.
Alhoewel dit onuitlegbaar voorval de zoetste wenschen zijns harten vervulde, scheen hij verschrikt en mompelde woorden, die getuigden dat het hem moeilijk was, zijne eigene oogen te gelooven. Te betwisten dat het ei wel wezenlijk eene openbaring van Gods wil was, dit durfde hij zoo min als de anderen.
Jegens Lisa gedroeg hij zich ditmaal op de meest bescheidene wijze. Hij zag hoe de tranen haar in de oogen glinsterden, en begreep waarschijnlijk al de diepte van haar zielsverdriet. Hoe het zij, als hield een gevoel van edelmoedigheid hem terug, hij toonde geene groote blijdschap, eerbiedigde de treurigheid van het meisje en verliet de herberg na een half uur, voorgevende dat zijn vader hem op het gemeentehuis verwachtte, om daar een haastig schrijfwerk af te doen.
De toeloop der lieden duurde eenige dagen voort, maar dan begon het getal der nieuwsgierigen te verminderen, op zulke wijze dat men, na een paar weken, het ei schier had vergeten, en het Bonte Kalf slechts nog door zijne gewone klanten werd bezocht.
Onderwijl hield moeder Noppe zich vlijtig bezig met het huwelijk harer dochter te bespoedigen, en reeds had men de bruidskleederen van Lisa besteld.
Het meisje was altijd even treurig; ook baas Kobus verkeerde voortdurend in slechte luim; maar geen van beiden durfde echter denken, dat er nog de minste hoop bestond om de voltrekking van het gevreesde huwelijk te ontsnappen.
Men had dien morgen te Lichtaert de trommels hooren slaan, en de boeren van het gehucht de Molenstraat verwachtten met zekere blijdschap de mannen, welke zij ongetwijfeld zouden te logeeren krijgen.
De vrijwilligers van generaal Niellon, die alsdan de Kempische dorpen doorkruisten, waren geene eigenlijke soldaten, zooals men dit in gewone tijden verstaat. Allen hadden, bij het losbreken der omwenteling, hunnen stand of hunne bezigheid verlaten, om de wapens op te vatten tot vrijmaking van het vaderland. Onder hen telde men zonen van goeden huize, studenten, werklieden, boeren, en ook wel ongetwijfeld eenige slechte kerels, uitschot der steden; maar het grootste getal behoorde evenwel tot de middelbare burgerij, en hunne handelwijze, taal en zeden verschilden niet merkelijk van die der vreedzame bewoners van het Kempenland.
Deze goede lieden aanschouwden diensvolgens de vrijwilligers als zijnde, in de meeste gevallen, van hoogeren maatschappelijken stand dan zij zelven. Overweegt men nu daarbij, dat de geestelijkheid op de dorpen algemeen de omwenteling aankleefde en de Vrijwilligers loofde, als de verdedigers van Vaderland en Geloof, dan zal men licht begrijpen, waarom de bewoners der Kempen zich bereid toonden, de patriotten of liever de Belgen, zoo zij hen noemden, niet alleen met vriendschap maar tevens met zekeren eerbied te onthalen.
Weinig tijds nadat de trom in Lichtaert had opgehouden te slaan, verlieten twee dezer Vrijwilligers het dorp en gingen den aardeweg naar Thielen op. Zeer zonderling waren zij toegetakeld, want alhoewel met geweer op den schouder, sabel aan de zijde en ransel op den rug, hadden zij geene eigenlijke soldaten-kleeding aan. Op hun hoofd droegen zij eene haren muts van bruin geverfd konijnenvel en gesierd met eene groote driekleurige kokarde; om het lijf eenen blauwen kiel en eenen zwart lederen gordel. De oudste had hooge laarzen en eene broek van geribd fluweel; de jongere droeg fijne schoenen en eene broek van lichte zomerstof.
Dat deze mannen iets meer waren dan enkele soldaten, kon men wel merken aan de gouden strepen, die op hunnen blauwen kiel glinsterden: de eene had er twee aan de benedeneinden zijner mouwen; de andere slechts eene boven elken elleboog. Wie met de zaak bekend was, kon bij den eersten blik onderscheiden, dat de voorbijgangers onder-officiers waren, namelijk een sergeant-majoor en een fourier.
De bovenlip van den fourier was nauwelijks met een zacht dons beschaduwd; levensvreugde straalde hem uit de oogen en dikwijls poogde hij de aandacht van zijnen kameraad,—die zwarte knevels droeg en vijf of zes jaar ouder was dan hij,—op de schoonheid van het landschap te vestigen. Hij roemde daarbij het zoete lenteweder, de frissche lucht der Kempen en de balsemgeuren, die van uit de verre mastbosschen hen tegenwalmden.
Maar de sergeant-majoor had voor zulke dingen geene ooren. Van tijd tot tijd morde hij met eenen spotlach:
"Altemaal kinderpraat! Vul daar eens uwen buik mede. Ik heb verduiveld grooten honger. De secretaris heeft gezegd, dat wij bij brave lieden gelogeerd zijn, en die de middelen hebben om goed op te scheppen. Wij zullen het zien. Is de kost zooals het behoort, dan zijn wij vrienden: anders sla ik ginder den geheelen boel het onderste boven!"
"Gij zegt het om te lachen, majoor," wedersprak zijn jonge gezel. "Wie zou hier de lieden kunnen mishandelen? Zij zijn zacht en goed als hun kramikkenbrood."
"Een dikke eierkoek met spek is toch beter.... en dit zullen ze ons geven, onmiddellijk na onze aankomst, zoo waar ik leef, of hun rug zal kennis maken met mijnen sabel!"
"Bah, gij zijt niet bekwaam om eenen hond kwaad te doen."
"Maar hoe kunt gij het weten? Slechts sedert drie weken kwam ik over in uwe compagnie?"
"Gij wilt schijnen wat gij niet zijt, majoor. Gij stelt u soms aan als gansch gevoelloos; gij spot gedurig en poogt mij te doen gelooven, dat gij onverschillig blijft voor alles wat niet stoffelijk is. Welnu, mij kunt gij niet bedriegen; uw hart is edelmoedig en grondig goed, en tenzij een verborgen verdriet...."
"Een verborgen verdriet!" herhaalde de sergeant-majoor, zijnen gezel strak in de oogen ziende; maar evenras begon hij te lachen.
"Kom, kom, fourier," gromde hij, "geene dwaasheden: ik ben razend van honger en heb lust om te bijten."
"Nog eenige minuten; het is wel de moeite waard.... Zie, daar is eene herberg; de baas staat voor zijne deur; wij zullen hem vragen waar wij moeten zijn."
Zij hielden stil voor het Bonte Kalf en toonden baas Noppe hun logementbiljet.
"De weduwe Houtman, vrienden?" zeide hij. "Gaat maar recht door, tot bij het huisje dat gij ginder ziet; slaat dan den aardeweg ter linkerzijde in, omtrent drie boogschoten verre. Daar is het, daar woont de weduwe Houtman.... Ik zou u wel verzoeken, haar van mijnentwege eenen goeden dag te wenschen, maar ik heb ongelukkiglijk redenen om het niet te doen."
"Men heeft ons nogtans gezegd, dat het brave lieden zijn," bemerkte de fourier.
"Brave lieden? Op de geheele wereld kan men er geene betere vinden."
De onder-officiers bedankten hem, hernamen met spoed hunnen weg en kwamen inderdaad, kort daarna, voor de aangewezen hofstede, in welker deur eene tamelijk bejaarde vrouw stond, die met eenen stillen, minzamen glimlach hunne komst scheen af te wachten.
"Is het hier bij de weduwe Houtman?" vroeg de sergeant-majoor.
"Ja, ja, vrienden, komt maar binnen. Het is nogal heet, niet waar? Gij ziet er vermoeid uit; wil ik u helpen uwen ransel afleggen?"
"Trees, Trees," riep zij naar achter, "laat uw werk maar staan. Hier zijn onze Belgen!"
Een meisje kwam met lachend gelaat toegeloopen en begon, evenals hare moeder, de krijgslieden te helpen, om zich van ransel en draagbanden te ontlasten.
De fourier was bovenal over de zoete vriendelijkheid der jonge boerin getroffen, en het deed hem waarlijk leed, dat zij zoo deerlijk van de kinderpokjes was geschonden. Zulk goed hart onder zulk leelijk aangezicht, het was groote spijt, inderdaad!
"Sa, bazin," gromde de sergeant-majoor, "ik bedank u wel voor uwe dienstwilligheid; maar ik scheur van honger. Ik zou willen eten.... seffens en iets anders dan brood!"
"Ik denk er reeds aan," antwoordde de weduwe. "Gij zijt zeker met het krieken van den dag op weg gegaan, en het is nog zoo verre van den middag, niet waar? Een beetje geduld, ik zal de pan op het vuur zetten. Doorgeregen spek en eieren, is dit goed?"
"Goed?" riep de sergeant-majoor, "wel, gij braaf mensch! Waren wij uwe zonen, gij zoudt ons niet vriendelijker kunnen onthalen. Mag ik u eens omhelzen? Ik zal denken, dat ik mijne moeder in de armen heb."
"Doe maar," lachte de oude vrouw.
En waarlijk, de sergeant-majoor omhelsde haar,—niet om te lachen: ernstig en met ware ontroering.
Weinige oogenblikken daarna vlamde het vuur van rijshout onder de pan, en werd de kamer vervuld met eenen geur, die den sergeant-majoor de lippen deed roeren als zate hij reeds aan den smakelijken disch.
Intusschen had het meisje de ransels en patroontasschen opgenomen, en de soldaten verzocht, haar te volgen naar de kamer die hun was bestemd.
Het was onder het dak; want, zooals gewoonlijk bij de boeren het geval is, het huis had geen verdiep; maar het vertrek was tamelijk ruim en alles er zoo rein en zoo net geschikt zelfs de gordijntjes aan het zoldervenster, dat de krijgslieden moesten bekennen, voortreffelijk te zijn geherbergd.
Op den roep der moeder gingen ze beneden, en namen onmiddellijk plaats aan de tafel, waarop, nevens den lekkeren eierkoek, twee pinten bier en een bruingebakken kramik,—dit is te zeggen wit brood van fijne roggebloem,—hen aanlachten.
Onder het murmelen van dankbetuigingen aten de vergenoegde gasten totdat hun honger was gestild. Het duurde waarlijk niet lang.
Dan vroeg de sergeant-majoor:
"Maar, moederken, gij zijt weduwe, volgens wij op ons biljet hebben gezien. Woont gij hier alleen met uwe goede dochter?"
"Ik heb nog eenen zoon," antwoordde zij, "maar hij is naar Herenthals, met een kalf dat wij verkocht hebben. Voor den middag zal hij terug zijn."
Nog eene wijl koutten de soldaten zeer minzaam met deze gastvrije lieden, en de sergeant-majoor, die eerst zoo tot barschheid scheen gestemd, was nu de minst vriendelijke niet. Hij betuigde welhaast, dat het hem leed zou doen, de weduwe en hare dochter van hun werk af te houden. Buiten de zorg voor hun eten, moesten zij maar handelen alsof zij in het geheel niemand gelogeerd hadden. Hij herinnerde daarenboven zijnen kameraad, dat zij te elf uren in het dorp moesten zijn, om zich te verzekeren dat al de mannen behoorlijk geherbergd waren, en er de bevelen des kapiteins te ontvangen; zij zouden dus nu maar heengaan en tegen den middag wederkeeren. Lichtaert was niet verre en zij hadden tijds genoeg.
De weduwe vergezelde hen tot op een vijftigtal stappen en toonde hun een voetpad, dat door de velden liep en hunnen weg nog eenige minuten zou verkorten.
"Nu, God geleide u, kameraden," zeide de oude vrouw. "Tot middag!"
"Ja, tot middag, moederken. Wij zullen u niet laten wachten," riepen de onder-officiers....
Toen zij op het gezegde uur van het dorp terugkeerden, vonden zij Frans, den zoon der weduwe, te huis. Hij kwam hen tegemoet, drukte hun de hand en wenschte hun hartelijk welkom; doch het verraste de krijgslieden alras, hem zoo tot zwijgen genegen te vinden. Op al wat zij hem zeiden of vroegen, antwoordde hij wel minzaam, doch zeer kort en niet zelden dwaalde hij zoodanig weg met zijne gepeinzen, dat hij in droomen scheen verslonden. Hij was welgebouwd en sterk van leden nogtans, en, ware het niet geweest dat zijn aangezicht eenigszins bleek was, men had hem kunnen aanzien als een toonbeeld van lichaamskracht en gezondheid.
Het middagmaal was haast ten einde. Dan wenschte Frans hun eenen stillen goeden dag, tot den avond; want nu moest hij naar den veldarbeid met het paard.
Zoo gingen er eenige dagen voorbij.
De sergeant-majoor sleet zijnen meesten tijd in het dorp, hetzij voor zijnen dienst, hetzij in de herbergen, te midden zijner vrienden, terwijl integendeel de jonge fourier al zijne beschikbare oogenblikken op de hofstede en in de omstreken doorbracht, wandelende door de velden, op de heide of in de mastbosschen. Hij kon tevens gemakkelijker en vrijer met de lieden kouten, aangezien hij, een Antwerpenaar zijnde, denzelfden tongval had als zij. De sergeant-majoor was integendeel een West-Vlaming, en alhoewel zijne taal meer naar zuiver Hollandsch dan naar een Vlaamsch dialekt zweefde, kon men hem, wanneer hij wat vlug sprak, niet altijd wel verstaan.
Daaruit volgde natuurlijk dat de fourier, meer dan zijn kameraad, gemeenzaam met de weduwe en hare kinderen werd.
Hij meende te moeten denken, dat eene geheime treurnis deze lieden op het hart woog; en ongetwijfeld was Frans het voorwerp of de oorzaak van dit verdriet; want de fourier had meer dan eens opgemerkt, hoe de moeder en de zuster den droomachtigen jongeling medelijdend bezagen, wanneer hij stilzwijgend onder den schoorsteen was gezeten of met hangend hoofd het huis verliet, om naar zijn werk te gaan.
De sergeant-majoor scheen intusschen zoodanig door het dorp aangetrokken, dat hij somwijlen vergat naar zijn logement te komen om het middagmaal te nemen. Een ander onder-officier had den fourier gezegd, dat de schoone oogen eener herbergdochter, bij de Markt, daarvan de oorzaak waren.
Met zijnen kameraad van eenen morgendienst naar huis komende, nam de fourier de gelegenheid waar, om hem daarover te ondervragen en nu ook eens op zijne beurt met deze vooronderstelde zwakheid te spotten.
Eerst antwoordde de sergeant-majoor met zijne gewone onverschilligheid; doch bij de lange scherts van zijnen gezel, werd hij allengs ongeduldig, en zeide met zekeren ernst in de stem:
"Fourier, uw lachen pijnigt mij. Dit verwondert u? Mijne gevoelloosheid is geveinsd, meent gij? Welnu, gij bedriegt u niet: ik drang eene smartelijke herinnering in het hart, eene wonde, die licht aan het bloeden gaat. Eens in mijn leven heb ik eene vrouw bemind, ik bemin ze nog; zonder de minste hoop evenwel. Wat mij aandrijft om de eenzaamheid te ontvluchten en luidruchtig gezelschap te zoeken, om te spotten, en, was het mogelijk, mij geheel gevoelloos te maken, is de wensch om haar te kunnen vergeten.... Nutteloos! Zelfs terwijl ik nu spreek, staat ze voor mijne oogen. Geloof dus de malle praat van sergeant Boutin niet: mijn hart is voor alle andere neiging gesloten. Wilt gij mij toonen, dat gij een goede jongen en verkleefd kameraad zijt, zooals ik het denk, wees vroolijk, scherts en spot ... maar met dit eene ding, met de verborgene treurnis, die in mijn hart knaagt, daarmede niet.... Er zal waarschijnlijk een dag komen, dat ik u zal zeggen, wie ik ben en wat mij vroeger is geschied. Tot dan, ik bid u, geen woord daarover."
De fourier gevoelde wel, dat het ernstig gemeend was. Om den wensch van zijnen kameraad te eerbiedigen, begon hij van Frans Houtman en dezes zichtbare treurigheid te kouten, en sprak sedert dan geen woord meer, dat de sergeant-majoor aan de wonde zijns harten kon doen denken.
Eens op eenen namiddag, toen de fourier achter de hofstede door de eenzame velden wandelde, zag hij niet zonder verrassing Frans Houtman, den zoon der weduwe, met de hand voor het aangezicht nevens den weg op eenen gevelden boom zitten.
Hij wekte den jongen boer uit zijne mijmering op, door hem eenen goeden dag te wenschen. Frans hief het hoofd op; tranen blonken in zijne oogen en het was op den toon der diepste bedruktheid, dat hij eenen stillen groet murmelde, waarna hij als beschaamd den blik ten gronde sloeg.
"Gij hebt verdriet, nietwaar, Frans?" zeide de fourier. "Ik heb het opgemerkt van den eersten dag onzer komst in uw huis. Wat is het, dat u zoo moedeloos maakt?"
Hij bekwam geen antwoord.
"Nu, vertel het mij. Gij zult het misschien niet gelooven, maar ik denk den ganschen dag aan u. Uwe zichtbare treurigheid boezemt mij medelijden in; ik zou u willen troosten."
"Mij troosten?" zuchtte de jongeling. "Ach, het is onmogelijk; ik ben veroordeeld tot eeuwige wanhoop!"
De fourier zette zich nevens hem op den boom.
"Frans," zeide hij, "ik vermoed wel, wat u zoo bitter doet lijden. Uwe moeder en uwe zuster zijn gezond, de zaken op uwe hofstede gaan niet slecht. Hebt gij ergens eene pijnlijke wonde, zij kan slechts aan het hart zijn. Bedrieg ik mij?"
"Eilaas, mocht ik sterven!" klaagde Frans.
"Maar gij hebt ongelijk, kameraad. Wij zijn insgelijks jong en weten ook al iets van zulke dingen. Het gemoed der meisjes is veranderlijk als het weder. Heeft uwe vriendin gisteren u koel bejegend, morgen zal zij u lachend tegemoet komen. Dat gaat zoo op en af, als het water in de Schelde.... en in afwachting martelen wij ons nutteloos. Een jongen als gij, fiksch van gelaat, sterk en geheel anders dan arm, welk meisje dezer streek zou niet met blijdschap en trotschheid zijne hand aanvaarden? Kom, kom, wees maar moedig; de wolk zal afdrijven, en dan wordt de hemel weer helder voor u."
"Nooit, nooit meer," mompelde de jongen.
"Heeft zij u dan beslissend verstooten?"
"Neen, zij bemint mij uit al de krachten harer ziel."
"Ho, ho, Frans, gij hebt misschien uwen blik te hoog gericht .... en de ouders weigeren?"
"Neen, de ouders niet."
"Maar wat is er dan van die onverstaanbare zaak? Nu, zeg het mij. Wees zeker, al kon ik waarlijk niets om u te troosten, ons verdriet eenen vriend mede te deelen verlicht altijd onze smart."
"Het kan zijn in andere gevallen. Voor mij is alles, alles nutteloos.... Evenwel om u te voldoen, die mij onverdiend zooveel genegenheid betuigt, wil ik u wel uitleggen wat wij voor eeuwig hopeloos moet maken.... Zijt gij nog niet in het Bonte Kalf geweest?"
"Neen, slechts eens heb ik met den waard, geloof ik, voor zijne deur gesproken."
"Welnu, baas Noppe heeft eene dochter, die Lisa heet, een vroolijk, goedhartig en eerbaar meisje. Van kindsbeen af waren wij onafscheidbare vrienden en door onze ouders bestemd om eens man en vrouw te worden. Later beminden wij elkander altijd meer en meer. Nu was eindelijk de tijd gekomen, dat het huwelijk ons zou vereenigen. Wij wisten reeds welk hofstedeken wij zouden pachten; mijne moeder hield zich in het geheim bezig met het een en ander voor ons huishouden te koopen, en zag op voorhand uit naar eenen goeden knecht, die mij bij haar voor den veldarbeid zou vervangen. Alles ging naar wensch: Lisa gevoelde zich zoo gelukkig; het was als lachte de hemel ons toe.... Daar komt eensklaps een jongen uit de stad,—Theodoor, de zoon van onzen gemeente-secretaris, die allengs de gewoonte aanneemt, bijna dagelijks in het Bonte Kalf te gaan.... en welhaast begint moeder Noppe te zeggen, dat hare dochter nog te jong is om te trouwen en wij het huwelijk moeten uitstellen."
"Ai, ai, ik begrijp: er komen maaien in uwe kaas!" mompelde de fourier. "Lisa heeft hare zinnen op Theodoor...."
"Neen, neen, verdenk haar niet!" smeekte de jonge boer met opgeheven handen. "Wel hebben anderen dit insgelijks gedacht; maar ik weet, dat haar zuiver en eenvoudig hart mij trouw is gebleven. Zij is even ongelukkig als ik."
"Ha, ik heb het op: de moeder wil Lisa met den zoon van den secretaris doen trouwen?"
"Eilaas, neen, de moeder niet."
"Maar wie dan?"
"Hij, voor wien de geheele wereld nederknielt: God zelf."
"Het wat zegt ge daar?" riep de fourier verbaasd. "Ik versta u niet. God wil Lisa met Theodoor doen trouwen? Frans, Frans, ik zou gaan twijfelen aan de vastheid van uw verstand. Gij zijt toch niet kinderachtig genoeg om zulks te gelooven. Ik verdenk hier moeder Noppe; gij hebt u in de kleeren laten steken, jongen."
"Mocht gij de waarheid zeggen! maar, neen, een uitdrukkelijk vonnis van hierboven beeft mij onherroepelijk tot smart en wanhoop veroordeeld.... en Lisa, de arme Lisa, moet zoowel als ik, zoowel als onze ouders, het hoofd bukken onder den wil van God."
"Maar mijne hersens worden er duizelig van; gij maakt mij dwaas," morde de fourier. "Wie heeft u gezegd, dat men in den hemel zoo geheel bijzonderlijk zich met uw huwelijk bezighoudt? Theodoor of moeder Noppe? Jongen, jongen, wat gij u toch laat wijsmaken!"
"Ja, ik weet het wel," antwoordde Frans met gelatenheid, "dat de soldaten, evenals de lieden uit de stad, weinig geloof hebben; maar oordeel niet voorbarig. Zoohaast ik u zal gezegd hebben, hoe God ons zijnen wil openbaarde, zult gij niet meer twijfelen. Luister slechts."
En de jonge boer vertelde hem met alle bijzonderheden, hoe moeder Noppe het wonderei in het hennennest had gevonden en welke woorden er op stonden te lezen.
Een lange schaterlach hergalmde over het veld, terwijl Frans, door zulke verregaande ongeloovigheid gekwetst en verschrikt, van den fourier terugdeinsde en hem met afkeurenden blik in de oogen zag.
"Wel, wel, eenvoudige sukkelaar," riep deze, "ziet gij niet, dat men u heeft gefopt? Een kluchtspeler,—Theodoor waarschijnlijk,—heeft die vreeselijke woorden op het ei geschreven."
"Zwijg, zwijg," stamelde Frans, "gij dwaalt: de woorden waren niet geschreven."
"Geschilderd misschien?"
"Neen, geene menschenhand heeft ze gemaakt."
"Sa, hoe stonden de letteren dan op het ei?"
"Zij waren er ingegroeid. Geen verschil was er tusschen de stof der schaal en die der letteren. Hadden ze er niet een weinig verheven opgestaan, men zou ze zelfs misschien niet bemerkt hebben."
Als daalde er eensklaps eene even sterke overtuiging in des fouriers geest, hij sloeg den blik in gedachten ten gronde en antwoordde zelfs niet meer, toen Frans hem vroeg, of hij nog twijfelde aan de waarheid der openbaring. Maar welhaast hief hij het hoofd op, en terwijl een half ernstige en half schertsende glimlach op zijn gelaat zweefde, zeide hij:
"Ik weet niet, Frans, maar in mij is het denkbeeld ontstaan, dat ik misschien u gelukkig zou kunnen maken. Wat is die Theodoor voor een kerel? Nu spreek, ik bid u."
"Theodoor is de zoon van den gemeente-secretaris. Goed of kwaad weet ik van hem niet veel te zeggen."
"Is hij geleerd?"
"Ik geloof van ja; hij heeft in Antwerpen gewoond, om den Apothekers-stiel te...."
"Genoeg, genoeg, daar hebben wij het!" riep de fourier met blijdschap uit. "Hij is het, de valschaard, die het ei heeft gemaakt en in het nest gelegd. Ha, ha, nu zal de kaart gaan keeren! Gij zult trouwen met Lisa. Twijfelt gij daaraan? Ik zal in het Bonte Kalf de lieden gaan bewijzen, dat Theodoor hen voor den zot heeft gehouden en zich niet schaamde, den naam van God te gebruiken om hen te bedriegen. Zullen de ouders van Lisa, eens ten volle overtuigd dat men hun eene hatelijke klucht heeft gespeeld, den schurk niet verstooten en zich gelukkig achten u met hunne dochter te laten trouwen?"
Zoo snel en met zulke blijde geestdrift had de fourier deze woorden gesproken, dat Frans hem in angstige verbaasdheid aanzag. Er kwam wel eenige aarzeling in zijn geloof, doch zijn wantrouwend hart bleef nog voor de minste hoop gesloten.
"Uw twijfel doet mij pijn," hernam de fourier even aangejaagd. "Ik zal hem te niet doen. Luister. Voor eenige jaren ging ik nog ter school bij zekeren onderwijzer,—hij heette Mr. Shaw.—Deze vermaakte ons na de schooluren met allerlei kleine kunstgrepen uit de physica,—dit wil zeggen de natuurkunde,—en een dezer kunstjes bestond in het maken van zulke eieren als Theodoor er een in het hennennest van het Bonte Kalf heeft gelegd. Weet gij hoe dit toegaat? Men neemt een ei en schrijft of teekent daarop, met vet of beter met vernis, al wat men wil. Dan legt men het ei een paar uren, min of meer, in sterken azijn of in een ander zuur. Het zuur bijt gedeeltelijk de kalkstof weg, overal waar deze niet met vet bedekt is, en zoo staan dan eindelijk de letters verheven op de schaal. Men wascht het ei met wijngeest, om het vet of het vernis weg te nemen, en niemand, indien hij van het geheim niet weet, kan gissen dat het ei zoo door een kunstmiddel werd gemaakt. Begrijpt gij het nu, Frans? Ik zal zulk een ei maken en het de ouders van Lisa gaan toonen."
"Ach, zij zullen u niet gelooven!" zuchtte de jonge boer.
"Mij niet gelooven?.... Zie, daar dacht ik niet aan; gij hebt misschien gelijk. Ja, de zaak moet anders worden aan boord gelegd.... Ik heb het gevonden! De hen zal nog eieren leggen, eieren die Theodoor van verraad en goddeloosheid zullen beschuldigen. Ha, ha, het zou mij niet verwonderen, dat de slimmerik met zijne klikken en klakken in het Bonte Kalf aan de deur vloog.... Zeg eens, Frans, is er een apotheker in het dorp?"
"Neen," was het antwoord, "maar onze paardenmeester, bij de kerk, verkoopt ook medicamenten."
"Dit is voldoende. Ik ga naar zijnen winkel; de tijd ontbreekt mij gelukkiglijk niet. Onderweg zal ik een glas bier in het Bonte Kalf gaan drinken, en pogen het ei te zien."
"Dit zal u niet veel moeite kosten. Zeg, dat gij er van hebt hooren spreken, men zal het u seffens toonen; maar lach er niet mede, de bazin zou het u nooit vergeven."
"Er is geen gevaar voor, Frans; ik zal ernstig veinzen, aan de zaak te gelooven; doch intusschen, onder een of ander voorwendsel, op den voorhof gaan om te ontdekken waar het nest is en hoe men er bij kan geraken.... Gij, Frans, zeg van dit alles niets aan wie het ook weze, zelfs niet aan uwe moeder; andere mis ik nog mijn doel.... Waarom glimlacht gij zoo bitter en schudt het hoofd? Hebt gij dan ook geen vertrouwen in mijne woorden? Kom, wees maar blijde. Daar is mijne hand: ik geef u mijn woord, dat Lisa uwe bruid zal worden, of er zouden andere beletsels moeten tusschen zijn dan het voorondersteld bevel van God.... Wandel dezen avond, tusschen licht en donker, in den wegel achter uwe haag; ik zal bij u komen en u zeggen hoe de zaken staan. Heb ik nog inlichtingen noodig, gij zult ze mij geven. Zwijg intusschen. Nu tot wederziens, bedorvendans van het lot!"
Onder het uitspreken van dezen gelukwensch, liep de fourier den aardenweg in naar het dorp.
Den derden dag na het onderhoud van den fourier met Frans Houtman, traden de beide onder-officiers in het Bonte Kalf en vroegen elk een glas bier. Het was nog vroeg, want, volgens zij zeiden, kwamen zij van het morgen-appèl.
Baas Noppe was alleen in zijne herberg, en hij meldde hun, vooraleer het hem werd gevraagd, dat zijne dochter naar het dorp was gegaan met versche boter voor den notaris.
De vrouw was echter te huis, want zij hoorden haar tegen de koeien in den stal spreken.
Na eenige woorden met baas Kobus over het weder en over het uitzicht van den toekomenden oogst te hebben gewisseld, vroegen de krijgslieden een spel kaarten. Zij wilden, zeiden ze, het partijtje voortzetten dat zij gisteren, omdat het te laat geworden was, hadden onderbroken.
Het pak kaarten werd hun toegereikt en zij begonnen, in schijn met aandacht en inspanning, te spelen, maar zij waren integendeel zeer verstrooid, en zagen naar de achterdeur zoohaast zij het minste gerucht op den voorhof hoorden. Ongetwijfeld wist de sergeant-majoor alles; want hij glimlachte en pinkoogde nu en dan zoo onvoorzichtig, dat zijn jonge kameraad hem berispend in het oor fluisterde:
"Schei uit, houd u ernstig, of gij gaat ons verraden!"
De baas, die tot dan zich achter den toog had beziggehouden met glazen te spoelen en flesschen te vullen, kwam achter den rug van den fourier staan en zag het spel gedurende eenigen tijd stilzwijgend na. Eindelijk kon hij zulke misgrepen, als hij hier zag begaan, niet langer verdragen en zeide met ernst en nadruk, hoe een echt liefhebber in het voorhandig geval zou gespeeld hebben. Was de fourier zoo deerlijk geklopt geworden; dit mocht hij slechts aan zich zelven wijten; want had hij, Kobus Noppe, de kaart in de hand gehad, zeker de sergeant-majoor zou geene drie slagen opgehaald hebben. Hij was gereed, het hun te bewijzen, indien de fourier toestemde, hem met dezelfde kaarten tegen den sergeant-majoor te laten kampen.
Men voldeed aan zijn verlangen; hij nam de kaarten op en begon te spelen, met evenveel drift alsof zijne goede faam en zijn geluk van den uitslag dezer partij hadden afgehangen.
Maar nauwelijks had bij, met een hart dat van fierheid klopte, de twee eerste slagen opgehaald, of een zonderlinge schreeuw deed hem verschieten; hij liet de kaarten ter tafel vallen, sprong op en riep met vervaardheid:
"Hemel, wat is er nu gebeurd? Die vrouw zal mij nog den dood op het lijf jagen!"
Inderdaad, moeder Noppe had, onder het slaken van eenen angstkreet, de achterdeur opengeworpen, en stond daar nu, ontsteld en bleek, te midden der kamer met een ei in de hand.
"Ik heb het wel gevreesd!" klaagde zij. "Kobus, Kobus, dit is uwe schuld. Het huwelijk onzer dochter mocht zoo haastig niet gaan. Na is God op ons vergramd. Zie, een nieuw bevel!"
De onder-officiers bezagen elkander met eenen listigen glimlach, doch de fourier legde zich den vinger op de lippen, om zijnen kameraad het stilzwijgen aan te raden.
"Hoe staat gij daar nu als van den hamer geslagen?" viel moeder Noppe tegen haren man uit. "Dat zal u leeren, goddelooze twijfelaar. Daar, neem het ei en lees. Wie weet wat schrikkelijke dingen er ditmaal opstaan!"
Kobus aanvaardde het ei met bevende hand en bekeek het eene wijl; maar dan hief hij het hoofd op en staarde zijne vrouw met strakken blik en wijdgeopenden mond aan, als iemand, die zijne eigene oogen niet kan gelooven.
"Welnu, zijt gij stom geworden? Zeg, wat staat er dan op het ei?" riep de bazin met toornig ongeduld.
"Er staat.... er staat op, dat Lisa met Frans Houtman moet trouwen."
"Met Frans Houtman, o hemel! Dit is niet mogelijk: gij hebt slecht gelezen."
"Neen, Christien, het is wel zoo. Zie, het staat er duidelijk op: Lisa moet trouwen met Frans, het is Gods wil.... En daar, vrienden, leest gij zelf en getuigt, of ik mij bedrieg." De sergeant-majoor nam het ei.
"Uw man heeft gelijk," bevestigde hij; "het staat er op; Lisa moet trouwen met Frans, het is Gods wil."
Ware de donder boven het hoofd van vrouw Noppe losgeborsten, zij had niet dieper verschrikt en verbluft kunnen zijn. Zij sloeg zich de hand aan het voorhoofd en martelde zich de hersens, om het raadselwoord van zulk onbegrijpelijk voorval te vinden. Dat God van besluit was veranderd, dit durfde zij niet gelooven.... en het ei was toch geheel gelijk aan het vorige! Hemel, wat, wat ging er om? Waren zij de speelbal der listen van den boozen geest?
In haren twijfel hield zij de oogen ten gronde en scheen de vloersteenen te ondervragen. Even stom en ontsteld staarde baas Noppe rondom de kamer, als vreesde hij den duivel zelf te zien verschijnen.
De fourier kreeg medelijden met hunnen pijnlijken toestand; hij trad vooruit, naderde moeder Noppe en zeide:
"Bazin, kom tot u zelve en wees gerust. In geheel deze zaak der eieren heeft een valsche kerel zonder hart u bedrogen, en zich niet ontzien uwe gekende godvruchtigheid te misbruiken, om u en uw kind de slachtoffers zijner snoode begeerlijkheid te maken."
Zij keek den jongen krijgsman, die zoo ernstig en met zooveel zekerheid sprak, verwonderd aan, doch schudde in twijfel het hoofd.
"Gij meent dat ik het ben, die u wil bedriegen, vrouw? Gij gelooft eerder wat de eieren u zeggen? Welaan! zie, ik insgelijks heb een ei, dat kan spreken; het is juist gelijk aan de anderen. Beschouw het maar goed. Dat uw man leze wat er op staat: hij zal er de verklaring van het schrikkelijk raadsel op vinden."
Baas Kobus nam het ei, dat de fourier uit den zak had gehaald, en las met de grootste verbaasdheid:
"Theodoor heeft den spot met u gedreven."
"O, mijn God, wat wil dit zeggen?" riep moeder Noppe, die eenen lichtstraal in haren geest voelde dringen.
"Wat dit beteekent? Het wil zeggen, dat Theodoor,—om onmiddellijk de hand uwer dochter te bekomen, en tevens om de liefde voor Frans Hontman in haar hart uit te dooven,—eene verfoeielijke goddeloosheid heeft begaan. Hij is het, die de letteren op het ei heeft geschreven en het daarna in het nest gelegd."
"En dit tweede ei dan? Hij zal toch niet tegen zich zelven... Welke gedachte! De berouwende zondaar heeft zijne slechte daad willen herstellen."
"Neen, bazin, dit tweede ei heb ik gemaakt en gisteravond in het nest gelegd, met het enkel inzicht u van Theodoors valschheid te overtuigen en den strik te breken, dien hij u heeft gespannen."
"Gij, gij hebt dit ei gemaakt?" stamelde de vrouw.
"Ja, ik; en zulke eieren kunnen honderden lieden in de stad even goed maken als Theodoor. Het is een kinderspel voor hen die de kunstgreep kennen. Zoohaast ik had vernomen, dat de zoon van den secretaris bij eenen apotheker heeft gewoond, bleef mij geen twijfel over. Hij alleen had belang in het bedrog, en waarschijnlijk wist hij alleen in het gansche dorp, hoe men zulke eieren maakt."
"Ha, ha, daarom trok de bedrieger, van toen af, zulk schijnheilig aangezicht!" riep baas Noppe met gramschap uit.
Hij verklaarde zich ten volle overtuigd, dat de fourier niets zeide dan de zuivere waarheid; maar de vrouw liet zich zoo gemakkelijk niet overwinnen, alhoewel haar geloof aan het wonder reeds diep was geschokt.
De beide krijgslieden deden zooveel doorslaande redenen gelden; de fourier legde haar zoo duidelijk uit, hoe men zulke eieren maakt, dat zij eindelijk zich overgaf en hare langbeklemde woede uitstortte in allerlei scheldwoorden tegen den zoon van den secretaris, iets waarin zij terdege geholpen werd door haren man, die van niets anders sprak dan van Theodoor hals en beenen te breken.
Terwijl zij nog immer bezig waren met dus aan hunne verontwaardiging lucht te geven, hoorden zij eensklaps achter hunnen rug eene zachte minzame stem, die hun zeide:
"Dag, baas Kobus, dag, bazin Noppe. Heeft men goed geslapen dezen nacht?"
Theodoor Peeters had zijn hoofd in de deur gestoken.
"Wacht wat, ik zal u eenen goeden dag gaan geven, gij vuile schurk, gij laffe schobbejak!" schreeuwde de baas, zijne vest afwerpende en zijne hemdsmouwen opstroopende.
Maar de sergeant-majoor en de fourier sprongen toe en weerhielden hem met geweld.
"Waarom zijt gij boos op mij? Wat is er gebeurd?" stamelde de verbaasde jongeling.
"Wat er gebeurd is, valsche fleemer?" snauwde de vrouw, met de vuisten vooruit, hem toe. "Ha, men zal u leeren, eieren in ons hennennest te komen leggen! Hoe, leelijke ketter, gij durft den heiligen naam des Heeren misbruiken om ons te bedriegen en te bespotten? Ga weg, vlucht, goddelooze booswicht, of de baas doet u een ongeluk."
"Uit mijn huis, uit mijn huis, ik breek u den hals!" bulderde Kobus Noppe, terwijl hij, om los te raken, tegen de krijgslieden worstelde. "Ha, valschaard, gij moest met Lisa trouwen! Uit mijne oogen; en komt gij nog over onzen dorpel...."
Maar Theodoor, die zich schuldig gevoelde en geenen lust had om zich door den uitzinnigen baas den kop te laten inslaan, deinsde terug de deur uit en liep met spoed naar het dorp.
De herbergier was niet te stillen. Om zijne gramschap toch op iets uit te werken, had hij met zijne zware handen reeds eenen stoel aan stukken getrokken en twee pinten verbrijzeld. Slechts de bedreigingen zijner vrouw brachten hem eindelijk tot bedaren. Evenwel mompelde hij nog van den burgemeester, van den tribunaal, van de gevangenis; en hem scheen het niet onmogelijk Theodoor op het schavot voor zijne verfoeilijke valschheid te doen boeten.
Zijne vrouw was echter zoo wraakzuchtig niet. Volgens haar gevoelen was het beter, den zoon van den secretaris maar aan de knaging van zijn eigen geweten over te laten, dan door zulke vervolging nieuw schandaal te verwekken.
"Zoo kan het toch niet blijven," wedersprak hij. "Wij moeten evenwel iets doen om zijnen hatelijken aanslag te straffen."
"Het is uiterst eenvoudig," bemerkte de sergeant-majoor. "Gij heb in gevaar verkeerd, uwe dochter en dien goeden Frans Houtman ongelukkig te maken voor hun leven. Hersteld maar seffens uwe dwaling en maakt de kinderen gelukkig. Zoo zal Theodoor genoeg gestraft zijn, en de kwade tongen, indien er zijn, zullen geenen tijd hebben om veel te praten."
"De majoor heeft gelijk," murmelde de oude vrouw.
"Zeker heeft hij gelijk: hij spreeks als een boek!" riep de baas.
"Dus gij stemt toe in hun huwelijk?"
"Wij moeten wel."
"Laat gij toe, bazin, dat wij de goede tijding aan Frans Houtman en zijne moeder gaan melden?" vroeg de fourier.
"Met veel genoegen.... Maar zie ik ginder onze Lisa niet komen? Ja, zij is het."
"Vrouw, laat mij haar tegemoet loopen en het haar zeggen!" smeekte de baas.
"Neen, ik ben het, die haar huwelijk met Frans heb gedwarsboomd: uit mijnen mond moet zij het vernemen."
"Het is waar, Christien, gij hebt gelijk."
Nauwelijks was het meisje in de kamer getreden, of bazin Noppe greep hare beide handen aan en zeide haar:
"Kind, kind lief, ziet gij niet in mijne oogen dat ik u gelukkig wil maken? Gij twijfelt? Welnu, gij moogt trouwen met Frans Houtman."
"Hemeltje lief, is het waar?" stamelde Lisa.
"Ja, ja, wij geven onze toestemming!" juichte de herbergier. "Hoe gauwer, hoe liever de bruiloft. Wij zullen dansen dat het huis invalt. Het is bliksems lang geleden, dat ik mijnen laatsten flikker heb geslagen; maar voor den gelukkigen dag zal ik mijne oude beenen nog eens insmeren!"
Het meisje lag van zalige ontroering in de armen harer moeder te weenen, en zij zoende haar en zij zegende haar zoo teeder en zoo dikwijls, dat de oude vrouw insgelijks tranen over hare wangen voelde lekken.
Ook haren vader omhelsde zij.
Dan vroeg zij eensklaps:
"Weet Frans het?.... Niet? O, hemel, hij lijdt nog onder die schrikkelijke wanhoop? Vader, laat mij naar de hofstede loopen, om hem, om zijne moeder, om zijne zuster de blijde tijding te brengen! Indien ze maar niet kwalijk vallen van geluk ..."
"Kom, kind, ik ga mede," zeide de vrouw.
"Ik insgelijks!" riep de baas.
"Wat? gij zoudt de herberg durven alleen laten? Blijf te huis gij!"
Moeder en dochter sprongen de deur uit en liepen, door de twee krijgslieden van verre gevolgd, zoo hard zij maar konden den veldweg in.
Bij het naderen der hofstede hoorden de sergeant-majoor en de fourier daarbinnen blijde kreten en een verward geschater van vroolijke stemmen.... En—alsof de natuur en de dieren zelven over het geluk van twee eenvoudige, zuivere zielen wilden medejuichen, de lentezon verguldde met haren milden gloed het dak der eens zoo treurige woning, de koeien bulkten in den stal, de hennen kakelden op den mesthoop, de haan kraaide boven het hondenhok, de vogelen zongen in de boomen....
Toen de onder-officiers binnentraden, klonken luide dankzeggingen hun tegemoet, en drukten allen hun de handen, ja, de gelukkige Frans sloot den fourier met tranen volle oogen op zijn hart.
Van dien dag af zagen zij, in allerhaast en stuk voor stuk, die dingen bijeendragen, welke tot het inrichten van een jong huishouden worden vereischt; maar de bruiloft konden zij, eilaas, niet bijwonen; want er kwam een ontijdig bevel, dat zij met hunne compagnie naar Turnhout moesten vertrekken, om daar hunne volledige soldaten-kleeding te ontvangen. Deze kleeding zou zijn van groen laken met roode biesjes, en de troep van generaal Niellon zon voortaan het 2de Regiment Jagers te voet uitmaken.
Op den treurigen dag gingen Frans Houtman en zijne zuster, Lisa Noppe en hare moeder met de onder-officiers naar Lichtaert, om hunne redders, hunne weldoeners, zoo zij zeiden, uitgeleide te doen.
En toen de trom had aangevangen te slaan en de troep reeds een eind verre was, konden nog de sergeant-majoor en de fourier, door het hoofd om te keeren, tranen zien glinsteren in de oogen der goede vrienden, die zij wellicht nooit meer zouden wederzien.
Omtrent het midden der maand Juli 1831, lagen er twee compagnies van het 2de Regiment Jagers te Moll, een aanzienlijk dorp in de Kempen, op een paar uren afstand van Gheel.
Tot eene dezer compagnies behoorden de sergeant-majoor en de fourier, die te Lichtaert zooveel tot het geluk van Frans Houtman en Lisa Noppe hadden bijgedragen.
Nu waren zij gelogeerd in de Zwaan, eene herberg te midden des dorps, en het was daar dat de mannen der compagnie alle twee dagen het vleesch en brood, en alle vijf dagen hunne solde kwamen halen.
Wanneer men nu inziet, dat te dien tijde de minste Belgische soldaat dagelijks 25 Centen of 52 Centimen trok, en dus bij elke betaling niet minder dan Fr. 2,60 ontving, welke hij op weinig na tot niets anders dan tot drinken kon aanwenden, zal men begrijpen wat vertier er in de Zwaan werd gemaakt, dewijl de honderd man der compagnie er ten minste viermaal in de week op de uitdeeling hunner mondbehoeften of hunner solde te wachten hadden.
Ook was de baas der herberg de onder-officieren, wier tegenwoordigheid hem deze ongewone winst aanbracht, ten uiterste dankbaar. Om hun dit te bewijzen stond hem echter geen ander middel ter hand, dan hun naar zijn best vermogen het lekkerste eten op te disschen: niet alleenlijk hesp met eieren, zooveel zij wilden, maar duiven, kiekens, jonge erwtjes en daarbij nog elken dag eene goede flesch wijn.
Dit beviel den sergeant-majoor ten hoogste. Hij was de boezemvriend van den baas en dezes huisgenooten geworden, en riep niet zelden uit, dat hij tusschen deze brave en minzame lieden zijne dagen zou willen slijten.
De fourier, integendeel, werd na eenige dagen dit woelig en luidruchtig herbergleven moede, en hernam welhaast zijne eenzame wandelingen in de velden of op de heide.
Eene der twee compagnies had vroeger te Gheel gelegen. Zoo kwam het, dat de fourier dikwijls door de onder-officiers dezer compagnie zeer vreemde dingen hoorde vertellen over dit groote dorp of, beter gezegd, dit volkrijke stadje, waar volgens hun beweren een duizendtal krankzinnige menschen in volle vrijheid tusschen de inwoners leefden, op straat wandelden, ter herberg gingen en zelfs deel maakten van gezelschappen, door de burgerij ingericht tot vermaak of tot beoefening der muziek. Allengs ontstond in hem de lust om eens, op eenen sehoonen dag, naar Gheel te gaan, dat slechts twee uren van Moll was verwijderd. Hij wist daarenboven, dat te Gheel een zijner goede vrienden, een sergeant, Antwerpenaar als hij, gelogeerd was, en dien hadde hij wel gaarne gezien en gesproken.
Zonder moeite zou hij tot zulke wandeling verlof van zijnen kapitein bekomen; dit verlof had hij zelfs niet noodig, want met kort na den middag te vertrekken, zou hij reeds voor drie uren te Gheel zijn, kon er alles op zijn gemak nazien, een pintje met zijnen vriend drinken, en dan terug zijn voor het einde van den dag.
Het was ten gevolge van dit voornemen, dat de fourier, even nadat hij van tafel was opgestaan, den draagband waaraan zijne sabel hing, zich over den schouder wierp en met snelle stappen de Zwaan verliet, om zich naar Gheel te begeven.
Nu droeg hij den blauwen kiel en de haren muts van vroeger niet meer. Hij was uitgedost in fijn groen laken, waarop de roode afzetsels, de roode boordsels en de vele vergulde knoopen prachtig uitlosten en schitterden. Op zijne schouders prijkten epauletten van saaienkoordjes met gouddraad doorweven, aan zijne schako blonk een Belgische leeuw van glanzend koper, en aan de handgreep van zijne sabel waggelde een fraaie groene kwispel.
Hij moest gevoelen of gelooven, dat dit nieuwe kleedsel hem een indrukwekkend voorkomen gaf; want terwijl hij de laatste huizen des dorps voorbijging en de lieden hem nakeken, hield hij het hoofd rechtop en stapte zelfs een weinig met het kunstmatig gewiggel, eigen aan personen, die vol zijn van hunne ware of gewaande verdiensten en meenen, dat iedereen hen bewondert.
Hij was nogtans niet van hooge gestalte, de fourier, daarbij zeer jong en opmerkelijk tenger van lichaamsbouw; maar wat doet dit alles; zoo men maar over zich zelven tevreden is?
Waarschijnlijk was ijdele hoogmoed geen grondtrek van zijn karakter; want nauwelijks kon hij buiten het dorp geraakt zijn, of hij vergat zijne nieuwe kleeding en tevens zijne hoedanigheid van krijgsman, om in vrijheid rond te kijken, hier en daar eene bloem te plukken, op de boorden der Neeth in het vlietend water te gaan staren, of wel, in eenen langen droom weggerukt, zoo achteloos over den hobbeligen weg te stappen, dat hij zelfs eens bijna met zijnen neus in het zand was gevallen.
Dit alles belette niet, dat hij, kwart voor drie uren, het gehucht Kevermont bereikte en welhaast te Gheel zou aankomen.
Hier zag hij van verre een welgekleed persoon tegen den eikenkant in de lommer zitten, met zijnen hoed voor het aangezicht waaiende, ah iemand die het te heet heeft en uitrust.
Op het oogenblik, dat de onder-officier hem zou voorbijgaan, stond hij op en kwam in de baan om zijnen weg naar Gheel te hernemen.
"Goeden dag, fourier," zeide hij zeer beleefd en minzaam. "Het is een heet weder, niet waar? De vogelen zitten met open bek op de boomen te hijgen. Geen wonder, wij zijn de hondsdagen ingetreden.... Gij ligt zeker met uw half bataljon te Gheel?"
"Neen, mijnheer, wij liggen te Moll," antwoordde de fourier. "Ik doe een wandeling naar Gheel, om dit stadje eens te bezichtigen. Is het nog verre?"
"Ongeveer twintig minuten. Ik ga er insgelijks naar toe, en indien mijn gezelschap u niet hindert...."
"In het geheel niet: het is te veel eer voor mij."
Zij deden eenige stappen zonder spreken. Deze verpoozing nam de fourier te baat, om zijnen onbekenden gezel van terzijde te bezien. Hij moest wel meer dan vijftig jaar oud zijn; het geheel zijner kalme, vastgeteekende wezenstrekken kon eerbied inboezemen. Zijne kleeding was van uitgekozen stof en liet vermoeden, dat hij tot den bemiddelden burgerstand behoorde.
"Men heeft mij verzekerd, mijnheer, dat Gheel de moeite waard is om te zien," zeide de fourier. "Volgens men mij vertelde, wonen daar eenige honderden zotten [1]."
"Wel duizend, fourier, wel duizend!"
"En is het waar, dat zij in volle vrijheid op de Markt en langs de straten wandelen?"
"Zeker.... en eer gij te Gheel aankomt, zult gij er ongetwijfeld meer dan eenen ontmoeten. Gaat de arme sukkelaars voorbij zonder ze aan te spreken, dan hebt gij er geenen last van.... Zie, fourier, ginder onder den lindeboom staat er reeds een. Hij houdt de wacht op den Groenen Heuvel bij de kapel der heilige Dymphna."
De onder-officier richtte het oog op den aangewezen man en mompelde met verrassing:
"Ja, die is ongetwijfeld zot."
"Stapelzot," bevestigde de burger. "Hij staat daar op schildwacht sedert tien jaar en meer, winter en zomer, van den morgen tot den avond; en wanneer het duister wordt, moet men met geweld hem naar huis leiden, of anders zou hij hier zelfs den nacht doorbrengen. Iets anders doet hij in zijn leven niet."
Nu naderden zij den zinnelooze. Hij was in gescheurde lompen gekleed, waarop eene menigte bijeengeraapte knoopen van allerlei vorm en grootte waren genaaid. Een oude, geblutste schako, met eene papieren kokarde en een bos hanenvederen, stond hem scheef op het hoofd, en in den arm droeg hij eenen zwaren bezemstok tot geweer. Zijne voeten en beenen waren naakt tot aan de knieën.
Toen de fourier hem zou voorbijgaan, stelde hij zich met den rug tegen eenen boom en presenteerde het geweer, met evenveel ernst als een ware soldaat, die eenen hoogen overste zijnen eerbiedigen groet toebrengt.
"Arme mensch!" zuchtte de onder-officier. "Hoe komt hij toch op het denkbeeld, daar altijd onder die boomen de wacht te houden? Hij is misschien soldaat geweest?"
"Juist geraden, fourier: de man heeft gediend onder Napoleon. Toen hij eens voor den vijand op schildwacht stond, verraste men hem slapende op zijnen post, en hij werd veroordeeld om voor den kop te worden geschoten; maar toen men reeds gereed stond om het vonnis uit te voeren, schonk de generaal hem genade des levens.... Gij hebt gezien wat groote, sterke man het is; hij moet evenwel maar een klein hart in het lijf gehad hebben, want de schrik des doods had hem zoodanig in de hersens getroffen, dat hij stapelzot was geworden en men hem uit den dienst moest ontslaan. Nu meent hij gewis, den plicht te vervullen dien hij vroeger heeft verzuimd."
"En de ongelukkige staat daar zoo, reeds sedert tien jaar, zomer en winter, in nat en droog?"
"Sedert veel langer, fourier. Ik woon hier reeds twaalf jaar en heb hem daar altoos zien staan, van den eersten dag mijner aankomst in deze streek."
"Woont mijnheer te Gheel?" vroog de onder-officier.
"Neen," was het antwoord. "Heb ik Brussel verlaten, het was niet om te midden der huizen te wonen.... Ziet gij, ginder verre achter de boomen, den gulden weerhaan niet glinsteren?"
"Waar meent gij, mijnheer?" mompelde de fourier, vruchteloos in de aangewezene richting blikkende.
"Boven het donker bosch....Het is inderdaad moeilijk te ontdekken, voor iemand die niet juist weet waar mijn kasteel gelegen is."
"Uw kasteel?"
"Ja, mijn kasteel. Het is een zeer schoon buitengoed, met eenige honderden bunders land, bosch en heide. Voortreffelijke jacht; het krielt er van hazen, patrijzen en fazanten. Ik heb Engelsche paarden, prachtige rijtuigen; maar voor mijne gezondheid ga ik liever te voet. Gij schijnt verwonderd? Omdat ik nederig gekleed ga en mijnen rijkdom niet ten toon spreid, aanziet gij mij waarschijnlijk voor een gemeen burgerman? Ik ben baron en mijne inkomsten beloopen tot meer dan vijftigduizend gulden. Niets is gemakkelijker dan u daarvan te overtuigen: kom mij bezoeken op mijn kasteel."
De fourier meende door eene dankbetuiging op zijne minzame uitnoodiging te antwoorden; maar nu viel er onverwachte eene jonge vrouw geknield voor zijne voeten neder; en terwijl zij de handen tot hem ophief, smeekte zij:
"O, hoogwaardige heer bisschop, geef mij toch de absolutie mijner zonden, anders moet ik recht naar de hel! Uwen zegen, uwen zegen, of Lucifer, met al zijne duivels, komt dezen nacht om mijne...."
De baron duwde deze vrouw zeer barsch achteruit en zeide tot den fourier:
"Geef geene acht op de zottin; zij valt zoo iedereen te voet, die voorbijgaat. Ik zal over haar klagen aan den burgemeester...."
De zinnelooze was eensklaps rechtgesprongen en borst nu los in eenen schaterlach:
"Ha, ha!" riep zij, "ziet hem daar nu eens staan, den luizigen jonker van Mageren Hutspot! Ik eene zottin? Geloof hem niet, mijnheer de generaal: hij is zelf zot, zot genoeg om geboeid te worden, terwijl ik, arme zondares, uwen zegen afsmeek om mijn arm zieltje te redden.... Zot, leelijke zot!"
Zij voer immer voort met tegen den baron te razen; maar deze trok den fourier bij den arm, en zeide hem met kalme verontwaardiging, na eenige stappen te hebben gedaan:
"Die verstandelooze wezens eerbiedigen niets. Geen deftig man kan hier voorbijkomen, zonder uitgescholden te worden. Men moest al de zotten, die zich onbeleefd en onbetamelijk gedragen, maar opsluiten. Hoe denkt gij daarover, fourier?"
De verblufte soldaat wist niet wat te denken of zeggen; zijn hoofd was duizelig; hij kon het gezicht niet afkeeren van die jonge vrouw, een oogenblik vroeger voor hem nedergeknield met zoet en biddend gelaat, en nu, schuimbekkend en knarsetandend als eene dolle, in de grofste scheldwoorden uitvarende.
Hij meende zijn medelijden uit te drukken, toen eensklaps achter hem een scherpe noodkreet herklonk en de schreeuw: "gare, gare au cheval!" hem ter zijde deed springen.
Hem liep een kerel voorbij, die eenen stok tusschen de beenen hield en, dravend als een paard, welhaast verre voorbij was.
"Dit is de postiljon van Luik," zeide de baron lachende. "Hij is vroeger, op de baan zijnde, zoo ongelukkig van zijn paard gevallen, dat men hem voor dood heeft opgeraapt. De wonde van zijn hoofd genas, maar zijn verstand bleef verloren. Nu draaft hij over en weder van Kevermont naar Gheel en van Gheel naar Kevermont. Hij is anders een goed ruiter. Zoudt gij gelooven, dat die kerel mij bijna dagelijks op mijn kasteel komt smeeken, hem aan te nemen voor mijn koetsier; maar gij kunt wel denken, dat ik mijn leven aan zulken zot niet zal toevertrouwen. Zoudt gij het durven, fourier?"
"Ik, mijnheer de baron? O, neen, daarvoor beware mij God!.... Maar wat gebeurt u? Gij zijt bleek en beeft? Wat verschrikt u zoo diep?"
De baron wees vooruit en zeide:
"Ziet gij ginder, bij de kerk van St.-Dymphna, dien man met zijne groote sabel? Hij is mijn bloedvijand en wil mij dooden. Ik moet vluchten."
En de hand als een bedelaar uitstekende, smeekte hij: "Ach, mijnheer de fourier, om 's hemels wille, geef mij haastig twee of drie eenten om wat snuif te koopen!"
"Centen .... om snuif .... voor u, baron?" stamelde de onder-officier, van verbaasdheid bijna stom.
"Ja, ja, ik ben millioenrijk, maar ik heb mijn geld op mijn kasteel laten liggen. O, fourierken lief, gauw, gauw, daar komt mijn vijand!"
De jonge krijgsman haalde eenige centen uit den zak en legde ze, verbluft en aarzelende, in de hand van den krankzinnigen man, die met een wild gejuich van blijdschap zich omkeerde en uit al zijne kracht in de baan wegvlood.
Als van den donder getroffen, bleef de fourier bewegingloos staan en hield de oogen ten gronde; hij was beschaamd, gekwetst, verdrietig, en vroeg zich zelven, of hij niet beter zou doen met onmiddellijk maar naar Moll terug te keeren.
Evenwel na eenige overweging vatte hij weder moed. Hij was slechts nog eenige boogschoten van het doel zijner reis verwijderd, en het hing van hem af, meende hij, voortaan alle aanraking met de zinneloozen te vermijden. Was het waar, dat een vreemdeling hier moeilijk de krankzinnige van de redelijke menschen wist te onderscheiden, dan kon hij evenwel, door niemand, wie het ook ware, het woord toe te sturen, aan zulke vernederende misgrepen ontsnappen.
Met dit vast voornemen stapte hij voorbij de schoone kerk van St.-Dymphna en trad het stadje in.
Hij bevond zich nog tusschen de eerste huizen der zeer lange Nieuwstraat, toen hij reeds vele zinneloozen bemerkte: kinderen, vrouwen, mannen, die men genoeg aan hunne belachelijke kleeding en aan hunne dwaze gebaren kon herkennen; maar dewijl zij hem slechts lachend of grijnzend aankeken, zette hij zijnen weg voort zonder te toonen, dat hij eenige aandacht op hen sloeg.
Anders was het evenwel met een ruig en verwilderd wezen, dat hem nu scheen tegemoet te komen. Daar naderde een man van hooge gestalte, met breede schouders en een bijna vierkant hoofd, dat met den verwarden haarbos en de wentelende oogen er uitzag als een dreigende leeuwenkop. Zijne beide voeten waren aan elkander geboeid bij middel eener korte ijzeren ketting, zoodat hij, om voort te gaan, gedwongen was als een kangaroe te springen.
De fourier meende te bemerken, dat iedereen, krankzinnigen en wijzen, bij de nadering van den schrikwekkenden man zich van hem verwijderde en uit den weg ging, evenals men doet voor een hollend rijtuig om niet te worden verpletterd.
Zoo deed insgelijks de onder-officier: hij omschreef al gaande een halven cirkel rondom den geboeiden zinnelooze en geraakte op deze wijze zonder aanstoot noch hinder hem voorbij.
Het was met eene soort van angst, dat hij de groote Markt bereikte, niet twijfelende of hij zou daar aan nog meer verrassende ontmoetingen blootgesteld zijn; maar gelukkiglijk ontwaarde hij, bij zijne eerste stappen op de ruime plaats, den sergeant, zijn stadgenoot en vriend, die, hem insgelijks herkend hebbende, glimlachend tot hem kwam loopen.
Na de uitstorting hunner blijdschap over dit wederzien, begon de nog ontstelde fourier hem te verhalen, wat zonderlinge krankzinnigen hij onderweg had ontmoet, en bovenal hoe de vraag van den baron, om wat centen voor snuif te bekomen, hem uit zijn lood geslagen had.
"Ja," antwoordde zijn vriend, "ik heb van dien baron-bedelaar in mijn logement hooren spreken. Het schijnt, dat hij inderdaad rijk is geweest en een kasteel heeft bezeten; maar hij heeft in de Oostenrijksche fondsen gespeeld en daaraan zijn gansch fortuin verloren. Zijne familie betaalt mildelijk voor zijne verpleging; maar geld mag men hem niet geven, anders drinkt hij, en wordt zijne ziekte veel erger. Verwondert de gekheid van dezen man u zoo uitermate? Ha, ik heb er wel wonderlijkere gezien! Het krielt hier van zotten; men kan zich wenden noch keeren, of men is er van omringd. Zie, daar zijn er reeds zes of zeven, die ons aangapen. Geef geene acht op hen, anders zullen zij nader komen en ons vervelen.... In den eerste was ik insgelijks een weinig vervaard; want om de waarheid te zeggen, ik heb het nooit met zinneloozen opgehad. In mijn logement wonen er vijf; ik ben er reeds zoo goed aan gewend dat ik,—gij zult het niet gelooven,—dat ik dagelijks op het dambord speel met een hunner."
"Met eenen zot?"
"Ja, met eenen woedenden zot. Maar het is een wonderlijk geval; hij is elken dag slechts gedurende een uur van zijne zinnen, en dit uur verspringt regelmatig volgens den tijd van het jaar. Nu en dan, wanneer er een onweder opkomt en de lucht zeer duister wordt, overvalt hem evenwel zijne kwaal in den loop van den dag; maar dit gebeurt zelden."
"Eilaas, wij, menschen, die zoo trotsch zijn op onze rede!" zuchtte de fourier. "Ziedaar das wat eene ziekte, welke men krankzinnigheid noemt, van ons verstand maakt!"
"De man, dien ik bedoel, heeft geene ziekte gehad," wedersprak de sergeant. "Hij is, volgens men mij verteld heeft, in den nacht overvallen en uitgeplunderd geworden door dieven, die hem waarschijnlijk erg mishandeld en met den dood bedreigd hebben; want de doorgestane angst heeft zijne hersens ontschikt. Nu, bij het naderen der duisternis, springt hij eensklaps op, begint om hulp te schreeuwen tegen moordenaars, welke hij meent te zien, huilt, worstelt, slaat in het ronde en valt eindelijk met eenen akeligen doodsgil op den vloer.... Een uur daarna is hij weder stil en in bezit van zijn volle verstand. Treed ik dan binnen, hij smeekt mij zoo beleefd en zoo minzaam, met hem op het dambord te spelen, dat ik het waarlijk niet kan weigeren. In alle geval, de man speelt goed en hem ontsnapt geen onbetamelijk of onredelijk woord.... Alzoo, gij zijt te Gheel gekomen om de zotten te zien?"
"Ik heb er evenwel reeds meer dan genoeg van," mompelde de fourier. "Was het niet het vermaak, eenige oogenblikken in uw gezelschap te mogen doorbrengen, ik trok seffens en zonder omzien ter