[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Ferdinand Huyck, by J. Van Lennep This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.net Title: Ferdinand Huyck Author: J. Van Lennep Release Date: February 7, 2006 [EBook #17706] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK FERDINAND HUYCK *** Produced by Marc D'Hooghe.
Amsterdam, den....
Ik weet niet, of gij van nabij bekend zijt geweest met de oude Juffrouw Stauffacher, die nu ruim twaalf jaren geleden in den ouderdom van ongeveer drieëntachtig jaren hier ter stede ontslapen is: zoo niet, acht ik zulks uiterst jammer voor iemand als gij, die een liefhebber zijt van onderzoek te doen naar min bekende bijzonderheden, het leven, het karakter, of de lotgevallen betreffende van vermaarde personen; want zij was een levend repertorium van dergelijke aardigheden. Ofschoon zelve, voor zooverre mij bewust is, nooit eenige buitengewone avonturen hebbende gehad, was zij, door de omstandigheden van haar levensloop, in betrekking geweest met een groot aantal van die personaadjes, welke zich in de vorige eeuw in verschillende opzichten vermaardheid hebben verworven: velen hunner had zij zelfs van nabij gekend.
zegt La Fontaine; en zij had een uitmuntend geheugen. Zij was tegenwoordig geweest, toen Voltaire in den schouwburg bekroond werd, en had Lodewijk XV zien uitrijden met Madame Dubarry: zij had Necker zijn financieel stelsel hooren ontwikkelen en den Graaf de Saint-Germain het toilet beschrijven van de keizerin Helena en de inneming van Akkaron door Richard Leeuwenhart. Er was, in Frankrijk vooral, bijna geen adellijke familie, waarvan zij niet de vertakkingen en opvolging kende, zoo goed en beter misschien dan die van haar eigen geslacht; (want ik heb nooit kunnen uitvorschen, of zij van den medestichter der Zwitsersche vrijheid al dan niet vermeende af te stammen) en zij ware in staat geweest aan de Pseudo-Marquise de Créqui menige dwaling aan te wijzen in de gedenkschriften, die op haar naam zijn uitgevent. Zij kende ook al de kleine anecdoten, die omtrent de merkwaardige personen van het Fransche hof te boek gesteld zijn; en menige daarbij, die niet gedrukt staat, en welke zij onder vier oogen aan de uitverkorene vrienden met zooveel bijzonderheden en locale kleur wist te vertellen, dat men aan de echtheid daarvan niet dorst twijfelen, en dikwijls overtuigd bleef, dat zij hetgeen zij mededeelde had bijgewoond of althans uit de eerste hand vernomen. Wat onze Nederlandsche familiën betreft, hoewel zij ruim vijftig jaren hier af en toe had doorgebracht, was zij daarmede wel eens in de war: niet, dat men haar ooit op misslagen betrapte, wanneer het de afkomst of vermaagschapping gold; maar zij was, gelijk zulks bij oude lieden meer het geval is, op het laatst van haar leven altijd geneigd, een geslacht te verspringen: zoodat zij mij en mijne tijdgenooten tot de zonen onzer grootvaders en de broeders onzer tantes verhief, 't is waar, dat een glimlach van hem, wien de misslag gold, doorgaans genoeg was, om haar te herinneren, dat zij zich vergiste, en om tot rectificatie aanleiding te geven.
Gij moet echter niet denken, dat zij geene andere verdiensten bezat als die van veel gezien en opgemerkt te hebben:—hoewel ook deze minder algemeen gevonden wordt dan men wel denken zoude. Zij paarde aan een gezond oordeel veel solide kennis, en was in de gelegenheid geweest, daarvan voor haar zelve en voor anderen een nuttig gebruik te maken. Ettelijke jonge dames uit onze aanzienlijkste huizen waren aan haar onderwijs en leiding toevertrouwd geweest: en menig verdienstelijk staatsman of geleerde, thans in hooge betrekking geplaatst, getuigt nog heden van het nut, dat hij als jongeling uit haar omgang of lessen getrokken heeft. En bij die verstandelijke gaven voegde zij,—in weêrwil van haar vroegere bekendheid met vrijgeesten en filosofen, met kwakzalvers en roués, in weêrwil zelfs van het zwak, dat haar was bijgebleven voor verscheidene geschriften, die men thans uit de boekerij eener vrouw verbannen zoude,—een vromen, godsdienstigen zin: en haar werken zoowel als haar woorden getuigden, dat haar geloof vast was en op een onwankelbaren grondslag gebouwd.
Haar karakter was vrolijk en opgeruimd: en tot haar einde toe bleef haar het levendige, ja, ik zoû zeggen, het kinderlijke van een jong meisje bij. Vandaar dat zij zich somtijds op een kluchtige wijze recht boos kon maken: bij voorbeeld, wanneer zij iets gelezen of gehoord had, dat niet strookte met hetgeen zij begreep en volhield waar te zijn: of wanneer iemand een regel uit een dichtwerk verkeerd aanhaalde, of dien niet aan den rechten maker toeschreef, of wel zijn onkunde aantoonde omtrent het juiste getal kinderen, door Lodewijk XIV bij Mevrouw de Montespan verwekt. Maar de lieden, op wie zij het voornamelijk geladen had, waren onze hedendaagsche boekverkoopers, met hun flikkerende stereotypen, hun miniatuur-uitgaven en hun compleete werken in een deel. Zij nam het zeer kwalijk, dat men aan oude lieden, wier gezicht begon te verzwakken, en die toch buiten lectuur weinig anderen troost konden vinden, juist die eenige uitspanning zoo moeilijk maakte. Zij bleef dus de 4e edities voorstaan: en, behalve den huisbijbel, kon men ook doorgaans op haar tafel een Cats in dat formaat aantreffen, of wel de fraaiste en duidelijkste uitgaven der Fransche puikdichters. Ook met onze hedendaagsche muziek kon zij het maar niet vinden: zij haalde de schouders op bij de roulades en fioritures, die tegenwoordig bij geen aria ontbreken: en beweerde dat men alle lieflijkheid, alle gevoel had verbannen en opgeöfferd aan de zucht om te schitteren en moeilijkheden te overwinnen; terwijl daar-en-tegen, gelijk zij volhield, de muziek, die men in hare jeugd maakte, tot het hart sprak en verstaanbaar was, en tot bewijs van haar stelling gebeurde het wel eens, dat zij den redetwist besloot door met een nog vaste en zuivere, hoewel verzwakte stem, een aria uit Blaise et Babet of Les trois Fermiers te zingen, of liedjes te neuriën, welke zij van haar grootmoeder gehoord had, en die dus, behalve de overige verdiensten, ook die der nieuwheid bezaten;—voor zooverre immers in de muziek hooge oudheid het nieuwste is dat men hooren kan.
Haar huishouding bestond uit twee oude meiden en een kat: maar er was geen papegaai, die de menschen met zijn dom gesnater in de rede viel; noch kanarievogel, die alle conversatie met zijn schel gezang onmogelijk maakte. Ik herinner mij echter, dat zij langen tijd een goudvink bezat, die twee of drie van haar lievelingsdeuntjes floot; maar het was een welopgevoede muziekant, die zich, even als alle verdienstelijke virtuosen, niet hooren liet, tenzij hij eerst eenige malen daartoe was aangespoord.
Wat de kat betreft, het was geen oude, dikke, logge, vetgemeste pannelikker, zooals men die gewoonlijk bij bejaarde vrijsters plaatst, die den dag doorbracht met op een kussen te slapen en met de lekkerste beetjes gevoed werd; maar het was een jong vlug, geestig diertje, met een glinsterende zwarte vacht, en een uitzicht, zoo schrander en vernuftig als dat van den wijdberoemden kater Murr kan geweest zijn: en zijn meesteres bedierf hem volstrekt niet, maar behandelde hem gelijk men een dartel spelend kind doet, aan hetwelk men gepaste toegevendheid bewijst, doch dat men tevens in ontzag weet te houden. Het was een lust om te zien, hoe aardig ons poesje uren lang met het kluwgaren van zijn meesteres of met den rotting of de handschoenen van den bezoeker wist te spelen en welk een pret het vond in dergelijke vermaken: hoe het over den schoorsteenmantel, tusschen al de flacons, kopjes en vaasjes door, heen en weder liep, zonder iets aan te raken, laat staan te beschadigen; het zoû de kunstenaren, die op eieren danst, beschaamd hebben gemaakt. Men kon dus met een gerust geweten, en zonder beschuldigd te worden van zich aan vleierij over te geven, met de lofspraken instemmen, welke Mejuffrouw Stauffacher aan haar lieveling gaf, en ook gaarne had, dat er door anderen aan gegeven werden. Ik zal hier nog bijvoegen, dat poes geen legaat heeft gehad: de goede juffrouw wist wel, dat het, ook na haar dood en zoo lang haar beide oude getrouwe dienstmaagden leefden, aan niets gebrek zoû hebben.
Maar gij zult mij vragen, wat u dit alles aangaat, en waarom ik u uwen tijd ontroof, door u over de kunstjes van de poes mijner oude vriendin te onderhouden? Ik zal er u openhartig de reden van zeggen: het is mij, uit hetgeen ik zoo dagelijks lees, genoegzaam gebleken, dat het door alle schrijvers van naam en gezag als een vereischte wordt aangemerkt, nimmer terstond plomp weg met de deur in huis te vallen: maar eerst eenige omschrijving en inleiding te bezigen, bestemd om de nieuwsgierigheid te prikkelen en voorts ongeveer dezelfde dienst te doen, welke de pastijtjes en croquettes bewijzen wanneer zij het gebraad voorafgaan.
Het voorbeeld dier doorluchtige schrijvers wilde ik volgen, en u daarom met Mejuffrouw Stauffacher en haar alentours bekend maken, alvorens ik er toe overging om u het onderhoud te verhalen, hetwelk ik eens met haar had en waaraan dit geschrijf zijn oorsprong verschuldigd is.
Het was op een voorjaars-achtermiddag: ik had, gelijk ik meermalen deed, wanneer beroepsbezigheden mij in de stad hielden, het middagmaal bij haar genomen en zat, in afwachting der koffie, tegen-over haar voor het open raam een pijp te rooken, waartoe zij mij altijd aanspoorde, er bijvoegende, dat de tabakslucht zulke aangename herinneringen bij haar opwekte, dewijl zij dan aan haar vader dacht, die kapitein bij het Regiment Waldeck was geweest, en die zooveel van rooken hield, dat hij de pijp zelfs niet uit den mond nam, wanneer hij een schoon hemd aantrok. De oude Juffrouw zat over mij, de een weinig van de jicht gezwollen voeten op een met groen baai overtrokken bankje houdende, en knorde van tijd tot tijd op de nieuwerwetsche filtreerkannen en de koffie, die niet lekken wilde. De kat was op de tafel gesprongen en vermaakte zich met den sleutelbos, die aan het tinnen koffietrommeltje hing: een uitspanning, welke zij nu en dan staakte om naar buiten te zien en aan de vogeltjes, die den pereboom voor het raam op en af vlogen, een blik toe te werpen, die zoo veel aanduidde, als dat, indien zij het fatsoenshalve niet liet, zij wel eens jacht op hen zoude willen maken.
Wij hadden een poos stilzwijgend over elkander gezeten, in die aangename, rustige gemoedsgesteldheid, welke zoo bevorderlijk is aan de goede spijsvertering, en waarin men, zonder de hersens met eenig bepaald onderwerp te vermoeien, de schakel der gedachten volgt, die zich van zelve ongezocht in het brein ontwikkelen. Ik recapituleerde bij mij zelven hetgeen zij mij aan den disch had verteld, betreffende de misslagen en logens voorkomende in zekere onlangs uitgekomene gedenkschriften, welke ik haar geleend had, en die mij in de gelegenheid hadden gesteld, opnieuw haar zaakkennis en geheugen op te merken.
"Weet gij, wat mij verwondert?" zeide ik eindelijk, uit mijn mijmering ontwakende.
"Wat?—Dat ik niet liever de koffie kook, gelijk ik vroeger placht te doen, dan een filtreerkan te gebruiken?—Gij hebt volkomen gelijk."
"Neen, lieve vriendin! Ik heb niets betreffende uw koffie aan te merken, die reeds zulke aangename geuren begint te verspreiden, dat, naar mijn overtuiging, het plechtig oogenblik van inschenken niet ver meer verwijderd kan zijn; maar ik wilde u mijn bevreemding te kennen geven, dat iemand, die zooveel gezien en gehoord heeft, waarvan wij ons niet dan door valsche of gedeeltelijke opgaven een denkbeeld kunnen maken, die zulk een uitmuntend geheugen heeft, en de pen bovendien zoo goed te hanteeren weet als gij, er nimmer aan gedacht heeft, zelve eens gedenkschriften te schrijven."
"In waarheid, mijn beste P....! ik heb in mijn vroegere betrekkingen wel wat anders te doen gehad als memoriën te schrijven: en op mijn jaren betaamt het eer, dat men zich met de toekomst, dan met het verledene bezig houde."
"Nu ja!—Maar nu doet gij zulk een grooten sprong. Zoo gij op uw vijftigste jaar begonnen waart, zoudt gij ruim den tijd hebben gehad, eenige boekdeelen te vullen."
"Hoor! ik heb nooit verlangd, mij een naam te maken: en al wat ik begeer is, na mijn dood vergeten te worden."
"Foei! Gij weet te goed, dat er menschen genoeg zullen zijn, bij wie gij in gezegend aandenken zult blijven: en het zoû u zelfs leed doen te denken, dat die u vergeten konnen."
"Kom! kom! gekheid! Gij weet wel, dat ik het in dien zin niet meen; maar wil ik u eens zeggen, waarom het dwaas in mij zoû geweest zijn, als schrijfster op te treden?—Zoo als gij mij nu kent, houdt gij er van, mij te hooren keuvelen en somtijds misschien wat doorslaan: en later als ik dood ben, zult gij, vertrouw ik, wel eens aan de oude Juffrouw denken, als aan iemand, die nog al wat van den ouden tijd wist te vertellen; en mogelijk gebeurt het, dat gij nu en dan aan dezen of genen, die verkeerd onderricht is; toevoegt, hoe Juffrouw Stauffacher, die het wel wist, dat verhaalde; maar zoo ik gedenkschriften had uitgegeven, dan ware ik niet langer de oude Juffrouw meer, die men op haar woord geloofde, maar een schrijfster; die elk het recht zoude hebben met aanmerkingen en kritieken op 't lijf te vallen.—Spreek mij niet tegen," vervolgde zij, ziende, dat ik het hoofd schudde, als iemand, die niet overtuigd is: "ik weet het beter:—en dit ware niet alles; maar ik zoû geen genoeglijk uur meer met u of mijn andere goede vrienden hebben. Thans mag ik u nog de eene of andere anecdote vertellen, die gij tien of meermalen gehoord hebt; maar waar gij de beleefdheid hebt naar te luisteren, als of zij u geheel nieuw voorkwam;—maar stond die eens gedrukt, dan zoû ik immers den mond niet meer durven opendoen om over oude zaken te praten, uit vrees, dat iemand mij op mijn boterham zoû geven: "ja! dat hebben wij gelezen bladz. 58 van het Eerste Deel." Neen! neen! dat niet. En dan is er nog iets: ik heb met heel wat rare potentaten en stoethaspels omgegaan, en hen in hun dagelijks bedrijf gezien: en ofschoon ik er géén kwaad in zie, over hen te praten, en het zelfs gaarne doe, zoo heb ik er nooit van gehouden, om datgene publiek te maken, wat tot het private leven van personen behoort. Het komt mij altoos voor, dat noch Necker, noch Delille, noch Madame Du Deffant, zich in mijne tegenwoordigheid zoo zouden hebben uitgelaten als zij deden, wanneer zij vermoed hadden, dat ik hunne gezegden later openbaar zoude maken. Er is iets heiligs, naar mijn oordeel, in een gemeenzaam onderhoud: en daarvan mag geen misbruik gemaakt worden."
"Dat ben ik niet met u eens. Beroemde mannen behooren tot de nakomelingschap, en zij zijn er zelfs over 't geheel mede gestreeld, wanneer men aan hetgeen zij gezegd of gesproken hebben waarde genoeg hecht om het bekend te maken: zelfs dan, als het hun niet tot eer verstrekt. Zij hebben allen een weinig van de ijdelheid van Herostratus weg, en wanneer men slechts van hen spreekt, kan het hun minder schelen, hoe."
"Ieder heeft zijne inzichten; maar ik heb mij niet geroepen geacht, om iets te doen, waar mijn gevoel tegen opkwam."
"Dan is het jammer, dat gij geen roman geschreven hebt, waar gij uw kennissen met verandering van naam, tijd, enz. in te pas had gebracht."
"Mijn lieve P.! gij vergeet, dat die kleine bijzonderheden, die thans aan u en anderen belangrijk voorkomen, omdat zij belangrijke personen betreffen, of wel omdat ik er zelve in gemoeid ben, al haar aardigheid zouden missen, indien zij betrekking hadden op onbekenden. Er zijn zeer weinige zoogenaamde vernuftige gezegden, zeer weinige merkwaardige voorvallen, die hun waarde niet grootendeels ontleenen aan de namen, die er mede gemoeid zijn. Zoû iemand zich b.v. de moeite ooit getroost hebben om de zoutelooze kwinkslagen op te teekenen of na te schrijven, die men aan Cicero toekent, indien gij of ik die gezegd hadden?—En echter vinden wij die in al de schoolboeken.
"Ik beken gaarne, dat gij dagelijks betere dingen voortbrengt, dan al wat wij van dien aard in de klassieke oudheid aantreffen: en juist daarom verbeeld ik mij, dat gij, gebruik makende van de bouwstoffen die gij hebt, een zeer onderhoudend boek zoudt hebben kunnen schrijven.
"'t Is mogelijk: ik heb het nooit beproefd: en in allen gevalle weet ik niet, of het mij gelukt zoû zijn langs den door u aangewezen weg. Want het is niet genoeg steen en kalk te hebben, men moet ook de bekwaamheid bezitten van die aan-een te voegen, indien men er een huis van wil bouwen: en al heb ik nog zulk een voorraad anecdoten en grappen, ik diende een lijst te hebben om die in te plaatsen; want gij zoudt toch niet begeeren, dat ik een boek schreef alleen om de menschen aan 't lachen te maken: en er diende toch wel een zekere zedeleer bij te komen."
"Hm!" zeide ik, glimlachende: "die zedeleer van de romans!"
"Ja! ik weet wel, dat men daar tegenwoordig niet meer om geeft: en dat althans de Fransche boeken van dien aard zijn, dat men zich bijna schaamt, die gelezen te hebben; nu—voor mijn part, ik lees ze niet: ik hou mij bij 't oude."
"Er valt zeker niet veel op te roemen" zeide ik, mij vermakende met de drift, waarmede zij sprak: "maar," vervolgde ik, haar willende plagen door een van haar lievelingsschrijvers aan te vallen: "daar is Fielding, met wien gij nog al ophebt: die is dan toch ook niet bij uitstek kiesch in zijn tooneelen."
"Dat weet ik wel, en ik zoû u ook niet zeggen, dat gij Tom Jones aan uw dochter ter lezing moest geven; maar indien gij beweert, dat het boek geen goede zedeleer heeft, dan zeg ik, dat gij het nooit met aandacht gelezen hebt. Indien Fielding zijn held nu en dan laat struikelen, en daardoor in de noodzakelijkheid vervalt van beschrijvingen te geven, waar sommigen zich aan ergeren, dan dient hij zijn lezer later het tegengift voor, door hem de rampzalige gevolgen aan te toonen, die onvermijdelijk uit het inwilligen onzer verkeerde neigingen ontstaan: daarom acht ik het boek zoo hoog, omdat het bestendig strekkende is, om de groote en nooit genoeg herhaalde waarheid te verkondigen, dat het kwade altijd zijn meester loont."
"Ziedaar een waarheid, lieve Juffrouw! die zoo oudbakken is, dat men er aan begint te twijfelen: en, rechtuit gezegd, ik behoor onder die twijfelaars; want wordt niet door de stelling, dat deugd en misdrijf beide reeds hier op aarde vergolden worden, de leer der vergelding hier namaals merkelijk verzwakt?—En leert ons eene, misschien ook wat oudbakken, ondervinding niet, dat de booze dikwijls, ongestoord, de rijkste zegeningen geniet, terwijl de brave in armoede en ellende zucht en met allerlei tegenspoeden te kampen heeft?"
"Tot op zekere hoogte geef ik dit toe; maar ik verzoek u, wel op te letten, dat ik geenszins beweerd heb, dat het goede zoowel als het kwade hier beneden beloond of gestraft wordt in den zin, dien gij er aan hecht:—verre van dien: dat geschiedt eerst in een volgend leven; maar alleen, dat elke daad, die wij verrichten, haar natuurlijke, onvermijdelijke gevolgen met zich brengt, die somtijds, wel is waar, geheel anders zijn, dan men die zich voorstelt; maar die niet-te-min leerzaam zijn en blijven voor den opmerkzamen beschouwer. Het moge den booze—want ik wil uw redeneering eens volgen; ofschoon ik anders niet houde van die peremptoire manier om de menschen in twee deelen te scheiden, goeden en slechten;—ik heb nooit zulk een volslagen schelm gekend, of hij had ook zijn goede zijde: en de beste mensch daar-en-tegen zondigt ook nog dagelijks—het moge, zoo als ik zeide, den booze welgaan: hij moge zelfs de stem van het geweten smoren ('t geen ik ook al met geloof, want daar is poes; die kan ik het altijd aanzien als zij gesnoept heeft, aan de schuwe en verlegene houding die zij dan aanneemt: en zoo poes een conscientie heeft, dan heeft een mensch er een à plus forte raison); maar het gedane kwaad zal niet-te-min gevolgen hebben, die hem, soms na jaren en op 't onverwachtst, voor 't aangezicht zullen springen en lastige oogenblikken bezorgen. Met het goede, dat men verricht, is het, of liever, schijnt het niet volkomen zoo gelegen; maar, behalve dat zich bij het beste dat wij verrichten altijd iets menschelijks paart, en wij eigentlijk niets wezentlijks goeds kunnen uitrichten, maar altijd, als onnutte dienstknechten, zeer achterlijk blijven, zoo leert ons de ondervinding, dat men het goede om zich zelf moet doen en niet om het loon, dat er uit voortkomt, en dat miskenning, ondankbaarheid, terugzetting, enz. er menigmalen de gevolgen van zijn. Nog meer: men kan wel dadelijk bepalen, en men doet het ook genoeg, welke daad verkeerd is geweest; maar evenmin als men de drijfveeren kent, welke iemand tot zondigen aangezet hebben en hem tot verschoning kunnen strekken, evenmin kan men beöordeelen, of de ogenschijnlijk goede daden altijd even zuiver in haar oorsprong zijn: en of die zoogenaamde lijdende deugd haar tegenspoeden niet veelal aan zich zelve te wijten heeft. Ik voor mij geloof niet aan die heel brave lieden, die tevens zoo heel ellendig zijn: wanneer men hun geschiedenis wel kende, zoû men dikwijls vinden dat de rampen, waarmede zij te worstelen hebben, haar oorsprong hebben, in verkeerde, en vooral in domme streken, vroeger gepleegd."
"Ik ben het in vele opzichten met u eens; maar ik bid u, zeg het niet overluid; want wat werd er van het medelijden en van de liefdadigheid, indien men zich gerechtigd achtte, elken behoeftige toe te voegen, dat hij door eigen schuld ongelukkig ware?"
"Wel! mij dunkt, dat hij daardoor juist een dubbele aanspraak op ons medelijden heeft."
"Ja; maar daar heeft hij weinig aan, zoo er de liefdadigheid niet bij komt; doch—om tot ons onderwerp terug te keeren. Gij zoudt dus denken, dat wanneer men haarklein iemands geschiedenis wist, men de bron der wederwaardigheden, die hem treffen, altijd daarin zoû kunnen terugvinden, even als men op een landkaart den oorsprong eener rivier kan opsporen."
"Hou wat, gij keert mijn stelling om: en dat is mis. Even als de oorsprong, dien gij zoekt, soms buiten de kaart gelegen zijn, even-zoo kan de aanleiding van een ramp, die ons treft, van buiten komen; maar ik heb beweerd, dat elke daad, die wij verrichten, tot de minste onvoorzichtigheid toe, ons of onmiddellijk, of later, opbreekt, en dat elke levensgeschiedenis, mids naar waarheid geschreven, ons daarvan getuigenis geven zoude."
"Nu! ik zoû gaarne een zoodanige geschiedenis zien."
"Ik zoû gemakkelijk aan uw verlangen kunnen voldoen: wilt gij de goedheid hebben, even aan de schel te trekken."
De meid kwam. "Fremmetje!" zeide Mejuffrouw Stauffacher, haar den Sleutelring gevende: "ga eens op de boven-achterkamer. In de tweede kast van het raam af, op de vijfde plank van onderen af, ligt een pakket, met rood band omwonden: haal mij dat eens hier: maar denk er aan, de knippen te sluiten, als gij de kast weer dicht-doet: en neem het koffiegoed maar weg: Mijn Heer drinkt toch niet meer."
"Ziehier," vervolgde zij, toen zij het gevraagde uit de handen der dienstmaagd bekomen had, "de geschiedenis, waar ik u van sprak. Hij, die de hoofdpersoon er van uitmaakt, beging een kleine, zeer verschoonbare onvoorzichtigheid, die voor hem een bron was van verdrietelijkheden en ongenoegen: anderen, daarin voorkomende, begingen grootere dwaasheden; en ook zij moesten er de gevolgen van dragen."
"En—de geschiedenis van de geschiedenis?"
"Gij weet, dat ik vroegere jaren eenigen tijd bij de familie A. als gouvernante heb doorgebracht. Wij zagen dikwijls den Heer X., die aan het hoofd stond van een bloeiend huis van negotie. Hij was daarbij een groot minnaar en voorstander der letterkunde en hield er veel van, met mij over de daartoe betrekkelijke onderwerpen te redeneeren. Eens dat wij van romans spraken en ik mij ergerde over het onwaarschijnlijke der meeste voorvallen, die ons in dat slag van werken worden opgedischt: "où trouvera-t-on le romanesque, si ce n'est dans les romans," vroeg hij lachende. "Ja!" zeide ik: "dat is even als de boef, die vroeg, waar de valsche eeden toe dienden, als men ze niet gebruiken mocht?"—"Maar," vervolgde hij: "ik beweer, dat vele dingen, die ons in het dagelijksch leven gebeuren, zoo vreemd, toevallig of zonderbaar zijn, dat zij, in een roman vermeld, met den naam van onwaarschijnlijkheden zouden bestempeld worden."
"Le vrai peut quelquefois n'être pas vraisemblable," zeide ik, maar voegde er bij, dat het niet om een enkele onwaarschijnlijkheid, maar om de opeenstapeling van onwaarschijnlijkheden was, dat ik de meeste romans veroordeelde. "Nu!" zeide hij: "zoo ik op uw discretie staat kon maken, zoû ik u een handschrift kunnen doen zien, eenige voorvallen behelzende, die mijn eigen grootvader zijn overkomen, en waarin zoovele toevalligheden en vreemde ontmoetingen voorkomen, als men die naauwlijks in een roman zoû aantreffen."—Ik betuigde hem mijn verlangen om dat handschrift te lezen: hij voldeed aan mijn wensen, en ik moest hem, na de lezing, toestemmen, dat hij de waarheid gesproken had. Ik verzocht hem afschrift er van te mogen nemen. "Daar heb ik niet tegen," zeide hij: "op voorwaarde, dat gij het aan niemand laat lezen, althans in de eerste veertig jaren niet; want er zijn te veel personen in gemoeid, wier kinderen of kleinkinderen nog leven. Wat later gebeurt, kan mij niet schelen: al wil men het uitgeven; want dan zullen de daarin voorkomende portretten wel niet meer dan antiquiteiten zijn."
"Ik beloofde zulks en deed nog meer: ik veranderde al de namen, ten einde niemand, die bij toeval het stuk in handen kreeg, zoû weten of het waar, dan wel verzonnen ware. Nu zijn die veertig jaren om, en ik wil niet, dat men het na mijn dood onder mijne papieren vinde: men mocht eens denken, dat het eigen compositie ware. Neem het dus en handel er meê naar welgevallen."
Ik aanvaardde met gretigheid het aangeboden geschenk, en las het, zoodra ik te huis was, met belangstelling. Of echter de veranderingen, welke het oorspronkelijke heeft ondergaan, zich alleen tot de namen bepaald hebben, en of Mejuffrouw Stauffacher er niet hier en daar een weinig uit haar eigen brein heeft tusschen gevoegd, wil ik niet beslissen. Het laatste meen ik vooral daarom te moeten gelooven, omdat, schoon haar naauwgezetheid zooverre is gegaan, dat zij alle jaartallen en data heeft weggelaten, er hier en daar, bij toespelingen op bekende gebeurtenissen, bij het schetsen van sommige zeden, gebruiken, kleederdrachten enz., ja bij het doen van enkele aanhalingen, het een of ander voorkomt, dat mij toescheen niet tot het tijdvak, waarin het verhaalde voorvalt, maar iets vroeger of iets later te huis te behooren. Ik had echter geene gelegenheid Mejuffrouw Stauffacher deswege nader te onderhouden; daar ik haar niet weder alleen aantrof, en zij kort daarop, tot bittere droefheid van haar vrienden, tot een beter leven werd opgeroepen.
Ik was het geheele Handschrift vergeten, toen het mij, dezer dagen, bij het opruimen van oude papieren onder de oogen kwam. Bij de herlezing scheen het mij toe, dat wellicht diezelfde vreemde avonturen, met welker lezing ik mij vermaakt had, ook bij anderen eenig belang zouden kunnen wekken, en dat, na verloop van zoo vele jaren, geene zwarigheid meer bestond, om de geschiedenis van den Heer Ferdinand Huyck (gelijk hij door Mejuffrouw Stauffacher herdoopt is), wereldkundig te maken. Daar uw naam echter meer dan de mijne in de letterkundige wereld bekend is, wend ik mij tot u, met de vraag of gij de peetschap over het papieren kind wilt op u nemen, overtuigd dat enz....
Uw vriend
P.
Dat ik aan het verlangen van mijn vriend voldeed, blijkt uit de navolgende bladzijden. Ik beken echter, dat ik niet zoo volkomen gerust ben omtrent de echtheid van het werk, als mijn vriend schijnt te zijn. Ook heb ik Mejuffrouw Stauffacher niet zoo van nabij gekend als hij, en durf dus niet beslissen, of haar waarheidsliefde zooverre ging, dat zij nooit knollen voor citroenen verkocht: en somtijds rijst bij mij het vermoeden op, of zij, ondanks haar betuigingen van het tegendeel, niet eens in haar leven tot de verzoeking vervallen is van een roman te schrijven en, hoewel huiverig om dien bij haar leven uit te geven, echter heeft willen zorgen, dat hij na haar dood het licht zage. Wat hiervan zij, ik geef het boek zoo als ik het ontvangen heb: en heb er niets aan veranderd, zelfs de spelling niet; waaromtrent ik moet doen opmerken, dat Mejuffrouw Stauffacher overal de klanklooze e achter het onbepalend lidwoord en veelal ook achter de possessiva weglaat, tenzij wanneer het eerste een telwoord wordt of wanneer de laatsten bijzonderen nadruk vereischen. Zij schreef misschien niet volgens vaste regelen; misschien meer dan zij zelve wist; maar zij volgde in allen gevalle haar gehoor: en, voor zooverre men schrijven moet gelijk men spreekt, geef ik haar daarin geen ongelijk.
DE UITGEVER.
Dikwijls, mijn kinderen! wanneer wij na afloop van den avond-disch een naauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte, terwijl uw lieve grootmoeder, half wakend, half slapend, nieuwe hieltjes aan de versletene kousjes der kleintjes breide, en een van u mij met een vleiende stem toeriep: "och, grootvader! vertel ons nog eens wat van den Carnaval te Venetiën, of van den Landgraaf van Hessen, of van de Frankforter mis!" heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door Duitschland en Italiën deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op het laatst mijn ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ik zelf, en vaak, wanneer mijn door ouderdom eenigszins verzwakt geheugen te kort schoot, mij de kleine bijzonderheden herinnerdet, welke tot aanvulling mijns verhaals moesten strekken. Nimmer echter heeft een uwer mij ondervraagd betreffende hetgeen mij na mijn terugkomst van die reize overkomen is; waarschijnlijk omdat gij, wetende hoe kalm en gerust ik, sedert mijn huwelijk, de dagen mijns levens in den schoot mijns huisgezins gesleten heb, verondersteldet, dat ik, te huis komende, zoo maar dadelijk een vrouw en een aanzienlijk vermogen gevonden had, en dat geene zorg noch wederwaardigheid die dagen van kalmte was voorafgegaan. Intusschen bedriegt gij u zeer: en het tijdvak, dat onmiddellijk op mijn reis volgde, was het gewichtigste en, in zijn bijzonderheden, het belangrijkste mijns levens. Dat ik er tot heden nimmer over gesproken heb, en ik ook thans, in plaats van u de voorvallen, die daarin plaats vonden, bij monde mede te deelen, die in geschrifte stel, ten einde gij die na mijn dood zoudt kunnen te weten komen, moet gij niet aan een dwaze gril toeschrijven: ik had daar een gezonde reden toe. De gebeurtenissen, waarbij mij de omstandigheden een werkzame rol deden spelen of wier invloed zoo krachtdadig op mijn volgenden levensloop werkte, waren van dien aard, dat zij deels uw jeugdig verstand te boven gingen, deels voor uw grootmoeder te droevige herinneringen opwekten: ja, ik zou die geheel aan de vergetelheid opgeofferd hebben, ware het niet, dat gij, naar ik mij voorstelde, bij het vorderen in jaren, daaruit nutte les en leering zoudt kunnen trekken. Ik heb derhalve mijn herinneringen, zooveel in mij was, bijeenverzameld, ten einde niets te vergeten van hetgene in verband staat met de lotgevallen, welke de navolgende bladen zullen behelzen. Ofschoon ik voor u schreef, en u steeds gedurende mijn arbeid voor oogen had, heb ik, ter vermijding der verwarring, welke door het gebruik der tweede persoon zoo licht ontstaan kon in een verhaal, waarin zoovele samenspraken zijn ingelascht, dat verhaal zoodanig ingericht, als schreef ik voor dat groote publiek, jegens hetwelk men, uit eerbied, altijd de derde persoon moet bezigen, en welks welwillendheid ik, (die niet weet hoe het t' avond of morgen dit geschrijf onder de oogen krijgen kan) bij dezen inroep.
Het was in den zomer van het jaar 17.., dat ik, na een afwezigheid van twee jaren, den vaderlandschen grond weder betrad. Een oudoom van mij, die te Leiden woonde, bij wien ik, gedurende mijn academiejaren, dagelijks aan huis verkeerde, en die voor het einde mijner studiën overleed, had mij een vrij aardig sommetje gelegateerd, onder voorwaarde, dat ik daarvoor een reis naar Italiën zoude doen, iets hetwelk bij bij zijn leven altijd hoogstnoodzakelijk placht te stellen om de jeugd te vormen. Hij zelf was nooit verder dan den Haag geweest en zeide altijd, dat het hem speet; ofschoon ik de reden nog niet begrijp, welke hem, die ongehuwd en onafhankelijk was, heeft kunnen terughouden van datgene te doen, wat hij anderen aanprees.
Verschillende oorzaken hadden medegewerkt om mij langer te doen uitblijven, dan ik oorspronkelijk van meening geweest was, en onder die oorzaken waren de navolgende de voornaamsten. Tusschen het handelshuis van Bempden van Baaien en Co. te Amsterdam en een ander huis te Livorno, hadden, sedert een geruimen tijd, over een netelige handelsquaestie, briefwisselingen bestaan, welke tot geen beslissing leidden. Daar nu een mijner Tantes in het eerstgenoemde Huis een groot gedeelte van haar vermogen had zitten, schreef zij mij, of ik ook kans zou zien, de zaak gedurende mijn verblijf in Italiën in het effen te brengen. Ik had, hij geluk, juist kennis gemaakt met een der deelgenooten der Livornoosche firma en, bij nog grooter geluk, zijn gunst en vertrouwen gewonnen; zoodat ik, minder ten gevolge mijner bekwaamheden als gevolmachtigde, dan omdat ik met een rekkelijk man te doen had, die rede wist te verstaan, volkomen mocht slagen in het ter stand brengen eener schikking, waarmede beide partijen tevreden waren.—Hiermede echter was, hoe vlot het ook ging, toch altijd een vrij lange tijd verloopen.
Mij een paar maanden later te Napels bevindende, ontmoette ik den Jonker van Ypendael, een hoogst beminnelijk jongeling, die, even als ik, voor zijn genoegen reisde en wiens kennismaking mij ten uiterste welkom was. Wij vormden het besluit, onze reis gezamentlijk voor te zetten. In Siciliën overviel hem een kwaadaardige ziekte, welke van langen duur werd en waaruit hij slechts langzaam herstelde. Het spreekt van zelf dat ik mijn vriend en reisgenoot niet verliet en hem, zoo trouw ik kon, oppaste en verzorgde; maar dit onvoorziene toeval vertraagde mijn terugkomst opnieuw.
Des te zoeter was, na een zoolang uitblijven, ons beider gevoel, toen wij voor het eerst weder, over Munsterland teruggekeerd, de moedertaal, al was het dan ook met den Overijselschen tongval, hoorden spreken; en met aandoening was ik een dag later getuige van de heuglijke vereeniging mijns reisgenoots met zijn familie, die een Ridderhofstad aan gene zijde van Amersfoort bewoonde. Ondanks mijn vrij natuurlijke begeerte om mijn weg zonder oponthoud te vervolgen, ten einde hetzelfde geluk te smaken, dat mijn vriend was te beurt gevallen, kon ik zijn dringend aanzoek niet weêrstaan, om nog dien dag met hem te blijven doorbrengen en deel te nemen in het vrolijke familiefeest, waarop zijn behouden terugkomst gevierd werd en hetwelk volgens de uitdrukking der blijde ouders, niet volkomen zou zijn, indien de reisgenoot van hun zoon er aan ontbrak en zij de gelegenheid moesten missen om mij te bedanken voor de trouwe verzorging van hun Eduard. Ik kan niet anders zeggen of, niettegenstaande mijn gedachten meestal te Amsterdam waren, ik deed eer aan het maal en vergastte mij recht op de zoo lang ontbeerde dorperwtjes, op het heerlijk rundvleesch en de geurige fruit, die mij werden toegediend; want welke voordeelen ook de Hoogduitsche keuken moge hebben, ik gaf toch aan den Hollandschen pot de voorkeur en groette elken mondvol, dien ik nam, met hetzelfde vermaak, waarmede ik een lang gemisten vriend de hand zou gedrukt hebben.
"Kom, nog een glas borgonje!" riep mij de oude, dikke landedelman toe, terwijl zijn bolle wangen gloeiden van het geluk dat hem de wederkomst van zijn zoon verschafte, en van de herhaalde offers, aan Bacchus gebracht: "Deze wijn kan u geen kwaad: hij is van het echte merk en niet van die zure clairetwijnen, waar men in mijn jongen tijd niets van af wist, en waarmede men ons nu in de kleêren wil steken. Kom, mijn jongen! de gezondheid van uw vader! Lang moge hij leven, tot heil van Amstels burgerij, en tot handhaving der goede Justitie!"
"Van harte gaarne!" zeide de oudste broeder mijns vriends, zijn glas vullende: "en dat hij er spoedig in moge slagen, dien gevreesden Zwarten Piet meester te worden, die, gelijk men zegt, de verstrooide bende van wijlen Jaco heeft vereenigt en er het Sticht mede afloopt.
"Wel zoo!" zeide lachende Eduard, "wilt gij die eer aan onze Stichtsche Baljuwen niet gunnen? Is dat nu een wensch voor den erfgenaam eener Heerlijkheid, welke het recht van hooge en lage jurisdictie bezit?—maar genoeg daarvan: Moeder schudt het hoofd en Leentje wordt bleek, wanneer wij zoo van dieven spreken. Ik laat den Hoofdschout daar, Ferdinand! en drink de gezondheid uws vaders."
"En dezen dronk," vervolgde de Baron, zijn geledigd glas weder vullende, "wijde ik uwer brave moeder!"
Het was reeds de derde reis, dat de goede man al de leden mijner familie met zijn toasten (gelijk men die thans noemt) was rondgegaan: en ik begon te vreezen, dat de gezondheid van de mijnen mij nog ziek zoude maken: ik verzocht dus, zoodra ik mijn glas geledigd had, om verlof, van mij naar mijn kamer te mogen begeven, tot verschooning bijbrengende, dat ik den volgenden dag, wilde ik nog met den avond te huis zijn, vroegtijdig vertrekken moest.
"Het blijft dan uw vast besluit ons morgen te verlaten?" vroeg de oude Heer.
"UEd. kan zelve beöordeelen, of ik mijn vertrek langer mag uitstellen."
"De jonge heer heeft gelijk," zeide mevrouw van Ypendael: "en hoe gaarne wij langer zijn gezelschap zouden willen genieten, mogen wij hem echter niet tegen zijn zin hier houden; daar wij aan ons eigen hart kunnen gevoelen, hoezeer zijn familie naar zijn terugkomst verlangen moet. Wij zonden het ook niet aardig gevonden hebben, indien men onzen Eduard langer van huis gehouden had."—Met deze woorden drukte zij de hand van haar teruggekeerden lieveling.
"Gij hebt wel gelijk, moeder!" zeide deze, haar omhelzende: "ik vind mij nu zoo gelukkig: en zou ik dan mijn vriend beletten, dat zelfde geluk zoo spoedig mogelijk te smaken?"
"En hoe denkt gij de reis te doen?" vroeg mij de Baron.
"Mijn voornemen is, te voet tot Naarden, en verder per schuit te gaan."
"Te voet!" zeide de oude Heer, lachende: "gij zijt, dunkt mij, ook van de leer: haast u langzaam. Verbruid! ware ik in uwe plaats, en de zoon van een rijken Amsterdammer, ik nam te Amersfoort een wagentje bij Jan Stoffelsz, die rijdt flinke paarden: en dan: voort koetsier! den zweep er over gelegd en dubbel drinkgeld zoo gij dubbelen spoed maakt."
"Ik geloof," merkte glimlachende de oudste zoon aan, "dat onze vriend Ferdinand een kleine huichelaar is, en als een apostel bij zijn vader te huis wil komen, om hem te doen denken dat hij op zijn gansche reis altoos zoo zuinig op zijn équipage geweest is."
Ik glimlachte en zweeg; want ik achtte het onnoodig, de ware reden mijner handelwijze bloot te leggen, namelijk dat ik geen geld genoeg meer bij mij had, om de onkosten van een rijtuig te dragen; want van den laatsten mij gezonden wissel op Munster had ik geen gebruik gemaakt, in den waan, dat hetgeen ik nog aan contanten overig had, toereikende zoude zijn om mij tot Amsterdam te brengen. Het bleek mij echter dat ik mij verrekend had; maar ik was nu te trotsch of te beschroomd om geld van mijn gastheer ter leen te vragen, en evenmin wilde ik een rijtuig op crediet nemen en bij mijn thuiskomst beginnen met mijn vader te verzoeken, het rijtuig te betalen: iets, dat hem voorzeker slechte denkbeelden van mijn wijze van huishouden zou hebben ingeboezemd; want hij was geen vriend van onnutte geldverteringen; en ofschoon ik geloof, dat hij bij deze gelegenheid de kosten van een rijtuig zou verschoond hebben, wilde ik echter geen gevaar loopen van een vermaning. Bovendien kende ik den zandigen weg van Amersfoort tot Naarden; en ondanks den lof, door den Heer van Ypendael aan de paarden van Jan Stoffelsz gegeven, wist ik zeer wel, dat wij de grootste helft stappende zouden afleggen, en dat ik te voet omtrent even spoedig, en zeker op een veel aangenamer wijze, mijn doel bereiken zou.
"Nu," zeide de Baron: "een mensch zijn zin, een mensch zijn leven; —maar het eind is toch wat ver om geheel te loopen: wij zullen u van hier naar Amersfoort laten brengen!... ik denk dat Eduard zich daarmede wel zal willen belasten, zoo ik er hem vriendelijk om verzoek."
Dit aanbod was te heusch om afgeslagen te worden. Na het drinken van een afscheidsdronk, en nog, tot slotte, van een glas cognacq, hetwelk de Heer van Ypendael zijn slaapmutsje noemde, werd het mij vergund den aftocht te blazen.
Den volgenden morgen te vijf ure, terwijl het geheele huisgezin nog in de armen der rust lag gedompeld, zat ik reeds met Eduard in een wagentje, met twee vlugge hitten bespannen, die ons met een prijselijken spoed naar Amersfoort brachten. Na elkanderen herhaalde reizen gezondheid te hebben toegewenscht en onder belofte van briefwisseling, namen wij afscheid: hij keerde met zijn voertuig terug, in de hoop van de familie aan het ontbijt te vinden, en ik zette eenzaam mijn weg voort tusschen de bevallige bosschaadjen, aan weêrskanten van den weg gelegen.
Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger, al te fraai weêr. Er was weinig of geen wind: de lucht begon, naarmate het verder op den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich dikke wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weêr aan den landbouwer te verkondigen. De zon was bloedrood, en haar stralen, stekend als breinaalden, hadden het zand van het rulle voetpad als in gloeiende asch herschapen. Groote zweetdruppels biggelden tappelings langs mijn wangen af, en, wanneer ik het oog op de verwijderde buien vestigde, zag ik met welgevallen den regen te gemoet, die de dorstige aarde laven en mijn pad wat gemakkelijker maken zoude. In afwachting daarvan, stapte ik echter rustig voorwaarts, en ik geloof zonder ijdelheid te kunnen zeggen, dat ieder landman, die mij met een vasten en gelijken tred zijn hoeve zag voorbijgaan, wel dadelijk bespeuren kon, dat een voetreis geen ongewone zaak voor mij was, en dat ik niet tegen de ongemakken opzag, die haar gemeenlijk vergezellen. Ik vergat dan ook de moeielijkheden van den weg, zoo dikwijls ik herdacht, dat elke stap, dien ik nederzette, mij nader bracht bij de voorwerpen mijner kinderlijke liefde, bij mijn welbeminde broeders en zusters, bij de vrienden mijner kindsheid en bij dat dierbare Amsterdam, hetwelk ik in zulk een geruimen tijd niet aanschouwd had. Aangename gedachten brengen bij den onbedorven mensch altijd welwillendheid voort: ik althans voelde mij hoe langer hoe meer gestemd om alles, wat mij ontmoette of bejegende, met hartelijkheid te behandelen: ik had een blijden groet over voor elken boer of daglooner, die langs den weg zijn zomerarbeid verrichtte, een paar duiten voor ieder kind, dat op de bloote voeten voor mij uitliep en over de greppen duikelde om mijn liefdadigheid op te wekken, en een scherts voor het frissche landmeisje, dat mij tegenkwam en soms nog, lang nadat ik voorbij was, het hoofd omwendde, met dien half verwonderden, half spottenden lach, welken alle eenigszins vreemde kleederdacht bij onze landgenooten gewoonlijk verwekt. En in de daad, ik moet bekennen dat mijn uiterlijke tooi niet van dien aard was, dat ik er hoog op roemen kon, en in het oog van de zoodanigen, die alleen naar het gewaad de lieden beöordeelen, zeer moest afsteken tegen de nette en zwierige kleedij der stedelingen van dien tijd: ja, dat ik bij de eerste beschouwing veel had van een eenvoudigen marskramer. De stoffaadje van mijn gewaad was fijn, maar helaas! door lang gebruik zoodanig versleten, dat niets van hetgeen ik droeg de blijken toonde van ooit nieuw te zijn geweest. Mijn hoed, op zijn Spaansch, met breede slappe randen voorzien, die mij ten zonnescherm strekten, was van leder, dat eenmaal zwart geweest was, maar door zon en regen met een roze-roode kleur begiftigd geworden, en hier en daar met enkele bruine en gele vlekken getijgerd. Mijn rok, van uitlandsch fatsoen en zonder eenig galon of borduursel, had insgelijks van den invloed der luchtgesteldheid geleden, en droeg bovendien de kenmerken van lange en trouwe diensten; want menige knoop had zijn post verlaten: en aan de ellebogen en opslagen zag men kale plekken van een geheel andere kleur dan die, welke den grond der stoffaadje uitmaakte. Het kamizool, dat van witte zijde was, met groene vlaszijde geborduurd, had volkomen het aanzien, als ware het van een verkooping op de Noordermarkt afkomstig; maar daaronder blonk hetgeen ik altijd gewoon ben geweest als het echte kenmerk eens beschaafden mans te beschouwen, namelijk het heldere hemdslinnen dat, dank zij mijn moeder, die het uit twintig stukken uitgezocht had, zoo fijn was, als men ergens bekomen kon, en zoo blank, als het stuivende stof toeliet, dat reeds mijn witte kousen en hooge schoenen bedekt had met die roodaardige kleur, welke aan het zand in die streken eigen is.
Een plunje als de mijne was niet geschikt om eenigen struikrover in verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij op onze uitstapjes in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje gelaten, welke met den bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en meende tegen de gevaren, die ik van Amersfoort tot Naarden te vreezen mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting van een dollen hond als de ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik over den rechterschouder droeg en waar aan een pakje bungelde, bestaande uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in een bonten doek te zamen geknoopt.
Ik sta met opzet bij deze bijzonderheden stil, die wellicht onbeduidend zullen schijnen; maar die mij toch voorkwamen vermeld te moeten worden, tot beter verstand van hetgeen verder volgen zal. Ik durf er (want op mijn leeftijd kan het aan geen ijdelheid worden geweten) nog dit bijvoegen, dat, zoo mijn uitlandsche en sobere opschik aan de meisjes een lach afdwong, het mij somtijds toescheen, als of mijn persoon zelve haar anders niet mishaagde: ik was groot en sterk van gestalte: mijn kloeke lichaamsbouw gaf mij, ofschoon ik werkelijk jonger ware, het voorkomen van reeds boven de vijf-en-twintig jaren te zijn; mijn gelaat, ofschoon geroost door den invloed van zon en lucht, prijkte met den frisschen blos van jeugd en gezondheid: mijn tanden, die ik tot heden toe goed bewaard heb, hadden toen bovendien het voorrecht, van blank en welgeplaatst te zijn: en, naar de getuigenis van anderen, waren mijn lichtbruine oogen geheel niet van levendigheid ontbloot en onderscheidden zich ten minste door een niet onaangename uitdrukking van goeden luim en welwillendheid. Wat mijn haren betreft, zij waren blond, en ofschoon helaas! bestemd om bij mijn komst te Amsterdam door de schaar des kappers te worden afgemaaid, en voor een gekrulde paruik plaats te maken, zij golfden nog op dien ochtend in hun natuurlijken staat over mijn schouders en deden mij konnen als een onverbasterden afstammeling van het echte Noordsche ras.
Ik stapte dan, gelijk ik gezegd heb, vroolijk vooruit, met de vrij zekere overtuiging van tijdig genoeg binnen Naarden te zullen komen, om met de laatste schuit van daar naar Amsterdam te kunnen vertrekken. Immers het was vroeg in den morgen, en de afstand naar genoemde vesting was zoo groot niet, of ik kon dien op mijn gemak afleggen, zelfs al dwong mij een regenbui, of vermoeidheid, of honger, hier en daar onderweg een uurtje te vertoeven.
Wat de laatste der drie genoemde redenen van oponthoud betreft, deze begon zich alreeds bij mij te doen gevoelen. Ik had bij mijn vertrek van de Ridderhofstad niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was, en te Amersfoort had ik mij vergenoegd, een hartsversterking tegen de morgenlucht te nemen. Het was dus niet zonder eenig innig genoegen, dat ik de torenspits van Zoest in het vizier kreeg, en dadelijk was mijn besluit genomen, om in dat dorp een oogenblik uit te rusten en eenige verversching te gebruiken.
Weldra vergunde mij een bocht, welke de weg daar ter plaatse maakt, om het geheele lichaam der kerk te zien, en mij te verlustigen in den aanblik van het lachende en bevallige schouwspel, dat zij vooral van dien kant oplevert. Oogverblindend stak de grijze en eerwaardige vierkante toren, met zijn hooge spits, door het schelle licht der morgenzon beschenen, tegen de donkere lucht daar achter af, en tegen de groene hoornen, die het gebouw omringden; terwijl de heuvelachtige grond, die mij nog van het dorp scheidde, met goudgeel koren of sneeuwwitte boekweit bedekt, niet weinig toebracht om de bekoorlijkheden van dit landgezicht te vermeerderen. Ik was nimmer een enthusiast; maar de aanblik der schoone, eenvoudige natuur heeft altijd een diepen indruk op mij gemaakt en thans ook gevoelde ik mij getroffen, zonder zelf te weten waarom: ik geraakte in een stille, eerbiedige stemming en ik wischte mij een traan uit het oog, toen ik het dorp binnentrad.
Deze gemoedsgesteldheid was echter spoedig geweken, toen ik de voornaamste herberg in het oog kreeg: deze bevond zich op den hoek van een driesprong, welke de hoofdstraat met een zijweg vormt, en was kenbaar aan een vooruitstekend uithangbord van ijzer, rijkelijk met krul- en snijwerk voorzien, en tot leuze een geschilderden zwaan voerende, met het gebruikelijk onderschrift: vrij wijn en meê. Eenige krebben, die tegenover den ingang stonden, en een houten stalling, die naast het huis was opgeslagen, gaven bovendien te kennen, dat men hier zoowel te voet als te paard welkom was en verversching bekomen kon. Ook zag ik in de daad een niet gering aantal boerewagens en karren uitgespannen op het plein staan, terwijl een magere oude knol bezig was zijn honger te stillen met het frissche gras, dat hem in eene der voorgezette krebben werd toegediend. Genoemd dier was gespannen voor een ouderwetsche koetskar, met linnen huif, tegen welk voertuig een groot manspersoon aanleunde, wiens gelaat van mij was afgewend en bovendien overschaduwd door een hoed met afhangende randen, die eenige familietrekken had met den mijnen. Een lange roode mantel met opstaanden kraag dekte zijn ledematen en schitterde in de zon, gelijk een vurige oven. Hij scheen zachtjes te praten met iemand die zich binnen in de kar bevond, maar dien ik niet zien kon, vermids ik het rijtuig van achteren naderde. Voor 't overige kan ik niet zeggen, dat ik er zeer nieuwsgierig naar was, daar mijn gedachten voor het oogenblik meer bezig waren met het ontbijt, hetwelk ik mij had voorgesteld binnen de herberg te gebruiken, dan met den reiziger, die zich daar voor bevond, en ik verwaardigde dezen dan ook met niet meer dan een oppervlakkigen blik, terwijl ik mij haastte de hand aan de klink van de deur te slaan, en de herberg binnen te treden.
Ik vond hier meer personen bijeen, dan ik reden had op dat uur van den dag te verwachten. Immers, de kerkklok had slechts even negen geslagen en er moest dus een bijzondere reden bestaan, welke de in de herberg aanwezige lieden derwaarts had gelokt op een tijdstip, dat men hen veeleer aan hun arbeid zou verwacht hebben. Het was dus natuurlijk dat ik, na een algemeenen "goeden morgen samen!" in 't rond gewenscht te hebben, naar de toonbank stapte en aan de aldaar post houdende dochter des huizes (een frissche, knappe deerne van ongeveer twintig jaren, die blijkbaar in haar zondagspak was uitgedost, met zilveren oorijzers en een halssnoer van dikke bloedkralen) de aanmerking maakte, dat er al vroeg volk in de herberg was.
"Dat 'eleuf ik wel, koopman!" antwoordde het meisje, terwijl zij, zonder naar mij om te zien, voortging met voor haar gasten een paar hooge glazen met schuimend bier te vullen: "je zult het ook wel 'eroken hebben, wat hier van daag te doen is."
Ik was op het punt van mijn volslagene onbewustheid van de oorzaak der vereeniging te kennen te geven, toen een papier mijn oogen trof, hetwelk tegen den gemenieden wand aan een spijker hing en waarop een schoof als titelvignet en de woorden: segt het voort in groote letteren als onderschrift prijkten: ik begreep dus, dat hier een graanveiling of iets diergelijks plaats moest hebben, en, mijn onderzoekingen niet verder voortzettende, eischte ik een boterham met kaas en een glas koude karnemelk: vervolgens, mij omwendende, zette ik mij, in afwachting van het bestelde, aan het benedeneinde eener lange tafel, die tegen het raam geplaatst was, en nam de aanwezigen in oogenschouw.
Naauwlijks echter had ik den tijd gehad om op te merken, dat het boveneinde der tafel was ingenomen door een dikken, wel doorvoeden landman, wiens groen damasten vest met bloemen, ruim gesneden rok van bruine sergie en zilveren broeksknoopen aantoonden, dat hij tot de vermogendsten van zijn stand behoorde; terwijl mijn overbuurman daar-en-tegen er vrij schraal en verloopen uitzag,—toen mijn ooren gekweld werden door een piepend geschreeuw, van: "phijpedoppies! deursthekers! zoek thoch maar huit, khoopman! Hik 'ep nog gheen 'andgift ghehad vandhaag, zoo waar zelje ghesond blijven!"
Ik wendde mij om en zag een Joodschen kramer achter mij staan, dien ik nog niet had opgemerkt. Waarschijnlijk had hij in een hoekje of bij den haard gezeten, en was hij bij mijn komst opgerezen, om te zien of hij iets aan mij slijten kon.
"Ik dank u, vriendje!" zeide ik, na hem ter loops te hebben aangezien: "ik heb niets noodig!" en om hem zooveel mogelijk te toonen, dat ik geen plan had mij verder met hem op te houden, draaide ik mij van hem af, en, de ellebogen op de tafel plaatsende, ondersteunde ik mijn hoofd met beide handen, in de houding van iemand, die niet verlangt gehinderd te worden.
"Nha doch!" zeide de Jood, de dunne, magere vingeren zijner rechterhand, welke de kettinkjes van een dozijn pijpedopjes vasthield, door de opening tusschen mijn hoofd en mijn arm heenstekende en mij vlak voor den neus brengende: "laat ik je toch maar een dhozijntje verkoopen. Gheen deit rijk, zoowaar zelje ghezond blijven: en ik mot vandhaag nog ver reizen."
Wetende uit ondervinding, hoe weinig het baat zich over dergelijke onbescheiden aanzoeken boos te maken of er tegen in te spreken, vergenoegde ik mij met mijn voorarm te buigen en door een soort van contramanoeuvre tusschen mijn gezicht en de hand des kramers te brengen, waardoor ik de pijpedopjes weder van mij verwijderde.
"Nha! al duwje me therug, dhaarom zelje toch ghesond blijven," hernam de Jood, met de vasthoudendheid aan lieden van zijn beroep eigen: "motje gheen halmenakkie 'ebben? gheen scharen, messen of photloodjes?"—En, in de plaats van zijn hand, wist hij nu het geheele marsje, dat hij voor hem droeg, tegen mijn borst aan te werken, zoodat ik mij wel genoodzaakt zag, mij geheel naar hem toe te keeren en hem vriendelijk te verzoeken, mij met vrede te laten. "Waarlijk, goede vriend!" zeide ik: "ik heb niets van uw kraam noodig: ik ben immers zelf maar een arme reiziger, en zal nog werks genoeg hebben, om met het beetje gelds, dat ik bij mij heb, toe te komen en de stad te bereiken."
Onder het uiten dezer woorden had ik den Jood naauwkeuriger beschouwd, en meende mij nu flaauw te herinneren, dat ik hem vroeger, waarschijnlijk wel te Amsterdam, had ontmoet. Ik was weldra zeker, dat ik dien man, met dat olijfkleurige gelaat, dat hooge, smalle voorhoofd en dien bruinen gelapten tabberd van saai meer gezien had, maar nooit te voren had ik acht gegeven op de zwarte en levendige oogen, die op het hooren mijner taal een kluchtige uitdrukking van ongeloof aannamen, terwijl zijn dunne lippen zich vertrokken tot iets dat op een glimlach geleek.
"Khom!" zeide hij: "Je spot immers er meê: je zoudt gheen gheld, 'ebben: nha doch! 'et dhoet er niet toe. Khijk, ep je gheen gheld, je ept krediet: en dat's veel gheseid in dhesen tijd van de hactie'andel! Daar ep je een dhozijntje: je zelt me morghe of overmorghe wel bethalen, as je in de stad zult sthaan te zijn gekhomen, dat weet ik ommers best. Simon heit krediet voor je vhaders zhoontje."
"Vandaag of morgen is 't zelfde," zeide ik, de pijpedopjes, die hij op tafel gelegd had, weder naar hem toeschuivende: "ik rook niet."
"Niet, koopman?" vroeg de waard, een dikke, stevig gebouwde kaerel, met een vrolijk aangezicht, die, even naar den kelder geweest zijnde, juist weder binnen was gekomen, en met een pijp in de hand naar mij kwam toegetreden: "ik woû je juist een pijp aanbieden."
"Ik dank je," zeide ik, (want ofschoon ik later die gewoonte weder heb aangenomen, ik was op mijn reis, bij mangel aan goeden tabak, het rooken afgewend): "maar ik heb wat eten en drinken besteld, zou dat haast klaar zijn?"
"Toe dan, Mientje!" zeide de waard, zich omkeerende, "waar blijft het ontbijt voor den koopman?"
"Zoo aanstonds," antwoordde de dochter: "wil je er beschuit op hebben, koopman? of verkies je nagelhout?"
"Wel!" hernam ik: "laat ons van allebei eens proeven: maak er mij maar twee."
"Messen!—scharen!—khurkhetrekkers!—khammen!" vervolgde de Jood, met een pause tusschen elk voorwerp, dat hij opnoemde: "of... wil je liever kurieuser whaar: je bent toch een ghesthudeerd jong mensch... hik 'ep hook mooie poekkies: 'ier is de Arlekhijn Haksinischt!... 't plijspel van Khinkampoeis![1] de leste woorden van Saco, toen ie op 'et schavot stond."
Er was geen middel van hem af te komen, zonder in de beurs te tasten. Ik liet mij dus overhalen om mij een kurketrekker aan te schaffen, al ware het maar om te kunnen zeggen, dat ik een Grieksch testament[2] van een Jood gekocht had. De koop was spoedig gesloten, en ik betaalde zonder afdingen den gevraagden prijs, ofschoon de innerlijke waarde van het voorwerp verre te bovengaande, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat mij de kramer met geene verdere aanbiedingen zou lastig vallen.—Mijn edelmoedigheid was mij niet nadeelig, gelijk men terstond zal gewaarworden.
"Ghelik er meê!" zeide Simon, terwijl hij mij het gekochte voorwerp ter hand stelde: "maar phas op," voegde hij er fluisterend bij, "dat je een mhes vraagt bij je hontbijt en je niet bhedient van 't ghenige dat dhaar sthaat."
"Hoe!" zeide ik met eenige verbazing,—maar, toen ik met de oogen den blik des raadgevers volgde, vielen zij op een mes, hetwelk mijn overbuurman, van wiens ongunstig uitzicht ik zoo even gewag maakte, kort te voren met de punt midden in de tafel had gestoken. Te gelijker tijd herinnerde ik mij, meermalen gehoord te hebben, hoe sommige liefhebbers van het edele bekkesnijden, bijzonder in Eem- en Gooiland, gewoon waren hun messen in herbergen en kroegen op een zichtbare plaats op te hangen, of in de tafel te steken, en den onkundigen of onvoorzichtigen vreemdeling, die er zich van bedienen wilde, of er slechts even naar keek, tot een gevecht te dagen. Ik dankte dus met een bijna onmerkbaar knikje den goeden Jood voor zijn tijdige waarschuwing, welke mij toescheen ruim op te wegen tegen den voor den kurketrekker betaalden prijs: en ik gevoelde daarvan het dubbel belang, toen ik, na mijn ontbijt uit de handen van Mientje te hebben bekomen en een mes daarbij te hebben gevraagd, op het gelaat van mijn overbuurman een trek van ontevredenheid zag oprijzen. Ik heb het afbeeldsel van dezen kwant nog niet gegeven: en echter verdient hij wel, dat ik een oogenblik daarbij stilsta: hij had, gelijk ik reeds met een enkeld woord aanstipte, een afzichtelijk voorkomen: lange, sluike haren, wier kleur men raden moest, hingen hem van onder een ruige muts op de schouders: zijn oogen hadden den gluipenden blik der hyena en waren van wenkbraauwen en ooghaartjes bijna geheel onvoorzien; zijn wijde mond, die, door de gewoonte van een kort pijpje bestendig aan denzelfden kant tusschen de lippen te klemmen, geheel scheef was getrokken, opende zich nu en dan tot een grijnzenden lach, die een alleronaangenaamsten indruk verwekte; of onze maat een neus had of niet, kon met reden tot het onderwerp eener weddingschap gestrekt hebben, zoovele naden en kruislijnen van lidteekens (overblijfselen van vroegere gevechten) vereenigden het vormelooze stompje boven den mond met de wangen en de bovenlip. Dit beminnelijk wezen was half op zijn boersch, half op zijn zeemans gekleed, met een blaauw duffelsch buis, vol lappen en winkelhaken, een vest zonder knoopen, hetwelk den ruig bewassen boezem geheel bloot liet, een wijde visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem, waarin een messcheede van robbevel stak, wollen kousen, en holsblokken aan de voeten.
Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot ten klein snijpartijtje zoude verschaft hebben, en reeds, als een tijger in zijn hinderlaag, zitten loeren, of ik ook onbedachtzaam het voor hem geplante wagentuig zoude aangrijpen. Zijn teleurstelling althans, toen hier niets van kwam, bleek mij te groot te zijn, dan dat hij zou kunnen gezwegen hebben: de uitdrukking, die zijn gelaat aannam, wekte mijn opmerkzaamheid en trok mijn aandacht af van het gesprek, dat baas Roggeveld voerde, die juist bezig was te verhalen, hoe hij van Peer de Groot tien lakenveldsche koeien gekocht had voor fl 80 het stuk. De varensgast nam het pijpje uit den mond, blies een dikke rookwolk weg, sloeg het glaasje brandewijn, dat hij voor zich had staan, in eene teug naar binnen, en vroeg mij, na deze voorbereiding, waarom ik mij niet bediend had van het mes, dat voor mij stond.
"Ik had het niet gezien," zeide ik op een onverschilligen toon: "en bovendien heb ik gaarne een mes voor mij alleen."—Dit gezegd hebbende ging ik met eten door, zonder den kwant verder aan te kijken.
"Niet gezien!" herhaalde hij met een gemeenen vloek: "en waar hieldje dan zoo even je kluisgaten op gericht? 't is mijn mes, voor den d....!" vervolgde hij, met de geslotene vuist op de tafel slaande, en zijn stem hoe langer hoe meer uitzettende, als dacht hij mij daarmede schrik aan te jagen: "en wie er naar kijkt, die kan met mij aan den gang komen, daar valt niet van, voor den....! Jij hebt er naar gekeken, en as je boterham binnen is, dan zullen we eens zien, of je voor je boeg kunt zorgen."
Deze forsche uitdaging verwekte een plotslinge stilte bij de aanwezige boeren, die, in goede eendracht bijeen zittende, bezig waren over den prijs der granen en andere onderwerpen van hun gading te spreken. Aller oogen vestigden zich op den matroos (want daarvoor moest ik hem aan zijn taal houden) en vervolgens op mij, met die belangstelling, welke een twist als deze nimmer nalaat te verwekken: ja, ik geloof, dat menigeen zich reeds streelde in de verwachting van het genoegen, dat een echt nationaal messengevecht hun verschaffen zoude, ik moet echter tot hun eer zeggen, dat ik hier en daar een blik van welwillend medelijden ontmoette, en op menig gelaat kon lezen, dat men mij niet bestand achtte tegen den geöefenden kamper, die mij had uitgedaagd. Wat mij betreft, ik was, gelijk men denken kan, niet zeer op mijn gemak: ik begreep echter zoo bedaard mogelijk te moeten blijven en den storm door rustige onverschrokkenheid afkeeren. Ik ledigde eerst mijn glas en zeide toen, op een toon, zoo kalm mogelijk, dat ik geene reden hoegenaamd tot een gevecht zag, daar ik niet wist, iemand met woorden of daden beleedigd te hebben. Mijn woorden werden wel opgenomen door de aanwezige boeren: althans er ontstond een goedkeurend gemurmel: de landman, die aan het boveneinde zat, knikte mij vriendelijk toe, en zich vervolgens tot den zeeman wendende: "wat heit jou die koopman 'edaan, Andries Matthijssen!" vroeg hij, "dat je met hum voor 't mesje wilt?"
"Wel! baas Roggeveld!" zeide Andries, zijn taal met vloeken doormengende, welke ik, om geene kiesche ooren te kwetsen, slechts met een () zal aanduiden: "die koopman kijkt naar mijn mes en geeft een bretaal antwoord daar te boven (). Mot ik me van zoo'n loop-in-'t-lijntje laten op den kop zitten? () Maar omdat hij nog maar een loeris van een jongen is, zal ik hem () niet te hard behandelen en, met een enkeld half maantje over zijn hakkebord, laten waaien;—maar opstaan mot hij."
En met-een oprijzende, trad hij naar mij toe en wilde mij in den kraag grijpen:—ik was echter op mijn hoede, en, zoowel een vuist- als een messengevecht willende vermijden, schoof ik bij zijn nadering met mijn bankje achteruit, "Pas op!" zeide ik, de armen kruisende en hem stijf in 't gezicht ziende: "raak mij niet aan of het zou slecht met u kunnen afloopen. Ik zoek geen twist; maar het zou u rouwen, zoo ge mij eenig leed deedt."
"Wat zou me rouwen, jou beroerde zandhaas?" snaauwde Andries, terwijl hij hoe langer hoe driftiger werd, mij toe: "ik zel je leeren, ordentelijk vlag te strijken. Op! zeg ik jou: nou je zoo spreekt zel ik eens zien, of ik geen frikkedellen van je voorgebergte kan snijen."
Onder het uiten dezer bedreiging stak hij nogmaals de hand uit, om mij te dwingen mijn plaats te verlaten en met hem aan 't snijen te gaan. Ik moet bekennen, dat ik mijn toestand hoogst onaangenaam begon te vinden; want ik zag niets aardigs in het denkbeeld van zonder neus bij mijn ouders te keeren: en waar ik de blikken heen wendde, ik bespeurde bij de boeren geen zucht om zich met den twist te bemoeien: zij waren daartoe of te lui, of te nieuwsgierig hoe het af zoude loopen, en bleven met een fatale koelbloedigheid hun pijpjes rooken en hun drank opslorpen.
Er kwam echter hulp van een anderen kant. Simon de Jood had zich, bij de eerste woorden van Andries, met een angstig gelaat naar een der hoeken van het voorhuis teruggetrokken en was, toen de twist hooger begon te loopen, langs den muur naar de toonbank geschoven, waar hij aan Mientje, die, ofschoon aan dergelijke tooneelen waarschijnlijk gewoon, eenigszins onthutst keek, eenige woorden in 't oor had gefluisterd. Het meisje was hierop terstond haar vader te gemoet geloopen, die juist uit den kelder kwam met eenige versch getapte kruiken. Hoewel deze zich anders waarschijnlijk zelden over een dergelijke rusie bekommerde, waar hij wel wist dat meestal een goed gelag op volgde, scheen hij toch eenigszins versteld over de geheimzinnige mededeeling, welke zij hem deed.
"Hoe zegje?..." vroeg hij halfluid: "de zoon van...."
Het antwoord van Mientje werd op zulk een flaauwen toon gegeven, dat ik alleen de woorden: "Hoofdschout, Amsterdam" verstaan kon, waaruit ik opmaakte, dat Simon haar verhaald had wie ik was.
"En zeit die Smous dat?" vroeg de waard weder: "die koopman daar de zoon van...." en hij zag Simon aan, die, bevend bij den haard gedoken, met een herhaalden hoofdknik de waarheid van het gezegde bevestigde.
"Dat vereischt overleg," zeide de waard, zich den kop krabbende, en de kruiken aan Mientje overhandigende; "die Sinjeurs in Amsterdam hebben armen, die ver reiken, en zij zouden het mij inpeperen, zoo ik een van hun broedsel in den pekel liet steken. Hei wat, vrind Andries!" riep hij op eens, zijne breede hand op den schouder des twistzoekers leggende, op het oogenblik, dat deze, na mij verlaten te hebben om even aan een buurman te vertellen waar hij mij raken zoude, zich opnieuw in postuur stelde om mij aan 't lijf te komen.
"Wel! wat wouje?" vroeg Andries, zich onwillig omkeerende.
"Wat ik woû? herhaalde de waard, zijn zwaarlijvige gedaante tusschen ons beiden instellende: "ik woû, dat je dut heerschap daar met vrede liet. De man heit jou ommers geen stroobreedte in den weg 'eleid! Ga zitten en drink je zoopje: je ziet ommers dat het je portuur niet is."
"De kastelein spreekt als een verstandig man," zeide baas Roggeveld, zijn pijp even omdraaiende: "je zoudt er, in dat geval, geen eer meê inleggen, met teugen dien koopman te vechten: en ik beloof het je ook, we hadden het nooit zooverre laten komen, in dat geval. Ik was maar 'ereis nieuwsgierig hoe hij zich houen zou; maar ik mot zeggen, hij was niet bang ook, in dat geval!" en bij deze loftuiting voegde hij een vleiend knikje.
"Ei! ei!" zeide Andries, den waard schamper aanziende: "jij zelt ook zooveel klanten krijgen as er op het spil van den bramtop kunnen staan, as je 't zoo anleit; en een man, die, zoo als ik, een echt Gooierskind ben en nog bovendien al de eilanden van de Westinjes zoo goed ken as jij den weg naar je kelder, beletten wilt een klein, eerlijk vechtpartijtje te hebben. 's Lands wijs, 's lands eer! zeg ik maar: en ik beloof je, dat je mijn gezicht ook voor 't laatst ziet as het zoo mot gaan."
Deze bedreiging deed mij in mij zelven lachen; want ik dacht, dat de waard juist niet zeer gesteld moest zijn op een klant als Andries, wiens uiterlijk geene zeer gevulde beurs verraadde. Ik bedroog mij echter, althans naar hetgeen de kastelein volgen liet.
"Kom! kom!" zeide hij, Andries gulhartig op den schouder tikkende: "zoo motje nou ook niet spreken. Je weet, dat ik een eerlijke snijpartij al zoo graag zie als een aêr; maar dan mot het over en weer goedwillig in zijn werk gaan, zoodat Schout of Baljuw er niets in te zeggen heit. Je weet ommers zelf best hoe 't gaat, as de eene partij niet wil vechten en de aêre al; dan schuren naderhand allebei hun piek en de kastelein wordt in de boete geslagen."
"Ei wat! denk er niet meer over," riep Roggeveld Andries toe, die norsch voor zich heen keek: "er zel nog wel gelegenheid kommen vandaag om te toonen wat een kaerel je bent, in dat geval. Drink nou de quaestie af met den koopman en laat het daarbij blijven, in dat geval."
"Dat is niet kwaad gedacht," zeide ik, hopende op deze wijze de zaak 't best te sussen: "geef dan een glaasje brandewijn, vrijster! en laat er niet meer over de quaestie gesproken worden, Zwik!" zeide ik, mijn mond aan het zoopje zettende, dat Mientje mij bracht en het daarna aan Andries toestekende.
"Zwak!" zeide deze, het glas ledigende: "en ik wensch je toe dat je nooit meer in mijn vaarwater komen meugt."
Ik zag eenigszins vreemd op bij dezen zonderlingen wensch: de toon, waarop die werd uitgesproken, zoowel als de schuinsche blik waarmede hij vergezeld ging, deed bij mij een onwillekeurigen schroom ontstaan, waarover ik mij zelven verwonderde. Ik wilde nu heengaan; maar ik weet niet welk een valsche schaamte mij beduidde van nog een oogenblik te blijven, om niet door een overhaast vertrek de boeren in den waan te brengen, dat ik mij uit vrees verwijderde. Ik bleef dus nog een poos bij de toonbank draaien, en keek van tijd tot tijd naar buiten, waar de man met den rooden mantel zich nog altijd bevond en thans met zijn voerman praatte, die hem, naar het mij voorkwam, scheen te beduiden, dat het paard opnieuw beslagen moest worden; althans, na eenige oogenblikken werd het beest naar den smid aan de overzijde gebracht.
"Is het waar," hoorde ik intusschen baas Roggeveld aan een zijner buren vragen, "dat Aafje Jansz gisteravond op het Larensche veen is afgezet eworden?"
"Naakt uit'eschud, meugje wel zeggen," was het antwoord: "'t is veul, zoo die schelmen heur een hemd an 't lijf hebben elaten. Zij waren met er drieën, as ik hoor."
zong Andries er tusschenbeide.
"Ja nog erger," zeide een andere boer: "zij hebben de weuning van Klaas Tymensz te nacht op'ebroken en zijn met al den bult gaan strijken."
"'t Is de bende van Zwarten Piet," zeide een derde.
"Ei wat!" bromde Andries tusschen de tanden, en terstond weêr voortzingende:
"Jij, die van alle markten te huis bent en op zooveel zeeën gezwalkt hebt," zeide de waard, Andries aanstootende! "jij hebt zeker Zwarten Piet wel 'ekend ook?"
"Wat bruit mijn jou Zwarte Piet," zeide Andries, een scheel gezicht zettende: "och! 't is allemaal lanterluien, wat dat volk vertelt. Een goeien vetten koopvaarder van zijn overtolligen ballast te ontlasten, dat was werk voor Zwarten Piet: denk jij, dat een echte zeebonk as hij zich zou ophouen met een oud wijf op den grooten weg te onttakelen?"
"Wie weet?" zeide de waard: "tot een tijdverdrijfje ondershands."
"Gekheid!" zeide Andries: en hij begon opnieuw zijn gezang.
Ik weet niet, hoe het kwam; maar het scheen mij toe, als of hij daardoor afleiding aan het gesprek wilde geven: en het was of een geheime stem mij influisterde, dat, zoo die diefstallen al niet op rekening van Zwarten Piet moesten geschoven worden, Andries althans daar meer van af wist dan hij zeggen wilde.
Het was echter niet meer dan een vermoeden; en daar ik begreep, nu lang genoeg te zijn gebleven, wierp ik een gulden op de toonbank en verzocht om geld terug.
Terwijl Mientje nog bezig wat een dubbeltje uit haar tasch te halen, trad de man met den rooden mantel de deur binnen en stapte, zonder eenige notitie van iemand te nemen, naar de toonbank toe.
"Vrijster!" zeide hij: "geef spoedig een paar sneden wittebrood en boter. Wij moeten voort, zoodra ons paard beslagen is."
Mientje zette zich dadelijk in postuur om aan het verzoek te voldoen: en de onbekende bleef met de armen over elkander geslagen voor de toonbank staan, zonder te bespeuren, dat hij het voorwerp der beschouwing was van al de aanwezigen, maar vooral van mij, die nog altijd stond te wachten op het geld, dat ik terug moest hebben.
En in de daad, hij was wel geschikt om de opmerkzaamheid tot zich te trekken: zijn gestalte was ongemeen hoog, zonder echter het onbevallige te bezitten, hetwelk meestentijds eigen is aan uit hun kracht gegroeide personen en hun het hoofd doet gebogen houden of den rug krommen. In-tegendeel, de stand van den reiziger was vrij en ongedwongen en de roode mantel zelf, die hem bijna geheel bedekte, was met een achteloozen zwier omgeslagen, welke iets edels, iets schilderachtigs bijzette aan elke houding, welke hij verkoos te nemen. Over de gelaatstrekken viel het echter moeilijker eenig oordeel te vellen. Een slechts los omgeknoopte das van zwarte zijde verborg de onderste helft van het aangezicht, en de slappe rand van den hoed viel op het voorhoofd neder; zoodat men weinig meer kon onderscheiden, dan den eenigszins voorovergebogen neus en den zwaren peperen en zoutkleurigen knevel, die de bovenlip overschaduwde.
Simon was bij het binnentreden des vreemdelings nog dieper in zijn hoekje teruggekropen, als had hem die reusachtige gedaante schrik aangejaagd; maar, even als de vos, die in 't eerst voor den leeuw vluchtte, doch langzamerhand aan zijn uitzicht begon te wennen, en eindelijk gemeenzaam met hem werd, zoo scheen ook onze marskramer, na gedurende een poosje den roodmantel te hebben aangegluurd, zijn schroom te laten varen en vrijmoedigheid te verkrijgen: hij rees langzaam op, en, den onbekende naderende, begon hij hem zijn koopwaren aan te bieden.
"Dheursthekers!—messen!—scharen!—brillen!—photloodjes! khoop wat, Meneer! gheen deit rijk, zoowaar God leeft." De vreemdeling vergenoegde zich, den Jood met een langzaam hoofdschudden af te wijzen, zonder eenig antwoord op zijn aanzoeken te geven.
"Laat ik wat an jou verdienen," vervolgde Simon, hem bij den mantel trekkende: "halmenakkies! snijfdoozen! Thraktaatjes hover de pholetiek van den dag!—mooi om te leggen loopen lezen hover den weg. Of wilje liever een khommediepoekkie?—of de leste woorden van Saco, met zijn sententie er achter. Nha! hik zeg hummers gheen kwaad?..."
"Hm!" bromde de vreemdeling en ontwrong, met een beweging van verontwaardiging, zijn mantel aan de handen van den Jood, en te gelijk het bord met broodjes, dat Mientje hem toereikte, aannemende, wendde hij zich om, en ging weder naar de voordeur. Onderweg echter bedacht hij zich, keerde terug, keek rond, als zocht hij iets, nam toen het mes van Andries, (die, juist opgestaan zijnde, bezig was een pijp aan te steken en de daad des onbekenden niet terstond bemerkte), sneed het eene broodje in dunne reepjes en stapte toen de deur uit, gevolgd door Simon, die niet afliet, hem zijn waren aan te prijzen. Andries ging weêr naar zijn plaats en ontdekte terstond dat men aan zijn mes geraakt had. Ik had inmiddels mijn geld terugontvangen, en, een nieuwen twist voorziende, mij, na een goeden dag aan 't gezelschap te hebben gewenscht, weder naar buiten begeven, toen de arme Simon plotseling naar binnen en mij tegen 't lijf werd geworpen. Hij had, niet tevreden van zijn prullen den vreemdeling aan te prijzen, ook in de kar willen kijken, waarschijnlijk om te zien of hij daar ook een kooper zou vinden, toen de reiziger hem op deze vrij onzachte wijze belette, zijn voornemen ten uitvoer te brengen.
"Hawaai! hawaai!" riep de arme drommel, zijne, over den grond verstrooide kramerijen stuk voor stuk oprapende: "hik ben heen bedurven man. Wat zhijn dat nou voor menieren? mag een heerlijke khoopman op 's Eeren straten zoo be'andeld worden? Leelijke sthraatschender dhat je bent met jen schavotkleerden mantel. Je ben men phortuur niet; maar gheef me hen kleinen jonge bij me hen ik shla je tot greizelementen. Mhag jij de menschen zoo molestheren?"
Er waren eenige voorbijgangers en werklieden uit de buurt op het rumoer komen aanloopen. Ik had de dienst, mij door Simon bewezen, nog niet erkend, en naar hem toetredende, stopte ik hem een zesthalf in de hand.
"Daar," zeide ik, "dankje voor uw waarschuwing van zoo even! Wacht! daar liggen nog een paar messen! en hier een kam!"
Dit zeggende raapte ik eenige van zijn koopwaren op, die onder de kar geraakt waren, en stelde hem die ter hand, terwijl hij mij duizendmaal "God loonje!" toewenschte. De vreemdeling bleef intusschen in een onverschillige houding tegen de kar leunen en zijn snede brood opeten, zonder zich over ons te bekommeren.
Op dit oogenblik stoof Andries de deur uit, met zijn mes in de hoogte, door den waard en al de boeren gevolgd.
"Weêr en wind!" riep hij den vreemdeling toe: "jij zelt er zoo gemakkelijk niet afkomen als dat loop-in-'t-lijntje daar. Wie heitje gehieten van an men mes te komen?"
"Hawaai! hawaai!" riep Simon, Andries met een smeekenden blik aanziende: "elp mij toch theugen dien Filisthijn, dien langen schlingel dhaar, die me eelemaal heit bedhurven."
"Hoorje niet, dat je gepraaid wordt," vervolgde Andries tegen den vreemdeling, die, zonder zich zijn woorden aan te trekken, onbeweeglijk stil bleef staan: "wat hadje met men mes noodig?"
De onbekende gaf geen antwoord; maar het ledige bord aannemende, dat de persoon die in de kar gezeten was hem aanreikte, stak hij het den kastelein toe en vroeg, wat hij schuldig was. Ik had mij intusschen willen verwijderen; maar ik beken dat de nieuwsgierigheid, hoe dit alles zou afloopen, mij ook terughield.
"Geef dan voor den () antwoord, kaerel!" bulderde Andries, den vreemdeling bij den mantel grijpende.
"Hebt gij lust denzelfden weg op te gaan als die Jood daar?" vroeg deze: "ik hinder niemand; maar niemand moet mij aanraken."
"Hoor reis, ventje!" zeide Andries: "jij mot zooveel praats niet hebben: al benje nog zoon lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje over je bakkes halen."
De vreemdeling verwaardigde zich niet eenig antwoord te geven; maar, zich tot zijn voerman wendende, die juist met het beslagen paard terugkwam, riep hij hem toe, zich wat te haasten. Dit bevel werd door de omstanders natuurlijk als een bewijs van vrees aangezien, en de waard, niet ontevreden, van nu eens aan Andries zijn trek tot een messengevecht te gunnen, wendde zich verheugd tot Roggeveld: "ziezoo!" zeide hij: "nou zellen we toch nog een grapje hebben: en onze vriend Andries zal trakteeren; want dat doet hij altijd roiaal, mot ik zeggen, as hij er een troef heit 'egeven."
"Ik 'eleuf het niet," zeide Roggeveld: "die lange spier is ook al niet van 't echte soort en 't kon wel 'ebeuren dat hij zonder neus verder most reizen, in dat geval!"
"Wat () is dat?" hernam Andries tegen den onbekende, terwijl hij, de beenen wijd uiteenzette, de linkerhand in de zijde bracht, en met de rechterhand zijn mes op- en nederwierp: "ben ik je nou geen antwoord waardig? En zou je zoo schoot gaan zonder te brassen? Neen mannetje! je zelt me, zoo lang as je bent, op je knieën ekskuus motten vragen of—op het mesje!"
"Welnu! waar wacht gij op?" vroeg de man, wien de uitdaging gold, aan den voerman, die met wijd opgespalkte oogen dit tooneel stond aan te gapen: "Span in, en stoor u niet aan de praat van dien dronken lap daar."
"Dronke lap! ik dronken!" brulde Andries, wiens woede nu ten top was gestegen: "wacht! ik zelje leeren!"—En terstond sprong hij op den reiziger los, die juist bezig was, den voerman aan het inspannen te helpen. Ik was op het punt van tusschen beiden te schieten, daar ik vreesde dat de onbekende zou worden aangevallen op een oogenblik dat hij niet op tegenweer bedacht was; maar Simon hield mij, onder een angstig gefluister van: "hawaai! bhemoei er je niet meê! Wat zel 'et wezen?" bij mijn rokslippen vast: en de vreemdeling toonde meer op zijn hoede te zijn dan ik meende; want, zich eensklaps omkeerende, gaf hij den twistzoekenden gast een stoot in de borst, dat deze achterover tuimelde, en, naar zijn adem hijgende, op den grond bleef liggen.
"De drommel! die kwam an!" zeide baas Roggeveld: "dat is ook geen kat om zonder handschoenen aan te vatten."
"Wel vriend Andries!" zeide de waard, hem weder op de been helpende: "benje nou een zandruiter 'eworden?"
"t Is () ongehoord!" vloekte Andries, met moeite opstaande: "en nou neem ik jelui allen tot getuigen, of hij niet met mij vechten moet."
"Vechten moet hij!" riepen de boeren: "er is geen bidden voor."
"En ik neem u allen tot getuigen," zeide de vreemdeling, op een strengen toon, "dat ik het niet ben, die aanleiding tot twist gegeven heb: en dat, zoo de justitie deze zaak onderzoekt, zij eerder hen zal straffen, die een vreedzamen reiziger aanranden of zulks gedoogen, dan hem die zich verdedigt, wanneer hij aangevallen wordt."
"Dat helpt allemaal niet!" riepen de boeren: "jij hebt zijn mes an'eraakt en hum 'eslaogen: vechten motje."
Ik zag, dat de zaak een slechte wending voor den reiziger begon te nemen: ik weet niet welke goede geest mij nu op eens den zotten logen ingaf, dien ik verzon om hem uit den brand te helpen.
"Laten zij oppassen, wat zij doen," fluisterde ik Roggeveld, die naast mij stond, in 't oor. "Ik bedrieg mij niet: het is Tsaar Peter! de Tsaar van Rusland, weet gij?"
"Wat je zeit!" zeide Roggeveld, den vreemdeling verbaasd aanziende: "wel kijk is 't mogelijk! in dat geval!" en hij deelde zijnen buurman het sprookje mede, dat nu van mond tot mond vloog.
Het verdichtsel vond des te meer geloof, omdat de Tsaar, weinige jaren geleden, insgelijks zonder gevolg en incognito naar Amsterdam gereisd was, en dat de vreemdeling, door zijn hooge gestalte, zijn gebiedenden toon, en zelfs door de geduchte wijze waarop hij van zich afgeslagen had, niet kwalijk beantwoordde aan het denkbeeld, dat men zich van den Russischen Vorst vormde. Kluchtig was het nu, den indruk gade te slaan, welken de tijding, die ik had medegedeeld, op de aanwezigen maakte. Al de mutsen en hoeden gingen een voor een af, en de boeren bleven als beteuterd den vreemdeling aangapen. Vooral de waard was verlegen, en zocht door menigvuldige buigingen en strijkaadjen het weder goed te maken, dat hij bij den twist de zijde van Andries gekozen had. Andries zelf, schoon het aan zijn gelaat te zien was, dat hij het vertelsel betwijfelde, dorst echter den aanval niet hernieuwen, en bleef in het midden van den kring als besluiteloos staan, de blikken met een norsche uitdrukking nu eens op den gewaanden Tsaar, dan weder op de omstanders wendende. Slechts twee personen waren er, die blijkbaar niets van de zaak begrepen: de eene was Simon, die zich op eenigen afstand teruggetrokken had en de plaats hebbende verandering met blikken van verbazing beschouwde; want niemand gaf zich de moeite, hem eenige opheldering te geven: de andere was de onbekende zelf, die, blijkbaar verbaasd over de op eens zoo beleefde houding der boeren, al de omstanders beurtelings in 't gezicht zag, totdat zijn oog eindelijk op mij viel, en ongetwijfeld den glimlach waarnam, dien het welgelukken mijner list bij mij verwekte. Ik begreep zijn vragenden blik, en aanstonds, met den hoed in de hand hem naderende, maakte ik de beweging, als of ik hem in het rijtuig helpen wilde, en fluisterde hem in 't oor: "men houdt u hier voor den Tsaar; maak maar spoedig, dat gij verder komt."
"Ik dank u!" zeide hij, op de kar stappende: "rij nu maar voort, koetsier!"
De voerman liet het zich geen tweemaal zeggen, maar sprong op het krat en lei de zweep over het paard, dat terstond, met meer vlugheid dan ik het oordeelde te bezitten, zijn weg vervolgde.
De gansche vergadering bleef het rijtuig eenige oogenblikken in stomme verbazing naöogen: totdat de waard de stilte brak met den uitroep: "wel wie heit zijn leven zoo iets 'ezien? Wie kon nou denken, dat die Roodmantel de Tsaar zou wezen?"
"De Tsaar!" riep Simon, weder toeschietende: "nha doch! 't is zooveel de Tsaar, as dat hik Vader Abraham ben. Lhoop khijken! 'Eb ik den Tsaar niet menigmalen ghezien, toen 'ij te Zerdam wherkte as een gemeene krijer en den naam droeg van Phieterbhaas. Ze 'ebbe je dhan holik bheet ge'ad, khastelein!"
"Wat! hoe! was dat de Tsaar niet? Wie heeft dat dan verteld?" mompelden de ontevredene omstanders: en aller oogen vestigden zich op mij, met een uitdrukking van wrevel en toorn.
"Is hij het, die jelui bedot heit?" vroeg Andries, op mij wijzende: "jelui bent ook een hoop gekken, die je een barkas voor een brik laat verkoopen!"
"Kom! kom!" zeide ik, "Tsaar of niet, gijlieden moogt blij zijn, dat de zaak geen verdere gevolgen heeft gehad; want die man zag er mij wel naar uit, om het hooger op te zoeken, zoo men hem een haartje gedeerd had: en ik twijfel er niet aan, of de Heeren van Eemland hadden het u duur doen betalen.—Goeden morgen samen!"
Met dezen groet begaf ik mij op weg, en haastte mij met groote schreden het dorp te verlaten, en het dof en dreigend gemompel te ontgaan, dat van verre achter mij klinken bleef: ik was echter niet bevreesd, dat men mij vervolgen zoude; want ik had in Simon een trouwen bondgenoot achtergelaten, die mij kende, en het hun, vleide ik mij, wel uit het hoofd zoude praten, mij verder lastig te vallen.
[1] Arlequin Actionist; Quincampoix of de Windhandelaars: blijspelen van Langendyk.
[2] Men weet, dat studenten gewoon zijn een kurketrekker met dien naam te bestempelen.
Naauwlijks was ik buiten Zoest gekomen, of ik zag de huifkar een goed eindweegs voor mij uit, doch nu weder stapvoets door het zware zand gaande. Ik gevoelde geene roeping om haar in te halen, maar bleef, met denzelfden rustigen stap, dien ik tot nog toe gehouden had, mijn weg vervolgen, en wel niet langs de gewone heirbaan van Amersfoort op Naarden, door de Hilversumsche heide, maar oostelijker afhoudende met het voornemen, over Eemnes te gaan, als welke weg wel wat om was, maar daar-en-tegen meer belommerd en minder eenzaam.
Niets merkwaardigs gebeurde mij gedurende het begin mijner hernieuwde wandeling; maar toen ik het Princelijke lusthuis Zoestdijk ongeveer een half uur achter den rug had, begon ik wederom uit te zien naar een herberg; niet omdat ik eenige vermoeidheid of behoefte aan spijs of drank gevoelde, maar omdat de staat der luchtgesteldheid mij hoe langer hoe meer vrees deed koesteren voor het op handen zijn van een fiksche regenbui, die ik oordeelde dat na de lange droogte met dubbel geweld zoude neêrkomen. De zon, die, sedert eenigen tijd, nu en dan door een voorbijdrijvend wolkje was beneveld geworden, had zich eindelijk geheel verscholen achter een driedubbel gordijn van grijze en witte en zwarte wolken, die, tegen den wind opkomende, haar talrijke ronde koppen als veelhoofdige reuzen verhieven en over elkander schoven als opeengekruide ijsschotsen. Geen vogeltje deed zich hooren uit de hooge dennen, die aan de eene zijde van den landweg haar graauwe kruinen verhieven, noch in het eiken hakhout, dat aan den overkant groeide; daar-en-tegen zag ik, aan een bruggetje komende, hoe, beneden mij, de zwaluwen onverpoosd en met druipende vlerken heen en weder snorden over de oppervlakte der daaronder vloeiende beek, en boven mij hoorde ik nog altijd het krijschen der rondzwierende meeuwen. Ik verhaastte mijn tred en zag rechts of links uit naar een bekwame schuilplaats tegen den stortregen. Dan, ofschoon ik nu eens tegen de helling der onbebouwde heide een open schaapskooi gewaarwerd, dan weder een arbeiderswoning of pachtershoeve aan het einde der dwarslanen, welke het bosch doorsneden, ik bleef mijn weg voortzetten, ongezind, even als de meeste lieden in mijn geval zouden zijn, mij op te houden en ergens in te gaan voor en aleer de nood werkelijk daar ware; want ik dacht boven alles, veld te moeten winnen, zoolang zulks nog zonder hindernis geschieden kon, vooral daar ik altijd op de mogelijkheid hopen bleef, dat de bui, als zij meer doen, zeewaart trekken zou en zich niet op mijn hoofd, maar in de wateren van de Zuiderzee ontlasten zou.
Maar deze hoop werd weldra verijdeld. Een onstuimige wervelwind, die op eenmaal uit de diepte van het bosch scheen los te breken, verving de doodsche stilte, die tot nog toe in de natuur had geheerscht, zweepte de dorre bladeren over den landweg heen, waar zij in onophoudelijke wielingen ronddraaiden, bracht fluitend en gonzend elke twijg van het kreupelbosch in beweging, deed de kruinen van het geboomte zich naar alle richtingen wenden en overal stuivende zandwolken opstijgen. Te gelijker tijd scheen een schitterende bliksemstraal, die onmiddellijk door het ratelen des donders gevolgd werd, het sein te geven dat de strijd der elementen, en wel vlak boven mijn hoofd, een aanvang had genomen. Naauwlijks was ik tien schreden verder gegaan, of de wolken ontlastten zich in dikke regendroppelen, met zware hagelsteenen doormengd. De duisternis bedekte het aardrijk, bij wijlen vervangen door de schrikverwekkende verlichting van het weêrlicht: groote plassen, waarin de nederstortende regen blinkende waterbellen vormde, en witte hoopen hagelsteenen vulden in een oogenblik de rijsporen en andere oneffenheden van den weg, en maakten mij het voortgaan hoe langer hoe moeilijker. Ik had, zoodra de bui begon, mijn haastigen stap in een vluggen draf veranderd, om de eerste schuilplaats de beste te bereiken, en zooveel ik kon zorg gedragen de droge plekken uit te kippen, om er mijn voet op te zetten; maar weldra was mij dit niet langer mogelijk; want de gansche weg werd week als pap: en toen eenmaal mijn schoenen doornat waren, draafde en klotste ik door dik en dun, door plassen en modder heen; alle andere gedachten latende varen, buiten die van vooruit te komen, en op mij zelven vloekende, dat ik van geene der gelegenheden, welke zich vroeger hadden aangeboden, had gelieven gebruik te maken, om de bui voor haar aanvang te vermijden; want juist nu zag ik niets, dat naar huis of schuur geleek, ja zelfs geen ezelsstal, (waar ik van oordeel was, dat mijn dwaasheid mij wel een plaats in had doen verdienen): ja, ik begon te gelooven, dat de orkaan, die om mij heen loeide, alle mogelijke gebouwen van de aarde had weggerukt, toen ik, bij het omslaan van een hoek, dien de landweg maakte, eindelijk een verblijf gewaarwerd, waar binnen ik, althans eenige, zoo geen volkomene, schuilplaats hoopte te vinden.
De landweg namelijk slingerde, ter plaatse waar ik mij nu bevond, door een aanzienlijk landgoed heen, waarvan mij echter de regen niet toeliet op dat oogenblik al de schoonheden op te merken. Ter rechterzijde verhief zich een statig beukenbosch, welks breede en diepe lanen zoovele prachtige gothische gewelven schenen, waarvan de hooge, rechte en blinkende stammen de kolommen,—de dikke zuigers, van weerszijden opspruitende en zich aan den top vereenigende, de bogen en schoorbalken—en de met loof bedekte kruinen het dak uitmaakten. Aan de overzijde bevond zich een fraaie lusthof, naar den nieuwsten Franschen smaak aangelegd, met sterre-bosschen, geschoren lanen en slingerende berceaux, met beeld- en grotwerk, bloemtuin en diergaarde, vijvers en fonteinen, zonnewijzers en koepeltjes. Een groot en sierlijk hek van gegoten ijzer, op een kwistige wijze met krullen en strikken begiftigd, en hangende tusschen twee zeshoekige pilasters, waarboven marmeren vazen prijkten, geleidde tot de oprijlaan: deze was als bemuurd tusschen twee geschoren beukenhagen van een reusachtige hoogte, en over haar geheele lengte belegd met twee evenwijdige, glad afgemaaide en gerolde grasstrooken, waartusschen de rijweg liep, en langs welken aan weerskanten de met lekzand bedekte voetpaden liepen, van afstand tot afstand met zonnebloemen en stokrozen beplant. Aan het einde dezer laan, welke volkomen recht doorliep, lag een steenen brug, wier leuningen met beelden voorzien waren: en daarachter de Ridderhofstad zelve: een ruim en deftig gebouw, met een vrij hooge torenspits boven den ingang, en twee vooruitspringende vleugels, wier beide gevels trapsgewijze opliepen en met bloemplanten begroeid waren;—terwijl het plein voor het huis nog bovendien tusschen twee mindere gebouwen besloten was, tot stalling en tuinmanswoning strekkende. Men beseft duidelijk, dat ik op dien tijd alles zoo nauwkeurig niet opnam, en dat het slechts een latere bekendheid met deze lustplaats is, welke mij in staat stelt daarvan deze beschrijving te geven: met dat al, ofschoon de regen en de spoed dien ik maakte mij niet vergunden alles aandachtig te beschouwen, een vluchtige blik was genoeg, om mij de voordeeligste gedachte te doen opvatten van den rijkdom en van den goeden smaak des eigenaars of bewoners dezer hofstede. Vooral merkte ik in dat zelfde snelle oogenblik met genoegen op, dat hij een minnaar van bloemen wezen moest (een smaak, die mij altijd eigen was); want ik zag heerlijke oranjeboomen in menigte op het plein, en de trappen van de dubbele stoep schenen mij (zoover de afstand mij toeliet zulks te zien) met uitheemsche bloemgewassen in fraaie vazen voorzien te zijn.
Het was echter niet in het heerenhuis, dat ik, arme wandelaar, een schuilplaats hoopte te vinden. Mijn uiterlijke tooi, vooral nu ik doornat en druipende was, maakte mij ongeschikt om mij in zulk een aanzienlijk verblijf te vertoonen; maar bovendien stond dat gebouw nog te ver van mij af en zag ik naderbij een gelegenheid, waarvan ik mij vleide ongestoord en onverhinderd gebruik te mogen maken. Het hek (ik heb nog vergeten te zeggen dat het in gouden letteren den naam van GULDENHOF voerde) was open, en kort daarbij stond, half rustende in de moddersloot, die de plaats van den weg afscheidde, een achtkante koepel van witten steen. Ziedaar alles wat ik er toen van zag; ik kan er echter te dezer gelegenheid bijvoegen, dat het een sierlijk gebouw was, met vier breede en vier smallere zijden: drie van de eerstgenoemde waren met kruisramen voorzien (want men kende toen nog bijna geene andere), die het uitzicht op den landweg hadden: de vierde, meest binnenwaarts geplaatste zijde bevatte den ingang, waartoe men door een prachtige stoep met marmeren trappen en leuningen geraakte. Niet slechts waren deur en vensters door pilasters en loofwerk omsloten, maar ook prijkten de smallere zijden met vakken van groen marmer, waarop in wit bas relief de gewone kenteekenen van handel, zeevaart, jacht en schoone kunsten prijkten, als moest daarmede te kennen gegeven worden, dat de eigenaar, zijn geld in het eerstgemelde vak gewonnen hebbende, het tweede voorstond, het derde uit liefhebberij beoefende en het vierde beschermde. Onder de ramen bevonden zich kleine ronde vensters met ijzeren dwarsbouten, om licht en lucht in den kelder te geven. Het dak was rond en met lood belegd en eindigde in een sport van gedraaiden kogel, van boven met een vergulden bol versierd.
Deze verblijfplaats nu lachte mij aan. Met drift snelde ik het hek binnen, geene andere vrees koesterende, dan die van den koepel gesloten te vinden; maar ook in dat geval meende ik tegen de deur post te vatten en onder de vooruitspringende lijst eenige beschutting te vinden. Ik werd echter niet teleurgesteld; want nauwelijks, was ik de marmeren trappen genaderd, of ik zag, dat de deur half openstond: en, zonder mij te bedenken, liep ik, na alvorens, om den vloer van het gebouw niet te bezoedelen, mijn beslikte schoenen op den ijzeren krabber te hebben afgeschrapt, de stoep op, trad ruggelings binnen en veegde nogmaals mijn voeten af op de net gevlochten matten, die zoo buiten als binnen de deur lagen. Nauwelijks had ik deze bezigheid verricht en mijn hoed afgenomen, waarvan de slappe randen, die een tijdlang mijn schouders beschut hadden, nu geheel doorweekt waren, of ik wendde mij om en zag, hetgeen ik in het eerste oogenblik niet had opgemerkt... dat ik namelijk niet alleen was.
Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte verschijning daarin stoorde. De eerste blik, dien ik op haar sloeg, deed mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij, geheel niet gesticht scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar grondige redenen van verschooning voor in te brengen, of mij ten spoedigste te verwijderen.
Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was van verrassing niet in staat een woord te spreken: ik zag dat zij ook onthutst was: het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet, mij te hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en had mij dus niet opgemerkt, dan voordat ik reeds binnengetreden was en mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij herstelde zich echter terstond van haar plotselingen schrik, zoodra zij mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in mij 't een of 't ander, 't geen haar, in weerwil van mijn ongunstig uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde: in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.
En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; 't geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij. Immers, zoo een van ons beiden een allerzotst figuur maakte, dan zeker was ik het. Blozende en als op de plaats vastgenageld bleef ik standhouden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van ongemeene grootte, doch uit slechts ééne plank vervaardigd, en waarop een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben enz., waarna ik, al achteruitschuivende, mijn hoed wederom opraapte en te kennen gaf, dat ik door een onmiddellijk vertrek mijn onbescheidenheid zoude verbeteren.
"O! 't is niets, Mijnheer!" zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging: "gij hindert mij niet en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen."
Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn zotte houding haar in een goede luim; want haar gelaat klaarde op, en zij vervolgde met een vriendelijken glimlach:
"Ik heb eigenlijk niets over dezen koepel te zeggen; maar mijn oom zal het mij niet ten kwade duiden, zoo ik voor een oogenblik in zijne rechten trede en u een schuilplaats vergunne."
Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn beschroomdheid geheel geweken. "In waarheid," zeide ik, "het weer is zoo boos, dat ik niet aarzel om van uwe beleefdheid gebruik te maken, al mocht het onbescheiden geacht worden." Dit zeggende maakte ik weder een buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.
De jonge juffer zag mij nogmaals terloops aan, vroeg mij of ik niet wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort, zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking; waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een tijdlang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geacht hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar, mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het fijngevormde neusje, de aardig gekuilde koontjes en rozeroode lipjes, die het bevallige aangezichtje mijner nieuwe halvekennis versierden;—maar ik begreep dat betamelijkheid mij verbood, haar zoo gedurig aan te staren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar buiten te zien, of de regen ook ophield, iets waarop althans voor 't oogenblik, geen uitzicht scheen,—en met de binnenzijde van het zomerhuis te beschouwen. Ik kon niet nalaten, hierbij den goeden smaak des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien wat al te kwistig met versierselen en krullen was te werk gegaan, van binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben. De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd: maar de kroonlijst, zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het roode marmer na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden letteren daarop gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak daartegenover met glazen en kopjes zou gevuld zijn; dat het derde een fontein verborg, en men in het vierde
zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit marmersteenen van onderscheidene kleur, zoodanig ingericht, dat zij een groote ster binnen drie breede randen voorstelden;—echter waren alleen de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote Moskovische mat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.
Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan van haar boek opzag, om naar het weer te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten, toe te schrijven aan haar verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande, zeide ik op een toon, die in weerspraak was met mijn woorden:
"Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren: en dat ik best zal doen met u onder dankbetuiging te verlaten."
"Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen," zeide zij, haar heldere blauwe oogen eerst eventjes op mij en toen zeer lang op de zwarte wolken gevestigd houdende: "het is waarlijk nog geen wandelweer."
En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten bevestigde de waarheid van haar woorden.
"Mejuffrouw is al te goed," hernam ik: "er zou mij anders minder aan gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor 't poortsluiten binnen Naarden te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn oogmerk te bereiken."
Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde, dat zij alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand die haar geheel onbekend was.
"'t Is noodweer!" vervolgde ik, eenigszins geraakt, en haar aan 't praten wenschende te krijgen: "het koren dat te veld staat zal er zeker vrij wat door lijden."
Het koren was zeker geen onderwerp, dat de Juffer toescheen gelukkig gekozen te zijn: althans zij bewaarde het stilzwijgen.
"Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden," zeide ik, in den waan, dat, zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de lippen en keek in haar boek.
"Dit schijnt eene fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs buitenslands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk."
Er was wederom geen antwoord.
"Voor den drommel!" dacht ik: "is het preutschheid, trotschheid of domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?" Ik kon het haar echter, bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, een steedsche, misschien wel een hoofsche juffer, in geen gemeenzaam onderhoud verkoos te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje de eenige gift was, die zij van de natuur ontvangen had, en of onwil dan wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:
"Mag ik vragen," zeide ik, "of dit goed niet toebehoort aan den Heer Blaek van Amsterdam? Ik meen wel gehoord te hebben, dat hij in deze omstreken een fraaie hofstede bezat."
"Ja, Mijnheer! de Heer Blaek is mijn oom," was het antwoord, waarvan de koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van teruggedreven te worden.
"Dat is mij bijzonder aangenaam," zeide ik: "ik herinner mij niet den Heer Blaek ooit gezien te hebben."
Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigszins verwonderd aan, als wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar dat het haar voorts ten eenenmale onverschillig was of ik haar oom al dan niet kende. Nu vervolgde ik:
"Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten huize mijns vaders ontmoet... Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner."
"Hij was mijn vader," zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat opeens een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: "ik heb voor twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen."
"Het is waar," zeide ik: "ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beiden hadden toen betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie.... Mijn vader is thans Hoofdschout te Amsterdam."
"De Heer Huyck uw vader!" zeide Mejuffrouw Blaek, op een uiterst minzamen toon, haar boek sluitende: "o! ik ken hem zeer goed; en vooral uw moeder en uw zuster: voor veertien dagen heb ik ze nog allen gesproken en ik hoop ze eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar Amsterdam vertrekken."
"En zij waren wèl, hoop ik?... indien ik zoo vrij mag zijn daarnaar te vernemen?"
"O! zeer wel!" antwoordde zij, haar boek op de vensterbank leggende en geheel ongedwongen: "en zij waren zeer verlangende u weer te zien. UEd. wordt met ongeduld en smart verwacht, dat kan ik u beloven."
"Nu! het verlangen is wederkeerig," zeide ik: "het doet mij ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van hen te hooren en vooral uit zulk een beminnelijken mond."
Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon terstond uit een anderen toon, uit vrees, dat zij het gesprek niet zou willen vervolgen.
"En is waarlijk mijn lieve moeder zoo wèl als UEd. zegt? Volgens de laatste berichten, die ik van haar ontving, had die lastige kwaal, de hoofdpijn, haar weer gekweld."
"Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw," zeide Mejuffrouw Blaek: "ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte niets bewijst; want zij klaagt nooit, en is altijd even lijdzaam en geduldig; maar uw zuster Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang zoo wel niet geweest was."
"En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet, hoe zij het zoolang heeft kunnen uithouden zonder mij; want toen ik nog in huis was, leefde zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in 't uur de les kon lezen."
"Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in 't zout is gelegd," zeide Mejuffrouw Blaek, lachende: "nu, gij zult het toch van Santje wel willen hooren?—waar zijn de oudste zusters voor, zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?...—ofschoon ik vrees, dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen."
"Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij een man heeft, om dien te regeeren.... Apropos, weet UEd. ook of er zich al één voor haar heeft opgedaan?"
"Zoo ik haar vertrouweling ware," zeide mijn nieuwe kennis met een fijnen glimlach, "zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen ik weet:—en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet versteken om zelve u dienaangaande de noodige mededeelingen te doen."
"O hemel!" hernam ik, "dan zal ik niets vernemen, voor en aleer de voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, aan de gansche gemeente verkondigt, dat er trouwbeloften bestaan, tusschen den Heer N.N. en Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck."
"Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal wezen. Ten minste, zoo ik oordeelen moet naar den toon, waarop zij altijd over u sprak, mag ik besluiten dat zij niet weinig van u houdt."
"Zij heeft u dus over mij gesproken," zeide ik met levendigheid: "dat verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend."
"UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe afwezigheid niet benadeeld heeft," zeide Mejuffrouw Blaek: "en dat gij meer verplichting aan haar hebt, dan men uit uwe woorden van zooeven zoude opgemaakt hebben."
"Wel, daarvan ben ik overtuigd," zeide ik: "verre van mij, zal zij niets dan goeds van mij zeggen;—maar wee mij, wanneer ik weer voor haar oogen verschijn."
"Dat is de ware vriendschap," zeide Mejuffrouw Blaek: "iemand zijn fouten in 't aangezicht te zeggen en achter zijn rug hem te prijzen:—maar wees slechts niet te hoovaardig. Zij wist uw brieven soms op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te versieren, dat gij er meer dan eens deerlijk afkwaamt."
"Hoe!" herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdschap en spijt ondervond: "zij heeft u mijn brieven laten lezen?"
"Immers uittreksels daarvan ... beschrijvingen van landen en steden, zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen, dat zij mij dikwijls vermaakt hebben."
"Helaas!" riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: "vermaakt! wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel liever op zijn bed had liggen droomen.—Nu voorwaar! nu zal ik toch ook op mijn beurt eens klagen over een misbruik van vertrouwen."
"Ik dank u voor de beleefdheid," zeide Mejuffrouw Blaek: "UEd. denkt dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was."
Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg: en ik ging dus schertsende voort:
"Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken: integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt, beschouw ik die mededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beiden zeer nauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de onzen zijn...."
"Dat spreekwoord gaat niet door," zeide Mejuffrouw Blaek, droog weg:—en als willende zij mij te kennen geven, dat zij niet van plichtplegingen hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het ware.
"Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen," antwoordde ik: "want mijn uurwerk heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing moet het echter niet verre van halféén zijn."
"Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik ben nog niet aangekleed."
"Wilt gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?"
"Wel neen," zeide zij lachende: "dit is de meening niet: gij zit hier droog; waarom zoudt gij u nogmaals aan de bui blootstellen?"
"Indien dit uw eenige reden is," zeide ik, "snel ik er dadelijk heen. Ik ben toch reeds doornat, en, buitendien, zou men niet desnoods door een water loopen, om u van dienst te zijn."
"Neen! neen! ik dank u," zeide zij, eenigszins ongeduldig; "er zal straks wel iemand komen, om mij te halen ... of liever ... zoodra de bui bedaart, gaan wij beiden elk zijn weg."
Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte, gereed om naar het heerenhuis te snellen, zoodra zij, mij daar verlof toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets wilde zeggen, doch aarzelde het uit te brengen. Eindelijk scheen zij haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich ziende:
"Hoor eens, Mijnheer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat UEd. niet gaat. UEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen ... ik ben bang dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen dat...."
"Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij gehoord is?" viel ik in de rede.
"Luister!" hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: "ik moet u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg bot-stil, daar ik u toch niet ontloopen kan."
"Op mijn woord," hernam ik met vroolijkheid: "ik kan niet gelooven, dat UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden. Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik denk."
"Hoe langer hoe mooier!" zeide zij: "in welk van de door u bezochte landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw gesprek gaat het bereik van een onnoozel Hollandsch meisje als ik ben ver te boven: en ik weet er niet naar behooren op te antwoorden."
"Het is dan toch waarlijk al te erg," hervatte ik, "dat al mijn gezegden zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen met u allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den tegenovergestelden zin op te vatten. In 's hemels naam!" voegde ik er haastig bij, ziende, dat een wolkje van ongenoegen op het blanke voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken: "wees niet boos, maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand,