[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Krates, by Justus van Maurik Jr.
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
Title: Krates
Een Levensbeeld
Author: Justus van Maurik Jr.
Illustrator: Johan Braakensiek
Release Date: January 19, 2006 [EBook #17549]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KRATES ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Bertha: “Weg, Bultenaar!”
Arnold: ”’k Werd zoo geboren, moeder.”
Byron.
[5]’t Heeft er jaren lang gestaan: “Philip Strijkman koopt alle soorten van kleederen en andere artikelen in, tot den hoogsten prijs,” en ’t zou er misschen nog even duidelijk met zwarte letters op ’t witte bord te lezen staan, wanneer niet sedert ettelijke jaren de eigenaar tot zijn vaderen vergaderd was.
Aan de geschiedenis, die ik wil vertellen, hindert het evenwel in het minst niet, want op het oogenblik, dat mijn verhaal begint, pronkt het bordje nog in volle fleur boven tegen het snijraam der smalle deur van het ouderwetsche huis in de Egelantiersdwarsstraat, dat ik met u wil binnengaan.
’t Ziet er niet zeer aanlokkelijk uit, dat smalle perceel; de verf van het houtwerk is langzamerhand door weer en wind ontbonden en overgegaan tot een schilferige korst van een onmogelijke kleur. De steenen der pui zijn sinds onheuglijken tijd niet geolied en hier en daar laat de kalk los uit de voegen, die nattig en vuil u aangapen. De nok van het huis hangt treurig voorover en de vermolmde hijschbalk steekt er als een ontvleesde arm uit.
Let eens op de scheeve kozijnen der vensters, waarvan twee breedere aan elke boven-, twee smallere aan iedere onderverdieping, door de kleine groenachtige ruitjes een karig licht laten vallen in de vertrekken, die van achteren [6] geen ramen hebben, maar een beplakt schotwerk, dat hen van de achterkamer scheidt.
Naast de deur bemerkt ge een gelijkvormige dito, die toegang geeft tot de trap, welke naar de bovenwoningen leidt.
Even verveloos en verwaarloosd als haar buurvrouw, onderscheidt zich die deur alleen door een papier, dat boven tegen de gebarsten ruitjes van het snijraam geplakt is en den voorbijganger vertelt, dat op de onderste voorkamer woont:
N. Makko. Scheerdt en kureerdt honden en neemt dezelfde in de kost.
Voordat wij die trap opgaan, willen we eens even met de woning van den pandjeshuishouder Philip Strijkman kennis maken.
Ga met mij het smalle gangetje door en pas op dat ge uw hoogen hoed niet deukt, als ge het lage deurtje binnentreedt, dat naar de zijkamer voert, waar de winkel, of eigenlijk het pandjeshuis wordt gehouden.
Voorzichtig! want het is donker, als ge binnenkomt; de eene helft der vensters wordt in beslag genomen door een dichte groene hor, en de andere wordt verduisterd door het dikke geelkatoenen valgordijn, dat vingerdik stof in zijn plooien heeft en daardoor nog ondoorschijnender is.
Er heerscht een zekere nevelachtige toon in die kamer, en juist dat grauwe duister is in overeenstemming met de plaats, waar wij ons bevinden; want in de woning van Strijkman heerscht de geest des woekers, en die schuw het licht, evenzeer als zijn slachtoffers, die hem gewoonlijk tusschen licht en donker of des avonds hun schatting komen brengen.
Neem u in acht en struikel niet tegen de lage balie, die u belet verder in de kamer te komen dan een voet of vier: leun met uw ellebogen op de plank, die boven op die leuning is aangebracht, en zie oplettend rond.
Langs den muur, naast en boven de deur, die naar het achterkamertje leidt, ziet ge vakken, ruw van withouten planken getimmerd en gevuld met bundels en pakken van [7] allerlei grootte en kleur, alle voorzien van briefjes en nummers. Recht tegenover u is een groot vak vrijgebleven: daar hangen winterjassen en parapluies, die dikwijls gehaald en gebracht worden en daarom voor de hand moeten blijven. Iets meer links zijn weer andere vakken, met doozen en kistjes, waarin allerlei artikelen van kleinere afmetingen, alle genummerd, bijeenliggen; rechts ontdekt ge een hoogen lessenaar met een groengazen scherm aan de eene zijde en een hooge kantoorkruk er voor. Een paar liassen zijn aan het scherm opgehangen.
Onder dat meubelstuk eindelijk zoudt ge tal van laden kunnen zien, die, steeds gesloten, de voorwerpen van meer waarde, zooals horloges, ringen, halskettingen en ander klein goud- en zilverwerk herbergen. Op het oogenblik, dat mijn verhaal begint, zit de eigenaar van het pandjeshuis in de achterkamer bij de tafel in een groot, dik boek te schrijven.
’t Is er zoo donker, dat hij, hoewel ’t pas vier uren in den namiddag is, zijn olielamp reeds heeft opgestoken. Haar rosachtig schijnsel steekt onaangenaam af bij ’t vale, doffe licht, dat door de vervuilde, hoornachtige ruitjes van het eenige venster, een zoogenaamd hooglicht, binnenvalt. Het kleurt Strijkmans voorovergebogen gestalte en zijn naaste omgeving met een zonderlinge tint. Een groote grijze pet met een groen lichtscherm er aan dekt zijn hoofd en beschut zijn kalen, slechts hier en daar met dunne vlokken lang grijs haar beplanten schedel voor koude en warmte.
De diep in hun kassen gezonken, sluwe, grijze oogen, ontsierd door roodgerande oogleden, zijn thans strak op het voor hem liggende boek gevestigd. De dunne bloedelooze lippen, vast op elkander gedrukt, doen den tandeloozen ingevallen mond nog breeder schijnen dan hij in werkelijkheid is, terwijl de spitse kin en de kromme neus aan het geheele gelaat iets havikachtigs geven. Ongeschoren en onzindelijk, met scherp geteekende lijnen langs neus en wangen doorgroefd, is zijn geheele gelaat terugstootend [8] en geven de diepe plooien tusschen de wenkbrauwen, gevoegd bij een zekere trilling der mondhoeken en der dunne lippen, er een uitdrukking van boosaardigheid aan, wanneer hij spreekt.
Een versleten grijze jas en een vest, dat slechts met een paar knoopen wordt dicht gehouden, doen een oud blauw-baaien hemd zien, dat hem tevens als borstrok dient. Een geruite pantalon, die eenmaal voornamer beenen omkleedde, hangt slordig op de verschoten pantoffels, waarin zijn groote met wollen kousen bekleede voeten steken.
Voor hem op tafel zit een magere zwarte kat zich te koesteren in de warmtestralen der lamp. Nu en dan likt zij aan haar poot en wascht zich daarmede over den neus, terwijl ze de groenachtig grijze oogen dichtknijpt, om ze een volgend oogenblik op haar meester te vestigen, die onafgebroken zit te rekenen.
Gedurende geruimen tijd telt de pandjesbaas ongestoord verder.
“Achthonderd zesenvijftig en vijftien is achthonderd éénenzeventig, en twaalf is achthonderd drieëntachtig. Hè! hè! hè! hè! ’t is van deze drie maanden nog al aardig aangeloopen. Er zullen een heele boel pandjes moeten verkocht worden. Hè! hè! hè! dat geeft beter dan die miserale percenten. Verkoopen maar, dat’s de baas, daar draai ik het altijd naar toe,” zegt Strijkman, als tot zichzelf, terwijl hij zijn magere, klauwachtige handen wrijft.
“Achthonderd drieëntachtig, daar kan wel eens een traktatie op staan vandaag, hé poes?” De oude man zet eerst zijn pet, dan zijn bril af, wrijft met den rug der hand over zijn oogen, trekt de wenkbrauwen een paar malen op en neer en herhaalt:
“Daar kan wel wat lekkers af, hé poes?”
“Maauw!” zegt de kat, terwijl zij een hoogen rug trekt, als haar meester haar aanspreekt.
“Ja! ja! jij krijgt ook wat, poes; als ’t op den eenen regent, druipt het op den anderen,” vervolgt de oude man opstaande. Hij sloft langzaam naar een hoekkastje, grabbelt [9] in zijn diepen jaszak naar den sleutel en ontsluit eindelijk de deur er van.
Een vieze, bedompte lucht komt hem te gemoet, als hij de kast opent.
Zijn neusgaten worden wijder, als hij die lucht opsnuift en grinnekend zegt: “Lekker! hm! lekker, hé poes? Ja, jij krijgt ook wat;” en als de kat met hoogen rug en opgeheven staart langs zijn beenen strijkt, voegt hij er bij: “Zoete poes, jij krijgt de korstjes; wees jij maar gerust.”
Uit een hoek der kast brengt hij, in een krant gewikkeld, een vrij groot stuk kaas te voorschijn, dat hier en daar reeds groenachtig is uitgeslagen door ’t lange liggen. Hij ruikt er aan en meesmuilt: “Lekker, lekker!”
Voorzichtig snijdt hij er een gedeelte van af en bergt de rest zorgvuldig weer in ’t papier en in de kast, waaruit hij achtereenvolgens een stuk brood, wat boter, een flesch met brandewijn en een glas neemt.
Met welgevallen beschouwt hij de flesch tegen het licht der lamp, en terwijl hij met zijn duim en voorvinger tegen den buitenkant der flesch een zekere hoeveelheid van den inhoud afmeet, schenkt hij het vocht in het glas en kurkt de flesch weder dicht, nadat hij met zijn tong den druppel, die aan den hals bleef hangen, heeft verwijderd.
Hij snijdt een stuk brood af en legt dat bij de kaas en ’t glas op een stuk papier, dat dienst doet als bord.
Als de rest der kostbare artikelen weer opgeborgen is, slaat Strijkman zijn boek dicht en zet zijn bril weer op, voordat hij gaat eten; waarschijnlijk omdat door ’t brillenglas de hoeveelheid brood en kaas grooter schijnt.
Met de eene hand onder het hoofd gesteund zit hij bij de tafel en eet langzaam zijn traktatie.
“Hè! dat doet een oud mensch goed. Ja, poes, kaas is een heerlijke kost, maar te duur, eigenlijk veel te duur voor een burgermensch. Dáár, poes, dat is voor jou,” en na zooveel mogelijk het weeke gedeelte er van te hebben afgebeten, met de enkele stompjes tand die hem [10] resten, legt hij het korstje voor de kat, die het even besnuffelt en dan met scheef gehouden kop opknauwt. Met uiterst langzame teugjes drinkt hij het glaasje brandewijn ledig, smakt een paar malen met de dunne lippen en strijkt liefkoozend met de rechterhand over zijn maag, terwijl hij mompelt:
“Dat’s warm, dat’s lekker, dat brandt op je hart, dat doet goed,—maar ’t is te duur, veel te duur. Voor een enkele maal kan het er door, maar ’t is eigenlijk zonde van ’t geld.”
De kat kijkt hem met haar groene oogen aan en miaauwt zachtjes, als wilde zij zeggen: krijg ik niemendal?
“Wou jij ook wat hebben, hè! hè! hè! Lust jij ook brandewijn?” In Strijkmans oogen vlamt het boosaardig.
“Miaauw!”
“Wou je ’t ook eens proeven, hè, poes?”
“Miaauw!”
Eensklaps pakt Strijkman de kat bij haar nekvel, trekt haar op den schoot en laat de paar laatste druppels uit het glaasje op haar neus en in den halfgeopenden bek loopen.
De kat schreeuwt angstig en wringt zich onmachtig onder de handen van haar pijniger.
Proestend en met den kop schuddend springt het dier van zijn schoot, als hij ’t eindelijk loslaat; het blaast nijdig tegen zijn meester, die grijnzend zegt: “Lekker, hé? Hè! hè, hè! hè! Heb ik je nou getrakteerd, heb je ’t goed bij den baas? Hè! hè! hè!” ’t Arme dier schudt en proest voortdurend door ’t sterke vocht, en de pandjesbaas ziet met duivelachtige vreugde, hoe de kat eindelijk, onder de kast kruipend, een schuilplaats zoekt. Hij lacht totdat de tranen hem in de roode oogen komen, bukt zich om onder de kast te kijken en roept: “Hè! hè! hè! poes! poes!”
De kat houdt zich schuil en de oude woekeraar mompelt in zichzelf, terwijl hij zich weer aan tafel zet en een paar overgebleven broodkruimels met de toppen der vingers opneemt en in den mond steekt: ”’k Lust’m beter dan hij.” [11]
Een hevig gestommel op de trap, die onmiddellijk aan zijn kamertje grenst, doet hem opschrikken.
Een verward gedruisch van stemmen en eenige luide vloeken geven hem de zekerheid, dat er bij de buren iets buitengewoons voorvalt.
“Wat is dat voor een spektakel?” vraagt hij in zichzelven, en terwijl hij naar de deur gaat om te zien wat er gebeurt, voegt hij er bij: “Dat’s zeker weer Claas Makko, dien ze dronken thuis brengen.”
Nog voor hij de deur bereikt heeft, komt hem een buurvrouw te gemoet, met de woorden: “O! heere! buurman, wat een geval! Ga gauw ereis mee naar boven; zóó erg heeft hij ’t nog nooit gehad ...”
“Is ’t al weer zóó-laat met Makko?”
Strijkman gaat even terug, sluit zijn winkeldeur dicht en staat nu met de vrouw op straat. Beiden zien naar boven.
“Is hij erg dronken?” vraagt de pandjesbaas.
“Veel erger, buurman; hij heeft op straat het lirium gekregen; de kruier van den hoek en de man van de groenvrouw hebben hem hierheen gebracht; hij slaat met handen en voeten als een razende en ... Hoor eens, hoe hij aangaat! Allemachtig! net een dier ... O! wat een beest van een vent; en hoor die honden eens,” de vrouw houdt de handen voor de ooren.
“’t Is verschrikkelijk, juffrouw Ram,” antwoordt Strijkman, als eensklaps van boven een gebrul klinkt, dat niets menschelijks heeft en dat zelfs ’t hevig hondengeblaf overstemt.
“Heere! heere! wat gaat hij te keer ... Hoor eens! ... Mooi! de boel gaat kort en klein, hij slaat de glazen in, God bewaar me, dat was bijna raak. Mensch! ’t schiet me in mijn knieën,” zegt, bleek wordend, de juffrouw, als een stuk glas en een gebroken aarden schotel rakelings langs haar heen op straat vallen.
Met de woorden: “Ik zal toch eens even gaan kijken,” slaat Strijkman zijn loshangende jas dicht en strompelt, zoo spoedig zijn neergetrapte pantoffels het toelaten, de [12] trap op naar de onderste voorkamer, gevolgd door de vrouw, die telkens herhaalt:
“O! genade! O, Heere! zoo erg heeft hij ’t nooit gehad.”
De voorkamer, die door Makko den hondenscheerder bewoond wordt, is een beeld van de meest onbeschrijfelijke verwarring. Vastgehouden door de twee mannen, die hem tehuis brachten, staat de dronkaard midden in de kamer en schopt zoo ver hij kan om zich heen. Doodsbleek, met stukgebeten lippen en ’t schuim op den mond, de oogen met bloed beloopen, brult hij als een bezetene. Met de kracht van den waanzin tracht hij zich los te rukken uit de handen der mannen, die hem met de grootste inspanning vasthouden. Zijn haren hangen verwilderd over zijn voorhoofd en zijn kleederen zijn bijna aan flarden gescheurd.
Eensklaps staat hij als aan den grond genageld, de oogen puilen hem schier uit het hoofd en onafgebroken staart hij naar een hoek der kamer, terwijl een siddering door zijn lichaam vaart. Met heesche stem roept hij:
“Weg, daar!—Vervloekt! dat beest vliegt mij aan. Draai hem zijn nek om. Geef hem een doodschop! Hij komt, hij komt!”
“Hou hem goed vast, Manus,” roept de kruier tot zijn makker, die, evenals hij, niet dan met de grootste moeite de armen van den hondenkoopman in bedwang kan houden.
“Wees nou een beetje bedaard, Makko! Je verbeeldt het je eigen maar; er is geen bulhond, waarachtig niet,...”
“Daar! daar! Zie je hem dan niet ... Daar vliegt hij op me aan ... Hou hem weg! Verd..md hij is dol,” en geweldig schopt hij voor zich uit, als wilde hij het denkbeeldige dier van zich afweren. “Daar! daar! Hij komt weer,” gilt de door den drank waanzinnige man, als het gehuil en geblaf der honden, die in de kamer in hokjes zitten of aan kettingen liggen, heviger dan te voren weerklinkt.
Met Strijkman en de buurvrouw zijn intusschen tal van andere buren nieuwsgierig in het portaaltje, op de trap en [13] in de kamer gekomen, om het akelige schouwspel te genieten.
Allerlei stemmen spreken te gelijk.
“Makko is weer dol,” roept de één.
“Wat wonder! Hij is drie dagen onder water geweest,” verzekert een ander.
“Laten we hem naar ’t gasthuis brengen,” zegt een derde.
“Wat is er aan de hand?” vraagt een buurvrouw, die, achter de anderen staande in de kamer, met uitgerekten hals over hun schouders tracht te zien.
“Makko heeft ’t op zijn zenuwen,” grinnikt iemand uit den hoop.
“Daar blijft hij in,” zegt verschrikt een der vooraanstaanden tot zijn achterbuur.
“Och, ben je mal, hij komt wel weer bij zijn positieven,” schreeuwt een vrouw terug.
“’t Is al voor den vijfden of zesden keer dat hij lirium heeft, maar zoo erg als vandaag heeft hij ’t nog niet gehad,” merkt juffrouw Ram aan, die na Strijkman in de kamer is gedrongen en zich, met hem, angstig in een hoek bij de armoedige bedstede verscholen houdt. Binnensmonds mompelt de pandjesbaas: “Hij ruïneert mijn boel, alles gaat stuk; nu moet hij er bepaald af; ik kan die kamer wel zesmaal, en beter verhuren.”
“Laat dan toch iemand om een dokter of een meester gaan,” roept een der mannen, die hem vasthouden. “Gauw dan toch: de kerel is razend,—ik kan hem niet houden.—Gauw dan! ...”
De verwarring neemt met elk oogenblik toe: een paar van de honden zijn losgebroken en loopen blaffend en huilend, verschrikt door ’t rumoer, door de kamer, of janken erbarmelijk, als zij door de vechtenden nu en dan getrapt en geschopt worden. Enkele vrouwen beginnen luidkeels te gillen, en daartusschen klinkt een grove mannenstem, die schreeuwt: “Hou toch jelui snaters ...”
“Moord!” roept op gesmoorden toon een der mannen, de kruier, als plotseling, met een verraderlijken ruk, de honden-koopman [14] zijn rechterhand bevrijdt en hem daarmede de keel dichtknijpt.
Strijkman siddert van angst; terug kan hij niet, want de opening der deur en ook ’t portaal is door de aangroeiende burenmassa geheel ingenomen.
“Moord!” rochelt nogmaals de aangevallene, als de ijzeren greep van den waanzinnige hem de keel toeschroeft.
Eenige mannen dringen nu de kamer binnen en komen den kruier te hulp, die eindelijk bleek en ontdaan, half gewurgd, met de bloedige indruksels van Makko’s nagels aan den hals tegen den wand tuimelt, met de woorden: “Hij is dol. Haal den meester! Haal den meester!”
Op eens houdt het gebrul op; de handen van den hondenkoopman worden slap, hij biedt geen tegenstand meer, zijn hoofd zinkt voorover, en terwijl een zucht snerpend en schel zijn borst ontvlucht, zakt hij ineen. Nog een paar malen trilt zijn geheele lichaam; de oogen dringen bloedig uit hun kassen; de tong, blauwachtig opgezwollen, hangt een eind over de onderlip; de neusvleugels verwijden zich een oogenblik, om dadelijk daarna weer samen te trekken en aan den neus den eigenaardigen spitsen vorm te geven, die de voorbode is van den dood. Al de wezenstrekken worden slap, de oogen breken; rochelend blaast hij den laatsten adem uit en de vale doodskleur trekt over zijn gelaat, terwijl zijn geheele lichaam zich op den grond uitrekt en daarna roerloos blijft liggen.
De omstanders dringen met ingehouden adem hoe langer hoe meer vooruit. Zonderling steekt de plotselinge, akelige stilte, die nu in het vertrek heerscht, af bij het ontzettende geweld van zoo even. “Ik geloof, dat oom Kool er geweest is,” zegt de groenboer, zich met de hemdsmouw het zweet van ’t voorhoofd wisschend. “Sakkerloot, wat was dat een toer!”
“Daar is de meester!” klinkt een stem onder aan de trap, en eenige oogenblikken daarna maakt men ruimte bij de deur der kamer om een chirurgijn binnen te laten, die inderhaast door een der buren is opgezocht. In een [15] oogenblik is nu de kamer overvol. Allen verdringen zich om den medicus, die bij het lichaam van den hondenscheerder neerknielt, diens oogleden omhoogheft en, na ’t hart betast te hebben, kortweg zegt: “Hij is dood. Jeneverberoerte!”
“Ja, dat dacht ik wel: hij heeft van morgen ook beestachtig gedronken,” zegt de kruier, die weer wat van zijn schrik bekomen is. “Kijk eens, meneer, hij had mij bijna ook om gaies1 geholpen,” en hij toont de krabben aan zijn hals.
“Doe er maar wat azijn en water op; en haal een raderbaar, dan kan dat lijk naar ’t politiebureau gebracht worden. Of heeft de man hier familie?” vraagt de chirurgijn.
“Fermielie?” antwoordt juffrouw Ram. “Och neen, meneer, de man leefde hier alleenig met zijn kleinen jongen, een bocheltje van een jaar of elf, een rakkerd van een jongen, ’n plaaggeest voor de heele buurt.”
“Had hij geen vrouw?”
“Dood, meneer, voor drie jaar geleden. Een zegen voor ’t mensch! De juffrouw was goed, zachtzinnig; ze had dan erg het water, daar laboreerde ze lang aan. O! meneer een lichaam als drie, en dikke beenen, o! je werdt er akelig van, en dan ...”
“Dank je voor de rest, juffrouw. En ’t kind?”
“Zooals ik uwé zei, een rakkerd.”
“Waar is het?”
“Och, die zwerft zeker ergens in de buurt; of misschien zit hij wel hier of daar verstopt; dat levert hij meer. Zoo ga je zonder erg de trap op: flap! dan vliegt je op eens die “krates” tegen je beenen. Een plaag voor de buren, maar een stumperd; ik geef hem wel af en toe ereis een boterham of een kliekje, omdat hij er soms zoo akelig hongerig uitziet; maar ....”
“Al goed, vrouwtje,” en tot de omstanders gewend, vervolgt de medicus: “Laat het lijk dadelijk naar ’t politiebureau brengen; over een half uur ben ik er zelf.”
Vijf, zes stemmen verzekeren den meester, dat er niets [16] aan mankeeren zal. Een kwartier later is de raderbaar voor de deur en wordt het lichaam van den gestorvene er in gelegd en, begeleid door jongens, straatslijpers en buren, die nieuwsgierig medeloopen, weggebracht.
Nog een kwartier later is de kamer ontruimd en gaat ieder der buren zijns weegs, alsof er niets gebeurd was.
Een menschenziel is de eeuwigheid ingegaan en niemand van de overgeblevenen vraagt zich af: hoe? of waarheen? Zij dolen verder door het leven, tot ook het raadsel van ’t sterven voor hen wordt opgelost.
Strijkman heeft den kamersleutel tot zich genomen en eigent zich reeds in gedachten de honden of liever de opbrengst er van toe. Handenwrijvend denkt hij: “Er is toch niemand, die er gading naar kan maken. Hè! hè! hè! ik ruk ’t boeltje in;—wat er van komt is pure winst.” [17]
1 Amsterdamsche volksuitdrukking voor dood.
’t Is geheel donker geworden in de verlaten kamer; alles is er in rust, zelfs de honden zijn bedaard en liggen met hun kop op de voorpooten te soezen. Beneden in den winkel staat Strijkman nog met juffrouw Ram over het geval te praten en vertelt, dat hij de honden naar de Botermarkt zal laten brengen, om ze daar te verkoopen. ”’k Moet toch zien, dat zij mij voor de achterstallige huur wat opbrengen; en als er wat over is, kan ik het met een gerust geweten houden voor al wat hij op mijn kamer bedorven en gebroken heeft,” zegt hij meesmuilend, want hij berekent, dat hij nog met eenig profijt van een onaangenamen huurder afkomt.
“En wat zal er nu van dien krates worden?” vraagt juffrouw Ram.
“Dat weet ik niet. ’t Gaat mij ook niet aan, buurvrouw.”
“’t Is een gare rot, een jongen, die, zoo klein als hij is, toch slim is voor drie.”
“Ja, goochem is hij.”
“Misschien nog goochemer dan jij, Strijkman.”
De oude man ziet haar aan met dichtgeknepen oogjes, glimlacht alsof hij denkt: “dat kon je nog tegenvallen,” en antwoordt: “Neem jij hem bij je in huis, juffrouw Ram; hij kan je al gauw in de hand komen met boodschappen doen.” [18]
“Ik? Geen gedachte. Mijn eigen jongens worden haast groot genoeg. Waarom neem jij hem niet, Strijkman? Je hebt kind noch kraai; en heb je me laatst niet gezegd, dat je wel zoo’n soortement bediende kondt gebruiken? Nou kun je er goedkoop aankomen; voor den kost en een paar stukjes kleeren ben je klaar. ’t Is wel geen mooi gezicht, zoo’n bult in je kantoortje, maar ...”
“Dat zou me een zorg wezen! Maar ik heb geen lust om een andermans kind te eten te geven; ’k heb zelf werk, dat ik rondkom.”
“Jij? Laat naar je kijken!”
“Hoe zoo?”
“Jij hebt ze, Strijkman,”—juffrouw Ram maakt de beweging van geld tellen,—“en dik ook, dat weet de heele buurt.”
Met een zijdelingschen, min of meer angstigen blik naar het binnenvertrek antwoordt de pandjesbaas: “Praatjes, allemaal praatjes!—’k Zou misschien wat over kunnen hebben, wanneer ik minder voor de panden gaf; want gewoonlijk ...”
“Nou, ’t is goed, ’k zal je voor dezen keer gelooven”, grinnikt juffrouw Ram en vervolgt: “Het zou nog zoo gek niet zijn, als je den jongen naamt. Je hebt er hulp van en je kunt hem heelemaal naar je hand zetten. Een krates is hij en een rakkerd ook, maar eerlijk er bij. Hij heeft me een veertien dagen geleden mijn knipje, dat ik hier in de straat verloren had, teruggebracht, en er was geen cent uit.”
“Hoe wist hij, dat het jouw knipje was?”
“Er zat toevallig een briefje in, waar mijn naam op stond”.
“Zoo, hm! dus hij kan lezen?”
“Ja, en schrijven ook, wat netjes,” antwoordt snel de juffrouw, die innerlijk een zeker medelijken gevoelt met den stumperd, die anders naar het gesticht moet, zooals zij het noemt en, evenals de meeste vrouwen van haar stand, het gesticht1 als het toppunt van ellende beschouwt. [19]
Strijkman weifelt een oogenblik; hij denkt na: “Als ik den jongen neem, laat ik hem alles doen; dan kan ik vrouw Sabel” (een oude schoonmaakster, die zijn boeltje zoo wat aan kant houdt) “missen; dat zou een gulden in de week gespaard zijn. Hm, de jongen eet misschien voor drie ... En dan zoo’n kijk-in-den-pot ... Neen, ’k zal vrouw Sabel maar houden.”
“Nou, Strijkman, hoe denk je er over?”
“’k Wil hem niet hebben, juffrouw Ram.—Waar zit die jongen?”
“’k Weet het niet, Strijkman; maar als ik hem ergens zie, zal ik hem bij je sturen,” antwoordt de juffrouw zich verwijderend.
Waar zit die jongen?
Boven op de donkere kamer, in een hoek der bedstede hurkt een mismaakt kind, een jongen van ongeveer elf jaren.
Een kleine, tengere gestalte met een vergroeide ruggegraat, bleek van tint, met sproetachtige wangen en blauw-geaderd doorzichtig vel aan de slapen. Een vrij groot hoofd, met dun rosachtig blond haar bedekt, rust op een korten hals en nijgt ietwat scheef naar de zijde, waar de ruggegraat het kromst is. Alleen de oogen, groot, bruin en zwaarmoedig, zijn niet onaangenaam van uitdrukking, en om zijn mond, goed gevormd en met schitterend witte tanden voorzien, speelt een innemende trek, iets wat men evenwel eerst bij nadere beschouwing opmerkt. Als allen de kamer verlaten hebben, is het kind, dat verschrikt door al het rumoer zich in de bedstede heeft schuilgehouden, voor den dag gekomen en zit nu op den rand van het bed. In zijn armen houdt hij een hondje, een mank, ongelukkig dier, met afgesneden ooren en een akelig stompje staart, dat rusteloos heen en weer gaat.
Met zijn lange, tengere vingers strijkt de knaap over de borstelige haren van het hondje en brengt zijn mond dicht bij de korte oortjes.
“Ze bennen weg; jij was ook bang voor ’t leven. Hu! [20] wat was dat akelig! Jij blijft bij me, hé, Boppie? Van jou hou ik, omdat jij mank bent en leelijk; jou schoppen ze ook. Ja, hé! net als mij ... En jij kunt ook nog niet erg bijten, omdat je nog te klein bent; maar ik zal je te eten geven, en als je dan groeit en groot bent, dan kun je van je af bijten. Ze wouen je verdrinken, omdat je mank loopt, maar ik heb je verstopt ... en nou hou je van mij, hé, Boppie? Jij likt me, ja! goeie hond, jij zoent den baas, ja! ja! lik me maar. Jij roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. Nu, nu, Boppie, niet zoo erg. Koest dan, hond! Ze hebben hem weggebracht, hij heeft z’n eigen dood gedronken; ’t is wel m’n vader, maar ik hield niet van hem, hij kon mij ook niet uitstaan ... ’k Heb niets geen spijt, dat hij dood is. ’t Is wel goed, hé, nou hoef ik je niet eens meer te verstoppen.”
“St! stil! niet blaffen, hoor je! dan beginnen de anderen ook. De oude baas van beneden wil je verkoopen; ik heb gehoord, dat hij ’t tegen juffrouw Ram zei. Ha! ha! ha! ha! ik zal hem eens lekker beetnemen; hij noemt mij ook rakkerd en kriek. Stil! blijf zitten, koest dan! Ik zal ze er uit laten; die stomme dieren krijgen niet eens eten vandaag. Koest dan, Boppie!”
Voorzichtig laat de knaap zich van den rand der bedstede glijden en gaat voelend en tastend naar de deur.
“Gesloten,” mompelt hij. “O! maar dat’s niet erg, ik weet wel raad,” en naar de vervelooze latafel gaande—de duisternis hindert hem niet, hij kent elken hoek van ’t vertrek—haalt hij uit de bovenste lade een ouden, roestigen sleutel te voorschijn en opent daarmede de deur, terwijl hij grinnikt: “Dat weet de ouwe niet; vader wist het ook niet, en ik heb hem toch zoo dikwijls gebruikt, als hij me opsloot.”
“Komt, jongens!” fluistert de bultenaar, terwijl hij in het duister de honden losmaakt, die, even hun hals en kop schuddend, een kort blaffen doen hooren. “Zoo! nu maar vooruit.” Hij zet de deur wagenwijd open en met een paar schoppen van zijn korte, magere beentjes jaagt hij het zevental honden de kamer uit. [21]
Onder luid geblaf rennen de dieren de trap af en de straat op. In een oogwenk zijn ze uit het gezicht en is Strijkman, die beneden het blaffen en ’t leven op de trap heeft gehoord, met een lamp in de hand naar boven gesneld, om te zien wat er voorvalt.
Als hij de deur geopend vindt en de afwezigheid der honden bemerkt, vloekt hij binnensmonds en zet de lamp op den houten schoorsteenrand.
De jongen is weer in de bedstede gekropen en houdt zich stil.
“Niets, niemendal!” bromt Strijkman. “Hoe komt die deur open?—Waarachtig! al de honden weg; dat is een gemeene streek; ik ben bestolen. Wie heeft ...”
Een onderdrukt lachen klinkt uit de bedstede.
“Dat is zeker die satansche bult, die mij dat gebakken heeft.” Met die woorden nadert de pandjesbaas het bed en schuift de gordijnen open.
“’n Avond, baas Strijkman,” grinnikt de jongen, die met zijn beenen tegen het houten beschot trommelt.
“Satanskind! heb jij die honden losgelaten?”
“Jawel, baas Strijkman. Wat liepen ze! Ha! ha! ha!”
“Vervloekte kriek, dat zal ik je inpeperen!”
Met de ellebogen op de knieën en de handen onder het hoofd, ziet de knaap doodkalm den ouden man in ’t gelaat, terwijl hij antwoordt:
“Ze waren toch niet van jou, wel?”
“Wel wis en waarachtig waren ze van mij, voor de huur en...”
“Vader heeft verleden week toch de huur betaald....”
“Hou je mond, krates, en kom van dat bed af.”
“Neen.”
“Waarom niet?”
“Omdat je “krates” tegen me zegt; ik weet het wel, dat ik een bochel heb, maar jij hoeft het mij niet te zeggen.”
“Hè! hè! hè! Meneer is op zijn teentjes getrapt.—Allo, gauw! kom er af.”
“Neen.” [22]
“Wil je niet?—Wacht ik zal je beenen maken.” Strijkman grijpt een hondenzweep, die naast de bedstede hangt, en heft ze dreigend op.
“Sla maar toe, als je durft, maar als je ’t doet, bijt ik je,” en evenals een dier blikkert de jongen met de witte tanden;—“ik ben niet bang voor slaag. Vader sloeg me ook, maar altijd alleen als hij me krijgen kon. Ha! ha! ha!”
Voordat de pandjesbaas recht weet wat er gebeurt, is de bultenaar van ’t bed gesprongen, langs hem heen gegleden en heeft zich verschanst achter twee kisten, die als hondenhokken dienst hebben gedaan, terwijl hij nog eens sarrend herhaalt:
“Sla nou maar toe, als je kunt.”
“Kom er uit, bochel, ik zal je niets doen; ik wil een paar woorden met je spreken,” zegt Strijkman, met ingehouden drift.
“Leg dan eerst die zweep weg en noem me geen krates of bochel.”
“Hoe heet je dan eigenlijk?”
“Dorus.”
“Kom er maar gerust uit, Dorus! Ik zal je niets doen.”
“Gooi eerst die zweep in den hoek, dáár, ver weg!”
“Nu goed dan. Ben je nu tevreden?” De zweep vliegt in een hoek.
Met een sprong is de knaap tusschen de kisten uit en bij de zweep, die hij stevig in de handen neemt, terwijl hij brutaal vraagt: “Nou, wat moet je dan?”
“Bijdehand genoeg,” mompelt Strijkman en luid laat hij er op volgen:
“Waar moet je naar toe?”
“Weet ik het!”
“Heb je geen oom of tante?”
“Neen.”
“Geen andere familie?”
“Neen.”
“Dan moet je naar ’t Gesticht?” [23]
“Mij een zorg,” bromt Dorus, terwijl hij met de zweep op een der kisten slaat; “in ’t gesticht krijgen ze eten genoeg....”
“Zou je denken?” grinnikt Strijkman.
De jongen ziet den pandjesbaas met zijne groote donkere oogen eensklaps onderzoekend aan en vraagt, terwijl hij met de zweep op de bedstede wijst:
“Mag ik hem daar meenemen?”
“Wie?” Onwillekeurig volgen Strijkmans oogen de aangewezen richting.
“Boppie?”
“Wie is dat? Je broertje?”
“’k Heb geen broertje,—nooit gehad,” antwoordt de knaap, die aanstonds daarop even fluit en met de vingers knipt.
Een kort blaffen en ’t slaan van Boppie’s staartje tegen de beddeplank doet den ouden man verwonderd vragen:
“Een hond? Dat kun je begrijpen! Ze hebben daar doodeters genoeg.”
“Dan wil ik er ook niet heen.—Pst! hier Boppie, kom bij den baas.”
’t Hondje springt, uit de bedstede en nadert den jongen.
“Ba! wat een mormeldier!”
“Vind je, baas?” Dorus neemt het hondje op, en terwijl hij het in zijn armen en tegen zijn lippen drukt, zegt hij: “Wij blijven bij mekaar, hé Boppie!” en hij maakt zich gereed om de deur uit te gaan.
Strijkman verspert hem den weg en draait het slot dicht, terwijl hij vraagt:
“Hoe kom jij aan dien sleutel?”
“Die lag altijd in de latafel, dáár!”
Oogenblikkelijk begeeft de pandjesbaas zich met de lamp in de hand naar het aangewezen meubelstuk, grabbelt in de laden en haalt er uit wat slechts eenigszins waarde heeft; eenige papieren, die in de bovenste lade bij elkander liggen, trekken zijn aandacht. Vluchtig ziet hij ze door en mompelt: “Trouwakte, geboortebewijs.—Jij heet Theodorus Johan, hé?” [24]
“Dorus heet ik.—Laat je me nu haast de deur uit?”
“Brieven, een portret in een lijstje.... Hé! ’t lijkt wel een broer van Makko.—Had je nog een oom?”
“Ja! maar wat gaat jou dat aan?”
Voorzichtig legt Strijkman de papieren weer bijeen, omwikkelt ze met een stukje touw en steekt ze in zijn borstzak, terwijl hij denkt: ”’k Zal ze meenemen; je kunt nooit weten, waar het goed voor is.”
De kleedingstukken, die hij uit de latafel heeft gehaald, hangt hij over den arm en werpt den jongen een overjasje toe, met de woorden: “Daar, neem dat maar mee; daar heb ik toch niets aan. Dat past alleen op jou kriek.”
“Dief!” schreeuwt Dorus hem, heesch van kwaadheid, toe, en rakelings vliegt de hondenzweep Strijkmans hoofd voorbij.
Boppie blaft uit alle macht, en de oude man keert zich om, raapt de zweep op en slaat er Dorus een paar malen mee over den rug, met de woorden: “Satansche bochel! ik zal je die kuren wel afleeren.”
De jongen heeft uit een hoek een flesch gegrepen en schreeuwt: “Laat me er uit! Laat me er uit! of...”
De pandjesbaas ziet de saamgeknepen lippen van den knaap en een zeker iets in zijn oogen, dat hem doet denken: de flesch kan gevaarlijk worden, en daarom opent hij de deur, hem toesnauwend: “Allo! marsch dan!”
“Dief, dief!” gilt Dorus, terwijl hij zich ijlings uit de voeten maakt, en rinkelend vallen de scherven der flesch op het portaal voor Strijkmans voeten.
“En zoo’n jongen zou ik in huis nemen,” mompelt Strijkman, terwijl hij de hondenhokken in oogenschouw neemt en oppervlakkig berekent, hoeveel brandhout ze hem zullen opleveren.
Met zijn hondje in het jasje gewikkeld onder den arm, rent Dorus de straat op; waarheen weet hij zelf niet.
’t Is donker; ’t is koud en nat in de straten, maar hij merkt het niet. In zijn jeugdig brein warrelen allerlei gedachten [25] dooreen en draaien zich om één hoofddenkbeeld: “Niet weer terug naar die akelige kamer en niet naar het Gesticht.”
Werktuigelijk loopt hij voort; even werktuigelijk blijft hij nu en dan voor een helder verlichten winkel staan kijken, om dan weer opnieuw zijn wandeling voort te zetten. Bijna zonder het zelf te weten is hij de Kalverstraat genaderd. De woelige drukte, het vroolijke licht, dat uit de winkels en magazijnen straalt, trekt hem onweerstaanbaar aan. Hij drentelt langzaam verder. Voor een oogenblik vergeet hij zijn toestand, kijkt in de koffiehuizen en drukt zijn neus tegen de vensterruiten van een bakkerswinkel. Hij heeft honger gekregen, en het gezicht van het uitgestalde brood maakt zijn eetlust meer en meer gaande. Half onwillekeurig voelt hij in zijn broekzak. Een eindje touw, een pijpensteel en een knikker zijn de eenige voorwerpen, die hij ontmoet. Nog een begeerigen blik in den winkel en hij gaat verder. “Hè! ’k wou, dat ik zoo’n broodje had,” zucht hij in stilte en gaat, als om niet meer het tergende gezicht van voor hem onbereikbare weelde te moeten verduren, een zijstraat in, ’t Spui op en naar het Koningsplein. Zijn rug doet hem pijn, de striemen van Strijkmans zweepslagen gloeien en branden. Hij wrijft met de hand over de pijnlijke plaats en mompelt: “Wacht maar; als ik groot ben, zal ik het hem betaald zetten! Zoo’n leelijke dief! Hé, Boppie, ’t is toch een dief, want het was toch goed van vader! Nou, koest dan, hondje. Kijk!” hij raapt een paar koude aardappels op, die bij een stoep liggen, “dat is voor jou, hond!” En op de vlakke hand houdt hij ze het hondje voor, dat ze gulzig ophapt. “Dat is lekker, hé? Ja, smul jij maar, ga je gang maar. Had de baas nu ook maar wat. O! wat doet mijn rug zeer.” Hij gaat op een stoep zitten en staart nadenkend de voorbijgangers en de heen en weer rijdende vigilantes en wagens aan.
“Loop jij ook met lucifers?” vraagt plotseling een opgeschoten jongen met een brutaal, van de pokken geschonden [26] gezicht, die naast hem op de stoep is komen zitten, terwijl hij hem een bakje met doosjes waslichtjes toont.
“Neen.”
“Zoo! ’t is je ook geraden: er is hier al konkerrensie genoeg; er is geen droog zout meer aan te verdienen. ’k Geef ze nou al voor een halven cent winst over, omdat de anderen het ook doen ... Waslucifers,—waslucifers! allemaal zonder vergif.—Waslucifers, heeren! ... Loop jij met een marmotje?”
“Neen.”
“Wat heb je daar dan?”
“Een hondje.”
“Verdien je daar centen mee?”
“Neen.”
“Loop je dan niet om centen?”
“Neen.”
“Heb jij je tong doorgeslikt? Kom, spreek eens een spreek! Wat doe jij voor den kost?”
“Niets. Ik wou, dat ik wat doen kon.”
“Waar woon je?”
“Nergens.”
“Heb je dan geen vader of moeder?”
“Allebei dood.”
“Heb je dan geen ooms of tantes, of iemand waar je bij woont ?”
“Neen. ’k Weet niet eens, waar ik van nacht slapen zal.”
“Dan ben jij een zwerver.” De jongen wacht even, ziet Dorus opmerkzaam aan en zegt dan: “Zeg! je hebt een bochel.”
“Dat weet ik wel.”
“Daar kun je geld mee verdienen.”
“Hoe zoo?”
“Laat hem kijken voor een cent. Ha! ha! ha! ... Waslucifers, heeren! Allemaal goed, vijf centen ’n doos!”—De jongen staat op en gaat haastig een paar aankomende heeren te gemoet.
“Zeg, jongen! hei! ho! kom eens hier!” roept Dorus [27] den jongen achterna, terwijl hij hem een pakje doosjes toont, dat onder het spreken uit zijn bakje is gevallen. “Je hebt een pakje doosjes verloren.” Hij staat op, loopt hem te gemoet en zegt: “Daar heb je ze terug.”
“Dat is mooi van je,” antwoordt de knaap, terwijl hij ze weer opbergt. Daar heb je twee centen.”
“Dank je, houd ze maar.”
“Neen, neem ze maar gerust. Je zult toch wel een broodje lusten?” Dorus aarzelt. “Pak aan dan!—Als jij de lucifers verloren hadt, had ik ze gehouden; ’k had ze verpast, hoor!”
Dorus steekt de centen in den zak.
“Ik woon in den Duivelshoek,” vervolgt de jongen, “in een gang; in ’t huis naast ons, onder de trap, is een hok; daar ligt hooi in van den baas uit het Kraaiende Haantje, daar kun je van nacht in slapen. Je slaapt er wat goed in; maar als de baas het merkt, krijg je een pak ransel.”
“Ik ben niet bang voor slaag.” [28]
1 Veenhuizen.
Even buiten de Weteringpoort, op een stukje grond, dat behalve eenige magere en dun gezaaide grasspieten meer steenen en zand vertoonde, dan voor den voet des wandelaars aangenaam was, stond een wagen, van de soort, die men gewoonlijk met den naam van kermiswagen bestempelt. Heldergroen geschilderd, met schel rood afgezet, aan elke zijde voorzien van drie kleine raampjes, waarvoor bontgebloemde meubelsitsen gordijntjes hingen, was het rijtuig in zijn soort een prachtstuk te noemen en werd dag aan dag door de jeugd uit de naastbijliggende straten met onverdeelde bewondering aangegaapt. De groote gele letters met zwarte randen maakten aan het “gedistingeerde publiek” kenbaar, dat deze wagen het verblijf was van Signor Carlo’s honden- en apentheater. De dubbele deur, aan den achterkant van het voertuig aangebracht, verleende toegang tot het binnenste van den wagen, dat met de meest uiteenloopende zaken was gevuld. Rechts, vlak bij den ingang, bevond zich een klein ijzeren kookfornuis, waarop in een pan het middagmaal van den directeur en zijn gezin, bestaande uit uien en aardappelen met een stuk rookspek, stond te braden en een twijfelachtigen geur verspreidde. Links zag men aan den wand eenige planken, waarop in bonte wanorde een koffiekan en kopjes, aarden schotels en een schaaltje met boter stonden. Een paar ineengerolde [29] tricots, een roodfluweelen manteltje, eenige apenrokjes, een hondenzweep en een trompet lagen er naast. Tegenover de deur rustte de blik op een vormeloozen berg van beddegoed, kussens met rood- en witgestreepte tijken, een paar katoenen en een wollen deken. Stoelen stonden er niet in, maar in plaats daarvan, aan beide zijden langs de wanden, vierkante hokken, waarin de viervoetige artisten van Signor Carlo verblijf hielden.
Het rook er naar menschen, apen, uien, honden en naar vet, ongeveer alsof ransige haarolie op een gloeiende plaat lag te snerken. Een benauwde, bedompte hitte vervulde het geheele voertuig, en daarom waarschijnlijk hadden de eigenaar en zijn vrouw met hun dochtertje en de twee mannelijke telgen van hun echt buiten op het grasveld of liever op en bij het trapje, dat naar de deur leidde, een toevluchtsoord gezocht.
De directrice zat op de bovenste sport, met een rooden doek om het hoofd geknoopt, een verschoten fluweelen jacquet en een zwarten wollen rok aan, met een bak op de hoog opgetrokken knieën aardappelen te schillen. De jongejuffrouw, gewoonlijk bij het publiek door haar vader voorgesteld als “het wonderkind Miss Betty,” balanceerde half in de deur staande twee ledige flesschen op elkander. Haar magere beentjes waren in een veel te ruim vleeschkleurig tricot schuilgegaan en een kruiselings om het bovenlijf geknoopte wollen doek van helderblauwe kleur, deed haar bleek en sproetachtig gezichtje, omgeven door een aureool van papillotten, alleronvoordeeligst uitkomen.
“Kijk dan toch uit, Betty!” riep vrij knorrig de jongenheer Carlo junior, die op de onderste trede van de trap zich oefende in het op het hoofd staan. “Schei er liever uit, als je die flesschen telkens laat vallen; je gooit me nog een gat in het hoofd.”
“Dat zou jammer wezen,” antwoordde zijn broer Paulo, die een eind verder op den grond zat en bezig was met het scheren van een witten poedel.
“Stilte! Dat eeuwige gekibbel verveelt me!” riep de heer [30] Carlo zijn geslacht op tamelijk barschen toon toe. “Zoolang ik aan mijn toilet bezig ben, wil ik rust hebben.”
De directeur stond namelijk aan de eene zijde van den wagen voor een spiegeltje zich te scheren en bracht zijn vettig glimmende haarlokken in den bevalligen vorm, dien men gewoonlijk polka-haar noemt. Zijn kaalgeschoren nek, de gouden ringetjes in de ooren, de scherp gepunte knevels en de spitse kinbaard, gevoegd bij de hoogroode, verweerde en door de zon verbrande gelaatskleur, deden in hem, ondanks zijn schoonklinkenden vreemden naam, den proletariër-saltimbanque op het eerste gezicht herkennen. De breede nek, de vierkante schouders en de sterkgespierde armen en beenen wezen er op, dat hij weleer tot het gild der acrobaten behoord had. Hij had vroeger aan den rekstok gewerkt, met gewichten en kogels gejongleerd, maar was door een val voor die kunstverrichtingen ongeschikt geworden en bepaalde zich nu uitsluitend tot het africhten van honden en apen en tot “productiën” in het vuur eten, steen verbrijzelen en het jongleeren met messen.
Carlo was tot zoover met zijn toilet gereed, strikte zich een veelkleurige das om, trok een grijs jasje met groene opslagen en dito kraag aan, knoopte het met een der groote hertshoornen knoopen dicht, dekte zijn kunstenaarshoofd met een flambard en zag er nu, met zijn geruite pantalon, zooals hij het noemde “sjiek” uit.
“Allo!” riep hij met zijn min of meer schorre stem Carlo junior toe, “laat eens een paar van de artisten buiten komen.”
“Wie?” klonk het terug.
“Eerst Jack, dan Minca en Tom.”
In den wagen blafte een hond; ’t was Tom, hij had zijn naam gehoord. Een oogenblik later sprongen twee keesapen en een zwarte poedel van het trapje hem te gemoet. De apen gingen op hun achterste pooten staan en grijnsden, als wilden ze zeggen: wat heeft onze directeur te bevelen? De poedel kroop bij het zien van het mattenrietje dat de baas uit handen van zijn zoon ontving, met den [31] staart tusschen de beenen, op zijn buik tot voor Carlo’s voeten en keek hem toen aan met een blik, waarin een bede om genade opgesloten scheen.
“Allo! hier, Tom! Jij hebt gisteren driemaal je sprong gemist. Weet jij dat wel, hè?” Het rietje zwiepte door de lucht. “Je moest strieps hebben.—Rechtop, Minca!—Hier Jack! Moet ik je afstraffen?”
Tom blafte binnensmonds en wuifde met zijn pluimstaart.
“Nou! kom dan maar hier, bij den baas! Je bent anders de kwaadste ook niet.” Tom sprong op, blafte luid, ging met zijn voorpooten tegen Carlo opstaan en lekte hem het gelaat, dat deze naar hem overboog.
“We zullen eens even repeteeren. Hier, Minca! Op je plaats, Jack.” De twee apen werden een eind verder aan hun kettingen door Carlo’s zoon vastgehouden; hij gaf hun een hoepel in de pooten en Toms evolutiën begonnen.
“Allo! Hoepla, hoepla! Hooger! Ferm zoo! Mooi zoo, Tom! Nog eens! Hoepla! hoepla!—Daar heb je het waarachtig weer, net als gisterenavond! Allo, hier, Tom!” Angstig kwam de hond nader; hij trok met zijn linker achterpoot. De directeur betastte met zaakkundige hand het dier, wreef met zijn breeden duim langs den poot, mompelde! “Ik voel toch niets verkeerds,” gaf Tom een klein tikje en riep nogmaals: “Allo! Hoepla! Vooruit!”
Gewillig rende Tom een paar malen in de rondte, maar toen hij zijn sprong moest nemen, kreunde hij van pijn en viel over eene zijde vlak voor den hoepel neer.
“Kom hier!” Carlo ging op den grond zitten, nam den hond op zijn schoot en onderzocht hem nogmaals, terwijl hij zijn zoon toeriep:
“Zie jij ook eens. Ik begrijp er niets van; er moet iets met hem niet in den haak zijn, maar wat het is, snap ik niet. ’t Zou wat moois wezen, als we hem niet meer konden gebruiken; ’t is de beste van den heelen troep.—Kijk! nu is hij weer in orde, alsof er niets is gebeurd; ik vat het niet....”
“Ik wel!” klonk plotseling een stem uit den drom van [32] jongens, die zich langzaam, aan bij en om den wagen en op het grasveld had verzameld.
“Verwonderd keek Carlo op en vroeg: “Wie zegt dat daar?”
“Hier, baas, deze jongen heeft het geroepen, die met zijn bochel,” riepen twee of drie jongens te gelijk en duwden Dorus, want hij was het, vooruit.
“Kom jij eens hier! Wat weet jij wel?” zei de directeur en wenkte Dorus tot zich.
Met Boppie nog steeds in den arm naderde de knaap vrijmoedig Signor Carlo en zei, op den poedel wijzend: “Zie je, daar begint ’t weer, dat’s kramp op de pezen. Wij hadden ook een hond, die ’t gedurig weeromkreeg, totdat vader het overmaakte met een smeersel.”
“Had jou vader er dan verstand van?”
“Nou! En hij kon ze ook nog wel andere kunsten leeren dan jij.”
“Ei!”
“Zeker! We hadden er twee, die konden tellen en op de klok kijken.”
“Wat was je vader?”
“Hondenkoopman en dresseerder. Maar ik kan het ze ook leeren!”
“Kom eens hier, bochel! en vertel mij eens ...”
“Als je bochel zegt, vertel ik niets!”
Dorus draaide zich knorrig om en wilde heengaan.
“Sakkerloot, jij bent kort aangebonden, maar dat mag ik wel; kom eens dichter bij, ventje.”
Dorus bleef staan en schudde het hoofd.
Carlo gaf zijn zoon, die met de armen over elkander stond te kijken, een oogje en wenkte bijna onmerkbaar met het hoofd.
Plotseling voelde de knaap zich door een paar krachtige handen aangegrepen en opgetild en, trots zijn tegenstribbelen, vlak voor den kunstenmaker neergezet.
“Dat’s valsch!” gilde hij.
Een gelach en een hoera van de straatjongens en de overige omstanders begeleidde zijn kreet. Dorus keek onbevreesd [33] met een hoogroode kleur en een vreemde tinteling in zijn groote oogen den directeur en zijn gezin, dat zich nieuwsgierig had vereenigd, aan en zei: “Nu zeg ik heelemaal niets.”
“Daar zit ras in,” mompelde Carlo, en terwijl hij het rietje door de lucht liet zwiepen, vatte hij Dorus bij zijn kraag, met de woorden: ”’k Zal je wel eens even bijlichten!”
“Sla me niet!” riep het kind. ”’k Heb je toch niets gedaan; ik hoef toch niet te spreken, als ik niet wil! Als je ’t me vriendelijk gevraagd hadt, had ik het je al lang gezegd ...”
Een hand werd op den opgeheven arm van den kunstenmaker gelegd; ’t was zijn vrouw, die hem vroeg: “Laat mij eens met den jongen praten; met slaan kom je niet verder. Zie je niet, hoe bleek en akelig de stumper er uitziet?”
Carlo liet den jongen los en bromde: “Je kunt het probeeren, Keetje, maar een beetje rottingolie zou hem anders geen kwaad hebben gedaan.”
Vrouw Keetje nam Dorus bij de hand en zei op vriendelijken toon: “Je hebt zeker nog geen eten gehad van morgen, hé? Je ziet er slapjes uit; kom maar eens mee in den wagen. Och, kind! wat zie je er uit, wat ben je smerig!—Kom dan! Mijn man zal je niets doen. Maar jij bent ook een stijfkop, weet je dat wel?... Zóó, wil je het wel mij zeggen? Dat valt me mee van je.... Ja, je hondje kun je meenemen.... Heb je drie dagen rondgeloopen? Och! ... Wel! wel! hebben ze je uit het stroo gejaagd, en heb je niet gebedeld?.... Ga nu maar eens zitten; brand je niet, ’t is heet. Dat is lekker, hé, dat zal je goeddoen. Och, stumperd wat zijn je schoenen en kousen doornat! Kom hier, ik zal ze uittrekken. Nu, nu! wees maar niet bleu! Och, God! wat heb je magere beenen.... Zijn achterpoot? Wrijven? Met speekolie? Ja, goed hoor! Eet nu maar eerst je bekomst en vertel dan.”
Dorus at met smaak, wat vrouw Keetje hem had voorgezet. Terwijl zij in den wagen eenige oude kleedingstukken opzocht, volgde hij haar met de oogen, en toen zij [34] weer bij hem kwam en hem, in plaats van zijn doorweekte kousen en afgedragen schoeisel, een halfsleten tricot en een paar lage schoenen van het wonderkind aantrok, greep hij eensklaps hare hand en zei: “Juffrouw, ik zal u alles vertellen, en ook hoe of je ze op de klok leert kijken.”
Onwillekeurig drukte hij zich tegen de vrouw van der kunstenmaker aan en lachte haar toe; ’t was ook sinds langen tijd de eerste maal, dat iemand een vriendelijk woord tot hem richtte.
Van dien dag af bleef hij deel uitmaken van Signor Carlo’s gezelschap. De acrobaat, die wel is waar onbeschaafd, en ruw, maar toch niet kwaad was, had den jongen, omdat er ras in zat, zooals hij zei, bij zich gehouden en al spoedig de ontdekking gedaan, dat Dorus van hondendressuur op zijn minst evenveel, zoo niet meer wist dan hij zelf. Tom was, dank zij het smeersel van wijlen Klaas Makko, weer even rap en vlug als vroeger, terwijl onder Dorus’ leiding een der andere honden in de kunst van het tellen en op de klok kijken werd onderwezen.
Het scheen wel alsof de jongen in de omgeving, waarin hij zich thans bevond, iets van zijn koppigen aard begon te verliezen. Met de jongeheeren Carlo verdroeg hij zich vrij wel; deels omdat hij voor hunne evolutiën en luchtsprongen, hunne vaardigheid in het op het hoofd staan of op de handen loopen een zekere bewondering gevoelde, deels omdat zij van hunnen kant voor zijne bekendheid met de dressuur van het hondengeslacht eerbied hadden en, toen zij tot de ontdekking kwamen, dat hij vrij goed lezen en schrijven kon, hem als een soort van geleerde beschouwden. De eenige van het gezin, waarmede hij het minder goed kon vinden, was miss Betty, het wonderkind. Hoogstwaarschijnlijk omdat zij, die tot dusverre als de parel van het gezelschap was beschouwd, vreesde, dat de bochel een schaduw op haren glans zou werpen. Dikwijls zaten ze elkaar in het vaarwater, en soms flikkerde plotseling in Dorus’ oog een vonk van toorn, als Betty hem na een [35] kibbelpartij verachtelijk over den schouder aankeek, terwijl ze onverstaanbaar iets mompelde.
Aan juffrouw Keetje had hij zich volkomen gehecht. De goedige, vriendelijke vrouw, die, waar het noodig was, in hare ruwe, onbeschaafde omgeving te rechter tijd door een kalm, bemiddelend woord of verzoek, als instinctmatig vrede wist te stichten, was voor hem een geheel nieuwe verschijning. Tot dusverre had Dorus in een wereld geleefd, die voor hem weinig anders dan scheldwoorden, het uitzicht op slaag of mishandeling had. Zijne moeder was reeds lang dood en toch herinnerde hij zich nu de dagen van weleer, toen moeders zachte hand hem, haar ongelukkig mismaakt kind, tegen de woeste uitvallen van den vader beschermde. De knaap, die eigenlijk zacht van inborst was en behoefte had aan een liefderijk woord, was door de omstandigheden verbitterd geworden, en toen hij nu in vrouw Keetje iemand vond, die bij machte was de zachtere snaren in zijn gemoed te doen trillen, gevoelde hij voor haar een zeker ontzag, maar tevens een genegenheid, die aan liefde grensde.
Hij zou voor haar, zooals men het noemt, door het vuur zijn geloopen; menigmaal naderde hij haar, wanneer zij alleen waren, en zei, terwijl hij zijn tengere hand op haren arm legde: “Juffrouw Keetje, laat me nu eens iets voor u doen, maar... heelemaal apart voor u.”
“Gekke jongen,” zei vrouw Keetje dan, terwijl zij hem het haar uit de oogen streek en medelijdend aanzag, “weet je wat je voor me doen kunt? Vrede houden met Betty.”
Dorus beet op zijn lippen, als hij antwoordde: ”’k Beloof het u”, en hij deed zijn best om zich in te houden, als het wonderkind, om hem te plagen, een hoogen rug trok of kromme beenen maakte.
Vrouw Keetje was een dier stille naturen, wier onverstoorbaar goed humeur, gevoegd bij een aangeboren gezond verstand en een zachte inborst, ze voorbeschikt maakt, om, in welke klasse of stand der maatschappij het lot haar ook een plaats moge hebben gegeven, tot een zegen te zijn, [36] voor hare omgeving. Zij was de dochter van een dorpskastelein, eenvoudig opgevoed en nooit buiten haar dorp geweest; ze had in haar vaders herberg kennis gemaakt met den acrobaat, die ’t jonge onervaren meisje wist te bekoren. Keetje had nog zoo weinig van de wereld gezien, dat ’t Carlo weinig moeite had gekost haar argeloos hart te veroveren, en trots vaders en moeders tegenstand, was zij op jeugdigen leeftijd met hem gehuwd. Al spoedig kwam zij tot de wetenschap, dat niet enkel rozen op hymens paden groeien; maar al kwetsten haar ook de doornen, toch hield zij moed en wist door geduld en kalmte den sterken man, den hercules, die vaak der menigte een uitroep van bewondering voor zijne lichaamskracht afdwong, zooals men het noemt, onder den duim te krijgen; maar ’t was een bijna onmerkbare druk, dien zij met oordeel en verstand uitoefende. Niemand zou hebben kunnen vermoeden, wanneer hij het kleine, tengere vrouwtje zag, dat zij het nekje was, waarop Signor Carlo’s acrobatenhoofd draaide.
Wanneer men echter haar nog altijd frisch en prettig gelaat opmerkzaam beschouwde, loste eene uitdrukking van kalme vastberadenheid in haar helder, blauw oog het raadsel op en niemand zou geloofd hebben, dat de welbesneden mond, die zoo vriendelijk lachen kon, eenmaal aan Carlo de woorden had toegevoegd: “Kies!—de flesch of mij.” Het was kort na de geboorte van hun eerste kind, dat vrouw Keetje zoo tot haren man sprak. Hij had gekozen—gelukkig voor hem—niet de flesch, en van dat oogenblik af liet de forsche man zich leiden door haar, die verstand genoeg had om daar, waar het noodig was, een oogje dicht te doen en het spreekwoord: “Langzaam gaat zeker,” altijd in praktijk te brengen. Zij kende haar man door en door, en het geheele geheim, waardoor zij hem wist te leiden, bestond daarin, dat Signor Carlo steeds geloofde zijn eigen zin en wil te volgen, terwijl hij in werkelijkheid slechts den haren deed. Carlo van zijn kant gevoelde, zonder het zelf te weten, dat zij boven hem stond, en het was vermakelijk hem tot anderen te hooren [37] zeggen: ”’k Heb een best wijf, die den boel bij mekaar houdt; voor de kinderen kan het niet beter, maar er zit niet veel bij: artistenbloed heeft ze niet, en dat is het eenigste wat me hindert.”
Door vrouw Keetje’s invloed heerschte er dan ook in het gezin van den kunstenmaker meer orde en een fatsoenlijker toon, dan men oppervlakkig zou verwacht hebben.
Hoewel hun bedrijf het meebracht, dat zij als het ware een nomadenleven leidden en nu hier, dan daar hunne tent opsloegen, vond Dorus in Signor Carlo’s gezin een tehuis, zooals hij vroeger nooit had gekend; hij werd minder stug en terughoudend en lette er soms zelfs niet op, dat iemand hem “krates” of “bochel” noemde. Enkele malen slechts vlamde het oude toornige vuur in zijn oogen op, maar verdoofde meestal oogenblikkelijk door een vriendelijken blik of een kalm woord van juffrouw Keetje.
Geruimen tijd was het honden- en apentheater, zooals men het noemt, den boer op geweest; in alle mogelijke plaatsen in ons vaderland waren voorstellingen gegeven, en nu en dan was Dorus met zijn hondje Bop en een paar andere honden, die hij in eenige maanden tijds gedresseerd had, bij wijze van proef, met goed gevolg opgetreden, zoodat Signor Carlo er schik in kreeg en op zekeren dag, na overleg met de overige familieleden zei: “Je bent nu ruim zes maanden bij ons, Dorus, en we mogen je allemaal goed lijden. Wil je graag voorgoed bij ons blijven?”
Dorus knikte van ja, terwijl zijn groote bruine oogen van blijdschap straalden.
“Goed! maar dan moet je mee den kost verdienen; wij zullen je een pakje maken; ik zal je een paar loopjes van het vak leeren, en dan ben jij de hansworst van het gezelschap. Ik heb idee om een nieuwe productie met de honden en apen te vertoonen; wij zullen ze samen aan het gedistingeerd publiek presenteeren.”
“’k Zal je een mooi kostuum maken,” zei juffrouw Keetje; en terwijl zij hem goed aankeek, vervolgde zij: “Jongens, [38] Dorus, je zult er zelf schik in hebben, dat je mee helpt verdienen.”
Verheugd greep de knaap haar hand, terwijl hij uitriep: “Voor u ook, juffrouw! Ik zal mijn best doen, dat beloof ik je.”—Hij dacht een oogenblik na en zei: “Juffrouw!”
“Dorus?”
“Kan u er niet van achteren iets in maken, dat mijn bochel nog eens zoo groot lijkt?”
“Waarom?”
“Omdat de menschen dan nog meer zullen lachen,” antwoordde de jongen losjes weg, maar met een zwaarmoedige uitdrukking op zijn gelaat.
Een week of wat later debuteerde Dorus als hansworst bij Signor Carlo’s troep. Overal waar het honden- en apentheater speelde, oogstte de hansworst den meesten bijval; zoo’n grappigen bochel had men ook nog nimmer gezien. [39]
Ruim anderhalf jaar later bevond het gezelschap van Signor Carlo zich in een klein Geldersch stadje op de kermis. De directeur had zich sedert eenigen tijd geassocieerd met een zekeren Hermans, den bezitter van een houten kermistent, waarin, behalve een cyclorama, koordedanserskunsten, wilde menschen en meer dergelijke wonderen werden vertoond. Carlo’s troep had nooit eigen muzikanten gehad, maar de kunstverrichtingen steeds met een groot draaiorgel begeleid; daarom voelden de leden er van, sedert de vereeniging met het cyclorama, dat behalve een trombone, twee trompetten, een keteltrom en een klarinet bezat, zich als ’t ware in een hoogere artistenklasse verplaatst en hieven zij fier het hoofd op. Hermans had na de associatie zijn koordedansers ontslagen, omdat de familie Carlo door hunne veelzijdige talenten in alle behoeften van het theater voorzag. Hij wreef zich in de handen over den goeden ruil, dien hij gedaan had, en kon het met allen goed vinden. De twee compagnons waren derhalve beiden tevreden en maakten doorééngenomen vrij goede zaken.
De kermis was in vollen gang; op de markt van het plaatsje stonden kramen met allerlei koopwaar en tentjes met zeemeerminnen en kalveren met twee koppen, dikke dames en kijkspellen. Wafel- en broedertjeskramen waren overal, [40] waar slechts een plaatsje was, opgezet. En midden tusschen al die kleinere heerlijkheden, verhief zich de vrij groote tent, waarin het Théatre des Nouveautés onder directie van Carlo & Hermans speelde, alleen geëvenaard door een “Groot Amerikaansch Circus,” waarin op acht magere knollen drie schoone écuyères en drie heeren met spitse snorren en geblankette wangen hunne kunstverrichtingen voor enkele stuivers lieten bewonderen.
Tusschen al die kramen en tenten met bontgekleurde zeilen en tableaux bewoog zich de vroolijke menigte, lachend en stoeiend, noten krakend, koek hakkend en etend, heen en weer. In de herbergen klonk vedel en bas en zongen de meisjes bij den vroolijken dans, terwijl de boerenjongens de biervaten ledigden en het “slukske” ook niet onaangeroerd lieten.
Buiten op het kermisterrein schetterde de trompet van ’t paardenspel en trommelde de witgeblanklette clown met groote vaardigheid op een ouden soldatentrommel, terwijl hij onophoudelijk: “Er in! er in! Allo! allo! aan ’t bureau!” schreeuwde. De directie van het “Théatre des Nouveautés” zette haar beste beentje vooruit. De “spelrecommandeerder” deed zijn welsprekende taal steeds luider hooren.
“Boeren en burgers!” schreeuwde hij, “omstanders en liefhebbers van iets schoons en remarkabels, van iets wat ge nog nimmer hebt gezien op eenige kermis in ons dierbaar vaderland, staat niet te weifelen voor de deur, maar voorziet u van kaartjes. Ik zijn overtuigd, dat een elk en een iedereen, die onzen kunstacademie heeft bezocht, ten volle content zal zijn over datgenige wat hij heeft aanschouwd. Vraagt ’t aan de menschen, die er uitkomen, of ze content zijn of niet. Ge ziet hier primus, nommero één, miss Betty, bijgenaamd het wonderkind, in haar onvergelijkelijke equilibritische toeren en het jongleeren met diverse artikelen; tweedens, de Icarische spelen, voorgesteld door den directeur Carlo en deszelfs zonen. Een cyclorama van de schoonste beelden uit alle windstreken: de St. Pieterskerk [41] te Rome bij nacht en de slag bij de Balaklawa; het vergaan van een storm op zee en een schip in nood. Men ziet geheel naturel de sloeproeiers van de reddingsboot bewegelijk voorgesteld. De heilige familie naar den beroemden Franschen schilder Correggio; een jacht op nijlpaarden in den stillen Oceaan en Simeon in den tempel; den keizer van Solo en de huwelijksplechtigheid van Napoleon III met keizerin Eugénie; den Vesuvius bij maanlicht en het opkomen der sterren.—Voorziet u van plaatsen! De groote geregeleerde avondvoorstelling zal een aanvang nemen. Plaatsen van twaalf, acht, zes en vier stuivers en nog beste staanplaatsen van een dubbeltje! Allo! Allo! Allo! Allo! Aan ’t bureau! Gij ziet hier verder de hoogere dressuur van honden en apen, in vrijheid gedresseerd door den directeur Carlo en den weergaloozen Engelschen clown, den jongeheer Theodorus. Deze productiën alleen zijn ruimschoots de entrée waard, maar bovendien wordt de representatie besloten door een stille pantomine, waarin al de leden van het gezelschap zullen optreden, terwijl de jeugdige clown Theodorus in dezelve nogmaals zich produceert met zijn geleerde honden. We zullen eenige van de artisten laten buiten komen, ten einde zich aan het gedistingeerde publiek te presenteeren, terwijl de muzikanten de laatste waarschuwing spelen.”
Eenige boeren en boerinnen, die met open mond en oogen de aanspraak van den spellebaas hebben aangehoord, steken de hoofden bijeen en overleggen: “Kom, loaten we ook èns goan kieken; ik hê zoo’n spul nog nooit ’ezien; ’t kost wel veul, moar ’t mot er nou moar deur! ’t Is moar èns karmis!”
“Toe, Jan, jij veuruut.”
“Nou, Bert, wacht en hortje! Loat me erst èns kieken wat ze buuten veur’n spektoakel moaken, ’t is nog tied’s genog; ze begint nog lange niet binnen.”
“Och jong! zoanik toch niet—toe moar—der in moar, anders kommen we zoo achteraf te zitten.”
“Alla dan moar!”
Het spreekwoord, dat zegt: “Als één schaap over den [42] dam is, volgen er meer,” wordt hier bewaarheid; want aangemoedigd door het voorbeeld van het jolige groepje, stroomt weldra jong en oud de tent binnen.
Tsching taterata. Boem! la, la—Tsching, taterata boem! boem! boem! Tèttètterêtetê Tsching, boem!
Oorverdoovend klinken groote trom en bekkens. Merg en been doordringend schettert de trompet en oorverscheurend gilt de klarinet, terwijl de schuiftrompet haar zware klanken onophoudelijk laat hooren.
De artisten zijn buiten gekomen; zij vertoonen zich op een soort van stellage, die boven den ingang is aangebracht. Signor Carlo schittert in een fluweelen wambuis met pailletten bezaaid; zijn beenen zijn in hoogroode tricots gestoken en om de bloote armen, die uit de korte mouwtjes steken, draagt hij aan de polsen manchetten van fluweel met gouden belegsels, terwijl zijn polka-haar door een rood lint om het hoofd in bedwang wordt gehouden. Zijn twee zoons, eveneens gekleed als hij, vormen met hem een kunstvolle groep, terwijl het wonderkind in een soort van paardrijdsterskostuum uitgedost, met een overvloed van krullende lokken en een lustelooze uitdrukking in hare fletsche oogen, het publiek aanstaart en met een onverschillig lachje nu en dan een paar koperen ballen met ééne hand opwerpt en vangt. Aan de andere zijde van de stellage staat Carlo’s compagnon in een Duitsche huzarenuniform, en naast hem een ondergeschikt lid van het gezelschap, die in een berenvel gestoken, niet zonder verdienste “Bruin” voorstelt.
“Zou dat nou en aèchten beer zin? Hij duut er lêlijk genogt veur,” zegt fluisterend een der boerenmeisjes tot een andere, die met haar voor de tent staat.
“Zij de gek, deêrn, ’t is en mins in en bêrevel; houd, em moar èns en borrel veur, dan zulde èns kieken!” antwoordt een jonkman, die achter haar staande, plotseling zijn arm om haar middel slaat en, terwijl hij een kus op haar frissche koonen drukt, vraagt:
“Goa-de mee der in, Leen? Ik betoal.” [43]
“Ik wil wel meegoan, moar dat gekus kun-de wel loaten; ’t is nog veuls te vroeg.”
“Kiek, daar kumt wat moois oan! Da’s kemiek! hè, hè, hè, hè!”
Een schaterend gelach gaat onder de menigte op, als de jeugdige Theodorus te voorschijn treedt in een pakje, half rood, half geel en met een groote roode pruik op, waarvan de blauwe kuif spits en statig omhoogsteekt. Een zwarte poedel, met een rood rokje aan en een steek op, volgt hem op de achterpooten loopend. Een klein hondje, evenals hij in een half rood, half geel pakje, dribbelt er achteraan.
“Jandozie! kiek den dieën èns, wat hévt die en alleminschelijken bult! Doar kunnen der wel twee uut, en wat is ie mooi toegetoakeld!” roept er één.
“’t Is allemoal noamoak,” zegt een ander.
“Zij-de gek, ie is zoo gegreuid!” schreeuwt een derde.
“Nou, maar dan is ’t en stumper, dan mot je er meêlije mee hebben.”

Paljas, maak je compliment voor het geëerde publiek.
“Laat me los!” gilt de knaap.
“Paljas! maak je compliment voor het geëerde publiek!” roept Signor Carlo, terwijl hij met het rechterbeen vooruit en de linkerhand op de heup, met een sierlijke beweging der rechterhand op de omstanders wijst.
De hansworst knikt tegen de menigte en geeft een tikje tegen zijn achterhoofd, waardoor zijn kuif in beweging komt.
“Paljas! vertel jij nu nog eens aan het gezelschap, wat hier in dit gerenommeerd theater wordt vertoond.”
De clown buigt zich over de lage leuning, beweegt de lippen, trekt zijn mond in allerlei vreemde plooien, verdraait de oogen en beweegt de handen heen en weer, alsof hij een redevoering uitspreekt.
Het publiek wordt kalmer, en hier en daar hoort men een: “Ssst! sst! houd oe toch stille doar! Loat wie èns heuren wat ie zegt.”
“Hie zegt niks, niemendal.”
“Joawel! moar ie kunt hem niet verstoan van de hurrie.”
“Paljas! De heeren en dames kunnen je niet verstaan; [44] ik zal de vrijigheid nemen om je mijn zondagsche stem te verleenen.” De directeur overhandigt hem een reusachtigen scheepsroeper, die door den clown met een dwaze beweging wordt aangenomen en aan den mond gebracht. Hilariteit onder het publiek.—Hij beweegt het instrument omlaag, omhoog, rechts en links, heen en weer. De vroolijkheid der menigte wordt grooter, als men na een oogenblik van stilte tot de overtuiging komt, dat paljas geen enkelen toon doet hooren.
“Koezijn!” schreeuwt Carlo, “je verdient hier alle gulden zes weken, den kost als je ze krijgt, en vrij licht over dag, en je doet er niets voor. Je hebt een stem als een garnaal; ik geloof, dat je hondjes het nog beter kunnen.”
“Woef, woef!” blaft Tom, terwijl hij kwispelstaartend naar den directeur loopt. Het kleinste hondje gaat opzitten en ziet den hansworst aan.
De vroolijkheid van het publiek stijgt ten top, als de jeugdige clown, na een bankje gehaald te hebben, den poedel een bijna onmerkbaar teeken geeft en deze met één sprong er op wipt en gaat zitten. Hij houdt hem den roeper voor, en dadelijk laat Tom een schel en aanhoudend geblaf hooren. Nu wipt ook de kleine hond op het bankje, staat op zijn achterpooten en beweegt de voorpooten al smeekend heen en weer.
“Koezijn! de jongeheer Bop wil ook een woordje meepraten.”
“Waf, waf! waf!” keft de kleine door den roeper, en als de hansworst het instrument wegneemt, staat de groote hond op en maakt dezelfde beweging met de voorpooten.
“Paljas! ze kunnen er niet genoeg van krijgen, om met het geachte publiek te spreken. Ga jij maar heen; ik kan jou niet meer gebruiken. Laat de lichten opsteken, want de muzikanten gaan aanstonds naar binnen.”
De hansworst verdwijnt en de honden blijven zitten.
Opnieuw gaan eenige bezoekers de tent binnen, en nogmaals spreekt de “spelrecommandeerder” op hoogdravenden toon het geachte gezelschap aan. De muziek geeft ten [45] tweeden male de laatste waarschuwing, en de jongeheeren Carlo voeren met Bruin, den beer, een soort van horlepijp op de stellage uit, terwijl Signor Carlo met vaderlijk welgevallen zijn geslacht ziet dansen en in stilte denkt: ”’t Gaat nog maar slapjes vandaag; we zullen straks de muzikanten nog een laatste waarschuwing moeten laten geven.”
In de tent zelf is het nog vrij donker. Een enkele olielamp, hier en daar aan den wand opgehangen, verlicht de bezoekers, die vol ongeduld naar de voorstelling uitzien.
“Doar gaot de pias! roepen een paar van hen, als zij Dorus langs de banken, het trapje op, dat naar het tooneel leidt, zien naderen.
“Nu zal het beginnen!” denken zij, als ze zien, hoe hij het grof geschilderde, door den tijd en door lekkage onoogelijk geworden voorscherm ter zijde duwt en er achter verdwijnt. De knaap loopt over het tooneel en de achterdeur van de tent uit. Zijn pruik heeft hij afgezet en in de zak van zijn hansworstenkleed gestoken, als hij den ons bekenden wagen, die vlak achter de tent staat, nadert.
Behoedzaam gaat hij het trapje op, opent de deur, kijkt naar binnen en luistert.
“Zou ze slapen?” zegt hij zacht en gaat op de teenen naar het achtereind, waar in de slaapplaats vrouw Keetje onder een wollen deken ligt. Een hanglamp, waarvan de pit is neergedraaid, verlicht flauw het binnenste van den wagen en het bleeke gelaat der vrouw, als zij haar hoofd omwendt en op zwakken toon vraagt: “Is daar iemand?”
“Ik ben het, juffrouw! Heb je ook iets noodig? Wil je ook eens drinken?”
“O, ben jij het, Dorus? Loopt het druk vandaag? Je hebt het warm, kind; ’k zie het aan je voorhoofd; die pruik is te benauwd voor je. Neen, neen! ’k heb geen koorts meer, geloof ik, maar hoofdpijn.”
Dorus opent een van de raampjes, blijft er een oogenblik voor staan, om te voelen of het ook tocht, en nadert de zieke met een apothekersfleschje en een lepel in de hand. [46]
“’t Is tijd om in te nemen. Leelijk, hé! Hier, drink maar gauw op, juffrouw! Zoo; neem dit na! Toe, hap dan op!” en hij steekt haar een stuk chocolaad in den mond.
“Wat is dat? Chocolaad? Hoe kom je daar aan, Dorus? Van je zakcenten gekocht? Je bent toch een goeie jongen. Neen, gerust niet, ik voel geen koorts meer,” en zachtjens strijkt zij met de hand over Dorus’ hoofd, dat deze tot haar overbuigt met de woorden: ”’k Zal je straks weer komen ingeven, hoor! Hij grijpt haar hand tusschen de zijne, streelt ze herhaaldelijk, en vraagt: “Kan ik ook nog iets voor je doen?”
“Neen, kind! ik dank je! Laat me nu maar liggen; ’k zal zien of ik slapen kan, want ik ben zoo moe, zoo erg moe.” De knaap schikt zorgvuldig haar kussens terecht, trekt de wollen deken over haar voeten en buigt zich nogmaals over juffrouw Keetje, die hij op innigen toon toefluistert: “Je moet gauw weer beter worden! Zul je niet lang ziek blijven? Ligt je hoofd wel goed? Als je goed inneemt, gaat het over. Wel te rusten, juffrouw!”
Even zacht en voorzichtig als hij gekomen is, gaat de knaap weer uit den wagen. Bij de deur keert hij zich nog even om en fluistert: “Genacht!”—Een vriendelijk licht blinkt in zijn oogen, als hij het trapje afgaat.
Een half uur later schatert het publiek het uit bij de “productiën” van den onvergetelijken hansworst Theodorus, die dezen keer zichzelven overtreft; en als hij, ouder gewoonte, aan het slot der voorstelling rondgaat, om een “douceur of drinkgeld voor den paljas”, valt menig cent en ook een enkel zilverstukje in de bus en verschaft hem na de deeling eenig zakgeld, dat hij aanstonds in een kous wegstopt in een hoekje van den wagen, aan hem alleen bekend.
Bijna twee jaren was Dorus nu reeds bij Carlo’s gezelschap geweest en met den tijd een bruikbaar lid er van geworden, want niemand kon zoo snel en goed als hij de honden africhten, niemand wist zoo als hij partij te [47] trekken van alle kleinigheden en zoo goed een nieuwe vertooning met de honden en apen te bedenken en uit te voeren. Over ’t algemeen mocht iedereen hem gaarne lijden, omdat hij gedienstig was en voor een vriendelijk woord alles deed, wat van hem verlangd werd. Het was onmiskenbaar, dat allen hem, niettegenstaande zijn jeugdigen leeftijd,—hij telde even dertien jaren—met een weinig meer onderscheiding behandelden dan de anderen. Hij was een stille knaap geworden, die, als hij niets te doen had, kon zitten mijmeren en droomen, terwijl hij met de handen om zijne knieën geslagen, strak voor zich heen keek. Bedaard ging hij zijn weg, deed wat hij te doen had en bemoeide zich overigens weinig met de anderen.
Na de associatie met Hermans waren er muzikanten gekomen en met hen een verandering in Dorus’ wezen. Hoe slecht en valsch de muziek, die de vijf blazers maakten, ook klonk, toch was Dorus in den eersten tijd, zooals men het noemt, niet van de muzikanten weg te slaan.
Een van hen, de eerste trompetter, een Hanoveraan, was weldra zijn vriend geworden en bij hem bracht hij gewoonlijk zijne vrije oogenblikken door. Löbell was vroeger huzaar geweest, en na met een stijve knie afscheid van den dienst te hebben genomen, rondreizend muzikant geworden en eindelijk bij Hermans’ gezelschap zooveel als muziekdirecteur.
De reeds bejaarde man speelde behalve trompet ook nog viool en begeleidde op dat instrument de evolutiën van miss Betty, die zich verbeeldde zwakke zenuwen te hebben en daarom minder goed tegen de schelle tonen van het blaasorkest te kunnen.
“Zou jij mij niet kunnen leeren trompet blazen,” vroeg Dorus op zekeren dag, toen Löbell na de voorstelling zijn instrument in den groensaaien zak pakte, die voor dat doel bestemd was.
Lachend antwoordde de Duitscher, terwijl hij zijn dikken grijzen knevel opstreek, een groote zoogenaamde moffenpijp opstak en als een stoomboot begon te dampen: “Kottbewahre, [48] was wol jij? Daar ist jouw broest nicht voor, daar hèv jij kein aassem voor, kleiner kerl.—Trompete blasen, das ist nicht iederein sein werk; ich hèv ze noe al dreissig jaar keblazen, maar ich hèv ooch eine broest als wie ein schmied.”
“O! ik kan ook blazen,” antwoordde Dorus, terwijl hij een langwerpig houten fluitje te voorschijn haalde en eene vroolijke melodie begon te spelen.
“Ei! sieh’ mal, soo ein sakkermenter! Wie hèvt jou die walzer geleerd?”
“Niemand, Löbell!”
“Was?—Wie kommen jij dan so akkerat an die melodie, oend...”
“Afgeluisterd, als jelui ze speelde.”
“Das ist ja ganz nett.—Gib das ding mal her.”—Hij bracht het aan den mond, probeerde om er op te blazen, maar wierp het verachtelijk neer, met de woorden: “Das blaas ich kapoet: das ist spielerij, niks weerdig. Donnerwetter, jonge, hoe bring jij het fertig om da dr’op zoe spielen?—’s Ist jammerschade, dat jij zoo’n schwache broest hebt, want jij soll het wol leeren, jij hèvt ein besonders goed gehör...”
“Kun je me dan niet leeren viool spelen, Löbell?”
“Violin? Ach Gott, joenge, das ist das miserabelste instrument was existirt; ich hèv’t geleerd, oend noe ich es kenne, is ’t goed, maar ’t ist kein instrument mit ehren. ’s Ist der reinste quinkelierkasten; daar sitst keine kraft in. Goed voor zoo’n schmachtriemen von ’m schoelmeister oem sein leege maag damit zoesamen zoe schnoeren, weiter nichts.”—De brave Löbell zag als een echte, trompetter met verheven minachting op elk strijkinstrument neer. “Lern jij maar eins erst goed trommelen.”
“O ho! dat ken ik lang.”
“Auch den roffel?”
“Wat best! Toe, Löbell, leer mij een beetje viool; ’k zal je de helft van mijn aandeel in ’t douceur geven.”
“Teufelskerl,” bromde de Duitscher, terwijl hij den knaap, [49] die op zijn fluitje eenige snelle loopjes blies, van ter zijde aanzag. “Sakkerment, wenn daar kein moesikant d’rin steckt, will ich ein hondsfott sein.”
“Nu, Löbell, wil je? ’k Deel tusschenbeide wel een halven gulden; dat zou dan een kwartje voor jou wezen.”
“Was, was! ein kwartje, bin jij toll? Wenn ich je was leer, versta je, dan ist et aus vrindjap, omdat jij zoo’n boeckelorum bint,—maar eine violinstunde voor ’n kwartje geef ik niet, das ist kein honorar!”
’t Duurde niet lang, of Dorus kende de grepen van de viool. Wel is waar had hij verschrikkelijk veel onaangenaamheden ondervonden van het geslacht Carlo, dat niet de minste sympathie koesterde voor zijn muzikale studiën, en de directeur Hermans had hem reeds herhaaldelijk over dag uit de tent gejaagd, als hij de gamma’s studeerde; maar Dorus hield vol, en eer drie maanden verloopen waren, speelde hij allerlei deuntjes en wijsjes, en toen nogmaals een halfjaar was verstreken, zei Löbell: “Kottorie, hij spielt bijna zoo goed wie ik! Maar ’s ist oend bleibt toch ein schwaches miserabeles quinkelierinstrument: da lob ich mir die trompete, da steekt moesik d’rin.”
De directeur Hermans, die eerst zijn best had gedaan om den jeugdigen violist tegen te werken, liet hem nu stil begaan, want een kostelooze versterking van zijn orkest was een vooruitzicht, dat hem aanlokte; ook de familie Carlo begon er schik in te krijgen, dat haar Dorus zoo knap werd, en juffrouw Keetje, die reeds langer dan zeven maanden sukkelde en voortdurend aan hoofdpijn leed, vroeg dikwijls: “Toe, Dorus, speel eens wat voor mij; dat fleurt me op.”
De oude viool, die Löbell voor een beetje geld voor Dorus van een vakgenoot had overgenomen, was nog zoo slecht niet en de knaap wist er tonen uit te halen, waarover iedereen verstomd stond.
Wanneer hij eens of tweemaal iets hoorde, speelde hij het onmiddellijk na, en dikwijls varieerde hij het stuk zonder ’t bijna zelf te weten. Het was alsof een nieuw leven voor [50] den knaap begon; wanneer hij zijn viool in handen had gevoelde hij zich gelukkig en elke dag bracht hem eene schrede verder in de techniek, hoe gebrekkig de grondslag er toe ook gelegd was. Zonder moeite, als instinctmatig, vond hij grepen en positiën en soms verbaasde hij zichzelf over de tonen, die zijn vingers aan de snaren ontlokten.
Eens op een Zondag—de tent was in een klein stadje opgeslagen, waar op den sabbat niet gespeeld mocht worden—stond Dorus alleen op het ledige tooneel en speelde. Zijn vingers drukten werktuiglijk de snaren en even werktuiglijk liet hij dus den strijkstok op en neer gaan. Hij begon met eene bekende melodie, die hij ergens gehoord had; vaster en vaster werd zijn streek, en eindelijk phantaseerde de knaap. Zijn oogen schitterden, zijn borst zwoegde en het zweet parelde op zijn voorhoofd.
Dorus droomde op de viool. Nu eens smeltend en zacht,. als een beeld van zijne eerste kindsheid, toen moederliefde hem koesterde, dan weer woest en wild, als jammerde het in de snaren van weedom en smart, eindelijk melancholisch en zacht, klonken de tonen, die hij aan zijn instrument ontlokte. Hij speelde voort, terwijl tranen hem over de wangen liepen, maar hij merkte het niet, evenmin als hij gewaarwerd, dat Löbell achter op het tooneel was gekomen. Een schelle dissonant, als de laatste kreet van een gewonde ziel, brak zijn droomerij af; langzaam liet hij de viool zakken en staarde doelloos voor zich uit.
“Kratz noer weiter, kerlchen, kratz noer weiter!” riep eensklaps Löbell, maar met een stem zoo week, alsof ’t eene moeder was, die tot haar kind sprak, en terstond daarop liet hij met zijn gewone ruwe stem volgen: “Jij bint ein schwerenöther, ein teufelskerl; daar sitzt doch wahrhaftig beina soviel musik d’rin, wie in meine trompete! Sakkerments kerl! wo hèv jou das keleerd?”
“Van jou, Löbell,” antwoordde Dorus lachende, terwijl hij met welgevallen zijn viool beschouwde.
“Von mir—das soll der teufel! Ich wol, dat ich ’t zoo kon, versta je?” [51]
“Och kom, Löbell!”
“Waar hèv je die noten van dat schtuk?”
“De noten?—Wat bedoel je?”
“Ich betoel die moesiek. Ist es gedruckt?”
“Wel neen!” antwoordde Dorus verwonderd. “Ik speelde maar zoo wat uit het hoofd, wat me zoo in de gedachten kwam.”
“Donneroenddoria? waar das fantasie,—alles aus de kànes gespielt?—Waarhaftig?”
“Natuurlijk, Löbell.”
“Dan zeg ik, dat het sjande oend sünde ist, wenn jij nog langer den hanswoerscht macht. Jij moet stoedeeren oend dan wird der ouwe Löbell nog beleven, dat jij een virtuoos wirst.”
“Een virtuoos, wat is dat?”
“Das?”—De oude trompetter streek verlegen zijn knevel.—“Das? Das ist ein kerl, die zóó moesiek macht, das die menschen sich de handen kapoet schlagen, bei ’m applaudiren, oend der liebe herr Kott das herz im leibe lacht.”
Er was in Dorus’ geheele zijn en wezen verandering gekomen. Hij werd stiller en teruggetrokkener dan ooit, zijn viool was zijn alles geworden en het hansworstenpak, dat hij eenmaal verheugd had aangetrokken, begon hem tegen te staan. Wel deed hij zijn plicht en werkte op de voorstellingen naar behooren mede, maar het ging niet van harte zooals vroeger, en niet ten onrechte maakte Signor Carlo de opmerking: “Die viool is het bederf van Dorus’ productiën; hij heeft er zijn hoofd niet meer bij, en de honden vernegligeert hij ook; ik zal er hem eens over onderhanden nemen. Ik heb er niet tegen, dat hij speelt, maar de zaak moet er niet onder lijden.”
Hij nam Dorus onderhanden, en al wat deze op de tot hem gerichte verwijten antwoordde, was: “Ik kan het niet laten, maar ik zal mijn best doen om mijn werk niet te bederven.” Toen, als door een plotselinge gedachte getroffen, vroeg hij: “Laat me het hansworstenpak uittrekken, Carlo, en in het orkest spelen, dag en nacht, als je wilt.”
“Waarachtig niet; ik heb nog nooit zoo’n paljas gehad! [52] ’t Publiek lacht al, zoodra het je maar ziet, en bovendien je bent een geboren paljas: ’t zou zonde en jammer wezen, als je voor de kunst verloren gingt. Nu, zet maar zoo’n ongelukkig gezicht niet; je hebt het toch goed, en ik mag je graag lijden. Weet je wat, als je dan zoo graag spelen wilt, speel dan op de avondrepresentatie in je hansworstenpak een paar mopjes, dan zal ik je op het programma den “muzikalen clown” noemen”.
“Maar, Carlo!”
“Wil je, of wil je niet?”
“In dat leelijke pak?” vroeg Dorus met een zucht.
“Ja, en anders ruk ik je viool in. Begrepen?”
“In Gods naam, ik zal spelen.” [53]
’t Is een heerlijke zoele zomerdag; de lucht is vol zonneschijn, helder en blauw is de wolkelooze hemel. In de zonnestralen dartelen duizenden insecten; alles is vol warmte, leven, glans en gloed. De geur van jasmijn en kamperfoelie vervluchtigt zich in de warmte der zon. Krachtig slaat de vink in den beukeboom; vroolijk wiegt zich het roodborstje in de twijgen van het vlierbosch in den tuin.
Vol en prachtig staan de rozen in het bed te bloeien, en schitterend vereenigen verbena’s en geraniums haar kleuren tot een heerlijk schoonen krans.
’t Zoele windje suizelt zachtkens door de bladeren en draagt den vlinder voort, die een oogenblik in ’t zonnelicht drijft, en blaast zelfs geen enkel stofje van zijn vlerkjes, die blinken als lichtgeel goud, met purperen glans overtogen.
Een waas van bloemenlucht en warmte drijft tusschen de bladeren der kastanjeboomen, of zweeft er doorheen tot in de openstaande ramen van het zacht rose getinte heerenhuis. In de ruime, sierlijk gemeubelde tuinkamer staat dokter Abels voor de opengeslagen vensters.
“Heerlijk weer, goddelijk!” zegt hij zacht en kijkt naar de lucht, naar de bloemen en den tuin. Met welgevallen ademt hij de frissche geuren van het groen in.
Buiten slaat de dorpsklok negen uren. De dokter verlaat het venster en nadert de ontbijttafel, die in het midden [54] der kamer gereedstaat. Het keurig fijne porselein, het zilveren theeservies met de Chineesche kopjes noodigen tot aanzitten uit.
De versche eieren in het Sèvres eierenstel zien er uitlokkend uit en het sardijntje in zijn blikken doosje biedt zijn zilverkleurige lekkernij vrijmoedig aan.
De met zorg gekozen meubelen, de prachtige vleugel van Erard, de harmonische overeenstemming der kleuren van behangsel, overgordijnen en tapijt, de algeheele afwezigheid van overladen pracht, wijzen er op, dat wij ons in de woning van een ontwikkeld man van smaak bevinden.
“Reeds negen uur; Albertine is laat vandaag,” zegt de dokter, terwijl hij in afwachting, dat zijne dochter de thee voor hem zal komen schenken, het fijn damasten servet, dat, in zilveren ring gerold op zijn bord ligt, ontvouwt en over de knieën legt. Hij neemt zijn mes op en draait het werktuigelijk in de hand heen en weer, terwijl hij achterover in zijn stoel ligt. Zijn vriendelijke oogen rusten daarbij als vanzelf op een vrouwenportret in crayon, dat tegenover hem in een zwarthouten lijst aan den wand hangt.
Hij zucht onhoorbaar, en het is alsof zijn oogleden rood en de hoekjes vochtig worden, terwijl, hij achterover in den stoel leunend fluistert: “Arme vrouw, je bent te vroeg heengegaan. En jij ook, Henri, mijn jongen, mijn stamhouder,” voegt hij er bij; terwijl hij het grijze hoofd omwendt om naar een schuins achter hem hangende photographie te zien. Een immortellenkrans om het kleine lijstje toont aan, dat Henri de laatste was, die hem verliet. Nog een blik vol weemoed werpt hij op de beide portretten en staart dan doelloos in den tuin, waarin de vlinder in de zonnestralen dartelt, als het beeld van het herboren leven.
Feldeinwärts flog ein Vögelein
Und sang im munteren Sonnenschein
Mit süssem, wunderbaren Ton:
Adé—ich fliege nun davon!
Weit! weit! weit!
Reis’ ich noch heut!
[55]zingt een glasheldere meisjesstem in den tuin. De dokter heft eensklaps het hoofd op, en een gelukkige lach speelt om zijn lippen, als hij de slanke gestalte zijner dochter voor het huis ziet verschijnen.
Weit! weit! weit!
Flieg’ ich noch heut!
klinkt het weer, terwijl Albertine nadert en nog buiten haar vader toeroept: “Goede morgen, papaatje! Goed geslapen?”
Met den wijsvinger dreigend, antwoordt hij: “Tientje, Tientje! wat ben je laat; ik heb op je gewacht.”
Het bevallige meisje, nog steeds in de deur staande, lacht vroolijk, heft op haar beurt het fijne vingertje omhoog en antwoordt schalks: “Papaatje, papaatje! wat is u laat! Ik heb al wel een uur op u gewacht. ’k Heb de kippen gevoerd, de duiven hun eten gegeven en ik heb bloemen geplukt.” Zij toont een paar rozenknoppen met een takje jasmijn en nadert met luchtigen tred haar vader, die het hoofd achteroverbuigt en zoo zijn morgenkus in ontvangst neemt. Zij steekt een rozenknopje in zijn knoopsgat, kust hem nogmaals op beide wangen en zegt lachend: “Dat is voor mijn knorrigen papa, omdat hij te laat is opgestaan.”
“Je weet je aardig uit de klem te redden, Albertientje!”
“Neen, heusch, papa, ik ben al een uur op.”
“Nu goed, kind, ik zal je voor dezen keer gelooven. Schenk me maar gauw een kopje thee in.”
“Dadelijk, papa.”
Met ongedwongen bevalligheid plaatst het meisje zich aan de tafel. Terwijl zij thee inschenkt en het ontbijt verder gereedmaakt, slaat haar vader met welgevallen elke harer bewegingen gade en denkt: “Wat ziet ze er toch lief uit; ze heeft juist de oogen van haar moeder en hetzelfde weelderige, blonde haar; ’t is alsof ik mijn goede Anna verjongd en frisch weer voor me zie!” En nogmaals richt zich zijn blik op het portret tegenover hem. [56]
Albertine ziet er werkelijk allerbekoorlijkst uit; hare rijzige gestalte komt in den met kant omzetten witten peignoir geheel tot haar recht. Op haar fijn besneden gelaat strijdt het dons van de perzik met de kleur der meiroos en der lelie om den voorrang. Achttien zomers lachen u aan uit haar groote, donkere oogen, die, door fijn gebogen wenkbrauwen overschaduwd, eenigszins vreemd afsteken bij den overvloed van aschblond haar, dat zich noode in de sierlijk gewonden wrong laat bedwingen. De wijde mouwen van den peignoir gunnen een onbescheiden blik op den poezelen ronden arm en het coquette muiltje, dat zich even van onder de plooien van haar kleed laat zien, schijnt voor een kindervoetje berekend.
“Nog een kopje, papa?” vraagt het meisje, terwijl zij met een sierlijke beweging het zilveren trekpotje opneemt.
“Zeker; en je kunt me ook nog een broodje geven.”
Terwijl zij het een en ander gereedmaakt, ziet haar vader op zijn horloge en zegt: ”’t Is al bijna weer tijd om uit te rijden, Tientje; nog een klein kwartiertje en...”
“En nog juist tijd genoeg om u even een wals van Chopin voor te spelen,” en opstaande voegt zij er bij: “Ja, ja! ik ken mijn vadertje: zijn muziekstuk moet hij hebben voor hij uitrijdt, niet waar?”
“Kind! je bederft me!”
“Of u mij, papa!” Albertine staat op een slaat het kostbare instrument open. “Chopin, papa?”
“Neen, Tientje, speel liever iets van Mendelsohn; ik weet niet, hoe het komt, maar ik ben vandaag niet opgewekt.”
“Niet; scheelt er wat aan, papa?” Het meisje wipt vlug van de pianokruk op, vat haar vaders hoofd tusschen haar beide handen en, terwijl zij hem in de oogen ziet, vraagt ze: “U is immers toch wel?”
Glimlachend ziet dokter Abels haar aan en antwoordt: “Zeker, kind ; ’t is maar een van mijn mistroostige buien. Kom, speel nu, kind!”
“Zal u dan weer vroolijk worden, lieve, beste, oude papa?” [57]
“Ja, ja, malle meid!”
Albertine preludeert even, en weldra ruischen de toonen, die haar geoefende vingers aan het schoone instrument ontlokken, door de kamer. Plotseling houdt het meisje op met spelen en vraagt:
“Papa, waarom speelt u toch nooit meer op de viool? U speelt zoo goed!”
“Och, kind!”
“En u heeft zoo’n prachtig instrument.”
“’k Heb er geen tijd meer voor, Albertientje, en bovendien, sedert je moeder dood is, heb ik er den rechten lust niet meer in; wij maakten altijd samen muziek en...”
“Mama is nu al bijna twee jaren dood, is ’t niet zoo papa?”
“Ja, kind, en Henri al anderhalf jaar.”
’t Is een oogenblik stil, doodstil in de kamer. De dokter staat langzaam op. en strijkt zich een paar malen met de hand over het voorhoofd. Albertines vingers dwalen over de toetsen. Zacht en innig klinkt de melodie van ”Es ist bestimmt in Gottes Rath,” uit den vleugel. Pianissimo eindigt zij, springt plotseling van haar zitplaats op en valt haar vader om den hals, terwijl zij haar hoofd aan zijn borst verbergt en zachtjes zegt: “Maar wij hebben elkaar toch nog, niet waar?”
“Ja, mijn schat, ja!”
“Mijnheer, het rijtuig is voor!” roept de knecht, die in de tuindeur verschijnt.
“Ik kom, Jakob. Adieu Tientje!”
“Dag, papa!”
Dokter Abels werpt haar, in de tuindeur staande, nog een kushand toe en begeeft zich door den tuin naar het koetshuis, waar onder de porte-cochère zijn rijtuig gereedstaat. Terwijl hij instapt, wendt hij zich tot den huisknecht, met de woorden: “Jacob, denk er om, dat je van middag wat soep brengt aan vrouw Teunissen en de flesch wijn, die in de eetkamer op het buffet staat, bij den ouden Stoffels in het Hanenstraatje. Je weet wel, waar het is?”
“Jawel, dokter, waar ik laatst dat mandje en die kleeren...” [58]
“Juist.”
Het portier valt met een slag dicht; Barend de Koetsier klapt even met de tong, de twee bruinen trekken aan, stappen de poort uit en weldra rolt het rijtuig in snelle vaart den weg op. Jacob ziet het na, en terwijl hij de groote staldeuren sluit, zegt hij bij zichzelven: ”’t Is toch een goed man, die een boel voor een ander overheeft. Jammer, dat hij zoo mankeliek is tusschenbeide.”
Albertine is weer aan de piano gaan zitten. Haar kleine handen glijden vaardig en snel over de toetsen; ze speelt een concertstuk. Breed en vol ruischen de accoorden der introductie en als een zoetvloeiende stroom van harmonie volgt een adagio, dat als een lied van liefde en lust tot het hart spreekt en doordringt tot het diepst der ziel; nu eens jubelen de tonen, dan weer klagen zij vol weemoed en smart.
Het meisje gevoelt, wat ze speelt; haar onberispelijke aanslag en hare vaardigheid komen heerlijk uit, als zij bij het scherzo met het meeste gemak de zwaarste passages overwint. Als een vogel, verscholen in het gebladert, juicht de discant en de basnoten klinken als een menschenstem, die zingt van weelde en van geluk.—Zij speelt voort, terwijl haar oogen schitteren en haar wangen zich hooger kleuren. Alles om haar heen heeft zij vergeten; op dit oogenblik leeft zij alleen in de muziek. Daardoor bemerkt ze ook niet, dat zij een toehoorder heeft; ’t is een knaap die tegen de openstaande tuindeur geleund, ademloos toeluistert. Zijn oogen zijn strak op de liefelijke verschijning vóór hem gevestigd en met gevouwen handen luistert hij toe; geen enkele toon ontsnapt hem. Het is alsof hij de muziek, die hij hoort, in zich opneemt; alsof elke noot, elk accoord in zijn ziel weerklank vindt. Bleekheid en blos wisselen snel op zijn gelaat, zenuwachtig trillen zijne lippen en plooien zijn mond tot een weemoedigen lach of sluiten zich een seconde later weder vast op elkaar. Onbeweeglijk staat hij daar, totdat het meisje ophoudt met spelen; en alsof hij uit een betoovering ontwaakt, strekt hij de handen verlangend naar haar uit. [59]
“Wat doe jij daar? Wat voer je daar uit?” klinkt plotseling Jakobs stem in den tuin en doet hem tot de werkelijkheid terugkeeren; maar nog is hij te zeer onder den indruk van het gehoorde, om dadelijk antwoord te kunnen geven.
De huisknecht nadert, en met de barsche woorden: “Kun jij geen antwoord geven, leelijke bochel?” vat hij hem bij den kraag en trekt hem een eind den tuin in.
Al het bloed stijgt in één oogenblik naar het hoofd van den jongen; hij rukt zich los, bukt zich en grijpt bliksemsnel een handvol zand, dat hij den knecht in het gezicht werpt.
“Vervloekte jongen!” roept Jakob, terwijl hij met een pijnlijk gelaat de eene hand naar de oogen brengt en met de andere tevergeefs hem weer poogt te grijpen. “Houd hem vast!” roept hij den tuinman toe, die het geval heeft gezien en, ijlings toegeschoten, den bultenaar stevig bij den arm neemt en heen en weer schudt.
“Laat me los!” gilt de knaap, terwijl hij vruchteloos zich aan de handen van den tuinman poogt te ontwringen.
Albertine is op het hooren van het geschreeuw in den tuin opgevlogen en staat nu tusschen de beide mannen, terwijl zij vraagt: “Wat is hier te doen, Jakob? Waarom schreeuw jelui zoo?”
Bedeesd slaat de jongen de oogen neer en doet geen verdere poging om te ontkomen, als Jakob antwoordt:
“Ik was zoo even in den stal, juffrouw, en zag hoe die gemeene bochel....” Een toornige blik van den aangewezene treft hem en ontlokt hem de woorden: “Kijk me maar zoo valsch niet aan; ’k zal je straks wel nader spreken.—’k Zag hem door de kleine deur sluipen en in den tuin gaan; er is hier dezer dagen veel slecht volk in de buurt, want met de kermis te Groenendaal zwerft allerlei gespuis rond, en ik dacht: die komt eens kijken, of hij hier wat op den kop kan tikken, ’t Is zeker een jongen van een spel of zoo, dat kun je wel aan zijn plunje zien. Ik prakkezeerde zoo bij mezelven: ik zal hem stil zijn gang [60] laten gaan en zien wat hij uitvoert. Ik zag hem langs het huis gaan en door de ramen kijken. U was net aan ’t spelen, juffrouw; toen bleef hij aan de open deur staan en loerde om het hoekje naar binnen. Hij keek zeker, of er wat van zijn gading was.”
“Dat lieg je.”
“Houd je mond, kwajongen; ik weet, wat ik gezien heb. Toen wilde hij naar binnen gaan.”
“’t Is een leugen, juffrouw, ’t is een leugen!” roept hartstochtelijk de jongen, terwijl de tranen hem met kracht uit de oogen springen en over zijn bleeke wangen rollen. “Ik luisterde naar de muziek, anders niet. Laat me toch los!”
Albertine ziet hem medelijdend aan en zegt: “Laat hem maar los, Pieter.”
“Dan gaot ie er vandeur, juffer!”
“Neen, neen! ’k zal niet wegloopen, ’k hoef het niet te doen, want ik heb niets kwaads gedaan.”
Op een wenk van het meisje laat de tuinman den arm, dien hij vastgreep, vrij, en de knaap blijft bedaard staan, terwijl hij met een blik vol haat op Jakob zegt: ”’k Kwam niet om te stelen, juffrouw; hij liegt het. Dat ik hem zand in de oogen heb gegooid, is waar, maar dat deed ik, omdat hij me uitschold en omdat ik op dat oogenblik mijzelf niet was door de muziek, die ik hoorde.”
“Een mooi praatje,” bromt Jakob.
“Daar mot-de niks van geleuven, juffer, dat bennen allemoal proatjes. As ’k ’em goed oankiek, dan geleuf ik, dâ ’k ’em al eerder gezien heb, eergiesteren, toen ’k op de kârmis gewêst bin, moar toen zag ie anders uit. Zinen bult was wel êns zoo groot en ie had zoo’n potsenmoakers pak an.—Zeg, hed-de gij niet in ’t thrioater met hundjes gespeuld?”
“Dat heb ik,” klonk het bedaard terug.
“En hed-de gij niet op de fidel gespeuld?”
“Dat is ook waar.”
“Zie-de wel, juffer, dat ’t der een van ’n spul is? Dâ’s allemoal schunnig volk, doar mot-de veurzichtig mee wêzen. [61] G’leuf me, loat ’k em noar den veldwachter brengen, dan bint wie der af, en dan kriegt ie wat ’em toekumt.” Pieter grijpt den arm van den jongen weer vast.
“Wacht eens even, Pieter, ik geloof dat je overdrijft; de jongen ziet er niet uit, alsof hij kwam stelen,” zegt Albertine, terwijl zij, een stap voorwaarts doende, vraagt:
“Waarom kwam je hier? Zeg me de waarheid.”
“Ik wou den dokter spreken, juffrouw.”
“Mooi smoesje!” pruttelt Jacob. “Dan kost ge toch oan de veurdeur gebeld hebben. Een fatsoenleke mins kruupt toch niet ’t achterhuus in.”
“Ja, dat is waar. Waarom heb je niet gescheld?” vraagt het meisje.
“Ik hoorde u spelen en toen vergat ik verder te gaan.”
“Allemaal gekheid, juffrouw, u moet het niet gelooven,” bromt Jakob.
“Ben jij dan zelf zoo’n leugenaar, dat je niemand anders gelooft?” bijt de knaap hem toe, en tot Albertine gewend vervolgt hij : ”’k Heb u de waarheid gezegd, juffrouw. ’k Zal u alles vertellen; maar laat hen heengaan.”
“Nu, goed dan. Ga maar aan je werk, Pieter; en jij, Jakob, laat mij met den jongen alleen.” Knorrig verwijdert zich de laatste, en de tuinman gaat weer naar zijn bloembedden, echter niet dan nadat hij gezegd heeft:
“’k Goai, moar rêken der op, da ’k oe in de goaten houw!”
Albertine neemt op een bank bij het huis plaats en wenkt den jongen nader te komen. Vriendelijk ziet zij hem aan, als ze vraagt:
“Zeg me nu eens de waarheid. Wat kwam je hier doen?”
“Ik kwam den dokter zoeken, juffrouw.”
“Zoo! Hoe heet je?”
“Dorus.”
“Ben je dan ziek ?”
“Neen, ik niet,” en nu verhaalt Dorus haar, wie en wat hij is; hoe juffrouw Keetje reeds maanden lang erge koorts heeft en dag aan dag zwakker wordt; hoe hij gehoord heeft, dat dokter Abels als de knapste geneesheer van den [62] omtrek bekendstaat; en hoe hij hoopt, dat hij de juffrouw kan genezen.
“En het is niet je moeder?”
“Neen, juffrouw, mijn moeder en mijn vader zijn allebei dood.”
“Al lang?—En hield je veel van je moeder?”
“Ik herinner mij van mijne moeder alleen nog maar, dat ze me ’s avonds op haar schoot nam en me zoende, vóór ik ging slapen. ’k Weet niet anders meer van haar, dan dat ze lief en goed voor me was en me nooit “krates” of “bochel” noemde. Maar juffrouw Keetje is net even goed; ze is altijd vriendelijk en ze is de eenigste, die van me houdt. Daarom zou ik voor haar door het vuur loopen en daarom houd ik me in, als de anderen me schelden of plagen. Och, juffrouw, ze is zoo ziek, en alles wat ze haar gegeven hebben helpt niet. Als de dokter maar eens kwam, zou ze wel weer beter worden; hij is zoo geleerd, zeggen ze allemaal; daarom ben ik van morgen van Groenendaal hierheen geloopen.”
“Maar dat is ruim twee uren gaans!” zegt Albertine verwonderd.
“O, dat is minder, al was het nog eens zoo ver. Zou u denken, dat de dokter zou willen?” En terwijl hij haar eenigszins verlegen aanziet, grabbelt hij in den diepen zak van zijn wijde pantalon en haalt een toegevouwen papier te voorschijn, dat hij opent, en waarvan hij haar op de vlakke hand den inhoud toont, bij de woorden: “Zou hij komen voor drie gulden? Meer heb ik niet.”
Een zonderling gemengd gevoel van medelijden en sympathie doorstroomt het meisje, als zij vraagt: “Hoe kom je aan dat geld?”
Dorus’ oogen staren haar vrijmoedig en schitterend aan, bij het antwoord: “Eerlijk verdiend, juffrouw! Opgespaard van mijn douceurs.”
“De dokter zal komen, dat beloof ik je; steek je geld maar weer bij je,” zegt Albertine met een zweem van aandoening in haar stem. [63]
“Zal hij, juffrouw?”
“Je kunt er op rekenen. Maar, waar staat de tent?”
“De tent, juffrouw? Die is al lang vooruit naar Westwijk, met Hermans en de anderen. Wij, Signor Carlo en ik, zijn met den wagen te Groenendaal achtergebleven, omdat juffrouw Keetje het rijden, door de erge hoofdpijn, niet langer verdragen kon; maar morgenochtend moeten we vroeg weer op weg, om ’s avonds in Westwijk te kunnen spelen.”
“Speel jij ook mee? En als wat?”
Een sterke blos kleurt Dorus’ wangen. Waarom, weet hij zelf niet recht, maar ’t is alsof het woord “hansworst” hem niet van de lippen wil, en hij stottert bij het antwoord: ”’k Presenteer gedresseerde honden, juffrouw! en ’k speel viool.”
“Nu, daarvoor hoef je je niet te schamen. Waarom krijg je zoo’n kleur? ’k Geloof, dat je mij wat wilt wijsmaken.”
“’k Ben ook de paljas,” antwoordt hij min of meer verlegen.
“Paljas! En vind je dat aardig?”
“Neen, juffrouw, maar ik moet wel.—Zal ik nu maar gaan? ’k Wou graag weer terug.—Komt de dokter gauw?”
“’k Hoop van middag.”
Dorus stottert een paar malen een bedankje en verlaat den tuin. Jakob ziet hem heengaan en pruttelt:
“’k Zou hem anders getrakteerd hebben, zoo’n rakker!” En de tuinman roept hem, met zijn hark dreigend, na:
“As ge ’t hart hêt om ooit weer hier te kommen, dan sloa ’k oe de been’ stuk, begriept-de?” en in zichzelven zegt hij: “De jongejuffer is veuls te goed om met zoo’n jong nog proatjes