[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
Project Gutenberg's Keltische Mythen and Legenden, by T. W. Rolleston This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Keltische Mythen and Legenden Author: T. W. Rolleston Translator: B.C. Goudsmit Release Date: May 4, 2006 [EBook #18305] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KELTISCHE MYTHEN AND LEGENDEN *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
[Inhoud]

[Inhoud]

Koningin Maev
[Inhoud]
De Nederlandsche bewerking van deze Keltische Mythen was reeds voor een belangrijk deel gevorderd, toen de door ons zoo hoog gewaardeerde Dr B. C. Goudsmit door den dood werd weggenomen. Wij slaagden er in een bevoegden vertaler te vinden (hij wenscht ongenoemd te blijven) voor het voltooien van zijn arbeid.
De uitgevers. [IX]
[Inhoud]
Het verleden kan worden vergeten, het sterft nimmer. De elementen, die in de vroegste tijden bij de vorming van een natie in het spel kwamen, blijven bestaan en dragen er toe bij haar geschiedenis te maken en den stempel te drukken op het karakter en den geest van het volk.
Daarom moet het nasporen van die elementen en het bepalen, voor zoover mogelijk, van het deel dat zij hebben gehad aan schering en inslag van het leven van een volk, van niet gering belang zijn voor hen die inzien, dat uit het verleden het heden en uit het heden de toekomst wordt geboren; die zich zelf, hun magen en hun medeburgers niet willen beschouwen alleen als voorbijgaande schimmen, zich van de eene duisternis in de andere spoedend, maar die weten dat door hen een breede historische stroom gaat, van een verwijderden en geheimzinnigen oorsprong naar een toekomst, die in hooge mate wordt bepaald door al de vroegere omzwervingen van dien menschen-stroom, maar ook, in niet geringen graad door hetgeen zij, dank zij hun moed, hun vaderlandsliefde, hun kennis en hun verstand, er van verkozen te maken.
De rol door het Keltisch ras gespeeld als vormende kracht in de geschiedenis, de literatuur en de kunst van het volk dat de Britsche Eilanden bewoont—een volk dat van dat middelpunt uit zijn heerschappij heeft uitgebreid over zulk een uitgestrekt gebied van de oppervlakte der aarde—is in de volksgedachte onbehoorlijk verkleind geworden. Voor een groot deel heeft hieraan schuld de algemeen gangbare benaming “Angel-Saksisch” voor het Britsche volk, als ras-aanwijzing. Uit een historisch oogpunt is die benaming ten eenenmale verkeerd. Niets wettigt deze onderscheiding van twee Neder-Duitsche stammen, wanneer wij het ras-karakter van het Britsche volk willen aangeven. Het gebruik dier benaming leidt tot ongerijmdheden als die welke de schrijver niet lang geleden opmerkte, toen de voorgenomen verheffing van een Ierschen bisschop tot kardinaal, door den Paus, in een Engelsch blad werd voorgesteld als te zijn ingegeven door den wensch [X]van het hoofd der Katholieke kerk om een vriendelijkheid te bewijzen aan “het Angel-Saksisch ras.”
De juiste benaming voor de bevolking dezer eilanden en voor het typische en overheerschende deel van de bevolking van Noord-Amerika, is niet Angel-Saksisch maar Angel-Keltisch. Het is juist door deze vermenging van Germaansche en Keltische elementen dat het Britsche volk eenig is—het is juist die vermenging die aan dat volk het vuur, den élan, en in literatuur en kunst het gevoel voor stijl, kleur en handeling geeft—niet in het algemeen producten van den Germaanschen bodem—en te gelijkertijd de vastberadenheid en diepte, den eerbied voor oude wetten en gebruiken en de passie voor persoonlijke vrijheid, die min of meer vreemd zijn aan de romantische volken van Zuid-Europa. Mogen zij aan de Britsche Eilanden nimmer vreemd worden! Ook moet het Keltisch element in die eilanden niet worden geacht als geheel of zelfs zeer overwegend te zijn geleverd door de bevolkingen van den zoogenaamden “Keltischen Rand.” Het is thans aan de ethnologen wel bekend dat de Saksers volstrekt niet de Keltische of met Kelten vermengde bevolkingen uitroeiden die zij in het bezit vonden van Groot-Brittannië. De heer E. W. B. Nicholson, bibliothecaris van de Bodley-bibliotheek1 schrijft in zijn belangrijk werk “Keltische Nasporingen” (1904):
“Namen niet opzettelijk bedacht om rassen aan te duiden moeten nooit worden beschouwd als bewijzen voor ras, maar alleen als bewijzen voor het gemeenschappelijke van taal, of staatkundige organisatie. Wij noemen een man die Engelsch spreekt, in Engeland woont en een klaarblijkelijk Engelschen naam draagt (bijv. Freeman of Newton) een Engelschman. Toch geven statistieken van ‘betrekkelijke nigrescentie’2 goede gronden om aan te nemen dat Lancashire, West-Yorkshire, Staffordshire, Worcestershire, Warwickshire, [XI]Leicestershire, Rutland, Cambridgeshire, Wiltshire, Somerset en een deel van Sussex even Keltisch zijn als Perthshire en Noord-Munster; dat Cheshire, Shropshire, Herefordshire, Monmouthshire, Gloucestershire, Devon, Dorset, Northamptonshire, Huntingdonshire en Bedfordshire meer Keltisch zijn—en even Keltisch als Noord-Wales en Leinster; terwijl Buckinghamshire en Hertfordshire zelfs nog meer Keltisch zijn en gelijk staan met Zuid-Wales en Ulster.”3
Het is dus voor een Angel-Keltisch, niet een Angel-Saksisch volk dat dit overzicht van de oude geschiedenis, den godsdienst en de mythische en romantische literatuur van het Keltisch ras is geschreven. Het is te hopen dat dat volk daarin dingen zal vinden, waardig in herinnering te blijven als bijdragen tot den algemeenen schat der Europeesche cultuur, maar vooral waardig in de herinnering te blijven van hen, die meer dan eenig ander levend volk hebben geërfd van het bloed, de neigingen en den aanleg der Kelten. [XIII]
1 Te Oxford, dus genaamd naar den stichter, Sir T. Bodley (N.v.d.v.).
2 Het voorkomen van het donkere type onder de bewoners. (N.v.d.v.).
3 Met betrekking tot den naam “Freeman” voegt de heer Nicholson er nog bij: “Niemand was meer hartgrondig “Engelsch” in zijn sympathieën dan de groote historicus van dien naam en vermoedelijk zou niemand zich hardnekkiger hebben verzet tegen de onderstelling dat hij misschien uit Wales afstamde; toch heb ik zijn bijna physiek evenbeeld ontmoet in een pachter uit Wales (Evans geheeten), die op een paar minuten afstands van Pwllheli woonde.”
[Inhoud]
| Inleiding | IX | |
| I. | De Kelten in de Oude Geschiedenis | 1 |
| II. | De Godsdienst der Kelten | 35 |
| III. | De Mythen omtrent de invallen in Ierland | 79 |
| IV. | De Oude Milesische Koningen | 130 |
| V. | Verhalen van den Cyclus van Ulster | 161 |
| VI. | Verhalen van den Cyclus van Ossian | 231 |
| VII. | De Reis van Maeldūn | 285 |
| VIII. | Mythen en verhalen van de Kimbren | 305 |
| Goden van het huis van Dōn | 322 | |
| Goden van het huis van Llyr | 323 | |
| Arthur en zijn Magen | 324 | |
| Register | 387 |
[XIV]
[Inhoud]
[Inhoud]
In de kronieken van de classieke volken van omstreeks vijfhonderd jaar vóór de Christelijke jaartelling vindt men herhaaldelijk gewag gemaakt van een volk, dat met die naties in betrekking stond, somtijds in vrede, somtijds in den oorlog, en dat blijkbaar een krachtige en invloedrijke plaats innam in het onbekende gebied van Midden-Europa. Dit volk wordt door de Grieken de Hyperboreërs of Kelten genoemd; de laatste uitdrukking wordt het eerst gevonden bij den aardrijkskundige Hecataeus, ongeveer 500 v.C.1
Herodotus spreekt omstreeks een halve eeuw later van de Kelten, als van een volksstam die “aan gene zijde van de Zuilen van Hercules woont”—d.i. in Spanje, en verhaalt eveneens, dat de Donau in hun land ontspringt.
Aristoteles wist, dat zij “voorbij Spanje” woonden, dat zij Rome hadden ingenomen, en dat zij uitmuntten in krijgshaftige eigenschappen. Van tijd tot tijd vinden wij ook andere dan aardrijkskundige mededeelingen zelfs bij oude schrijvers. Hellanicus van Lesbos, een geschiedschrijver uit de vijfde eeuw v.C., beschrijft de Kelten als handhavers van rechtvaardigheid en als mannen, die de deugd liefhadden. Ephorus (omstreeks 350 v.C.) geeft drie dichtregels over de Kelten, waarin hij zegt, dat zij “dezelfde gewoonten hadden als de Grieken” (het is niet duidelijk, wat hij daarmee bedoelt), en dat zij op vriendschappelijken voet met dezen verkeerden, die dan ook gastvriendschap met hen sloten. Plato echter rangschikt in de “Wetten” de Kelten onder de volken, die zich aan dronkenschap overgeven en strijdlustig zijn, en men schrijft hun groote barbaarschheid toe bij gelegenheid van hun inval in Griekenland en de plundering van Delphi van het jaar 273 v.C. Hun aanval op Rome en de plundering dier stad omstreeks een eeuw vroeger is één der mijlpalen in de oude geschiedenis. [2]
De geschiedenis van dat volk gedurende den tijd, toen het de overheerschende macht in Midden-Europa voerde, moet men gissen of weder opbouwen uit verspreide aanwijzingen en mededeelingen van op zich zelf staande gebeurtenissen in hun optreden tegenover Griekenland en Rome, zooals de dierkundige dikwijls een voorwereldlijk dier weder opbouwt uit enkele fossiele beenderen. Geen kronieken zijn van hen tot op onzen tijd overgeleverd, geen bouwkundige overblijfselen zijn tot op onze dagen in wezen gebleven; slechts enkele munten en enkele versierselen en bronzen wapenen, met email opgelegd of waarop fijne en schoone patronen zijn gegraveerd of gedreven—alleen deze en de namen, die dikwijls in wonderlijk gewijzigde vormen verbonden zijn gebleven aan de plaatsen, waar zij woonden, van de Zwarte Zee tot aan de Britsche Eilanden, zijn zoowat al de zichtbare sporen, die ons door dien eertijds zoo machtigen volksstam van zijn beschaving en heerschappij zijn nagelaten. Toch kan daaruit en uit die verhalen van classieke schrijvers veel met zekerheid worden afgeleid, en nog meer kan met tamelijk veel waarschijnlijkheid worden gegist. De groote kenner der Keltische geschiedenis en oudheden, die voor enkele jaren is overleden, d’Arbois de Jubainville, heeft uit de beschikbare feiten een overtuigende schets gegeven der Keltische geschiedenis gedurende den tijd, die voorafgegaan is aan dien, waarop zij in het volle geschiedkundige licht zijn gekomen tijdens de veroveringen van Caesar2, en van die schets geven wij hier de voornaamste trekken weer.
Om te beginnen, moeten wij het denkbeeld op zijde zetten, dat het Keltenland ooit door één enkel zuiver en homogeen ras is bewoond geweest. De echte Kelten waren, als wij op dit punt de met zorg bestudeerde en goed gedocumenteerde gevolgtrekkingen mogen aannemen van Dr. T. Rice Holmes3 welk betoog wordt bevestigd door de eensluidende mededeelingen [3]der oudheid, een rijzig, lichtharig ras, oorlogslievend en heerschzuchtig4, dat oorspronkelijk (zoover wij het nog kunnen nagaan) hun woonplaats gehad heeft ergens bij de bronnen van den Donau, en die, zoowel door verovering als door op vredelievende wijze door te dringen, hun heerschappij uitstrekten over Midden-Europa, Gallië, Spanje en de Britsche Eilanden. Zij roeiden de oorspronkelijke praehistorische bewoners van die streken—palaeolithische en neolithische rassen, dolmen-bouwers en bewerkers van brons—niet uit, maar [4]zij legden hun wel hun taal, hun industrie en hun overleveringen op, waartegenover zij ongetwijfeld van hun kant veel van hen overnamen, vooral, zooals wij zullen zien, op het gebied van den godsdienst. Onder de rassen vormden de echte Kelten een aristocratische en overheerschende kaste. In die hoedanigheid stonden zij, zoowel in Gallië en in Spanje als in Brittannië en in Ierland, aan de spits van het gewapend verzet tegen vreemde invallen. Zij vingen den krachtigsten stoot op van oorlogen, verbeurdverklaringen en verbanning. Het ontbrak hun nooit aan moed, maar zij waren niet krachtig of niet eensgezind genoeg om de overhand te krijgen, en zij kwamen in veel grootere verhouding om dan de andere bewoners, die zij zelf hadden ten onder gebracht. Maar ook verdwenen zij, door hun bloed met dat van die andere bewoners te vermengen, waardoor zij den stempel van een aantal van hun eigen edele en mannelijke eigenschappen op hen drukten. Dit is de reden, dat de karakteristieke eigenschappen van die volken, die in onzen tijd Kelten genoemd werden en die de Keltische overleveringen en de Keltische taal voortplantten, in enkele opzichten zoozeer verschillen van die der Kelten uit de classieke geschiedenis en die der Kelten, die de litteratuur en de kunst van het oude Griekenland hebben voortgebracht, terwijl zij in andere opzichten daarmede zoo treffend overeenkomen. Om slechts één lichamelijk kenmerk te kiezen, de bewoners der meer Keltische districten van de Britsche eilanden kenmerken zich tegenwoordig door hun donkere gelaatskleur, hun haren enz. Zij zijn niet bijzonder donker, maar toch donkerder dan het overige gedeelte der bewoners van het koninkrijk.5 Maar de echte Kelten der twaalfde eeuw zijn door Giraldus Cambrensis als een licht gekleurd ras beschreven. [5]
Maar wij loopen op ons onderwerp vooruit en moeten terugkeeren tot het tijdperk van den oorsprong der Keltische geschiedenis. Evenals de sterrenkundigen het bestaan eener onbekende planeet hebben ontdekt door de storingen, door deze op de reeds waargenomen planeten uitgeoefend, zoo kunnen wij in de vijfde en vierde eeuw vóór Christus de aanwezigheid van een groote macht en van krachtige bewegingen onderscheiden, die geschiedden achter een sluier, die nooit meer zal worden opgelicht. Dit was de Gouden Eeuw der Kelten op het vasteland van Europa. Gedurende dat tijdperk voerden de Kelten drie groote en voorspoedige oorlogen, die geen geringen invloed hadden op den loop der geschiedenis van Zuid-Europa. Omstreeks 500 v.C. veroverden zij Spanje op de Carthagers. Een eeuw later zien wij hen bezig met de verovering van Noord-Italië op de Etruskers. Zij vestigden zich in grooten getale op het gebied, dat later bekend werd als Gallia Cisalpina, waar een aantal namen, zooals Mediolanum (Milaan), Addua (Adda), Virodunum (Verduno), en misschien Cremona (creamh, knoflook)6, er getuigenis van afleggen, dat zij dit gebied hebben bezet. Zij hebben nog een grooter herinnering achtergelaten in den voornaamsten der Latijnsche dichters, wiens naam, Vergilius, schijnt te wijzen op zijn Keltische afstamming7. Tegen het einde der vierde eeuw overstroomden zij Pannonia, toen zij de Illyriërs ten onder brachten.
Al die oorlogen werden ondernomen in bondgenootschap met de Grieken, met wie de Kelten in die periode op den [6]meest vriendschappelijken voet verkeerden. Door den oorlog met de Carthagers werd het monopolie, dat deze bezaten op het gebied van den handel in tin met Brittannië en in zilver met de Spaansche mijnwerkers, vernietigd, en de weg over land door Frankrijk heen naar Brittannië, ten behoeve waarvoor de Phoceërs in het jaar 600 v.C. de haven van Marseille hadden gesticht, werd voor goed aan den Griekschen handel verzekerd. Grieken en Kelten waren in dat tijdperk verbonden tegen Phoeniciërs en Perzen. De nederlaag, Hamilcar te Himera, in Sicilië, door Gelon toegebracht, viel in hetzelfde jaar als die van Xerxes te Salamis. Het Carthaagsche leger in dien veldtocht bestond uit huurlingen van een half dozijn volken, maar in de rangen der Carthagers werd geen enkele Kelt gevonden, en de vijandschap der Kelten was een voorname oorzaak, dat de Carthagers de Perzen geen hulp boden ter vernietiging van hun gemeenschappelijken vijand. Deze feiten bewijzen, dat de Kelten een belangrijke rol speelden, om te beletten, dat het Grieksche type van beschaving werd overweldigd door de dwingelandij van Oostersche volken, en dat het in Europa het onschatbare zaad van vrijheid en menschelijke cultuur in het leven hield.
Wij zien de Kelten weer naar voren treden als een hoogst belangrijken factor, toen Hellas van haar kant onder Alexander den Groote haar tegenaanval tegen het Oosten begon.

“Wij vreezen niemand”
In de vierde eeuw v.C. werd Macedonië door Thracische en Illyrische benden aangevallen en bijna vernietigd. Koning Amyntas II werd verslagen en in ballingschap gedreven. Zijn zoon Perdiccas II werd in den slag gedood. Toen Philippus, een jongere broeder van Perdiccas, den onbeteekenenden en waggelenden troon besteeg, dien hij en zijn opvolgers tot den zetel van een machtig rijk zouden maken, werd hij krachtig gesteund in zijn pogingen de Illyriërs het hoofd te bieden door de veroveringen der Kelten in de valleien van den Donau en de Po. In de dagen van Alexander werd het bondgenootschap [7]voortgezet en misschien meer op wettelijken grondslag gevestigd. Toen Alexander op het punt stond, Azië te veroveren (334 v.C.) sloot hij eerst een verdrag met de Kelten “die aan de Jonische Golf woonden”, ten einde zijn Grieksch grondgebied tijdens zijn afwezigheid tegen een aanval te beveiligen. Die gebeurtenis is door Ptolemaeus Soter beschreven in zijn geschiedenis van de oorlogen van Alexander8. Het verhaal is zóó levendig, dat het den stempel draagt van een authentieke geschiedenis, en een andere merkwaardige getuigenis van de waarheid van het verhaal is door de Jubainville aan het licht gebracht. Toen de Keltische afgevaardigden, die beschreven worden als mannen, hooghartig in hun optreden en van grooten lichaamsbouw, na hun zending te hebben volbracht, met den koning dronken, vroeg hij hun, naar het verhaal zegt, wat wel datgene was, waarvoor zij het meest bevreesd waren. De afgevaardigden antwoordden: “Wij vreezen niemand: er is slechts één ding, waarvoor wij bang zijn, en wel, dat de hemel op ons zou kunnen neervallen; maar wij stellen niets zoo zeer op prijs als de vriendschap van iemand zooals gij.” Alexander nam afscheid van hen, en fluisterde, na zich tot zijn edelen te hebben gewend, “Wat zijn die Kelten toch vreeselijke pochers.” Toch was het antwoord, met al zijn Keltische bravour en pralerij, niet zonder waardigheid en hoffelijkheid. De uitdrukking omtrent het neervallen van den hemel schijnt een blik te schenken op het eene of andere primitieve geloof of de eene of andere mythe, waarvan de beteekenis niet meer te doorgronden is.9 De nationale eed, waarmede de Kelten zich verbonden, aan hun verdrag met Alexander trouw te blijven, is zeer merkwaardig. “Als wij dit verdrag niet gestand doen,” zoo zeiden zij, “moge dan de hemel op ons neervallen en ons verbrijzelen, moge de aarde zich openen [8]en ons verzwelgen, moge de zee openbarsten en ons overweldigen.” De Jubainville vestigt met nadruk de aandacht op een plaats uit de “Táin Bo Cuailgne,” in het Boek van Leinster,10 waar de helden uit Ulster hun koning, die hen in den strijd wenschte te verlaten, ten einde een aanval af te weren op een ander gedeelte van het slagveld, mededeelen: De hemel is boven ons, en de aarde onder ons, en de zee is om ons heen gelegen. Tenzij de hemel met zijn menigte sterren neervalt op den grond, waarop wij gekampeerd zijn, of tenzij de aarde door een aardbeving wordt van een gereten, of tenzij de golven der blauwe zee over de bosschen der levende wereld komen, zullen wij niet wijken.11 Het overleven van dit eigenaardige eedsformulier gedurende meer dan duizend jaar, en het weder te voorschijn komen in een mythisch Iersch verdichtsel, nadat er het eerst van gehoord is onder de Kelten van Midden-Europa, is ongetwijfeld zeer merkwaardig, en is met andere feiten, die wij later zullen vermelden, een krachtig bewijs voor de eenheid en de onverwoestbaarheid der Keltische beschaving.12
Wij hebben reeds melding gemaakt van twee der groote oorlogen, door de op het vasteland wonende Kelten gevoerd; wij komen thans tot den derden, dien tegen de Etruskers, die hen ten slotte in botsing bracht met de grootste macht van het heidensche Europa, en aanleiding gaf tot hun grootste wapenfeit, de plundering van Rome. Omstreeks het jaar 400 v.C. schijnt het Keltische rijk het toppunt van zijn macht te hebben bereikt. Onder een koning, bij Livius Ambicatus genoemd, die waarschijnlijk het hoofd van een overheerschenden stam was in een militairen bond, zooals in onze dagen de Duitsche [9]Keizer, schijnen de Kelten in sterke mate te zijn samengesmeed tot een politieke eenheid, en een op eenzelfde doel gerichte politiek te hebben gevolgd. Daar zij aangetrokken waren door het vruchtbare land van Noord-Italië, daalden zij af door de passen der Alpen, en wisten zij zich daar, na hevige gevechten met de Etruscische inwoners, te handhaven. In die dagen drongen de Romeinen van beneden af op de Etruskers aan, en Romeinen en Kelten werkten volkomen met elkander in overleg en voor dat doel verbonden met elkander samen. Maar de Romeinen, die waarschijnlijk een groote minachting hadden voor de Noordelijke barbaarsche krijgslieden, hadden de onbezonnenheid oneerlijk spel met hen te spelen bij het beleg van Clusium (301 v.C.) welke plaats de Romeinen beschouwden als één der bolwerken van Latium tegen het noorden. De Kelten herkenden Romeinen, die bij hen gekomen waren in het onschendbare karakter van afgevaardigden, als strijders onder de rijen van den vijand. De gebeurtenissen, die toen volgden, zijn, in den vorm, waarin zij tot ons zijn gekomen, zeer vermengd met legenden, maar er zijn toch enkele trekken onder van dramatische kracht en levendigheid, waarin het ware karakter der Kelten duidelijk herkenbaar naar voren treedt. Zooals ons wordt verhaald, wendden zij zich tot Rome, om genoegdoening te krijgen voor het verraad der afgezanten, de drie zonen van Fabius Ambustus, den opperpriester. De Romeinen weigerden aan dien eisch gehoor te geven, en kozen juist de Fabii tot militaire tribunen voor het volgende jaar. Daarop braken de Kelten het beleg van Clusium op en trokken regelrecht op Rome af. Zij dachten er niet aan, op goed geluk te plunderen of te verwoesten, zij vielen geen enkele stad of vesting aan. “Wij zijn op weg naar Rome,” zoo riepen zij tot de wachten op de muren der provinciesteden, die verwonderd en beangst den ontzaglijken troep, die onafgebroken naar het zuiden trok, nastaarden. Eindelijk bereikten zij de Allia, enkele mijlen van Rome af, waar de geheele beschikbare troepenmacht der stad in slagorde stond geschaard om hen tegemoet te trekken. De slag werd geleverd den 18den [10]Juli 390, dien ongelukkigen dies Alliensis, die lange jaren in den Romeinschen kalender de herinnering levendig hield aan de diepste vernedering, die de Republiek ooit heeft ondergaan. De Kelten omsingelden het Romeinsche leger en vernietigden het in één enkelen geweldigen aanval. Drie dagen later waren zij in Rome, en omstreeks een jaar bleven zij meester van de stad of van haar puinhoopen, totdat een groote geldboete was betaald en de trouweloosheid bij Clusium ten volle was gewroken. Omstreeks een eeuw lang nadat het vredesverdrag gesloten was, bleef de vrede tusschen de Kelten en de Romeinen gehandhaafd, en het verbreken van dien vrede, toen enkele Keltische stammen zich met hun ouden vijand, de Etruskers, verbonden tijdens den derden Samnietischen oorlog, viel samen met het ineenstorten van de Keltische macht.13 Wij moeten thans nog twee vragen bespreken voordat wij het geschiedkundige gedeelte van deze Inleiding kunnen afsluiten. In de eerste plaats, wat zijn de bewijzen dat de Keltische macht zich gedurende die periode zoover over Midden-Europa heeft verspreid? In de tweede plaats, waar waren toen de Germaansche volksstammen, en wat was hun verhouding tot de Kelten?

“Wij zijn op weg naar Rome”
Het zou ons te ver tot philologische vraagstukken terugvoeren, die alleen de wetenschappelijke beoefenaar der Keltische wetenschappen ten volle kan waardeeren, als wij deze vragen volledig zouden willen beantwoorden. Men vindt de bewijzen volledig ontwikkeld in het werk van de Jubainville, waarnaar wij reeds herhaaldelijk hebben verwezen. De studie der Europeesche plaatsnamen vormt den grondslag zijner bewijsvoering. Neem bij voorbeeld den Keltischen naam Noviomagus, samengesteld uit twee Keltische woorden, waarvan het bijvoeglijk naamwoord “nieuw” beteekent en magos (in [11]het Iersch magh) een veld of vlakte.14 Er waren in de oudheid negen plaatsen met dien naam bekend. Zes waren in Frankrijk gelegen, daaronder de plaatsen, nu Noyon, in Oise gelegen, Nyon in de Vogezen, Nyons, in Drôme. Buiten Frankrijk waren er drie, en wel Nijmegen, in de Nederlanden, Neumagen, in het Rijnland en één in Spier, in het Palatinaat.
Het woord dunum, dat nog zoo veelvuldig in onzen tijd in plaatsnamen kan worden herkend (Dundalk, Dunrobius enz.) en dat vesting of kasteel beteekent, is een tweede typisch Keltisch element in Europeesche plaatsnamen. Het kwam zeer dikwijls in Frankrijk voor—b.v. Lugdunum (Lyon), Virodunum (Verdun). Men vindt het ook in Zwitserland—b.v. Minno-dumun (Moudon), Eburo-dunum (Yverdon)—en in Nederland, waar de naam Leiden kan teruggevoerd worden tot het Keltische Lug-dunum. In Groot-Brittannië werd de Keltische uitdrukking dikwijls eenvoudig vertaald door castra; zoo werd Camulo dunum Colchester, Brano-dunum Brancaster. In Spanje en Portugal worden door classieke schrijvers acht namen, die op dunum eindigen, vermeld. In Duitschland kunnen de moderne namen Kempton, Karnberg, Liegnitz, teruggevoerd worden tot de Keltische vormen Cambo-dunum, Carro-dunum, Lugi-dunum, ook vinden wij een Singi-dunum, nu Belgrado in Servië, Novi-dunum, nu Isakstcha, in Rumenië, een Carro-dunum in Zuid-Rusland, bij den Dniester, en een ander in Croatië, thans Pitsmeza. Sego-dunum, nu Rodez, in Frankrijk, wordt ook in Beieren gevonden (Wurzburg) en in Engeland (Sege-dunum), nu Wallsend, in Northumberland, en het eerste gedeelte, sego, vindt men terug in Segorbe (Sego-briga), in Spanje. Briga is een Keltisch woord, de oorsprong van ons burg, en komt in beteekenis overeen met dunum.
Nog een ander voorbeeld: het woord magos, een vlakte, dat veel voorkomt als deel van Iersche plaatsnamen, wordt herhaaldelijk in Frankrijk gevonden, en ook buiten Frankrijk; in landen, die niet meer Keltisch zijn, komt het voor den dag [12]in Zwitserland (Uro-magus, nu Promasens) in het Rijnland (Broco-magus, Brumath), in Nederland, zooals wij reeds opmerkten (Nijmegen), verschillende malen in Lombardije, en in Oostenrijk.
Wij hebben met die enkele voorbeelden het onderwerp volstrekt niet uitgeput, maar zij dienen alleen om een denkbeeld te geven hoezeer de Kelten over Europa verbreid waren, en om aan te toonen, dat over dat uitgestrekte gebied de taal der Kelten overal dezelfde was.15
De overblijfselen van oude Keltische kunstwerken geven alle hetzelfde beeld. In het jaar 1846 werd een groote vóór-Romeinsche necropolis (doodenstad) ontdekt te Hallstatt, bij Salzburg, in Oostenrijk. Het bevat overblijfselen, die naar de meening van Dr. Arthur Evans afkomstig zijn uit den tijd van 750 tot 400 v.C. Die overblijfselen wijzen in sommige gevallen op een hoogen trap van ontwikkeling en beschaving en een uitgebreiden handel. Men vindt daar barnsteen uit de Oostzee, Phoenicisch glas en goudblad van Oostersche bewerking. Er worden ijzeren zwaarden gevonden, waarvan de gevesten en scheeden rijkelijk versierd zijn met goud, ivoor en barnsteen.
De Keltische beschaving, zooals die zich openbaart in de overblijfselen te Hallstatt, ontwikkelden zich later in wat men noemt de beschaving uit de La-Tène periode. La Tène was een nederzetting aan het noordoostelijke uiteinde van het meer van Neuchâtel, en daar zijn een aantal voorwerpen van het hoogste belang gevonden, sedert die plaats in 1858 voor het eerst werd nagezocht. Die oudheden vertegenwoordigen volgens Dr. Evans het hoogtepunt der Gallische beschaving en dagteekenen van ongeveer de derde eeuw vóór Christus. Het type der kunst, die daar is gevonden, moet beoordeeld worden in het licht van een opmerking door Romilly Allan voor eenige jaren gemaakt in zijn “Keltische Kunst” (blz. 13). [13]
“De groote moeilijkheid voor het begrijpen der ontwikkeling van de Keltische kunst is gelegen in het feit, dat de Kelten, hoewel zij nooit nieuwe denkbeelden schijnen te hebben uitgevonden, een buitengewone vatbaarheid bleken te hebben, om denkbeelden aan te grijpen en over te nemen van de verschillende volken, met wie zij hetzij door oorlogen, hetzij door handelsbetrekkingen in aanraking kwamen. En zoodra de Kelt een denkbeeld van zijn naburen had overgenomen, was hij in staat daaraan een zóó duidelijk Keltische kleur te geven, dat het spoedig iets werd, dat volkomen afweek van wat het oorspronkelijk geweest was, en dan ook bijna niet meer te herkennen was.”
Wat nu de Kelten ontleenden aan de kunstbeschaving, die op het vasteland haar hoogtepunt bereikte in de overblijfselen van La Tène, waren bepaalde, oorspronkelijk aan de natuur ontleende motieven van Grieksche versierselen en wel in de eerste plaats de palmette- en de meander-motieven. Maar een eigenaardige karaktertrek van de Kelten was het, dat zij in hun kunst er tegen waakten, de natuurlijke vormen der planten- en dierenwereld na te bootsen of zelfs maar in de verte te naderen. Zij brachten alles terug tot zuivere versiering. Wat zij bij hun versieringen beoogden, was de afwisseling van breede kromme en golvende lijnen met dicht ineen gedrongen spiralen of krullen, en met die eenvoudige grondmotieven, en met overneming van enkele motieven, ontleend aan Grieksche kunst, bouwden zij een prachtig en fijn stelsel van versiering op, rijk aan afwisseling, dat zij toepasten op wapenen, sieraden en huishoudelijke voorwerpen van den meest verschillenden aard, in goud, brons, hout en steen, en voor zoover wij in staat zijn daarover te oordeelen, ook op geweven stoffen. Eén prachtige wijze van versiering van metaalwerk schijnt geheel haar oorsprong gehad te hebben in het Keltische gebied. Emailleeren was bij de classieke volken onbekend totdat zij het van de Kelten hadden geleerd. Tot zelfs in de derde eeuw na Christus was het voor de classieke wereld een vreemde bewerking, zooals wij vernemen uit een mededeeling van Philostratus: [14]
“Zij zeggen, dat de barbaren, die in den oceaan gelegen zijn, (Britten) die kleuren gieten over verhit koper, dat deze zich daarop vasthechten, zoo hard worden als steen, en de patronen bewaren, die daarop zijn aangebracht.”
Dr. J. Anderson schrijft in de “Verhandelingen van het Genootschap van Oudheidkundigen van Schotland:”
“De Galliërs, zoowel als de Britten—van denzelfden Keltischen stam—oefenden het emailleeren uit vóór de Romeinsche verovering. De werkplaatsen voor het emailleeren te Bibracte, met haar fornuizen, smeltkroezen, mallen en bruineersteenen, en met het ruwe email op de verschillende trappen van bewerking, zijn voor enkele jaren opgegraven uit de puinhoopen der stad, die door Caesar en zijn legioenen verwoest was. Maar het email van Bibracte is niets meer dan het werk van knoeiers op kunstgebied, vergeleken met het Britsche werk. De zetel der kunst was in Brittannië gevestigd, en de stijl der patronen, zoowel als de wijze, waarop zij in verband stonden met de voorwerpen, waarop de versiering was aangebracht, wezen er met absolute zekerheid op, dat zij haar hoogsten trap van inheemsche ontwikkeling had bereikt voordat zij in aanraking kwam met de Romeinsche beschaving.”16
Het Nationale Museum te Dublin bevat een aantal prachtige voorbeelden van Iersche decoratieve kunst in goud, brons en email, en de “krachtige Keltische kleur” waarvan Romilly Allen spreekt, is even duidelijk daar waar te nemen als bij de overblijfselen van Hallstatt of La Tène.
Alles wijst dus op een gemeenschappelijke cultuur, op een volkomen gelijkheid in het karakter van het ras, dat men in het geheele uitgestrekte grondgebied vindt, en dat bij de oude wereld bekend stond als het gebied der Kelten.
Maar, zooals wij te voren hebben opgemerkt, dit gebied was niet uitsluitend door de Kelten bewoond. In het bijzonder moeten wij trachten de vraag te beantwoorden, wie de Germanen, [15]de Teuto-Gothische stammen waren, die ten slotte de plaats innamen der Kelten, als een uit het noorden afkomstige bedreiging der classieke beschaving; en tevens moeten wij nagaan, waar deze hun zetel hadden.
Zij worden genoemd door Pytheas, den voortreffelijken Griekschen reiziger en aardrijkskundige (omstreeks 300 v.C.), maar zij spelen geen rol in de geschiedenis, totdat zij onder den naam van Cimbren en Teutonen in Italië afdaalden, waar zij op het einde der tweede eeuw v.C. door Marius werden overwonnen. De oude Grieksche aardrijkskundigen van vóór den tijd van Pytheas weten niets van hen af, en schrijven het geheele gebied, dat thans als Germaansch bekend staat, aan verschillende Keltische stammen toe.
De verklaring, door de Jubainville gegeven, en die door hem is gegrond op verschillende philologische overwegingen, is deze, dat de Germanen een onderworpen volk waren, te vergelijken met die “onvrije stammen,” die in Gallië en in het oude Ierland werden gevonden. Zij leefden onder de heerschappij der Kelten, en hadden geen onafhankelijk politiek bestaan. De Jubainville is van oordeel, dat alle woorden, die samenhangen met wet en regeering en met den oorlog, die zoowel voorkomen in de Keltische als in de Teutonische talen, door de Teutonen aan de Kelten waren ontleend. De voornaamste daaronder zijn de woorden, voorgesteld door het moderne Duitsche woord Reich (Hollandsch, rijk), Amt (Hollandsch, ambt) en het Gothische reiks, Koning, welke woorden alle ontwijfelbaar van Keltischen oorsprong zijn. De Jubainville telt eveneens onder de woorden, aan het Keltisch ontleend, Bann, een bevel, Frei, vrij; Geisel, een gijzelaar, Erbe, een erfenis; Werth, waarde; Weih, gewijd, Magus, een slaaf (Gothisch); Wini, een vrouw (Oud-Hoogduitsch); Skalks, Schalk, een slaaf (Gothisch); Hartha, slag (Oud-Duitsch); Helith, Held, een held, van denzelfden stam als het woord Kelt; Heer, een leger (in het Keltisch choris); Sieg, overwinning; Beute, buit; Burg, een kasteel; en nog een aantal andere woorden. [16]
De etymologische geschiedenis van sommige van die woorden is bijzonder merkwaardig. Amt, bij voorbeeld, dat woord, dat van zoo groote beteekenis is in het moderne Germaansche staatsbestuur, kan teruggevoerd worden tot een oud Keltisch woord ambhactos, dat is samengesteld uit de woorden ambi, omtrent en actos een verleden deelwoord, afgeleid van den Keltischen stam AG, dat handelen beteekent. Nu is ambi afgeleid van het oorspronkelijke Indo-Europeesche mbhi, waar de m aan het begin een soort van klinker is, die later in het Sanskrit is voorgesteld door a. Die klinker m werd een n in die Germaansche woorden, die onmiddellijk zijn afgeleid van de oorspronkelijke Indo-Europeesche taal. Maar het woord, dat nu door amt wordt voorgesteld, komt in zijn oudsten Germaanschen vorm voor als ambaht, waaruit dus duidelijk blijkt, dat het afstamt van het Keltische ambhactos.
Zoo wordt het woord frei in zijn oudsten Germaanschen vorm gevonden als frijo-s, dat afkomstig is van het oorspronkelijke Indo-Europeesche prijo-s. Het woord beteekent hier echter niet vrij; het beteekent bewind (Sanskrit priya-s). Wij zien echter, hoe in de Keltische taal prijos zijn p aan het begin verliest, in het oude Keltisch was de moeilijkheid, die letter uit te spreken een eigenaardig kenmerk; tevens veranderde de j, volgens een vasten regel, in dd, en zoo komt in de moderne volkstaal van Wales het woord voor onder den vorm rhydd—vrij. De Indo-Europeesche beteekenis is in de Germaansche talen blijven bestaan in den naam van de godin der liefde, Freia, en in de woorden Freund, vriend, Friede, vrede. De beteekenis van het woord op het gebied van het burgerlijk recht kan tot een Keltischen oorsprong worden teruggebracht, en schijnt in dien zin aan het Keltisch ontleend te zijn.
Het Germaansche Beute, buit, roof, heeft een bijzonder leerzame geschiedenis. Er bestond een Gallisch woord bodi, dat gevonden wordt in samenstellingen, zooals de plaatsnaam Segobodium (Seveux), en verschillende namen van personen en stammen, zooals Boudicca, beter bij ons bekend als de “Britsche strijdlustige koningin”, Boadicea. Het woord beteekende [17]oudtijds “overwinning.” Maar de vrucht der overwinning is de buit, en in dien stoffelijken zin werd het woord overgenomen in het Duitsch, in het Fransch (butin), in het Noorsch (byte), en in de volkstaal van Wales (budd). Daarentegen heeft het woord zijn hoogere, meer verheven beteekenis gehouden in het Iersch. In de Iersche vertaling van Kronijken XXIX, 11, waar de Vulgata in het oorspronkelijke luidt: “Tua est, Domine, magnificentia et potentia et gloria et victoria”, wordt het woord victoria in het Iersch vertaald door búaidh, en zooals de Jubainville terecht opmerkt, “ce n’est pas de butin qu’il s’agit.” Hij vervolgt zijn betoog aldus: “Búaidh heeft in het Iersch, dank zij een krachtige en voortdurende beschaving, de verheven beteekenis gehouden, die het in de taal der Gallische aristocratie had. De stoffelijke beteekenis van het woord werd alleen opgemerkt door de lagere klassen der bevolking, en het is de overlevering van die lagere klassen, die in de Germaansche, Fransche en Cymrische talen is bewaard gebleven.”17
Er waren echter twee dingen, die de Kelten òf niet wilden òf niet konden opdringen aan de overwonnen Germaansche stammen—hun taal en hun godsdienst. In die twee groote factoren van raseenheid en trots liggen de zaden van den opstand der Germanen en ten slotte van het omverwerpen der Keltische overmacht. De namen der Germaansche godheden verschillen van die der Keltische, ook hun begrafenisgebruiken, waarmede de diepste godsdienstige opvattingen der oorspronkelijke rassen samenhangen, zijn geheel andere. De Kelten, of ten minste het overheerschende gedeelte van hen, begroeven hun dooden, en beschouwden het gebruik van vuur als een vernedering, die alleen mocht worden opgelegd aan misdadigers, of aan slaven of gevangenen bij die vreeselijke menschenoffers, die de grootste smet zijn op hun oorspronkelijke cultuur. De Germanen daarentegen begroeven hun beroemde dooden op brandstapels, evenals de oude Grieken—en als geen brandstapel kon worden opgericht voor het geheele [18]lichaam, dan werden de edelste deelen, zooals hoofd en armen, verbrand, terwijl het overige gedeelte werd begraven.
Wij zullen wel nooit met juistheid te weten komen, wat geschiedde ten tijde van den Germaanschen opstand; doch zeker is het, dat ongeveer na het jaar 300 v.C. de Kelten allen mogelijken politieken samenhang en alle gemeenschappelijk streven hadden verloren, die zij ooit hadden bezeten. Als waren zij door de uitbarsting van de eene of andere onderaardsche kracht uiteengescheurd, stortten hun stammen als stroomen lava neer naar het zuiden, oosten en westen van hun oorspronkelijke woonplaats. Enkelen baanden zich een weg naar Noord-Griekenland, waar zij het schandelijk vergrijp pleegden, dat hun vroegere vrienden en bondgenooten zoozeer ergerde, en wel de plundering van den tempel van Delphi (273 v.C.). Anderen hernieuwden, doch met slechter resultaat, den ouden strijd met Rome, en kwamen in groote menigte te Sentinum (295 v.C.) en bij het meer Vadimo (283 v.C.) om. Eén afdeeling drong tot Klein-Azië door, en stichtte den Keltischen staat Galatia, waar, zooals de Heilige Hieronymus verhaalt, nog in de vierde eeuw na Christus een Keltisch dialect werd gesproken. Anderen namen als huurtroepen dienst onder Carthago. Een woelige oorlog van Kelten tegen verstrooide Germaansche stammen, of tegen andere Kelten, die vroegere golvingen van veranderingen in woonplaats en van verovering vertegenwoordigden, werd over geheel Midden-Europa, Gallië en Brittannië gevoerd. Toen deze tot rust kwam, bleven Gallië en de Britsche eilanden feitelijk de eenige overblijfselen der Keltische oppermacht, de eenige landen, die nog onder Keltische wetten en onder Keltische leiding stonden. Tegen het begin der Christelijke jaartelling waren Gallië en Brittannië onder het juk van Rome gekomen, en was het slechts de vraag, hoe lang het nog zou duren, voordat zij in ieder opzicht in zeden en karakter geheel Romeinsch zouden geworden zijn. [19]
Ierland was het eenige land, dat nooit door de Romeinsche legioenen bezocht, laat staan onderworpen was, en dat in naam zijn onafhankelijkheid tegen alle bezoekers wist te handhaven tot aan het einde der twaalfde eeuw, doch practisch zelfs nog een goede driehonderd jaar later.
Ierland is hierom dan ook van een zoo eigenaardige beteekenis, en boezemt ons dan ook hierom zooveel belang in, dat het een zuiver inheemsche Keltische beschaving, Keltische instellingen, kunst en letterkunde en den oudsten nog in leven gebleven vorm der Keltische taal18 over de kloof draagt, die [20]de oude wereld van de moderne scheidt, de heidensche van de Christelijke, en die haar brengt onder het volle licht der moderne geschiedenis en der moderne waarneming.
De zedelijke zoowel als de lichamelijke karaktertrekken door de classieke schrijvers aan de Keltische volken toegeschreven, vertoonen een merkwaardige helderheid en bestendigheid. Veel wat omtrent hen wordt verhaald, zou, zooals wel te verwachten was, kunnen worden gezegd van ieder nog primitief en ongeletterd volk, maar er blijft toch zóóveel over, dat hen onder de verschillende menschenrassen onderscheidt, dat indien die oude mededeelingen omtrent de Kelten zouden worden voorgelezen zonder dat de naam van het ras genoemd werd, waarop zij sloegen, iedereen, die alleen door zijn kennis der nieuwe geschiedenis daarmede bekend was, zonder een oogenblik te aarzelen de Keltische volken zou noemen als die, waarvan in de beschrijving werd melding gemaakt.
Sommige van die mededeelingen zijn reeds door ons aangehaald, en wij behoeven de bewijzen niet te herhalen, die ontleend zijn aan Plato, Ephorus of Arrianus. Maar wel mogen wij hier een opmerking aanhalen, die M. Porcius Cato over de Galliërs maakt. “Er zijn twee dingen,” zoo zegt hij, “waaraan de Galliërs bijzonder gehecht zijn—de krijgskunst en de scherpzinnige wijze van uitdrukking” (”rem militarem et argute loqui”).
Caesar heeft ons een nauwkeurige en critische beschrijving van hen gegeven, zooals hij ze in Gallië heeft leeren kennen. Zij waren, zooals hij zegt, bijzonder strijdlustig, maar spoedig door tegenspoed uit het veld geslagen. Zij waren zeer bijgeloovig, en onderwierpen zich aan de beslissing der Druïden in alle publieke en private aangelegenheden, en beschouwden [21]het als de grootste straf, als zij in den ban werden gedaan en hun geweigerd werd aan de godsdienstige ceremoniën deel te nemen.
“Zij die op dien grond in den ban zijn gedaan (omdat zij geweigerd hadden zich te onderwerpen aan een beslissing der Druïden) worden onder de laagsten en de goddeloozen gerekend; iedereen ontvlucht hun gezelschap en vermijdt het zich met hen in een mondgesprek te begeven, uit vrees, door die nauwere aanraking te worden besmet; zij mogen geen rechtsgeding aanhangig maken; en geen enkele betrekking wordt hun toevertrouwd. De Druïden zijn meestal vrij van militairen dienst en dragen niet, zooals de anderen, in de belasting bij... Door dergelijke belooningen aangemoedigd, komen een aantal van hen uit eigen beweging in hun scholen, en worden door hun vrienden en bloedverwanten daarheen gezonden. Men vertelt, dat zij daar een aantal verzen uit het hoofd leeren; enkelen zetten hun opvoeding gedurende twintig jaar voort; en evenmin wordt het voor geoorloofd beschouwd die dingen (de leerstellingen der Druïden) op schrift te brengen, hoewel zij in bijna alle openbare handelingen en private mededeelingen de Grieksche letterteekens gebruiken.”
De Galliërs waren fel op nieuwtjes en vielen kooplieden en reizigers lastig met hun ijdel gesnap19, zij kwamen gemakkelijk onder den invloed van anderen, waren hartstochtelijk en ongeduldig, verzot op afwisseling en besluiteloos bij hun beraadslagingen. Tevens waren zij merkwaardig slim en verstandig, zeer snel in het gebruik maken van iederen kunstgreep, dien zij konden aanwenden en volgden alles na, wat zij geschikt achtten. De vindingrijkheid, waarmede zij de gevaren der nieuwerwetsche belegeringswerktuigen der Romeinsche legers wisten te vermijden, wordt door Caesar in het bijzonder vermeld. Hij spreekt met grooten eerbied van hun moed, en schrijft hun doodsverachting, ten minste voor een groot deel, toe aan hun [22]innig geloof in de onsterfelijkheid der ziel20. Een volk, dat in vroeger dagen herhaaldelijk Romeinsche legers had vernietigd, Rome had geplunderd, en meer dan eens zelfs Caesar geplaatst had in een toestand waarin hij aan de grootste zorgen en gevaren was blootgesteld, bestond blijkbaar niet uit zwakkelingen, wat ook zijn godsdienstige opvattingen en gebruiken mochten zijn. Caesar gaat niet mank aan overgevoelige bewondering van zijn vijanden, maar één episode bij het beleg van Avaricum dwingt hem er toe, de dapperheid der verdedigers aan de onsterfelijkheid over te geven. Een Romeinsche houten stellage of agger was door de Romeinen opgericht om boven de muren uit te steken die bleken weerstand te kunnen bieden aan de aanvallen van den stormram. De Galliërs slaagden er in, dien toestel in brand te steken. Het was nu van het hoogste gewicht, de belegeraars te beletten de vlammen te blusschen, en een Galliër klom op een gedeelte van den muur boven den agger en wierp daarop stukken vet en pik neer, die hem van binnen uit werden toegereikt. Hij werd spoedig neergeveld door een werptuig van een Romeinschen catapult. Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar neerlag, en vervolgde de taak van zijn makker. Ook hij viel neer, maar een derde nam dadelijk zijn plaats in, zoo ook een vierde; en die post werd niet verlaten voordat de soldaten ten slotte de vlammen hadden gedoofd en de verdedigers hadden gedwongen naar de stad terug te keeren, die eindelijk den volgenden dag werd ingenomen.

“Onmiddellijk stapte een ander over hem heen toen hij daar nederlag”
De aardrijkskundige en reiziger Strabo, die in het jaar 24 n.C. stierf en dus iets later leefde dan Caesar, weet ons heel wat omtrent de Kelten te vertellen. Hij merkt op, dat hun land [23](in dit geval Gallië) dicht bewoond is en hun akkers goed bewerkt, geen natuurlijke hulpbronnen worden daar ongebruikt gelaten. De vrouwen zijn vruchtbaar en bijzonder goede moeders. Hij beschrijft de mannen als oorlogszuchtig, hartstochtelijk, verzot op twistgesprekken, gemakkelijk op te hitsen, maar daarbij edelmoedig en onergdenkend, zoodat zij gemakkelijk door krijgslisten kunnen worden overwonnen. Zij bleken begeerig te zijn naar ontwikkeling en beschaving, en Grieksche letters en Grieksche wetenschap waren snel van Massilia uit onder hen verspreid; in hun steden werd openbare opvoeding ingesteld. Zij vochten beter te paard dan te voet, en in de dagen van Strabo vormden zij de bloem der Romeinsche ruiterij. Zij woonden in groote huizen gemaakt van boogvormige planken met muren van vlechtwerk—zonder twijfel bepleisterd met klei en kalk, zooals in Ierland—en dicht met stroo gedekt. Steden van groote beteekenis werden in Gallië gevonden, en Caesar maakt gewag van de sterkte der muren, die gebouwd waren van steen en hout. Caesar en Strabo zijn het er beiden over eens, dat er een zeer scherpe scheiding was tusschen de edelen en den ontwikkelden of priesterstand aan den éénen kant en het gemeene volk aan den anderen kant, daar de laatsten in strikte onderworpenheid gehouden werden. De maatschappelijke verdeeling komt in ruwe trekken ongetwijfeld overeen met het onderscheid in ras tusschen de echte Kelten en de oorspronkelijke bewoners, die door hen waren onderworpen. Terwijl Caesar ons verhaalt, dat de Druïden de onsterfelijkheid der ziel verkondigden, voegt Strabo er aan toe, dat zij geloofden in de onvernietigbaarheid—wat in sommige opzichten de goddelijkheid insluit—van het stoffelijk heelal.
De Keltische krijgsman hield van uiterlijke praal. Alles wat aan het leven glans en een indruk van tooneelmatigheid schonk, werkte op zijn verbeelding. Zijn wapenen waren rijk versierd, zijn paardentuigen waren in brons en email bewerkt, even prachtig ontworpen als eenig overblijfsel der Myceensche of Cretensische kunst, zijn kleeding was met goud geborduurd. Het tooneel van de overgave van Vercingetorix, toen zijn [24]heldhaftige strijd tegen Rome bij den val van Alesia tot een einde was gekomen, is de vermelding waard als een typisch Keltisch mengsel van ridderlijkheid en van wat de zeer bezadigde Romeinen als een kinderachtige pralerij toescheen21. Toen hij zag, dat de zaak verloren was, riep hij een vergadering der stammen bijeen en deelde de verzamelde aanvoerders, aan wier hoofd hij gestaan had in een roemrijken, hoewel rampspoedigen oorlog, mede, dat hij bereid was zich op te offeren voor zijn nog steeds getrouwe volgelingen—hetzij zij als zij dat wilden, zijn hoofd aan Ceasar zouden zenden, hetzij hij zich vrijwillig overgaf met het doel gunstiger voorwaarden te bedingen voor zijn landgenooten. Het laatste voorstel werd aangenomen. Daarop wapende Vercingetorix zich met zijn schitterendste wapenen, bekleedde zijn paard met zijn rijkste tuig en, na driemaal om het Romeinsene kamp te zijn heen gereden, hield hij voor Caesar stand en legde hij het zwaard, dat het eenige overgebleven verdedigingsmiddel der Gallische onafhankelijkheid was, voor diens voeten. Caesar zond hem naar Rome, waar hij zes jaren lang gevangen werd gehouden, totdat hij ten slotte ter dood werd gebracht, toen Caesar zijn triomftocht hield.

Vercingetorix rijdt langs het Romeinsche Kamp
Een karakteristiek tooneel uit den slag bij Clastidium (222 v.C.) wordt door Polybius beschreven. De Gaesaten22, zoo verhaalt hij, die aan het front van het Keltische leger stonden, kleedden zich voor den strijd naakt uit, en het gezicht van die krijgslieden, met hun groote gestalte en hun blanke huid, waarop de gouden halsketenen en armbanden schitterden, [25]die door al de Kelten zoozeer als versierselen op prijs werden gesteld, vervulden de Romeinsche soldaten met eerbiedige vrees en ontzag. Maar toen de slag geëindigd was, gingen die versierselen bij wagenvrachten naar Rome, om het Kapitool te versieren; en de slotopmerking van Polybius over het karakter der Kelten is, dat zij “ik zeg niet gewoonlijk, maar steeds en voortdurend, in alles wat zij beproefden door hun hartstochten werden medegesleept, en zich nooit aan de wetten der rede onderwierpen.” Zooals men kan verwachten, was de kuischheid, waarvoor de Germanen bekend stonden, nooit, tot in de allerlaatste tijden, een Keltische karaktertrek.
Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus, die in Gallië had gereisd, bevestigt in hoofdzaken de mededeelingen van Caesar en Strabo, maar voegt er enkele merkwaardige bijzonderheden aan toe. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op de voorliefde der Galliërs voor goud. Zelfs harnassen werden van goud vervaardigd. Dit is ook een zeer opmerkelijke karaktertrek der Kelten in Ierland, immers men heeft daar een verbazend aantal praehistorische overblijfselen van goud gevonden, terwijl het vaststaat, dat er nog veel meer hebben bestaan, die thans zijn verloren gegaan. De tempels en heilige plaatsen, zoo zeggen Posidonius en Diodorus, waren vol van onbeschermde gouden offers, die nooit door iemand werden aangeraakt. Hij maakt melding van den grooten eerbied aan de barden bewezen, en vestigt evenals Cato de aandacht op de wijze van uitdrukking, door de welopgevoede Galliërs gebezigd: “Zij zijn geen praatziek volk, en zijn er verzot op, zich uit te drukken in raadselen, zoodat de hoorder het grootste gedeelte van wat zij willen zeggen, maar moet raden.” Dit komt volmaakt overeen met de deftige en beschaafde taal van het oude Ierland, die in hooge mate kort en zinnebeeldig is. De Druïde werd beschouwd als de voorgeschreven tusschenpersoon tusschen God en mensch—niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten zonder zijn bijstand. [26]
Ammianus Marcellinus, die veel later leefde, en wel in de tweede helft der vierde eeuw na Christus, had eveneens Gallië bezocht, dat toen reeds, zooals duidelijk is, den invloed van Rome sterk had ondervonden.
Doch ook hij verhaalt ons, evenals vroegere schrijvers, van de groote gestalte, de schoonheid en het aanmatigende optreden van den Gallischen krijgsman. Hij voegt er aan toe, dat het volk, in het bijzonder in Aquitanië, merkwaardig helder en zindelijk was in zijn uiterlijk—niemand werd in lompen of haveloos aangetroffen. Hij beschrijft ons de Gallische vrouw als buitengewoon lang, blauwoogig en bijzonder schoon; maar onder zijn bewondering is tamelijk veel eerbiedige vrees gemengd, immers hij voegt er aan toe, dat terwijl het al gevaarlijk genoeg was tegen een Gallischen man te moeten strijden, de zaak hopeloos stond, als zijn vrouw met haar vervaarlijk groote, sneeuwwitte armen, die konden neerkomen als catapulten, haar man te hulp kwam. Onweerstaanbaar wordt men herinnerd aan de galerij van krachtige, onafhankelijke, vurige en heftige vrouwen, zooals Maev, Grania, Findabair, Deirdre en de historische figuur van Boadicea, die in de mythen en in de geschiedenis der Britsche eilanden naar voren treden.
Het volgende uittreksel uit het werk van Rice Holmes “Caesars Verovering van Gallië” moge hier een plaats vinden als een uitnemend overzicht van het maatschappelijk beeld van dat gedeelte van het gebied der Kelten korten tijd vóór de Christelijke jaartelling, en dit komt overeen met alles, wat omtrent de inheemsche Iersche beschaving bekend is:
“De Gallische volken waren ver boven den toestand van wilden gestegen; en de Kelten uit het binnenland, van wie velen reeds onder Romeinschen invloed waren gekomen, hadden een zekeren graad van beschaving verkregen, ja zelfs van weelde. Hun broeken, waaraan de provincie haar naam van Gallia Bracata ontleende, en hun veelkleurige geruite wollen [27]rokken wekten de verbazing op van hun veroveraars. De aanvoerders droegen gouden ringen, armbanden en halsketenen; en als die groote, blondharige krijgslieden te paard ten strijde trokken, met hun helmen, vervaardigd in de gedaante van den kop van een of ander woest dier, waarboven waaiende pluimen uitstaken, en met hun metalen wapenrusting, hun lange schilden en hun groote rammelende zwaarden, maakten zij een schitterende vertooning. Ommuurde steden of groote dorpen, de versterkte plaatsen der verschillende stammen, waren op een groot aantal heuvels duidelijk zichtbaar. De vlakten waren bedekt met een groot aantal open gehuchten. De huizen, van hout en vlechtwerk gebouwd, waren ruim en goed met riet bedekt. De akkers waren in den zomer geel van het koren. Er waren van stad tot stad wegen aangelegd. De rivieren waren overspannen door stevige bruggen; en schuiten, met koopwaren beladen, dreven op de rivieren. Schepen, wel lomp van vorm, maar grooter dan eenig schip, dat op de Middellandsche Zee werd gezien, trotseerden de stormen in de Golf van Biscaye en brachten ladingen over tusschen de havens van Bretagne en de kust van Brittannië. Er werd tol geheven van de goederen, die over de groote waterwegen werden gevoerd; en aan het verpachten van die rechten ontleenden de edelen een groot deel van hun rijkdom. Iedere stam had zijn eigen muntstelsel; en de kennis der schrijfkunst in Grieksche en Romeinsche letterteekens was niet tot de priesters beperkt. De Aeduers waren op de hoogte van het pletten van koper en van tin. De mijnwerkers van Aquitanië, van Auvergne en van Berry waren beroemd om hun bekwaamheid. In één woord, in alles wat bijdroeg tot den uitwendigen voorspoed, hadden de volkeren van Gallië ontzaglijke vorderingen gemaakt sedert hun stamgenooten voor het eerst met Rome waren in aanraking gekomen.”23 [28]
Maar toch had die aangeboren Keltische beschaving, die in menig opzicht zoo aantrekkelijk was en zooveel beloften inhield, blijkbaar het ééne of andere gebrek of eenige ongeschiktheid, die de Keltische volken belette zich te handhaven tegen de oude beschaving der Grieksch-Romeinsche wereld, of tegen de ruwe jeugdige kracht der Teutoonsche rassen. Wij zullen trachten na te gaan, wat dit was.
Op den bodem van het welslagen der classieke volken lag het begrip der burgerlijke gemeenschap, de [Greek: pholis], de res publica, als een soort van goddelijk bestaan, de bron van zegen voor de menschen, om haar ouderdom eerbiedwaardig, maar die toch voortdurend verjongd wordt bij ieder volgend geslacht; een macht, waaraan iedereen gaarne gehoorzaamt omdat hij weet, dat, al worden zijn trouwe diensten niet in de geschiedboeken geboekstaafd en overgeleverd, deze toch zijn eigen kortstondig bestaan zullen overleven en het bestaan van zijn vaderland of vaderstad ten eeuwigen dage zullen verheffen. Met dien geest bezield wees Socrates zijn vrienden, die er op aandrongen, dat hij zijn doodvonnis zou ontgaan door gebruik te maken van de middelen die zij hem aanboden om te ontsnappen, terecht, omdat zij hem aanzetten tot een goddelooze schending der wetten van zijn vaderland. Immers, zoo zeide hij, iemands vaderland is heiliger en eerbiedwaardiger dan vader of moeder, en hij moet kalm aan de wetten gehoorzamen waaraan hij zich heeft onderworpen, om daaronder zijn geheele leven door te brengen, daar hij zich anders den gerechten toorn op den hals haalt van de groote Broeders der [29]aardsche Wetten, de Wetten der Onderwereld, aan wie hij ten slotte rekenschap moet geven van zijn gedrag op aarde. In meerdere of mindere mate maakte die verheven opvatting van den Staat den practischen godsdienst uit van iedereen onder de classieke naties der oudheid, en gaf zij aan den Staat zijn samenhang, zijn geschiktheid zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen.
Bij de Teutonen werd de kracht van samenhang nog versterkt door een andere oorzaak, die bestemd was zich te vermengen met den burgerzin en, daarmede vereenigd—ja zelfs dien dikwijls overheerschend—den voornaamsten politieken factor te vormen bij de ontwikkeling der Europeesche volken. Dit was het gevoel, dat de Germanen bestempelden met den naam van Treue, de persoonlijke trouw aan een aanvoerder, die zich in zeer oude tijden uitstrekte tot een koninklijke dynastie, een gevoel dat diep geworteld was in het Teutoonsche karakter, en dat nooit door eenige andere menschlijke drijfveer is overtroffen als bron van heldhaftige zelfopoffering.
Geen menschelijke invloeden worden ooit zuiver en onvermengd aangetroffen. Het gevoel van persoonlijke trouw was bij de classieke volken niet onbekend. Het gevoel van burgerzin en vaderlandsliefde schoot, hoewel het bij Teutoonsche rassen slechts langzaam opgroeide, daar eindelijk wortel. Geen van beide eigenschappen, trouw en burgerzin, waren bij de Kelten onbekend, maar er was nog een andere factor, die in hun geval bij hen die eigenschappen overschaduwde en in den groei belemmerde, en voor de politieke bezieling en de macht tot vestiging van een eenheid zooveel mogelijk bouwstoffen leverde, die de classieke volken aan hun vaderlandsliefde en de Teutonen aan hun trouw ontleenden. Die factor was de godsdienst; of misschien zou het juister en nauwkeuriger zijn te spreken van Priesterdienst—dat is godsdienst, in dogma’s vastgelegd en door een priesterkaste toegediend. Zooals wij [30]bij Caesar hebben gezien, wiens opmerkingen volkomen zijn bevestigd door Strabo en door hetgeen in Iersche legenden wordt gevonden24, waren de Druïden de werkelijk souvereine macht in het gebied der Kelten. Alle zaken, openbare zoowel als private, waren aan hun gezag onderworpen, en de straffen die zij konden opleggen, zoo dikwijls een leek zich van hen onafhankelijk trachtte te maken, waren, al berustten zij, wat haar practische beteekenis en uitwerking betrof, evenals in de middeleeuwen de door de Katholieke kerk opgelegde banvloeken, alleen op het bijgeloof der menigte, voldoende, om den meest trotschen geest te buigen. Hier lag de ware zwakheid der Keltische politiek. Er is misschien geen wet, die duidelijker is geschreven in de lessen der geschiedenis, dan dat volken, die geregeerd worden door priesters, welke hun gezag ontleenen aan de goedkeuring van een bovennatuurlijken wil, daardoor ongeschikt worden voor waren nationalen vooruitgang, en wel des te meer, naarmate zij meer onder dien invloed staan. De ongedwongen, gezonde strooming van het wereldlijke leven en de wereldlijke gedachte, is uit den aard der zaak onvereenigbaar met priesterheerschappij. Wat ook de beleden godsdienst moge zijn, zooals Druïdendom, Islamisme, Jodendom, Christendom of Fetichisme, een priesterkaste, die gezag eischt in wereldsche zaken op grond van bovenaardsche bevelen, is onvermijdelijk de vijand van dien geest van criticisme, van dien invloed van nieuwe denkbeelden, van die toeneming van wereldlijke gedachten, van menschelijk en verstandelijk gezag, die de grondvoorwaarden zijn van nationale ontwikkeling. [31]
Een bijzondere en zeer treffende bevestiging van die waarheid wordt geleverd door de geschiedenis der oude Keltische wereld. In de zesde eeuw na Christus, ruim honderd jaar na de prediking van het Christendom door St. Patrick, regeerde een koning, Dermot MacKerval25 in Ierland. Hij was de Ard Righ, of Opperkoning van dat land, waarvan het bestuur gevestigd was te Tara, in Meath, en wiens ambt met zijn overmacht in naam en volgens de wet over de vijf provinciale koningen, een beeld gaf van den aandrang, die het Iersche volk dreef naar een ware nationale eenheid. De eerste voorwaarde voor zulk een eenheid was blijkbaar de vestiging van een krachtig centraal gezag. Een dergelijk gezag werd, zooals wij zeiden, in theorie door den opperkoning vertegenwoordigd. Het geschiedde nu, dat één van zijn beambten bij het uitoefenen van zijn plicht vermoord werd door een aanvoerder, Hugh Guairy genaamd. Guairy was de broeder van een bisschop, die een zoogbroeder was van St. Ruadan van Lorrha, en toen koning Dermot het bevel zond den moordenaar gevangen te nemen, werd hij door de geestelijkheid verborgen gehouden. Dermot liet echter naar hem zoeken, rukte hem weg van onder het dak van St. Ruadan en liet hem naar Tara brengen, om daar terecht te staan. Onmiddellijk maakten de geestelijken van Ierland gemeene zaak tegen den leekenkoning, die het gewaagd had een misdadiger, die onder de bescherming der geestelijkheid stond, te doen terecht staan. Zij kwamen te Tara samen, vastten tegenover den koning26, en vervloekten hem en den zetel van zijn bestuur plechtig. Daarop vertelt ons de kroniekschrijver, dat de vrouw van Dermot een profetischen droom had.
“Op de grasvlakte van Tara was een groote, breed gebladerde [32]boom, waaraan elf slaven aan het hakken waren; maar iedere spaander, dien zij er van afhakten, keerde weder op zijn plaats terug en bleef daar vast op zitten, totdat er ten slotte één man kwam, die den boom slechts één slag toebracht, en dien daarbij velde27.”
De schoone boom was de Iersche monarchie, de twaalf houthakkers waren de twaalf Heiligen of Apostels van Ierland, en de eenige, die hem velde, was St. Ruadan. Het pleidooi van den koning voor zijn land, waarvan hij zag, dat het lot in de weegschaal stond, wordt met aandoenlijke kracht en met een helder inzicht door den Ierschen kroniekschrijver geboekstaafd28.
“Helaas,” zeide hij, “wat een onbillijken strijd hebt gij tegen mij aangevangen; het is toch zeker, dat ik het welzijn van Ierland op het oog heb, en dat het mijn doel is de tucht daar te handhaven en de koninklijke rechten, terwijl gij streeft naar de verwarring van Ierland en naar moord en doodslag.”
Maar Ruadan zeide: “Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn;” en het ontzag voor de priesterlijke vervloeking had de overhand. De misdadiger werd overgeleverd, Tara werd verlaten, en met uitzondering van een korten tijd, toen een krachtige overweldiger, Brian Boru, door geweld de macht in handen kreeg, kende Ierland in werkelijkheid geen wereldlijk bestuur, totdat die het land werd opgelegd door een veroveraar. De laatste woorden der geschiedkundige verhandeling waaruit wij aanhalen, zijn de wanhoopskreten van Dermot, waaraan wij ontleenen:

“Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn”
“Wee hem, die met de geestelijkheid der kerken den strijd aanbindt.”
Wij hebben die gebeurtenis eenigszins uitvoerig beschreven, omdat zij een factor typeert, waarvan wij den grooten invloed op de geschiedenis der Keltische volken kunnen volgen gedurende [33]een reeks van hachelijke gebeurtenissen van den tijd van Julius Caesar tot op onzen tijd. Wij zullen later zien, hoe en waaruit die zich ontwikkelde; genoeg zij het daarop de aandacht te vestigen. Het is een factor, die de nationale ontwikkeling der Kelten in den weg stond, in de beteekenis, die wij daaraan hechten bij de classieke of Teutoonsche volkeren.
Het zou echter een groote dwaling zijn, als wij op dien grond meenden, dat de Kelten niet een kracht van groote beteekenis in Europa waren geweest. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de cultuur van de westelijke wereld. Gedurende vier eeuwen—omstreeks 500 tot 900 n.C.—was Ierland het toevluchtsoord der wetenschap en de bron van letterkundige en philosofische cultuur voor half Europa. De bouw der verzen in de Keltische poëzie heeft waarschijnlijk de grootste rol gespeeld bij het bepalen van den bouw van alle moderne verzen. De mythen en legenden der Gallische en Cymrische volken wekten de verbeelding op van een aantal dichters van het Vasteland. Trouwens de Kelten schiepen niet zelf eenig litterarisch werk van duurzamen bouw, evenmin als zij een duurzamen of indrukwekkenden nationalen staatsvorm schiepen. Hun denken en hun voelen was in wezen lyrisch en volstrekt niet abstract. Ieder voorwerp of levensbeeld maakte een levendigen indruk op hen en bewoog hen diep; zij waren uiterst gevoelig, en in hooge mate voor indrukken vatbaar, maar zagen de dingen niet in hun breedere en meer ver reikende betrekkingen. Zij hadden weinig geschiktheid voor het organiseeren van instellingen, voor het dienen van beginselen; maar zij waren, en dat zijn zij nog ten huidigen dage, onmisbare en nooit in den steek latende verdedigers der menschelijkheid tegenover de tyrannie van beginselen, de koelheid en de onvruchtbaarheid van instellingen. De instellingen van het koningschap, van burgerzin en vaderlandsliefde, zijn zeer vatbaar om tot onvruchtbare beginselen te worden versteend, en dan de ziel in boeien te leggen in plaats van die te bezielen. [34]Maar de Kelten hadden zich steeds krachtig verzet tegen alles, wat niet den adem des levens in zich had, en tegen elken niet in den geest gegrondvesten en slechts zuiver uitwendigen vorm van overheersching.
Het is maar al te waar, dat zij te zeer er naar streefden, de schoone vruchten van het leven te genieten, zonder de lange en geduldige voorbereiding voor den oogst, maar zij hebben een onmetelijken dienst bewezen en zullen dit ook doen aan de moderne wereld, door met kracht het beginsel op den voorgrond te stellen, dat de ware vruchten van het leven een onstoffelijke werkelijkheid zijn, die nooit zonder smart of verlies verduisterd of vergeten kan worden te midden van het groote samenstel eener stoffelijke beschaving. [35]
1 Hij maakt gewag van “Nyrax, een Keltische stad” en van “Massalia (Marseille), een stad van Liguria in het land der Kelten” (“Fragmenta Hist. Graec.”)
2 In zijn “Premiers Habitants de l’Europe,” deel II.
3 “Caesars Verovering van Gallië”, blz. 251–327.
4 De ouden waren geen nauwkeurige waarnemers van physieke karaktertrekken. Zij beschrijven de Kelten in bijna dezelfde bewoordingen, die zij voor de Germaansche rassen gebruiken. Rice Holmes is van meening, dat het eenige verschil uit een physiek oogpunt in het feit gelegen was, dat de lichte haarkleur der Germanen blond, doch die der Kelten rood was. In een belangrijk gedeelte van het reeds aangehaalde boek (blz. 315) maakt hij de volgende opmerking: “Al houden wij ook zooveel mogelijk rekening met het feit, dat ander bloed er mede vermengd is, waardoor het type der oorsponkelijke Keltische of Gallische overweldigers van dit eiland aanzienlijk is gewijzigd, worden wij toch getroffen door het feit, dat er onder alle Keltisch sprekende landgenooten een aantal exemplaren gevonden worden van een type, dat ook bestaat in die gedeelten van Brittannië, die gekoloniseerd werden door Britsche indringers, en in die gedeelten van Gallië waarin de Gallische indringers zich in grooten getale schijnen te hebben neergezet, zoowel als in Noord-Italië, waar eertijds de Keltische indringers de overhand hadden; en evenzoo treft ons het feit, dat dit type, zelfs onder zijn meer blonde vertegenwoordigers, zoowel voor den oppervlakkigen als voor den wetenschappelijken waarnemer duidelijk verschilt van dat der zuiverste vertegenwoordigers der oude Germanen. De welbekende schilderij van Sir David Wilkie, “Het lezen der Waterloo Courant”, doet, zooals Daniel Wilson opmerkte, het verschil tusschen beide typen duidelijk uitkomen. Zet een Hooglander uit Perthshire naast een uit Sussex. Beiden hebben licht haar, maar het roode haar en de roode baard van den Schot zal duidelijk afwijken van het lichte haar van den Engelschman, en hun gelaatstrekken zullen nog sterker verschillen. Ik herinner mij eens in den trein tusschen Inverness en Lairey gezeten te hebben met twee boschwachters. Zij waren beiden lang, forsch gebouwd en blond, en behoorden blijkbaar tot het Scandinavische type, dat zooals Dr. Beddoe zegt, in het hooge noorden van Schotland zoo veelvuldig wordt aangetroffen, maar zoowel in de kleur van hun haar als in hun uiterlijk in het algemeen verschilden zij volkomen van de lange, lichtharige Hooglanders, die ik in Perthshire had ontmoet. Er was geen spoor van rood in hun haar, en hun lange baarden waren absoluut geel. Het overwicht van rood onder de Keltisch sprekende bevolking is naar mijn meening een treffend kenmerk. Niet alleen dat wij op iedere honderd man elf vinden, wier haar absoluut rood is, maar op den ondergrond der zwart- en donkerbruin gekleurden kan dezelfde tint worden ontdekt.”
5 Men zie de kaart ter vergelijking der kleur van de haren en de gelaatskleur in Ripley “Rassen van Europa”, blz. 318. In Frankrijk echter zijn de bewoners van Bretagne geen donker ras in vergelijking met het overige deel der bevolking. Zij bestaan gedeeltelijk uit de oude Gallische volken en gedeeltelijk uit kolonisten uit Wales, die bij den Saksischen inval waren verjaagd.
6 Zie, wat die namen betreft, Holder “Altceltischer Sprachsatz”.
7 Het is niet onmogelijk, dat Vergilius beteekent de “zeer schitterende” of uitstekende; een natuurlijke vorm voor een eigennaam Ver is dikwijls in Gallische namen (Vercingetorix, Vercassivellasimus, enz.) een versterkend voorvoegsel, zooals het moderne Iersche fior. De naam van het dorp, waar Vergilius geboren was, Andes (thans Pietola), is Keltisch. Zijn liefde voor de natuur, zijn mysticisme en zijn krachtig gevoel voor zekere decoratieve eigenschappen in taal en rhythmus, zijn sterk op den voorgrond tredende Keltische eigenschappen. De uitdrukkingen, die Tennyson over hem bezigt, “liefhebber van landschappen, beheerscher der taal,” zijn in dit opzicht kenschetsend.
8 Ptolemaeus, een vriend en waarschijnlijk zelfs een halfbroeder van Alexander, was zonder twijfel er bij tegenwoordig, toen dit voorval plaats had. Zijn werk is niet meer overgebleven, maar wordt aangehaald door Arrianus en andere geschiedschrijvers.
9 Het doet ons denken aan het volksverhaal omtrent Henny Penny, die den koning ging vertellen, dat de hemel neerviel.
10 Het Boek van Leinster is een manuscript uit de twaalfde eeuw. De lezing der “Táin”, daarin gegeven, dateert waarschijnlijk uit de achtste eeuw. Zie de Jubainville, “Premiers Habitants,” II 316.
11 Dr. Douglas Hyde geeft in zijn “Letterkundige Geschiedenis van Ierland” (blz. 7), een eenigszins afwijkende vertaling.
12 Het is eveneens een bewijs van de groote nauwkeurigheid van het verhaal van Ptolemaeus.
13 De Romeinsche geschiedenis maakt melding van verscheidene botsingen met de Kelten gedurende die periode, maar de Jubainville heeft aangetoond, dat die verhalen bijna alle zeker mythen zijn. Zie “Premiers Habitants,” II 318–323.
14 B.v. Moymell (magh-meala) de Vlakte van Honig, een Gallische naam voor Tooverland, en een aantal plaatsnamen.
15 Voor deze en een aantal andere voorbeelden zie de Jubainville “Premiers Habitants” II, blz. 255 env.
16 Aangehaald door Romilly Allen in “Keltische Kunst” blz. 136.
17 “Premiers Habitants”, II 355, 356.
18 Het Iersch is waarschijnlijk een oudere vorm der Keltische taal dan de volkstaal van Wales. Dit blijkt uit een aantal taalkundige bijzonderheden der Iersche taal, waarvan wij hier één der merkwaardigste in het kort zullen vermelden. De Goidelische of Galische Kelten, die volgens de gewone theorie het eerst de Britsche eilanden koloniseerden, en die door opvolgende golven van inval door hun stamgenooten van het vasteland naar het uiterste westen werden gedreven, hadden een bijzonderen tegenzin tegen het uitspreken der letter p. Zoo wordt het Indo-Europeesche voorzetsel pare, dat in het Grieksch door παρά, naast of in de onmiddellijke nabijheid, wordt voorgesteld, in het oud Keltisch are, zooals in den naam Are morici (de Armorikers, zij die ar muir, aan de zee wonen); Are-dunum (Ardin in Frankrijk); Are-cluta, de plaats bij de Clota (Clyde), het tegenwoordige Dumbarton; Are-taunon in Duitschland (bij het Taunus gebergte), enz. Als de p niet eenvoudig werd weggelaten, veranderde zij gewoonlijk in een c (k, g). Maar omstreeks de zesde eeuw v.C. had er in de taal der Kelten van het vaste land een merkwaardige verandering plaats. Op een onverklaarbare wijze kregen zij het vermogen de p uit te spreken, en zelfs zetten zij die in de plaats van de bestaande c klanken; zoo werd het oorspronkelijke Cretanis: Pretanis, Brittannië, het getal qetuares (vier) werd petuares, enz. Keltische plaatsnamen in Spanje toonen aan, dat die verandering moet hebben plaats gehad vóórdat de Kelten dat land hebben veroverd, 500 v.C. Nu toont een vergelijking van een aantal Iersche woorden en die uit de volkstaal van Wales duidelijk aan, dat de Ieren die p vermijden terwijl de bewoners van Wales er volstrekt geen bezwaar tegen hebben. Hier volgen enkele voorbeelden:
| Iersch | Wales | Nederlands |
| crann | prenn | boom |
| mac | map | zoon |
| cenn | pen | hoofd |
| clumh (cluv) | pluv | veer |
| cúig | pimp | vijf |
De gevolgtrekking schijnt voor de hand te liggen, dat het Iersch den ouderen vorm der taal moet voorstellen. Merkwaardig is het, dat zelfs tot een betrekkelijk laat tijdstip de Ieren hun tegenzin tegen de p bewaard hebben. Zoo veranderden zij het Latijnsche Pascha (Paschen) in Casg; [20n]purpur, in curcair, pulsatio (door het Fransche pouls) in cuisle. Wij moeten echter opmerken, dat Nicholson in zijn “Keltische onderzoekingen” tracht aan te toonen, dat de zoogenaamde Indo-Europeesche p—dat is de p die alleen staat en niet met een anderen medeklinker is verbonden—in een vroege periode door de Goidelische Kelten werd uitgesproken. Men kan niet zeggen, dat het onderwerp reeds volkomen is opgehelderd.
19 “De Ieren,” zoo zegt Edmund Spenser, in zijn “Overzicht van den tegenwoordigen toestand van Ierland,” “plegen gewoonlijk boodschappers heen en weer te zenden om nieuws te hooren, en als iemand een ander ontmoet, zegt hij bijna onmiddellijk, wat voor nieuws is er?”
20 Zie hieromtrent Spenser: “Ik heb groote krijgslieden hooren vertellen, dat zij in alle veldtochten die zij in vreemde landen hadden medegemaakt, nooit bevalliger ruiters gezien hebben dan de Ieren, noch iemand die dapperder is in den aanval. Zij zijn zeer dapper en forsch. Zij verdragen meestal uitstekend koude, inspanning, honger en alle ontberingen, zij zijn krachtig van hand, vlug van voet, zeer oplettend en voorzichtig in hun ondernemingen, zij hebben groote tegenwoordigheid van geest, en hebben een groote doodsverachting.”
21 Het verhaal van de overgave van Vercingetorix wordt door Caesar niet gedaan, en berust uitsluitend op het gezag van Plutarchus en den geschiedschrijver Florus, maar wordt door de geleerden (Mommsen, Long, enz.) als authentiek beschouwd.
22 Dit was een stam die zijn naam ontleende aan den gaesum, een soort Keltische werpspies, wat hun voornaamste wapen was. De gedraaide gouden halsketen (torques) komt als typisch versiersel voor bij het bekende standbeeld van den stervenden Galliër, gewoonlijk genoemd “De Stervende Gladiator”. Een aantal modellen zijn voorhanden in het nationale museum te Dublin.
23 “Caesars Verovering van Gallië, blz. 10, 11. Wij voegen hieraan toe, dat de aristocratische Kelten evenals de Teutonen dolichocephalen waren—d.w.z. hun hoofden waren lang in vergelijking met de breedte. Dit is bewezen uit overblijfselen gevonden in het bekken van de Marne, dat sterk door hen bevolkt was. In één geval werd het skelet van den langen Gallischen soldaat gevonden met zijn strijdwagen, zijn ijzeren helm en [27n]zwaard, die thans zijn in het Museum van St. Germain. De bewoners der Britsche eilanden zijn over het algemeen dolichocephaal, immers het “Alpentype”, met rond hoofd komt daar slechts zelden voor. De bewoners van het tegenwoordige Frankrijk zijn eveneens rondhoofdig. Thans weten wij echter, dat de vorm van het hoofd volstrekt geen constant rassenkenmerk is. Deze verandert snel in een nieuwe omgeving zooals blijkt uit metingen van de afstammelingen van hen, die naar Amerika zijn verhuisd. Men zie een artikel hierover van Professor Haddon in “Nature,” 3 Nov. 1910.
24 In de “Tain Bo Cuailgne”, onder andere, mag de Koning van Ulster niet met een boodschapper spreken totdat de Druïde Cathbad hem heeft ondervraagd. Men haalt zich hier de regels voor den geest van Sir Samuel Ferguson in zijn Iersch epos “Congal”:
“Want steeds nog, sinds de tijden
Dat Cathbad Usnachs zoons een wreeden dood deed lijden,
Door hen in vuile modderzee te smoren,
Die door een gruwlijk tooverwoord werd opbezworen,
Aan Creeveroe’s bloedge poort, verbeiden
Verderf en smaad den vorst, die zich door priesterwoord laat leiden.
25 In het Keltisch, Diarmuid mac Cearbhaill.
26 Het was de gewoonte, evenals in Indië, dat iemand, die door een meerdere verongelijkt was, of zich dit verbeeldde, ging zitten voor den drempel van hem, die geweigerd had hem recht te doen, en dat hij vastte totdat hem recht was gedaan. In Ierland werd een tooverkracht toegeschreven aan die plechtige handeling; de gevolgen daarvan konden worden afgewend, als ook de andere partij vastte.
27 “Silva Gadelica”, door S. H. O’Grady, blz. 73.
28 De bron, waaraan dit ontleend is, is een verhaal, dat gevonden wordt op een perkamenten handschrift uit de vijftiende eeuw, dat in het jaar 1814 in Lismore Castle is ontdekt, en dat door S. H. O’Grady in zijn “Silva Gadelica” is vertaald. Het verhaal wordt toegeschreven aan een beambte aan het hof van Dermot.
[Inhoud]
Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek. Er is echter één ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst.
Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden godsdienst zóó volkomen achter zich, dat elke overlevering daaromtrent verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom heeft gebracht, heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten, een geschrift van ontzaglijk veel belang en het oudste verhaal, dat omtrent het Christendom van Brittannië is overgebleven; doch dit vertelt ons niets omtrent de leerstellingen, die hij uitroeide en verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen der Kelten door middel van Julius Caesar, die hen van een geheel ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin legenden behandeld worden en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij dikwijls blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van vóór het Christendom dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken, practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs ethisch stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof, en dat dit lange verzet aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde eeuw, maar geen echo van eenigen geestesstrijd, geen vergelijken van de ééne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden in de mededeelingen omtrent den strijd van Celsus tegen Origenes, heeft ons uit die periode van verandering [36]en strijd bereikt. De litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een aantal oude mythen, en daarin komen sporen voor den dag van wezens, die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten geweest zijn, maar alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er, zooals Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig stelsel onder de Galliërs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit, dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het Rome van den Keltischen godsdienst.
Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die in meer of minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan.
Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak was, en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij “Druïdisme” noemen. Behalve de officiëele godsdienst was er een geheel van populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en oudere bron afkomstig waren dan het Druïdisme, en die bestemd waren dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang niet uitgestorven.
De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in verband staan met het begraven van dooden. De oudste volken, die Keltisch grondgebied bewonen, in het westen van Europa, waarvan wij eenige vaststaande kennis bezitten, zijn een ras zonder naam of bekende geschiedenis, maar toch kunnen wij uit hun grafmonumenten, waarvan er nog zooveel bestaan, heel wat omtrent hen te weten komen. Het waren de zoogenaamde megalithische volken1, de oprichters van dolmens, cromlechs en in kamers verdeelde tumuli, waarvan er in [37]Frankrijk alleen meer dan drieduizend zijn geteld. Dolmens worden gevonden van Scandinavië tot naar het zuiden, in de westelijke landen van Europa tot aan de Straat van Gibraltar en Spanje, en langs de kust der Middellandsche Zee. Zij komen voor op sommige der westelijke eilanden der Middellandsche Zee en worden ook in Griekenland gevonden, waar zelfs nu nog, in Mycene een oude dolmen staat, naast de prachtige grafkamer der Atriden. Men mag in ruwe trekken zeggen, dat, als wij een lijn trekken van de monding van de Rhône naar het noorden tot aan den Varanger Fjord, alle dolmens in Europa, met uitzondering van enkele exemplaren in de Middellandsche Zee, ten westen van die lijn gelegen zijn. Ten oosten van die lijn vinden wij er geen, totdat wij in Azië komen. Maar zij worden weer gevonden aan de overzijde van de Straat van Gibraltar, en wel langs de geheele kust van Noord-Afrika, en van daar in oostelijke richting door Arabië en Indië, tot zelfs in Japan.
Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door één enkelen grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule worden waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een huis of woonplaats voor den doode voor te stellen. Een cromlech (in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste verzameling van rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is van meening, dat de meeste, zoo niet al de nu blootgestelde dolmens oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere steenen. Dikwijls, zooals in de hier gegeven teekening, zijn groote lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande steenen, en deze hadden ongetwijfeld de één of andere bedoeling, die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op [38]die plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd zijn, maar in ieder geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige beeldhouwkunst (met uitzondering van de teekeningen of symbolen die op de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen indruk te maken door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische massa’s, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende eigenschappen in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis, en onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De eigenlijke dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange, die wij ook rekenen als te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke ontwikkeling van den dolmen. De oudste dolmenbouwers waren op den neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten steen. Maar in de tumuli werd niet alleen steen, maar ook brons, en zelfs ijzer gevonden—in het begin, zooals duidelijk blijkt, van buiten ingevoerd, maar later in dat gebied vervaardigd.

Dolmen te Proleek, Ierland.
(Naar Borlase).
Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken, kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan zijn overgebleven in die van hun veroveraars, de Kelten. Maar een kaart van de verspreiding hunner monumenten wekt onweerstaanbaar de gedachte op, dat de bouwmeesters van die monumenten van Noord-Afrikaanschen oorsprong waren; [39]dat zij oorspronkelijk niet gewoon waren over groote uitgestrektheden de zee over te trekken; dat zij in westelijke richting trokken langs Noord-Afrika, dat zij naar Europa overstaken daar waar bij Gibraltar de Middellandsche Zee zich vernauwt tot een straat van slechts enkele mijlen breedte, en dat zij zich van daar uit verspreidden over de westelijke landen van Europa, met inbegrip der Britsche eilanden, terwijl zij in oostelijke richting door Arabië tot in Azië doordrongen. Wij moeten echter in het oog houden, dat, te