The Project Gutenberg EBook of Dramatische werken, by Henrik Ibsen This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Dramatische werken Steunpilaren der maatschappij - Nora (een poppenhuis) - Spoken - Een vijand des volks Author: Henrik Ibsen Release Date: January 23, 2006 [EBook #17524] Language: Dutch Character set encoding: ASCII *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DRAMATISCHE WERKEN *** Produced by Marc D'Hooghe. HENRIK IBSEN DRAMATISCHE WERKEN VERTAALD NAAR DE OORSPRONKELIJKE NOORSCHE UITGAVE DOOR J. CLANT VAN DER MIJLL-PIEPERS & MET EENE INLEIDING VAN Dr. W.G.C. BIJVANCK * * * * * INHOUD INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ NORA (EEN POPPENHUIS) SPOKEN EEN VIJAND DES VOLKS * * * * * [Illustratie: HENRIK IBSEN. Naar het schilderij van E. WERENSKJOeLD (1895)] INLEIDING TOT IBSEN DOOR W.G.C. BIJVANCK * * * * * I. DE TIJD, HET WERK EN DE MAN. Toen, in 1828, Henrik Ibsen ter wereld kwam, koos hij het juiste oogenblik van geboorte voor zijn roeping als "staats- en samenlevings-satyricus"[1] der 19e eeuw. Wie an dem Tag, der Dich der Welt verliehen, Die Sonne stand zum Grusse der Planeten, Bist alsobald und fort und fort gediehen Nach dem Gesetz, wonach Du angetreten. So musst Du sein, Dir kannst Du nicht entfliehen....[2] De stand der lichten aan den hemel, bij het eerste begroeten van het levenslicht, bepaalt ons lot en onze bestemming,--zoo spreekt de dichter-profeet, en er is zeker aan elk der menschenkinderen een weg van ontwikkeling voorgeschreven en gezet van de vroegste kindsheid af, maar of die baan uit de sterren valt af te lezen?--wij willen den dichter gelooven, wanneer hij het zegt, en toch liever wat nader bij den grond uitzien om onze overtuiging de rechte verzekerdheid te geven. * * * * * Heeft Ibsen's geboortejaar, het jaar 1828, als ik het noem en voor mijn verbeelding opstel, niet zijn eigen min of meer expressieve physionomie? Het is een grensjaar. De wereld, ondanks de doorstane Revolutie, ligt dan nog in banden. Wat oud is en vervallen en niet meer mocht bestaan, overheerscht nog schijnbaar. Maar dat oude is al hol en verbrokkeld, zijn tijd is voorbij, en een gevoel van vernieuwing herleeft; ja zachtjes begint de wind reeds te blazen die de belofte van het nieuwe brengt.... Laat mij, om de beteekenis aan te toonen van het jaar 1828, als uitgangspunt voor den dichter, een overzicht nemen over de afgeloopen eeuw. * * * * * Het hoofdmoment van de 19e eeuw is de Revolutie die haar inleidt, de groote Omwenteling. Men denkt daarbij het eerst aan Frankrijk, aan een staatsorde die werd omgekeerd, aan staatsgrenzen die werden gewijzigd en opgeheven; maar het was niet uitsluitend een politieke gebeurtenis; zij had ruimer gebied in Europa, zij greep den geheelen mensch aan en zij hervormde menschengeest en menschengevoel. Wat men noemt de revolutionaire beweging of de hervorming van het eind der 18e eeuw, dat heeft de dingen der wereld verplaatst en in een ander licht gesteld: de menschen naderden tot elkander over de afscheiding van hun stand en volksaard, de dingen verlieten hun vakken en indeelingen, alles werd bezield door een geest van eenheid en verwantschap. Een nieuw leven komt over het aangezicht van de aarde. Men staat anders dan voorheen tegenover de natuur en tegenover zijn medemensch, tegenover zijn verleden en zijn toekomst. Eenheid is het wachtwoord, en het is alsof nu eerst de menschheid bezit gaat nemen van de wereld door haar medegevoel. Men leerde toen den band onderscheiden en begrijpen die alle kennis en wetenschap verbindt, onderling en met den geest zelf van den mensch; en de doode massa van feiten en waarnemingen verrees daardoor tot een opstanding. Het was een albezieling. De menschen vonden zich op eenmaal terug, rijker, machtiger, grooter. Nieuwe krachten werden in hen ontbonden. Verbeelding, inzicht, energie van denken groeiden aan[3]. Het was een nieuwe spanning der vermogens.... Wanneer men zich de laatste jaren der 18e en nog de allereerste jaren der 19e eeuw voorstelt, moet men dien krachtigen, alles meeslependen adem van het nieuwe geestesleven voelen heengaan over de wereld. * * * * * Het Scandinavische Noorden deelde eerst laat in de beweging. Hendrik Steffens[4], een man uit Noorwegen maar van Nederduitsch bloed, ging naar Duitschland om zijn ziel in de atmosfeer van groote ideeen te bevrijden van haar druk. Hem had in zijn engte en eenzaamheid het heimwee overvallen naar een vereeniging met "de volle" menschheid en natuur, en het was geweest als de drang van een behoefte aan godsdienst; maar zijn heftige, wilde aard liet hem geen rust voordat hij zich had doorgekampt tot zijn bestemming. Hoe gevoelt men aan het voorbeeld van den jongen Steffens, met wat voor macht de trillingen van de grootere wereld zich langs onbekende wegen voortplantten in de uithoeken van Europa! De staatkundige gebeurtenissen van het eind der 18e eeuw gaven maar een stoot en een opwekking;--men mag hun invloed niet over 't hoofd zien, evenmin als Steffens zelf vergat met wat voor opwinding zijn vader thuis kwam op een dag--hij was toen, in 1789, zestien jaar--en aan de kinderen vertelde van den val der Bastille en het aanbreken van een nieuwen grooten tijd van vrijheid en geluk[5]. "Het waren wonderbare dagen," zegt Steffens in zijn herinneringen, "... het eerste oogenblik van geestdrift ... heeft iets reins en heiligs gehad om nooit te vergeten." Maar het dwepende verlangen dat hem dreef tot de natuur "in haar gansche volheid," zooals hij het uitdrukt, lag op den grond van zijn hart; dat heimwee naar zielsbevrijding drong en prikkelde den jongeling met onstuimiger kracht dan de voorbijgaande roes van indrukwekkende gebeurtenissen. Hij moest de wijde wereld in om met eigen oogen te zien wat de nieuwe tijd aan nieuwe menschen en nieuwe ideeen deed opbloeien, hij moest zijn geest laven aan de bron van het geestesleven in Duitschland: de wijsgeeren, de dichters, de mannen der wetenschap moest hij kennen, en uit hun mond, door hun omgang moest hij het wezen der nieuwe ideeen direct opnemen in zijn hart, als het beginsel van een "voller" leven. * * * * * Toen hij--het was in het voorjaar 1802--uit Duitschland naar Kopenhagen terugkwam, met het plan om voorlezingen te houden over zijn geestelijke ondervinding, vond Steffens in Denemarkens hoofdstad onder zijn enthousiaste hoorders, den dichter, den man geroepen om een levende gestalte te geven aan zijn denkbeelden. "Ik gaf hem aan zichzelf," zegt Steffens van zijn eerste kennismaking met Adam Oehlenschlaeger, "hij werd zich bewust van zijn rijkdom, en ik schrikte bijna van de onstuimigheid waarmede die jonge frissche bron mij tegemoet stroomde."[6] Het verhaal is bekend hoe die weeke, voor alle indrukken vatbare en toch hartstochtelijke trotsche geest van Oehlenschlaeger het bezielende woord van zijn ouderen tijdgenoot aannam en dadelijk in zijn poezie liet weerklinken,--veel te bekend om het hier nog eens te geven. Maar ik kan toch niet zonder even een vermelding dat tafereel voorbijgaan van opbruisende geestdrift, waar de jonge dichter, eerst ik weet niet door welk vooroordeel weerhouden, bij Steffens aarzelend een bezoek brengt, om met hem te blijven spreken, wandelen, etend, rustend, van elf uur 's morgens tot drie uur in den nacht, dan thuiskomt en een gedicht schrijft voor zijn vriend tot bewijs voor zijn dichterschap, voor zijn pasgeboren "volle" dichterschap. Daar raakt ons de ademtocht van den tijd onmiddellijk aan. Het krachtige leven ontspruit dadelijk en natuurlijk. Het vindt zijn terugslag in de gedachten. "Zoon van de Natuur," zoo karakteriseert Oehlenschlaeger den held van zijn poetische vertelling "Aladdin of de wonderlamp." Aladdin's genie is geluk. Het geluk komt tot hem zonder gezocht te worden, als tot het voorwerp van zijn liefde. Tegenover Aladdin stelt de dichter Nureddin, den zorger en zwoeger, den nachtwroeter en peinzer, gelijk hij het menschentype noemt, dat de fortuin den rug toekeert. Oehlenschlaeger en het tijdstip dat hem dichter zag worden, stonden aan den zonnekant. De genialiteit van de jeugd drong toen het sombere, bleeke nadenken en zich bezinnen terug naar de schaduwen van den nacht[7]. Want het waren toch nog iets meer den twee poetische typen, Aladdin en Nureddin,--het zijn twee soorten van karakters in de menschenwereld: de levensvolle, de toegrijper, de improvisator van geluk en de twijfelaar, de peinzer, de levensloochenaar[8]. Hun contrast openbaart en teekent zich niet slechts in de poezie, maar ook in de opvolgende tijdvakken en in de groote mannen van het Scandinavische Noorden. Oehlenschlaeger heeft door zijn voorstelling die typen aan de menschen van het Noorden getoond. Ja, men kan misschien zeggen dat hij buitendien en in 't algemeen een vorm gaf aan de elementen, waaruit de nieuwe letter- en levenskunde van het Noorden zich begon op te bouwen. Dat alles was weliswaar door hem nog niet in vaste, scherpe lijnen getrokken, en de samenhang der karakters was dikwijls oppervlakkig en onbepaald:--voor de toekomst viel nog iets te doen:--maar hij beproefde het ten minste om de heele wereld in zijn werk af te spiegelen en zich te doen bewegen. Hij hield het oog op het geheel....[9] * * * * * Een tien- of twaalftal jaren na Oehlenschlaeger's opgang keerde de stemming zich om. De troostelooze en magere jaren kwamen aan. Het was bij Napoleon's val, toen de nieuwe denkbeelden, na nog een opbruising, hun krachten hadden verspild, toen de mannen van het Heilig Verbond zich gereed maakten om onder den schijn van het Heilige de oude rechten weder te doen gelden.... Men kent de gewoonte der dichters van het Noorden om hun helden op de beslissende momenten van hun leven een hoogte te doen beklimmen tot het houden van een alleenspraak in de eenzaamheid van den natuur. Nu gaat het landschap waarop zij zelf en hun helden uitzien, zich verduisteren; wolkgevaarten legeren zich daarover, en het gezicht van de hoogte is op teleurstelling en smart. "Ik stond eenmaal," zoo leest men in een brief van het jaar 1814[10], die als een karakteristiek van den tijd beschouwd moet worden,--"ik stond eenmaal op een hoogen berg en keek rond in een heerlijke streek.... En de oneindige zegen en de oneindige liefde vervulden mijn hart door hun machtige nabijheid.... Die tijden zijn voorbij en het leven is me een enge gevangenis geworden, de natuur een kille regen-Novemberdag. Dikwijls bekroop mij het verlangen weer op dien hoogen berg te stijgen en het uitzicht te hebben op de oneindige wereld. Maar tevergeefs wachtte ik op den goddelijken geest en de onzegbaar heerlijke nabijheid; en klagende ging ik van de hoogte af, bitter weenende".... * * * * * Zoo scherp was de val. De vrije geest, en de scheppende verbeelding moesten bukken onder het wicht van den tijd. Ze lag heel zwaar op de menschheid, de Restauratie, de Herstelling van het verledene;--ze onderdrukte en ze weerhield. Welke kiemen van groei konden ook wel die jaren aan Europa verschaffen? Wat vermochten ze aan de menschheid te schenken, de vorstencongressen en vorstendecreten waarmede de wereld toen werd bestuurd? Een voorwendsel van na- en overleven voor wat verouderd was en vermolmd! Niets meer. * * * * * Wij wenden ons tot Noorwegen, want daar is vooreerst onze standplaats[11]. Ook voor Noorwegen had nog even het licht opgeblonken te midden der volkenverwarring. Het jaar 1814 gaf aan het land de vrijheid en een grondwet: vrijheid tegenover de Deensche monarchie waarvan Noorwegen tot dien tijd deel had uitgemaakt,--en door zijn grondwet van 17 Mei zelfstandigheid tegenover Zweden waarmee het onder een zelfden koning kwam. Maar Noorwegen was verarmd en uitgedoofd. De inspanning om zijn grondwet te verkrijgen had de laatste krachten verbruikt. Zoo scheen het. En voordeel van de constitutie had men niet. Niet dadelijk ten minste. Wat in de toekomst lag kon niemand voorzien. Op 't oogenblik toonde de boerenstand, de kern der bevolking, zich onverschillig. Gehecht aan hun oude overleveringen, waren de boeren van de nieuwe vrijheid niet gediend, ja zij gedroegen zich tegenover haar zelfs vijandig. Gevolg van hun armoede en hun geestesarmoede. Maar de bureaucratie, de kring van regeeringsambtenaren, nam het bestuur in handen, en zij kon zelfs het woord van vrijheid niet verdragen, evenmin als den naam der constitutie, uitvloeisel van den revolutionairen geest uit het begin der eeuw. Zoo was er nergens van vrijheid sprake of 't moest zijn van de overoude, eeuwengeheiligde Noorsche vrijheid om de dingen te laten gaan, zooals zij wilden....[12] Diep onder het oppervlak welde en woelde er toch iets in den geest van die menschen. * * * * * [Illustratie: Ibsen's geboortehuis te Skien (het huis rechts, tegenover de Kerk)] Een Noorman heeft een ingeschapen trots. Hij zal niet licht het denkbeeld loslaten van een grootsche bestemming voor zich en voor zijn volk. Maar de natie zelf, in haar teruggedrongen, armelijk bestaan, miste persoonlijkheid. En daar kwam het in de eerste plaats op aan. Wat in dien tijd aan Noorwegen, zoowel als aan de andere kleine volkeren van Europa ontbrak, dat was een energiek nationaal karakter, een krachtige physionomie. Het leek wel of de stormen der oorlogs- en geestesberoering van de Revolutie de trekken van het gezicht hadden weggevaagd. Of paste de oude verbleekte gelaatsuitdrukking niet meer bij het scherper licht der nieuwe vrijheid?... Binnen het verloop van weinig jaren kwam er dan meer voortgang in de zaken van het land. Het was zoo nog geen welvaart, dan toch een voorbode van welvaart. Sinds 1825[13] kan men een groei der bevolking waarnemen. En daarmee gepaard gaat een ontwikkeling. Het volkskarakter, zwijgend nog, maakt zich gereed tot spreken en uitspreken, de trekken worden meer gemarkeerd, en bij de nadering van het jaar 1830 neemt de spanning toe. Dat alles uitte zich nog op studentenmanier, woelig en roezig, bij feesten ter gelegenheid van de constitutieviering: men wilde de overheid trotseeren. Toch in alle geval kwam er toon en kracht in de menschen en de dingen. "Een taak[14] zoo onmetelijk groot, dat Miltons werk in vergelijking daarmee eenvoudig schijnt, heeft me bezig gehouden en zal me nog maanden bezighouden ook," schreef in 1828 een student van twintig jaren aan zijn geliefde. "Het gedicht heet "Hemel en Aarde"--."[15] Is het niet alsof men een van de jonge Titanen hoort, op het punt om 't luchtruim te bestormen? * * * * * En zoo stormt hij ook die stille geschiedenis van Noorwegen binnen, de onbesuisde dichter en patriot, Henrik Wergeland. Hij brengt tocht en hartstocht met zich mee, de jongeling wien de wilde haren om het naief geestdriftige gezicht zwieren. Ik weet niet of er nog menschen gevonden worden die het "hemel en aarde" gedicht met voldoening kunnen lezen;--het werd in 't voorjaar van 1830 voltooid en met een opdracht aan Henrik Steffens in de wereld gezonden,--zoo vormloos zweeft het reuzenpoeem door ijle sferen van hemel en aarde, zoo stapelen zich beelden en gedachten op om te bemachtigen wat zij toch niet kunnen bereiken, zoo heerscht er een volte en overvolte in het werk, en ze kan toch niet de leegte en de magerheid der heele gestaltenis bedekken. Maar er is gang in de holle grootsche uiting van den theologischen student. Hij heeft een ideaal, en hij verpandt er zijn leven aan. Het "hemel-en-aarde"-gedicht stelt een datum voor in de geschiedenis, en een opening en een toegang tot nieuwe geschiedenis. * * * * * Wergeland was de zoon van een der mannen aan wie het land de constitutie van het jaar 1814 was verschuldigd; hij leefde eenige jaren in het stadje Eidsvold, waarna de grondwet werd genoemd. Men mag hem een kind der revolutie noemen[16]. Maar hij staat een eind daarvan af. Wat hem kenmerkt en wat het gedicht over het Menschenlot merkwaardig maakt is het gevoel van een scheiding, van een soort breuk in de vermogens van den mensch. De dichter liet zich niet dragen door den stroom, het was voor hem geen uitstorting en geestdriftvolle overgaaf zooals 't aan den dageraad der eeuw was voor de eerste jongeren van de groote beweging; neen, hij zag het vooruit- en opwaartsdringende hoogere leven aan voor een element van strijd in de menschenziel, tegen den rustigen, harmonieuzen, natuurlijken ontwikkelingsgang in. Die strijd is hard en scherp, maar hij moet leiden tot een overwinning. Aldus zegt het den dichter zijn naief vertrouwende kinderlijke aard. Want is hij een bittere kamper, hij heeft tegelijk behoefte aan liefde, aan vertrouwen, aan harmonie. Hij is onverbeterlijk een optimist. Zoo heeft Wergeland in zijn dramatisch-episch wereldgedicht het type van het echte Noorsche karakter aangegeven, al kon hij 't nog niet voluit teekenen: dat karakter opgebouwd uit sluwheid en weekheid, uit liefde en onbuigzamen trots van persoonlijkheid. Men zou in het werk van Oehlenschlaeger misschien de beide bestanddeelen kunnen terugvinden, ik heb het al gezegd, maar Wergeland geeft eerst de echt Noorsche overzetting. Voor hem, voor den Noorschen dichter, wordt de menschheid geleid en bezield door den genius van mokkende, wrokkende onrust, die eigenzinnig overmoedig buiten zichzelf uit wil, en door den genius van de overgaaf der liefde die, buigend voor de eigenwilligheid, haar opvoert tot vrede en verlossing. De menschheid zoekt naar harmonie; zij zal haar vinden, dit is Wergelands denkbeeld. Op een hooger peil geland, treedt de mensch den Paradijsstaat weer binnen. Wergeland geloofde in zijn volk. Laat hem in zijn poeem met luchtbeelden schermen, achter de woorden en over elkaar tuimelende symbolen klopte wel degelijk het hart van een man. Hij had de zienersgaaf, en den moed in een dorren tijd om te zijn: een volksman. Daarom kwam hij voor den dag uit zijn poezie, en hij trok de conclusies van zijn "hemel-en-aard"- gedicht op den vasten grond der aarde, op Noorwegens bodem. Het in hart en ziel onverdorven menschenslag, dat de grondstof moest wezen voor het rijk der toekomst, vond de dichter terug in zijn vaderland. Het was de boerenbevolking waarop hij zijn verwachting grondde. Wanneer zij zich bewust werd van haar waarde en haar geest vrijmaakte van de al te beperkende banden, dan zou Noorwegen herleven. Hij zag in hen de "zonen der natuur", met den aanleg en de voorbestemming om den idealen staat tot een werkelijkheid te maken, een rechtop uit de eigen volkskracht gegroeiden staat. * * * * * Er is een intieme tegenspraak in Wergelands opvatting. Ongetwijfeld. Het denkbeeld van den harden strijd- en twijfeldrang in de menschenborst, verdraagt zich niet goed met het natuurlijk ontvouwen van het nationaal karakter. Maar dat contrast--daarin bestond juist zijn individuele leven. Met die twee polen van zijn gevoel, verlangen naar kamp en naar harmonie, raakte zijn bijzonder leven den omvang van het algemeene leven, en die levensgevoeligheid, dat levensgevoel stelde hem in staat om het Noorsch karakter uit zijn dofheid en verdooving te redden en te bevrijden[17]. Wergeland opent de periode der "Noorschheid" voor het Noorsche volk. * * * * * Een heelen afstand moet men doorloopen om van Oehlenschlaeger tot Wergeland te komen. De een gebruikt zijn scheppende verbeelding om verbeelding te scheppen: hij woont in een tooverland, zijn "Zoon der Natuur" is een onbevangen dichter--de ander staat nabij de werkelijkheid, zijn verbeelding wil een volk wekken en vormen: zijn "Zoon der Natuur" is een boer. * * * * * Bjoernsterne Bjoernson, toen hij de inwijdingsrede uitsprak bij de onthulling van Wergelands standbeeld op den nationalen feestdag van 17 Mei (1881), vertelde van den dichter hoe hij een tijd lang gewoon was geweest om op wandeltochten zijn zakken vol te hebben met boomzaden; nu en dan onder weg, deed hij een greep en strooide daarvan uit; bij zijn vrienden drong hij er op aan hetzelfde te doen. "Want niemand kan weten, wat daaruit groeien zal." Het is de weg van een dichter door het leven, maar ook het leven van een man, wiens handelen was poezie. * * * * * Niet dat Wergeland veel geluk heeft gevonden. Hij heeft een bitter leven gehad; hij spaarde zich niet, hij gaf en werkte, in volkomen zelfonbekommernis, als leider van het volk; tot belooning heeft men hem niet gespaard. Ook de natuur spande mee tegen den "zoon van de natuur", zij gunde Wergeland maar een korten arbeidstijd. "Ik ben niets anders geweest dan een dichter," zeide hij op zijn sterfbed; maar dat dichterschap, ik herhaal het, was op zijn beurt niet anders geweest dan een idealiseering van het woord waarmee hij de loopbaan van volksman intrad: "Mijn doel is een nuttig Noorsch burger te wezen."[18] * * * * * Ik noem hier alleen Wergeland, omdat ik slechts de hoofdlijnen trek: hij had zijn medearbeiders, dat spreekt van zelf, en hij volgde op origineele manier de opkomende richting van de andere Scandinavische landen,--van Denemarken vooral, dat den toon aangeeft in het Noorden,--en van heel Europa[19]. De menschen werken niet, maar werken mee, zoo moet men zeggen. Er ligt iets grooters om hen heen. Wanneer wij ons een voorstelling willen maken van geestelijk bewegen in een bepaalden kring, dan zullen wij ons dien kring denken omringd door al wijder cirkels: zij deelen elkander hun kracht van strooming mede, en dikwijls is het moeilijk te onderscheiden of de wijdere cirkel het leven en de beweging opwekt in den kleineren kring, dan wel of de algemeene richting niet eerder ontstaat als een samentelling en uitkomst van het pogen en dringen en zich uiten van al die kleinere en kleinste kringen. Er is een Europeesch geestesleven. Men heeft in Noorwegen den looden druk der restauratie van het oude gevoeld, al hebben de congressen der Restauratie-jaren er hun invloed niet laten gelden; en toen de Juli-revolutie van 1830 uitbrak en zegevierde, toen ondervond men de verruiming van het leven ook in het Noorden,--de Juli-revolutie die een verburgerlijking was van de groote Omwenteling. Zij was immers een voortzetting en een vervolg van de kosmopolitische beweging, maar nu binnen de landsgrenzen van ieder volk, evenals Wergeland en zijn genooten een nationale transpositie volvoerden van de geestesmuziek der Steffens' en Oehlenschlaegers uit het begin der eeuw[20]. * * * * * Wordt het nu mogelijk, na dezen rondgang door den tijd, zich een idee te maken van het jaar 1828, Ibsen's geboortejaar? Het is een schemerjaar. Nog heerscht er stilte in de wereld. Maar in die stilheid dreunt eerstens een klank door van den machtigen storm die over Europa heengetrokken is, en die voor een tijd is ondergegaan in een duister zwijgen;--tegelijk ook rijst er een gerucht van komende dingen. Bleek besloten ligt nog de dag, maar in zijn blankheid en nauw gebroken rust spiegelt hij de voorbijgegane en de naderende uren in een witten nevelspiegel van trillende onzekerheid en onwezenlijkheid. Dagschemering, morgenstond van herinnering, van berouw, van voorgevoelens! * * * * * Wie in dat jaar 1828 werd geboren, diens jeugd ligt als in een lijst tusschen de Juli-revolutie van 1830 en de Februari-revolutie van 1848: de Juli-revolutie die een opfrisschende windvlaag is, de Februari- revolutie welke dieper lagen van het volksbewustzijn omwoelt en die evenbeeld wil worden van de groote Omwenteling. Hoe moest het hart opengaan van den twintigjarige, als daar in 1848 bij zijn intreden in het mannelijk leven de onstuimige tijd hem de belofte toewaaide van de expansie en uitbreiding van het leven! Maar licht en schaduw gaan in de aanstaande jaren met elkander afwisselen, druk en verruiming vervangen elkaar, vrijheid strijdt met absolutisme, en volk kampt met volk. Die twintig of drie-en-twintig jaren van '48-'71, de krachtigste leeftijd van den man wien 1828 als geboortejaar werd toebeschikt--wat zal hij er al niet in doorleven, al leeft hij ook alleen in zijn verbeelding met hen mee als met een schouwspel! 1848 tot 1871,--dat is de revolutie en de nieuwe heerschappij van een Bonaparte die de Februari-revolutie besluit, evenals de groote Omwenteling uitliep op het het keizerrijk van Napoleon den Groote; dat is de oorlog in het Oosten van Europa en de burgerkrijg in Amerika; dat is de vereeniging van Italie en Duitschland tot nationale staten; dat is de val van het keizerrijk, dat is de Commune en de brand van Parijs. Wij denken ons 'n tien- of vijftiental jaren verder dan het Communejaar, en wij hebben in de tijdruimte die door '85 gesloten wordt, een periode van staatkundige werkzaamheid beleefd. Europa bevindt zich in het teeken der groote staatslieden: een Bismarck, een Gladstone, een Gambetta, opbouwend en hervormend de innerlijke structuur van den staat hunner landen, om hun kracht te geven en stand te doen houden te midden der groote verhoudingen van de toekomst. Het is een tijdvak van inwendigen politieken strijd meer dan van groot Europeesch leven. Wederom 'n tien of vijftien jaar later, en het eind der 19e eeuw is nabij. Een nieuw verlangen trekt door de wereld. Niet langer is 't de staat waarom de krachten zich scharen, het zijn geen staatkundige hervormingen waarvoor de geestdrift opvlamt, neen, dieper en uitgebreider tevens golft het bewegen der menschheid; de ziel der samenleving zelf is in beroering, en zij zendt haar machtige trillingen naar alle kanten uit. De tijd was gekomen voor de maatschappelijke vraagstukken. Wie misdeeld is in het leven, gaat zijn aandeel eischen van een levenswaard bestaan, de arbeiders, de vrouwen verdedigen hun recht. En dit wordt het probleem: of de staat nog het vermogen heeft om zich te transformeeren in een anderen, hoogeren vorm van samenleving dan hij tot nu toe is geweest. Nieuwe standen, nieuwe krachten, nieuwe verlangens, maar ook een nieuw verlangen. Als een lang onderdrukt heimwee naar vereeniging met het onbekende, het toekomende, rijst er in het hart der menschheid een behoefte aan overgaaf en opgaan in een onpersoonlijk leven, dat het persoonlijk bestaan steunt en wijdt. Is het een zucht naar godsdienst, of het haken naar een gelukstaat boven het leed der verteederende wereldsmart? Is het een voorgevoel van den groei der individualiteit buiten haar eenmaal getrokken grenzen, of de lust om breeder en intenser in contact te treden met het leven en het genot van het leven?--Vreemde, vage gevoelens doordringen de atmosfeer, wisselend van vormen, nu deemoed en begeerte naar opoffering en zelfverloochening, dan bewustheid van macht, van verheffing, van zaligend leed. Het zijn de hervormers, de wijsgeeren, de dichters, de kunstenaars, die den toon aangeven, niet de staatslieden meer.... En bij haar overgang naar de 20e eeuw, loopt het eind van de 19e in veel opzichten evenwijdig met den uitgang van de 18e eeuw. Men mag ook hier spreken van vernieuwing, van aaneensluiting en van een groot verschiet. Alleen, er ontbreekt de hartstocht, het geweld, de majesteit en de eenheid der beweging, en vooral de vreugd ontbreekt. Een omwending, geen omwenteling. * * * * * [Illustratie: HENRIK IBSEN op 29-jarigen leeftijd] Zoo volgt ons oog den stroom van den tijd, wanneer hij, telkens afgebroken, neerdaalt over drie streng gescheiden terrassen: het eerste grenspunt, de stichting van het Duitsche Rijk en de opstand der Parijsche Commune; de tweede grens, het bevestigen van het Europeesche staatswezen,--waarna de stroom in uiteenloopende richting zijn loop volgt. Geeft ons de Europeesche letterkunde, gesteld dat wij haar als een voorstelling van het leven nemen, een getrouwen indruk van die voorbijgaande jaren tijdvakken? Een volledig beeld zeker niet. De eerste periode werd nog geheel beheerscht door de groote namen van auteurs wier opkomst samenviel met de eerste helft der eeuw. Victor Hugo, George Sand, Dickens, om enkelen te noemen, voerden het woord en lieten het zich niet ontnemen. Hun werk, als 't het geheel van de samenleving wil omvamen, heeft iets gekunstelds, het spreekt niet dadelijk uit het hart van de maatschappij. Het zoekt een eenheid van het leven, maar het leven zelf is al buiten het kader van hun werk gegroeid. In het tweede tijdvak was Zola de overnam. Ook hij wilde in zijn romans een wereld samenvatten. Maar 't is meer een product van het innig meeleven met zijn tijd. En zoodra wij op het derde terras van de laatste helft der eeuw zijn aangeland, bemerken wij dat de behoefte om de samenleving als een eenheid te grijpen, niet meer bestaat. De kunst in haar intiemsten grond is lyrisch en individueel geworden. Zij wil een invloed zijn, zij wil niet langer een spiegel wezen. Houdt de poezie--poezie hier in ruimste beteekenis genomen--ook wel gelijken tred met den gang der maatschappij? Niemand zal ontkennen dat zij altoos de sporen draagt van den tijd waarin ze opbloeit--hoe zou men zich de schepping van Zola kunnen denken zonder den achtergrond van het "Schrikkelijk jaar"?--maar toch geeft zij dikwijls antwoorden op vragen, lang geleden gesteld en zonder beteekenis geworden, en zij stelt vragen waarop de toekomst het antwoord zal brengen, als het geslacht dat vroeg, is voorbijgegaan.... Dit daargelaten echter,--want wij willen thans alleen weten hoe een man van het jaar 1828 de wereld van de tweede helft der 19e eeuw zou zien. Wij moeten zijn weg kennen en zijn houding, te midden der historie en der literatuur van zijn tijd. Om Henrik Ibsen's gestalte in de wereldletterkunde te doen uitkomen, kies ik ter vergelijking met den Noorschen dichter van 1828, een van de allergrootsten, al mag men hem nog niet noemen: een van de allerbekendsten, George Meredith[21]. * * * * * George Meredith is van het zelfde jaar, ja van denzelfden winter, maar hij had het rijke, beschavingsleven van Engeland om in te aarden. Daarom is het werk van den Engelschman breeder uitgegroeid.... Maar wij vragen niet naar den rijkdom en de weelderigheid van zijn arbeidsveld,--wij hebben te maken met de ziel van den man en met de gestalte, de teekening zijner ziel. Meredith is een stem, en er weerklinken van alle kanten stemmen in de ruimte die zijn poezie vult. Het is de stem van het water en het wuivende riet aan den waterrand, het zijn de stemmen van vogels in haar eindelooze modulaties, en het zijn vrouwenstemmen in haar kristalreine verheffing van geluid; het is ook zijn eigen zielestem, onmiddellijke uiting van zijn gevoeligheid. Geestdriftig zou die stem en die stemming zich hebben willen aansluiten en zich hebben overgegeven aan al wat er voor grootsch bewegen in de wereld is omgegaan. Ze heeft gedweept met de bevrijding van Italie en geklaagd en getroost bij de verduistering van Frankrijk's lot,--maar dan heeft ze zich schuw teruggetrokken, weerhouden door het teedere van haar innigheid. Een Swinburne en een Morris, in rijper tijd, 'n tien of meer jaren na Meredith geboren, konden door de breede muziek en den vollen krachtigen gang van hun taal hun ouderen tijdgenoot overstemmen, evenals Bjoernsterne Bjoernson het Henrik Ibsen heeft gedaan, in deze eerste periode van Europeesche historie: Meredith was dat niet gegeven, en hij moest achteruitzetting en het vergeten-worden dragen, evenals Ibsen 't deed. Er was nacht in zijn talent en zijn geest. "Zij hield het oor van den nacht gevangen,"[22] zegt hij van eene, wanneer ze in nachtelijke stilte zingt, en haar stem, door de eenzaamheid gedragen, met het bewustzijn van haar macht en haar bekoring den Nacht als dwingt tot luisteren. In Meredith's geest bestaat ook de nauwe aanraking en gemeenschap tusschen zijn gevoeligheid en het nachtelijke van zijn ziel. Hij heeft van nature de wijsheid van den nacht die de geheimen bezit van een groot verleden. Zijn bezieling wordt gescherpt en voortgeleid door zijn kennis en zijn verstand. En als de verbeelding bij hem uitgaat om gestalte te verleenen aan het leven van zijn tijd, dan mag zij niet rusten eer de voorstelling van het leven tot aan den tragischen rand is gebracht en het bloeiende leven zelf, geknakt en getroffen, met angstig vragende oogen staat tegenover den meedoogenloozen dood. Zoo rijst de blanke heerlijkheid van het pas ontknoppende bestaan voor het oog van den dichter omgeven door een kring van duisternis[23]. Hij heeft er toch het leven niet minder lief om, al zit hij 't als een illusie, maar evenmin doet hij afstand van zijn gevoel van innige verwantschap met die duisternis, die het mysterie van het leven in zich besloten houdt. En het maakt dat hij zich bewust wordt van een scheiding tusschen zich en de uiterlijke wereld, en tegelijk maakt het dat hij weet van een afstand tusschen zijn innerlijke wereld en zichzelf, zijn eigenste zelf. Want ook zijn innerlijke wereld heeft haar illusies waar toch niemand buiten kan: zij spreekt van liefde, en hij, de dichter, kan den nacht niet weren uit zijn hart--hij antwoordt met: eenzaamheid.... Afstand te bewaren ook tegenover het eigen liefdegevoel! Zich te bezinnen, en zonder het levensgevoel op te geven, de vrijheid van geest te handhaven![24] Dus luidt de wijsheid gesproten uit herinnering, berouw en voorgevoelens, dus spreekt de morgenstond, nog onder de kennis-zwangere schaduwen van den nacht, als het licht onwezenlijk huivert en trilt over de goede dingen dezer aarde. "_Modern Love_"[25], Meredith's _Comedie der liefde_--maar het werk van den Engelschen dichter is geen comedie, 't is een stem die klaagt en berust--zegt in een reeks van gedichten zijn levenssmart en zijn zelfbezinning. Het is als het roepen van een die zijn krachten bijeenhoudt voor den komenden wedloop met het leven;--en ervaren, doorstreden, gaat hij zijn grooteren werkkring binnen. Hij komt dan in die tweede periode van moderne Europeesche historie welke ik, in tegenstelling tot de sociale, de politieke heb genoemd. * * * * * Meredith's talent ontwikkelde zich tot kunst van satire in grooten stijl. Terwijl vragen van het hoogste staatkundig gewicht de partijen in den staat bezig hielden, legde hij zijn hand heel zacht en heel rustig tegen een van de steunpilaren der Engelschen maatschappij, en hij voelde het ding wankel, hij toonde het van binnen hol. De zuil en stut van de Engelsche samenleving was de vermogende landedelman, wel opgevoed en wel doorvoed, toongever van fatsoen en ideaal van mannelijkheid. Meredith nam hem van zijn voetstuk af in zijn breed opgezetten roman _The Egoist_[26], dien hij een comedie noemt. Het leven strijkt daar binnen en toetst den heros en afgod, niet aan eenigen maatstaf van politiek of economisch gewicht, maar zuiver naar zijn gehalte aan menschheid. Het schepte leegte om hem heen, waar eerst de volheid van het bestaan hem wijd en zijd omgaf, en 't lijkt wel alsof het van alle kanten de dwergen en geesten verzamelt, om naar het rijk der leugen die leugen der zelfzucht weg te voeren, die zich voor een beginsel van levensbehoud uitgaf. Maar dan verheft zich toch de satire; zij is gelijk aan een straal van den morgenstond, vallend te midden van een gekunstelde wereld, en zij toont in haar eigen innig licht de waarheid en de vrijheid van het leven. Comedie van den nacht en zijn spoken, en uit de schoot van den nacht breekt los de eerste dageraad! * * * * * Als de tijd voortging en een nieuwe zedelijke orde werd voorgevoeld, nam de macht en het vermogen van den kunstenaar toe, zijn schildering werd breeder en menschelijker. Want het was hem waarlijk niet te doen om een van de bijzondere vraagstukken die de aandacht van de wereld op 't oogenblik troffen. Neen, hij lette alleen op den mensch in de eeuwige verhoudingen van het natuurlijk leven. Hij zag hem wel bezig met zijn zaken en zijn eerzucht, begeerig naar genot, naar geld, naar macht; maar in den grond kende hij hem alleen in zijn zuiver menschelijke betrekkingen. Man en vrouw kende hij den mensch, en hij schiep vrijheid om de vrouw, en hij wilde eerbied scheppen in den man voor de liefde van de vrouw. De samenleving--wat is ze hem anders en meer dan het samenzijn van man en vrouw in opofferenden arbeid voor het groote leven[27]? Hoezeer was de dichter zich daarbij bewust van den afstand der werkelijkheid! Hij legde om die reden zijn voorstelling van het leven ook wel in een verleden tijd en won daarmee het recht om de lijnen van zijn teekening grooter te trekken. Eindelijk ging hij zich alleen nog geven in symbolische gedichten. Zoo rondt zich zijn bestaan af en uit het diepst van zijn wezen spreekt hij de woorden: Lo where the eyelashes of night are raised Yet lowly over morning's pure grey eyes[28]. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Een enkel voorbeeld geeft nog geen geldige aanwijzing van den koers dien het geslacht van 1828 moest opgaan,--het spreekt vanzelf. Er is meer noodig dan het geval van George Meredith om de ontwikkeling en opvolging te toonen van hun loopbaan. Laat mij daarom nog een naam noemen, bv. dien van Taine[29]. * * * * * Ook Henri Taine werd in 1828 geboren. Hij is bij de reconstructie van Frankrijk na den oorlog van 1871 de satiricus in grooten stijl geweest, die met zij _Origines de la France contemporaine_ aan de regeerders van den dag het tafereel heeft voorgehouden van de werking der Revolutie-hartstochten. Tot waarschuwing? Zoo was het niet bedoeld. Het boek stond op zijn eigen basis. Maar door het scherpe en nijdige van zijn voorstelling waarschuwde het wel degelijk tegen de vrijheid die de passies ontketent en de regeeringsbeginsels vernietigt, en legde het allen nadruk op het gewicht van de steunpilaren der samenleving, wier val niets dan verwarring geeft in den staat. Dus was Taine een tegenvoeter van Meredith en Ibsen! Laat dat zoo zijn, laat ons het voor 't oogenblik aannemen,--want de volledige beteekenis van Taine's werk, dat zijn waarde behoudt buiten den tijd, waarin het verscheen, kan men moeilijk in een paar woorden ontvouwen. De hoofdzaak is, dat het met zijn bijtende ernst, tegenover het oppervlakkig staatsbeleid van den dag, de elementen van het menschelijk samenleven wilde toonen in den grooten samenhang van het historisch leven. Daardoor is het aangesloten,--hoe verwijderd het ook moge schijnen--bij het werk van de anderen. En de principes van Taine's geestelijken arbeid zijn dezelfde. Men moet daarbij in 't oog houden, natuurlijk, dat hij minder een artist was en eerder een wetenschappelijk denker en literator. Maar dan vindt men ook bij hem wederom de trillende nervositeit tegelijk met het omvattend verstand. Zijn aandoeningen zijn intellectueel, zijn verbeelding gaat uit op de dingen van den geest, daarom is het echter niet de ijver van een geleerde die hem van zijn eerste jeugd af aanspoort om het gebied van letteren, geschiedenis, kunst, philosophie en zielsleven in bezit te nemen. Neen, er is een stem in zijn hart die hem drijft in de ruimte om zijn lust en zijn dorst naar kennis te verzadigen, en uit de diepste bron van zijn menschelijken aanleg rijst een behoefte aan overgaaf, een zucht naar vereeniging met de natuur[30]. Door zijn arbeid nadert hij haar, de Natuur. Hij wil en hij doet meer; hij verlangt zichzelf te beproeven en te leeren kennen aan dien kring van kennis die voor hem de uiterlijke wereld voorstelt. Want ook hij gevoelt den afstand tusschen zichzelf, en wat buiten hem staat, en eveneens tusschen zijn eigenste zelf en zijn innerlijke wereld. Die problemen grijpt hij aan als man van wetenschap in zijn groote werk de l'_Intelligence_, en tevens geeft hij hun een persoonlijke vorm in het boek dat men Taine's comedie der liefde en der samenleving zou kunnen noemen, en dat heet _Vie et opinions de Thomas Graindorge_. Als wetenschappelijk onderzoeker gaat hij door tot de uiterste consequenties. Taine ziet in het heelal slechts een schakel van oorzaken en gevolgen; voor hem worden alle betrekkingen tusschen feiten--en er zijn niet anders dan feiten--volledig uitgedrukt door een wet. Hij is de strengst mogelijke determinist. Aan den anderen kant, op de vragen van zijn persoonlijk leven, vindt hij geen antwoord dan: eenzaamheid. Taine vertoont daarom heel duidelijk het karakter van het geslacht van 1828. Hij is pessimist, omdat hij achter de illusies de bloote werkelijkheid zoekt als een harde wet; maar hij heeft een grootsch denkbeeld van het menschelijke. "Il s'agit toujours de decrire une ame humaine ou les traits communs a un groupe naturel d'ames humaines."[31] Dat is hem zijn taak: het menschelijke. Uit den nacht breekt het licht te voorschijn. Van Beethoven heeft hij eens gezegd: "Il ressemble a un homme qui, apres une nuit d'angoisses,... apercoit tout d'un coup un paysage repose et matinal."[32] Zoo moet men zich ook Taine voorstellen in die eerste periode, den tijd van het tweede keizerrijk: een tumultueusen denker, die kampt met de stof om haar te beheerschen, maar die een uitweg zoekt en hem vindt in de beschouwing van de kunst[33], het hoogste menschelijk vermogen, scheppende de menschengestalte in haar volle evenwicht en majesteit. * * * * * [Illustratie: Titelblad van het Manuscript van Ibsen's eerste Drama "Catilina" (1849) op 21-jarigen leeftijd geschreven.] De Fransch-Duitsche oorlog door den Commune-opstand gevolgd, heeft een diepe insnede in Taine's leven getrokken. Hij kwam al meer en meer door zijn werk in oppositie tegen de tijdstrooming--maar ik heb reeds over die levensperiode en de _Origines de la France contemporaine_ gesproken. Zijn langdurige kwaal en zijn dood--Taine is in 1893 gestorven--hebben zijn taak onvoltooid gelaten. Een oordeel over de derde periode heeft daardoor zijn bezwaren.... * * * * * Maar kan men zich door al dit opgenoemde niet een beeld vormen van de typische mannen der generatie van 1828? Zij bezitten niet eenheid, niet directheid van gaaf; neen, hun verbeelding spruit voort uit weten en gevoel, uit verstand en gevoeligheid; zij komen van een grensjaar. Zij behooren tot een afloopenden grooten tijd, en er is nog iets in hen van de macht en den drang uit het begin der eeuw, tegelijk met iets bezonnens en ouds, dat terugdringt;--zij zijn opgegroeid onder den invloed van de Juli-burger-omwenteling, en er blijft hun altoos iets bij van het karakteristiek nationale, dat het teeken is van 1830.... Het revolutiejaar van 1848 brengt hun geest naar buiten. Dan gebruiken zij het eerste groote tijdvak van hun leven om hun gebied en zichzelf in bezit te nemen. Maar de gelijkmatige gang wordt in 1871 gewelddadig afgebroken. Er was een toenadering geweest tusschen de volken van Europa, en er had zich een soort van Europeesche maatschappij gevormd onder de leiding van Frankrijk. Dat grootere samenleven hield op met den val van het keizerrijk; de staten, die zich als in een familie wilden vereenigen, trokken zich vijandig ieder in zijn staatsleven terug, en ook in iedere afzonderlijke samenleving heeft de angst voor de Commune een verscherping van het standenleven bewerkt. Men zou het zoo kunnen noemen, dat de maatschappelijke geest na 1871 een inkrimping ondervindt, en zijn krachten beperkt tot het gebied van den staat. Het talent der mannen waarvan hier sprake is, ondergaat daardoor een ombuiging. Waren hun krachten minder geoefend geweest, hadden zij niet reeds hun terrein verkend en vermeesterd, zij zouden misschien stille beschouwers zijn geworden;--nu stelden zij hun eigen wereld, tegenover de wereld die zij zagen; zij maakten oppositie, zij werden, zooals het in die dagen heette, satirici. Totdat een nieuw Europeesch samenleven opkwam in de laatste jaren der 19e eeuw.... En het werk dier mannen begon zich meer aan te sluiten bij de behoeften van den tijd. Zij namen deel aan den nieuwen beschavingsarbeid. Maar zij waren in hun hart geworden: mannen van het verleden. Van een groot verleden, zeker, dat het teeken droeg van het algemeen menschelijke,--toch van het verleden. Zoo kwamen zij op een afstand van de gewone menschenwereld; en voor het oog van hun tijdgenooten, verloren zij zich eenigszins, ondanks hun scherp geprente trekken, in lichte nevelen en een blank onbestemd schijnsel--overgang der heentrekkende schaduwen van den nacht tot het eerste teere licht van den grijzenden morgen.... * * * * * Misschien heb ik bij deze zaken te lang stil gedaan en de aandacht door een algemeen intermezzo vermoeid, in plaats van haar bij Noorwegen en de Noorsche dingen te bepalen. Ik moet dan vragen om die beschouwingen over den toestand van Europa en over Europeesche menschen te laten wijken naar den achtergrond, zonder dat men ze daarom toch geheel uit het oog mag verliezen. Ze zijn als een wijdere kring dien ik om den engere van mijn onderwerp moest trekken, en de beweging van dien ruimeren cirkel was het zeker wel noodig te volgen, nu het te doen is om Henrik Ibsen die echt een Noor was, maar die zich soms in de eerste plaats gevoeld heeft als een burger van Europa. De Scandinaviers die zoo trotsch zijn op hun Noorden, kunnen van tijd tot tijd heel uit de hoogte neerzien op hun land en zijn beschaving. Wat heeft Kierkegaard niet op Denemarken en zijn hoofdstad, dat nest, gevloekt! En hoor Ibsen: "Waarom," vraagt hij[34], "staan wij die een Europeesch standpunt innemen, zoo alleen in ons vaderland?--Wijl dit ons vaderland niet den samenhang bezit van een staat; wijl men in het vaderland gemeentelijke gedachten en gevoelens heeft, geen nationale, geen Scandinavische.... Denkt ge dat dit fragment van Europeerdom een grondslag kan wezen voor beschaving? Alleen een natie, wanneer ze een geheel uitmaakt, kan meewerken aan een cultuurbeweging. Wij Scandinaviers zijn in de oogen van Europa nog niet verder gekomen dan het gemeenteraads-standpunt. En nergens ter wereld houdt een gemeenteraad er zich mee bezig om het rijk van de toekomst, "het derde rijk", te verwachten of voor te bereiden." * * * * * Zoo sprak Ibsen wel in zijn boosheid. En echter volgde Noorwegen, op zijn manier zeker, maar toch trouw en regelmatig, in de tweede helft der 19e eeuw, de lijn van ontwikkeling van geheel Europa. Alleen behoorde het niet altijd tot de gelukkige landen van het werelddeel. Toen de revolutie van 1848 uitbrak, had Noorwegen zijn groote vraagstuk voor zich[35], evenals de staten van Duitschland en van Italie het hadden. Het was een vraag van expansie en van nationale vereeniging. Men noemde het streven naar dat ideaal, Scandinavisme, en het bedoelde niet alleen een verbroedering maar ook een nauwe aaneensluiting van de drie rijken van het Noorden. De Pruisisch-Oostenrijksche campagne tegen Denemarken van het jaar 1864, heeft aan de geestdrift voor het Scandinavisme een harden slag toegebracht, toen het bleek hoe weinig "de broeders" geneigd waren elkander bij te staan in nood: de vestiging van het Duitsche rijk in 1871 heeft daarop voor goed een eind gemaakt aan het plan,--omdat de inbezitneming van Sleeswijk Duitschland dwong tot vijandschap tegenover al die Scandinavische grootheid. En voor het prestige van het Duitsche rijk moest het ideaal van het Noorden bukken. Bjoernsterne Bjoernson heeft toen, en onder die omstandigheden, aan Noorwegen zijn leus gegeven. "Laat ons," zeide hij op een feestelijke bijeenkomst, (in 't eind van het jaar 1866, na Koeninggraetz), "vooreerst en voor alles Noren zijn, en op die wijs, daarna, Scandinaviers. Want ieder van de drie volken moet zijn eigen aard hebben, om iets in ruil te kunnen geven aan de anderen."[36] Het Scandinavisme in de verre toekomst!--te beginnen met Noorwegen voor de Noren! Zoo is men ook in Noorwegen na 1870 begonnen met het opbouwen van den modernen staat[37]. Het werd een verwezenlijking van Wergeland's idee. De Noorsche boer kreeg zijn rechten, de constitutie kreeg haar uitbreiding en Noorwegen kreeg, met zijn "reine" vlag, volle zelfstandigheid tegenover Zweden. In 1882 is de crisis. Noorwegen speelt dan zijn "er op of er onder" tegen de koninklijke macht. 1884 brengt de eindbeslissing, en het volgend jaar ziet een nieuwe periode geopend, den tijd van maatschappelijke en partieele hervormingen. De politieke ideeen hebben toen hun dag gehad. * * * * * Ibsens leven toont wel duidelijk de indeeling der drie perioden. De tijd van 1864 tot 1871--de ondergang van het Scandinavisme, de vestiging van de Pruisische macht, en de Commune-opstand te Parijs--heeft hem, na zijn eerste half schoolse, half spontane ontwikkeling, tot die rijpheid van bewustzijn gebracht, die hem als een modern Europeesch man het volledig bezit gaf van zijn talent. In de 70er jaren viel dan het begin van zijn werk als "staats- en samenlevingssatiricus", en Ibsen nam met zijn bitter boos aanvallend werk zijn scherpe aandeel aan het gevoels- en het gedachtenleven van zijn volk. Het scheen wel alsof hij 't er op had aangelegd, het uit de engte van zijn dorpelijk en gemeentelijk leven te prikkelen tot het innemen van een hooger standpunt in de Europeesche maatschappij. Sinds 1884 en '85 eindelijk, toen in Noorwegen de politieke strijd was uitgestreden, verruimde en verbreedde zich zijn talent[38]. Wat zijn land noodig had,--zoo zag hij den toestand in,--dat waren sociale en praktische hervormingen, niet langer politieke theorieen, en Ibsen's dramatische kunst weerspiegelt--maar 't is een vrije ontvouwing van zijn dichtergaaf--die onvervulde, dringende behoefte aan een energieke beschaving. Zoo wondervol loopen in het werk van den kunstenaar de draden samen die de richting aangeven van het nationaal Noorsche en van het gezamelijk Europeesche leven! * * * * * Ik moet thans dat werk nog overzien als een uiting van zijn persoonlijkheid. Wat men het eerst hoort van den dichter is een klacht. Het gedicht dat als eersteling in zijn verzamelde werken is opgenomen heet "_Berusting_". Het is alsof de twintigjarige zijn droomen van grootheid en geluk niet meer voor zich heeft, maar ze achter zich heen in 't verleden ziet verdwijnen. Hoe eng is de atmosfeer in zijn werk! Er ligt een beklemming over. De revolutie-storm van 1848 streek wel met een vlaag neer in het kleine Noorsche stadje waar hij zijn gedrukte leven leidde, en de tocht van de groote beweging wekte den armen apothekers-assistent wel uit zijn dofheid, ontvlamde zijn geest; maar het bleef ten slotte bij hem een kamp in het hart. Zoo ergens is hier, in Ibsen's dichtergeest, de duisternis van den nacht. Maar ook hoogheid van gedachten-verbeelding en voorstelling. Het bewijs is _Catilina_[39], het stuk dat de reeks van zijn drama's opent (1850). Men denkt misschien een schoolthema in handen te krijgen, en men ontdekt in de tragedie een hartekloppenden geest verdeeld tusschen wijd uitgaande plannen en een berouwvol bewustzijn van zonde en onmacht. De revolutie neemt er haar rol in--en woelt in een gemoed, vervuld van mysterie en van de tradities van pietisme. Want dat werd, zoo men hem wel beziet, Ibsen's Romein, Catilina: een revolutionaire, mysterieuze pietist[40]. Het was voor den dichter een worsteling om van den nacht tot het licht te komen, maar de schaduwen hebben het gewonnen. Hij gevoelde heel sterk de verdeeldheid van het leven, en de afscheiding van de natuur. Ibsen heeft wel geprobeerd in den trant van Oehlenschlaeger en zijn volgelingen romantische drama's te schrijven, maar de helden van die tooneelspelen zijn in hun hart van Wergeland'sche structuur en echt Noorsch. Twee zielen wonen in hun borst, en zij komen moeilijk uit hun kampende schemerleven te voorschijn. De scherp logische consequentie van zijn geest noopte den dichter dan om voor het onderwerp zijner drama's ook een zuiver Noorschen vorm te kiezen. Zoo verschenen hard en streng als een Noorsche saga zijn _Krijgers op Helgeland_[41] (of _Noorsche Krijgstocht_) ten tooneele (1885). Het was Ibsen's tijd van "Noorschheid". Stug als de vorm zijn ook de karakters van het verhaal. Wij krijgen den zedelijken indruk van een wilde eenzaamheid. De dichter brengt in zijn tragedie het leven tot den rand van den afgrond,--den dood in verlatenheid. De klagende stem is den nacht ingegaan. * * * * * Ik moet hier melding maken van een gedicht dat tot de lievelingsverzen van den dichter behoorde. Het heet _De mijnwerker_[42], en het trotseert den dag. Want wat de mijnwerker wil, als de dichter, in de diepte de oplossing der raadsels zoeken die de natuur aan de menschheid opgeeft. Hij keert zich af van het licht, omdat het zijn oogen verblindt met een bedriegelijke klaarheid, en hij wil de schatten zien in de geheime kamer van de aarde opgeborgen, hij wil de levenswetten naspeuren, daar waar ze bloot liggen, aan de wortels van het bestaan.... Maar geen straal schijnt nog in den afgrond om hem te toonen dat hij op 't goede pad is: de hoop verzwakt, het vertrouwen daalt. Geen nood: in het donker is vrede en rust. Hij blijft het houweel hanteeren; en 't gaat, hamerslag op hamerslag, de diepte in aan den boezem der Natuur. Het is het hart van den dichter dat zich met geweld aandrukt, dat klopt tegen het hart van den Nacht, hamerslag op hamerslag, met felle hamerslagen. En wij worden gedachtig aan dien Henrik Steffens[43] die op den overgang van 18e tot 19e eeuw uit het Noorden naar Duitschland toog, om daar zich in de nieuwe wijsheid te laten inwijden. Want Steffens, een dichter slechts in verlangen, was in werkelijkheid met zijn gedachten den weg opgegaan van Ibsen's poetische verbeelding. Hij had in de diepe aardlagen den sleutel van het leven gezocht en er de oorspronkelijke levenswet gevonden. Ibsen trad met zijn fantasie in 't spoor van den enthousiasten onderzoeker, en zijn gevoel voor mysterie was een terugslag der natuurmystiek van een halve eeuw geleden. Met dit onderscheid echter, dat Steffens in zijn jeugd het licht en de verruiming genoot, en steunend op de machtige beweging van zijn tijd, zijn persoonlijkheid kon opbouwen,--terwijl Ibsen moeilijk de steile duisternis moest doorworstelen. Maar hij groeide in talent en in vastheid van greep op het leven. Hij dichtte zijn _Comedie der Liefde_ (1862), hij schreef zijn Koningsdrama, de _Kroonpretendenten_ (1863). De _Kroonpretendenten_ waren voor den Noorschen dichter wat Oehlenschlaeger's Aladdin en Nureddin, het Arabische tooververhaal van het gelukskind en den ongeluksvogel, voor den Deenschen dichter zijn geweest. Ibsen heeft den strijd in zijn hart tusschen zijn wil en zijn peinzende onmacht in twee historische gestalten, twee tegenbeelden, dramatisch geprojecteerd, en 't is door het scherp contrast van licht en donker, een historie van leven geworden, ten minste voor zoover hij die reeds geven kon. In de _Comedie der Liefde_ trad de dichter eindelijk, buiten het gebied der sage en der historie, het gewone dagelijksche leven in. Hij sprak,--op het tooneel altijd,--midden tusschen de toehoorders en de menschen op het toneel,--van zijn hart tot zijn hart. Het de _comedie_ van het ideale streven, dat door liefde bewust wordt van zichzelf,--de _comedie_ van het ideaal, omdat het zich eenzaam voelt en moet gevoelen, in zijn tegenstelling tegen een wereld, die niet anders dan het gewone wil erkennen en kent. Schaduwen hangen er, zoowel over het historisch drama als over het burgerlijk tooneelspel. Nog maken zich de personen en de persoonlijkheden niet geheel los uit de lijst der gebeurtenissen en gebeurlijkheden; maar zij spreken niet langer met gedrukte stem. Het geluid heeft zich in de borst van den dichter ontbonden en ontwonden, ook al hooren wij nog niet den vollen klank, alleen den weerklank. 't Is als het kloppen van het hamerend hart in den mijngang, uit de verte vernomen. De dichter was namelijk wel niet langer onzeker van zijn weg, maar hij ging hem alleen[44]. Niemand heeft zijn verlatenheid zoo moeten gevoelen als die trotsche schuwe geest. Hij had zijn gaaf vermeesterd, zijn rijkdom zag hij voor zich--in de diepte. Zou hij dien schat ooit aan het licht kunnen brengen? De wereld was tegen hem, daar in het Noorden[45], en hij had niets daartegenover dan zijn genie, dat door de wereld--daar in het Noorden--niet meer geacht werd dan het poover talent van een vlakken, handigen teekenaar. Hij bleef nog in schemering. "De dood! ik ken nog erger dan den dood--het is het grauwe schemeren,"[46] zegt Jatgeir, de skalde in Ibsen's _Kroonpretendenten_. * * * * * [Illustratie: Ibsen's echtgenoote Suzanna Ibsen.] Daar naderde het jaar 1864, de inleiding tot de grootheid van Duitschland en de vernedering van het Scandinavische Noorden. Een oogenblik had een straal van grootsche verwachting den geest van den dichter verhelderd, hij had gehoopt op een krachtige samenwerking der drie broedervolken. Maar het kwam anders uit. Ook dit was een _comedie_ der liefde; zij had tot besluit een vereenzaming. Maar het was een alleenstaan zonder ideaal. Het ideaal nam de dichter met zich mede, toen hij mismoedig afscheid nam van zijn geboortegrond, en troosteloos door het triumfeerende Duitschland heentrok naar het Zuiden. Hij had zijn vaderland verloren; hij herwon, hij herschiep het in zijn hart, onder de zon van Italie. In Rome, te midden der atmosfeer van een groote, eeuwige wereld schudde Ibsen de wolken en schaduwen van zijn geest weg. Zijn ziel nam haar sprong. Hoe krachtig zwaaide hij den hamer! En uit het doodsche, grijze blok van zijn herinnering en zijn wrok, van zijn liefde en zijn norschen wil, beeldde hij de gestalten van Brand en van Peer Gynt te voorschijn!--_Brand_ (1865), de stoere, sombere held en martelaar van het ideaal, _Peer Gynt_ (1867), de zorgelooze deugniet, wien de fortuin toch niet anders kan doen dan toelachen. Hier zijn ze nu, maar ieder op zijn eigen grondstuk en levend voor zichzelf, de Nureddin en Aladdin van de tooversprook, maar getransformeerd, bijna onherkenbaar, tot nationale typen, en gedragen en vervuld door de eigen passie, en door het eigen leed en de eigen fantasie van hun dichter. Hoe is zijn kracht gestegen, hoe is niet alleen zijn stem maar ook zijn verbeelding losgekomen in deze twee scheppingen van de ochtendschemering!--De eene schepping rauw als de morgen en kloek als het morgenbesluit tot hardnekkigen arbeid, de andere speelsch en steelsch als de dartele dageraad, overmoedig vertrouwend in de bedriegelijke hoop van het jonge licht! * * * * * Wijder strekten intusschen zijn gedachten[47]. Rome had het hem aangedaan. Hij wilde eeuwigheid opnemen in zijn geest. Het onderwerp van Julianus den Afvallige lokte hem aan, den keizer die op de samenkomst van twee wereldwegen stond, Keizermacht en Christendom:--hier, de oude wereld door het Romeinsche Keizerrijk tot een eenheid gebracht en gevormd; daar, de nieuwe Christelijke wereld, haar eenheid zoekend in een beginsel hooger dan de menschengemeenschap;--den keizer die, als in morgenschemering gehuld, het matte oog gericht hield op een nevelige toekomst waarin het hoogere beginsel, met de menschenwereld verzoend, een nieuweren vorm van beschaving en gemeenschap zou vestigen. De tijd werkte aan de conceptie van den dichter mee[48], en moest daaraan meewerken. Want de geest van Ibsen had distantie noodig[49]. En 't is al opmerkelijk, dat de dichter pas voor goed aan den dramatischen arbeid voor zijn keizersthema kon beginnen, toen hij Rome verlaten had en in Duitschland zijn woonplaats had opgeslagen, zoo was het niet minder van gewicht voor hem, dat hij ook nog de ervaring kreeg van het groot gebeuren tusschen de jaren 1864 en 1871[50]. Die ondervinding bevrijdde eerst zijn geest volledig: de neergang van het Fransche Keizerrijk, de opkomst en het snel vergaan der Commune van Parijs, de jonge macht van het Duitsche Rijk,--dat alles gaf zijn blik eerst de energie om in de verte te zien. Hij keek niet langer in een benepen omgeving, noch van menschen, noch van eigen hart. Neen, hij doorbrak met den zwaai van zijn hamer den nauwe mijngangen van pietisch zondegevoel en berouwvolle verslagenheid, hij verruimde zijn ziel; en hij ging iets begrijpen, buiten den benauwden kring om van zijn persoonlijkheid, buiten den beperkenden cirkel van het oogenblik om,--iets begrijpen van het wereldgebeuren, hoe daar machten waren die ondergingen en die toch de toekomst voor zich hadden, maar die toekomst niet konden verkrijgen, wanneer zij niet op hun tijd en voor een tijd waren ondergegaan.... Het lot zwaaide den hamer hard, maar het hamerde vast. Er kwam, gelijk ik heb gezegd, iets van eeuwigheidsgevoel in Ibsen's geest. De jonge Wergeland had, in het jaar van 's dichters geboorte, het idee opgevat om het boek van de bestemming der menschheid in geniale verzen te vertolken, en zijn dichtsel was een luchtverheveling gebleven; nu, na meer dan veertig jaren, zette Ibsen zich aan het werk, en hij kon zijn gedicht met trots een "werelddrama" noemen. Zijn periode van "Noorschheid" was voorbij. * * * * * Op die wijs, door eigen stoeren en pijnlijk geduldigen arbeid, verwierf hij zich zijn aandeel in de groote Europeesche beschaving: aan de anderen, aan een Meredith en een Taine, was zij van nature gekomen door hun gestadige aanraking met een wereldcentrum: voor Ibsen was zij een veroverd en wel gewonnen gebied. Welk was het voornaamste kenmerk van de moderne geestesstemming? Zij rustte op het wetenschappelijk geloof aan het determinisme--het voorbeeld van Taine heeft het getoond[51]. En hoe hard het denkbeeld der onverbiddelijke wet ook moge schijnen, Ibsen koos dat geloof tot het zijne met gelatenheid, ja misschien met vreugde. Hij nam ze op in het bloed van zijn brein, de verzekerdheid en gedetermineerdheid van den gang van het leven. De vaste bepaaldheid van het bestaan gaf houding en bevrijding aan zijn geest. Het was een wijsheid gegrond op de granietlaag van de aarde. Ibsen's tragedie van Julianus den Afvallige beweegt zich in de atmosfeer van het determinisme. Dat geeft eenheid, en vooral ook eenheid van horizon, aan het noodzakelijk wijd uiteenloopende verhaal van het historisch drama. En door het toevallige van de gebeurtenissen weg te nemen, heeft de dichter het tooneelspel, dat in de oudheid speelt, tegelijk een beteekenis gegeven voor zijn eigen tijd. Wanneer men het gedicht zou moeten noemen dat het best de Europeesche jaren van het tweede Keizerrijk weerspiegelt--die jaren met een grootheid tusschen schijn en werkelijkheid in, half verraderlijk illusoir en half idealistisch, de jaren van Napoleon III,--dan zou men misschien het best doen om Victor Hugo en de overige dichters van het tijdvak minder te tellen, en vooreerst te wijzen op den Julianus van Ibsen, zijn _Keizer en Galilaeer_. Niet, dat het aan alle eischen voldoet. Ibsen zelf kon met het werk dat hij zijn hoofdwerk heette, niet tevreden zijn. Iets ongelijks heeft het en iets onvoldragens. Het is alsof de omvang der tragedie haarzelf in den weg is geweest.... * * * * * Zij was onvoldragen, omdat de tijd veranderde. Toen het drama van Julianus den Afvallige in het licht verscheen (1873), was er reeds een ander aanschijn over de dingen gekomen. Voor den dichter werd het een gesloten tijdvak; aan den eenen kant staat er zijn tragedie _Catilina_ en aan den tegenovergestelden kant staat _Keizer en Galilaeer_, ieder van beiden een teeken hoe ver zijn eerzucht reikte. Maar hij schreef voortaan geen "werelddrama's" meer. Want de wereld was voor den dichter kleiner geworden. Dat lag aan hemzelf, nu hij zijn hoog standpunt innam en zijn talent gerijpt en gedegen in zich droeg; maar dat lag ook aan de wereld, daar in werkelijkheid veel grootheid of schijn van grootheid van haar was weggegaan. Ibsen's gedachten keerden weer naar huis, zooals men naar den moedergrond terugverlangt, bij een teleurstelling. En van dezen tijd af, bleef hij met zijn verbeelding bij het geboorteland. Ik weet niet of iemand die dien tijd niet heeft meebeleefd, zich een voorstelling kan maken van het gevoel hoe de wereld toen minder werd, of liever hoe zij minder helder in haar groote verhoudingen voor het oog lag. Er was teruggang. Dat zelfde determinisme dat een man als Ibsen groot en wijd had leeren zien, werd door de kunst van de komende periode op de details van het leven toegepast, en het leven werd een object van waarneming voor den kunstenaar. Men constateerde verval; en men behandelde het leven grof en klein. Was het niet een periode als tusschen licht en donker? Er ging al wel een eerste nieuwe beweging en een geheime trilling over de aarde, maar het geschiedde onder een lichtlooze, rauwe lucht. * * * * * Ibsen zag zijn land aan met den blik van een vreemdeling. Het lag op een afstand. Hij voelde zich geen burger van Noorwegen. Kon hij, die voor zich den rang veroverd had van lid der Europeesche samenleving, nog langer wezen een staatsburger?--Maar hij had behoefte met de maatschappij van het Noorden mee te leven.--Kon hij er zich anders gedragen dan als satiricus? Ibsen als een man van het "tusschen donker en licht", een onzekere, een vrager, een twijfelaar, was een geboren satirist. Hij is begonnen met satirische kluchten te schrijven, evenals Wergeland zijn "farcen" in de wereld heeft gestuurd, evenals in iedere opkomende beschaving de man van vernuft zich lucht verschaft door te hekelen. Midden onder zijn groote werk[52] aan Brand, Peer Gynt en Julianus den Afvallige, had de dichter een politieke comedie geschreven, het _Verbond der Jeugd_ (1869), en reeds vroeger--wat kan men de _Comedie der Liefde_, als geheel genomen, anders noemen dan een satire? Maar dit alles moet men toch alleen aanzien voor een aanleiding en een inleiding[53]. De comedie van Ibsen in zijn tweede groote periode is satire van een verschillend gehalte. * * * * * Ik heb ergens gelezen van een gesprek tusschen een Parijzenaar en een bezoeker van Parijs uit een van de kleinere naties. Spoedig gaf de Parijzenaar een woord ten beste over volken die geen geschiedenis hebben.--"Maar wij hebben een geschiedenis, en wel een zeer belangrijke...." viel hem de bezoeker in de rede.--"Ik heb er nooit iets van gemerkt," zei de ander droogweg. * * * * * En dit is het eerste wat Ibsen's satire en comedie heeft vermocht: voorheen kon men het bestaan van een samenleving in Noorwegen alleen vermoeden; de dichter heeft haar tot een werkelijkheid gemaakt waarvan men in Europa "merkte". Hij heeft de burgermaatschappij van zijn vaderland getoetst aan het grootere leven dat hij voor zichzelf had verworven, en hij haalde uit die maatschappij de echte qualiteit van zielen-essentie welke zij in zich borg. Daartoe sloeg hij lustig met zijn hamer, en hij perste en kwelde zijn menschen tot dat ze waardig waren uit hun beklemming te ontsnappen naar de ruimte, naar de vrijheid, naar het grooter leven. Hoe heeft hij de arme Nora van het _Poppenhuis_--want ik spreek hier niet van de _Steunpilaren der Maatschappij_ (1877), waar het echte leven nog wat boven op ligt,--hoe heeft hij die arme Nora tot vertwijfeling gebracht, door haar alle illusies over zichzelf en haar edelste daden en haar hoogste liefdesverwachting te ontnemen en te ontscheuren! Hoe heeft hij haar geprangd en benauwd met schuldgevoel en gewetensangst, om haar dan uit te stooten in het donker van het leven! En nog verpletterender, nog grievender, nog dieper tot in diepste diepten van het moederhart komen de hamerslagen neer op de echtgenoote en moeder die het middelpunt is van Ibsen's drama _Spoken_. Hier vallen geen illusies te bestrijden, maar het zijn spoken die het vreedzame huis der zorgzame, verstandig goede weduwvrouwe belegeren en insluiten. Zij rijzen op al dreigender en dreigender tot het verschrikkingsmoment van het slot, wanneer ze haar het vergift in de hand duwen om haar moordenaarster te maken van haar eenig kind! Die vrouwen heeft de dichter gebruikt, om aan haar de waarheid van het leven hunner omgeving te beproeven;--de eene een zorgeloos-zorgend, bewegelijk zonnekind, met een kern van innige harte-goedheid: zij was een "dochter der natuur"; de andere is de overlegd-zorgende huisvrouw, met een hart dat, bij al zijn behoefte aan licht, nooit vreugde heeft gekend: zij heeft in de schaduw van het leven gestaan. En wanneer Nora, bevrijd, het onbekende donkere leven intreedt, zal het duister van haar pad wijken,--maar, vrouwe Alving, de heroine van het drama _Spoken_, gaat door den ijzigen nacht, en de schimmen van den Nacht geven haar het geleide. Vereenzaming--dat is het nijpend-pakkend gevoel waarop de satirische tooneelspelen van Ibsen uitloopen; eenzaamheid tegenover de wereld, eenzaamheid ook tegenover het eigen hart zijn daarin de uitsluitende voorwaarde om te zijn wat men moet zijn, om te hebben, wat onze menschen-aanleg zegt dat wij moeten hebben: een eigen persoonlijkheid. De drama's van Ibsen staan in bitter geweldige oppositie tegen de maatschappij; de samenleving, zoo zeggen zij, door haar conventies, door haar wetten, door haar ziekten--want zij heeft haar ziekten en haar besmetting--verdrukt en verwringt het hoogste bezit van de menschheid, en de individualiteit is alleen te redden in ballingschap, in de vrijheid der vereenzaming. * * * * * [Illustratie: Brief van Ibsen aan Georg Brandes.] Thans naderen wij de levenskern der gedachte van den dichter. Persoonlijkheid is voor hem geen toeval: men kan niet anders zijn dan men is, en men moet zijn wie men is. Ibsen was determinist, gelijk ik heb uitgelegd. Vrijheid bestaat voor hem in het wezenlijk zijn, niet in het anders zijn als de aard meebrengt, en er is een gedetermineerdheid van het individu. Zijn ballingschap, zijn vereenzaming, beteekent dat het de kracht geeft om de atmosfeer en den grond te zoeken waarin het kan aarden. Welke is de elementairen macht: het individu of de gemeenschap door den staat gesteund?--Ibsen, met zijn gemis van "het talent om staatsburger te wezen", plaatst, in dezen tijd van triomfeerende staatkunde, het volle gewicht in de schaal van het individu. Gedetermineerdheid tegenover gedetermineerdheid,--het individu gaat hem voor; die van staat en maatschappij is maar quasi. En dit is het groote leven in Ibsen's satirische drama's, dit gaf hun dadelijk hun plaats in de Europeesche letterkunde, dat zij door hun strengen bouw, door hun klemmende logica van gevoel, de gebeurtenissen der kleine Noorsche maatschappij verhieven tot een typisch voorval van het menschenleven, zonder daaraan karakter of kleur te ontnemen. Toen Nora er eenmaal was, kon men zich den tijd niet voorstellen dat zij er niet was geweest. Zij had noodzakelijkheid. Maar het groote van die comedies heb ik nog niet genoemd. Zij hebben een voorgrond, waarop het verwarrend verdriet en de burleske brutaliteit zich breed uitspreiden;--maar zij hebben ook een achtergrond van aangehouden zwijgen, een diep verschiet van schemering met een heel flauwen, grauwen morgenstraal. In _Brand_ en _Peer Gynt_ klaagt en treurt een nevenstem; in _Nora_ en _Spoken_ hoort men haar eveneens, ofschoon ze bijna altoos zwijgt, ja, zwijgend wacht om te spreken. * * * * * _Nora_ is van 1879, _Spoken_ van 1881, de _Volksvijand_ die zich bij de vorigen aansluit, van 1882. Het is de tijd der Europeesche satire in grooten stijl. Ibsen ging het scherpst vooraan. * * * * * Hij wist wat hij deed. Want daarin is hij een recht kind van den Nacht, berekenend en kennend als de Nacht, dat hij zijn talent soms geheel in handen overlaat van zijn logisch verstand. Toen in 1885 de politieke strijd beslist was en het Noorsche volk mondigheid en zelfstandigheid had verkregen, zeide Ibsen zelfbewust[54]: "Ja, het land is minder bekrompen; men zou er zich nu wel kunnen roeren.... De politici zullen dat aan hun inspanning toeschrijven en zich alle eer van de overwinning geven, maar wij zijn het, wij dichters, die haar voorbereid hebben en den strijd hebben ontbonden. Zonder ons was er noch strijd geweest, noch zege". In de jaren 1884 en '85 is de ombuiging. Mag ik zoo noemen, dan slaat Europa, en slaat Noorwegen, een hoek om. Het uitzicht verwijdt zich; een andere periode vangt aan. En zie eens wat uiterste gevoeligheid de richting en de breed uitgebreide vleugeldrift van Ibsen's genius bestuurt!--hij volvoert de wending mede. Op eenmaal zwenkte hij in zijn scherpe vaart. Het komt bij den dichter niet als iets heel ongewoons. Want hij gaat wel meer tot het uiterste in een lijn, om dan plotseling een nieuwen kant van zijn talent te ontwikkelen. Zoo was hij na den grauwen nevelstorm van nacht en eenzaamheid der _Krijgers op Helgeland_, zoo was het eveneens thans na de stormachtige drama's der in vrijheid vereenzaamde individualiteit. Waarlijk, het heeft er iets van alsof Ibsen het gevoel had van iemand die lang op een hoogte heeft geleefd buiten het bereik van het menschdom, en eensklaps krijgt hij het uitzicht op een ruime, bevolkte vallei. Hij kwam van zijn bergtop af, de dichter, en hij begon te spreken,--heel hoog en ironisch voorzeker,--maar toch ook met een wonderbaar zachtmoedigen en schroomvallig teeren toon. Zijn _Wilde Eend_[55] is het drama van de kleine burgerlieden (1884). De last van het leven wordt in het verhaal gedragen door de illusie van twee vrouwen; de eene vrouw is laag bij de grond, en het leven gaat over haar heen zonder haar een andere impressie te geven dan dat zij moet voortgaan te zorgen en te slaven voor haar gezin; de andere is het kind, het jonge meisje, in den eersten bloei van fantasie en aandoenlijkheid; en aan het leven dat haar verdrukt en vernietigt, geeft ze al bij de eerste aanraking haar uiterste van opoffering en toewijding. In de _Wilde Eend_ toont de dichter de samenleving in miniatuur met haar goedheid en haar wreedheid, met haar zelfbedrog, haar lafheid, haar onverschilligheid, maar ook met haar _poezie_,--een onnoodige poezie, die in de ruimte verstuift en verklinkt. Het is een wereld, waarmee het nog niet meenens is; zij denkt wel te bestaan, maar uit het niet bestaan kan zij nog niet te voorschijn komen. Rechtaf herinnert het stuk aan het eerste morgengrauwen,--half een illusie van teederheid, half een ijzige adem van rauw nijpende nachtkou. Krachtiger en grootscher gaat het dan in _Rosmersholm_[56] (1886), waar de nieuwe beschaving met haar onstuimig bloed en haar gaven hartstocht aandruischt tegen het verfijnde, zichzelf al vreemder en vreemder wordende, leven der oudere beschaving. En drama volgt op drama; de _Vrouw van de zee_ (1888) komt na Rosmersholm, dat het hoogtepunt van Ibsen's dramatisch vermogen voorstelt, en na de Vrouw van de Zee verschijnen _Hedda Gabler_ (1890), _Bouwmeester Solness_ (1892), _Kleine Eyolf_ (1894).... * * * * * Zij weerspiegelen de ongelijkmatige bewegingen der samenleving in de moderne maatschappij. Is het wel een samenleving? Zoo verschillend zijn haar elementen. Geen van die elementen wil zich aan gestelde orde ondergeschikt houden, en aan elk ontbreekt iets; toch verlangt ieder hunner voor zich de eerste plaats. In _Rosmersholm_, zijn meest beteekenende schepping, heeft Ibsen nog de voorstelling van een mogelijke verzoening der disparate bestanddeelen, maar hij kan die voorstelling niet geheel geven, hij vindt er geen vorm voor. Het nieuwe gaat in Rosmersholm aan het oude te gronde, en het oude gaat met het nieuwe in den dood. In het verschiet alleen rijst de betere tijd voor onze gedachten,--slechts even voor onze verbeelding. Dezelfde indruk en aandoening van het onbestemde en gebrokene krijgt de toeschouwer van de daarop volgende drama's nog sterker, en ook, in 't eerste oogenblik, misschien meer verwarrend;--omdat de dichter, wanneer het woord veroorloofd is, den achtergrond van zijn tooneel hoe langer hoe meer naar voren brengt. Twee motieven kruisen elkander in die stukken, en ze zijn aan elkander tegenovergesteld. Het hoofdmotief spreekt soms van verzoening en vereeniging, zooals in de _Vrouw van de zee_, maar dan is er een ander motief dat wijst op scheiding; of, gelijk in _Hedda Gabler_, spreekt het hoofdmotief van verstoring en het nevenmotief duidt opbouwing en stichting aan. Soms ook, als in _Kleine Eyolf_, houden de motieven evenwicht met elkaar. Daar hebben wij wel het tegenstrijdige en tegenstrevige der moderne maatschappij. * * * * * Zoo krijgt het theater van Ibsen perspectief en beweging. Wij komen waarlijk in de grootere wereld zelf wanneer we met hem op het tooneel zijn. Want hij weet de gebeurtenissen samen te vatten in een kort bestek, en toch neemt hij er ruimte en tijd en ook distantie in op; hij laat de verhoudingen met elkaar contrasteeren, maar ze weerspiegelen zich ook in elkander; en hoeveel beelden en reflexen ontstaan daardoor niet, die het verhaal uit zijn plankenomgeving losmaken en in ons brein voort doen spelen! Alsof het daarbij alleen te doen was om het zien en het denken! Neen, er rijst een muziek van verlangen uit die rij van dichterlijke scheppingen, en een toon van fantastisch heimwee-gevoel, van hartstochtsbegeerte en van hartstochtssmart klinkt voor ons op, of de zachte stem der verdrukten die op uitkomst hopen, der stille geduldigen die in het leed hun vertrouwen willen redden, bereikt ons oor, dringt door tot ons hart; opofferingszucht en eigenzinnigheid, verslagenheid en trots trekken als met vlagen van geluiden onzen geest voorbij ... en tot accompagnement --stil, luister!--die klank van geregelde hamerslagen in de verte, hamerslag op hamerslag; en men weet niet of zij bezig zijn weg te breken en af te breken, dan wel of ze timmeren aan een nieuw gebouw voor het nieuwe leven. * * * * * Ibsen, die het leven van zijn tijd meeleeft en doorleeft, treedt, gedurende deze derde periode van zijn loopbaan, op die wijs in verbinding met de maatschappij van het Noorden. Zij hebben elkander eindelijk dan ontmoet, de dichter en zijn volk. Maar hij, de dichter, hield zich daarom niet op met de speciale vragen van den dag. Naar den mensch alleen vroeg hij, in zijn natuurlijke verhoudingen; hij vroeg hem naar zijn hart en zijn liefde, naar zijn eerlijkheid en trouw. En het waren vooral geschiedenissen van vrouwen die hij tot onderwerp koos van zijn voorstelling. "Een vrouw wanneer ze iets onderneemt, gaat gewoonlijk het verst," heeft Ibsen gezegd. Dat "verst gaan" van de vrouwen beviel aan den dichter. Hoe zou hij ingestemd hebben met de gedachte van Meredith, als hij haar had hooren uitspreken: "De vrouw is wat er natuurlijks is overgebleven in den mensch!" Misschien ging hij de samenleving meer waarderen, omdat hij de vrouw meer leerde liefhebben. Want zoo wreed als vroeger laat hij haar niet meer de duistere eenzaamheid binnengaan, en zelfs wanneer hij ze ten dood voert, zooals hij met Hedda Gabler en de Rebekka van _Rosmersholm_ doet, dan brengt hij haar dadelijk om, of hij geeft haar een geleide in den geliefde--hand in hand. _Bevrijding_[57] is Ibsen's woord geworden, en niet langer het scherpe woord: _vrijheid_. * * * * * Hij kwam zijn volk nabij, en toch kon Ibsen het niet meer geheel naderen. Want hij ging al behooren tot het verleden. Er is een contrast in de motieven zijner laatste drama's waarop ik nog niet voldoende heb gewezen: de tegenstelling tusschen een oude en een nieuwe generatie van menschen. Langzamerhand wordt, in Ibsen's drama's, de oppositie sterker van het opvolgende geslacht tegenover het voorgaande, en de bruisende jeugd scheidt er zich af van de ouderlijke woning om haar eigen weg van begeerte op te gaan (_John Gabriel Borkman_, 1896). Ook die tweespalt van de moderne samenleving noteert de dichter, in zijn eigen hooge stemming tegenover het leven; hij spaart de ouderen niet, en hij erkent het recht van de jongeren. Maar men voelt dat het hem niet gemakkelijk afgaat. Daar is iets hards, en daar is een breuk. Ibsen was toch een man van het verleden geworden. Ja, erger: in veel opzichten was hij ouderwetsch.... Zijn groote ondernemers van zaken dateeren van dertig, veertig jaren her, toen de ondernemingen nog niet zoo heel groot waren, zijn _grandes coquettes_ hebben trekken die aan een voorbijgegane mode van coquetterie herinneren, zijn beroemde beeldhouwer Rubek (_Wanneer wij dooden ontwaken_) doet, wat het beeldhouwvak betreft, denken aan Thorwaldsen, niet aan Rodin, of, om een Noorweger te noemen, aan Sinding....[58] Blijft ook de echt-Noorsche naiveteit[59] van oude dagteekening Ibsen niet bij?... Maar ik ga niet voort met bijzaken op te tellen. Wat hem in waarheid onderscheidt van zijn omgeving, dat zijn toch niet alleen zijn gebreken, maar dat is in de eerste plaats zijn grootheid. Hij steekt een hoofdlengte boven de anderen uit, door zijn behoefte en zijn vermogen om in ieder fragment van het leven een geheel van leven te zien. De groote Hervorming van het begin der 19e eeuw laat nog bij hem haar invloed gelden,--in hem werkt nog een stemming door van de groote Revolutie.... * * * * * Daarom is hij, in onze hoogst moderne wereld, iemand van het verleden; en Ibsen's werk ook trekt zich op 't eind terug uit de werkelijkheid van de wereld. Het wordt symbolisch, dat is: het wil wat meer en wat anders zeggen, dan het inderdaad zegt; het heeft overal heen betrekkingen[60]. Maar de voornaamste betrekking is van den dichter tot zijn eigen ziel. Hij staat voor me, in die symbolische drama's,--en zij beginnen reeds met Bouwmeester Solness (1892), maar de twee laatste werken _John Gabriel Borkman_ (1896) en _Wanneer wij dooden ontwaken_ (1899) zijn bij uitnemendheid symbolisch te noemen,--ik zie hem voor me, afgewend van de bedrijvige wereld, starend in de diepe verte, voor zijn geestesoog oproepend het eigen leven en het leven der menschheid, tot voorwerp van innig ene eeuwig beschouwen en overpeinzen. * * * * * [Illustratie: Ibsen's woning te Christiania tevens sterfhuis (1e etage)] Gedrongen en gebukt, met ik weet niet wat voor trotseerende macht in het naar beneden gebogen voorhoofd, zit hij daar, in zich gekeerd en verzonken, een denker van het bestaan. En hoe wijd verschillend is de aanblik der dingen, gelijk hij ze in den spiegel zijner gedachten opneemt, van den schijn waarmee de menschen hen omgeven! De menschen meenen dat hij, de dichter, tot een hoogtepunt van glorie geklommen, rustig en zeker zijn triomf viert en geniet. Zij weten niet dat, waar de wereld spreekt van een overwinning, dikwijls in het hart van den overwinnaar een gevoel leeft van nederlaag. Maar hij weet het, de dichter-peinzer. Wanneer hij aan een victorie denkt, dan is het aan een van de toekomst. Zijn zegepraal,--daarvan is nog nooit het bewustzijn tot hem doorgedrongen. Het is een triomf in afwachting en verlangen. En hij weet dat die nooit zal komen. Hij gelijkt op den John Gabriel Borkman dien hij heeft geschapen, den groot-ondernemer, den man met grootsche plannen van mijnbouwbedrijf en ontwikkeling van welvaart. Borkman heeft de schatten van den grond uit hun gebondenheid willen losmaken, en de menschen hebben hem hun vertrouwen gegeven; maar hij is gestruikeld over een hinderpaal, een hinderlaag, hij heeft zijn eerzucht geboet met opsluiting in de gevangenis, daarna met opsluiting in het leven. Zijn eenige vrijheid,--de illusie over de toekomst; zijn eenig vertoon van trots,--de pose van gewaande grootheid. De dichter heeft, als zijn koopman, in de diepte willen graven; hij wilde den rijkdom, gehouwen uit den mijngang van het hart, voor zijn volk ontplooien, dat een stroom van energie zou uitgaan over zijn Noorwegen, en hij moest onderdoen voor zooveel kleine verhoudingen in de wereld,--hij moest zijn nederlaag erkennen tegenover de kleinheid van zijn eigen geest, die de innigste eigenste kern en kracht van het leven niet machtig en teeder genoeg vermocht te grijpen. En verder nog, tegelijk in 't verleden en in de toekomst zag de dichter. Hij heeft gefaald, omdat hij zijn hart gaf aan den schijnrijkdom van het leven. Wat deed hij daarmee anders dan het voorbeeld volgen van zijn vader, zijn lichamelijken vader, Knut Ibsen, den rijken koopman, die vertrouwend op zijn vermogen, zijn rijkdom had opgeofferd aan den schijn, en die zijn weidsche uitzichten had zien ondergaan in een failliet,--een gevangene voortaan van het leven? Maar hij, de zoon, hij, Henrik Johan Ibsen, had de engte van het huiselijk bestaan niet kunnen verdragen. De begeerte en het zelfgevoel en de trots van een eigen leven te voeren met zijn genot en zijn grootheid had hem in de wijde wereld gelokt, en die vereenzaamden van zijn huisgezin doen verstooten en vergeten. Die mokkende gevangenen die op hem hun hoop hadden gebouwd, evenals het gezin van John Gabriel Borkman zijn verwachting stelde op den zoon, die den naam van het geslacht weder tot eere zou brengen,--hij had hun verlatenheid niet gevoeld, en even als Erhard Borkman, gedreven en gezweept door zijn wereldsche verlangen, had hij de ruimte gekozen.... Zoo peinsde en schouwde de dichter, en biechtte aan zichzelf de wreede raadsels van het onontwijkbare lot--met hun schijnoplossing voor het verstand van de wereld, hun onvervuldzijn in het wrakende besef van het hart. En toch een illusie van vertrouwen, een pose van trots, een glimp van verzekerdheid, een enkele flauwe lichtstraal, een dichter-overtuiging van grootheid!... Of, in zijn meditatie over het gehalte van zijn kunst, rustte het oog van den dichter op de drievoudige gestaltenis van zijn leven (_Wanneer wij dooden ontwaken_). Het rees voor hem statuarisch in een enkelen groep. De kunstenaar tusschen twee vrouwenbeelden: de eene vrouw, de illusie van het ideaal, Irene, de vredebelovende bezielster der jeugd, troosteres van den ouderdom; de andere, illusie der werkelijkheid, Maja, de schijn, schijngezellin van zijn leven; de groep wordt afgesloten door een achtergrond van gebergte, en een satyr, genius van den roes van het natuurlijke levensgenot, ziet van die wilde hoogte op haar neer. Kunnen wij den dichter beluisteren en zijn fluisterende gedachten voor ons gehoor opvangen, wanneer hij tegenover Irene, het in zijn jeugd verlaten ideaal, en Maja, de wereldsche levensgenoote, gemeenschap houdt met zijn ziel? Was er hem niet eenmaal een erfenis meegegeven uit den grooten zonnigen dag van het levensgloren aan het begin der eeuw? maar zij was weggezonken gedurende den nacht van den tijd in de mijnschacht van zijn geest.... Het ideaal! Onder al de scherpte en bitterheid van zijn talent, onder den twijfel en de vertwijfeling van zijn ziel, had de dichter toch den geheimen schat van zijn ideaal bewaard. Een uniek verlangen doortrilde zijn verborgenste hartekamer naar den reinen adel van de vrouwelijke lentegestalte, het beeld der hernieuwing en herschepping van het jaar, van het leven. En het was iets grooters dan het verlangen van zijn persoonlijkheid; het was de behoefte en het heimwee van het stugge ras waartoe hij behoorde, de zucht naar een wederopluiking van den teederen luister van het leven, van de liefdevolle harmonie,--dat smachten en haken en hijgen, dat eenmaal Wergeland's onbeholpen verzen doorgloeid had, en dat de poezie van het Noorden met heimweevleugelen heeft doen opstijgen. Maar trotsch en schuw, had de dichter de waarheid van zijn hart niet aan eenig levend ideaal durven geven. Hij was teruggeweken voor de liefde: in de werkelijkheid kende hij alleen de _comedie_ van de liefde, en hij had zijn hart, de overgaaf van zijn geheele persoonlijkheid, niet over voor een _comedie_. Zoo schiep hij, dichter en kunstenaar, in vereenzaming zijn ideaal als dat van een eenzame tegenover het leven, alsof er geen andere macht van vernieuwing bestond dan het eigen talent en de eigen wil (_Brand_). De kunstenaar sloot zich op in zijn sfeer van kunst. Wat hij voortaan van zijn kunst gaf voor het leven van zijn volk, dat waren satires en "fratsen", "diergestalten" en caricaturen,--verwrongen schaduwbeelden van het nooit meer te vervullen ideaal dat in zijn hart bleef opgeborgen,--het ideaal dat de verholen achtergrond was voor zijn misvorming van het leven. En de dichter-kunstenaar was in 't oog van de wereld gehuwd met Maja, den schijn van de werkelijkheid. Daar ontmoette hem weder, midden in het gewone leven, de illusie van het ideaal. Het ideaal kwam als een droomgestalte, en het was alsof het den dichter in het leven had gevolgd en gezocht, nu hij zelf het ideaal niet meer in 't leven wilde zoeken of volgen. Maar kon zij, Irene, de eenmaal verstootene, de zwaar beproefde, nog langer de illusie geven van het ideaal? Was deze Irene nog een vredebrengster die het leven zou vervullen en vernieuwen? De harde lotsbestemming had haar in handen overgeleverd van het brutale levensgenot. Zij was gekneusd, verminkt, bijna ontzield, een levend-doode,--de ideale kunst was ten prooi geweest aan naturalisme en grove zinnelijkheid. Toch.... De dichter zag haar in de oogen. Zijn medelijden met het leven was ontwaakt, en met het ontwaken van zijn levensgevoel ontsloot zich in zijn hart de teruggedrongen en opgepreste behoefte aan een vereeniging van ideaal en leven, van kunst en gevoel. Hij zag haar in de starre oogen: daar lag alleen rust en bevrediging; liefde welde in hem op voor wat geslagen was en verbroken,... zijn liefde zou redden en heelen. De oude scheppingsdrang hernieuwde zich.... Laat Maja, de schijngezellin, vrij zijn, laat haar den satyr in 't gebergte volgen of hem bedriegen, 't is den kunstenaar om 't even: hij wil zijn weergevonden ideaal, Irene, opvoeren op hoogten van bergen in de reinheid en den glans van het hooggestemde leven,--het brenge dan wat het wil. * * * * * Op die wijze houdt de dichter overzicht van de drie perioden van zijn leven, den tijd van de _Comedie der Liefde_ en _Brand_[61], van satires, van de wederaansluiting bij de samenleving. En hij ziet ze niet, zooals wij ze zien, naar evenredigheid van wat ze hebben gebracht aan de wereld, maar in vergelijking van wat ze misten ter voldoening aan de behoeften van zijn ziel. Wij zien de volvoering, hij echter ziet het ontbrekende. Zijn zegepraal en zijn glorie, ze zijn niet een zaak van het verleden; hij heeft ze voor zich uitzweven,--in verlangen. Het is hem alsof eerst nu, aan het eind van zijn levensweg, zijn oogen opengaan. _Wanneer wij dooden ontwaken_! wanneer wij, die gemeend hebben te leven, en die ons nauwelijks aan ons niet-bestaan konden ontworstelen, eerst de oogen opslaan en het leven gewaar worden in zijn oprechtheid en eenvoud!... Maar dan is het einde nabij. De dichter-peinzer weet het. Hij weet zichzelf, hij weet de afdwalingen en afdalingen van zijn levensbaan, hij weet ook zijn glorie. Op de hoogte van het leven verkeert hij in stille samenspraak met het Leven. Een schijnsel omstraalt hem van het komende licht. Wat nood of de nacht voor hem nabij is gekomen. Is hij ook niet een kind van den Nacht, hij de mijnwerker, de graver en groever. De nacht, de aanstaande nacht, brengt rust en vrede.--Laat hem genieten, dat eene, unieke oogenblik, van het rein ontwaken zijner oogen. En van de hoogte kijkt de dichter uit op de hoogtepunten van zijn eigen leven. Hij denkt aan zijn _Catilina_, het stuk van den somberen gewetens- en wereldnacht, dat zijn trots was in de opgang van zijn jeugd; hij denkt aan zijn _Julianus den Afvallige_[62], de schemerschepping geschapen op de middaghoogte van zijn weg; en hij denkt aan het licht van het ideaal dat voor hem oprijst en om hem heen rijst, nu de duistere schaduwen zijn leeftijd overvallen. Zijn glorie is zijn opstanding, voor een oogenblik, uit den nijpenden dood van het leven. Zie, de schemering heeft den nacht verjaagd, de morgenstond breekt zich baan, brengt het licht; de morgenstond, het bleeke uur van herinnering, van berouw, van voorgevoelens,--het ophelderende en oplichtende uur van voorgevoel en verlangen, van verwachting, van Verrijzenis.... * * * * * AANTEEKENINGEN OP DE INLEIDING [1] _Staats-satyricus_.--Zoo noemt zich Ibsen een paar maal in tegenstelling zeker tot "staatsburger". "Ik heb het talent niet om staatsburger te zijn," schreef hij aan G. Brandes. 3 Jan. 1882. [2] _Versregels_.--Goethe _Urworte_. W. A. III 95. [3] _Aangroeien v. verbeelding_.--W. Dilthey. _Das Erlebnis und die Dichtung_. p. 284, 295. [4] _Steffens_.--H. Hoeffding. _Henrik Steffens. Tilskueren_. Jaarg. 1902. p. 942 vv. H. Steffens. _Was ich erlebte_. X. 269. "In der stillen einsamen Jugend ward ich von einer Sehnsucht ergriffen, die mich der Religion und der Natur in ihrer ganzen Fuelle entgegenfuehrte. Ein unruhiges, ja wildes Temperament lockte mich im grellen Gegensatz." [5] _Steffen's vader over den val der Bastille_.--Vgl. Steffens ibid. I 362-364. [6] _Steffens over Oehlenschlaeger_.--_Was ich erlebte_ V. p. 26 vv. Ad. Oehlenschlaeger _Meine Lebenserrinnerungen_. I 204, vv. Kr. Arentzen. _Baggesen og Oehlenschlaeger_. Kopenh. 1872, II p. 21 vv. [7] _Genialiteit_.--Arentzen l.l. II. 147. [8] _Oehlenschlaeger als voorganger_.--Vgl. o.a. V. Birkedal. _Persoenlige Oplevelser i et langt Liv_. III p. 66. [9] _Hij hield het oog op het geheel_.--Zie Oehlenschlaeger's voorwoord tot de _Poetiske skrifter_ van 1805, de passage die begint: "Fundamentet for den sande Kunst er Harmonieen...." [10] _Een brief van_ 1814.--Zie Arentzen l.l, Voorwoord van het derde deel: vgl. ook Arentzen dl. VIII, p. 111. [11] _Toestand van Noorwegen_.--Zie H. Jaeger. _Literaturhistoriske Pennetegninger (Norskhedsperioden)_ p. 140 vv. H. Lassen. _Henrik Wergeland og hans Samtid_ (2e ed.) p. 76 v. H. Steffens l.l. IX p. 233. [12] _Het woord van vrijheid_.--De feestdag van den 17en Mei, datum der constitutie, mocht gedurende geruimen tijd niet worden gevierd. In Skien, Ibsen's geboortestad, liet men het alleen oogluikend toe, zelfs als er na 1830 een verandering in de stemming was gekomen, uit vrees voor een machtig man in de nabijheid der stad. H. Jaeger. _Henrik Ibsen_. Et literaert livs billede. p. 15. [13] _Sinds_ 1825.--H. Jaeger. _Pennetegninger_. p. 146 naar Schweigaard. _Norges Statistik. Schreef_ in 1828.--Lassen H. _Wergeland_. p. 13, 30. [14] _Opdracht aan H. Steffens_.--Jaeger. l.l. p. 158 noot. [15] _Het hemel en aard gedicht_.--Van Wergelands _Skabelsen, Menensket og Messias_ ken ik de eerste uitgaaf slechts uit Welhaven's kritiek (_Samlede Skrifter_ dl. I). In de literatuurhistorien wordt gewoonlijk de door Wergeland kort voor zijn dood herziene uitgaaf van 1845 (met den titel _Mennesket_) aangehaald en besproken. Een exemplaar daarvan is in Potgieters bibliotheek. [16] _Kind der revolutie_.--Zie behalve de bovengenoemden de belangrijke inleiding van J.E. Sars tot W's _Norges Konstitutions historie_. H.W's _Skrifter i Udvalg_, Kristiania, 1898. Dl. III. Voor Wergelands denkbeelden in dezen eersten tijd, vlg. ook vooral zijn verhandeling _Hvi skrider Menneskeheden saa langsomt frem_? (1831). _Skrifter i udvalg_ I p. 600 vv. [17] _Levensgevoel_.--Men vgl. de mooie inleiding van C. Naerup tot W's _Skrifter_. Dl. I en de bekende redevoering v. B. Bjoernson bij de onthulling van W's standbeeld. [18] _Wergelands woorden_.--Zie L. Dietrichson. _Omrids af den norske Poesis Historie_ II P. 58. [19] _Richting in Denemarken_.--Bedoeld is het zoogenaamde Grundtvigianisme; voor de verhouding daarvan tot Oehlenschlaeger zie o.a. Arentzen l.l. Dl. III en vv. [20] _Samenhang v. Europeesch geestesleven_. Het voorbeeld is ontleend aan de citaten uit gelijktijdige dagbladen bij Jaeger l.l. p. 152. [21] _G. Meredith_.--Meredith is 12 Februari 1828 geboren in Hampshire (R. le Gallienne. _G. Meredith. Some characteristics_. p. LVI.) Ook Dante Gabriel Rossetti is in 1828 geboren, maar deze kan moeilijk ter vergelijking gebezigd worden om zijn exotische afkomst--half Italiaan, half Engelschman. Ook is zijn baan in 't midden afgebroken, en zijn dichttalent werd voor een groot deel bepaald door zijn schildersneiging. Bij Ibsen is het schildertalent geheel geweken. [22] _Zij hield het oor van den nacht gevangen_.--Meredith. _Sandra Belloni_ ch. II. [23] _Zoo rijst de blanke heerlijkheid_ enz.--Meredith. _The ordeal of Richard Feverel. Beauchamp's Career_. Vgl. mijn studie over M. in de Gids van October, 1896. [24] _Zich te bezinnen_.--Allusie op de versregels van _Modern Love_ XLVIII: More brain, O Lord, more brain! or we shall mar Utterley this fair garden we might win. [25] _Modern Love_ is in 1862 uitgekomen. Ibsen is zijn _Kjaerlighedens Komedie_ in 1860 begonnen. (R. Woerner. _Henrik Ibsen_. I p. 493). Den besten commentaar op _Modern Love_ geeft G.M. Trevelyan. _The poetry and philosophy of G.M._ [26] _The Egoist_.--Meredith's roman is uitgekomen in 1879. [27] _Romans uit Meredith's 3e periode:--One of our conquerors, Lord Ormont and his Aminta, The amazing marriage_ verschenen van 1890-'95. [28] _"Lo, where"_ etc.--Aanhaling der slotregels van _The Sage anamoured and the honest Lady_. Voor 't eerst gepubliceerd in 1894. [29] _Taine_.--Het 1e deel der _Origines de la France contemporaine_ kwam uit in 1875, de volgende deelen die de Revolutie behandelen--en daarom is 't hier vooral te doen--verschenen sinds 1878. [30] _Zucht naar vereeniging met de natuur_. Taine. _Vie et correspondance_, de brief van 10 Maart 1849 aan Prevost Paradol. [31] "_Decrire une ame humaine._"--_De l'Intelligence_. (3e ed.) I p. 21. [32] _"Il ressemble a un homme."_--_Vie et opinions de M. Graindorge_. p. 324. [33] _Beschouwing van de kunst_.--_De l'ideal dans l'art_ (ed. 1867) p. 129-131. [34] _Vraagt hij_.--Aan George Brandes, brief van 30 Januari 1875. [35] _Het groote vraagstuk_.--Zie Julius Clausen. _Scandinavismen historisk fremstillet_, p. 85 vv. over de ontwikkeling dier richting in 1845. [36] _De leus van B. Bjoernson_.--J. Clausen l.l. p. 211. [37] _Het werk in Noorwegen na 1870_.--Vgl. vooral het programma van Johan Sverdrup, den grooten Noorschen staatsman, in een brief van 1870 meegedeeld in Halvorsen's _Norsk Forfatter-lexicon_. V p. 574, en voor het staatsleven in Noorwegen, verder het geheele artikel. Zie ook de inleiding van H. Haug's art. _Det norske Samlingsparti. Tilskueren_, 1905. p. 792. [38] _Sinds_ 1884 en '85.--Vgl. Ibsen's brief aan B. Bjoernson van 28 Maart 1884, en H. Jaeger. _Henrik Ibsen_ p. 280 over Ibsen's bezoek aan Noorwegen in 1885. Zie ook Laura Kieler. _Silhouetter_. p. 12. [39] _Revolutie en pietisme in Catilina_.--Vgl. H. Jaeger. _H. Ibsen og hans vaerker, en fremstiling i grundrids_. p. 8, 9. R. Woerner. _H. Ibsen_. p. 29. [40] _Pietisme en mysterie_.--Vgl. Collin. _H. Ibsen's dramatiske Bygningsstil. Tilskueren_. Aug. 1906. [41] _De krijgers op Helgeland_.--In Augustus 1857 voltooid, in November 1858 te Christiania vertoond. [42] _De mijnwerker_.--Reeds 1851 verschenen. Een eerste omwerking verscheen in 1863. In de uitgaaf der gedichten van 1871 (In de 4e uitgaaf der _Digte_, die ik gebruik, 1882, staat _Bergmanden_ p. 17) komt dan een tweede ingrijpende omwerking voor. Ik volg in mijn _Inleiding_ natuurlijk de eerste versie, die het zuiverste beeld geeft. Een vergelijking der beide eerste versies geeft R. Woerner's _Henrik Ibsen_ I p. 397, zie ook aldaar p. 327. Hij heeft echter niet het belang begrepen van de oorspronkelijke voorstelling van het gedicht. [43] _H. Steffens_.--Toespeling op zijn _Beitraege zur inneren Naturgeschichte der Erde_. 1801. Vgl. daarover R. Haym. _Die romantische Schule_. p. 626-630. [44] _Ibsen's twijfel aan den voortgang van zijn werk_.--Vgl. het gesprek tusschen Jatgeir, den skalde en hertog Skule in het 4e bedrijf van de _Kroonpretendenten_. [45] _Oordeel van de wereld_.--Vgl. o.a. H. Jaeger. p. 165. R. Woerner I p. 139. Magdalene Thorensen's (schoonmoeder van Ibsen) oordeel over den dichter in dezen tijd in G. Brandes' _Levned_, p. 149: "Hvad han skriver, er fladt som en Tegning." etc. [46] _Grauwe schemeren_.--Tausmoerket. [47] _Intusschen_.--Sommige uitdrukkingen van Duitsche schrijvers, b.v. van R. Lothar _Henrik Ibsen_, p. 91, zouden doen veronderstellen dat het drama van Julianus den Afvallige door Ibsen na _Brand_ en in gevolge van _Brand_ werd geconcipieerd; inderdaad is het een vroegere conceptie, vgl. brief aan B. Bjoernson van 16 Sept. 1864, en L. Dietrichson. _Svundne Tider_ I p. 336. [48] _Meewerking aan den tijd_.--Vgl. brief aan E. Gosse, 14 Octob. 1872. [49] _Distantie_.--Vgl. brief aan Magd. Thorensen, 3 December 1865. [50] _Het grote gebeuren tusschen_ 1864 en 1871.--Vgl. brief aan J. Hoffory. 26 Febr. 1888. [51] _Determinisme_.--Hierbij mag ook de directe invloed van H. Taine niet onopgemerkt blijven, met wiens werk Ibsen door G. Brandes bekend werd. [52] _Midden onder zijn groote werk_.--Het eerste plan van het _Verbond der Jeugd_ dagteekent denkelijk van 1874, vgl. den brief van 16 Sept. 1864 aan Bjoernson en de aanteekening daarop Ibsen's _Saemmtl. Werke_. X p. 428. [53] _Het Verbond der Jeugd een inleiding_.--Vgl. A. Kerr. _Das neue Drama_, p. 16-18. [54] In 1885_zeide Ibsen_.--Vgl. L. Kieler. _Silhouetter_. p. 12. [55] _De Wilde Eend_.--Voor de juiste opvatting van dit drama (de beschouwing heeft haar oorsprong in den naasten kring van Ibsen), vgl. H. Jaeger. _H. Ibsen og hans vaerker_. En _fremstilling i grundrids_. p. 176 vv. Zie ook van mijn hand _Poezie en Leven in de 19e eeuw_. p. 359 vv. [56] _Rosmersholm_.--Vgl. A. v. Berger. _Studien en Kritiken_ p. 214 vv. en het hierboven aangehaalde _Poezie en Leven_ p. 370 vv. [57] _Bevrijding_.--Vgl. Lou Andreas Salome. _H. Ibsen's Frauengestalten_. [58] _Sinding_.--Vergelijking van Sinding met Rodin in M. Bigeon. _Les revoltes Scandinaves_, p. 83. [59] _Noorsche naieveteit_.--Vgl. L. Kieler l.l. [60] _De symbolische werken hebben overal heen betrekkingen_.--Vgl. b.v. H. Dikmar's studie over Ibsen's _Bygmester Solness_ in _To literaere Studier_. Kristiania 1894 en E. Holm. _H. Ibsen's politisches Vermaechtnisz_. Wien, 1906. [61] _De Comedie der Liefde_ als een voorlooper van _Brand_.--Vgl. brief aan T. Hegel van 31 Augustus 1866. [62] _Julianus de Afvallige_.--Vgl. brief aan L. Daae, 23 Februari 1873: (Duitsche uitg.) "Im Charakter Julians findet sich mehr geistig Durchlebtes, als ich dem Publikum gegenueber verantworten moechte." * * * * * DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN * * * * * PERSONEN: KARSTEN BERNICK, Consul. BETTY, zijn vrouw. OLAF, hun zoon dertien jaar oud. MARTHA BERNICK, zuster van den consul. JOHAN TOeNNESEN, jongere broer van mevrouw Bernick. LONA HESSEL, haar oudere halve-zuster. HILMAR TOeNNESEN, neef van mevrouw Bernick. ROeRLUND, hulpprediker. RUMMEL, groothandelaar. VIGELAND en SANDSTAD, kooplieden. DINA DORF, een jong meisje bij Bernick in huis. KRAP, procuratiehouder van Bernick. AUNE, scheepsbouwmeester. Mevrouw RUMMEL. Mevrouw HOLT, vrouw van den postdirecteur. Mevrouw LYNGE, vrouw van den dokter. HILDA RUMMEL. NETTA HOLT. Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stoomboot-passagiers enz. Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje, in het huis van den heer Bernick. * * * * * EERSTE BEDRIJF Een ruime tuinkamer in het huis van consul Bernick. Links op den voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul; wat verder aan denzelfden wand een dergelijke deur. In 't midden van den tegenovergestelden wand een groote entree-deur. De achterwand is bijna geheel van spiegelglas met een openstaande deur die naar een breede tuintrap leidt, waarover een zonnescherm gespannen is. Onder aan de trap is een gedeelte van den tuin zichtbaar, omheind door een hekje dat een uitgang heeft. Buiten langs het hekje loopt een straat, die aan den overkant bebouwd is met kleine in lichte kleuren geverfde houten huizen. Het is zomer en de zon schijnt warm. Enkele menschen gaan nu en dan voorbij in de straat; zij blijven staan en praten samen; in een winkel op den hoek worden klanten bediend, enz. enz. Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap dames. In het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linkerkant zit mevr. Holt met haar dochter; daarnaast mevr. Rummel en haar dochter. Rechts van mevr. Bernick zitten mevr. Lynge, Martha Bernick en Dina Dorf. Alle dames houden zich bezig met een handwerk. Op de tafel liggen groote stapels halfgereed of geknipt linnengoed en andere kleeren. Wat verder weg bij een klein tafeltje waarop twee bloempotten en een glas suikerwater staan, zit Roerlund en leest voor uit een verguld-op-snee-gebonden boek, doch zoo dat maar enkele woorden voor de toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loop Olaf rond en schiet af en toe met een boog. Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur rechts. Dat brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr. Bernick knikt hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat er zachtjes heen en klopt een paar keer met eenige tusschenruimte op de deur van Bernick's kamer. Krap komt met zijn hoed in de hand en stukken onder den arm er uit. * * * * * KRAP. O, ben jij het die klopt? AUNE. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden. KRAP. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen. Hij heeft mij opgedragen.... AUNE. U? Ik wou nog liever! KRAP. ... mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophouden met die Zaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui. AUNE. Zoo? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen tijd mocht gebruiken.... KRAP. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen onbruikbaar te maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag heb je gesproken over de schade die de werklui zullen lijden door onze nieuwe machines en door de nieuwe methode van werken op de werf. Waarom doe je dat? AUNE. Dat doe ik om de maatschappij te steunen. KRAP. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo iets de maatschappij onderste boven gooit! AUNE. Mijn maatschappij is niet die van den heer Bernick, meneer Krap. Als president van den werkliedenbond moet ik.... KRAP. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de werf van den heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats je plicht te doen jegens den bond genaamd "de firma Bernick", want daarvan leven wij allemaal.... Ziezoo, nu weet je wat de consul je te zeggen had. AUNE. De consul zou het niet op die manier gezegd hebben, meneer Krap! Maar ik begrijp best aan wien ik dit te danken heb ... aan dien vervloekten Amerikaan die hier in reparatie ligt. De menschen willen dat hier net zoo gewerkt zal worden als zij daarginder gewend zijn, en dat.... KRAP. Nou ja, hoor ... met die praatjes kan ik me niet inlaten. Je weet nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en dus basta! Ga nu alsjeblieft naar de werf terug, ze kunnen je daar noodig hebben; ik kom zelf straks ook. Excuseert dames! (_Hij groet en gaat door den tuin de straat op. Aune gaat stil naar rechts. Roerlund, die gedurende dit op gedempten toon gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna het boek uit en slaat het dicht_). ROeRLUND. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is het uit. MEVR. RUMMEL. Och, wat een leerrijk verhaal! MEVR. HOLT. En zoo stichtelijk! MEVR. BERNICK. Zoo'n boek geeft waarlijk heel wat om over na te denken. ROeRLUND. O ja; het is een weldadige tegenhanger van al de dingen, die wij helaas, iederen dag zoowel in couranten als tijdschriften te lezen krijgen. Die vergulde en geblankette buitenzijde die de groote maatschappij ten toon stelt, wat verbergt die eigenlijk? Leegheid en verrotting als ik het zoo zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele vaste ondergrond onder de voeten. In een woord, het is een gepleisterd graf, die groote hedendaagsche maatschappij. MEVR. HOLT. Ja ... dat is maar al te waar. MEVR. RUMMEL. Wij hoeven alleen maar te zien naar de Amerikaansche zeelui, die tegenwoordig hier in de haven liggen. ROeRLUND. Och, van zulk uitschot der menschheid wil ik niet eens spreken. Maar zelfs in de hoogere kringen ... hoe is het daar gesteld? Twijfel en gisting overal; onrust in de gemoederen en onvastheid in alle verhoudingen. Wat is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat een dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste boven te halen. DINA (_zonder op te zien_). Maar gebeuren daar ook niet wel groote dingen? ROeRLUND. Groote dingen...? Ik begrijp niet.... MEVR. HOLT (_verbaasd_). Maar lieve hemel, Dina...! MEVR. RUMMEL (_tegelijkertijd_). Maar Dina, hoe verzin je 't...? ROeRLUND. Ik zou het niet als een geluk beschouwen als zulk soort van dingen hier ook gebeurden. Neen, dan mogen wij God nog wel danken dat het hier is zooals het is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder de tarwe, maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk uit te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en verderfelijke ver van ons te houden, dat een onrustige tijd ons wil opdringen. MEVR. HOLT. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg, helaas! MEVR. RUMMEL. Ja, 't heeft verleden jaar toch maar een haartje gescheeld of wij hadden hier ook al een spoorweg gekregen. MEVR. BERNICK. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen tegenhouden. ROeRLUND. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van overtuigd zijn, dat uw man het werktuig was in de hand van een Hoogere Macht, toen hij weigerde zich met die zaak in te laten. MEVR. BERNICK. En toch werd hij zoo aangevallen in de couranten. Maar wij vergeten heelemaal u te bedanken, mijnheer Roerlund. Het is waarlijk meer dan vriendelijk van u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven. ROeRLUND. Geen kwestie van ... nu in de vacantie.... MEVR. BERNICK. Nu ja ... maar het is toch heusch wel een offer.... ROeRLUND (_haalt zijn stoel dichterbij_). Spreek daar toch nooit van, lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer ter wille van een goede zaak? Of brengt u het soms niet gewillig en blijmoedig? Deze moreel-verdorvenen, aan wier verbetering wij arbeiden, zijn te beschouwen als gewonde soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal de diaconessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de wonden, ze verpleegt en geneest. MEVR. BERNICK. Het moet toch wel een hemelsche gaaf zijn om alles in zoo'n mooi licht te kunnen zien. ROeRLUND. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel kan men ook verwerven. 't Komt er maar op aan de dingen te zien in het licht van een ernstigen levenstaak. Wat zegt u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet dat u om zoo te zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich wijdt aan de school? MARTHA. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet. Soms als ik daarginder de school binnenga, wou ik dat ik ver weg was op de wilde zee. ROeRLUND. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve juffrouw. Maar voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij onze deur streng gesloten houden. De wilde zee ... dat meent u natuurlijk niet letterlijk; u bedoelt de groote golvende menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te gronde gaan. En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat u daarginder hoort bruisen en ruischen? Kijk eens op straat. Daar loopen de menschen zweetend en zwoegend in de brandende zon en maken het zich druk met al hun zaken. Neen, dan hebben wij het toch heusch beter, wij, die hier in de koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant van waar de moeilijkheden komen.... MARTHA. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk.... ROeRLUND. En in een huis als dit ... in een goed en rein thuis, waar het familieleven zich in zijn mooiste gestalte vertoont ... waar vrede en eendracht wonen.... (_tegen mevrouw Bernick_) Waar luistert u naar, mevrouw? MEVR. BERNICK (_naar de eerste deur links gewend_). Wat praten ze hard daar in de kamer. ROeRLUND. Is er dan iets bizonders gaande? MEVR. BERNICK. Ik weet 't niet. Maar ik hoor dat er iemand bij mijn man is. (_Hilmar Toennesen, met een sigaar in den mond, komt uit de deur rechts ... hij blijft staan als hij al die dames ziet_). HILMAR. O, pardon.... (_wil zich terugtrekken_) MEVR. BERNICK. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert ons niet. Wou je iets? HILMAR. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden morgen, dames (_tegen mevr. Bernick_). Nou, wat komt er nu van? MEVR. BERNICK. Waarvan? HILMAR. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij elkaar getrommeld. MEVR. BERNICK. Zoo? Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand? HILMAR. Och, 't is dat gezanik weer over dien spoorweg. MEVR. RUMMEL. Neen ... maar dat kan toch niet! MEVR. BERNICK. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog al meer onaangenaamheden over hebben.... ROeRLUND. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Toennesen? Consul Bernick heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te kennen gegeven dat hij geen spoorweg wilde hebben. HILMAR. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks Krap ontmoet en die vertelde dat die spoorweghistorie weer op het tapijt was gebracht, en dat Bernick zou vergaderen met drie geldmannen uit de stad. MEVR. RUMMEL. 't Wou mij ook al voorkomen of ik Rummel's stem zoo even hoorde. HILMAR. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij, en dan Sandstad van den Steenweg en Michel Vigeland ... de "Heilige Michael" zooals ze hem noemen. ROeRLUND. Hm.... HILMAR. Pardon, mijnheer Roerlund. MEVR. BERNICK. En 't was hier nu juist zoo rustig en vredig. HILMAR. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat ze weer eens een beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten minste nog eens een afleiding. ROeRLUND. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen wij wel missen. HILMAR. Dat is een kwestie van temperament. Sommige naturen hebben nu en dan eens een beetje opwekkenden strijd noodig. Maar zoo iets levert het kleine stadsleven helaas maar weinig op, en niet iedereen is het gegeven.... (_hij bladert in het boek van Roerlund_) "De vrouw als dienstbare in de Maatschappij". Wat is dat voor onzin? MEVR. BERNICK. He, Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt zeker dat boek niet gelezen? HILMAR. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan het te doen. MEVR. BERNICK. Je voelt je zeker niet erg lekker vandaag. HILMAR. Neen, dat doe ik ook niet. MEVR. BERNICK. Heb je misschien van nacht niet goed geslapen? HILMAR. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde nog een eindje om gisteren avond, voor mijn zenuwen; liep toen nog even op in de societeit en las daar een reisverhaal van de Noordpool. Dat is nog eens iets om een mensch te stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen. MEVR. RUMMEL. Maar dat schijnt u toch niet goed bekomen te zijn, mijnheer Toennesen. HILMAR. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb mij den heelen nacht om-en-om gerold tusschen waken en slapen en droomde dat ik achterna gezeten werd door een afschuwelijken walrus. OLAF. Is u nagezeten door een walrus, oom? HILMAR. Dat heb ik gedroomd, jij domoor! Maar loop jij nou nog altijd te spelen met dien mallen boog? Waarom zie je toch niet een behoorlijk geweer te krijgen? OLAF. Nou, ik zou wat graag willen, maar.... HILMAR. Want een geweer dat beteekent ten minste wat; daar is altijd iets spannends in als je vuren gaat. OLAF. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, he oom? Maar dat mag ik toch niet van Papa. MEVR. BERNICK. Je moet hem heusch niet zulke dingen in het hoofd praten, Hilmar. HILMAR. Hm ... een mooi geslacht dat ze opkweeken tegenwoordig! Maken ze me daar een groote drukte over allerlei lichaamsoefeningen ... lieve god ja!... en 't is niets dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar dat echte stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet gaan. Sta daar niet zoo met dien boog naar me te wijzen, jij lummel, die kon wel eens losschieten. OLAF. Neen oom, er is geen pijl op. HILMAR. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een pijl op zitten. Leg ze weg, zeg ik.... Wat drommel, waarom ben jij niet meegevaren naar Amerika met een van je vaders schepen? Daar kon je nog eens een buffeljacht of een gevecht met Indianen bijwonen misschien. MEVR. BERNICK. Och maar, Hilmar.... OLAF. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en misschien zou ik dan ook Johan en tante Lona ook wel ontmoeten. HILMAR. Hm ... nonsens. MEVR. BERNICK. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin gaan. OLAF. He Ma, mag ik ook op straat gaan? MEVR. BERNICK. Ja, maar niet te ver weg. (_Olaf loopt het hekje uit_). ROeRLUND. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in het hoofd praten, mijnheer Toennesen. HILMAR. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven bij moeders pappot, zooals zooveel anderen. ROeRLUND. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet eens? HILMAR. Ik? Met mijn zenuwlijden? Nou ja, dat spreekt, daar wordt hier niet veel notitie van genomen. Maar buitendien ... een mensch heeft ook plichten in acht te nemen jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient toch wel _iemand_ te zijn om de vaan der idee hoog te houden. He! wat schreeuwt hij weer! DE DAMES. Wie schreeuwt er? HILMAR. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg hard daar binnen, en dat maakt mij zenuwachtig. MEVR. RUMMEL. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer Toennesen. Maar weet u, hij is zoo gewend in groote vergaderingen te spreken.... ROeRLUND. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet, vind ik. HILMAR. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt de handen op de zakken te houden, dan.... Alles gaat hier immers op in kleine materieele berekeningen. Bah! MEVR. BERNICK. Dat is in alle geval beter dan vroeger toen alles in plezier-maken opging. MEVR. LYNGE. Was het hier heusch zoo erg vroeger? MEVR. RUMMEL. O mevrouw, als u dat eens wist! U mag blij zijn dat u toen niet hier woonde. MEVR. HOLT. Ja, hier is heel wat verandering gekomen! Als ik denk hoe het was in mijn meisjestijd.... MEVR. RUMMEL. O ga maar eens in gedachten een veertien, vijftien jaar terug. Lieve, goede hemel, wat een leven was dat! Toen bestonden nog de dansclub en de muziekvereeniging.... MARTHA. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij nog heel goed. MEVR. RUMMEL. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld, mijnheer Toennesen. HILMAR (_gaat naar den achtergrond_). Och wat!... ROeRLUND. Een stuk van den student Toennesen? MEVR. RUMMEL. Ja, dat was lang voor dat u hier kwam, mijnheer Roerlund. Maar het is maar een enkelen keer gespeeld. MEVR. LYNGE. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk de rol van de minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel? MEVR. RUMMEL (_kijkt op zij uit naar Roerlund_). Ik? Dat herinner ik mij heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner mij nog wel heel goed hoe vreeselijk veel er toen werd uitgegaan. MEVR. HOLT. Ja, ik weet nog best in welke families er tweemaal in de week een groot diner was. MEVR. LYNGE. En een rondreizend tooneelgezelschap is er ook eens geweest, heb ik gehoord. MEVR. RUMMEL. Ja, dat was wel het allerergste!... MEVR. HOLT (_onrustig_). Hum ... hum.... MEVR. RUMMEL. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar weet ik niets meer van. MEVR. LYNGE. Ja, de menschen moeten hier heel wat rare stukjes uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor histories? MEVR. RUMMEL. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets te beduiden. MEVR. HOLT. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan. MEVR. BERNICK (_gelijktijdig_). Beste Dina, ga eens vragen of Katrine de koffie brengen wil. MARTHA. Ik ga met je mee, Dina. (_Dina en Martha gaan weg door de laatste deur links_). MEVR. BERNICK (_staat op_). En ik moet u ook verzoeken mij even te verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij aanstonds wel buiten koffie drinken. (_Zij gaat de tuintrap af en dekt de tafel. Roerlund staat in de deur en praat met haar. Hilmar zit buiten te rooken_). MEVR. RUMMEL (_zachtjes_). Lieve hemel, mevrouw Lynge, wat heeft u mij doen schrikken! MEVR. LYNGE. Ik? MEVR. HOLT. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw Rummel. MEVR. RUMMEL. Ik? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo iets zeggen? Ik heb toch geen enkel woord losgelaten. MEVR. LYNGE. Maar wat is er dan toch? MEVR. RUMMEL. Hoe kon u daar nu over praten...! Zag u dan niet dat Dina in de kamer was? MEVR. LYNGE. Dina? Maar lieve hemel, is er dan iets gebeurd met ...? MEVR. HOLT. En hier in huis nog al! Weet u dan niet dat de broer van mevrouw Bernick...? MEVR. LYNGE. Wat dan toch? Ik weet heelemaal niets; ik ben hier pas gekomen.... MEVR. RUMMEL. Heeft u niet gehoord dat...? Hm,... (_tegen haar dochter_). Hilda, jij moest maar eens een beetje in de tuin gaan. MEVR. HOLT. En jij ook, Netta. En wees maar heel vriendelijk tegen die arme Dina als ze komt. (_Beiden gaan de tuin in_). MEVR. LYNGE. En wat was er nu met dien broer van Mevrouw Bernick? MEVR. RUMMEL. Weet u dan niet dat hij die leelijke geschiedenis heeft gehad? MEVR. LYNGE (_wijzend naar Hilmar_). Heeft mijnheer Toennesen een leelijke geschiedenis gehad? MEVR. RUMMEL. Och, welneen; dit is immers haar neef. Ik spreek van haar broer.... MEVR. HOLT. ... den verongelukten Toennesen.... MEVR. RUMMEL. Johan heette hij. Hij ging naar Amerika.... MEVR. HOLT. Hij _moest_ naar Amerika ... begrijpt u? MEVR. LYNGE. En had hij nu die leelijke historie? MEVR. RUMMEL. Ja, het was iets ... hoe zal ik het noemen...? Het was iets met Dina's moeder. O, ik weet 't nog of het gisteren was. Johan Toennesen was toen op het kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten Bernick was pas van Parijs teruggekomen ... was nog niet eens geengageerd.... MEVR. LYNGE. Nou ja ... maar die geschiedenis? MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u ... dien winter was het tooneelgezelschap van Moeller hier in de stad.... MEVR. HOLT. ... en bij dat gezelschap was de acteur Dorf met zijn vrouw. Al de jongelui hier waren dol op haar.... MEVR. RUMMEL. Ja, hoe 't mogelijk was dat ze _die_ mooi vonden.... Maar op een keer komt Dorf 's avonds laat thuis.... MEVR. HOLT. ... heel onverwacht.... MEVR. RUMMEL. ... en vindt daar ... neen dat kan ik u heusch niet vertellen! MEVR. HOLT. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want de deur was van binnen gesloten. MEVR. RUMMEL. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond de deur gesloten. En hij die binnen was, u begrijpt me wel, moest uit het raam springen. MEVR. HOLT. Heelemaal boven uit een zolderraam! MEVR. LYNGE. En was dat de broer van mevrouw Bernick? MEVR. RUMMEL. Ja zeker, die was het. MEVR. LYNGE. En is hij toen naar Amerika gegaan? MEVR. HOLT. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u. MEVR. RUMMEL. Want achterna werd er iets ontdekt, dat al haast even erg was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen.... MEVR. HOLT. Ja maar, daar weet men het rechte niet van, mevrouw Rummel; dat zijn misschien maar praatjes geweest. MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat is nu ook! Was het dan niet bekend in de heele stad? Is de oude mevrouw Bernick daardoor niet bijna failliet gegaan? Dat heeft Rummel me zelf verteld. Maar _ik_ zal er wel zalig over zwijgen.... MEVR. HOLT. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het geld niet, want zij.... MEVR. LYNGE. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina's ouders? MEVR. RUMMEL. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in den steek. Maar dat mensch was zoo brutaal om nog een heel jaar hier te blijven. Op het tooneel durfde zij zich niet meer te vertoonen. Eerst is ze gaan wasschen en naaien voor den kost.... MEVR. HOLT. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen te geven. MEVR. RUMMEL. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke ouders zouden hun kinderen aan zoo'n schepsel willen toevertrouwen? Maar het duurde ook niet lang meer met haar; die fijne madam was niet gewend te werken. Zij kreeg het op de borst en stierf. MEVR. LYNGE. He, dat zijn echt leelijke histories! MEVR. RUMMEL. U kan begrijpen hoe naar dat allemaal was voor de Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon, zooals Rummel het eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit hier in huis er over spreken, mevrouw Lynge. MEVR. HOLT. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster! MEVR. LYNGE. Zoo? heeft mevrouw Bernick ook nog een halve zuster? MEVR. RUMMEL. Gehad ... gelukkig! Want nu is alle betrekking met haar afgebroken. Ja, dat was me ook een mooie! Stel u voor, die liep met kortgeknipte haren en hooge heerenlaarzen als 't vuil weer was! MEVR. HOLT. En toen die halve broer van haar, dat ongeluk, er nu van doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk diep verontwaardigd was over hem, weet u wat zij toen deed? Toen is ze hem nagereisd! MEVR. RUMMEL. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt heeft nog eer ze weg ging, mevrouw Holt! MEVR. HOLT. Sst, praat daar toch niet van. MEVR. LYNGE. Gut, maakte zij ook al schandaal? MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat moet u hooren, lieve mevrouw. Bernick was net geengageerd met Betty Toennesen; en zoo als hij met haar aan zijn arm bij haar tante komt om zijn meisje te presenteeren.... MEVR HOLT. ... staat Lona Hessel op van haar stoel, en geeft den knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een oorvijg, dat hij suizebolde. MEVR. LYNGE. Neen maar heb je nu ooit! MEVR. HOLT. Ja, het is heusch waar. MEVR. RUMMEL. En toen pakte zij haar koffer en vertrok naar Amerika. MEVR. LYNGE. Maar dan had ze misschien zelf een goed oogje op hem gehad? MEVR. RUMMEL. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij had zich verbeeld dat hij met haar trouwen zou als hij terugkwam uit Parijs. MEVR. HOLT. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon! Bernick, de jonge elegante man van de wereld ... volleerd gentleman ... de lieveling van alle dames.... MEVR. RUMMEL. ... en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw Holt, en zoo braaf! MEVR. LYNGE. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in Amerika gaan uitvoeren? MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel zich eens uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet worden opgelicht. MEVR. LYNGE. Wat beteekent dat? MEVR. RUMMEL. Alle betrekking met de familie is al lang afgebroken, dat begrijpt u wel. Maar zooveel weet de heele stad er toch wel van, dat zij daar ginder in cafe's voor geld gezongen heeft.... MEVR. HOLT. ... en lezingen gehouden.... MEVR. RUMMEL. ... en een allerdolst boek geschreven heeft.... MEVR. LYNGE. Neen, maar! MEVR. RUMMEL. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een van de zonnevlekken in het geluk van de familie Bernick. Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw Lynge. De hemel weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op uw woorden zou kunnen passen. MEVR. LYNGE. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar die arme Dina Dorf! Ik heb heusch medelijden met haar. MEVR. RUMMEL. Och, voor haar was het eigenlijk een groot geluk. Verbeeld u eens dat zij bij haar ouders gebleven was! Wij hebben ons natuurlijk allemaal veel met haar bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden. Later zette juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam. MEVR. HOLT. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest. Denk ook maar eens aan ... al die slechte voorbeelden! Och, zoo'n kind is ook van zelf heel anders dan een van de onzen; wij moeten wa