Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Noodlot, by Louis Couperus

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Noodlot

Author: Louis Couperus

Release Date: February 1, 2006 [EBook #17659]

Language: Dutch

Character set encoding: UTF-8

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK NOODLOT ***




Produced by Branko Collin, Ginirover and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net






Noodlot


NOODLOT

NOODLOT

DOOR

LOUIS COUPERUS

VIJFDE DRUK

Noodlot


L.J. VEEN—AMSTERDAM

Aan

FRANS NETSCHER

Luik, Sept. '90. L.C.


HOOFDSTUK I.

I.

De handen in de zakken, den kraag van zijn pels op, ging Frank door het stuiven der sneeuw voort, langs den eenzamen Adelaïde-Road, in den avond. Toen hij het villa-tje naderde, waar hij woonde,—White-Rose, geheel gedoken, gedompeld, verzonken in de blankheid der sneeuw, als een nestje in watten,—zag hij iemand op zich afkomen, van Primrose-Hill. Hij richtte zijn blik vast op het gelaat van den man, die hem blijkbaar wilde aanspreken; niet wetende wat deze in zijn schild voerde in dien eenzamen sneeuwnacht, en hij was zeer verbaasd, toen hij in het Hollandsch hoorde:

—Neem u me niet kwalijk.... is u niet meneer Westhove?

—Ja, antwoordde Frank. Wie is u? Wat is er?

—Ik ben Robert van Maeren, misschien herinnert u zich....

—Bertie, jij? riep Frank uit. Hoe kom je hier in Londen! En in zijne verbazing, zag hij, door het stuiven der sneeuw heen, een vizioen verrijzen uit zijne jeugd, een helder tafereel van jongensvriendschap, iets jongs en warms....

—Misschien niet zoo heel toevallig! antwoordde de vreemde, wiens stem bij den klank van dien verkleinnaam "Bertie" iets vaster klonk; ik wist, dat u hier woont en ik ben al driemaal aan uwe deur geweest, maar u was niet thuis. De juffrouw zei, dat u van avond toch thuis zoû komen, en daarom ben ik zoo vrij geweest hier op u te wachten....

De stem verloor weêr alle vastheid en werd smeekend, als van een bedelaar.

—Moest je me zoo dringend spreken? vroeg Frank verbaasd.

—Ja.... ik wou.... of u me misschien helpen kon.... ik ken hier niemand....

—Waar woon je?

—Nergens; ik ben van morgen vroeg hier aangekomen en ik heb.... ik heb geen geld....

En hij kromp, huiverend van het staan in de koude tijdens dit korte gesprek, zich bijna smeekend samen, als een hond, die bang is.

—Ga maar met me meê, sprak Frank, vol verbazing, medelijden, vol van de warme herinneringen zijner jongensjaren. Kom van nacht maar bij me.

—O ja, graag! klonk het antwoord, haastig en bevend, als bevreesd voor het terugnemen dier goddelijke woorden.

Zij gingen samen een paar passen voort; toen haalde Frank den sleutel uit zijn zak—den sleutel van White-Rose. Hij opende de deur; een zeshoekige Moorsche lantaren scheen in de vestibule zacht met halve vlam.

—Ga binnen! sprak Frank.

En hij deed de deur achter zich op het nachtslot, met een bout. Het was half een.

De meid was nog op.

—Die meneer was al zoo dikwijls hier geweest, fluisterde ze met een wantrouwenden blik naar Bertie; en ik zag hem hier van avond altijd door voorbijloopen, als hield hij de wacht. Ik was bang, weet u; het is hier zoo eenzaam.

Frank schudde geruststellend het hoofd.

—Laat het vuur gauw achter aanmaken, Annie. Is je man nog op?

—Het vuur meneer?!

—Ja ... Bertie, wil je wat eten?

—Heel graag.... als het u geen moeite geeft! antwoordde Bertie, in het Engelsch, voor de meid, en zijn blik zocht smeekend de koud verbaasde, blauwe oogen der flinke, knappe, jonge vrouw; zijne stem was als fluweel, en, tenger, klein, poogde hij in de vestibule zoo weinig mogelijk plaats in te nemen, in een te schrompelen, te vluchten uit hare blikken, zich uit te wisschen in een hoekje schaduw.

Frank leidde hem nu eene groote achterkamer binnen, eerst kil en donker, maar weldra verlicht, weldra ook zachtjes-aan met eene stralende lauwte verwarmd door het groote vuur, dat in den, nog gesloten, haard begon op te gloeien. Annie dekte de tafel.

—Eén couvert, meneer?

—Twee; ik soupeer meê! sprak Frank, denkend, dat Bertie dan vrijer zoû zijn.

Bertie had zich op Franks aandringen in een ruimen stoel gezet bij den haard en hij bleef daar schichtig rechtop zitten, zonder te spreken, verlegen voor de meid, die telkens ging en kwam. Eerst nu zag Frank, in het licht, de armoede van zijn uiterlijk; zijn dun gesleten jasje, vet glimmend en knoopen missend; zijne afgetrapte, uitgerafelde broek; zijne vuile bouffante, die een gemis aan linnen verborg; zijne uitgezakte schoenen met gaten. Een ouden hoed had hij bedremmeld, verlegen, in de hand gehouden. Het was eene kleeding, niets passend bij dien aristocratisch tengeren bouw, dat fijne, bleeke, magere gelaat, gedistingeerd, trots het ongeknipte, blonde haar en den ongeschoren stoppelbaard; het was als de maskerade van geboorte en opvoeding in de lompen der ellende, die zij onhandig, als een slecht zittend tooneelpak, droegen. En de acteur zelf bleef roerloos zitten, starende in het vuur, verlegen in de streeling der weelde, welke hem hier omringde in deze kamer: onwederlegbaar het verblijf van een vermogend jongmensch, die geen neiging tot huislijke gezelligheid had: rijke gordijnen en tapijten, rijke meubels en ornamenten, zonder comfort geschikt, recht tegen de wanden aan en, stijf netjes, zonder leven, glimpend opgepoetst. Maar Bertie kreeg dien indruk niet, want een welbehagen van warmte en veiligheid kwam over hem, een gevoel van rust en onbezorgdheid, kalm als een meer en zoet als een oase: een lachend landschap na de koude en de sneeuw van zoo even. En toen hij zag hoe Frank hem aanstaarde, zeker verwonderd over zijn roerloos zitten turen in het groote vuur, waar de vlammen thans dansend oplekten als gele drakentongen, glimlachte hij eindelijk en sprak hij nederig, dankbaar, met die stem als van een bedelaar:

—Dank u wel, u.... u is zoo goed....

Het was niet veel wat Annie daarna op tafel zette: de restantjes uit de provisiekast van een steeds uithuizig jongmensch, wat kouden beef-steak en slâ, wat beschuit en jam, maar het zweemde toch naar een souper en Bertie deed het groote eer aan, systematisch langzaam en bijna onverschillig etend en drinkend, wasemend warmen grog, zonder den honger, die in zijn lichaam eene nijpende leêgte groef, te laten blijken. Frank poogde hem eindelijk uit te hooren, dwong hem te spreken en te verhalen wat hem in zulke ellende gebracht had en hij deed zijn verhaal bij brokken en stukken, steeds nederig, terwijl ieder woord klonk als eene bedelarij. Onaangenaamheden met zijn vader over zijn moederlijk erfdeel, een bagatel van een paar duizend gulden, weldra versmolten; zijn zwalken in Amerika, waar hij beurtelings boerenknecht, kellner in een hotel en figurant aan een theâter was geweest; zijne terugreis naar Europa op een steamer, waar hij zijn overtocht met diensten van allerlei aard had betaald en nu: zijn eersten dag in Londen, zonder een cent. Hij had zich uit brieven, dagteekenende van een paar jaar geleden, het adres van Westhove in Londen herinnerd en aanstonds White-Rose opgezocht, vreezende, dat Frank in dien tijd wel vier-, vijfmaal verhuisd kon zijn, zonder een spoor te hebben achtergelaten ... O, zijn angst, dien nacht, wachtende in den wind, terwijl het donkerder en donkerder werd; de duisternis alleen verlicht door de spookachtige blankheid der doodstille sneeuw! En nu, die warmte, een dak, een souper! En nogmaals bedankte hij, zich klein makend, ineenschrompelend in zijn versleten kleêren:

—Dank u, dank u....

Annie, mopperend over die drukte in den nacht voor zoo een vagebond, dien meneer van de straat opraapte, had de logeerkamer gereed gemaakt. En Frank leidde hem naar boven, getroffen door zijn vermoeid uiterlijk, grijs van bleekte. Hij klopte hem op den schouder, beloofde hem te zullen helpen, maar nu moest hij naar bed gaan: morgen zouden zij wel verder zien.

Toen Bertie alleen was, keek hij aandachtig om zich rond. De kamer was zeer comfortabel, het bed breed, zacht en warm. Hij voelde zich vies en goor in die omgeving, vol gemakken en onbezorgdheid en in een aangeboren drang tot keurigheid en reinheid begon hij zich, hoewel hij rilde van de koude, eerst, lang en zorgvuldig, te wasschen, te reinigen, te poetsen, te wrijven, tot zijn lichaam rozig gloeide, geheel geparfumeerd met een aroom van zeepschuim. Hij zag in den spiegel en betreurde het, dat hij geen scheermes had: anders had hij zich geschoren. Eindelijk, gehuld in het nachtgoed, dat daar gereed lag, kroop hij in bed, tusschen de wol. Hij sliep niet dadelijk in, genietende van zijn bien-être, van zijn eigen reinheid, de blankheid der lakens, de frissche warmte der dekens, van het nachtlichtje, dat bescheiden schemerde door zijn groen gordijn. In zijne oogen begon een glimlach te tintelen, om zijn mond ook. En hij sliep in, zonder te denken aan morgen, rustig in de zorgeloosheid van het heden en de warmte van zijn bed, bijna leêg van hoofd, alleen met dit enkele, kleine gedachtetje: dat Frank toch een goede jongen was!

II.

Het vroor den volgenden morgen; de sneeuw glinsterde kristalachtig hard. Zij hadden ontbeten en Bertie vertelde van zijne ongelukken in Amerika. Hij had zich door Franks barbier laten knippen en scheren en hij droeg kleêren van Frank, die hem wijd als zakken waren; een paar pantoffels, waarin zijne voeten dansten. Hij begon zich reeds minder vreemd te voelen en koesterde zich als eene kat, die een goed plekje gevonden heeft. Hij lag gemakkelijk in zijn stoel, rookte behagelijk, noemde Frank, op diens verzoek, jij en jou, en zijne stem klonk zacht smeltend, met een klankje van prettige vroolijkheid, iets als gedempt goud. Frank had schik in hem en liet hem vertellen en hij deed het eenvoudig weg, ronder te blageeren op zijne ellende; alles was geweest zooals het had moeten zijn, het had niet anders gekund. Hij was nu eenmaal geen troetelkindje van het lot, dat was alles. En hij was taai; een ander had het niet uitgehouden, wat hij meegemaakt had....

Frank zag hem met verbazing aan; Bertie was zoo fijn, zoo bleek, zoo tenger, bijna zonder volle mannelijke ontwikkeling; hij verzonk in de groteske plooien van Franks jas en broek; hij was een jongen, vergeleken bij hemzelven, zoo groot en vierkant! En hij had dagen van honger, nachten zonder dak gekend; eene armoede, die Frank, goed doorvoed, glanzend van eene bloedrijke gezondheid, onuithoudbaar voorkwam; en hij sprak er zoo kalm, bijna schertsend over, zonder te klagen, alleen met leedwezen zijne mooie handen bekijkend, die mager waren, paars van jeukenden winter, met bloedige kloven op de knokkels. Voor het oogenblik schenen die handen zijn eenig verdriet te zijn. Eigenlijk toch een gelukkig karakter, dacht Frank, terwijl hij hem voor den gek hield, met zijne handen. Maar Bertie zelf schrikte van zijne zorgeloosheid, want hij riep eenklaps uit:

—Maar wat zal ik nu doen ...wat zal ik doen!

Hij zag voor zich uit, radeloos, wanhopig, zijne handen wringend. Frank schertste die wanhoop weg, schonk hem nog eens een glas sherry in en vertelde hem, dat hij vooreerst maar bij hem moest blijven, om te bekomen. Hij zoû het zelfs ontzettend gezellig vinden als Bertie een paar weken bleef; hij verveelde zich een beetje met zijn rijke jongmensch-leven; hij was in een kring van jongelui, die veel uitgingen, veel pierewaaiden en het verveelde hem, dat alles; diners en bals in de wereld en soupers en orgies in de halve wereld. Altijd hetzelfde: een leven als een montagne russe, der op, der af, der op, der af, zonder dat je een oogenblik behoefde te denken; een bestaan, dat voor je gemaakt werd in plaats, dat je het je zelven maakte. Voor het oogenblik had hij nu een doel: Bertie; hij zoû hem helpen, na een paar weken rust eene betrekking of zoo iets voor hem zoeken, maar vooreerst moest hij zich nu maar geen zwaar hoofd maken. Hij was blij, dat hij zijn vriend weêr eens bij zich had. De herinneringen wolkten bij hem op als ijle tooverbeelden, vaalkleurig en sympathiek: herinneringen uit zijn schooltijd, kwâjongensstreken, zwerftochten, bakkeleipartijen in de duinen bij Den Haag: herinnerde Bertie zich? Frank zag den kleinen mageren jongen nog voor zich, getreiterd door groote lummels, beschermd door hem, Frank, wiens vuisten er op neêr beukten, ter wille van zijn vriendje. En later hun studententijd te Delft: Bertie gesjeesd, in eens verdwenen, zonder een spoor na te laten, zelfs niet voor Frank; daarna wat correspondentie, te hooi en te gras; eindelijk jaren van niets. O, hij was blij zijn vriend nu weêr eens bij zich te hebben; véel had hij altijd van Bertie gehouden, juist, omdat Bertie zoo geheel anders was dan hij, met iets als een poes; verzot op gemak en koestering en nu en dan hevig aangedrongen om weg te loopen over daken en goten, zich te bezoedelen met modder, zich te wentelen in vuiligheid, om daarna terug te komen om zich te warmen en te lekken. Hij hield van zijn vriend als van een tweelingbroeder, die geheel verschillend zoû zijn, ingepalmd door Bertie's nonchalante, zacht-egoïstische innemendheid: eene echte poesennatuur!

Bertie vond het dien dag eene groote weelde thuis te blijven, zittende bij den haard, dien hij hoog deed opvlammen met blok op blok. Frank had heerlijken witten port en ze bleven na het lunch zitten lummelen, borrelend en pratend, terwijl Bertie honderd-uit vertelde van Amerika, over zijn broer, zijn hôtel, zijn theâter en de eene anecdote aan de andere schakelde, boeiend door een tikje van ongewonen romantiek. Frank gevoelde daarna behoefte aan lucht en wilde naar zijne club gaan, maar Bertie bleef zitten: alléén kon hij in lompen loopen, maar met Frank zich zelfs niet in deze kleêren vertoonen, Frank zoû thuis komen dineeren om acht uur. En eensklaps, als in eene bliksemsnel invallende gedachte, smeekte Bertie:

—Spreek niet over me met je vrienden ... Het is niet noodig, dat ze weten, dat je zoo een slecht sujet als ik ben, kent ... Beloof je het me?

Frank beloofde het lachend, en het slechte sujet sprak, hem zijne handen reikend:

—Hoe vergoed ik je wat je voor me doet! Wat een geluk, dat ik je ontmoet heb! Je bent de edelste kerel, dien ik ken ...

Frank onttrok zich aan die dankbetuigingen en Bertie bleef alleen, voor de kachel gezeten, stokend tot zijn lichaam geheel en al gloeide, zich roosterend met de voeten op den nikkelen rand. Hij schonk zich nog eens een glas port in en dwong zich aan niets te denken, zich wentelend in het genot zijner luiheid en aandachtig bezag hij zijne gebersten handen, en hij vroeg zich af of ze spoedig genezen zouden zijn.

III.

Eene maand had Bertie op White-Rose doorgebracht en hij was nu nauwelijks te herkennen in den jongen man, die, onberispelijk in zijn fijnen pels, met zijn nieuwmodischen hoogen hoed naast Frank zat in eene open victoria, beiden bedolven onder een zwaren, bonten plaid. Hij bewoog zich thans met groot gemak onder Franks kennissen, gekleed als een dandy, innemend en minzaam, zijn Engelsch lispelend met een gemaakt accent, dat hij voornaam vond. Hij dineerde met Frank iederen dag in Franks club, waarin hij geïntroduceerd was, proefde met het geblazeerdste gezicht ter wereld fazanten en fijnen wijn en rookte havanna's van twee shilling alsof het strootjes waren. Frank had inwendig den grootsten schik in hem en zag hem, met een glimlach vol heimelijk vermaak, kalm zijn gang gaan, pratende met jongelui van de wereld zonder zich een oogenblik uit het veld te laten slaan; en Frank vond die comedie zoo amusant, dat hij hem, overal waar hij kwam, presenteerde.

De winter verzachtte zich tot eene mistige lente, de season kwam en Bertie scheen het zeer aangenaam te vinden afternoon-tea's en at-home's bij te wonen; aan een groot diner tusschen twee paar mooie schouders te flirten, nooit verblind door de tinteling der juweelen en nooit bedwelmd door de tinteling der champagne; in een fauteuil der dress-circle kwijnend achteruit te leunen, terwijl zijn fijn gelaat zeer gedistingeerd rustte op zijn hoogen glanzenden boord, zijn wit boeketje geurde in zijn knoopsgat en zijn binocle tusschen zijne, nu genezen, vingers draaide, als was geene dier dames de moeite waard door hèm betuurd te worden. Frank zelf, uit gebrek aan werkzaamheid, had als iemand, die zijn vermaak neemt, waar hij het vindt, Bertie in dit leven vooruit geduwd, niet alleen om hem te helpen, maar ook voor de pret: een dol amusement, om al die menschen voor den gek te houden! Bertie had vele scrupules en noteerde, in een zakboekje, trouw elke penny, die Frank voor hem uitgaf—in betere tijden zoû hij dat alles teruggeven—en het lijstje bedroeg in die twee weken een paar honderd pond. Ook thuis vond Frank hem een eenig amusement: Bertie, die met een paar lieve woordjes Annie en haar man, Franks oppasser en butler, voor zich had weten te winnen, gooide alle meubels dwars door elkaâr in eene grillige wanorde, kocht beelden, groote palmen en Oostersche stoffen en herschiep de ongezelligheid van vroeger tot een artistiek comfort, dat tot luizijn uitnoodde: een half donker licht, ruime divans; de, met Egyptische pastilles en fijne cigaretten doorgeurde, atmosfeer van een alkoof, waarin alle gedachte wegdommelde en het oog half geloken bleef hangen aan de naakte vormen der beelden, opbronzend onder het groen der planten. Des avonds waren het daar festijnen, orgieën met enkele uitverkoren vrienden en enkele uitverkoren schoonen: twee dames van een skating-rink en eene figurante van een theâter, die met hare vermillioenen lipjes genoeglijk rookten en dronken op Bertie's gezondheid. Frank amuseerde zich als een koning om Bertie, die, in eene diepe minachting voor het vrouwlijk geslacht, ongevoelig voor haar drieër bevalligheden, ze voor den gek hield, ze plaagde, ze tegen elkaar ophitste, tot zij elkaâr bijna de oogen uitkrabden, ze ten slotte champagne goot in heur gedecolleteerde lijfjes.

Neen, nog nooit had Frank zich zoo geamuseerd gedurende zijn lang verblijf te Londen, waar hij als ingenieur zich gevestigd had, om zoogenaamd eene kosmopolitische tint aan zijne kennis te geven.

Hij was in-en ingoed, te doorvoed om veel te denken; hij had van alles genoten en gaf niets om het leven, dat maar eene comedie was, die gemiddeld zes en dertig jaren duurde, volgens de statistiek. Hij maakte enkele pretenties op eene filosofische levensbeschouwing, maar eigenlijk bestond deze in een uit-den-weg ruimen van alles wat niet amusant was. Nu, Bertie wàs amusant, niet alleen om zijne grappen met die vrouwen—wreed spel als van een panter—maar vooral om de klucht, die hij in Franks wereld speelde, dat zich voordoen als een high-lifer: een vagebond, die eene maand geleden in lompen op straat had staan bibberen! Het was een geheim vermaak van elk oogenblik en hij gaf Bertie geheel en al carte blanche om zijne rol vol te houden: eene carte blanche weldra ingevuld door groote rekeningen van tailleurs, want Bertie kleedde zich met geraffineerde ijdelheid, kocht dassen bij dozijnen, nam ieder boordje dat in de mode kwam, nu recht, dan met een puntje zoo, dan met een puntje zus, en wiesch zich met al de watertjes van Rimmel. Het was of hij zich dompelen wilde in al de verfijndheid van een fat, na goor geweest te zijn als een voddenraper. En noteerde hij eerst in zijn zakboekje al deze mirobolante uitgaven, weldra vergat hij een post, daarna nog een en eindelijk, omdat zijn potlood weg was, vergat hij alles!

Zoo verliepen er weken en Frank dacht er niet aan moeite te doen bij zijne invloedrijke kennissen om Bertie aan eene betrekking te helpen. Hun leven van rijk niets doen vulde geheel hunne gedachte, ten minste die van Frank, en het had nieuwe bekoring voor Frank gekregen om Bertie. Toen gebeurde er eensklaps iets zonderlings. Bertie was des morgens alleen uitgegaan en verscheen niet aan het lunch. Wie er des middags in de club was, Bertie niet. Ook niet aan het diner. Des avonds kwam hij niet thuis, hij had ook geen woord achtergelaten. Frank, zeer ongerust, bleef den halven nacht op: niemand. Twee dagen gingen voorbij: niemand. Frank vroeg hier, onderzocht daar, gaf eindelijk bij de politie aan.

Ten laatste, op een morgen,—Frank was nog niet opgestaan—verscheen Bertie voor zijn bed, met een glimlach van verontschuldiging: Frank moest het hem toch niet kwalijk nemen; hij was toch niet ongerust geweest? Zie je, dat leven van altijd zoo netjes te zijn, had hem op eens verveeld. Altijd die mooie dames met slepen en diamanten, en altijd die clubs vol lords en baronets, en dan die skating-rinkjes, die óok al altijd zoo fatsoenlijk waren!... En dan altijd een hooge hoed, en 's avonds altijd een rok met eene bloem! Het was criant! Hij had het niet uitgehouden, hij was er eens van door geweest ...

—Maar waar heb je dan gezeten? vroeg Frank, ontzet van verbazing.

—O, nu eens hier en dan eens daar! Bij oude kennissen. Ik ben niet uit Londen geweest ...

—En je kende hier niemand?

—O jawel, zoo geen fashionable menschen, weet je, zooals jij ... Maar wel zoo ratje-toe ... Je bent toch niet boos op me?

Frank had zich half opgericht om hem op te nemen.

Hij zag er bleek, vermoeid en verwaarloosd uit. Zijne broek was van onderen met eene dikke laag modder bedekt, zijn hoed gedeukt; zijne overjas had een winkelhaak. En hij stond daar schijnbaar verlegen als een jongen, met zijn ondeugenden, inpalmenden glimlach.

—Kom, wees maar niet boos ... Neem je me in genade aan?

Dat was Frank te sterk: hij proestte het uit, uitgelaten dol! Die Bertie, wat een canaille!

—Maar waar heb je dan toch gezeten? vroeg hij nogmaals.

—O nu eens hier, en dan eens daar ...

Verder kwam hij niet; Bertie vertelde niet meer dan hij kwijt wilde zijn. En hij was wat moê, nij ging naar bed. Hij sliep tot drie uur toe. Frank had er den heelen dag pret van, en ook Bertie had later dolle pret, toen hij van de politie hoorde. Des middags, in de club aan tafel, vertelde hij met een treurig gelegenheidsgezicht, dat hij voor een paar dagen uit de stad was geweest, om een sterfgeval. Frank had zijn briefje door een nonchalance van den knecht niet gekregen.

—Maar waar heb je dan toch gezeten?!! fluisterde Frank hem in, onbedwingbaar vroolijk en nieuwsgierig, ten derden male.

—Ach, ik zeg je: nu eens hier en dan eens daar! antwoordde Bertie, met het eenvoudigste gezicht ter wereld en op nieuw netjes, zeer zorgvuldig, de pink in de lucht, slurpte hij zijn zestal oesters naar binnen, zonder een woord meer over de zaak.

IV.

De season ging voorbij en Bertie bleef. Dikwijls sprak hij er over, naar Holland te gaan: hij had in Amsterdam een oom, die makelaar was: misschien, dat oom ... Maar Frank wilde er niets van hooren, en als Bertie gewetenswroegingen had, dat hij zoo klap liep, praatte Frank die weg. Wat kwam er dat op aan; als Bertie fortuin had gehad en hij niet, had Bertie immers ook zoo gehandeld: zij waren immers vrienden! De juiste waardeering der feiten begon voor zijne oogen te schemeren in den, nu vastgestelden loop van hun leven. Franks zedelijk gevoel dommelde in sluimering in de weekheid hunner luxueuze gemakkelijkheid. Wel had Frank nu en dan iets als een vaag vermoeden, dat hij niet rijk genoeg was voor twee, dat hij de laatste maanden viermaal meer verteerd had dan andere seasons, maar hij was te zorgeloos om lang bij zulke bezwaren stil te staan. Daarbij was hij aan Bertie verslaafd geworden als aan opium of morfine. Bertie was hem noodig geworden om te leven; in alles vroeg hij den raad van zijn vriend, in alles liet hij zich door dezen leiden, geheel en al onder de bekoring van het zedelijk overwicht, waarmede dit fijne, tengere mannetje met zijne fulpen kattenzachtheid hem dwong als onder een juk. Nu en dan, weldra bijna geregeld om de veertien dagen, verdween Bertie, bleef vier, vijf dagen weg en kwam op een goeden morgen terug, inpalmend lachend, moê, bleek en verloopen. Het waren misschien geheime uitspattingen, wellicht mysterieuze omdolingen in de vunze krotten der gemeenste buurten van Londen, waarvan Frank nooit het rechte hoorde of begreep: eene verdorvenheid, waartoe Frank te netjes en te fatsoenlijk scheen, om over ingelicht te worden; eene zonde, waarin hij niet mocht deelen en die Bertie, in een verfijnd egoïsme, voor zichzelven hield, als een lekker beetje. Frank gevoelde zich die dagen vol van eene walging des levens, als miste hij den ongezonden prikkel zijns bestaans; zijne eenzaamheid vulde zich met eene grauwe melancholie en ongelukkig tot wanhoop toe, verkwistte hij zijne dagen thuis, ongeschikt tot iets, zich ergerend in zijn doodsch interieur, waar alles,—de val der rijke draperieën, het bronze naakt der beelden, de slordig neêrgesmeten kussens der divans—als een eigenaardigen geur van Bertie had behouden, die hem pijnlijk plaagde. In zulke dagen gevoelde hij de lafheid van zijn leven, de walgelijke onbeduidendheid van zijn zenuwloos leêg bestaan, nutteloos, doelloos, niets! Droevig zoete mijmeringen overstelpten hem, heugenissen uit zijn ouderlijk huis, door het tooverglas der herinnering schemerend als tafereelen van teedere huislijke harmonie, waarin de gestalten van zijn vader en zijne moeder, verheerlijkt in kinderliefde, groot en edel opblonken. Hij verlangde naar iets onzegbaar ideaals, iets reins en zuivers, een groot doel! Hij zoû zich schudden uit zijn zieleslaap, hij zoû Bertie wegzenden.... Maar Bertie kwam terug en Bertie omstrikte hem weêr met zijne fluweelen banden en hij zag het steeds duidelijker in: hij kon niet meer buiten Bertie. Dan zich in een spiegel ziende, groot en stevig gebouwd en gezond, het rijke bloed tintelend onder zijn gelaatskleur, moest hij glimlachen om de dwaze hersenschimmen zijner eenzaamheid en kwamen zij hem van eene ziekelijkheid voor, die niet te rijmen was met zijne sanguinische kracht. Het leven was eene comedie en het beste was zijn leven als eene comedie te spelen, in louter genot der zinnen; verder was er niets de moeite waard ... En toch, soms, na nachten als bacchanaliën, vervulde hem, in de matheid van zijn groot lichaam, eene nijpende mismoedigheid, die met zulke filosofie der lichtzinnigheid niet te bekampen was en Bertie zelf moest zedepreeken: waarom zocht Frank niet eene bezigheid, een werkkring; waarom ging Frank niet een beetje reizen ...

—Waarom ga je niet eens naar Noorwegen? vroeg Bertie, die maar wat opnoemde.

Londen begon Bertie onuitstaanbaar te worden en daar het denkbeeld van reizen Frank toelachte, zoowel om de verandering als om de economie—zij zouden in het buitenland eenvoudiger kunnen leven dan in dit metropolitaansche high-life-gewoel,—dacht hij er eens over na en kwam tot het besluit, dat hij goed zoû doen White-Rose voor onbepaalden tijd aan de zorg van Annie en haren man over te laten en eenige weken in Noorwegen door te brengen. Bertie zoû hem vergezellen.


HOOFDSTUK II.

I.

Na de table-d'hôte in het Brittania-Hotel te Drontheim, gingen de vrienden door de breede, stille straten, met hare lage, houten huizen, de stad uit in de richting van den Gjeitfjeld, toen zij in de voorstad Ihlen een ouden heer inhaalden, die, van een jong meisje vergezeld, blijkbaar dezelfde wandeling meende te maken. Aan de table-d'hôte hadden zij eenige plaatsen van elkaâr afgezeten en daar deze zweem van bekendheid op den eenzamen weg een groet billijkten, namen Frank en Bertie hunne hoeden af. De oude heer, in het Engelsch, vroeg hun haastig of zij den weg wisten naar den Gjeitfjeld: hij was het met zijne dochter, die halsstarrig bij de uitspraak van haar Baedeker bleef, niet eens. Een gesprek vloeide uit dit verschil van meening; de beide jongelui vroegen verlof zich te mogen aansluiten: Frank meende dat Baedeker gelijk had.

—Papa vertrouwt nooit op Baedeker! sprak het jonge meisje met een rustigen glimlach, terwijl zij haar roode deeltje, waarin zij den weg had gezocht, sloot. En papa wil me nooit gelooven, als ik zeg, dat ik er hem wel brengen zal....

—Is u altijd zoo zeker van uw weg? vroeg Frank schertsend.

—Altijd, sprak ze overmoedig, met een helder lachje.

Bertie vroeg naar den duur van de wandeling en wat men er zien zoû; dat eeuwige wandelen van Frank kwam hem zeer vermoeiend voor! Hij had zich gedurende zijn verblijf bij Frank zoo vertroeteld om zijne vorige ellende te vergeten, dat hij nu geen grooter genot kende dan met een cigarette of een glas port op eene bank te liggen, en zich vooràl niet te vermoeien. Maar nu, in den vreemde.... op reis kon men toch niet altijd in zijn hotel blijven soezen; daarbij: van rijden in karriolen werd hij stijf; eigenlijk was het allemachtig dwaas zich zoo noodeloos te verplaatsen, en White-Rose nog zoo kwaad niet! Frank echter genoot volop van de ijle, opstijvende lucht van dien zuiveren zomermiddag en hij dronk den zachten zonneschijn, als waren die gouden wijn, gekoeld door een frisschen bergwind: zijn stap was elastisch, zijne stem vroolijk.

—Is u een Engelschman? vroeg de oude heer.

Frank vertelde, dat zij Hollanders waren, dat zij in Londen woonden en hun gesprek klonk dadelijk in dien gulgauwen toon, dien men tegen medereizigers, als lotgenooten, bezigt, wanneer het weêr helder is en het landschap mooi. Opgewekt hunne bewondering over Noorwegens natuur elkaar mededeelend, gingen zij naast elkander voort: de oude heer kras meêstijgend, het jonge meisje zeer recht, met haar fier figuurtje, dat zich modelleerde in haar eenvoudig, glad, blauw lakensch toilet, waaraan de pelerine, met verschillende neêrslagen, eene pittigheid van sport gaf: iets van een jolig koetsiertje; terwijl het blauw jockeypetje jongensachtig luchtig stond op heur dik opgewrongen, rossig gouden haar. Bertie alleen begreep niet, dat dit alles nu plezier heette, maar hij klaagde niet; hij sprak weinig, het niet noodig oordeelend zich aangenaam te maken bij die menschen, die zij morgen denkelijk al uit het oog zouden verloren hebben. Hij sleepte zich dus meê, verwonderd, dat Frank aanstonds in een levendig gesprek met het jonge meisje was, en eensklaps duidelijk inziende, dat zijne eigene gemakkelijkheid en tact slechts vernis waren, bij Franks innigere beschaving. Hij voelde zich, niettegenstaande zijn fijn gezicht, zijn elegant reiskostuum, op eens zóó de mindere van Frank, dat eene ergernis, zweem van haat, hem doortrilde; en die minderheid niet kunnende uitstaan, voegde hij zich aan de zijde van den ouden heer en dwong zich tot eene respectueuze beminlijkheid. Bij het kronkelen van den, zich versmallenden, weg geraakten zij een weinig achter bij het jonge meisje en Frank, en zij bleven zoo voortklimmen, twee aan twee.

—U woont in Londen? Hoe is uw naam? vroeg het jonge meisje, kalm vrijmoedig.

—Frank Westhove....

—Ik heet Eve Rhodes; mijn vader is Sir Archibald Rhodes van Rhodes-Grove. En uw vriend?

—Hij heet Robert van Maeren.

—Ik hoû meer van den klank van uw naam; ik geloof, dat ik hem op zijn Engelsch kan uitspreken; hoe zei u ook weêr?

Hij herhaalde zijn naam, en zij sprak dien daarna uit, met haar Engelsch mondje. Het was een spel, zij lachten er om: Frànk, Frank Westhove.... Maar zij zagen om.

—Is u moê, papa? riep Eve.

De oude heer werkte zich mopperend met zijne breede schouders de hoogte in; zijn gelaat was rood onder zijn, achterop gezette, geruiten reispet, en hij blies als een triton. Bertie poogde lieftallig te glimlachen, innerlijk in hooge mate woedend over die onzinnige stijgpartij. Het duurde nog een half uur, toen zij op het smalle paadje, dat als een grijze arabesk den berg overkronkelde, bleven stil staan en zich neêrzetten op een rotsblok, om te rusten.

Eve was een en al verrukking. In de diepte rustte Drontheim met zijne houten huizen, omcirkeld door zijn staalkleurigen Nid en zijn fjord, een tooverspiegel, waarop krijtwit, het fort Munkenholm dreef. Op de bergen blauwde het: dichtbij het wazige, donkerviolette blauw van druiven, dan het stoffige blauw van fluweel, verderop het kristallige, doorglanzige blauw van saffier, eindelijk het bleeke hemelblauw van turkoois. Het water was blauw als een blauw zilver, de lucht—blauw als parelen en parelmoêr. De zon scheen overal zacht egaal, zonder gloed en zonder schaduw, recht uit de hoogte.

—Het is bijna Italië! sprak Eve opgetogen. En dit is nu toch Noorwegen! Ik stelde me Noorwegen altijd geheel en al voor, als het Romsdal is, woest met ruwe gebergten als den Romsdalhorn en den Trolltinder en met woedende watervallen als de Sletta-fos, en dit is zoo allerliefst, zoo zacht met al dat blauw! Ik zoû hier op dit punt wel een kasteel willen bouwen en hier blijven wonen, en dan zoû ik mijn kasteel Eve-Bower noemen en een heele boel witte duiven houden; die zouden zoo aardig vliegen in die blauwe lucht....

—Lieve meid! lachte Sir Rhodes. 's Winters zal het hier wel anders zijn.

—Nu goed, anders maar toch mooi. 's Winters hoû ik ook dol van woeste stormen en het fjord hier zoû bruisen, onder aan mijn kasteel en er zouden grijze nevels hangen over die bergen daar! Ik zie het al!

—Kom, je zoû bevriezen! sprak papa nuchter tegen.

—Wel neen, ik zou voor een groot torenraam zitten mijmeren met Dante of met Spencer.... Houdt u van Dante en van Edmund Spencer?

Het laatste was gericht tegen Frank, die beteuterd naar Eve's extaze had geluisterd en die nu wat schrikte; ja, ziet u, Dante kende hij bij naam, maar van dien Spencer had hij zelfs nooit gehoord, nog wel van Herbert....

Wat, kende hij Edmund Spencer niet? Una en de Redcrossknight niet en Britomartisch niet, hoe was het mogelijk?

—Lieve meid, wat dweep je toch met die dwaze allegorieën! sprak papa.

—Ze zijn prachtig, papa! ging Eve beslist voort. En dan, ik laat de allegorie voor wat ze is en bewonder alleen de poëzie er van.

—Opgesmukte taal ... je verdrinkt onder de beelden.

—Dat is de kleur van de Renaissance, wierp Eve tegen. In Elizabeths tijd spraken ze allemaal aan het hof zoo precieus ... En Spencers beelden zijn prachtig, ze schitteren als juweelen ...

Bertie meende, dat het gesprek zeer geleerd werd, maar hield zijne gedachte voor zich en zeide iets, over de Hel van Dante. Zij waren uitgerust en gingen nu verder, den berg op.

—Mijne dochter is zoo half en half eene esthetische, sprak de oude heer schertsend tot Frank.

Eve lachte heel helder.

—Ach, het is niet waar, papa. Geloof het toch niet, mr ... mr. Westhòve, weet u, hoe papa daaraan komt? Een paar jaar geleden, toen ik pas van kostschool kwam, ben ik met een paar vriendinnen heel dwaas geweest, een tijdje lang. We friseerden ons haar tot ragebollen, kleedden ons in slappe gewaden van damast en brokaat met kolossale pofmouwen en zaten bij elkaar dwaasheden te debiteeren over kunst. We hielden dan eene zonnebloem of een pauweveêr heel gracieus in onze blanke vingertjes en waren allerdolst ... Daarom zegt papa dat. Maar nu ben ik heusch zoo dwaas niet meer: ik hoû alleen veel van lezen en is dat nu zoo "esthetisch"?

En glimlachend zag zij Frank met hare vrijmoedige, heldergrijze oogen aan en haar flink, beslist stemmetje klonk als eene apologie, als vroeg zij vergeving voor hare geleerdheid van zooeven. Hij begreep er uit, dat er niets van eene blauwkous in haar stak, al scheen dit ook om hare deftigheid van zooeven, en hij was zeer verstoord op zichzelven, dat hij had moeten bekennen niets van Spencer te weten; wat zou zij hem dom vinden!

Maar het was een oogenblik, waarop de bekoorlijkheid hunner omgeving hen zoo omtooverde, alsof zij zich in een magnetischen cirkel van sympathie bewogen, waarin vreemde wetten die der gewone natuur overheerschten, iets electrisch snels en etherisch luchtigs ...

Bij het bestijgen van het kronkelend bergpad, bij het zich doortocht banen tusschen de lage kreupelsparren, waarvan het loover in de zon glinsterde als verlakte, groene naalden; bij het inademen dier ijle, bedwelmende lucht, droomde Frank zich, dat hij haar lang kende, dat hij járen geleden haar voor het eerst aan een table-d'hôte gezien had, te Drontheim ... Sir Archibald en Bertie, achter hem, waren ver weg, op mijlen afstands, louter herinnering ... Eve's stem huwde zich aan de zijne in eene harmonie van klank, als ware hun telkens hortend gesprek over wat kunst en letterkunde een tweestemmig lied, dat zij beiden zuiver zongen, en Frank erkende vrijmoedig, dat hij weinig las en, wat hij gelezen had, zich nauwlijks heugde. Zij beknorde hem schertsend en haar helder klinkend geluid verschrikte telkens een vogel, die uit het hout wegwiekte. Hij voelde iets in zich vernieuwen en gezond worden, en hij had zijne armen willen openbreiden om de lucht te omhelzen!

II.

Dien avond, teruggekomen van hunne wandeling, na het souper, onder een kop koffie, in den tuin van het hôtel, bespraken zij hunne reisplannen.

—Wij gaan naar Molde! zeide Sir Archibald.

—O, wij ook! sprak Frank.

De oude heer hoopte, dat de jongelui zijne dochter en hem verder zouden gezelschap houden. Frank viel zeer in zijn smaak en ook Bertie vond hij gentlemanlike en onderhoudend: Bertie had veel van Amerika verteld, want hij verheelde niet zijn farmersleven in the Far West, hoewel hij het een weinig idealizeerde en steeds van "zijn farm" sprak. Frank logenstrafte hem nooit.

Nog twee dagen te Drontheim en zij waren geheel en al goede vrienden, met die vertrouwlijke intimiteit, welke op reis, vrij van etiquette, soms met een tooverslag ontstaat; zonder eenige kennis van elkanders karakter, slechts ontspruitend uit een klein beetje onderlinge sympathie en wat toeschietelijkheid: een oppervlakkig gevoel van tijdelijke bekoring, die de leêgte om een reiziger vult. De dag op zee met den stoomer naar Molde was als een pleiziertochtje, niettegenstaande den regen, die hen van boven wegjoeg en, onder een glas champagne, Eve met hare drie heeren in de kajuit een whistje deed slaan.

Maar daarna, in wat doorbrekend, bleek licht, de eindelooze wandeling op het natte dek, steeds op en neêr. De lage rotsen trokken aan weêrszijden langzaam voorbij, telkens van lijnen veranderend, nu op elkaâr sluitend, dan zich openend, mossig bruin dichtbij en verderop zich vergrijzend met flets-roze en flauw-paarse tintspelingen. Na Christiansand weken ze en de, nu hooger op dansende oceaan bloedde in eene glorie der zinkende zon, rood en kogelrond aan de kim. Iedere golf had daar een kam van rood schuim, als stond er de zee in een brand van rood. Terwijl zij wandelden, op en neêr, lachten Frank en Eve om hunne roode gezichten, twee pioenen gelijk, twee vroolijke maskers, gefardeerd met dat rood van de zon, als grimassen van clowns.

In den nacht kwamen zij te Molde aan en zij zagen het niet, het mooie fjord. Maar den volgenden morgen, daar lag het vóór hen, lang en rank, met een snoer van, aan de toppen besneeuwde, bergen: een gedicht van bergen, een zang van bergen, rein, edel, mooi, streng, verheven, zonder eenig schril effect. De lucht er boven was stil grijs, als een kalme weemoed, en de rust van geheel die atmosfeer klonk als een emotieloos andante.

III.

Toen de oude heer den volgenden morgen eene wandeling naar Moldehoï voorstelde, beweerde Bertie wat moê te zijn en zich niet wel te voelen en vroeg vergunning thuis te blijven. De waarheid was, dat het weêr hem niet uitlokkend scheen; dat boven den bergenkrans, die het fjord afsloot, zwaar grauwe wolken dreven, als laag neêrhangende draperieën van regen, die weldra dreigden geheel uit hunne donkere plooien te zullen vallen. Eve wilde zich echter niet laten afschrikken door die booze luchten; als men op reis was, moest men zich niet door een buitje van streek laten brengen. Zij gingen dus met hun drieën op weg, terwijl Bertie op zijne verlakte muiltjes in het salon van het Grand-Hôtel bleef, met een boek en een borrel.

De weg was modderig, maar zij stapten dapper voort in hunne mackintoshes en hunne stevige laarzen. En de regen, die fronsend boven hunne hoofden bleef hangen, ontmoedigde hen niet, maar gaf integendeel een zweem van romantisch gevaar aan hun tocht, als dreigden zij te zullen vergaan in een naderenden zondvloed. Eenmaal van den grooten weg af en langzaam stijgende, verloren zij dikwijls het pad, dat in plassen moeras wegzonk, of onder, nog van regen druipende, varens en dwars door eene woekering van blauwe boschbessen schuil ging. De modder stapten zij op rotsblok na rotsblok over, de oude heer zonder hulp, maar Eve met hare hand in die van Frank, vreezende voor het uitglijden harer natte zolen op het gladde, geelgroene mos. Zij lachte helder, trippelend van steen op steen, steeds aan zijne hand, soms eensklaps uitglippend en tegen zijn schouder aanvallend, en daarna weêr moedig voortgaande, met zijn dikken stok de steenen verkennend. Het scheen haar toe, dat zij niet voorzichtig behoefde te zijn, nu hij haar steunde, dat hij haar zoû ophouden als ze viel, en ze praatte levendig door, overmoedig bijna springend van blok op blok.

—Wat is uw vriend toch voor een man, mr. Westhove? vroeg Eve plotseling. Frank schrikte een weinig; inlichtingen omtrent Bertie te geven was hem steeds eene zeer onaangename taak, minder om het verleden van zijn vriend dan wel om diens heden: zijn rustig klaploopen op hem, Frank, die, al was hij ook verslaafd aan zijn Bertie, toch wist, dat dit nu eenmaal in de oogen der wereld iets.... vreemds was.

—O, hij is iemand, die veel verdriet heeft gehad, sprak hij vaag en ontwijkend, en hij vervolgde:

—Heeft hij een aangenamen indruk op u gemaakt?

Eve lachte even omdat zij bijna voorover in een plas vette modder ware gevallen, zoo Frank zijn arm niet in eens stevig om haar middel had geslagen....

—Eve, Eve! riep Sir Archibald, hoofdschuddend. Wees toch wat voorzichtig!

Maar Eve herstelde zich reeds, met een licht blosje.

—Ja, wat zal ik u zeggen, ging ze door, hun gesprek vervolgend. Als ik u geheel en al de waarheid moest zeggen....

—Natuurlijk!

—Ja wel, maar dan zoû u misschien boos worden. Want ik zie wel, dat u dol is op uw vriend.

—Houdt u dan niet van hem?

—Wel, als u het dan weten wilt: den eersten dag, dat ik hem leerde kennen, vond ik hem onuitstaanbaar. Met u schoten we dadelijk aangenaam op, als met een prettigen reiskameraad, maar met hem.... hij heeft misschien niet veel gereisd?

—O, ja wel! sprak Frank, die moest glimlachen.

—Nu, misschien was hij dan verlegen of linksch. Maar later ben ik wel anders gaan denken en nu vind ik hem niet meer onuitstaanbaar....

Het was vreemd, maar Frank gevoelde weinig blijdschap over die verandering van gevoelens en hij bleef zwijgen.

—U zei, dat hij veel verdriet heeft gehad? Nu, dat kan men hem ook wel aanzien. En dan heeft hij zoo iets zachts, iets teeders zoû ik bijna zeggen, zulke zachte, zwarte oogen en zoo een lieve stem. Ziet u, dat alles vond ik eerst onuitstaanbaar, maar nu vind ik er zoo iets poëtisch in. Hij moet zeker dichter zijn en eene ongelukkige liefde gehad hebben; hij kàn geen banaal mensch zijn.

—Neen, dat is hij ook niet! sprak Frank vaag, in eene lichte malaise over Eve's extaze, en eene mengeling van jaloezie en treurigheid; iets als een afkeer van den schijn der wereld en een doffe ijverzucht op dit zacht-poëtische, dat Eve in zijn vriend vond, doorsidderde hem als eene huivering. Zijn blik zag even bijna week op naar het mooie jonge meisje, dat soms zoo verstandig, soms zoo naïef was; geleerd, waar het hare lievelingsliteratuur, onwetend waar het het reëele leven betrof; een dof medelijden kwam over hem en de grauwe regenwolken daarboven drukten eensklaps met een uitspansel van melancholie op zijn hoofd, als waren zij de bedreiging van een onafwendbaar noodlot, dat haar, Eve, zoû verpletteren. Onwillekeurig klemden zijne vingers zich vaster om haar hand.

—Hier is het pad weêr! riep de oude heer, een twintig passen voor hen uit.

—O ja, daar is weêr het pad! Dank u, mr. Westhove, sprak Eve, en zij sprong van het laatste steenblok af, doorwaadde de knakkende varens en bereikte den weg.

—En daarboven is de hut met den weêrhaan! vervolgde Sir Archibald. Ik geloof, dat we een omweg hebben gemaakt. Jullie kakelen ook maar in plaats van eens naar het pad te kijken. Je begrijpt, mijn oude oogen ...

—Maar de tocht over die steenen was heel jolig! lachte Eve.

In de verte, boven hen, zagen zij de hut en den langen stok van den weêrhaan en zij gingen nu gemakkelijker voort; hunne voeten verzonken in de bloeiende erica, druipend paars en roze, in de boschbessen, wazig blauw als heele kleine druifjes. Eve bukte zich en plukte.

—O, wat zijn ze zoet! sprak ze met eene kinderlijke verrassing en ze snoepte er van, terwijl hare lippen en hare handen zich blauw vlakten met het sap des besjes. Proef eens, mr. Westhove.

Hij proefde ze uit hare kleine, zachte hand, nu bezoedeld als met een violet bloed. Het was waar, ze waren heerlijk zoet en zoo groot! En nu gingen zij voort, achter Sir Archibald, steeds bukkende, juichend als kinderen wanneer ze een heel veldje gevonden hadden, waarop de bessen onbezoedeld pronkten als wazige kraaltjes.

—Papa, papa! Proef toch eens! riep Eve opgetogen en verontwaardigd, dat papa maar doorliep, maar Sir Archibald was reeds ver uit het gezicht, zoodat ze moesten rennen om hem in te halen. Eve schaterend als een schelletje en het betreurend, dat ze er zooveel moesten laten staan, zulke heerlijke groote!

—Misschien zijn er wel veel bij de hut! troostte Frank.

—Zoû u denken? riep Eve en helder op lachend:

—O, wat zijn we toch kinderen! Wat zijn we toch kinderen!

De weg was breeder geworden, zij stegen dus gemakkelijker de hoogte op, dikwijls de kronkeling van het pad verlatend en de rotsen opklauterend om er gauwer te zijn. Eensklaps hoorden zij een luid geroep, en zij zagen naar boven en bespeurden Sir Archibald staande op de steenmassa, waarin de weêrhaan geplant was en wuivende met zijne reispet. Zij repten zich en weldra hadden ook zij de hut bereikt. Eve bonsde op de gesloten deur.

—De hut is gesloten! riep Sir Archibald.

—Hoe dwaas! sprak Eve. Waarom staat ze er dan, als ze gesloten is! En woont er niemand in?

—Wel neen, niemand! sprak Sir Archibald, alsof dit de natuurlijkste zaak ter wereld was.

Maar Frank hielp Eve de steenen rondom den weêrhaan beklimmen en zij zagen nu uit, naar het panorama beneden hen.

—Het is mooi, maar treurig! sprak Eve.

Het lange fjord lag recht voor hen, als een ranke reep wazig stil water, omketend door zijne, in regenmist weggrijzende, bergen. In dien mist waren zij als doorschijnend, schimmen van bergen gelijk, vaag van lijn, Lauparen en Vengetinder, Troltinder en Romsdalhorn, hoog optreurend in de nijdig fronsende lucht, die, door stortregen opgezwollen, vuilzwarte wolken langs hunne koppen voortslierde en in het zwijgende water eene donkere schaduw neêrsloeg. En de bergen weenden, als ijle roerlooze spoken, somber droevig en tragisch onder eene ontzachelijke, bovenmenschelijke smart: een leed van reuzen en azen; het fjord, met zijn stadje,—wat groezelige vlakjes van dakjes en huizen, en het vaalwitte châlet van het Grand-Hôtel—het weende, roerloos onder de zwarte afspiegeling van de lucht: eene spectrale kilheid rees uit de kom van het fjord op naar die drie menschen in de hoogte, niets, verloren in het tastbare waas van den nevel, die zwaar op hunne oogleden zonk. De regen viel niet neêr, maar scheen slechts als vocht af te sijpelen uit het zwarte floers der wolken, die nog niet scheurden en in het westen tusschen twee bergen, die zich openden om een streepje van den oceaan te laten doorschemeren, trilde iets bleekgouds en vaalrozigs, nauwelijks een paar lijntjes roze en een tikje goud: de aalmoes van een zonsondergang....

Zij wisselden nauwelijks één woord, gedrukt door die bovenmenschelijke treurigheid, die als mist om hen heen weende. Toen Eve eindelijk sprak, scheen haar anders zoo helder geluid als van verre te komen, door een gaas.

—Kijk, daar is een beetje zon, over de zee ... Men smacht hier naar de zon ... O, ik woû, dat de zon even doorbrak ... Het is hier zoo treurig, zoo treurig!.... Wat kan ik me goed Oswalds klacht begrijpen in "Gespenster", als hij krankzinnig wordt: De zon! De zon! Men zoû hier bidden om wat zon en men krijgt niets dan dat glansje daar in de verte.... O, ik ril!

Zij huiverde werkelijk in de stijve, satijnige plooien gutta-percha van haar regenmantel; heur gelaat was lang en bleek en hare oogen groot en verlangend. En zij voelde zich eensklaps zoo verlaten in geheel hare ziel, dat zij instinctmatig den arm van haar vader greep, in eene behoefte om zich te dringen aan zijne borst.

—Ben je koud, kind? Willen we weggaan? vroeg Sir Archibald.

Zij knikte en zij hielpen beiden haar afstijgen van de steenen. Zij wist niet waarom, maar zij dacht eensklaps aan hare doode moeder en of die ook wel eens zich zoo verlaten gevoeld had als zij, trots de genegenheid van haar vader. Maar toen zij de hut weêr in het oog kreeg, sprak zij in eens, als met een inval:

—Papa, er zijn daar namen gesneden in die deur. Laten wij de onze er ook in snijden.

—Maar kind, je hebt het koud en je ziet bleek ...

—Ach neen, toe, laten we onze namen er in snijden. Ik wil het! pruilde zij dringend, als een bedorven kind.

—Wel neen, Eve, gekheid.

—Ach ik wil het! smeekte zij.

De oude heer gaf echter niet toe, mopperend, maar Frank haalde zijn zakmes te voorschijn.

—Mr. Westhove, snijd u dan mijn naam er ook in, alleen: Eve! Het zijn maar drie letters. Wilt u? vroeg zij zacht.

Frank had op de lippen te zeggen, dat hij haar naam zelfs zoû willen snijden, al ware die ook nog zoo lang, maar hij zweeg: het had als eene banaliteit geklonken, te midden van die treurende natuur.

En hij korf zijne letters in die deur, die was als een vreemdelingenboek. Eve stond stil te turen naar het westen, en ze zag, dat de drie lijntjes goud verbleekten en het roze wegsleet.

—De zon, de zon! murmelde zij onhoorbaar, rillend, met een bleek lachje om hare lippen en een vochten blik.

Er vielen zware droppels regen. Sir Archibald vroeg of zij kwamen en ging reeds vooruit.

Eve knikte hem droef glimlachend met hare wimpers toe en naderde Frank.

—Is u klaar, mr. Westhove?

—Ja, sprak Frank en korf nog haastig zijne laatste letters.

Zij zag toe en bespeurde, dat hij voor haar gesneden had: Eve Rhodes, met zeer nette, gelijke, glad uitgeschaafde karakters. Daaronder stond: Frank—grof en ruw gehouwen in de haast.

—Waarom heeft u Rhodes er bij gesneden? vroeg ze en hare stem klonk zeer gedempt, zeer van verre.

—Omdat dat langer was, antwoordde Frank eenvoudig.

IV.

Ze waren in een slagregen, een zondvloed, uit al de urnen des hemels neêrgekletst, teruggekomen, in het Grand-Hôtel, beslikt tot hunne middels, nat tot op de huid en koud tot op het gebeente. Eve was, na een warm souper, door papa naar bed verbannen, en zij zaten met hun drieën, Sir Archibald, Frank en Bertie in het salon, waar nog enkele gasten, mistroostig over het slechte weêr, zich verveelden met eene illustratie of een album. De oude heer deed een flinken dut in een gemakkelijken stoel en Frank keek aandachtig naar de rechte stralen van den regen, die als een eindeloos gordijn van dikke stalen kralen op het fjord afkletterden; Bertie nipte aan een warmen grog en bekeek zijne verlakte muiltjes.

—En heb je me niet gemist op de wandeling? vroeg hij aan Frank, met een glimlach, om toch de vervelende stilte in het salon te verbreken.

Frank zag hem verwonderd aan, als wakende uit een droom, en oprecht lachend sprak hij kort:

—Neen....

Bertie bleef hem aanturen; maar hij, hij had den blik reeds afgewend, verloren in zijne aandacht op het kletteren van den regen en eindelijk nam Bertie zijn open boek weêr op en poogde te lezen. Maar de letters liepen dronken voor zijne oogen, en zijne gehoorzenuwen trilden nog onaangenaam onder den weêrklank van dat enkele korte, verwonderde woord, dat Frank in de stilte van het vertrek had doen vallen als een plomp stuk lood; het hinderde hem, dat Frank geen aandacht meer aan hem wijdde.

Frank bleef uitstaren naar de bergen, nauwlijks zichtbaar achter het neêrkletsend regengordijn, en hij zag den terugtocht van Moldehoï opnieuw voor zich: den dalenden weg met hooge, druipende varens, den slagregen, striemend in hun gelaat als met watergeesels; Eve, omplakt in haren natten mackintosh, aan zijn arm, zich tegen hem dringend als zoekend naar bescherming; de oude heer achter hen, voorzichtig met zijn stok het gladde, mossige pad betastend. Frank had haar zijne eigene dikke regenjas willen omslaan, maar zij had dit beslist geweigerd: ze wilde niet, dat hij ziek zoû worden om haar, had ze gezegd, met die stem, die van verre scheen te komen. En toen, thuis, na zich verkleed te hebben, hun souper, hun lachen over dien tocht, de angst van Sir Archibald, dat Eve ziek zoû worden ... Hij herinnerde zich ook nog een stukje van hun gesprek: zijne vraag, ondanks hemzelven een beetje verwonderd:

—Heeft u Ibsens Gespenster gelezen: u sprak immers op Moldehoï van Oswald?

Hijzelf ook kende Gespenster toevallig, hij vond het geen boek voor een jong meisje en zij had zijne verwondering bemerkt; zij had zeer gebloosd bij haar antwoord:

—Ja, ik heb het gelezen ... ik lees veel en papa heeft me een beetje liberaal opgevoed: vind u, dat ik Gespenster niet had mogen lezen?

Zij had er geen kwaad in gezien, misschien had zij niet alles begrepen, was verder haar eerlijke biecht geweest. Hij had haar niet durven zeggen, hoe hij vond, dat de kennis van zulk een drama van hereditaire fiziologie onnoodig was voor een jong meisje; hij had slechts vaag geantwoord en toen had zij sterker en sterker gebloosd en was zelfs stil geworden.

—Ze zal me als een schoolmeester hebben gevonden, dacht hij ontevreden. Waarom mag ze niet lezen wat ze wil: ze heeft mijne permissie niet noodig voor haar lectuur, ze is ontwikkeld genoeg ... Ze zal me geweldig pedant hebben gevonden.

—Frank! vroeg Bertie op eens.

—Wat? antwoordde Frank verschrikt.

—We gaan morgen weg van hier, nietwaar?

—Ja, dat was ons plan, ten minste als het weêr beter wordt.

—Hoe heet die barbaarsche plaats, waar we naar toe gaan?

—Veblungsnaes; van daar gaan we door het Romsdal en het Gudbrandsdal.

—En de Rhodes'?

—Ze gaan naar Bergen ...

—Ook morgen?

—Ik weet het niet ...

En hij verzonk weêr in zijn stilzwijgen, terwijl de natgrijze lucht daarbuiten eene schemering van melancholie naar binnen wierp, terwijl ook melancholie diep in zijne ziel viel ... Waartoe genegenheid te koesteren als men scheiden moest na enkele dagen van sympathiek samenzijn! Het was zoo op reis met lieve reisgenooten; was het ook niet zoo in het leven met alles wat men liefhad, was het wel de moeite waard iets lief te hebben en was alle liefde niet éen groot zelfbedrog, waarmeê men zich verblindde in de walging der wereld ...


HOOFDSTUK III.

I.

December in Londen, een koude mist. Een wit waas om White-Rose, in de achterkamer een groot vuur. Maar Bertie was in geen stemming om van dat bien-être, waaraan hij reeds gewend was, te genieten; hij beschouwde het daarenboven als iets geheel en al natuurlijks, dat hem, van rechtswege, toekwam, omdat hij een fijn gestel had, klein en tenger was, en zich niet geboren voelde om ellende te lijden. En toch had hij ellende gekend: de slavernij van dienstbare betrekkingen, waaronder hij met eene serviele en kruipende diplomatie had weten te buigen; toch wist hij van de nijping van honger, de goorheid van vunze armoede ... Wat scheen dat alles lang geleden, vaag als een droom, als de lijnen van dat Londensche tuingezicht daar buiten, afgestompt in de bleeke vaalte der nevels, o vaag als een onduidelijk vermoeden van een voorbestaan! Want hij had na zijne metamorfoze willen vergeten, hij had zich gedwongen te vergeten, geen seconde aan een verleden, ook niet aan eene toekomst te denken; hij haatte zijn verleden als eene onrechtvaardigheid, als eene schande, als eene onuitwischbare vlak op de uiterlijke onberispelijkheid van zijn heden: iets, dat steeds verborgen, begraven, brutaal ontkend moest worden, tot hijzelf gelooven zoû, dat het niet bestaan had. En hoe was hij voor zich geslaagd in deze vernietiging zijner Amerikaansche jaren, die uitgewischt schenen in de annalen zijner herinnering!

Waarom moesten die jaren dan nu, langzaam, als spoken, voor zijn geest oprijzen uit het graf hunner vergetelheid? Waarom kregen zij, eerst spoken! al meer en meer omtrek, tot zij, duidelijk van lijn, helder gekleurd dag aan dag, maand aan maand schakelend, opwarrelden in de vlam van het vuur, waarin hij moedeloos staarde, een doodendans van jaren gelijk, die hem aangrijnsden als met doodskoppen, met holle oogen en bleeke tronies, verwrongen door een sluw gemeenen grimlach; jaren, die hem toewuifden met vuile lompen en zijn reuk ontzenuwden met een goren stank? Hij zag die jaren, hij rook ze, hij rilde van hunne koude, daar in den gloed van dat vuur; hij voelde hun honger, trots het souper, dat hem wachtte.... Waarom? O, was het, omdat de toekomst, die hij eveneens ontkende, thans begon te dreigen als een onheil, dat iederen dag, ieder uur, nader en nader kwam, onafwijsbaar, onafwendbaar, en omdat die toekomst wellicht zoû zijn, als dat verleden?

Ja, er dreigde iets. En hij bleef daar zitten, ziek van angst, làf, zonder geestkracht, zonder moed.... Er dreigde iets en hij voelde het naderen, hem overvallen, met hem strijden op leven en dood, in eene overspanning van wanhoop: hij voelde zich wankelen, nederzinken, hij voelde zich gerukt worden uit de fluweelen zachtheid van zijn leven, neergesmakt worden op straat, zonder dak, zonder iets ... Wat behoorde hem toe! Het linnen aan zijn lichaam, de schoenen aan zijne voeten, de ring aan zijn vinger, het was van Frank. Het souper daarginds, zijn bed boven, het was van Frank. Zoo was het geweest een vol jaar lang en als hij ooit weg zoû moeten gaan met alleen het zijne, dan zou hij moeten gaan ... naakt, in den winter. En hij kón niet meer zijn, als hij geweest was in Amerika, dienstbaar scharrelend van den eenen dag op den anderen. Zijn lijf en zijne ziel waren beide als geweekt in een bad van lauwe weelde; hij was geworden als eene kasplant, die, gewend aan de vochte warmte der serres, vreest in de open lucht te worden gezet. Want het dreigde, gruwzaam, onbarmhartig: geen seconde was die bedreiging van hem af, en, in de lafheid zijner verweeking, wrong hij er zachtjes zijne witte handen om, en drupten er twee tranen langs zijn strak masker van wanhoop.

Te strijden voor zijn bestaan! Hij kon het niet meer; zijne energie was er te zwak voor: eene zwakte, die hij over zich had voelen komen als een wellust, na zijn getob met het leven, en die hem nu onmachtig maakte, zich tot een zweem van geestkracht in te spannen! En vóór zich zag hij de noodlottige keten der, soms oneindig-kleine, gebeurtenisjes zich opnieuw ontrollen, ieder gebeurtenisje een vreeslijke schakel, soms leidend tot catastrofes! Hoe ontzettend, dat het eene steeds voortvloeide uit het andere, de toekomst werd uit het verleden!... Als zijn vader, na het mislukken zijner indolente studies te Leiden, hem niet in een administratief betrekkinkje naar eene fabriek te Manchester verbannen had, dan had hij denkelijk nooit sommige jongelui leeren kennen, zijne medeklerken aldaar, fashionable boeven en gevaarlijke strijders voor het leven, nog halve knapen en reeds rot van eene verdorven jeugd ... Als hij ze niet gekend had—en hoe gemakkelijk hadden ze, zijne aangeboren neigingen slechts te gemoet komend, hem medegesleept!—dan had hij misschien toch niet zóó lichtschuwe geldknoeierijen bij zijne fabriek bedreven, dat zijn patroon, uit medelijden en vriendschap voor zijn vader, hem naar Amerika geholpen had ...

Daar was hij het diepst gezonken, ondergegaan in het schuim van spartelende gelukzoekers ... O, ware hij niet in Amerika verongelukt, hij zoû niet, in de grootste ellende te Londen gestrand, Franks hulp hebben ingeroepen. En Frank ... Frank ware zonder zijn drijven niet naar Noorwegen gereisd, had zonder hem dus Eve niet ontmoet. O, die reis naar Noorwegen, hij vloekte ze nu, want zonder Noorwegen ware Frank misschien nooit verliefd geworden en had Frank wellicht nooit gedacht aan trouwen! En nu ... Frank was gisteren naar de woning van Sir Archibald gegaan, waar de jongelui na hunne Noorweegsche ontmoeting veel waren gekomen, en Frank was teruggekomen als de aanstaande van Eve! Frank zoû trouwen en ... hij, Bertie? Waar zoû hij blijven, wat zoû er van hem worden?

Zwaar gevoelde hij de noodlottigheid van het leven, en de onrechtvaardigheid der levensaaneenschakelingen en hij zag in, dat hij zijn eigen ongeluk had opgeroepen door slechts een enkel woord ... Een enkel woord: Noorwegen! Noorwegen, Eve, Franks liefde, Franks aanstaand huwelijk, zijn eigen ondergang ... hoe hatelijk duidelijk zag hij die enkele schakelen zijner levensketen in elkaâr geklonken! Eén woord, uit eene domme intuïtie geuit: Noorwegen: en hij bewerkte onherroepelijk het geluk van twee anderen, ten koste van zichzelven! Onrechtvaardigheid, onrechtvaardigheid!

En hij vloekte de intuïtie, die geheime domme kracht, waarvan een beetje is in ieder woord, dat wij uiten, en hij vloekte dit: dat ieder woord, iedere klank der menschelijke stem, niet overlegd kan zijn. Wat was het toch, intuïtie? Iets stom en goedigs, een soort zinneloos beter ik, zooals de menschen zeggen, dat, diep verborgen, in het geheim, maar voortholt als een dol veulen, dwars door de fijnste verwikkelingen der spinnende gedachte heen! O, had hij maar gezwegen van Noorwegen! Wat gaf hij om dat eene, noodlottige, land boven alle andere landen? Waarom niet Spanje, Rusland, Japan, mijn God, Kamschatka, voor zijn part; waarom juist Noorwegen!! Domme intuïtie, die zijne vervloekte lippen verlokten te zeggen: Noorwegen, en onrechtvaardigheid van het lot, het leven, van alles!!

Energie? Wil? Was dáár tegen te willen en energiek te zijn? Woorden, niets dan woorden! Hurk fatalistisch neêr als een Arabier, en laat dag volgen op dag; denk niet na, want onder de gedachte loert ... de intuïtie! Vechten? Tegen het lot, dat zijne kettingen blind in elkaâr voegt, schakel aan schakel?

Hij wierp zich woest achteruit in zijn stoel en steeds wrong hij zachtjes zijne handen, steeds drupten twee tranen van zijn oog. En hij zag zijne lafheid voor zich staan, hij staarde zijne lafheid in de bange oogen, zonder haar te veroordeelen. Want hij was zooals hij wàs, hij was laf en kon zich niet veranderen! De menschen noemden iemand, die was als hij: laf; dat was een woord! Waarom was laf: slecht; eerlijk en moedig: goed en mooi? Alles conventie, overeengekomen begrippen, zooals de geheele wereld éen conventie, éen hersenschim was. Er was niets, niets!

Maar er was toch iets: ellende, armoede! Hij had die gevoeld, met ze gevochten, lijf aan lijf, en hij was daar nu te zwak voor, te teêr, te fijn! Hij wilde niet!

Toen, achteruit geleund, het bleeke hoofd rustend op den fluweelen rug van den fauteuil, zijne diepe, zwarte oogen troebel van het gift der gedachten, voelde hij door zijne zwakte een zachten, gelijkmatigen, electrischen stroom gaan, een stroom van wil. Het noodlot had gewild, dat hij Eve en Frank samen zoû brengen; welnu, hij, armzalige speelbal van dat lot, hij zoû willen, dat ...

Ja, hij zoû willen, dat ze gescheiden wierden.

Het rees daar vast voor zijn blik, dat voornemen, ijzig en streng, een boos beeld van satanische slechtheid gelijk, dat raadselachtig voor hem staan bleef. En het zag hem aan met oogen als van eene sibylle, als van een sfinx, en rondom de reusachtige boosheid van het beeld, zonken zijne vorige overmijmeringen weg in een afgrond: de doodendans der jaren, de aaneenschakeling der noodlottigheden en zijne vervloekingen tegen dat alles.... Het verzonk en alleen het beeld bleef, als een spook, bijna tastbaar en bijna zichtbaar opdoemend tegen den zwijmenden gloed van het stervende vuur in de duisterende kamer. En de somber vragende blik van het beeld hypnotiseerde hem en zijn instinct sluimerde onder het verpletterende gewicht er van in ... Vriendschap? Dankbaarheid? Woorden!

Er was niets dan conventie en ... armoede. En dan—was er dat beeld, dáár, vóór het vuur, vóór zijne vergroote, starre pupillen, versteend, tot een opdoemsel van zwijgend, aanstarend en helsch magnetisme.

II.

Dien nacht,—hij zag Frank niet meer, want Frank was blijven dineeren bij de Rhodes'—sliep hij niet in, opgezweept door de wildste gedachten. Romantische voornemens zwierden door zijne koortsachtige verbeelding heen, zonderlinge stemmen gonsden aan zijne ooren, die suisden als schelpen der zee ... En hij zag zichzelven met Eve, zittende in eene cab: zij reden door de somberste en smerigste van Londens achterbuurten; havelooze gestalten rezen rondom hen op, Eve naderend, en hijzelf lachte, nu hij haar zag meêgesleurd worden door mannen met dierlijke gezichten, en hij zag haar terugkeeren, snikkende met flarden van kleêren en onteerd.... Een zware hoofdpijn begon te hameren in zijne hersens en hij kreunde, in eene moeilijke poging om de woeste overdrijvingen zijner fantazie te breidelen; hij stond op, over zijne oogen wrijvend als om het gezicht van dat melodrama te verdrijven en hij bette zijn gloeiend hoofd in een druipend natten handdoek. Onwillekeurig zag hij in den spiegel en zijn gelaat, in het glas flauw verlicht door het nachtlichtje, staarde hem doodsbleek toe, lang en uitgetrokken, met groote donkere gaten van oogen en een open mond. Zijn hart klopte, als wrong het zich naar zijne keel op en hij drukte het zwaar met beide handen neêr.... Toen een glas water en hij legde zich weêr neêr, zich dwingende tot kalmte. Fijnere overleggingen sponnen nu als draden door zijn geest, die draden hechtend van punt tot punt; weefsels knoopten er hunne mazen samen als een onontrafelbaar kantwerk; en zijne fantazie stapelde de peripetieën van moeilijke intriges op elkaâr, als ware hij een dichter geweest, die in een slapeloozen nacht van hersenhelderheid een drama opbouwt, nooit tevreden met zijne samenstelling telkens weêr overwerkt om eene vaste conceptie in zijne gedachte te hebben, voor hij schrijven gaat. Nu zag hij de orgies van vroeger zich herhalen, beneden, in de groote achterkamer; hij zag de skatingrinkjes en Frank en hijzelf wierpen weêr champagne in hunne lijfjes, en zij lachten en zongen. Maar de deur ging plotseling open en Sir Archibald verscheen met Eve, hangende aan zijn arm; Sir Archibald vloekte met groote woorden en breede gebaren tegen Frank, die het hoofd boog; en Eve wierp zich tusschen hen in, op de knieën, met smartelijke woorden en smeekend opgeheven handen. Het was als de finale van het vierde bedrijf eener opera en het suizen in Bertie's ooren, het hameren in zijn pijnlijk hoofd, was als het samen opdonderen van een vol orkest, omhooggezwaaid door de maatgebaren van een zenuwachtigen directeur, met een hard, schel geluid van veel koper.

Bertie kreunde, zich wentelend om en om, nógmaals zich dwingend tot het uitdichten van zachtere tafereelen en het werd nu als een modern tooneelspel: Eve, opmerkzaam gemaakt door hèm, Bertie, op Annie, de mooie jonge vrouw, de meidhuishoudster van White-Rose, Eve's jaloezie en de groote scène: Eve, Frank vindend in Annie's armen....

Ziek van zijn denken, walgend van zijne eigen verwikkelingen, dreef hij dat alles van zijne oogen weg, want eene afmatting sloop over hem; zijne wildheid stilde zich, omdat zijn geheele hoofd nu gloeide, klopte, bonsde; omdat pijnlijke trekkingen, als werd hij gescalpeerd, van zijn voorhoofd over zijn schedel tot in zijn nek liepen, omdat zijne slapen aan weêrszijden van die trekkingen met eene regelmatige pijn het bloed in de slagaderen hoog deden opspringen. En in de momenteele marteling zijner physieke smart, stortte zijn trots, die het noodlot zoû tarten, in elkaâr als een verbrokkelde toren, zonk zijne verbeelding uitgeput neêr, vergat hij zijne wanhoop over de toekomst; machteloos en klam van zweet bleef hij roerloos liggen, zijne oogen wijd open, zijn mond open en de twijfeling zijner matheid bescheen als met een zachter licht al zijne verdichtselen: onzinnigheden, die nooit naar waarschijnlijkheid zouden zweemen. Het ging dan maar zooals het ging, dacht hij nog flauw; de toekomst was nog in het verschiet, hij zoû niet meer aan ze denken, hij zoû zich laten voortslepen door de keten der aaneenschakelingen; het was krankzinnigheid de vuist te ballen tegen het fatum, zoo machtig, zoo oppermachtig ...

III.

De volgende dagen gingen voor Bertie voorbij, terwijl eene vage verschrikking boven zijn hoofd hing. En hij bukte dat hoofd zonder gedachten voortaan, slechts met eene troebele woeling onder in den schijnbaar stillen poel van zijn hart. Hij kwam een enkelen keer met Frank bij de Rhodes' en eens zeide Eve, zijne hand nemend:

—We zullen goede vrienden zijn, nietwaar?

Hij hoorde ook, nadat zij gesproken had, die klanken als klokjes in zijne ooren hangen; werktuigelijk liet hij zijne fluweelen oogen op de hare rusten, glimlachte hij, en duldde hij, dat zij hem meêtrok naar een divan om hem teekeningen te laten zien van meubels en gordijnen, voor de nieuwe inrichting van hun huis, het huis van Frank en het hare. Frank zat op eenigen afstand, pratend met Sir Archibald, een glas liqueur in zijne vingers. Hij zag even naar hen op, broederlijk naast elkaar zittende in de gecapitonneerde weekheid van den divan, hunne hoofden tot elkaâr toe buigend over het ritselend karton der platen, soms hunne vingeren elkaâr even beroerend. Zijne wenkbrauwen trilden even, als in een frons, een rimpel van ontevredenheid, éven maar. Want hij lachte Eve toe en sprak:

—Bertie zal je goed kunnen helpen: hij heeft veel meer smaak dan ik ...

En het was hem of zijne woorden ondanks hemzelven van zijne lippen vielen, of hij iets anders had willen zeggen dan die vleierij en niet gekund had. En onder zijn gesprek over politiek met Sir Archibald, dwaalden zijne oogen telkens naar henbeiden heen, magnetisch aangetrokken door hunne vertrouwelijkheid.

Het was in Eve eene zachte zusterlijkheid, een zachte geur van sympathie voor den vriend van haar aanstaande, iets romantisch teeders voor het mysterie van Bertie's diepzwarte oogen en smeekende stem, een medegevoel voor al het interessante, Byroniaansche leed, dat zij hem toedichtte: iets als de aesthetische ontferming van eene gevoelige lezeres over een, door geheime zielepijn gemartelden, romanheld. Het was eene poëtische vriendschap, die in hare ziel zeer harmonisch opwoog tegen hare liefde voor Frank: eene liefde, als zij in hare jonge-meisjes-dweperijen nooit had vermoed te bestaan, en, zoo zij ze had kunnen vermoeden, zeker nooit had gedacht te zullen opnemen in háár: eene liefde, kalm, rustig, groot, bijna practisch en huiselijk, zonder de minste romantiek; eene liefde, niet blind voor Franks gebreken, maar hem liefhebbend òm die fouten, zooals eene moeder haar ondeugend kind bemint. Zij zag zijne indolentie bij elke wilsinspanning, zijne vage weifeling bij elk besluit, zijn slingeren tusschen dit en tusschen dat, en zij verheelde zich niet die zwakte, maar juist die zwakte was haar een lief contrast met het koel practische, nuchter vriendelijke van papa, papa, die haar wel bedierf, maar toch nooit zoo ver als zijzelve wel wilde. Dan was er nog een contrast, en dit behaagde haar het meeste, dit deed haar het meeste liefhebben, dit had haar geheele hart gevuld met eene bekoring, die passie was geworden: een contrast in Frank zelven, het contrast van de zwakke weifeling zijns karakters en den forschen bouw zijner gestalte. Zij vond er, vrouw die ze was, iets aanbiddelijks in, dat die mooie sterke jongen, met zijne breede borst en breede schouders, met zijn krachtigen donkerblonden kop op den stevigen nek, die man, wiens lichtheid en beslistheid van gebaren, van iets te verzetten of aan te raken, eene zeer geoefende lichaamskracht verrieden, dat die zelfde man zoo zwak was in zijne wilsuitingen en flauw in zijne handelingen. Was zij alleen en dacht zij er over na, dan moest zij er om glimlachen en de tranen kwamen er haar van in de oogen, tranen van zacht geluk, want zij was er zacht gelukkig om, om dat contrast. Het was wel vreemd, dacht ze. En ze begreep het niet; het was een raadsel voor haar, maar ze zocht het niet op te lossen, want het was haar een lief raadsel en als zij er aan dacht, met haar glimlach en hare vochte oogen, verlangde zij alleen hem in hare armen te omhelzen, haar Frank ...

En zij verheerlijkte hem niet, zij dacht niet meer aan platonische tweelingzielen en hemelsche zielsverrukkingen; zij nam hem aan, zooals hij was, mensch en man, en omdat hij zoo was, aanbad ze hem, kalm en rustig in die aanbidding. En ze wist, dat al werd het romaneske in haar ook later niet meer voldaan—zooals het nu voldaan werd door hare zusterlijke vriendschap voor Bertie—zij er niet om zoû treuren, in hare volle liefde voor Frank. Maar omdàt op dit oogenblik geheel haar wezen voldaan werd, was zij geheel en al tevreden en voelde zij die zonnige lichtheid in zich en om zich, die men geluk mag noemen.

Zoo was het haar ook nu, terwijl zij die platen zag met Bertie, en Frank daar zat te praten met haar vader. Haar lieve man daar, haar broêr hier! Zoo was het goed; nooit zoû ze iets anders verlangen dan zoo in hare liefde en in hare vriendschap gelukkig te zijn. Glimlachend zag zij op Bertie neêr, beschermend en medelijdend, en toch met een tikje kleinachting en spot om zijne tengere, jongensachtige gestalte, zijne witte handen en brillanten ring, zijne smalle voeten in verlakte schoentjes, nauwelijks iets grooter dan de hare; wat was hij toch een net, klein mannetje, altijd onberispelijk in zijn uiterlijk en zijne manieren, en dan met dat waas van weemoed over geheel zijn wezen!

Raad gevend omtrent een ameubelement en van eene plaat naar haar opziende, zag Bertie dien glimlach om Eve's lippen, dat beschermend spotachtige en tegelijk zusterlijk lief hebbende en daar hij wist, dat zij hem gaarne mocht, begreep hij er iets van; toch vroeg hij:

—Waarom lach je zoo?

—Om niets, antwoordde zij en zij vervolgde, hem koesterende in haar glimlach:

—Waarom ben je toch geen artist geworden, Bertie?

—Artist? vroeg hij verwonderd. Wat dan?

—Schilder bijvoorbeeld, of schrijver. Je hebt veel artistieken smaak....

—Ik? vroeg hij, nogmaals zeer verwonderd, want hij wist volstrekt niet, dat er iets zeer curieus aesthetisch in hem was: eene verfijndheid van smaak slechts aan eene vrouw of een kunstenaar eigen, en hare woorden deden hem zijn eigen karakter in een nieuw licht zien: kende een mensch dan nooit zichzelven, en was dàt waarlijk in hem!

—Ik zoû niets kunnen! sprak hij, een beetje gevleid door Eve's woorden en in zijne verbazing, ondanks zichzelven, eensklaps zeer oprecht, voegde hij er bij:

—En ik zoû er te lui toe zijn....

Hij schrikte van zijne eigen woorden, als had hij zich bloot gegeven en instinctmatig zag hij op naar Frank, of die hem ook gehoord had.... Geërgerd op zichzelven bloosde hij en lachte om zijne verlegenheid te verbergen, terwijl zij, verwijtend en steeds met haar glimlach, heur hoofdje schudde.

IV.

Toen Frank en Eve later even alleen waren en Eve de modellen toonde, die Bertie had aangeraden, begon Frank:

—Eve....

Zij zag hem vragend aan, stralend van haar rustig geluk.

Het woelde in zijn hoofd; hij had veel met haar willen spreken, over Bertie. Maar eensklaps herinnerde hij zich zijne belofte aan zijn vriend: nooit het ware over hem te zullen openbaren ... Frank was iemand, die een gegeven woord naïfweg onschendbaar achtte en hij zag eensklaps in, dat hij niet zeggen mocht, wat hij had willen zeggen ... En toch: hij herinnerde zich zijne huivering, op Moldehoï, toen Eve zoo vertrouwelijk hare, ten gunste van Bertie veranderde, meening had geuit ... Had hij niet iets gevoeld alsof de zwarte wolken een symbool schenen van onheil, dat haar boven het hoofd hing? En had hij, terwijl zij daar op dien divan gezeten waren, niet die, zelfde huivering, als eene slang, over zijne huid voelen sluipen? Het was een instinctieve angst geweest, onverwachts opschietend, zonder inleidende gedachten. Moest hij spreken, haar zeggen hoe Bertie was? Hij had Bertie toch beloofd ... En het was eene dwaze bijgeloovigheid zulke ongemotiveerde angsten over zich te laten heerschen. Bertie was wat anders dan gewone menschen, Bertie was zeer lui en leefde te gemakkelijk op kosten van anderen—iets, dat Frank niet begreep en waarover hij in zijne goedigheid slechts glimlachend het hoofd schudde, als over eene onverklaarbare curioziteit—maar Bertie was niet slecht ... Eigenlijk verborg hij, Frank, dus Eve niets dan dat Bertie geen geld had.... Wat had hij dan willen zeggen en wàt woelde er eigenlijk in zijn hoofd....

Eve zag hem echter aan met groote oogen, en hij moest spreken. Toen begon hij, gedwongen ondanks zichzelven, gedwongen door eene vreemde macht, die hem zijne woorden als voorzeide:

—Ik woû je zeggen.... je zal me misschien dwaas vinden ... maar ik vind het niet aangenaam.. ik vind het niet goed....

Zij zag hem steeds met groote oogen aan, verwonderd glimlachend om zijn stamelen. Het was dat onbesliste, in haar oog zoo lief afstekend tegen zijne lichamelijke forschheid ... En zij zette zich op zijne knie, leunend tegen hem aan en hare stem klonk als een rythme van liefde:

—Wat dan toch, Frank? Mijn beste Frank, wat toch?

Hare oogen lachten in de zijne, ze boog hare armen los om zijn hals, hare vingers strengelend, en nogmaals vroeg ze:

—Maar zeg het dan, gekke jongen, wat is er dan?

—Ik hoû er niet van, dat je ... dat je altijd zoo met Bertie zit ...

Zijne woorden wrongen zich uit zijne keel, zonder dat hij ze wilde uiten, en nu ze gesproken waren scheen het hem toe, dat hij iets anders had willen zeggen. Eve was zeer verbaasd.

—Zoo met Bertie zit! herhaalde ze. Hoe zit ik dan met Bertie? Heb ik iets gedaan, dat niet goed was? Of ... zeg, Frank, ben je zoo verschrikkelijk jaloersch?

Hij trok haar vast tegen zich aan, kuste haar en hij mompelde:

—Ja ... ja ... ik ben jaloersch ...

—Maar op Bertie, je besten vriend, waarmeê je samen woont! Op dien ben je toch niet jaloersch!

—Ja ... jawel ... op hem ...

Zij lachte eensklaps helder en meêgesleept door haar eigen lach, schaterde zij het uit, steeds op zijne knie, met haar hoofd op zijn schouder.

—Op Bertie! lachte zij. Hoe is het mogelijk! O, o, op Bertie! Maar ik beschouw hem zoo als een aardig jongetje, bijna als een meisje ... Hij is zoo klein en hij heeft zulke mooie handjes! O, o! Ben je jaloersch op Bertie?!

—Lach zoo niet! mompelde hij, zijne wenkbrauwen fronsend; waarlijk, ik meen het, je bent zoo intiem met hem....

—Maar hij is je beste vriend!

—Ja, dat kan wel zijn, maar toch ... toch ...

Zij begon weer te lachen, ze vond hem allervermakelijkst en tevens had ze er hem zeer lief voor, dat hij zoo mopperde en zoo jaloersch was.

—Gekke jongen! lachte zij en hare vingers speelden met zijne blonde, goudschitterende snor. Wat ben je dwaas, o wat ben je toch dwaas!

—Maar beloof je me ... hernam hij.

—O zeker, als ik je daarmeê gerust stel ... Ik zal meer op een afstand zijn ... Maar het zal me wel een heele moeite kosten, want ik ben zoo gewend aan Bertie ... En Bertie mag het toch ook niet merken, dus blijf ik heel vriendelijk tegen hem ... Neen, neen hoor, vriendelijk blijf ik tegen hem! Gekke jongen, die je bent! Ik heb nooit geweten, dat je zoo dwaas kon zijn!

En zij schaterde helderder dan ooit, terwijl zij, in hare verliefde vroolijkheid, zijn hoofd heen en weêr schudde, hare beide kleine handen warrend in zijn dik haar.

V.

Frank was Bertie in den laatsten tijd als een lastpost gaan beschouwen. Hoewel hijzelf niet begreep waarom, zag hij zijn vriend ongaarne met Eve samen en door hunne intimiteit kwam dit bijna dagelijks voor. Daarbij had Eve het goed voorzien, dat zij zeer moeilijk zich tegen Bertie anders kon gedragen dan zij tot nog toe gewoon was geweest te doen. Intusschen, Bertie moest het dulden, dat Frank zeer koel tegen hem werd. Na eene escapade van drie dagen was deze koelheid duidelijk gebleken: Frank, die gewoonlijk na zulk eene geheimzinnige vlucht nieuwsgierig uitvroeg, waar Bertie toch gezeten had, vroeg ditmaal ... niets. En Bertie beloofde zichzelven, dat deze escapade de laatste zoû geweest zijn.

Daarna was het gesprek gekomen, waarvoor Bertie zoo gevreesd had; op een vertrouwelijk oogenblik had Frank gesproken over zijn aanstaand huwelijk en zijn vriend gevraagd wat hij van plan was hierna te doen.

—Je begrijpt, beste jongen! waren Franks zachte woorden geweest; dat ik je met alle pleizier aan iets helpen zal: eene betrekking hier of in Holland. Ik heb wel eenige connecties ... En, zoolang je nog niets hebt, zal ik je natuurlijk niet zonder bijstand laten, daar kan je op rekenen. Maar ik huur White-Rose niet meer in: Eve vindt het hier wat ver-afwonen en geeft de voorkeur aan Kensington, zooals je weet ... We hebben intusschen een gezelligen tijd samen gehad, niet waar?

En hij had Bertie op den schouder geklopt, dankbaar voor het kameraadschappelijk leven, dat zij tusschen deze muren genoten hadden en zelfs met een klein beetje medelijden voor dien armen jongen, die zich de genietingen der weelde zoo aangenaam liet welgevallen en die, helaas! geen weelde had. Verder drong hij echter niet in Bertie's gemoedstoestand door: Bertie was immers gewend aan een vie de bohême: na ellende had hij weelde gekend; nu zou het leven weêr een beetje minder gemakkelijk voor hem worden: dat was alles.

Bertie zelf, walgend van de harteloosheid zijner eerste overpeinzingen, liet zich doelloos meêsleepen van dag op dag, zonder meer aan zijne intriges te denken. Daarbij had hij soms het naïeve geloof, dat het lot hem in het laatste oogenblik toch gunstig zou blijken te zijn: zijn fatalisme was als een godsdienst, die hem sterkte en hoop gaf.

VI.

Eens echter dacht hij, dat alle hoop hem begeven zoû: het gevaar dreigde onmiddellijk.

—Bertie! sprak Frank, die thuis kwam, zeer opgewonden. Je zoû morgen met den dag kunnen geholpen zijn. Een van onze clubvrienden, Tayle, je weet wel, zocht, naar hij mij zeide, iemand als particulier secretaris bij zijn vader, Lord Tayle. De oude man woont op zijn kasteel in Northumberland, is altijd ziek en is wel wat lastig, naar zijn zoon me verteld heeft, maar toch schijnt het mij toe, dat je niet gauw zoo iets terug zal vinden ... Je zoû een toelage van tachtig pond krijgen, en natuurlijk op het kasteel wonen. Ik had er al dadelijk met Tayle over gesproken, als je me niet vroeger verzocht had ...

—Heb je mijn naam genoemd? vroeg Bertie, haastig en bijna beleedigd.

—Neen, antwoordde Frank, verwonderd over zijn toon. Ik heb niets willen voorstellen, voordat ik je gesproken had. Maar beslis nu gauw, want Tayle had reeds twee anderen op het oog. Als je echter nu nog niet beslissen kan, zal ik dadelijk naar Tayle toerijden: mijn rijtuig wacht ...

En hij greep reeds zijn hoed.

Tachtig pond, eene betrekking als secretaris met vrij wonen op een kasteel, wat zoû het Bertie vroeger als met glans verblind hebben, vroeger in Amerika. En nu ...

—Beste Frank! sprak hij koel. Ik ben je dankbaar voor je goede bedoelingen, maar doe geen moeite voor mij. Ik kan zoo iets niet accepteeren. Zend je rijtuig maar weg....

—Wat! riep Frank, ontzet van verbazing. Wil je er niet eens over denken!

—Dank je hartelijk. Als je me niets beters hebt aan te bieden dan eene dienstbare betrekking bij den vader van iemand, waarmeê je mij als gelijke hebt laten omgaan, dan bedank ik je er voor! Om een bagatel van tachtig pond 'sjaars ga ik me niet opsluiten als schrijfknecht bij een ouden, zieken, brommigen man. Daarbij, wat zoû Tayle van me denken! Hij heeft me gekend als jouw vriend en heeft als zoodanig met me omgegaan. En nu zoû hij me terugvinden als loontrekkende van zijn vader. Ik kan niet zeggen, dat je veel fijn gevoel hebt, Frank.

Het duizelde hem, terwijl hij zoo sprak; nog nooit had hij zulk een toon van hoogmoed tegen Frank aangeslagen, maar het waren als kreten van wanhoop, geslaakt in de zwijmeling van zijn valschen trots.

—Maar, mijn God, wat wil je dan! riep Frank. Je kent al mijne kennissen, en door mijne kennissen moet ik je toch aan iets helpen.

—Ik wil niet geholpen worden door iemand, wie ook, van onze clubgenooten, ook niet door iemand van de personen bij wie je mij gepresenteerd hebt.

—Dat maakt het geval moeilijk! sprak Frank, schamper lachend, terwijl eene groote woede in hem begon op te borrelen. Dus je wilt niet?

—Neen, ik wil niet.

—Maar wat wil je dan? vroeg Frank kort.

—Op het oogenblik: niets.

—Ja, op het oogenblik, goed. Maar later?

—Dat zal ik wel eens zien. En als jij niet kiescher kan zijn ...

Hij hield op, schrikkende van zijn eigen toon, schijnbaar meesterachtig hoog, en inderdaad zoo opzwellend door de wanhoop van luiheid en trots. Zij zagen elkander eene pooze aan, en het werd hun eensklaps alsof zij beiden vele stille grieven tegen elkaâr koesterden, grieven, die zich hadden opgestapeld onder de vriendschappelijkheid van hun samenzijn, grieven, die zij op het punt waren elkaâr in het gezicht te smijten als lage beleedigingen.

Toen werd Bertie meester van zichzelven. Hij bedacht zich of hij zich niet vergeten had. En hij glimlachte en stak zijne handen uit:

—Vergeef me, Frank! smeekte hij met zijne stem als gedempt goud, met zijn lieven glimlach. Ik weet, dat je het goed met me bedoelt. Ik zal je nooit, neen nooit kunnen vergelden wat je voor mij gedaan hebt. Maar dit kan ik heusch niet aannemen. Liever word ik weêr kellner of conducteur op een tram. Vergeef me, als ik je ondankbaar schijn.

Zij verzoenden zich. Maar Frank vond dien trots van Bertie belachelijk en leed er onder, dat dit alles een geheim voor Eve moest blijven; hij had zoo gaarne Eve hierin geraadpleegd. En meer en meer zag hij met fronsende wenkbrauwen en knippende oogen naar henbeiden. Eve en Bertie, als zij des avonds in het zachte, blauw omkapte licht der lampen naast elkander zaten, pratend als broêr en zuster. Het was als eene geheime onreinheid. Dan moest hij zich geweld aandoen niet uit te schreeuwen, dat Bertie een klaplooper, een gemeen sujet was, zich geweld aandoen hen niet te scheiden van elkander, hen niet te rukken uit de rustig glimlachende en schuldelooze intimiteit van hun gesprek over meubels en draperieën.

VII.

Na deze mislukte poging om Bertie te helpen; deed Frank geene moeite meer, rekenend, dat, als de nood drong, Bertie zelf wel weêr om zijn voorspraak smeeken zou. Maar na Bertie's weigering scheen het, dat Frank voor het eerst de scheeve verhouding inzag, waarin hij Bertie geplaatst had tegenover zichzelven en de maatschappij; zijne goedigheid om een armen vriend een jaar lang te hebben laten leven als een vermogend jongmensch, scheen hem nu, verlicht in de klaarte zijner mooie liefde, die geheel zijn innerlijk wezen had gelouterd, vernieuwd, herschapen, eene ontzettende onzedelijkheid toe; een trappen op alle wetten der eerlijkheid en waarheid, eene immoreele spotdrijverij met het goed vertrouwen der wereld. Vroeger had dit alles hem vermaakt, maar nu achtte hij zich klein, laag, óoit zulk vermaak te hebben kunnen genieten ... En hij begreep, dat hijzelf Bertie's valschen trots om niets van hunne gezamenlijke champagne-vrienden aan te nemen, als eene giftige woekerplant had aangekweekt.

De dagen schakelden zich aan elkaâr en Frank kon zich niet schudden uit de zelfontevredenheid, die hem iederen dag meer en meer omknelde. Bertie sloeg eene schaduw over het geluk zijner liefde. Eve zag, dat een dof leed hem stilzwijgend maakte, hem lang peinzend deed neêrzitten met gefronste wenkbrauwen en een breeden rimpel, dwars over zijn voorhoofd heen.

—Wat is er, Frank? vroeg ze.

—Niets, lieveling ...

—Ben je nog jaloersch?

—Neen, ik zal me verbeteren ...

—Zie je, het is je eigen schuld. Wanneer je me Bertie vroeger niet altijd zoo geprezen hadt als je beste vriend, zoû ik nooit zoo intiem met hem geworden zijn ...

Ja, het was wel zijne eigen schuld: hij zag dat klaar in.

—En ben je nu meer over me tevreden? vroeg zij lachend.

Hij lachte terug; het was waar: zij had tegenwoordig, terwille van Frank, bruske veranderingen tegenover Bertie, verliet in eens, terwijl hij nog sprak, den divan, waarop zij samen zaten, gaf hem telkens ongelijk, verweet hem zijne fatterigheid, hield hem voor den gek met zijne kleine handjes. Hij zag haar dan verbaasd aan, meende, dat ze met hem coquetteerde, maar begreep er niet het rechte van. Zoo had zij ook eens, gedurende een uur achtereen, hem overladen met kleine hatelijkheden, speldeprikken, die ze meende, dat Frank zouden geruststellen en Bertie niet te zeer zouden kwetsen. Sir Archibald, in een gesprek over heraldiek, wilde kort daarna den beiden vrienden de genealogische platen van zijn familieboom laten zien; Frank stond reeds op, om hem naar zijn kabinet te volgen, Bertie ook. Eve had een beetje medelijden met Bertie, wien zij meende dezen keer al te zeer geplaagd te hebben; zij wist, dat Sir Archibalds genealogische gesprekken hem niet interesseerden en zei:

—Laat Bertie maar hier, papa; Bertie weet toch niets van heraldiek.

En om Frank, die zijn ijverzucht niet dorst te doen blijken, tegelijk te troosten, voegde zij er schertsend bij, met een geruststellend trillen harer lange wimpers:

—Frank vertrouwt ons wel samen, nietwaar?

Hare stem was zoo eenvoudig, haar blik zoo lief, dat Frank haar toelachte, gerustgesteld, maar toch heimlijk geërgerd, dat Bertie weêr was gaan zitten. En toen zij alleen waren, begon Bertie:

—Foei, foei, wat plaag je me toch tegenwoordig, Eve.

Zij lachte en bloosde, voor zichzelve verlegen, dat zij hem zoo plaagde, om Frank. Maar Bertie's gelaat was ernstig geworden en met een lief gebaar vouwde hij zijne handen samen en smeekte hij:

—Beloof me, dat je het niet meer doen zal....

Zij zag hem aan, verbaasd om zijn ernst.

—Het is immers maar gekheid! sprak ze.

—Maar eene gekheid, die me pijn doet! murmelde hij terug.

Zij bleef hem aanzien, hem niet begrijpend. Hij zat in-een gedoken, het hoofd op de borst, zijn oogen starend voor zich uit, en zijn dun bruin haar, dat een weinig op zijn voorhoofd neerkrulde, scheen te plakken aan zijne slapen, in enkele pareltjes zweet. Hij was blijkbaar zeer ontroerd. Hij wist niet waarop dit gesprek zou uitloopen, maar hij gevoelde toch, dat zijn toon zeer ernstig was geweest, dat die eerste zinnen de prelude van een belangrijk onderhoud zouden kunnen worden. Hij gevoelde, dat dit oogenblik bestemd was een kostbaren schakel aan zijne levensketen vast te klinken en hij wachtte, fatalistisch geduldig, op de gedachten, die in zijn brein zouden ontluiken, op de woorden die van zijn tong zouden glijden. Hij sloeg zichzelven in zichzelven gade, en tevens omwikkelde hij Eve in een windsel, zooals eene spin eene vlieg omwindt in den draad, dien zij uitweeft.

—Zie je, ging hij langzaam voort; ik kàn het niet van je velen, dat je me plaagt ... Het is net of je minder van me houdt dan vroeger ... Ik kan het toch niet helpen, dat ik kleine handen heb ...

Zij moest glimlachen om het gewild kinderlijke, gewild coquette van zijn toon: dat beetje aanstellerij van behaagzieke kinderachtigheid, die zij doorzag, maar zij sprak toch:

—Nu, ik vraag je vergiffenis voor mijn plagen! Ik zal het niet meer doen ...

—Hij was echter opgestaan, doende of hij hare uitgestrekte hand niet zag en stil ging hij voor het raam staan, ziende naar het, in mist uitgevaagde, parklandschap van Kensington Gardens. Zij bleef zitten, wachtende tot hij iets zeggen zoû. Maar hij zweeg.

—Ben je boos, Bertie? Langzaam keerde hij zich om. Schuin viel het bleeke daglicht langs de meubelgordijnen op hem en het gaf eene lijdende tint, eene matheid van dof porselein aan zijn fijn gelaat. Zeer zachtjes, met een diep smartelijken glimlach, schudde hij ontkennend het hoofd. En voor de romantiek harer ziel gaf de smart van dien glimlach hem de poëzie van een jongen god of een gevallen engel: het hemelsch zachte van een mythologisch wezen zonder sekse, zooals zij in hare geïllustreerde dichters gezien had: mannelijk van gestalte, vrouwelijk van gelaat. Zij wilde hem smeeken haar die smart uit te storten, en het zoû haar in dit oogenblik nauwelijks verwonderd hebben, zoo het geklonken hadde als een gerythmeerde monoloog, als eene lange klacht in blankverzen ...

—Bertie, mijn beste jongen, wat is er? vroeg zij.

Hij bleef daar staan, zwijgend, in het schuine, bleeke licht, wetend, dat het hem bijna theatraal bescheen. En zij, gezeten in het halfduister, zag, dat hij, in dat licht, vochtige oogen kreeg. Zij ging naar hem toe, geroerd; zij vatte zijne hand, zij dwong hem te zitten, naast haar.

—Zeg het dan, Bertie: heb je verdriet? Kan je het mij niet vertellen?

Weêr schudde hij, zachtjes, smartelijker glimlachend, het hoofd. En hij sprak ten laatste met eene klanklooze stem:

—Neen, Eve, ik heb geen verdriet. Ik kan geen verdriet meer hebben: geen verdriet méér. Maar ik ben alleen maar treurig, omdat we zoo gauw zullen scheiden en omdat ik zooveel van je hoû ...

—Scheiden? Waarom, waar ga je dan naar toe?

—Ach, dat weet ik niet, beste meid. Ik blijf, tot je getrouwd bent en dan ga ik weg: hier en daar zwerven, heel alleen ... Zal je nu en dan eens aan me denken?

—Maar Bertie, waarom blijf je dan niet in Londen?

Hij zag haar aan. Eerst had hij gesproken zonder te weten, waarop hij doelde, zich latende slingeren door het toeval. Maar nu, met dien blik, dien zij beantwoordde, ontvonkte het in hem, in eens, als een klein duivelsch vlammetje. Hij wist het nu, waarop hij doelde; hij overwoog nu ook zijne woorden, als was ieder woord een korreltje goud; hij gevoelde zich zeer helder worden, zeer logisch en kalm, zonder de angstige, vage ontroering van zoo-even ... En hij sprak zeer langzaam, met die treurige, klanklooze stem, als van een zieke:

—In Londen! Neen Eve, hier kan ik niet blijven.

—Waarom niet?

—Dat kan ik niet, lieve meid ... Dat kàn ik niet ... heusch niet, onmogelijk.

En het gehuichel van zijn blik, het geteem van zijne stem, de comedie zijner troostelooze treurigheid druppelden, als een ontzenuwend vocht, een vermoeden in haar: het vermoeden, dat hij niet in Londen kon blijven, om haar, omdat hij haar zien zoû als de vrouw van Frank. Het was als eene suggestie: hij deed het haar vermoeden door de stille wanhoop, die van hem uitstraalde.

Maar hare gedachte verzette er zich tegen: het was immers maar een vermoeden, zonder grond ... Langzaam ging hij echter door, berekenend ieder woord, als met eene mathematische nauwkeurigheid.

—En als ik dan weg ben en je bent samen met Frank, voor altijd ... zal je dan gelukkig zijn, Eve?

—Maar Bertie ...

Zij aarzelde: het had bijna wreed geklonken, ja te zeggen, zeker te zijn van geluk, tegenover zijne smart.

—Maar Bertie, waarom vraag je dat? vroeg ze, bijna angstig.

Hij bleef haar aanzien, diep, zacht, met den fluweelen nacht zijner mooie oogen. Toen zonk zijn hoofd op zijne borst, en zij vulden zich met groote tranen, die oogen, en hij wrong zijne handen, als waren zij koud.

—Waarom, waarom, Bertie? herhaalde Eve.

—Niets ... Beloof het me ... beloof me, dat je gelukkig zal zijn. Want ik zoû wanhopig zijn, als je niet gelukkig was ...

—Maar waarom zoû ik niet gelukkig zijn: ik hoû zooveel van Frank! riep zij eindelijk uit, toch nog vreezende hem, Bertie, te kwetsen.

—Nu, als je gelukkig wordt, is het goed, fluisterde hij mat, steeds wringend zijn handen ...

Toen, eensklaps, terwijl zij nog steeds hem vragend aanzag, kreet hij:

—Arm kind!

—Wie, arm kind? vroeg zij ontzet.

Hij greep hare handen, zijne tranen drupten op hare vingers ... —O, Eve! Eve! God, als je in mijn hart kon zien ... Als je ... O, ik heb zoo een medelijden, zoo een innig, groot medelijden met je en ik zoû er, ik weet niet wat, o mijn leven voor geven, als ik, als je ... Arm, arm kind!!!

Zij was huiverend, doodsbleek opgestaan; hare handen grepen het tafelkleed, dat, door haar ruk, een weinig afgleed, terwijl een kristallen vaas, waarin eenige bleeke kasrozen verwelkten, omstortte en het water er uit zich met bolle, zilverachtige plekken over het fluweel verspreidde. Zij liet het water loopen, hem aanziende met hare groote, verschrikte oogen, terwijl hij zijn gelaat met de handen bedekte.

—Bertie! riep zij. O, Bertie, waarom spreek je zoo, wat is er dan ... Neen, neen, zeg het, je moet het zeggen ... ik wil het ... O, ik bid je, spreek dan toch!!

Hij maakte een gebaar: een uitstekend gebaar, vol natuurlijkheid, zonder de minste gemaaktheid of theatraliteit, een gebaar, als wilde hij zich herstellen, als had hij iets gezegd, dat hij had moeten verzwijgen; hij stond op en zijn gelaat was ook veranderd, niet smartelijk meer, niet medelijdend meer, maar koel beslist!

—Neen, neen, Eve, er is niets ...

—Er is niets! En je riep: Arm kind! En je hebt medelijden met me! Mijn God, waarom, wat is er dan, wat dreigt me dan ...??

Zij had Franks naam op de lippen, zonder dien te durven uiten en hij voelde dat.

—Niets, waarlijk niets, lieve Eve, ik verzeker het je, er is niets. Ik heb soms van die dwaze gedachten: het zijn hersenschimmen. Kijk, die vaas is omgevallen ...

—Maar wat dacht je dan, welke hersenschim ...?

Hij bette met zijn zakdoek het water van het tafelkleed op en schikte de rozen weêr in de vaas ...

—Niets, niets! bleef hij klankloos murmelen.

Zij beefde van zenuwachtigheid; zijne stem was zoo diep medelijdend geweest, als bedekten zijne woorden met hun sluier een ontzettend geheim. Toen, daar hij niet verder sprak, viel zij op den divan en barstte in eens in snikken uit, woest, hartstochtelijk, sidderend van een spookachtigen angst, die in hare ziel oprees.

—Eve, lieve Eve, wees kalm! smeekte hij, vreezende, dat iemand binnen zou komen ...

Maar toen, toen knielde hij naast haar neêr, hare handen nemend en ze zacht drukkend.

—Kijk me aan, Eve!... Ik verzeker het je, ik zweer het je, daar: er is niets, er bestaat niets dan alleen in mijne eigen gedachten. Maar zie, ik hoû zooveel van je; je duldt wel, dat ik je dat zeg, nietwaar, want het is alleen maar innige, onschuldige vriendschap, die ik voel voor het meisje van mijn vriend, voor mijn lief klein zusje ... Ik hoû zooveel van je en dan denk ik wel eens: zal ze gelukkig worden, mijne lieve Eve ... O, het is eene dwaze gedachte, maar het is in mij niets vreemds, want ik denk dat altijd, van menschen, die ik liefheb ... Zie je ikzelf, ik heb zooveel geleden, zooveel verdriet gekend!.... En als ik dan iemand zie, van wie ik veel hoû, zooals van jou, en ik zie zoo iemand dan vertrouwen op het leven en vol illusies, dan krijg ik die vreeselijke, onweêrstaanbare gedachte: zoû ze gelukkig worden! Wordt iemand wel gelukkig? Bestaat geluk wel? O, ik moest niet zoo spreken: ik maak je er somber door, ik leer je er pessimisme meê, maar het is me soms zoo vol, als ik je zie met Frank.... Want ik hoû ook zooveel van Frank, ik ben zooveel verschuldigd aan Frank, en ik zoû jullie zoo gaarne gelukkig met elkaâr zien, met elkaâr ... Daarom, ik bid je: vertrouw op Frank: hij houdt van je, al is hij soms wat weifelachtig, wat grillig in zijne gevoelens ... o hij aanbidt je, al ziet hij soms de nuances van een vrouwenkarakter over 't hoofd en ... al slaat hij met zijne luchtigheid soms wat door, hij meent dat zoo niet ... Hij is zoo open, zoo oprecht, je weet zoo precies wat je aan hem hebt ... Daarom Eve, lieve Eve, laat nooit een misverstand tusschen jullie heerschen, begrijp elkaâr altijd ... nietwaar kind, o mijn arme Eve!!

En hij snikte zacht in zijne mysterieuze wanhoop, die niet geheel en al gehuichel was, want hij was zoo wanhopig, om wat er dreigde! En zij bleef hem ontsteld aanzien, diep ongelukkig om zijne woorden, waarachter zij iets ried, dat hij niet zeggen woû; elk woord een droppel zacht venijn, dat in haar gemoed vreemde twijfelingen deed opschieten als woekerkruiden en giftplanten.

—Dus is er niets? vroeg ze moê, smeekend, met gevouwen handen.

—Neen, lieve Eve, er is niets! Ik ben alleen maar tobberig, zie je, net een oude man, en zoo tob ik soms ook over jullie ... Dus als ik ver weg ben, ver uit Londen weg, zal je dan gelukkig zijn? Zeg Eve, zal je dan gelukkig zijn? Zweer je het me?

Zij knikte zachtjes, weêr snikkend, wanhopig, dat hij weg moest uit Londen, wanhopig om wat hij vermoedde, 't wanhopigst om wat hij niet had willen zeggen: dat mysterieuze, dat ontzettende ...!

Maar hij was opgestaan, had haar beide handen gereikt en, hoofdschuddend, als over de dwaasheid van den mensch, sprak hij thans, met zijn smartelijksten glimlach:

—Hoe gek om zoo te tobben, nietwaar, te tobben om niets? Ik had het niet moeten doen: ik heb je er misschien wat treurig meê gemaakt ... heb ik?

—Neen, sprak zij, zacht glimlachend, haar hoofdje schuddend. Neen, heusch niet ...

Hij liet zich in een stoel vallen, zuchtend.

—Ach ja, zoo is het leven! mompelde hij met groote starende oogen, vol nachtelijk mysterie.

Zij antwoordde niet, vol, overvol. Het werd donker en hij nam afscheid: Frank alleen zou blijven dineeren.

—Vergeef je het me? sprak hij deemoedig, met al de bekoring zijner dichterlijkheid, in het laatste licht, over zijn gelaat verspreid als een etherisch waas.

—Wat? vroeg zij, zacht weenend.

—Dat ik je een oogenblik heb angstig gemaakt? Zij knikte, wankelend opstaande, doodmoê, huiverend.

—O ja, je hebt me wel even laten ontstellen ... Je moet het nooit meer doen, nietwaar ...

—Neen, murmelde hij. Hij kuste hare hand: eene liefkoozing, waaraan zij gewoon was, een geur van hoffelijkheid als van een achttiend'eeuwschen markies, en hij ging.

Zij bleef alleen. En toen zij alleen was, staande in het midden van het vertrek, sloot zij de oogen en het was of er een nevel om haar neêrdaalde. En in dien nevel dacht zij aan Moldehoï en zag zij het spectrale fjord opschemeren tusschen zijne schermen van bergen in den mist, en zag zij de drie lijntjes goud in het westen ... En zij voelde zich op eens geheel en al verlaten en eenzaam, zooals zij zich gevoeld had, in dien mist, zelfs zonder gedachte aan Sir Archibald en Frank, slechts denkend aan hare doode moeder. Eene zwaarte rustte op haar schedel als de reuzenpalm van eene ijzeren hand, eene vale duisternis wolkte om haar op en zij voelde al hare levenswarmte eensklaps verkillen tot eene ijzigheid van dood. Eene groote ruimte ruischte om haar heen en in die ruimte gevoelde zij, onzichtbaar, ontastbaar, en toch duidelijk en onloochenbaar intens, de spookachtige nadering van een onheil aan rollen, áanrollen als een vage donder ... Zij reikte, met de handen trillend, rond, als naar een steun ...

Maar zij viel niet flauw, zij kwam tot zichzelve en toen zag ze, dat ze juist in het midden van het duisterende vertrek stond, een beetje huiverend, met een wankelachtig geknik in hare knieën ...

En ze dacht, dat er toch iets was, iets, dat Bertie niet gezegd had.

VIII.

Dagen dacht zij daarover na. Wat was het, wàt was het? Zou Bertie haar beklaagd hebben, als er waarlijk niets was dan zijne eigen pessimistische vrees voor haar geluk? Of school er inderdaad een geheim? Was er iets met Frank ...

En zij zag Frank komen en dikwijls stil zitten, zwijgend en met gefronste wenkbrauwen. En zij vroeg:

—Wat is er, Frank? en hij antwoordde:

—Niets, lieveling! zoo als hij altijd antwoordde. Dan spraken zij samen, eerst wat gedwongen, dan beiden weêr gelukkig wordend in hunne plannen en illuzies, beiden weer vergetend wat hun ieder op het hart drukte. Eve lachte helder en zij zette zich op Franks knie en speelde met zijne snor en alles was zoo mooi om hem heen. Kwam Bertie dan binnen, zoo scheen het dadelijk alsof er iets tusschen hen gleed: eene schim, die hen scheidde. Maar vooral als zij alleen waren, gevoelden zij zich nameloos ongelukkig. Dan bekroop Frank den lust Bertie de deur uit te smijten, in eens, zonder de minste aanleidende oorzaak, als een schurftigen hond. En hij zag Bertie in zijn geest terug zooals hij had staan bibberen in dien kouden sneeuwnacht, in zijne armzalige plunje. En nu was hij zoo netjes en hij deed niets slechts: hij was onberispelijk, hij ging zelfs niet meer gedurende eenige dagen op den loop, als eene kat. Hij was steeds belangwekkend, met zijn waas van weemoed en zelfs had hij vaak nu, na de scène over Tayle, een zweem van verwijt in zijne stem en zijn blik tegenover Frank.

Maar Eve, alleen, gevoelde zich het ongelukkigst. Ontzenuwende twijfelingen woekerden in hare ziel, twijfelingen, die zij wel voor een oogenblik uitroeide, maar die toch dadelijk weêr opschoten, zoodra zij dacht aan dien smartelijken glimlach van Bertie, aan die medelijdende stem, aan die vreemde erbarming ... Wat was het, wat wàs het? Zij had er vaak met Frank over willen spreken, maar als zij op het punt was te beginnen, wist zij niet wat te zeggen ... Dat Bertie haar beklaagd had? Het was immers niets dan zijn eigen pessimisme, dat, in eene algemeene menschenliefde, de geheele wereld beklaagde, omdat die wereld voor smart geschapen scheen. Frank vragen of hij een stil verdriet had, Frank vragen of hij iets had? Ze deed het immers zoo dikwijls en het was altijd hetzelfde antwoord:

—Niets, lieveling!

Wat dan, o wat dan? Helaas, zij kon niet verder, zij stond als geblinddoekt in een toovercirkel, dien zij niet overschrijden kon, en hare handen tastten om zich heen zonder iets te vatten. Joeg zij ook met energie hare gedachten heen, zij kwamen weer terug, halsstarrig. Zij overweldigden haar opnieuw, zij stapelden zich opnieuw in haar brein op elkaâr, twijfelingen ontspinnend, en het was dan altijd, o altijd, die zelfde vraag welke ten laatste uit al deze ellende des denkens oprees:

—Wat? Wat is er? Is er iets?

En nooit een antwoord. Eens had zij er nogmaals Bertie naar gevraagd en Bertie had slechts geglimlacht, met dien verschrikkelijken glimlach, vol smart, en haar gesmeekt toch niet te blijven mijmeren over iets, dat hij, zoo terloops, uiting gevende aan de natuurlijke treurigheid van zijn gemoed, gezegd had. Anders zoû hij voortaan huiverig zijn iets meer tegen haar te zeggen, zich oprecht te geven; anders zoû hij zijne woorden moeten wegen en zij zouden niet meer zoo vertrouwelijk kunnen zijn, als broêr en zuster ... En het werd in haar eene stemming vol fijne halftinten, waarin niets omtrek, niets zelfs bepaalde kleur had: een geweifel van schaduwachtig grijs, dat de schaduwlooze helderheid harer liefde invloot, meer en meer invloot en haar afmattende door zijne onbestemdheid, door zijn niet-zijn in het reëele leven en door zijn schijnbestaan, als van iets ontastbaars,—een droom,—in haren geest.

IX.

Eens echter werd de droom als eene realiteit, eens tastte zij iets, zag zij iets, hoorde zij iets. Maar, was het dat ...

Het was aan den uitgang van het Lyceum ... De menigte stroomde naar buiten, langzaam, schuifelend, hier en daar een beetje ongeduldig duwend, schouder aan schouder ... En in dat dringen, naast haar, zag zij eensklaps de vuurroode peluche sortie van eene groote, zware vrouw vlammen; een gelaat, rood, wit en zwart van verf, popachtig lachende onder een kinderachtigen Cherry-ripe-hoed; den luifelrand als vol gepropt met eene hoop blonde kurketrekkertjes, boog eensklaps over haar in een parfum van gemusceerden poudre de riz, en óver haar heen, naar Frank toe, als een slag in haar eigen gelaat, weêrklonk het:

—Zoo, dag Frank, dag lieve vent ...

Zij schrikte ademloos terug, snel beurtelings ziende naar dat poppengelaat en naar Frank; zij zag zijn woedenden blik en zelfs ontging haar de ontsteltenis der groote vrouw niet,—een der skatingrinkjes—, terug als deze deinsde toen zij aan Franks arm het meisje bespeurde, dat zij eerst in het gedrang over het hoofd had gezien, ontzet als zij zich wegmaakte, omdat ze zoo onfatsoenlijk was geweest een vriend aan te spreken, die met eene dame liep!

Maar ze verdween toch met een verwonderden omblik naar Bertie, die achter hen kwam: daarvoor had Bertie dan toch wel kunnen waarschuwen ... Want Bertie had drie woorden gewisseld met den Cherry-ripe-hoed, en zelfs naar voren geknikt, zeggende:

—Daar loopt Frank ...

Het speet haar, maar ze had heusch de dame niet gezien!

Thuis gekomen, wilde Sir Archibald, die niets gemerkt had, aan de deur afscheid nemen, maar Frank sprak:

—Ik bid u, ik moet even Eve spreken, ik bid u ...

Het was wel laat, maar Sir Archibald was geen man van etiquette ...

Zij waren alleen en zij bleef zwijgen, hem aanziende met vreemde oogen. Maar hij sprak, haastig, struikelend over zijne woorden, als wilde hij ten snelste elk boos vermoeden in haar bestrijden.

—Eve, Eve, geloof me ... je moet me gelooven: er is niets ... Je mag niets denken, van wat er zoo even gebeurd is ...

En hij vertelde haar in enkele koortsachtige zinnen van vroeger, hun jongelui's-leven, de skating rinkjes ... Nu bestond dat alles niet meer, het was het verleden en, ze wist het, ieder jongmensch had een verleden: ze wist dat nietwaar?

—Een verleden ... fluisterde zij koud. O, ieder jongmensch heeft een verleden ... Maar wij, wij hebben geen verleden, wel?

—Eve, o Eve! kreet hij, want door de ironie harer doffe stem schemerde zulk eene smart heen, dat hij ontzette, radeloos, niet wetend, hoe hij haar troosten zoû.

—Zeg me alleen dit! vroeg zij, hem naderend, met haren vreemden blik in den zijne. Zij legde hare handen op zijne schouders, zij poogde zijne innerste ziel door zijne oogen heen te peilen ... En langzaam vroeg ze, haar vonnis willende lezen uit het eerste woord, dat hij slaken zoû:

—Nu niet meer ...?

Hij knielde voor haar neêr, waar zij stijfrecht, als bevrozen, op een stoel was neêrgezonken; hij verwarmde hare wederstrevende handen in de zijne, hij zwoer van neen ... Zijn eed klonk oprecht, eene waarheid blonk open op zijn gelaat, en zij geloofde hem ... Hij vroeg vergiffenis, zeide, dat zij er niet meer over denken moest, dat dat altijd zoo was ...

—O, zoo, knikte zij hem zonderling toe; ach ja, jawel, ik begrijp dat wel; papa heeft me een beetje liberaal opgevoed ...

Hij herinnerde zich dat gezegde: zij had het nog éens gezegd ... Toen, beiden, dachten zij aan Moldehoï, aan de zwarte wolken ... Eve rilde ...

—Heb je het koud, lieveling?

Zij schudde van neen, steeds met dien vreemden blik in haar oog. Hij wilde haar omhelzen, maar zij trok zich langzaam terug, en hij gevoelde zich onhandig, bijna verlegen. Hij begreep haar niet. Waarom geen kus, waarom geen geheele verzoening, als ze het begreep, als ze een beetje liberaal was opgevoed? Maar ze was misschien nog wat ontsteld. Hij wilde niet aandringen. Het zoû wel slijten ...

Toen hij heen was, in hare kamer, rilde zij, klappertande zij, als in koorts.

Hartstochtelijk begon zij te snikken, diep, diep rampzalig, wanhopig, dat zij leefde, dat zij mensch, dat zij vrouw was, dat zij liefhad, vooràl dat zij liefhad; dat de wereld bestond, dat alles zoo laag en vuil was, als slijk ... zij walgde van dat alles. En het was haar of ze nooit iets begrepen had van hare boeken, noch van Spencer, noch van "Gespenster", vooràl niet van "Gespenster", of ze nooit iets begrepen had van haar vaders opvoeding: een beetje liberaal; het was haar of het blanke vleugeldons harer illuzies om haar heen stoof, of eene ruwe hand een druivenwaas van haar innigste geheimenis, van de ziel harer ziel had weggevaagd, of het heilige leliënmysterie harer maagdelijkheid dwars door een riool was gesleurd.

En voor het eerst bonsde de rust harer groote, practische liefde voor Frank in tegen al de romantiek harer jongemeisjesdroomen, verbrak zich het evenwicht tusschen hare twee gemoederen, haar practisch en haar romantisch gemoed.

X.

Na zijn gesprek met Eve, scheen het Bertie toe, dat hij in eene subtiele sfeer leefde, in een labyrinth omdwaalde, vol geheimzinnige paden van list en sluwheid, waarin hij zeer moest opletten, wilde hijzelf niet verdwalen. Hij wist zeer goed, wat hij in dat gesprek beoogd had: twijfelingen wekken in Eve omtrent Franks standvastigheid ... Kende Eve zelve Frank niet als weifelend, bijna grillig ...? Waren dus zijne woorden goed gekozen geweest? Had hij twijfel gezaaid?

Hij wist er niets van, hij zag er niets van in de, telkens terugkomende, eentonigheden en banaliteiten van het dagelijksch leven, waarin nuances zoo vaak zelfs aan den allerfijnsten opmerker verloren gaan. Eve had hem nog wel eens gevraagd naar dat iets, maar daarna werden hunne gesprekken weder geworden als vroeger, ten minste uiterlijk. Hij zag niets aan Eve, ook niets aan Frank: Eve had dus ook niets aan Frank gezegd of gevraagd ...

Vóor dit gesprek had Bertie aarzelingen gekend, walgingen van zijne eigen harteloosheid, zelfs ontzettingen over de reusachtigheid van zijn eigen egoïsme. Maar dit gesprek met Eve was geweest als de eerste stap op een hellend vlak, waarop men zich niet meer kan omwenden ... Eene helderheid van denken klaarde er na in zijn brein op, als waren zijne hersenen spiegels of kristal, waarin zijne denkbeelden zich als in veel hel licht weerkaatsten. Nog nooit had hij zich zoo gespitst gevoeld, zoo zuiver logisch, zoo, met de nauwkeurigheid van eene naald, gericht op één doel. En die helderheid van denken was zóó intens, dat hij, in eene naïve lacune zijner slechtheid, in een naïve juistheid van zelfkennis, het eens, gedurende eene seconde, bevreemdend in zich vond, dat hij zooveel talent, zooveel genialiteit der gedachte niet aan een doel besteedde, edeler dan het zijne was ...

—Waarom ben je geen artist geworden? hoorde hij Eve nogmaals vragen.

Maar hij glimlachte, de practische moeilijkheden van het leven doemden voor hem op; hij gevoelde de indolentie, de poesenluiheid van zijn lichaam ... neen, neen, het kon niet anders, het moest zoo zijn: de eerste stap was genomen, het was het Lot ...

Toen, bij het uitgaan der comedie, die vrouw uit hun vroeger leven, zijn knikje naar voren: daar loopt Frank! Was dat ook niet het Lot? Strooide het Lot op het pad dergenen, die het bewierookten als eene godheid, die het dienden met een eeredienst, niet zulke oneindig-kleine gebeurtenisjes, als weldaden, die men moest gebruiken: schakeltjes, die—het Lot wilde het zoo—men zelf voegen zoû aan den ketting? Gaf het Lot zelf niet zoo de illuzie van een eigen wil, een zweem van waarheid aan den leugen, dat men door zichzelven—energie—iets kan wijzigen aan den loop der omstandigheden? Niets dan een knikje, niets dan een woordje: daar loopt Frank! en dan rekenen op het toeval—toeval, wàt is toeval?!—dat het fatsoenlijke skatingrinkje, in het gedrang, Eve—zoo klein, zoo fijn, zoo verloren—niet zien zoû!

Was het geschied, zooals het was voorbereid? Had hij den wensch van het Lot geraden? Hij dacht wel: zoo een klein beetje; waarom anders dat smeeken van Frank om een gesprek, zoo laat, bijna in den nacht ...

En in zijne subtiele sfeer van fijn uitgesponnen list, in zijn labyrinth van sluwheid, vond hij zich niet slecht, niet harteloos, niet egoïst meer. Conventie, woorden ... Eene ijdelheid, dat hij zoo fijn dacht, verving alle scrupules, en schemerden zij soms nog op, dan dacht hij maar: wie weet, waar het goed voor was, dat Frank niet trouwde: Frank was niet iemand om te trouwen: neen waarlijk, hij wàs grillig en onstandvastig: hij zo&uci