Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


Project Gutenberg's De Zuidster, het land der diamanten, by Jules Verne

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: De Zuidster, het land der diamanten

Author: Jules Verne

Release Date: January 23, 2006 [EBook #17580]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ZUIDSTER, HET LAND DER ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






Jules Verne

De Zuidster

Het land der diamanten

Amsterdam
Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”
1920

Gedrukt bij N.V. Drukkerij Schilt—Utrecht

[1]

Eerste hoofdstuk.

Dolle kerels, die Franschen!

“Spreek, mijnheer, ik luister.”

“Mijnheer, ik heb de eer de hand van miss Watkins, uw dochter, te vragen.”

“De hand mijner Alice?....”

“Ja, mijnheer. Mijn aanzoek schijnt u te verrassen. Is het niet? Toch moet gij mij ten goede houden, dat ik niet recht begrijp, waardoor dat aanzoek u zoo buitengewoon voorkomt. Ik ben zes en twintig jaren oud. Ik heet Cyprianus Méré. Ik ben mijn-ingenieur en heb als numero twee bij den algemeenen wedstrijd de Polytechnische school verlaten. Mijne familie is wel is waar niet rijk, maar zij is geacht en geëerd. De consul van Frankrijk aan de Kaap de Goede Hoop zal u zulks kunnen getuigen, wanneer gij dat zult verlangen, en mijn vriend Pharamond Barthès, de stoutmoedige jager, dien gij evenals iedereen in Grikwaland kent, zou u hetzelfde kunnen getuigen. Ik ben hier in naam van het Fransche Gouvernement door de Académie des Sciences tot het verrichten van wetenschappelijke onderzoekingen gezonden. Verleden jaar heb ik in het Instituut den prijs Houdard voor mijne verhandelingen over de scheikundige samenstelling der vulkanische rotsen van Auvergne behaald. Mijne verhandeling over het diamanthoudend bekken der Vaalrivier, die ik bijna voltooid heb, kan niet anders dan goed ontvangen worden door de geleerden en de wetenschappelijke lieden. Als ik van mijne zending teruggekeerd zal zijn, word ik benoemd tot hulp-professor bij de mijnenschool te Parijs, en ik heb reeds last gegeven vertrekken voor mij te huren in de Universiteitsstraat No. 104 op de derde verdieping. Mijne bezoldiging bereikt met aanstaanden Nieuwjaarsdag, de som van vier duizend acht honderd francs. Dat is het inkomen van Rothschild niet, dat weet ik wel; maar de opbrengst mijner particuliere werkzaamheden, mijner onderzoekingen, academische prijzen, medewerking aan verscheidene tijdschriften, veroorlooft dat ik op een dubbel inkomen mag rekenen. Ik voeg er bij dat, daar mijne behoeften eenvoudig en bescheiden zijn, ik niet meer noodig heb om mij gelukkig te gevoelen. Dus nogmaals, mijnheer, ik heb de eer u de hand van miss Watkins, uwe dochter te vragen.”

Door den flinken en vastbesloten toon van die kleine toespraak, gaf Cyprianus Méré voldoende den toetssteen aan, dat hij de gewoonte had in alle zaken, zelfs in de meest intieme, recht op zijn doel af te gaan en vrij uit te spreken.

Zijne gelaatstrekken daarenboven logenstraften den indruk niet, door zijne taal voortgebracht. Hij had het uiterlijk van een jongmensch, dat zich gewoonlijk met de hoogste wetenschappelijke scheppingen bezig hield en slechts den minst mogelijken tijd aan ’s werelds ijdelheden afstond.

Zijn kastanjekleurig haar, dat hij kort als een borstel geknipt droeg, zijn blonde baard, die bijna met de huidsoppervlakte gelijk geschoren was, de eenvoud van zijn grijs linnen reiskostuum de tienstuivershoed van stroo, dien hij, wel opgevoed als hij was, bij het binnentreden op een stoel had neergelegd, hoewel de persoon tot wien hij sprak, met de gewone slordige onachtzaamheid aan het Angelsaksische ras eigen, met gedekten hoofde was gebleven,—dat alles toonde aan, dat Cyprianus Méré een ernstigen geest bezat niet alleen, maar ook een rustig geweten en een rein hart, dat in zijn kristalhelderen blik zich afspiegelde.

Er moet nog bijgevoegd worden, dat die jeugdige Franschman zoo volmaakt zuiver Engelsch sprak, alsof hij in de meest Engelsche graafschappen van het Vereenigd Koninkrijk langen tijd verblijf gehouden had.

Mr. Watkins hoorde hem aan, terwijl hij zijn lange pijp rookte en in een houten leuningstoel gezeten was, waarbij hij het linkerbeen op een rieten voetenbankje uitgestrekt had, en met den elleboog geleund was op eene tafel, waarop een kruik gin stond, waarbij [2] een glas, half met dien alcoholischen drank gevuld.

Die persoon was gekleed met een witten pantalon, een blauw jasje van grof linnen, een hemd van een geelachtig flanel, evenwel zonder vest of das. Onder den onmetelijken vilten hoed, die op zijn grijs hoofd geplakt of geschroefd scheen, rondde een rood en opgeblazen gezicht, dat waarachtig had kunnen vergeleken worden bij een poppenkop, die met bessenstroop ingesmeerd was. Dat weinig innemende gelaat, dat hier en daar met stukjes baard bezaaid was, van die kleur, welke men gewoonlijk melkboeren-hondenhaar noemt, was versierd met kleine grijze oogen, die er met een centerboor ingeboord schenen en niet veel geduld of goedheid des harten aanduidden.

Ter verschooning van Mr. Watkins dienen wij er dadelijk bij te voegen, dat hij vreeselijk aan het pootje sukkelde, waarom hij genoodzaakt was zijn linkervoet steeds omzwachteld te houden. Nu is het pootje eene ziekte, die evenmin aan de zuidelijke spits van Afrika als overal elders geschikt is, om de gemoedsstemming der lieden, aan wier gewrichten zij knaagt, te verzachten.

Het tooneel viel voor op de gelijkvloers-verdieping van de pachthoeve van Mr. Watkins, die zoo wat gelegen was op den 20sten breedtegraad ten zuiden van de Evennachtslijn en op den 22sten oosterlengte van Parijs op de westelijke grens van den Oranje-Vrijstaat, ten noorden van de Britsche Kaap-Kolonie, te midden van Zuid-Afrika, dat eene gemengde Engelsch-Hollandsche bevolking bezit. Dat land, hetwelk door den rechter oever van de Oranjerivier begrensd wordt, bevindt zich aan de zuidelijke uiteinden van de groote woestijn van Kalahari, welke op sommige ouderwetsche landkaarten den naam van Grikwaland voert, en wordt thans met veel meer recht sedert ruim tien jaren het “Diamonds-Field”, het Diamantenveld, geheeten.

De spreekkamer, waarin deze diplomatische samenkomst plaats had, was waarachtig opmerkenswaardig, zoowel door de minder gepaste weelderigheid van eenige meubelstukken als door de betrekkelijke armoede van de overige bijzonderheden van dit binnenvertrek. De vloer bijvoorbeeld bestond doodeenvoudig uit vast aangestampte aarde, die hier en daar door dikke tapijten en kostbaar pelswerk bedekt was. Aan de muren, die nimmer met eenig behangselpapier geprijkt hadden, was een zeer fraaie pendule in gedreven koper opgehangen, alsook prachtwapens van verschillenden oorsprong, en Engelsche kladprenten, die door overrijke lijsten omgeven waren. Een fluweelen sofa prijkte naast eene tafel van wit hout, die ter nauwernood in eene fatsoenlijke keuken te huis zou behoord hebben. Er stonden leuningstoelen, rechtstreeks uit Europa aangevoerd, die hunne armen te vergeefs naar Mr. Watkins schenen uit te strekken, want deze verkoos steeds op een ouden stoel plaats te nemen, dien hij vroeger met eigen hand lomp en onbehouwen gefatsoeneerd had. Over het algemeen genomen, gaven de voorwerpen van waarde, alsook de achteloosheid waarmede de panterhuiden, luipaardshuiden, giraffe- en tijgerhuiden op den vloer alsook op al de meubelen geworpen waren, aan dit vertrek het uitzicht van barbaarsche welgesteldheid.

Uit de bouworde van het plafond was het duidelijk, dat het huis geen bovenverdieping bezat en slechts uit een reeks vertrekken gelijkvloers bestond. Die woning was, evenals alle andere daar te lande, gedeeltelijk van kleiaarde opgetrokken. Zij was gedekt met bladen van geribd zink, die op een zeer lichten dakstoel aangebracht waren.

Men kon ook zien, dat de bouw van die woning nauwelijks geëindigd was. Want inderdaad, men behoefde zich slechts buiten het venster te buigen, om rechts en links vijf of zes verlaten gebouwen te bemerken, allen van denzelfden bouwtrant maar van verschillende ouderdom, die zich in den meest gevorderden staat van verval bevonden. Dat waren allen huizen, die Mr. Watkins opvolgend gebouwd, bewoond en verlaten had naar mate zijn vermogen toenam, waarvan die woningen derhalve alshetware den stijgenden trap aangaven.

De meest verwijderde was eenvoudig uit plakzoden vervaardigd, en mocht op geen anderen naam dan op dien van hut aanspraak maken. De volgende was uit kleiaarde opgetrokken; de derde uit aarde en planken; de vierde uit kleiaarde en zink. De lezer ziet uit welke [3] toonladder de kunststukken van de nijverheid van Mr. Watkins bestonden en tot welke hoogte hij zich had weten te verheffen. Al die gebouwen, die zich in min of meer ontredderden toestand bevonden, verrezen op een bergje, dat gelegen was bij de samenvloeiing van de Vaal- met de Modderrivier, de twee voornaamste cijnsplichtige wateren van de Oranjerivier in dit gedeelte van Zuid-Afrika. Rondom strekte zich, zoover de blik naar het Zuid-westen en het noorden kon reiken, eene kale en droefgeestige vlakte uit. Het Veld—zooals die vlakte daar te lande genoemd werd—bestond uit een roodachtigen, drogen, onvruchtbaren en stofferigen grond, die hier en daar slechts eenig spaarzaam voorkomend kruid en eenige doornachtige struiken vertoonde. Het totale gemis van boomen is het eigenaardig kenmerk van deze naargeestige landstreek. Als daarbij in aanmerking genomen wordt, dat er ook geen steenkolen aangetroffen worden, en dat de gemeenschapsmiddelen met de zee zeer moeilijk en derhalve niet van de vlugste zijn, dan zal het niemand verwonderen, dat de brandstoffen er ontbreken en dat men er toe moet overgaan, de gedroogde uitwerpselen van de kudden runderen voor de huiselijke benoodigdheden te gebruiken.

Op dien eentonigen bodem, die er werkelijk erbarmelijk uitziet, wordt men den loop der beide rivieren gewaar, die evenwel zoo weinig ingesneden zijn en welker oevers zich zoo weinig boven den waterspiegel verheffen, dat men moeilijk kan begrijpen, waarom zij binnen hare bedding blijven en niet over de geheele vlakte stroomen.

De gezichteinder is alleen naar dien kant van het oosten verbroken door de ver verwijderde kamvormige verhevenheden van twee bergen: den Platberg en den Paardenberg, aan welker voet een scherp oog rookzuilen, stofwolken en witte puntjes kan ontwaren, welke laatsten hutten of tenten zijn, en rondom een gewriemel van levende wezens.

Het is daar in dat Veld, dat de diamant-placers, die in volle ontginning zijn, aangetroffen worden. Daar ligt Du Toit’s Pan, de New Rush, en de rijkste van allen misschien, genaamd het Vandergaarts Kopje. Die onoverdekte mijnen, welke bijna met de oppervlakte van den bodem gelijk liggen, worden met den algemeenen naam van “dry diggings” of droge mijnen bestempeld en hebben sedert het jaar 1870 voor eene waarde van vier honderd millioen aan diamanten en andere kostbare steenen opgeleverd. Die mijnen liggen vereenigd in eene streek, welker omtrek ten naastenbij twee of drie kilometers bedraagt. Men kon ze zeer goed met een kijker van uit de vensters der pachthoeve Watkins waarnemen, die er slechts vier Engelsche mijlen1 van verwijderd lag.

De naam van pachthoeve, zij hier ter loops gezegd, is eene zeer oneigenlijke uitdrukking voor een gebouw van deze soort; want het was onmogelijk, ook maar een spoor van plantenkweeking in den omtrek te bespeuren. Mr. Watkins was, evenals alle andere zoogenaamde pachters in dit gedeelte van Zuid-Afrika, eerder een herdersbaas, een veefokker, een eigenaar van kudden runderen, geiten en schapen te noemen dan de bestuurder eener landbouwonderneming.

Mr. Watkins had intusschen nog niet geantwoord op het verzoek, dat door Cyprianus Méré zoo beleefd, maar ook zoo duidelijk mogelijk uitgesproken was. Na eenige minuten gebezigd te hebben om na te denken, ging hij eindelijk er toe over, om zijn pijp uit den mond te nemen, en uitte hij de volgende meening, die blijkbaar slechts eene verwijderde betrekking met het tegenwoordig vraagstuk had:

“Ik geloof dat er verandering van weer op til is, waarde heer. Nooit heeft mijn podagra mij zoo doen lijden als hedenmorgen !”

De jeugdige ingenieur fronste de wenkbrauwen, boog een oogenblik het hoofd ter zijde en moest zich geweld aandoen om niets van zijne teleurstelling te doen blijken.

“Gij zoudt wellicht in uw belang handelen, wanneer gij den gin liet, mijnheer Watkins,” antwoordde hij, terwijl hij met een gebaar op de aarden kruik wees, die door een vlijtig aanspreken van wege den dronkaard voor meer dan drie kwart geledigd was.

“Den gin laten! Bij God! dat is een kostelijke ui.” riep de pachter uit. “Heeft de gin ooit kwaad aan een braven kerel berokkend?.... Ja, ik [4] weet wel wat gij wilt zeggen!.... Gij wilt mij dat recept opdreunen, hetwelk een geneesheer voorschreef aan een lord-mayor die het pootje had!.... Hoe heette die dokter ook weer?.... Abernethy, geloof ik!.... Wilt gij gezond zijn en blijven? vroeg hij aan zijn patient; leef dan van een shilling daags en verdien dien met persoonlijken arbeid! Dat is fraai en goed geleuterd! Maar ik vraag het u bij al wat heilig is, wanneer men om gezond te zijn van de waarde van een shilling leven moest, waartoe zou het dan dienen een vermogen te verwerven? Dat zijn zotte leuterpraatjes, mijnheer Méré, die iemand van uw verstand geheel onwaardig zijn!.... Dus praat daar niet meer over, wat ik u bidden mag!.... Wat mij betreft, ik zou liever begraven willen zijn!.... Goed eten, goed drinken, een lekkere pijp tabak en dat alles wanneer ik zulks wensch, dan verlang ik niets meer ter wereld !.... En gij zoudt willen dat ik daar afstand van deed?”....

“Wat mij betreft, ik ben er niet op gesteld!” antwoordde Cyprianus openhartig. “Ik heb u slechts een gezondheids-voorschrift in herinnering willen brengen, dat ik voor juist beschouw. Maar laten wij dat onderwerp laten varen als het u onaangenaam is, mijnheer Watkins, en tot het voornaamste doel van mijn bezoek terugkeeren.”

Mr. Watkins, die straks zoo babbelachtig mogelijk was, verschool zich weer in zijne stilzwijgendheid en blies zonder een woord te spreken kleine rookwolkjes uit.

De deur ging in dit oogenblik open, en een jong meisje trad binnen, dat een blaadje droeg waarop een glas stond.

Dit mooie kind, dat, getooid met de groote muts, welke de pachteressen op het veld steeds dragen, bekoorlijk mocht heeten, was eenvoudig met een japon van gebloemd linnen gekleed. Zij was negentien of twintig jaren oud, had eene zeer witte tint van huid, daarbij een fraaien blonden en fijnen haardos, groote blauwe oogen, een zachtzinnig en prettig uiterlijk, en leverde zoo een beeld van gezondheid, bevalligheid en goede luim.

“Goeden dag, mijnheer Méré,” zeide zij in het Fransch, evenwel met een lichten Britschen tongval.

“Goeden dag, juffrouw Alice,” antwoordde Cyprianus Méré, die bij de binnenkomst van het meisje opgestaan was en voor haar boog.

“Ik heb u zien aankomen, mijnheer Méré,” hernam miss Watkins, bevallig glimlachend waardoor hare fraaie tanden zichtbaar werden, “en daar ik weet, dat gij den afschuwelijken gin van mijn vader niet lust, breng ik oranjewater, en hoop, dat gij dat heerlijk frisch zult vinden.”

“Dat is allerliefst van u, juffrouw !”

“Maar ter zake; gij zult nimmer raden wat Dada, mijn struisvogel, dezen morgen heeft ingeslikt,” ging zij zonder verdere plichtpleging voort. “Mijn ivoren maasbal!.... Ja, waarlijk, mijn ivoren maasbal!.... Die bal is nogal van omvang; gij kent hem wel, mijnheer Méré, ik ontving hem rechtstreeks van het billard van New-Rush!.... Welnu die slokop van een Dada heeft hem ingeslikt, alsof het een pil ware!.... Waarlijk, dat boosaardige dier zal mij vroeg of laat den dood nog aandoen.”

In het oog van miss Watkins blonk, terwijl zij dit verhaalde, een vroolijke straal, die niet veel uitzicht opende op de verwezenlijking van die naargeestige voorspelling, zelfs in langen tijd niet. Maar plotseling, met de fijngevoeligheid der vrouwen zoo eigen, merkte zij de stilzwijgendheid, die door haren vader en den jeugdigen ingenieur betracht werd, alsook hun verlegen voorkomen in hare tegenwoordigheid.

“Het is alsof ik de heeren stoor!” zeide zij. “Nu, zeg het maar, als gij geheimen hebt, die ik niet hooren mag, dan zal ik heengaan!.... Ik heb daarenboven niet veel tijd te verliezen. Ik moet mijn sonate studeeren, voordat ik voor het middagmaal kan zorgen!.... Kom, ik ga.... gij zijt heden niets gezellig, mijne heeren!.... Ik laat u dus op uw gemak samenzweren!”

Zij was reeds buiten, maar kwam toch weer terug, en zeide toen met bevallige maar toch hoogst ernstige stembuiging

“Mijnheer Méré, als gij mij over de zuurstof wilt ondervragen, dan ben ik gereed. Ik heb reeds driemaal het betrekkelijk hoofdstuk in de handleiding der scheikunde, die gij mij geleend hebt, gelezen, zoodat “dat gasvormig, kleurloos, reuk- en smaakloos lichaam” hoegenaamd geen geheim meer voor mij [5] is!”

Daarop maakte miss Watkins eene bevallige buiging en verdween als een ijl luchtverschijnsel. Een oogenblik later weerklonken de akkoorden van een uitmuntende piano in een der vertrekken die het meest verwijderd van de spreekkamer gelegen waren, en verkondigden dat het jonge meisje geheel en al in hare muzikale oefeningen verdiept was.

“Welnu, mijnheer Watkins,” hernam Cyprianus, wien de liefelijke verschijning zijn aanzoek in het geheugen teruggeroepen zou hebben, wanneer hij in staat zoude geweest zijn dat te vergeten. “Welnu, mijnheer Watkins, zult gij mij een antwoord op de vraag verleenen, die ik de eer had tot u te richten?”

Mr. Watkins nam zijn pijp uit den mond, spoog met eene poging van voornaamheid op den grond, hief het hoofd op en vroeg terwijl hij een scherpen doordringenden blik op den jonkman wierp:

“Mijnheer Méré, hebt gij haar wellicht daarover gesproken reeds?”

“Waarover gesproken?.... Tot wie?”

“Wel wat gij straks zeidet.... tot mijne dochter?”

“Voor wien ziet gij mij aan, mijnheer Watkins?” hernam de jeugdige ingeneur met eene hartstochtelijkheid, die geen twijfel omtrent zijne oprechtheid toeliet. “Ik ben Franschman, mijnheer!..... Vergeet dat niet!.... Dat wil zeggen, dat ik nimmer veroorloofd zou hebben met mejuffrouw uwe dochter over een huwelijk te spreken, zonder toestemming verworven te hebben!”

De blik van Mr. Watkins had zijne scherpte verloren, maar daarentegen raakte thans zijne tong los.

“Dat ’s uitstekend!.... Beste jongen! Ik verwachtte niets minder van uwe bescheidenheid ten opzichte van Alice!” antwoordde hij op bijna hartelijken toon. “Welnu, vermits ik vertrouwen in u kan stellen, zoo zult gij mij uw woord geven, dat gij haar ook in de toekomst daarover niet zult spreken!”

“Wat? ook niet in de toekomst? Wat beduidt dat, mijnheer?”

“Wel, eenvoudig dat dit huwelijk onmogelijk is en dat het ’t beste zal zijn, de hoop daarop in uwe papieren maar door te schrappen!” hernam Mr. Watkins. “Mijnheer Méré, gij zijt een eerlijk jongmensch, een volmaakt gentleman, een uitmuntend scheikundige, een uitstekend professor, die eene groote toekomst voor zich heeft—daaraan twijfel ik niet; maar gij zult mijne dochter niet hebben, om de eenvoudige reden, dat ik andere plannen voor haar ontworpen heb.”

“Maar, mijnheer Watkins!....”

“Dring niet verder aan!.... het zou overbodig zijn!....” hernam de pachter. “Al waart gij hertog en pair van Engeland, dan nog zoudt gij mij niet bevallen!.... Man, gij zijt zelfs geen Engelsch onderdaan, en gij hebt mij met de meeste openhaartigheid medegedeeld, dat gij hoegenaamd geen vermogen hebt. Kom, alle gekheid ter zijde, gelooft gij ernstig, dat ik Alice opgevoed en haar de beste meesters van Victoria en van Bloemfontein gegeven heb, zooals ik heb gedaan, om haar, zoodra zij twintig jaren oud zoude zijn, af te staan, ten einde te Parijs in de Universiteitsstraat op de derde verdieping te gaan leven met een mijnheer, dien ik niet ken en wiens taal ik zelfs niet versta?.... Denk toch na, mijnheer Méré, en stel u in mijne plaats!.... Vooronderstel, dat jij de pachter John Watkins zijt, de eigenaar van de Vandergaart-Kopjesmijn, en dat ik mijnheer Cyprianus Méré ben, een jeugdig Fransch geleerde, wien men eene zending aan de Kaap heeft opgedragen.... Vooronderstel, dat gij hier in deze spreekkamer in dezen leuningstoel zit, terwijl gij uw glaasje gin slurpt en uwe pijp Hamburgsche tabak rookt; kunt gij u dan ook maar een oogenblik voorstellen.... voorstellen éen enkel oogenblik slechts.... dat gij mij uwe dochter ten huwelijk zoudt schenken?”

“Voorzeker, mijnheer Watkins,” antwoordde Cyprianus “en nog wel zonder eenige aarzeling, wanneer ik in u zou ontdekken de hoedanigheden, die haar geluk moeten verzekeren!”

“Welnu, dan zoudt gij verkeerd handelen, mijn waarde heer, zeer verkeerd!” hernam Mr. Watkins. “Gij zoudt dan handelen als een man, die niet waard was de Vandergaarts Kopjesmijn te bezitten, of beter gesproken, gij zoudt haar dan niet bezitten. Want, wel beschouwd, denkt gij dat die mijn mij uit de wolken in de hand is komen vallen? Gelooft gij, dat ik noch beleid, noch geestkracht, noch bedrijvigheid [6] heb moeten ontwikkelen om haar op te sporen, maar vooral om mij den eigendom er van te verzekeren?.... Welnu, mijnheer Méré, dat beleid, dat ik in die gedenkwaardige en beslissende oogenblikken heb getoond te bezitten, dat beleid zit bij al de daden mijns levens voor, en bovenal bij al mijne daden, die betrekking op de toekomst mijner dochter hebben!.... Daarom herhaal ik: schrap de hoop op een huwelijk met Alice in uwe papieren door!.... Alice is niet voor u bestemd!”

En bij die afdoende uitspraak greep Mr. Watkins zijn glas en ledigde het in één teug.

De jonge ingenieur, geheel ter neergeslagen, scheen niet te kunnen antwoorden. Toen de ander dat zag, ging hij min of meer sarrend voort:

“Gij Franschen zijt verwonderlijke kerels. Gij staat voor niets en twijfelt aan niets, op mijn woord. Wat! gij komt hier zoo onverwachts uit het binnenste van Grikwaland aan, alsof gij uit de maan gevallen waart; gij ontmoet een eenvoudig man, die nooit uwen naam gehoord heeft, die drie maanden geleden nooit over u heeft hooren spreken, die u zeker geen tienmaal gezien heeft in die negentig dagen. Gij zoekt hem op en zegt hem: John Stappleton Watkins, gij bezit eene bekoorlijke dochter, die goed opgevoed is en algemeen als de kostbaarste parel van het geheele land erkend wordt, en die,—wat volstrekt niet onaangenaam is—uwe eenige erfgename is wat betreft den eigendom van de Vandergaarts Kopjes-mijn, van de rijkste mijn niet alleen van dit land, maar van de geheele wereld. Ik, ik ben de heer Cyprianus Méré, afkomstig van Parijs en van beroep ingenieur. Ik heb vier duizend acht honderd francs inkomen!.... Gij zult mij als-je-blieft dat jonge meisje ten huwelijk geven, opdat ik haar naar mijn land kunne voeren en opdat gij niet meer over haar zoudt kunnen hooren spreken, tenzij gij zoudt willen rekenen den brief of het telegram, dat gij zoo nu en dan eens zoudt mogen ontvangen!..... En gij vindt dat alles zeer natuurlijk!..... Ik vind ’t dol!”

Cyprianus was doodsbleek van zijn stoel opgestaan. Hij greep zijn hoed en maakte zich gereed heen te gaan.

“Ja, dol!.... uiterst dol!....” herhaalde de pachter. “O, ik ben niet gewoon de pil, die ik te slikken geef, te vergulden. Ik ben een Engelschman van den ouden stempel, mijn waarde heer! Zooals ge mij daar ziet, ben ik veel armer geweest, ja, veel armer dan gij nu zijt. Ik heb zoo wat alle ambachten bij de hand gehad! Ik was scheepsjongen van een koopvaardijschip, buffeljager in Dakota, mijnwerker in Arizona, herder in de Transvaal!.... Ik heb kennis met de hitte, met de kou, en vooral met de vermoeienis gemaakt. De beschuitkorst, die mij gedurende twintig jaren tot middagmaal strekte, verkreeg ik niet dan ten koste van menigen zweetdruppel! Toen ik wijlen mistress Watkins, de moeder van Alice, de dochter van een Boer van Franschen oorsprong2, huwde, toen bezaten wij met ons beiden niet zooveel om eene geit te kunnen onderhouden! Maar ik heb gewerkt!.... Ik heb den moed niet verloren!.... Thans ben ik rijk, en wil ik van mijn arbeid genieten!.... Het is mijn plan om mijne dochter bij mij te houden,—om vooral mijn pootje te verzorgen en om des avonds muziek voor mij te maken, als ik mij verveel!.... Als zij ooit trouwt, dan zal zij hier trouwen met een kerel van het land, die zoo rijk is als zij zelve, die pachter of mijnwerker is, zooals wij het hier allen zijn, en die er niet van reppen zal om elders te gaan leven als een schooier op eene derde verdieping, in een land, waarin ik nooit een voet wensch te zetten. Zij zal bij voorbeeld met James Hilton of met een anderen kerel van gelijken stempel huwen.... De trouwlustigen, die naar hare hand dingen, ontbreken niet, dat verzeker ik u! Ik wensch tot schoonzoon een echten Engelschman, die voor een glas gin niet vervaard is, en die mij onder het genot van een duchtigen slok bij het rooken eener pijp gezelschap zal willen houden!”

Cyprianus had reeds de hand aan de kruk van de deur. Hij stikte bijna in dat vertrek.

“Gij zijt toch niet boos, hoop ik?” riep hem mr. Watkins achterna. “Ik heb volstrekt niets tegen u, mijnheer [7] Méré; integendeel, ik mag u wel lijden, en ik zal steeds verheugd zijn u te mogen zien, hetzij dan als huurder of als vriend!... Kijk, wij wachten juist heden avond eenige personen ten eten..... Als gij wilt, wees dan ook onze gast!...”

“Neen, dank u, mijnheer!” antwoordde Cyprianus koel. “Ik heb mijne brieven vóór het vertrek van de post nog te sluiten.”

Toen hij heengegaan was, bromde mr. Watkins, terwijl hij zijne pijp met een stuk geteerd touw aanstak, dat tot dit doeleinde steeds smeulende gehouden werd en zich in de onmiddellijke nabijheid zijner hand bevond:

“Dolle, dolle kerels, die Franschen!”

En daarop schonk hij zich een groot glas boordevol met gin in.


1 De Engelsche mijl bedraagt 1609 Meters.

2 Een groot getal Boeren of Hollandsche landlieden, die in Zuid-Afrika wonen, stammen af van Franschen, die ten gevolge van de intrekking van het édict van Nantes naar Holland uitgeweken en van daar naar de Kaapkolonie vertrokken zijn.

Tweede hoofdstuk.

In de diamantvelden.

Wat de jonge ingenieur nog wel het meest vernederend vond in het antwoord, dat mr. Watkins hem gegeven had, was dat hij niet kon nalaten hem, in weerwil van den ruwen vorm, waarin dat antwoord gegoten was, gelijk te geven. Het verwonderde hem zelfs, nu hij er over nadacht, dat hij de tegenwerpingen van den pachter niet voorzien en dat hij zich aan een dergelijk blauwtje blootgesteld had.

Zooveel is zeker, dat hij tot heden niet aan den afstand gedacht had, dien het verschil van vermogen, van ras, van opvoeding, van bewegingskring tusschen het jonge meisje en hem daargesteld hadden. Gewoon als hij sedert vijf of zes jaren was, de mineralen slechts uit een wetenschappelijk oogpunt te beschouwen, waren de diamanten slechts koolstof-monsters, ter nauwernood goed om in het museum van de Mijnschool te prijken. Daarenboven, omdat hij, uit een maatschappelijk oogpunt beschouwd, in Frankrijk zich op een hooger standpunt geplaatst achtte dan dat der Watkins, had hij de onmetelijke koopmanswaarde van de rijke diamantmijn, die het bezit des pachters was, geheel en al uit het oog verloren. Geen oogenblik was het hem in de gedachte opgekomen, dat er werkelijk een aanmerkelijke afstand bestond tusschen de dochter van den eigenaar van de Vandergaarts-Kopjes-mijn en een Fransch ingenieur. En zou ook die gedachte bij hem opgekomen zijn, dan, met zijne Parijsche levensopvattingen en in zijne hoedanigheid van oudleerling der Polytechnische School, zou hij gemeend hebben, dat hij op het punt was een huwelijk beneden zijn stand aan te gaan.

De barre toespraak van Mr. Watkins schrikte hem pijnlijk uit die droombeelden wakker. Cyprianus bezat te veel gezond verstand om de degelijke argumenten van den pachter niet naar waarde te schatten; ook om zich niet nijdig te maken over een vonnis, dat hij in den grond billijk moest noemen.

Dit belette evenwel niet dat de slag, die hem trof, raak, pijnlijk raak was. En nu hij gedwongen was, van het denkbeeld om Alice de zijne te noemen af te zien, gevoelde hij plotseling hoe dierbaar zij hem in die drie maanden geworden was.

Het was inderdaad nog slechts drie maanden geleden, dat Cyprianus Méré in Grikwaland was gekomen en het jonge meisje had leeren kennen.

Wat was dat al lang geleden en wat was dat al ver verwijderd! Hij herinnerde zich toch nog zeer goed dat hij den eindpaal van zijne lange reis van het eene halfrond naar het andere op een uiterst warmen en stoffigen dag bereikte.

Hij was ontscheept te zamen met zijn vriend Pharamond Barthès, een oude schoolmakker, die voor de derde maal in Zuid-Afrika kwam jagen en die hem aan de Kaap vaarwel gezegd had. Die Pharamond Barthès was naar het Basuto-land getrokken, alwaar hij hoopte een troepje negerkrijgslieden aan te werven, dat hem gedurende zijne jachttochten zoude vergezellen. Wat Cyprianus betrof, die had plaats besproken en genomen in den waggon of de kar met veertien paarden bespannen, die den postwagendienst in die streken verrichtte, en had zoo de reis naar de Diamantvelden ondernomen.

Zes of zeven groote kisten—bevattende een compleet scheikundig laboratorium en eene mineralogische verzameling, waarvan hij ongaarne gescheiden zoude zijn—vormden het [8] bagage-materiaal van den jeugdigen geleerde. Maar de vorenbedoelde postwagen liet slechts vijftig kilogrammen passagiersgoed toe, zoodat hij genoodzaakt was geweest die kostbare kisten toe te vertrouwen aan een kar met ossen bespannen, die ze met een voorwereldsche langzaamheid naar Grikwaland zou brengen.

De bedoelde postwagen was een groote Jan pleizier, die twaalf zitplaatsen bevatte en door een tent van zeildoek gedekt was. Hij stond op vier verbazend groote wielen, die voortdurend nat gehouden werden door het water der beken en rivieren, die doorwaad en doorgetrokken moesten worden. De paarden waren twee aan twee gespannen en werden soms door muildieren versterkt.

Een tweetal koetsiers, die naast elkander op den bok zaten, menden hen met groote behendigheid. Een daarvan hield de teugels, terwijl de andere de zeer lange zweep van bamboe voerde, die veel weghad van een hengelstok en niet alleen gebruikt werd om de aangespannen dieren aan te wakkeren, maar ook om hen te geleiden, den weg te wijzen.

De weg voerde langs Beaufort, een fraaie kleine stad, aan den voet van het gebergte Nieuweveld gebouwd, overschreed die bergketen, leidde langs Victoria, vervolgens langs Hope-town—eigenaardige naam, die “stad der hoop” beteekent—die aan den oever der Oranje-rivier gelegen is, om zich van daar naar Kimberley te richten en naar de voornaamste diamant-ontginningsplaatsen, die er slechts weinige mijlen van verwijderd liggen.

Dat was eene moeilijke en eentonige reis, die acht of negen dagen duurde, door dat naakte landschap. Wat men te zien krijgt, stemt slechts tot droefgeestigheid. Roodachtige vlakten, die met steenen als bezaaid waren, grijze rotsbanken, die aan de oppervlakte van den bodem kwamen uitkijken, een stekelig, geel en spaarzaam grasgewas eenige teringachtige struikjes, ziedaar alles. Er waren noch bebouwde akkers, noch natuurtafereelen te bewonderen! Van afstand tot afstand werd eene bouwhoeve opgemerkt, waarvan de bewoner, bij de toewijzing van den door hem gepachten grond, van het Koloniaal Gouvernement de opdracht ontving, om gastvrijheid aan de reizigers te verleenen. Die gastvrijheid wordt evenwel zoo eenvoudig mogelijk beoefend. In die zonderlinge herbergen worden noch bedden voor de menschen, noch stroolegering voor de paarden aangetroffen. Men vindt er ter nauwernood eenige blikken verduurzaamde levensmiddelen, die verscheidene malen de reis rondom de wereld afgelegd hebben en die met goud betaald worden!

Daaruit volgt dus, dat om te voorzien in de voeding der trekdieren, deze eenvoudig op de vlakte losgelaten worden, alwaar zij zich moeten behelpen met het zoeken van eenig schaars voorkomend gras tusschen de keisteenen. Een ander gevolg daarvan is, dat wanneer men weer wil vertrekken, die beesten eerst opgevangen moeten worden, hetgeen groote moeite en een aanmerkelijk tijdverlies veroorzaakt. En welke schokken worden in zoo’n oorspronkelijk vervoermiddel op die nog oorspronkelijker wegen ondervonden! De zitbanken zijn gewoonlijk de bovenvlakken van houten koffers, die voor de opberging van kleine benoodigdheden dienen en waarop het zitvlak van den ongelukkigen reiziger, die daarmede vervoerd wordt, de werkzaamheden van vijzelstamper gedurende een lange week verricht. In zoo’n kast is het onmogelijk te lezen, te slapen, zelfs te praten. Daarentegen rooken de reizigers nacht en dag als fabrieksschoorsteenen, drinken als tempeliers, en voegen daarbij de aangename bezigheid om veel en herhaaldelijk te spuwen.

Zoo bevond zich Cyprianus Méré in dat vervoermiddel met een uitgezocht zoodje van die vlottende bevolking, die van alle oorden van den aardbol komt opdagen, zoodra er sprake is van nieuw gevonden goud- of diamantmijnen. Er bevond zich een loslendige Napolitiaan in met lange zwarte haren, met een echt perkament-gezicht, met oogen om bang van te worden, en die vertelde dat hij Hannibal Pantalucci heette; verder een Portugeesche jood, wiens naam Nathan was, een echte diamant-kenner, die zich in zijn hoekje zeer stil hield en het menschelijk gewriemel met wijsgeerigheid beschouwde; dan nog een mijnwerker van Lancashire, Thomas Steel genaamd, een lange [9] lummel met rooden baard en stevige heupbeenderen, die de steenkolen-mijnen ontvlucht was om zijn gelukkig gesternte in Grikwaland te beproeven; verder een Duitscher, Herr Friedel, die steeds machtspreukig als een orakel sprak, en altijd alles wist wat op de ontginning der diamanthoudende terreinen betrekking had, hoewel hij nimmer een enkelen diamant gezien, veel minder bezeten had; ook nog een Yankee met fijn gevormde lippen, die slechts samenspraken hield met zijne lederen veldflesch en die waarschijnlijk in de ontginningsvelden een drankwinkeltje kwam openen, waarin de meeste verdiensten van den mijnwerker zouden verdwijnen; dan nog een pachter afkomstig van de boorden van de Hart-rivier, een Boer van den Oranje-Vrijstaat; een ivoorhandelaar, die naar het land der Namakken trok; twee kolonisten uit de Transvaal, en een Chinees, die Li heette, zooals een achtenswaardig Chinees betaamt. Die allen vormden het meest uiteenloopend, het meest verschillend en het meest luidruchtig gezelschap, dat ooit een fatsoenlijk man op zijn weg heeft kunnen ontmoeten.

Na een oogenblik hunne gelaatstrekken opgenomen en zich met hunne manieren en gewoonten vermaakt te hebben, begon dat Cyprianus ook te vervelen. Alleen Thomas Steel met zijne krachtige geaardheid en zijn openhartigen lach, en de Chinees Li niet zijne zachtaardige en kat-achtige bewegingen konden hem boeien en belangstelling inboezemen. De Napolitaan daarentegen met zijne akelige geestigheden en met zijne galgentronie, boezemde hem een onoverwinnelijk gevoel van afkeer in.

Een der meest gewaardeerde grappen van dien Italiaan bestond gedurende twee of drie dagen daarin, dat hij aan den haarstaart, dien de Chinees volgens de gewoonte van zijn land op den rug droeg, allerhande dwaze zaken vastbond, als bossen gras, koolstronken, een koeienstaart, een paardenschouderblad, dat hij in de vlakte opgeraapt had, enz.

Li knoopte, zonder zich verontwaardigd te toonen, die dingen los, welke zijn reeds langen staart noodeloos verlengden, wierp ze weg, maar toonde noch door woord, noch door gebaar, zelfs door geen blik, dat het hem voorkwam, dat die grappen de grenzen der gepastheid overschreden. Zijn geelachtig gelaat en zijne kleine scheefstaande oogen bleven onverstoorbaar kalm, alsof hij geheel vreemd was aan hetgeen rondom hem voorviel. Waarlijk, men zou geloofd hebben dat hij geen enkel woord verstond van hetgeen in die arke Noach’s, die op reis naar Grikwaland was, gesproken werd.

Dit gaf aanleiding dat Hannibal Pantalucci aan zijn grappen nog toespelingen in gebrekkig Engelsch toevoegde, die geheel en al den man van lage afkomst kenmerkten.

“Denkt hij dat zijne geelzucht besmettelijk zoude zijn?” vroeg hij hardop aan een zijner medereizigers.

Of ook:

“Had ik maar eene schaar in mijn bezit om hem zijn staart af te knippen, dan zoudt gij eens zien welk gezicht hij zetten zou!”

De reizigers lachten dan; maar wat hunne vroolijkheid nog vermeerderde, was dat de Boeren van het gezelschap steeds eenigen tijd noodig hadden om de snakerij van den Napolitaan te begrijpen, eindelijk in een luid gelach uitbarstten, hetgeen dan een geheele poos na dat van de anderen weerklonk.

Het begon Cyprianus eindelijk te ergeren, dat de arme Li steeds voor zondebok gekozen werd. Hij merkte Pantalucci dan ook op, dat zijn gedrag niet edelmoedig genoemd kon worden. Deze zou ongetwijfeld die opmerking met eene onbeschoftheid beantwoord hebben, toen Thomas Steel tusschen beiden trad, waardoor hij zijne beleediging voorzichtig weerhield.

“Neen,” sprak de brave Engelschman, “dat is geen eerlijk spel, zoo met dien armen drommel om te springen, die niet eens verstaat wat gij zegt!”

En de ronde kerel had er waarachtig spijt van, dat hij met de anderen meegelachen had.

De zaak bleef dus daarbij. Maar weinige oogenblikken later merkte Cyprianus niet zonder bevreemding op, dat de Chinees een slimmen blik op hem vestigde, die wel is waar lichte spotternij verried, maar ook van dankbaarheid getuigde. Toen kwam de gedachte bij hem op, dat Li misschien meer van het Engelsch verstond, dan [10] hij wel wilde laten voorkomen.

Maar te vergeefs poogde hij op de volgende pleisterplaats een gesprek met hem te beginnen. Het was onmogelijk een woord uit hem te krijgen. De Chinees bleef onwrikbaar stom. Van toen af wekte dat vreemdsoortig wezen de belangstelling van den jongen ingenieur op. Het was hem alsof die man een raadsel was, waarvan hij de oplossing moest vinden. Cyprianus bestudeerde dan ook zeer dikwijls dat geelachtige, gladde, baardelooze gelaat; dien mond, die als door den houw van een sabel gevormd scheen en bij het openen zeer witte tanden liet zien; dien kleinen korten bekervormigen neus; dat breede voorhoofd, die schuinstaande oogen, die bijna altijd neergeslagen waren, alsof zij eene listige uiting wilden verbergen.

Hoe oud zou Li kunnen zijn? Was hij vijftien of telde hij zestig jaren? Dit was onmogelijk uit te maken. Duidden zijne tanden, zijn blik, zijn gitzwarte haren op eene prille jeugd, van een anderen kant wezen de rimpels op zijn voorhoofd, zijne wangen, zijne mondhoeken op een reeds gevorderden leeftijd. Hij was klein van stuk, slank en van uitzicht vlug, evenwel met de oudachtige bewegingen van eene bejaarde vrouw.

Was hij rijk of was hij arm? Dat was eene andere vraag, welker beantwoording ook twijfel kon verwekken. Zijn grijslinnen broek, zijn geelkatoenen kiel, zijn pet van gevlochten koord, zijne schoenen met vilten zolen, die vlekkeloos witte kousen bedekten, konden zoowel een eerste-klasse-mandarijn toebehooren als een man des volks. Zijne bagage bestond uit een eenigen koffer, van rood hout vervaardigd, op welks deksel, met zwarten inkt geschreven stond:

H. Li
from Canton to the Cape
,

wat vertaald beteekent: H. Li, van Canton naar de Kaap.

Die Chinees was bovendien uitermate zindelijk, hij rookte niet, dronk slechts water en benuttigde ieder oogenblik op de pleisterplaatsen om zijn hoofd met de grootste zorgvuldigheid te scheeren. Cyprianus kon er niet meer van te weten komen en gaf het weldra op dit levende vraagstuk te ontraadselen.

Intusschen gingen de dagen voorbij en volgde de eene mijl op de andere. Soms repten de paarden zich bijzonder. Een anderen keer scheen het onmogelijk om hen den stap te doen versnellen. Maar de reis raakte zoo langzamerhand aan haar einde, en op een fraaien dag kwam de vervaarlijke postwagenkast te Hope-town aan. De volgende pleisterplaats, die voorbijgetrokken werd, was Kimberley. Toen verschenen houten hutten aan den gezichteinder.

Dat was New-Rush.

Daar verschilde het kamp der mijnwerkers in niets met die voorloopige steden, in welke streken der aarde ook, door de beschaving opgebouwd en die als door tooverij of als paddestoelen uit den grond verrijzen.

Planken gebouwen, meerendeels zeer klein en niet ongelijk aan de huisjes en hutten der baanwachters langs Europeesche spoorwegen of bij Europeesche werkplaatsen, hier en daar eenige tenten, eenige dozijnen koffie- en drankhuizen, een biljartzaal, een Alhambra of danszaal, “stores” of algemeene magazijnen van de eerste levensbenoodigdheden,—ziedaar wat het oog het eerst ontdekte.

Er was van alles te koop in die winkels, kleederen en meubels, schoenen en vensterglazen, boeken en rijzadels, wapenen en stoffen, bezems en jacht- en krijgsbenoodigdheden, wollen dekens en sigaren, versche groenten en geneesmiddelen, ploegen en fijne toiletzeepen, nagelborstels en verduurzaamde melk, keukenkachels en steendrukplaten, in één woord: er was alles, behalve koopers.

De reden daarvan was dat de bevolking zich nog op het mijnterrein bevond, dat nog drie- of vierhonderd meters van New-Rush verwijderd lag.

Cyprianus deed wat alle nieuw aangekomenen deden: hij spoedde zich naar de mijnen, terwijl men het middagmaal toebereidde in de eenvoudige hut, die met den hoogdravenden naam van Hotel Continental begiftigd was.

Het was ongeveer zes uren in den namiddag. De zon begon zich reeds bij den horizon met eene vergulde tint te omringen. De jonge ingenieur merkte een keer te meer op de overgroote middellijn, welke zoowel de dagvorstin als de maan onder deze zuidelijke breedten aanneemt, zonder dat daarvan [11] vooralsnog eene voldoende verklaring is kunnen gegeven worden. Die middellijn scheen wel dubbel zoo groot te zijn als die in Europa waargenomen wordt.

Maar een ander en meer nieuw schouwspel wachtte Cyprianus Méré bij de Kopjes-mijn, namelijk op het terrein der diamantdelving zelf.

Bij den aanvang der werkzaamheden vormde de mijn een kleinen platkoppigen heuvel, die de vlakte, welke overal elders zoo gelijk als de oppervlakte der zee was, op deze plek als met een bult opschikte. Thans evenwel vertoonde die bult eene onmetelijke, uitholling met trechtervormig toeloopende wanden, een soort van circus van elliptischen vorm, die eene oppervlakte besloeg van ongeveer veertig vierkante meters. Die oppervlakte bevatte niet minder dan drie- of vierhonderd “claims” of mijnvergunningen, die eenendertig voet zijden matten en die door de rechthebbenden naar eigen goedvinden ontgonnen werden.

De arbeid bestaat doodeenvoudig daarin, dat de aarde met pikhouweel en schop uit dien bodem, die over het algemeen uit een soort roodachtig zand vermengd met puin bestaat, losgewerkt wordt. Dan wordt die aarde buiten de mijnboorden gebracht en verder naar de uitzoek-tafels vervoerd, om daar uitgewasschen, gestampt, gezeefd en met de grootste zorg uitgezocht te worden, om te zien of zij geen kostbare gesteenten bevat.

Al die claims zijn onafhankelijk van en zonder verbinding met elkander gegraven, en vormen natuurlijk kuilen van verschillende diepte. Er zijn er die honderd meter en dieper bereiken, anderen peilen slechts vijftien, twintig of dertig meter.

Ieder begiftigde is ter wille van den arbeid, ook van het vrije verkeer in de mijn, door de officiëele reglementen verplicht langs een der zijden van zijn put eene breedte gronds van zeven voet geheel onaangeroerd te laten. Die ruimte, vermeerderd met een gelijke breedte langs den put van den buurman, spaart eene soort weg of dijk uit, die de oppervlakte van den oorspronkelijken bodem uitmaakte.

Dwars over dien dijk of banket wordt eene opeenvolging van balken gelegd, die aan weerszijden ongeveer een meter uitsteken en daardoor eene voldoende breedte daarstellen, dat twee wagentjes elkander zonder gevaar van aanhaking kunnen voorbijrijden.

Ongelukkig voor de stevigheid van dien hangweg, en ook voor de veiligheid der mijnwerkers, gaan de meeste der concessionarissen er toe over den grond, die den voet van den muur vormt, trapsgewijze uit te steken naarmate de uitgravingen dieper vorderen, zoodat de vorenbedoelde balken, die soms boven eene dubbele hoogte van die der torens van de O.L. Vrouwekerk te Parijs uitsteken, eigenlijk op het grondvlak liggen eener piramide, die op hare punt zou rusten. Het gevolg van zulk een gevaarlijke manier van werken is gemakkelijk te voorzien, namelijk dat die dijken veelvuldig, hetzij in den regentijd, hetzij bij plotselinge temperatuurswisselingen, waardoor barsten in den grond ontstaan, instorten. Maar die schier regelmatig terugkeerende ongelukken verhinderen de onvoorzichtige mijnwerkers niet, hun claim tot aan den uitersten grenswand uit te graven.

Toen Cyprianus de mijn naderde, zag hij niets anders dan karren, geladen of ledig, die langs die hangwegen voortreden. Maar toen hij genoegzaam tot den rand genaderd was om den blik in de mijn te laten doordringen, toen bespeurde hij daar eene menigte mijnwerkers van ieder ras, van iedere kleur, van iedere kleeding, die met ijver beneden in die claims arbeidden. Daar waren negers en blanken, Europeanen en Afrikanen, Mongolen en Celten, het meerendeel bijna totaal naakt, of slechts met een linnen broek of een flanellen of katoenen hemd gekleed, terwijl zij op het hoofd breedrandige stroohoeden droegen, die veelal met struisvederen getooid waren.

Al die mannen vulden lederen emmers met aarde en heschen die vervolgens door middel van koorden van koevellen vervaardigd langs dikke ijzerdraadkabels, die door groote houten cilinders in beweging werden gebracht, op naar den rand der mijn. Daar werden die emmers zoo spoedig mogelijk in karren geledigd en daalden weer in den claim af, om andermaal gevuld naar boven gehaald te worden. [12]

Die lange ijzeren kabels waren diagonaalsgewijze in de parellelopipedums gespannen, die door de claims gevormd werden, en verleenden aan de “dry diggings” of aan de zoogenaamde diamantmijnen in den drogen grond een bijzonder uitzicht en karakter. Men zou gezegd hebben dat het de hoofddraden waren van een monster-spinneweb, waarvan de vervaardiging plotseling gestoord en onderbroken was geworden.

Cyprianus schepte een poos vermaak in het beschouwen van dat menschelijke mierennest. Daarna keerde hij naar New-Rush terug, waar de klok, die de gasten aan tafel riep, zich weldra liet hooren. Daar smaakte hij het genoegen, den geheelen avond hier en daar te hooren snoeven op wonderbaarlijke vondsten, mijnwerkers die arm als job waren, maar die door het vinden van een enkelen diamant schatrijk geworden waren, terwijl anderen slechts pruttelden over hun ongelukkig gesternte, over de schraapzucht der handelaren, over de trouweloosheid der Kaffers, die in de mijnen te werk gesteld waren en die kostbare steenen stalen, en andere dergelijke technische gesprekken. Men sprak slechts over diamanten, over karaten en over honderden ponden sterling.

Iedereen zag er over het algemeen in die streek ellendig uit, en tegenover een enkelen gelukkigen digger, die met snoevende stem een flesch champagne bestelde om op zijn welslagen een lekker glas te drinken, zag men zeker twintig lange gezichten, waarvan de weemoedige eigenaars zich met een dun en schraal bier vergenoegden.

Nu en dan ging er een steen rond de tafel van hand tot hand, om gewogen, beoordeeld en geschat te worden, en om eindelijk terug te keeren in den gordel van zijn bezitter. Die grijsachtige en doffe keisteen, die niet meer glans vertoonde dan een gewone silex, die door een beek of bergstroom gerold zoude zijn, was de diamant in zijn omhulling of ganggesteente.

De koffiehuizen vulden zich tegen het vallen van den avond, en dan werden dezelfde gesprekken, dezelfde twistredenen als die, welke het etensuur verlevendigd hadden, vernomen, terwijl de bezoekers hun glas gin of brandy verorberden.

Cyprianus had vroeg zijn bed opgezocht, dat onder eene tent in de nabijheid van het hotel gespreid was. Daar sliep hij weldra in op het geluid van eene danspartij in de open lucht, die door eenige Kaffersche mijnwerkers ergens in de buurt gegeven werd, en op het schel geluid van een klephoorn, die in een openbaar danshuis de maat aangaf bij de chorographische sprongen van eenige blanke heeren.

Derde hoofdstuk.

Een weinig wetenschap van harte onderwezen.

Ter wille van de billijkheid wordt het tijd om te verklaren, dat onze jonge ingenieur niet in Grikwaland gekomen was om zijn tijd in die atmosfeer van schraapzucht, van dronkenschap en tabakslucht door te brengen. Neen, hij had in opdracht om topographische en geologische opnemingen van sommige gedeelten van die landstreek te bewerkstelligen, om monsters van rotssteenen en van diamanthoudende lagen te verzamelen, en om ter plaatse zorgvuldige analyses uit te voeren. Zijne eerste zorg moest dan ook zijn om zich een stille woning te verschaffen, waarin hij zijn laboratorium kon onder dak brengen en die als het uitgangspunt van zijn verkenningstochten door het geheele mijndistrict moest aangemerkt worden.

De heuvel of het bergje waarop de pachthoeve van Watkins gelegen was, trok weldra zijne aandacht tot zich als eene standplaats, die als buitengewoon gunstig voor zijne werkzaamheden beschouwd kon worden. Zij was ver genoeg van het mijnwerkerskamp verwijderd, om slechts weinig van de luidruchtigheid van die nabuurschap te lijden te hebben. Cyprianus was daar ongeveer op een uur afstand van de meest verwijderde Kopjes—want het geheele diamantdistrict meet ter nauwernood een omtrek van tien of twaalf kilometers. Hij kwam er dus toe om een der huizen, door John Watkins verlaten, te kiezen, daarvan de huur te bepalen, en er in te trekken, hetgeen [13] alles bij elkander geteld hem ter nauwernood een halven dag ontroofde. Overigens toonde de Engelschman zich niet schraapzuchtig bij de verhuur; want eigenlijk verveelde hij zich zeer in zijne eenzaamheid, en hij zag met genoegen dat de jonkman zich in zijne nabijheid kwam vestigen, overtuigd als hij was, dat hij van hem wel eenige verstrooiing verwachten kon.

Maar als Mr. Watkins er op gerekend had, in zijn huurder een tafelmakker of een partner bij zijn bestormingsplannen ten opzichte van zijne ginkruik te vinden, dan had hij toch buiten den waard gerekend. Nauwelijks had Cyprianus zijn laboratorium met zijn kolven, zijne haardvuren en zijne reaktiven in orde gebracht in het huis dat hij gehuurd had—en zelfs nog voordat de voornaamste bestanddeelen van zijn laboratorium aangekomen waren—of hij had reeds een begin met zijne geologische omzwervingen in het mijndistrict gemaakt. Wanneer hij dan ook des avonds, doodmoe en zijn zinken doos, zijne jachttasch, zijne zakken en zijn hoed zelfs met rotsblokken gevuld te huis kwam, dan had hij meer lust om zijn bed op te zoeken en in den slaap herstel van krachten te zoeken, dan de oudbakken praatjes en vertellingen van Mr. Watkins te gaan aanhooren. Daarenboven, hij rookte weinig en dronk nog minder, zoodat hij eigenlijk het ideaal van den vroolijken makker, dien zich de pachter gedroomd had, niet verwezenlijkte.

Toch was Cyprianus zoo loyaal en zoo goedhartig, zoo eenvoudig van manieren en van gevoelen, zoo geleerd en evenwel zoo bescheiden en zedig, dat het onmogelijk was, wanneer men voortdurend met hem in aanraking kwam, zich niet aan hem te hechten. Mr. Watkins—misschien deed hij het geheel onbewust—koesterde dan ook meer eerbied voor den jeugdigen ingenieur, dan hij ooit iemand bewezen had. Als die jongen slechts een fatsoenlijk slokje had kunnen drinken! Maar wat toch aan te vangen met iemand die den kleinsten droppel gin niet in het keelgat verdragen kon? Zoo eindigden regelmatig de oordeelvellingen, die de pachter over zijn huurder uitbracht.

Wat miss Watkins betreft, deze had zich dadelijk met den jeugdigen geleerde op den voet eener goede en vrije kameraadschap geplaatst. Zij trof in hem eene geestesmeerderheid aan, die zij in hare gewone omgeving te vergeefs zocht, en zij had dan ook de gelegenheid, die zich zoo onverwacht aangeboden had, met gretigheid waargenomen, om door eenige grondbeginselen der practische scheikunde de zeer degelijke en uiteenloopende opvoeding te voltooien, die zij vooral geput had uit de wetenschappelijke werken, welke zij bij voorkeur tot onderwerp van lectuur koos.

Het laboratorium van den jeugdigen ingenieur met zijne vreemdsoortige toestellen wekte verbazend hare belangstelling op. Zij wenschte vooral alles te weten wat op het wezen der diamanten betrekking had, op die kostbare steenen, die in de gesprekken en in den handel van het land eene zoo groote plaats innamen. En inderdaad, Alice had wel neiging om dat gesteente slechts als een leelijken keisteen te beschouwen. Cyprianus—dat begreep zij wel—deelde op dat punt geheel en al hare geringschatting. Die eensgezindheid van denkbeelden was niet vreemd gebleven aan de vriendschap, die tusschen de twee jonge lieden ontstaan was. Zij waren de eenigen in Grikwaland, dat kon veilig betuigd worden, die er niet aan geloofden, dat het eenige doeleinde van het menschelijk leven was of moest zijn: het zoeken, het kloven, het slijpen en het verkoopen van die kleine steentjes, die door de geheele wereld zoo zeer begeerd worden.

“Het diamant,” legde haar eens de jonge ingenieur uit, “is heel eenvoudig niets anders dan zuivere koolstof. Het is een stuk gekristaliseerde kool, niets anders. Men kan het verbranden evenals een gewone doove kool, en die eigenschap van verbrandbaarheid heeft voor de eerste maal den aard zijner vorming, zijner grondbestanddeelen doen gissen. Newton, die zooveel zaken waargenomen heeft, had opgemerkt dat de geslepen diamant het licht meer weerkaatst dan eenig ander doorschijnend lichaam. Daar hij nu wist dat die hoedanigheid den meesten brandbaren lichamen eigen is, zoo trok hij met zijne gewone stoutmoedigheid daaruit de gevolgtrekking, dat het diamant brandbaar moest zijn. Er eene kort daarop [14] gevolgde proefneming stelde hem geheel in het gelijk.”

“Maar, mijnheer Méré,” vroeg het jonge meisje, “als het diamant slechts kool is, waarom is het dan zoo duur?”

“Omdat het zeer zeldzaam is, mejuffrouw Alice,” antwoordde Cyprianus, “en omdat het nog maar in zeer kleine hoeveelheden in de natuur aangetroffen wordt. Gedurende langen tijd trok men het alleen uit Indië, uit Brazilië en uit het eiland Borneo. Gij moet het u ongetwijfeld nog herinneren, want gij waart toen zeven of acht jaren oud, het tijdstip waarop voor de eerste maal de tegenwoordigheid van diamant in dit gedeelte van Zuid-Afrika aangeduid werd.”

“Voorzeker herinner ik mij dat,” antwoordde miss Watkins. “Een ieder in Grikwaland gedroeg zich of hij gek was! Men zag slechts lieden, gewapend met schoppen en spaden, die al de terreinen nauwkeurig onderzochten, die den loop der beken afleidden en wijzigden, om hare beddingen na te pluizen, en die slechts over diamanten droomden en spraken! Hoe klein ik destijds ook was, mijnheer Méré, zoo verveelden die gesprekken mij toch somtijds. Maar gij zeidet straks, dat het diamant duur is, omdat het zeldzaam voorkomt.... Bestaat zijn waarde alleen in die zeldzaamheid?”

“Dat nu juist niet, miss Watkins. Zijne doorschijnendheid, zijn glans, wanneer hij doelmatig genoeg geslepen is om de lichtstralen te weerkaatsen, de verbazende moeilijkheid van dat slijpen en eindelijk zijne buitengewone hardheid zijn zoovele oorzaken, dat de diamant voor den geleerde een zeer belangwekkend lichaam oplevert, waarbij ik voeg, dat hij voor de nijverheid zeer veel nuttigs heeft. Gij weet zeker dat men hem alleen met zijn eigen stof kan polijsten, en het is die niet genoeg te waardeeren hardheid, die veroorlooft om hem sedert eenige jaren voor de doorboring van rotsen te bezigen. Zonder zijne hulp zou het bewerken van het glas en van andere zeer harde zelfstandigheid niet alleen zeer moeilijk zijn, maar ook het boren van tunnels, het openen van mijngalerijen, het vervaardigen van artesische putten zou meer moeilijkheden aanbieden.”

“O! nu begrijp ik het,” zei Alice, die plotseling een soort achting in zich voelde opwellen voor die arme diamanten, die zij tot heden zoozeer versmaad had. “Maar, mijnheer Méré, wat is die koolstof toch waaruit het diamant in kristalvorm bestaat? Ik druk mij immers goed uit, niet waar? Waaruit bestaat zij?”

“Dat is een enkelvoudig, niet samengesteld lichaam, tot de metaalloïden of niet metalen behoorende, hetwelk het meest verbreid in de natuur voorkomt,” antwoordde Cyprianus. “Alle organisch samengestelde lichamen, zonder eenige uitzondering, als het hout, het vleesch, het brood, het gras, bevatten het in groote en belangrijke hoeveelheid. Zij zijn zelfs aan de aanwezigheid der koolstof in hare bestanddeelen, den graad van verwantschap verschuldigd, dien men onder hen opmerkt.”

“Wat vreemde overeenkomst!” zei miss Watkins. “Zoodat die struiken daarginds, en het gras van dat weiland, en de boom, die ons met zijne schaduw beschut, en het vleesch van mijn struisvogel Dada, en ik zelf, en gij ook, mijnheer Méré, allen gedeeltelijk van koolstof vervaardigd zijn, evenals de diamanten? Alles is dus maar kool in deze wereld?”

“Zeker, juffrouw Alice! Men had daarvan reeds sedert lang een voorgevoel; maar de hedendaagsche wetenschap heeft de strekking, dat al meer en meer en ook afdoend aan te toonen. Of, om duidelijker te spreken, zij heeft de strekking om het getal enkelvoudige lichamen al minder te doen worden; en toch werd dat getal vroeger als onwrikbaar vastgesteld beschouwd. De spectroscopische waarnemingen hebben in den laatsten tijd dienaangaande een nieuw licht over de scheikunde doen opgaan. Zoo kan het wel zijn, dat de twee en zestig lichamen, die als enkelvoudige of niet samengestelde gerangschikt waren, slechts eene enkele atomische zelfstandigheid—de waterstof wellicht—bestaan, die op verschillende elektrische, dynamische en warmtegevende wijzen bewerktuigd zijn.”

“O! gij jaagt mij angst aan, mijnheer Méré, met al die groote woorden,” riep Miss Watkins uit. “Spreek mij maar liever over koolstof: Zoudt gij, heeren deskundigen, die stof ook niet kunnen kristalliseeren, zooals gij met de zwavel [15] doet en waarvan gij mij onlangs zulke fraaie aangeschoten naalden hebt laten zien? Dat zou oneindig gemakkelijker zijn, dan daar gaten in den grond te gaan graven om er diamanten te zoeken!”

“Men heeft dikwijls trachten te verwezenlijken, wat gij daar zegt,” antwoordde Cyprianus. “Ja, men heeft dikwerf getracht om langs kunstmatigen weg diamant te vervaardigen, en dat wel door zuivere koolstof te kristalliseeren. Ik ben verplicht er bij te voegen, dat men zelfs in zekere mate geslaagd is, Despretz heeft in 1853, en nu nog kort geleden in Engeland een ander geleerde, diamantstof verkregen, door cilinders van koolstof, die van iedere mineralische stof gezuiverd en van kandijsuiker vervaardigd waren, aan een zeer sterken elektrischen stroom in het luchtledige te onderwerpen. Maar tot heden heeft dat succes hoegenaamd geene handelswaarde, hoewel het zeer waarschijnlijk is, dat dit nu slechts meer een quaestie van tijd zal zijn. Den eenen of anderen dag zal de vervaardiging van diamant gevonden worden, en wie weet, miss Watkins, of die vinding op het oogenblik dat wij er over spreken, niet reeds geschied is!”

Zoo koutten zij, terwijl zij op het met zand bestrooide plein, hetwelk zich langs de pachthoeve uitstrekte, heen en weer wandelden, of als zij des avonds onder de lichte veranda gezeten waren en naar het glinsteren van den zuidelijken sterrenhemel keken.

Dan verliet Alice gewoonlijk den jeugdigen ingenieur, om naar de hoeve terug te keeren, tenzij zij hem meenam om hare kleine kudde struisvogels te zien, die in eene kleine omsloten ruimte bewaakt werden, welke aan den voet van den heuvel gelegen was, waarop de woning van John Watkins was gebouwd. De kleine witte kop dezer dieren, die zich op een zwartachtig lichaam verhief, hunne dikke stijve pooten, de bossen geelachtige veeren, die hun lichaam ter zijde en op de vleugels en aan den staart versieren, dat alles boezemde het jonge meisje belang in, waardoor zij er dan ook sedert een of twee jaren toe gekomen was, om eene geheele kudde van die reusachtige steltloopers op te voeden.

Gewoonlijk gaat men er niet toe over, deze vogels tot huisdieren te vervormen. De pachters aan de Kaap laten hen eer in een zekeren wilden staat voortleven. Zij vergenoegen zich om hen in een omheining van een buitengewoon grooten omvang af te sluiten, die door hooge schuttingen van ijzerdraad gevormd wordt, nagenoeg gelijk aan die welke in sommige landen langs de spoorwegen aangetroffen worden. De struisvogels, die weinig geschikt zijn om te kunnen vliegen, kunnen daar niet over heen. Daarin leven zij het geheele jaar door in een gevangenschap, die zij zelfs niet vermoeden, voeden zich met hetgeen zij vinden, en zoeken afgelegen hoekjes uit om hunne eieren, die door zeer strenge wetten tegen diefstal beschermd worden, te leggen. Tegen den ruitijd evenwel, wanneer het er op aan komt om de mooie veeren machtig te worden, die door de dames in Europa zoo gezocht zijn, dan jagen de drijvers de struisvogels in eene reeks van afgesloten perken, die al nauwer en nauwer worden, totdat het gemakkelijk is hen te vatten, als wanneer hun vederentooi hun ontrukt wordt.

Die tak van nijverheid heeft sedert de laatste jaren in de omstreken van de Kaap eene buitengewone vlucht genomen, en het is waarachtig te verwonderen, dat die ter nauwernood in Algiers is ingevoerd, waar er niet minder goede resultaten van verwacht konden worden. Iedere struisvogel, die zoo in gevangenschap leeft, brengt zijn bezitter een jaarlijksch inkomen op, dat tusschen twee en drie honderd francs mag geraamd worden, en dat zonder eenige kosten hoegenaamd te veroorzaken. Om dit den lezer goed te doen begrijpen, dienen wij mede te deelen, dat een groote veer, wanneer zij van goede kwaliteit is, voor zestig en zelfs voor tachtig francs, de gewone handelsprijs, verkocht wordt, alsook dat de middelsoort veeren en de kleine ook eene vrij groote waarde vertegenwoordigen.

Miss Watkins onderhield slechts voor haar vermaak een twaalftal van die groote dieren! Zij schepte er genoegen in, hen hunne groote eieren te zien uitbroeden, en vond het een verrukkelijk gezicht, wanneer zij met hare kuikens haar voeder kwam nuttigen, evenals gewone kippen of kalkoenen zouden gedaan hebben. Cyprianus begeleidde [16] het jonge meisje soms daarbij, en schepte er zelfs genoegen in om een der fraaiste van den troep, een zekeren struisvogel met zwarten kop en gulden oogen, te streelen, juist den zoo gevierden Dada, die den ivoren maasbal opgeslikt had, waarvan Alice zich bij het kousenstoppen gewoonlijk bediende.

Cyprianus voelde allengs een dieper en teederder gevoel ten opzichte van dat jonge meisje zijn hart binnensluipen. Hij overreedde zich, dat hij nimmer eene gezellin zou vinden, aan wier hand hij het leven wenschte te doorwandelen, dat leven van arbeid en overdenkingen, hetwelk hij leidde, die zoo eenvoudig van harte was, die levendiger van begrip, daarbij even zacht, beminnenswaardig en volmaakt zoude zijn als zij. En werkelijk, daar miss Watkins hare moeder reeds op jeugdigen leeftijd verloren had, was zij verplicht geweest reeds vroegtijdig de zorgen in het vaderlijke huis voor hare rekening te nemen, waardoor zij tot een degelijke huisvrouw, zoowel, als tot eene vrouw, die zich in de wereld beschaafd voordeed, gevormd werd. Het was zelfs juist dat mengsel van volmaakte voornaamheid en van ongekunstelde eenvoudigheid, hetwelk haar zooveel bekoorlijkheid bijzette. Zonder dat haar de dwaze vooroordeelen en pretenties van zooveel bevallige bewoonsters van de Europeesche steden aankleefden, zag ze er volstrekt niet tegen op hare blanke handjes te gebruiken om een puddingdeeg te kneeden, ook niet om een oog op het gereed maken van het middagmaal te houden, en nog minder om na te gaan of het linnen in het huisgezin in goeden staat was. En dat alles belette haar niet om de fraaiste sonaten van Beethoven even goed, zoo niet beter dan eenige andere ten gehoore te brengen, om twee of meer talen zoo zuiver mogelijk te spreken om de lectuur hartstochtelijk lief te hebben, om de meesterstukken van iedere soort letterkunde te kunnen apprecieeren, en eindelijk om heel veel succes te genieten in de kleine vereenigingen, die bij de rijke pachters van het district gehouden werden.

Niet dat de bekoorlijke en welopgevoede vrouwen schaarsch zouden geweest zijn in die vereenigingen. In Transvaal zoowel als in Amerika, als in Australië en als in die jeugdige landen, waar de materieele arbeidskrachten bij het invoeren eener ontluikende beschaving der mannen uitsluitend deel is, daar is de geestesontwikkeling nog meer dan in Europa het uitsluitend deel der vrouw. Daar zijn zij dan ook meestal meer ontwikkeld dan hare echtgenooten of zonen, wat algemeene opvoeding en kunstzin aangaat. Bijna alle reizigers hebben niet zonder groote verwondering bij menige echtgenoote van een Australische mijnwerker of van een squatter in het Far-West een muzikaal talent van de eerste orde aangetroffen, soms gepaard aan de degelijkste litterarische of wetenschappelijke kennis. De dochter van den voddenrapper te Omaha of van een spekslager in Melbourne zou bij de gedachte blozen, dat zij in opvoeding, onderricht, goede manieren en verdere volmaaktheden beneden eene vorstin van het oude Europa zoude kunnen staan. In den Oranje-Vrijstaat, waar de opvoeding der meisjes reeds sedert lang aan die der jongens gelijk is, maar waar deze laatsten de schoolbanken veel vroeger ontvlieden, is dat contrast tusschen de beide geslachten meer waar te nemen dan ergens anders. De man is daar in het huishouden de broodwinner. Hij behoudt daarbij de hem aangeboren ruwheid, en verkrijgt die, welke hem door zijn arbeid in de open lucht, en door een geheel leven vol moeiten en gevaren medegedeeld worden. De vrouw integendeel aanvaardt dan, behalve hare huiselijke plichten, ook de beoefening der kunsten en der letteren, die door haren echtgenoot veronachtzaamd of verwaarloosd worden.

En zoo gebeurt het, dat eene wezenlijke bloem van schoonheid, van voornaamheid en bekoorlijkheid op de grenzen der woestijn bloeit. En zoo was het ook hier het geval met de dochter van den pachter John Watkins.

Cyprianus had dat alles overwogen en, daar hij recht op het doel afging, zoo had hij geen oogenblik geaarzeld, om zijn aanzoek te doen.

Helaas, zijn schoone droom was thans geëindigd. Hij zag thans voor de eerste maal den bijna onoverkomelijken afgrond, die hem van Alice scheidde. Hij kwam dan ook na dat onderhoud met een benepen hart te huis. Hij was evenwel de man niet, om zich aan een ijdele wanhoop over te geven. Hij was besloten [17] te strijden, te strijden op dat terrein, terwijl hij in den arbeid weldra een zekere afleiding voor zijne smart vond.

De jeugdige ingenieur eindigde, nadat hij aan zijne kleine schrijftafel plaats genomen had, met een loopend en fijn schrift, den langen en vertrouwelijken brief, dien hij des morgens begonnen was en die geadresseerd was aan zijn hooggeachten onderwijzer, den heer M.J. .... lid van de Akademie van Wetenschappen en professor aan de Mijnschool.

“.... Wat ik niet heb moge neerschrijven in mijne officiëele memorie,” schreef hij, “omdat het voor mij nog slechts eene hypothese vormt, is het denkbeeld, dat ik wel geneigd ben aan te nemen na de veelvuldige geologische waarnemingen, die ik gedaan heb op het terrein, omtrent de ware wijze van ontstaan van den diamant. Noch de hypothese, die hem een vulkanischen oorsprong verleent, noch die, welke zijne verschijning in de tegenwoordige lagen, waarin hij aangetroffen wordt, aan ontzettende omkeeringen in de natuur toeschrijft, kunnen mij evenmin als u, waarde leermeester, voldoen. Ik heb voor u de beweegredenen niet op te sommen, die mij hun doen miskennen. De vorming van den diamant op de plaats door de werking van het vuur, is ook eene te nevelachtige opvatting, die mij evenmin voldoet. Welken aard zou dat vuur gehad hebben, en hoe komt het dat het vuur de kalkgesteenten van allerhande soorten, die in de diamanten legeringen aangetroffen worden, niet gewijzigd heeft? Die stelling komt mij eenvoudig kinderachtig voor, geheel en al als de evenknie van de leer der dwarrelwinden of van die der gehaakte atomen.

“De eenige uitlegging, die mij zou kunnen voldoen, zoo niet geheel dan toch binnen zekere grenzen, is die van den aanvoer door waterkracht van de bestanddeelen der oorspronkelijke kiem, en van hare latere kristalvorming op de plaats. Ik ben zeer getroffen door het bijzondere, bijna gelijkvormige profiel van de verschillende legeringen, die ik in oogenschouw genomen en met de meeste zorg gemeten heb. Allen vertoonen min of meer den vorm van een soort beker of een soort kopvormige schaal of nog eerder, wanneer rekening gehouden wordt met de korst die ze omgeeft, van eene jagerflesch, die op haren kant zoude liggen. Het is als een ontvanger van dertig of veertig duizend kubieke meters, waarin een geheel agglomeraat van zand, van modder en van aanslibbingsgrond, op een bodem van oorspronkelijk rotsgesteente verzameld zoude zijn. Dit karakter valt vooral op te merken bij de Vandergaart-Kopjes-Mijn, een van de laatst ontdekte legeringen, die, zooals ik het ter loops kan mededeelen, toebehoort aan den eigenaar van de hut, waarin ik u zit te schrijven.

“Wanneer men in eene kop- of komvormige schaal een vocht schenkt, waarin vreemde stoffen in oplossing zijn, wat gebeurt er dan? Al die vreemde lichamen ploffen voornamelijk op den bodem en langs de wanden van de kopvormige schaal neer. Welnu, hetzelfde wordt in de Kopjes-mijn waargenomen. Vooral in den bodem, in het centrum van het bekken, maar ook langs de uiterste grens daarvan worden de diamanten aangetroffen. En dat feit staat zoo vast en is zoo zeer bekend, dat de daartusschen liggende claims spoedig beneden den middelbaren prijs dalen, terwijl de centrale concessiën of die in de nabijheid der wanden van het bekken al zeer spoedig een buitensporigen prijs erlangen, wanneer maar eenmaal de vorm van de legering bepaald is. Die overeenkomst pleit dus ten sterkste ten voordeele van een vervoer der bestanddeelen door het water.

“Van een anderen kant bestaan een groot aantal omstandigheden, die gij allen in mijne memorie zult vinden, en die op eene vorming op de plaats der kristallen wijzen bij voorkeur boven een vervoer in reeds gevormden toestand. Om daarvan maar twee of drie aan te halen, kan dienen, dat de diamanten bijna altijd vereenigd bij groepen van dezelfde geaardheid en van dezelfde kleur aangetroffen worden, wat zeker niet gebeurd zou zijn, wanneer zij door een bergstroom aangevoerd waren in reeds gevormden staat. Men vindt er zeer dikwijls twee die samengevoegd, als aan elkander gegroeid zijn, maar die zich bij den minsten schok scheiden. Hoe zouden zij aan het gewrijf en aan de wisselvalligheden, van een vervoer door stroomend water veroorzaakt, hebben kunnen weerstand bieden? Daarbij [18] de zware diamanten worden steeds als beschut door eene rots aangetroffen, hetgeen er op zou duiden, dat het de invloed van die rots is—hare warmte-uitstraling of wie weet welke andere oorzaak, die de kristalvorming bevorderd heeft. Het is zeldzaam ten slotte, zeer zeldzaam zelfs, dat groote en kleine diamanten bij elkander worden aangetroffen. Telkens wanneer een fraaie steen aangetroffen wordt, is geen andere in de onmiddellijke nabijheid gevonden. Het is alsof alle diamantenstof-houdende bestanddeelen van het omringende nest, om dat zoo eens uit te drukken, zich ditmaal onder den invloed van bijzondere omstandigheden, tot één enkelen kristal verdicht hebben.

“Deze omstandigheden en vele anderen daarenboven doen mij dus overhellen tot de hypothese der wording op de plaats zelve, nadat de bestanddeelen voor de kristalvorming door den waterstroom bijgebracht zijn.

“Maar vanwaar kwamen die wateren die de organische bestanddeelen meeslibden, die bestemd waren om in diamanten omgezet te worden? Zie, dat heb ik in weerwil van de meest oplettende studie, die ik van de verschillende terreinsoorten gemaakt heb, niet kunnen opsporen.

“Die ontdekking zou toch niet van belang ontbloot zijn. Want kon men inderdaad den weg volgen, die door de wateren gebaand is, waarom zou men dan, door steeds hooger op te gaan, het uitgangspunt niet vinden, waaruit al de diamanten hunnen oorsprong gehad hebben, daar waar er voorzeker een veel grootere menigte aanwezig moeten zijn, dan in de tegenwoordige kleine bekkens, die ontgonnen worden, het geval is? Dat zou een volledig bewijs voor mijne stelling zijn en dat zou mij zeer gelukkig maken.

“Ik ben evenwel bij mijne ontledingen der rotsen gelukkiger geweest.”

En nu trad de jonge ingenieur, terwijl hij zijn verhaal voortzette ten opzichte van zijne werkzaamheden, in technische bijzonderheden, die ongetwijfeld van het hoogste belang voor hem en zijnen correspondent waren, maar die van den minder wetenschappelijke gevormden lezer waarschijnlijk diezelfde uitspraak niet zouden erlangen. Daarom achten wij het voorzichtig hem die te besparen.

Cyprianus doofde te middernacht, na zijn langen brief geëindigd te hebben, zijne lamp uit, kroop in zijn hangmat en sliep weldra den gerusten slaap des rechtvaardigen.

De arbeid had de smart althans gedurende eenige uren verstompt. Een bevallige verschijning evenwel liet zich herhaalde malen te midden der droomen van den jongen geleerde bespeuren en die verschijning zeide hem dat hij nog niet moest wanhopen.

Vierde hoofdstuk.

De van der Gaart-Kopjes-Mijn.

“Waarachtig, ik moet vertrekken,” sprak Cyprianus Méré den volgenden morgen tot zich zelven, terwijl hij bezig was zijn morgentoilet te maken. “Ja, ik moet Grikwaland verlaten! Na alles wat die man mij voorgespiegeld heeft, zou het meer dan zwakheid wezen, wanneer ik nog een dag hier bleef! Hij wil mij zijne dochter niet geven? Misschien heeft hij wel gelijk! In ieder geval past het mij niet bij deze gelegenheid verzachtende omstandigheden te bepleiten. Ik moet met mannelijken moed die uitspraak, hoe smartelijk zij mij ook is, aanvaarden en mag slechts op de toekomst hopen!”

En zonder langer te dralen, begon Cyprianus zijne werktuigen in de kisten te pakken, die hij bewaard had om ze bij wijze van buffetten en kasten te bezigen. Hij was ijverig in de weer en hij arbeidde sedert een uur of twee dapper, toen een heldere stem door het geopende venster met de morgenlucht naar binnen drong en weerklonk alsof een leeuweriken-gezang van den voet van het buitenplein tot hem opsteeg en een der heerlijkste melodiën van den dichter Moor voordroeg:

“It is the last rose of summer,

Left blooming alone;

All her lovely companions

Are faded and gone”.

“Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit, alle hare beminnelijke gezellinnen zijn verwelkt of dood.”

Cyprianus liep naar het venster en bemerkte Alice, die zich naar de omheinde plaats begaf, waar hare struisvogels [19] gestald waren. Zij had haren voorschoot vol lekkernijen volgens hunnen smaak. En zij was het, die zoo de rijzende zon met haar gezang begroette.

“I will not leave thee, thou lone one!

To pine on the stem,

Since the lovely are sleeping.

Go sleep with them....”

“Ik zal u niet laten—u geheel alleen—kwijnen op uw stengel, terwijl de andere schoonen zijn gaan slapen. Kom, slaap met haar!”

De jeugdige ingenieur meende, dat hij niet bijzonder gevoelig was voor de dichtkunst, en toch, die verzen maakten diepen indruk op hem. Hij bleef bij het raam staan, hield zijn adem in en luisterde naar die lieve woorden, of beter uitgedrukt, hij dronk ze.

Het zingen hield op. Miss Watkins deelde het voeder aan hare struisvogels uit en schepte er groot genoegen in, hen hunne lange halzen en hunne eigenaardige bekken te zien uitrekken bij het naderen van hare kleine plaagzieke hand. Toen zij hare uitdeeling beëindigd had, keerde zij naar het woonhuis terug en zong andermaal:

“It is the last rose of summer,

Left blooming alone....

Oh! who would inhabit

This black world alone?”....

“Dit is de laatste zomerroos, die thans nog bloeit. Ach, wie zou geheel alleen deze sombere wereld willen bewonen?”

Cyprianus stond met vochtige oogen steeds op dezelfde plaats en scheen als vastgenageld door eene betoovering.

De stem verwijderde zich. Alice zou weldra de hoeve binnentreden. Zij was nog maar op ongeveer twintig meter er van verwijderd, toen een gedruisch van versnelde schreden haar deed omkijken en haar noodzaakte plotseling stil te staan.

Cyprianus was onbewust, maar door een onweerstaanbaar gevoel gedreven, blootshoofds zijne hut uitgestormd en liep het jonge meisje achterna:

“Juffrouw Alice!....”

“Mijnheer Méré?....”

Thans stonden zij, terwijl de opkomende zon hen bescheen, vlak tegenover elkander op den weg, die rondom de hoeve voerde. Hunne rijzige schaduwen vertoonden zich bevallig, maar scherp geteekend tegen de wit houten omrastering, die zich in dat kale landschap verhief. Nu Cyprianus het jonge meisje ingehaald had, scheen hij over zijne eigene daad verwonderd en zweeg thans besluiteloos.

“Hebt gij mij iets te zeggen, mijnheer Méré?” vroeg zij belangstellend.

“Ik wil afscheid van u nemen, juffrouw Alice!.... Ik vertrek heden nog”.... antwoordde hij met haperende stem.

De zachte kleur, die de fijne huid van miss Watkins tintte, verdween plotseling.

“Vertrekken?.... Gij wilt vertrekken?.... Waarheen?” vroeg zij geheel van haar stuk gebracht.

“Naar mijn vaderland terug.... naar Frankrijk,” antwoordde Cyprianus. “Mijne werkzaamheden zijn hier geëindigd!.... Mijne zending is afgeloopen.... Ik heb niets meer in Grikwaland uit te voeren.... en ik ben verplicht naar Parijs terug te keeren.”

Terwijl hij zoo met weifelende en afgebroken stem sprak, had hij wel het uiterlijk van een schuldige, die zich verontschuldigde.

“Ach!.... Ja!.... Dat’s waar!.... Dat moest zoo gebeuren, niet waar?” stamelde Alice, zonder eigenlijk te weten wat zij zeide.

Het jonge meisje was geheel van haar stuk gebracht. De tijding overviel haar zoodanig te midden van haar onbewust gelukkig bestaan, dat het was alsof zij door een knotsslag getroffen was. Plotseling parelden dikke tranen in hare oogen en pinkten aan de lange wimpers, die hen beschaduwden. En daar die uitbarsting van smart haar tot de werkelijkheid teruggevoerd had, herkreeg zij eenige kracht om te glimlachen:

“Vertrekken!....” herhaalde zij. “En uwe toegenegen leerlinge dan? Wilt gij haar verlaten, vóór dat zij haren scheikundigen cursus voltooid heeft?.... Wilt gij, dat ik bij de zuurstof steken blijf, en dat de geheimenissen van de stikstof mij nimmer geopenbaard zullen worden?.... Dat is zeer slecht, mijnheer!”

Zij trachtte zich goed te houden en te spotten; maar de toon van hare stem logenstrafte hare woorden.

Ook schuilde onder die luchthartige [20] woorden een diepe zin, die recht toe het hart van den jonkman bereikte. Want eigenlijk kon het door haar gesprokene aldus vertolkt worden:

“Welnu, en ik dan?.... Telt gij mij niet mede?.... Voor u besta ik eenvoudig niet, zooals het schijnt. Gij zijt u hier te midden van die Boeren, van die hebzuchtige mijnwerkers komen vertoonen als een hooger en meer bevoorrecht wezen, als een geleerd, fier, belangeloos en uitstekend man!.... Gij hebt mij een blik doen slaan in uwe studiën en uwe werkzaamheden.... Gij hebt mij uw hart geopend; gij hebt mij uwe neigingen, uwe literarische voorliefde, uwen kunstsmaak doen deelen!.. Gij hebt mij geopenbaard, welke afstand bestaat tusschen een denker zoo als gij zijt en de tweevoetige dieren, die mij omringen!.... Gij hebt alles aangewend om u te doen bewonderen en te doen beminnen!.... Daarin zijt gij volkomen geslaagd!.... En dan komt gij mij zoo maar zonder eenigen omhaal mededeelen, dat gij heengaat, dat het uit is, dat gij naar Parijs terugkeert en trachten zult, mij hoe eer hoe liever te vergeten!....

“En gij gelooft daarbij voorzeker, dat ik mij wijsgeerig en met berusting aan mijn lot zal onderwerpen?”

Ja, dat alles straalde in de woorden van Alice door, en hare vochtige oogen verkondigden dat zoo duidelijk, dat Cyprianus op het punt was dat onuitgesproken en toch zoo welsprekend verwijt te beantwoorden. Het scheelde inderdaad weinig, of hij riep onbewust uit:

“Ik moet heen!.... Gisteren smeekte ik uwen vader, dat hij mij u tot vrouw zou geven!.... Hij weigerde zonder eenige hoop te laten koesteren! Begrijpt gij nu, waarom ik vertrekken moet?”

Maar hij herinnerde zich bij tijds zijne belofte. Hij had zich verbonden, nimmer aan de dochter van John Watkins iets te openbaren omtrent den schoonen droom, dien hij gedroomd had; en hij zou zich zelven als verachtelijk veroordeeld hebben, wanneer hij zijn woord niet hield.

Hij gevoelde evenwel hoe ruw dat plan was om te vertrekken, hetwelk hij onder den invloed zijner teleurstelling gevormd had. Het kwam hem zelfs onzinnig en wreed voor. Het scheen hem thans onmogelijk toe, dat bekoorlijke kind, hetwelk hij beminde en dat hem wederkeerig liefhad, zoo zonder voorbereiding, zoo zonder uitstel te verlaten. En dat zij hem liefhad, dat was maar al te zichtbaar. Ongetwijfeld, zij was onder den invloed eener oprechte en diepgewortelde genegenheid.

Hij gevoelde thans afschuw voor dat besluit, hetwelk hij twee uren vroeger genomen, en dat hij toen als uiterst noodzakelijk beschouwd had. Thans durfde hij het zelfs niet meer bekennen.

Ja, hij ging er toe over dat besluit te loochenen.

“Als ik over mijn vertrek spreek, juffrouw Alice,” zei hij, “dan moet gij niet denken, dat ik dezen morgen of zelfs heden reeds wil heengaan!.... Ik moet nog eenige aanteekeningen maken,—dan moet ik ook mijne maatregelen treffen!.... In ieder geval, ik zal de eer hebben om u weer te zien, om met u te praten.... over uwe studieplannen.”

Toen draaide Cyprianus plotseling op de beide hielen rond en nam de vlucht niet ongelijk aan een dwaas! Hij vloog naar zijne hut, liet zich daar op een stoel vallen en verviel in een diep gepeins.

Zijn gedachtengang was geheel veranderd.

“Zou ik, bij gebrek aan wat geld, van zoo veel bevalligheid afstand doen?” sprak hij tot zich zelven. “Zou ik reeds bij den eersten hinderpaal de partij als verloren beschouwen? Is dat wel zoo manmoedig, als ik mij dat verbeeld? Zou het niet beter zijn eenige vooroordeelen op te offeren en mij harer waardig trachten te maken?.... Er bestaan zoo vele lieden, die met diamantzoeken in weinige maanden een vermogen verwerven! Waarom zou ik dat ook niet doen? Wat zou kunnen beletten, dat ook ik er in slaagde een steen van honderd karaten te vinden, zooals dat zoovelen wedervaren is; of beter, waarom zou ik geen nieuwe legering ontdekken? Ik bezit voorzeker meer theoretische en practische kennis dan het meerendeel der menschen hier! Waarom zou de wetenschap mij niet verschaffen, wat de arbeid, door een weinig geluk geholpen, aan zoo velen gegeven heeft?.... En goed beschouwd, ik waag er niets bij met te probeeren. [21] Zelfs van het standpunt mijner zending beschouwd, kan het niet als eene overbodige daad aangemerkt worden, wanneer ik de schop ter hand neem en mijnwerker word!.... En, als ik eens mocht slagen?.... als ik eens rijk werd door dat oorspronkelijke middel?.... wie weet, of John Watkins zich dan niet liet vermurwen, wie weet of hij dan niet op zijn eerstgenomen besluit zou terugkomen. Dat doeleinde is wel waard, dunkt me, dat er de proef van genomen wordt!....”

Cyprianus liep daarop zijn laboratorium op en neer. Zijne armen waren daarbij evenwel in rust; zijn denkvermogen alleen arbeidde.

Plotseling bleef hij stilstaan, daarop greep hij zijn hoed en ging naar buiten.

Nadat hij het pad ingeslagen had, dat naar de vlakte voerde stapte hij met groote passen in de richting van de Vandergaart-Kopjes-Mijn voort.

In minder dan een uur had hij die bereikt.

De mijnwerkers keerden juist in dit oogenblik in menigte naar hun kampement terug, om hun tweede ontbijt te nuttigen. Cyprianus vroeg zich af, terwijl hij al die getaande gezichten in oogenschouw nam, tot wien hij zich zou wenden om de inlichtingen in te winnen, die hij noodig had, toen hij eindelijk te midden van een groep het open gelaat herkende van Thomas Staal den gewezen mijnwerker van Lancashire. Hij had al twee of driemaal gelegenheid gehad om hem te ontmoeten, sedert zij te zamen in Grikwaland gekomen waren en hij had zich daarbij overtuigd, dat de brave kerel welvarende was, zooals zijn blozend gelaat, zijne spiksplinternieuwe kleeren en vooral de breede lederen riem, die zijn middel omsloot, afdoende getuigden.

Cyprianus besloot om hem aan te spreken en hem deelgenoot van zijne plannen te maken, hetgeen trouwens in weinige woorden geschiedde.

“Gij wilt een claim pachten? Wel niets is gemakkelijker dan dat: wel te verstaan, als gij geld hebt!” antwoordde hem de mijnwerker. “Er is juist een beschikbaar naast de mijne. Vier honderd pond sterling1, dit is te geef! Met vijf of zes negers, die hem voor uwe rekening ontginnen zullen, kunt gij er op rekenen, dat gij per week voor drie of vier honderd gulden minstens zult vinden!”

“Maar, ik heb geen vier honderd pond sterling en ik bezit zelfs geen enkel negertje,” zei Cyprianus.

“Welnu, koop dan een gedeelte van een claim, een achtste of een zestiende zelfs, en bewerk dat zelf. Dan komt gij met een groote vijf honderd gulden al ver.”

“Dat komt meer met mijne middelen overeen,” antwoordde de jeugdige ingenieur. “Maar, gij mijnheer Staal, hoe hebt gij het aangelegd. Vertel mij dat eens, als ik niet te onbescheiden ben. Zijt gij hier als bezitter van een kapitaal aangekomen?”

“Ik ben hier met mijn beide armen aangekomen, maar had daarenboven drie kleine goudstukken in den zak,” antwoordde de andere. “Maar, het is mij meegeloopen. Ik heb eerst een achtste in halve rekening met een ander ontgonnen, die evenwel liever in het koffiehuis zat dan dat hij zijne zaken behartigde. Wij waren overeengekomen dat wij de vondsten zouden deelen, en waarlijk, ik was niet ongelukkig. Ik vond onder anderen een steen van vijf karaten, die wij voor twee honderd pond sterling verkochten! Maar, het begon mij te vervelen voor dien luilak te arbeiden. Ik kocht toen een zestiende, dat ik voor mij alleen ontgon. Daar ik er slechts kleine steenen vond, heb ik dat tien dagen geleden van de hand gedaan. Ik werk thans weer in halve rekening met een man, afkomstig van Australië, in zijn claim; maar wij hebben in de eerste week slechts vijf pond met ons beiden gewonnen.”

“Als ik een gedeelte van een goeden claim voor een niet te duren prijs kan koopen, zoudt gij dan genegen zijn u met mij te associeeren, om dien te ontginnen?” vroeg de jonge ingenieur.

“Voorzeker,” antwoordde Thomas Staal; “echter op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat ieder onzer behouden zal, wat hij vindt. Dat is geen wantrouwen jegens u, mijnheer Méré. Maar ziet ge, ik bemerk wel, dat ik, sedert ik hier ben, steeds de lijdende partij ben wanneer er gedeeld wordt, want de schop en het pikhouweel kennen mij en ik verricht tweemaal meer werk dan [22] anderen!”

“Die voorwaarde komt mij billijk voor,” antwoordde Cyprianus.

“O!” riep eensklaps de Lancashire-man uit, terwijl hij den ingenieur in de rede viel. “Een inval en waarschijnlijk een goede ook!.... Als wij met ons beiden een der claims van John Watkins pachtten?”

“Hoe, een zijner claims? Is de geheele grond van de Kopjes-Mijn niet zijn eigendom?”

“Ongetwijfeld, mijnheer Méré; maar gij weet dat het koloniale gouvernement er zich dadelijk meester van maakt, zoodra het bekend is, dat er diamantlegeringen bestaan. Het is het gouvernement die de mijnen bestuurt, voor het kadaster zorgt, die de claims afdeelt en daarbij het grootste gedeelte van den pachtprijs voor zich behoudt en aan den eigenaar slechts een vaste som uitbetaalt. Het moet evenwel erkend worden, dat die vaste som nog een prachtig inkomen daarstelt, wanneer de mijn zoo uitgestrekt als de Kopjes-Mijn is; terwijl van een anderen kant de eigenaar steeds de voorkeur geniet, om een zoo groot getal claims te kunnen terugkoopen, als hij slechts kan laten bewerken. Dat is juist het geval met John Watkins. Hij heeft behalve den feitelijken eigendom van de geheele mijn, bovendien nog verscheidene claims in ontginning. Maar die ontginning gaat niet zoo als hij wel zou willen, omdat het pootje hem belet ter plaatse zelve tegenwoordig te zijn, en ik ben van meening, dat hij u wel aanneembare voorwaarden zoude stellen, wanneer ge hem voorsloegt een claim van hem over te nemen.”

“Toch zou ik wenschen, dat de onderhandeling daarover tusschen u en hem gevoerd werd,” antwoordde Cyprianus.

“Och, als het slechts daar op aan komt” hernam Thomas Staal. “Die zaak kan spoedig in het reine gebracht worden.”

Drie uren later was de halve claim, numero 942, die behoorlijk met paaltjes afgebakend en op de kaart aangeduid werd, in deugdelijken vorm herverpacht aan de heeren Méré en Thomas Staal, tegen de onmiddellijke betaling van een premie van negentig pond2 en tegen de voldoening van de patent-onkosten bij den ontvanger. Bovendien was in het huurcontract wel degelijk vermeld, dat de huurders de opbrengst hunner ontginning met John Watkins moesten deelen en dat zij hem bij wijze van royalty of koningsrecht de drie eerste diamanten boven de tien karaten zouden afstaan, die mochten gevonden worden. Niets duidde aan dat die gebeurlijkheid zich zoude voordoen, maar zij was mogelijk. In de diamantvelden was alles mogelijk.

Alles wel bezien, kon de zaak als buitengewoon voordeelig voor Cyprianus beschouwd worden en Mr. Watkins gaf hem dat met zijne gewone vrijmoedigheid, terwijl hij met hem klonk bij de onderteekening van het contract, genoegzaam te kennen.

“Gij hebt de wijste partij gekozen, mijn jongen,” zei hij, terwijl hij hem op den schouder klopte. “Er zit pit in u en het zou mij niet verwonderen, wanneer gij een der beste mijnwerkers van geheel Grikwaland werdt.”

Cyprianus meende in die woorden een gelukkig voorteeken voor de toekomst te ontdekken.

Miss Watkins, die bij de onderhandeling tegenwoordig was, vertoonde een overheerlijken, helderen zonnestraal in hare blauwe oogen! Neen, waarachtig niet; niemand zou ooit geloofd hebben, dat die oogen gedurende den geheelen morgen geweend hadden!

Als bij stilzwijgende overeenkomst, werd door beide partijen iedere nadere verklaring omtrent het treurige tooneel, op dien morgen voorgevallen, vermeden. Cyprianus bleef, dat was buiten kijf en dat was toch, alles wel beschouwd, het voornaamste.

De jonge ingenieur verwijderde zich thans met een verruimd hart, om zijne maatregelen nopens zijne verhuizing te treffen. Hij nam slechts eenige kleedingstukken in een valies mede, daar hij voornemens was zich onder eene tent in de onmiddellijke nabijheid van de Vandergaart-Kopjes-Mijn te vestigen en slechts naar de hoeve weer te keeren om daar eenige uren van uitspanning door te brengen. [23]


1 4800 gulden.

2 1080 gulden.

Vijfde hoofdstuk.

Eerste ontginnings-arbeid.

De beide vennooten togen reeds den volgenden morgen al heel vroeg aan den arbeid. Hun claim was bij den rand van de Kopjes-Mijn gelegen en moest dus rijk zijn, wanneer namelijk de theorie van Cyprianus Méré gegrond was. Die claim was ongelukkig reeds vlijtig ontgonnen en reikte tot op een diepte van vijftig en meer meters de ingewanden der aarde.

Dat was in zeker opzicht een voordeel omdat, daar de bodem van die claim veel lager was dan die der omringenden, de huurders, volgens de wetten des lands, in eigendom verkregen al den grond en bijgevolg ook al de diamanten, die van de rondom liggende hoogten eens naar beneden mochten rollen.

De arbeid was zeer eenvoudig. De vennooten begonnen met schop, spade en pikhouweel zoo eenvoudig mogelijk een zeker gedeelte aarde los te maken. Toen dat klaar was, klom een hunner op den rand der mijn en heesch met een ijzeren kabel de emmers naar boven, die de andere met grond vulde.

Die grond werd vervolgens met eene kar naar de hut van Thomas Staal vervoerd. Daar werd hij met behulp van groote stukken hout grovelijk geplet en vervolgens van de waardelooze keisteenen ontdaan; men liet hem vervolgens door een netvormige zeef loopen, welker mazen vijftien millimeters wijdte hadden, om de kleinere steenen af te zonderen, die eerst goed onderzocht werden, alvorens ze weg te werpen. De grond werd eindelijk ten tweede male gezift, maar in een zeef met zeer kleine openingen, om er het stof van te scheiden, waarna hij geschikt was, om aandachtig onderzocht te worden.

Die aarde werd dan op een tafel uitgeschud, waaraan de beide mijnwerkers plaats namen, gewapend met een soort hark, die van blik vervaardigd was. Zij doorzochten die aarde alsdan handvol voor handvol met de grootste zorg, waarna zij haar onder de tafel wierpen, om later opgeruimd te worden, wanneer het afgeloopen was.

Al die werkzaamheden hadden ten doel om te ontdekken of er geen diamant in was al ware ’t slechts ter dikte van een halve linskorrel; maar de vennooten boogden op zeer veel geluk, wanneer de dag niet eindigde, zonder dat zij een enkel steentje gevonden hadden. Zij werkten met de meest mogelijke vlijt en ziftten de aarde van den claim met de uiterste zorg, maar de resultaten waren, dat viel niet te ontkennen, gedurende de eerste dagen geheel onbeduidend, ja bijna nul.

Vooral scheen Cyprianus geen geluk te hebben. Werd er een enkel diamantje in den grond aangetroffen, dan was het bijna altijd Thomas Staal, die het vond. De eerste, die hij het genoegen had te ontdekken, woog niet eens ten volle een zesde gedeelte van eene karaat, het omhulsel er onder begrepen.

De karaat is een gewicht dat vier grein zwaar is, dus ongeveer het vijfde gedeelte van een gram of wichtje.1 Een diamant van het helderste water, dat wil zeggen, die zuiver, droogachtig en kleurloos is, heeft eene waarde, nadat hij geslepen is, van honderd vijf en twintig gulden, wanneer hij een karaat zwaar is. Maar hebben de diamanten, die minder wegen, eene evenredig mindere waarde, daarentegen rijzen zij, die zwaarder zijn, sneller en in immer toenemende rede aan waarde. Men rekent gewoonlijk, dat de handelswaarde van een onberispelijken steen gelijk is aan het vierkant van zijn gewicht, uitgedrukt in karaten, vermenigvuldigd met den marktprijs van de karaat. Veronderstelt men dus, dat die marktprijs honderd vijf en twintig gulden is, dan is de prijs van een diamant van tien karaten, die aan de bovenomschreven hoedanigheden voldoet, tien maal tien of honderd maal honderd vijf en twintig of twaalf duizend vijf honderd gulden.

Maar de steenen van tien karaten en zelfs van een karaat zijn zeer zeldzaam. Het is juist daarom, dat zij zoo duur zijn. Er dient hier ook nog bij verteld te worden, dat de diamanten bijna allen een gele tint vertoonen, waardoor hunne waarde aanmerkelijk vermindert.

De vondst van een steentje, dat niet eens een zesde gedeelte van een karaat woog, was, na een onafgebroken arbeid van zeven of acht dagen, wel [24] een magere vergoeding voor al de moeiten en den afmattenden arbeid, die het gekost had. Tegen dat resultaat was het voordeeliger geweest, den akker te bebouwen, schapen te hoeden of keien langs de wegen stuk te kloppen. Dat herhaalde Cyprianus voortdurend in zich zelven.

Toch dreef hem de hoop, dat hij vroeg of laat een fraaien diamant zou vinden, die hem opeens voor den arbeid van vele weken of van vele maanden schadeloos zou stellen, tot volhouden aan. Die hoop ondersteunde hem, zooals zij alle mijnwerkers, zelfs de minst geloovige doet. Wat Thomas Staal betrof, die arbeidde zooals een werktuig dit zou doen, dat wil zeggen: zonder er bij te denken. Het scheen, althans oppervlakkig beschouwd, dat hij het door zijn vlug werken zoo ver gebracht had.

De beide vennooten ontbeten gewoonlijk te zamen en vergenoegden zich met een paar broodjes, die zij met bier besproeiden, dat zij bij een drankverkooper kochten, die zijn handel in de open lucht dreef; maar zij gebruikten hun maaltijd aan een der talrijke openbare tafels, die elkander de klandiezie van de mijnwerkers van het kamp betwistten. Thomas Staal ging des avonds wanneer zij van elkander scheidden om ieder zijns weegs te gaan, gewoonlijk naar de een of andere biljartzaal, om eene partij te spelen. Cyprianus daarentegen ging gewoonlijk een paar uren op de hoeve van John Watkins doorbrengen.

Daar had de jeugdige ingenieur heel dikwijls het ongenoegen, zijn medeminnaar James Hilton te ontmoeten, een grooten lummel met rosachtig haar, blankwitte huid, en een met vlekken bezaaid gelaat, die machtig veel van groote zomersproeten hadden. Dat die mededinger zeer veel vorderingen in de gunst van John Watkins maakte, zal door den lezer niet betwijfeld worden, wanneer wij er bijvoegen, dat de slungel nog meer gin dronk en nog meer Hamburger tabak rookte dan de modelvader zelf.

Daartegenover, stond evenwel, dat Alice slechts eene hooge mate van minachting koesterde voor de boerenbevalligheden en het weinig smakelijk onderhoud van den jongen Hilton. Maar zijne tegenwoordigheid was toch onverdraaglijk voor Cyprianus, en soms zelfs in die mate, dat hij, voelende zich niet meer te kunnen bedwingen, opstond, het gezelschap goeden avond wenschte en heenging.

“Die Frenchman is ontevreden!” zei dan John Watkins, terwijl hij een oog tegen zijn makker knipte. “Het schijnt, dat de diamanten niet van zelf in zijn zak vloeien!”

En dan lachte James Hilton zoo dom mogelijk bij die woorden.

Wanneer zoo iets gebeurde, dan ging Cyprianus gewoonlijk zijn avond doorbrengen, bij een braven Boer, die zich dicht bij het kamp gevestigd had en Jacobus Vandergaart heette.

Het was naar zijn naam, dat de Kopjes-mijn, op welker grond hij zich in de eerste tijden der concessie neergezet had, genoemd werd. Als men hem mocht gelooven, dan was hij door een oneerlijke uitspraak der rechterlijke macht ten gerieve van John Watkins van zijn eigendom ontzet. Thans was hij geheel geruïneerd en leefde in eene leemen hut, waarin hij zich onledig hield met het diamantslijpen, welk ambacht hij vroeger in Amsterdam, zijne geboorteplaats uitgeoefend had.

De mijnwerkers toch brachten hem zeer dikwijls steenen, hetzij om de waarde te weten te komen die zij zouden behouden, na aan het snijden en slijpen onderworpen te zijn, hetzij om ze te laten kloven, hetzij om ze meer fijne bewerkingen te doen ondergaan. Maar die laatste arbeid vereischte eene vaste hand en een scherp gezicht, en oude Jacobus Vandergaart, die vroeger een voortreffelijk werkman was, ondervond tegenwoordig veel moeite om het hem opgedragen werk uit te voeren.

Cyprianus, die hem opgedragen had den door hem gevonden diamant te slijpen en in een ring te zetten, had spoedig eene zekere genegenheid voor hem opgevat. Hij hield er van den eenvoudigen Boer in zijne werkplaats te gaan opzoeken, om wat met hem te praten of eenvoudig om hem wat gezelschap te houden, wanneer hij bezig was met diamantslijpen. Jacobus Vandergaart zag er met zijn witten baard, zijn kaal hoofd, dat met een kalotje van zwart fluweel bedekt was, met zijn langen spitsen neus, waarop een bril met groote ronde oogen prijkte, geheel en al uit [25] als een oude alchimist van de vijftiende eeuw, zooals hij daar te midden zijner vreemdsoortige werktuigen en zijne flesschen met allerhande zuren troonde.

Op eene werktafel, die voor het raam geplaatst was, bevonden zich in een houten nap de ruwe diamanten, die Jacobus Vandergaart toevertrouwd waren, en welker waarde soms aanmerkelijk was. Wilde hij er een kloven, welks kristalvlakken hem niet volmaakt voorkwamen, dan begon hij eerst met zijn vergrootglas de richting der snijdingslijnen na te gaan, die alle kristallen in stukken met evenwijdigloopende vlakken verdeelen. Dan maakte hij met den scherpen kant van een reeds gekloofden diamant eene insnijding in de gewenschte richting, bracht daarin een klein stalen lemmet en sloeg daarop een korten, krachtigen slag.

Daardoor werd de diamant langs een zijner kristalvlakken gekloofd, en de beweging werd verder langs de andere herhaald.

Wilde daarentegen Jacobus Vandergaart een steen snijden, of, om juister te spreken, hem volgens een vastgestelden vorm afslijpen, dan begon hij met de vaststelling van dien vorm, dien hij er aan geven wilde, door op het omhulsel van den diamant met krijt de voorgestelde kleine vakken of facetten te teekenen. Daarna bracht hij ieder dezer vakken in aanraking met een anderen diamant, en onderwierp die beide aan een langdurige wrijving, den een tegen den anderen. De beide steenen sleten alsdan elkander af, en zoo vormde zich de gemelde facet langzamerhand.

Zoo slaagde Jacobus Vandergaart er in, om aan den steen een der vormen te verleenen, die door het gebruik het meest aangenomen zijn en die tot drie groote afdeelingen teruggebracht kunnen worden, namelijk: de “dubbele briljant”, de “enkele briljant”, en de “roos”.

De “dubbele briljant” bestaat uit vier-en-zestig facetten, uit een achtkantig vlak, dat tafel genoemd wordt, en uit een culas of broek, die het benedengedeelte vormt.

De “enkele briljant” vertoont eenvoudig de helft van een dubbelen briljant.

De “roos” is van onderen plat, terwijl het bovenste gedeelte met facetten koepelvormig bijgeslepen is.

Zeer zelden kreeg Jacobus Vandergaart een “briolet” te slijpen, dat wil zeggen: een diamant die noch bovenvlak, noch benedenvlak geeft, maar die den vorm eener peer aangenomen heeft. De brioletten worden in Indië bij hun dun einde doorboord, om er een koordje door te kunnen rijgen.

Wat de “pendeloquen” of oorhangers betreft, die de oude diamantslijper meermalen te slijpen kreeg, dit waren halve peervormige steenen met tafels en culas, die slechts facetten op hunne voorzijde vertoonen.

Was de diamant eenmaal gesneden, dan bleef er slechts nog over hem te polijsten om het werk geëindigd te noemen. Die bewerking geschiedde met behulp van eene soort slijpsteen, die eenvoudig uit eene stalen schijf bestond, die ongeveer acht-en-twintig centimeters doorsnede had en plat op tafel neergelegd werd, maar die toch onder de werking van een groot rad met zwengel om eene as kon draaien met eene snelheid van twee- of drieduizend omwentelingen in de minuut. Die schijf werd met olie besmeerd en daarna met diamantstof, afkomstig van het snijden, bestrooid, waarna Jacobus Vandergaart de facetten van zijn steen de eene voor de andere na tegen die schijf drukte, totdat zij volmaakt gepolijst waren. De zwengel werd óf door een kleinen Hottentotschen jongen gedraaid, die daartoe, wanneer dit noodzakelijk was, bij den dag ingehuurd werd, óf door een vriend, zooals Cyprianus er een was, en die dan ook nimmer er tegen opzag dien dienst uit loutere vriendschap te bewijzen.

En gedurende den arbeid bleven de monden niet dicht; integendeel, men praatte veel. Somwijlen zelfs staakte Jacobus Vandergaart plotseling zijn arbeid, om eenige geschiedenis uit een lang vervlogen tijd te vertellen, waarbij hij dan niet vergat zijn bril tot op zijn voorhoofd te schuiven. En inderdaad, hij wist veel, zoo niet alles, aangaande dit gedeelte van zuidelijk Afrika, hetwelk hij sedert veertig jaren bewoonde. En wat zijne verhalen eene ongemeene aantrekkelijkheid bijzette, was juist, dat hij de overlevering des lands ongeschonden weergaf, eene overlevering welke geheel jeugdig en levendig was.

Die oude diamantslijper kon vooral [26] niet zwijgen, wanneer hij op het kapittel zijner patriotsche en personeele grieven gebracht werd. Volgens hem waren de Engelschen de grootste afzetters, die door de aarde ooit gedragen werden. Hieromtrent moest hem de geheele verantwoordelijkheid zijner meeningen, die blijkbaar overdreven waren, gelaten worden, hoewel ze alleszins vergeeflijk waren.

“Het is waarachtig niet te verwonderen,” herhaalde hij steeds met voldoening, “dat de Vereenigde Staten van Amerika zich onafhankelijk verklaard hebben. Indië en Australië zullen ook wel zoo handelen; dat kan niet uitblijven! Welk volk wil zulke tirannie verdragen?.... O, mijnheer Méré, als de wereld al de onrechtvaardige bedrijven kende, welke die Engelschen, die zoo trotsch op hunne gouden guinjes en op hunne zeemacht zijn, over de geheele oppervlakte der aarde gepleegd hebben, dan bestond er geen woord in de menschelijke taal, dat beleedigend genoeg zou kunnen klinken, om hen in het aangezicht te spuwen.”

Cyprianus keurde die taal niet goed. Hij keurde ze ook niet af. Hij luisterde slechts, zonder te antwoorden.

“Wil ik u verhalen, wat ze mij geleverd hebben, mij, die thans tot u spreek?” hernam Jacobus Vandergaart terwijl hij zich opwond. “Luister naar mij, en dan zult gij kunnen uitmaken of er twee meeningen omtrent die schavuiten bestaan kunnen.”

Toen Cyprianus hem verzekerd had, dat hij hem daarmede veel genoegen zou doen, verhaalde de brave Boer het navolgende:

“Ik ben in 1806 gedurende eene reis, die mijne ouders ondernomen hadden, te Amsterdam geboren. Later ben ik daar teruggekomen om er mijn ambacht te leeren; maar ik heb mijne kindsheid aan de Kaap doorgebracht, waarheen mijne familie een vijftig jaren vroeger getrokken was. Wij waren Hollanders, en daar zijn wij nog zeer trotsch op, toen Groot-Brittanje zich van de kolonie meester maakte, voorloopig, zooals het beweerde. Maar John Bull geeft niet licht weer, wat hij eenmaal geroofd heeft. In 1815 werden wij door Europa, dat in Congres vereenigd was, plechtig tot onderdanen van het Vereenigd Koninkrijk verklaard.

“Ik vraag u in gemoede, wat Europa zich met deze Afrikaansche landstreken te bemoeien had?

“Engelsche onderdanen! maar mijnheer Méré, dat wilden wij niet zijn! Toen, overwegende dat Afrika wel groot genoeg zou zijn om ons een vaderland in vollen eigendom te verschaffen, verlieten wij de Kaapkolonie, om in de wilde binnenlanden, die zich ten noorden van ons uitstrekten, binnen te dringen. Men noemde ons toen Boeren of ook wel Voortrekkers. Ja, dat zijn wij! Boeren! d.w.z. landbouwers! Voortrekkers! d.w.z. pioniers, die steeds vooruit willen!

“Nauwelijks hadden wij die nieuwe gronden in akkers ontgonnen; nauwelijks hadden wij ons met hard werken en noesten vlijt andermaal een onafhankelijk bestaan geschapen, toen het Engelsche gouvernement die streek ook opeischte—steeds onder voorwendsel dat wij Britsche onderdanen waren.

“Toen had onze groote Exodus plaats. Dat was in 1833. Andermaal trokken wij in massa uit. Na onze wagens met onze meubelen, akkergereedschappen en graan beladen te hebben, spanden wij er onze ossen voor en drongen wij dieper de woestijn binnen.

“In dien tijd was Natal nagenoeg geheel ontvolkt. Een bloeddorstige veroveraar, Tchaka genaamd, een ware Neger-Attila, tot den stam der Zoeloe’s behoorende, had daar meer dan een millioen menschen om het leven gebracht in het tijdvak van 1812 tot 1828. Zijn opvolger, Dingaan, heerschte ook slechts door schrik en angst te verspreiden. Het was deze wilden-koning, die ons toestond, om ons in die landstreek te vestigen, waar thans de steden Durban en Port-Natal verrijzen.

“Maar het was slechts met de bijgedachte om ons aan te vallen, wanneer ons land bloeien zou, dat die gluiperd van een Dingaan, ons deze toestemming verleende! Ieder wapende zich dan ook om tegenweer te kunnen bieden, en het was slechts ten gevolge onzer overgroote inspanningen, en ik durf er bijvoegen, ten gevolge der heldenfeiten, in meer dan honderd gevechten tentoongespreid, waarbij onze vrouwen en onze kinderen aan onze zijde streden, dat het mogelijk was, ons in het bezit die [27] landen, die wij met ons zweet en bloed besproeid hadden, te handhaven.

“Maar ziet, nauwelijks hadden wij over den zwarten despoot gezegevierd en zijne macht vernietigd, toen het gouvernement van de Kaap ons eene Engelsche kolonne toezond, met opdracht om het grondgebied van Natal in bezit te nemen in naam van Hare Majesteit de Koningin van Engeland!.... Gij ziet, men beschouwde ons steeds als Britsche onderdanen! Dat gebeurde in 1842.

“Andere emigranten van onzen landaard hadden de Transvaal ten onder gebracht en de macht van den tyran Moselekatze langs de boorden der Oranje-rivier vernietigd. Ook zij zagen zich hun nieuw vaderland, dat zij met zooveel moeite verworven hadden, bij eene eenvoudige dagorder ontnemen!

“Och, ik sla de bijzonderheden maar over. Die strijd duurde twintig jaren. Steeds trokken wij verder, maar ook steeds strekte Groot-Brittanje de roofzuchtige hand naar ons uit, als naar zoovele slaven, die haar toebehoorden, zelfs na haar verlaten te hebben.

“Eindelijk, na zeer vele moeilijkheden en na vele bloedige gevechten, geraakten wij er toe onze onafhankelijkheid in den Oranje-Vrijstaat te doen erkennen. Een koninklijke verordening, door Koningin Victoria, op den 8sten April 1854 geteekend, verzekerde ons de vrije bezitting onzer gronden en het recht om ons bestuur naar onzen zin in te richten. Wij vestigden dientengevolge eindelijk eene Republiek, en toen eerst kon beweerd worden, dat onze Staat gegrond was op de stipte eerbiediging der wettelijke bepalingen, op de vrije ontwikkeling der individueele geestkracht, en op het zuiver onderwijs, waarmede alle maatschappelijke klassen bedeeld werden. Inderdaad, die jeugdige Staat kon tot voorbeeld strekken aan menige natie, die zich waarschijnlijk meer beschaafd achtte dan dat kleine uithoekje van de Zuidpunt van Afrika.

“Grikwaland maakte daar deel van uit. Het was tegen dien tijd, dat ik mij als pachter in hetzelfde huis, waarin wij ons thans bevinden, met mijne arme vrouw en mijne twee kinderen vestigde. Toen zette ik de omheining uit van mijne kraal of veepark op de plek zelve der mijn, die gij thans ontgint. Tien jaren later kwam John Watkins in het land en trok er zijne eerste hut op. Men wist toen niet, dat de streek diamanten opleverde, en wat mij betreft, ik had sedert dertig jaren, dat ik hier woonde, zoo weinig gelegenheid om mijn oud handwerk van diamantslijper uit te oefenen, dat ik mij ternauwernood het bestaan van edelgesteente herinnerde!

“Het gerucht verspreidde zich plotseling, in het jaar 1867, dat onze gronden hier diamanthoudend waren. Een Boer, bewoner van de oevers van de Hart, had zelfs de diamanten in de uitwerpselen zijner struisvogels ontdekt, zelfs in de leemen muren zijner pachthoeve.