[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Over literatuur, by M.H. Van Campen
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: Over literatuur
Critisch en didactisch, tweede bundel
Author: M.H. Van Campen
Release Date: November 20, 2005 [EBook #17078]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OVER LITERATUUR ***
Produced by Marc D'Hooghe
Zoo ik nu in den aanhef van dit opstel het Sjir ha-Sjirim van Salomo de zon aan den hemel van Israëls letterkundig genie heet, dan zult ge het allicht een slecht omen noemen, dat ik mijn geschrift met een zoo weinig, want zoo veel, zeggende phrase begin. Ik weet dit en toch ... wat rest mij anders.... Indien gij den dag van dit volk overschouwt—en diens uren zijn honderdtallen jaren!—en ge ziet elk licht achter zijner paleizen vensters en op zijn pleinen verbleeken voor dien gloed, het licht van den Psalmist in den pas dagenden morgen, als een alleenzame bidlamp boven het hoofd der in gebed worstelenden en verzonkenen; de glans der luchters, die een Jesja'ja in den middag ontstak, een telkens weer schichtdreigende, doch zich ook telkens weer verzachtende en milde glans, als die van vermanende, maar lievende oogen; de roode vlam-kreten van Jirmejahoe's waakvuren, tegen den avond ontstoken, schimmend en schijnselend over de flikkerende speren en zwaarden der naderende verwoesters en ze al kleurend met bloed vóór het bloed. Als ge dit alles overheerscht [p.2] ziet door dat hemelwijde licht, hoe zoudt ge dit dan anders dan een zon kunnen heeten. Maar bovenal, hoe begrijpt ge dan, dat die overheersching toch alleen mogelijk is, niet slechts omdat het licht van het Hooglied de hoogste krachtsuitdrukking al dier andere glansen is, maar ook, en vooral, wijl het tevens van dezelfde natuur en essentieele samenstelling is. Laat bij beurte al dien glans door het scheidend prisma van uw critischen geest op den donkeren wand van uw diepste gevoel vallen en zie: van alles blijkt het hoogst-geestelijk spectrum één.... Overal is het de hoogere, en een gloedende, lyriek; overal zijn het de kleuren der stralende metaforen; overal de lichtbanden eener nergens onderbroken zielsmuziek. Maar toch, nergens zoo rijk, zoo fèl aanwezig als in de afstraling van het Hooglied. Hoe is hier op verwonderlijk-eenende wijze de zoetste aardsche liefde aan de mystieke extase gehuwd. Welk een roes der zinnen en welk een doorgeestelijktheid.... Wat zou het ook anders dan een zon kunnen zijn, die hièr de bloembedden van Sjaron's geurende rozen en spelemeiende gelieven verheerlijkt, ginds, en tegelijkertijd, door de boogramen der aloude tempelgewelven de schemering goudelend komt verrijken, en met "de kus Zijns Monds", de mystieke aanraking van zijn in sluier van licht verborgen Oerlicht, de Cheroebiem en de Arke, de voorhangen en de altaren omgloriet....—Laat ons dit dan begrijpen en vaststellen, dat dit Lied der Liederen de maatstaf aller Joodsche lyrische kunst moet zijn, want dat dit Lied, boven alles, de meest wezenlijke bestanddeelen van het Joodsch, dichterlijk genie omvat. Het antieke Israël bevond zich toen het werd geschreven, in het zenith zijner grootheid, ongedrukt, vrij van alle beënging; het kòn zich geven en het gaf zich in de bloeiende naaktheid eener jeugdige ziel die nog niet de lidteekenen van schandelijke wonden behoeft te verbergen. Het zong uit in dit lied heel de zinnelijkheid maar ook heel het extatische godsverlangen van zijn Oostersch hart; het schiep in dezen zang beelden na beelden, want zijn jonge ziel was vol liefde en de eenheid der dingen lichtte voor haar; het dompelde de woorden in een ambrosia van zoetheid en van streeling; er is een vleien en een lokken, er varen melodieën, [p.3] er zuchten weggekuste fluisteringen in dit Hebreeuwsch, als ik nooit elders klank-vereeuwigd heb gevonden. En er is ook een uitbundigheid in, die, hoog den godenbeker heffend, den deinzenden eenvoud in 't gezicht lacht ... een pralende rijkdom, zóó rijk, dat hij zich zelfs der schamelheid van een enkelen rhetorischen smuk niet schaamt.[1] En als later, in de diaspora, na de wreede, met stomheid slaande overheersching der Gothen, de intocht van het Arabische broedervolk in Spanje voor Israël een gelukkiger tijd laat dagen, dan klinkt wel uit nieuwe monden een nieuw lied, maar waarin, zij 't meest flauwer, toch weer al de oeroude eigenschappen der bijbelsche dichtkunst fonkelen. Hoe verscheiden de twee allergrootsten van dat tijdperk ook mogen zijn, diè eigenschappen hebben zij gemeen. De eerste van beiden, naar den tijd niet alleen, maar ook mijns inziens naar de diepte en hoogte zijner bloedende menschelijkheid gemeten: Aboe-Ajoeb Soleiman ben Jacha Ibn Gabirol, een worstelaar met de eigen ziel, een diep-in-gespletene, als wijsgeer hartstochtelijk-strevend naar een religie-vrije onafhankelijkheid van denken, telkens naderend dan het pantheïsme, telkens echter ook weer deinzend voor de consequenties daarvan,[2] maar als gemoedsmensch [p.4] en als dichter met hart en ziel Jood[3]—hij heeft religieuse zangen gedicht, zooals het vermaarde Keter Malkoet, waarin een zelfde beeldenrijkdom, een zelfde gloed en uitbundigheid, een niet mindere weidschheid van conceptie en voorstelling als die der antieken herleven. Ja zelfs heeft hij, de hevige hater en hartstochtelijke beminnaar, de stug in zich-zelf beslotene en van een mateloos zelfgevoel vervulde, iets van het uit twijfel geboren opstandige van den Kohelet hooger opgevoerd, en in zijn messcherpe satyre herkent men—o, onloochenbare rasgemeenschap over een afstand van eeuwen!—den—grooteren!—stamgenoot van Heinrich Heine[4], terwijl [p.5] de tweede groote dichter van dat zelfde tijdvak: Aboe-'L-Hassan Jehoeda ha-Levi, in tegenstelling met zijn voorganger eene uiterst harmonische natuur, die niet als gene de bittere tweespalt tusschen denken en voelen kende, in zijn lyriek niet minder het complex van de eigenschappen der antiek-Joodsche dichtkunst vertoont, zóó zeer, dat sommigen hem, als dichter en Hebreeuwsch stylist, slechts één meenden te kunnen gelijken, den onsterfelijken Jesja'ja.[5] En [p.6] deze eigenschappen nu, de meest essentieele en kenmerkende, zoowel der bijbelsche als na-exilische Joodsche kunst: de uitbundigheid, de pralende beeldenrijkdom, de zielsmuziek, zij zouden niet gelijk het geval is, in Israëls diepste volkspsyche moeten wortelen—als trouwens in die van alle Oostersche volken in tegenstelling met de Westersche, in wier wereldgrooten alleen zij zich voornamelijk toonen—zoo gij ze niet in die andere harer hoogste uitingen, in den aard van haar bespiegelend denken terugvondt. Nochtans, ik vermoed, dat gij er bezwaar tegen hebt, uit den tuin der lyriek naar de studeercel der wijsbegeerte te worden gevoerd. En ik weet dit te billijken. Zij het U en mij dan voldoende, zoo ik uwe aandacht vestige op slechts één feit: het antieke Israël heeft de wijsbegeerte niet gekend, zijn contemplatie van Godheid, Ik en Wereld uit zich alleen in de boekstavingen der spreukmatige wijsheid. Dit, men zal het gemakkelijk inzien, is voor hetgeen ik bewijzen wilde van het grootste gewicht. Immers de wijsbegeerte, dat is de zich uit axiomata en in syllogismen geleidelijk ontwikkelende gedachte, verhoudt zich tot de spreukmatige wijsheid als de zich vrijwillig beperkende tot de eene alzijdsche vrijheid verkiezende; als de omzichtige en eenvoudige tot de sierlievende uitbundigheid; als de droogstemmige en koude abstractie [p.7] tot het zingende en warme concrete. Wel pogen beide den top van wijsheids bergketen te bereiken, maar de een begaat den tocht als een wetenschappelijk geschoolde bergbeklimmer, de rugzak vol instrumenten, de bijl in de hand, waarmee hij voorzichtig trede na trede hakt; de ander als een gems, huppelend over de rotsblokken, springend over de afgronden; de een in zijn moeilijk voortschrijden vol van het bewijstzijn, dat de geringste misstap hem in den afgrond kan doen vallen, de ander dartelend aan den rand der gevaren en heerlijk-blij in zijn goudbruine oogen en op zijn tartend gewei, de vonken van Gods zon te mogen vangen, als de ander zich beklaagt, dat die verblinding hem hindert en zijn gletschertreden glibberig maakt.—Nóg beteekenisvoller dan dit lijkt mij het feit, dat ook in den na-exilischen tijd het Joodsch genie geen oorspronkelijke wijsbegeerte kon produceeren. Schalke luim van het lot: het volk, dat Athena vol-wassen en krijgswaardig toegerust uit het hoofd van zijn hoogsten god zag treden—welk een vleiend symbool voor de spreukmatige wijsheid, welk een negatie van de zich geleidelijk-ontwikkelende wijsgeerige gedachte!—heeft aan het volk der Spreuken de wijsbegeerte geleerd! Op de Grieksche philosophie rust de Joodsche.—Als nu, wat ik heb gezegd, de waarheid omtrent deze dingen is—en zij is het—; als ook de meer moderne Hebreeuwsche en Jargon-dichtkunst[6] de juistheid daarvan komt bevestigen; indien wij derhalve gerechtigd zijn te concludeeren, dat de Westersche lyricus, die gene uitbundigheid, dat rijke metaforisch vermogen en die ziels-muzikale stem mist, daardoor alleen toont geen zeer groot dichter te zijn,[7] maar dat de Joodsche zanger, wien ze ontbreken, daardoor [p.8] tevens blijk geeft diepst-psychisch van eigen ras te zijn vervreemd—hoezeer is het dan niet te betreuren, dat de eerste Joodsche dichter, die in Nederland zijn kunst aan zijn ras wijdt, helaas grootendeels deze eigenschappen ontbeert, helaas dus een zoo ón-Oostersche, een zoo ón-Joodsche kunstenaars-psyche vertoont. Oostersche uitbundigheid? Zij is hem vreemd, ja, wij mogen wel zeggen, dat hij haar gering schat, hij is een eenvoudige, wien wij soms niet dan euphemistisch aldus mogen noemen en voor wien dan de naam schamele, naar onze meening, beter passen zou. Rijkdom aan beelden, aan metaforen? Niet één herinner ik mij uit zijn bundel, dat wil dus zeggen: zéker heeft niet één mij verrukt. Dit vermogen, niet slechts, zooals ik reeds zei, door alle Oostersche volken bezeten, maar door de allergrootste dichters van àlle tijden en àlle landen met zooveel liefde als een van hun hoogste krachten gekweekt—men leze en her-leze bijv. Shelley's meening daarover èn die van Lord Bacon, d.t.p. door hem aangehaald[8]—hij bezit het niet. Zielsmuziek, dat hooger-melodieuse? Ja, sòms in zijn allerbeste oogenblikken, maar ach, maar ach, hoeveel verzen zijn er ook niet van een verbrokkeld en knoeierig metrum, verzen door een hortend en stootend rhythme tot rijmklankige prozabrokjes versplinterd. Stel dezen eersten Zionistischen dichter naast den niet-Zionistischen Querido en nog niet eens naast den schrijver, van Saul en David, maar naast dien van den Hartjesdag in De Jordaan, en vraag u af bij wien 't meest de essentieel-Oostersche, de Joodsche qualiteiten blijken. Stel hem naast Heyermans.... Stel hem naast Goudsmit en nog niet eens naast dien van het innige Joodsche werk, maar naast, bijvoorbeeld, den schrijver eener lyrische critiek op Mevr. Holst's Opstandelingen en vraag u hetzelfde af.... Vergelijk hem met Canter ... En gij zult gevoelen: of deze vier het wìllen zijn of niet, naar hun hoogste en naar hun lagere psyche, in hun deugden en hun gebreken, zijn zij Joden,[9] [p.9] en of de Haan het ook met zijn heele hart en ziel wìl zijn, hij blééf naar zijn hoogste psyche, slechts een naar het Joodschap verlangende. Te betreuren noemde ik dit, niet alleen om hemzelf—al ware 't alleen om hem, het zou reden genoeg zijn, want al het andere reeds genoemde daargelaten, welk een tragische tweespalt is er hier niet tusschen de lagere, Joodsche, en de hoogere, de scheppende, niet-Joodsche individualiteit—; ook niet slechts om zijne Nederlandsche rasgenooten, want ten slotte, wat dezen betreft: een ras of rasgroep krijgt ook den dichter, dien het verdient—; maar vooral om het niet-Joodsche Holland. Want ware ik een Arisch instede van een Semitisch Nederlander, ik zou voorzeker eens het volgende hebben gezegd: "Joodsch-Hollandsche kunstenaars, mìjn ras, begrijpt het wel, maakt geen aanspraak op de dankbaarheid van het uwe; het huisbakken grofheidje van dat gij mijn gast en ik uw gastheer zou zijn, ik dènk er niet aan, het te herhalen. Uw volk hier te lande, zich uitend door uwe grootsten, een Israëls, een Heyermans en een Querido, het heeft met daden getoond, den grond en de hemelen van Holland, zijn volk en zijn zee lief te hebben met zùlk een liefde als men niet voor het huis eens liefsten gastheers voelt, maar slechts voor eigen erf. Zoo erken ik, mijn land is uw erf gelijk 't het mijne is. Maar toch, schoon het mij niet past, hierover uit te weiden, deze ééne maal zij 't gedaan ... aarzelend ... om uwent- en mijnszelfs wil: had dit alles ook niet anders kunnen zijn? Waren onze vaders hier niet eeuwen vóór de uwe? Overvleugelt ons tal niet met millioenen het uwe? En nochtans ... als eens uw meest-grootsche verleden U onweerstaanbaar zal roepen en ge weer in 't aloude Kena'an wonen zult, zal dan uw ras één land van al de landen, waarin het de eeuwen door heeft gewoond, zoo zonder eenige bitterheid [p.10] kunnen gedenken als het mijne? Zoo weet ik: uw genegenheid zal ons eeuwig zijn. Welnu, zorg gij dan, dat ook onze lievende heugenis aan U een eeuwige zij. Hoe? Door U-zelf, een kind van uw ras te wezen. Als gij dan zult zijn heengetrokken en mijn Volk zal, in de toekomende eeuwen, op Holland's hooge dagen, de juweelschrijnen openen van zijn taal, dan zullen geburen en vrienden vragen: "Wie schonk u deze vreemde sieraden, die toch voorzeker exotisch zijn, niet-Westersch is ook immers in vele de mengeling van verheven schoonheid en gebrekkige leelijkheid. Hadde een Groote, van welk ras hij zij, ze gemaakt, ik zou de laatste missen, doch hadde een kleiner Wèsterling ze gewrocht, de eerste ware veel geringer." En het zal antwoorden met een stillen glimlach: "Deze schonk mij een vriend, die vele jaren bij mij woonde en vele kunstvaardige zonen had; eendracht zegende onze verscheidenheid; de een overheerschte den ander niet; hij achtte mij niet gering om mijn koele soberheid en zelfbeteugeling, ik hem niet om zijn praallievende onstuimigheid. Zoo werkten wij, ieder naar eigen diepsten aard, en vulden deze schrijnen, tot ons beider verlustiging. Hij liet ze mij toen hij ging.... Wanneer ik ze zie, gedenk ik zijner, mijn vriend, die nu onder de palmen en bij de olijfbosschen woont".—Evenwel, wanneer gij niet een kind van uw ras zult willen of kunnen zijn; zoo gij met het groot assimilatie-vermogen; dat gij ongetwijfeld bezit, ons tot in onze scheppende eigenschappen zult navolgen en met het ontleende het ras-eigene bedekken, of het ras-eigene niet eens meer bezitten zult en ons nochtans ietwat als zoon van uw volk zult schenken, zoodat toch een ieder zal weten, dat dit het geschenk van een Jood, van een Oosterling was, dan zal mijn volk, als het in de komende eeuwen zijn vrienden en geburen de kleinoodiën toonen zal, die gij het liet, voorzeker het smartend antwoord hooren: "Deze goudsmeedkunst is als de uwe! Uw vriend moge een innige en lieve vriend zijn geweest, een zwak kunstenaar lijkt hij mij zeker; had hij geen eigen aard? Had hij den aard zijner vaderen verloren, of hebt ge hem dien verdrukt, of hebt ge hem dien ontvleid?" [p.11] Dan zal mijn volk zich schamen om U èn zijn onverdienden smaad en het zal pogen, U niet meer te gedenken. Weet dit en kies dus"....
Zóó zoude ik gesproken hebben indien ik een Ariër ware. Maar gij schudt 't hoofd en lacht en, àch, ik begrijp U: dezen eenen keer, dat ge in des dichters beoordeelaar zijn rasgenoot wildet hooren, verdiept deze zich zonderlinger wijze in den wonderen droom, dat hij een Ariër is! En voorwaar, ge hebt gelijk: dèze uitbundigheid loopt niet slechts de Hollandsche spuigaten, maar zelfs die van Haifa en Jaffa uit!
In alle kunst, ook de hoogste, is de kracht van des scheppers sentimenten en gedachten de primaire oorzaak van alle schoonheid—hetzij die kracht zich uite als innigheid, hetzij als heftigheid of als scherpzinnigheid; zoodra zij een zekeren graad overstijgt, gevoelen wij hare aanwezigheid als die eener aesthetische waarde—doch in de lagere kunst is zij de eenige daarvan, daar wordt zij namelijk vaak een ijverzuchtige godheid die, den tempel der taal met haar aanwezen vullend, geen ander god naast zich duldt, en dàn: verhindert zij het verschijnen der hóógste schoonheid daarin. Ik zal later in dit opstel aantoonen, ten eerste, dat deze scherpe scheidingslijn tusschen hoogere en lagere kunst in waarheid bestaat en waaruit zij blijkt; ten tweede, dat de productie van onzen dichter tot heden grootendeels tot de laatste behoort; maar zoolang ik dat niet zal hebben gedaan, gelieve de lezer toch wel in 't geheugen te houden, dat dit mijn meening is, een meening, waarmede de lof dien ik zoo gelukkig ben dezen kunstenaar te kunnen brengen, nìet in strijd is. Nu is het wel is waar een feit, dat blijkens diens vroegere, mij bekende werken, Pathologieën en Libertijnsche Verzen, het zuiver-individueel sentiment van onzen auteur geen bijzonder hooge mate van kracht bezat en ofschoon in het eerstgenoemde werk zijn denken die wel [p.12] bezit—zich uitend in een vaak scherpzinnige redeneerkunst—wordt het ons toch spoedig duidelijk, dat met de aan van Deyssel's Adriaan ontleende stijlvormen van dit werk, ook een groot deel van de genereerende kracht-zelve van dien Meester werd geborgd—een zeer frequent verschijnsel overigens, in elk geval dat een kleiner kunstenaar door de aan hem verwante psyche van een grooteren wordt verrukt —terwijl de Libertijnsche Verzen wel aangenaam-en-curieus-om-te-lezen maar vlak van een wel wezenlijk doch ònkrachtig en òndiep sentiment blijken; zoodat, ware in dit alles geen verbetering ingetreden, zelfs die uitsluitend door de kracht der sentimenten voortgebrachte schoonheid, ook in dezen bundel niet al te overvloedig zou zijn aanwezig geweest. Maar die heilzame verandering trad in, want anders en oneindig beter werd het met den dichter èn prozaïst gesteld, toen hij zich aan de bron der gemeenschap mocht laven, en zoowel door het wee der verdrukten en ellendigen ontroerd, als zich bewust werd van de onverbrekelijke saamhoorigheid met het ras waaruit hij was voortgekomen. Hierdoor rees zijn sentiment in kracht en macht ver boven de zuiver-individualistische stemmingssentimentjes van het meerendeel onzer hedendaagsche, kleinere dichters uit. Want een stemmingssentiment—tot het bezit van een fundamenteel-individueel sentiment brengen in dezen tijd de kleineren het zelden of nooit—dat is maar een geurtje van één knopje aan den menschboom, het ontstaat in den boom, straks bloeit en geurt er een tweede, aanstonds weer een derde. Telkens als er een is uitgebloeid en verwelkt, blijft de boom armer achter ... maar de gemeenschapssentimenten, dàt zijn de fundamenteele, die ook de kleinere in dezen tijd bezitten kan, zij ontstaan niet in den boom maar in de aarde, waarin hij wortelt, zij stijgen in hem op en zich vermengend met zijn wezen versterken zij dit blijvend. Hoe zou het verbloeien van duizend zijner bloemen hem kunnen verarmen?... Hij drinkt en voedt zich uit een onmetelijkheid. Geen andere omstandigheid dan deze is de oorzaak van de zich telkens weer openbarende verjonging der socialistische dichters in ons land, een Gorter, een Henriette Roland Holst, een [p.13] Adama van Scheltema, al bewijst dit—ik geef het onmiddellijk toe—niets voor het lot der kleineren, want het werk dezer drie behoort nagenoeg geheel en al tot wat ik de hoogere lyriek heb genoemd.[10] En voorzeker: de opzuigingskracht der wortels en of zij zoo trouw de moederaarde omklemmen, dat niet elk windstootje uit den hoek van lust of onlust hen ontwortelen kan—dat zijn ook factoren, waarmede men rekenen moet. Maar overigens, dit zijn dingen, waarover de criticus der toekomst spreken mag,—laat mij maar tevreden wezen met te boekstaven dat nu althans onze dichter best zelf nog weet, wat de oorzaak is zijner versterking en verrijking:
Ik dwaalde graag door ijdel schoon bekoord,
IJdel mijn lied tot dat mijn hart verstond
Dat ik Dichter van mijn trotsch volk moet zijn.
En het is dan ook niets dan weer een andere vorm van het gemeenschapssentiment, dat zijn proza van In Russische Gevangenissen zoover als de hemel boven de aarde boven zijn vroeger proza heeft verheven. Het is mijn taak niet over dien arbeid te spreken. Slechts dit eene: om dat kleine werkje vooral heb ik den schrijver liefgekregen. Al hadde hij niets anders waardevols geschreven, dàt zou zijn naam voor vergetelheid bewaren. In eere en liefde zal ieder hem er om gedenken, den moedige, inzichtige en goede. Zijn Hooger-Ik heeft voor immer daarin de hand naar hem-zelf ook uitgestrekt; zoo hij steun mocht behoeven, hij kan háár grijpen. En als zijn leven ook verder moet schrijden door de dorten van leed en berouw—zijn Mozes sloeg ook voor hem op de steenrots der barbaarschheid, hij drinke het zuivere water....—Is dus, zoo goed als in dat werk, het gemeenschapsgevoel ook de oorzaak dat Het Joodsche Lied hoogst waardevolle arbeid werd, deze omstandigheid had tevens tot gevolg, dat [p.14] waar, zooals ik reeds heb gezegd, des dichters lagere persoonlijkheid wel, maar zijn hoogere en scheppende niet het Jood-zijn hervond, diè verzen voller van kracht en dus schooner moesten worden, welke de meer concrete gevoelens der lagere persoonlijkheid vertolken—zooals de herinneringen der jeugdjaren—dan gene, welke de meer abstracte en meer zuiver-ideëele verwoorden, die eerder tot de sfeer der hoogere persoonlijkheid behooren, zooals de nationale toekomsthoop en onpersoonlijke historieele herinnering ze vormen. Op de schoonheid der eerste wees ik reeds vroeger en waar ik dit nu toch niet beter zou kunnen zeggen, mogen mijne woorden van toen hier worden herhaald: "Zijn Joodsche Liederen, in De Gids van 1910 verschenen, zijn van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat zij hun droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich." Maar ook wees ik toen reeds aan wat ik van minder gehalte vond: "Het aan Het Joodsche Nationaalfonds gewijde gedicht in De Beweging van deze maand[11] lijkt mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en Zionistische toekomsthoop, die niet in de dichterlijke conceptie en uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn." Deze meeningen zijn door het lezen van des dichters geheele Joodsche werk slechts versterkt. Maar mede heb ik daardoor het klaarder inzicht in de oorzaak van het verschil tusschen beide soorten van verzen verkregen, zooals ik dit hierboven heb uitgezegd. Over de aanwezigheid van dat verschil oordeele de lezer-zelf, al moet ik mij te dezer plaatse, waar vele dezer gedichten verschenen, van veel citeeren, zooals van zelf spreekt, onthouden. Een paar schoonheden dus slechts uit de zeer vele en innige dezer persoonlijke-herinneringsverzen.
(Het einde van Groote Verzoendag):
Avond. Met koortsig, huivrend hoofd omhuld.
Bad ieder man zijn eigen doodsgebed
Stervensbereid. Wie hoort de vale tred
Des doods komend om onvergeven schuld?
Maar neen. Wij allen onthulden het hoofd
Zagen elkanders moede en verblijde oogen.
God heeft ons uit den Dood in 't Licht getogen,
In laatste dank worde zijn Naam geloofd.
Naar ons licht huis. De onvaste voeten tasten
Wankel in 't gaan. Vader en ik stilzwijgend,
Met hart, dat snelt en bitteren mond hijgend
Maar zielsverrukt door bidden en door vasten.[12]
(Uit Na de Paschen, II:)
En elk jaar heugt schooner U de pracht der verleden jaren,
Toen ik, jongste, mijn vragen deed,
En hoorde vader ons den oud gewijden zin verklaren
Van Drank en bittre beet.
Hij sneed het kroonkruid, wij proefden wortel en blaadren bitter
Maar aten snel van 't vruchtenzoet
En dronken teedren wijn en staarden zalig in 't geschitter
Van 't licht op feestlijk goed.[13]
En nu van de tweede soort een stukje (uit Verstrooiing):
Wij waren herders. En wij werden slaven
Van een trotsch koning in het wreede Egypte.
Pyramiden bouwden wij, sfinxen, krypten
Doodensteden met hijgend, hongrend draven.
Maar toen: met tien Wondren togen wij uit,
God lei de zee voor onze voeten droog.
En dreef 't snel water der Jordaan omhoog.
Een land vol melk en honing werd ons buit.
Voor veldslaven hadden wij honderd volken.
In steden en dorpen woonden wij rijk.
Rustig heerschend. Ons aantal was gelijk
Aan 't zand der zee en 't water van de wolken.
Maar met de weelde kwam het ijdel dwalen
Langs wegen, die Mozes niet heeft gekend,
Gods Gezicht donkerde, toornend gewend
Liet hij stormen van doodend onheil dalen.
Wel, het spijt mij, maar ik kan van zoo iets niet anders zeggen, dan dat ik het een heel gebrekkig en gewrongen proza vind, dat vermoedelijk zoo gebrekkig en verwrongen werd, omdat het rijmen moest en een vers wilde zijn.... En is het tot hiertoe van historische herinnering vervuld, nadat deze zich nog in een tweetal strophen van gelijke onwaarde als de voorgaande heeft vermeid, wendt het gedicht zich naar de toekomst, spreekt het de nationale hoop uit:
Zullen wij keeren? Vriend, wat is 't verlangen,
Naar 't Vaderland, dat ik in uw hart weet,
In mijn hart voel, geen enklen dag vergeet,
Dat onbedwingbaar zingt in mijne zangen?
Zullen wij keeren? Worden wij landbouwers
Op 't eigen veld, van dit wreed zwerven wij?
Slaafsheid draagt zwaar. Maar altijd blijven wij
Op nieuwe Toekomst de vaste vertrouwers.
Hiermede is het gedicht afgeloopen. Prachtig hoor: dat doet me goed aan mijn Joodsch hart, en als dat hart nog traditioneel-geloovig ware, dan zou het me nòg meer goed doen.... Maar eilieve, waar is nu eigenlijk het aesthetisch schoon van dit vers en waar zijn de krachtige en diepe gevoelens, die dit schoon hadden moeten veroorzaken. Zeker, de dichter zègt, dat "'t verlangen ... onbedwingbaar zingt in (zijne) zangen," maar maakt het geluid van zijn vers dat ook voor ons tot werkelijkheid?... Komaan, lezer, neem de proef, neem een goed [p.17] gedicht van welken grooten of kleinen dichter ge maar verkiest, neem, om 't u gemakkelijk te maken, de door mij gecursiveerde gedeelten der zooeven geciteerde jeugd-herinneringsverzen, verander daarin op zoodanige wijze de woorden, dat ge den groveren zinsinhoud niet verminkt, maar daarentegen van oorspronkelijk rhythme, van metrum, rijmklank niets laat overblijven, en—ge zult u over het resultaat van uw vandalisme ontzetten: nagenoeg alles van wat u verrukte of bekoorde is wèg. Maar neem nu dìt vers, maak er gewoon fatsoenlijk proza van.... Welnu! wat verloort ge?... Niets. Ge hàdt niets te verliezen!
Intusschen, haalde ik dit vers aan, ik deed het niet, om daardoor den lezer een denkbeeld te geven van de algemééne waarde dezer gedichten van de "tweede soort". Als zoodanig voorgesteld, zou dit niets meer of minder dan een lasterlijke onjuistheid zijn. Ik wilde alleen zeggen: van de jeugdherinneringsverzen daalt geen van alle tot dit peil.—Maar overigens: er zijn zeer zeker geslaagde bij, zooals bijvoorbeeld Bemoediging met dat telkens terugkeerende door zijn veel-evoqueerend geluid aandoenlijke "Leitmotif":
Eenmaal zal ons Volk Land en Stad behooren,
Waar David koning is geweest.
en nog zooveel innigs. Maar andermaal: háált hun innigheid bij die in menig van die heerlijk-schoone Sabbathliederen, bij, ten voorbeeld, dit:
Al jeugd vergaat. Moeder, ik ben verdwaald,
Mijn heete handen tasten in het duister.
Moeder, ik wil weer terug naar den luister,
Die van onzen heiligen Sabbath straalt.
Tenzij—tenzij dat geestelijk-zien der verre toekomstverschieten zich een enkel maal mag verbinden aan de concrete jeugd-herinneringen en dááruit beeldende en zingende kracht put, zooals in [p.18] Vreugde der Wet, dat aanvangt met die als biddend opziende filiale verheerlijking:
De handen van mijn Vader waren teeder
En oud. Hij hief boven 't geheven hoofd
Dat schoon symbool: palmentak rankgeloofd
Met myrtentak, wilgentak en ceder.
Dan dit zacht murmelt als een peins-droomend kind, de oogen zien òp en vèr, terwijl het droom-gebonden spreekt:
Palmentakken, O Vader, in het Oost
Beven die levend in de lichte zon.
Ten slotte zijn warm gevoel ook over het toekomstvisioen laat gloriën:
Wij zwierven veel. En toch keeren wij weder
Naar 't Heilig Land, waar milde honing vloeit
Uit bonte bloemen. Waar de wijndruif gloeit
En gouden appels rijpen aan den ceder.[14]
Er zijn echter nog groote schoonheden van anderen psychischen oorsprong in dezen bundel. Zij bevinden zich op die plaatsen, waar de bloeiende en geurende specifiek-Joodsche jeugdherinneringen doornomrankt, doorndoorboord worden door het algemeen-menschelijk sentiment van wroeging om begane zonden. Ik geloof niet, dat één mensch in Holland zich zoo waarachtig, zoo schaamteloos-waarachtig heeft gegeven—ik bezig natuurlijk dit woord "schaamteloos" uitsluitend ter kenschetsing der mate van overgave, zonder daaraan eenige ethische waardebepaling te verbinden—gelijk deze [p.19] dichter. Bij die hevige wroeging, bij dit brandend berouw, hoe worden er de ikheidssentimentjes van de meesten onzer decadenten onwezenlijk en lafjes bij. Hoor dit geluid:
"Dat iedereen, dien 't hongert, hedenavond binnentrede
Neme van 't heilig Feest zijn maat"—
Mijn voet valt doodsvermoeid, o, kon ik keeren tot dien vrede,
Der vromen toeverlaat.
Mij walgt van aardschen wijn en eeuwig blijft voor mij gesloten,
Weelde van het Hemelsch Gezin.
Aanvaard uw heilloos lot, ziel, deel met uw minne genooten
Uw onheilvolle min.
Niet dezen Nacht en niet één Nacht, die volgt van woede of weelde,
Stel als een schuldloos kind uw vraag,
Geen antwoord is voor U, die lichtzinnig uw lot verspeelde.
Dan 't eigen dof geklaag.
Lees ook dat laatste der Sabbathliederen, waar de oude vriend van des dichters jeugd, de heilige Sabbath-zelve, hem aan het libertijnsch banket komt manen, tot de idealen en het zuivere leven zijner jonge jaren weer te keeren. O, mocht ik het citeeren, dit wonder-innige, dit, schoon ook van diepste smart en martelenden tweestrijd volle, toch bloeiend-bevallige gedicht.... Doch kan ik er aan denken? Het zou zeker zes bladzijden van dit maandschrift beslaan!...—Evenwel, ook in deze soort verzen is een daling te bemerken. Gaat het niet in dit opzicht met dezen bundel als met het leven der menschen, een ènkele gelukkige uitgezonderd? De jaren van den aanvang van een leven, zijn dat niet zijn dichters, en de jaren van den ouderdom zijn die niet zijn rhetorici? Wat de eerste hebben geprofeteerd, dat preeken de laatste; wat deze hebben door-leefd, dat door-commentarieeren de andere; ach, hoe waren deze schóón door kràcht, hoe werden gene léélijk door zwàkte; zij herhalen en herhalend vergrauwen zij alle de scherpe, schitterende punten van het "uiterste", waarin [p.20] de schoonheid straalde. Gaat het niet met de wroegingsverzen in dezen bundel evenzoo? En uit een zelfde oorzaak. De eerste zijn machtige en heftige, schoone en echte verzen, de latere naderen bedenkelijk dicht de rhetorica. Die latere zijn—laat mij exact wezen—vaak slechts ten deele de uiting van het levend gevoel en ten deele de preekerige, koudere, soms huilerige herhaling ervan. Het is waar, als ik aldus van die latere spreek, dan heb ik vooral op het oog een gedicht als dat Aan Leo V. gewijd, een gedicht van didactische natuur, en didactiek verleidt licht tot den preektoon. Maar toch—het is ook vol van een verhulde arrogantie—en het is waarlijk niet het eenige, dat daardoor wordt ontsierd—en dier aanwezigheid is het beste bewijs, dat het heftige, levende wroegingsgevoel, zooals dat in de vroegere verzen aanwezig was, en daar, zooals ook noodwendig is, van zekeren deemoed werd verzeld, hier niet meer bestond, want: diè wroeging èn arrogantie ... neen, samen gaan die niet. De preekerige aanmatiging bestaat hierin, dat de dichter, op grond van het feit, dat hij door het verlaten der Leer tot "zonde" kwam, een jongeling meent te moeten vermanen, de Leer trouw te blijven opdat ook hij niet tot zonde vervalle.[15] Wélk een arrogantie is dit en welk een beschimmeld clericalisme bovendien! Kende onze dichter vrij groote groepen van het jonge joodsche proletariaat, hoe zou hem zulk een uiting berouwen.... Die honderden jongelui, met hun aandoenlijk streven naar ontwikkeling, met hun reinen levenswandel, deze groote kinderen, van wie het meerendeel geen flauw begrip van Leer of godsdienst heeft. Begrijp toch Dichter, dat èlk ideaal, mits als zoodanig in waarheid door den menschengeest gevoeld, hem beveiligt en opheft. Als de tijd één wrak heeft gemaakt, dan sticht hij een ander. De tijd? Neen de menschengeest-zelf! Want zooals de levenskiem van den vogel in het ei, zich vleugels bouwt, zoo bouwt zich de ziel des menschen [p.21] haar idealen.... Gij, Dichter, die den menschvogel ... een paar vleùgels ... áánpréékt....—Doch genoeg hiervan, liever wijze ik nog op een andere schoonheid in dezen bundel, de verzen der Demonen. Deze oude fantasmen heeft de dichter op zeer gelukkige wijze weer bezield, door in hun evocatie het element van eigen zinnelijkheid te vervlechten. Alleen: ik heb niet de reden kunnen ontdekken, waarom hij dien ouden demon, dien armen Ketef Meriri zóó gruwelijk heeft verminkt. Want een horendrager te zijn, mij dunkt, dat is al erg genoeg, doch een enkele horen te wezen!...[16]
Na nu aldus, naar ik hoop, de plaats en de waarde te hebben aangewezen, welke dezen verzen mogen worden toegekend op hun eigen plan, dat dus, enkele gedichten uitgezonderd, dat der lagere poëzie is, zij het mij vergund de eigenschap te noemen, welke de hoogere lyriek van deze onderscheidt. Die is dan mijns inziens geen andere, dan dat de hoogere de kenmerken draagt van te zijn voortgebracht door een ziel, die triomfantelijk en vrij hare sentimenten en gedachten te boven rijst, de lagere daarentegen duidelijk doet blijken geboren te [p.22] zijn uit eene, die in die gedachten en sentimenten bleef bevangen.
De triomfeerende ziel is als een zon, die boven een wolkenduister landschap dagend, gulden zoomen van schoonheid aan die wolken maakt; de onvrije ziel een zon, die, door de wolken verwonnen, onmachtig blijft: het strijden en jagen van hun duistere gestalten, het vagen hunner schaduwen over boomen en vaarten is de eenige schoonheid, die ge ziet: de kracht der sentimenten en gedachten, zij laten de opkomst der al te zwak-stralende niet toe.
De eerste is een Cyrano, die vechtend om zijn leven, met de schoonheid zijner onbevangenheid, de schoonheid van zijn luchtigen lach, van zijn tartend en dartel woord, van zijn absolute overheersching, de toeschouwers tot jubel vervoert. Hij strijdt, ja, doch dàt lijkt maar de bijzaak, tegelijkertijd echter dicht hij een lied, in woorden en—bewegingen, één rhythme van oppermachtige triomfantelijkheid doorstroomt àlles, en dàt, dàt schijnt wel voor dien goddelijken schoonheidsdorstige de hoofdzaak....—De laatste is een log zwaardvechter, die druipend van bloed en zweet om zijn leven vecht. Zijn eenige schoonheid is zijn kracht, de massiviteit van zijn lichaam, van zijn leden en spieren.
De lagere lyriek, zij wekt ons medegevoel en onze liefde op: wij lijden en strijden mede met dezen zwaardvechter, wij worden duis-en bewogen als deze wolken; maar de hoogere—zij alleen overstraalt en verrukt ons.
Vlei ik mij nu, te hebben doen gevoelen wat het onderscheid is en waar de grenslijn ligt tusschen de hoogere en lagere dichtkunst, ik wensch nochtans niet, wat ik heb gezegd in het vage van het bewijslooze betoog te laten. Zoo kies ik dan, om aan verzen-zelf de bovengenoemde eigenschap der hoogere lyriek te demonstreeren, één uit Verwey en een uit Henriette Roland Holst. Met de kleinere zijde van beider dichterschap toont onze dichter wel eenige verwantschap, en—die ingetogenheid en eenvoud, waarnaar hij strééft, zijn bij de laatstgenoemde volmaakt en overtreffen ver de zijne.
[p.23] Verwey's In Memoriam Patris. (Het vers is te lang, om het hier in zijn geheel te citeeren en ofschoon het ongetwijfeld een ernstige schennis is, er een deel uit te lichten, mòet dit nu wel. Vergenoege ik mij dus met het schoone slot.)
Daar zijn bloemen, mijn bloemen van zang:
Zij spreiden een licht om zijn hoofd,
Een schijnsel om lokken en wang,
Dat nooit zal worden gedoofd—
Goeden en grooten begraaft men zoo:
Zij zijn licht in hun sarkophagen,
Met een schijnsel van zangen en klagen
Om het hoofd.
Ziet ge: vooral die door mij gecursiveerde regels vormen zulk een gulden zoom van schoonheid om den donkeren nevel der herdenking.
Henriette van der Schalk. (Uit: Het Gelukzalig Leven van den Vrome).
Want zijn hart leeft rustig niet onbewogen
verheven boven 't armelijk bestaan
van wie macht'loos te worden aangedaan
voor verwinning aanzien hun onvermogen
harten te voelen gespannen als bogen
onder des levens geweldige aan-
rakingen en hun dorheid een weerstaan
noemen der zon waar zij als kracht op bogen.
Maar 't zijne staat, te midden van de dingen
niet als een rif, waartegen baren breken
maar als een meer, dat berg van vlakte scheidt,
de onstuimige wat'ren die 't binnen-dringen
herrijzen uit die klare en diepe streken
als effene stroomen vol statigheid.
Ziet ge: deze door mij gecursiveerde terzinen, die zijn die gulden zoom van schoonheid, om het zwaar gewolkte der contemplatieve gedachte.
[p.24] Welnu, ik kan slechts herhalen: zulk metaforisch schoon wordt in het werk van onzen dichter gemist.
Maar den Cyrano wenscht gij te aanschouwen, den man, die spottend en dichtend om zijn leven vecht; ge wenscht nu die heel vrije, die zeer koninklijke ziel te zien, die hare lenigheid en vrijheid nóóit verliest; die te midden van den strijd, van de diepste vertwijfeling, van de felste opstandigheid, blijft naar de schoonheid tasten èn: haar grijpt.... Maar laast ge dan nog immer, in die onvolprezen vertaling van Boutens, Omar Kayyam's Kwatrijnen niet? Scharten's opstel bracht mij ertoe, U nog niet? Dàn zaagt ge ook niet den oneindig dieperen, den grootsten Cyrano, dien wellicht ooit de wereld droeg. Zie dan weer, éven:
Ik ben een slecht slaaf—: waar is Uw genade?
Mijn hart is nacht—: waar blijft Uw dageraden?
Uw hemel kan ik winnen door mijn dienst:
Dat's loon—: waar zijn Uw gunst en liefdedaden?
Dit is de lenigheid en de triomf van de schoonheid-grijpende ziel te midden van den hartstocht der opstandigheid....—En dìt, vooral dìt, de triomf van de lenige en vrije ziel die de schoonheid grijpt te midden van het vertwijfelen aan den zin en de rechtvaardigheid van het leven:
In donkren hoek van levens tuin verschrompeld,
Door 't eenig-welig onkruid overrompeld,—
O Hart, gelijk een rozeknop beklemd,
En als een tulp in eigen bloed gedompeld!
Nu begrijpt ge 't: dàn slechts kan men zulk een groot dichter, zulk een schepper van hoogere lyriek zijn, als niets de ziel weerhouden kan, overal, op de moeizame steilten en verre hoogten der wereld bloemen van schoonheid te plukken; het gevaar van den tocht, de [p.25] gepijnde voeten, het wildkloppende hart, alles een aansporing te meer om te gaan dáárheen, daar troost, daar loon te vinden. Keert hij van daar terug—de zeldzame bloemen die hij plukte verhalen heerlijk van zijn vreeselijken tocht.... En daalde hij ten afgrond, "overdekten hem machtige wateren", hij greep de parel der schoonheid, en liet ze niet los; aanschouwt hij weer de zon, hij wordt de louteraar en de smeder van haar goud....—
Dat ònze dichter nu, ofschoon hij die lenigheid en die vrijheid niet kent, ofschoon hij geen triomfeerende maar een bevangen geest is, toch in zijn beste verzen den zoom van het gebied van zulker hoogere zielen lyriek heeft mogen betreden, dat heeft hij daaraan te danken, dat dàn althans één uitgang van zijn kerker openstond, die waarvoor de muzikale schoonheid den bevrijde wacht: in die beste verzen leeft het schoon eener zoet-zinnelijke welluidendheid.
Men heeft de meening uitgesproken, dat niet-Joden deze verzen niet voldoende zouden kunnen waardeeren, omdat zij te subjectief-Joodsch zouden wezen en dat men althans als Jood moest gebòren zijn, om diep in hun gevoelssfeer te kunnen doordringen[17]. Dit laatste is op zichzelf zeer juist, doch het lijkt mij tevens een opmerking, die hier weinig ter zake doet. De vraag is niet of zekere lezers werkelijk diep in de gevoelssfeer van een zeker werk kunnen dringen, de vraag is of die lezers door den dichter in de illusie worden gebracht, dat zij het doen; of die lezers zóó door des dichters scheppend vermogen in verrukking worden gebracht, dat zij meenen ook diens gevoelsfeer te begrijpen. Ik heb vroeger in ditzelfde tijdschrift uiteengezet, dat en waarom wij niet minder kunnen genieten van een werk welks gevoelssfeer ons vreemd is, dan van zulk een, waarbij dat niet het geval is;[18] ja, ik heb aangetoond, dat dit laatste, het medeleven in die gevoelssfeer, [p.26] tot zulk een graad kan stijgen, dat het ons juist het aesthetisch genieten verhindert.[19] Ik vrees dan ook, dat àls de niet-Joodsche lezer tot het bewustzijn mocht komen van zijn onmacht, deze verzen te doorvoelen, dit niet zal veroorzaakt worden door zijn niet-Jood-zijn, maar alleen doordat die verzen hem niet hebben verrukt, hem niet in die dronkenschap van liefde en bewondering hebben gebracht, waarin hij wel moest gelooven, dat hij ze doorvoelde en begreep. Want dit konden dan deze verzen niet, doordat zij maar al te zeer behooren tot wat ik de lagere lyriek heb genoemd. Ik zal mij natuurlijk wel wachten mijn vroeger betoog te herhalen. Slechts verwees ik den lezer ernaar, want ongetwijfeld vult dat vroegere aan wat ik thans ga zeggen. Toen ik namelijk nu opnieuw nadacht over deze zaken en mij afvroeg, of ik dan wellicht toch destijds een redeneeringsfout had begaan, toen bood zich mijn inzicht instede van de ontdekking van een fout, de mogelijkheid om door een minder abstracte redeneering dan de vroegere, de juistheid mijner beweringen van eene andere zijde uit te bewijzen. En daarnaar moge ik hier nog trachten.
Ons geheele actieve zieleleven wordt gevormd door een reeks van verrichtingen die niet-volledig-begrijpen en niet-volledig-doorvoelen moeten worden genoemd. Zóó onvolledig, dat het niet-begrepene en niet-doorvoelde zich meestal tot het begrepene en doorvoelde verhouden als een onmetelijkheid tot een stip. Doch als datgene, waarmede onze ziel zich, aldus ten-deele-doorvoelend, bezighoudt, haar door de majesteit, schoonheid of heerlijkheid zijner verschijning verrukt, dan worden wij in den waan gebracht, dat we 't volledig begrijpen: wijl wij ons hebben volgedronken, meenen we: wij hebben dit leeggedronken. Want wij voelen ons dan zóó verzadigd van geluk, en zóó rijk en zóó machtig, dat het begrip, hoe in die heerlijkheid iets zou kunnen zijn, dat òns wezen niet kan bevatten, niet tot ons doordringt. En in deze illusie brengen ons zoowel de groote machten van het leven als die der kunst.
[p.27] Het leven: als ons met de dronkenschap en de verrukking van haar aanwezen de liefde vervult, zoo meenen wij haar diepte en hoogte te kennen. Wij denken en spreken van haar in vervoering en als uit diepste weten. Zelfs later is de bloote herinnering aan ons machtig gevoel nog in staat, ons bijwijlen te doen denken, dat wij haar volledig kenden. Indien ten tijde onzer vervoering iemand tot ons zou zeggen: "Gij kent de liefde niet, maar slechts een onnoemelijk klein deeltje harer onmetelijkheid," wij heetten hem een dwaas, en nochtans—vraag uw rede, wiè hier de dwaas is.... Dat zéér kleine schelpje van onze ziel, door die oceaan op het strand geworpen, van zóó weinige harer druppelen volgestort, of weer ledig van haar, weggevoerd of in haar nabijheid gelaten, houdt het niet op te ruischen van haar.
En de kunst? Vraag uw rede, of wij kleinen, de liefde en den haat, het denken en voelen van een Salomo en een Shelley, een Kayyam en een Dante kunnen dóór-voelen. Zij zegt u duizendmaal: neen, dat kunt gij niet. Niettemin, zoo wij hen lezen, zoo wij ons begeven in hun invloedsfeer, dan vervult ons immer weer dezelfde illusie, dezelfde dronkenschap, en onze van liefde en verrukking verblinde ziel stamelt: O, Heerlijken, ik zou u niet begrijpen, liever stièrf ik, hier in mijn hàrt voel ik het, dat ik u niet slechts begrijp, maar dat ik één met U ben, ge hebt mij tot U genomen, ik leef met U en niet zonder U, ik kan u nooit meer verlaten....—En nochtans?...
Als de Miltoniaansche Adam onder de heerlijkheid des Eeuwigen in den visioenen-vollen sluimer der verrukt-overweldigden zinkt ... wat kàn hij dan meer hebben gedaan dan zich voldrinken uit die oneindige Heerlijkheid?.... O, Dichter, wij staan vóór u, wij Ariërs, wij Semieten, wij alle geslachten der aarde, wij allen zien tot u op, wij wachten uw woord verlàngende. Maar zie, als ge nu spreken zult buiten de heerlijkheid der Grooten en slechts met de taal van een diep-gevoelig mensch, zoo zullen slechts de Ariërs u toejuichen en liefhebben, als gij over de gevoelens en voorstellingen der Ariërs spreekt, en de Semieten als gij over dier gevoelens spreekt, en elk ras en elk volk slechts wanneer uwe zegging zich aan hun zielesfeer verbindt. [p.28] En uw loon zal gering zijn en uw zege onvolledig en die van een sterveling. Evenwel, wanneer ge, 'schoon slechts sprekend gelijk ieder mensch, ook de grootste, uit uw eigen zeer beperkte sfeer, toch in de heerlijkheid en schoonheid der Grooten tot ons zult spreken, dàn zullen wij noch Ariërs, noch Semieten, maar van liefde vervoerden, van verrukking dronkenen zijn; wìj zullen niet dan verheerlijkte menschen, ùw overwinning onvergankelijk en volledig wezen ... zich hernieuwend van eeuw tot eeuw.... Dichter wees gij onze Heer, wij zullen uw Adam zijn....—
Eindig ik nu en zie ik rond mij in den kring van gevoelens en gedachten, die na lezing van dit dichtwerk uit mij ontstonden, dan zie ik menig gelaat, vragend mij aanziend: "Laat ge mij achter, vergeet gij mij?" En ik antwoord berustend: Vergeten zal ik u niet, maar u achterlaten, dat zal wel moeten. Want de literaire criticus als zoodanig valt nimmer den gedachten- en gevoelsinhoud van den beoordeelde aan, en gij, gedachten die ik achterlaat, zijt sociologische en wijsgeerige strijders.—Maar al waart gij geen strijders ... dan nog....—Zoo zag ik, dat de proletarische toon in deze dichtkunst ontbrak en ik vond er de sociologische verklaring van, maar wat moet daar de literaire criticus mee aanvangen? Zoo vond ik tot mijn leedwezen een—soms zelfs opgeschroefd!—chauvinisme in dezen bundel, een chauvinisme dat ik den grootsten vijand van gezònd nationaliteitsgevoel acht—wat echter heeft de literaire criticus daar mee van doen? Neen voorzeker, hìj niets. Maar ìk—zeer veel! En zoo ik dit alles nu achterlaat, vergeten zal ik het niet maar het wellicht te zijner tijd uiting geven.—Heb ik veel goeds maar ook veel kwaads van deze verzen gezegd, het beste bewaarde ik voor het laatst: Het zal den dichter tot blijvende eere strekken, dat hij de eerste was, die op grootendeels zuivere en innige wijze in kunst het verlangen heeft verwerkelijkt, dat in de keur van Holland's Jodendom leeft, het verlangen: van Joodsche Nederlanders tot Nederlandsche Joden nu reeds, tot Palestinensische later te worden. Dichter, [p.29] uw kunst is nu nog slechts de smalle brug over een poel van waan en bourgeois-satisfaitschap, waarover een kleine groep van Joodsche idealisten naar de eenheid met hun bewogen-levende, hun smartelijk-lijdende broeders in andere landen trekt. Moge de Bouwmeester haar versterken tot eene, zoo breed en monumentaal, dat eens de tienduizenden van het Hollandsch-Joodsche proletariaat er over zullen schrijden, blijde en trotsch, de gelederen der Po'alé-Tsion tegemoet.
16 Januari '16.
Noten:
[1] Waarschijnlijk hebben wij toch als zoodanig te beschouwen: "Als een granaatappel-snede zijn uwe wangen tusschen uw vlechten." Want ware de rimmon, de granaatappel, niet zulk een geliefkoosd versieringsmotief in de antieke Joodsche versieringskunst, ware hij niet tevens het symbool van iets zeer edels, waarmede men gaarne wat men eeren wilde, vergeleek, dan zou de Dichter hier allicht, door het kiezen eener andere vrucht, zijne vergelijking treffender hebben gemaakt.
[2] Zijn philosophisch werk, oorspronkelijk in 't Arabisch geschreven en onder den titel Mekor Chajim = Bron des Levens, fragmentarisch in 't Hebreeuwsch overgezet door Sjemtob ben Jozef Ibn Falaquera, was reeds eerder onder den titel Fons vitae door Dominicus Gondisalvi met behulp van een gedoopten Jood, Avendeath, vertaald. In deze Latijnsche vertaling heeft het grooten opgang in de Christelijke wereld gemaakt en zoowel de opmerkzaamheid van Scotisten als Thomisten getrokken. Na aanval op en verdediging van zijn stelsel door de stichters dier scholen—Thomas van Aquino had het aangevallen, Duns Scotus zich in menig opzicht een aanhanger betoond—maakten de volgelingen het tot onderwerp hunner disputen. Het aardige echter van het geval is, dat men absoluut niet meer wist, dat zijn auteur een Jood was. Bij de overzetting was de naam Ibn Gabirol of G'ebrol eerst verbasterd tot Avencebrol, later tot Avicebron en dezen fantastischen Avicebron hield men voor den een of anderen vromen monnik! Pas in 1846 werd door den grooten Munk te Parijs de identiteit van Gabirol met Avicebron onbetwistbaar vastgesteld.
[3] En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een enkel maal iets pantheïstisch. Zoo in dit kwatrijn—in de vertaling van Geiger—:
Du staunst, dass ich zu Weisheitshöhen kühn
Den Weg besteige, ebnend mir den Pfad?
Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt,
Ist ein das All umkreisend Weltenrad.
Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze studie nimmer uit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel: schoonheid te toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en geluid-dóód, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak een zich naar den modernen lezer voegende omwerking is. Zelf aan een vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dien ik daarvoor noodig zou hebben, te meer waar de tekst van zijn profane verzen zeer corrupt is, en niet gebundeld, maar in allerlei oriëntalistische tijdschriften verspreid.—Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel eens gevoelig vertaald, zóó dit van Samuel Nagdilah, dat—zie overigens volgende noot—indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans schitterende maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier onder een Mohammedaansch vorst, zéér aandoenlijk is:
Ueber der Zeiten Krümmung
Ewigem Leben zu reit' ich
Und zu dem Paradiese
Ueber die Hölle schreit' ich....
[4] Men oordeele: dit kwatrijn,—en het gaat nog wel op den dichter Samuel Nagdilah, den machtigen vizier, die zijn beschermer en vriend was, maar met wien hij later in onmin leefde—:
Mir war so kalt, mich hat
Ein solcher Frost durchschnitten,
Als hörte ich ein Lied
Von Samuel den Leviten.
Of een ander maal—erger nog: critiek op een Bijbelsch dichter!—; uit een grooter gedicht:
Von Salomo dem Weisen war
Zu Zeiten wohl der Geist gewichen,
Da hat er einer Lämmerheerde
Der Zähne Perlenreih' verglichen.
En ten slotte dit zelf-getuigenis:
Was soll mir's, dem klangreichen Dichter,
Zu singen vor solchem Gelichter?
Ist besser, dass ich sie zu Brei hack'
Denn meine Zung' ist mein Dreizack.
[5] Deze Jehoeda ha-Levi is dezelfde, die door Heine zonderlingerwijze Jehuda ben Halevi wordt genoemd, en wien hij in zijne Hebräische Melodien, o.m. "Eine wunderbare, grosse Feuersäule des Gesanges" noemt. Ziehier twee voorbeelden van zijn echt-Oostersche beeldvorming:
Die Sonne sinkt, die Nacht erhebt sich
Der Mond erscheint mit goldnem Rand,
Die Stern' im Meer gleich, irren Wandrern
Die unstät zich'n in fernem Land.
Voeldet ge ook niet het bannelingssentiment van den Jood in deze laatste regels?—En dit, geschreven na op zijn tragischen pelgrimstocht naar Palestina, van waar hij nimmer terugkeerde, Tyrus te hebben bezocht:
Heil Tyrus! Deinen Weisen Heil! Sie haben
In's Herz mir ihre Namen eingegraben
Und sich zum Meer ein zweites noch erkieset:
Mein Auge,das von Thränen uberfliesset.
Overigens: hoezeer 't ook geheel eens met hen, die hem als Hebreeuwsch stylist op één lijn met de groote bijbelsche dichters stellen, geloof ik, dat hij als dichter onder die Grooten blijft. Hij heeft niet immer de enorme hartstocht, het werelddragende gebaar van een Jesja'ja. Eerder nog, dunkt mij, is hem het zoet-idyllische van het Hooglied eigen, aan welks geluid het zijne ook verwant is. Hij is ook soms—ik spreek nu alleen van zijn profane verzen—wat klein-speelsch....—Daarbij komt: ten eerste, dat hij in een doode taal dichtte; ten tweede, dat hij in een vreemde maatschappij leefde, wier anti- of on-Joodsche richting niet kan hebben nagelaten, een nadeeligen invloed op zijn Joodsch-dichterschap te oefenen.
Ook een opvallende uiterlijkheid wijst dien invloed aan. Het liefdeleven van de hem omringende Arabische samenleving was sterk homosexueel getint, de geringschatting voor de vrouw algemeen, 't geen tot gevolg had, dat ook een dichter die een liefdesvers tot een vrouw richtte, den schijn aannam, tot een man te spreken. Welnu, Jehoeda ha-Levi wien, zonder eenige twijfel alle homosexueele neigingen volkomen vreemd waren, en die overigens als streng-traditioneel Jood ze ook als helsche zonde verfoeide, heeft meer dan eens die Arabische dichterlijke mode gevolgd. ("Il faut remarquer" zegt Luzzatto, geciteerd bij Geiger, "que la pédérastie était en honneur chez les Arabes (comme chez les Grecs), et que les poètes juifs parlent de leurs amis comme si c'étaient des amants").
Een dergelijk gedichtje van zijn hand, door mij uit het Hebreeuwsch vertaald, waarbij ik alle de geliefde als man travesteerende taalvormen weer in vrouwelijke omzette, moge ten voorbeeld hier volgen:
Zij, tot wier losprijs ik mij Gode wijdde,
Heeft dezen nacht bij harp en zang doorwaakt,
En daar ik dorstig bij den roemer beidde,
Aldus, zoet manende, mijn lust gelaakt:
"Drink, Dichter, wijn ten beker mijner lippen
Vóór Dageraad den zwarten vool laat glippen,
Waarop goudverwig 't maangebloemte blaakt."
[6] Men zie mijn derden "Brief over Literatuur" in Over Literatuur, eerste bundel, en vooral het daarin geciteerde: La Poesie lyrique Hébraique Contemporaine van Dr. Slousch, benevens mijn studie over Die Lieder des Ghetto, in mijn Opstellen.
[7] Hoezeer deze kenmerken en niet minder de "omwegen der voorstelling", welke laatste de heer Scharten meer een specifiek Oostersche eigenaardigheid in Tagore scheen te achten, inderdaad ook bij den grooten Westerling aanwezig zijn, daarvan kan zich elk lezer van bijv. La Vita Nuova—ook, uitgezonderd natuurlijk wat betreft het oorspronkelijk geluid, in van Suchtelen's voortreffelijke vertaling—overtuigen.
[8] A Defence of Poetry. Part I.
[9] Hetgeen ook van v. Collem dient te worden gezegd. Tot mijn leedwezen bemerkte ik destijds, èven te laat, hem niet als vijfde te hebben genoemd, schoon ik reeds zeer vroeg in Het Jonge Leven de aandacht op hem had gevestigd en ook in mijn eersten bundel Over Literatuur, zijn oorspronkelijkheid roemend, van zijn "wrang-joodsche schertsdichtjes" spreek. Sinds dien is zijn joodsche geaardheid nog veel gterker en schooner aan den dag getreden. Noot van Juli '19.
[10] Ook van Eeden's telkenmale hervinden van zijn ongerepte jeugdkrachten,—welk een prachtig blijk daarvan was weer Sirius en Siderius, die fel- en realistisch-levende vertastbaring van een allerteersten en hoogen droom—berust m.i. op de omstandigheid, dat hij zulk een sociaal-voelend kunstenaar en, meer dan dat, een geboren-"eenheidsstrever" is.—
[11] Juni 1912.
[12] Cursiveeringen van mij.
[13] ibid.
[14] Het is merkwaardig hier te zien, hoe de stemmingen van het verleden in het geheugen van onzen dichter zuiver bewaard bleven, maar het feitelijke zich vertroebelde: niet op Vreugde der Wet wordt bij het gebed de palmtak gebruikt maar op het Loofhuttenfeest.
[15] Men begrijpe wel, dat met "zonde", in dit gedicht niet voornamelijk bedoeld wordt datgene wat de Schrift-alleen als zoodanig beschouwt, bijv. het werken op Sabbath, het eten van varkensvleesch, e.d., maar ook zulke, die ook buiten de Schrift, door de "algemeen geldende moraal" zonde wordt geacht.
[16] De dichter zegt:
... "de duistere Ketef dwarrelt
In 't schoonste zomeruur, een ossenhoren
Is zijn gestalte, die sidderend scharrelt.
Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor—al moet men in dit opzicht, waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik eens in de Midrasjim gaan snuffelen en zoo vond ik in Bamidbar Rabba, 12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik het volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en een horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt zich als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke guillotine heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke opmerking: Zou de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor zijn transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche Hebraïci wordt gebruikt? En de Ajin waarvan toch niemand meer de juiste uitspraak kent, inplaats van door ng, door een ' willen aanduiden? Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Jangakauf Jisroijl.
[17] Ook Is. Querido in een Letterkundige Kroniek, Algem. Handelsbl. van 16 Dec. '15.
[18] De Gids, 1913, IV, blz. 476—77. En Over Literatuur, eerste bundel, blz. 104—106.
[19] De Gids, 1913, IV, blz. 486. En Over Literatuur, eerste bundel, blz. 115—116.
Na dat niet minder kluchtige dan lieflijke, van vogelgefluit, bloemenkleuren en goeielijk-hartig lachen doorvonkte en doorschalde werkje De Filosoof van 't Sashuis, dat boekje met precies het tikje bewùst zóó gearrangeerd zijn; met juist dat wèinigje als houterige abruptheid in het bewegen der oolijke figuren, dat ook aan de lustige Jan Klaassen's der Poesjenelle-kelders herinnert; en ook dat fijn-geurige snuifje van, ik zou zeggen: archaïsche, naïveteit, als genoeg was, om mij hevig en in een uiterst verheugende openbaring, de verwantschap van dezen auteur met de groote Spanjaarden—vooral Hurtado de Mendoza, den beïnvloeder van Brederôo!—te doen voelen; na dit werkje, dat je lekkertjes glunderen om eigen welgedaanheid ziet, terwijl je voelt 't dit al even weinig kwalijk te kunnen nemen als aan zekere, uiterst sympathieke, door geestelijke en lijflijke gezondheid altijd opgeruimde menschen, gaf Sabbe Een Mei van Vroomheid. En dit beteekende al dadelijk een enormen vooruitgang, want was er in het eerste boek veel amusant gekakel en gedoe—om met ons beeld in de landelijk-steedsche sfeer der beide werken te blijven—van kleurige kippetjes te hooren en te zien, met daarnaast, hóóger, op 'n boomstam, die oolijke spotlijster van 'n Sasmeester en dat zoete duifje van 'n Mietje, ook in het tweede ontbraken in Bazinne Lowijcks en oude Free, het zéér vraatzuchtige haantje en hennetje niet, máár: te àvond—en welk een plechtig-droeve avond was dat, na zóó korten dag van jeugd!—zongen daar die van God gezégende nachtegalen, jonge Free en lieflijke Bethye, hun mystieke lied, [p.31] waarlijk "fulpen tonen als uit edel metaal geblazen", zoodat dit werkje niet alleen voortreffelijk was door de prachtige uitbeelding van twee zoo verschillende levenshoudingen als de egoïstisch-materialistische en de altruïstisch-mystieke zijn, maar vooral, omdat het ons de rijke harmonische wijsheid van des schrijvers ziel deed voelen, welke immers deze beide hevige contrasten zóó kon beelden, dat zij, in een en 't zelfde werk, dicht naast elkander, zonder schade voor elkander konden bestaan.—En nu komt Sabbe met een derde boek en het is zoowaar alweer een genot, den vooruitgang in zijn wezen en kunnen te zien! Want niet slechts, dat het zich hierin van de vorige onderscheidt, dat het géén als spròkige werkelijkheid, geen romantiek is—immers deugdelijke romantiek moet m.i. objectieve beelding van werkelijk bestaanbare uitzonderingsfiguren zijn—doch zich op een veel meer algeméén reëel plan beweegt; het verhaalt ook niet, als gene, een episode slechts uit een leven, maar geeft het gehééle leven, van nagenoeg twee geslachten zelfs! Dat dit laatste een vooruitgang is, dat hiervoor een grooter visionnair en episch zoowel als compositorisch vermogen worden vereischt, zal wel geen betoog behoeven. En hoezeer is deze schepping geslaagd, welk een òndoorbroken stroom van diepe menschelijkheid vloeit door dit boek! Daar is allereerst het roerende drama van de vrouw, die geheel zachtmoedigheid, liefde en dulding, na een slovige jeugd en een leven naast 'n man die haar wel waardeert en wel van haar houdt, maar niets van zijn zieleleven uiten kan, juist ten tijde, dat zij de groote, de éénige vreugde van haar bestaan, het geluk van haar moeder- en opvoedsterschap zal gaan genieten, sterft, met kommer en zorg in het hart, om haar beide kleine zoontjes, het achterlijk jongste vooral, voor wien zij voelt nog onmisbaar te zijn. Daar is dan, ten tweede, de tragedie van dat achterlijk kind, gehaat door een feeksige tante, verwaarloosd en getyranniseerd door een stuggen vader en een ouderen, koud- en egoïstisch-intelligenten broer, in wien de vader al zijn hoop en genegenheid heeft geplant, voor wien hij zijn jongste opoffert; daar is dan ook de wanhoop van den vader-zelf, als hij inziet, hoe harteloos en baatzuchtig [p.32] hij zijn oudsten zoon, bij wien hij tevergeefs om wat liefde bedelt, heeft gemaakt, hoe verwaarloosd en geestelijk-vernietigd hij den ander heeft. Dàn wendt hij zich tot dien. Te laat! De sukkel staart hem onnoozel-lachend aan. En de ongelukkige oude man heeft nu maar één verlangen, naar zijn vrouw in den hemel, en een avond komt zij hem uit de bleek-zilveren wolkenpoort van de stille maan tegemoet, en hij stapt te water en volgt haar.... Dit alles in het eerste deel. Het tweede behandelt het verder leven, tot hun dood, der beide zoons, die vrijgezel blijven.... Maar komaan! al wil ik u nu nog wijzen op dat kostelijke tooneel in de herberg, als de tyrannieke oudste broer, de dorre notarisklerk, voor 't eerst in z'n vijf en veertig jarig leven, uit minnekoozen is gegaan, ook omdat ik hier weer de boven geschetste verwantschap voel, en op dat mooie figuurtje van Quickelbornée'tje, dat aan de neiging naar het sprokige van onzen auteur zoo weldoend komt herinneren; al wil ik u zeggen, dat ook het tikje houterige abruptheid, vooral in het begin van het eerste deel niet ontbreekt en evenmin de "archaïsche" naïveteit, zooals bijvoorbeeld, wanneer de schrijver ons nog eens meent te moeten inlichten omtrent de bedoelingen van de feeksige tante, die wij toch ook daarzonder, dank zij de uitnemende beelding, door en door kennen—van de waarlijk bijna ontelbare glansmomenten in dit boek zal ik, uitgezonderd één, niet meer spreken. Want is het m.i. een voornaam deel van de taak der critiek, tot het lezen van een boek aan te sporen of daarvan terug te houden, ik meende in dit geval het eerste beter te kunnen doen door des schrijvers gehééle figuur even te schetsen dan door van dit zijn jongste, tweedeelig werk, een analyse te beproeven, die, mij althans, in zoo kort bestek niet mogelijk ware geweest. Maar dat ééne glans-moment, wijl het een der diepste levenswaarheden symboliseert, wil ik nièt verzwijgen: De half-onnoozele zoon kende een oud sprookje, het verhaalde van een dood moederken, dat wederkeert als de linden bloeien. Hem, wien, toen hij nog een kindje was, dit zóó heilige waarheid scheen, dat hij, kort na zijn moeders dood haar sloffen buitenzette, opdat zij die zou kunnen aantrekken, als zij daarstraks wederkwam—een [p.33] aanbiddelijk-schoon trekje, niet waar?—hem, die zijn moeder altijd bleef liefhebben, blijft ook dat sprookje altijd bij, en als nu zijn ouderdom gelukkig wordt gemaakt door het petekind van zijn broer, dat hij 't eerst bij het bloeien der linden ziet, dan is 't hem, den onbewusten kinderlijk-dichterlijke, of zijn moederken uit den dood is opgestaan, dan voelt hij, dat háár liefde en háár zachtheid hem in dat kindje zijn weergekeerd.... Ik geloof lezer, dat de onnoozele gelijk had! Ik geloof, dat niets wat groot of goed of liefelijk was verloren gaat, maar immer en immer in 't leven wederkeert ... En ik geloof, néén, ik ziè, lezer, dat ook in Vlaanderenland die wondere linden weer hebben gebloeid; dat de Moeder, die de blijmoedigheid was, de Moeder, die de lieftallige eenvoud, het hart, de ziel en de liefde was; die oude Literatuur die onze harten kende, ons minnelijk berispte en schalk belachte en gelukkig maakte als nauwelijks één ander, herrezen is ... Wees wijs als dié onnoozele en open de deuren van uw huis en uw gemoed, om Haar in wijding en hooge vreugde te ontvangen.
Nov. 1912.
—Ziedaar, dacht ik na lezing van Een Roman, het tweede stukje van dezen bundel, daar heb je nou het echte type van den beginneling-artist, den man, die zijn Werkplannen, zijn "notities" betreffende een gevalletje, gefantaseerd of hem ter oore gekomen, goedig en wel en geheel argeloos, als geacheveerd, àf-gebééld werk laat drukken. Geheel argeloos, zeker, want wie anders dan zulk een allerliefst-onschuldige zou met het lapje lokkerig vleesch van dezen titel in de hand de buldoggen der critiek, die hem anders, een weinig grommend wellicht, zouden zijn voorbijgeloopen, als tot den aanval nóódigen?! Idealen En ... Ironieën!... Als dit geen argeloosheid is, is 't dan bravoure?... Maar neen toch, zelfs de groote Griek was met één Achilleshiel tevreden en de heer Van Genderen zou zich, wellicht ten believe der nieuwste chirurgische mode, eenige hebben laten aanenten?! ... Trouwens, die argeloosheid past zoo wèl bij dat artistiek-dilettantische van vlàk naast het levensechte, in de levensnàmaak te buitelen, gelijk den schrijver in dat stukje Een Roman gebeurd is....—Toen ik dit alles afgefilosofeerd en bij het lezen van Het Bedrog gemeesmuild had: "U maakt 't u makkelijk, m'n waarde Heer, met uw bedrogen echtgenoot te laten wegloopen"; Zomer een fraai fantasietje had bevonden (alleen dat van die "panische communie, waarin zij het teloorgaan in den oerschoot des levens mystisch beleefden" ... wel te weten: dit alles gezeid van een griekschigen heer en dame die 'n bain mixte nemen ... hoor 'ns even, dat kunnen ze in die kunstenaars-[p.35] en high-life-kringen een panische communie enz. noemen, maar ik ben maar een burgerman ...) toen ik dit alles dus had afgedaan, zeg ik, geraakte ik tot Het Vest.... En nu wou ik er wel een lief ding voor geven, als ik den lezer overtuigen kon, dat 't me niet om 't maken van 'n flauwe scherts te doen is, neen, werkelijk, ik hèb 't me zièn doen: ik heb Het—zéér dandylike—Vest opengemaakt, bèrgen vrij onnutte literaturige bagage uit binnen- en buitenborstzak gehaald en—en dáárop wil ik nu maar neerkomen:—wat denkt ge wie z'n breedgewelfde borst d'r onder zat?... "Nu van Van Genderen Stort natuurlijk," zegt ge schouderophalend.... Mis!... van Falkland!—Gelijk ook in De Tanden—zeer gaaf en fraai—mijn anthropologische blik een duidelijke verwantschap ontdekte met het gebit van den Homo Handelsbladensis, al is dit scherper....
Maar, eindelijk! las ik Tobias Peppel.... En nu, wèg van hier, narrige criticus met je bittere spotternijen! Hier is iets te bewonderen, hier iets lief te hebben! Die slungel van 'n Peppel is zóó prachtig neergezet, in zijn weerzinwekkende lamlendigheid, ten voeten uit.... Hièrin breekt van Genderen's revolutionair gevoel, waarzonder geen waarachtig kunstenaar wordt geboren, zijn opstandsgevoel tegen het gehate onechte zoo machtig uit.... Och, ik erken het, ik was er soms niet ver van af, dezen schrijver voor een dier trieste heeren te houden, in schrikwekkend aantal onder de jongeren te voorschijn tredend, die zonder noemenswaardig talent, van hun literaire "gedistingeerdheid," hun "kalme nuchterheid" en kurk-droog gezond-verstand hun schrijversleven moeten rekken; een dier essayisten—over het leven of over boeken, doet er niet toe—die teemen, teemen, téémen, onmachtig tot één blijde opzwaai van levensvolheid, tot één moment van dat fonkelend zich-zelf-genieten van den geest, dat scheppen is. Máár Tobias Peppel vóóral heeft mij gelùkkig mijn dwaling doen inzien. De heer Van Genderen ontdoe zich van dien jammerlijken verfijningsschijn. Hij late dien aan the mob of gentlemen who write, de verdroogde Physalis-kelken der literatuur, die met de herfstige blos hunner dorheid in porceleinen vaasjes zonder aarde of water kunnen prijken, [p.36] òmdat zij dood zijn en toch zoo knapjes kunnen schudden en rammelend-geluiden alsof er leven in hun doode bollen zit. Hij getrooste zich de "viesheid" en zwartheid der vochte aarde, die al het levende voedt.—Van de ijdele gedachte tot het stralende beeld, zei eens Verwey, en ziedaar de oorlogskreet tegen de veldwinnende neiging dier onmachtigen, om de—vaak gecopiëerde!—naakte "gedachte" ten troon te heffen!
Een kunstenaar, en dùs ook de heer Van Genderen Stort, moet beelden.
Nov. 1912.
Het boek opent met de mededeeling, dat Jans, de keukenmeid van "Karelshoeve", Herman, het romantische jongetje, "met een zoet lijntje had meegekregen." Nadat hierover in 'n veertiental regels is uitgeweid, wordt ons ten slotte nog in een vijftiende nadrukkelijk bericht, dat "Herman en Jans kwamen geloopen van Karelshoeve." Ik vatte dat alles natuurlijk op als een uitnoodiging om met hen mee te wandelen en te luisteren naar hun gesprek. Maar ai mij! des heeren Reddingius' bedoeling was dat klaarblijkelijk niet geweest. Met een zeer onzachten ruk wendt hij mij om: "'t Buiten dat zij achter zich gelaten hadden, lag in een grooten tuin." Volgt: een beschrijving—zes bladzijden lang—der ligging van het buiten en van het leven der menschen in het buiten. Deze manier van doen nu des heeren R. stemde mij zeer onaangenaam en vond ik—eerlijk gezegd—buitengewoon onhoffelijk: eerst met Herman en Jans den weg opgestuurd te worden en daarna, zonder een schijn van reden, weer onmiddellijk ruw-weg naar het "achtergelaten" buiten te worden teruggesleept, wel, het was eigenlijk meer dan mijn eigenliefde kon verdragen!... Toch, ik ben niet rancuneus en was het heele voorval al weer vergeten, toen ik even later hoorde, dat Herman's moeder hem verteld had van een kopje met fijne, roode bloemetjes, dat 'n oom gekregen had van een man, "die, een langen staart dragend, een Chineesch onderkoning geweest was." Kijk, dacht ik verheugd, dat is een fijn trekje: de schrijver heeft zich hier heel sterk ingeleefd in het kinderlijk denkvoelen, [p.38] want, niet waar, voor de kinderlijke fantasie is die lange staart het treffendste en verwonderlijkste.... Maar o wee, nauwelijks voelde ik mij gelukkig, zóó, door de oogen van een kind het leven te mogen bekijken, of, zonder eenigen overgang, en dus nog altijd meenend dat ik het kinderlijk indrukken-verwerken meeleef, verneem ik, dat Grootmoeder tobde over haar zoon, die "eereschulden moest afdoen"; dat hij haar dikwijls dreigde, dat hij "een kogel door zijn kop zou jagen"; dat hij dan door haar geholpen werd "met zoo en zooveel mille".... Wat drommel! zeg ik nu geërgerd, wat is dat nu weer ... o, geen wonder! daar heb je—zóó zie je me wel, zóó zie je me niet—waarachtig meneer Reddingius weer, die me daar pas al van Herman en Jans heeft weggesleurd en me nu dat weer lapt ... en dat alles zonder eenige waarschuwing, zonder eenige geldige reden....
Ik zou natuurlijk niet zoo hebben uitgeweid over die eerste bladzijden, indien zij niet een—helaas zelfs zwak!—beeld gaven van het rommel- en rammelslag-achtige, het pueriel bij elkaar gesleepte, 't zenuwachtig van-de-hak-op-de-tak-springerige van het heele boek. De schrijver lijkt op 'n zeer nerveus huismoedertje, dat met de kinders op zomervacantie trekt. Heeremetijd, weken van te voren, liep 'r hoofd 'r al om. En nou de verhuiswagen al twee grachten ver is, ziet ze dat dit vergeten is en dat, en worden Pietje en Mietje hem achterop gestuurd, om 'm terug te halen en holt zij trap op trap af, gang in, gang uit. En er wordt weer opgeladen en afgeladen en vastgeknoopt en losgesjord en dit wordt gebroken en dat wordt gebuild en de voerman vloekt en de voerman foetert en de straatjongens komen er bij te pas en er is 'n leven als 'n óórdeel, dat je hóóren en zièn vergáát.—Want ook: dit boek is als een verhuiswagen, de heer R. verhuist ook zijn meest onbeteekenende bezittinkjes naar den buiten der publieke aandacht; de heer R. drááft heen en weer—'t is werkelijk een pijnlijk gezicht hem zich zoo in 't zweet te zien werken—en hij laadt op, al maar meer en nooit genoeg, en 'n paar van de aardige dingskes, die in de verhuisboel zijn—veel zijn er niet—vallen in gruis en de andere, och die kunnen we toch niet rustig bekijken, want we houen [p.39] ons hart vast om al de ongelukken, die we zien aandreigen, en krijgen hoofdpijn van de herrie; trouwens: een verhuiswagen is toch geen salon of museum, niet waar?
De heer Reddingius heeft helaas gemeend, alles te moeten geven wat en zooals zijn herinnering of observatie—nuchterder dan hij zelf meent!—hem hot en haar opdrong. Ach, hadde de Verbeelding zich tusschen hem en zijn onderwerp tot een tijdelijke verduistering der werkelijkheid bewogen. Een verduistering?!... Ja zeker, want immers, ik bedoel zulk eene, die der werkelijkheid teederst en meest verborgen licht, in wáárheid haar corona, zichtbaar worden laat....
Want is het ook niet zóó met deze dingen gesteld, dat slechts nadat de werkelijkheid èn was verduisterd èn stralend werd herboren, de ziel zingt, om dat hersteld bezit, als een vogel om den verloren gewaanden en zóó zonnig herrezen dag?...
Febr. 1913.
Zoo fellen weerzin, als ik tegen 's heeren Reddingius' proza voelde en voel—ik kan nog vaak met genoegen aan mijn wreed-harde Gids-critiek op zijn Een Romantische Jongen denken—zoo hartig bewonder ik zijn verzen. Hij is wellicht de zoetstemmigste en meest òntcultuurde, in kinderlijk-zuiver verkeer met de schoonheid van aarde, zon en hemel levende, natuurdichter, dien we bezitten. Ja waarlijk, zoo het de schalke bedoeling der rijk-grillige en àl-vermogende.Natuur zou zijn geweest, eens een geest te scheppen, schoon-menschelijk èn puur eenen vogel gelijk, in al zijn gedragingen, zij had voorwaar nooit voller haar bedoeling kunnen verwezenlijken, dan toen zij onzen Reddingius voortbracht. Gij loopt ievers 'nen schoonen zomeruchtend op de blonde wegelkens de velden entlang—entre paranthèse ... hoe kom ik plotseling zoo vlaamschig te schrijven?... Ach ja ... wel drommels!... dat is die lichte Gezelle-invloed, hier en daar, in deze verzen, welke mij die onbewuste associatie-parten speelt—en ge hoort den lieven vogelslag, het zuivere merel- en vinkgefluit in de boomen, zoo'n kort bekoorlijkheidje als Het liedje dat verloren liep, of zoo'n klein maar zuiver zelf-karakteriseerinkje—vogels zijn daar bazen in: sommige fluiten zelfs hun eigen naam!—als die eerste twee strophen van Vrijheid.... Het liedje is uit, ge staat stil, ge loopt weer voort, ge zoekt den zanger ... hè, wa's dat?... tik, zeit 't op uw hoed ... hahaha ...onze dichterlijke vogel laat een stukje proza vallen....—Neen, heusch niet, lezer, niet zoo haastig, lach niet om 't gebeuren noch schrei om m'n hoed, en evenmin verontwaardig u over mijn zonderlinge wijze van voorstellen of verdenk mij, dat ik het pastorale beeld zou willen vervolmaken [p.41] door zelfs oude koeien uit 'n sloot te halen: ik láát thans Een Romantische Jongen onder den niets verklappenden waterspiegel rùsten. Maar het toeval wilde, dat, toen ik dezer dagen aan het lezen van onzen bundel was, langzaam vorderend, juist omdat ik zoo kalmpjes en lièfjes genóót, dat toèn juist mij De Nieuwe Gids van deze maand in handen kwam en ik daarin een kritiekje over Marie Metz-Koning's nieuwe "occulte" boek vond van de hand van onzen dichter—een brokje proza dus. En weer trof het mij hevig—en nu niet het brokje maar het feit:—hoe men in zijn proza vaak dezelfde elementen, maar ontbonden en verworden, hervindt, die in zijn lieve zangen tot bloed en bloeiend lichaam, tot stralenden oogenglans en klinkende stem zijn geworden. Onze dichter, die niet als Gorter in diens jeugd—overigens alle vergelijking ter zijde!—een grieksch-heidensch natuurpoëet, maar een pantheïstisch vroom-geaarde met drang naar het mystieke is—onze dichter heeft in zijn verzenbundel deze diepe, heilige vroomheid wel zeer zuiver en innig geuit, en al zou ik u wel op bijna èlk daarin voorkomend gedicht ter motiveering van deze mijne meening kunnen wijzen—en al is, mijns waardeerens, De lucht vol roode waden een al zéér bijzonder juweel van stemming, schoonheid en wijze vreugde—in geen enkel toch woont zij zoo diep-in en licht zoo zachtkens naar buiten als in het schoone vers Guido Gezelle. Nu is, naar ik méén, in dat gedicht de invloed eener bepaalde modern-westersche mystiek, de Blavatzkyaansche theosophie, wel zeer duidelijk merkbaar. Zijn "de velden van de Akasha", waarover hier de dichter spreekt, niet: de "Akasha-kroniek," het "astrale licht," het "geheugen van den Logos," waarin alle aarde-gebeuren vereeuwigd blijft en de ingewijde de geschiedenis, ook van de vroegste tijden, kan lezen? Welnu, moge dit deeltje uit de theosophische leer feit of fictie zijn—het laat ons hier onverschillig, omdat het hièr voor ons in des dichters wèrkelijkheid leeft en dèze werkelijkheid ons dan vervult, maar hoor nù tèvens eens onzen prozaschrijver in bovengenoemd critiekje boomen over Bulwer's Zanoni en over den Wachter van den Drempel, alsof deze laatste "intelligentie" een goed persoonlijk-bekende—hij zegt er immers nog [p.42] wel bij "uit eigen ervaring"—van hem is, en dan levert u dit stukje proza alles wat u nog mocht hebben ontbroken, om zoo hel een kijk in dezen geest te krijgen, als ge maar wenschen kondt. Reddingius dan blijkt een ziel, die slechts wazig- en argeloos-voelend scheppen kan. Dwingt hem het vaak harde, het denk-arbeid, scherpe analyse en compositie-gave eischende proza, te treden uit zijne zacht-zoete verzensfeer, uit zijn gevoelsdroomen, uit zijn neveldeinende vaagheid, uit de atmosfeer van zijne los van elkaar verschietende stemmingen, dan gaat het mis, onherroepelijk mis. Dáárom is ook een scherp-beeldende regel als die mooie "De sneeuwkop heft zijn hoofd vol wol" zoo uiterst zeldzaam. Dáárom is hem, óók als dichter, het maatschappij-leven zóó volkomen vreemd. Evenals een lief boerenmeisje door het aantrekken van steedsch-jufferige kleeren in een plomp- en linksdoende belachelijkheid kan veranderen, zoo verkeert de kinderlijke natuurziel van dezen dichter in een met klatergouden todden behangen pronkerigheid, zoodra zij van uit de landelijke zon- en nevel-wazigheid in de daglicht-naakte aula van het betoogend proza, in den kleur-schitterenden schouwburgavond van het maatschappelijk-beeldend proza treedt. Zijn metaphorisch vermogen is niet groot, maar leg eens eene discreet-nauwelijks-uitgesproken en mede daarom juist zoo prachtige vergelijking als in De Witte Kerselaren, naast dat critiekje alweer, naast: "de moedige vrouw op het witte paard (die) moet door de grijze nevelen heen" (alles van Marie Metz-koning, wel te verstaan!) en ge ziet duidelijk in, hoe in zijn proza bet zoete tot het weeïge wordt; de overgave eener enthousiaste ziel, tot de lichtgeloovigheid van een elken hechten, verstandelijken steun ontberenden onnoozele, en het diep-eigen—gelijk in sommige prachtige Strophen van Als de wereld blij was—mystiek-aanvoelen tot mal-theosophistische napraterij. Want moge hem, ook in zijne verzen, zijn licht-ontvlambare en door een ander spoedig overheerschte ziel al te vaak en te weerloos aan vreemde invloeden prijsgeven—men vergelijke "Mijn prins van vreugd, mijn onbewuste koning" op blz. 10, met Kloos, Verzen, Tweede Druk, blz. 61 en 63—dat vreemde wordt dàn toch—hoe anders dan in het proza—één [p.43] met, deel van zijn eigenheid. De heer Reddingius is—waarlijk hij mag tevreden wezen—een zuiver natuurdichter, dòch: niets anders dan dit: zelfs van Pan, Tritons en Echo's moet hij afblijven, dat is alweer te veel cultuur, dat doet hem zijn vogel-argeloosheid verliezen, dat worden dichterlijke tooneeldingen bij hem: geverfd linnen insteê van oud-grieksch marmer. Hij zinge tot ons diep verheugen maar lustigjes op z'n tak, máár ... jà ... als er dàt ... nou ja, u weet wel ... tot zijn wèlbevinden nu eenmaal bij moèt, welnu, dàn vooruit maar ... 'n nieuwe hoed zal me den kop niet kosten.—
April 1918.
Langs kleine wegen!... Wel, is 't niet waar, mijn beste lezer, dat 't daar héél liefelijk wandelen kan zijn? Hebben wij niet, gij zoowel als ik, langs de spiegelende vaartjes en groene hagen de blijdste en diepste uren onzer jeugd ... verwandeld? En ook wel eens—het groende zoo noodend en geheimvol aan den kant van het pad—"het vinnich stralen van de Son ontscholen in 't bosschagie" ... het "bosge" dat niet "clappen con"!... Neen, neen, ik wil natúúrlijk niet onbescheiden zijn, maar toch ... èventjes: herinnert ge u het oude boerinnetje, dat ge ontmoette, dat zoo glunder en zoo vroolijk keek, of het bejaarde heertje met de impertinente spotoogjes achter 't klare brilletje? En, weet ge 't nog, ge hadt zoo waar plotseling 'n genegenheid voor hen allebei, juist om hun impertinente gekijk, want ge voelde 't zoo wel: ze hielden ook van u, omdat ze in u hun eigen jeugd herzagen!... Och lieve spotters, hoe overmoedig trotsch en jeugdig-rijk maakte òns uw spot, want, wij wisten 't: hoeveel van uw weemoed verborg hij....
Als zóó—zij 't louter toeval—de titel van 'n boek reeds kan doen droomen, gelukkig en prijzenswaardig dan het boek, dat, gevend wat 't beloofde, de droomen wijlen laat. En dat is wel heel zeker met Verschoren's werkje het geval. Er is zoo een heel diepe stilte en innigheid in dat verhaal van het begijntje, dat verliefd wordt op ouden Jaan, er zijn zoo een onschuldige humor en struische levenslust in dat stukje [p.45] over die twee oude vogelvangers, 't Is waar: Het oolijk Wedervaren van Maruske van Lier, dat zoude ik niet ongaarne uit dezen bundel gemist hebben. En ongetwijfeld wijst het niet geslaagd zijn van dit àl te grappig verhaal op een zwakke stee in het talent van onzen auteur: het leed, en vooral dat van den geringen man, heeft immer iets eerbiedwaardigs en verteederends in zich-zelf; wat ook een minder gelukte beschrijving ons ervan mocht onthouden, ons medegevoel vult het aan; maar zijn plezier, zijn plat en grof plezier.... O, als de uitbeelder daarvan, zich bevlijtigt het grappige zoo grappig mogelijk te maken en klucht op klucht te stapelen, en al te weinig daarentegen de diepere menschelijkheid en de verborgen tragiek laat voelen, dàn wordt het voor mijn gevoel een clownerie.... Maar overigens heb ik niets dan lof. Op het Begijnhof, dat 't boek opent, Het Onverwachte, 't uitmuntende kinderverhaal, dat 't sluit—de heer Verschoren weet wel wat hij doet!—zijn ongetwijfeld het best. Treedt ge door 't oude en bemoste poortje van het eerste eerbiedig en met 'n stille verheugenis binnen en voelt ge u wellicht dan later nu en dan een ietsje teleurgesteld —wanneer ge uit den lentetuin van het laatste zijt vertrokken, dan zijt ge die teleurstelling alweer vergeten en ziet nog menigmaal groetend en dankbaar om.
Maar wel herinnert ge u nog eens: "Langs kleine wegen" heette het ... en ja, zoo was 't ook. 't Waren altemaal figuurtjes van een vergeten, platteland, die ge ontmoet hebt, superstitieuse boertjes, drinkers, platte grollenmakers, een achterhoeksche bevolking van doode stadjes; de paadjes waarlangs ge traadt zijn mijlen ver verwijderd van het ernstig en mooi strijdend en strevend leven onzer dagen. Maar, zeg mij, is het niet eens goed weer te rusten en langs de wijd-overhemelde, eenzame wegen te gaan ... daar het u is of de onzichtbare landwind zichtbaar worden zal, zoo neerneigend en opvluchtend speelt dat neuriënde wezen om u, en is immers met u alleen nu, die het wonder niet zult beklappen, op dien stillen weg.... En hier is weer de klare vaart en het verre weiland aan de overzijde.... En uw stok jaagt zachtkens zand op, gelijk gij uw herinneringen....
[p.46] Maar ik bidde u: laat òns nooit, bij geen enkele ontmoeting, het oude heertje met de impertinente spotoogjes achter het klare brilletje zijn.... Waarom zouden wij onzen weemoed bedèkken? Onzen weemoed om het verloren jeugdige, struisch-natuurlijke en primitieve van ons zoo verwikkeld en streng geworden leven....
April '13.
De schrijver van dit werk heeft nauwlettend zorg gedragen, door zekere kleine stijlwendingen, een soort van wellevend, deftig, soms gedempt-grappig vragen-en-antwoorden-spel met zijne lezers, zijn boek vooral tot een verhaal te maken, een verhaal, gedaan op 'n joviaal-hoofschen, hier ietwat peinzend-weemoedigen, daar weer oolijk-schertsenden trant. Mij dunkt, hij wenscht zijn lezers vóóral de illusie van een persoonlijk contact tusschen hen en zich te suggereeren. En voorts meen ik, dat hem niets zoo zeer verdrieten zou als te moeten vernemen, dat hij hun dat door hem beschreven verleden van de Edele Compagnie tot een waarlijk lévend héden gemaakt, en hun dus ook de daaruit noodwendig voortvloeiende emoties veroorzaakt had. In 's hemels naam, zou hij, geloof ik, zeggen, u moet dat allemaal zoo zwaar niet opnemen; wat voorbij is, is voorbij, vooral niet te diep er op ingaan.... En wellicht nog eventjes, onder het droomerig neerkijken op het vuurpuntje van zijn sigaar, er philosopheerend aan toevoegen, dat het leven nu eenmaal zoo is, alles ups and downs, hé, heden ik, morgen gij.... Maar onderwijl stiekumpjes-spijtig in zich-zelf denken: wel, wel, nou heb ik 't toch nog niet luchtig genoeg gedaan! Want deze beminnelijke en fijne verteller had geen andere bedoeling dan zijn toehoorders precies zóó licht-weemoedig te stemmen en precies zóó guitig weer op te vroolijken, dat noch weenen, noch heel hartig en schuddebuikend lachen hunne spijsvertering zouden [p.48] kunnen schaden. En daarmee heeft hij volkomen gelijk, want: mij althans praat 't nu niemand uit het hoofd, dat ik bij hem gemiddagmaald heb, dat we daarna nog wat hebben zitten schemeren—o, ik herinner mij duidelijk het weemoedig en peins-spelend vertoon der schaduw- en lichtfiguren, die het haardvuur den nacht-donkeren wanden liet ontschijnen—en dat hij mij toen dit verhaal deed. Welnu, ik kan getuigen, dat ik dan ook inderdaad geen oogenblik door al te diepe emotie uit de genoegelijke after-dinnerstemming werd gebracht. Dat de verteller mij het verleden tot iets tastbaar-levends gemaakt of zelfs maar verzichtbaard hebben zou, ik denk er niet aan hem er van te betichten. Eerlijk gezegd, heb ik niemand anders gezien, gezien, begrijpt ge, dan den fijngeestigen gastheer zelf, hoe hij daar zijn sigaar zat te rooken, nu en dan een teugje uit zijn kopje nam, mij, al verhalend, op den schouder klopte, guitig knipoogde, weemoedig een traan wegpinkte, kortweg: alles deed wat nu eenmaal des goeden vertellers is. Maar Aboel Hassan Sjah en Carel Hartsinck en al die anderen, over wie hij sprak, nee, zièn, dat is iets anders.... Maar toch ken ik ze wel zoo'n beetje, ze hebben mij wel iets gedaan, doch ... de zaak is eigenlijk: de heer W. zelf was zóó erg levend, dat de anderen wel dood moesten zijn, want nog altijd schijnt de natuur er geen vrede mee te hebben, dat menschen van zeg 1600- èn 1900-zooveel tegelijkertijd léven.
Toen het uit was, en nadat we nog wat zwijgend hadden nagemijmerd, waakte ik op, en, mijn gastheer aanziende, wilde ik vragen: "Maar meneer Wagenvoort, permitteer me een vraag: u, die een gerenommeerd auteur zijt ... waarom schrijft u eigenlijk geen boek van dat verhaal?"—Maar ik heb gelukkig net bij tijds een hoestbui gekregen en de vraag niet uitgesproken: ik weet, auteurs hebben hun gevoeligheden....
Maar eens heb ik nog een anderen indruk van Het Stijfhoofdige Bruidspaar gekregen, al was hij aan dezen verwant: toen het als Handelsblad-feuilleton verscheen. Destijds wist ik natuurlijk heel wel, dat ik las, zoo avond aan avond, hè. En toch, ook toen was het niet [p.49] slechts een opluchting, te midden van al de moord- en doodslaggeschiedenissen, detective-slimmigheidjes en wat dies meer zij; het was mij als werd ik plotseling in een smokerig bioscoop-zaaltje, met allerlei gruwelijke en griezelige dwaasheden op het scherm, door een lieven vriend onder den arm genomen en we wandelden naar buiten, in de frisch-open straten, en hij vertelde op zijn lieve, kalme, beschaafde wijze.... Ik zou den heer Wagenvoort willen vragen: wanneer doet ge dat eens weer?... Vooral ik—maar waarschijnlijk duizenden met mij—heb er zoo'n behoefte aan: bedenk, ik ben geabonneerd op het Handelsblad en een booze fee heeft mij bij mijn geboorte be-vloekt, dat ik elken regel druks dien ik ontmoet, in een minimum tijds zou moeten verslinden.... En zoo lees ik, moét ik lezen, óók alle romanfeuilletons.... God helpe mij.... Op 't oogenblik houen we an 'n met coli-bacillen vergiftigd waterreservoir. D'r moet 'n jong meisje "uit den weg geruimd worden." ...Nu weet ge er al alles van.... Kòm, bid ik u, weer eens wat verhalen op uw gemoedelijke, beschaafde, logische en vaak zoo veelzeggende wijze.... Zoo houd ik 't niet uit.... Die juffrouw met de coli-bacillen—en O! de gedrochten die haar zijn voorafgegaan! en O! die na haar zullen komen!...—zij bezorgt mij een cauchemar!...
Mei '13.
Wat is het, dat de jeugdig-bloeiendste, de krachtigst-voortschrijdende, de sterkst-bezielde menschelijkheid in dit werk, epileptisch-plotseling en -abrupt, met een vergrauwende uitputting bevangt, dat de gestalte als levenloos inzinkt, de stralende oogen verglazigen, de jong-roode lippen verbleeken, en dan, weer eensklaps wijkend, haar veroorlooft te herrijzen, jong-bloeiend gelijk zij was, met oogen, die hun rijke, innige glans, wangen en lippen die hun kleur hebben herwonnen. En zij staat weer, krachtig, naast u en schijnt zelfs geen herinnering mee te dragen aan haar tijdelijken dood.... Maar gij zijt stil en als schuw geworden en denkt na. Want ge weet 't wel: wat in kunst-leven gelijkt op het ziek-worden en sterven van Natuur-leven, komt voort uit een aanval van veronechting alleen.... Maar ge vondt 't toch in zijn levende geheelheid zoo innig, ge vondt het toch zoo pràchtig waar.... En het onecht vinden van een deel, te midden van zóóveel overtuigende echtheid, dat is iets zóó subjectiefs!... Hebt ge u misschien vergist? Wàs die inzinking er wel?... En ge scheldt uzelf al een hallucinair fantast! Maar terwijl ge dit denkt ... kijk, kijk! daar is 't weer, daar verschrompelt 't, daar verbleekt 't weer!... Die veronechting, zij is er, uw twijfel sproot daaruit voort, dat zij als oorzaak in verhouding tot hare uitwerking en gevolgen iets zoo gerings lijkt ... zóó gering ... maar toch, het blijkt nu, ook zóó beteekenisvol als ... ja ... als op het gelaat van een goed-gekenden en geliefden mensch, met schoone daden en ware woorden, een onbeheerscht trekje, een vluchtig, maar telkens zich herhalend, bewegen kunnen zijn, die voor ù, èven, dat schoon- en waar-geachte veronechten. Ook dan voelt ge u bekneld tusschen [p.51] twee tegenstrijdigheden: ge gelooft vast in uw eigen doorvoelingsmacht en niet minder in de beteekenis van het kleine en onbeheerschte, juist omdat het kleine en onbeheerschte is.... Maar: zijn schoone daden en ware woorden, die ge toch, let wel, met datzelfde doorvoelingsvermogen waar en echt hebt bevonden?... En ge gaat zoeken naar een oplossing, een verklaring, want ge houdt van dien mensch. Gij mòet u zekerheid verschaffen, gij mòet de juistheid of onjuistheid uwer meening kunnen tasten. Zóó ook is het mij gegaan, bij het beschouwen van dit boek, zóó zal 't ongetwijfeld ook u gaan, lezers van dit maandschrift, die hier meer dan eens gelegenheid hadt, het hartige, bloedrijke, zoo lustig en jong zich in het leven dompelende talent van Goudsmit te waardeeren en lief te krijgen. Welnu, ik geloof u die verklaring te kunnen geven. Maar vóór ik u daarvan vertellen ga, dient ge u even te oriënteeren in den bundel: wat is het bloeiendste, het sterkst bezielde leven daarin? Ongetwijfeld, meen ik, het joodsche. Zie eens aan: Goudsmit is ongetwijfeld vooruitgegaan, óók in de beelding van het niet-joodsche leven. De kleine en zeer goede novellen: De Onverbeterlijke, De Hengelwedstrijd, Moeder Zijpe's Verjaardag, In de Engte zijn daar treffende bewijzen van. Maar toch, het àllerbeste, het àllerinnigst doorvoelt hij nog slechts Joden. Zijn Joden zijn individuen, zijn Christenen vaak niet meer dan typen. De beste novellen in dezen bundel acht ik dan ook: Hoe de kleine Sjimmie Neeter burger werd en Kinderen (de meest geslaagde van die twee: de eerstgenoemde). En juist in deze beide is het veronechtende element het sterkst aanwezig. De vraag blijkt nu wel niet slechts meer te zijn: wat is het? maar ook: hoe komt het juist daar het hevigst tot uiting? En dan ligt schijnbaar het antwoord voor de hand: joodsche en socialistische tendenz. Maar dit is niet zoo, men zou het mooie werkschreeuwend onrecht doen, door dit te beweren; tendenz is er, maar zij is die van het Onbewuste en schaadt daarom niet. Goudsmit's bewustheid redeneert niet: komaan, dien socialist en dien jood, die ga ik een beetje opsieren, noch heeft zij de gewóónte aangenomen dat werkje te doen, maar zijn ònbewuste scheppende Vermogen, dat bij hem, gelijk bij ieder, [p.52] slechts schoonheid en goedheid scheppen kan[1] is doordrongen en doordrenkt van liefde tot het socialisme en het Jood-zijn! Ware deze arbeid er eene van bewuste tendenz, ik zou haar schoon noch kunst kùnnen vinden. Neen, het is: een onbeheerschte trek, het is een vluchtig bewegen van het taalgelaat, dat telkens en telkens weer, woorden en daden, geheel het van leven tintelende wezen, voor éven, veronecht. Goudsmit—om u dan eindelijk mijn meening ter overweging te geven—vertaalt het zich verwoordende denken zijner figuren uit hun denk-taal in zijn schrijf-taal! Gij voelt, niet waar, de dùbbele fout van dit procédé, de dubbele veronechting? Gij voelt, hoe onaangenaam een stemming en wreed een twijfel dit valsche trekje op het frisch-open gelaat dezer kunst, bij machte is in den aanschouwer te verwekken. Zeker, voor sommige beoordeelaars zal de verleiding groot zijn te beweren: zulk een invalide, afgedankte, socialistische sjouwers-knecht, die zóó wijs en breed denkt, als Chajim Neeter bestaat niet, en die Japie in Kinderen is wel een uitzonderlijk-hevig en dichterlijk-voelend jongske, gelijk de vader voor zoo'n doorgaans sluw-genoeg voddenjoodje al bijster naïef en onpractisch-fantastisch is; maar ik zeg, dat ik alle deze drie figuren onweersprekelijk zeker als echte menschen voel te leven in Goudsmit's Scheppende Onbewustheid gelijk óók—wat er feitelijk niets toe doet—in de dagelijksche levenswerkelijkheid om ons heen. Maar dàt ik hun echtheid voelen kan, dat wordt veroorzaakt door hun daden en woorden, de dramatiek in den eigenlijken zin, en de dialoog dus. En tegen dat als echt voelen botst dan telkens een als ònecht voelen. En dit wordt veroorzaakt door de foutieve, niet-Chajem-achtige, niet-Japie-achtige, maar pur et simple Goudsmit'sche uiting van Chajem's en Japie's denk-voelen. Summa summarum dus: voel ik ze als gehéél-echt te bestaan in des schrijvers Scheppend Vermogen, ik voel ze als slechts gedeeltelijk echt in zijn boek. [p.53] En dit is jammer voor het prachtig-doorvoelde werk. Het is vooral spijtig, omdat zeer zeker die fout geheel vermeden had kunnen worden door dezen talentvollen schrijver, die alleen nog meer zelfbeheersching wellicht en technische discipline behoeft, om zich, geheel zijner waardig, te kunnen uiten. Voelde hij de ondeugdelijkheid niet van zijn procédé—'t geen ongetwijfeld het meest gewenschte ware geweest—hij had die toch zeer gemakkelijk door nadenken kunnen inzien: Is niet een scheppend kunstenaar ook, in zekeren zin, een interpreteerend? Is een menschfiguur, gelijk zij verrijst en staat en leeft in de conceptie van een schrijver, niet een wezen, dat buiten hem zijn eigen leven leeft, ofschoon het, en dit toch slechts tijdelijk, uitsluitend in hèm leeft? Is zij niet een compositie, die vertolkt worden moet, met de meeste piëteit en zóó dat het eigen wezen der compositie, de "bedoelingen" van den componist, d.i. het Scheppend Onbewuste, tot de volmaaktst mogelijke uiting komen? Wat zoudt gij zeggen van een interpreteerend musicus, die in een door hem gespeelde compositie van een waarachtig en meesterlijk artist, geheele brokken verving door andere tonenreeksen, wijl die naar zijn meening dragers van dezelfde gevoelswaarden zijn en het voordeel hebben, lichter-begrijpelijk, of uiterlijk-bevalliger, of korter van duur te zijn?! Hetzelfde zoudt gij dan wellicht zeggen, niet waar, als—van een schrijver, die het denk-voelen zijner figuren door zijn lyrische paraphrase vertolkt, in stede van dat denk-voelen-zelf, in de taal-zelf daarvan, zij 't resumeerend-gestyleerd, te geven.—Het deere Goudsmit niet, dat ik uitweide over het foutieve in zijn werk, hij voele er mijn achting voor zijn gaven, mijn innige waardeering in, en zoo hij er de bedoeling in proeve, hem als 't ware theoretisch te onderrichten, dan—heeft hij gelijk. Maar is het doel van ons àller leven niet, elkander te onderrichten en geest-verhelderend te steunen, en houd ik mij niet overtuigd, dat hij mij evenzeer iets zou kunnen leeren, wat ik niet weet of inzie, gelijk ik het hem nu denk en hoop te doen. Want ik wensch zoo innig, dat zijn volgend werk niet meer met die fout behept zij. Zij geeft, zelfs aan het geheel, den schijn van het niet-geacheveerde, het onrijpe.
[p.54] Die erin gewerkte Goudsmit'sche lyriek, ook in de beschrijvingen, zij vloekt tegen het armelijk bestaan der gebeelde volksmenschen. Het werk verliest daardoor zijn eigen-tonige, warm-toedekkende, levenverwekkende en -behoudende atmosfeer. Het staat dan koud en naakt, het bezwijmt en dreigt te sterven.
En behalve dat: dit lyrisch proza is vaak op zich-zelf van zeer twijfelachtige qualiteit. De zéér talrijke fijnheden in dit werk, de soms waarlijk prachtige vondsten van verwoording, zij zijn te vinden in de psychologiek van het momentaneele geestbewegen der figuren, niet in de resumeerende psychologiek van hun algemeene voel- en denk-wijze. En dáár treedt de Goudsmid'sche lyriek op! Zij zijn te vinden in de zuiver-plastische beelding der dingen, niet in de metaforische weergave van hun aanzien. En dáár treedt de Goudsmidsche lyriek op. Zij, die onrijpe lyriek veroorzaakt, dat naast kostbare fijnheidjes zich telkens valsche beeldspraak en slordigheid vertoonen. Dat zij in de joodsche schetsen het meest op den voorgrond treedt—ik was u nog een verklaring daarvan schuldig—ligt m.i. onbetwijfelbaar daaraan, dat 't joodsche-leven-in-dezen-bundel, het warme, innige, hartstochtelijke, veel meer met Goudsmit's eigen aard overeenkomt dan 't koelere, grovere leven-der-Christenen-in-dit-boek en dus veel eerder dan dit laatste een uitstorting van des schrijvers eigen gevoel kon te weeg brengen.