Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Dagen, by Stijn Streuvels

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Dagen

Author: Stijn Streuvels

Release Date: January 23, 2006 [EBook #17539]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DAGEN ***




Produced by Marc D'Hooghe.





DE KALFKOE
NAAR BUITEN
SINT-JAN
SINT-JOSEF
VREDE
VEROVERING

DAGEN

door

STIJN STREUVELS


DE KALFKOE

De schoone, lange zomerdagen waren uit. De laatste sloepten trage naar hun stille dood en dan hingen er alleen nog wat wasems mist in vroege en late deemstering over 't land. De kranke zon kwam met den noen even bovenpiepen, schreef een rondekring, een steenworp hooge maar, door de lucht om varings weer weg te vallen onder d'eerde.

De regen zweepte en mijzelde gedurig, de wegen werden morsig en onbegaanbaar en overal stonden de groene meerselkes overwaterd en de wilgen daarin half versmoord en moedernaakt. Dan plots steeg ommelands de zwartigheid overal op en heerschte de oneindige nacht en de dood. De landlieden en herkenden hunne wegen niet meer, zij bleven nu diepe in hunne huizen zonder iemand te zien, met een flauw besef: of er bij den verren buurman nog iemand leefde. De daken dekten zwart en zwaar de [Pg 5]leemen wanden en doken achter dichtgeslotene deuren en vensters, het schrale pinkje licht en 't warmend koolken vuur. De vijzelende koude wilde overal binnen en de groote nacht gaf geen hope van uitkomst of van nakende helderheid; de zonne was nu dood, voorgoed.

Doka lag wel en warm onder hare dekens alleen in den diepen polk achter 't berdelen beschot op de vaute en ze dacht: hoe gelukkig de menschen die een goed bedde hebben en dekens als 't buiten onbermhertig wintert. Er waarde in heur hoofd een konkelfoezige wereld van oude zomerdroomen uit den goeden tijd van uitgaande gouden dagen, met de warmte van den laten avond in de lucht, zonder ziekelijkheid en pijn van stijve leden of kwellende verkoudheid en lastigen asemgang, in de blijde angstkrasseling van het rijke zamelwerk der late vruchten op 't veld en al 't genoegelijke van 't gewonnen goed daarbij om lange van te leven in den dooden tijd. Maar daar keek almedeen de koe, de groote, witte koe te midden in dien droomwinkel en een angstgevoel dreef al die goede warmte weg, zoodat Doka wakker en in de droevige werkelijkheid van haar oud, arm lijf, weer terecht kwam. Heur herte klopte om de benieuwdheid van eene langverwachte uitkomst met de duidelijkheid nu in die donkerte om haar, van den winter en den langen tijd sedert al die goede zomerdingen, [Pg 6]die ze even in het droombedrog nog loopend en bestaande dacht.

Ghielen zat daar eenig in den stal, koude te lijden, de oude, karbintige Ghielen! Wie had er ook gemeend dat het zoo jammerlijk vreemd met die koe zou afloopen? In de eerste maanden van de dracht was 't een gerust en gestadig aftellen van den tijd, met goede verwachting van een gezond kalf, een zekere uitkomst die op den gestelden dag zou gebeuren, zoo zeker als de zonne die 's morgens rijst en zonder falen 's avonds ondergaat. Maar die tijd was nu lang voorbij—negen trage maanden wachten en die langverbeide dag was een leepe teleurstelling geweest en de dagen daarna een wrevel die overging, hoe langer hoe meer, in angstverwachting omdat het achterstallig kalf niet kwam. Daarna waren de dagen gekeerd, en godweet hoeveel weken daarbij, zonder verandering, altijd met die belofte, maar zonder uitkomst en met steigende bejaagdheid en zotte verbazing verliep de tijd nu verder, onmeedoogend en de koe bleef daar roerloos, onveranderlijk, als een betooverd wonder, met 't kalf in heur dikspannenden balg, zóó dat men 't tasten kon. Elken nieuwen dag groeide in ongeduld en nu dat zoo lange leed, gedeeg het ongeduld tot gestadige spijt die teisterde als een gedurige wroeging, met de onzekere hoop toch van een voordeeligen uitval.

—Wie weet was 't van den nacht niet gebeurd?! en hoe warm Doka daar lag, ze had willen in Ghielens plaats bij de koe in den stal zijn. Misschien was de koe in nood en Ghielen in slape! en die ingebeelde gebeurtenis plaagde de oude vrouw nu met angst en met vleienden troost in den dikken nacht die alle leven en geruchte besloten hield.

Met eene beweging van hare handen voelde Doka ineens al het leed van haar oud lijf en de stremheid door 't lange liggen; heur asem begon te piepen en te trekken door haar droge keel in lastig reutelen. Ze rechtte zich haastig op, zat met de kin over de opgetrokken knieën, de handen om de schenen genepen en dan barst het uit in hoesten, scheurend bij vlagen en snikkend, zoo droog en schor dat heel haar lijf doorruttelde en beefde om te bersten. Zij wachtte halend om den asemgang die achterwege bleef, diep met iets in de keel dat kittelde er niet schuiven wilde;—ze stootte daaraan en kuchte en bleef hijgend met luid meumelend zuchten, afgejaagd als iemand in stervensnood.

De zwarte nacht hing vol de kamer en niets of geen geruchte buiten van komenden dag of leven. Daar voelde het wijf de koude langs haren rug neervallen en den top van haren neus betintelen. Dan wierp ze 't deksel af en tord uit het warm bed in de koude. Hare handen zochten tastend naar kleeren en haastig band en vestte zij rokken en lijven aan en stroopte wollene kousen om hare beenen die bibberden. Donkerling, bij den tast strompelde zij achterwaards de vautesteiger af; zij zocht daar beneden om kloefen en klopte voort over den vloer naar de plaats waar ze wist het vuurslag te vinden. Onzeker tikte de kei, nog eens en de sparken sprongen lichtend op den baanst; daar ving het vuur dat zij aanblies met haar piepasem en welhaast lonkte het lampwiekje, nieuwgeboren schemerend in de koud-ijle nachtkeuken. De dingen stonden er zwaar, vast herkennelijk in gewonen stand en doening, even als gisteren en voor langen tijd.

Doka heur hoofd subbelde onder 't lampken dat aan den zolderbalk nog wiegelde en ze steunde nu met de magere armen heur oud lijf op de tafel om den asem die altijd lastig boven kwam. Achterna voelde zij zich in gang komen stillekes beter en veerdig om voort te doen. Ze ontstak de lanteern, bond een dikken neusdoek om het hoofd en ze ging de zware grendels openschuiven aan de deur. De klink flikte en de hengsels kriepten. Een gruwelijk koude tocht stroomde door d' opening binnen. Doka boog het hoofd, stak hare hand onder den borstdoek en neep in d'andere de lanteernhaak en als de deur achter haar was toegevallen, subbelde zij voort in 't donker. Heere-God, de felle wintervorst had weer al de waterzabbering bekorst en bevroren! Het wijf heur eerzelende voeten stonden onvast op het glibberig plankier en ze doezelde waaghoudend met de handen op goed geluk voort, voetje voor voetje schorend en slepend langs[Pg 7] den muur. Ze vocht om een geweldige hoestbui in te houden, bleef wat staan tot het beterde en dan weer voort, naar den koestal. Eer de klink te lichten dubde zij nog met de verwachting van het voorval,—ze luisterde een wijle, maar 't bleef daar binnen al zoo doodstil dat ze 't maar weer opgaf en grimmig de deur openwroette. Ze hief zoo gauw haar licht in de hoogte dat een schemering rondwierp in den warmen smoordamp en wat verkraakte stroopijlen en een glimmende slietrand te zien lieten,—achter de witte ruglijn van de liggende koe bleef het al donker en gedoken.

Belle draaide gedoezig den goeden kop, sloeg met den steert en blies luide den warmen adem uit de neusgaten. Doka tord dieper en liet de lanteern zinken om Ghielen te vinden. 't Schemerde entwat in den ledigen sliet; de man lag als een vormelooze, zwarte fakel, zijne oude muts hing over de schouders voorwaards tusschen de opgetrokken knieën en de armen daarrond gekruist; Ghielen lag lijk lange dood en zonder hoofd ineengezonken, moe van waken bij dat groot achterlijf van de koe dat wit vlekte nu met den steert die rustig rondkwispelde. Ghielen zijn mutse hief. Hij roerde wat aan zijne beenen en rechtte het hoofd als Doka weer begon te hoesten en uit zijn kleine zwartstriepte pinkers zag hij haar staan schudderen met de lanteern die ging uit hare handen vallen. Maar in zijn eerste gewaarworden[Pg 8] lonkte hij over den schouder naar den witten hoop nevens zich en als het daar allemaal nog was zooals gister, kreeg hij goeste om stil in zijnen polk te blijven liggen en voort te soezen. Daar kwam ook eene hoestbui in zijne keel kittelen; hij rekte den mond open en bij elken ademsnok kwam zijne tong naar buiten in een goleken opgedraaid en snorkte weer binnen;—zijn rug schudde en zijne handen tastten onduidelijk rond om hulpe. De tranen rolden hem over de wangen en de slijmdraden sponnen uit zijnen mond en leekten over zijne oude broekspijpen.

Doka had de lanteern ievers aan de balke gehangen en zij ook stond nu te midden den stal met de handen op de knieën gestopen, te hoesten. De koe met den kop gedoken in den donker van 't sliet, meumelde stil en steende en ze sloeg harder met den steert tegen den houten weeg.

Ghielen en Doka hoestten en kuchten en braakscheurden om te meer naar hun asem die trage opreutelde, en ze bliezen en haalden om die belemmering weg te krijgen, stootten en spouwden het rekspeeksel dat uit hunne opene lippen met de tranen uit hunne leepe oogen neerdrupte. Als hij bekomen was klaverde Ghielen moeilijk recht op de beenen, zuchtte en ging met de lanteern lichten bij de koe, omhoog, rechts en links; hij betastte ze in de lanken, dreelde haar over de ruggegraat en hing de lanteern weer aan den haak. Hij grommelde binnensmonds en geeuwde en trappelde[Pg 9] rond wankelwillig en drentelend terbinst Doka het stroo effenschudde en zich neerliet in den polk dien Ghielen gewarmd had. Ze knoterden nog wat ondereen zonder dat ze malkanders woorden verstonden; Doka was reeds luide aan 't snorken en Ghielen blies de lanteern uit en tastte naar de deur en vertrok in 't donker.

Doka's asemhalen verflauwde, de koe blies gezapig de lucht door de neusgaten en lag rustig te herkauwen.

Ghielen was strompelend in huis gerocht, grendelde zorgelijk de deur weer toe en kroop op de vaute in 't warm bedde waar zijn wijf gelegen had.

Hier was 't een zaligheid voor zijne leden die stijf en strem waren van zitten in den stal. Hij draaide en keerde van welligheid onder 't deksel, trok de muts dieper over de ooren, en zijn hoofd in den polk, knufte twee, drie keers en zuchtte om de deugd. Buiten was 't zoo koud, maar hier werd heel de wereld vergeten. Spijtig was hij toch wel om Doka die nu alleen in den stal moest zitten. Dat was vervelend met die koe, dat waken al weken lang en loopen bij nachte van huis naar den stal,... dat ze dan nog kalfde al 't andere ware niets en gewone werk. Wat was het al lang dat ze samen niet waren slapen gegaan! Hij mijmerde nog wat op de doening rond en daar kwamen veel dingen tegelijk in zijnen kop en rond hem in de kamer staan, maar[Pg 10] dat vervaagde allengs, alles liep uiteen, zijn adem ging rustig en overal nu was de lange nacht weer herbegonnen met een geruste zekerheid van ongestoorden slaap. De koe, de koe alleen waarde nog rond door zijne gedachten: ze stond daar, even een vreemde onnatuurlijkheid, groot gedrochtelijk, onwetend van heur eigen, koppige geslotenheid. En Ghielen zag zichzelf daarbij met Doka als twee magere, houtene sukkelaars, te wachten lijk zot naar een ding dat niet bestond.

Ze zal wel betooverd zijn, dacht Ghielen, en hij zocht toveral naar redens: of er iemand in den stal was gekomen die een kwade hand kon leggen. Daarom hadden zij in 't stille, gewijde palm boven de deur gestoken en een Antonius-koek in 't sliet gehangen, wasdruppels van gewijde keers in de koe heur drinken laten leken en dan met nieuwe hoop gewacht in gelatene berusting. Honderd keeren daags waren zij in den duik gaan kijken, beurtelings of samen om te zien naar verandering. Ze spraken met welgevallen over 't verdikken van den uier en 't opengaan der heupbeenderen, maar bij hun eigen geloofden zij toch niet wat ze zegden.

't Kalf kwam niet en de witte, schoone, atige veerze stond daar welgedaan te muffelen, gezapig den langen dag door of lag en keerde den kop en beurelde lankmoedig. De witte veerze, de schoonste van de streek, waar Ghielen zoo fier op was, de schoone, schoone koe stond daar vol,[Pg 11] met wijd gespannen balg, maar ze wilde niet kalven.

In zijnen droom liep de boer een tijd vooruit: den langen winter beulden zij elken nacht wakend zonder uitkomst met vrees voor dien betooverden stal, daarin de koe staan bleef als een steenen wanbeeld, met dat levenloos kalf dat ze niet ontbinden wilde, in haar lijf. Overal zocht Ghielen naar middelen om van dien kwaden last ontdaan te geraken, hoe 't beest kwijt en uit den stal gesleept.—Verkoopen! Een volle koe verkoopen, een drachtige koe! dat ging eerst als een onuitdenkbare onmogelijkheid door zijnen kop en daarna liep zijne bewustheid als water uiteen en hij droomde van heel andere dingen. Later verwonderde het hem zijn vader en Klette, die al lang dood waren, op 't hof te zien komen en rondloopen bij de koe die nu kalvend was. Zij hielpen trekken en daar kwam een wit veerzekalf ter wereld, maar achter een tijd zagen zij dat 't beestje dubbel gelet was en twee koppen kreeg en vier pooten en oogen lijk theeketels, zoo vereend dat Ghielen van den schrik wakker werd. Hij zag nog altijd zijne overgrootouders en veel andere vernukkelde mannekes en wijvekes, oud, gebocheld en krom katijvig, opgekrompen in de sneeuwkoude staan lachen om dat zonderling kalf.

Hij werd er heel aardig van en ontsteld, maar zijn droge keel begon te kittelen en hij hoestte en al de schrompelige, oude mannekes uit zijnen droom zag hij op de vaute nu, gestopen, met[Pg 12] schuddend hoofd, de handen op de knieën, vervaarlijk te hoesten, te kikkeren dat 't water hen uit de oogen liep, en zij zochten rond over den vloer naar den asem dien zij verloren hadden. Het reutelde en steenpiepte uit hunne verstopte, oude asempijpen dat hun mager ribbenkot erbij schudde en dreigde uiteen te splijten. Door zijne betraande oogen keek Ghielen verweerd in de duisternis, veegde 't kwijl van zijnen mond en kroop dan uit het bed om ontdaan te zijn van die kwelspoken.

—Alzoo zal dat ne keer het laatste zijn, dacht hij; 'k zal in zoo'n hoestbui eens blijven steken; moest mijn asem voorgoed achterwege blijven 't ware gedaan en Doka, die ginder in den stal zit, zou er niets van weten. Binst hij zijne kleeren zocht en aantrok, kraaide de haan op den kiekenpolder en dat ging als de schreeuw van den verlaten eenling op een onbewoonde landstreek. Die haan was heel oud, half blind en sufachtig en omdat hij nu overlang geslapen had, meende hij toch te moeten kraaien al bleef het rond hem altijd even donker, en hij merkte wel ievers misschien een kriemelken klaarte.

Doch Ghielen niet en hij meende nu nog blinder te zijn dan de oude haan. Hij grommelde zijne misnoegdheid uit om al die oude dingen die heel anders en beter waren vroeger,—de winter vooral was nooit zoo domlang en koud, en de angsthoop van dat kalf deed hem weer den[Pg 13] komenden dag eeuwig lang en verdrietig schijnen. Hij doezelde van de vaute, sloeg vuur in de keuken en keek rond of alles in orde was. Dan knielde hij bij den heerd en groffelde en rakelde met de ijzeren poke de heerdziele open en lei nieuwe lemen en kaf op 't vuur dat traagaan in dunne kuilkes begon op te rooken. Hij kuchte, kneuzelde en trappelde rond op de kloefen in de eenige keuken, knoterde onverstaanbare dingen tusschen zijne dunne lippen die gedurig overeen knabbelden. Hij zette zich eindelijk dobbeltoe vóór eenen stoel en begon stil zijn morgend-devotie, in eene meumeling van onsamenhangende Onze-Vaders; want de koe en heel dien kalvergang zat alweer, even een razende bezetenheid in zijnen zin. Hij herdacht weer heel dien droom en dat "verkoopen" kwam hem nu niet zot voor maar als een stellig middel van verlossing, zoodat hij het ernstig meende nu en besloten was als na lange overpeinzing.

Zie 't was juist Zondag, 't wilde hem meê en na de mis kon hij Vinie de koeiplote, zien te spreken; dan was de zaak zoo seffens al in gang, maar Doka moest eerst haar gedacht zeggen.

Hij miek een eindekruis aan zijne gebeden want nu ging het toch niet om gemeenstig Ons-Heere te bidden in die bestorming waarmede zijne zinnen jaagden.

't Vuurke vunsde al helder op en de theeketel zong in langen piepvoois als Doka de voordeur[Pg 14] openstak. 't Oud mensch was heel toegeduffeld in doeken en half vervroren hield ze de magere knookhanden ineen en 't lijf opgekrompen; ze schormde zeere bij den heerd om warmte te vinden, Ghielen keek naar heur op om nieuws te vragen lijk elken morgen.

—Dag, Doka; nog niets?

—Nog niet, Ghielen.

En ze legde de handen open op den buik van den warmen ketel en kroop nog dichterbij het vuur.

—'k Heb daar gepeinsd in bedde, Doka, dat 't best ware als we de koe maar verkochten ... als ze toch niet kalven wil. En hij bleef half bevreesd om 't uitwerksel van zijn zeggen.

—Verkochten? herhaalde Doka, zoo toonloos dof en verstrooid en zij scheen diep te overwegen en tijd te vragen eer heur gedacht uit te spreken.

—Verkochten? Verkochten? zei ze nog.

—Ja, 'k kan vandage Vinie zien na de mis en 'k zal hem zeggen dat we een volle veerze willen kwijt zijn ... dat 't eten schaarsch is, of zoo....

—En moet dat nu zoo seffens en al ineens zijn! en als ze morgen of te naaste weke kalft?

—Morgen of te naaste weke, hertinselde Ghielen wat bitsig, maar dan kalft ze wel, mij verveelt dat wachten ... en als ze niet kalft en heel den winter als een droge ratte blijft op stal staan, en den zomer daarbij?...

Hij verslikte aan de opgewondene haast waarin[Pg 15] hij opliep en ze gingen beiden geweldig aan 't hoesten. Als 't over was werd Doka heel heesch zoodat Ghielen haar moeilijk verstond; ze zegde in der haast eene reek zonder dat ze 't zelf aaneen kon brengen; op 't einde vatte hij toch dat ze den ouden voois aan 't zagen was en weer beweren wilde: dat Ghielen eene maand gemist was in zijne rekening. Daarom wierd hij boos.

—Maar, Doka, hoe kunt ge toch alzoo zijn? te bâmisse was 't negen maanden dat we Belle geleid hebben; 't staat geteekend op den deurlijs en in den stal—vraag het aan den knecht te Vramme's—en nu zijn we al één manesching bijkans, overstier.

—Ja maar, neuzelde Doka weer, we zijn, we worden oud en onze zinnen staan niet meer zoo vaat; mijne oogen ... mijne handen zijn niet meer lijk overtijd....

Zoo knuffelden zij en knoterden zagewijs voort over en weer zonder einde of bescheid; ze hoestten daartusschen als zij den asem kwijt gerochten en wachtten weer om van nieuw te herbeginnen. Al dat geraas klonk zoo vreemd nuchter, zoo vroeg, ontijdig lijk bij nachte als alleman slaapt, in die levenlooze, naakte keuken. Daarbinst wrochten en poenderden zij voort aan de koffie, en aan 't effen- en klaarzetten in de keuken; zij liepen gebogen, wandelend over den vloer in kleine, pettutige stapjes, met trage bewegingen en duttend in de halfdonkere onzekerheid van[Pg 16] hunne vervaakte oogen. Doka droeg de koe een broodje en dan dronken zij zelf aan tafel een kopje koffie met kandijssuiker. Ze taterde nog altijd. Ghielen haalde al de redens uit die hij wist om Doka te bewijzen en te overhalen dat die vreemd bezetene koe weg moest, dat hij niet meer waken wilde of alleen slapen, en dat de menschen zouden gekken met hunne koe die niet kalfde en dat het gedurig in zijn zinnen speelde om er gek of ziek van te worden. Hij stamelde en steende en hoestte na ieder woord en:

—Die koe.

—Die schoone koe, zuchtte Doka, 'k meende dat 't er eene was voor ons leven.

Dat vriendelijk beest had zij gekweekt en:

—Ghielen, gij begrijpt dat niet, 'k heb ze zien groeien en groot worden lijk een kind en ze keek zoo gedoezig op telkens ik in den stal ging.... Als men alzoo alle dagen zijn best doet om ze te verzorgen, daarom was ze altijd zoo beleefd, zoo trouw en gezapig, en nu is ze zoo net wit en schoon geworden, en ik ben al zoo spijtig als gij omdat ze niet vernieuwen wil, onze schoone koe.

—Schoone koe, schoone koe, gromde Ghielen in zijn koffiekom, 'k lache met zulk eene schoone koe, om alle duivels, neen 't, maar een oude varwe koe gelijkt het, een uitgeruttelde, verdroogde kwenekoe die nooit van kalf of stier iets geweten heeft,—we gaan ze afsteken. Ware[Pg 17] 't niet dat ik heur, vóór mijne oogen, als kalf gekocht en gekweekt hebbe, 'k zou gelooven dat Segher Verschuere ons alle twee bedrogen heeft. Maar een nuchter veerzekalf en kan toch op een jaar tijds geen oude munte worden? Dunkt 't u niet, Doka?

—Neen 't, Ghielen, dat en kan niet.

—Daarbij, wie zal er durven zeggen dat ze niet drachtig en is? bezie dien balg!

—En als ze drachtig is moet ze kalven, vroeg of late.

Ghielen en wist daar zoo seffens geen antwoorde op. Maar hij gebaarde van geen verlegenheid.—Zie, Doka, horkt, na de misse ga ik rondzien achter eenen kooper; Vinie voorzeker weet er niets van dat onze koe haar volle rekening heeft, z'en zal er geen cent te min voor gelden: we zeggen hem dat ze kalven moet in Korte-maand en ze is, vet en gezond lijk ze daar staat, zeshonderd frank weerd.

—Zeshonderd frank, zuchtte Doka, Vinie zal in vijf minuten zien dat die koe niet in regel is.

—Niemand kan daar iets aan zien!

Dan zwegen zij geruimen tijd en bleven zitten peinzen en warmen met de kloef en in de heerdassche. 't Bleek, schrale lampke lichtte een klein rondeken helderheid over tafel op de witte kommen en door de vensterruitjes kriemelde een grijze schemer, zoodat de zwarte daken van de schuur en den stal tegen den hemel begonnen af te teekenen in vaag[Pg 18] blauwe grijseling. De haan kraaide nu herhaaldelijk.

—De menschen kunnen gaan rieken dat onze koe overstier is, herbegon Ghielen, en die haar koopt kan op zijne beurt het betooverd kalf afwachten. Hij grinnikte zoodat zijne fijne lippen wijd openrekten over zijn tandeloozen, ingevallen mond.

—We zullen heel den winter gemakkelijk zijn en we koopen ten uitkomende een veerzekalf.

Ze bewrochten en berekenden heel de schikking en de winsten en de weerden, stil in hun hoofd, met dezelfde gedachten zonder er nog onder malkaar over te spreken.

Doka begon heur bezigheid aan den ketel koeisop, sleurde aan de zak met gruis en de lijnzaadkist. Ghielen hing het lampke vóór den kleinen spiegel tegen de ruiten en haalde scheergerief en zeep bij om zich den baard af te doen. Hij wreef het schuim met warm water over kin en wangen en schrapte dan traag met 't scheermes over zijn slutshangend vel dat 't ruischte.

Doka haalde zijn verschen kiel uit en lakenen frak, en ze hielp hem 't een en 't ander aantrekker. Ze wrochten alzoo samen en beulden aan de frakmouwen en trokken gezamenlijk aan de leerzen, al hun macht, totdat Ghielen op zijn zondagsche stond. Doka hielp nog zijn hemdeband recht, zette zijn pet stevig en warmde zijn schaapwollen wanten. Ze maande hem op[Pg 19] te passen, haalde wat centen uit heuren schortezak en telde ze hem in de hand:

—Eén voor den kerkstoel, één voor den offer-blok en 't andere voor een borrel na de mis. Ghielen stak ze zorgelijk weg in den binnenzak, nam wijwater en miek een kruis.

—Doka, 'k ga.

—God beware u, Ghielen.

Ze neep nu 't lampken uit, zette haren stoel bij den heerd en schoof hare kloefen in d' assche, zij haalde den paternoster uit om daar heur misseplicht te volbrengen. z'En kon, de arme sloore, al lang niet meer uit naar de kerk.

Ghielen trok eerst nog naar den stal, hief in eene kwaadheid de koe haren steert op, dan kreeg hij goest om het domme beest te schoppen en zijn voornemen stond nu voorgoed vast. Hij zette goedmoedig aan, blij omdat 't Zondag was en omdat hij op 't goed gedacht gekomen was die koe te verzetten. Hij belegde hoe en waar hij Vinie den koopman zou vinden en stapte altijd op de oneffene, onbegane wegen die ruw en knoestig doorkorven en bestampt met wagenslagen en hoefputten in den laatsten regen, nu vastvervroren lagen in al hunne ongeschoftheid. Ommelands was alles eenkleurig grijs besmokkeld met ijzelrijm en smoor en dof lijk de zware, laaghangende, geslotene hemel. Nievers noch huis noch stake, de klokke ook en hoorde Ghielen niet en hij liep daar op goed geluk voort lijk verloren[Pg 20] in een dood winterveld. Maar zijne voeten kenden den weg en volgden vaste den drijf; dat rechts of links inslaan en 't overstappen lag door de danige gewoonte in hem vergroeid en heel blindelings zelfs herkende hij den uitwendigen vorm van elk grachtje of landoever waar hij heel zijn leven voorbij moest naar de kerk. De wegelkes lagen verzompeld of overspoeld, hij herkende ze toch zoo duidelijk als de rimpels in zijne hand. Hij tjuikelde over de harde knuisten, perdompelde over de glad vervroren ijsplasselkes en grommelend djoezelde hij zonder opkijken voort.

Zijn hoofd hing gebogen en subbelde, zijne handen zaten wel geborgen in de schaapwollene wanten en zijn dikke frak onder den blauwen kiel beschutte goed zijne leden, maar de koude voelde hij lijk bijtend staalvijlsel in den hals en zijne ooren tingelen en hij moest gedurig de druppels wegvegen die van zijnen neus afleekten.

In de dorpsdreef ontmoette hij veel boeren en boerinnen die ter kerke gingen. Ze riepen van verre goêndag naar malkaar en vorderden hunnen weg. De straat tusschen de huizen was vol menschen en hunne kloefen en schoenen klonken tegen de stille hardvervrorene steenen. De wijven waren geduffeld in lange, zwarte mantels, de kap diep over den gebogenen kop en de boeren met hunnen blauwen kiel waaronder uit de dikke winterfrak bij 't gaan hen in de hamen sloeg. Ze hadden meestal eene vellene klak met oorlappen diepe[Pg 21] neergetrokken en ze liepen vernepen, kerneutelig opgekrompen van de koude en haastig vernibbeld om in de kerk te zijn. Ghielen zocht zijn oud rustig plaatsken achter den pilaar en las er heel de mis zonder opkijken met groot lippengekluts. Na 't sermoen deelde boer Van Tomme hem 't nieuws meê dat de pastor daar zoo seffens kwam af te lezen:

—Ghielen hebt ge 't g'hoord? Uuznie Pasters is van den nacht gestorven.

—Neen ik, vezelde Ghielen en hij bad voort.

Als 't gedaan was en 't volk allemaal ineens buiten wilde, bleef hij, met de andere oude mannekes, nog wat zitten om niet gedrumd te worden. Daarna ging hij naar den Gouden Arend waar al de boeren, na de mis, een borrel gingen pakken. De herberg was vol volk en geruchte, Ghielen keek rond en zette zich big den disch te praten met Marcelein Vramme, over de koude, den langen winter, de korte dagen, 't beesteneten en de duurte van 't koorn en van den ouden tijd. Ze zaten met hun hoofd bijeen te stamelen en te hervragen, te knuffelen en te hoesten en dronken elk eene teug van den borrel die de bazinne hun bracht op een tinnen schenkschaalken. Ghielen haalde zijn steenen pijpken uit en vulde uit boer Vramme's tabakbeurs en ze tikten nog eens geneuchtelijk hunne glazekes.

—Weet-je gij niet meer te zeggen, Marcelein, wanneer Belle mijn witte koe, gediend is?[Pg 22]

Vramme hield den vuurpot in de hand en ontstak zijne pijp; hij trok drie, vier keeren, blies den rook door zijne uitgestekene lippen in den vunzenden hul, speitte een grooten klak op den vloer en peinzend met de pijp omhoog:

—'k En zou 't zoo zeker op geen maand naar kunnen zeggen, Ghielen. Er komen zooveel koeien op 't hof—maar z'en kan niet lange van heur rekening af zijn.

Ze zaten en lutten alletwee zwijgend nu, aan hunne pijp en keken droomend rond op de menschen die luide en gemeenstig koutten, loechen onder malkaar en den sterken tababsdamp met volle kuilen rondbliezen. De stoof ronkte deugdelijk en de rook hing als een zware mist, al die staande of zittende menschen omwonden. De bazinne liep en vlocht zich daarin entusschen de stoelen en banken en schonk overal klare genever uit de steenen literkruik in kleine glazekes.

Kijk, dacht Ghielen, dáár is Vinie, 'k ga hem nu spreken. Maar de koopman zat aan een verre tafel ernstig in gesprek met eenen boer. Hij hield zijn mispelaren stok tusschen de beenen en keek met opgetrokken neus en wenkbrauwen scherp luisterend den boer in de oogen die altijd met groote gebaren van den wijsvinger, zijne belangrijke dingen uiteen deed.

Boeren vertrokken, andere kwamen binnen in gedurige wisseling met open en toevallen van de dubbele voordeur. Daar zaten vier oude makkers al[Pg 23] aan tafel in een hoek met de speelkaarten bezig, zoo ernstig verslonden en vast als voor den heelen dag. Anderen stonden bijeen gedrumd te grollachen zoodat hunne wezens purper waren van de pret en ze sloegen elkaar vriendelijk vrij op den schouder. En hier en daar één die zijnen man was komen vinden en hem stil in zijn oor een groote gelegenheid mededeelde.

Ghielen hield alsaan den koopman in 't oog en als deze eindelijk met den boer opstond.

—'t Is nu, meende Ghielen en hij naderde.

—Zoo, lijk we gezegd hebben?

—Basta, wederiep Vinie, tot morgen op de markt.

Ghielen trok den koopman lange achter bij den kiel:

—Hork ne keer, 'k moet u spreken.

De vent liet zich gemakkelijk neer, om met geduld te luisteren even als bij den anderen boer.

Ghielen vertelde hem van zijne schoone, schoone volle veerze die hij op stal had, dat ze moest kalven in 't korte, en dat Doka te oud werd en te veel lastig werk had en de koe afsteken wilde,—maar 't was een buitenkans, jongen: een kostelijke koe.

En 'k zou ze toch geern kwijt zijn, seffens kwijt zijn.

—Wel, 'k kome zien, na den noen; als we koop slaan moet ze morgen uchtend meê, ik weet een kooper,—als ge niet overgaapt in den prijs![Pg 24]

—We zullen genadelijk zijn en overeenkomen. Bazinne nog twee borrels.

Als ze uit waren en betaald, vertrok Ghielen gelukkig en mompelde halfluide woorden tusschen zijn klutsend kinnebakken.

De menschen waren al weerom t'huis en de straat was eenig en de huizen van weerskanten dichte gesloten met doove ruitjes en daar hingen lange ijskrekels lijk gesteven zeeverslijm in reken van de euzies. Daar was een halve klaarte gekomen, god-weet van waar, zoodat Ghielen onderweg, hier en ginder een boomstam zag uitsteken in den mist en den gevel van een boerenhuizeke, doch een stuk lands verre was 't al onduidelijk en dood toegedekt lijk bij vallenden avond.

Als hij op 't hof kwam begon er lichtelijk sneeuwmijzel te vallen, de boer keek misnoegd in de lucht, stak de lippen op en grommelend tord hij binnen.

—Doka 't gaat sneeuwen.

De warme lucht kwam tegen en de goede geur van kokend lijnzaad en gebraden vleesch.

Doka had over den blauwsteenen vloer versch, glimmende geluw strooi opengeschud en alles zoo behoort, te kante gezet zoodat 't er nu ordentelijk zondagsch uit zag. z'Had heur dikken wollen rok aan, heur nieuwen gebloemden borstdoek, heur goudewerk en een zwart satijnen voorschoot met een geperkt blauwen daarboven. Binst dat Ghielen zijn verkleumde knoken warmde bij den[Pg 25] heerd, zette Doka de tellooren en soep op tafel en al 't ander gerief. Ghielen snuffelde nog boven den smakelijken damp uit de eerden kommekes; dan hielp Doka Ghielens leerzen uittrekken en zij aten huns tweeëns eerst soep met houten lepels en daarna een stuk vet zwijnsvleesch met schoone, gebruinde, lekkerblinkende gefruite raapkes. Ghielen vertelde van 't loof dat jammerlijk vervroren lag achter de velden, en wat hij al wist van Boer Vramme en dat Uuznie Pasters schielijk dood was en dat de oude pastor van langs om moeilijker sprak zoodat er geen woord van te verstaan viel.

Doka luisterde met nieuwsgierigheid naar al die dingen; het dorp was voor haar een wereld uit een ver verleden waar ze eens in meeleefde, maar nu al lang geen mensch meer zag of wist wie er nog rondliep. Ze vroeg nog een en ander te weten over oude boerinnen die nu nog te gange waren en kosten naar de misse komen: of hij deze en gene gezien had en hoe 't er meê stond.

—En Vinie, de koeiplote, begon Ghielen. Ka den noen komt hij zien naar onze koe. Hoeveel zouden w'er voor vragen, Doka?

—Wat ge wilt,—wat weet ik van de beesten? maar eene schoone koe is 't! en een kostelijke; als hij maar niet merkt dat z'al een maand óver is.

—We zullen hooren hoe hij zingt, besloot Ghielen.[Pg 26]

Het gerei ruimde zij van de tafel en ze lazen beiden een dankgebed. Dan sleurden zij samen den pot drinken buiten en voederden de koe, het zwijn en den hond; Doka hing een moor water over 't vuur en dan zetten zij zich al elken kant van den heerd wat te tukkebollen. Ze hoestten onderwijle en trokken lastig aan den asem.

Buiten, uit 't grijs geluchte, ranselde de sneeuwmijzel lijk bloemenstof fijn, aanhoudelijk den grond en de daken dekkend stillekens met wit. De koude blies over het lage, verlaten land en al dat er nog buiten liep was ievers een verdoolde, uitgehongerde hond.

Vinie rotelde al aan de voordeur als Ghielen wakker werd. Hij riep naar Doka en ging haastig opendoen.

—Binnen, Vinie, binnen.

Vinie gromde een goeden dag en stampte 't sneeuwstof van zijne schoenen.

—We gaan kwâweer krijgen, boer, en hij kwam ingrimmig, opgekrompen nader bij 't vuur.

—'t Is de tijd van 't jaar, meende Ghielen, we zijn in de donkere zes-weken. Doka, Vinie zal eerst koffie drinken!

—Danke, boer, hebbe maar weinig tijd. Willen we maar seffens naar de koe gaan zien? Maar hij moest eerst koffie nemen. Ghielen stoefte daarbinst met zijne koe; daarna gingen ze alle drie naar buiten. De hond stormde uit zijn kot en bastte nu naar den vreemdeling, maar ze stapten zonder[Pg 27] ommezien over de werf. Het zwijn snorkte daar ze voorbij zijn kot kwamen. De haan was, om de bijtende koude met zijne hennen in het wagenhuis gebleven en stond te midden zijn toom onder eene kar te treuren op éénen poot. Doka trok de staldeur open en deed de koe opstaan met zacht vermanende woorden.

—Ze heeft het hier warm, meende Vinie.

—Ja ze staat er goed en er kan geen windeken in den stal als de luchtgaten toegestopt zijn.

Maar Vinie wilde de koe buiten in den helderen dag zien. Ghielen moest ze ontbinden en buiten brengen. Ze waagde zwaar heur eendlijk lijf voorwaards en stond daar wijd op de pooten met groote trekken snuivend de versche lucht door haren natten neus. Haar oogen keken verweerd rond. En de drie kadoterige oude sukkelwezentjes stonden daar op te kijken lijk vereeuwde, slonk-gesnekkerde postenakels uit een donkere, oude kerk, voor den eersten keer in 't daglicht gebracht. Hun asem met dien van de koe dampte in wazige wolkjes uit hunne neusgaten op. Vinie, met zijn hoofd diep tusschen de bochelachtige schouders, piepoogde onder zijne groote pet, neep den mispelaar tusschen de vingers en stapte rond de koe, mat hare gestalte aan de kin, betastte heupen, pooten en rug en balg en ging weer al den overkant.

Ghielen hield de koe big 't zeel en stond verkrompen van de koude, zijn vest achteruit getrokken[Pg 28] met de armen tot aan de ellebogen bijkans in de broekzakken en zijn groote voorbroek spande over den ingevallenen buik en heel zijn magerte, zoodat de heupbeenderen lijk twee bulten uitstaken boven zijne korte beentjes. Doka hield de handen geborgen onder haren voorschoot en haalde ze beurtelings bloot om 't water uit de oogen te vegen. Ze klutterbeende en voelde haren neus bevriezen, maar ze hield gestadig den blik op den koopman in verwachting of hij iets van de gedokene doening zou bemerken.

Vinie ging nu op een afstand staan, kwam weer bij, trok de koe haren muil open, en telde de tanden met zijne vingers.

—Wanneer heeft ze hare rekening vol? vroeg hij.

Ze bezagen elkaar en:

—Met 't eerste maansching, zei Ghielen en hij hield zich gesloten om niet te pinkoogen.

—Newaar, Doka?

—Ja, nog een manestond. 't Geen ze er nog wilde bijzeggen verging in een geweldige hoestbui.

—'t Is hier koud staan, meende Ghielen.

—'t Is eigenlijk een schoone koe.

—Newaar! zegden ze alle twee.

—Steek ze maar weer binnen. Hoeveel moet ze kosten?

—Ik meende zeshonderd franken, zei Ghielen en dan hield hij den adem op.

—Doe er honderd af.[Pg 29]

—Geen cent min, schudde Ghielen.

Ze stonden een tijdeke sprakeloos.

—Den stok in tweeën, da's mijn laatste woord. Is ze verkocht?

En de koopman stond omgekeerd, gereed te vertrekken.

Ghielen stak zijne koe op stal en Doka durfde niet antwoorden.

—Vijfhonderd vijftig, herzei Vinie, ze gaat morgen naar de markt, 'k heb daar een kooper.

—Voor min dan zeshonderd gaat ze uit den stal niet, besloot Ghielen.

—Wel, geluk ermeê, en de koopman vertrok.

Aan de hofpoort keerde hij zich om en:

—Als ge beter gedachten krijgt, kom zeg het mij van den avond nog en 'k doe morgen uw beest meê.

—We kunnen wij ook naar de markt gaan, zei Ghielen tegen Doka en hij liet Vinie vertrekken.

De zwarte palulhond had heel dat spel aanschouwd en als de koe weer op stal en de koopman van 't hof weg was en Ghielen en Doka in huis, gromde hij wat en kroop in 't diepste van zijn kot.

Ghielen sloeg Doka op den schouder, kletste op zijne bil en spetterde uit in eenen kikkerlach.

—Hij is gefopt, de slimmerik en ziet er niets aan en hij zal onze koe komen halen!

Hij viel op eenen stoel om uit te hoesten en Doka ook grijnsmonkelde welgezind.[Pg 30]

—O, 't is eene schoone koe, zei hij, ze bevalt hem ... ze moet binnen de naaste mane kalven! loech Ghielen.

—Zal hij terugkeeren?

—Maar zeker zal hij, zoo zeker als Evangelie.

Dan begonnen ze ondereen in overvloed van gehakte woordekes uit te gaan over nieuwe schikkingen en te hoesten daartusschen.

—Nu zal 't slameur gedaan zijn en we leven heel den winter stil op onze zokjes; ten uitkomende koopen we een versch veerzekalf.

Ze raasden voort: hoe ze met de nieuwe lente 't land zouden bedrichten; ze gingen ook een muurken doen insmijten, een nieuwe haag bouwen en boomen verplanten en de 600 franken bij 't ander leggen onder den blauwen steen, en ze regelden hunne dingen zoo generig alsof ze nog vijftig jaar leven te verwachten hadden.

Ze dronken elk nog een kopje koffie. Doka legde nieuwe lemen aan 't vuur en Ghielen haalde krijt en kaartenspel. Hij teekende een dubbelen boom op het tafelblad, ontstak eene pijp en zij zetten zich recht overeen in de stille schemerkeuken hun zondags-partijtje te doen.

Buiten, vóór het venster zwemelde een afgesneden eind koord in den wind en de sneeuw mijzelde traag en fijn, gezapig schuin gedreven door den windtocht bij striepen gispend in een wevende lijnflikkering zwepend als dansende witte regen.[Pg 31]

z'En spraken geen woord schier en speelden verslonden. Een zucht altemets, een stenen of hoesten of een enkele uitroep van spijt of voldoening als de Zot of 't Aas de kans deed keeren of een grooten slag besliste. Doka veegde de witte strepen van den boom met heur natten vinger uit en ze hielden beiden hun spel gesloten als de vimmen van een opengescherrelden waaier in de magere, vereelte handen. Ze dubden, betastten de bladen en legden ze stil vooruit neer op tafel of sloegen ze hard met eenen vuistslag die bonsde.

Als de eerste boom was afgespeeld, haalde Doka de pulle uit en schonk voor elk een goeden druppel;—Ghielen liet den zijne nog eens volschenken omdat hij gewonnen had; ze herbegonnen een nieuw spel en dan nog een; ze knuffelden en keken bedenkelijk op hunne kaarten en deden gezapig voort tot ze tusschen de slagen, den donkere zagen in huis vallen en gewaar werden dat de dag op zijn einde draaide. Ze dachten alle twee aan Vinie dien ze verwachtten maar z'en zegden er niets van.

—'t Wordt weeral avond, en 't was schaars middag, neuzelde Ghielen.

—'t Is die sneeuwlucht ... en Doka keek overzijds langs heur schouder naar buiten maar eigenlijk naar de hofpoort over 't land of er iemand in de verte te zien was.

—Zou hij wel zeker komen, Ghielen?

—We kunnen nog wachten.[Pg 32]

—En als hij niet komt?

—Wel, wat zouden we doen?—de koe is nu zoo goed als verkocht ... en vijfhonderd vijftig is al vet betaald voor eene koe die niet en kalft. En ze kan te naaste weke doodgaan met 't kalf in heur lijf.

—En naar de markt leiden, waagde Doka.

—Maar dat was zotternije, lachedingen, kan ik met mijn kranke beenen naar stad en die koe drijven?

Ze legden de kaarten neer en zaten op malkaar te kijken om raad. Dan ging Ghielen bij 't venster staan en Doka werkte in 't achterhuis.

—Als ge wilt uitgaan, 'k en zou toch in Godsnaam niet wachten tot 't avondt, riep ze.

Ghielen draaide onvoldaan en mismoedig rond op zijne kloefen, ging buiten aan 't hofgat, keerde weer, altijd in 't gedacht: met wat te wachten win ik misschien vijftig franken. Dan keek hij in de dreigende, donkere lucht en over 't veld dat reeds onkennelijk overstrooid lag vol wittigheid.

—Doka, 'k zal dan maar uitzetten, besloot hij. Ze kwam bij, veegde de handen aan heuren voorschoot, haalde zijne kleeren en leerzen en stond over hem gebogen, te beulen dat z'er bij steende, om dat alles te helpen aantrekken.

—Waar is mijn stok, en mijne wanten? Hij hoestte, snakte achter zijnen asem, maar hij toonde zich sterk om Doka geene vrees aan te doen.[Pg 33]

—Wat is dat? een wandelingske, twee stukken lands verre!

—Ja maar in 't donker is 't niet goed met die sneeuw, meende zij. Kijk hoe zeer het avond wordt; Ghielen, duffel u wel of ge komt met eene doodelijke ziekte thuis.

Maar kom, help me eerst den ketel op 't vuur hangen, de koe moet toch eten.

-'t Is voorzeker de laatste keer, troostte hij en ze zeulden samen den zwaren sopketel tot hij aan den hangel hing.

—Vrouwe, schenk me nog eenen borrel, dat geeft asem.

Hij knoopte eenen zakdoek over zijne ooren, trok de warme wanten aan en:

—Doka, 'k ga.

Zij kwam mee tot aan de deur en daar keerde Ghielen nog weer om te zeggen:

—Doka, Vramme sprak mij van de dood van Uuznie Pasters.... Dat hoekje land achter de beek zal nu te koope komen, dat zou goed doen bij onze driehonderd klaverland, en 't zou goede weide zijn nadat w'er nog een paar jaar vruchten opgedaan hebben. 'k Zou best doen daar een woordeken naar te gaan vragen als de verkoop van de koe goed deurevalt.

—Maar haast u toch weer, Ghielen, dat we de koe op tijds bestellen en 't is hier zoo eenig op 't hof.

Zij zag hem gaan met kleine perneutelige[Pg 34] stapjes, één schouder opgesteken en stekkend met zijnen stok in de sneeuw.

—Heere-God wat koude, kermde zij, 't is beter in huis. Toch bleef ze staan zien en Ghielen werd allengerhand kleiner: een zwarte vlek, alleen op het al witte veld, lijk verdoold te midden de sneeuw en met de vallende duisternis nakend boven zijn hoofd. Dan miek Doka den hond los en liet hem bij haar in huis. Zij deed heur zondagsche kleeren uit, om te beginnen werken aan den avondkost voor de beesten. Ze ontstak al tastend het lampken, dompelde nog verschillende keers buiten en bracht telkens een armvracht eten meê: een mandeken beeten, twee, drie koolen, een bakje lijnzaad, oliebrood, boonen en tarwen gruis. Ze stekte en korf dat al dooreen in de kuip en goot het mengsel in den ketel en doorroerde het met eenen stok.

Ze legde wat droge spaanders op 't vuur, duwde de koffiekan bezijds in de heete assche. Dan schepte zij eenen ketel sloebering uit en droeg dat naar den zwijnsbak. Daarna stond zij rond te zien en te dubben om te weten of er nog iets te doen was? Neen't.—Zij rakelde wat houtkoolkes in haren steenen vuurpot en zette hem bij haren stoel onder de voeten, ze neep het lampken dood en flokte zich daar onder den heerdmantel warm neer.

Heur oogen keken in de fletsflodderige vlammen die rond het gat van den zwarten ketel opkrulden. Dan wendde ze 't hoofd naar 't venster waar de roode vuurgloed op blonk en zij keek hoe de[Pg 35] witte vlokjes zoo stil, vlijtig speeldansten, zoo wollig zacht, zonder krijzelen, en licht ronddraaiend als waren 't altijd dezelfde die zonder vallen voor 't vensterruitje kwamen wentelen.

De hond lag met den muil op de voorpooten in den rossen glans tegen den heerdschoot en hij zuchtte van de welligheid.

Doka wist niet meer wat gedaan en ze volgde in hare zinnen Ghielen waar hij ging over 't veld; ze zag hem aankomen bij Vinie en ze hoorde hem redekavelen en ritsepeeuwen om gelijk te halen en 't voordeeligst den koop te sluiten; ze zag hoe Ghielen als 't gedaan en af was, terugkeerde naar huis. Maar dan ook liepen heure gedachten veel rasser dan Ghielen gaan kon en ze wist nog lang te moeten wachten. Ze wilde een trekje slapen eerst.

Zij duffelde de handen onder heuren voorschoot, peinsde nog op het hoekje land dat Ghielen wilde koopen en op Uuznie Pastere die nu dood was—z'had er honderd keers tegen gekout—en dan zocht ze weer in de gedachten naar Ghielen over 't veld. Maar de warmte kloesterde haar zoo zacht dat se alles liet varen en heur hoofd knikkebolde neer en buiten 't groot statig uurwerk leefde er niets meer in de keuken.

De vlammen kronkelden zoo langen tijd rond het zwarte lijf van den koeketel tot er daarbinnen leven kwam, een holle brutseling en de damp met ziedend schuim hieven 't deksel met een[Pg 36] geuleken op waardoor 't sop uitzabberde en de damp opproestte in de schouw. Eindelijk vielen de brandschieren verkoold ineen en 't gerucht en de brobbeling hield op.

Dan schrikte Doka uit een vervaarlijken droom, ze keek verweerd door de keuken en was blijde dat 't allemaal bedriegelijke leugens waren. Ze schormde recht in 't donker, zwaaide de armen en liet ze 't halven den haal neervallen als ontdaan nog en half ongerust van wat ze gezien had en zocht nu naar den draad van heur verstand.—Ghielen bleef te lange weg en ze meende dat 't al late nacht was. De ketel en 't vuur was ze vergeten.

O, z'had Ghielen daar zien ronddompelen, heel wit besneeuwd lijk een vriezeman, vechtend tegen de koude en den donkere, zonder dat hij zijnen weg kon vinden. En z'had hem, tenden gejaagd, zien staan, boutstil in 't veld, met de armen wijd open, de handen rondzoekend lijk een blindeman, en de sneeuwbrokken dekten hem toe en hij verging daar in een witten hoop. z'Had hem willen helpen, was buiten gegaan met de lanteern en op eenige stappen van daar bleef ze ook zot ronddolen zonder hem of zichzelf te kunnen verlossen, en ze waren daar gestraft om alle twee te vergaan in den nacht.

—w'Hebben misdaan dien man te bedriegen met onze koe, meende ze ineens. Dan zag ze 't heerdvuur uitgebrand en den ketel hangen; ze[Pg 37] ontstak al bevend het lampje en lichtte benieuwd om te zien hoe laat het was. Neen, 't en was, God zij gedankt, nog geen nacht en ze was zot zichzelf alzoo met vrees nutteloos op te winden. Ghielen zal seffens t'huiskomen en wat doet die droom daaraan? ze legde nieuw hout op en bleef dan staan rekenen al de stappen die Ghielen moest doen om t'huis te geraken, 't Was toch helledonker buiten! ze zette 't lampke op de vensterbank omdat hij zóó beter 't huis zou vinden. Hij was misschien met Vinie naar de Klok of naar 't Wit Peerd, of hij was misschien iemand gaan zoeken om van dien koop te spreken....

Ze haalde alsaan nieuwe redens uit om zijn wegblijven uit te leggen en alzoo de onrust te verdrijven.

Dat lampke schemerde zoo vreemd tegen die sneeuwruiten en 't was overal zoo stil dat ze altijd meende dat 't nacht was. Ze pijnde zich om niet vervaard te worden en ze zegde nu de redens luidop om zichzelf te paaien.

—Wanneer gaat hij komen? Ze luisterde naar al wat ze peinsde gerucht te maken, maar 't was altijd niets.

—Waar is hij nu? Die vragen kwamen lijk spoken rond haar staan en ze kon er geen enkele wegdrijven of daar kwam een andere in de plaats.

Ze zette zich weer op den stoel, maar zoo seffens zag zij Ghielen weer bejaagd rondzwieren door de sneeuw, versmoord in die zwijgende, witte[Pg 38] zee, zonder mensch of beeste en al de huizen en boomen donker, met zware, witte mutsen bedekt, éénkleurig, onkennelijk onder 't zwart geluchte. Ze herinnerde zich de vertelsels van grootvader: van den ouden Miechels die een heelen nacht rond zijn hof doolde zonder de poorte van zijn eigen hof te vinden en dat ze hem 's morgends versmoord uit den wal trokken. Van anderen die ievers op doolkruid getorden hadden, of door een kwaden wensch waren misleid om nooit meer uit te komen,—van den metser die drie dagen op den doolstap liep en van Ziene 't oude werkwijf, die in 't naar huisgaan eenen aweg insloeg en zóó aan de rampe kwam.

Doka keek onwillens naar 't venster en als ze de groote sneeuwbrokken gruisdikke zag toevallen tegen 't glas, dan ijsde zij en krijzelde bij 't gedacht: moet het zóó voortduren, ze hier kon insneeuwen en versmachten zonder van een levende ziel hulpe of bijstand te zullen krijgen.

Ghielen die daar in rondkrasselde, wekte nu opeens heur groot medelijden. Ze tastte in den zak, haalde den paternoster uit en bad Ons-Heere en Moeder-Maria toch te willen genadig zijn met twee oude dutsen die zoo geern nog lange te leven hadden!

Tusschen heur gebed kwamen alle soort moord-histories en zij hoorde mannen rond het huis waareren die wisten dat ze alleen t'huis was en heur wilden vermoorden.[Pg 39]

Hoor, de koe beurelde om eten.

Beurelen, zoo wreed, vereend dat 't nu ineens duidelijk scheen: de groote koe ginder in den donkeren stal trok de rampe die komen ging in den nacht. De wreede stilte was als het voorteeken van 't geen gebeuren ging.

De wijzer draaide traag naar een nieuw uur, zonder uitkomst.

Dat beurelen riep weer al Doka's vrees wakker, ze aarzelde nog wat en eindelijk opende zij zonder schromen en om heur vervaardheid meester te blijven, de voordeur.

Twee strepen klaarte lagen op de sneeuw die al schrikkelijk dik gevallen lag, verder was 't inktezwarte nacht. Doka kreeg nu eene narigheid in 't herte en ze begon te weenen en te vragen om hulpe, doch aan wie zich te wenden en wist ze niet. Ze keerde weer binnen en haalde uit de schuiflade de gewijde keers en ontstak ze voor 't lieve-Vrouwbeeld, dan ging ze buiten en in heur wanhoop riep ze twee, drie keers door 't donker:

—Ghielen! Ghielen!

De hond liep over de sneeuw naar zijn kot, anders en zag of en hoorde zij niets, ze moest eindelijk wel weer in huis komen.

En met die brandende keers zag 't er nu zoo akelig uit als in eene sterf kamer. Daar was toch nog niets gebeurd, en Ghielen kon alle stonden t'huis komen. En moest hij die keer se zien hij zou wel vragen wie er zot of simpel werd.—Het[Pg 40] bleek heur zelf nu als een schendig misbruik van gewijd goed en ze blies 't licht uit en draaide de wassen keers weer weg. 't Speet heur dat lampke daar ook zoo lang en nutteloos te moeten laten branden.

Ze ging nog verschillende keeren buiten staan en keerde maar binnen als 't haar te koud werd. Ze was zelf al wit besneeuwd en ze kwam de handen drogen bij den heerd.

Ze had deernis met den ouden man die zoo laat in den avond vertrokken was. Heur armen hingen moedeloos langs het lijf, en ze verzuchtte:

—Och Herre toch, help mij, Herre!

Het koeisop kookte nu geweldig zoodat 't water sissend uit den ketel in 't vuur liep. In een plots besluit spande ze al hare kracht in en wilde zichzelf verhelpen in haar enigheid. De koe moest toch eten krijgen! Ze proefde om te heffen aan de einze en alzoo den ketel van 't vuur te verarmen, maar ze schoot te kort. Dan greep ze met meer kracht bij de twee ringen, ging dichter staan en zóó kreeg ze hem boven den haak, maar dan voelde ze ineens die bijtende warmte tegen de beenen en ze keek beneden, en eer ze den ketel kon laten zakken, zag ze al vlam en rook, in brand heur kleeren, overal.

Ze gilde, sloeg met de handen, maar ze laaide altijd en de nijpenden pijn was over heel haar lijf en de lekkende vlam liep rap als de weerlicht.[Pg 41]

Dan verloor ze 't besef en verstikte door den stinkenden rook. In de groote beroerte kreeg ze den inval buiten te vluchten.

Heere-God! ze lichtte waar ze stond, een heele klaarte wijd uit en ze was al vuur en vlam. Heur gewonde handen trokken de vunzende vendels vaneen, tot ze onmachtig was nog iets te doen.

Ze kreet een laatsten asem uit, geweldig om hulp en dan zakte zij door hare beenen en viel op den grond en lag er nog wat zoetjes te kermen en te piepen en haar droog uitgemergeld lijf en heur kleeren, 't brandde daar stillekens uit lijk een wassen keersken.[Pg 42]


NAAR BUITEN

De kerel ontwiek in zijn zelfde donker koolkot, even moe en strem als gisteravond, stijf van 't liggen op den harden grond, met de vochtigheid van den regen in zijne kleeren en de pijn in de voeten van 't slenteren heel den verleden dag. Hij rekte zijne leden en rechtte zich, maar eene lusteloosheid hing op zijn gemoed om de werkelooze ijlte die hij voorzag en de weerzin voor den nieuwen dropregen waarin hij nog eens zou moeten buiten liggen dat lange getij. Met 't opstaan stekten de nagels weer door zijne schoenzool in den rechter voet en door den linkerschoen voelde hij den grond met zijn bloote teenen.

En het wijf schreeuwde weerom achter de deur zoo bitsig:

—Toe, luizevel, blijft ge weer luileeg in uw kot liggen tot 't al is opgeschept!

Hij gromde iets en kwam met mijde treden in de woonkamer kijken.

Zijne snede brood lag gereed bij zijne komme[Pg 43] koffie en hij at haastig dien morgenkost. Terwijl volgden zijne oogen het wijf in haren gang; ze loerden alonder waar zij keerde of keek en als zijn brood was binnen geslokt, wachtte hij nog tot ze weer even den rug draaide, dan, met een sluwe vlugheid, snapte hij ook den broodkant uit de kast, dook hem onder rijn vest en, met den verlegen daver in zijn hart, haastte hij zich in gemaakte, trage onverschilligheid buiten. Op een loopken sprong hij den hoek om en dan weer den gewonen pikkeltred, mijde op de teenen en snukkend been, denzelfden zwemelstap dansend door het steegje. Hij vermeed de regenplasschen, zocht de hoogste steenen om zoolang mogelijk droog te blijven aan de zeere voeten. Hij hief den kop, zocht met opgetrokken neus in 't nauw streepje grijze lucht tusschen de twee vuile huizenreken, om te raden wat weer vandaag op zijn lijf zou vallen. 't Was overal effen halfdonker, schemermistig, ijverachtig klam van de gevallene vochtigheid. Zoo seffens was zijn opmerken gedaan en hij keek naar het wijveken dat de planken van haar winkelvenster wegdroeg. Dan ontmoette hij Toppie den Slunseman die met zijn ijdelen zak op den rug in de vroegte zijne ronde deed al toeterende op zijnen hoorn door de stilte. Hij groette met een oogknipje de kennis en hinkte verder. Aan den hoek van het straatje bleef hij weer een stonde besluiteloos en wendde eindelijk rechts langs de geslotene huizen tot aan de[Pg 44] zwarte aschhoopen langs de spoorbaan. Hij herkende de oude Lotte die daar als een uivallige fakkel gebogen neerlag en haar gerief vuurmaaksel gaarde in een mandetje.

—Lotte de Poetser, liggen er veel koolkies, vandaag? loech hij van ver en hij bleef staan kijken op zijn één been. Het vervallen wijf wendde haar oud wezen.

—Ha, Treite den Bemmel! grijnsde zij en raapte voort op den aschhoop.

—Slechte tegenkomst een wijf in den morgen! gekte hij in 't voortgaan. Ze gromde iets van; lammepikkel, maar hij verstond den zin niet. Hij loech luide en hinkte voort langs de rij zwart houtene palen die gereekt stonden langs de hooge spoorbaan, onafzienbaar ver.

Uit eene doffe dreuning groeide het zwaar gedommel van den aankomenden trein; forsig sterk en hoog snorkte het machtig stoomtuig vooruit met stampen en blazen. Treite stond met openen mond te kijken naar 't varend geweld voorbij de wagens waar de menschen door de vensterkes van uit hunne hoogte, op hem neerkeken. Met schrillen schuifelroep reed de trein de stad binnen en eene pluime zwarte rook warrelde achter den laatsten wagen weg.

—'k Wil dat ik er op zate! wenschte de jongen. Dat was nu in zijn gedacht: 't zuiverste genot van rijkdom en droge warmte die de reizigers daar hooge beleefden. Maar na dien enkelen trek was[Pg 45] de trein al verdwenen en zoo gauw uit zijn gedacht en hij schuifelde zijn eerste deuntje en hinkte voort over den zinderweg langs de zwarte paalstaken.

Aan 't ijzeren hek bij den los van de goederen stonden er al veel kerels van zijne soort. Hij herkende ze bij den eersten blik, elk aan een verschillig teeken: een trek van hun wezen, eene aardigheid hunner kleeding of gebrek aan hun lijf. 't Deed hem genoegen in gezelschap te komen, daarmede was de dag eigenlijk begonnen en in gang zooals al de andere die in lange gelijke reeks voorbij waren. De venten zaten of lagen zwijgend en keken op de dingen die nog gesloten en dood rondom in stilte rustten. Treite zette zich op den arduinen stander tegen de ijzeren poort en liet zijne lamme beenen zwemelen. Als hij in de lucht keek, kon hij toch raden dat de regen en de vuiligheid gister al was uitgevallen en dat zijn lijf vandage zou bevrijd blijven;—'t geluchte was toen nog, grijs met zware wolken die over de daken voeren.

Hier en daar rolde reeds een wagen over de straat door de stilte; de peerden lieten verdrietig den kop hangen en de voermans, daarnevens, vervaakt nog, keken niet naar 't geen rond hen stond. 't Werkvolk stapte haastig over de plankieren langs de huizen. Zij hielden de handen in de zakken, hun blikken drinkpullen onder den arm en de etenbeurs aan een touw over den schouder.[Pg 46] Ze krimpten kouderig de schouders en rekten den hals vooruit in den gang. Effenaan een die voorbijkwam wisten de vrachtleuren een dom, dof woord of eene lachreden die onbeantwoord bleef. Treite loech of luisterde niet als hij uitkeek naar iets dat elders roerde of aankwam; hij wachtte lijk altijd, naar entwat dat gebeuren zou waar hij een kansje zou vinden om een stuiver of een borrel te verdienen. En lange nog was er niets te zien 't opkijken weerd en de kerels, bleven als lammelingen in den uchtend staan of liggen en keerden de oogen met weerzin van den een naar den ander, nijdig dat ze daar met zoovelen stonden.

Maar dan kwam eene zware zandkar met vier groote honden bespannen uit de poort van een stapelhuis rijden; een groote kerel mende 't span naar buiten, sprong boven op de vracht en reed voort.

—Manes! schreeuwde Treite.

De kerel keek op en zocht in de bende.

—Ha, Treite den Bemmel! en hij wenkte met den arm.

Een kansje te snappen! dat doorschokte Treite met een vreugdeklets, zijne handen stootten zijn lijf van den paalstaak, hij zwaaide de armen open en wiekte als een kieken dat vliegen wil, hinkend naar de kar.

Manes hield in en wachtte.

—Gaat-ge meê? riep hij van ver.[Pg 47]

—Rijen? dat was de eerste en eenige voorwaarde die Treite aanlokte: zijn zeere voeten niet meer voelen en gevoerd zijn.

—Naar buiten met zand, knikte Manes.

—En de condities? begon Treite omdat hij nu zeker was van 't eerste en 't andere er nog bij wilde.

—Te noen een knorre roggenbrood met zwijnsvleesch en pap, en ook wel een pinte bier.

—En t' avond?

De kerel loech.

—t' Avond eten we bij de heeren in 't groot gasthof op de markt, met een flessche wijn, al naarvolgens de winst.

Maar Treite had zijn kreupel been reeds over 't wiel gezwaaid en klaverde met de handen om boven den karrebak te komen. Hij liet zich neer en voelde zijn zet diep-rond en zacht in het mullige zand prenten, hij legde de beenen gemakkelijk open, nevens Manes. De kar dokkerde voort over de straatsteenen en Treite loech om de aardigheid van zoo onverwachts vast te zitten en gevoerd te worden, scherend over den weg, zonder moeite te doen of pijn te voelen in de voeten en hij langde reeds naar 't beloofde roggenbrood en 't zwijnsvleesch—een dingen dat hij niet wist ooit geknabbeld te hebben maar dat, naar hij gissen kon, goede en smakelijke buikvulling moest zijn. Hij keek naar de voetgangers die bezijds de kar liepen, hij knipte oogjes naar[Pg 48] elk ende een om te toonen hoe goed hij zat en hoe preusch.

—Eila! flikkerbeen, ge blinkt onder uw hoedje! pennelikker met uw kalen frak, krebbebijter! riep hij naar den kantoorklerk die naar zijne bezigheid ging.

Manes loech.

—We gaan twee dorpen doen vandage, ik moet tonnen koopen gij kunt het zand uitventen; een stuiver de maat.

Treite greep reeds de ijzeren schop en woelde in den zeuzelenden hoop tusschen de beenen.

—Niet lastig, meende hij.

Manes hield de leidkoorde en snokte zijne honden naar links en rechts door de straten en ruischte ze op om 't gespan nog zeerder te doen rollen. Hij vertelde ondertusschen wat er bij de boeren te lande al te zien was voor aardigheden en van den handel en de geldwinst. Hij zat als een degelijk zandman, wel gekleed in de wijde vloeren broek en vest; een groote, blonde haarlok lag zorgelijk gekruld en gevet in schuinen hoek over zijn voorhoofd en daarover de groote blinkende bek van zijn blauwe pet. Treite had ook al geloerd naar het blauwe flanellen hemd, met overgelegden halskraag en de geelzijde koord die met twee flosjes onder de kin was toegeknoopt. Aan zijn ondervest stonden twee reken koperen knopjes die bevielen Treite buitenmate en hij keek met meewarigheid op zijn eigene voeten, als hij de[Pg 49] stevige, zwaargezoolde en vernagelde, waterdichte schoenen van Manes bezien en herbezien had. Treite kende zijnen makker van ten tijde dat zij aleven arm en slecht aangekleed, samen de kansjes snapten en centen verdienden met pakjes te sleuren en peerdenmest te rapen. Maar de beenen en armen en borst waren bij Manes zoo stevig uitgegroeid en zijne vloeren kleeren zwabbelden nu zoo los om dat forsig lijf van den zwierigen vent, en hij had ook zoo'n kloeken neus en zijne oogen stonden zee stout en diepe in den kop. 't Was hem dan ook al meêgevallen en hij scheen om 't geluk geboren, meende Treite. Integendeel was Treite altijd dezelfde tamme sul gebleven; zijne armen en beenen waren verdroogd aan zijn lijf, hingen lijk koorden slap en zijne oogen zagen loensch zoodat hem niemand en betrouwde of iets liet winnen.

—Hoe zijt ge aan die kar en die honden gerocht? vroeg hij.

Manes loech en beet zijn jongen knevel, hij snokte aan 't zeel.

—Juu, Baron, hup! dat is een heele geschiedenis, jongen, en hij vergat verder uitleg te geven.

—Is dat allemaal 't uwe, kerel? geërfd van een moeie of zoo? ge zijt ineens rijkman geworden?

—Dat is de zaak, Treite; eene vondst! 't ligt te rapen en die het grijpen kan heeft het meê.

Treite wachtte naar den uitleg om te leeren: waar zulk een ding wel mocht te vinden liggen.[Pg 50] Ze reden nu door eene straat die uitwijdde tusschen hooge gebouwen en tenden begonnen twee reken boomen waar de huizenreeks ophield. De wind woei er vrijer en koel en van weerskanten den weg lag het land bewrocht in wijde groensel velden, pachthovekes stonden daarin en tegen de verte, lange kazernen van gelijk aaneengereekte werkmanswoningen.

—'t En zal niet regenen, Manes?

—Neen 't, de wind zit Oost.

Treite en wist niet waar Manes zijne wijsheid haalde, maar hij geloofde hem geern, 't ware anders wel jammer geweest moest het nu weeral regenen als hij voor een enkelen keer zoo zachte op zijn vigelante over de bane reed. En rijen, jongens, ze reden, de honden, vier aaneen, gelijk effen dravend dat ge geen pooten en zaagt en de wielen dokkerden luide over de straatsteenen dat de inzittenden malkaar de woorden luide schreeuwen moesten als ze iets zeggen of vragen wilden. De boomen draaiden achterwaards weg en Treite merkte nu eerst dat er nog geen blaren aan de takken waren. De wereld en had hij nog nooit zoo wijd, zoo vlakuit zien liggen en hij verlangde reeds om ievers uit te komen waar er weer huizen en menschen te vinden zouden zijn. De boeren en de peerden in de verte leken hem zoo klein en dat rondtrappelen op het land zoo zot en zoo nieuw.

—Is 't nog ver, Manes?

De kerel had zijn pijpje gestopt, keerde zijn lijf[Pg 51] gebogen van den wind weg en hield het vlammetje in 't holle van de hand; de blauwe rookkuilen warrelden als pluimen rond zijn hoofd en hij trok al lastig nieuwe walmen.

—Nog een kwartiertje rijdens, en we zijn er! Toen begon hij in korte zinnen oolijk monkelend te vertellen.

—De arme leuren zijn zot van daar in stad te liggen luierikken; naar den buiten moesten ze komen! Ik was 't al lange beu van honger te lijden aan 't ijzeren hek en van pakken te sleuren, 'k wist wel dat er iets beters moest zijn, maar ik moest het alevel nog vinden. 'k Prakkezeerde bij mijn eigen en ... w'hadden gekaart op een ijdele bierton en al mijn oordjes was ik verloren! en dan kwam het gedacht!

Manes hield in, rekte den hals om zijn woorden in Treite's oor te tieren en hij deed wijde bewegingen met de armen.

—De makkers vertrokken en als ik alleen was blijven staan als een simpelaar, kreeg ik het gedacht de ton door de straat te rollen ... om ze ievers in 't droge te krijgen. Ik schopte ze vóór mijne voeten en daar kwam ik aan de brouwerij daar Moot de Brouwer in de poort stond, hij bezag de ton en ik—zonder verpinken, sloeg hand aan mijne pet en: "Mijnheer, Mane de kaasvent zendt me uwe ton naar huis." Hij las de letters van zijnen naam, op de ton en 't moest wel de zijne zijn—ik rolde ze in de[Pg 52] poort en hij gaf mij, verdimme, twee stuivers voor de moeite! Manes haalde zijn pijpken uit den mond om luide te lachen.

—Dan was 't gevonden jongen, ik kende een nieuw stielken: ik haalde door heel de stad al de ijdele tonnen uit de kelders en rolde ze naar de brouwerijen—en de stuivers rolden in mijnen zak, Treite! en bier op den hoop toe, zooveel ik lustte!

—Ge zijt alzoo rijk man geworden, Manes?

—Nog niet, jongen, ik niet, maar Dompe Kleerik is rijk man geworden, deze heeft heel zijn leven met zand gereden en nu blijft hij achter zijnen disch t'huis; 't wordt hem toegevoerd met heele schepen en zoo goed als gratis, en ik en een ander nu vullen daar ons karren en we zijn aan hem verhuurd. Dat is nu niet slecht maar niet goed ook, 't kan nog beter,—zie kerel, de buiten is goud weerd, ge verkoopt er al wat ge wilt ... dat ik geld had....

Treite luisterde met achting en verbaasdheid voor 't groot verstand van Manes en hij hoopte al een beetje zijn voordeel te halen uit die dingen.

—'t Kapetaal mankeert jongen, 't kapetaal! Treite knikte verstandelijk en hij tastte in zijn ondervestzak. Hij neep zijn één oog toe en trok een oolijk gezicht—Kerel, ik vind je lollig maar ge stoeft een beetje! dacht hij. Maar als Manes hem weer in 't wezen keek, was de ongeloovigheid er al af en de bewondering en 't goed[Pg 53] vertrouwen weer bloot en hij luisterde naar den kerel en zijn wondere knapheid.

—'k Heb er dit nu al bij gedacht: de schepen die met steenen varen, brengen hout mede van de reis of kolen of kalk en ik keerde langen tijd op mijn ledige kar naar huis en de helft van de reis was alzoo ten ondomme gedaan; maar nu voer ik zand en koope de boerkes hun oude pretolvaten en kom geladen weer in de stad en daar herbegint de commersie. Maar eens dat ik geld heb, doe ik de dingen in 't groot, 'k voere tien hondekarren en 'k zende knechten uit met kaas, zeepe, rijst, speelgoeds—in de winkelkes kost die peneware hondeduur—en 'k zou te lande al de groensels opkoopen, appels en peren—dat smijten ze u voor 't voeren op de kar en in stad wordt het voor zwaar geld verkocht.

Treite monkelde olijk.

—Hebt gij een oude suikermoei of een ander erfenisje te verwachten, Manes? dan word ik evengauw uw knecht en rijde met een vierspan op de groenselkar! Maar zie, ginder!

—We zijn er jongen.

Vlak te midden 't einde van den weg stond het oud kerktorentje en al de huizekes van 't dorp er dichte rond.

—Afstappen, gebood Manes en hij klopte zijn pijpje uit.

—Zand! zand! zand zijn! tierde hij overluid. Hij gaf een ernstigen wrong aan zijn gemeen[Pg 54] leurengezicht, zette zijne pet recht en streek zijn knevelken. De honden stapten al jagend hun blazenden adem door den openen muil. De tong hing hen over de borst.

—Zie, jongen, nu ga ik het u uiteen doen; ge rijdt langs de huizen, eerst dien kant af, tot ginder aan den wegwijzer en ge keert langs den overkant tot achter de kerk bij de linde, we zullen daar malkaar vinden—ik ga om vaten. Een stuiver de mate, hoor, en hij vulde ze lulde en striebelde den top open met zijn vingerklauwen:

—Zoo meenen de menschen dat ze sleekende vol besteld zijn! Ge zult wel ondervinden met wien gij te doen hebt; maar beleefd zijn—bij den pastor moet ge de voeten afvegen en op 't dorpeltapijtje blijven staan en uwe pet af! Kletta heeft een vies mondje, en om ne niet zendt ze u weg zonder koopen. Ginder op 't hoekje niet te hard aan de bel trekken of ge wordt van het huis gejaagd, ge moet luide kouten want 't mensch is moor-doof. Ge steekt de stuivers in éénen zak om niet te verdolen in de rekening.

—Geen nood beweerde Treite, al mijn zakken zijn gelijk: mijne eigene stuivers en heb ik op mij niet.—Juu, Baron!

Treite trok de kar bij de tramen over op den eerdeweg en ging op 't plankier en 't getrek hield overal stand waar hij eene deur openduwde. Heel dien morgen ging de nieuwe zandman de huizen af, zag er al de stille doeningen[Pg 55] van de verschillige nette woningen met 't leven er in van gezapige, geruste menschen.

Hij verwaterde van eetlust in den winkel van den beenhouwer waar de hepsen en schotels zwijnsvleesch aan de vertinde haken langs den muur hingen; hij praatte wat tegen de vrouw van den kleermaker en reed verder heel 't gebuurte af. De honden volgden hem over de straat en hielden stand voor elke deur.

—Moet er zand zijn?

Ze brachten hem een bakje, eenen korf of mandje buiten en de kerel vulde de ijzeren mate en keerde ze uit aan éénen stuiver.

Hij was nu aan 't overleggen of Manes wel zoo nauw zijn zand gemeten had en of er geen mate aan kon vermeten worden zonder den stuiver er bij te doen. Maar hij betrouwde de sluwheid van den kerel niet en vreesde dat hij met een onbekenden draai het bedrog zou achterhalen. Er was reeds een groote put in 't reuzelende zeezand en heel de andere straat moest hij nog doen, den bakker, den winkelier, den smid,—in de Valke kreeg hij een pinte bier als hij een greep wilde toemeten, dat was 't gebruik, merkte de bazin. Vóór de pastorij veegde Treite zijne voeten af, jufferde tegen de meid en hield zijne schele oogen neergeslagen; dezelfde beleefde houding herhaalde hij bij de meid van den dokter, en hij was in de overtuiging dat de klanten en Manes ook, wel tevreden zouden zijn over zijne[Pg 56] goede manieren. Bij den burgemeester moest hij door een net hoveken achter een traliehek en Treite merkte in een draai, 't paar nieuwe kloefen die langs het bloemenwegelken stonden afgezet nevens de spade van den hovenier.

—Zeezand! wit lijk tin!

De meid kwam gestoord naar buiten en bij 't openstaan der deur hoorde Treite den hovenier in de keuken die zijne pinte bier dronk en een rookte. In denzelfden stond was de trek belegd, 't groeide als een onvermijdelijke drang: de overtuiging dat hij nooit eene gelegenheid mocht laten afgletsen en daarbij de aanlokkende bekoring om 't moeielijke van het waagstuk. Hij gaf den vollen schotel aan de meid terug en in 't ommegaan over 't steenen wegeltje, klopte zijn hert, zijne oogen loerden, en als hij de deur hard achter de hielen hoorde toeslaan, stond het besluit vast om uit te voeren. Zijne handen beefden. Nu is ze weer in heur keuken bij den hovenier, overlegde hij, en ter zelfder tijd, zonder ommezien, stoop hij om kwansuis iets op te rapen dat gevallen lag, en in 't rechtstaan hadden zijne handen de kloefen mede, hij hield ze tegen de borst en liet ze voorover in de kar vallen. In eenen draai waren ze onder 't zand gestopt, en Treite volgde zoo kalm mogelijk zijnen weg. Hij overschrikkelde vier huizen in de reek om gauwer weg te komen. Achter den straathoek hield hij nog eens stil en gooide nog een hoopje zand[Pg 57] boven de kloefen en dan voelde hij den vreugdigen lust omdat 't spel gespeeld was en 't buitenkansje voor eigen rekening zoo gemakkelijk te veroveren viel.

Bij de kerk hield Treite stil, zette zich nevens de kar op den grond en keek op 't uurwerk boven zijn hoofd. 't Was bijna noenuur en Manes was nievers te zien en nu kreeg Treite lust om te eten. Hij haalde den gestolen broodkant van onder zijn vest en begon te bijten. De honden lagen gerust uitgestrekt en bekeken den kerel en zijn brood met verwaterde oogen.

De oude koster kwam uit de kerk, sloot de deur met den grooten sleutel en sukkelde al over 't kerkhof naar zijn huis. Dan roerde er niets meer rondom en Treite werd ongemakkelijk door de nieuwigheid van die rust op een ongekend dorp en verlangde er weg te komen. Een haan wandelde met zijne hennen over de grazing achter de beukenhaag en telkens hij op de verhevenheid van een grafheuvel stand hield, rekte hij den hals uit en wierp zijn scherp gekraai over 't stille kerkhof. De hennen liepen daar rond en keesden in 't gras zonder opzien, gestadig voort hun aas zoekend.

En eindelijk toch kwam Manes van achter den hoek en wenkte naar de honden, om voort te komen.

—We gaan een dorp verder, 't is hier gedaan. Ze sprongen op en de kar rotelde door de straat naar den overkant weer buiten de huizen.[Pg 58]

De zon was intusschen doorgekomen en onbewust was de vrees voor zeeverweer en regen bij Treite vergaan en onwetend genoot hij na van 't lustig voorjaarswindeke. Ze kwamen weer op den effenen weg tusschen de boomen. Ommelands lag er een andere wereld open, wijd en vlakt uitgemeten en al waar de kerel keek werd het nieuw land met kerktorens, huizen en boomen in de verte, en daarachter in de blauwte, vermoedde hij nog, diepere uitgestrektheid van ongemeten, onbewoonde landerijen.

Manes vertelde nu wat er ook al te winnen was met door de dorpen te leuren met mosselen, wollen dekens, printen, biezen zetels, en dat 't scheerslijpen ook wel goede leefte bijbracht. Al die bedrijven zou hij aangaan als 't kapetaal hem naar ievers te grijpen viel. Maar Treite luisterde niet meer, zijn moed was overdaan door die hooge, opene lucht en de vlakte die overal rond en wijd zonder gezichteinder van huizen weerkeerde en hij langde inwendig om ontdaan te zijn van die wegende, zware stilte en verlatenheid, om ingesloten te worden door straten met huizen en drukke woeling van volk die hij niet missen kon. Al wat er van dien plotsen uitgang nu nog te lusten stond was het beloofde zwijnvleesch en de vreugde omdat hij onder den zandhoop een paar kloefen zitten had die de zijne waren en dat hij morgen goed geschoeid en droge en zonder pijn aan de voeten over zijn oude steegsteenen zou dretsen.[Pg 59]

—Zand! zand! zand zijn! zeezand! zong Manes bij 't inrijden van het nieuwe dorp. Ze deden nu elk eenen kant van de straat en vulden de mate overhands. Binst dat Manes bij den winkelier den koop besprak van een petrolvat, haalde Treite de gestolene kloefen van onder 't laatste zandhoopje en bond ze onder de kar met een touw aan den as tusschen de wielen.

—Wanneer gaan we nu eten krijgen? hervroeg de kerel altijd bij zichzelf. De jongens kwamen reeds van school en stonden op een afstandje te kijken naar de geraamtemagere honden en wierpen stukjes van hunnen boterham om de gulzigheid van de hongerige beesten te zien.

Maar als ze nu op eene verlatene kruisstraat buiten 't dorp kwamen, hield Manes ineens de hand uitgestoken naar Treite en:

—Afrekenen, jongen, hoeveel stuivers?

—Hier in mijn onderlijfzak ... en Treite telde 't geld in Manes' hand.

—En in de andere zakken? 't Is hier al?!

—Niets, mijn ziele 't ia al!

—Overtasten jongen.

Treite tastte en schudde al zijne zakken uit om te toonen dat hij geen roode munt meer op zich had, maar Manes stak dan zelf nog overal de handen in en poorde over Treite's lijf en bepootelde hem al buiten en deed hem nog de voering overkeeren van al wat hij voor kleeren aanhad. 't Geld hertelde hij en knoopte het met[Pg 60] een mistevredenen grol in een beursje dat hij wegborg.

—Nu gaan we den kost zoeken, jongen.

—'t Wordt tijd, dacht Treite.

Ze reden op de werf van een boerenhof en Manes trad stoutweg naar de huisdeur en binnen de woning en wat later bracht hij waarachtig twee stukken brood met vleesch er tusschen bij Treite die de wacht gehouden had bij de honden. Ze kropen in de opene schuur en muffelden met gulzigheid den geschooiden kost binnen.

—Ja, 't is goed, goed, razend goed! meende Treite, maar zout, jongen, zout! en hij beet en scheurde met scherpen tand het brood en vleesch vaneen.

—En de honden, Manes? leven die met zand of....

—Wacht jongen.

De werf lag nog verlaten, al het werkvolk was binnen aan het noenmaal. Manes ging een ketel met water putten, loerde rond en stool dieveling een half roggenbroodje uit de haverkist in den peerdenstal. Hij brokkelde het in den ketel en de vier hondekoppen grabbelden tegelijk om het zeerst en zwolgen haastelijk hun deel binnen.

Dan kwamen de werklieden buiten en trantelden over de werf naar schuur of stal hun ruste zoeken. De koeiers en knapen naderden de zandkar. Manes kenden zij, maar den ander met zijn kreupel been, bekeken zij en begonnen met halfluide[Pg 61] woorden en slimmen monkellach den raren Ko te begekken. Treite bleef onverschillig liggen staroogen en nu zijn buik zoo wel gevuld was, voelde hij zich goed en liet de kerels begaan. Hij ging eenen teug water drinken bij den steenput en drentelde over de stoep, stak het hoofd in de stallen en keek vol bewondering naar de ongewone doening overal rond. Daar bleef hij staan bij eenen kerel die, 't lijf achterover gebogen, gedurig poge deed eenen stuiver van 't voorhoofd in den trechter te laten vallen die in zijnen broekband stak. Den eenen keer gelukte 't hem den anderen keer niet en Treite volgde 't spel met groeiend belang. Andere kerels kwamen ook bij.

—Kent gij 't spel met den trechter? vroeg de knaap aan Treite; als de stuiver er in valt is hij de uwe, maar valt hij er nevens, dubbel betalen.

Treite stond een wijle verbaasd en te dubben; dat was iets nieuws.

De kans beviel hem.—Een stuiver kan ik wel winnen, maar 't haar van eenen steen scheren, dat is wat anders; die niets en heeft blijft vrij van 't betalen!

—'t Is aanveerd, jongens.

Treite liet zich den trechter ia den broekband steken en boog zich achterover met den stuiver op 't voorhoofd; hij rechtte zich traag, loerde naar den top van zijnen neus en ... toen stroomde er plots een koude watervloed over zijnen buik[Pg 62] en beenen en als hij nog ontdaan van schrik, te bibberen stond en lekende nat, schaterlachten de boeren met den bedrogen steêling. Treite bezag zijn eigene dommigheid, gooide, den trechter weg, ging kwaad worden, maar voelde medeen zijne onmacht; hij zou den dader toch eene oorveeg geven maar hij zag dat Manes de kar reeds bij de tramen had en de honden van 't hof leidde. Dan hinkte hij; achter, beschaamd van de dommigheid waartoe hij zich geleend had en kwaad om den bedrogenen uitval met den stuiver dien hij zoo gemakkelijk meende te veroveren. Zijn natte broek plakte hem koud tegen de beenen en hij was blij gauw op de kar en weg te komen.

—Ge moogt de kerels niet betrouwen! loech Manes.

Treite antwoordde niet en slikte zijne gramschap in.

Ze reden langs een anderen weg weer naar het eerste dorp en daar laadde Manes de ijdele petrolvaten op die hij in 't doorgaan gekocht had.

Dan tikte een vinger op de ruit van een klein net huizeke en als de deur openging, kwam een wijveke buiten en wenkte naar Manes.

De kerel ging binnen en na langen tijd keerde bij weer buiten en droeg eenen baalzak aan de hand met iets er in dat spartelde.

—g'En zult hem toch geen kwaad doen?! smeekte 't oud wijveke en ze keek Manes drukkelijk in 't wezen en vouwde de handen.[Pg 63]

—Als ze nu toch dood moet?! deed Manes verwonderd.

—'t Is van loutere ouderdom dat ze blind is geworden, maar een goed en trouw beest was het altijd.

Meteen zwaaide hij den zak boven zijn hoofd en sloeg hem uit alle macht tegen 't wiel van zijn karre. Een scherpe katteschreeuw uit den zak en een gillen van 't oud vrouwke dat op den stond was achteruit gewipt en in heur angstigheid de deur had toegesmeten.

—'t Is gedaan, dààr! en hij gooide den zak die nu slap bleef liggen, op de kar;—'t beest en kon geen zachter dood sterven! loech hij wreed. Jongen, da's nog een buitenkansje: een gebraden kater is lekker om eten, ik ken een poeldenier die ze verkoopt voor konijnenvleesch! en 't vel is ook een rond prijzeke weerd bij den apotheker.

Treite stond verbaasd over de handigheid van Manes: wie zou er toch denken een blinde munt te slaan uit het lijf van een dooden kater?! 't werd den kerel ook in 't handje gegooid! en hij betastte den zak waar het dood beest vermorzeld lag.

Dan kreeg hij voor zijn eigen den goeden inval; hij neep één oog toe, duwde den vinger tegen 't voorhoofd: maar, zwijgen, jongen, en voor u houden, Treite is ook zoo dom niet! en hij schuifelde een deuntje om niets te laten merken.

—Kunt gij lezen, jongen? vroeg Manes in 't voortrijden.[Pg 64]

—"In de Blinde Vink, verkoopt men drank," spelde Treite en wees naar 't uithangbord aan de herberg nevens de bakkerij.

—Goed, meende Manes, 'k zal u gebruiken, jongen, in mijnen handel, en daarop neep hij de lippen met gemaakten ernst en geheimzinnigheid, 't geen bedieden wilde dat hij mocht gerust zijn: 't ander zou hij hem later wel zeggen.

Ze reden naar de brouwerij waar Manes ook al zaken had af te handelen.

—Treite, blijf hier bij de honden, 'k kom aanstonds.

Maar Treite stond zoolang bij de honden tot het hem verdroot. Daarbinst overlegde hij dat 't oogenblik nu best was: hij miek de kloefen los onder de kar en stak ze haastig bij den dooden kater, bond den baalzak weer dicht en legde hem onder de bank al den kant waar hij op de kar zou zitten in 't naar huis rijden.

—Dat is nu veerdig, meende hij en loerde nog of 't iemand gezien had. Dan kwam hij eenen stap t' eenegader tot in de poort bij den wijden keldermond en als hij 't hoofd binnenstak zag hij de dikke tonnen gereekt op schragen en 't schuim dat uit de opene bomgaten over de ronde tonnebuiken in de gistkuipen neerzeeverde. En de knechten gingen daar rond en goten uit koperen kannen het bier weer op. Hij keek en naderde eenen stap nederwaards en dan winkte hem een knecht en reikte hem de volle kanne[Pg 65] bier. Treite zette ze haastig aan den mond en zoop zoolang hij zwelgen kon, rustte om te verademen en herbegon op een nieuw. Bier! zooveel en had hij er nooit en hij wilde 't al uitdrinken om dien enkelen keer in zijn leven dat hij de kans vrij had. De knechten loechen en zetten hem aan. Als 't hem langs zijnen mond over de borst liep en 't niet meer door zijn keelgat wilde, liet hij de kan zinken.

—Zuip, kerel! zuip toch! riepen zij.

—En als ik, verdimme, niet meer en kan!

't Was de eerste keer van zijn leven dat Treite iets laten staan moest; hij veegde 't vocht van zijnen mond en kroop spijtig de trap weer boven.

Manes rolde de gekochte oude vaten op straat en ze werden achter en onder de kar gebonden zoodat 't voer wel aan een wijd geladen schip met ballast geleek. Treite gebaarde te helpen, duwde om 't evenwicht te zoeken en kroop er met groote moeite boven eene ton; de warmte steeg hem naar den kop en de doezeling overviel zijne zinnen: hij voelde zich wegvoeren door 't dorp en de doode straat, hij zag nog dat 't duisterde rondom op het land, maar gerocht allengs zijn menschelijkheid verloren.

Manes vertelde hem ernstig voort van handelszaken, doch Treite vatte er den zin niet meer van en had geen moed nog te antwoorden.

Hij zwom in een lustigen roes die hem dreef om te lachen, te zingen en welgezind zijn luide[Pg 66] leute los te laten. Hij lag achterover tusschen twee tonnen gevallen, de beenen hooger dan zijn hoofd en hij tierde om 't door heel de wijde vlakte te laten dreunen, het liedje dat hij van de landsche kermisgasten die in de postkoets 's Zondags naar stad rotterden, ergens gehoord had:

Rijen, rijen
Dat is pleizant!
Zoo te rijen
In de vigilant!

Als 't uit was, herdeed hij het opnieuw met verschen moed en luider, alsof het altijd den eersten keer, ofwel een ander klauzeke van 't zelfde liedje was:

Rijen, rijen
Dat is pleizant!
Zoo te rijen
In de vigilant!

Hij was in de meening dat zijn gezang nog altijd voortgleed, maar hij hoorde zijn eigene stemme niet meer, noch 't rotelen van de kar of iets anders van al wat er roerde of leefde op de wereld. Hij werd dooldravend meegesleurd over dorpen en velden en de stad was verzonken en niet meer te vinden.

Aan zijne ooren zat Manes te zagen over zijne winst, en van de dingen die hij aanvangen[Pg 67] zou als hij het kapetaal zou vastkrijgen dat zijne moei hem moest achterlaten, en hij wist nu zeker dat die moei ver, in eene vreemde stad woonde en stokoud was. En de davering wiegde Treite al dieper in slaap en deed al die dingen gekkend dooreendansen over 't donker land in den wilden avondwind, al weerskanten van den breeden weg. Maar opeens voelde hij eene hand over zijn lijf gaan, tastend in zijn vest, onder zijn hemd, in zijne broekzakken; hij loech inwendig en liet haar doen en ontwiek met de overtuiging dat Manes naar stuivers zocht die er toch niet te vinden waren. Daarmede hervoelde hij de kille vochtigheid van zijn natte broek. Hij opende de oogen en zag de gaslanteerns en veel menschen die over de straat gingen: hij was plots weer in stad getooverd! Hij zocht te weten wat er haperde, waar hij was en dan herkende hij de steenen pomp aan den straathoek. Daarmede kreeg hij de herinnering aan den baalzak, hij zocht met de hand en hield hem vast omsloten en gereed.

—Aan de brug, neen daar brandde juist de helderheid van een gaslicht en daar was ook te veel beweging van voorbijgangers. Hij wachtte. Nog twee straten verder reden zij, tot aan den spoorweg; langs de zwarthouten paalstaken lag een breede streep duisternis. Het Tuinstraatje waren ze reeds voorbij. Nu moest het ... want 't stapelhuis was maar eene straat verder.[Pg 68]

Treite draaide den arm al onder weg en gooide den zak over de ton, hij zelf hoorde den lichten plof—Manes merkte niets.

—Aan de derde lanteern moet ik er af.

—Tot de naaste reis.

—Lijk we gezegd hebben, jongen.

Manes hield de honden in en Treite wrocht met moeite de beenen uit de kar. Hij stond stijf en keek een stonde tot 't getrek was voortgelutst, sloop dan naar de donkere vlek langs de palen en tastte naar den zak. Nu miek hij een neus achter Manes, krulde zijn lijf met ingehouden stuiplach, sloeg op de bil.

—Zie-j'hem gaan, den slimmerik! tierde hij en borst nu los in eenen schaterlach. Hij haalde zijne kloefen er uit en stak de oude, doortordene nagelvooze schoenbrokken bij den kater en gooide den kluts over den schouder. Hij stampte met de houtene blokken over de steenen, preusch lijk een kind, naar zijn koolkot. Hij was overdanig blij dat hij vandage zooveel geleerd en gezien had, maar 't voornaamste nog was zijne welgezindheid om het buitenkansje: de kloefen en den dooden kater.

—Ha kerel, morgen wordt ge 't vel afgestroopt en er zal geld afkomen!

Hij wist bij zichzelf wat duivelsch fijnen toer hij gespeeld had en loech nu wel met al de gerekende knapheid van Manes' commersie.

Eer hij nog sliep roesden reeds al die trage,[Pg 69] stille dingen van den buiten door Treite's hoofd en hij bouwde nu zelf een slimmen handel op en hij meende iets gevonden te hebben, sterker dan al wat Manes had kunnen uitpeinzen en dan nog zonder daarvoor te moeten naar buiten loopen!

—Katten, jongen, katten! maar 't krielde er van in de steeg, ze liepen de vensters uit, de daken op en schreeuwden bij nachte lijk kleine kinders in pijne. En 't was drommels dood gemakkelijk: een strop op den zolder leggen, een in 't koolkot, een op 't dak en de vette, ronde katers zouden er in loopen; ze waren al gevild en verkocht—de vellen aan den apotheker en 't vleesch, als echte konijnen, gekuischt en opgespannen; de poeldenier zou ze nooit uitkennen! Maar opeens grijnsde hem die gevilde, ronde katerskop toe uit de donkerte, de diep uitgeholde oogpunten blekten en de tanden stonden naaldefijn in den openen muil, en uit éénen kop werden er tien eerst dan wel duizend, overal zotgekkende katerskoppen op dat gevild konijnenlijf en ze loechen om Treite's fijnen streek die nu ontdekt was, belachelijk gemaakt; en wat hij al zocht om 't spel een anderen draai te geven, met die koppen kon hij geen raad vinden.

—Manes zal daar middel mede weten! dat was nu voorloopig de uitkomst en daarmede troostte hij zich in afwachting.

Dan eindelijk kon hij inslapen en rusten van dien vermoeienden dag in de dikke, opene lucht.[Pg 70]


SINT-JAN

Als de noenestond stil was uitgeslapen, keerde Jan door den gloeienden midzomerdag gaan werken op 't land. En de jonge vrouw bleef alleen met heur twee jongens koele in 't huizeke.

Den langen achtermiddag zou de zon weer over 't veld hangen, hooge en branden op de vruchten.

't Was tijd nu om te werken; zij weerde den goeden vaak van daareven en rekte om de lamheid te ontdoen die met de drukkende warmte haar in de leden woog. Zoo stond ze, plat barvoets op den steenen vloer in de kleine woonkamer en bleef wat kijken nog door 't open venster daar de bloemen warm bloeiden. Op 't uurwerk lag voor haar 't gebod van voortdoen; zij geeuwde en kwam eerst nog bij de wiege kijken waar de kleine jongens te slapen lagen. Zoo schoone, zoo poezelig vet lijk mollekes gezond te slapen nevenseen. Hunne armkes lagen nog geplooid naar 't spel, voor den vaak ze kwam vastleggen en de vingerkes waren geloken tot kleine vuistjes. Zij dubde om[Pg 71] die handjes te grijpen en te kussen nog nen keer terwijl ze alleene was, maar nu wilde zij hen niet wekken: zacht laten slapen, en kijken, kijken alleen, met de oogen streelen. Zoo schoon, zoo kriekeblozend rond gewangd was haar schat! Daar lag nog den monkel op 't eene zijne lippen en de putjes waren nog in zijne kaken. 't Andere lag met een ernstigen trek om den mond, als een oud manneken in gedachten verslonden. Moeder stond en keek en ze glimlachte.

—Toe 'k moete voortdoen, dwong heur gedacht weer, 't is zaterdag en Sint-Jan vandage en daarbij overrekende ze al heur werk. Dat schudde haar los, ze boog en kuste in onbedachte beweging de mollekaakjes zacht, diep duwend de lippen in 't malsch, koele kindervel. Ze dekte bezorgd de wiege toe met 't gebloemde doek voor de vliegen en ging haastig in de weefkamer werken op 't getouwe.

—Den lap af tot aan de tweede smette, was heur voornemen, dat was de duur van een heelen achtermiddag; met dapper te werken kon ze tegen den avond gedaan krijgen en te vespertijd nog de kinders te zuigen geven en heur Jans besteek gereed doen.

Hij mocht er niets af weten; de verrassing was de helft van het feest. En zoo regelde zij voort in hare gedachten om 't fijne te vinden hoe alles best geschikt. En terwijl zat zij te midden op de planke en heur voeten wrochten[Pg 72] op de geterden en heur handen snokten den tap en de lade. En heel 't gedoen kwam in drukke beweging; daarmede was 't gerucht plots door die stilte gevallen en na 't verschot bedaarde 't nu wat als iets dat gewoon door de kamer klabetterde en altijd geduurd had. De spoelen rolden kruisend al snorrende over en weer en latten wisselden en sloegen onder 't gestamp van de geterden, dat alles op gemeten slag en geklets dat galmde naar buiten.

En vóór het venster, over 't wijde veld, schong de zon, lijk al de dagen, eenbaarlijk zonder vergaan, in een perelblauwen hemel en er dreef een vlugge windeke van buiten naar binnen. De blijheid lag in kleur over 't hoveken rond het huis. De rijpe krieken lonkten lijk oogen rood onder 't loof van 't jonge boomken. In reken, van weerzijds het wegeling tot aan de eerdestraat en rond en rond, stonden de bezietronken zwaar geladen, de groenselperkjes door de dikke berkenhage omheind. En daartusschen schetterde 't kleur van de bloemen. De leliën luidden hoog 't wit uit de opene kelkklokken en stonden gesnoerd aan rilde stammen die wiegelden genadig bachten 't vlammende rood van de stokrozen hooge geritst de ronde ballen en geklest aan rijzige persen. De leeuwenmuilkes lonkten laag langs den grond, kleurspetterend blauw, rood en geluw; verder een reke thijmstruikjes in gedempt groen; een bussel anijs in fijne sprieteling als een groene[Pg 73] haarbos luchtig open, verwaaiend en gedoken aan den voet, door viooltjes dikke dooreen in duizend kleuren: Sint-Pieter-leliën schel uitstekend het geel van hunne kelken tegen 't zware gestruik van de dahlias en pioenen. Dat stond allemaal verschillig de wegels zoomend en elk tierde in vroolijken groei tegen de blijde zonne. De wijngerd berankte de muren onder de euzieën en dekte 't witsel en de vensterboorden met zijne groote plakbladeren. In 't midden stond de oude vlierboom, gedaagd en krom gebogen, knuistig over den steenput en dekte 't water met koelte en lommer in een donkere spelonk, maar al den bovenkant ter zonnewaard, lagen de vlakke, ronde, witte zaadblommen open als handen zoo groot en strooiden de goede vlierreuke rond.

't Getouwe kletsklakte, de vogels zongen en als de jonge vrouw buiten keek, zag ze hoe de wind heel de groeite en heel dien bloesem kwam verwemelen en leven doen: al de kleuren mingelmangelden dooreen, dansend en neigend de stengels en de bloemen daarop: 't rood van de rozen boven 't wit van de leliën en 't purper van de vette pioenen—met gevezel van bladeren die den reuk opjoegen en 't bloemenstof, omhooge in 't goud van den zonnezomerglans. De bijen en de verwige, bonte vlinders fladderwiekten van blomme te blomme of speelden twee en twee met klepelende vlerken op en neer tegen de ijle lucht. Ze voeren weg over 't huis naar de breede[Pg 74] koornvelden en 't aardappelland, maar deden weer een ommedraai en keerden naar 't hoveken onvermoeid hun spel hernemend. Heel die blijde, kleurige, warm spetterende, stilvaste, levensvreugde en al dat zonnegelonk speierde uit met den reuk van rozen en reseda door 't open raam de weefkamer binnen; de vogels schetterden in den vlier en in den kriekelaar; 't getouwe klikkakte op luchtigen maatstap mede met de geruchten van buiten. Onbedacht en eenstemming met heur omgeving, zong de jonge trouw dat 't helmde door al de schatering rondom heur hoofd, een liedje uit haar geheugen:

Wat is de zee al zonder water,
Wat is een meisje zonder lief?
Helaas zij ondervindt er later
De schande van en 't groot verdriet!

Dat kwam boven gewalmd als eene noodzakelijkheid waaraan zij gewillig toegaf. Die woorden rolden gereedgemaakt, ongewild uit heur keel, zonder dat ze aan den inhoud dacht; ze genoot onbewust van haar vrije, diepe moederweelde, heur overvoldanen rijkdom, heur eigen jong fleurig leven eerst en 't dubbele van heur zelf: de twee ontbotte, nuchtere keestjes—Jantje en Pierke, heel heur wonne, de spartelende knaapkes met heuren Jan zijn oogen en heur eigen blonde haar. Al dingen van geluk waar ze keek of de gedachten wendde.[Pg 75]

Heur handen wrochten en heur voeten torden op mate van 't eigen geruchte van getouwe en lied en ze voelde bij elken ademtrek de warmte van buiten en den bloemenreuk. Anders was ze alleen en in groote eenzaamheid en verlangde naar t'avond en naar Jan en naar 't blijde spel van den feestdag.

De spoelen gletsten vlijtig en de latten schrankten en 't stuk blauw-en-rood geperkte doek groeide trage, trage achter 't slaan van den kam uit het vormelooze garenspan en bij tijden rolde ze het op den dikken boom. Aan de laatste smette moest ze komen vandage eer ze den tap zou laten schieten en in die afwachting schoof de tijd in de stilte, met aanhoudend, luidruchtig leven buiten en binnen. Achterna begon het àl mede te werken op mate van den ladeslag: gewiegel van bloemen op den wind en geflodder van vogels en vlinders, in leute onverpoosd.

Het zijn al vrijers in mijn' oogen:
De blonde knapen, de jonge kerels fijn.
Wacht u wel voor hunne logen
Want de besten zitten vol venijn!

Dat stond met woorden en slependen zangdraai vergroeid, één geworden door langen duur en menig herhalen en dat herbracht als met eene windvlaag, heel haar jongen tijd tegenwoordig: 't gevoel en 't gezicht van de blijde zotternije[Pg 76] midden 't druistig werk met andere meisjes, in 't vlas of elders op 't land, onder den grooten zonnehemel. Van den inhoud der woorden was er door 't danig herhalen, maar schaars een vage verstandenis haar bijgekomen, de voois met onveranderlijke woorden samengegroeid tot een vorm: de aanvang klonk als een vermaan van grootmoeder over een heel dorp van dansende jonge meisjes waarop niemand en schafte; later eerst moest de uitkomst bewijzen dat grootmoeder gelijk had en de meisjes gingen weenen om hunne zotternije. Op den zelfden sleeptoon sprong het liedjesverhaal zonder overgang, in een ander land op een kasteel van groote heeren, als in een vertelsel.

Daar was intusschen iets gebeurd waarvan het liedje niet en gewaagde en alles raden liet, maar de zangster en vermiste de achtergelatene klauzekes niet omdat ze haar niemand en leerde en 't bedied bleef toch al even duidelijk.

Zij ging het aan haren vader vragen:
"Vader vergeef mij voor dien enklen keer!"
En heur brave moeder moest nu dragen
Den zwaren last van groot hertzeer!

Hoe bondig de verzen vertelden, heel het verloop der gebeurtenis lag er in bloot: het meisje stond er duidelijk in de verbeelding der zangster, te weenen onder den last van 't groot verdriet en ieder wist nu maar al te wel heur schande.[Pg 77]

't Begon haar zelf naar de keel te gaan al zong ze het liedje duizend keeren en zonder bedachtheid, klonk het altijd zachter, 't derde klauzeken:

De vader sprak met sture woorden:
"Marie-Sophia trek maar uwe schuit van kant,
Want in mijn huis zijt gij bedorven
En nu moet ge uit uw vaderland!"

En blijder, inniger ging het nu weer, alsof er niets gebeurd en ware, de eerste twee reken, een zonnig huizeke was 't rondom in 't groen.

En vóór haar deur, daar lag een warandeke
Waar zij alle dagen haar voetjes wascht;
En zij dacht al bij heur zelven:
'k Zal mij versmooren in dien waterplas.

's Morgens vroeg al bij het klaren
Is heur vader tielijk opgestaan;
In dat warandeke waar hij ging jagen
Kwam die wreede ramp vóór zijne oogen staan.

Hij riep: "Ach, Heere, waar is zij toch belonden?
Is dat Sophia mijn eenig kind
Die hier ligt in 't nat verslonden?
Straf mij Heere! 'k heb het wel verdiend!"

Daarop heeft hij zijn eigen roer genomen
En gedrukt al tegen zijn rouwig hart;
Daarmede heeft hij zich het leven ontnomen
Omdat hij bezweek van pijn en smart.

[Pg 78]

Ontlastend troostte het slot en blijder weer klonk het met vlijtiger stemme:

Sa, jonge meiskes, al voor het laatste,
Al voor het sluiten van mijn treurig lied,
Als gij wilt vrijen, doet maar uw beste
Of de jongens brengen u in groot verdriet!

Ze wachtte en luisterde omdat ze meende gerucht te hooren bij de wiege, en ze keek hoe ver de lap gegroeid was. De zonne was middelerwijl gezonken en brandde nu heur goud schuin in warm groen over de blaren, met dikke schaduwvlekken. De bloemen stonden stil en de vogels speelden en waren doende in eigen genot. De rust daalde merkbaar met de koelte van den uitslependen achtermiddag. De deun van haar eigen lied weerhoorde ze nu met den voois van een trekorgel daarbij op een feest of kermis ievers en ze voelde de deernis van 't weemoedig vertelsel door de luide lente en 't gegiechel der omgeving, als bij 't overdenken van een ongeluk dat lange geleden en verre gebeurd is.

Maar dat vage, vergeten ongeluk deed haar dubbele deugd om haar eigen voldane leven: haar eigen groene warandeke met den waterplas, onder[Pg 79] den koelen vlierboom en heel haar leven van nu, mengelde en werd—hoe net ook—te verschemeren in de zaligheid van een oud liedje. Ze kon het niet meer uithouden, 't kwam op als een vloed, ze wipte van de zitplank en met de armen open al, sprong ze naar de wiege.

Ze lagen wakker met oogen groot open en staken de armpjes uit om opgenomen te worden.

—O, mijn deugnietjes, alletwee! en moeder hief ze op en duwde ze tegen heur lijf en kuste hunne beslapene wezentjes overhands.

Ze zette zich op den stoel en eer ze heur wijde jakke open kreeg, woelden en zochten de kleine handjes in de plooien om de bloote borsten te vinden; zij grepen ze vast en lokten gulzig. En zoo zat moeder, met haar kleed en de knieën open, de voeten op een anderen stoel, geduldig te geven heur rijke melk. Zij hield de handen om de ronde kinderlijvekes bloot op hun hemdeken en bekeek zichzelf en de twee dutskes die met gelokene oogen, neerstig hun voedsel binnenhaalden. Ze voelde hunne buikjes op en neder gaan bij 't zwelgen en ze loech om 't aardig vertoog van heur eigen zitten en genoot de deugd en de ontlasting in de gegeerde bezigheid. Als de twee molletjes hun bekomste gezogen hadden, duwden zij met de handjes de witte borst weg en wendden het hoofd om te rusten. Maar moeder bleef zitten nog met voldoening; ze rechtte Jantje op haren knie en Pierken op den anderen, schikte[Pg 80] de hemdekes over hun lijf en speelde en dreelde met de opene hand daaronder over de malsche billekes, knikte en loech hen tegen, deed ze lichtjes wippen en leerde hen "Moeder" zeggen en "da-da" knikken. Ze plooiden hunne lipjes open en daarom kuste zij weer met volle grepen hunne kleine mondjes en oogen toe. Ze voelde eenen wellust waarbij heel de wereld verging.

—Weer in uw wiegkes nu, mijn poezele ratjes, vader komt t'avond, en slaapt nu schoone! Ze koutte bij al heur doen als tegen groote kinders die 't al verstaan en begrijpen konden.

—En nu moet ge stilliggen, 'k ben aanstonds weer. Ze douwde en neuriede een wiegeliedje om ze in slaap te krijgen. Maar hij was verre weg de vaak en ze bleven liggen wentelen en spartelden ongedurig met armen en beenen. Daarbinst verliep haren kostelijken tijd zonder dat 't werk vorderde.

—Ziet dat ge u zelve paait! en ze dekte de wiege toe en keerde in de weefkamer en snokte er vlijtig om de smette te krijgen.

De twee schijterkes gingen luide aan 't schreeuwen en moeder zong door al 't geklets van heur getouwe:

[Pg 81]

Langs een groen heidetje kwam ik getreden
Langs een groen heidetje kwam ik gegaan
'k Was in mijn hemdetje
Van tik tak, tik tak hemdetje
'k En had geen rokjes aan
Van tik tak, tak!

Zij zong en herzong die reken en zong ze nog als de jongens lange sliepen en de vogels al zwegen buiten en de zonneschijn laag nu pinkelde door de groene blaren. Dan kreeg zij eindelijk de gelangde smette! 't Werk was af! Ze wond het goeds op den boom en kwam voorzichtig op de bloote voeten in huis, hief den tip van 't doek op boven de wieg en vond de jongens vast in slaap.

—Nu, binst ik alleene ben, meende zij en haalde geld uit de schuiflade en liep haastig, half gekleed lijk ze was, door 't hoveken over de straat. Ze sprong als een vlug meisje dat 't zand achter hare voeten opvloog en in de weerdij van vijf stonden was ze in 't winkelken op den knok bij Dule Trame.

—Dule, spoed-u, jong, een kilo toebak.

't Oud wijf zat te spinnen en keek onder hare brilglazen over den disch. Ze stond op en zocht naar gewichten op de vensterbank waar al de winkelwaren lagen uitgestald en reikte traag, met stijve, oude bewegingen naar den tabakkorf.

—Een kilo toebak en twee roeten keerskens, en twee lange, steenen pijpen; 'k moete mijnen man besteken, en seffens komt hij thuis; hij mag het niet weten.

—Ha! 't is morgen Sint-Jan, knikte de oude[Pg 82] Dule. Zij pekelde de lange drendels tabak af en toe in de weegschaal en sneed twee keerskens uit den reesem en reikte twee pijpen uit den steenen pot. Dan leunde zij met de ellebogen op den toog in 't voornemen een beetje te kouten met Wieze, in 't afgaan van den dag.

Maar Wieze telde haastig het geld, wond de winkelware in heuren voorschoot en hield de pijpen weigerlijk in de hand.

—Dule, tot morgen, na de mis! en op een loopken was ze al buiten op straat om zoo gauw mogelijk bij de jongens te zijn die alleene waren. Heur herte klopte van gejaagdheid en vreugde. Een mei zou ze maken en de pijpen pinten! 't Was zoo wonderwel gevonden en 't paste zoo goed: Sint-Jan op eenen Zondag! Zij voelde de blijdschap kriewelen inwendig bij 't gedacht aan Jans wezen morgen uchtend als ze vóór hem zou staan met heur jeunste! en heel den Zondag om te rusten thuis.

De kindere lagen even stil toen ze binnen kwam en nu ging zij aan de belangende bezigheid. De tabak deelde zij open in een ronde teele, plantte er de twee keerskens in en trok donkerkblauwe en purpere dagsterren en wond er de binderanken als een kroone om den boord. Dan sneed zij eene mand vol van de schoonste bloemen en zette zich plat op de zulle in 't deurgat om den mei te binden. Eerst de bloeiende vitsen met anijskruid gemengeld en wilde roosjes wond ze rond de lange pijpstelen en legde[Pg 83] ze kruisgewijs in de tabakteele. Nu de groote, ronde boererozen, zenia's, lijk kleursterre, violiers dikke gereesemd wit en blauw en rood. Ze koos met de oogen en herschikte de bloemen volgens tinte en kleur in den groeienden bos. Ze hield hem uitgesteken tenden den arm, herstak eene goudbloeme hier, eene lelie daar, duwde den neus met wellust in de reseda om den goeden reuk volop te genieten en wrocht voort; het fijne pluimgras—lijk pereltjes aan dunne sprietjes—vormde een luchtig afzetsel rond en rond en de floksen bengelden hunne roode klokjes daartusschen. Ze knoopte de stelen met een bieze toe en zette den prachtigen rieker in het goud-bebloemd kommeken met water. En nu alles weggeborgen onder de kannebank in de waschkamer en 't bord daarvoor en een stoel daartegen en Jan zou wel niet merken dat er iets gaande was.

Ze klom op den boom nog en trok een mandeken krieken en dook ze bachten de bedsponde.

—Nu is 't al veerdig! meende zij en haastig bracht ze 't koperwerk buiten en schuurde het met zand en zurkel en legde het, afgespoeld, blinkend lijk nieuw goud, te drogen op de hage. Jan mocht nu komen.

Ze was al neerstig aan 't werk rond den heerd voor 't avondeten en Jan hoorde haar van op strate, vroolijk het oud liedje zingen:[Pg 84]

Wat is de liefde wonderbaar in hare werken!
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Hij zette zijn alm aan de deur, klopte zijne kloefen af en kwam gestopen onder 't lage deurhout, stil in huis. Zijn eerste stap was naar de wiege, maar moeder deed haastig teeken om hem te weerhouden.

—Laat ze, ze zijn pas in slape, Jan. Ze zullen schreeuwen heel den avond.

Dat was 't minste van de reden: ze was eigenlijk jaloersch als ze er niet bij kon zijn om te spelen.

Aan 't lage tafelken aten zij den mageren avondkost met goeden smaak. Wieze koutte alsaan, opgeruimd en vervroolijkt omdat ze samen thuis waren. 't Andere hield ze met moeite binnen en ze vroeg naar 't werk en de groeite en naar 't weer en naar duizend andere dingen nog, blij lijk de jongens omdat 't morgen Zondag is. En Jan, met zijn ernstige, grove tale daartusschen, zag door haar blinkende oogen 't gedoken spel en raadde de heimelijke doening die morgen, zooals alle jaren, zou bloot komen, maar hij gebaarde zich onwetend en hield zijn tevreden monkel onder den knevel gedoken en liet haar 't genot daarvan alleen.

Na 't eten wandelde hij naar buiten door 't wegelke en rookte eene pijp om den avond te zien. Hij leidde de jonge boonranken op, weerde[Pg 85] 't kruid uit de groenselbedden en goot water op de tabakplanten. Als hij de vrouw hoorde schuren met den bezem over den vloer, ging hij stille en haalde een mande uit 't achterhuis en sloop bachten den gevel naar 't aardappelveld. Hij dook zich achter 't hooge koorn en woelde met de vingers de eerste balken open. Ze waren nog jong en heel kleine, lijk blinkende bames-pruimen, de muizekes, maar morgen moesten ze proeven van de nieuwe vrucht, dat was gebruik op Sint-Jan. Hij weerde 't wakke loof en zocht dieper; de mulde eerde stroelde tusschen zijne vingers en zoo vischte hij de mande vol jonge aardappels.

Hij keerde lijk hij gekomen was en hing de kostelijke eerstelingen hooge aan de ribben in 't achterhuis en rookte bedaard een tweede pijp al wandelend in 't wegelke tusschen de bloemen die bedauwd, nu sterker geurden. Wieze zat op den grond vóór de deur met de twee kinders op den schoot en gaf ze te zuigen.

—Maar Jan, wat schoone avond! Ze deed hem kijken door de opening van 't hof, tusschen de twee linden naar 't Westen, waar de lucht gewolkt zat en over 't land, verre, door de vallende deemstering, waar hier en daar de vuren brandden op de hoogten en de rook in dunne streepkes, recht opging en verder in lange dunsels, uitgerekt bleef hangen over de vlakte. In de avondstilte ging 't geschreeuw van de knapen en daar de vlamme in[Pg 86] klaarteglans opsloeg, dansten de zwarte gestalten in ronde al zingend af en toe en hunne stemmen galmden van den eenen smeulhoop naar den anderen:

Maakt vier!
Stookt vier!
Sinte Pieter komt alhier!

En veel verder, half gedempt en overwauwd door 't huilen van honden, den lang gerekten schreeuw uit de duisternis:

Leve Sint-Jan!

Dat was de feest-avond, de viering over heel het land. Jan en gebaarde er geen woord van en Wieze speelde met heur kinders en ze keek gedoken hoe de groote sul met een bundel rijshout in de armen naar den knok ging en daar ook het vuur aanstak. De groote vent, hij stond alleen en zwart en pookte in de hoop tot de klare vlamme uitsloeg, die hij dan toedekte met versche groenigheid o