Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of In de Oer-wouden van Afrika, by Jules Verne

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: In de Oer-wouden van Afrika

Author: Jules Verne

Release Date: April 5, 2006 [EBook #18120]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN DE OER-WOUDEN VAN AFRIKA ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

Max Huber en Llanga.

Max Huber en Llanga.

In de Oer-wouden van Afrika.

Door
Jules Verne.

Uitgevers-Maatschappij “Vivat”,
Amsterdam.

[1]

[Inhoud]

HOOFDSTUK I.

Na een langen marsch.

“En is er geen Amerikaansche Congo?” vroeg Max Huber.

“Amerika heeft zelf land genoeg”, antwoordde John Cort, “er valt nog genoeg te ontginnen tusschen Alaska en Texas en men behoeft waarlijk niet naar vreemde koloniën uit te zien, als men binnen eigen grenzen nog zooveel te doen heeft, zou ik meenen.”

“En dus zullen de Amerikanen Afrika maar overlaten aan de Engelschen, Duitschers, Hollanders, Portugeezen, Franschen, Italianen, Spanjaarden, Belgen?”

“De Amerikanen hebben er niets te doen”, hernam John Cort, “evenmin als de Russen, en om dezelfde reden.”

“En die is?”

“Dat men niet ver loopt om datgene te halen, wat men thuis onder zijn bereik heeft.”

“Nu, ik geloof toch, dat de Amerikaansche regeering op een goeden dag haar deel zal komen eischen van die groote Afrikaansche taart!” antwoordde Max Huber, “er is nu reeds een Fransch Congo, een Belgisch Congo, een Duitsch Congo, zelfs een Onafhankelijke Congostaat, en van al dat land, dat wij nu reeds drie maanden doorkruisen....”

“Als touristen, Max, niet als veroveraars!”

“Nu, van al dat land moet Amerika ook zijn deel nemen. Er zijn hier vruchtbare streken, die slechts op ontginning wachten.”

“Onder die afschuwelijk brandende zon”, voegde John Cort er bij, terwijl hij zijn voorhoofd afwischte.

“Ba, daar let ik niet meer op!” riep Max Huber, “ik ben reeds aan het klimaat gewend en bijna een neger geworden!” [2]

“Bijna! Het scheelt nog veel voor wij met onze dunne huid op die zwartjes lijken, gij als Franschman evenmin als ik als Amerikaan. Maar toch hebben wij een belangwekkende reis gemaakt, Max, en het wordt tijd dat wij naar Libreville terugkeeren om in de factorijen wat van onzen drie-maandschen tocht te bekomen.”

“En toch heeft die reis mij niet opgeleverd wat ik er van verwacht had.”

“Wat zegt gij daar, Max? Honderden mijlen zijn wij door geheel onbekende landen getrokken, wij hebben onze geweren moeten gebruiken tegen de assegaaien en pijlen van vijandige inlanders, wij hebben jacht gemaakt op den Numidischen leeuw, zoowel als op den Lybischen panter, wij hebben zooveel olifanten geschoten, dat van hunne slagtanden toetsen kunnen gemaakt worden voor alle piano’s ter wereld, en nog ben je niet tevreden?”

“Ja en neen, John. Alles wat gij daar opnoemt zijn de gewone ontmoetingen van elken Afrikaanschen ontdekkingsreiziger. Lees maar eens de reisbeschrijvingen van Barth, Burton, Speke, Grant, du Chaillu, Livingstone, Stanley, Serpa Pinto, Anderson, Cameron, Brazza, Wissmann en hoe al die dappere mannen meer mogen heeten.”

“En wat hadt gij dan wel op onze reis meenen te vinden?” vroeg John Cort.

“Iets buitengewoons, iets vreemds en zeldzaams.”

“Nu, de reis is nog niet achter den rug”, hernam de Amerikaan; “het zal nog wel vijf of zes weken aanhouden, eer wij in Libreville zijn.”

“Alsof ons dan nog iets kon overkomen, zooals wij nu reizen in dezen wagen! Het lijkt waarlijk wel een tochtje met een diligence!”

Kort daarop bleef de wagen staan bij een heuveltje, waarop een zestal mooie boomen groeiden, de eenige in deze uitgestrekte vlakte.

Het was zeven uur in den avond en daar op dezen achtsten Noorderbreedtegraad de schemering slechts zeer kort duurt, zou de nacht spoedig vallen. En dan zou het zeer donker zijn, want dikke wolken pakten zich aan den hemel samen.

De reiswagen, die alleen bestemd was voor het vervoer [3]der reizigers en dus geen koopwaren of proviand bevatte, rustte op een zwaar onderstel met vier breede wielen en werd door zes ossen getrokken. Door een schot was zij inwendig in twee kamertjes verdeeld; het achterste, bestemd voor de twee jongelieden John Cort en Max Huber, zooals wij reeds gehoord hebben een Amerikaan en een Franschman, het voorgedeelte in gebruik bij een Portugeesch koopman, Urdax genaamd, en den “voorlooper” Khamis. Deze voorlooper—de man, die steeds aan het hoofd van de karavaan gaat—was een neger van Kameroen en volkomen geschikt als gids door de brandend heete vlakten van Oebanghi.

Drie maanden geleden was deze eenvoudige, maar zeer sterke reiswagen uit Libreville, de hoofdstad van Fransch Congo, vertrokken. In Oostelijke richting gaande, was zij op de vlakten van de Oebanghi gekomen, die hunnen naam danken aan een der voornaamste rechter zijstroomen van de Congo- of Zaïre-rivier.

Deze streek strekt zich uit ten Oosten van Duitsch Kameroen, en hare grenzen kunnen niet met nauwkeurigheid worden aangegeven. Zij kenmerkt zich door een machtigen plantengroei en hier en daar, maar op groote afstanden van elkander, liggen dorpen, waarvan de bewoners onafgebroken met elkander strijd voeren en waarvan enkele, zooals bijvoorbeeld de Mouboutou-negers, tusschen het Nijlbekken en de Congo, menscheneters zijn. En het is afschuwelijk, maar meerendeels slachten deze kannibalen kinderen, die in deze streek zoo weinig in tel zijn, dat men ze als geld gebruikt en er koopwaren mede betaalt. De rijkste neger is dan ook hij, die de meeste kinderen heeft!

En al was de Portugees Urdax met zijn reisgenooten niet bepaald door deze gevaarlijke streek gegaan, toch hadden zij af en toe ontmoetingen met deze woeste Congo-negers gehad, die alleen door geweerschoten op eenigen afstand konden gehouden worden.

Dicht bij een dorp, nabij de bronnen van de Bahar-el-Abiad, hadden John Cort en Max Huber echter gelegenheid gehad een kind te redden van het vreeselijk lot dat hem dreigde en dit voor enkele snuisterijen en kralen van de kannibalen afgekocht.

Het was een knaap van tien jaren, gezond en sterk, [4]uit wiens oogen schranderheid sprak en die voor zijne redders groote aanhankelijkheid aan den dag legde. De arme jongen, die aan zijn ouders en aan zijn stam ontroofd was, heette Llanga en leefde sedert als aangenomen kind van Max Huber en John Cort in de factorijen van Libreville, waar hij alle gelegenheid had wat Fransch en Engelsch te leeren.

Toen de wagen voor dien nacht halt hield, werden de ossen afgespannen en de vermoeide dieren legden zich dadelijk neder.

Het proviand en de buitgemaakte slagtanden waren toevertrouwd aan de dragers, een vijftigtal Kameroen-negers, en op last van John Cort werd onder de prachtige tamarindeboomen een soort kampement ingericht. Van droge takken werden twee groote vuren aangelegd en voorraad antilopenvleesch was rijkelijk aanwezig. Zoo kon een goede maaltijd gehouden worden, zonder dat groot gevaar te duchten was, want, zooals van zelf spreekt, bevatte de wagen voor het persoonlijk gebruik der drie blanken een flink getal uitstekende vuurwapenen en ammunitie.

Niettemin bepaalde de voorlooper, toen de karavaan zich ter ruste zou leggen, dat eenige mannen beurtelings twee uren zouden waken, hetgeen in deze streken altijd raadzaam is, zoowel tegen vier- als tweebeenige aanvallers.

Ten opzichte der veiligheid verzuimde Urdax dan ook geen enkelen maatregel. Deze Portugees was een krachtig gebouwd man van omstreeks vijftig jaren, die met de leiding eener karavaan ten volle vertrouwd was, en in den voorlooper Khamis, een vijf en dertigjarige neger, zeer vlug, zeer koelbloedig en zeer dapper, had hij een uitnemende hulp.

Het was aan den voet van een der tamarindeboomen, dat de drie blanken zich nederzetten voor het maal, dat door Llanga gebracht werd en onder het eten werd de verdere tocht besproken.

“Wij moeten nu Zuidwestelijk gaan”, zei Urdax.

“Ja, want ik geloof dat wij vlak Zuid een dicht woud voor ons hebben.”

Het drietal zette den tocht voort. (Zie pag. 16).

Het drietal zette den tocht voort. (Zie pag. 16).

“Ja, een zeer dicht, bijna ondoordringbaar woud”, beaamde de Portugees; “wilden wij het Oostelijk omtrekken, [7]dan zouden daartoe maanden noodig zijn. Maar Westelijk komen wij aan de Oebanghi, dicht bij de stroomversnellingen van de Congo.”

“Maar zou het de reis niet bekorten als wij dwars door dat woud trokken?” vroeg Max Huber.

“Ja, het zou een paar weken uitsparen.”

“En waarom doen wij dat dan niet?”

“Omdat het woud ondoordringbaar is.”

“Kom, dat geloof ik niet!” riep de jonge Franschman.

“Ondoordringbaar misschien niet voor voetgangers”, hernam de Portugees, “hoewel ik daarvan ook nog niet eens zeker ben, maar voor wagens is het zeker ondoenlijk.”

“En heeft nooit iemand beproefd dat woud door te trekken?”

“Beproefd misschien wel, maar gelukt is het zeker niet en in Kameroen zoowel als in den Congo zou ieder u zulk een onderneming afraden.—Het is de vraag of men met de bijl of met vuur er een weg doorheen zou kunnen maken en nu spreek ik nog niet eens van de reusachtige doode boomen, die onoverkomelijke hinderpalen vormen.”

“Onoverkomelijk Urdax!” spotte de ongeloovige Max.

“Komaan Max”, zei John Cort, “denk toch niet aan zoo iets onzinnigs en wees liever blij, dat wij zulk een woud kunnen omtrekken. Ik heb geen lust mij in zulk een doolhof te wagen!”

“Wie weet wat er in verborgen is!”

“En wat zou er in verborgen zijn, Max? Onbekende rijken, betooverde steden, vreemde dieren, olifanten met zes pooten of negers met drie beenen?”

“Best mogelijk”, antwoordde Max Huber onverstoorbaar.

“Hoe het zij”, hernam Urdax, “ik ga met mijn wagen dat bosch niet in!”

Hiermede was het gesprek geëindigd en besloot men te gaan slapen. Llanga bracht dekens en goed daarin gewikkeld legden de twee vrienden zich tusschen de wortels van een tamarindeboom, terwijl Llanga zich als een waakhond aan hunne voeten uitstrekte.

Urdax en Khamis maakten eerst nog een ronde om het kampement. Zij wilden zich overtuigen, dat de ossen [8]goed gekluisterd en de wakers op hunnen post waren, dat elk vuur was gebluscht, want het kleinste vonkje zou het droge gras en doode hout onmiddellijk in vlam zetten. En toen zij alles in orde hadden bevonden, legden ook zij zich dicht bij de wagen te slapen.

De slaap liet niet lang op zich wachten, geen wonder trouwens na den vermoeienden dagmarsch. Maar de wakers, sliepen die ook? Omstreeks tien uur vertoonden zich allerlei verdachte lichtjes aan den zoom van het groote woud, maar niemand kwam dit aan de leiders der karavaan mededeelen.

[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De bewegende vuren.

De afstand tusschen het kampement en het donkere woud, waarbij nu af en toe zulke geheimzinnige lichten verschenen, bedroeg omstreeks twee kilometer. Soms schenen wel tien van die lichten tegelijk en zoo fel, dat men wel haast moest aannemen, dat daar een kamp van negers was. Maar daarvoor verspreidden die vuren zich te grillig en te veel uit elkander.

Een handelskaravaan zou echter zeker niet zoo onvoorzichtig zijn van zulke groote vuren aan te leggen en daardoor haar tegenwoordigheid te verraden.

Intusschen bleef in het kamp der Europeanen alles in diepe rust en zelfs de wakers bleken op hun post ingeslapen. Het was dan ook een groot geluk, dat de kleine Llanga wakker werd. Hij wreef zijn oogen eens uit, zag hij goed? Ja, hij vergiste zich niet, daar, aan den rand van het woud, scheen licht!

Toch wilde hij niet dadelijk zijn beide weldoeners wekken en daarom sloop hij naar den wagen, schudde den voorlooper wakker en wees met den vinger naar de lichtschijnsels aan den horizon.

Khamis staarde een oogenblik zwijgend voor zich uit en riep toen eensklaps: “Urdax!”

“Wat is er?” vroeg de Portugees, die dadelijk wakker en overeind was. [9]

De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (Zie pag. 17).

De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (Zie pag. 17).

[11]

“Kijk eens!”

Urdax zag de lichten en liet dadelijk de gansche karavaan op de been brengen en zoodanig was iedereen onder den indruk van het dreigend gevaar, dat niemand er aan dacht de wakers, die zoo slecht hadden opgepast, te berispen.

Het was omstreeks elf uur. De vlakte was voor drie vierde deel in volkomen duister, maar in het Zuiden stegen allerlei grillige vlammen op, thans soms wel vijftig tegelijk.

“Een kamp van inboorlingen”, zei Urdax. “Waarschijnlijk Boudjos, die veel aan de oevers van de Congo en de Oubanghi komen.”

“Het zijn lichten, die door menschen verplaatst worden”, merkte John Cort op.

“Maar dan moesten wij die menschen zien”, antwoordde Max Huber.

“Dat komt omdat zij achter den boschrand zijn”, verklaarde Khamis.

“Maar de vuren verplaatsen zich en komen toch weer op dezelfde plaats terug”, hernam Max Huber.

“De plaats waar het kamp is”, meende de voorlooper.

“En wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax.

“Dat wij aangevallen zullen worden”, antwoordde de Portugees, “en wij ons dus terstond op verdediging gereed moeten maken.”

“Maar waarom hebben die inboorlingen ons dan niet in stilte bekropen en plotseling overvallen, zonder hunne tegenwoordigheid eerst zoo duidelijk te verraden?”

“Negers zijn geen blanken”, hernam Urdax, “maar zij zijn daarom niet minder te duchten door hun aantal en hunnen woesten inborst.”

De karavaan moest zich dus gereed houden voor eene verdediging op leven en dood, want genade of lijfsbehoud was van deze negerstammen van de Oebanghi niet te verwachten. Zij zijn inderdaad zeldzaam wreed, zelfs de beruchte inboorlingen van de Salomons-eilanden, van de Hebriden en van Nieuw-Guinea staan hierin bij deze negers achter. Maar in het binnenland der door hen bewoonde streken vindt men uitsluitend [12]kannibalen-dorpen en de zendelingen, die uit edele roeping hier hun leven wagen, weten dit zeer goed. Men zou bijna geneigd zijn deze negers onder de dieren te rangschikken, roofdieren in menschengedaante, te gevaarlijker, omdat zij op volwassen leeftijd nog zelfs niet het verstand hebben van een zesjarig kind bij ons. Menschenoffers zijn bij deze negers verre van zeldzaam, menig zendeling heeft er tegen wil en dank getuige van moeten zijn. Slaven worden gedood bij het graf van hunnen meester en het afgehouwen hoofd wordt met een buigzamen tak weggeschoten, zoover als het vliegen wil. De kinderen worden, zooals reeds gezegd is, tusschen hun tiende en zestiende jaar bij sommige feestelijke gelegenheden geslacht, ja, verscheidene stamhoofden voeden zich met geen ander vleesch.

Natuurlijk zijn deze negers ook ware roovers. Vaak trekken zij mijlen ver om een karavaan te overvallen, de begeleiders met hunne assegaaien af te maken en de wagens te plunderen. Wel zijn zij slechter gewapend dan de kooplieden, maar zij winnen het van deze verre in aantal en tegen een paar duizend negers vermogen vijftig of honderd dragers niet veel.

De voorloopers kennen dit gevaar dan ook zeer goed en hun grootste zorg is, er voor te waken, dat de karavaan niet terecht komt bij zulke dorpen, als Ngombé Dara, Kalaka Taimo en andere in de streek van de Aoukadepé en van de Bahar-el-Abiad, waar de zendelingen tot dusver niet doorgedrongen zijn.

Tot dusver had de karavaan elke aanraking met vijandige stammen weten te vermijden, de voorlooper had als goede gids haar ver gelaten van alle gevaarlijke streken. En de terugtocht beloofde evenzoo volkomen veilig te geschieden. Als men Westelijk het groote woud zou omgetrokken zijn, kwam men aan den rechteroever van de Oebanghi en langs die rivier zou men voorttrekken tot waar zij in de Congo uitmondt. Hier is een streek die druk bereisd wordt door kooplieden en zendelingen, en de gevaarlijke stammen zijn van hier meer en meer naar de verwijderde streken van Darfoer verdrongen.

Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te klimmen. (Zie pag. 24).

Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te klimmen. (Zie pag. 24).

En zou de karavaan, op enkele dagreizen van de rivier verwijderd, nog de prooi moeten worden van [15]die roofzieke benden? Er bestond alle vrees voor. Maar in elk geval zou men zich niet zoo maar goedsmoeds overgeven en op aanwijzing van Urdax begon men dan ook alles voor de verdediging gereed te maken.

Zonder dralen werden Urdax, de voorlooper, John Cort en Max Huber gewapend, de karabijn in de hand, revolvers in den gordel, de patroontasch goed voorzien. In den wagen bleef nog een half dozijn geweren en pistolen over, die gegeven werden aan enkele dragers, op wier trouw men vast kon rekenen.

Daarop gaf Urdax last dat men post zou vatten tusschen en achter de groote tamarindeboomen, om beter beschut te zijn tegen de pijlen, wier vergiftigde punt doodelijke wonden veroorzaakt. En zoo bleef men wachten. Geen geluid werd gehoord; de vijand scheen nog niet dichter bij te zijn gekomen, de vuren bleven met tusschenpoozen schijnen en deden een geelachtigen rook opstijgen.

“Ik begrijp niet, hoe zij zooveel licht maken, als zij plan hebben ons aan te vallen!” zei Max Huber.

“En ik begrijp het evenmin, als zij geen vijandelijke bedoelingen hebben”, antwoordde John Cort.

Het was inderdaad vreemd, maar wat kon men verwachten van die woeste stammen van de Boven-Oebanghi?

Een half uur verstreek, zonder dat er eenige verandering in den toestand kwam. Tusschen het kampement en de vuren scheen de vlakte werkelijk volkomen eenzaam.

Eindelijk, tegen elf uur, zei Max Huber: “Het gaat zoo niet langer, wij moeten den vijand verkennen!”

“Zou dat niet onvoorzichtig zijn?” vroeg John Cort. “Laten wij liever eene afwachtende houding aannemen tot de dag aanbreekt.”

“Nog langer wachten?” hernam Max Huber, “nog zes uren minstens hier staan blijven met het geweer in de hand? Neen, wij moeten weten waaraan wij ons te houden hebben! Als die negers geen kwaad in den zin hebben, dan ga ik weer lekker tusschen die tamarindewortels liggen, waar ik straks zoo heerlijk sliep!”

“Wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax.

“Het denkbeeld is niet slecht”, antwoordde deze, [16]“maar de grootste voorzichtigheid moet er bij in acht genomen worden.”

“Ik zelf zal gaan”, hernam Max Huber, “en ik zal voorzichtig zijn.”

“En ik ga mee”, zei de voorlooper.

“En ik”, zei John Cort.

“Neen, twee is genoeg”, hernam Max, “wij gaan bovendien niet verder dan strikt noodig is, en als wij iets verdachts zien, zullen wij onmiddellijk terugkeren om dat te melden.”

“Zijn uwe wapens goed in orde?”

“Ja, maar wij zullen ze wel niet noodig hebben, de hoofdzaak is, dat wij ons niet laten zien.”

“Juist”, zei Urdax.

Zoo ging Max Huber met den voorlooper op weg en weldra hadden zij den heuvel met de tamarindeboomen achter zich. Hier in het vrije veld was het iets minder duister, maar op verderen afstand dan honderd schreden zou toch geen mensch te onderscheiden zijn.

Het tweetal was voorzichtig een vijftig pas voortgegaan, toen zij eensklaps Llanga achter hen bespeurden. Zonder een woord te spreken was de negerknaap hen gevolgd.

“Hoe durft gij?” vroeg Max Huber vertoornd; “ga onmiddellijk terug!”

“O mijnheer, laat mij bij u blijven”, smeekte Llanga

“En uw vriend John dan, die daar ginds is?”

“Ja, die is daar, maar mijn vriend Max is hier!” antwoordde de negerknaap zeer ter snede.

“Maar wij hebben je niet noodig”, zei Khamis barsch.

“Kom, laat hem maar meegaan”, hernam Max Huber. “Hij zal ons niet hinderen en met zijn kattenoogen ontdekt hij misschien iets, wat wij niet kunnen zien.”

“Ja, ik zal goed uitkijken!” verzekerde Llanga.

“Goed, blijf dan dicht bij mij!”

Het drietal zette den tocht voort en een kwartier later waren zij een kilometer van het kampement verwijderd en scheidde diezelfde afstand hen nog van den zoom van het groote woud.

De vuren brandden altijd nog en hun schijnsel was nu veel helderder, maar noch de kattenoogen van Llanga, noch de voortreffelijke veldkijker van Max [17]Huber konden de wezens, die deze vuren onderhielden, zien. Urdax scheen dus gelijk te hebben, dat de negers zich achter de zware stammen en het dichte gebladerte schuil hielden. Zij waren dus nog niet buiten het woud gekomen en hadden misschien niet eens plan, dit te doen.

Het werd werkelijk hoe langer hoe onbegrijpelijker. Als het eenvoudig het nachtleger was van rondtrekkende zwarten, waartoe diende dan die illuminatie? Of zouden zij wellicht de een of andere nachtelijke plechtigheid vieren?

“Misschien hebben zij onze karavaan niet eens bespeurd”, zei Max Huber.

“Maar dan zien zij haar toch bij het aanbreken van den dag”, antwoordde de voorlooper.

“Als wij dan ten minste niet weg zijn, Khamis.”

Nog een halven kilometer liepen zij voort en waren toen het woud tot op een paar honderd schreden genaderd. Nog was niets verdachts te bespeuren, geen menschelijk wezen vertoonde zich.

“Zullen wij nog verder gaan?” vroeg Max Huber.

“Waartoe?” hernam Khamis; “het zou onvoorzichtig zijn. Best mogelijk dat zij onze karavaan niet eens bespeurd hebben en wij kunnen van nacht nog wegtrekken.”

Zij slopen voorzichtig nog een klein eind voort, toen de voorlooper plotseling fluisterde:

“Pas op, geen stap verder!”

Wat was er gebeurd? De vuren waren eensklaps verdwenen. Onbeweeglijk bleef het drietal staan, dikke duisternis omgaf hen, maar daar lichtten eensklaps weder een twintigtal vuren op.

“Te drommel, het is een vreemde historie”, mompelde Max Huber.

En dat was het inderdaad, want de lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond!

Wat voor wezens konden vuren aansteken, eerst op de vlakte, daarna op de hoogere en lagere takken der boomen?

“Het zijn toch geen dwaallichtjes”, mompelde Max.

“Wij moeten terug”, raadde de voorlooper, “ik geloof [18]niet dat ons kamp van nacht zal worden aangevallen en wij moeten de anderen gerust gaan stellen.”

“Wij kunnen dat beter doen, als wij hen tegelijkertijd kunnen meedeelen, wat die geheimzinnige lichtschijnsels eigenlijk zijn.”

“Neen, mijnheer Max, wij moeten ons niet verder wagen. Er is geen twijfel, of daar ginds is een troep rondzwervende negers. Misschien ontsteken zij die vuren, om de roofdieren van zich af te houden.”

“Roofdieren!” riep Max Huber, “panters en hyena’s, of zelfs wilde buffels zouden wij moeten hooren brullen en het eenige geluid dat ik hoor, is het geknetter van brandend hout. Neen, ik wil het weten....”

En Max Huber ging weder verder, op den voet gevolgd door Llanga.

De voorlooper wist niet wat hij doen moest met dien ongeduldigen Franschman, maar begrijpende, dat hij hem toch niet alleen kon laten, besloot hij hem te vergezellen tot aan den rand van het woud, hoewel hij dit, zooals hij ronduit verklaarde, een verregaande roekeloosheid vond.

Eensklaps bleef hij staan en Max en Llanga deden hetzelfde en keerden zich om. De lichtschijnsels trokken hunne aandacht niet meer, zij waren eensklaps als uitgeblazen en weder heerschte diepe duisternis om hen heen.

Maar van den anderen kant klonk een dof geloei, een angstaanjagend geluid als van een naderenden stormwind....

“Wat is dat, Khamis?” riep Max Huber.

“Terug! Terug! Naar het kamp! Er is geen oogenblik te verliezen! Terug!” [19]

[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Verstrooid.

Max Huber, Llanga en Khamis hadden geen tien minuten noodig om de vijftienhonderd meter, die hen van het kampement scheidden, te doorloopen. Zij hadden zelfs geen oogenblik omgezien, het deerde hun niet, of de negers, na hunne vuren te hebben uitgedoofd, hen misschien achtervolgden—-

Toen het drietal in het kampement terugkwam, vonden zij dit in groote ongerustheid, in vrees voor een onbekend gevaar, waartegen moed en tegenwoordigheid van geest niets vermogen. Vluchten was het eenige.

“Een kudde olifanten!” riep de voorlooper, buiten adem, Urdax toe.

“Ja, en in een kwartier zullen zij hier zijn en ons vermorseld hebben”, antwoordde deze.

“Wij moeten naar het woud”, meende John Cort.

“Dat zal hen niet tegenhouden!” zei Khamis.

“En de inboorlingen?”

“Wij hebben er geen gezien”, antwoordde Max Huber.

“En toch zijn zij niet buiten het woud getrokken.”

“Neen, dat zeker niet.”

Verder op de vlakte, nog een halve mijl ver ongeveer, kon men een dichte massa van zwarte schaduwen zien. Een dof gerommel vervulde de lucht en de bodem deinde zelfs op en neer, zoodat de stammen der tamarindeboomen bewogen. En af en toe weerklonk een snerpend geluid, als een schril trompetten.

Afrika-reizigers hebben dit geluid zeer juist vergeleken met dat, hetwelk een trein artillerie maakt, die in vollen draf over het slagveld rijdt. Schrikkelijk was het, te denken aan het gevaar, dat de karavaan bedreigde, van verpletterd te worden onder de pooten van die honderden olifanten!

De jacht op deze reusachtige dieren is hoogst gevaarlijk. Alleen wanneer het gelukt enkele van de kudde af te scheiden, kan men het wagen den olifant door [20]een schot, dat precies tusschen het oog en het oor treffen moet, te dooden. Maar tegen een kudde, zelfs tegen een tiental olifanten, is elke weerstand nutteloos en zelfs onmogelijk.

En toch is deze diersoort aan het uitsterven. Daar elke olifant gemiddeld voor eene waarde van vijftig gulden aan ivoor oplevert, wordt er hardnekkig jacht op gemaakt. Volgens berekening worden alleen in Afrika jaarlijks niet minder dan veertig duizend gedood, die zeven honderd vijftig duizend kilogram ivoor opleveren, welke naar Engeland verzonden worden. Maar eer een halve eeuw verstreken is, zal er op Afrika’s bodem geen olifant meer zijn. Het ware inderdaad verstandiger, deze verstandige dieren te temmen, zij kunnen de vracht dragen van twee en dertig man en viermaal grooteren weg afleggen. En een tamme olifant is achthonderd à duizend gulden waard, tegenover de vijftig gulden, die hunne slagtanden opbrengen.

De Afrikaansche olifant vormt met den Aziatischen de twee eenige nog bestaande soorten. De Afrikaansche olifant is iets kleiner dan de Aziatische, zijn huid is iets bruinachtiger, zijn ooren zijn belangrijk grooter en zijn slagtanden veel langer. Ook is hij veel woester en gevaarlijker van aard.

In de streken van de Oebanghi komt de olifant nog veelvuldig voor, daar hij hier bij uitstek het plantaardig voedsel vindt, dat hij verlangt. En Urdax, die in hoofdzaak was uitgetrokken om ivoor te verzamelen, had dan ook rijken buit gemaakt. En thans op de terugreis bedreigde hem eensklaps zoo groot gevaar!

Wat kon men tegen zulk een bestorming doen? Van het heele kampement zou weldra niets dan wat splinters hout over zijn! Het eenige redmiddel was, zich over de vlakte te verstrooien, want men moet wel bedenken, dat de olifant minstens even hard loopt als een paard in galop!

“Wij moeten vluchten!” riep de voorlooper.

“Vluchten?” herhaalde Urdax, en hij bedacht hoe hij dan alles verliezen zou, wat hij op zijn langen tocht met zooveel moeite en gevaren verworven had.

“En waarheen moeten wij vluchten?” vroeg Max Huber. [21]

Daar weerklonk een schot. (Zie pag. 27).

Daar weerklonk een schot. (Zie pag. 27).

[23]

“Naar het woud.”

“En de negers?”

“Daar is minder gevaar dan hier”, hernam Khamis.

Was dit werkelijk zoo? Niemand wist het, maar hier blijven kon men in elk geval ook niet; de eenige kans om niet vermorseld te worden onder de hoeven der aanstormende olifanten was een schuilplaats te zoeken in het bosch.

Maar zou daar tijd voor zijn? Twee kilometer ver moest men, en de kudde was hoogstens tot op één kilometer genaderd!

Urdax stond besluiteloos.

“Laten wij den wagen naar den anderen kant van den heuvel brengen”, zei hij ten laatste, “misschien zijn wij daar veilig.”

“Te laat”, merkte de voorlooper op.

“Doe wat ik je zeg”, herhaalde Urdax zenuwachtig en driftig.

“Maar hoe kan ik dat?” herhaalde Khamis, en hij had inderdaad wel recht tot die vraag, want de trekossen waren in doodsangst gevlucht en holden helaas, juist in de richting van de olifanten, die hen als vliegen zouden vertrappen.

Toen Urdax dit zag riep hij:

“Alle dragers, hier!”

“De dragers”, herhaalde Khamis, “die vluchten ook!”

“De lafaards!” riep John Cort.

En inderdaad, al de negers snelden weg, deze met een baal goed, gene met een paar slagtanden; niet alleen als lafaards, maar ook als dieven verlieten zij hunnen meester!

Op hen viel niet meer te rekenen, zij zouden niet terugkomen, maar wel een onderkomen vinden in de naburige negerdorpen. Van heel de karavaan bleven alleen over de Portugees, de voorlooper, Max Huber, John Cort en de negerjongen Llanga.

“De wagen! De wagen!” bleef Urdax roepen, en met groote moeite gelukte het werkelijk aan het vijftal om het zware voertuig tusschen de boomen te krijgen. Misschien zou het daar veilig zijn, als de troep olifanten zich ten minste bij het boschje tamarindeboomen in tweeën splitste. [24]

Maar toen de wagen daar eindelijk stond, bleef aan de menschen geen andere schuilplaats over dan de boomen.

Eerst gingen Max Huber en John Cort nog in den wagen en namen alle patronen mede, terwijl zij den voorlooper nog een flinke bijl als wapen gaven.

“Het zal ons wat baten”, mompelde Max Huber zenuwachtig, “alleen kanonnen zouden hier hulp kunnen verleenen!”

Khamis was eigenlijk de eenige, die zijn koelbloedigheid bewaarde. Hij had twee revolvers in zijn gordel, de karabijn in de hand en wachtte, wat gebeuren zou. Urdax raasde en tierde over het verlies zijner goederen en scheen aan het dreigend gevaar weinig te denken. Llanga toonde wel is waar geen vrees, maar volgde Max Huber op den voet.

En onderwijl werd het gerommel, het gedreun van den bodem steeds sterker, steeds vreesaanjagender. De olifanten waren nu nog een vierhonderd schreden ver en in het halfduister namen hunne vormen een onnatuurlijken, beangstigenden omvang aan.

Werkelijk, het werd tijd, dat de mannen, op lijfsbehoud bedacht, een schuilplaats zochten tusschen de takken der tamarinden. Sterke boomen waren het, hunne stam meette aan den voet wel twee meter in omtrek, maar zouden zij den schok van zulk een aanstormende troep olifanten kunnen weerstaan?

De eerste takken waren dertig voet boven den grond en dus moeilijk te bereiken geweest, indien Khamis niet gedacht had aan zijn “sjamboks”. Dit zijn riemen van neushoornhuid, waarvan hij eenige aan elkaar gebonden over den laagsten tak wist te werpen en met behulp daarvan kon hij zich ophijschen. Toen kon hij de anderen gemakkelijk behulpzaam zijn om evenzoo tegen den stam op te klimmen en zoo waren allen weldra tusschen de takken verscholen.

“Wel Max, zijt gij nu tevreden?” vroeg John Cort spottend.

“Waarover, dit is nog niet zooveel bizonders.”

“Neen, maar wel zal het iets bizonders zijn, als wij behouden en wel uit dit avontuur terugkomen”, hernam de Amerikaan. [25]

Het was een Inyala, een soort antilope. (Zie pag. 34.)

Het was een Inyala, een soort antilope. (Zie pag. 34.)

[27]

Op hetzelfde oogenblik kwam de olifantentroep als een wervelwind aanstormen, tusschen en langs de boomen en de sterke reiswagen was in een oogwenk omver geworpen, verbrijzeld, versplinterd, als een stuk kinderspeelgoed!

Daar weerklonk een schot! Urdax, woedend over het verlies zijner bezittingen, wilde althans een der olifanten daarvoor straffen. En Max, John Cort en de voorlooper volgden weldra zijn voorbeeld.

Of de kogels doel getroffen hadden, was niet te zeggen, van mikken kon geen sprake zijn, men moest maar in de dichte massa vuren. En wat zou het gebaat hebben, al was elke kogel doodelijk geweest, wat beteekenden vier olifanten minder op zulk een troep?

Zij bewogen den grond met zulk een kracht, doorwoelden den bodem met zulk een heftigheid, dat de zwaar gewortelde tamarinden er van schudden. Weder klonken schoten, twee ditmaal, van Urdax en den voorlooper. Max Huber en de Amerikaan zagen het nuttelooze van dit schieten in en achtten het beter hun kruit en kogels te sparen.

Daar gebeurde eensklaps iets verschrikkelijks! De boom, door tal van woedende olifanten omringd, schudde geweldig en eer men het verhoeden kon, was de Portugees ter aarde gestort. Een enkele gil weerklonk en toen was alles stil.

“De ongelukkige!” riep John Cort.

“Aanstonds onze beurt!” antwoordde Khamis.

Wat moesten zij beginnen? Het schrikkelijk lot van Urdax, onder de pooten der olifanten verpletterd te worden, stond ook hun te wachten. De boom zou weldra moeten vallen, konden zij er vóór dien tijd nog uitkomen? Maar zelfs dan, zouden zij den tijd hebben aan de olifanten te ontsnappen? Zouden zij het woud kunnen bereiken? En bood dit zelfs wel veiligheid aan? Daar waren immers de inboorlingen, niet minder gevaarlijk dan deze monsterdieren!

De boom schudde zoo geweldig, dat Max Huber met zijn linkerhand Llanga vastgreep, terwijl hij met zijn rechterarm den stam omklemde. En werkelijk, daar lieten de wortels los en de boom neigde ter aarde, zonder met een geweldigen slag neer te komen. [28]

De ongelukkigen waren onmiddellijk op de been en snelden zoo hard zij konden, in de richting van het woud. Maar nog hadden zij geen halven mijl afgelegd, of een tiental olifanten begon hen te volgen.

“Moed, moed, volhouden!” hijgde John Cort.

Nog een mijl verder kwamen zij, zonder dat de olifanten merkbaar wonnen maar toen waren zij ook uitgeput.

Het woud kon nog maar een honderd schreden ver zijn, en daar zouden de vluchtelingen wellicht veilig wezen, want de olifanten konden met hun reusachtige lichamen daar niet gemakkelijk doordringen.

Zij spanden hunne laatste krachten in, daar was reeds de rand van het bosch, de boomen stonden zoo dicht op elkaar, dat zij bijna geen doorgang verleenden; nog enkele schreden en buiten adem stortte het viertal op den met allerlei planten bedekten bodem neder!

[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Geen keuze!

Het was toen bijna middernacht. De vluchtelingen waren thans voor de olifanten veilig, maar zouden minstens zes uren in deze dichte duisternis moeten doorbrengen! Zes lange uren van gevaar en angst!

“Wij moeten wakker blijven”, fluisterde Khamis, zoodra hij wat op adem gekomen was.

“Ja”, antwoordde John Cort, even zacht, “wij moeten ons gereed houden op een aanval van de inboorlingen. Zij zullen niet ver af zijn, want hier hebben zij gekampeerd, hier heeft hun vuur gebrand, en kijk, daar gloeien zelfs nog enkele stukken hout!”

“Nu, ik geloof, dat zij ver weg zijn”, hernam de onbezorgde Max Huber, “maar hoe het zij, ik ben dood van den slaap. Kom aan, Llanga, ga ook liggen. Ik ga slapen, wel te rusten!”

John Cort haalde de schouders op en bleef met Khamis praten. Zij hadden het natuurlijk over den ongelukkigen Portugees, die zulk een vreeselijk einde gevonden had. [29]

Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld te bewonderen. (Zie pag. 39).

Had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige plantenwereld te bewonderen. (Zie pag. 39).

[31]

“Hij had het hoofd verloren!” zei de voorlooper, “nu hij zag hoe die lafhartige dragers al zijn bezittingen roofden!”

“Arme kerel!” zei John Cort en dit waren zijn twee laatste woorden, want door vermoeienis overmand, strekte ook hij zich op het gras uit en was weldra in diepen slaap.

Zoo bleef Khamis alleen waken. Hij luisterde naar elk geluid, poogde de duisternis met zijn oogen te doorboren, maar hij hoorde of zag niets en zoo bleef hij op zijn post tot de ochtend begon te grauwen.


Onze lezers zullen wel reeds hebben opgemerkt, welk onderscheid er in karakter tusschen Max Huber en zijn vriend den Amerikaan bestond.

John Cort was ernstig van aard en zeer practisch, wat hij met de meeste zijner landgenooten gemeen had. Hij was in Boston geboren en dus een echte Yankee, maar had van de Yankees alleen de goede eigenschappen. Hij voelde zich bij uitstek aangetrokken tot de studie der volkenkunde en had als ontdekkingsreiziger meermalen grooten moed aan den dag gelegd.

Max Huber was een echte Parijzenaar, vroolijk, luchthartig, edelmoedig en dapper, maar altijd verlangend naar iets “bizonders”, zoodat hij zich niet zelden in groote gevaren zou hebben gestoken, als zijn voorzichtiger vriend hem niet weerhouden had; en dit was sedert hun vertrek uit Libreville meer dan eenmaal het geval geweest.

Libreville is de hoofdstad van Fransch-Congo en van de Gabon en in 1849 op den rechteroever dezer rivier gesticht. Op het oogenblik telt zij ongeveer 1600 inwoners. Er woont een gouverneur, er is een hospitaal, een zendingshuis, maar buiten eenige factorijen en kolenparken biedt de stad verder niets bizonders aan. Drie mijlen verder ligt het dorp Glass, waar vooral Duitsche, Engelsche en Amerikaansche factorijen gevestigd zijn.

En hier hadden Max Huber en John Cort elkander zes jaar geleden leeren kennen en een innige vriendschap gesloten. Zij waren beiden werkzaam in de Amerikaansche factorij, die belangrijken handel dreef in [32]ivoor, oliën, palmwijn, en inlandsche vruchten.

Drie maanden te voren hadden de twee vrienden het plan opgevat, de streek te bezoeken, die zich Oostelijk van Fransch-Congo en Cameroen uitstrekt. Zij waren hartstochtelijke jagers en sloten zich gaarne aan bij een karavaan, die toen juist uit Libreville naar die streken zou trekken, waar het nog van olifanten wemelt, voorbij Bahar-el-Abiad tot aan Barghimi en Darfoer. Die karavaan stond onder bevel van den Portugees Urdax, welke reeds in 1887 deel uitmaakte van de Vereeniging van Olifantenjagers, waarvan Stanley bij zijn komst in Ipoto eenige zou ontmoeten.

En aanvankelijk was de tocht met deze karavaan, zooals wij gezien hebben, zeer voorspoedig. Max Huber en John Cort, die reeds goed aan het klimaat waren gewend, verdroegen alle vermoeienissen van zulk een tocht, zij werden wel wat magerder, maar bleven goed gezond en zoo zouden zij behouden zijn teruggekeerd, als thans die schrikkelijke ramp niet over hen gekomen was! Het hoofd van de karavaan had zulk een vreeselijk einde gevonden, terwijl zij nog slechts een zestienhonderd mijlen van Libreville verwijderd waren!

Hoe dikwijls had Urdax hen niet over “het groote bosch” gesproken, dat woud van Oebanghi, waarin zij thans waren. En inderdaad, het verdiende den naam van groot ten volle! Er zijn op de aarde nog enkele streken, bezet met duizenden boomen, streken zóó uitgestrekt, dat menig rijk in Europa minder oppervlakte heeft!

Onder de uitgestrekte wouden der aarde worden vooral vier genoemd, die gelegen zijn in Noord-Amerika, in Zuid-Amerika, in Aziatisch Siberië en in Midden-Afrika.

Het eerste, dat zich in Noordelijke richting uitstrekt tot aan de Hudsonbaai en het schiereiland Labrador, beslaat over de districten Quebec en Ontario ten Noorden van de Sint Laurens-rivier eene oppervlakte ter lengte van 2750 en ter breedte van 1600 K.M.

Het tweede strekt zich in de Amazonevallei in Noord-Westelijk Brazilië uit over 3300 K.M. lengte en 2000 K.M. breedte.

Het derde, 4800 K.M. bij 2700 K.M., bedekt met zijn [33]reusachtige pijnboomen van 150 voet hoogte, een gedeelte van Siberië, van de Obivlakte in het Westen tot de Indighiska vallei in het Oosten.

Het vierde eindelijk—waarover wij het in deze bladzijden meer bepaaldelijk hebben—strekt zich uit van de Congo-vallei tot aan de bronnen van den Nijl en de Zambesi, over een oppervlakte, die nog niet nauwkeurig gemeten is, maar waarschijnlijk de drie hiervoor genoemden nog overtreft.

Zooals wij mededeelden, had Urdax zich niet in dit woud durven wagen, maar het plan gehad het Westelijk om te trekken. Hoe had ook de wagen met zijn zes ossen in dezen doolhof vooruit kunnen komen?

Maar thans waren de omstandigheden geheel veranderd; geen wagen meer, geen ossen meer, geen groote sleep van dragers, geen kampgoederen. Niets was van de karavaan over dan drie mannen en een knaap, die hier, vierhonderd mijlen in het binnenland, van elk vervoermiddel verstoken waren!

Wat moesten zij doen? Den weg nemen, dien Urdax had willen volgen, maar dan onder veel ongunstiger omstandigheden? Of trachten te voet het woud dwars door te trekken?

Dit was het onderwerp, dat Max Huber en John Cort den volgenden morgen direct bespraken.

Heel den nacht had de brave voorlooper de wacht gehouden, maar niets had de rust der slapenden verstoord. Wel was hij meer dan eens met de revolver in de hand, een vijftig schreden ver door het kreupelhout geslopen, als hij eenig geluid had gehoord, maar dat bleek dan het kraken te zijn van doode takken, of de vleugelslag van een of anderen grooten nachtvogel.

Zoodra John Cort bij het krieken van den dag de oogen opende, had hij Khamis gevraagd:

“En de inboorlingen?”

“En zouden zij geen sporen van hun doortocht hebben achtergelaten?”

“Wel waarschijnlijk, aan den zoom van het woud, mijnheer John.”

“Laten wij dan gaan zien.”

Alle vier slopen voorzichtig door het struikgewas tot [34]aan den rand van het bosch en inderdaad, hier waren nog overblijfselen te zien van verscheidene vuren, maar van menschen geen spoor.

“Zij zijn weg”, zei John Cort.

“Ten minste voor het oogenblik”, antwoordde Khamis, “maar anderen zijn er nog: de olifanten.”

Inderdaad dwaalden nog verscheidene dezer dikhuiden over de vlakte rond en Max Huber en zijn genooten konden zien, hoe het tamarindeboschje bij den heuvel, waar zij gekampeerd hadden, geheel met den grond gelijk gemaakt was.

“Wij moeten ons schuil houden”, zei Max, “dan zullen de olifanten ten laatste wel wegtrekken en hebben wij kans naar het kamp terug te gaan en nog iets te redden, wat kisten met proviand en ammunitie.”

“En kunnen wij tevens onzen ongelukkigen Urdax een behoorlijke begrafenis geven”, voegde John Cort er bij.

“Zoolang de olifanten hier blijven ronddwalen, valt daaraan niet te denken”, zei Khamis, “en van de bagage zal bovendien wel alles in gruizelementen zijn.”

Het viertal ging dus weder terug, het woud in, en Max Huber was zoo gelukkig, onder weg een stuk wild te schieten, waaraan het gezelschap wel genoeg voedsel zou hebben voor drie dagen.

Het was een Inyala, een soort antilope, grijs met bruine stippels, met spiraalvormig gedraaide horens en lange haren onder den hals en borst. Het dier woog meer dan tweehonderd vijftig pond, en Llanga, die als een jachthond er op toegeloopen was, kon er dus niets mede beginnen. Maar Khamis kwam hem te hulp. Zeer handig stroopte hij het dier en sneed de bruikbare stukken af, die boven een weldra aangelegd vuur geroosterd werden. Blikjes levensmiddelen en beschuit hadden onze vrienden niet meer; zonder twijfel hadden de dragers al deze kisten geroofd, gelukkig dus, dat een knap jager hier nog altijd genoeg viervoetig of gevleugeld wild schieten kon.

Erger was, dat de voorraad patronen niet zoo bizonder groot was. John Cort, Max Huber en Khamis waren wel gewapend met voortreffelijke karabijnen en revolvers, maar wat baatten hun die wapens, als kruit en [35]kogels ontbraken! Met alles wat zij op het laatste oogenblik nog uit den wagen hadden kunnen medenemen, bezaten zij weinig meer dan vijftig patronen, een schrale hoeveelheid, als zij zich te verdedigen zouden hebben tegen wilde dieren en inboorlingen, op een tocht zeshonderd kilometer lang, voor zij den linkeroever van de Oebanghi zouden hebben bereikt.

Onder het eenvoudige maal, waarbij een teug water werd gedronken uit een klein beekje, dat tusschen de boomen stroomde, bespraken zij ernstig wat thans te doen.

“Khamis”, zei John Cort tot den voorlooper, “tot dusver was Urdax onze aanvoerder, dien wij altijd gewillig volgden, omdat wij vertrouwen in hem stelden. Datzelfde vertrouwen stellen wij ook in u, op grond van uw karakter en uw ondervinding. Zeg dus, wat gij ons onder deze omstandigheden aanraadt. Gij kent dit land, reeds vele jaren diende gij de karavanen hier tot gids, geef ons dus raad en wij zullen doen wat gij zegt.”

“Mijnheer John,” antwoordde de voorlooper bescheiden, “gij kunt op mij vertrouwen.”

“Welnu, wat is uw meening? Moeten wij het plan van Urdax volgen en het bosch omtrekken?”

“Neen, wij moeten er dwars doorheen,” antwoordde de voorlooper zonder aarzelen. “Gevaarlijke ontmoetingen zullen wij er niet hebben, ja misschien wilde dieren, maar geen vijandige inboorlingen, die wagen zich nooit zoo diep in dit woud. Wij loopen op de vlakte juist veel grooter gevaar door die rondzwervende stammen.—Te voet, zonder wagens of bagage, zal het ons mogelijk zijn een doortocht te vinden, en als wij in zuid-westelijke richting gaan, heb ik wel hoop, dat wij de Oebanghi bereiken.”

De raad van Khamis scheen verstandig, alleen moest men zich wel rekenschap geven van de hinderpalen, die men in zulk een oer-woud zou kunnen aantreffen. Van een eenigszins begaanbaar pad zou natuurlijk geen sprake zijn, hoogstens wat doorgangen door buffels, neushoorns of andere groote dieren op hunne geregelde wegen, veroorzaakt. Ook zou de bodem ongetwijfeld met dicht struikgewas begroeid zijn, hetgeen men zou moeten wegkappen, waarvoor de voorlooper een [36]bijl, maar de andere slechts een zakmes zouden hebben.

Ook zou het moeilijk zijn zich onder de zware boomen te oriënteeren, daar de stand van de zon dikwijls niet zou zijn waar te nemen, maar dit behoefde geen zorg te baren, want Khamis had als vele negers—en zooals ook de Indianen van het Verre Westen hebben—een soort instinct, om meer geleid door gehoor en reuk dan door het gezicht, de juiste richting te vinden.

“Bedenk echter,” zei Max Huber, “dat westelijk van ons kamp een stroompje liep in de richting van het woud. Misschien wordt het verder op wel een rivier en wij zouden dan van boomstammen een vlot kunnen maken...

“Je gaat weer fantaseeren, Max,” zei de Amerikaan.

“Toch heeft mijnheer Max gelijk,” hernam de voorlooper, “er is inderdaad een stroom, die in de Oebanghi moet uitloopen....”

“En die wel als alle rivieren in Midden Afrika grootendeels onbevaarbaar zal zijn,” zei John Cort.

“Gij ziet ook niets dan moeilijkheden,” merkte Max Huber op.

“Beter vooraf, dan te laat!” antwoordde zijn vriend zeer terecht.

“Nu goed, op weg dan!” riep de Franschman, en inwendig had hij heel veel lust om dat groote onbekende woud in te trekken. Misschien zou hij hier nu werkelijk eens iets heel buitengewoons beleven, waarnaar hij altijd zoo verlangd had!

[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

De eerste dagen in het woud.

Het was iets later dan acht uur, toen het viertal den tocht in Zuidwestelijke richting begon.

Waar zij den stroom zouden vinden, die naar verondersteld werd in de Oebanghi zou uitloopen, wisten zij niet, zooals zij eigenlijk niets wisten aangaande de streek, waarin zij zich zoo vermetel gingen wagen.

Toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde. (Zie pag. 40).

Toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde. (Zie pag. 40).

Aanvankelijk waren de boomen nog niet zoo dicht, dat de zon niet te zien was, maar toch heerschte op [39]menige plek, ondanks de heldere Maartsche dag, een halve duisternis en bij betrokken lucht zou het daar zeker volslagen donker zijn. Gedurende den nacht zou de tocht dan ook moeten worden gestaakt, en Khamis stelde voor, dat men dan zou slapen tusschen de zware wortels der reusachtige stammen, zonder vuur aan te leggen, hetgeen slechts de aandacht van ongewenschte bezoekers zou kunnen trekken. Van koude zou men geen last hebben en een klein vuurtje overdag zou voldoende zijn, om wat vleesch of wild te roosteren voor een eenvoudig maal.

Meer te duchten waren de regens, die in deze streek zeer onverwacht kunnen opkomen en wel op een stortvloed gelijken.

Zooals wel te denken was, bood het woud geen gemakkelijk begaanbaar pad aan en dit deed Max Huber opmerken:

“Het is wel jammer, dat onze olifanten hier niet kunnen doordringen. Wat hadden zij netjes al die slingerplanten kunnen wegruimen en die zware wortels der boomen kunnen plat trappen....”

“En ons daarbij”, zei John Cort.

“Laten wij tevreden zijn met wat de buffels en neushoorns gedaan hebben”, hernam Khamis, “waar zij doorgegaan zijn, vinden wij een goed pad.”

Behalve reusachtige tamarinden, groeiden hier in overvloed buitengewoon hooge mimosa’s en baobabs, voorts vreemde gewassen van de familie der Euphorbiaceeën, met stekelige takken en groote bladeren.

Terwijl Max Huber mopperde over de lagere struiken, die den weg versperden, had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige en zeldzame plantenwereld hier te bewonderen.

En al die zware takken waren bewoond door allerlei dieren, vooral apen, waaraan Afrika zoo rijk is: grijze bavianen, mandrils, chimpansee’s en de reusachtige en gevaarlijke gorilla’s! Maar wat ons viertal tot dusver van deze vierhandigen gezien had, bood nog geen reden tot ongerustheid. Ongetwijfeld waren zij de eerste menschen, die aan de apen onder de oogen kwamen, en deze toonden dan ook meer nieuwsgierigheid dan vijandschap. [40]

Na een korte rust op den middag, werd ten zes ure weder halt gehouden. De tocht had groote moeilijkheden opgeleverd, allerlei slingerplanten, allerlei belemmerende struiken hadden weggekapt moeten worden en dit was een zwaar werk geweest.

Daarom liet Khamis onder een zeer hoogen boom halt houden. Zijn bladerdak begon zes meter boven den grond en was grijsachtig groen, waartusschen witte bloemen prijkten. Het was een Afrikaansche katoenboom, wiens wortels een goede legerstede aanboden.

“Het bed is opgemaakt”, schertste Max Huber. “Het is wel geen springmatras, maar wij slapen toch onder katoen!”

Met eenig dood hout werd een klein vuur aangelegd en het eenvoudige avondmaal daarbij gebruikt. Maar alvorens zich tusschen de wortels van den katoenboom uit te strekken, vroeg John Cort aan den voorlooper:

“Wij zijn immers nog altijd in Zuidwestelijke richting gegaan?”

“Altijd”, verzekerde Khamis.

“En hoeveel mijlen denkt gij dat wij per dag afleggen?”

“Vier of vijf en als wij zoo voortgaan, zullen wij in een maand de Oebanghi bereikt hebben.”

Alvorens zich ter ruste te leggen werd afgesproken, dat men beurtelings drie uren zou waken en John Cort nam dezen plicht het eerst op zich, terwijl de anderen zich tusschen de zware boomwortels uitstrekten. En hij was zoodanig met zijn gedachten over dezen vreemden en gevaarvollen tocht vervuld, dat de tijd voor hem omvloog en hij werkelijk ontstelde, toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde.

“Neen, het is geen menscheneter, ik ben het!” zei Max Huber vroolijk, “de beurt van waken is aan mij. Hebt gij niets verdachts gezien?”

“Niets”, antwoordde de Amerikaan. [41]

Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan. (Zie pag. 47).

Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan. (Zie pag. 47).

[43]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Altijd naar het zuidwesten.

Den volgenden morgen, 11 Maart, hervatten John Cort, Max Huber, Khamis en Llanga, geheel uitgerust, hun tocht.

Nog waren zij niet ver gegaan, of zij kwamen op een plek, die ongetwijfeld dikwijls door groote dieren werd bezocht, want verscheidene platgetrapte paden liepen hier in allerlei richting. En het duurde dan ook niet lang of men zag een kudde buffels en kort daarop in de verte zelfs een paar neushoorns, die men wijselijk besloot maar ongemoeid te laten.

Eerst tegen den middag, na ongeveer twaalf kilometer te hebben aangelegd, nam ons troepje rust. John Cort was zoo gelukkig een paar trapganzen te schieten, groote, zwarte vogels, wier vleesch overheerlijk smaakte.

En daarna werd de tocht door de wildernis weder hervat en meer en meer werd het woud ondoordringbaar, dicht struikgewas en een gordijn van slingerplanten versperden overal den weg en de messen moesten duchtig dienst doen. Het bladerdak was zóó dicht, dat van een regenbui, die een paar uren aanhield, bijna geen druppel op den bodem terecht kwam, maar Khamis kon toch op een meer open plekje den bijna leegen waterzak vullen, hetgeen niet te versmaden was, want tot dusver had hij nog geen stroompje of beekje kunnen ontdekken.

De nacht van den 11den op den 12den Maart werd niet tusschen de wortels van een katoenboom doorgebracht, maar aan den voet van een niet minder reusachtigen boom, een bombax, wiens stam zich honderd voet hoog verhief. Het waken geschiedde als naar gewoonte en de rust werd niet verstoord, dan door het verwijderd geloei van buffels of neushoorns. Dat het gebrul van een leeuw zich daartusschen zou mengen, [44]was niet waarschijnlijk, want deze gevaarlijke roofdieren bewonen de dichte bosschen van Centraal-Afrika niet. Op hoogere breedte, hetzij ten Zuiden van de Congo, hetzij Noordelijker, in Soedan, nabij de grenzen van de Sahara, worden zij gevonden. De koning der dieren heeft ruimte noodig, groote vlakten door de zon bestraald, waar hij bot kan vieren aan zijn ontembaren vrijheidszin.

En ook kon het geen geloei van nijlpaarden zijn, hetgeen voor onze vrienden wel te betreuren was, want de nabijheid van die dikhuiden zou tevens de nabijheid eener rivier hebben verraden.

Den volgenden morgen vroeg, bij betrokken lucht, trok men weder voort. Het duurde niet lang of Max Huber had het geluk een antilope te schieten, van de grootte van een zebra. Het was een Oryx, roodbruin van kleur met een zwarten streep over den rug en zwarte ringen aan de pooten. De horens van deze dieren zijn niet zelden een meter lang en dienen hun tot doeltreffend wapen, somtijds zelfs tegen een aanval van den leeuw.

Khamis vilde en ontleedde het dier spoedig, hetgeen ongeveer een uur in beslag nam en zoo had het troepje weder voor verscheidene dagen vleesch genoeg.

Het liet zich echter aanzien, dat men dien dag nog meer kogels zou te verschieten hebben. Reeds een mijl verder stond de voorlooper in beraad zijn karabijn af te vuren op een troep apen, leelijke hondskopbavianen, die geruimen tijd in de nabijheid der menschen bleven en soms een dreigende houding aannamen. Maar tegen twee uur, toen het viertal een breeden platgetrapten weg bereikte, die zich tamelijk ver scheen uit te strekken, verdwenen de ongure beesten in het dichte van het woud.

Mochten zij zich zelf geluk wenschen met zoo’n gemakkelijk begaanbaar pad, er stond tegenover, dat zij veel kans liepen de groote dieren te ontmoeten, die het pad gemaakt hadden.

En inderdaad, een paar uur later hoorden zij niet ver af een dof geloei, het waren twee neushoorns.

Khamis zag hen het eerst en wenkte zijn makkers stil te blijven staan. [45]

En riep luidkeels: de rio! de rio! (Zie pag. 49).

En riep luidkeels: de rio! de rio! (Zie pag. 49).

[47]

“Gevaarlijke dieren, die neushoorns”, fluisterde hij, zijn karabijn gereed houdende.

“En toch eten zij alleen planten”, merkte Max Huber op.

“Wat moeten wij doen?” was de verstandige vraag van John Cort.

“Hen ongemerkt voorbij zien te komen of voorbij laten gaan”, antwoordde de voorlooper. “Maar wij moeten ons gereed houden, want als zij ons zien, zullen zij zich op ons storten.”

Het viertal overtuigde zich, dat de karabijnen in goeden staat waren en sloop van het breede pad zijwaarts in de struiken.

Vijf minuten later kwamen de dikhuiden aandraven, recht op het boschje, waar onze vrienden zich verscholen hadden, en bleven eensklaps staan. Ongetwijfeld hadden zij de aanwezigheid der menschen geroken, of op andere wijze bespeurd.

Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan, een schot weerklonk, gevolgd door een, twee andere, maar de kogels drongen te nauwernood door de op een pantser gelijkende huid heen.

De boomstronken en struiken zouden zeker geen hinderpaal voor die twee kolossen opleveren. In een oogwenk zou alles vertrapt, zou het viertal vermorseld zijn. Te nauwernood aan de olifanten ontkomen, zouden zij thans gedood moeten worden door de rhinocerossen uit het groote woud. De vlucht konden zij niet nemen, de dichte slingerplanten en lianen zouden hen te veel belemmeren, zij zouden dadelijk zijn ingehaald. Maar er stonden boomen en dichtbij zelfs een groote boabab, op wiens takken zij veilig zouden zijn en die stevig genoeg in den grond stond, dat een paar neushoorns zijn wortels niet zouden kunnen loswoelen, zooals de olifanten met de tamarindeboomen gedaan hadden. Maar de eerste takken waren wel vijftig voet van den grond en de zware stam bood geen enkel hulpmiddel om er tegen op te klimmen.

Nog stond Khamis na te denken, hoe hij zijn troepje in veiligheid kon brengen, toen de struiken aan den rand van het pad bewogen en daar vertoonde zich de groote kop van den neushoorn. [48]

Fluks schoot John Cort zijn karabijn af, maar de kogel drong slechts in den schouder en onder een hevig gebrul kwam de neushoorn aanstormen, met den anderen dicht achter zich.

Dit ging zóó vlug, dat niemand tijd had gehad zijn karabijn opnieuw te laden, het was zelfs te laat om in verschillende richtingen in de struiken te vluchten en instinctmatig snelden allen naar den boabab, om zich achter diens dikken stam te verschuilen.

Onder een hevigen schok trilde de boabab tot in zijn wortels; de eerste rhinoceros was in blinde woede er op aan gestormd, maar zijn hoorn was in den stam gedrongen als de bijl van een houthakker en welke kracht hij ook inspande, hij kon hem niet dadelijk weder losrukken. Het tweede dier bleef verschrikt op eenigen afstand staan en alleen uit het stampen zijner hoeven en het zwaaien van zijn staart, bleek zijn groote woede.

“Vlug! Vlug!” riep Khamis en op zijn voorbeeld snelden allen zijwaarts, het struikgewas in. Tot hun verbazing werden zij niet achtervolgd en na een dollen loop van vijf minuten bleven zij eindelijk buiten adem staan.

Dit was inderdaad een wonderbaarlijke redding en geen hunner dacht er aan, naar den boabab terug te keeren, om te zien of de neushoorns er nog waren. Met een breeden omweg kwamen zij op het pad terug en tegen zes uur in den avond kozen zij een haltepunt aan den voet van een hooge rots.

De volgende dag bood geen wederwaardigheden aan; de weg werd niet moeilijker begaanbaar en zoo konden weder een dertigtal mijlen in Zuidwestelijke richting worden afgelegd. Maar van een stroom of rivier was nog altijd niets te bespeuren.

Na het gewone avondmaal van antilopevleesch legde men zich ter ruste, maar de slaap werd verstoord door honderden vleermuizen, kleine en groote, die eerst tegen het aanbreken van den dag verdwenen.

“Afschuwelijke beesten”, mopperde Max Huber, “ik heb geen oog dicht kunnen doen!”

“En toch hebt gij geen reden tot klagen”, antwoordde de voorlooper. [49]

“Wat zegt ge daar! En waarom niet?”

“Omdat het beter is met vleermuizen te doen te hebben dan met muskieten en daarvoor zijn wij tot dusver gelukkig gespaard gebleven.”

“En zullen die ons ook nog komen plagen, Khamis?”

“Zonder twijfel, zoodra wij bij een rivier komen.”

“Bij een rivier! Gelooft gij dan nog aan een rivier, hier in dit bosch? Ik niet meer!”

“En toch is zij misschien niet eens zoo ver meer af”, hernam de voorlooper.

Hij had werkelijk eenige verandering in den bodem opgemerkt en zij waren nog geen drie uur verder, of de grond werd moerassig en hier en daar vertoonden zich gewassen, die aan waterplanten deden denken. Weldra zag men eenige gaugas, een soort wilde eenden, opvliegen en toen de zon naar de kim begon te dalen, begon het gekwaak van kikvorschen.

“De muskieten zijn niet ver meer af!” merkte Khamis droogjes op.

De plantenwereld begon van aanzien te veranderen, er vertoonden zich insekten, die men tot dusver niet gezien had, reusachtige, afschuw wekkende duizendpooten, maar ook wespen en de beruchte tsetsé-vlieg. Maar hoe gevaarlijk deze laatste ook moge zijn voor paarden en kameelen, voor den mensch is hij onschadelijk, evenals voor roofdieren.

Het kleine troepje bleef tot ongeveer half zeven in Zuidwestelijke richting voorttrekken en Khamis zag reeds uit naar een geschikte rustplaats voor den nacht, toen de aandacht van Max Huber en John Cort getrokken werd door roepen van Llanga. De negerknaap was naar zijn gewoonte wat afgedwaald en zijn onduidelijk geroep verschrikte beide vrienden niet weinig. Zou hij in gevaar verkeeren? Met de karabijn in de hand snelden zij toe, maar waren weldra gerustgesteld.

Llanga stond op een omgevallen boomstam en riep luidkeels:

“De rio!.... de rio!”

Ook Khamis was spoedig toegesneld en daar, op een halven mijl afstands, slingerde zich een stroom, waarvan het water de stralen van de ondergaande zon weerspiegelde. [50]

“Nu komen wij gemakkelijk aan de Oebanghi”, zei de voorlooper verheugd.

En inderdaad, het zou den vier mannen niet moeilijk vallen een soort vlot te maken, waarmede zij den stroom zouden kunnen afzakken.

Door een moerassige streek, terwijl de duisternis meer en meer begon te vallen, liepen onze vrienden in de richting der rivier en het was donker, toen zij haar tamelijk hoogen oever bereikten. Hier stonden zeer weinig boomen, geheel anders dan aan den overkant, waar het woud dicht en somber scheen. John Cort schatte de breedte der rivier op een veertig meter, het was dus geen beekje, maar werkelijk een stroom van eenige beteekenis. Intusschen deed men wijzer tot den volgenden dag te wachten, om zich rekenschap te geven van den toestand en zoo zocht Khamis een geschikte plek voor de nachtrust op, die hij in een soort rotsachtige uitholling in den oever meende gevonden te hebben.

De eerste uren zou John Cort waken en hij zag niets verdachts, maar wel meende hij af en toe een klagende stem te hooren, die “Ngora, Ngora!” riep, het woord dat in de negertaal moeder beteekent.

[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

De ledige kooi.

Toen ons troepje den volgenden morgen ontwaakt was, verheelden John Cort en Max Huber zich hunne blijdschap niet. Die rivier zou hen zonder eenige vermoeienis ongeveer driehonderd kilometer verder brengen, tot waar de Oebanghi was, waarin zij natuurlijk moest uitstroomen. Zoo zou dus driekwart van den tocht onder de gunstigste omstandigheden worden afgelegd, en het andere vierde deel was reeds achter den rug, zooals John Cort met de inlichtingen van den voorlooper uitrekende.

In zuidelijke richting maakte de rivier op ongeveer een halve mijl afstand een plotselinge bocht en in die [51]bocht toonde het woud zich weder even dicht als te voren.

Maar John Cort had daar nog niet veel oogen voor, hij dacht maar steeds aan dat woord “ngora”, dat hij in de nachtelijke stilte gehoord had en dus zocht hij in den omtrek rond, of hij soms menschelijke sporen kon vinden, maar te vergeefs.

“Ik heb het mij verbeeld”, dacht hij, “misschien ben ik een oogenblik ingeslapen en heb het gedroomd.” En hij zei er dan ook maar niets van aan zijn makkers.

“Wij moeten onmiddellijk aan het werk om een vlot te maken,” zei Khamis, “wilt gij mij helpen mijnheer John, want mijnheer Max moet op de jacht, er is niets meer te eten.”

“Ja, ga je mee, Llanga!” riep Max, “wij zullen den oever eens langs loopen tot aan die kromming, wie weet of wij geen lekkere visch kunnen verschalken!”

“Pas maar op de krokodillen, en zelfs op de nijlpaarden,” waarschuwde de voorlooper.

“Nu een nijlpaardenboutje kan heel lekker zijn,” schertste Max Huber.

“Maar voor gij het hebt, zal het nijlpaard aardig boos op u zijn,” zei John Cort, “wees dus verstandig en kom onmiddellijk terug, als gij eenig gevaar vreest en wees vooral hoogst voorzichtig!”

“Natuurlijk John! Kom Llanga, ga mee!”

“Wees zuinig op uw patronen!” riep de voorlooper Max Huber nog na.

Daarop begon Khamis met John Cort allereerst naar geschikt hout te zoeken om een vlot van te maken, want hoe eenvoudig dit ook zou worden samengesteld, hout was er in elk geval voor noodig. Maar zij hadden geen andere werktuigen dan een bijl en een paar zakmessen en daarmede konden zij bezwaarlijk de woudreuzen vellen. Khamis dacht er dan ook maar over om de afgevallen takken te gebruiken, die met lianen bijeen te binden, en er een vloer over te maken van vastgestampte aarde en wortels.—Een vlot van twaalf voet lengte en acht breedte zou voldoende zijn, om het viertal te vervoeren en des nachts zou men aan den oever kunnen slapen.

Hij deelde dit aan John Cort mede en noodigde [52]dezen uit, met hem het benoodigde hout te gaan zoeken, zoover zij de rivier langs konden zien, was alles rustig en dus begaven zij zich onbezorgd op weg. Nog hadden zij geen honderd schreden afgelegd of zij vonden reeds een groote hoeveelheid geschikte stukken, maar de grootste moeielijkheid zou zijn, om ze tot aan den oever van de rivier te slepen. Waren zij te zwaar voor twee personen, dan zou gewacht moeten worden tot Max en Llanga terug waren.

Eensklaps hoorde het tweetal luide uitroepen, in de richting van het Zuidoosten, juist waarheen Max Huber gegaan was.

“Zouden zij in gevaar verkeeren?” vroeg John Cort.

“Vlug! Laten wij gaan zien!” antwoordde de voorlooper.

Na een poos ontdekten zij het tweetal, staande op een hoogte aan den linkeroever, maar van andere menschen of van dieren was in den omtrek geen spoor te zien. Zij snelden dus op hunne vrienden toe en Max Huber ontving hen met de woorden:

“Wij zullen niet noodig hebben een vlot te maken.”

“En waarom niet?” vroeg John Cort.

“Omdat er hier een ligt, kant en klaar, wel wat verwaarloosd, maar gemakkelijk te herstellen.”

En werkelijk, in een kleinen inham van de rivier lag een plat vlot, vastgehouden door een half vergaan touw.

“Zouden de inboorlingen tot hier zijn doorgedrongen?” vroeg Khamis ongerust.

“Inboorlingen of ontdekkingsreizigers”, antwoordde John Cort.

En toch, als dit gedeelte van het groote woud van Oebanghi reeds bezocht was, zou dit in den Congo en in Kameroen bekend moeten zijn en de twee blanken hadden nog nooit gehoord, dat dit woud vroeger reeds doorzocht was.

“Maar wat doet dat er toe”, hernam Max Huber, “de hoofdzaak is of wij dat vlot kunnen gebruiken.”

“Zeer zeker”, antwoordde Khamis en wilde er op stappen, toen hij door een kreet van Llanga teruggehouden werd.

Na een poos ontdekten zij het tweetal, aan den linkeroever. (Zie pag. 52).

Na een poos ontdekten zij het tweetal, aan den linkeroever. (Zie pag. 52).

De knaap had iets van den grond opgeraapt en toonde het aan zijn vriend Max. Het was niets minder [55]dan een hangslot, zwaar verroest en zonder sleutel, maar een echt hangslot.

“Dat is niet afkomstig van Congoleezen of andere negers”, zei de Franschman, ten hoogste verbaasd. “Hier moeten blanken geweest zijn....”

“Die nooit teruggekeerd zijn”, voegde John Cort er bij.

En dit was inderdaad eene gevolgtrekking, die voor de hand lag. De zware roest op het slot bewees, dat het zeker reeds eenige jaren hier gelegen moest hebben en uit deze vondst viel tweeërlei af te leiden:

1e Ontdekkingsreizigers waren op deze plek geweest;

2e Om onbekende redenen hadden zij hun vlot hier achtergelaten.

Maar, wat daarvan zij, vast stond, dat zij nimmer waren teruggekeerd, John Cort noch Max Huber hadden sedert zij in de Congo woonden, ooit van blanke reizigers in het groote, onbekende woud gehoord.

En wat hier nog bij kwam: Max Huber moest afstand doen van de eer, van de eerste te zijn, die deze onbekende streken bezocht.

Volkomen onverschillig voor die eer, onderzocht Khamis de planken en balken van het vlot. De laatsten waren nog in goeden staat, van de eersten zouden eenige vernieuwd moeten worden, maar dat was niet erg, een heel nieuw vlot behoefde men nu in elk geval niet te maken, met enkele reparaties was men klaar!

Maar de twee vrienden konden over die vreemde vondst maar niet zwijgen.

“Er is geen kwestie of hier zijn blanken geweest!” zei John Cort; “het vlot kon desnoods nog het werk van negers zijn, maar dat hangslot nooit!”

“Wie weet wat wij nog verder vinden”, merkte Max op; “misschien is hier in de buurt wel een kampement geweest. Laten wij eens wat verder langs den oever gaan, misschien vinden wij wel wat keukengereedschap, dat zou ons goed te pas komen!”

Het viertal liep langs den oever, een soort natuurlijk dijkje tusschen het moeras links en de rivier rechts, en heele vluchten watervogels vlogen voor hunne voeten op. Natuurlijk keken allen opmerkzaam rond, in de verwachting voetsporen te vinden, of een ander voorwerp, [56]maar zij ontdekten niets.—Toen zij bij de eerste boomen kwamen, werden zij begroet door het gekrijsch van een troep apen. Deze dieren schenen niet erg verbaasd bij het zien van menschen.

“Maar zij hebben toch dat vlot niet gemaakt”, zei John Cort, “en hoe slim zij ook zijn, een hangslot zouden zij toch nooit kunnen maken!”

“Evenmin als een kooi”, voegde Max Huber er bij.

“Wat bedoelt gij?”

“Wel, ik geloof dat ik daar verder op iets zie, dat wel een kooi lijkt.”

“Mijnheer heeft gelijk”, bevestigde Khamis, “daar staat een hut met traliewerk. Laten wij voorzichtig zijn.”

“Komaan, wat voor gevaar kan ons dreigen!” riep Max Huber vol ongeduld.

En inderdaad, menschen schenen hier niet te zijn. Zoo sloop het viertal behoedzaam nader en kon de hut duidelijker opnemen. Zij stond tusschen mimosas en had een schuin dak van verdroogde bladeren, terwijl slingerplanten aan alle zijden tot aan den bodem reikten. Maar wat haar wel het aanzien gaf van een kooi, dat waren de traliën aan de voorzijde, precies als van een hok in een menagerie.

En in die tralies was een deurtje, dat open stond en de kooi was leeg.

Max Huber snelde naar binnen en vond eenige kostbare voorwerpen: een pan, een kop, een wollen deken, een bijl, en een half vergaan brillenhuisje! In een hoek stond een koperen kistje, zoo verroest, dat hij het niet open kon krijgen. Eindelijk met behulp van een mes gelukte dit en in het kistje lag een aanteekenboekje, waar buiten op een naam te lezen stond: Dokter Johausen. [57]

En in die tralies was een deurtje. (Zie pag. 56).

En in die tralies was een deurtje. (Zie pag. 56).

[59]

[Inhoud]

HOOFDSTUK VIII.

Dokter Johausen.

Die naam was een openbaring! Hij onthulde een gedeelte van het geheim, een treurig geheim, al was het lachwekkende er ook niet vreemd aan, want de man, die zulke fantastische proeven had willen nemen, was hoogstwaarschijnlijk als slachtoffer van zijn streven omgekomen.

Misschien herinnert men zich, dat een Amerikaan, Garner genaamd, de taal der apen heeft willen bestudeeren. In alle couranten der wereld is daarover geschreven en ook Max Huber en John Cort hadden alles daarvan gelezen.

“Hij!” riep Max Huber, “van wien men nooit meer iets gehoord heeft!”

“En van wien men ook wel nooit meer iets hooren zal!” voegde John Cort er bij.

Deze “hij”, dien de twee vrienden bedoelden, was dokter Johausen, maar alvorens over hem te spreken, moeten wij iets mededeelen over zijn voorganger, professor Garner.

Alvorens naar Afrika te vertrekken had deze Amerikaan bizondere studie gemaakt van de apen, en hij was tot de slotsom gekomen, dat die dieren onder elkander een bepaalde taal spraken, met bepaalde woorden om de gedachten uit te drukken. In de apenkooi in de diergaarde te Washington heeft Garner phonografen geplaatst om de woorden van die apentaal op te vangen en na allerlei onderzoekingen hieromtrent vertrok Garner in 1892 naar de Gabon, kwam den 12den October te Libreville aan en nam daar zijn intrek in de factory der firma John Holland & Co., waar hij tot Februari 1894 vertoefde.

Eerst toen besloot hij zijn studiën in het land der apen zelf voort te zetten. Met een kleine stoomboot voer hij de Ogoué op en kwam den 22sten April aan het [60]Katholieke Zendingsstation van Fernand Vaz. De zendelingen namen hem gastvrij op in hun woning, die aan den oever van een prachtig meer gebouwd is en hielpen hem in alles, wat zijn onderzoekingen kon bevorderen.

Achter het Zendingshuis begon een groot woud, dat van de apen wemelde, maar Garner wilde in nauwere aanraking met die dieren komen en in hun midden leven. Daartoe had hij een ijzeren kooi laten maken, die uit elkander kon genomen worden en deze kooi liet hij naar het woud brengen. Als men hem gelooven wil, heeft hij drie maanden daarin gewoond, meestentijds alleen en dus doende den gorilla in den natuurstaat kunnen bestudeeren. Maar meer met de waarheid overeen komt, dat de voorzichtige Amerikaan zijn kooi niet verder heeft neergezet dan twintig minuten van het Zendingshuis, een plek, die hij den weidschen naam gaf van Fort Gorilla en die langs een mooi, schaduwrijk pad te bereiken was. Hij heeft er zelfs drie nachten achtereen geslapen, maar geteisterd door duizenden muskieten, kon hij het er niet langer uithouden; hij brak zijn kooi op en vroeg wederom gastvrijheid bij de zendelingen, die hem dit gulhartig verstrekten. En den 18den Juni ging hij weer naar Amerika terug, niets anders medebrengende dan twee kleine chimpanzees, die er niet aan dachten om met hem te praten!

Garner heeft dus al bitter weinig ontdekt. Als de apen werkelijk met elkander spreken, dan moet hunne taal altijd nog uitgevonden worden.

En toen gebeurde het twee jaren later, dat een Duitsch geleerde dezelfde poging wilde doen. Te Malinba, in Kameroen, woonde reeds eenigen tijd een zekere dokter Johausen, een geneesheer, maar die zich meer aangetrokken gevoelde tot plant- en dierkunde, en hoewel reeds boven de vijftig, besloot hij het door Garner opgegeven plan uit te voeren. Daar hij dikwijls in Libreville kwam, had John Cort hem meermalen ontmoet.

Daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor de schoonheden der muziek. (Zie pag. 63)

Daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor de schoonheden der muziek. (Zie pag. 63)

Deze dokter Johausen was een hoogst begaafd man, die niet alleen Fransch en Engelsch, maar ook de taal der inlanders sprak. Hij was rijk, oefende de geneeskunde uit zonder zich te laten betalen, had geen bloedverwanten [63]en was dus volkomen onafhankelijk. Als bediende had hij een inlander, met wien hij het best kon vinden en toen hij dezen zijn voornemen te kennen gaf, om midden in het woud tusschen de apen te gaan leven, verklaarde de neger zich dadelijk volkomen bereid om zijn meester te volgen.

Dus werd een kooi, in het genre van die van Garner, maar practischer ingericht, in Duitschland besteld, en in losse stukken te Malinba aangebracht. Levensmiddelen, kogels, kruit en andere benoodigdheden waren daar in grooten voorraad verkrijgbaar. Ook werden eenige eenvoudige meubelen meegenomen en zelfs een draaiorgel, daar de dokter zich verbeeldde, dat de apen niet ongevoelig zouden zijn voor de schoonheden der muziek. Ook liet hij een aantal nikkelen medailles maken met zijn portret en zijn naam er op, zeker om die aan de hoofden van de apenkolonie uit te deelen.

Zoo scheepten den 13den Februari 1894 de dokter en zijn bediende zich te Malinba op een inlandsen vaartuig dat hen naar Nbarri zou brengen. Maar dan verder? Dat had Johausen aan niemand willen zeggen, hoe men hem ook met allerlei nieuwsgierige vragen lastig viel. Later werd bekend, dat hij honderd mijlen verder, naar het dorp Nghila gegaan was, daar een twintigtal negers als dragers had aangenomen en in Oostelijke richting getrokken was. Maar sedert had men niets van hem gehoord. De dragers, die in Nghila terugkeerden, konden niet met duidelijkheid uitleggen, waar zij hem verlaten hadden, en nu waren twee jaren verstreken, zonder eenige tijding van den dokter of zijn trouwen bediende.

Maar John Cort en Max Huber leerden er nu iets meer van. Zij wisten thans, dat dr. Johausen een rivier in het Noordwesten van het woud van de Oebanghi had bereikt, een vlot had gemaakt en daarmede die onbekende rivier was afgezakt, tot kort bij de plek, waar hij zijn kooi of getralied huisje oprichtte.

Dit alles was thans zekerheid, maar omtrent wat verder gebeurde, verkeerden beide vrienden in duister. Waarom was de hut leeg? Waarom hadden de twee bewoners haar verlaten? Hoeveel maanden, weken of dagen hadden zij er in gewoond? Waren zij vrijwillig [64]vertrokken? Of waren zij opgelicht? Door wie? Door inboorlingen? Maar het woud ging voor onbewoond door! Zouden zij door wilde dieren verscheurd zijn? Leefden dr. Johausen en zijn bediende nog?

Op geen van deze vragen konden onze vrienden antwoord geven.

“Misschien geeft het aanteekenboekje ons inlichtingen”, zei John Cort.

Max Huber opende het: sommige bladzijden kleefden door vocht aan elkander.

“Alleen op de eerste bladzijde staat iets”, zei Max Huber, en met veel moeite gelukte het hem het volgende te ontcijferen:

29 Juli 1894. Met mijn eskorte aan den rand van het Oebanghi-woud aangekomen. Gekampeerd op den rechteroever eener rivier. Een vlot gemaakt.

3 Augustus. Het vlot is gereed. De dragers teruggezonden naar Nghila. Alle sporen van het kamp weggemaakt. Met mijn bediende op het vlot ingescheept.

9 Augustus. Zeven dagen zonder hindernis de rivier afgezakt. Een open plek in het woud. Talrijke apen in den omtrek.

10 Augustus. Geland. De hut opgericht onder de eerste boomen aan den linkeroever. Zeer veel apen. Chimpanzees, gorillas.

13 Augustus. De hut betrokken. Geen spoor van menschelijke wezens te ontdekken. Waterwild in grooten voorraad. Ook veel visch.

25 Augustus. Leven kalm en geregeld. Eenige nijlpaarden hebben zich in de rivier vertoond, maar toonden geen vijandelijkheden. Antilopen geschoten. Des nachts komen groote apen bij de hut, maar schijnen ook niet vijandig gezind. Heb gemeend in de verte een vuur te zien ... De apen schijnen wel onder elkaar te spreken, woorden en zinnen. Een jong heeft herhaaldelijk Ngora gezegd, dat ook bij de negers het woord voor moeder is ...

Llanga, die aandachtig had zitten luisteren, riep thans:

“Ja, Ngora! Ngora! ... Moeder! Moeder!” [65]

Er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken. (Zie pag. 68).

Er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken. (Zie pag. 68).

[67]

En nu hij dat woord hoorde, herinnerde John Cort zich eensklaps weder, dat hij op dien nacht, terwijl hij waakte, het ook gehoord had, zonder dat hij het zich verklaren kon en thans deelde hij dit voorval aan Max Huber mede.

“Zou die professor Garner werkelijk gelijk hebben?” vroeg zijn vriend. “Zouden er apen zijn, die kunnen praten?”

Khamis was onder het voorlezen volmaakt onverschillig gebleven. Wat er met dr. Johausen gebeurd was, kon hem niet schelen. Hoofdzaak was, dat hij een vlot had gemaakt, waarvan men thans gebruik kon maken en bovendien nog eenige nuttige zaken in de hut achtergelaten had.

“Het blijkt uit alles”, hernam John Cort, “dat de dokter den 9den Augustus op deze plek is aangekomen. Zijn aanteekeningen loopen niet verder dan den 25sten van diezelfde maand en om welke reden dan ook, hij schijnt op dien dag de hut verlaten te hebben, om er niet meer terug te komen.”

Maar voor het oogenblik moesten onze vrienden aan zich zelven denken; het vlot moest hersteld en weggesleept worden. Later zou men misschien een expeditie kunnen uitrusten, om het woud te doorzoeken en de twee vrienden zouden desverlangd kunnen meegaan, maar thans hadden zij een andere taak.

Alvorens de hut te verlaten, onderzochten zij haar echter nog eens in alle hoekjes en gaatjes. Zij bood nog een voortreffelijke schuilplaats aan; het zinken dak bleek onbeschadigd. De traliezijde was naar het Noorden gericht en dus het minst blootgesteld aan schadelijke winden. Eenige kleine reparaties waren echter noodig, een paar planken zouden vernieuwd moeten worden, evenals een paar palen, die in den vochtigen grond waren beginnen te rotten. Maar waarom zouden Max Huber en zijn makkers het zich daar moeilijk mede maken? Het was hoogst onwaarschijnlijk, dat de hut nog eens betrokken zou worden door een onderzoeker van de apentaal.

Van wapens, gereedschap, kleeren of proviand vond men geen spoor. Zonder twijfel was alles van dezen aard medegenomen en Khamis wilde de hut reeds [68]verlaten, toen hij in een hoek tegen iets trapte, dat een metaalachtig geluid gaf.

Het bleek een ijzeren kistje te zijn, dat daar bijna geheel in den grond begraven was. Khamis groef het op, opende het en de inhoud bleek te bestaan uit een honderdtal volkomen onbeschadigde patronen.

“Dank, brave dokter!” riep Max Huber, “mogen wij u ooit dezen dienst kunnen vergelden!”

En de dienst was inderdaad groot, want de patronen bleken juist van hetzelfde kaliber te zijn hunner karabijnen.

“Laten wij nu buiten gaan zien”, zei John Cort, “of wij daar soms een spoor van den dokter en zijn bediende kunnen vinden. Het is mogelijk, dat zij door inboorlingen overvallen en weggevoerd zijn, maar het is ook mogelijk dat zij zijn gedood en dat hun gebeente nog op een begrafenis wacht....”

Maar hunne nasporingen waren vruchteloos, althans over een oppervlak van honderd meter straal leverden zij niets op. Men moest dus wel aannemen, dat de ongelukkige dokter weggevoerd was... En door wie anders dan door inboorlingen, dezelfde die Johausen voor apen aanzag en die onder elkaar praatten?

“Er blijkt in elk geval uit”, merkte John Cort op, “dat het woud door inboorlingen bezocht wordt en dus moeten wij op onze hoede zijn.”

“Juist”, antwoordde de voorlooper. “En thans naar het vlot!”

Omstreeks negen uur kwam het viertal bij de grot terug en Khamis begon allereerst voor het ontbijt te zorgen; er was nu een ijzeren pot, men kon dus een soort soep koken, aangename afwisseling in het gewone menu.

Onderwijl werkten de anderen met grooten ijver aan het repareeren van het vlot, hetgeen bij gemis aan goed gereedschap nog zoo gemakkelijk niet ging. Maar lianen en andere sterke slingerplanten bewezen even goede dienst als touw en toen de zon achter de zware boomen op den rechter rivieroever wegzonk, was het werk gereed.

Het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan boord gehaald. (Zie pag. 72).

Het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan boord gehaald. (Zie pag. 72).

Den volgenden morgen vroeg zou men vertrekken, want het was raadzaam den nacht nog in de grot te [71]blijven. Alvorens te gaan slapen, riep Max Huber echter eensklaps:

“Ik heb een voorstel!”

“En dat is?” vroeg John Cort.

“Wij moeten iets voor den dokter doen.”

“En wat dan?” vroeg de Amerikaan nieuwsgierig.

“Wij moeten deze rivier naar hem noemen.”

Niemand had daar iets tegen en dus zou men voortaan kunnen spreken van de Johausen-rivier.

De nacht ging rustig voorbij, en noch John Cort, noch Max Huber, noch Khamis, die beurtelings waakten, hoorden ook maar een enkel woord.

[Inhoud]

HOOFDSTUK IX.

Op de Johausen-Rivier.

Het was des morgens half zeven van den 16en Maart, toen het vlot werd losgemaakt en den stroom afzakte. Het was nog niet eens geheel licht, hoog in de lucht joegen donkere wolken. Als het niet ging regenen, zou het toch zeker den geheelen dag betrokken blijven.

En daarover beklaagden onze reizigers zich niet, want midden op de rivier zouden zij anders blootgesteld zijn aan de volle kracht der zonnestralen.

Het vlot meette ongeveer acht bij twaalf voet, en was dus maar even groot genoeg voor vier personen en eenige weinige bagage, waarbij thans ook een stapel droog hout gevoegd was, waarvan Khamis vuur zou kunnen maken. Aan den achterkant was van een paar planken een soort roer gemaakt, waarmede het vlot althans eenigszins bestuurd kon worden.

De stroom bleek een snelheid te hebben van omstreeks een mijl in het uur en als dat zoo bleef, zou het vlot twintig dagen noodig hebben, om de driehonderd kilometer af te leggen, die onze vrienden nog van de Oebanghi scheidden. Maar er konden zich allerlei hinderpalen in de rivier voordoen, er konden onverwachte stroomversnellingen komen of watervallen en men besloot dus goed uit te zien en voorzichtig te varen. [72]

Tot aan de middaghalte ging de tocht zonder wederwaardigheden, dank zij de behendigheid van Khamis had het vlot geen enkele maal gestooten.

John Cort, die met de karabijn in de hand voorop stond, bespiedde zorgvuldig de oevers. Mocht hij het een of ander wild bespeuren, dat eetbaar was, dan zou hij dat gemakkelijk neerleggen. En tegen half tien gebeurde dit reeds; de eerste buit was een waterbok, een soort antilope, die bij voorkeur aan rivieroevers leeft.

“Een mooi schot!” riep Max Huber.

“Maar doelloos, als wij het dier niet kunnen meenemen”, antwoordde John Cort.

“Dat is een oogenblik werk”, zei de voorlooper.

Inderdaad wist hij het vlot handig naar den oever te sturen tot aan de plek waar de antilope lag en daar werd het spoedig gevild en ontweid, waarna de goede stukken op het vlot werden gebracht.

Onderwijl beproefde Max Huber zijn talenten als visscher, hoewel hij maar heel gebrekkig vischtuig had: eenig dun touw, in de hut gevonden en voor haak een acaciadoorn, waaraan een stukje vleesch gestoken was.

En terwijl Max vischte zat Llanga naast hem met groote belangstelling er naar te kijken.

En inderdaad, het duurde niet lang of een gulzige snoek beet aan en werd aan boord gehaald. Hij woog zeker acht of negen pond en de reizigers zouden niet tot den volgenden dag wachten, om zich aan dit lekkerbeetje te vergasten.

Zoo bestond het twaalfuurtje uit geroosterde antilopenbout en gekookte snoek, waarvan niets dan de graten overbleven. Het middagmaal zou bestaan uit een flinke soep van de antiloperib gekookt en daar deze lang op het vuur moest staan, begon de voorlooper thans reeds den brand in het dorre hout op de voorplecht te steken en plaatste hij de ijzeren pot er op. En toen ging de tocht weer verder.

Op de takken der boomen wemelde het van apen. (Zie pag. 76).

Op de takken der boomen wemelde het van apen. (Zie pag. 76).

Tegen zes uur liet Khamis stilhouden bij een rotsachtigen inham, beschaduwd door de lage takken van een gomboom en dit rustpunt bleek zeer gelukkig gekozen. Allerlei mosselen en andere schaaldieren zaten hier tusschen de steenen en sommige hiervan gekookt, [75]andere rauw vormden eene aangename afwisseling in het avondmaal.

Daar het zich liet aanzien, dat de nacht donker zou zijn, wilde de voorlooper liever niet midden op de rivier blijven, dikwijls toch dreven daar zware boomstammen en een botsing daarmede, had het vlot groote averij toegebracht. Men zou dus op het gras aan den voet van den gomboom overnachten, en dank zij het beurtelings waken van de drie mannen, kreeg men dien nacht geen onaangenaam bezoek. Alleen maakten de apen van zonsondergang tot zonsopgang een heidensch spektakel.

Den volgenden morgen regende het hard en dus werd besloten nog maar wat te blijven schuilen, want die regenbuien in equatoriaal Afrika gelijken soms een waren zondvloed.

“Als die regen niet ophoudt”, zei John Cort, “zouden wij best hier kunnen blijven, wij hebben nu kruit en patronen genoeg, alleen zouden wij wel wat nieuwe onderkleeren mogen hebben.”

“En waarom zouden wij ons niet naar het gebruik van het land kleeden?” vroeg Max Huber lachende. “Als wij dan baden wasschen wij tegelijkertijd ons linnengoed!”

Tegen half acht begon de regen te bedaren, maar het bleef toch onstuimig weer. Het vlot ging weer de rivier af en Khamis besloot niet de gebruikelijke middaghalte te houden, om den verloren tijd in te halen.

Dit gedeelte van het woud bleek zeer rijk aan wild. Niet alleen vertoonden zich talrijke watervogels, maar ook pallahs en sassabys, twee soorten van antilopen. Ook verschenen soms groote elanden, damherten, zeer kleine gazellen, koedoes, verder quaggas (een soort zebra) en zelfs bespeurde men eenige giraffen. Het zou zeer gemakkelijk geweest zijn, eenige dezer dieren te schieten, maar waartoe? Er was nog voedsel genoeg, het was daarbij elk oogenblik te krijgen en men behoefde het vlot niet te overladen.

Zoo werden een tiental Kilometer afgelegd. De rivier liep nog altijd naar het Noordwesten; haar oevers waren afwisselend hoog en laag, maar steeds bezet met zware boomen, waaronder de bombax of katoenboom, [76]wiens bladerdak soms de geheele rivier overwelfde.

“Het lijkt waarlijk wel een park!” riep John Cort, vol bewondering. “Het gelijkt soms op het nationale park van Yellowstone!”

“Behalve dat daar geen apen zijn”, antwoordde Max Huber. “En het lijkt wel of alle apen van de wereld hier hun verzamelpunt hebben gekozen! Wij zijn waarlijk midden in het apenland!”

En hij had gelijk, want aan de oevers en op de takken der boomen wemelde het van deze dieren.

“Maar eigenlijk is het geen wonder”, hernam de spotzieke Franschman, “want wij zijn immers in Midden-Afrika en ik geloof dat tusschen de tweehandige en de vierhandige inboorlingen hier eigenlijk weinig onderscheid is!”

Het was op het oogenblik de geschikte tijd niet om daarover met Max te twisten. Van meer belang was het, voorzorgsmaatregelen te nemen tegen een mogelijk vijandigen aanval dezer apen, die sterk zouden zijn door hun kolossale overmacht.

De voorlooper bereidde zijn tochtgenooten dan ook op zulk gevaar voor.

“Houd uwe karabijnen en patronen gereed”, vermaande hij, “want wij weten niet wat gebeuren kan.”

“Ba! Een enkel schot en de heele bende is op de vlucht”, riep Max, zijn karabijn aanleggende.

“Schiet niet, mijnheer!” riep Khamis, “lok hen niet uit, wij moeten hen niet aanvallen, wij zullen genoeg te doen hebben met ons te verdedigen!”

“Maar zij beginnen al!” zei John Cort.

“Schiet alleen, als het bepaald noodzakelijk is”, zei de voorlooper.

En werkelijk, van den oever werd met takken, zelfs met steenen gegooid, door de apen, waarvan sommige buitengewone kracht schenen te hebben.

Khamis deed zijn best het vlot midden op de rivier te houden, maar toch kon men zich tegen al die projectielen niet geheel beschermen.

“Het wordt te erg!” riep Max Huber en aanleggende op een gorilla, dien hij aan den oever bespeurde, gaf hij vuur.

Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. (Zie pag. 81).

Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. (Zie pag. 81).

Maar op het geluid van het schot werd met een [79]schrikbarend gekrijsch geantwoord en de bende nam de vlucht niet. Indien men alle apen, stuk voor stuk, had willen neerleggen, zou het aantal patronen lang niet toereikend zijn geweest en John Cort beval dan ook spoedig:

“Ophouden met vuren, het maakt de dieren nog maar boozer!”

Dus voer het vlot verder, aan beide oevers door troepen apen vergezeld. Misschien zouden zij tegen den nacht de vijandelijkheden staken, maar de voorzichtigheid gebood om geen halteplaats aan den oever te zoeken; het was echter pas vier uur en om zeven uur zou het eerst donker zijn; vóór dien tijd kon nog veel gebeuren.

En dat was inderdaad het geval. Om vijf uur werd de hemel aschgrauw, bliksemflitsen sneden door het luchtruim, gevolgd door geratel van donder en in weinige oogenblikken hadden de apen, als alle dieren bang voor onweer, in het dichte woud de vlucht genomen.

[Inhoud]

HOOFDSTUK X.

Ngora!

Den volgenden morgen was de lucht geheel opgeklaard, strak blauw spande zij zich boven de toppen der boomen uit. In de zonnestralen fonkelden de waterdruppels op bladeren en grashalmen als diamanten. De grond, die zeer snel opgedroogd was, was voortreffelijk begaanbaar, maar gelukkig behoefde men er nog geen gebruik van te maken. De Rio Johausen stroomde altijd nog in Zuidwestelijke richting en Khamis twijfelde niet of hij zou binnen veertien dagen de Oebanghi bereiken.

“Dat onweer is maar juist bijtijds gekomen”, zei John Cort, terwijl hij en zijn vriend hunne karabijnen zaten schoon te maken en Llanga het kreupelhout was ingeloopen om eieren te zoeken.

“Dat geloof ik!” antwoordde Max Huber, “als die afschuwelijke dieren nu maar niet terugkomen, nu het [80]weer opgeklaard is. Wij mogen wel goed oppassen.”

“Ik ben straks den oever honderd pas langs geloopen”, hernam John Cort, “maar ik heb geen enkelen aap gezien.”

“Gelukkig! Ik hoop, dat wij onze patronen beter kunnen gebruiken. Het liet zich aanzien, dat wij waarlijk al onze kogels op de apen moesten verschieten.”

Daar riep Khamis zijn reisgenooten voor het ontbijt en tegelijkertijd kwam Llanga terug met eenige eendeneieren, die met een stuk antilope-vleesch een goed maal opleverden.

Toen werd het vlot naar de rivier gesleept en kon de tocht worden voortgezet.

De Rio Johausen bleek steeds breeder te worden, de takken der boomen aan weerszijden raakten elkander reeds niet meer en mochten zich dus nu nog apen op de oevers vertoonen, dan zou dit lang zoo gevaarlijk niet zijn als den vorigen avond.

Deze dieren vertoonden zich echter niet meer, wel honderden watervogels, eenden, ganzen, pelikanen, snippen en John Cort schoot er eenige voor het middagmaal.

Zoo ging de tocht zonder ongevallen voort, tot omstreeks vier uur Khamis, die het roer hield, aan John Cort verzocht het even over te nemen, waarna hij op de voorplecht ging staan uitkijken.

Max Huber vroeg dadelijk:

“Ziet gij iets?”

“Daar”, zei de voorlooper, terwijl hij een eind verder op de rivier wees, waar het water zeer beweeglijk was.

“Zou daar een stroomversnelling zijn, of erger nog een waterval?” vroeg Max.

“Neen”, begon Khamis, maar hij zweeg, want een groote straal water spoot uit de rivier op.

“Te deksel, er zijn hier toch geen walvisschen!” riep Max Huber.

“Neen, maar wel nijlpaarden”, antwoordde de voorlooper.

Daar klonk een geweldig geblaas en de geweldige kop van een nijlpaard verscheen even boven het water.

De hippopotamus, de grieksche naam die letterlijk vertaald, rivierpaard beteekent, komt nog voor van [81]de Kaap de Goede Hoop tot aan den 23sten Noorderbreedtegraad. Het is een zachtaardig dier, maar toch te vreezen, want als het verschrikt, of erger nog, door een kogel getroffen of geharpoeneerd wordt, dan stort het zich woedend op de jagers en verbrijzelt hunne booten onder zijn reusachtige kaken.

Onze vrienden op het platte, zwakke vlot konden er dan ook niet aan denken, het nijlpaard aan te vallen. Het zou al erg genoeg wezen als het dier het hen deed, als het tegen het vlot stootte....

“Wij moeten hem onopgemerkt voorbij zien te komen”, fluisterde Khamis, “laten wij ons plat op het vlot neerleggen, geen gerucht maken en ons gereed houden om dadelijk in het water te springen, als dat noodig is.”

De raad van Khamis werd onmiddellijk opgevolgd. Allen strekten zich plat op het vlot uit, dat midden op den stroom voortdreef.

Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. Zou het vlot opgeheven worden door het reusachtige dier? Neen, het geblaas en geplas verstomde en toen zij het eindelijk waagden zich wat op te richten en rond te zien, bleek het nijlpaard verdwenen.

Het is waar, jagers die met de karavaan van Urdax op olifanten gejaagd hadden, zouden in gewone omstandigheden voor een nijlpaard niet bang zijn geweest. Meermalen hadden zij er in de Oebanghi zelfs op gejaagd, maar dan niet aan boord van een zwak vlot en dus waren zij zeer gelukkig er ditmaal zoo goed afgekomen te zijn.

Dien avond liet Khamis stilhouden in de monding van een beekje op den rechteroever, onder een boschje bananas. De bodem bleek ook hier wederom bedekt met allerlei schaaldieren, die zeer goed eetbaar waren. En het beekje verschafte daarbij heerlijk, frisch water.

“Het zou hier volmaakt zijn”, zei Max Huber, “als wij nu ook maar rustig konden slapen, maar daar zullen die verwenschte muskieten wel voor zorgen!”

Maar Llanga wist daar goeden raad op. Hij schepte allerlei droge mest van buffels en antilopen bij elkaar en deze brandstof gaf een dikken, scherpen rook, een doeltreffend en misschien het eenige middel om de [82]muskieten te verjagen en dat door de inboorlingen algemeen wordt toegepast.

Wel moest dit vuur den geheelen nacht worden onderhouden, waartoe de mannen beurtelings waakten, maar de anderen konden dan rustig slapen en verkwikt kon men den volgenden morgen vroeg de Rio Johausen verder afzakken.

Niets is verandelijker dan het weer in dit Aequatoriaal Afrika. Na den helderen hemel van den vorigen dag, was het luchtruim thans donkergrijs, hetgeen een regenachtigen dag voorspelde. En weldra viel dan ook een fijne motregen, maar die lang aanhield en verre van aangenaam was.

Gelukkig had Khamis een goed idee gehad. De bladeren van den hier voorkomenden bananenboom zijn misschien de grootste van alle tropische planten. De inboorlingen gebruiken ze om er de daken van hunne hutten van te maken en een twaalftal waren genoeg om midden op het vlot een soort afdak te maken, waarbij lianen heel goed als touw dienst deden. Dit afdak beschutte de vrienden zeer goed tegen den fijnen regen.

In de ochtenduren vertoonden zich eenige apen langs den rechteroever, een twintigtal groote, sterke dieren, die wel geneigd schenen te zijn om de vijandelijkheden te hervatten. Het verstandigst was elke aanraking met hen te vermijden en daarom werd het vlot dichter langs den linkeroever gestuurd, waar zich geen apen vertoonden.

In den middag hield het vlot slechts éénmaal op, om een antilope op te nemen, die John Cort bij een bocht van de rivier geschoten had.

Maar bij deze bocht wijzigde de Rio Johausen ook eensklaps haar richting naar het Zuidoosten en dit beviel Khamis in het geheel niet, want om uit het groote woud te komen, moest men in elk geval naar het Westen gaan. Gelukkig bleek het, dat de rivier een uur verder weder haar gewone richting hernam en men kon dus hopen, dat zij het vlot naar de grens van Fransch Congo zou brengen, van waar men gemakkelijk Libreville zou kunnen bereiken.

Om half acht was het nog niet donker, een schemering [83]hing nog over het water, waarop allerlei bundels planten en boomtronken dreven.

Terwijl de overigen bezig waren het vlot aan den linkeroever vast te meeren en droge bladeren op te hoopen om er een vuurtje aan te leggen, vermaakte Llanga zich met naar die voorbijdrijvende plantenmassa te kijken.

Daar kwam in de verte een vrij zware boomstam aandrijven, met de takken vol bladeren en bloesems en gedeeltelijk onder water. Hoogst waarschijnlijk was deze boom in het laatste onweer door den bliksem getroffen. Maar toen hij naderbij kwam, meende Llanga er iets bizonders aan te zien, tusschen de takken bewoog iets.

Hij riep John Cort en Max Huber, de boom dreef steeds nader, daar klonk eensklaps een kreet, alsof een menschelijk wezen om hulp riep, en plotseling stortte zich iets uit den boom en trachtte den oever te bereiken.

Zonder recht te weten wat hij deed, zonder een woord te spreken, sprong Llanga in het water en wist het kleine wezentje te grijpen. John Cort en Max Huber snelden naar den oever en staken hem hunne hand toe.

“Maar Llanga, wat doe je nu!” riep Max.

“Een kind ... dat bijna verdronken was”, stamelde Llanga.

“Een kind!” herhaalde John Cort, zeer verbaasd.

“Ja ... ja.” En Llanga knielde neer bij het wezen dat hij gered had.

Max Huber keek er eens naar en riep:

“Maar dat is geen kind! Het is een aap, een jong van een van die afschuwelijke dieren, die ons hebben aangevallen! En voor zoo’n apenjong heb je gevaar geloopen, zelf te verdrinken, Llanga!”

“Het is wel een kind!” hield de kleine neger vol, en hij droeg het naar het vuur en legde het daar op een hoopje droge bladeren neer.

De twee vrienden bemoeiden er zich niet verder mede en gingen slapen, terwijl Khamis tot middernacht de wacht zou houden.

Llanga kon niet slapen. Vol belangstelling nam hij elke beweging van zijn beschermeling waar. Maar wie [84]schetst zijn verrassing, toen het, ongeveer om elf uur, op klagenden toon “Ngora! Ngora!” riep, ngora, zijn moeder!

[Inhoud]

HOOFDSTUK XI.

De reis van den 19en Maart.

Den volgenden morgen werd de reis hervat met den kleinen passagier, waarvan Llanga niet wilde scheiden en dien hij behoedzaam onder het bladerdak op het vlot neerlegde. Dat hij behoorde tot een apenfamilie, hetzij dan van de chimpanzees, gorillas, mandrils of bavianen, stond voor Max Huber en John Cort vast. Dat Llanga het jonge dier, dat hij gered had, wilde behouden, zooals men een jong hondje bewaart, begrepen zij zeer goed, maar naar het jonge dier zelf keken zij niet om. Zij hadden zelf den kleinen Llanga tot zich genomen, hij mocht dus wel een kleinen aap tot zich nemen! Bovendien zou het dier, zoodra het kans zag aan wal te komen, de plaat wel poetsen en zijn redder met zwarten ondank beloonen!

Het is waar, als Llanga aan zijn blanke vrienden gezegd had: “Hij kan praten, hij heeft een paar malen ngora gezegd”, dan zouden zij waarschijnlijk meer belang in het aapje gesteld hebben, maar Llanga zweeg daarover, in twijfel of hij zelf zich niet vergist had. Alleen nam hij zich voor, goed op te letten, of het nog eens gebeurde.

Daarom bleef hij dan ook onder het bladerdak naast zijn pleegkind zitten.

“En hoe gaat het nu met je aap?” vroeg Max, toen Llanga een oogenblik daarbuiten kwam.

“Hij slaapt nog, mijnheer Max.”

“En wilt ge hem bij je houden?”

“Ja,.... als U dat goed vindt.”

“O, ik heb er niets tegen, maar pas op, dat hij je niet krabt. Die jonge apen zijn zoo valsch!”

“O, deze niet, mijnheer.”

“En hebt je hem al een naam gegeven?” [85]

En staken hem hunne hand toe. (Zie pag. 83).

En staken hem hunne hand toe. (Zie pag. 83).

[87]

“Een naam? Welke?”

“Wel, ik zou hem Jocko noemen, alle apen heeten Jocko.”

Maar deze naam scheen Llanga niet te bevallen, hij antwoordde niet en ging naar zijn beschermeling terug.

Dien middag had men geen last van de warmte, de zon bleef achter dikke wolken verscholen en dat was voor onze reizigers een geluk, want de Rio Johausen ging dikwijls door groote open plekken, waar geen schaduw was. De oevers werden weder moerassig en men zou wel een