Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Oorlogsvisoenen, by Cyriel Buysse

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Oorlogsvisoenen

Author: Cyriel Buysse

Release Date: April 8, 2006 [EBook #18130]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK OORLOGSVISOENEN ***




Produced by Johan Boelaert





OORLOGSVISIOENEN

DOOR CYRIEL BUYSSE

Uitgegeven te Bussum bij

C.A.J. Van Dishoeck ten jare 1915

INHOUD

I. De heeren Bollekens in oorlogstijd

II. Het oorlogshuwelijk van meneer Cathoen

III. Rikiki

IV. De varkenskar

V. In de vuurlinie

VI. Burgerwacht-idylle

VII. De vrijwilliger

VIII. De vlucht

IX. De moeder

X. Singen... Singen!...

XI. De terugkeer


I.

DE HEEREN BOLLEKENS IN OORLOGSTIJD

Meneer Bollekens, senior, was een rijk, rijk man.

Ook meneer Bollekens, junior, was rijk, doch minder uit zichzelf, dan wel omdat zijn vader zulk een rijk, rijk man was.

Meneer Bollekens, vader, was weduwnaar en meneer Bollekens, zoon, was een gescheiden man.

De scheiding tusschen den zoon en zijn vrouw had plaats gehad terwille van een jeugdige dienstmaagd. De jonge vrouw had dat meisje kort na haar huwelijk in haar dienst genomen en zij was er zeer tevreden over en alles scheen uiterst best te gaan, tot de jonge mevrouw opeens beweerde, dat het niet meer ging en verklaarde dat het meisje dadelijk weg moest. Waarom zij zoo plotseling weg moest lichtte mevrouw Bollekens junior niet nader toe, maar des te krachtiger drong zij aan op onmiddellijk vertrek.

Bollekens zoon kwam tegen dat onverwachte besluit radikaal op.

—Zij zal niet weggaan; er is geen enkele reden om haar te doen weggaan, zei hij, vastberaden.

—Zij zal wèl weggaan; daarvoor is alle reden en dat weet gij beter dan iemand! snauwde de jonge vrouw haar echtgenoot toe.

Bollekens junior, eenige, door zijn ouders zeer verwende zoon, was koppig en tyranisch. Hij duldde absoluut geen tegenspraak.

—Zij zal niet weggaan. Ik ben hier immers de baas! herhaalde hij nog eens, met klemmenden nadruk.

—Dan zal ik weggaan, zei de jonge vrouw, in snikken uitbarstend.

—Zooals ge verkiest, had hij ijskil gëantwoord.

En zoo was het gebeurd. Na een laatste, heftige scene, had mevrouw Bollekens junior zich eensklaps opgepakt en was zij weggeloopen, naar haar moeder toe. En kalm had Bollekens junior het boeltje bij zich opgedoekt en was hij bij zijn vader komen inwonen, met de jonge meid.


Het was een flinke, knappe meid, met roze wangen, lichte oogen en bizonder mooi, donker haar, dat rechtop kroesde en aan de uitdrukking van haar gezicht en ook aan heel haar uiterlijk iets zeer pikant's gaf.

't Was jammer, zei vader Bollekens, dat zijn schoondochter juist zulk een meid had uitgekozen, maar verder bemoeide hij zich liever niet met het geschil: hij was een man van de rust en erg bang voor onaangenaamheden met zijn zoon. Hij deed zijn best om hen weer met elkaar te verzoenen, doch toen hij merkte dat zijn tusschenkomst niets hielp en dat de schoondochter al even stijfhoofdig op haar standpunt bleef als de zoon op het zijne in die netelige meidenkwestie, haalde hij maar machteloos zijn schouders op en lei zich bij den toestand neer. Hij hield nu eenmaal meer van zijn zoon dan van zijn schoondochter, zooals hij trouwens over 't algemeen ook meer van mannen dan van vrouwen hield; hij vond de vrouwen lastig, nesterig, vervelend, drukte-makerig om niets; hij vond ze alleen maar goed in zooverre ze zich gedwee aan de eischen van de mannen onderwierpen en dezen als meesters dienden; en, ofschoon hij de scheiding van zijn zoon uit maatschappelijk standpunt afkeurde en betreurde, toch was hij er niet zoo heel verre van af wel te begrijpen, dat zijn zoon feitelijk meer had aan die knappe, flinke meid dan aan zijn nesterige luxe-huisvrouw. Kortom, hij wenschte door die zaak niet langer dan strikt noodig was in zijn gelukkige rijkaards-rust gestoord te worden; en zoo kwam de zoon weer in zijn huis binnen en schikte zich daar zooals 't hem behaagde; en zoo kwam ook de flinke, knappe meid met den zoon mede en nam daar een eenigszins vage positie onder de andere dienstboden aan: linnenmeid, luxe-meid, praat-en-loop-meid; en in de eerste plaats de afzonderlijke meid van den zoon, gelast met zijn bed op te maken en zijn kamers in orde te houden en daarom ook niet naast de andere boden op de bovenste verdieping, maar op een lagere verdieping, in een aparte kamer, slapend.


Het huis dat meneer Bollekens in de stad bewoonde, was een groot en prachtig huis. Hij had het zoo groot en zoo duur laten bouwen, niet omdat hij bepaalde behoefte aan zooveel ruimte en luxe had, maar wel omdat hij geld genoeg bezat om zulk een huis te laten bouwen. Dat was immers bijna een plicht voor een man van zulk bijzonder groot vermogen. Het huis van meneer Bollekens moest, uiterlijk en innerlijk, voor de oogen van de menschen die hem kenden, en ook wel voor de menschen die hem niet kenden, in verhouding staan tot het fortuin, waarvan hij leefde.

En 't waren verdiepingen en nóg verdiepingen, en 't waren kamers en nóg kamers, allen even ruim en duur gemeubileerd, en allen vrijwel overbodig, want meneer Bollekens bewoonde of gebruikte ze om zoo te zeggen niet. Meneer Bollekens, die zich moeilijk bewoog, had in zijn reuzenhuis niets dan een slaap-en zitkamer, op de eerste verdieping, dicht bij het trapportaal, met een uitzicht op de straat; en een eetkamer in het souterrain, vlak naast de keuken, omdat dit gemakkelijker was voor de bediening en ook omdat de spijzen dan wel altijd warm op tafel kwamen.

Meneer Bollekens was een man van vijf en zestig jaren, groot, zwaar en dik; met rood gezicht en grijze, borstelige haren. Hij had last van allerlei kwaaltjes en kwalen en koesterde zoo goed als geen vertrouwen in de bekwaamheid der doktoren, die hem toch nooit geheel genezen hadden. Hij volgde soms wel voor een poosje hun raad en bevond er zich dan ook wel eens goed mee, maar zoodra er een dag kwam dat hij zich wat minder lekker voelde, gaf hij het dadelijk op en zei dat de doktoren hem verkeerd behandelden.

De heele gezondheidskwestie bestond voor meneer Bollekens hierin, dat hij gezond wilde zijn en blijven, zonder zich in iets te ontzien. Poeiers, drankjes, enz. wilde hij graag genoeg innemen, doch enkel op voorwaarde dat hij dan ook oesters, wild, foie gras, en de daarbij passende wijnen mocht blijven gebruiken. Aan elk diëet had hij den gruwelijksten hekel en bovenal was hij gesteld op zijn dagelijksche, vast-geregelde bezoeken aan zijn eenig geliefd koffiehuis: de Rosbach!

De Rosbach, het welbekend Duitsch bierhuis, bevond zich in een drukke straat, vlak tegenover deze waar meneer Bollekens woonde; en van uit zijn ramen kon hij den witten gasbol zien boven den ingang der vermaarde herberg en de grauw-bestoven sierplanten-in-kuipen, die op het trottoir het terrasje afbakenden. Daar kwam hij driemaal daags zijn biertjes gebruiken: 's ochtends om elf uur, 's namiddags tusschen vijf en zeven en verder heel den avond, van negen tot laat in den nacht.

Meneer Bollekens, en ook zijn zoon, hielden van alles wat fijn en lekker was: van kreeften en primeurs, van fazanten en patrijzen, van alle mogelijke wildpasteien en gerechten; zij waardeerden met bijna vrome ontroering het bedwelmend bouquet der aloude Margaux', de als 't ware versche-levenskracht-ingietende rijkheid der bruinroode Nuits' en Vougeot's en de vroolijk-oplachende, gouden tinteling en Prikkeling der schuimende Pommery's en Cliquot's; maar na al die weelde van 't fijne en van 't dure, verlangden zij, dorstten zij telkens weer naar het meer alledaagsche en gewone, naar dat heerlijk-koel, schuimend glas donkerbruin bier, zooals de Rosbach, en alléén de Rosbach, het hun geven kon.

Het eerste ochtendglas, om elf ure, werd steeds met kalmen ernst gebruikt. Het had iets rustig-bezadigds, als een ontbijt. Men was nog in de stemming niet. Maar wat de dag ook verder aan genoegens of teleurstellingen bracht, vijf uur, het heerlijk moment van vijf uur helderde alles op en vader en zoon togen gezamenlijk naar de verrukkelijke herberg. De zucht waarmee papa Bollekens zich op zijn vastbewaarde plaats neerzette, terwijl hij uit de hand van den voorkomenden baas zijn pijp ontving, klonk als een gekreun van geluk. Hij kreeg zijn eerste glas en dronk een volle, lange teug, met de tong het schuim van zijn snorren aflikkend; de vrienden en stamgasten kwamen binnen en de gelukkige avond begon.

Wat daar al niet besproken en behandeld werd! Het stadsbeheer was er aan scherpe kritiek onderworpen, het staatsbestuur niet minder; autoriteiten werden afgesteld, benoemingen werden gedaan; ministeries omgegooid, andere ministeries in 't leven geroepen. Die heeren wisten alles, álles; niets ontsnapte aan hun scherp-kritisch waarnemingsvermogen en naarmate zij meer dronken werden hun organisatiekrachten helderder en sterker en moest het wel voor luisterende buitenstaanders onverklaarbaar schijnen hoe het mogelijk was, dat zij daar op de banale, harde banken van een herberg en niet in de gemakkelijke kussens van ministerieele fauteuils neerzaten.

De kroegbaas, een Duitscher, met grijs-blond haar en slaperige oogen, hield zich steeds in hun buurt en bediende hen zorgzaam, zonder zich ooit in hun gesprek te mengen of er schijnbaar eenigszins notitie van te nemen. Hij scheen de verpersoonlijkte-onbeduidendheid, onbeduidend als een dagelijksche plicht, als een abstractie. Hij vulde zijn glazen achter de schenktafel, streek er met een soort van liniaal het overtollig schuim af, overhandigde ze zwijgend aan zijn kellner, die ze aan de klanten om de tafeltjes ging brengen. Dat scheen zijn eenige bezigheid en eenige reden van bestaan, een machinale taak, die hij als een automaat verrichtte. Het wekte verwondering wanneer men hem iets anders zag uitvoeren en het leek ook gansch ongewoon wanneer hij zich voor iets anders dan zijn zaak interesseerde. Hij had een vrouw, een dikke, ronde vrouw, die meestal in de onderdiepten der Rosbach vertoefde, maar er toch af en toe eens uitkwam, om hem met Gewichtig gezicht iets aan het oor te fluisteren. Dan fronsten even Zijn wenkbrauwen en keken strak zijn oogen, alsof hem iets Onaangenaams werd meegedeeld, en soms verdween hij met haar voor een poosje in de heimelijke kelderdiepten. Maar zoo spoedig mogelijk stond hij weer achter zijn buffet, en wel eens gebeurde het, dat er dan een vreemd bezoeker binnen kwam, die een poosje vertrouwelijk met den baas bleef praten. Het bleek een landgenoot te zijn, een vriend of kennis van vroeger, die hem eens kwam opzoeken. Zij keuvelden bescheiden met elkaar in 't Duitsch en het klonk altijd zoo vreemd, den baas, die toch een Duitscher was, zijn eigen taal te hooren spreken. Hij was daar al sinds zoovele jaren ingeleefd en ingeburgerd, in de groote, Vlaamsche stad; hij sprak zoo vloeiend en natuurlijk de taal van het volk en ook het Fransch, dat het nu ónnatuurlijk scheen, wanneer hij 't Duitsch, zijn eigen taal, gebruikte. En het was ook alsof hij die niet graag meer sprak en ook niet graag zijn landgenooten meer ontmoette: er was iets koels en stijfs in zijn gansche bejegening, zoolang hij zich met hen moest bezig houden, en iets verlichts in hem zoodra zij weg waren, alsof hij dan pas weer zichzelf werd, wanneer hij met zijn goede, trouwe, Vlaamsche vrienden en klanten weer in gezellige intimiteit verkeerde.

Behalve zijn prachtig stadskuis bezat de rijke, rijke meneer Bollekens ook nog een heerlijk buitenverblijf.

Het rees, anderhalf uur van de stad, lieflijk wit en roze, achter schoone, stille vijvers en zacht-glooiende grasvelden, tegen een majestueuzen achtergrond van hooge boomen op.

Zoolang zijn vrouw, die veel van buiten hield, leefde, had meneer Bollekens er geregeld ieder jaar de zomermaanden doorgebracht. Doch na haar overlijden werd het er hem te eenzaam en steeds kortte hij zijn verblijf meer en meer in, tot hij er weldra niet meer verbleef, doch er slechts heen en weer kwam, met zijn rijtuig, bij wijze van uitstapje, elken avond, zelfs in 't heetste van den zomer, naar de stad terugkeerend. De toenemende gehechtheid aan de Rosbach en de vrienden die hij er ontmoette, was daar ook niet vreemd aan; en ten slotte hadden de bezoeken zich bepaald tot drie in de week, na 't middagdutje, tusschen drie en zeven. Meneer Bollekens zoon, van zijn kant, deelde, aangaande de bekoring van het buitenleven, geheel en al de zienswijze zijns vaders; en zoo gingen zij meestal samen, gemakkelijk uitgestrekt op de zachte kussens van den ietwat ouderwetschen landauwer bespannen met twee paarden, wellustig sigaren rookend en zonder inspanning genietend van het mooie weer en de gezonde, frissche buitenlucht. Dan was de knappe meid meestal per trein vooruitgezonden om alles wat op orde te schikken en 't een of 't ander voor hen klaar te maken; en in die enkele uren dat hij op zijn buitengoed verbleef had meneer Bollekens dan ook wel tijd genoeg om met zijn tuinbaas en zijn werklieden te praten en zijn boeren, die bijna allen in den onmiddellijken omtrek woonden, desgewenscht op het kasteel te ontvangen of hen persoonlijk een bezoek te brengen. Tegen het uur van hun vertrek maakte de tuinman een paar mandjes met fijne groenten en vruchten gereed en daarmee vertrok alweer per trein de knappe meid, terwijl de beide heeren, die een hekel hadden aan bagage in hun rijtuig, zich nog eens lui en heerlijk in de kussens achteroverstrekten en onder het terugkeeren naar stad en Rosbach van de zachte, gouden avondlucht genoten.


De Rosbach! Begin, middenpunt en einde van den dag; centrum, navel van het leven! Rustoord van gezelligheid en welgedane vrede; maar ook brouwketel van twistgesprek en stoornis, als daartoe aanleiding bestond!

En er wàs aanleiding, die laatste dagen. In den stillen luister van dien allerschoonsten zomer, terwijl alles alom geluk en vrede scheen te ademen, woei er, van verre komend, een onbestemde angst en onrust over land en stad, die zich daar, in de anders zoo gezellige en zoo veilige Rosbach, bij de biertafeltjes omringd door welgedane stamgasten, tot een soort voelbare kwelling scheen te kristallizeeren.

Men sprak er van oorlog, van dreigenden, afgrijselijken, algemeenen oorlog. O, dat lag nog verre, nog heel, héél verre, en het was vaag en twijfelachtig en zou wellicht nooit komen; maar toch: het werkte en knaagde heimelijk; het was aldoor aanwezig, ook als men er niet over sprak; het hing, als een onzichtbare drukking over alles wat daar nu gebeurde.

De een zei: het komt, 't is vast en zeker en het kan niet anders; de ander zei: 't komt niet, het is onmogelijk, de menschen zijn niet gek; maar hij die zei: "'t komt niet" vreesde dat het toch wel zou komen; en hij die zei: 't komt wèl" hoopte toch maar, dat het nog niet zou komen.

De baas, doorgaans zoo kalm en zoo bedaard, met zijn grijsblond haar en zijn slaperige oogen, scheen opeens een ander mensch geworden. Zijn oogen waren angstig en onrustig in zijn doodsch gezicht gaan leven; hij stond niet meer als vroeger gansche dagen als gepoot achter zijn schenktafel; zijn dikke, ronde vrouw, die men meestal niet zag, stak nu elk oogenblik haar vettig angstgezicht van uit de kelderdiepten op; en voortdurend kreeg de baas bezoeken van zijn anders zoo ongewenschte landgenooten, waarmee hij stille, heimelijke, blijkbaar zwaarwichtige gesprekken hield.

Eens, op een avond, toen zij aan hun stamtafeltje kwamen zitten, werden meneer Bollekens en zijn zoon niet, als gewoonlijk, door den kellner, maar door den baas zelf bediend.

—Hè, waar is Rudolf dan? vroeg meneer Bollekens verwonderd.

De baas troebleerde zich. Even kreeg hij een vage kleur onder zijn doodsche wangen.

—Hij is weg, bekende hij eindelijk.

—Zoo! En waarom? vroeg meneer Bollekens.

—Hij is naar zijn land terug, antwoordde de baas, blijkbaar gegeneerd.

—Naar zijn land! Is hij dan geen Belg?

—Wel is zijn moeder een Belgische, maar zijn vader is nog een Duitscher, al woont hij bijna op de grens, voegde de baas er als ter vergoelijking bij.

Meneer Bollekens en zijn zoon werden eensklaps ernstig en stil. Hun oogen keken starend op hun bierglas en hun wenkbrauwen fronsten zich.

—Is hij als soldaat opgeroepen? Komt er oorlog? vroeg meneer Bollekens haast fluisterend, met een angsthik in de stem.

—Ach! wel neen, wel neen, wel neen! riep de baas eensklaps ongeduldig-zenuwachtig en bijna boos, alsof zoo iets toch àl te ongerijmd en gek was.

De heeren Bollekens voelden zich eenigszins gerustgesteld en proefden even van hun glas. Maar hun handen en hun lippen beefden en 't was of 't heerlijk bier niet meer zoo lekker smaakte.

—Er komt geen oorlog; 't is maar vage dreiging, verzekerde nog eens de baas en ging achter zijn schenktafel staan.


Doch de onrust zat er nu eenmaal in, en met de onrust en onzekerheid sloop in de eertijds zoo zalige Rosbach een eigenaardig, onnaspeurbaar gevoel van vaag wantrouwen. Niemand begreep eigenlijk waar het zich verschuilde, 't was nergens en het was overal; het hing in de lucht, in de berookte gelagkamer, over 't veranderd gezicht van den baas en zijn vrouw; het zat tot in het heerlijk bier dat zij dronken, en dat wel niet minder smakelijk was, maar toch werkelijk minder lekker smaakte. Eens, op een avond, kwam een der allertrouwste stamgasten, een dikke notaris, binnen, die geheimzinnig naast meneer Bollekens ging zitten en hem aan 't oor toefluisterde:

—Wist gij dat de baas drie zonen in Duitschland heeft?

—Drie zonen in Duitschland! herhaalde meneer Bollekens hevig opschrikkend.

—St! zoo hard niet, hij staat te luisteren, vezelde de notaris. —Drie zonen in Duitschland, die hier dikwijls geweest zijn, zonder dat wij wisten wie ze waren, en die nu alle drie in 't Duitsche leger opgeroepen zijn! St! niets zeggen... zwijgen... ik weet het van héél goed part en zal er nog meer van vernemen.

Meneer Bollekens' dikke, knobbeljichtige vingers beefden zenuwachtig om het oor van zijn glas.

Wat was dat nu allemaal? Wat beteekende het? Wat moest hij daarvan denken? Ging er nu ellendige, akelige stoornis komen in het zoo gezellig en aantrekkelijk leventje der heerlijke Rosbach?


Als naar gewoonte, dien namiddag, waren de heeren Bollekens, vader en zoon, per rijtuig, naar 't buiten gegaan. Ook de knappe meid was er gekomen en liep reeds te voet het eindje terug, met de groenten en vruchtenmandjes aan den arm, om bij het kleine station den trein te halen.

Het was een prachtig-mooie dag geweest. In den vroegen namiddag wellicht wel àl te brandend-heet, maar nu, tegen zonsondergang, was het verrukkelijk; en vader en zoon, wellustig op de kussens uitgestrekt, genoten innig. Meneer Bollekens vader keek naar het schoone, rijpe koren, dat golvend over 't stille, weelderige land in het avondrood lag te gloeien en opperde nog eens zijn meening, waarover ze 't vroeger reeds gehad hadden: dat het nu toch werkelijk wel tijd werd om de huur der boeren op te slaan. Meneer Bollekens junior haalde diep aan zijn lekkere sigaar en was het daar volkomen mee eens. Al had men het ook niet noodig om van te leven, toch was er geen reden om zijn pachters te verwennen, meende hij, vooral niet zoolang er geen oorlog kwam.

De oorlog! Daar had je 't alweer! Wat werd dat 'n angst en 'n obsessie! Je kon niet eens rustig meer ergens gaan wandelen; je Kon niet kalmpjes je glas bier zitten te drinken, of dadelijk drong dat gruwelbeeld, als 't ware van zelf in het gesprek. Vooral meneer Bollekens senior werd er telkens hevig door ontsteld en gansch uit zijn humeur geslagen.

—Zwijg daarover, er komt geen oorlog! beweerde hij nu ook weer, op kwaadaardigen toon, terwijl zijn rood gezicht van ontstemming opzwol en zijn dikke wenkbrauwen zich fronsten.

Zij waren dichtbij 't kleine station gekomen, waar de knappe meid haar biljet moest nemen om naar de stad terug te keeren en de trein naderde reeds in 't verschiet, zoodat de slagboomen der spoorbaan werden neergelaten en het rijtuig eventjes moest wachten. Er is al heel weinig bijzonders aan een locaaltreintje, dat een klein station zal binnenrijden: men let er nauwelijks op. Dit was dan ook 't geval met beide heeren Bollekens. Zij praatten onverschillig voort over het onderwerp dat hen bezig hield en wellicht hadden zij de aankomst van 't konvooi niet eens met eenige aandacht opgemerkt, als daar niet vóór 't stationsgebouw een dichte schaar van menschen had gestaan, die met blijkbaar gespannen nieuwsgierigheid den trein zagen naderen. Het trof meneer Bollekens vader en hij vroeg aan den wisselwachter, die bij 't seinhuisje stond:

—Wat scheelt er dan? Wat gebeurt er? —Soldaten, meneer; massa's soldaten, die binnen moeten. De oorlog is verklaard!

Meneer Bollekens en zijn zoon schokten letterlijk van hun zitplaats op. Wat! De oorlog verklaard! Zoo ineens!

—Jawel, meneer, 't bericht is van middag om twaalf uur afgekondigd, Verzekerde de wisselwachter. Ziet ge daar al die jonge mannen bij de statie? Die moeten allen mee.

Daverend kwam de trein het stationnetje binnengestoomd. Hij was lang, lang, of er geen eind aan kwam; en uit alle wagens, uit alle raampjes, uit alle portieren hingen risten jonge mannen naar buiten geheld, die zongen en brulden, en armen zwaaiden en stampvoetten en schreeuwden, alsof zij allen wild-krankzinnig waren. De koppen zagen gloeiend-rood van benauwde hitte, opwinding en drank en honderden handen zwaaiden hartstochtelijk met driekleurige vlaggetjes.

Bollekens junior was met één wip uit den open landauwer gesprongen. Hij dacht aan de knappe meid, die met haar groentenmandjes midden in 't afgrijselijk gedrang zou zitten en wellicht geen plaats zou vinden; of vond ze plaats, door al die opgewonden kerels ergerlijk gemolesteerd kon worden.

—Ik ga ze daaruit trachten te halen! riep hij zenuwachtig-opgewonden tot zijn vader.

—Dat gaat immers niet! antwoordde vader Bollekens gansch ontsteld en geprikkeld.

Maar Bollekens junior was reeds aan 't rennen. Hij holde, ondanks het formeel verbod van den verwonden wisselwachter, om den dreunenden trein heen en vloog naar de wachtkamers toe. Te laat! Het stationsgebouw was door gendarmen afgezet en onder donderend joelgedruisch reed de trein weg. Bollekens junior keek peilend door de vensterramen, maar zag de knappe meid niet meer.

—Nom de Dieu!... Nom de Dieu de nom de Dieu! raasde hij woedend in 't rijtuig terugstappend.

In gestrekten draf reden zij naar de stad terug. Meneer Bollekens vader beefde akelig. Meneer Bollekens junior zat stom, met verwrongen, bleek gezicht, op zijn sigaar te bijten.

—Maar dat is toch niet mogelijk! riep af en toe, als in een kreet van opstand, vader Bollekens. En waar hij om zich heen keek, over die schoone, rijke, kalme, gouden velden badend in avondglorie, waar nog zoovele menschen, gansch onbekend met de angstwekkende gebeurtenis, rustig aan den arbeid waren, scheen het schrikbeeld van den oorlog inderdaad iets ondenkbaars, een onding, een onmogelijkheid. Doch naarmate zij dichter bij de groote stad kwamen groeide een onrust, een gejaagdheid, die zich alom scheen te verspreiden. 't Stond op de ernstige gezichten der menschen te lezen, het concentreerde zich in de kleine groepjes die gewichtig met elkaar aan 't praten waren, het liep uiteen met al wat zich bewoog, naar rechts, naar links, langs alle kanten. De heeren Bollekens kwamen twee auto's tegen, in razende vaart, vol militairen, alsof zij reeds, stormenderwijze den vijand te gemoet snelden. En zoodra zij in de voorstad kwamen waren zij midden in een krioelende, geweldig-opgewonden menigte: gesticuleerende mannen met bleeke gezichten en donkere oogen; schreiende, kermende vrouwen met schreiende, kreunende kinders die aan haar rokken hingen; en krantenjongens overal, luid-uitschreeuwend het akelig nieuws, terwijl de losse blaadjes der extra edities door de handen fladderden en de gretige hoofden dicht op elkaar drongen, om allen tegelijk te lezen.

—Naar huis, naar huis, zoo gauw mogelijk naar huis! vermaande meneer Bollekens zijn koetsier, alsof hij daardoor een ramp voorkomen kon. En de paarden renden in gestrekten draf tusschen de steeds dichter op elkaar gepakte, opgezweepte menigte, die als 't ware uit den grond scheen te rijzen, die straten en pleinen vulde en in gonzende drommen naar het centrum van de stad toestroomde.

Toen het rijtuig vlak bij huis kwam, in de straat waar zich de Rosbach bevond, was er echter geen doorkomen meer aan. De heeren Bollekens begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij merkten slechts een kolossaal gedrang en hoorden enkel 't oproerig gejouw en geloei van de menigte; maar eensklaps zagen zij den witten gasbol boven den ingang van de Rosbach aan stukken vliegen, en meteen stormde een bende op de herberg af en brak er als een orkaan naar binnen.

Dadelijk stapten de heeren Bollekens haastig uit hun landauwer en gaven den koetsier bevel langs een omweg naar huis te rijden. Het was maar beter op zulke momenten niet in een rijtuig gezien te worden. Angstig door 't gedrang langsheen de huizen schuivend, geraakten zij eenige meters vooruit. Toen stonden ze weer, als vóór een levenden, dreunenden, deinenden muur. 't Geschreeuw klonk overweldigend. 't Was één aanhoudend gebrul en gejouw, terwijl steeds nieuwe benden opdrongen en de spiegelramen aan stukken rinkelden. De politie kwam aangerukt, doch machteloos flikkerden de gezwaaide sabels boven de woelende schouders en koppen. De heeren Bollekens zagen vechtende mannen neerstorten en weggesleept worden; en daarbinnen, in de Rosbach, was het als een pandemonium: stoelen, tafels, spiegels, glazen vlogen verbrijzeld in de menigte naar buiten; het bier en de likeuren stroomden over de treden in de straat; en heel het terrastuintje met bloemen, sierplanten en tafeltjes was omgekeerd en als onder een storm weggezweept. De heeren Bollekens zagen van op de straat ruwe kerels drank naar binnen hijschen, anderen vochten onder elkaar om het bemachtigen van eetwaren; en plotseling werd een volle ham naar buiten gegooid, waarop het gepeupel in wilde krioeling neerplofte en voor welks bezit het griezelig worstelde, als een bende wolven. Wat er van den baas geworden was, wist niemand. Alleen het rond gezicht der dikke vrouw verscheen een oogenblik met van schrik uitpuilende oogen aan een der bovenramen, maar zulk een woest gebrul steeg op, dat zij onmiddellijk onder angstgegil weer verdween en het raam dichtsloeg.

Toen kwam er eindelijk hulp opdagen: een escadron gendarmen te paard, in vollen draf, met getrokken sabel, de groote berenmutsen, als van woede overeind gerezen haren op hun dreigende koppen. In een oogwenk was de gansche straat schoongeveegd. Een paar roovers, die den tijd niet hadden weg te komen, werden nog gesnapt en dadelijk was de verwoeste Rosbach door een sterke politiemacht afgezet. Meneer Bollekens en zijn zoon, in het portaal van een winkeltje gedrongen, waren slechts, op gevaar van hun leven af, aan het geweld van de charge ontsnapt.

Meneer Bollekens begreep er niets van, van alles wat daar zoo plotseling gebeurd was. Hij stond te sidderen en te trillen op zijn beenen en hoorde, als in een nachtmerrie, de menschen uit het winkeltje vertellen, dat die baas uit de Rosbach een Duitsche spion was, dat men compromittante brieven in zijn huis gevonden had, dat men in zijn kelder Duitsche wapens en uniformen had ontdekt, en dat hij gëarresteerd was, en dat zijn vrouw ook gëarresteerd was, en dat ze beiden, den volgenden ochtend, in het stadspark gefusilleerd zouden worden.

Meneer Bollekens senior raasde en zuchtte. Wat leek de gansche wereld plotseling omgekeerd, in een tijdverloop van slechts enkele uren! Zijn vaderland in oorlog, die man uit de Rosbach, jarenlang een trouwe vriend, nu eensklaps een spion en een verrader; en de Rosbach, de dierbare Rosbach zelf, zijn toevluchtsoord, zijn levensvreugd, zijn echte tehuis, in puin en gruis geslagen, vernield, vernietigd! Was er nog wel iets in de wereld vast en veilig, en zou het opgezweepte gepeupel straks ook niet zijn eigen schoone woning stuk gaan slaan, alleen maar omdat hij een trouwe stamgast van de Rosbach was, omdat hij jarenlang op vertrouwelijker en vriendschappelijker voet met den baas uit de Rosbach had omgegaan?

Hij wilde naar huis, hij wilde dadelijk naar huis, en ook zijn zoon, in zenuwachtige overspanning, wilde weg, vol angst en vrees hoe het wel met de knappe meid in dien stampvollen trein met opgewonden soldaten afgeloopen was. Zij staken eerst voorzichtig 't hoofd naar buiten en schoven dan langs de muren weg en 't was hun een verademing toen zij het mooie gebouw nog overeind zagen staan. Meneer Bollekens zoon holde naar binnen, hoorde dat de knappe meid behouden aangekomen was, rende de trappen op, had dadelijk met haar een dringend, vorschend onderhoud. Alles was goed, Goddank; en na al die schrikkelijke emoties ging het leven toch maar weer zijn gewonen gang. De keukenmeid liet zeggen dat het souper al 'n heele poos klaar was en of de heeren asjeblief aan tafel wilden gaan.

Zeker wilden zij! Zij hadden honger gekregen door al die schokkende gebeurtenissen. Veilig geborgen in hun prachtig huis dat sterk was als een forteres, rijk en gezellig neergezeten bij een weelderigen disch welken de knappe meid zorgzaam en fijn bediende, voelden zij reeds minder de knellende dreiging der toekomst. Maar de emotie bleef, heel sterk en diep; en terwijl hij met bevende hand het eerste hapje naar zijn mond bracht, werd meneer Bollekens er weer door overweldigd en moest hij vork en mes neerleggen. Het ging niet, hij kón niet eten ofschoon hij rammelde van den honger. En eensklaps werd hij week-weemoedig en barstte in snikken uit, terwijl groote tranen over zijn dikke, roode wangen rolden.

Het was een heele opschudding! De zoon dacht dat zijn vader een beroerte kreeg en snelde hem ter hulp en de knappe meid stond even als versteend van ontsteltenis, met vurige wangen en verschrikte oogen tegen het buffet gedrongen. Meneer Bollekens bedaarde, doch bleef zijn eten weigeren. Neen, het ging niet, hij kón niet. Zoo iets was in geen jaren gebeurd. De zoon stond er radeloos van en de knappe meid liep eensklaps, als onder den drang eener spontane ingeving, met vlugge schreden naar de keuken toe.

De keukenmeid, amechtig hijgend, verscheen op den drempel der eetkamer.

—Maar meneer toch! Maar meneer toch! riep zij, gansch ontdaan de handen in elkaar slaande. En zij begon een heele reeks fijne schoteltjes op te noemen, die meneer misschien wèl zoude lusten.

—Neen, Marie; neen, Marie; ik kàn niet, ik kàn niet, herhaalde meneer Bollekens bevend en moedeloos.

De meid verdween, als door een onverdiende ramp getroffen, en meneer Bollekens stond zwaar-zuchtend van tafel op.

—'K ga naar mijn bed, kreunde hij.

Een stilte van consternatie begeleidde zijn pijnlijken aftocht. Meneer Bollekens zoon steunde zijn vader onder den arm en de knappe meid volgde, schoorvoetend, even haltend op elke trede, als een oplettende en zorgvolle verpleegster.


De dagen die volgden waren dagen van rustelooze agitatie. Al de dienstplichtige mannen hadden hun oproepingsbevel ontvangen en van den ochtend tot den avond en soms gansche nachten dreunde de groote stad onder het onophoudend aankomen en doortrekken van infanteristen, cavaleristen, artilleristen; van paarden, wagens en kanonnen, van honderden en honderden automobielen, van alles wat de mobilisatie van een gansche veld-en-vestings-leger noodig heeft of met zich mede sleept.

Wat al onverwachte en aangrijpende tafereelen woonden de heeren Bollekens nu voortdurend bij! In hun zelfzuchtig bestaan van rijke renteniers was de wereld tot nog toe voor hen tot het beperkt en bekrompen kringetje hunner vaste, steeds herhaalde genoegens en gewoonten afgebakend geweest; en nu woei daar eensklaps als een felle, forsche adem overheen, die aan alles een nieuwe beteekenis en waarde gaf. Zij voelden dat hun rijke-menschen-leven niets meer was, dat gansch andere, nieuwe krachten hun omgeving beheerden en beheerschten. Zij werden voor het eerst gewaar wat de vaderlandsliefde was, dat ongekend gevoel 't welk tot dus verre voor hen slechts de beteekenis eener van buiten geleerde schoolles had, en dat nu plotseling bestónd, hoog en groot, in forsche schoonheid, diep-ontroerend en tastbaar alles-overweldigend, sinds een gewetenlooze vijand met ruw geweld den dierbaren geboortegrond had durven schenden. Meneer Bollekens en zijn zoon, door nationale liefde bezield, stonden met duizenden anderen uren lang op straat de vertrekkende soldaten toe te juichen, terwijl de tranen in hun oogen kwamen en hun hart van krijgshaftigen trots en glorie bonsde en gloeide.

Dat duurde zoo ettelijke dagen. Toen waren al de troepen weg en 't gewone leven kreeg opnieuw zijn vroegere beteekenis. Wel hielden de oorlogsberichten der couranten er aanhoudende spanning in, doch dat gebeurde nu op verren afstand en van den eigenlijken oorlog was, in de stad die meneer Bollekens bewoonde, voorloopig niets meer te bemerken.


Wat was er dan ook wel veranderd? Feitelijk niets. Meneer Bollekens vader was van zijn eerste emotie heel en al bekomen; meneer Bollekens zoon had zich kunnen overtuigen dat der knappe meid geen ongeval was overkomen; de keukenmeid, een enkel oogenblik van streek toen haar meester zijn avondmaal weigerde, was weer geheel de oude en kookte lekkerder dan ooit te voren; alles, álles in hun leven was 't zelfde gebleven en zij gingen zelfs weer geregeld met het rijtuig naar de mooie buitenplaats; niets was veranderd behalve de Rosbach, de vroeger zoo gezellige, nu kort en klein geslagen Rosbach, die met haar dicht-gespijkerde deur en ramen een droevig toonbeeld van vernieling en verlatenheid geworden was.

Bollekens vader en zoon, evenals de dikke notaris, evenals al de andere trouwe stamgasten, waren nu verwoed op de Rosbach, hadden geen woorden van verachting en van haat genoeg om er de Rosbach mee te brandmerken. Die schandelijke spionnen, die gemeene bandieten, wat hadden zij hun trouwe, vaste klanten, die jarenlang hun beste vrienden waren, bedrogen en verraden! Allerlei tegenstrijdige geruchten waren in omloop: de baas en zijn vrouw waren werkelijk gëarresteerd en beiden op een vroegen ochtend in het park gefusilleerd; de baas was gëarresteerd en gefusilleerd, maar zijn vrouw was in vrijheid gelaten; de baas was gevlucht en zijn vrouw was alleen in de kroeg overgebleven waar ze zich verscholen hield. Dat alles werd verteld en niemand wist er 't ware van. De gansche voorgevel van de Rosbach was met een planken beschot afgeslagen en een politiediender hield er streng de wacht voor. Meneer Bollekens vader had hem reeds een paar keer ondervraagd, maar de stugge man liet absoluut niets los. Hij wist in 't geheel niets mee te deelen; zijn opdracht was de Rosbach te bewaken; dat deed hij en verder ging het hem niet aan en als die heeren er meer van wenschten te vernemen, dan moesten ze zich maar tot de stedelijke overheid wenden.

Tot de stedelijke overheid! De heeren Bollekens vader en zijn zoon, en ook de dikke notaris en de verdere stamgasten hadden al heel weinig relaties met de stedelijke overheid. De dikke notaris had eens van verre gepoogd een der wethouders te polsen, maar was barsch en leelijk afgescheept geworden. En toch: zij hadden 't zoo graag willen weten, want er was iets, iets dat ze werkelijk met geen woorden konden uitdrukken en dat hen toch zoo hevig en zoo kwellend plaagde. Die heeren durfden het onderling aan elkaar niet en aan zichzelven nauwelijks bekennen: zij misten de Rosbach. Zij hadden behoefte aan de Rosbach; zij werden ziek en bedroefd omdat ze 't heerlijk bier van de Rosbach niet meer mochten drinken!

Het was geen kortswijl, geen eigenzinnige gril; maar werkelijk een tyranisch-dwingende behoefte. In al die lange jaren van dagelijksch trouw daar komen was het een manie geworden, iets dat zij hebben móésten om voldaan te kunnen leven. Er waren andere koffiehuizen genoeg in de stad en om beurten hadden zij er reeds velen "geprobeerd" doch niets voldeed, overal grijnsde dadelijk de Teleurstelling tegen. Er was maar één Rosbach, maar één enkel kroegje waar ze 't dol gezellig hadden, maar één enkel soort bier waarnaar zij verlangden en snakten en waar hun maag naar grolde van graagte: het heerlijke bier van de Rosbach!

Vooral meneer Bollekens vader voelde zich weldra zeer ongelukkig en ontredderd. Vele van die andere heeren hadden nog hun bezigheden waar te nemen; maar hij had niets, wist in 't geheel niets aan te vangen met de lange uren die hij anders aan het pleisteren in de Rosbach besteedde. Het ging niet alleen op zijn moreel, maar ook op zijn physiek gestel noodlottig inwerken; en nu kreeg hij eens aan eigen proefneming de glasheldere ervaring welke ezels toch de doctoren waren. Zij hadden hem zóó dikwijls verboden het bier van de Rosbach te drinken omdat het fataal was voor zijn knobbeljicht; welnu: sinds meer dan een week dat hij geen druppel meer geproefd had, leed hij folterpijnen en stonden zijn vingers en zijn teenen kromgetrokken van de kalkaanzetting. Was dit geen duidelijk bewijs, dat het bier van de Rosbach hem niet alleen geen kwaad deed, maar dat hij het bepaald noodig had voor zijn gezondheid?

Hij begon daarover zwaar te tobben. Was er nog maar een ander Duitsch bierhuis geweest in de stad, waarvan de baas zich niet als spion en landsverrader had gedragen! Maar overal was het 't zelfde geweest en overal werd de boel ook stuk geslagen. Iedere kneip was als een spionnen-nest vernietigd. Meneer Bollekens voelde zich het slachtoffer van een toestand waarin hij niets geen persoonlijke schuld had. Zijn gezondheid moest lijden, zijn leven moest wellicht ten onder gaan door de misdaad welke anderen bedreven hadden!

Hàdden zij werkelijk die schandelijke daad bedreven? Somtijds, in sombere wanhoopsuren, ging meneer Bollekens daar wel aan twijfelen. Was het wel voldoende bewezen, bewèzen, dat de baas uit de Rosbach verraad had gepleegd? Was men niet veel te gauw, met ruw geweld, tegen hem te keer gegaan, alleen omdat hij Duitscher was? En wat was er nu eindelijk van aan, van al die tegenstrijdige verhalen: dat hij en zijn vrouw gefusilleerd waren; dat ze niet gefusilleerd maar wel gevlucht waren; dat ze niet gevlucht, maar zich nog steeds, als nagejaagde wilde beesten ergens in een hoek van de Rosbach verscholen hielden?

Het onopgehelderd raadsel kwelde en pijnigde meneer Bollekens aanhoudend; en dikwijls, in zijn droeve, doellooze uren, ging hij voorbij de Rosbach slenteren en keek hij verlangend naar die doode, strakke muren op, alsof ze voor hem het geheim zouden oplossen.

De waakzaamheid der politie was er na de eerste opgewonden dagen zeer verslapt en al kuierde nog wel om en bij de planken-afsluiting een min of meer wachthoudende politiediender, toch was er blijkbaar geen zóó onverbiddelijk streng verbod meer, dat men niet een oog daarin zou kunnen wagen. Meneer Bollekens had het dan ook reeds meer dan eens gewaagd en een aangrijpend idee gekregen der desolatie van wat eenmaal het toppunt der gezelligheid was. Was het niet wanhoopschreiend al die stukgeslagen stoelen, tafels, spiegels en dat alom gemorste, heerlijk bier, waarvan de halfgedroogde, vieze plassen nog den vloer bezoedelden? Het stemde meneer Bolleken te droevig en hij verwijderde zich spoedig uit dat oord van dood en ramp. Doch eens, bij scheieravond, terwijl hij daar alweer in wanhoop stond te kijken, schrikte hij geweldig. Hij meende, neen, hij was ervan verzekerd, eensklaps in dat oord van vernieling en verlatenheid een vage stommeling te hooren, boven de gehavende gelagkamer. Het ontstelde hem zoo hevig, dat hij in allerhaast wegvluchtte en aan den overkant der straat bevend tegen een huis ging staan. En wat zag hij van daar uit, als in een droom, als in een nachtmerrie? Achter een raam op de eerste verdieping der Rosbach, het angstgezicht van een vrouw,—de dikke vrouw van den baas—die duidelijk naar hem keek en naar hem wenkte, alsof zij hem wou binnenroepen!

Het scheelde weinig of meneer Bollekens slaakte hardop een kreet in de straat. De verschijning was zóó onverwacht en zóó ontzettend, dat hij haast zijn oogen niet gelooven kon. Hij meende een uit haar graf verrezene te zien. Maar het gezicht stond daar in volle werkelijkheid achter het raam, en nog eens wenkte het, heel duidelijk, meteen in 't sombere van het vertrek terugdringend, als om hem met zich mee te trekken. En meneer Bollekens, als onder hypnotische macht, gehoorzaamde machinaal, stak de straat, die op dat oogenblik verlaten was, dwars over en kwam bij het planken beschot. Daar was een wrakkig deurtje in de ruwhouten omheining, met een enkel duwtje week het en meneer Bollekens, met inspanning over het puin heenschrijdend, stond in de verwoeste gelagkamer der Rosbach. De trapdeur was in den achtergrond open en te halver hoogte langs de treden hield zich de dikke vrouw, op meneer Bollekens wachtend. Haar handen wrongen zich in elkaar toen zij hem zag, haar mondhoeken trokken gepijnigd naar omlaag en tranen sprongen uit haar oogen, terwijl zij zuchtend snikte:

—Aber bitte, kommen Sie herauf, Herr Bollekens.

Meneer Bollekens voelde zich diep aangedaan. Het streed in hem, geweldig, tusschen vaderlandschen haat en menschelijk medelijden. Hij had terug willen gaan, hij voelde 't als zijn plicht terug te gaan, en toch trok een onoverkomelijke macht hem mede, de trap op, achter de dikke vrouw. Hijgend kwamen zij op een portaal, volgden een smalle, sombere gang, hielden stil vóór een deur, die de vrouw open duwde.

Meneer Bollekens trad binnen. Was hij verbaasd en ontsteld geweest door het verschijnen van de dikke vrouw achter het bovenraam, wat hij nu zag joeg hem als een gruwelschrik om 't hart.

Hij stond in een klein, armoedig kamertje, een soort van keukentje met een kachel, een tafel en enkele stoelen, dat door één enkel raam verlicht was en een vergezicht opende over een gedeelte van de stad met schoorsteenen en daken en over eene wijde hemelsuitgestrektheid, waarin de glanzend-roode zon door grijze wolkenforten naar het prachtig Westen daalde. Het kontrast was aangrijpend tusschen de rijke glorie daarbuiten en de schamele bekrompenheid daarbinnen; maar het werd tragisch toen een man, dien meneer Bollekens in de schemering niet gezien had, van naast het tafeltje opstond en zijn donker silhouet tegen het nog helder raam afteekende. Meneer Bollekens herkende hem niet dadelijk. Hij moest eerst den klank zijner stem hooren, maar toen schrikte hij zóó geweldig, dat hij met een doffen gil naar de deur terugdeinsde.

Het was de baas uit de Rosbach! Meneer Bollekens, die hem gevangen genomen en gefusilleerd waande, slaakte een kreet:

—Waar komt ge vandaan! Ik dacht dat ge doodgeschoten waart!

—Ze hebben mij gevangen genomen en mij willen fusilleeren, maar toen zij ondervonden dat ik onschuldig was, hebben ze mij weer losgelaten, antwoordde de man met holle stem.

Meneer Bollekens sloeg van ontzetting de handen in elkaar en verademde.

—Goddank! Goddank! Goddank! herhaalde hij voortdurend.

De dikke, steeds schreiende vrouw bood een stoel aan en meneer Bollekens ging zitten. De baas uit de Rosbach nam plaats tegenover hem en begon langzaam, met droeve stem, te vertellen.

Zij waren onschuldig, geheel en al onschuldig van de misdaad, die men hun te laste legde; maar zij waren Duitschers, helaas! en daardoor verdacht en slachtoffers geworden van de opgezweepte menigte. Toen alles bij hen stukgeslagen was had men hen aangehouden en huiszoeking gedaan en natuurlijk niets gevonden, want er was niets te vinden. Men had hen weer in vrijheid gesteld, maar wat hadden zij aan die vrijheid? Met het opgewonden volk viel niet te redeneeren: zij bleven voor alleman de bedriegers en verraders en konden zich, op gevaar van hun leven af, nergens meer vertoonen. Sinds tien dagen zaten zij hier opgesloten, levend van wat zij nog in huis gevonden hadden en vooral van 't bier dat gelukkig nog in den kelder was; maar sinds den vorigen dag waren de levensmiddelen op en nu zouden zij van honger zitten sterven, als niemand hulp kwam verleenen. Sinds dagen had de vrouw meneer Bollekens om het huis heen zien draaien en getracht hem teekens te doen, maar hij had er nooit iets van gemerkt, tot hij het nu, gelukkig, toen de nood ten top gestegen was, eindelijk gezien had. En nu smeekten zij, nu smeekten zij beiden meneer Bollekens op hun knieën, dat hij hen toch zou willen helpen, hun eenige levensmiddelen zou bezorgen, om hen van den hongerdood te redden.

Star en als versteend zat meneer Bollekens te luisteren. Het woelde diep in hem van tegenstrijdige gevoelens, van schrik en medelijden, van vaag wantrouwen ook nog, maar een heele poos zei hij geen enkel woord. De baas zat weerom tragisch-roerloos nu, met zijn donker gezicht tegen het heldere raam, en de vrouw, die even in de hoop op redding tot bedaren was gekomen, begon opnieuw te zuchten en te schreien, denkend dat meneer Bollekens' lang stilzwijgen een afwijzend antwoord beteekende.

—Ach bitte, bitte nur, lieber Herr Bollekens, snikte zij met wringende handen... Maar eensklaps maakte meneer Bollekens een breed gebaar en, met een stem die trilde van vrees en verlangen:

—En... is ook al het bier nu op? vroeg hij.

De stille, droeve man scheen even op te leven.

—Bier hebben we nog genoeg, meneer, maar van bier alleen kan 'n mensch toch niet leven, antwoordde hij gedrukt.

Meneer Bollekens was opgestaan. Hij keek omzichtig rond zich heen, als vreesde hij onbescheiden getuigen. Toen boog hij over 't tafeltje en zei halfluid:

—Verkoop mij enkele vaatjes bier, ik zal er u eetwaren voor in de plaats geven.

Zij sprongen bijna op van blijdschap.

—Ach lieber Herr, lieber Herr! weemoedigde de dikke vrouw. En zij knelde meneer Bollekens' knobbeljichtige handen in de hare, als van een redder.

—Maar zwijgen, hoor, zwijgen! deed hij hen plechtig beloven.

Zij knikten met het hoofd, keurden goed, beloofden alles wat hij maar wilde.

In korte woorden werd besloten dat de kleine biertonnen 's avonds laat, door meneer Bolleken's koetsier en een helper weggehaald zouden worden; en op dezelfde wijze zouden ook de baas en zijn vrouw van levensproviand worden voorzien.

Meneer Bollekens stond klaar om te vertrekken en toch ging hij nog niet. Het was alsof hem nog iets ontbrak, dat hem moest aangeboden worden. Doch zij dachten er blijkbaar niet aan en eindelijk vroeg hij het zelf:

—Kunt ge mij nu maar niet dadelijk een glas geven? 'k Heb toch zoo'n dorst!

Een soort van glimlach zweefde even op de lippen van den baas, terwijl de vrouw zich, met excuses dat ze 't niet had aangeboden, naar den kelder spoedde. Ja ja, dat lekker bier, eenmaal als men er aan was gewend geraakt!...

Hijgend kwam de dikke vrouw terug, met een groote kruik en twee glazen. Meneer Bollekens' oogen glommen waterig, alsof er tranen van ontroering in beefden. Met trillende vingers nam hij 't volle glas, wenkte even prosit naar den baas en dronk, met volle teugen, als een verdorstigde. 't Was leeg ineens, hij zoog met opgekrulde tong het bruinachtig schuim van zijn dikke snor, en liet zich nog eens inschenken, en dronk ook weer tot den bodem, alsof hij niet te verzadigen was.

Toen wou hij weg. De steeds diep-gealarmeerde vrouw poogde hem nog even aan de praat te houden over dien ellendigen, ongelukkigen oorlog, die hen allen zou ruïneeren; doch meneer Bollekens werd gejaagd en zenuwachtig; hij was misschien wel zeer onvoorzichtig geweest daar te komen; niemand mocht het weten, men zou het hem geweldig kwalijk nemen, hij kon zelf als landsverrader aangehouden worden, 't moest alles héél geheim gebeuren; en hij dwong de dikke vrouw met hem mee beneden te komen en om den hoek van het houten beschot te gaan loeren, of soms niet de politiediender of wie ook in de straat te zien was.

Hij voelde zich eerst gerustgesteld toen hij weer veilig in zijn prachtig huis zat.


Als die oorlog nu ook maar aan een einde kwam!...

De heeren Bollekens vader en zoon volgden hartstochtelijk het nieuws in de dagbladen en daarin lazen zij van al de groote zegepralen, die de vaderlandsche troepen op de vijanden behaalden. Maar ondanks alle tegenslagen kwam de gehate, overtalrijke vijand steeds nader en nader en de verschrikte heeren Bollekens lazen weldra van afgrijselijke moorden, brandstichtingen, plunderingen, verkrachtingen, welke de woeste horden op hun vernielings-doortocht bedreven.

Overweldigend greep hen dat aan. De groote veldslagen, waar duizenden en duizenden slachtoffers vielen, waren minder afschuwelijk dan die afzonderlijke misdaden. Een leger was een anonieme macht, die gemeenschappelijk vocht en overwon, of gemeenschappelijk overwonnen werd en sneuvelde; maar elke leeggeplunderde en platgebrande boerderij of woning was als een van hun eigen boerderijen of woningen die uitgestolen werd en afbrandde! elke burger die gedood werd een eigen vriend of een familielid die men vermoordde; elke vrouw die werd mishandeld, een eigen welbekende of welbeminde vrouw, die men mishandelde. Het vaderlands-begrip, dat in de eerste opwelling van hartstocht zich wijd en breed over al de kinderen des lands vertakte, kromp voor de heeren Bollekens meer en meer tot een steeds nauwer sluitend kringetje ineen, naarmate het onmiddellijk gevaar voor hen steeds nijpender en dreigend werd. Het Vaderland, dat was per slot van rekening hun eigen huis, hun geld en goed, hun eten en hun drinken, alles wat zij noodig hadden, alles waar zij recht op hadden om gemakkelijk, genoegelijk en welgesteld te kunnen leven.

Alles wat zij niet onmiddellijk en voor dagelijksch gebruik noodig hadden, alles wat kón verborgen worden, werd verborgen. In een somberen hoek van den diepen kelder graaide de zoon eigenhandig een diepen put en daarin verstopten zij heimelijk een massa goud en zilver, vorken, lepels, schalen, allerlei kostbaarheden en juweelen. Geen ander mensch wist daar iets van af; alleen de knappe meid was op de hoogte, maar dat mocht ook wel, die was solidair met hen en behoorde om zoo te zeggen tot de familie.

Een groote zorg en droefheid was voor meneer Bollekens vader zijn rijk-voorziene wijnkelder. Als ze dáár ooit inbraken!... Maar hij wist er geen raad mee, hij kon toch al die duizenden flesschen in den grond niet stoppen en hij vertrouwde maar op goed geluk, evenals hij hoopte dat zijn prachtig buiten niet geplunderd en zijn rijke boerderijen niet uitgebrand of platgeschoten zouden worden.

Meneer Bollekens zoon, van zijn kant, had ook wel zijn afzonderlijke zorgen. Hij dacht voornamelijk aan de knappe meid en hoe hij die met volle rust en zekerheid tegen alle gevaar zou kunnen beschermen. Hij had de zaak reeds grondig bestudeerd en vele plannen vastgesteld, die hij om de beurt, als ongeschikt of ontoereikend, opgegeven had. Eerst dacht hij haar buiten, bij een hunner meest vertrouwde boeren in veiligheid te brengen, als het oogenblik daarvoor zou gekomen zijn. Hij zag er van af. De vijand liep en speurde immers overal, tot in de meest-afgelegen dorpen en gehuchten. En ook, zelfs zonder de vrees voor den vijand, en zelfs bij de degelijkste en meest vertrouwde hunner pachters, voelde hij de knappe meid toch nog niet heelemaal in veiligheid. Toen dacht hij haar ergens in huis te verstoppen waar men haar onmogelijk vinden zou. Ook alweer niet goed. Het huis, hoe groot en ruim ook, had geen geheime plaatsen, waar iemand zoo maar dag aan dag—en voor hoelang misschien,—kon opgeborgen blijven. Het was wanhopend; meneer Bollekens junior scheen maar geen raad te kunnen vinden, toen hij plotseling, als door openbaring, op een idee kwam, die hem den vinger, in een gebaar van wijsheid, op 't voorhoofd deed drukken. Hij had het gevonden!...

Hij had het gevonden, maar deelde 't aan niemand, zelfs en vooral niet aan zijn vader mee. Het middel moest geheim blijven tot het oogenblik daar was dat het gebruikt zou worden; en werd het niet gebruikt zooveel te beter: dan had ook niemand er iets mee te maken.

De beide heeren voelden zich geruster, nadat zij eenmaal, in zooverre mogelijk, al hun voorzorgen genomen hadden. Ten slotte was nog niet zoo erg veel door den oorlog aan hun levenswijs veranderd; zij waren er heel wat beter aan toe dan zooveel anderen, heel wat beter bij voorbeeld dan de dikke notaris en de overige stamgenooten der Rosbach, die nog maar steeds bleven treuren over de vernieling der gemoedelijke herberg, zonder er iets voor in de plaats te vinden.

Want zij, de heeren Bollekens, hadden er wel degelijk iets op gevonden. De lekkere tonnetjes waren heimelijk 's nachts uit de Rosbach weggehaald en nu hadden de heeren Bollekens zich in hun eigen huis en voor zichzelven een soort miniatuur-Rosbachje ingericht, waar zij op hun gewone vaste uren de lekkere biertjes verorberden. Zij zaten er aan een klein tafeltje, net als in de echte kneip, zij hadden er de typische glazen en kruiken, de lange pijpen, tot zelfs de vereischte worsten en de gezouten plakken ramenas; en de knappe meid diende, met een schortje aan en met haar vriendelijksten glimlach, als een ware kellnerin. 't Was in het souterrain, in een verscholen kamertje, waar geen mensch hen kon storen, en zij smulden er letterlijk van hun gezelligheid en hun geluk, zoo dat ze soms heusch niet meer wisten of ze de Rosbach zelf nog wel betreurden en er volstrekt niet zoo heelemaal zeker van waren dat zij, ook als het mogelijk was, er nog heen zouden gaan. Vader Bollekens' gezondheid was ook dadelijk weer uitstekend geworden, hij leed haast niet meer van zijn knobbeljicht en de gezwellen aan zijn vingers waren zoo goed als verdwenen (wat nog wel eens het duidelijkst bewijs was welke ezels toch die dokters waren) en hun eenig bezwaar was eigenlijk dat zij iets laakbaars deden, iets antipatriotisch, iets, dat men hen zou kwalijk nemen als het moest bekend zijn. Soms voelden zij werkelijk wroeging en het gebeurde, wanneer de couranten weer akelige dingen over de wreedheid van den vijand mededeelden, dat zij van het vijandelijk bier, hoe lekker ook, niet meer wilden proeven. Zij schaamden zich, zij werden woedend, zij zwoeren er hun eed op dat zij niet meer wilden. Maar de maag wilde nog, de maag leed, de maag eischte, de maag grolde en roffelde van graagte naar het bier, en zij bezweken...


En zoo kwamen van lieverlede de benauwde uren...

Al lang had het kanon gegromd in de verte, als een verwijderd onweer, maar sinds de laatste dagen was het duidelijker hoorbaar, in bonzen en slagen, die soms de ruiten deden daveren, terwijl gansche, leeggeloopen gewesten in wanorde naar de stad kwamen gevlucht. Aldoor maar naderde de afschuwelijke vijand die, naar het heette, steeds werd overwonnen, en eindelijk, op een ochtend, nadat de laatste vaderlandsche strijders met hun legertros in haast waren teruggetrokken, was hij daar, zoo heel natuurlijk, alsof 't van zelf sprak dat hij daar verwacht werd en zou komen: eerst slechts enkele kerels te paard of per rijwiel, en dadelijk daarop drommen, en drommen, en drommen: een dreunende invasie van grijs-gëuniformde, grijs-gehelmde, griezelig-zingende horden, met paarden, wagens, auto's en kanonnen, die zich als een vloed over de gansche stad verspreidde.

De heeren Bollekens vader en zoon, in hun huis verscholen, hoorden en zagen dat van verre aanbruisen. Daar waren ze nu eindelijk, de alom gevreesde overweldigers, de veroveraars, de wreedaards! Zij hielden reeds de gansche stad onder hun hiel gedrukt en 't eertijds vrije volk was in een slavenras veranderd.

De heeren Bollekens waren diep ontroerd. Zij vergaten voor een oogenblik hun zelfzuchtigen angst en voelden diep mee het onrechtvaardig lijden van hun gansche volk. Zij verwenschten en vervloekten den gehaten vijand en sidderden van machtelooze woede. Zij zagen van verre de verfoeide benden over een breed plein openvloeien; zij hoorden het snerpend-schril gefluit en het gebrul der commando's en plotseling barstte juichende muziek los en klonken wilde hoezee-kreten, terwijl de horden uit elkaar stoven. En op datzelfde oogenblik woonden de heeren Bollekens een schouwspel bij, dat hen van ziedenden toorn de vuisten in elkaar deed krimpen: als onder een rukwind stortte eensklaps het houten beschot vóór de vernielde Rosbach ten gronde en de baas kwam jubelend, met zwaaiende armen, midden op de straat staan, terwijl zijn dikke vrouw, met rood-verhit gelaat, een van de bovenramen openrukte en er een wapperende, vijandelijke vlag uithing!

—O, de schurken, de spionnen, de verraders! Dàt zal niet vergeten worden! gromden de heeren Bollekens, bleek van woede, met gebalde vuisten.

Meneer Bollekens vader was opgestaan en liep gejaagd heen en weer. Hij deelde bevelen uit aan den koetsier en aan de keukenmeid, die met tranen van schrik in de oogen kwamen vragen wat ze nu moesten doen. Meneer Bollekens junior drukte zenuwachtig op het knopje der electrische schel en liet de knappe meid naar boven komen.

Zij stond daar dadelijk, in donkere kleedij, met hooge kraag en slechts enkele bescheiden versierselen, als iemand die een stillen rouw draagt. Aan den middenvinger van haar rechterhand blonk een effen ronde ring: een trouwring. Ietwat verwonderd keek meneer Bollekens senior haar aan.

Ondanks al zijn brutaal aplomb van verwende eenige zoon, kostte 't Bollekens junior toch wat inspanning om aan zijn vader de list te bekennen dien hij verzonnen had, om eventueel de eer en deugd der knappe meid te redden. Er werd verwacht, zooals in andere plaatsen was gebeurd, dat de gegoede burgers van de stad gedwongen inkwartiering van den vijand zouden krijgen. Men wist wat dat beteekende. Die kerels eischten van alles het beste en het duurste; niets werd ontzien en wel het minst de eer der vrouwen. Zulk een knappe meid, dat sprak vanzelf, was een aangewezen slachtoffer. Dat zou de heer Bollekens junior in zijn vader's huis niet dulden. Hij had er lang op gestudeerd hoe hij haar redden kon; hij had eraan gedacht haar hier in huis of buiten bij de boeren te verbergen; doch dat alles zou niets baten en eindelijk, als laatst en eenig reddingsmiddel, had hij besloten haar aan die kerels, als zij kwamen, voor te stellen als zijn wettige vrouw, om haar te doen eerbiedigen.

Meneer Bollekens vader schokte letterlijk van verontwaardigde verbazing op.

—Ja maar, enfin, zijt ge zot geworden, jongen! gilde hij 't uit.

De knappe meid kreeg een vuurkleur en haar mooie oogen fonkelden even toornig, terwijl zij, als in plotsen opstand, een beweging naar de deur maakte.

—Blijf hier! gebood haar, kortaf, Bollekens junior. En, tot zijn vader, met stugge vastberadenheid:

—Papa, 't een of 't ander, zei hij. Ofwel zooals ik zeg; ofwel ik met haar weg!

Meneer Bollekens vader slaakte een wanhoopskreet.

—Maar wat zullen de koetsier en de keukenmeid daarvan zeggen? kreunde hij, reeds wankelend.

—Dat is al allemaal geärrangeerd; alles in orde, verzekerde de zoon.

Machteloos-overwonnen zakte meneer Bollekens in een leunstoel neer.

Hard werd buiten aan de deur gebeld. De beide heeren schrikten hevig op.

—Zouden ze daar al zijn? hijgde vader Bollekens.

De zoon vloog naar het raam en zei dat de straat vol soldaten stond. In en om de Rosbach krioelde 't als in een mierennest.

—Ach God! Ach God! jammerde meneer Bollekens, een bevende hand op zijn bonzend hart drukkend.

De salondeur werd geopend en doodsbleek, met groote, zwarte schrikoogen verscheen de keukenmeid op den drempel.

—Meneer, er zijn er daar al twee en ze zeggen dat ze hier komen inwonen! verklaarde de meid, amechtig-hikkend. Wat moet ik er mee doen, meneer.

Vader Bollekens gaf niet dadelijk antwoord; hij kon niet. Hij zakte in zijn leunstoel achterover, met half open mond en even dichte oogen, alsof hij een beroerte nabij was.

—Wat zijn het? vroeg de zoon, die zich nog betrekkelijk goed hield.

—Wat belieft er u, meneer? vroeg de verwilderde meid, niet begrijpend wat de zoon bedoelde.

—Wel, wat of 't zijn: officieren of simpelen? herhaalde hij ongeduldig.

—Officieren, meneer, officieren, ze hebben gezegd dat z' officieren zijn, antwoordde de ontstelde meid deemoedig.

—Goed; laat ze boven komen, besloot meneer Bollekens junior op een toon alsof hij een heldhaftig besluit nam. De meid verdween.

—Ga daar zitten, in dien fauteuil, recht voor Papa, zei de zoon tot de knappe meid. En hij begeleidde haar tot de aangewezen plaats. Er werd bescheiden op de deur geklopt.

—Entrez! riep de zoon met een plechtige stem. De deur ging open en een grijze gedaante stond fiks, hakken bij elkaar, linkerhand langs den broeknaad, rechterhand aan rechterslaap, groetend op den drempel.

—Entrez, entrez, herhaalde Bollekens junior.

De man kwam binnen en een tweede volgde, met precies hetzelfde manuaal.

—Entrez, entrez, herhaalde nog eens Bollekens junior.

Ook de tweede man kwam binnen en deed de deur achter zich toe.

—Wij zijn hier op bevel van den Kommandant ingekwartierd, begon de eerste, op zeer beleefden toon en in volkomen duidelijk Vlaamsch. Wij hopen u niet te veel last te zullen geven: oorlog is oorlog... En hij glimlachte vriendelijk, met witte tanden onder blonde snor.

—Gaat zitten, heeren, gaat zitten, zei meneer Bollekens vader, die ietwat bijgekomen was en met bevende vingers stoelen aanwees.

De knappe meid, wellicht instinctief aan een dienstplichtige gewoonte gehoorzamend, was reeds opgestaan om de stoelen bij te schuiven, maar de beide officieren, overmatig beleefd, namen haar dadelijk 't werk uit de handen, bogen voor haar, excuseerden zich.

Bollekens junior achtte 't oogenblik gekomen om de voorstellingen te doen.

—Dat is mijn vader, zei hij.

De officieren, nauwelijks gezeten, stonden weer op, klakten de hielen bij elkaar. De oude man, geintimideerd, stak hen bevend zijn knobbeljichtige hand toe. Alles ging uitstekend, heel anders dan iedereen verwacht had.

—En mijn vrouw, zei Bollekens junior, ook minder stijf en stug wordend en zich tot de knappe meid omkeerend.

Weer klakten de hielen en nog dieper bogen de stramme ruggen. "Gnädige Frau,"... zei er een. De knappe meid kreeg een kleur en, evenals meneer Bollekens, stak zij, ietwat aarzelend, haar hand uit.

't Was of ze die gingen opeten. Zij bukten er op neer en kusten die. De knappe meid sidderde er even van en Bollekens junior schokte ervan op doch hield zich goed.

Nu zaten zij even en keken elkander aan. De eerste officier had een levendig gezicht, bruingebrand door zon en buitenlucht, met héél lichte, stoutmoedig en geestdriftig schitterende oogen. Dat was er wel een die desnoods durfde, een die niet gauw voor iets terugdeinsde. De andere had een meer gëeffaceerd uiterlijk, een beetje boersch en gegeneerd.

't Was vreemd, maar het gelaat van den eerste kwam den heeren Bollekens niet onbekend voor. Die blonde snor, die geestdriftige oogen, waar hadden zij die wel meer gezien? En 't eigenaardigste was, dat de man van zijn kant oolijk glimlachte, als waren ook hèm die heeren niet heelemaal vreemd. Meneer Bollekens vader kon zijn onrustige nieuwsgierigheid niet langer bedwingen.

—Het is curieus, meneer, zei hij, maar uw gezicht is mij niets vreemd.

De jonge officier moest even hartelijk lachen.

—Het uwe is mij dat ook niet, meneer Bollekens, antwoordde hij.

Strak en ernstig keek meneer Bollekens hem aan.

—Wat,... zijt gij misschien... begon hij, maar aarzelde.

—Jawel, jawel, lachte de officier gemoedelijk. Daar... en hij wees door het raam.

—In de Rosbach? riep meneer Bollekens gansch ontsteld. Zijt gij...

—Jawel, jawel, lachte opnieuw de militair, ik ben de zoon van den baas uit de Rosbach: wij hebben elkaar dikwijls genoeg gezien.

't Werd plotseling kil om meneer Bollekens' hart. Wat! De zoon van den spion, van den verrader, waarschijnlijk zelf spion en verrader, die had hij in zijn huis! Een heele poos bleef hij roerloos en zwijgend, met op zijn knieën uitgestrekte, sidderende handen. Meneer Bollekens junior stond even op en ging naar de bel, als 't ware om zich een houding te geven, en de knappe meid volgde hem machinaal, stil-vragend wat hij verlangde.

—Die heeren zullen wellicht hun kamers willen zien, zei hij, zich tot de officieren omkeerend.

—Graag, antwoordden zij.

—Zal ik hier eerst een glas port laten brengen of wenschen de heeren liefst later iets te gebruiken?

—We zouden ons liever eerst een beetje opfrisschen, zei de zoon uit de Rosbach.

De knecht kwam binnen en de militairen stonden op. Strak-hakklakkend bogen zij ceremonieus voor de knappe meid en voor de beide gastheeren. Toen volgden zij, met stramme, afgemeten passen, den huisknecht-koetsier naar hun respectieve kamers.

In doodsch stilzwijgen keken de heeren Bollekens en de knappe meid elkander even aan. 't Was of er plotseling een groote ramp over het huis was neergekomen...


Enkele dagen na de bezetting van de stad ontmoette meneer Bollekens vader zijn vroegeren stamgast-vriend den dikken notaris.

—Weet ge dat de Rosbach weer open is? was 't eerste wat de dikkerd zei.

Meneer Bollekens wist het, en nog wel eerder dan zijn biervriend. Doch het scheen niet bij hem den hartstocht op te wekken, dien het blijkbaar op het gemoed van den notaris uitoefende. Meneer Bollekens haalde vrij mistroostig zijn schouders op en zei al niet veel.

—Ik ben d'r toch eens geweest; 'k wilde dat eens zien, vertelde de notaris. Maar het is er niet meer als destijds, bekende hij. 't Zat er nu vol lawaaiende soldaten en ook de baas is er in deemoedige dienstwilligheid niet op vooruitgegaan. Ik heb met haast mijn glas bier uitgedronken, dat toch wel heerlijk smaakte na al die lange dagen van ontbering, en dan ben ik dadelijk weggegaan.

—Ik ben d'r niet geweest en zàl d'r ook niet meer komen, antwoordde meneer Bollekens, met een bij hem gansch ongewoon klinkende vastberadenheid.

De dikkerd keek hem eenigszins verwonderd aan. Meneer Bollekens leek hem een ander mensch geworden: vermagerd, vertriestigd, met een strakke groef van zorg tusschen de gefronste wenkbrauwen.

—Zijt ge ziek? vroeg de dikkerd.

—Ik ben niet ziek, antwoordde meneer Bollekens, maar die oorlog... o, die oorlog... hij demoralizeert,... hij demoralizeert...


Daags vóór de bezetting, toen de vijandelijke troepen elk oogenblik verwacht werden, had iemand hem gezegd: "Ge zult zien, het valt ontzettend mee. 't Zijn andere uniformen in de stad, en verder gaat het leven zijn gewone gangetje." Maar een tweede kennis, die in een der bezette steden had geleefd, waarschuwde meneer Bollekens: "Het is afschuwelijk: men voelt zich als een gevangen vreemdeling in zijn eigen land, in zijn eigen stad, in zijn eigen huis; het werkte zóó demoralizeerend op mij, dat ik er voor gevlucht ben en ook nog verder vluchten zal als ze naar hier komen."

En meneer Bollekens moest bekennen, dat de tweede zegsman, helaas! wel gelijk had.

Persoonlijk had hij over zijn twee ingekwartierde officieren niet te klagen. Zij bleven hoogst beleefd en vormelijk, maar zij waren daar 's morgens, zij waren daar 's middags, zij waren daar 's avonds, want zij behoorden tot de blijvende bezetting en meneer Bollekens was eensklaps uit al zijn oude, dierbare gewoonten gerukt en voelde zich niet meer meester in zijn eigen huis. 't Was ongeloofelijk hoe sterk dat op hem inwerkte. Hij kende absoluut geen rust meer, leefde voortdurend op zijn hoede voor allerlei verwachte en gevreesde, onaangename gebeurtenissen. Het was een drukking van elk oogenblik, iets dat in de lucht hing, dat met die kerels in-en uit-ging, dat met hen meezweefde, dat zich weerspiegelde tot in de meest gewone, alledaagsche voorvallen van 't leven. Het was, zooals zijn vriend gezegd had, een algemeen gevoel van demoralizeering, dat overal zijn droevigen stempel drukte.

Het ergste deed zich dat voelen aan de maaltijden. Meneer Bollekens had geen trek meer, omdat die twee daar mee aanzaten. Doch niet alleen de vijand, ook de aanwezigheid der knappe meid was iets waaraan hij, met den besten wil, niet wennen kon. En hij moest zwijgen, en glimlachen, en beleefd zijn, en dat alles maar aanvaarden, alsof het heel natuurlijk was. Soms had hij hardop van ellende kunnen schreien.

Toen kwamen de vexaties: eerst de kleine, weldra de groote. Op een ochtend kwamen zijn ingekwartierde gasten binnen, door twee anderen vergezeld. Allen even vormelijk-beleefd, allen even stram-salueerend en hakklakkend, maar met een opdracht, een bevel tot requisitie. Meneer Bollekens had twee paarden en een daarvan werd opgeëischt. Meneer Bollekens mocht kiezen 't welk van de twee hij wenschte te houden en voor het andere kreeg hij een bon, betaalbaar na den oorlog.

Nauwelijks was dat gebeurd, of twee andere kerels kwamen meneer Bollekens verzoeken, of hij zeer nauwkeurig wilde opgeven hoeveel flesschen wijn van diverse soorten hij in zijn kelder had.

Meneer Bollekens schrikte geweldig. Wat! Zijn wijnkelder, zijn heiligdom, gingen ze ook daaraan tornen! En meteen dacht hij vol angst aan al het zilver en de kostbaarheden, welke zijn zoon in dien zelfden kelder onder den grond bedolven had. Even poogde hij tegen te stribbelen, maar de ongewenschte bezoekers stramden zich en hakklakten, verzekerend dat het hun heel erg speet, maar dat het een algemeen bevel was, waaraan voldaan moest worden. Bevend en knieknikkend daalde meneer Bollekens met hen in den kelder. Zorgvuldig werden al de flesschen geteld en op een boekje aangeteekend en vóór de dag ten einde was stond daar een militaire wagen bij het huis en een zeer groot aantal flesschen werden opgeladen, waarvoor meneer Bollekens, evenals voor het paard, nog eens een bonnetje kreeg, betaalbaar na den oorlog.

Toen, op een ochtend, kwamen drie van zijn pachters en de tuinbaas van zijn buiten hem bezoeken. De boeren hadden geconsterneerde gezichten en de tuinman begon plotseling te snikken, toen hij meneer Bollekens zag.

—Wat is er gebeurd! riep meneer Bollekens hevig geschrokken.

Zij vertelden het hem. Soldaten waren op de boerderijen aangekomen en hadden daar, op gezagvoerenden toon, van alles opgeëischt: drie runderen, tien varkens, ontelbare kippen en eieren en vele duizenden kilos aardappelen, tarwe en haver. In betaling hadden zij bonnetjes afgeleverd, welke de boeren, met bevende vingers, hun meester lieten zien. Maar op het kasteel was het erger geweest: daar waren zij, bewerend dat het buiten onbewoond was en dus aan niemand toebehoorde, met geweld binnen gebroken, vertelde de schreiende tuinman, en hadden er al den wijn en ook al de kleeren van meneer en van zijn zoon gestolen. En toen de tuinman hen dat wou beletten, hadden zij gedreigd hem neer te schieten.

Meneer Bollekens gilde 't van verontwaardiging uit! Wat! De schurken! En, daar zijn twee ingekwartierden juist binnenkwamen, liet hij, sidderend van woede, de scherpste verwijten hooren.

Die konden het niet helpen, zeiden zij. De zoon uit de Rosbach beloofde echter er zijn kommandant over te spreken, maar... 't is oorlog, voegde hij er glimlachend bij, als om er meneer Bollekens op voor te bereiden, dat het wel niet veel baten zou.


In soortgelijke, en ook andere angsten, leefde Bollekens junior. Die had, sinds de komst der officieren, iets strams gekregen in zijn houding, alsof hij zelf een militair geworden was. Onbewust deed hij hen na, richtte zich stijf op zoodra zij binnen kwamen, klakte zijn hielen bij elkaar, als in een stug verdedigingsgebaar. Wat hij vooral en in de eerste plaats had te verdedigen, dat was de eer en deugd der knappe meid en deze zorg vulde zijn gansche dagen. Bij nachte was hij daar niet bang voor, maar overdag genoot hij weinig rust en durfde bijna niet meer uitgaan, vooral sinds hij eenmaal, thuiskomend, de zoon uit de Rosbach boven, in 't salon, alleen in gesprek met haar vond.

't Was tegen den avond en zij zaten rechts en links van een der ramen, in halve schemering. Het sloeg hem in de beenen toen hij dat zag en even kon hij geen woord uitbrengen. Doch de jonge luitenant stond dadelijk heel correct op en groette en na enkele banale woorden nam hij vormelijk afscheid en verliet de kamer.

—Zat hij daar al lang? vroeg Bollekens junior met streng gezicht, zoodra de militair verdwenen was.

—Zoo, misschien een kwartiertje, antwoordde zij.

Haar wangen waren hooggekleurd en haar oogen tintelden levendig. Bollekens junior vertrouwde 't heelemaal niet.

—Waarover spraakt ge? vorschte hij,

—O, over alles en over niets.

Hij werd nog meer wantrouwend.

—Het schijnt toch wel, zei hij, dat ik het niet mocht hooren, want hij ging dadelijk weg.

Zij zweeg.

—Ik wil het weten! riep hij, eensklaps jaloersch opvliegend, als een verwend kind. Wat zei hij!

Zij aarzelde nog even en toen antwoordde zij:

—Hij gelooft het niet, dat we getrouwd zijn.

Bollekens junior sprong als onder een zweepslag op.

—Wat! kreet hij. Hebt gij hem dat gezegd?

—Ik heb het hem niet moeten zeggen, hij kent mij al van vroeger en heeft door zijn vader over mij gehoord, bekende zij.

—O! die schurk! die spion! riep Bollekens zijn vuisten naar de Rosbach ballend.

Opnieuw zat zij een poos stilzwijgend, als in geheime gepeinzen.

—Waarom doet ge 't ook niet? vroeg zij eindelijk.

—Wat meent ge? zei hij.

—Met me trouwen.

Hij schokte om, vloog, als in plotseling ontstoken woede, naar de deur toe.

—Ik verbied u, hoort ge, ik verbied u nog ooit een woord met dien kerel te spreken! gilde hij, den deurknop in zijn hand houdend.

De deur ging als vanzelf open en zijn vader kwam strompelend en zuchtend binnen.

—Wilt ge nu eens wat weten, jammerde de oude man: ze moeten 't ander paard nu ook hebben.

—Nom de nom de Dieu! brulde Bollekens junior.

De oude man was als geknakt. Hij strompelde naar zijn leunstoel en liet er zich zwaar in neervallen.

—Ik kan dat leven niet langer uithouden, ik kàn niet meer, kreunde hij. En groote, dikke tranen rolden over zijn ingevallen wangen.


Ondertusschen verliepen de dagen. Langzaam en droevig volgden zij elkander op, zonder andere afwisseling dan de stil-smachtende hoop op een verlossing, die steeds nabij scheen en telkens weer verijdeld werd. Soms hoorden de menschen het doffe gebrom van verre kanonnen en zij dachten: "daar naderen onze redders!" Maar na enkele uren zwegen de kanonnen en de redders kwamen niet.

Men raakte er aan gewend. Het was zoo vast en zeker, dat steeds, na elke korte opvlamming van hoop, de bittere teleurstelling zou volgen, dat men maar niet meer hoopte en gelaten de schouders ophaalde wanneer nog iemand een bemoedigende tijding aanbracht. Men leefde machinaal, automatisch, en 't eenige gevoel dat men nog kende was dat eener grenzenlooze, doodende verveling.

Vooral de oude heer was in dien korten tijd bedroevend achteruit gegaan. Hij leek dezelfde mensch niet meer. Hij was opeens als 't ware ingestort, een wrak geworden. Hij had geen wil en geen Verlangen meer, hij zat daar gansche dagen suffig door het raam te staren en wanneer men hem iets vroeg keek hij verwilderd op, alsof er alweer een nieuwe ramp zou gebeuren.

De knappe meid, die hem dikwijls gezelschap hield, poogde te vergeefs hem op te fleuren. Hij werd chagrijnig onder haar voorkomendheid en eens, toen zij hem nog eens van het lekker bier wilde doen proeven, waarop hij vroeger zoo gesteld was, werd hij plotseling woedend en schreeuwde dreigend dat ze daarover zwijgen moest, of dat hij haar op straat zou gooien. En hij slingerde haar een beschuldiging naar het hoofd die haar deed schrikken; hij verweet haar dat ze met den vijand heulde, dat ze relaties had aangeknoopt met dien officier, den zoon van den verrader uit de Rosbach en dat hij 't aan zijn zoon zou zeggen.

En hij zei het werkelijk, op een avond, met eensklaps opvlammenden haat, nadat de beide officieren zich voor de nachtelijke rust hadden teruggetrokken.

De zoon, verwoed, liet dadelijk de knappe meid naar boven komen en schreeuwde haar in tegenwoordigheid van zijn vader, 't beleedigend verwijt in het gezicht. Zij werd heel bleek en stug sloot zij haar lippen op elkaar.

—Het is dus waar! bulderde hij. Gij bedriegt mij met dien schurk, met dien vijand, dien verrader!

—Ik bedrieg u niet, beet ze kort van zich af, maar hij houdt van mij en heeft mij ten huwelijk gevraagd.

—En... en... en ge zult dat doen! stotterde de zoon, dansend van woede.

—Is trouwen dan een oneerlijke daad? antwoordde zij koel.

De oude man begon plotseling in zijn fauteuil hardop te snikken. Dat klonk zoo akelig en zoo griezelig, dat ze beiden ontroerd naar hem toesnelden.

—Waarom schreit ge, papa? vroeg de zoon.

Meneer Bollekens kon geen antwoord geven. Hij bewoog het hoofd alsof hij iets zeggen wou, maar geen duidelijke klank kwam uit zijn droeven mond. Er was tè veel waarover hij schreide, tè veel om het in woorden uit te brengen.


En toch: had meneer Bollekens kunnen vermoeden wat er twee dagen later te gebeuren stond, dan zou hij zeker niet gejammerd en geschreid hebben.

Twee dagen later, omstreeks schemeruur, zat meneer Bollekens eenzaam in zijn bovenkamer, neerslachtig starend door het raam naar de drukte van soldaten om en bij de Rosbach, toen er bescheiden op de binnendeur werd aangeklopt.

Meneer Bollekens antwoordde met het geijkt "entrez" en zijn twee ingekwartierde officieren traden binnen.

Zij zagen er ernstig en zelfs eenigszins gedrukt uit. Zij klakten minder stram als naar gewoonte hun hakken bij elkaar en de oudste van de twee, de Rosbachkerel, zei:

—Herr Bollekens, wij komen afscheid van u nemen. Wij vertrekken morgen ochtend naar het front. Wij zijn hier zeer tevreden geweest en wenschen u, uw zoon en zijn vrouw zeer hartelijk voor de genoten gastvrijheid te danken.

't Was meneer Bollekens te moede alsof hij eensklaps de stralende ochtendzon over een grijs nevelveld zag oprijzen. Hij was op 't punt het uit te gillen van blijdschap, maar wist zich toch nog goed te houden en mompelde zelfs iets van "dat 't hem speet en dat hij hoopte, dat ze behouden in hun land zouden terugkeeren."

Zij grijnsden even en bogen, maar 't was hen duidelijk genoeg aan te zien, dat zij die plotselinge oproeping niet buitengewoon op prijs stelden. De Rosbachkerel bekende 't zelf zonder omwegen:

—Eigenlijk waren we nog wel liever hier gebleven.

Ook dat begreep meneer Bollekens volkomen. Maar eensklaps overweldigde hem een vreeselijke angst:

—Zullen we nu andere inkwartiering krijgen? vroeg hij.

—Neen, dat geloof ik niet, er zullen hier heel weinig troepen achterblijven, antwoordde de Rosbach-man.

Hooger rees de stralende zon van hoop en verlossing in meneer Bollekens' verlicht gemoed.

—Maar ge blijft hier vanavond toch nog eten en slapen, niet waar?

—Neen, ook dàt niet. Zij wilden graag dien laatsten avond in de Rosbach, bij zijn ouders doorbrengen. Neen; 't was uit: zij kwamen definitief afscheid nemen. En zij klakten slapjes de hielen bij elkaar en reikten de hand.

Weer ging de deur open en de zoon met de knappe meid traden binnen. Dadelijk deelde meneer Bollekens hun 't gewichtig nieuws mede.

Stram trok Bollekens junior zijn hielen bij elkaar, als in defensiehouding en zijn strakke oogen peilden het gezicht der knappe meid, dat trouwens geen de minste ontroering verried. Zij hadden juist een geweldige scene gehad. De knappe meid had hem voor een beslissende keuze gesteld: ofwel hij zou haar werkelijk tot wettige vrouw nemen, of zij zou na den oorlog trouwen met den Rosbach-kerel, die een flink en eerlijk man was en zielsveel van haar hield.

—Gij zijt een slet, een vod! had woedend de zoon haar verweten; maar verder had hij toch niet neen gezegd en de knappe meid voelde wel, dat zij hem in haar strikken hield.

Maar 't onverwacht vertrek der mannen gooide eensklaps alles om en hij grijnsde van geheim triomfgenot, terwijl zij stug hare teleurstelling verbeet.

In zijn heropgewekt gemoed wilde vader Bollekens niet, dat ze zoo met leegte handen van elkander zouden scheiden. Hij verzocht zijn gasten nog even te zitten en liet een van de laatste en lekkerste flesschen champagne ophalen, die, na de herhaalde requisities, in zijn kelder overgebleven waren. Er werd geprosit, gedronken en gehakklakt en na herhaalde handdrukken en afscheidskussen op de hand der knappe meid, waren zij eindelijk weg.

Zeven weken hadden zij daar doorgebracht


Den volgenden ochtend, in de vroegte, zagen de heeren Bollekens het leger vertrekken.

Zij woonden 't schouwspel bij van op hun bovenkamer, en hadden van daar uit een prachtig overzicht, terwijl de troepen het nabijgelegen plein verlieten en in gesloten gelederen de hellende straat oprukten.

Eerst kwamen de wielrijders: honderden en honderden, in viervoudige rijen, met de karabijn over den rug. Het had iets van een vroolijke parade, als een feestelijk uitstapje van een reuzenfietsclub. Alleen de geweren deden ietwat grimmig aan.

Toen kwamen de paarden. De straten kletterden en dreunden van het hoevengetrappel. De groote, stoere kerels zaten er op, de lansen gespitst, met wapperende wit-en zwarte-vlaggetjes, als duizenden en duizenden gevangen, maar nog vleugel-klapperende zwaluwen. Zij maakten grooten, barschen, wreeden indruk. Wreed vooral door hun shapska's, waarop een doodskop met gekruiste botten stond geprent. De honderden toeschouwers langs de straten beefden voor die macabere doodsverschijningen. 't Was als een leger van lijken, wraakgierig uit hun graftomben opgestaan. Doch de eerste indruk verzwakte, er waren er tè veel en de overdaad verminderde de griezeligheid.

Toen kwam het voetvolk. Een hoofdman te paard voorop, met grijzen punthelm en met langen, grijzen, over den rug van het paard slependen mantel, en daar achter de mannen, in gesloten formatie, hun duizenden stappen als één enkelen dreunstap tegen de huizen opgalmend, terwijl de duizenden en duizenden punten der helmen door elkander wemelden en wriemelden, als een krioeling van vluchtende ratten over een bruisende en deinende zee. Bij tusschenpoozen roffelden de trommen en piepten klagelijk de pijpers. En dan zongen zij, met zware, logge stemmen, griezelig droef-klinkende liederen. Het kwam van verre aangegolfd als een sombere klacht vol wraaklust en vernieling, het overstemde alle andere geluiden, het bulderde even als een orkaan tegen de hooge huizen op en nam dan langzaam in de verte af om op een ander punt weer somber aan te zwellen, aldoor, aldoor, gelijk een alles-overweldigende oerkracht, waartegen niets kon weerstand bieden.

Toen kwamen de kanonnen...

Roerloos voor hun venster naast elkaar gedrongen, zagen de heeren Bollekens die kolossale macht voorbij trekken. Zij kregen het benauwd van angst en begrepen niet hoe zulk een leger ooit moest overwonnen worden. En toch, naarmate de vloed onder hun oogen verdween en als 't ware in 't onbekende wegsmolt, scheen het hen toe alsof dat ruw geweld toch eigenlijk maar van vergankelijken aard was en ten slotte niets vermocht tegen den vasten, trouwen, eeuwenouden gang van het gewone, dagelijksch leven. Zij hadden zwaar onder de overrompeling gezucht en geleden, zij hadden diep getreurd en lang gewanhoopt, maar duidelijk voelden zij nu met het aftrekkend, vijandelijk leger de hoop en het geloof in betere dagen als een lente in zich opbloeien, en toen de laatste benden heen waren en in de wekenlang gestoorde stad weer rust en stilte was gekomen, toen voelden ze zich ook weer meester in hun eigen huis geworden.

't Was een herleving, een zalige herleving, wellicht onzeker nog, maar toch zoo vol van heerlijke beloften. 't Was als een milde adem van verzoening over alles heen en meneer Bollekens senior verklaarde jubelend dat hij zich ineens genezen voelde en meneer Bollekens junior stramde zijn ledematen en zei dat hij nu vol vertrouwen in de toekomst had.


Dien avond, voor het eerst na zeven lange weken, zaten zij weer vertrouwelijk samen bij hun groote glazen in het kelderkamertje, dat zij zoo gezellig tot een bierkneip hadden ingericht. Het was misschien niet onberispelijk vaderlandslievend, dat zij zoo gauw weer den vijandelijken drank gebruikten, doch wat moesten ze doen, de vijanden hadden wel hun wijnkelder geplunderd, en, wat er ook gebeurde, in de Rosbach, in de spelonk van de spionnen en verraders, zouden zij nooit een voet meer zetten, daar zwoeren zij hun plechtigsten eed op.

En zij dronken gretig en zij rookten uit hun lange pijpen; en de knappe meid, die op verzoek haar dameskleeren en haar trouwring had afgelegd, bediende hen weer in een net schortje als een echte kellnerin, eerst even nog met een gezicht vol nurkschen wrok, maar ook van lieverlede meer meegaande en verzoenender gestemd, tot zij weldra zoo goed als weer de oude was, in 't algemeen heropleven van alles wat zoo vele jaren vast en trouw bestaan had.

Bescheiden werd er op de deur geklopt. De knappe meid ging open doen en het verlept gezicht der oude keukenmeid verscheen in 't deurgat.

—Meneer, zei ze, op een toon die innerlijk jubelde, de vischman is daar, die mij meedeelt dat de eerste bezendingen oesters daar juist aangekomen zijn. Zouden we van avond niet...

De beide heeren Bollekens lieten haar niet uitspreken.

—Oesters! riepen zij. Dadelijk, Marie, dadelijk! Is de man daar nog? Heeft hij ze bij zich?

De oude heer stond op, had geen rust, wilde de oesters zien. Hij volgde Marie naar de deur.

—Papa is heelmaal opgemonterd, zei Bollekens junior tot de knappe meid.

Zij gaf geen antwoord. Zij veegde met een doek het tafeltje schoon en haar mooie wenkbrauwen stonden ietwat gefronst boven haar strak vóór zich uit starende oogen. Hij begreep dat het onweer nog niet heelemaal van de lucht was.

Hij drong niet aan; dat zou vanzelf wel weer in 't reine komen. Als een pacha strekte hij zich in zijn leunstoel uit en haalde dikke, witte kolken uit zijn lange pijp.

Boven in de gang, klonk de zware stem van meneer Bollekens, die gewichtig met den vischman onderhandelde...


II.

HET OORLOGSHUWELIJK VAN MENEER CATHOEN.

Meneer Cathoen was een gelukkig mensch. Ik geloof niet dat iemand in het dorp hem ooit anders beschouwd heeft, dan als een zeer, zéér gelukkig mensch.

Hij leefde, ongehuwd, in een tamelijk groot, burgerlijk-mooi huis, met een dienstknecht en een meid.

Vroeger had hij daar een vrij groote, drukke handelszaak. Hij kocht, en verkocht, zoowat van alles. Hij kocht van de boeren hun graan, hun lijnzaad en hun koolzaad en hij verkocht hen bouwmaterialen en steenkolen, tarwemeel en lijnmeel, raapkoeken, guano, Chilisalpeter en samengestelde chemische meststoffen. Hij had uitgestrekte magazijnen achter zijn huis en een aantal werklieden waren daar altijd bezig; maar langzamerhand, naarmate hij ouder werd, en aangezien hij toch niet getrouwd was en ook niet trouwen zou; en aangezien hij rijk genoeg geworden was om naar zijn zin te leven en zich niets te moeten ontzeggen, ook zonder nog te werken, begon hij van het sjouwen en aan zijn zaken gebonden zijn genoeg te krijgen, en 't een na het ander liet hij weldra de lastigste artikels varen, om er ten slotte slechts een paar van over te houden, juist genoeg om nog een aangename bezigheid te hebben, zonder door tobberijen of gezeur geplaagd te worden.

Meneer Cathoen was een eigenaardig man. Zijn leven lang had hij de boeren, die hem rijk hadden gemaakt, een beetje bedrogen en bestolen. Niet te veel ineens, niet grof-brutaal, met groote slagen; maar aldoor en in alles, bij kleine beetjes, bij kleine greepjes, die op den duur van jaren een aanzienlijk totaal uitmaakten. Nooit had hij een zak guano afgeleverd waar niet een snuifje molm of turf in gemengd was; nooit een baaltje lijnmeel waar niet een paar schopjes minderwaardige meelstof in verzeild waren. Zijn maten en gewichten waren tweeërlei: een ietsje te groot en te zwaar voor wat hij insloeg; een ietsje te klein en te licht voor wat hij uitleverde. In zijn samentellingen slopen soms kleine vergissingen en 't was ook wel een enkele maal gebeurd, dat wegens allerlei rompslomp en drukte een betaalde rekening op de boeken vergeten werd uit te doen.

In al zulke kleine schelmachtige knoeierijtjes schiep meneer Cathoen een buitengewoon groot plezier. Hij had het niet noodig te doen, maar hij kon het niet laten.

Hij kon er in zichzelf om grinniken en lachen en hij had er des te grooter pret in daar niemand er in de verste verte iets van vermoedde en iedereen hem beschouwde als een toonbeeld van onbesproken eerlijkheid en deugd. Alle menschen eerbiedigden, vereerden en bewonderden hem om zijn vaardigheid, zijn slimheid en zijn fijnen handelsgeest.

Dat fijne en slimme en sluwe stond op zijn gezicht te lezen. Zijn oogen keken u tintelend aan en de glimlach, die altijd om zijn lippen speelde, scheen van zooveel te getuigen dat hij wist, maar niet uitsprak. Hij bleef voor iedereen een raadsel en zijn gezicht was een masker waarachter hij zijn echte-wezen hield verborgen. In zijn jeugd moest hij zeker een flinke, knappe kerel zijn geweest. Hij was sterk en forsch gebouwd met breede schouders en er liepen wondere verhalen over zijn vroegere lichamelijke kracht. Hij vertelde trouwens zelf heel graag daarover en het lukte hem ook, door diverse hulpmiddelen, op gevorderden leeftijd, een uiterlijken schijn van buitengewone pootigheid te bewaren. Hij hield zijn hooge gestalte nog heel fiks en recht; zijn wangen, te nauwernood gerimpeld, droegen steeds een frisschen blos, en hij bleef vlug op zijn beenen, zonder een schijn van stramheid. Hij verfde zijn snor en droeg een pruik en zijn dubbele rij valsche tanden getuigden duidelijk genoeg, dat hij aan den feestdisch des levens nog mede wenschte aan te zitten.


Meneer Cathoen was een raadsel... En, zooals hij dat was in zijn uiterlijk voorkomen, met zijn tintelende oogen en zijn geheimzinnigen glimlach, waarachter zich zooveel scheen te verbergen, zoo was hij het ook in zijn intieme levenswijze, waarvan zoo goed als niemand iets af wist. Er bestonden uitwendige verschijnselen, die zich telkens herhaalden en die men dus min of meer kon nagaan en eruit afleiden wat men wilde, maar daar bleef het ook bij. Het eigenlijk intieme leven van meneer Cathoen was een gesloten boek, dat niemand in het dorp doorbladerd had.

Vrienden had hij niet. Er kwamen er althans geene bij hem aan huis. Familieleden had hij wel, doch het waren enkele verre neven en nichtjes, die er slechts af en toe plichtmatig verschenen en er nooit lang vertoefden, wellicht omdat zij daar niet zeer toe aangemoedigd werden. Hij zelf ging weinig uit, meestal slechts eenmaal per week in de stad naar de graanbeurs en verder moest hij wel zijn voornaamste genoegens tehuis vinden, want hij bezocht heel weinig en haast nooit voor zijn plezier de dorpsherbergen en van eens een reisje te maken of eens naar de comedie te gaan of iets dergelijks was zelfs absoluut geen sprake.

Wat hem echter in zijn eenzaam oude-jonkmanshuis zoozeer kon boeien, was alweer een onoplosbaar raadsel.

Hij leefde er, zooals gezegd, met een knecht en een meid. De knecht was meteen een beetje tuinman en de meid was tevens keukenmeid en kamermeid. En nu was het in de huishouding van meneer Cathoen een zeer eigenaardig verschijnsel, dat hij telkens van meiden veranderde, terwijl de knecht er als 't ware vastgegroeid bleef. Een dienstmeid, in het huis van meneer Cathoen, bleef er zelden langer dan een, of hoogstens twee jaren. Dan vertrok ze, geen mensch wist waarom, en er kwam een andere voor in de plaats. Altijd waren het meiden uit verafgelegen, vreemde gemeenten. Nog nooit had hij er eene uit zijn eigen dorp gehad. Nu eens was het een Vlaamsche, dan weer een Walin, nu eens een blonde, dan weer een bruine of een zwarte; nu eens een struische, dan weer een magere; en nu eens eene die men mooi vond en dan weer eene die men leelijk vond; maar één eigenschap hadden zij allen gemeen: dat ze vrij jong waren. Zij bleven een min of meer langen tijd en vertrokken, en nooit hoorde iemand er nog iets van. 't Was net of ze uit den grond ontsproten en er weer in verdwenen. De oude knecht en tuinman, die dat al jaren en jaren bijwoonde, was er onverschillig onder geworden. Hij had een zuur gezicht en liep meestal inwendig te brommen. Hij had een gezicht alsof hij allerlei dingen wist, die hij ten zeerste afkeurde, maar waarover hij zweeg, omdat hij toch niet bij machte was er iets aan te veranderen. Somtijds echter, flikkerde nog even als een schim van hoop in hem op. Wel eens, als een meid waarmee hij kon opschieten, daar wat langer dan de vorige bleef en vasten wortel scheen te krijgen, was het of in hem de dood-gewaande illuzie van een vasten toestand herleefde. Zijn grijze tronie fleurde op, hij praatte en lachte zelfs, hij werd een ander mensch... tot het weer eensklaps uit was en hij opnieuw chagrijnig zijn hoofd liep te schudden en te mopperen over toestanden die hij grijnzend afkeurde, zonder er iets aan te kunnen veranderen. Daar had je alweer het oude spelletje aan den gang, en het werd op den duur zóó opvallend, dat de menschen in het dorp er over praatten en sommigen het zelfs wel eens waagden er bij meneer Cathoen over te zinspelen.

Kostelijk was het dan om meneer Cathoen daarop te hooren antwoorden. Zijn sluwe tintel-oogen glimlachten diep onder de dikke wenkbrauwen en zijn geverfde snor grinnikte als 't ware van leedvermaak boven de schitterende dubbel-rij der valsche tanden. Het leek of hij zich voorbereidde om satirisch een diepzinnige, algemeene menschelijke waarheid te verkondigen en eindelijk kwam het er uit:

—'t Groensel groeit in de natuur en 't is ieder jaar precies hetzelfde. 't Zou ook altijd precies eender smaken, en dus vervelend worden, als het niet op verschillende manieren geprepareerd werd. Daarom hou ik altijd mijnen zelfden hovenier en verander ik nog al eens van keukenmeid. Versta-je 't?

De ondervrager verstond het en glimlachte om 't leuke antwoord, maar meneer Cathoen glimlachte nog oolijker, met iets van innig-gekittelde, ondeugende pret en voegde er aan toe:

—En met de visch en met het vleesch is 't ook precies hetzelfde. 't Is de afwisseling in de sausen die er den smaak moet aan geven, versta-je 't?

De ondervrager wist niet altijd met volle zekerheid of hij 't dan nog wel goed verstond. Wat hem wel eens deed twijfelen was de guitig-uitbundige vroolijkheid waarmee meneer Cathoen er dan verder kon over doorgaan. Meneer Cathoen kon daar soms in zijn eentje staan te bulderen van de pret en dan had de vreemdeling wel eenigszins 't gevoel alsof hij voor den gek gehouden werd. En de slotsom was nog eens dat meneer Cathoen en zijn levenswijs voor alleman een raadsel bleven.


Zoo leefde dus meneer Cathoen op het oogenblik dat de oorlog uitbrak. Ik herinner mij nog heel goed, dat ik hem, enkele dagen na de oorlogsverklaring, een bezoek bracht en hem in een toestand aantrof zooals ik hem nog nooit gezien had. Hij was zenuwachtig, zenuwachtig!... zoo dat hij geen tien seconden rustig op zijn plaats kon blijven. Hij leek ineens een heel ander mensch geworden. De angst, de doodsangst zat hem op het lijf en zijn scherpe oogen loerden en speurden langs alle kanten, alsof hij overal reeds vijanden ontdekte.

—Zijn de menschen nu zot geworden! riep hij, van zoo verre hij mij zag komen. Wat! Oorlog voeren! En waarom? Wat hebben wij, Belgen, daarmee te maken! Wat kunnen ons de Duitschers, de Franschen en de Engelschen schelen? Waarom laat men hun dat onder mekaar niet uitvechten!

—De Duitschers hebben onze neutraliteit geschonden, meneer Cathoen, wij moeten onze onafhankelijkheid verdedigen, trachtte ik in 't midden te brengen. Maar hij sneed mij heftig het woord af en riep uit:

—Onze neutraliteit! Onze onafhankelijkheid! Tuttuttut... dat zijn dingen die wij niet kennen, die wij niet hebben! Wat kunnen wij, onnoozele dwergen, tegen die reuzen op! Als ik nu bijvoorbeeld tegen Fietriene 1) (Fietriene was zijn nieuwe meid, sinds een paar maanden in zijn dienst gekomen); als ik nu tegen Fietriene zei: "Fietriene, doe die deur eens open," en Fietriene zou weigeren, gelooft gij dat ik, die de sterkste ben, daarom zou laten die deur te openen? Tuttutut... ze zijn allemaal zot geworden in België, dàt zeg ik u, en ze zullen ons allemaal ruïneeren en doen vermoorden!

Fietriene liep gejaagd door de vertrekken heen en weer, de Armen volgeladen met allerlei heteroclitische voorwerpen, die zij, op bevel van haar meester, alvast ergens in veiligheid ging brengen. 't Was een nog al knappe, blonde meid van een dertigtal jaren. Zij had een frisch gelaat en wakkere oogen. De buste was goed gevuld en op de heupen viel niets af te keuren. Dat alles teekende zich levend af onder haar vlugge bewegingen en 't eenige wat iets minder mooi scheen was de rug, die nog al onsierlijk welfde, alsof ze geen corset droeg. Charlewie, de oude tuinman, hielp haar. Hij was taai en mager en als 't ware uitgedroogd. Hij had zijn klompen uitgedaan en liep op dikke grauwe sokken over de tapijten. Zijn zuur gezicht was als de nurksche brommigheid verpersoonlijkt en hij grijnsde en mopperde aanhoudend binnensmonds, terwijl hij af en toe zijn hoofd schudde en zuchtte, als wilde hij beduiden dat de narigheid ten top gestegen was en dat de wereld nu wel eindelijk zou vergaan.


Dagen en weken waren verloopen, dagen en weken vol droefheid en angst. Het klein, heldhaftig leger was door den reus verslagen, het land werd overweldigd en verwoest en duizenden en duizenden menschen vluchtten naar alle oorden, een veilige schuilplaats zoekend tegen brand en plundering en moord en vernieling.

Aan meneer Cathoen en zijn eigenaardig, raadselachtig leven dacht ik niet meer; en ik zou hem wellicht gansch vergeten hebben, had ik niet, op een ochtend, een briefkaart van hem ontvangen, waarin hij mij meldde dat hij behouden over de grens was gekomen en mij vroeg of ik hem daar niet eens kwam opzoeken.

Meneer Cathoen over de grens gevlucht! Meneer Cathoen, die nooit reisde, in een vreemd land, dát alleen trok mij reeds machtig aan. Ja, ik wou, ik móést hem zien! Ik wilde hem zien en hem hooren; ik wilde weten hoe hij, de eigenaardige bij uitnemendheid, op de schrikwekkende tijdsomstandigheden en gebeurtenissen reageerde.

Het was een eindeloos lange reis en 't oord waar hij zijn toevlucht had genomen, was er een dat, om zoo te zeggen, buiten de bekende wereld lag. Ik stapte aan een verlaten klein stationnetje af, volgde een doodschen straatweg aangelegd over een dijk tusschen polderland en moeras, ontwaarde weldra een kerkje en een dorpje. Dáár was het. Het waren meestal nietige woninkjes met blauwe horretjes achter de kleine ruiten en 't scheen er uitgestorven, want er liep geen mensch over de straat. Hier en daar een gezicht achter die horretjes, als 't ware verwaasd onder het blauwachtig water van een bokaal, maar dat toch scherp nieuwsgierig loerde, als verbaasd en ontdaan over de ongehoorde verschijning van een vreemdeling in 't dorp. Ik telde de kleine nummertjes aan de kleine huisjes, kwam op een pleintje, waarachter een mooi, oud kerkje stond, zag daar een politie-diender aan wien ik den weg vroeg.

—'t Is daar, meneer, u staat er vlak voor, antwoordde glimlachend de man, naar een der huisjes wijzend.

Het was een dofgrijs, loodgrijs huisje, een deur en twee ramen beneden, drie kleinere raampjes op de eenige verdieping. 't Had blauwe horretjes als bijna al de andere huizen en achter een van die horretjes zaten, vaag en verwaasd als onder het blauwachtig water van een bokaal, twee oude en ouderwetsche vrouwegezichten, die mij strak, met onbehouwen nieuwsgierigheid, aanloerden. Maar toen ze mij, dwars over 't pleintje, op hun huisje zagen afkomen, schenen zij langzaam in het vage weg te smelten, net als visschen, die zich stilletjes in de diepte van een sloot laten zinken. Ik belde aan. Het belletje ging zwakjes over, alsof het ergens heel, héél verre hing en toch voelde men, dat het dichtbij de deur moest hangen. Het duurde lang, zéér lang, vóór deze werd geopend. Ik strekte reeds de hand uit om een tweede maal te bellen, toen de deur eindelijk heel langzaam en omzichtig week en een gezicht aarzelend te voorschijn kwam.

't Was een der beide die ik, van op het pleintje, achter het horretje gezien had. Een oude-vrijsters-type, geel als perkament, met breede, als 't ware verwoeste trekken en groote zwarte oogen en een grootera tandeloozen mond, die toch wel vriendelijk, ofschoon ietwat wantrouwig, glimlachte.

—Is het wel hier, juffrouw, dat meneer Cathoen inwoont? vroeg ik, na gegroet te hebben.

—Jawel meneer, antwoordde zij, mij aandachtig monsterend.

—Is meneer thuis?

—Neen, meneer; meneer heeft vandaag heel vroeg koffie gedronken en is daar pas een half uurtje geleden met mevrouw gaan wandelen.

Ik kreeg als een schok en bedwong met moeite een uitroep van verbazing. Ik voelde mij een kleur krijgen.

—Is... is... begon ik hopeloos te stameren.

—Jawel, meneer, mevrouw is hier ook. Ze zijn samen over de grens gekomen, tijdens de groote vlucht. Wist u 't soms niet, dat mevrouw hier ook was? En achterdochtig-nieuwsgierig keek het mensch mij aan.

—Ik wist het met geen zekerheid, maar vermoedde 't toch wel, haastte ik mij te zeggen. Heeft u ook een idee, juffrouw, wanneer ze terug zouden komen?

—Vast en zeker vóór drie uur, bevestigde de juffrouw met klem. Nooit blijven ze langer weg. Ze maken elken dag dezelfde wandeling, weet u altijd langs den dijk tot in de buurt van de grens, op een hoogte van waar ze in de verte iets van hun land kunnen zien. Ach, meneer, ze zijn toch zoo verlangend om er weer terug te keeren.

Ik voelde, dat het mensch aan de praat wou en week langzaam achteruit. Ik zei haar, dat ik vóór drie uur terug zou komen. Maar zij kwam met mij mee, tot op het pleintje en wees mij daar de richting langs waar meneer en mevrouw Cathoen elken dag gingen wandelen, en verzekerde mij dat ik hen onvermijdelijk zou tegenkomen, als ik zoowat over een uur dien weg opliep.

—Is hier ook ergens een hotelletje, of een herberg, waar ik iets zou kunnen gebruiken, juffrouw? vroeg ik nog.

—Zeker, meneer, zeker, daar, op den hoek, in Den Arend, heel goed. En zij wees het mij met de hand.

Ik keerde mij nog eens om, dankend en groetend, en meteen viel ook mijn blik weer op de blauwe horretjes. Even zag ik er 't gezicht der tweede juffrouw, blijkbaar de zuster, die mij scherp beloerde, maar dadelijk in 't vage wegsmolt, als een visch die naar de diepte zinkt.

Met vlugge schreden liep ik naar Den Arend toe.


Mevrouw Cathoen, dacht ik, mevrouw Cathoen! En als een sarrend refreintje dreunde 't onophoudend in mijn ooren. Wie mocht dat wel zijn? Wie mocht dat wel zijn? Was meneer Cathoen, de oude, hardnekkige vrijgezel, die nooit zou trouwen, dan toch maar hals over kop getrouwd, sinds ik hem de laatste maal zàg? Zoo maar in eens, zonder er iets van te melden? Of had hij 't mij wel laten weten, en was zijn brief, in de oorlogsverwarring, verloren geraakt? Zou meneer Cathoen dan wellicht... doch neen, die onderstelling was te gek, dan had hij 't al immers veel vroeger gedaan.

Stom van mij, dat ik aan die juffrouw althans niet gevraagd had hoe mevrouw Cathoen er wel uitzag! Dan had ik misschien geweten.

Ik zat daarover te prakkezeeren, in de griezelig-sombere, ijskille eetkamer van Den Arend, waar ik de eenige gast was. Ik zou haastig iets gebruiken en dan maar dadelijk den dijk op, om meneer Cathoen en vooral mevrouw Cathoen te gemoet te loopen. Een somber-zwijgzame vrouw bracht mij, na lang en ongeduldig wachten, iets dat zij beafsteak met aardappelen noemde. Die beafsteak zag lei-blauw en de aardappelen leken op steenkool-vetballen. Dat alles zwom in een donker vocht, als een mengsel van inkt met aangebrande olie.

Toen ik enkele van de blauwe lappen had verorberd, lei ik er maar vork en mes bij neer. Vruchteloos had ik geprobeerd ook een van de zwarte vetballen te slikken. Na heel wat geklop en geroep en gefluit en geschuifel kon ik eindelijk met de sombere juffrouw afrekenen, —'t was niet goedkoop—en na haastig een sigaar te hebben aangestoken, verliet ik met een snakzucht dien donkeren ijskelder van ongezelligheid en holde den dijkweg op.

Het was een gure, grijze, ijzige Novemberdag. De wind blies hard en nijdig over dien hoogen berm tusschen de nattige vlakten en woei mij tranen in de oogen. Het land scheen van een doodsche triestigheid. Hier en daar lag een sombere, groote hoeve, diep in den polder, door boomen omringd. Het leken eilandjes van nood-toevlucht, midden in een grenzenlooze zee van wanhopige verlatenheid. En verder was er niets dan de eindeloos-lange, kronkelende dijkweg beplant met knotwilgen, en hier en daar een moerassige waterplas met wuivend riet en opgekuifde schuimkammetjes onder den ijzigen, snerpenden wind.

Af en toe een levend schepsel in die hopelooze eenzaamheid: een Zeeuwsche boer, 't gezicht geschoren, de haren lang, geheel in 't doffe zwart gekleed, alsof hij rouwde; of een boerin, enorme rokballon op voeten, kort, spannend lijf en witgekapt hoofd met gouden ornamenten, staag wiegelend op haar zware heupen, als een schip voor anker. Zij groetten beleefd in 't voorbijgaan en 't somber landschap, waaraan hun trage verschijning toch even iets van leven gaf, scheen achter hen weer uit te sterven. Arme meneer Cathoen, dacht ik, die hier als vluchteling, en voor hoelang misschien, is gaan leven!

Toen zag ik hem komen, ginds verre, ginds heel, héél verre aan den grijzen einder, in een kromming van den eindeloozen dijk. Ik kon hem op dien afstand niet herkennen, maar ik voelde dat hij 't was, want naast hem liep een vrouw met scheef-waaiende rokken en handen die haar kapsel vasthielden, een vrouw die blijkbaar geen boerin was van de streek, zijn vrouw voorzeker, de raadselachtige, de mij nog onbekende, die hij hals over kop gehuwd moest hebben, God wist waarom, nadat de oorlog uitgebroken was.

Toen ik slechts een paar honderd meters meer van hem verwijderd was stak ik den arm in de hoogte, groetend-zwaaiend met mijn paraplu. Hij scheen er eerst niets van te merken. Hij bleef gebogen vooruit loopen, worstelend tegen den nijdigen wind. Maar ik zag dat de vrouw hem een duw gaf en hij keek op en bleef staan. Weer zwaaide ik en riep hem van verre goên dag. Nu had hij mij herkend. Hij wuifde insgelijks met de hand en kwam naar mij toe. Een laatste bocht scheidde ons en de stammen der knotwilgen onttrokken ons even aan elkander's gezicht. Twee minuten later stond ik voor mijn ouden vriend meneer Cathoen en... zijn dienstmeid Fietriene!

Er was een korte weifeling in meneer Cathoen's optreden en bejegening. Er was ook een korte aarzeling en gêne in mijn begroeting. Kwam het door den wind, of de kou, of wat was het? Meneer Cathoen scheen mij een ander mensch geworden! Hij teekende opeens zijn leeftijd: dien van een oud, versleten man. Hij stond gebogen vóór mij, zonder glimlach, met een ernstig, vermagerd gezicht en oogen zonder levenstinteling. Hij droeg een wollen bouffante om den hals en had een groote bonte muts op, waarvan de oorkleppen waren neergetrokken. Een verrekijker hing in een koker aan een lederen riem over zijn schouder.

—Wel, wel, wie we nu zien! riep hij toch eindelijk en stak mij een hand toe die beefde. Weet ge nieuws? vroeg hij dadelijk daarop.

Nieuws! Ik begreep niet goed wat hij bedoelde. Ik draalde met mijn antwoord, verwachtte eerder dat hij mij nieuws zou mededeelen.

—Niets van den oorlog? drong hij aan, vagelijk teleurgesteld. Ik moest ontkennend antwoorden. Er was immers nooit eenig nieuws over den oorlog, behalve de leugenberichten van alle couranten. Ik vertelde hem in 't kort de laatste leugens die ik vluchtig had gelezen.

Hij slaakte een moedeloozen zucht en liet zijn armen hangen. —Nog geen hoop dus, dat we naar ons land terug mogen, weeklaagde hij.

Ik kon niet anders dan toegeven, dat daar nog geen de minste hoop op was.

—Wij zien Vlaanderen elken dag, zei hij; wij komen er juist weer vandaan.

Ongeloovig keek ik op, doch herinnerde mij meteen wat de juffrouw uit het grijze huisje mij had meegedeeld.

—Ja, dat heeft uw hospita mij verteld, zei ik. Hij schrikte op.

—O, zijt ge reeds aan huis geweest? vroeg hij.

Ik bekende, dat ik er geweest was en dat de juffrouw mij gezegd had hoe ik hem met zekerheid ontmoeten kon.

—En... heeft ze u ook nog meer verteld? aarzelde hij.

Glimlachend keek ik even naar Fietriene, die dadelijk, met een blos op de wangen, zedig haar oogen neersloeg.

Meneer Cathoen werd geagiteerd. Hij keerde even den rug naar een snerpende windbui en wreef met een zakdoek de koude tranen uit zijn oogen. Toen wendde hij zich weer tot mij en zei:

—We hebben ons daar als man en vrouw moeten aanmelden. Het kon niet anders. Het dorp stroomde de eerste dagen propvol met vluchtelingen. Toen wij daar aankwamen was er in de heele plaats slechts één huis meer beschikbaar, en in dat huis slechts ééne kamer, met één bed.

Ik boog en glimlachte. Absoluut geen bezwaar van mijn kant. Ik vond het best. Maar horizonnen over het verleden leven van meneer Cathoen gingen eensklaps als ondeugende openbaringen voor mij open. Hij scheen mij te raden en zijn op mij gepriemde oogen tintelden, heel even. En plotseling kwam het er uit, ernstig, gewichtig:

—Wij gaan dan ook trouwen. Het is vast besloten, zoodra wij in 't land terug kunnen komen.

Ik nam mijn hoed af voor Fietriene en wenschte hen beiden geluk. Fietriene bloosde heel sterk en sloeg opnieuw, met een vagen glimlach, haar oogen neer. Maar meneer Cathoen werd zenuwachtig-gejaagd.

—Het kon niet anders, herhaalde hij, als om zich te verontschuldigen; het kon niet anders, want te veel menschen uit het dorp, die gelijk met ons vluchtten, hadden ons hier samen gezien en wisten dat wij dezelfde kamer bewoonden. Ik wil later toch weer als een degelijk man voor mijn medeburgers verschijnen.

Nogmaals boog ik, een en al goedkeuring. Maar vele vragen kwamen op mijn lippen die ik nu niet uiten mocht. Het speet mij dat ik niet even met meneer Cathoen alleen was. Hij leek mij in een stemming om iets als een volledige biecht te spreken en 'k voelde mij gekitteld door ondeugende nieuwsgierigheid. Het ging echter nog niet. Meneer Cathoen had blijkbaar naar zijn zin genoeg over het geval meegedeeld en scheen door die bekentenis eenigszins opgemonterd. Hij vroeg mij wanneer ik weer weg moest en toen ik hem het uur zei van mijn trein had hij een uitroep van genoegen en jubelde omdat wij nog uren lang bij elkander mochten blijven. Hij was zoo blij weer eens een bekende te zien, zei hij, en eensklaps vroeg hij mij of ik geen zin had ook nog eens ons dierbaar Vlaanderen te bekijken.

—Ons dierbaar Vlaanderen bekijken! herhaalde ik verbaasd.

Kom mee, riep hij, zich omkeerend; kom mee, gij zult het zien!

Wij liepen terug over den dijk, den weg volgend waar zij vandaan kwamen. De gure wind deed zijlings onze kleeren van ons afwaaien. Fietriene hield worstelend haar hoed met beide handen vast en meneer Cathoen's oogen schreiden van de kou. Maar 't leek of hij ineens weer jeugdige levenskracht in zich gekregen had; hij liep gebogen doch met forschen wil tegen de windbuien in. Wij kwamen aan een smal bruggetje, dat wij overstaken, ons aan de railing vasthoudend. Daar daalden wij den berm af en voelden minder wind. Wij hielden er even stil om op adem te komen. Toen gingen wij dwars over een uitgestrekt weiland en kwamen aan een soort van duin, begroeid met hakhout en met jonge sparren.

Met vlugge, veerkrachtige schreden klom meneer Cathoen de helling op. Fietriene en ik volgden. Hijgend bleef hij bij een zandkuil staan, die tamelijk goed tegen den wind beschut was en zei:

—Laten we hier even gaan zitten.

Wij zaten: meneer Cathoen en Fietriene dicht bij elkaar in 't mulle zand; ik een paar schreden verder, op een kronkeligen, half ontblooten eikenwortel!

—Dáár ligt Vlaanderen, zei, met een trilling in zijn stem, meneer Cathoen, terwijl hij een bevende hand naar het Zuiden uitstrekte.

In 't grijzig-dof verschiet, op enkele kilometers afstand, achter een vlakte van vaalgroene weilanden, vertoonde zich een dichtbegroeide en bebouwde streek. De kale boomen stonden er donker op elkaar gedrongen en tusschen de stammen door zag men hier en daar lichte huisjes, met roode daken en een enkel kerktorentje, dat er eenzaam en leigrijs boven de naakte kruinen uitpuntte. Daar lag het ongelukkig land, als verborgen achter een sluier van sombere triestigheid. Daar voelde men als 't ware het lijdende leven der droevige menschen; en de krassende kraaien, die in de grijze lucht rondzwermden, schenen snerpende noodkreten van gefolterde wezens te slaken, en de wind die klagelijk door de sparrekruinen van den duinheuvel suisde, weerklonk als het gesmoord en aanhoudend gejammer van een gansch volk, dat zich in wanhoop en ellende voelt vergaan.

Meneer Cathoen had met inspanning zijn verrekijker losgehaakt en reikte hem mij over.

—Kijk, zei hij, gij zijt jonger dan ik en uw oogen zijn beter dan de mijne. Ziet ge daar dat grijs, puntig kerktorentje, achter en boven die verre boomen? Ja? Welnu, naast dat kerktorentje, rechts, maar nog veel verder en dieper in, staat er een tweede torentje, een met een ronden koepel. Ziet ge 't, ja? Bij helder weer zie ik het ook soms, maar nu is het te grijs en mistig en mijn oogen zijn niet goed genoeg: nu zou ik het niet kunnen zien. Ziet gij het? Vindt ge 't?

Eenklaps zag ik het: heel, héél verre en nauwelijks zichtbaar in de grijze lucht, als een ietwat doffer-grijze schaduwstolp.

—Ja, meneer Cathoen, ik zie het? riep ik.

—Dat is óns dorp, zei hij, met schor-trillende stem. "Hoe zal het daar nu zijn?" En een snik brak in zijn keel.

Ontroerd liet ik den verrekijker neer en keek hem aan. Groote tranen blonken in zijn oogen en zijn lippen beefden. Hij slaakte een diepen zucht en plotseling begon hij te schreien.

Ontsteld en vol moederlijke zorg neeg Fietriene naar hem toe.

—Nee, Papatje, nee, Papatje, gij moogt u dat verdriet niet blijven aandoen; kom, kom, we gaan weg, suste zij.

Papatje! Wat klonk dat gek en toch ontroerend! Ik had kunnen lachen en toch was ik zelf diep bewogen. Ik wist haast niet hoe ik mij houden moest.

Meneer Cathoen was opgestaan. Vol zorg en toewijding steunde Fietriene hem onder den arm. Hij scheen zich even voor zijn emotie te schamen en poogde te glimlachen.

—Ik hou van mijn land, zei hij eindelijk. Ik wist niet dat ik er zooveel van hield. Ik zou liever dood zijn dan er niet terug te mogen keeren. Ik ben er toch zoo gelukkig geweest!

—Maar gij moogt er terug keeren, meneer Cathoen, niemand zou u dat beletten, poogde ik hem te troosten.

—Als vrij mensch, in een vrij land, zoo wil ik er terugkeeren en anders nooit, nooit, nooit! riep hij, met eensklaps heftig opvlammenden hartstocht. Ik wil geen vijand zien; ik wil van geen vreemden dwingeland hooren dat ik dit mag doen en dát moet laten; ik wil niet in mijn eigen land beleedigd en vernederd en mishandeld worden, verdome! gilde hij plots met fonkelende oogen en ballende vuisten.

Angstig trok Fietriene hem van den heuvel weg. "Nee, nee, Papatje, nee, nee, Papatje, ge moogt u niet zoo opwinden," suste en smeekte zij. "Kom, kom, we gaan terug naar huis, 't is hier niet goed voor u, 't wordt hier te koud."

Hij liet zich meetrekken. Zijn toorn viel ineens en hij zakte in elkaar, als een oud, versleten man. Wij keerden 't droeve Vlaanderen den rug toe en de snerpende, loeiende wind stuwde ons weer naar den dijkweg.


Het schemerde reeds toen wij in het dorp terugkwamen. O, die stilte, die benauwende eenzaamheid van het doodsche, als het ware uitgestorven oord! Wij ontmoetten slechts enkele vage schimmen van menschen, die met gesmoorde stem groetten en den politie-diender, die nog steeds op 't pleintje stond en vriendelijk-beleefd meneer Cathoen bij den naam noemde. Hier en daar, achter de nog niet dichtgeluikte ramen, begon een zwak lichtje te pinken. In Den Arend, waar ik de blauwe beafsteak en de donkere vetballen had gekregen, stond een lamp achter 't buffet, in de sombere diepten der gelagkamer, als een waskaars bij een lijkbaar.

—Ga binnen, zei mijnheer Cathoen, met een sleutel de deur van 't grijze huisje openend.

—Wijs mij de weg, antwoordde ik, hem en Fietriene voor latend.

Wij traden in het smalle, donker gangetje en menee