Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of In Het Rijk van Vulcaan, by R. A. van Sandick

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: In Het Rijk van Vulcaan
       de Uitbarsting van Krakatau en Hare Gevolgen

Author: R. A. van Sandick

Release Date: March 19, 2006 [EBook #18016]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN HET RIJK VAN VULCAAN ***




Produced by Robert Cicconetti, Michael Oltz and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net






[Pg 1]

IN HET RIJK VAN VULCAAN.

DE UITBARSTING VAN KRAKATAU EN HARE GEVOLGEN,

DOOR

R.A. VAN SANDICK,

Oud-Ingenieur van den Waterstaat in Nederlandsch Indië, Leeraar aan de H.B.S. te Deventer.

[Pg 2]

ZUTPHEN, W.J. THIEME & Cie.

[Pg 3]


VOORREDE.

"Nu nog een boek over Krakatau?" hoor ik zeggen.—Ja lezer, ik waag het, meer dan zeven jaren na de groote uitbarsting, met dit onderwerp voor den dag te komen; een enkel woord van toelichting is daarom zeker niet overbodig.

In 1884 en 1885 verscheen "Krakatau", door R.D.M. Verbeek, uitgegeven op last van Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch Indië. Dit werk is in vorm en inhoud een meesterstuk. De naam van Verbeek is hierdoor ten eeuwigen dage verbonden aan de meest grootsche geologische gebeurtenis van onzen tijd. Zijn arbeid is klassiek. Uit eene overstelpende hoeveelheid materiaal schiep hij één geheel; hij heeft met "Krakatau" eene onvergankelijke eerezuil gesticht, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor het corps der Indische mijn-ingenieurs.

Onmogelijk is het na zijnen arbeid over Krakatau te schrijven, zonder zijn werk als basis te nemen. "En toch durft ge nog over Krakatau schrijven"! hoor ik mij toevoegen.

Als het werk van Verbeek in ieders handen was, dan zou dit boek geen reden van bestaan hebben. Dit is echter niet het geval, daar [Pg 4]het in de eerste plaats een wetenschappelijk boek is, het standaardwerk. Eene voor allen bevattelijke behandeling van dit onderwerp ontbrak tot na toe in onze taal. Toch is juist daar behoefte aan. Want toen Camille Flammarion in 1890 een werkje in het licht gaf, getiteld: "de l'Eruption du Krakatoa et les tremblements de terre etc.," vond dit èn in ons land èn in Indie zooveel lezers, dat hieruit duidelijk bleek, hoezeer eene populaire behandeling van dit onderwerp gewenscht was.

De firma Thieme & Cie wendde zich tot den heer Dr. B.C. Goudsmit, den man, die reeds zoovele werken van Camille Flammarion op zulk een uitstekende wijze in een Nederlandsen kleed heeft gestoken, met het verzoek ook dit werkje te vertalen.

Hoewel het boekje van Flammarion is aangekondigd als een "Oeuvre absolument inédit", is het in zijn geheel een afdruk van de artikelen door den geleerden schrijver in 1884 en 1885 in zijn tijdschrift "l'Astronomie populaire" geschreven.



Dat ik ooggetuige was van de groote uitbarsting in Augustus 1883, daarin steekt op zich zelf al zeer weinig verdienstelijks. Mijne indrukken gaf ik weer in eene particuliere correspondentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 23 October 1883 onder den titel: "eene Zeebeving." Op verzoek van Camille Flammarion gaf ik eene beschrijving van de uitbarsting in het: "Bulletin mensuel de la société Flammarion à Argentan," Dec. 1883 en Juni 1884, waarvan het eerste gedeelte ook in "la Nature" verscheen. De groote verdienste, die deze opstellen hadden, was hunne actualiteit; zij waren nagenoeg de eerste opstellen, die in Frankrijk over Krakatau werden gepubliceerd.

De artikelen van Camille Flammarion in de "Astronomie populaire", die in 1890 in één bandje het licht zagen, bestaan hoofdzakelijk uit aanhalingen uit deze opstellen.

Aan hare actualiteit is het dan ook toe te schrijven, dat mijne beschrijving der uitbarsting in zoovele Fransche, Duitsche en Engelsche [Pg 5]tijdschriften werd overgenomen en ook in het Russisch is vertaald. Toen ik haar samenstelde was het reuzenwerk van Verbeek nog niet verricht.

Zij was geschreven onder den indruk van de vreeselijke uren op het schip de "Gouverneur Generaal Loudon" doorgebracht tijdens de uitbarsting. Een dergelijke indruk kan niet geheel zuiver zijn.

Ik zou echter niet gaarne het vaderschap op mij nemen van de vele onjuistheden, die de heer Flammarion, destijds zeer geimpressionneerd door "le cataclysme de Java", in de "Astronomie" heeft afgedrukt, en die zeer getrouw in zijn werkje worden teruggevonden; vooral niet van het kaartje van de "région du cataclysme", waarop tal van nieuwe eilanden voorkomen, die alleen in het vruchtbare brein van den schrijver bestaan, terwijl alleen de Java-kust schijnt te zijn overstroomd, doch de kust van Sumatra geheel ongedeerd is gebleven. En dat terwijl Verbeek's Krakatau ook in het Fransch is verschenen!

De heer Dr. Goudsmit maakte bezwaar om de vertaling van Flammarion's Krakatau op zich te nemen. Op zijn advies wendde zich de Firma Thieme & Cie tot mij. Ik was het volkomen eens met Dr. Goudsmit, dat er van eene vertaling van het werkje van Flammarion in het vaderland van Verbeek moeilijk sprake kon zijn (vooral ook omdat Flammarion's werkje volstrekt niet oorspronkelijk is).



Ik heb nu op verzoek van genoemde uitgevers getracht een populair boek te schrijven over Krakatau.

Wie alleen de zuivere wetenschap bemint, vindt hier weinig van zijne gading.



Het spreekt van zelf, dat ik menigmaal heb moeten putten bij Verbeek.

De "Royal Society" te Londen benoemde in Januari 1884 eene Krakatau-commissie, die eerst in 1888 rapport uitbracht. Dat werk verscheen onder den titel: "the Eruption of Krakatoa and subsequent phenomena." Over de uitbarsting zelve bevat het niet veel, wat niet reeds bij Verbeek wordt aangetroffen. Toch[Pg 6] vormt het eene schoone aanvulling van diens boek, omdat het zooveel later verschenen is en de Engelsche commissie daardoor de beschikking had over feiten, die Verbeek niet bekend konden zijn. Ik heb hierbij vooral het oog op de optische verschijnselen in den dampkring van 1883 tot 1886 waargenomen. Ook het Rapport der "Royal Society" werd door mij geraadpleegd.



Mogen deze bladzijden er tevens toe bijdragen om in wijder kring belangstelling te wekken voor het schoone Insulinde, waar, door de uitbarsting van Krakatau, geleden is, zooals slechts zelden op aarde geleden wordt.

R.A. VAN SANDICK.

[Pg 7]

Deventer, September 1890.


HOOFDSTUK I.

De wereld van Vulcaan.

Het "heimweh" der Zwitsers naar hunne bergen.—Alpensport.—De Nederlanders zijn geen bergklimmers.—Tartarin.—Nederland als "plat land."—Indië, het land der derde dimensie.—Java's blauwe bergen vergeleken met de Alpen.—De wereld van Vulcaan.—De vulkaangordels op aarde.—Werkende en uitgedoofde vulkanen.—Uitbarsting van den berg Zoo in Japan.—"Plooien" en "verwerpingen." Het vulkanisme volgens de theorie van Kant-la Place.—De diepteschaal.—Waaruit bestaat het binnenste der aarde?—Vondst van Nordenskjöld te Oritok.—Diepste putboring der aarde te Schladebach.—Het boorgat van Sperenberg.—Temperatuurbepalingen bij den bouw van den St. Gothardtunnel.—De schil van de perzik.—Een origineel denkbeeld van Camille Flammarion.—De vulkanische haarden.—Wij zijn even ver als Empedokles.—De Neptunische en de Plutonische school.—De eeuwige cirkelgang van het water op aarde.—Een onderaardsche Rijn.—Prof. Mohr te Bonn, de laatste Neptunist.—Zal het water op aarde verdwijnen?—"Niets bestendig hier beneên."—Langzame beweging van de aardkorst.—De indruk van vulkanische verschijnselen—"Die Zeugung des Dampfes" van Kaulbach.—De rol van den waterdamp.—Kritische temperatuur.—Spanning van waterdamp in vulkanische haarden—Voorboden van de uitbarsting.—De uitbarsting zelve.—De hoogte der vulkanen.—Nog eens het water.—483 aardschokken in Japan in 1887.—De onfeilbare(?) wetenschap en "des Pudels Kern."—De wereld van Vulcaan blijft een mysterie.

De tijd ligt ver achter ons, dat de Zwitsersche hulptroepen een belangrijk contingent van de meeste Europeesche legers vormden. Die Zwitsers waren goede soldaten,[Pg 8] zij hadden weinig behoeften, waren trouw en dapper en konden zich gewoonlijk zeer goed schikken in eene vreemde omgeving.

Maar onder de Zwitsers, die in ons land waren, ontstond menigmaal eene eigenaardige ziekte. Zij kregen dan een onoverwinnelijk, brandend verlangen naar hun land. Men noemde dit "heimweh." De ongelukkige, die daaraan leed, verviel in eene diepe, grenzenlooze neerslachtigheid. Hij deserteerde of pleegde zelfmoord.

Men merkte dit verschijnsel op bij menschen, die volkomen overtuigd waren, dat zij het hier veel beter hadden dan ooit te voren in Zwitserland; die geen ouders of andere teedere betrekkingen in 't vaderland hadden achtergelaten, die in hunne jeugd in de diepste armoede hadden geleefd, en die in alle opzichten tevreden waren met hunnen maatschappelijken toestand.

Het was in der daad niet het vaderland, dat zoo sterk magnetisch op hen werkte, maar het waren de Alpen, de Bergen hunner jeugd, die zij niet konden vergeten in Nederland.

De aantrekkingskracht, die van de Alpen uitgaat, is werkelijk groot. Is er wel één tak van lichaamsoefening in onzen tijd, die zoozeer bloeit als de Alpensport? Gewoonlijk wordt in ons land deze edele uitspanning beschouwd als roekelooze waaghalzerij.

Wij Nederlanders reizen zeer veel. Maar het bergstijgen is onze zwakke zijde. De talrijke landgenooten, die des zomers Holland ontvluchten, vlijen zich voor het grootste gedeelte rustig neêr aan den voet der bergmassa's, terwijl ze een medelijdenden glimlach over hebben voor de talrijke Duitschers en Engelschen, die zoo "stom" zijn op die bergen te klouteren. Voor hen zijn dan ook de tandradbanen eene nuttige en gewaardeerde uitvinding en ge kunt des zomers te Arth geheele wagens vol landgenooten met de tandradbaan den Rigi zien bestijgen, terwijl zij zichzelf voor bijzonder practisch aanzien in vergelijking van de bergklimmers, voor wier streven zij de[Pg 9] meest onverholen minachting aan den dag leggen. Verstaat men echter door sport alles wat aanleiding geeft tot oefening van spieren en tot staling der zenuwen, dan behoort zeker de bergsport een hooge plaats in te nemen.

Carlyle zegt, dat men den mensch groot onrecht doet door te beweren, dat hij door gemak en rust wordt aangetrokken. Moeite, zelfverloochening, martelaarschap, dood,—ziedaar, zegt hij, het lokaas, dat het menschenhart bekoort.

Wanneer men bekend is met de grenzenlooze onvoorzichtigheid, roekeloosheid en waaghalzerij van vele reizigers, dan moet men zich slechts verwonderen, dat het aantal slachtoffers der hooge bergen niet grooter is. Leest de beklimming van den Jungfrau door Tartarin, den echten opsnijder uit Tarascon in Daudet's onsterfelijk werk: "Tartarin sur les Alpes." Daar hebt ge het type van den ophakkerigen grootspreker, den bluffer, den "Bergfex", zooals de Tirolsche gidsen die soort van touristen noemen. Maar daarmede is niet de bergsport veroordeeld. Het is eene der meest volkomen uitspanningen, die er denkbaar zijn, en het is voor onze eeuw een onvergankelijke eer deze soort van sport in het leven geroepen te hebben.

Een Duitsch hoogleeraar gaf onlangs aan hen, die zich willen traineeren voor bergklimmen, den raad om gedurende eenigen tijd elken dag minstens een half uur achtereen te zwemmen, daar bij zwemmen en bergstijgen dezelfde spieren in beweging komen. Voor ongeoefenden is bij het klimmen het grootste bezwaar de versnelde ademhaling, die tot hevige hartkloppingen aanleiding geeft. Uw tong kleeft aan het gehemelte, het hart bonst; ge zijt al spoedig in een bad van zweet; de knieën knikken; een gevoel van namelooze ellende overmeestert u en ge doet een duren eed nooit meer op een berg te klouteren.

Maar ge moet nog naar beneden. Denk niet, bewoner der lage landen, dat u dit gemakkelijker zal vallen dan[Pg 10] het stijgen. Hebt ge ooit getwijfeld aan de algemeene aantrekkingskracht, dan zult ge nu overtuigd worden. Het is u alsof gij naar beneden getrokken wordt, onafgebroken en onwederstaanbaar. De constante zwaartekracht, die op u werkt, tracht u eene eenparig versnelde beweging mede te deelen, en ge wendt wanhopige pogingen aan om eene eenparige beweging te onderhouden. Bij het aanhoudend afdalen hebt ge, wel is waar, geen last van kortademigheid, maar uw geheele lichaam siddert en trilt. De ongewone beweging, die ge met dijen en knieën maakt, vermoeit u verbazend en geeft u een onbeschrijflijk gevoel van wee. Ge gelooft, dat het dalen erger is dan het klimmen. Eindelijk zijt ge beneden. Nieuwe misères breken aan. De spieren uwer onderdanen zullen zich wreken over de ongewone beweging, waartoe ze gedwongen waren. Dood moe naar bed gegaan, hebt ge geslapen als een roos. Bij het opstaan zijt ge zoo stijf in knieën en dijen, dat het u groote inspanning kost een stap verder te doen. Dit is een gevolg van het afdalen en ge kunt van geluk spreken, als ge deze stijfheid, die ge wellicht aan rhumatiek toeschrijft en die even pijnlijk is als deze, in een week kwijt raakt.

Als ge het nu bovendien hebt getroffen, dat de lucht onder u beneveld was, toen ge op den bergtop waart, zoodat ge absoluut niets gezien hebt van het vergezicht, dat men u voorgespiegeld had, dan zult ge wel voor goed genezen zijn van het bergklimmen. Toch behoeft uwe eerste ondervinding u niet af te schrikken. De grootste fout is geweest: ge hebt te veel hooi op de vork genomen. Als ge nooit een berg bestegen hebt, leg het dan kalm aan. Wees nederig in uwe keuze. Bestijg eerst een heuvel, daarna een bergje. In den tijd van acht dagen zijt ge zoo gewoon aan het ongewone, dat ge gemakkelijk een paar duizend voet kunt klimmen. En nu hangt het van uw gestel, maar vooral van uwe energie af, of ge het in de volgende acht dagen bij voortgezette oefening zult brengen tot zes-, tot acht duizend voet. Ja ge behoeft er niet[Pg 11] aan te wanhopen om het zelfs in dien tijd te brengen tot de werkelijk hooge bergen, de eeuwige sneeuw, de gletscherwereld.

Wellicht kunt ge u dan het "heimweh" van den Zwitser verklaren, die in Nederland ziek werd van verlangen naar zijne Alpen.



Met eenigen goeden wil toch kan men geheel Nederland beschouwen als een horizontaal vlak, dat zich slechts in twee afmetingen, lengte en breedte uitstrekt. De horizon is onbeperkt, oneindig, slechts begrensd door de kromming der aarde. Zijn er geen boomen, dan steken wij zelf boven het geheele landschap uit. Bij de vaststelling van hoogteverschillen rekenen wij met centimeters, boven of beneden ons vergelijkingsvlak, het wereldberoemde Amsterdamsche peil (AP).

Er is voor ons geen reden om ons daarover te beklagen. Wij kunnen met alle recht trotsch zijn op ons land, daar wij het zelf geschikt maakten om er te wonen. Het is immers niet in overdrachtelijken zin, maar letterlijk "ontwoekerd aan de zee." Maar de Zwitser, de bewoner der bergstreken, kreeg "heimweh". Hij was geen platlandbewoner, maar een kind der derde dimensie: de hoogte.

Verplaatst ge den Nederlander naar Indië, het bergland bij uitnemendheid, dan komt omgekeerd de vroegere platlandbewoner onder den overweldigenden indruk der derde dimensie, de hoogte, waarvan hij in Holland slechts een flauw begrip had. De steile rotswanden, uit wier spleten de wonderlijkst gevormde planten opschieten, de boomen die zich verheffen hooger dan hij het ooit kon droomen, met de meest grillige bladvormen, de peilloos diepe bergmeren met hunne donkerblauwe kleur, de ongenaakbare ravijnen, de rivieren, die reusachtige rotsblokken medesleurend, met donderend geweld hunne onstuimige, troebele wateren over een ongelijk bed voortstuwen, de terrasvormige rijstvelden, de donkergroene plekken der koffietuinen[Pg 12] op de hellingen, en ten slotte de bergen zelve, met hun machtig lichaam, bekroond door kraters, die den mensch steeds een dreigend "gedenk te sterven" toeroepen—zie, dat alles wijst u op een in Holland ongekende macht: de verticale richting. Hebt ge in Holland de aarde als onwrikbaar beschouwd in de richting der derde dimensie, aardbevingen en vulkanische opheffingen zijn daar om u aan te toonen, dat hare onbewegelijkheid in verticalen zin slechts in Holland gold. Verbijsterend is de indruk, dien de bergwereld op den platland-bewoner maakt. Maar dat vreemde in die omgeving treft u later niet meer. Het "heimweh" van den Zwitser blijft u vreemd. Als ge naar Holland verlangt, dan is het niet naar het Hollandsche landschap....

Maar toch zal de natuur op u reageeren. Zij stemt tot melancholie. Geen vogel stoort de goddelijke stilte van den tropischen nacht, maar, als de zon onder is, stort een heirleger van bloeddorstige muskieten op u neder, en een koor van krekels laat een schrillen, zeer hoogen toon hooren; het eenige geluid in den stillen nacht. Geen lente, geen winter breekt ooit de eentonigheid van een eeuwigen zomer, van eene eeuwige warmte, van het eeuwige groen.

En wij komen, langzaam, onwillekeurig, doch zeker onder den invloed van die natuur. Zij werkt verlammend op onze energie, maakt ons dof en somber. Dan komen wij in die stemming, dat wij gevoelen, dat wij in Indië veel missen. Wij haken naar Europa, naar het opgewekte intellectueele leven onzer wereldsteden, naar goede muziek. Maar het is niet het "heimweh" van den Zwitser.



Waaraan is het toe te schrijven, dat de indruk zoo machtig, zoo blijvend is, dien Java's bergen op ons maken? Want zij zijn niet zoo bijzonder hoog; de Mahameroe, de hoogste top van den reus onder Insulindes bergen, den Smeroe, den alouden heiligen berg van Indra verheft zich slechts 3672 M. boven het peil der Javazee. En het eigenlijke[Pg 13] hooggebergte, zooals men in de Alpen zegt, begint eerst op die hoogte. De bergen van tien duizend voet liggen in Europa juist op de sneeuwgrens. Daar boven is in Europa die geheimzinnige arktische natuur, die aan natuurschoon alles op aarde overtreft. En de stille woeste majesteit van de gletscherwereld, de witte massa's der omringende bergreuzen, die afsteken tegen de blauwe lucht, en daaronder ver weg, in vogelvlucht gezien, de vlakte, als een gekleurd kleed—dat alles zocht ge op Java te vergeefs. Want geen berg overschrijdt de sneeuwgrens; nooit heeft de lucht de helderheid van een Zwitscherschen zonsopgang; er is altijd iets wazigs in de atmosfeer; eene deining, aan de tropen eigen, bederft meestal het vergezicht. Ondanks dat is de indruk forscher. Java's bergtoppen staan op zich zelf. Eén berg beheerscht de geheele omgeving. Zulk een indruk maakt nooit een keten. De Alpen zijn dood. Een Alpenlandschap in het hooggebergte doet u denken aan eene bekende illustratie in de "Wonderen des Hemels" van Flammarion, het laatste menschenpaar door den vinger des doods aangeraakt, bedolven onder het lijkkleed van het eeuwige ijs.

Maar van Java's bergen grijnst u de dood toe op meer welsprekende wijze, het is niet de dood in de verre toekomst, als de ijsvorst zelfs de tropen zal hebben veroverd, maar de dood, zooals hij komt op het slagveld, plotseling, door het vuur van den vijand. Want Java is één reusachtig artilleriepark.

Het zijn niet alleen bergen, die verheffingen van den bodem, die over het geheele eiland verspreid zijn, maar het zijn tevens werkende vulkanen. Vijftig vuurspuwende bergen verheffen hunne kruinen hemelwaarts, ze zijn allen te kennen aan den eigenaardigen vorm, die den vulkanen eigen is. Ge kunt nergens zijn op Java of ge wordt bestreken door een dezer vuurmonden. Ge leeft hier in het gebied van Vulcaan. Bedenkt men dat Java viermaal zoo groot is als Nederland, dan gevoelt men eerst wat dat zeggen wil: Java heeft vijftig vulkanen,[Pg 14] waarvan acht en twintig werkende vulkanen zijn. Stel u toch eens voor dat Nederland zeven werkende vulkanen bezat!

De vulkanen zijn zeer ongelijk verdeeld op onze aarde. Zij zijn opgesteld in rijen of gordels. De eerste groote vulkanische gordel begint bij Kaap Hoorn, loopt langs de Westkust van Zuid-Amerika over Middel-Amerika, en gaat in Noord-Amerika te niet. Hieraan sluit een tweede rij aan, die in hoofdzaak den volgenden weg volgt: Alaska, Aleutische eilanden, Kamschatka, Koerillen, Japan, Philippijnen, Celebes, Kleine Soenda-eilanden, Java, Sumatra.

Tegenover die reusachtige vulkaanreeks zijn de Europeesche vulkanen onbeteekenend. In het tertiaire tijdperk was de wereld van Vulcaan veel uitgebreider. Want terwijl men b. v. in Italië nu drie werkende vulkanen, den Vesuvius, den Etna en den Stromboli aantreft, vindt men in den omtrek van Napels zeven en twintig uitgedoofde kraters. Zulke streken hebben eene formatie als die der maanoppervlakte. Men vindt zulke groepen van uitgedoofde vulkanen b.v. in Auvergne, aan den Rijn bij de Laacher See en in den Eifel.

Vooral in streken waar veel vulkanen zijn is het moeilijk onderscheid te maken tusschen werkende en uitgedoofde vulkanen. Men noemt den vulkaan dan maar uitgedoofd, als hij, voor zoover bekend is, nimmer eene uitbarsting heeft gehad. Maar er is geen waarborg, dat hij steeds uitgedoofd zal blijven. En daarenboven ontstaan menigmaal in de vulkanische streken vulkanen op plaatsen, waar men ze niet vermoed had. Ontelbare malen is het geschied dat een berg, dien men voor volkomen onschuldig aanzag, zich plotseling ontpopte als een werkende vulkaan. Zoo begonnen o.a. in de buurt van de stad Foekoejoema in het district Bigo, gelegen aan de Noordkust der Japansche binnenzee, den 16den Januari 1890 onderaardsche rommelingen. Des avonds te 8 ure hoorde men een vreeselijken slag. De top van den berg Zoo stortte plotseling in, groote hoeveelheden zand en steenen werden uitgeworpen[Pg 15] en vielen neder over een omtrek van 10 kilometers. Voor zoover bekend, had de Zoo nimmer van te voren getoond, dat hij een vulkaan was.

De vulkaanrijen op aarde komen overeen met groote plooien in de aardlagen of met groote breukvlakten. Hier zijn de aardlagen ten opzichte van elkaar verschoven. Men noemt deze verschuivingen in het Duitsch "Verwerfungen," een woord dat ik bijna niet door "verwerpingen" durf vertalen.

Die "plooien" en "verwerpingen" hangen zóó nauw samen met het vulkanisme der aarde, dat wij er iets over moeten zeggen.

Volgens de theorie van Kant-la-Place zou de aarde eens een gasvormige bol zijn geweest, die, langzaam afkoelende in de koude wereldruimte, in die periode kwam, dat zij een vloeibare kogel was.

Zij gaat nu voort met warmte uit te stralen, en volgens de oudere begrippen, wordt de buitenkant vast, terwijl het binnenste vloeibaar blijft. Dit vaste gedeelte is de zoogenaamde lithosfeer der aarde, waarvan slechts het buitenste gedeelte door ons gekend wordt. De vulkanen zouden dan zijn, volgens eene zoo menigmaal reeds geciteerde uitdrukking van Alexander von Humboldt, de veiligheidskleppen der aarde. Het vulkanisme zou zijn: de reactie van het vloeibare gedeelte tegen de aardkorst. En daar uit proeven blijkt, dat de warmte in de aardoppervlakte zeer regelmatig toeneemt met 2-1/2° Celsius voor elke 100 M. diepte, zou men reeds op eene diepte van 50 kilometer het eeuwige centraalvuur aantreffen; eene temperatuur van 1200° Celsius toch komt, volgens deze gegevens, overeen met eene diepte van 50 kilometer. Deze verklaring van het geheimzinnige vulkanisme der aarde is aanlokkelijk door haar eenvoud. Eensklaps wordt ons alles duidelijk; wij hebben niets meer te vragen. Maar de natuur is nu eenmaal niet eenvoudig. De verschijnselen, die wij waarnemen zijn zoo gecompliceerd, dat de eenvoudige theorieën, die met één woord geheele reeksen van[Pg 16] feiten verklaren, bijna nooit den toets der wetenschappelijke kritiek kunnen weerstaan. En zoo is ook deze theorie over het vulkanisme bezweken. De grootste bedenking, die tegen haar is ingebracht, is de betrekkelijk groote stabiliteit van de aardkorst. Wanneer toch de geheele kern der aarde vloeibaar was, dan zou die vloeibare massa, in volume zooveel duizenden malen meer dan de zeeën, aan ebbe en vloed onderhevig zijn, en de oppervlakte der aarde zou het tooneel zijn van vulkanische werkingen, waarbij de aan menschen bekende, in het niet zouden verzinken. Trouwens het is moeilijk aan te nemen, dat de geleidelijke afkoeling der vloeibare aarde zoodanig is geschied, dat zij van buiten af naar binnen toe vast is geworden. De warmte toch, die een vloeibaar lichaam afgeeft, wordt aan dat lichaam niet ontnomen door geleiding en straling alléén, maar hoofdzakelijk door strooming of circulatie. De vloeistofmassa, aan de oppervlakte gelegen, wordt door afkoeling soortelijk zwaarder. Zij zinkt derhalve in het vloeibare gedeelte. Het gevolg zou dus zijn niet het vormen van een vaste schors en een vloeibare kern, maar het ontstaan van een vaste kern, die, door den hoogen druk, een groot soortelijk gewicht krijgt.

Eerst dan, als de massa taai vloeibaar wordt, zal de warmte niet door strooming maar door geleiding worden voortgeplant. Dan eerst ontstaat, om de taai vloeibare massa, een vast omhulsel. In dat stadium zou dan nu onze aarde zijn. Voor deze hypothese pleit bovendien het groote soortelijk gewicht der aarde, dat meer dan 5 bedraagt, terwijl de gesteenten aan de oppervlakte gemiddeld een soortelijk gewicht van 2,5 bezitten. Ja er zijn zelfs geleerden, die beweren, dat die vaste kern uit ijzer bestaat. Zij roepen daarbij de uranolithen of meteoren te hulp, die geheimzinnige boden uit de kosmische wereld, ruïnes en stukken van andere hemellichamen op onze aarde neergevallen. Men kent hiervan twee soorten, de meteoorsteenen, die dan van de korst (lithosfeer) dezer vernietigde hemellichamen afkomstig zouden zijn, en het meteoorijzer,[Pg 17] dat van de kern dier hemellichamen zou komen. Nieuw voedsel kreeg deze theorie door eene vondst van Nordenskjöld, die op de Westkust van Groenland bij Orifok o.a. een brok ijzer vond van 20,000 KG., van dezelfde samenstelling als meteoorijzer. Wanneer soortgelijke stukken geen uranolithen zijn, wat wegens de afmetingen niet waarschijnlijk is, dan zouden ze met het vulkanische basalt, waarin ze liggen, uit de diepte der aarde zijn opgewoeld. We zouden dan in dit brok een stuk bezitten van de aardkern. Doch verlaten wij het gebied der bespiegelingen. Bekennen wij liever onze verregaande onkunde omtrent datgene, wat onder onze voeten is. De diepte toch van de aardkorst, ons door boringen bekend, is te gering om daaruit besluiten te trekken over hetgeen daar beneden ligt. Want de diepste put, dien wij hebben kunnen graven, heeft eene diepte van 1748 meter. Deze boring geschiedde bij het dorp Schladebach, oorspronkelijk met het doel om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van steenkolen; de Pruisische regeering gelastte echter de boring voort te zetten, ten einde temperatuuropgaven te verkrijgen op eene diepte grooter dan ooit te voren. De boring werd uitgevoerd onder leiding van den ingenieur Köbrich, hoofdinspecteur der mijnen. Hij had gehoopt eene diepte van 2500 M. te verkrijgen. Maar toen het gat 1748 meter diep was, braken de boorstangen en was hij tot zijn leedwezen verplicht de boring te staken. Toch had Köbrich alle reden om zich geluk te wenschen. Want hij had het diepste boorgat op aarde, dat bij Lieth in Sleeswijk-Holstein, meer dan 400 M overtroffen. Om de 30 Meter werden temperatuuropmetingen gedaan. Gemiddeld was de temperatuurtoename 1° Celsius op de 36,9 Meter.

De bekende waarnemingen in het boorgat van Sperenberg, dat langen tijd voor het diepste boorgat der aarde gold, en dat 1272 M. diep is, gaven eene temperatuurvermeerdering aan van 1° Celsius op de 32 Meter.

Onze kennis van de temperatuur der gesteenten onder[Pg 18] de oppervlakte der aarde is belangrijk vermeerderd door den bouw der Alpentunnels. Bij den bouw van den St. Gothardtunnel heeft de Zwitsersche ingenieur Stapf eene menigte onderzoekingen gedaan over de temperatuur der gesteenten. Maar ook de St. Gothardtunnel-waarnemingen geven ons slechts uitsluitsel over eene diepte van 1200 M. beneden den bodem. De toeneming van temperatuur met de diepte is, tusschen de grenzen, waar al deze waarnemingen verricht zijn, een feit, geen hypothese meer te noemen.

Is het echter niet verregaand oppervlakkig om uit de zoogenaamde diepteschaal, die zonder twijfel geldig is voor kleine diepten, eenige conclusie te willen trekken over de onbekende diepte? Wat beteekent de diepte van den put te Schladebach, 1748 M. tegenover den straal der aarde, die gemiddeld 6,370,045 M. bedraagt. Slechts het 1/3600 van den afstand, die ons scheidt van het middelpunt der aarde, is ons bekend. De aarde, waarop wij leven, is eene perzik, waarvan we alléén de schil kennen. Maar ook dit beeld is niet sterk genoeg. Want er is geen vrucht, die zulk eene dunne schil heeft, dat deze zoude kunnen vergeleken worden met het gedeelte van de aardkorst, dat wij kennen. Het vleesch van de perzik, het binnenste der aarde, zal ons wel altijd onbekend blijven.

De bekende geleerde Camille Flammarion heeft voor eenige jaren, onder den indruk van de uitbarsting van Krakatau, een merkwaardigen voorslag gedaan. Het eenige middel, zegt de geniale Franschman, om met zekerheid de inwendige samenstelling der aarde te leeren kennen, zou zijn het graven van een reusachtigen put ter diepte van eenige kilometers. Een dergelijk werk zou de krachten der hedendaagsche nijverheid niet te boven gaan. Die put zou voor de menschheid eene onuitputtelijke bron zijn van warmte. Als de verschillende Staten van Europa zich met elkaar verstonden om al de soldaten van Europa tot dit doel te gebruiken, dan zouden zij eene overwinning behalen grooter dan alle mogelijke menschenslachtingen[Pg 19] van 't verleden, van 't heden en van de toekomst, want zij zouden het mysterie ontdekken, dat onder onze voeten is. En daar men, gedurende dien reuzenarbeid, de gewoonte zou hebben verloren van te vechten, zou de menschheid er door vooruitgaan niet alleen op wetenschappelijk maar ook op sociaal gebied.

Men zou allicht veronderstellen, dat dit stoute denkbeeld van Flammarion niet ernstig gemeend kan zijn. Maar als wij zien, dat hij, zes jaren na dit geschreven te hebben, in volkomen dezelfde bewoordingen, hetzelfde plan nog eens oppert in een in 1890 verschenen werkje over de uitbarsting van Krakatau, dan kan aan zijn ernst niet getwijfeld worden. Wanneer wij echter moeten wachten tot de verwezenlijking van dit plan, voor wij iets naders zullen te weten komen over den toestand van het binnenste der aarde, dan zullen wij wel altijd in het onzekere blijven verkeeren.

Maar wat wij zeker weten is, dat er vulkanen zijn, en dat zij gesmolten stoffen uitbraken, die eene temperatuur hebben van 2000° Celsius. Hieruit volgt dat er, op betrekkelijk geringe diepte onder de aardkorst, ruimten zijn waar eene zoo hooge temperatuur heerscht, dat die gesteenten gesmolten zijn. Vormen nu die ruimten een samenhangend geheel of komen zij alleen voor dáár, waar de vulkanen zijn? Nemen wij de theorie aan van de taaivloeibare tusschenlaag, die magma genoemd wordt, dan kan men zich voorstellen, dat er uit dat magma op sommige plaatsen als 't ware vloeibare meren van lava ontstaan, ruimten, die in 't algemeen op zich zelf staan, doch die soms met elkaar verbonden zijn. De geoloog noemt die ruimten vulkanische haarden. Gaat men nu na, dat de vulkanische haarden van Sumatra, Straat Soenda, Java, kleine Soenda eilanden, Molukken en Australië zonder twijfel met elkaar samenhangen, dan zou men uit die groote uitgestrektheid, met den heer Verbeek, het besluit kunnen trekken, dat er nog verbazend groote onderaardsche ruimten met vloeibare stoffen gevuld zijn. De[Pg 20] aanwezigheid der vulkanen, op de breukvlakten van de lithosfeer, heeft in allen gevalle niets vreemds.

De samentrekking of inkrimping van de korst, als gevolg van de voortgezette afkoeling, verklaart het ontstaan der "plooien" en "verwerpingen". Zoo ontstaan bergketens, en de vulkanische haarden maken de bergen tot vulkanen. Zoo zijn wij dan na met tal van theoriën gedweept te hebben, ten slotte weer genaderd tot de denkbeelden van den ouden Helleenschen wijsgeer Empedokles. De bergen zijn volgens dezen door het arbeidsvermogen van het centraalvuur ontstaan. Over 't algemeen echter schreef de oudheid het ontstaan der gesteenten toe aan de vervormende kracht van het water; het is Poseidon, de aardschudder, met zijn machtigen drietand, die de aarde deed bezinken uit de zee. Zoo leerden Thales en Plato; zij waren de woordvoerders der zoogenaamde Neptunische school, die tot in onzen tijd aanhangers heeft gevonden. Empedokles kan men beschouwen als den stichter der plutonische of vulkanische school. Hier is het niet het Water maar het Vuur, dat de gesteenten der aarde heeft gevormd.

Wij zagen reeds dat de theorie van Kant-la Place eigenlijk niets anders is dan eene uitbreiding van de denkbeelden van Empedokles. De aardschors zou uit de gloeiend vloeibare massa bezonken zijn. Maar nu krijgt ook Neptunus zijn deel. Iedereen kent den eeuwigen cirkelgang, dien het water doorloopt. Het water verdampt aan de oppervlakte, en uit de planten stijgt het op; in de koude luchtlagen koelt het af, het overschrijdt het maximum van spankracht en slaat neer als regen of sneeuw. Die neerslag dringt in de aardkorst, hij vormt al het zoete water op aarde. Dit zoete water komt slechts voor een klein gedeelte aan de oppervlakte te voorschijn als bronnen, beken, rivieren en meren; het grootste deel zakt, tot het op een min of meer ondoordringbare aardlaag stuit. Zoo ontstaan onderaardsche kanalen en meren, op wier bestaan en op wier machtigen invloed eerst in den laatsten tijd de aandacht is gevestigd. Dit onderaardsche[Pg 21] water voedt weer op zijne beurt de rivieren, maar er is nog zeer weinig van bekend. Het vraagstuk van de watervoorziening der steden heeft vooral de aandacht gevestigd op dit zak- en grondwater. Het vormt onderaardsche rivieren, die zich soms onder het bed van de rivier uitstrekken. Een enkel voorbeeld moge dit duidelijk maken. Onze landgenoot, de civiel-ingenieur T.W. Smallenburg, sloeg eene Norton-pijp midden in den Rijn bij Worms. Hij trof water aan van geheel andere chemische samenstelling dan het Rijnwater. Dus vloeit daar onder het rivierbed een onderaardsche Rijn!

Dat onderaardsche water lost steeds vaste stoffen op. Bestaat het gesteente uit in water oplosbare bestanddeelen dan verdwijnt het geheel; er ontstaan groote holten. Maar de andere gesteenten worden door het water beroofd van de oplosbare bestanddeelen; zij verliezen hun samenhang; de lagen schuiven gemakkelijk over elkaar; het evenwicht wordt verbroken en eene instorting volgt; dit geschiedt òf langzamerhand òf plotseling. In het laatste geval ontstaat er niet alleen eene aardbeving, maar als de rollende aardmassa stuit tegen eene vaste aardlaag, dan wordt haar arbeidsvermogen van beweging in warmte omgezet. Deze warmte, verklaart de bekende chemicus prof. Mohr te Bonn, is de uitsluitende oorzaak van het vulkanisme. Maar zijne beschouwing is niet van eenzijdigheid vrij te pleiten. Hij is "de laatste der Neptunisten."

Ten slotte storten niet alleen de rivieren, maar ook die geheimzinnige onderaardsche stroomen hunne wateren in de groote wereldzee. Daar deponeeren de zoetwaterstroomen weder de vaste stoffen, waarmede zij bezwangerd zijn. En ook in de zoetwaterstroomen zelve ontstaan afzetsels. Deze zoetwater- en zeewater-bezinkingen vormen de jongste aardlagen. Maar de kringloop is hiermede nog niet ten einde. Want de rivieren en zeeën worden gedragen door de aardkorst zelve. En daar er nu geen gesteenten zijn, die ondoordringbaar zijn voor water, daar alle gesteenten hygroskopisch zijn, zoo doordringt het water de gesteenten,[Pg 22] waarop het rust, en vormt daar chemische verbindingen, waarbij het als water verdwijnt.

Zal dus niet na eeuwen eenmaal al het water van de oppervlakte der aarde verdwenen zijn? en is dat ook wellicht het troosteloos einde van al het bloeiende leven op aarde? Of zal de afkoeling in de wereldruimte onze aarde ten slotte met het eeuwige ijs overdekken, welks kille adem hetzelfde bereikt?

Vragen zijn het, waarin we ons gaarne verdiepen, die onoplosbaar zijn en die gelukkig betrekking hebben op eene toekomst zóó eindeloos ver weg, dat we onze gedachten met moeite in die toekomst kunnen verplaatsen.



"Niets bestendigs hier beneên!" Als we op oudejaarsavond den dichter Feith die woorden nazingen, dan hebben wij daarbij toch vooral te denken aan eene klacht over het onbestendige, dat al het menschelijke aankleeft. Maar we zijn zoo licht geneigd de natuur als onveranderlijk te beschouwen. Schatten besteden wij om de oppervlakte der aarde zoo nauwkeurig mogelijk te meten en in teekening te brengen. Onze kadastrale kaarten en onze graadmetingen zijn schitterende zegepralen van het vernuft van onzen tijd. Maar ook hier geldt het: "Niets bestendigs hier beneên." Die kaarten zullen eenmaal slechts eene historische waarde hebben. Langzamerhand maar zeker verandert de aardoppervlakte. Java schuift naar het Noorden; de Ratoe Loro Kidoel, de godin der Indische Zuid-zee, dringt steeds door spleten en rotsen, en beukt de steile Zuidkust met onweerstaanbaar geweld, en terwijl zij dáár overwint, storten de rivieren, opgezwollen door de banjir, Java's bergen uit in de ondiepe Javazee.

En hoezeer is de toestand hier niet veranderd. Zijn niet Insulindes eilanden de laatste overblijfselen, die nog boven de blauwe zee uitsteken, van een uitgestrekt vast land, dat men Limuria genoemd heeft? Of behoorden de Soenda-eilanden wellicht vroeger tot het vaste land van Azië,[Pg 23] waarvan zij, door de instorting van onderaardsche ruimten, thans gescheiden zijn? Daalt niet de geheele keten van de Cordilleras de los Andes? Stijgt de Westkust van Zweden niet langzamerhand uit de zee? Waar lag Nederland voor duizenden jaren?

De oneindig kleine, onmerkbare opheffingen en dalingen van den aardbodem hebben in der daad, doordat zij duizenden eeuwen lang in dezelfde richting werken, meer invloed op de verdeeling van land en water dan de hevige plotselinge natuurverschijnselen. Uit een aardkundig oogpunt zijn dus die langzame veranderingen belangwekkender.—Het bedelven van Herculanum en Pompeji, de aardbeving van Lissabon, de uitbarsting van Krakatau, hoe bovenaardsch van afmetingen deze gebeurtenissen ons ook mogen voorkomen, verzinken in het niet tegenover de macht van het oneindig kleine, dat werkt gedurende een oneindigen tijd.

Maar voor den gewonen mensch met zenuwen en gemoed is de indruk van die reusachtige tafereelen overweldigender dan iets anders.

En het vorschen naar de onmiddellijke oorzaken van die evenwichtsverstoringen heeft ten allen tijde de gemoederen bezig gehouden, vrij wat meer dan het philosopheeren over het ontstaan der gesteenten en over het vulkanisme in 't algemeen.

Maar ook hier is het veld van gissingen naar alle zijden uitgestrekt. Ja men kan het zich begrijpen hoe een conscientieus wijsgeer als Empedokles, na eindeloos en vruchteloos zoeken naar eene juiste verklaring van het ontstaan van aardbevingen en uitbarstingen, tot wanhoop gedreven, in den geopenden krater van den Etna sprong. De vulkaan slokte den wijsgeer op, doch spuwde zijne sandalen uit. Zijne leerlingen vonden die, en wisten daardoor zijn treurig lot.



Er bestaat eene zeer naturalistische studie van den beroemden schilder Kaulbach, die tot onderwerp heeft:[Pg 24] "die Zeugung des Dampfes", het verwekken van den stoom. Het vuur is een krachtige man, blakende van hartstocht. Te vergeefs beproeft de schuchtere kuische maagd, het water, zich los te rukken uit zijne omarming. Het is een tooneel van verkrachting, het krijgsrecht van de Middeleeuwen aanschouwelijk voorgesteld. En daar ontstaat de waterdamp, de machtige god, alleenheerscher van onze eeuw.

Het is de waterdamp, die ontegenzeggelijk de groote beweegkracht is der vulkanische uitbarstingen. Men meende, tot voor korten tijd, dat er twee soorten van gasvormige lichamen zijn, gassen en dampen. De eersten bestonden niet in vloeibaren toestand, de laatsten echter konden gecondenseerd worden. Maar wij kunnen nu beweren: er zijn geene permanente gassen meer! Zij allen, zuurstof, waterstof, stikstof, kunnen als vloeistof bestaan. Maar omgekeerd is elke damp, boven eene bepaalde temperatuur, een permanent gas. Men noemt die temperatuur de kritische temperatuur van het gas. En nu is de oorzaak, dat men zoo lang vruchteloos getracht heeft de zoogenaamde permanente gassen in vloeistof te veranderen, deze, dat de kritische temperatuur bij die gassen zóó laag ligt, dat zij zeer moeilijk te verkrijgen is. En als men het gas niet eerst eene lagere temperatuur geeft dan de kritische, dat baat het niet of men het gas al samenperst. Eene oneindig groote drukking zou het gas nog niet in een vloeistof veranderen.

Voor waterdamp ligt de kritische temperatuur, volgens eene beschouwing van onzen beroemden landgenoot van der Waals, op 390° C. Boven die temperatuur bestaat geen water meer, maar slechts waterdamp. De spanning van dien waterdamp klimt zeer sterk met de temperatuur. Denkt men zich nu de vulkanische haarden met hunne gesmolten gesteenten, die soms nog eene temperatuur van 2000° C. hebben, als zij worden uitgeworpen, en let men op het feit, dat de aarde overal doordringbaar is voor water, dat er onderaardsche waterloopen zijn, en dat alle[Pg 25] vulkanen dicht bij de zee staan, dan zal men tot het besluit komen, dat het water toegang vinden moet tot de vulkanische haarden. Het water kan bij die temperatuur niet bestaan en verdampt onmiddellijk. Men vermoedt dus het bestaan van reusachtige stoomketels in de holten van de aardkorst, ruimten gevuld met stoom van eene spanning van honderden, ja duizenden atmosferen, die communiceeren met de vulkanische haarden. Die stoom oefent een grooten druk uit op de gesmolten lavamassa, een druk, groot genoeg om haar te doen stijgen, om haar naar boven te persen. Evenals het kwik opstijgt in de barometerbuis onder den invloed van den aarddruk, zoo is de kraterpijp van een vulkaan één reusachtige manometer. Zij leert ons den stoomdruk meten in den onderaardschen stoomketel. Men vergunne mij eene dergelijke berekening.

De Etna b.v. is 3300 M. hoog. De kraterpijp is dus zeker minstens 4000 M. diep. Wanneer de lava kalm over den rand vloeit, dan is zij dus over eene lengte van 4000 M. opgeperst. Lava is twee en een half maal soortelijk zwaarder dan water, en zooals men weet zou eene barometerbuis met water gevuld eene lengte hebben van 10,3 M. Uit deze gegevens kan men dadelijk afleiden dat de drukhoogte van 4000 M. lava gelijk staat met die van 10000 M. water, en daar elke 10,3 M. de druk van ééne atmosfeer voorstelt, is de druk van den stoom in den vulkanischen haard minstens 1000 atmosferen.

Maar als nu die stoomdruk plotseling vermeerdert, hetzij door het instorten van holten, of door vermeerderden aanvoer van water, dan stijgt die druk zeer belangrijk en dan is eene uitbarsting waarschijnlijk. Dat de veranderingen in die stoomdrukking, zoowel als het instorten van holle ruimten, ook de onmiddellijke oorzaak van aardbevingen zijn kunnen, ligt voor de hand.

De lava vloeit dus meestal rustig over den rand van den vulkaankegel uit de kraterpijp. Maar die lavastroomen krijgen een verbazend arbeidsvermogen van beweging, als zij langs de helling van den steilen vulkaankegel afstorten;[Pg 26] zij vullen geheele dalen aan tot vlakten; zij overdekken de velden, achterhalen de vluchtende menschen, en stollen eindelijk langzaam in den omtrek van den vulkaan.

Maar die stoom van hooge spanning kan ook eene werking uitoefenen overeenkomende met de explosieverschijnselen ten gevolge van de verbranding van kruit of dynamiet. Want ook hier is het de hooge spanning der plotseling optredende gassen, die de rotsen doet splijten of zulk eene groote beginsnelheid mededeelt aan het projectiel, dat uit den vuurmond wordt geslingerd. Dan is de uitbarsting te vergelijken met een bombardement. De stoom vindt zijn weg door de gesmolten stoffen heen, voert deze gedeeltelijk mede en werpt ten slotte steenbrokken uit de kraterpijp tot op eene hoogte van duizenden meters boven den bergtop. Die steenbrokken zijn poreus, ten gevolge van den waterdamp, die er zich doorheen geslagen heeft, het is de bekende puimsteen. En dan baant zich de stoom zelf een weg uit de kraterpijp, hij voert in fijn verdeelden toestand de stoffen mede, die hij tegenkwam; het is de rookzuil, welke men boven de werkende vulkanen aantreft, die eene hoogte bereiken kan van vele kilometers; en ten slotte dalen die vaste stoffen langzaam op aarde neer als aschregen, en veroorzaken, al vallende, belangrijke wijzigingen in de verlichting der aarde, door de brekingsverschijnselen, die zij in het leven roepen als de stralen der zon door hen heengaan, voor zij de aarde bereiken.

En de aarde siddert, als 't ware van angst voor al de krachten, welke in haar schoot woelen. Dof gerommel, aardbevingen zijn dikwijls de eerste waarschuwingen der vulkanen.

Het zijn de voorboden van de uitbarsting. De bronnen in de buurt verdrogen. De kraterpijp, die als de vulkaan in rust is, door gestolde lava is verstopt, opent zich en eene groote rookzuil stijgt uit den bergtop naar boven. Die rookzuil weerkaatst de gloeiende lavamassa in den krater, zoodat zij 's nachts als eene vuurkolom een schitterend schouwspel oplevert. Zij bestaat uit zoogenaamde lapilli,[Pg 27] vulkanische bommen, steenbrokken en asch, die door den waterdamp medegesleurd zijn. Onophoudelijk vallen die steenen weder in den krater terug, en worden er weer opnieuw uitgeslingerd. En de asch verspreidt zich met den waterdamp duizenden kilometers ver door den dampkring. Electrische ontladingen, felle bliksemstralen, doorkruisen de lucht; zij ontstaan uit de wrijvings-electriciteit, die geboren wordt door de wrijving van de opstijgende massa's. De geheele vulkaan is eene reusachtige electriseer-machine van Armstrong. En de waterdamp, soms als eene machtige, helderwitte zuil afstekende tegen de lucht, verdichten in de hoogere luchtlagen, zich vormt zware wolken met electriciteit bezwangerd, die bij wijze van wolkbreuk naar beneden vallen.

Soms is echter het eerste bedrijf van de uitbarsting, het rustig afvloeien der lavastroomen uit den krater. Dikwijls breken zij door zijdelingsche openingen. Ook die lava bevat veel waterdamp, zoodat een lavastroom, zooals de beroemde geoloog C. Vogt zegt, er in de verte uitziet als een spoortrein, uit werklocomotieven saamgesteld, die over de geheele lengte stoom uitstoot. Men verstaat door lava niet een bepaald gesteente, maar in 't algemeen, alles wat in den gesmolten toestand uit den vulkaan afstroomt. De afkoeling van de lava geschiedt langzaam. De lavastroomen, die in 1858 uit den Vesuvius waren afgevloeid, waren in 1864 nog zoo heet, dat er eieren in gekookt werden door de touristen. Zijn zij bekoeld, dan vormen zij eigenaardige gesteenten, die tot de trachyt- en basalt groep behooren.

Binnen in de vloeibare lavastroomen ontstaat dikwijls ontwikkeling van stoom, als de buitenzijde reeds afgekoeld is. Hierdoor hebben er dan kleine uitbarstingen plaats op den lavastroom, en er ontstaan slakkenkegels van eenige meters hoogte.

Bij vele uitbarstingen hebben geene uitstroomingen van lava plaats. Krakatau heeft b.v. in 1883 in 't geheel geen lavastroomen te voorschijn gebracht.[Pg 28]

De hoogte der vulkanen is zeer verschillend. In de Andes van Zuid-Amerika zijn de vulkanen tegelijk de hoogste bergen. Zoo is de Chimborazo 6300 M. en de Sahana zelfs 6800 M. hoog.

De bekende vulkaan Ararat verheft zich 5200 M., de Piek van Teneriffe 3600 M. en de Etna 3300 Meter. De Japansche vulkanen zijn daarentegen laag. Sommigen verheffen zich slechts weinige honderden meters boven de zee. Maar er zijn ook vele voorbeelden van onderzeesche uitbarstingen. Dan vermengt zich het zeewater met de lava en de uitwerkselen zijn vreeselijk. En nog veelvuldiger gebeurt het, dat tijdens de uitbarsting ruimten instorten, die vroeger met lava gevuld waren, doch die nu geledigd werden, doordat de lava uit den vulkaan wordt geperst. Dan vindt menigmaal het zeewater zijn weg naar den vulkanischen haard, en eene verbazende ontplofting is het gevolg, waarbij dan plotseling eenige kubieke kilometers vaste stoffen in de lucht kunnen worden geschoten.

In sommige geologische werken leest men, dat het water onder dien druk niet in damp kan veranderen, en dat het zich met de gesmolten massa in de vulkanische haarden zou verbinden tot een ontplofbaar mengsel, het zoogenaamde magma.

Men vindt dit o.a. nog in v. Hochstetter's, "Allgemeine Erdkunde", uitgave 1881. Maar, volgens hetgeen wij gezegd hebben over de kritische temperatuur van water, kan het water bij die hooge temperatuur niet bestaan. Al het water, dat, hetzij door de capillaire werking der gesteenten, hetzij door het instorten van waterkeerende zolderingen van onderaardsche ruimten naar beneden valt, zal onmiddellijk verdampen. Wij hebben geen denkbeeld van de spanning, welke die waterdamp zal aannemen, maar, als men het arbeidsvermogen nagaat, dat bij eene uitbarsting wordt verbruikt, dan bedraagt zij zeker duizenden atmosferen.

Niet zeldzaam zijn de aardschokken in vulkanische streken. In Japan werden door den geleerde Dr. Wada te[Pg 29] Tokio gedurende het jaar 1887 niet minder dan 483 aardschokken opgeteekend, en als men de oppervlakten optelt van de streken, waar gedurende dat jaar die aardschokken gevoeld zijn, dan bedraagt de som vijfmaal den oppervlakte van het geheele keizerrijk Japan. En wat het verlies aan menschenlevens en kapitaal betreft, zoo kan zich wel is waar geene uitbarsting meten met de ellende, teweeggebracht door den een of anderen modernen oorlog; maar een getal van 60,000 personen aan dooden en vermisten, zooals bij de aardbeving van Lissabon in 1775, of van 40,000, zooals bij de uitbarsting van Krakatau, is toch vrij aanzienlijk. Want (en daarin overtreffen deze natuurverschijnselen in hevigheid de bloedigste veldslagen, ondanks de nieuwste uitvindingen op het gebied der officieële vernielingskunst) de uitbarsting doet dit werk gewoonlijk in den tijd van eenige minuten. Men heeft natuurlijk het grootste belang om zulk een uitbarsting van te voren te kunnen vermoeden, maar tot nu toe is men er nog niet in geslaagd de wetten van het vulkanisme te vinden. Troosten wij ons hiermede, dat de metereologie, de leer van het weder, zelfs nog in hare kindsheid is.

Maar de studie van het vulkanisme is zeker bijzonder geschikt om den mensch tot nederigheid te stemmen. De bekende "onfeilbare wetenschap" heeft op dit gebied nog niet veel resultaten verkregen. De eene theorie doodt de andere en wordt op hare beurt vermoord door eene nieuwe. Terwijl de mensch de aarde heeft gewogen en gemeten, zoodat haar soortelijk gewicht en haar omvang aan elk schoolgaand kind geleerd wordt, terwijl wij den afstand van de sterren in aardstralen uitdrukken, en het oogenblik van periodieke verschijnselen tot op de grootste nauwkeurigheid jaren van te voren berekenen, toch is onze kennis van de aarde zelf beperkt tot de uiterste grens van de korst. Wij hebben niet vermocht daarin dieper door te dringen dan tot op 1/3600 van den aardstraal.

"Des Pudels Kern" is ons even onbekend als aan de oude volken.[Pg 30]

De wereld van Vulcaan! Ja nog is ze ons een mysterie. Wat zouden we niet geven als we konden weten, wat er in dien geheimzinnigen bol, die onze woonplaats is, geschiedt! Want de oppervlakte van dien bol is ons geen geheim meer. Het donkere werelddeel, de laatste witte plekken op de wereldkaart, hebben weldra hunne geheimen verklapt. Slechts 1/16 van de aardoppervlakte is nooit door een mensch betreden, en het grootste gedeelte van deze onbekende streken ligt in de Poolstreken. De diepzee-expedities geven ons uitsluitsel over het wondere leven van planten en dieren op den zeebodem, over de machtige stroomingen, die den wereldoceaan bewegen. De wetenschappelijke luchtvaart, in dienst der metereologie, onthult ons de geheimen van den dampkring. De hoogste en steilste bergtoppen, die in het laatst der vorige eeuw als onbeklimbaar golden, zijn allen bestegen. Er zijn geen maagdelijke bergen meer.

Met het mikroskoop gewapend is het ons vergund een blik te slaan in de wereld van het oneindig kleine. Wij bespieden de kiemen der ziekten, de dragers der epidemiën.

Met behulp der verbeterde astronomische werktuigen mogen wij zelfs een blik werpen op andere werelden. De uitgedoofde kraters op de maan zijn door ons in kaart gebracht; de verdeeling van land en water op de planeet Mars is ons volkomen bekend.

We zijn dus met reuzenschreden vooruitgegaan op menig gebied.

Maar het binnenste van de aarde blijft een gesloten boek.

De wereld van Vulcaan blijft een mysterie.[Pg 31]


HOOFDSTUK II.

Op weg naar Indië.

Busken Huet's indruk van den Vesuvius.—Napels.—Onze eerste kennismaking met de wereld van Vulcaan.—De toekomst van Pompeji.—De geschiedenis van den Vesuvius.—Op reis naar Indië in de baai van Napels.—Twee nieuwe leden der vulkanen-familie.—De Stromboli.—De Etna.—De laatste blik op Europa is eene onthulling.—De taal der vulkanen.—Straat Soenda vergeleken met Straat Messina.—Het eeuwige groen der eilanden van Straat Soenda.—Beschrijving van Straat Soenda—De ruggegraten van Java, Sumatra en Straat Soenda snijden elkaar bij Krakatau.—Ontdekkingen van Verbeek.—Krakatau zelfs bij naam onbekend aan velen.

In den tijd, dat de booten der Stoomvaart-Maatschappij Nederland Napels aandeden, in plaats van Marseille of Genua, zooals zij tegenwoordig doen, viel mij het voorrecht te beurt Italië te zien in omgekeerde volgorde, als waarin Busken Huet het gezien had, toen hij zijn onsterfelijk "van Napels naar Amsterdam" schreef. Indien het er om te doen is om vulkanische indrukken te krijgen, dan is het zeker eigenaardiger uit Europa naar Indië te gaan, dan omgekeerd. Want wel is waar roemt Busken Huet de baai van Napels als het schoonste, dat de aarde voortbracht. "Al was de aarde tien malen schooner, dan zij uit den chaos is voortgekomen, het is niet mogelijk, dat ergens[Pg 32] zee en lucht, lijnen en kleuren, hoogten en diepten, zuiverder ineenvloeien." De indruk, dien de Vesuvius op hem maakte, toen hij uit Indië terugkeerde, is echter bedroevend. De eenige woorden, die hij aan hem wijdde, zijn uitingen van volslagen minachting. "Ik spreek niet van den Vesuvius. De Vesuvius op zich zelf is maar een vuurspuwende berg; familie van den Salak en den Gedeh."

Welk een geheel anderen indruk zou hij niet hebben ontvangen als hij die familie-gelijkenis eerst later had kunnen ontdekken. Want voor ons, uit Holland komende, is het laatste plekje van Oud-Europa, waar wij staan voor wij naar 't ons vreemde Azië vertrekken, tevens de eerste kennismaking met de "vuurspuwende bergen." Daar zien wij voor het eerst een lid van de familie der vulkanen, het eenige lid dier familie, dat op het geheele vaste land van Europa te vinden is; de familie-gelijkenis zal ons eerst in Indië treffen.



We zijn op de Chiaja te Napels. De zon is onder. Voor ons dansen de lichten der schepen op en neer in de baai van Napels, en het massief van den Vesuvius teekent zich als eene sombere, zwarte massa af in het maanlicht. Ziet ge die vuurkolom boven den Vesuvius? Het is de geheimzinnige bode van de Wereld van Vulcaan. En als wij morgen zijn opgegaan naar Pompeji tusschen de vulkanische gesteenten, die de Vesuvius heeft uitgebraakt, als wij zullen wandelen door de uitgegraven straten van eene Romeinsche stad, getroffen in het volle leven harer bedrijvigheid, bedolven onder de vulkanische uitwerpselen, die eene laag vormden van meer dan 6 M. dikte, dan zien we onwillekeurig naar boven. Vlak voor ons verheft zich rookend de vulkaankegel van den Vesuvius. Is het ons niet alsof hij ons waarschuwt? Zal niet, als er millioenen besteed zijn aan de uitgraving van Pompeji, en van Herculanum, waar de laag lava 12-30 M. is, de Vesuvius in één ondeelbaar tijdstip dat werk van honderden jaren te[Pg 33] niet doen, en zal er weer eene grauwe aschlaag zijn boven het belangwekkende huis van Diomedes buiten de poort van Herculanum en den Venustempel op het Forum? Zal professor Palmieri, die op den Vesuvius in zijn metereologisch observatorium den berg bespiedt, en die belast is met het voorspellen der uitbarstingen, u kunnen zeggen wat de Vesuvius in de toekomst doen zal?

Want de Vesuvius is een voorbeeld van grilligheid, waardig type van een vulkaan. Sedert 2000 jaren hebben wij betrouwbare berichten van zijne werkzaamheid. Hij had den naam van een uitgedoofden vulkaan, in de grijze oudheid. Geheele legers kampeerden in den uitgedoofden krater. Eensklaps toonde hij, in het jaar 79 voor Christus, hoe hij miskend werd door die beschouwing. Toen overstelpte hij plotseling de drie steden Stadia, Herculanum en Pompeji. Na dit schitterend wapenfeit vergenoegde hij zich met kleinere uitbarstingen, die hij in de 14de eeuw zelfs geheel staakte. Hij rustte nu drie eeuwen lang op zijne lauweren. In 1631 echter had eene uitbarsting plaats, die, wat hevigheid betreft, weinig achterstond bij de klassieke begraving van Pompeji.

Sedert dien tijd verloopen er drie of vier jaar tusschen de uitbarstingen.

Er zijn maar weinig vuurspuwende bergen waarvan men het vulkanisme zóó lang heeft bestudeerd.

Wanneer wij op reis naar Indië de golf van Napels uitstoomen en de terrassen van Napels achter ons liggen, dan rijst aan bakboord de Vesuvius uit de Campanische vlakte omhoog. Zijne hellingen zijn begroeid met wijnbergen, en wij denken onwillekeurig aan de "Lacrimae Christi", die wij te Napels dronken. De laatste blik, dien wij kunnen slaan op het werelddeel onzer jeugd, het Europa, dat wij verlaten, om eene onbekende toekomst tegen te gaan, is gewichtig. Want niet alleen is het landschap, dat langzamerhand onduidelijk wordt en verdwijnt, het schoonste wat wij ooit zagen, maar het is te gelijk eene onthulling.

De laatste indruk van Europa is ons eene wijding[Pg 34] voor hetgeen ons wacht, het is ons eene inwijding in de wereld van Vulcaan.

Weldra hebben wij voor goed afscheid genomen van den Vesuvius en met hem van het vasteland van Europa. Wij varen tusschen 't eiland Capri en Kaap Campanella door en wij krijgen de Liparische eilanden in 't gezicht.

Hier wachten ons twee nieuwe leden van de vulkanen-familie. De Stromboli verheft zich op een der Liparische eilanden en, aan den ingang van straat Messina gekomen, wordt ons oog geboeid door den Etna op 't eiland Sicilië.

Even oud als de eerste berichten van den Vesuvius zijn die van den Stromboli en den Etna. Reeds voor 2000 jaren waren beiden werkende vulkanen. Maar toch verschillen zij zeer in karakter. De Etna heeft gewoonlijk eens in de tien of twaalf jaar eene kleine uitbarsting; de Stromboli daarentegen stoot, sedert 2000 jaar, om het kwartier, slakken en aschwolken uit. Zijne uitbarstingen volgen elkaar even regelmatig op, als het ontsnappen van den afgewerkten stoom bij een locomotief. Men heeft ze wel eens vergeleken bij den polsslag der dieren.

Maar wat is de Vesuvius en de Stromboli in vergelijking van den Smeroe en den Merapi! Kenden wij maar de geschiedenis onzer Indische vulkanen even goed als die van de Italiaansche vuurspuwende bergen, dan zouden we wellicht op het vulkanisme der aarde een beter kijkje hebben. Zij staat in onuitwischbaar schrift in steen uitgehouwen, over de geheele oppervlakte van den berg, die immers is opgebouwd uit de materialen, die hij zelf heeft uitgespogen. Maar de taal, die de bergen spreken, is ons slecht bekend.

Wanneer onze afscheidsgroet aan Europa de golf van Napels en de straat van Messina geldt, dan is het welkom, dat Indië ons biedt, die niet onwaardig.

Want Straat Soenda is in schoonheid hunne evenknie. De zee is er niet minder blauw en de lucht niet minder helder. Mogen al de mythische zeetochten van Odysseus en Aeneas den klassiek gevormden mensch voor den geest[Pg 35] zweven, als hij door straat Messina stoomt, zij vinden een waardigen tegenhanger in de ontdekkingsreizen onzer zeelieden in Indië, gedurende de 16de en 17de eeuw. En als de Stromboli en de Etna ons de zeeslagen herinneren van 1676, toen de Ruyter sneuvelde, dan doemen in straat Soenda de schimmen voor ons op van onze "Jannen," in hunne worstelingen tegen inlanders, Portugeezen en Engelschen.

Ja, er is voor ons Nederlanders geen plek ter wereld zoo klassiek als Straat Soenda. De Nederlander, die voor 't eerst op weg is naar Indië, heeft meer oog voor Straat Soenda, dan voor alles wat achter hem ligt. Zij is het einde van zijne zeereis, de eerste blik op het nieuwe vaderland, waar hem alles zoo vreemd zal zijn!

Uit een vulkanisch oogpunt is er wellicht op aarde geen plek, die zoozeer de opmerkzaamheid verdient. Want niet alleen, dat de kusten van Java en Sumatra, die door straat Soenda gescheiden zijn, als 't ware opgepropt zijn met vulkanen, maar bovendien verheft zich op bijna elk der talrijke eilandjes in straat Soenda een vuurspuwende berg.

Hetgeen ons echter op het eerste gezicht het meest treft is een verbazende indruk van door niets te stuiten weelderige vruchtbaarheid. De indruk is daarom zoo machtig, omdat wij kort te voren de troostelooze dorre stranden der Roode zee voor oogen hadden.

Elk eilandje, de geheele kust, is ééne plek van groen, uit zee gezien van gelijkmatig groen, zoo dicht schijnen ons de boomen bij elkaar.

Daarvóór zien wij hier en daar wel rijstvelden of dorpen met klapperboomen; maar de hoofdindruk blijft de groene achtergrond, die daarom zóo sterk domineert, omdat in straat Soenda de smalle alluviale kust verdwijnt tegenover het gebergte, waarvan de zwaar begroeide uitloopers, zoowel op den Sumatra- als op den Java-wal, tot dicht bij zee doorloopen.

Straat Soenda heeft den vorm van een trechter. Als[Pg 36] men van Europa komt uit den Grooten Indischen Oceaan, dan heeft Straat Soenda eene breedte van 112 kilometer tusschen Kaap Tandjong Rata of Vlakke Hoek, die de Zuidelijkste punt van Sumatra vormt, en Java's Eerste punt.

Volgt men de kustlijn van Sumatra dan heeft men eerst het gezicht op de kusten van de baai van Semangka, een woest, geaccidenteerd terrein, dat het paradijs der apen schijnt te zijn. Op den achtergrond verheffen zich de Dempo en de Semangka tot op 2000 M. boven de zee. Voor de Semangkabaai ligt het eiland Laboean.

Op de Semangkabaai volgt een nieuwe diepe inham, de Lampongbaai. Haar ingang is bedekt met eilanden, waarvan Lagoendie, Sebesie en Seboekoe de voornaamste zijn. In het diepst van de Lampongbaai ligt de stad Telok-Betong, de residentie van den resident der Lampongs.

Aan het einde van de Lampongbaai ligt Kaap Varkenshoek. Wij zijn hier aan het nauwste gedeelte van den trechter, want straat Soenda is hier slechts 25 kilometer breed. Hier buigt Sumatra zich naar het Noorden.

Keeren wij terug tot den ingang van Straat Soenda en begeven wij ons naar Java. Daar loopt het gebergte tot dicht bij zee door. De uitloopers heeten Java's Eerste, Tweede, Derde en Vierde punt.

Tusschen de Derde en Vierde punt van Java ligt Tjaringin en voorbij de Vierde punt, Anjer.

Evenals de ruggegraat bij de gewervelde dieren, zoo loopt het gebergte op Java, zoowel als op Sumatra, in hoofdzaak volgens de lengteas van het eiland. Verbindt men bijvoorbeeld Atjeh-hoofd, eene der Noordelijkste punten van Sumatra, met den berg Tangka of Kalanbajar, gelegen tusschen de baaien Semangka en Lampong, dan heeft men de hoofdrichting van het gebergte op Sumatra. Verlengt men deze lijn in straat Soenda, dan bereikt men het eiland Krakatau.

Als men nu eene lijn trekt van Java's hoogsten top, den Smeroe, volgens de lengteas van het eiland, dan liggen op deze bijna rechte lijn onder anderen de Kawi,[Pg 37] Keloet, Wilis, Lawoe, Merapi, Soembing, Slamat, Gedeh, Poeloesari en Karang. De Karang kijkt uit op straat Soenda. Verlengt men ook Java's ruggegraat in Straat Soenda, dan bereikt men eveneens het eiland Krakatau.

Beschouwen wij nu nog eens de vulkanische eilanden in Straat Soenda, dan kunnen wij hier eene lijn trekken van den berg Radja Bassa op Sumatra bij Varkenshoek, naar den berg Pajong, bij Java's Eerste punt gelegen.

Deze lijn snijdt eerst de vulkanische eilandengroep Poeloe-Tiga, en daarna het eiland Seboekoe, zij loopt vervolgens over den vulkaan van Sebesie en snijdt dan het eiland Krakatau. Die lijn is de vulkanische ruggegraat van Straat Soenda. Die ruggegraten van Java, Sumatra en Straat Soenda vallen samen met reusachtige plooien, het zijnde verwerpingsspleten der aardkorst, die wij in het eerste hoofdstuk bespraken. Het eiland Krakatau is het punt, waar die drie spleten bij elkaar komen; het is het punt waar de vulkanische haarden, die zich onder Java, Sumatra en Straat Soenda uitstrekken elkaar ontmoeten. Men kan ook de vulkanen van Java en Sumatra als één doorloopenden gordel beschouwen, liggende op ééne lange verwerpings-spleet, ééne scheur in de aardkorst. De vulkanen van Straat Soenda bevinden zich dan op ééne dwarsspleet.

Ten Westen van deze Soenda-dwarsspleet vond men in zee diepten van 130 M. en ten Oosten van 104 M.

Het schijnt dus, dat het eene gedeelte ten opzichte van het andere verschoven is, hetgeen juist het kenmerk is van eene scheur in de aardkorst.

Men moet niet denken, dat eerst de uitbarsting van Krakatau deze merkwaardige geologische bijzonderheden aan het licht heeft gebracht.

Dezelfde man, wiens naam later voor goed zou verbonden worden aan den naam Krakatau, de mijn-ingenieur R.D.M Verbeek, heeft reeds in 1881 de aandacht gevestigd op dezen eigenaardigen bouw van Straat Soenda, in zijne "topographische en geologische beschrijving van Zuid-Sumatra."[Pg 38]

Deze beschrijving komt voor in het "Jaarboek voor het Mijnwezen in Nederlandsch Oost-Indië", eene uitgave, die in 't algemeen ons zulk een hoog denkbeeld geeft van ons wetenschappelijk corps mijn-ingenieurs. In 1883 verscheen van de hand van Verbeek de "geologische en topographische beschrijving van een gedeelte van Sumatra's Westkust." Dit werk draagt, evenals het vorige, den stempel van wetenschappelijke degelijkheid. Het verbreidde zijn naam tot ver over onze grenzen, en sedert dien tijd bekleedt Verbeek eene eerste plaats onder de wetenschappelijke geologen van onzen tijd.

De eilanden van Straat Soenda, die uit een geologisch oogpunt van belang zijn, werden door Verbeek in 1877 en 1880 bezocht.

In 1880 bezocht hij ook Krakatau, "te voren een geologisch onbekend terrein."

"Weinig had ik gedacht"—zegt hij in zijn "Krakatau"—"dat de punten waar ik toen gesteenten sloeg, drie jaren later geheel verdwenen zouden zijn."

Dit feit maakt de waarnemingen van Verbeek in Straat Soenda zoo bijzonder belangrijk voor de wetenschap. Dank zij zijne tochten was Straat Soenda niet meer een geologisch onbekend terrein toen de uitbarsting van Krakatau plaats greep.

Maar wie denkt er aan geologie, als hij voor het eerst Straat Soenda doorvaart! Nergens meer dan op dat heerlijk plekje treft ons de juistheid van het beeld van Multatuli, toen hij Indië roemde als het heerlijk Rijk van Insulinde, dat zich om den evenaar slingert als een gordel van smaragden. Want zij schitteren als groene edelgesteenten, die tallooze eilandjes van Straat Soenda. Vele zijn onbewoond door menschen. Maar alle zijn bedekt met een weelderig plantenkleed; terwijl op menig eilandje de blauwe vulkaantop boven het groen uitsteekt.

Vol hoop, vol illusiën ziet de jonge Nederlander die groene eilandjes aan als de eerste openbaringen der tropen; en na een veeljarig verblijf in Indië zijn de eilandjes van[Pg 39] Straat Soenda de laatste indruk, dien hij uit Indië medeneemt, als het hem vergund is naar patria te vertrekken.

[Pg 40]

Wanneer ge dus niet behoort tot hen, die in Indië geboren zijn, of zooals men te Batavia zegt, tot hen, die zonder schip in Indië zijn gekomen, dan kent ge uw Straat Soenda. Maar evenmin als een Amsterdammer, die zijn Kalverstraat kent, de namen van alle winkels zal kunnen opnoemen, evenmin zult ge de namen van alle eilandjes in Straat Soenda kennen. De meeste menschen zullen, als ze oprecht zijn, moeten bekennen, dat zij nooit van een eiland Krakatau gehoord hadden, voordat dit eiland in 1883 zulke duidelijke levensteekenen gaf.


HOOFDSTUK III.

Krakatau vóór de groote uitbarsting.

De eilandengroep Krakatau was onbewoond en weinig bekend.—De Tocht van Verbeek in 1880.—Reisverhaal van Vogel in 1681.—De uitbarsting van 1680.—Onderzoek van Mr. N.P. van den Berg.—De rust gedurende twee eeuwen.—De bijzondere ligging van Krakatau.—De Soenda-dwarspleet.—De voorteekenen.—De aardbeving van 1 September 1880.—De Karbouw, die Java draagt.—De inlanders gedurende eene aardbeving.—Is de mensch de "heer der schepping?"—Het artillerie-salvo te Buitenzorg ter eere van de geboorte van H.K.H. Prinses Wilhelmina.—Schade door de aardbeving aangericht in Lebak.—De vuurtoren op Java's Eerste punt breekt door.—Geen verdere waarschuwingen.—De uitbarsting van 20 Mei 1883.—De Kanonnade.—Het verhaal van Ds. Heims' wedervaren op de "Elisabeth".—De pic-nic met het S.S. "Gouverneur-Generaal Loudon" naar Krakatau.—De beklimming van den vulkaan Perboewatan op Krakatau.—Indruk van den mijn-ingenieur J.A. Schuurman.—Aardbeving langs Straat Soenda.—Krakatau de "great attraction" in Straat Soenda.—Kapitein Ferzenaar, de laatste mensch die het Noorden van Krakatau heeft betreden.

Hoewel sedert eeuwen honderden schepen jaarlijks door Straat Soenda varen, waren de eilanden, die men de groep van Krakatau kan noemen, weinig onderzocht. Deze eilandengroep bestond uit Krakatau, Verlaten-eiland, Lang-eiland en het Poolsche Hoedje. Geen dezer eilanden is ooit bewoond geweest. Van tijd tot tijd werden zij bezocht door inlanders, die er boschproducten verzamelden[Pg 41] en door visschers, die het anker uitwierpen langs hunne kusten, ten einde daar den nacht door te brengen.

De hydrographische opname van Straat Soenda geschiedde natuurlijk met het oog op de scheepvaart; van het vaarwater benoorden en bezuiden de Krakatau-groep bestaan dan ook zeer nauwkeurige opnemingen, maar van de eilandengroep zelve geven ons noch Hollandsche, noch Engelsche zeekaarten een nauwkeurig beeld.

Er bestonden namelijk slechts terreinschetsen van deze eilanden, die met elkaar groote afwijkingen vertoonen.

Op het eiland Krakatau zelf waren drie bergen. De Zuidelijkste berg was een steile vulkaan de Rakata geheeten, de middelste berg droeg den naam van Danau, terwijl de Noordelijkste berg van Krakatau Perboewatan werd genoemd.

Het eiland was moeilijk begaanbaar, door de verbrokkelde gesteenten en het weelderige, tropische plantenkleed, dat het geheele eiland bedekte.

Dat wij iets weten van de gesteenten, waaruit Krakatau bestond, hebben wij uitsluitend te danken aan Verbeek. "Van de gelegenheid, dat het stoomschip Egeron in 1880 een tocht deed naar den Vlakken Hoek, in het belang van den dienst der bebakening en kustverlichting, maakte ik"—zegt Verbeek in zijn standaardwerk,—"gebruik om die plaats en den fraaien toen juist opgerichten vuurtoren aldaar te bezoeken. Op de terugreis naar Batavia was het mij vergund een kort bezoek te brengen aan enkele eilanden van Straat Soenda."

Onder deze eilanden behoorde ook Krakatau; en hoewel het oponthoud op al de 5 eilanden slechts eenige uren duurde, heeft dit bezoek van Verbeek ons onschatbare gegevens verschaft over de vulkanische natuur van Krakatau.

De berichten, die wij over Krakatau als vulkaan bezitten, klimmen slechts twee eeuwen op. Op de Westkust van Sumatra werd in de 17de eeuw door de Oost-Indische Compagnie in de afdeeling Painan de goud- en zilvermijn[Pg 42] Salida ontgonnen. Daar er in patria geen personen te vinden waren, die met het ontginnen van mijnen vertrouwd waren, stelde men herhaaldelijk Duitschers aan, die met den mijnbouw bekend waren. Een hunner, Johann Wilhelm Vogel, publiceerde in 1690 eene reisbeschrijving in het Duitsch, waarin wij het volgende aantreffen over zijne reis van Salida naar Batavia:

"Den 26sten Januari 1681 gingen wij met een favorabelen Oostenwind onder zeil en kwamen den 1sten Februari door Goddelijke hulp voor den mond van Straat Soenda, waar ik met verwondering zag dat het eiland Cracketow, dat zich op mijne heenreis naar Sumatra geheel groen en lustig met boomen presenteerde, nu echter als geheel verbrand en woest voor onze oogen lag en op vier plaatsen groote vuurbrokken uitwierp."

"En toen ik den scheepskapitein vroeg, op welken tijd genoemd eiland gesprongen was, zoo berichtte hij mij dat dit in Mei 1680 geschied was. Hij was toen juist van de reis van Bengalen gekomen, had grooten storm uitgestaan en ongeveer 10 mijlen van dit eiland eene aardbeving in zee bemerkt. Hierop was een ontzettend donderen en kraken gevolgd, en hij had daaruit vermoed, dat er een eiland of anders een stuk land gebarsten was. Kort daarop, toen hij dichter bii den mond van Straat Soenda was gekomen, was hij gewaar geworden, dat genoemd eiland Cracketow gebarsten was en dat zijn vermoeden hem niet bedrogen had. Want hij had met al het scheepsvolk den sterken zwaveldamp zeer duidelijk geroken, en de steenen van het gesprongen eiland, die in zee gedreven waren, welke zeer licht waren en er als puimsteen uitzagen, werden door de matrozen met wateremmers uit de zee geschept en als rariteit opgevischt. Hij toonde mij zulk een stuk, grooter dan een vuist."

Dit reisverhaal is eigenlijk de eenige mededeeling, die boven twijfel verheven is, over eene werking in de vulkanen van Krakatau.

In Mei 1680 heeft dus eene uitbarsting plaats gehad.[Pg 43] Maar dat zij weinig opvallend is geweest, blijkt daaruit, dat in "het Dagregister van het kasteel Batavia", nergens eenig bericht over die uitbarsting te vinden is, hoewel bij de aankomst van elk schip op de reede van Batavia in dat dagregister al het merkwaardige werd opgeteekend, dat de kapitein op reis ondervonden of vernomen had.

Met behulp van dit "Dagregister" kon de Heer Mr. N.P. van den Berg echter controleeren of inderdaad het schip "Aerdenburgh", waarmede Vogel in 1681 zijne reis deed van Salida naar Batavia, in 1680 uit Bengalen komende te Batavia is aangekomen. Dit bleek werkelijk het geval te zijn, zoodat de kapitein volkomen waarheid sprak, toen hij aan Vogel vertelde, dat hij in Mei 1680 voorbij Krakatau gevaren was. Waarom zullen wij hem nu ook niet gelooven, als hij vertelt, dat hij eene vulkanische uitbarsting heeft bijgewoond?

Na 1680 heeft Krakatau zich 200 jaar rustig gehouden. Wij kunnen dit gerust aannemen, daar Straat Soenda zulk een verbazend druk vaarwater is, dat er sedert dien tijd bijna geen dag geweest is, dat er niet een schip is voorbijgevaren. En daar bovendien het bericht der uitbarsting van 1680 slechts op één reisverhaal steunde, behoorde langzamerhand Krakatau in het oog der menschen tot de uitgedoofde vulkanen. Te midden der vulkaanreuzen van Java en Sumatra, die nog zoo onvolledig bekend zijn, schonk schier niemand eenige aandacht aan dat kleine, steile, groene eilandje, met zijn slechts 832 M. hoogen vulkaankegel. Weinig Europeanen drongen ooit door in de dichte bosschen, die, na de uitbarsting van 1680, weldra het geheele eiland beschermden tegen een onbescheiden bezoek. Een Engelschman, de Heer W.B. Pearson, thans te Padang wonende, liet zich eens op Krakatau brengen om te jagen; de gezagvoerders van de schepen der Kon. Ned. Marine of der Royal Navy, die de zeekaarten vervaardigden van Straat Soenda, bezochten niet het binnenland. Het eenige bewijs van eene vulkanische natuur[Pg 44] is de warme bron, die de Engelsche zeekaart op het eiland aangeeft.



Zoo speelde Krakatau op meesterlijke wijze gedurende twee eeuwen de geveinsde rol van uitgebluschten vulkaan.

Duizenden en nog eens duizenden schepen verkenden hem. Honderdduizenden Europeanen aanschouwden met verrukking, zonder eenige vrees, zijn bedriegelijk groen plantenkleed, als zij Straat Soenda bevoeren, en geen hunner werd door eene geheime stem gewaarschuwd voor de geweldige krachten, die dáár geketend waren.

Een woord van bewondering kunnen wij niet nalaten te uiten voor het genie van Verbeek, die, hoewel hij nooit kon vermoeden, dat dit verlaten plekje zulk een rol zou spelen, toch reeds in 1881 wees op de bijzondere ligging van Krakatau, op het punt waar de vulkaangordels van Java, Sumatra en Straat Soenda elkaar ontmoeten.

"Wie weet of in overoude tijden de scheiding van Java en Sumatra, de vorming van Straat Soenda, niet tot stand is gekomen ten gevolge van vulkanische werking in dit brandpunt van het vulkanisme van Insulinde?" Deze opmerking maakt de Engelsche geoloog Professor Judd eenige jaren na de uitbarsting. Maar Verbeek wees reeds op de ligging van Krakatau, terwijl alles nog rustig was, toen zeker weinig vermoedende welk eene schitterende bewijsvoering het eiland zelf hem weldra zou verschaffen.



Het bestaan van eene scheur of spleet in de aardkorst in Straat Soenda is, zooals ik zeide, opgemerkt door Verbeek in 1881. Op deze scheur—de Soenda-dwarsspleet genoemd—liggen, behalve de vulkanen van Krakatau, ook de Pajong-vulkaan bij Java's Eerste punt. Wat is er natuurlijker dan dat de uitbarstingen van het vulkanisme der aarde bij voorkeur langs zulk eene[Pg 45] spleet plaats vinden! Wordt niet het water beschouwd als de groote beweegkracht van deze verschijnselen en kan het water niet zeer gemakkelijk langs zulk eene spleet toevloeien naar de onderaardsche ruimten, waar wij gesmolten stoffen vinden van hooge temperatuur? Zal het water zich daar niet in stoom veranderen en in eene afgesloten ruimte opgesloten eene hooge spanning aannemen? Als men nu eens veronderstelt, dat die stoom van hooge drukking gemeenschap heeft met de kraterpijp van een vulkaan, die geheel met lava gevuld is, dan zal het van de spanning van den stoom afhangen, of er eene uitbarsting plaats heeft ja dan neen.

De vulkanen van de Soenda-spleet zijn twee eeuwen lang in rust geweest: dit bewijst alleen, dat de gemeenschap van het water der zee met de onderaardsche ruimten gedurende dien tijd moeilijk geweest is.

Van 1880 tot 1883 heeft men echter vele aardbevingen opgemerkt langs onze spleet. Deze aardbevingen zijn waarschijnlijk veroorzaakt door onderaardsche verplaatsingen of verschuivingen van grond, die de groote uitbarsting van Krakatau hebben voorbereid, daar zij den toevoer van water hebben vergemakkelijkt.

De hevigste dezer noodlottige voorteekenen was de aardbeving van 1 September 1880. Deze dag blijft in mijn geheugen opgeteekend, want het was de eerste maal, dat ik getuige was van eene aardbeving. Nauwelijks eenige maanden in Indië zijnde, was ik naar Lebak gezonden ten einde een tracé te zoeken voor een rijweg, die de Zuidelijke gedeelten der residentiën Batavia en Bantam zou moeten verbinden.

Het is bekend, dat volgens de Grieksche mythe de reus Atlas de aarde op zijne schouders draagt.

De Soendaneezen in het binnenland van Bantam gelooven, dat het eiland Java op dezelfde wijze wordt gedragen door een karbouw of buffel. Van tijd tot tijd beweegt zich dat dier: vandaar de aardbevingen. Maar wanneer de vermoeide buffel zijn last afwierp, zou het eiland Java in[Pg 46] de zee verdwijnen. Als er dus eene aardbeving gevoeld wordt, werpen de inlanders zich neder en kussen den grond, terwijl zij uitroepen: "aja, aja"; hetgeen zeggen wil: "wij zijn er ook nog." Zoodoende hopen zij, dat de buffel, die een huisdier is, begrijpen zal, dat het zijn plicht is nog den last van 't eiland Java te blijven torschen.



Er zijn in Indie weinig huizen van twee verdiepingen. Bijna allen zijn gelijkvloersch. De assistent-residentswoning te Buitenzorg heeft echter twee verdiepingen. De bureaux zijn op den "rez de chaussee" en de woning zelve is "au premier". Het is duidelijk, dat een waarnemer, die boven in den grooten mast van een vaartuig is geklommen, de slingeringen, veroorzaakt door de golven, veel sterker zal gevoelen dan iemand, die op het dek staat. Evenzoo is er een groot verschil tusschen de uitwerking van eene aardbeving, of men haar waarneemt op de eerste verdieping dan wel op den beganen grond.

Den 1sten September 1880 was ik op de eerste verdieping van de assistent-residentswoning te Buitenzorg. Nooit zal ik het vreemde gevoel vergeten, dat ik ondervond op het oogenblik toen ik voor het eerst van mijn leven de muren van het vertrek verscheiden malen zag bewegen, terwijl de voorwerpen op de meubels gelegd of tegen den wand opgehangen ter aarde vielen en in wanorde door de kamer rolden.

Wat gevoelt de mensch zich dan klein en hoe zeer beseft hij, hoe onjuist de titel is, dien hij heeft aangenomen van "heer der schepping." De aardbeving had overigens voor Buitenzorg geen verdere gevolgen. Den volgenden morgen vroeg vlogen allen met schrik uit bed, want plotseling dreunde er een kanonschot. Allen meenden, dat het een onderaardsch geluid was, zekere voorbode van nieuwe aardschokken. Daar dreunde weder een schot—en nog een.—Ja het waren werkelijk kanonschoten, die elkaar met gelijke tusschenpoozen opvolgden: zij verkondigden der bevolking de per telegraaf ontvangen heugelijke[Pg 47] tijding, dat er in patria een oranjetelg geboren was.

Het was het gebruikelijke artillerie-salvo ter eere van de geboorte van H.K.H. Prinses Wilhelmina der Nederlanden, die den 31sten Augustus 1880 te 's-Hage het levenslicht aanschouwd had.



De aardbeving van 1 September 1880 is in Bantam vrij wat sterker gevoeld dan te Buitenzorg. Te Rangkas Betoeng de hoofdplaats van Lebak, scheurde de controleurswoning, terwijl van het huis van den assistent-resident een gedeelte van den gevel instortte. Op Java's Eerste punt echter brak de steenen vuurtoren midden door; het bovenste gedeelte knapte af en moest later worden afgebroken. Daar was de aardbeving het sterkst.

Men heeft, eerst na de uitbarsting van Krakatau, deze aardbeving leeren beschouwen als een voorbode van vulkanische ontwikkeling. Want na den 1sten September 1880 werden er wel gedurende de volgende jaren aardbevingen in Bantam gerapporteerd, doch ze waren van zeer geringe sterkte, en niet buitengewoon veel in getal. Ja, in de eerste maanden van 1883 heerschte er in geheel Indië veeleer betrekkelijk vulkanische rust.

In de maand Mei 1883 lette niemand bijzonder op eenige lichte aardbevingen die vooral in den omtrek van Straat Soenda, te Ketimbang op Sumatra, en op Java te Anjer en op Java's Eerste punt werden waargenomen.



Den 20sten Mei 1883, begon 's morgens te Batavia en te Buitenzorg een kanongebulder. Ditmaal was er echter geen prinsesje geboren, zooals in 1880; de kanonschoten waren vergezeld van dreuningen en trillingen, die soms een uur duurden. Die schoten werden steeds heviger en zij hielden twee dagen en twee nachten aan.

Men verkeerde gedurende al dien tijd in de grootste[Pg 48] onzekerheid, waaraan die geluiden waren toe te schrijven. Het denkbeeld van eene werkelijke kanonnade was natuurlijk al te ongerijmd, hoewel de geluiden meer geleken op kanonschoten dan op iets anders. Maar er heerschte "vrede op aarde" ten minste in den omtrek van Batavia.

Als men het oor op den grond legde, hoorde men gedurende de hevigste schoten geen onderaardsch geruisch. De magnetische instrumenten op het metereologisch instituut te Batavia vertoonden geene afwijkingen. Men hoorde wel is waar de schoten in de richting van Straat Soenda, maar uit Serang, Anjer en Merak, die dichter bij Straat Soenda liggen, seinde men, dat er geenerlei geluid gehoord werd. Welke vulkaan was nu de schuldige? De Bantamsche vulkanen bleken rustig te zijn. Uit Sumatra werd getelegrapheerd, dat ook daar alle vulkanen in rust waren.

Weldra werden de hoorders der kanonschoten uit hunne onzekerheid verlost door de rapporten der schepen, die door Straat Soenda waren gevaren.

De beste beschrijving van hetgeen er eigenlijk in die dagen gebeurd was hebben wij te danken aan den scheepspredikant Heims, die aan boord was van de Duitsche oorlogscorvet "Elisabeth," onder commando van den kapitein ter zee Hollmann.

De "Elisabeth" had twee jaren doorgebracht in de Japansche en Chineesche wateren en was op de terugreis naar Duitschland. Zij deed den 20sten Mei 1883 de reede van Anjer aan, en zette onmiddellijk daarna hare reis naar Europa voort door Straat Soenda.

Wij geven nu het woord aan Ds. Heims.



"Nadat wij van Anjer weggestoomd waren, ging alles aan boord op dezelfde wijze als elken Zondag.

De bemanning was op het dek opgesteld en werd geïnspecteerd. Op het achterdek stonden de officieren in[Pg 49] Zondagstenue met sjerp, steek en sabel. Plotseling bemerkte men onder de officieren en op de commandobrug eene zekere opschudding. Kijkers en hoofden werden over de verschansing gericht naar het land, dat men zooeven verlaten had, waar de kust van Sumatra en Java voor het gezicht bijna ineensmolt met het kleine eiland Krakatau. Juist dáár steeg eene glanzend witte rookzuil met groote snelheid op, die in korten tijd, volgens meting, eene hoogte van elf duizend meter bereikte, en die wit als sneeuw afstak tegen den blauwen, helderen hemel. Die zuil zag er uit als eene gigantische witte koraalmassa van wigvormige gedaante, of als eene reusachtige bloemkool, behalve dat hier alles in beweging was. Uit de afzonderlijke, dicht op elkaar gedrongen en over elkaar liggende ballen van stoom, kwamen telkens nieuwe draaiende massa's aan de bovenkant en op zijde te voorschijn, maar toch bleven de omtrekken van de zuil, die steeds grooter werd, scherp begrensd. Vervolgens begon de top zich naar ons toe te neigen en het scheen alsof de wind hem daar in de hoogte voortdreef; maar toen werden er weer nieuwe wolken met onweerstaanbare kracht vooruitgeschoven, die te vergelijken waren met de achtereenvolgende rookzuilen uit den schoorsteen van eene bovenmenschelijk groote, stilstaande locomotief.

Van lieverlede mengden zich donkere kleuren in de witte schittering van den stoom. Van onderen stegen namelijk zwartachtige strepen naar boven, vooral aan de eene zijde; aan de andere zijde echter vertoonde zich eene roodachtige kleur.

Langzamerhand ontstond een breed, blauw-groen gordijn, evenals eene machtige, donkere, waaiervormige onweerswolk, van boven breed en van onderen smal, die alles overdekte.

Wij waren getuigen van eene geweldige vulkanische uitbarsting, die op het eiland Krakatau plaats greep. Geluiden werden niet vernomen.

In alle geval konden wij tevreden zijn met de ons bewezen attentie en met de grootschheid van het daar[Pg 50] opgestelde afscheidssignaal. De laatste blik op Azië was voldoende imposant.

De godsdienstoefening, die elken Zondagmorgen aan boord gehouden wordt, duurde drie kwartier.

De hemel, bij den aanvang nog zoo helder, was reeds voor het grootste gedeelte betrokken; in het Oosten zag het er donker uit. Des namiddags kwam de gewenschte Zuid-Oost-Passaat zóó sterk opzetten, dat wij de hoop koesterden spoedig het vuur der machine te kunnen uitblusschen en verder te zeilen, maar meer en meer betrok de hemel, totdat hij geheel en al bedekt was met eene gelijkmatig grauwe wolk. Over de natuur van deze wolk zouden wij niet lang in de onzekerheid verkeeren. Met den wind mede, te loever, kwam van uit zee een zeer fijne aschregen mede, die als eene grauwe, geelachtige, fijn verdeelde massa overal indrong en zich als een dun witachtig laagje over liet schip uitbreidde, en die in den loop van den den avond, evenals rijp, het dek en het tuig bedekte.

Aan de overzijde was het donker geworden. De sluier die over den hemel hing, was zoo dicht en gelijkmatig, dat de volle maan gedurende den nacht alleen te herkennen was als een zwak verlicht plekje aan den hemel.

Den volgenden morgen zag Zijner Majesteits Corvet er uit als eene drijvende cementfabriek. Gedempt klonken de schreden van het scheepsvolk in het weeke vulkaanstof, dat door de bemanning verzameld werd, om als poetspoeder te dienen. Boven het schip welfde zich de hemel als een groote klok van matglas of melkglas, terwijl de zon er uitzag als een blauwe kogel. De hemel was hier en daar bedekt met stofwolken, die er als sneeuwwolken uitzagen, terwijl er van tijd tot tijd een regen viel van asch, die op het oog groote overeenkomst met sneeuw vertoonde."



De passagiers en de officieren der schepen, die in die dagen door Straat Soenda voeren, waren zoozeer vervuld[Pg 51] met het heerlijke schouwspel, dat de vulkaanwolk van Krakatau hun verschaft had, dat geheel Batavia er over in opschudding geraakte. Er werd toen een pic-nic georganiseerd naar Krakatau. De Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij stelde het stoomschip "Gouverneur-Generaal Loudon" ter beschikking; voor slechts f 25 per persoon kon men den tocht meemaken. Niet minder dan 86 passagiers waren van de partij. De "Loudon" vertrok des avonds van Batavia en kwam den volgenden morgen, den 27sten Mei, te Krakatau aan. Men had een Zondag uitgekozen, opdat niemand door zijn dagelijksch werk zou verhinderd zijn dit feestje mede te maken. Het meerendeel der passagiers bracht een gezelligen dag op Krakatau door. 's Avonds keerde men weer naar Batavia terug. Men ziet hieruit, dat men den vulkaan van Krakatau niet zeer ernstig opnam. Men beschouwde hem als een geschikt doelwit voor een buitenpartijtje. Zooals de Amsterdammers wel eens een Zondag doorbrengen op het rustige eiland Marken, zoo bracht de beau-monde van Batavia een bezoek aan een vulkaan, die in volle werking was! Vele beschrijvingen van dit tochtje zijn gepubliceerd en er zijn toen ook photographieën genomen van den vuurspuwenden berg. Het eiland was voor het grootste gedeelte met puimsteen en asch bedekt en het was volkomen ontwoud tengevolge van een wervelwind. Het bleek, dat alleen de Noordelijkste laagste berg van Krakatau, de slechts 100 M. hooge Perboewatan, werkte. Men had de vermetelheid dezen berg te beklimmen. Te midden van kale, sombere aschheuvelen, gingen de Bataviasche gasten met moeite voort, daar zij tot hunne enkels in de asch inzakten. Eindelijk was de laatste heuvel beklommen en stonden zij op den steilen rand van den kraterwand. De krater zelf vertoonde zich als eene komvormige uitholling, die ongeveer 40 M. lager lag dan de rand. Uit ééne plaats van die uitholling steeg de machtige rookkolom op, onder een angstwekkend gebulder. Wij ontleenden deze bijzonderheden aan het verslag van den mijn-ingenieur J.A. Schuurman, die deel uitmaakte[Pg 52] van het reisgezelschap. Nu wij ons de latere eruptie van Krakatau in de herinnering terugroepen, kunnen wij niet anders dan huiveren, als wij denken aan het ongelooflijke gevaar, waaraan de deelnemers aan de pic-nic naar Krakatau hebben blootgestaan. Want de vulkanen van dit eiland handelen altijd spontaan, zonder de minste waarschuwing. Een enkel onbeteekenend eruptie-verschijnsel slechts ware noodig geweest om het geheele gezelschap te vernietigen, zoodat er wellicht nooit een spoor van terug was gevonden.

Maar nu alles goed afliep, keerden zij des Zondagsavonds weder naar Batavia terug in eene stemming, die de Heer Schuurman aldus aangeeft: "dankbaar voor het genoten schoons, hadden wij afscheid genomen van een schouwspel, dat zeker op allen een diepen, op velen een onvergetelijken indruk heeft gemaakt."

Die indruk zou zeker gemengd zijn geweest met ontzetting als zij hadden kunnen weten, waartoe Krakatau in staat was. Juist gedurende den tijd, dat de pic-nic naar Krakatau gehouden werd, bewoog zich de geheele bodem der kustlanden van Straat Soenda. Aardbevingen toch werden gerapporteerd, niet slechts te Telok Betong, en op den vuurtoren van den Vlakken Hoek op Sumatra, maar ook te Tjeringin, te Pandeglang, en op den vuurtoren van Java's Eerste punt. En terwijl dat gebeurde, waagde men zich in letterlijken zin tusschen de kaken van het monster; men beklom zelf den kraterrand!

Te Batavia teruggekomen ging een ieder weer aan zijn dagelijksch werk. Niemand twijfelde er nu aan of de vulkaan van Krakatau was een onschuldig vuurspuwend bergje, zeer geschikt om aan leeken eenig denkbeeld te geven van een vulkaan. Wel is waar brachten de schepen telkens berichten van kleine uitbarstingen, doch de knallen, waardoor ze vergezeld werden, werden veel minder sterk dan vroeger. De aardbevingen tijdens het bezoek der Bataviasche gasten op Krakatau, in Bantam en Sumatra ondervonden, herhaalden zich in 't geheel niet; men vond het[Pg 53] een aangenaam denkbeeld, dat men nu aan iedereen, die er belang in stelde, een werkenden vulkaan kon laten kijken zonder eenig gevaar, en men vergeleek gaarne Krakatau met het vulkaan-eiland Stromboli, dat op reis naar Indië onze aandacht trok, en dat, reeds 2000 jaren achtereen, van die kleine, aardige uitbarstingen vertoont, tot groot genoegen van ieder, die er voorbijvaart. Krakatau zou nu voortaan in Straat Soenda de rol spelen van den Stromboli; het zou de "great attraction" zijn van Straat Soenda. Niemand dacht aan gevaar van die zijde.

[Pg 54]

Intusschen had Krakatau niet stilgezeten. In de maand Juni begon namelijk behalve de berg Perboewatan ook de berg Danau te werken. Den 11den Augustus 1883 werd Krakatau bezocht door den toenmaligen kapitein van den Generalen Staf H.I.G. Ferzenaar, thans luitenant-kolonel. De heer Ferzenaar stond aan het hoofd van de topografische opnemingsbrigade, die destijds bezig was de residentie Bantam in kaart te brengen. Hij bezocht Krakatau met het doel na te gaan, hoe dit eiland zou kunnen worden opgemeten, maar kwam tot het besluit: "dat daarvan vooreerst niets kon komen, omdat het meten aldaar nog aan te veel gevaar is blootgesteld." Er was toen namelijk nog een derde krater bijgekomen, zoodat er in 't geheel drie punten waren, die werkten. Maar er waren nog bovendien vele plekken op het eiland, waaruit rook opsteeg. De terreinschets, die de heer Ferzenaar toen vervaardigde is van groote waarde; hij is de laatste mensch geweest die ooit dit gedeelte van het eiland betreden zou; 15 dagen na zijn bezoek toch geschiedde de groote uitbarsting; en op de plaatsen, waar Ferzenaar stond, bewegen zich nu de golven der zee, die daar een diepte heeft van honderden meters.


HOOFDSTUK IV

Aan boord van de "Gouverneur-Generaal Loudon", tijdens de groote uitbarsting.

Ambtenaren en particulieren.—"Overplaatsing" bij wijze van koudwaterstraal.—De passagiers op eene Indische boot.—Zr. Ms. troepen,—De bannelingen.—Vertrek van de "Loudon" 26 Aug. 1883.—Bestemming van de "Loudon".—Aankomst te Anjer.—De koelies voor het eiland Bodjo bestemd.—Langs Krakatau.—De rookwolk.—Op de reede te Telok Betong.—De branding op de kust verhinderde de communicatie.—Vergaan der inlandsche prauwen gedurende den nacht.—27 Augustus te half zeven verdwijnt Telok Betong door de zeebeving.—Vergeefsche pogingen om uit de Lampongbaai te komen.—-De duisternis.—Modderregen.—Puimsteenbombardement.—Vliegende orkaan.—Inslaan van den bliksem.—Vuurbollen.—St. Elms-vuur.—La illah la-il allah, Mohammed rasoel allah.—Hulde aan onzen gezagvoerder Lindeman.—Vergaat de wereld?

Op de "Loudon" den 28sten Augustus.—Licht!—De puimsteenvelden bij Poeloe Tiga.—De weg versperd.—Dwars door het drijvende puimsteeneiland in Straat Lagoendie.—Gered.—Wat er op het zoutschip "Marie" gebeurde—De "Barouw"—Het lot van Telok Betong.—Puimsteenvelden gelijk ijsbergen.

De gloeiende aschregen en het puimsteenbombardement van Katimbang.—De modderregen, eene verademing.—De redding van den controleur van Katimbang.—Het lot van Pajoeng Semangka.—Beneawang.—De vuurtoren aan de Blimbingbaai.—12500 slachtoffers op Sumatra.—

Er zijn onder de talrijke personen, die in Indië eene betrekking bekleeden in dienst van het Nederlandsch-Indische Gouvernement, velen, die met eene bijzondere soort van trots, vol genoegzaamheid, zoo gaarne tegenover[Pg 55] particulieren zeggen: "mijnheer ik ben ambtenaar." Ge hebt inderdaad als ambtenaar veel voor. Zijt ge ziek, dan gaat ge op 's lands kosten met verlof naar "boven", en als dat niet helpt voor twee of drie jaren naar patria. Hebt ge het noodige aantal dienstjaren, dan wacht u een kalme oude dag als gepensioneerd hoofdambtenaar in het Haagje, of, als ge het al niet zoover gebracht hebt, dan kunt ge allicht te Apeldoorn, Lochem of Doesburg van een klein pensioentje fatsoenlijk leven. Daarbij hebt ge oneindig minder te doen dan een particulier; en ge moet het al heel bont maken voor men u uit 's lands dienst ontslaat; terwijl een employé op eene onderneming bij een klein verschil van gevoelen met zijn chef zijn ontslag te gemoet kan zien. Daarbij kunt ge u van tijd tot tijd het genoegen gunnen om in uwe gesprekken te laten doorschemeren, dat alléén ambtenaren op Java thuis behooren, terwijl immers in uw oog al die koffie- en tabaksboeren, die suikerfabrikanten en kooplieden slechts geduld worden.....

Maar opdat ge niet al te overmoedig zoudt worden ten gevolge van uwe schoone positie als ambtenaar overgiet het vaderlijke Nederlandsch Indische Gouvernement u van tijd tot tijd met eene koudwaterstraal. Die koudwaterstraal is steeds op u gericht en ge ontvangt haar als ge er het minst om denkt. Zij draagt den naam van overplaatsing.

De overplaatsing is het geliefkoosde middel, dat wordt toegepast om jonge ambtenaren te temmen, die wat onafhankelijk durven zijn in hunne denkbeelden tegenover hunne chefs. Ge zijt met ontzaglijk veel moeite in uwe omgeving thuis geraakt, ge hebt u op de volkstaal toegelegd; ge hebt van lieverlede uwe bescheiden woning gezellig gemaakt door nette meubelen te koopen. Ge verheugt u in het bezit van een goed rijpaard; ge hebt eindelijk eens goede bedienden; ge zijt intiem geworden met goede menschen.

Hecht u niet te veel aan dat alles. Plotseling komt er[Pg 56] een dienstbrief voor u uit Batavia. Ge zijt overgeplaatst naar Sumatra's Westkust met last om per eerste scheepsgelegenheid uwe bestemming te volgen. Daar stort het geheele kaartenhuis in elkaar! De controle-afdeeling, die u zoo ter harte ging, als ambtenaar bij het binnenlandsch bestuur; de sluis, die een deel van uw leven was geworden, en waarvan ge, als ingenieur van den waterstaat, de fundeering juist gereed had: alles wat u op de een of andere wijze dierbaar was geworden in het vreemde land, blijft achter. Na eene haastige vendutie, die u nagenoeg ruïneert, hebt ge spoedig de een of andere haven bereikt, die door de booten der Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij wordt aangedaan, en weldra zijt ge op eene stoomboot gezeten, die u naar Batavia voert, om daar zoo spoedig mogelijk verder te worden geëxpedieerd.

Zijt ge eenigen tijd in Indië dan zult ge allicht een trouw lezer zijn van de passagierslijsten der vertrekkende en aankomende booten, die ge in elke courant aantreft. Met een zekere "Schadenfreude" ontwaart ge, dat ge niet de eenige zijt in het leger der ambtelijke wereld, die van tijd tot tijd in 's lands belang eene kolossale parabool beschrijft door den slingerenden smaragdgordel, om plotseling in geheel vreemde omgeving, in nieuwe toestanden en nieuwen werkkring verplaatst te zijn.

Maar wie van uwe bekenden ge ook in de passagierslijst zoekt, steeds zult ge, nadat de trekvogels eerste klasse zijn opgenoemd, de volgende formule aantreffen: Verdere passagiers: Zr. Ms. troepen, bannelingen, Arabieren, Chineezen en inlanders. Zulk een boot biedt dan ook een merkwaardig schouwspel aan. Op het voorschip krioelt een bont mengelmoes van alle mogelijke menschenrassen door elkander. Onder Zijner Majesteits troepen vooral zijn vertegenwoordigers van allerlei natiën. In de Europeesche compagniën bestaat de meerderheid uit Nederlanders, maar er zijn bovendien Duitschers, Franschen, Belgen en Italianen bij. Die vreemdelingen zijn[Pg 57] menigmaal oude soldaten, veteranen uit de oorlogen, die de Europeesche mogendheden in onzen tijd gevoerd hebben, wier borst versierd is met de herinneringsmedailles aan gemaakte veldtochten. Deze draagt het ijzeren kruis, gene het teeken, dat hij onder de Fransche vanen in Tonkin streed. Onder de niet-Europeesche militairen treffen wij Amboineezen, Javanen, Madoereezen en Alfoeren aan, terwijl er wellicht nog een enkele neger aanwezig is. Deze negers vormden vroeger de Afrikaansche compagnieën; zij hadden den naam van goede soldaten te zijn, hoewel zij woest en bloeddorstig waren. Zij zijn nog steeds een voorwerp van schrik en bewondering bij de inlanders, die hen "orang blanda hitam"—zwarte Hollanders noemen.

De meeste inlandsche militairen zijn gehuwd; de Europeesche soldaten hebben meestal huishoudsters. Deze vrouwen vergezellen hunne mannen aan boord.

De "bannelingen" zijn personen, die tot dwangarbeid in en buiten den ketting veroordeeld zijn. In de wandeling heeten zij "kettingjongens", en vooral in de buitenbezittingen bewijzen zij onbetaalbare diensten bij militaire expeditiën en bij de uitvoering van openbare werken.

Het is niet vereerend voor Zr. Ms. troepen, dat zij zoo in eenen adem genoemd worden met de "bannelingen". Sommige redactiën plaatsen ten minste nog een komma-punt tusschen "troepen" en "bannelingen". Maar ook aan boord worden zij helaas vrij wel over een kam geschoren wat betreft hunne ligging enz.



Den 26sten Augustus 1883 vertrok de stoomer "Gouverneur-Generaal Loudon", gezagvoerder Lindeman, des morgens van de reede van Batavia met bestemming naar de havens van Sumatra: Telok Betong, Kroë, Benkoelen, Padang en Atjeh.

Onder de passagiers waren alle categorieën vertegenwoordigd. Er waren Europeesche en inlandsche militairen ter aanvulling der garnizoenen op Sumatra's Westkust en[Pg 58] Atjeh. De meerderheid echter vormden 300 bannelingen, die bestemd waren voor het dwangarbeiderkwartier te Padang.

Het weder was schoon, er was niet de minste wind, de zee was blauw, de talrijke eilandjes in de Javazee staken vroolijk met hunne groene boomen uit boven den nauwlijks gerimpelden waterspiegel.

Des namiddags te drie ure ankerde de "Loudon" op de reede van Anjer. De witgepleisterde huizen van Anjer glinsterden in den zonneschijn vlak aan zee; op den achtergrond het donker groene gebergte en daar voor de diep blauwe zee. Helder stak de vuurtoren van Java's Vierde punt tegen de lucht af. Vroolijk wapperde de Nederlandsche vlag op het erf van den assistent-resident. De Chineesche en inlandsche kampongs zijn vlak aan zee gelegen. Het Chineesche kamp heeft het eigenaardige karakter, dat alle Chineesche nederzettingen, in welk werelddeel dan ook eigen is. De inlandsche woningen zijn van hout of bamboe opgetrokken, de muren bestaan uit gevlochten bamboematten, en in plaats van pannen bedekt men ze met gedroogde planten, die eene lichte en ondoordringbare dakbedekking vormen, welke "atap" genoemd wordt.

Onwillekeurig dwalen de gedachten terug naar de eerste aankomst uit Europa in Indië. Anjer is dan de eerste plaats, die u van verre een welkomstgroet brengt....

Hij, die aan boord van de "Loudon" op de reede van Anjer zou hebben beweerd, dat de laatste dag van Anjer's bestaan reeds was aangebroken, zou zeker als krankzinnig beschouwd zijn.

Te Anjer nemen wij een honderdtal Bantammers aan boord met eenige vrouwen en kinderen. De mannen zijn aangeworven als koelies voor den bouw van een vuurtoren op het eiland Bodjo.



Toen onze koelies aan boord waren, zette de "Loudon" koers, langs Dwars-in-den-Weg en Varkenshoek, de Lampongbaai in naar Telok Betong. Aan bakboord konden wij in de verte een blik werpen op het eiland Krakatau,[Pg 59] hetgeen reeds beroemd geworden was door zijne eerste vulkanische uitbarsting in Mei.

Krakatau is een oude bekende van de "Loudon". Toen er na die eerste uitbarsting een pleiziertochtje werd gemaakt, ten einde den vulkaan te gaan bezien, bracht de "Loudon" de passagiers ad f 25 naar het eiland. De vulkaan op Krakatau schonk ons nu gratis eene voorstelling. Hoewel wij ver van het eiland af waren, zagen wij eene zwarte, hooge rookkolom boven het eiland uitsteken, die zich omhoog verbreedde tot eene wolk. Ook viel er aanhoudend asch. Des avonds te 7 ure waren wij in de Lampongbaai op de reede van Telok Betong, waar geankerd werd.



De nacht viel weldra in, en men kon daarom niet duidelijk onderscheiden wat er gebeurde. De aschregen nam toe en de zee werd onstuimig. De "Loudon" seinde naar den wal om eene sloep, ten einde de passagiers te landen; maar er kwam geene sloep en evenmin verschenen er laadprauwen, die anders onmiddellijk na de aankomst van eene stoomboot komen opdagen. De "Loudon" streek zelf eene sloep om zich met den wal in verbinding te stellen. Het was echter niet mogelijk om te landen, daar er hooge branding op de kust stond, zoodat de sloep weder onverrichter zake terug kwam. Het havenlicht op den lichtopstand aan het uiteinde van den havendam bleef den geheelen nacht branden, doch er scheen wel iets bijzonders te zijn, daar nu en dan alarmseinen werden vernomen van de op de reede liggende prauwen; het was echter onmogelijk hun hulp te verschaffen, daar het duister was en vooral wegens de zware zeeën.

Eindelijk ging de zon van den 27sten Augustus op, en begon de duisternis te wijken. Toen het licht werd, zagen wij Telok Betong, de hoofdstad der Lampongs, voor ons. Terwijl geheel Anjer vlak aan zee ligt zijn te Telok Betong de benting met het militair kampement, de residentswoning[Pg 60] en de gevangenis verder van de kust op eene hoogte gebouwd van 34 Meter hoogte. Maar het overige gedeelte van Telok Betong ligt vlak aan zee, als 't ware op het strand. Men onderscheidde daar de Europeesche huizen, waarvan sommige met pannen, andere met atap gedekt zijn, en de inlandsche woningen, die op Sumatra in bouw geheel afwijken van de Javaansche huizen, die men te Anjer ziet.

Telok Betong lag van boord af gezien, zeer schilderachtig tegen den sterk begroeiden groenen achtergrond van het Lampongsche gebergte. Wij hadden den vorigen avond behalve eenige prauwen, de gouvernements-stoomer "Barouw" en een zeilschip de "Marie" op de reede zien liggen. Deze schepen, met uitzondering van de "Marie", hadden gedurende den nacht allen schipbreuk geleden en waren op het strand geslagen. Hoe dikwijls ook de "Loudon" naar den wal seinde om een sloep, er kwam geen antwoord en geen levende ziel was te zien op het strand. Het licht op den havendam bleef ondertusschen steeds branden. Niemand doofde het uit, hoewel de zon reeds boven de huizen was.

In plaats van asch regende het intusschen kleine stukjes puimsteen.

Te half zeven kwam er plotseling een reusachtige golf uit zee opzetten, waar men letterlijk tegen aan zag en die zich met groote snelheid bewoog. De "Loudon" stoomde op, zoodanig dat zij de golf langscheeps kreeg. Eén oogenblik... en daar had de golf ons bereikt. Het schip maakte eene ontzettende duikeling, doch de golf was voorbij, en de "Loudon" gered. De golf bereikte nu Telok Betong en liep landwaarts in. Achtereenvolgens kwamen er nog drie dergelijke kolossale golven. Door niets gestuit verwoestte zij voor onze oogen geheel Telok Betong. Men zag den lichtopstand omvallen, de huizen verdwijnen; en alles was voor onze oogen zee geworden op de plaats waar nog eenige minuten geleden Telok Betong aan het strand had gelegen.[Pg 61]

Het zeilschip "Marie" wordt overdwars op het land geworpen. De stoomer "Barouw" wordt opgenomen van het strand, en van af de "Loudon" zien wij, dat zij blijft zitten, schijnbaar ter hoogte van de klapperboomen. De inlandsche huizen, die op Sumatra gebouwd zijn op stijlen, die gewoonlijk los op stukken natuurlijke steen rusten, zoodanig dat er onder den vloer ongeveer een meter vrij is, zijn een gemakkelijke prooi voor de golf, die hen opneemt en omwerpt. Maar de steenen gebouwen der Hollanders ondergaan hetzelfde lot; afgescheurd van hunne fondamenten verdwijnen zij in de zee.

Het indrukwekkende van dit schouwspel is moeilijk te beschrijven. Het onverwachte van hetgeen men aanschouwt en de reusachtige afmetingen van de verwoesting, die men voor zijne oogen ziet aanrichten, maakt, dat men zich moeilijk rekenschap kan geven van hetgeen men aanschouwt. Men kan het wellicht nog het best vergelijken met eene plotseling verandering van decoratief, die in feëeraën geschiedt door den tooverstaf eener fee—maar op een kolossale schaal en met het bewustzijn, dat het werkelijkheid is, wat men ziet, dat er duizenden menschen zijn omgekomen in een ondeelbaar oogenblik, dat er eene verwoesting zonder weerga is aangericht—en dat de waarnemer zich in dreigend levensgevaar bevindt. Als men al deze dingen samenvat, kan men wellicht den indruk wedergeven, dien zulk een natuurtooneel maakt, maar men blijft nog beneden de werkelijkheid.

Zoo had dan de "Loudon" eene vloedgolf doorstaan, die Telok Betong verwoest had. Waren alle aanwezigen op de "Loudon" aan levensgevaar blootgesteld geweest, zeker in de eerste plaats de passagiers, die voor Telok Betong bestemd waren, doch die, doordat er geen verkeer met den wal te verkrijgen was, niet geland waren. Gewoonlijk doet de zoogenaamde "Westboot" van Batavia naar Atjeh, Anjer niet aan. Bij uitzondering was de "Loudon" naar Anjer gestoomd, omdat aldaar de koelies aan boord zouden komen, bestemd voor het eiland Bodjo. De "Loudon"[Pg 62] was anders eenige uren vroeger op de reede van Telok Betong aangekomen, er zou dan zeker nog verkeer met den wal geweest zijn, de passagiers zouden geland zijn en wat zou hun lot geworden zijn?

Daar het post- en telegraafkantoor te Telok Betong ook verdwenen was, zou het wellicht lang duren, voordat men op Java tijding had van de ramp, die Telok Betong getroffen had.

De gezagvoerder Lindeman besloot dus naar Anjer terug te varen, ten einde aldaar te rapporteeren, daar hij een langer verblijf op de reede bovendien gevaarlijk achtte. Wij gingen dus denzelfden weg terug, dien wij gegaan waren in plaats van door te gaan in de richting van Kroë.

Iedereen aan boord van de "Loudon" was geheel onder den indruk van de verwoesting van Telok Betong, die zoo plotseling geschied was. Zouden al de inwoners verdronken zijn? Ziedaar eene vraag, waarop wij geen antwoord konden geven.

Wij stoomden intusschen op. Dit gebeurde echter onder protest van een der passagiers, een officier der infanterie, die aan boord was gekomen met bestemming naar Telok Betong. Zijn marschorder toch luidde, dat hij zich had te begeven naar Telok Betong en hij eischte van den gezagvoerder, dat deze hem te Telok Betong aan wal zou zetten, al was die plaats dan ook verwoest. De Heer Lindeman weigerde echter aan zijn verlangen te voldoen.



Weldra hadden wij de reede van Telok Betong uit het oog verloren en wij hoopten spoedig uit de Lampongbaai te zijn. Maar zoo gemakkelijk zouden wij er niet afkomen. Te acht ure begon het daglicht te verminderen. Het werd hoe langer hoe duisterder, zoodat reeds om 10 ure des morgens eene Egyptische duisternis heerschte. Deze duisternis was volslagen. Meestal toch, zelfs in een donkeren nacht, kan men[Pg 63] nog eenige omtrekken b.v. van witte voorwerpen onderscheiden. Doch hier heerschte eene volkomen afwezigheid van licht. De zon klom hooger en hooger; om 12 uur stond zij in het zenith, doch geene harer stralen bereikte ons. En dat die duisternis zich uitbreidde over eene groote uitgestrektheid, blijkt daaruit, dat, hoewel de zon boven onze hoofden stond, niet de minste verlichting aan den hemel, niet het minste spoor van diffuus licht aan de kim te zien was. Overal de dichte nachtelijke sluier! Overal een hemel zonder sterren! En deze afschuwelijke nacht duurde achttien uren!



Het spreekt van zelf dat de "Loudon" gedurende dezen poolnacht in de baai moest blijven "overwinteren." Wij ankerden dus reeds te 10 uur nabij het kleine eiland Tegal. Het was toen reeds niet mogelijk verder te gaan, niet alleen wegens de volslagen duisternis maar ook door den steeds in kracht toenemenden asch- en puimsteenregen, ten gevolge waarvan het scheeps-kompas allerlei afwijkingen vertoonde.



De volgende oogenblikken, lezer, overtreffen in ijselijkheid, alles wat men zich denken kan. De taal heeft geene uitdrukkingen om naar behooren weder te geven, wat wij hebben ondervonden.



De asch- en puimsteenregen werd vervangen door een dichten regen van modder, die al spoedig het dek met eene compacte laag bedekte. Die modder drong overal in en was vooral hinderlijk voor de bemanning, wier oogen, ooren, neus, letterlijk verstopt werden met deze afschuwelijke, kwalijk riekende zelfstandigheid.

Nu en dan viel er weer asch, dan weder was het of het schip gebombardeerd werd met stukken puimsteen.[Pg 64]

De ademhaling werd bemoeilijkt door de asch, modder- en puimsteendeelen, het was alsof de dampkringslucht zelve eene wijziging had ondergaan. Eene helsche lucht van zwavelzuur verspreidde zich. Sommigen gevoel