[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Heldensagen en Legenden van de Serviërs, by Woislav M. Petrovitch This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Heldensagen en Legenden van de Serviërs Author: Woislav M. Petrovitch Commentator: Chedo Miyatovich Illustrator: William Sewell and Gilbert James Translator: J.P. Wesselink-Van Rossum Release Date: May 10, 2006 [EBook #18363] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK LEGENDEN VAN DE SERVI‰RS *** Produced by Jeroen Hellingman, and the Online Distributed Proofreading Team at http://dp.rastko.net/
[Inhoud]

God zegene u, o schoon groen meer! In uw boezem zal ik voortaan wonen.
[Inhoud]
[Inhoud]
[Inhoud]
De Serviërs hechten de grootste waarde en het meeste gewicht aan de sympathieën van een zoo hoog beschaafd, groot en daardoor terecht zoo invloedrijk volk als de Britsche natie. Sinds het begin van de twintigste eeuw zijn er twee kritieke oogenblikken geweest—de annexatie van Bosnië en Herzogovina door Oostenrijk en de oorlog tegen de Turken—waarbij wij gelegenheid hebben gehad op te merken, van hoe groote praktische beteekenis de Britsche sympathieën, zelfs al zijn zij oogenschijnlijk niet meer dan platonisch, voor ons volk kunnen zijn. Het is zeer natuurlijk, dat wij den wensch koesteren deze sympathieën te behouden en zoo mogelijk nog te vergrooten. Wij zijn trotsch op de overwinningen, die ons leger op de dappere Turken behaalde, doch wij vleien ons, dat ons volk behalve om zijn militaire eigenschappen ook om de andere trekken van zijn nationaal karakter zich sympathie en eerbied zal weten te verwerven.
Wij wenschen onzen vrienden ons volk te doen kennen, zooals het is. Wij wenschen hen een blik te laten slaan in onze nationale psyche. En niets kan een beteren kijk geven in de ziel van het Servische volk dan dit uitnemende boek van Woislav M. Petrovitch.
De Serviërs behooren ethnologisch tot de groote familie der Slavische volken. Zij zijn neven in den eersten graad van de Russen, Polen, Czechen, Slowakken en Bulgaren en zij zijn de broeders der Croaten en Slowenen. Sedert de kerk niet langer de volkeren gescheiden houdt en om der wille van het geloof geen tweedracht in het leven der volkeren kan worden gezaaid, zijn de orthodoxe Serviërs en de Roomsch Katholieke Croaten feitelijk één en hetzelfde volk.
Van al de Slavische naties mogen de Serviërs zich er op laten voorstaan de meest poëtische te zijn. Hun taal is de rijkste en de meest muzikale onder alle Slavische talen. De overleden professor Morfill, die in zekeren zin een Panslavist was, heeft herhaaldelijk tegen mij gezegd: “Ik zou wenschen, dat gij, Serviërs, zoowel als alle andere [X]Slavische volken, met Rusland een politiek verbond vormdet, maar ik zou niet willen, dat gij uw schoone en goedontwikkelde taal prijsgaaft om die te verwisselen voor de Russische!”
Eens ging hij zelfs zoo ver als zijn meening te kennen te geven, dat de toekomstige Vereenigde Staten van de Slaven als voertuig voor hun letterkunde en als officieele taal de Servische zouden aannemen, wijl die verreweg de edelste en meest muzikale is van alle Slavische dialecten.
Toen onze voorouders het westelijk deel van het Balkanschiereiland bezetten, vonden zij daar een groot aantal Latijnsche kolonies en Grieksche steden en nederzettingen. In den loop van twaalf eeuwen hebben wij door wederzijdsche huwelijken veel Grieksch en Latijnsch bloed opgenomen. Dientengevolge en onder den invloed van het handels- en politiek verkeer met Italië werd onze taal verzacht en onze manieren, en de in ons Slavische volk sluimerende liefde voor wat schoon, dichterlijk en edel is versterkt. Wij vormen een bijzonder Slavische type, gewijzigd door Latijnsche en Grieksche invloeden. De Bulgaren zijn een Slavisch volk van een geheel ander type, ontstaan door de circulatie van Tartaarsch bloed in Slavische aderen. Dit eenvoudige feit verklaart de tegenstelling tusschen de Serviërs en Bulgaren en hun onderlinge twisten gedurende de Middeleeuwen en zelfs in onzen tijd.
Wat zijn nu de nationale liederen der Serviërs? Het zijn geen liederen, gemaakt door beschaafde of litterair geschoolde dichters, maar door eenvoudige menschen en die, eenmaal populair geworden, door eenvoudige menschen worden gezongen.
Tot in het midden van de negende eeuw leefden de Serviërs voor het meerendeel in agrarische- en familiegenootschappen, Zadrooga genaamd. Naar M. Petrovitch heeft medegedeeld, verlieten de zoons van een boer het huis huns vaders niet, als zij trouwden, maar zij bouwden een houten hut op het land, dat het huis van hun vader omringde. Heel dikwijls ontstond er een groote nederzetting [XI]rondom het oorspronkelijke huis, van vaak meer dan honderd personen, mannen en vrouwen, die te zamen werkten op het land en de huizen als hun gemeenschappelijk eigendom beschouwden, evenals de vruchten van hun arbeid. Al de leden van de Zadrooga erkenden het oudste lid van zulk een familiegenootschap als hun hoofd en het was de gewoonte, dat allen zich ’s avonds in het stamhuis rondom hem verzamelden. Nadat de zaken, die het boerenbedrijf of andere aangelegenheden betroffen, waren afgedaan, werd de familiekring verder bezig gehouden, doordat het hoofd of een ander mannelijk lid van de familie een heldendicht voordroeg of een der liederen zong, waarin de een of andere historische gebeurtenis verhaald werd of waarvan de tekst gewijd was aan een gebeurtenis, die eerst kort geleden had plaats gehad.
Bij de openbare samenkomsten, bij kerken en kloosters verzamelden zich eveneens groepen mannen en vrouwen rondom de voordragers, die in liederen de oude koningen en helden of een bijzonder treffende of belangrijke gebeurtenis bezongen.
In Hongaarsch Servië (Syrmia, Banaat, Baschka) maken oude blinde mannen er een winstgevend bedrijf van oude of nieuwe liederen te zingen, die voor het meerendeel op oude helden of historische gebeurtenissen, doch ook wel op de geschiedenis van den dag betrekking hebben. Maar in andere deelen van Servië (Shumadiya, Bosnië, Herzogovina, Montenegro, Dalmatië) dragen welgestelde boeren zeer dikwijls de heldenliederen voor, omringd door een menigte toehoorders en toehoorderessen. Het is een zonderling feit, reeds door Vouk S. Karadgitch opgemerkt, dat de voordragers van heldenliederen zeer zelden jong zijn, maar meestal mannen van middelbaren leeftijd en nog vaker oude mannen. Het is, alsof de oude mannen het als hun plicht beschouwen het jonge geslacht bekend te maken met de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van het volk en zijn voornaamste helden. Men kan nog menig ongeletterde in Servië vinden, maar gij zult niemand vinden, [XII]die niet in staat is u wat te vertellen over Stephan Nemanya, den eersten koning van het Servië uit de Middeleeuwen, over zijn zoon, St. Sava, tsaar Doushan, zijn jongen zoon Ourosh, koning Voukashin, den koninklijken prins Kralyevitch Marko, tsaar Lazarus en de helden, die vielen in den vermaarden slag van Kossovo (1389).
Zonder overdrijving kan dus gezegd worden, dat de Servische boeren hun eigen vaderlandsche geschiedenis schreven door haar van het eene geslacht op het andere over te vertellen en te bewaren in hun rhythmische, tienlettergrepige, rijmlooze verzen. De gooslari1 en de monniken bewaarden het nationaal politieke bewustzijn en de nationale kerk voor ondergang gedurende de vijf eeuwen, waarin zij slechts Turksche Rayah waren, eenvoudige lieden, gedoemd om niets beters te zijn dan slaven van hun meester, den Turk. Wij zouden tegenwoordig niets weten van den aanhoudenden guerillaoorlog, dien de beste en moedigste mannen van het volk met groote hardnekkigheid tegen den onderdrukker van het volk voerden van het begin der zestiende eeuw, tot de eerste opkomst van de Shumadia onder Karageorge in 1804, indien wij de zoogenaamde Haïdoochke Pesme (Zangen op Haïdooks2) niet bezaten. Lang voor de geschiedenis van het ontstaan van den Servischen Nationalen Staat werd geschreven door Stoyan Novakovich, den geleerden president van de Servische Academie, werd zij in verzen van groote schoonheid en uitdrukking bezongen door den bard Vishnyich. En de overwinningen van het Servische leger op de Turken en Bulgaren in den oorlog 1912–13 worden nu reeds bezongen door de barden in de herbergen en op de jaarmarkten in de dorpen, waar het volk in grooten getale bijeenkomt en bij de groote kerkelijke feesten op het plein rondom de kerk. Natuurlijk leert een Serviër, die bij honderd gelegenheden nationale liederen heeft hooren voordragen, ze zelf voordragen, al is hij misschien niet in staat zijn voordracht te [XIII]begeleiden op de goussle.3 Evenmin valt het hem moeilijk door menigen stereotypen regel van oude welbekende zangen te bezigen, in verzen de geschieden te verhalen van onzen tijd. Toen ik in 1873 als minister van financiën bij de begrootingsdebatten in de Skoupshtina een nederlaag leed, werd hiervan dienzelfden avond en den volgenden dag in rijmlooze verzen kond gedaan aan het volk.
Naast de zangen, die meer of minder getrouw historische gebeurtenissen herdenken, zijn er een menigte nationale liederen, die hun stof aan een der talrijke legenden ontleenen. Zij zijn zonder twijfel in het leven geroepen onder den invloed van de priesters en monniken en waren oorspronkelijk alleen bestemd voor de menigte, die op de kerkelijke feesten samenstroomde. Het verheugt mij te zien, dat M. Petrovitch in zijn verzameling heeft opgenomen het lied, dat waarschijnlijk het oudste onder alle Servische zangen is. Het heet “De Heiligen verdeelen de Schatten” en het bewaart de herinnering aan een blijkbaar zeer oude overlevering, die op haar beurt weer de heugenis bewaart aan een groote ramp, die het stamvolk in Indië trof en vermoedelijk de oorzaak was, dat de voorouders van de Slaven Indië moesten verlaten. Het is zeer merkwaardig een echo van een groote ramp, die eenmaal Indië teisterde, in de nationale zangen van de Serviërs te hooren naklinken.
Dat de Serviërs nationale liederen hadden, waarin zij de Servische daden van hun nationale helden bezongen, daarvan werd reeds in de veertiende eeuw melding gemaakt. Nicephoras Gregoras, die door den Byzantijnschen keizer naar Servië werd gezonden met een diplomatieke zending, vertelt de Serviërs hun nationale liederen te hebben hooren zingen.
In officieele bescheiden, die bewaard bleven van de vele diplomatieke missies, die zich in de zestiende eeuw tusschen Weenen of Buda en Konstantinopel bewogen, en wier weg over Servië leidden, wordt eveneens melding [XIV]gemaakt van de heldenzangen, waarin de Serviërs hun groote voorouders herdachten.
In die eeuw heeft de eerste poging plaats om eenige van deze nationale liederen door de drukpers te vermenigvuldigen, een poging, die onder anderen door den dichter Hectorovich uit Ragusa werd ondernomen. In de achttiende eeuw werden meer geslaagde pogingen gedaan door den Franciscaner monnik Kachich-Mioshich en door den abt Fortis. Maar het is aan den geleerden grondlegger van de moderne Servische literatuur, Vouk Stephanovitch Karadgitch, dat in dezen de grootste eer toekomt, zooals door M. Petrovitch in zijn Inleiding en elders is aangetoond.
M. Petrovitch moet hebben ondervonden, wat de Franschen noemen “embarras de richesses.” Het was niet zoo gemakkelijk de zangen voor een vertaling uit te kiezen. Maar hij heeft ons eenige van de schoonste Servische heldendichten gegeven als model van wat de Servische nationale dichtkunst voortbracht. Het doet mij alleen leed, dat hij daarbij niet een paar voorbeelden heeft opgenomen, van wat de Servische vrouwen en meisjes uit de dorpen aan lyrische poëzie voortbrengen. Misschien zal hij bij een andere gelegenheid amende honorable maken aan onze vrouwelijke landgenooten.
Ik wensch nog enkele woorden toe te voegen aan hetgeen M. Petrovitch heeft gezegd omtrent onzen grootsten nationalen held, den koninklijken Prins (Kralyevitch) Marko. Zooals hij heeft aangetoond is Marko een historische figuur. Maar wat de geschiedenis omtrent hem heeft te zeggen is niet veel, en in elk geval niet in staat om te verklaren, hoe hij de lievelingsheld werd van het Servische volk. Hij was een eerlijk en trouw vazal van den sultan, wat het bijna onaannemelijk maakt, dat hij den eerbied en de bewondering der Serviërs heeft opgewekt. Toch hebben de Serviërs gedurende de laatste vijf eeuwen hun koninklijken Prins Marko geëerd, bewonderd en liefgehad en in de toekomst zullen zij evenzeer als in het verleden trotsch op hem zijn. Dit psychologisch raadsel heeft de beste Servische en enkele andere historische onderzoekers [XV]en schrijvers geprikkeld tot een nauwgezet onderzoek. Het is duidelijk, dat de meeste liederen op Marko hun dichters moeten zijn ingegeven onder den machtigen invloed, die zijn persoonlijkheid op zijn landgenooten en zijn tijd uitoefende. Dr. Yagich, Dr. Maretich, professor Stoykovich en St. Novakovich zijn allen van meening, dat zijn athletische kracht en zijn imposant voorkomen als voornaamste oorzaak moeten worden aangemerkt van den indruk, dien hij achterliet. Allen stemmen hierin overeen, dat zijn gedrag, zoowel in het dagelijksch leven als bij buitengewone gelegenheden, dat was van een waar ridder, een cavaliere servente, een chevalier sans peur et sans reproche.
Zelfs zijn zucht om den sultan als een trouw vazal te dienen werd in zijn voordeel uitgelegd als bewijs van de onkreukbare oprechtheid van zijn karakter. Waarschijnlijk werd die oprechtheid ook door den sultan gewaardeerd en werd Marko hierdoor in staat gesteld niet zelden een beroep op den sultan te doen ten gunste van zijn volk, bijvoorbeeld als enkele gevangenen en slaven bevrijd en gered moesten worden. Zeer zeker was hij de beschermer van arme en lijdende mannen en vrouwen en stond hij hen bij, wat het ook kostte, niet zelden met gevaar voor zijn eigen leven. Hij moet inderdaad bewijzen van toewijding hebben gegeven voor de zaak van het recht; dat is het, wat hem bemind maakte, niet alleen onder zijn tijdgenooten, maar ook bij hun nakomelingen.—Hij moet gedurende zijn leven bekend zijn geweest om zijn vreeze Gods en den eerbied en de liefde, die hij zijn moeder toedroeg. De Serviërs teekenden hem naar het model, door zijn eigen persoonlijkheid en zijn daden aan het volk geboden. Een van de schoonste trekken van zijn ridderlijk karakter, gelijk dat beschreven wordt door de nationale barden, is zijn liefde voor en deernis met lijdende dieren. Het doet mij leed, dat mijn vriend Petrovitch geen voorbeeld gaf van de liederen, die dien trek van onzen nationalen held verheerlijken, als bijvoorbeeld het lied: “Marko en de Havik” (Vouk ii 53) of “Marko en de Arend” (Vouk ii 54). In [XVI]beide wordt verhaald, hoe deze vogels, toen Marko ziek lag op het open veld, gekweld door een hevigen dorst, terwijl de gloeiende zonnestralen zijn gelaat verbrandden, uit dankbaarheid voor de vriendelijkheid, die hij hun eens betoonde, hem water brachten in hun snavels en hun vleugels uitspreidden, om zijn gelaat te beschutten tegen de zon.
Verreweg de beste studie over den Servischen nationalen held is geschreven door den Russischen professor Halanski, die het raadsel oploste door te wijzen op de natuurlijke sympathie van een volk voor den “tragischen held.” De historische Marko was zeer zeker een “tragisch held”. Niets bewijst dat beter dan zijn laatste woorden, voor den aanvang van den slag van Rovina (1399), door M. Petrovitch in zijn werk aangehaald.
Ik moet er aan toevoegen, dat ook deze verklaring wel gegeven wordt: het Servische volk teekent om zoo te zeggen zich zelf in den koninklijken Prins Marko. Zijn eigen tragisch lot, zijn deugden en zwakheden ziet het gesymboliseerd in de populaire, maar tragische figuur van Marko. Zonder twijfel moet Marko in vele opzichten het type van een edelen Serviër zijn geweest, anders zou hij den weg tot de ziel en het hart van zijn volk niet gevonden hebben. Maar die beschouwing is niet zeer bescheiden.
Het zal onzen Britschen vrienden misschien belang inboezemen te weten, dat een bloedverwant van de dynastie, waarvan Marko de laatste vertegenwoordiger was, een zekere prins John Mussachi in een historisch gedenkschrift vermeldt, dat de vader van Marko, koning Voukashin, de afstammeling was van een edelman Britanius of Britanicus4 genaamd. Wij zouden er trotsch op zijn, indien bewezen kon worden, dat de voorouders van onzen nationalen held op de een of andere wijze verwant waren aan het Engelsche Volk.
Chedo Miyatovich,
Belgrado, 28 Juni 1914.
Lid van de Koninklijke Servische Academie van Wetenschappen.

Kaart van de Balkanstaten
[Inhoud]
Meer dan eens heb ik het betreurd, dat ik niet bij machte was in de volgende bladzijden van de bezielende balladen onzer nationale barden een metrische overzetting te leveren. Nooit heb ik zoo diep als bij deze vertaling beseft, hoezeer mijn leeraren in letterkunde dwaalden—al moge er dan ook voor enkele gevallen en onder bepaalde omstandigheden eenige waarheid in hun stelling liggen—wanneer zij beweerden, dat schoone gedachten beter uitgedrukt worden in proza dan in dichtvorm, waarbij men door de regelen van prosodie en metrum al te zeer belemmerd wordt. Het is ongetwijfeld waar, dat goed proza meer waarde heeft dan middelmatige poëzie, maar geldt dit ook als de auteur een groot dichter is?
Het Servische heldendicht verdient ongetwijfeld de aandacht van de Engelsche letterkundige wereld en ik waag het de hoop uit te spreken, dat de dag komt, waarop een ander Engelsch dichter dan Sir John Bowring onder de bekoring van onze balladen zal komen en evenals hij zal trachten de Engelsche lezers ook van de meesleepende rhytmische eigenschappen van het oorspronkelijke te doen genieten.
In de eerste helft van de negentiende eeuw hebben verschillende Duitsche dichters eenige van onze nationale balladen van proza in dicht overgebracht en ik kan er niet anders dan trotsch op zijn, dat zelfs Goethe daaronder behoorde. Helaas was hij gedwongen een Italiaansche vertaling te gebruiken, daar hij de Servische taal niet kende—wat wel het geval was met zijn zeer gewaardeerden landgenoot Jacob Grimm, die, nadat hij onze muzikale taal had geleerd, om kennis te kunnen nemen van de schatten, die er in geschreven zijn, als zijn meening uitsprak: “De Servische nationale poëzie verdient werkelijk de algemeene aandacht—ik geloof, dat het Servisch algemeen bestudeerd zal worden juist terwille van deze balladen.”
Een Tchechisch1 schrijver, Lyoodevit Schtur, schreef in [2]zijn verhandeling over de Slavische poëzie “De Indo-Europeesche volken drukken alle op hun eigen manier uit, wat zij in zichzelf bevatten en wat hun ziel beroert. De Indiër openbaart dit in zijn reusachtige tempels; de Pers in zijn heilige boeken, de Egyptenaar in pyramiden, obelisken en onmetelijke, geheimzinnige labyrinten; de Helleen in zijn prachtige beelden; de Romein in zijn bekoorlijke schilderijen, de Duitscher in zijn schoone muziek—de Slaven hebben hun diepst gevoelde gedachten neergelegd in balladen en verhalen.”
Ik geloof niet, dat ik te veel beweer, als ik zeg, dat van al de Slaven de Serviërs het overvloedigst hun ziel hebben uitgestort in een poëzie, die volkomen, geheel en al nationaal is. Dat zou niet met dezelfde stelligheid gezegd kunnen worden van hun verhalen en legenden, die naar mijn meening minder karakteristiek zijn. Wel pleit hun verrassende analogie met het folklore van andere volken mee voor de eenheid in voorhistorische tijden van het geheele Arische ras. Het zou bijvoorbeeld belachelijk zijn voor eenig volk een sprookje als dat van “Asschepoester”2 als “nationaal eigendom” op te eischen, of eenig ander, dat eveneens, zooals hun, die eenige studie van het Europeesche folklore gemaakt hebben, wel bekend is, in vele talen voortleeft.
Sinds onheugelijke tijden heeft de Serviër een natuurlijk en meer dan gewoon talent aan den dag gelegd voor het dichten van heldenballaden. Deze gave is het volk eigen gebleven, toen het zich uit Noordelijker streken in zijn tegenwoordige woonplaats vestigde, waar het de fantasie prikkelend natuurschoon en het verkeer met het beschaafde Byzantium er zeer grooten invloed op uitoefenden en de voortbrengselen der poëzie tot een ontwikkeling brachten, die ze meer dan eenig product van het genie der Noordelijker Slaven deden gelijken op het Homerische heldendicht. De schat van zijn geestelijke voortbrengselen werd voortdurend vermeerderd door nieuwe [3]indrukken en zoo ontstond de nationale poëzie, rijk van vorm en schoon van samenstelling. De prachtige wouden van den Balkan, waar de legende en de romantiek meer dan in eenigen anderen woudrijken streek van Europa een gunstige omgeving voor haar ontwikkeling vonden, het altijd lachend uitspansel van Macedonië, de reusachtige Zwarte bergen van Montenegro en Herzegowina zijn wel geschikt om zelfs een minder begaafd volk te bezielen dan het Servische, dat deze romantische streken gedurende de laatste dertien eeuwen bewoonde.
De onvermoeide Servische zanggodin vervulde haar zending evenzeer op het slagveld of in het woud als in de liefelijke weiden tusschen de kudden of onder de dreigende muren van vorstelijke en heilige kloosters. Het geheele volk deelde in haar gaven en wanneer een dichter de heldendaden van den een of anderen geliefden nationalen held bezongen had of de vrome daden van een monnik of een heilige of eenig ander onderwerp had aangeroerd, dat tot het hart van het volk sprak, dan stonden er steeds weer andere barden klaar, die de dichterlijke schepping tot de hunne maakten en ze in wijder kring verbreidden met de wijzigingen, die nu eenmaal al wat mondeling overgebracht wordt, vergezellen, en waardoor ze steeds inniger tot het hart van het volk spreken. Uit dit karakteristieke, dat aan mondelinge overbrenging eigen is, valt het bestaan van verschillende teksten van eenige der meest populaire zangen te verklaren.
Door vele eeuwen en meer speciaal gedurende de gruwzame overheersching van de Turken konden de voortbrengselen der Servische nationale litteratuur enkel voortleven door mondelinge overdracht. De onvermoeide monniken toch, die veilig waren binnen de geheiligde muren van hun klooster, gebruikten hun vrijen tijd niet met het opteekenen der balladen en heldendichten van het volk, doch met het aanleggen van biografieën van andere monniken of van dezen of genen vorstelijken beschermheer.
Die Serviërs, welke het onder het verlammende bestuur van den Sultan niet konden harden, emigreerden in de zeventiende [4]eeuw met hun patriarch Arsen Tcharnoyevitch, naar de vlakten van Zuidelijk Hongarije. In den loop der twee volgende eeuwen wijdden zij zich daar aan de pseudoklassieken van het Westen. Zij beschouwden het infra dignitatem over zulke vulgaire onderwerpen als populaire dichtkunst en overleveringen te schrijven. De begaafde afstammelingen van die beklagenswaardige slachtoffers der sluwe Oostenrijksche en Pan-Russische invloeden verspilden hun talenten in ijdele en leege nabootsing der pseudo-klassieke voortbrengselen van Italië en Frankrijk, en door volijverig de Servische en Oud-Slavische werkwoorden op de Russische wijze te vervoegen, schiepen zij een monsterachtig letterkundig jargon, dat zij noemden Slavyano-Serbski (d.i. Slavisch-Servisch). En als eenig Servisch schrijver zich zou vermeten hebben in het welluidende en onvervalschte Servisch te schrijven, dat algemeen in zijn vaderland gesproken werd, zou hem de vloek getroffen hebben van die op een dwaalspoor gebrachte Slavisch-Servische “bestudeerders der Klassieken”, die er innig van overtuigd waren, dat de roem in de nationale litteratuur alleen te behalen was door te schrijven in een taal, die ze zelf nauwelijks begrepen, en die tengevolge van de volkomen inconsequentie en willekeurige veranderingen ook onverstaanbaar was.
De “bestudeerders der klassieken” kregen hun verdiende loon in de eerste helft van de negentiende eeuw, toen zij overstroomd werden door den niet te weerhouden vloed van de populaire beweging, aan welker spits de boer Vouk Stephanovitch-Karadgitch stond, een man, die zich zelf gevormd had en wiens naam voor altijd groot zal blijven in de geschiedenis van de Servische letterkunde. Karadgitch is met recht de vader van de Servische moderne litteratuur genoemd. Zijn ontelbare tegenstanders trachtten hem te verpletteren onder de meest beleedigende benamingen, waaraan hun pen en hun tong uitdrukking konden geven, maar eindigden, na meer dan vijftig jaren van vruchteloozen weerstand, met hun armen wijd voor hem te openen.
Karadgitch schiep een spraakkunst van de Servische [5]volkstaal, waaruit hij alle onnoodige graphische teekens verbande; zijn alphabet van dertig letters paste zich volkomen aan bij de dertig klanken (vijf klinkers en vijf en twintig mede-klinkers) van zijn moedertaal—en dientengevolge ontstond een ideale phonetische orthografie, waarin de gulden regel gevolgd kon worden: schrijf zooals gij spreekt en spreek zooals gij schrijft.3 Hij is van het eene dorp naar het andere door Servië gereisd, volijverig de epische en lyrische gedichten verzamelend en neerschrijvend de legenden en overleveringen, die hij van de lippen der barden opving en van verhalers, niet alleen van beroepszangers, maar ook van amateurs.
In zijn pogingen werd hij krachtig gesteund door de Servische regeerende vorsten en hij had het geluk zich de intieme vriendschap te verwerven der beroemde philologen en geleerden van de laatste eeuw: Bartholemy Kopitar, Schaffarik en Grimm. Geholpen door Kopitar slaagde Karadgitch er in een academische dictionnaire samen te stellen van de Servische taal vertolkt door Latijnsche en Duitsche equivalenten. Dit blijft tot op heden de eenig betrouwbare Servische dictionnaire, die den Westerschen standaard van zulke boeken nadert. Zijn eerste verzameling van Servische populaire gedichten werd in 1814 in Weenen uitgegeven. Ze bevatte 200 lyrische zangen, die hij noemde zenske pyesme (d.i. vrouwenzangen) en 23 heldenballaden. Dit boek verwekte opzien in de letterkundige kringen van Oostenrijk, Servië, Duitschland, Rusland en andere landen. Zeven jaar later deed Karadgitch in Leipzig een tweede uitgave in drie deelen het licht zien. Deze uitgave bevatte 406 lyrische zangen en 117 heldendichten. Aan deze uitgave ontleende Sir John Bowring de stof voor zijn metrische vertaling van enkele der lyrische en epische gedichten, die hij in 1827 uitgaf onder den titel Servische Populaire Poëzie. Hij droeg het boek op aan Karadgitch, [6]die zijn intieme vriend was en leeraar in het Servisch.4
Ik heb drie van Bowrings balladen in dit boek overgenomen, om den lezers ook een getrouwere weergave van het oorspronkelijke vers te bieden dan mogelijk is in proza. Wat de dichterlijke verdiensten betreft van deze metrische vertalingen, ik wil mij niet aanmatigen er een oordeel over te vellen, maar het moge mij vergund zijn te zeggen, dat ik geen getrouwer vertaling heb gezien van onze nationale balladen en lyrische zangen, noch in het Engelsch, noch in eenige andere taal. De moeilijkheden in aanmerking genomen, die de bestudeering van elke Slavische taal (en dit geldt vooral van de Servische) den Angel-Sakser biedt, is het verwonderlijk hoe weinig onvolkomenheden het werk van Bowring aankleven. Sir John moet een ongewoon talent voor vreemde talen hebben bezeten, daar hij ook uit ieder van de andere Slavische talen vertaald moet hebben en—naar mij is medegedeeld—met dezelfde stiptheid en nauwgezetheid.
De derde uitgave van het werk van Karadgitch verscheen in Weenen, tusschen de jaren 1841 en 1866. Het was nu gegroeid tot vijf deelen en bevatte 1112 lyrische zangen en 313 heldenballaden. Het is uit deze uitgave, dat ik de heldenverhalen, in dit boek opgenomen, heb gekozen; en indien ik er misschien in geslaagd ben een nieuw geslacht van niet-Servische lezers belang te doen stellen in de letterkunde van mijn land, dan zal het mijn verdere eerzucht zijn, de onvergelijkelijk veel zwaardere taak te volbrengen om hun in een volgend deel een blik te gunnen in onze populaire lyrische poëzie.
Het voorbeeld van Karadgitch volgend hebben veel Serviërs van Bosnië en Herzegowina balladen en legenden verzameld, die Karadgitch niet heeft hooren voordragen op zijn verschillende [7]reizen, door de eigenlijke Servische landen, of waartoe hem de tijd ontbrak om ze in te lasschen. Zulke later verzamelde gedichten—werkelijk een zeer groot aantal—zijn van tijd tot tijd uitgegeven in de welbekende tijdschriften Bosanska Veela (d.i. “de Veela van Bosnië”) en Karadgitch en het aantal vermeerdert voortdurend nog; niet alleen door de ontdekking van oude bronnen, maar ook door de nieuwe inspiratie, die een gevolg was van de Balkanoorlogen van 1912–1913.
Tenslotte heb ik nog mijn meest dankbare erkentelijkheid te betuigen aan mijn geachten vriend M. Chedo Miyatovich voor zijn onschatbaren raad en de aanmoediging, die ik van hem ondervond en voor zijn edelmoedige bereidwilligheid om het voorbericht te schrijven, dat mijn boek versiert, en eindelijk ook mijn uitgevers te danken voor de hulp, die zij mij boden bij het gereedmaken van mijn manuscript voor de pers.
W. M. Petrovitch.
189 Queen’s Gate, Londen,
Mei 1914. [9]
1 Tchech is een beter synonym voor het onjuiste Bohemer.
2 In ’t Servisch Pepelyouga, waarin pepel, of—met als o uitgesproken l—pepeo, beteekent sintel of asch; ouga, dat het achtervoegsel is, komt in beteekenis overeen met het Engelsche one of het Italiaansche ella.
3 Zie Servische conversatie spraakkunst, door Woislav M. Petrovitch uitg. Julius Groos, Heidelberg, 1914 (Londen: David Nutt, 212 Shaftesbury Avenue, W.C.), Inleiding pp. 1–8.
4 Dit was een van de vele eerbewijzen, die de boer, welke zich zelf gevormd had, ontving. Hij werd door de universiteit te Jena tot doctor honoris causa benoemd. Later werd hij medewerkend of eerelid van de meeste Academies van Wetenschappen in Europa; de hoogste orden van de in Servië regeerende vorsten werden hem geschonken, en de keizers van Oostenrijk, Rusland en Duitschland vereerden hem met gelijke bewijzen van hun gunst.
[Inhoud]
Voor hun invasie in het Balkan-Schiereiland, die in de zevende eeuw plaats had, leefden de Serviërs als een patriarchaal volk in het land, dat nu als Galicië bekend is. Ptolemeus, de oude Grieksche aardrijkskundige, beschrijft, hoe ze leefden aan de oevers van de rivier de Don, ten Noord-Oosten van de zee van Azof. Zij vestigden zich voor het meerendeel in die Balkanstreken, welke zij op den huidigen dag nog bewonen, namelijk het tegenwoordige koninkrijk Servië, Oud-Servië, Macedonië, Bosnië en Herzegowina, Montenegro, Dalmatië, Batchka, Banaat, Croatië, Sirmië en Istrië. De oude inwoners van deze gewesten, Latijnen, Thraciers, Grieken en Albaneezen, werden door de nieuw aangekomenen gemakkelijk naar de Adriatische kust opgedrongen. Hun keizer Heraclius (610–641 na Chr.), die niet in staat was krachtig weerstand te bieden, stond aan de Serviërs al de provincies af, die zij bezet hadden, en zoo was de vrede gekocht. De Heidensche en onontwikkelde Servische stammen stonden van nu af in geregeld verkeer met de beschaafde Byzantijnen en werden spoedig bekeerd tot het christendom; want bijna zonder uitzondering gaat de regel op, dat als een volk een ander overwint of onderwerpt, het meest beschaafde van de twee, onverschillig of dit het overwonnene of de overwinnaar is, zijn beschaving en gewoonten overbrengt op het meer barbaarsche. De Serviërs omhelsden echter het Christendom pas wat meer algemeen in het begin van de negende eeuw, toen de twee broeders Cyrillos en Methodius—de zoogenaamde Slavische apostelen—het Evangelie van Christus in de oude Slavische taal overzetten en in die taal, welke in dien tijd de omgangstaal was van de Zuidelijke Slaven dat Evangelie verkondigden.
Daar de Serviërs gedurende de zevende en de achtste eeuw in stammen waren verdeeld, werden zij een gemakkelijke prooi [10]van de Byzantijnen, de Bulgaren en de Franken, ofschoon geen dezer naburen er ooit in slaagde hun het juk der onderwerping blijvend op te leggen. Toen werden de Serviërs er zich echter bewust van, dat zij zich slechts door hun macht te concentreeren en als een natie naar buiten op te treden zouden kunnen handhaven. Dit had tengevolge, dat in het begin der negende eeuw een ernstige poging werd gedaan om aan de oevers van de rivier de Morava een staat te stichten, waarvan Horea Margi (nu Tyoupriya genaamd) de hoofdstad zou zijn. De Bulgaren, die vijandig tegenover deze pogingen stonden, slaagden er in aan te toonen, hoe ontijdig ze werden ondernomen. Een nieuwe poging om een onafhankelijke staat te vormen werd gedaan door de Djoupan (graaf) Vlastimir, die er in geslaagd was zich aan de Byzantijnsche heerschappij te ontworstelen. Deze nieuwe Staat werd Rashka genaamd en strekte zich uit rondom de rivieren Piva, Tara en Lim, het stroomgebied van de rivier de Ibar in het Oosten en van dat van de Vrbas in het Westen rakende. Reeds in den aanvang echter ontstonden er oneenigheden tusschen de leiders, hetgeen de inmenging van den Bulgaarschen tzaar Siméon vergemakkelijkte. Tchaslav, de Djoupan van een anderen Servischen stam, eischte, hoewel hij er geenerlei recht op kon doen gelden, den troon op en werd hierbij ondersteund door Siméon, die met goeden uitslag Rashka binnendrong. De Bulgaren bleven gedurende zeven jaar in het bezit van het land (924–931), toen slaagde Tchaslav er in een nieuwen Staat te stichten, die met Rashka het grondgebied van Zetta, Trebinye, Neretva en Houm omvatte.
Na zijn dood heerschte er ook in dit vorstendom weer groote verdeeldheid.
In den loop van de volgende eeuw overmeesterde het Byzantijnsche rijk, nadat het ’t nu verzwakte Bulgarije onderworpen had, ook Rashka, waarvan de Groot Djoupan vluchtte. De regent van Zetta, Stephen Voïslav (1034–1051) zoon van Dragomir, Djoupan van Trebinye, maakte van de gelegenheid gebruik om zich onafhankelijk te verklaren van zijn leenheer, [11]den Groot Djoupan van Rashka, en eigende zich Zahoumlije (Herzegowina) en eenige andere streken toe. Zijn zoon, Michaylo, (1053–1081) slaagde er verder in Rashka onder zijn bewind te brengen en verkreeg in het jaar 1077 den koningstitel (rex Sclavorum) van paus Gregorius VII. Onder de regeering van koning Bodin, den zoon van Michaylo, werd het Servië van Tchaslav hersteld, bovendien werd nu Bosnië aan zijn rijk toegevoegd. Maar na den dood van Bodin heerschte weer de oude wanorde, voornamelijk wijl verschillende pretendenten naar den troon dongen.
De onderlinge strijd tusschen de leden van de regeerende families is een der karakteristieke verschijnselen, die de geheele geschiedenis van Servië door is waar te nemen. Terwijl de krachten verspild worden in den strijd voor persoonlijke belangen, en met alle, geoorloofde zoowel als ongeoorloofde, middelen er naar gestreefd wordt aan de persoonlijke eerzucht te voldoen, werden de nationale belangen verwaarloosd. Dit is in alle tijden de groote hinderpaal geweest, waarop de vorming van een Servischen staat als politieke eenheid voortdurend afstuitte—hoe dikwijls door verschillende regenten ook pogingen werden aangewend om dit doel te bereiken.
In 1169 kwam het bewind in handen van een dynastie, die gedurende meer dan twee eeuwen (1169–1372) Servië binnen steeds veranderende grenzen regeerde. De grondlegger er van was de beroemde Groot Djoupan Stephan Nemanya (1169–1196) die door den Byzantijnschen keizer tot Hertog van Servië (Groot Djoupan) werd verheven, nadat hij een revolutie had geleid, waarvan het resultaat gunstig was voor zijn aanspraken. Door zijn dapperheid en wijsheid slaagde hij er niet alleen in de provincies te vereenigen, die zijn voorgangers hadden bezeten, maar ook er sommige aan toe te voegen, welke nooit Servisch waren geweest. Hij zette Ban Koulin, een bondgenoot, op den troon van Bosnië. Verder bevestigde hij den orthodoxen godsdienst in zijn staat door het [12]bouwen van een aantal kerken en kloosters en door de verbanning van kettersche Bogoumils1. Wijl hij de zwakte van den ouderdom voelde naderen en mede om zijn volk een nieuw bewijs te geven van zijn godsdienstzin, abdiceerde de bejaarde Nemanya in 1196 ten gunste van zijn bekwamen tweeden zoon Stephanus en trok zich in een klooster terug. Bij zijn troonsbestijging in het jaar 1217 nam Stephanus den titel aan van koning van Servië.
Toen de kruisvaarders Constantinopel veroverden, werd Sava, Stephanus’ jongste broer, door den Griekschen patriarch aan het hoofd gesteld van de Grieksche kerk in Servië (1219), hij was de eerste Servische aartsbisschop.
Stephanus werd opgevolgd door zijn zoon Radoslav( 1223–1233), die onttroond werd door zijn broeder Vladislav (1233–1242), welke op zijn beurt van den troon werd gestooten door zijn derden broer Ourosh de Groote (1242–1276).
Ourosh vergrootte zijn gebied en verhoogde Serviërs aanzien in het buitenland. Hij werd onttroond door zijn zoon Dragoutin (1276–1281), die na een veldslag tegen de Grieken verloren te hebben, afstand deed tengunste van een jongeren broeder Miloutin (1288–1321). Voor zich zelf behield hij echter een provincie in het Noorden van den Staat. Spoedig daarna ontving Dragoutin van zijn schoonmoeder, de koningin van Hongarije, de landen tusschen de Donau, Save en de Drina. Hij nam toen den titel aan van koning van Sirmië. Nog bij zijn leven schonk Dragoutin zijn troon en een deel van zijn landen aan Miloutin; een ander deel kwam weer onder de heerschappij van den koning van Hongarije. Miloutin wordt beschouwd als een der merkwaardigste afstammelingen van Nemanya. Na zijn dood heerschte er de gewone oneenigheden over de troonsopvolging. De orde werd hersteld door Miloutins zoon Stephanus Detchanski (1321–1331), die de Bulgaren versloeg in den beroemden slag van Velbouzd [13]en geheel Bulgarije onderwierp. Het bleef een provincie van Servië, totdat de Ottomaansche horden beide overweldigden.
Stephanus Detchanski werd onttroond door zijn zoon Doushan den Machtige (1331–1355), de uitstekendste en meest roemrijke van alle Servische vorsten. Hij streefde er naar het geheele Balkanschiereiland aan zich te onderwerpen. Nadat hij er in geslaagd was het geheele Byzantijnsche keizerrijk, uitgenomen Constantinopel, te veroveren, riep hij zich zelf, in overleg met de Vlastela (Vergadering van Edelen), tot tsaar van Servië uit. Hij verhief het Servische aartsbisdom tot den rang van patriarchaat. Geheel Albanië en een deel van Griekenland onderwierp hij; ook Bulgarije was een zijner vazalstaten. Door zijn ontijdigen dood (eenige geschiedschrijvers beweren, dat hij vergiftigd is door zijn eigen ministers) was het hem niet vergund zijn grootsche plannen te verwezelijken. Onder de regeering van zijn jongen zoon Ourosh (1355–1371) ging bijna al wat hij gewrocht had weer te niet, tengevolge van de onverzadigbare begeerigheid der machtige edelen, die daarmee den weg effenden voor den Ottomaanschen inval. Onder hen, die opstonden tegen den nieuwen tsaar, was koning Voukashin. Met zijn broer en eenige andere edelen regeerde hij bijna als een onafhankelijk vorst over het geheele gebied rondom Prizrend tot het zuiden van den Shar dagh2. Koning Voukashin en zijn broeder werden in een slag tegen de Turken aan de oevers van de rivier de Maritza(1371) verslagen en al de Servische landen ten Zuiden van Skoplye (Üsküb) werden bezet door de Turken.
In hetzelfde jaar stierf tsaar Ourosh, en Marko, de oudste zoon van koning Voukashin, de nationale held, van wien wij herhaaldelijk in dit boek zullen hooren, riep zich zelf tot koning over de Serviërs uit. Maar de Vlastela en de geestelijkheid [14]erkenden hem niet. Zij verkozen in 1371 Knez3 (later tsaar) Lazarus, een bloedverwant van tsaar Doushan den Machtige, tot regent van Servië, en Marko, wiens vorstendom Prilip een vazalstaat van den sultan was geworden, hielp de Turken in hun veldtochten tegen de Christenen. In het jaar 1399 vond hij den dood in den slag van Rovina in Roemenië; er wordt van hem gezegd, dat hij deze gedenkwaardige woorden heeft gesproken: “Dat God de overwinning aan de Christenen geve, al moet ik ook onder de eersten zijn, die omkomen!”
Het Servische volk gelooft, gelijk wij zullen zien, dat hij niet stierf, maar zelfs nu nog leeft.
Prins Lazarus regeerde van 1371 tot 1389 en gedurende zijn regeering sloot hij een verbond met den Ban4 Tvrtko van Bosnië tegen de Turken. Ban Tvrtko riep zich zelf uit tot koning van Bosnië en beproefde zijn macht uit te breiden in Hongarije, terwijl prins Lazarus, bijgestaan door een aantal Servische vorsten, zich gereed maakte voor een grooten oorlog tegen de Turken. Maar sultan Amourath, op de hoogte gebracht van Lazarus’ bedoelingen, viel op 15 Juni 1389 op de vlakte van Kossovo onverwacht de Serviërs aan. In dezen slag werd aan beide zijden verwoed gevochten en toen de zon haar middaghoogte had bereikt, scheen het, of het krijgsgeluk den Servischen wapenen gunstig zou zijn.
Er was echter verraad in het Servische kamp. Vook (Wolf) Brankovitch, een van de groote heeren, die het bevel voerde over een vleugel van het Servische leger, was lang naijverig op zijn vorst geweest. Eenige geschiedschrijvers verhalen, dat Sultan Amourath er in slaagde hem over te halen zijn heer te verraden door de belofte, dat hij onder het opperbestuur van den sultan de kroon van Servië zou dragen. Op een kritiek oogenblik in den slag wendde de verrader zijn paard om en vluchtte van het slagveld, gevolgd door zijn 12.000 man sterke [15]troepenmacht, die meende, dat dit een krijgslist was om de Turken te misleiden. Daardoor kwamen de Serviërs zeer in het nadeel en toen later op den dag de Turken versterkt werden door nieuwe troepen onder bevel van des Sultans zoon Bajazet, was de Turksche overwinning volkomen. Prins Lazarus werd gevangen genomen en onthoofd; de sultan zelf kwam om door de hand van den Servischen voïvode5 Milosh Obilitch.
Niettegenstaande de ramp, waarin Brankovitch ook omkwam, werden de Serviërs niet door de Turken onderworpen, dank zij de wijsheid en dapperheid van den zoon van Lazarus, Stephanus Lazarevitch (1389–1457). Zijn neef, Dyourady Brankovitch (1427–1456), streed ook heldhaftig, maar voet voor voet werd zijn staat door de Turken veroverd.
Na den dood van Dyourady konden de Servische edelen het niet eens worden over zijn opvolger, en in de troebelen, die er uit voortsproten, slaagden de Turken er ten slotte in de verovering van Servië te voltooien, welke tenslotte in 1459 een feit werd. Zij stelden zichzelf tot taak de Servische boerenbevolking in Bosnië te bewegen den eed van trouw aan den Sultan af te leggen onder voorspiegeling van toekomstigen voorspoed en hierin slaagden zij onder de regeering van den koning van Bosnië, Stephanus Tomashevitch, die tevergeefs beproefde hulp van den paus te verkrijgen. De onderwerping van Bosnië was een voldongen feit in 1463 en die van Herzegowina volgde in 1482.
Een Albanisch bevelhebber van Servischen oorsprong, George Kastriotovitch-Skander-Beg (1443–1468) streed met succes en met grooten heldenmoed voor de vrijheid van Albanië.
De Turken maakten zich echter van dit land meester, zooals [16]zij het voor en na van alle Servische landen deden met uitzondering van Montenegro, dat zij nooit konden onderwerpen, gedeeltelijk door den onvergelijkelijken heldenmoed van de dapperste Serviërs—wien het onmogelijk was onder Turksche heerschappij te leven—en gedeeltelijk door de ontoegankelijkheid van hun bergachtig land. Menige adellijke Servische familie vond een veilige toevlucht in dat land der vrije bergbewoners, nog meer gingen naar Ragusa of zochten bescherming bij de christelijke vorsten van Walachije en Moldavië. De wreede en heerschzuchtige Turksche regeering dwong duizenden families naar Hongarije te verhuizen en de afstammelingen van deze lieden worden tegenwoordig nog gevonden in Batchka, Banaat, Sirmië en Croatië. Zij, die in Servië bleven, werden of gedwongen den Islam te omhelzen of te leven als raya (slaven), want de Turksche Spahis (landeigenaren) onderdrukten niet alleen de christelijke bevolking, maar verklaarden het land verbeurd, dat tot nu toe aan zijn bevolking had behoord.
Wij zouden dezen terugblik noodeloos verlengen, indien wij den ellendigen toestand van de overwonnen Christenen volledig wilden beschrijven en daarom moeten wij volstaan met niet meer dan een schets te geven van wat in een meer modern tijdperk plaats greep.
Als de een of ander aktie te krachtig of een toestand acuut wordt, moet er vroeg of laat een reactie als gevolg daarvan intreden.
Toen de Turksche gruwelen hun toppunt bereikten, op het einde van de achttiende eeuw, volgden de Serviërs het voorbeeld van hun broeders in Hongarije en Montenegro en verzamelden zij zich rondom een leider, die als door de Voorzienigheid voorbeschikt scheen om hen te bevrijden van de schandelijke onderdrukking hunner Aziatische heeren. Die leider, een begaafd Serviër, Georg Petrovitch—door de Turken Karageorge (“Zwarte George”) genaamd—verzamelde andere [17]Servische mannen van aanzien om zich heen en een algemeene opstand had plaats in 1804. De Serviërs streden met succes en verwierven de onafhankelijkheid van dat deel van Servië, dat tot de Turksche provincie Belgrado behoorde, benevensdie van nog eenig naburig grondgebied. Dit werd slechts verkregen door groote opofferingen en door den aangeboren moed der Servische krijgslieden. Jammer genoeg scheen het te zijn voorbeschikt, dat dit tijdperk minder dan tien jaren duren zou.
Toen Europa (en meer in het bijzonder Rusland) in oorlog werd gewikkeld tegen Napoleon, vond Turkije gelegenheid, doordat de aandacht der Groote Mogendheden hierdoor in beslag werd genomen, zijn geleden verliezen weer te herstellen; in 1813 werd Servië weer onder het juk gebracht. George Petrovitch en andere Servische leiders verlieten het land om hulp te zoeken, eerst in Oostenrijk en later in Rusland. In hun afwezigheid deed Milosh Obrenovitch, een van de stadhouders van Karageorge-Petrovitch, een nieuwe poging om het Servische volk te bevrijden van het Turksche juk en hij slaagde er in 1815 in de autonomie van de provincie Belgrado te herstellen.
Gedurende den voortgang van zijn krijgsbedrijven keerde George Petrovitch naar Servië terug en werd wreedaardig vermoord op bevel van Milosh, die zich zelf uitriep tot erfelijk vorst en als zoodanig in October 1815 door de Verhevene Porte erkend werd. Milosh was een groot tegenstander van de Russische politiek en hij haalde zich de vijandschap van dat machtige rijk op den hals, tengevolge waarvan hij in 1839 gedwongen werd afstand te doen van den troon ten behoeve van zijn zoon Michael (Servisch: “Mihaylo”). Michael was een uitnemend diplomaat en had reeds zonder een druppel bloed te vergieten verschillende districten aan het onafhankelijke Servië toegevoegd. Hij werd opgevolgd door Alexander Karageorgevitch (1842–1860), een zoon van Karageorge Petrovitch. Onder het beleidvol bestuur van dien vorst werd [18]in Servië een grondwet, die iets op een moderne Constitutie leek, ingevoerd en werd de grond gelegd voor zijn verdere en snelle ontwikkeling. Maar een ongelukkige buitenlandsche politiek, de corruptie onder de hooge staatsambtenaren en voornamelijk het verraad van wie oogenschijnlijk zijn vrienden waren, doch die er inderdaad op uit waren hem den voet te lichten, dwongen dien verlichten prins afstand te doen van den troon en zijn land te verlaten. De Skoupshtina (Nationale Vergadering) herstelde Milosh op den troon, maar in hetzelfde jaar stierf hij en werd nog eens opgevolgd door zijn zoon Michael (1860–1868). Na den moord op dezen vorst kwam zijn jeugdige neef Milan (1868–1889) aan de regeering, gedurende zijn minderjarigeheid onder voogdij van drie regenten, overeenkomstig de Constitutie, die in 1869 werd afgekondigd.
De voornaamste gebeurtenissen gedurende de regeering van Milan waren: de oorlog tegen Turkije (1876–1878) en de annexatie van vier nieuwe districten; de erkenning van Servië’s onafhankelijkheid door het beroemde Congres van Berlijn; Servie’s verheffing tot een koningrijk in 1882; de ongelukkige oorlog tegen Bulgarije, die op aanstoken van Oostenrijk werd begonnen en de totstandkoming van een nieuwe Constitutie, die met geringe wijzigingen nog van kracht is.
Nadat koning Milan afstand van den troon had gedaan, beklom zijn onwaardige zoon Alexander dien. Ondanks de krachtige raadgevingen van zijn vrienden en de strenge vermaningen van zijn persoonlijken vriend M. Chedo Miyatovich trouwde hij zijn maitresse Draga Mashin, onder wier invloed een tijdperk van tirannie begon, dat bijna aan Nero herinnerde. Hij ging zoo ver te beproeven de Constitutie te vernietigen, waardoor hij zich volkomen van zijn volk vervreemde en in de kaart van zijn persoonlijke vijanden speelde, die hem ten slotte vermoordden (1903).
De Skoupshtina riep nu den zoon van Alexander Karageorgevitch, den tegenwoordigen Peter I Karageorgevitch tot [19]koning uit. Zijn roemrijke regeering zal met gouden letters in de moderne Servische geschiedenis geschreven staan, want het is aan hem te danken, dat der Christenheid een verdrag geschonken werd, tengevolge waarvan de Turk in 1913 bijna uit Europa werd verdreven. Maar helaas! De Serviërs zijn nog slechts in ongeveer de helft van hun landen een vrij volk; hun broeders in het andere deel zuchten nog steeds onder het vreemde juk.
Hoe beknopt deze terugblik ook is, hij zal voldoende zijn om de omstandigheden en voorwaarden te laten zien, waaronder de Servische nationale poëzie ontstond, waarmede wij ons in de volgende bladzijden meer in ’t bijzonder zullen bezig houden.
De legenden danken haar ontstaan aan de rampen, veroorzaakt zoowel door de zelfzucht der leiders van het Servische volk als door de vreemde onderdrukkers; maar nationale tegenspoeden hebben den hartstochtelijken drang van dit volk naar de vrijheid niet kunnen uitroeien en deze populaire heldenverhalen van den Balkan zijn de uitdrukking van de idealen, die het Servische ras ondanks zijn langdurige onderdrukking en kwelling bewaard heeft; idealen, die dit eenvoudig volk ook verder zullen steunen in de rampen, die het misschien nog zullen treffen, voor het de plaats veroverd heeft onder de groote mogendheden, die het door zijn volharding en opofferingsgezindheid ten slotte zeker zal innemen. [20]
1 Protestanten van de Grieksch orthodoxe kerk, die zich later in Bosnië vestigden.
2 Zie het gedicht: “Tsaar Ourosh en de Edelen of De Koninklijke Prins Marko vertelt aan wien het keizerrijk zal behooren.”
3 De titel komt overeen met dien van prins.
4 “Ban” is de oorspronkelijke titel van de regeerders van Bosnië.
5 Voïvode beteekende oorspronkelijk “leider van een leger” of “generaal”. Als adellijke titel komt het overeen met het Engelsche “Duke” dat, afgeleid van het Latijnsche dux, dezelfde wortelbeteekenis bezit.
[Inhoud]
De Serviërs, die het tegenwoordige koninkrijk Servië bewonen, hebben, daar zij ontstaan zijn uit een vermenging met de oude, oorspronkelijke bevolking van het Balkanschiereiland, het echte nationale type niet bewaard. Zij hebben voor het meerendeel een bruine gelaatskleur en donker haar; heel zelden komen blonde haren of een lichte gelaatskleur voor.
Boshnyaks (Serviërs, die Bosnië bewonen) worden beschouwd als de meest typische Serviërs, daar zij het sterkst de nationale karaktertrekken hebben bewaard van het zuivere Zuid-Slavische ras.
De gemiddelde Serviër heeft een vrij levendig temperament; hij is fijngevoelig en zijn gemoed is zeer ontvankelijk. Zijn geestdrift is snel gewekt, maar de meeste aandoeningen zijn in den regel van korten duur. Hij is echter buitengewoon ijverig en soms volhardend. Daar een oprechte vaderlandsliefde hem bezield, is hij steeds bereid zijn leven en eigendom op te offeren voor nationale belangen, die hij buitengewoon goed begrijpt, dank zij zijn volmaakte kennis van de geschiedenis van zijn volk, die hem van geslacht op geslacht is overgebracht door het aangename medium der populaire epische poëzie, bestaande uit zeer eenvoudige, rijmlooze verzen van tien lettergrepen. Hij is buitengewoon moedig en altijd gereed tot oorlogvoeren, ofschoon patriarchaal en conservatief in alles, wat nationaal is, is hij gereed en bereid nieuwe ideeën aan te nemen. Maar hij is achterlijk op ’t gebied van landbouw en industrie. Zeer onderdanig in zijn Zadrooga1 en gehoorzaam aan zijn meerderen, is hij dikwijls despotisch, als hij tot macht komt. [21]De geschiedenis van al de Zuidelijke Slaven bevat een reeks van schendingen, afzettingen, politieke verheffingen, volbracht soms door de meest wreede en verraderlijke middelen, die alle in hoofdzaak te wijten zijn aan de aangeboren, en tot nu toe onuitroeibaar gebleken fouten, eigen aan het ras: jaloezie en een onbeheerscht verlangen naar macht. Deze fouten kwamen natuurlijk het duidelijkst uit bij de edellieden; vandaar het verval van de oude aristocratie in alle Balkanstaten.
Er is maar weinig materiaal beschikbaar betreffende de prae-christelijke geschiedenis van de Zuid-Slavische rassen. Hun aanbidding der Natuur is niet grondig bestudeerd. Onmiddellijk na de Slavische emigratie naar het Balkanschiereiland, gedurende de zevende en achtste eeuw, vernietigde het christendom, dat al diep wortel had geschoten bij de Byzantijnen, gemakkelijk het oude geloof. De laatste getrouwen aan het heidendom leefden in het westelijk deel van het schiereiland, in de streken rondom de rivier Neretva en deze werden bekeerd tot het christendom onder de regeering van Basileios I. Een aantal Croaten waren reeds in de zevende eeuw tot het Christendom overgegaan en hadden een bisdom gesticht te Agram (Zagreb). In den loop van eenige duizenden jaren oefenden Grieksch-Oostersche mythen en legenden, oude Illyrische en Romeinsche propaganda, christelijke legenden en apocriefe geschriften zulk een invloed uit op de oude godsdiensten van de Zuid-Slavische volken, dat het onmogelijk is uit zulk een verward kluwen een zuiver Zuid-Slavische mythologie te reconstrueeren.
Van Peroon, den Russischen God van den Donder, bij wien de Russische heidenen een eed plachten te doen, als zij, omstreeks de tiende eeuw, verdragen aangingen of verbonden sloten met de Byzantijnen, resten nog slechts enkele onbeteekenende sporen. Er is een dorp in de buurt van Spalato, dat den naam Peroon draagt; ook een klein aantal personen in [22]Montenegro dragen dien naam2 en hij bleef eveneens bewaard in den naam van een plant, Peroonika (iris), die aan dezen God gewijd is. Er is nauwelijks een tuin bij eenige hut in de Servische dorpen, waar de iris niet groeit naast de huislook. (Tchu-var-Koutchye). De Serviërs zeggen, dat de God nog voortleeft als St. Elias (Elijah), en Servische boeren gelooven, dat deze heilige de macht bezit bliksem en donder te beheerschen. Zij gelooven ook, dat St. Elias een zuster heeft “Ognyena Maria” (Marie de Vlammende), die dikwijls als zijn raadgeefster optreedt.
De stad “Veless” heeft haar naam gekregen van den Russischen God van het vee “Volos”; zoo ook een dorp in het westelijk deel van Servië en dan is er nog een klein dorp aan den beneden-Donau, dat Velessnitza heet. Maar de wortel van het woord komt voor in het Servische “vo” of “voll” (enkelvoud) “volovi” (meervoud) hetgeen “os” beteekent.
Andere natuurverschijnselen werden ook gepersonifieerd en vereerd als Goden. De zonnegod “Daybog” (in het Russisch “Daszbog,” wat letterlijk beteekent “Geef, o God”) wiens afbeeldsel gevonden wordt in de groep afgoden te Kief, en wiens naam weer verschijnt als eigennaam van personen in Rusland, Moldavië en Polen, is voor de Serviërs de verpersoonlijking van zonneschijn, leven, voorspoed, van alle goeds.
Maar bij de Zuid-Slavische stammen is onder de overblijfselen van afgoden er geen gevonden, die god “Daybog” voorstelt, zooals bij de Russen, die houten beelden van hem maakten met een hoofd van zilver en een snor van goud.
De Servische legenden bewaren tot heden belangwekkende sporen van de aanbidding dezer heidensche goden en van mindere [23]godheden—die nog altijd een aanzienlijke plaats in het nationale bijgeloof innemen.
De “νύμφαι” en “ποταμὶ” genoemd bij den Griekschen historieschrijver Procopius, als vrouwelijke godheden van lageren rang, die boschjes, wouden, fonteinen, bronnen of meren bewonen, schijnen bewaard te zijn gebleven in de Servische populaire Veela (of Vila—in het enkelvoud; Veele of Vile—in het meervoud). Er zijn verschillende fonteinen in Montenegro, die “Vilin Izvor” zijn genoemd (bijv. op den berg Kom) zoo ook in het district Rudnik in Servië. Gedurende de Renaissance maakten de Servische dichters van Raga en andere steden in Dalmatië dikwijls melding van elfen, dryaden en bergnimfen, door hen geliefd als “veele”. De Servische barden of troubadours hebben steeds van het begin der veertiende eeuw tot op onzen tijd de veele verheerlijkt en bezongen, waarbij zij haar beschreven als zeer schoon en van eeuwige jeugd, gekleed in rein wit en fijn neteldoek met glinsterend gouden haren, die neergolfden over sneeuwwitte boezems. Men geloofde, dat de veele de liefelijkste stemmen hadden en gewapend waren met pijl en boog. Haar welluidende liederen werden dikwijls aan de oevers van de meren of op de weiden, diep in de wouden verborgen, of op hooge bergtoppen boven de wolken gehoord. Zij hielden er ook van te dansen en de kring, waarbinnen zij haar dans uitvoerden werd Vrzino (of Vilino) Kollo genoemd.
Op den berg Kom, in Montenegro, is een van deze ringen, die ongeveer twintig meter in doorsnee heeft en “Vilino Kollo” heet. Het verdrag van Berlijn noemt een ander, gelegen tusschen Vranya en Kustandil, waarover de Servisch-Bulgaarsche grens gelegd werd. Als de veele aan het dansen waren, dorst niemand haar te storen, want zij konden zeer vijandig tegen de menschen optreden. Evenals de Grieksche nimfen waren de veele somtijds ook vriendelijk gestemd, en vaak stonden zij de helden bij. Zij konden de zusters van mannen en vrouwen worden, konden zelfs huwen en kinderen hebben. Maar zij waren in het geheel niet onkwetsbaar. Prins Marko, de lievelingsheld [24]van de Serviërs, werd door een veela met bovenmenschelijke kracht begiftigd; zij gaf hem ook een bijzonder strijdros ten geschenke, “Sharatz,” dat werkelijk bijna menschelijke eigenschappen bezat. Een veela werd ook zijn possestrima (Geestelijke zuster, of zuster-in-God) en als Marko dringend hulp noodig had, daalde zij uit de wolken neer om hem bij te staan. Maar zij weigerde hem te helpen, indien hij op Zondagen duelleerde. Bij zekere gelegenheid3 versloeg Marko bijna de Veela Raviyoyla, die zijn pobratim (broeder-in-God) Voïvode Milosh had gewond. De veele waren zeer bekwaam in het aanwenden van kruiden en kenden de eigenschappen van elke bloem en elke bezie; daardoor was Raviyoyla in staat de wonden van Milosh te genezen en werd zijn doorstoken hart “gezonder dan ooit te voren.” Zij geloofden in God en den Heiligen Johannes en verafschuwden de Turken. De veele bezaten ook de gave der clairvoyance en de zuster-in-God van prins Marko voorspelde zijn dood en dien van Sharatz4. Veele hadden de macht orkanen en andere natuurverschijnselen te bedwingen; zij konden zich veranderen in slangen en zwanen. Als zij beleedigd werden, konden zij zeer wreed zijn; zij waren in staat hen, die haar met geweld dreigden, van hun zintuigen te berooven; zij leidden dan de menschen in diepe wateren of maakten prachtige gebouwen en vestingwerken met den grond gelijk5.
Aan de veele werd ook de macht toegekend om het lot te bepalen van pasgeboren kinderen. In den zevenden nacht na de geboorte van een kind ziet de Servische boerenvrouw verlangend uit naar de Oossood, een veela, die het lot van haar kind zal voorspellen en het is alleen de moeder, die de stem van de fee kan hooren.
De Serviërs hebben een onverzettelijk geloof in de voorbeschikking en zij zeggen dat er geen dood is voor den vastgestelden [25]dag (Nema smrti bez soodyena dana). Hun geloof in de onsterfelijkheid der ziel strekt zich zelfs uit tot die van overigens onbezielde voorwerpen, zooals bosschen, meren en bergen. Na den dood van een mensch stelt de ziel haar vertrek naar hoogere of lagere sferen uit tot er zekere tijd (gewoonlijk veertien dagen) verloopen is; gedurende dien tijd zweeft ze in de lucht en heeft ze het vermogen het lichaam van een dier of een insect binnen te gaan.
Geesten zijn gewoonlijk goed; in Montenegro gelooft men, dat elk huis zijn beschermgeest heeft, dien zij syen of syenovik noemen. Zulke syens kunnen het lichaam binnengaan van een mensch, een hond, een slang, ja zelfs van een hen. Op dezelfde wijze heeft ieder bosch, meer en berg zijn syen, welke ook wel met een Turksch woord djin wordt genoemd. Zoo staat bijvoorbeeld de djin van den berg Riyetchki Kom aan de noordelijke zijde van het meer van Scutari den voorbijgangers niet toe een tak of een blad aan te raken van de eeuwig groene wouden aan den bergkant—en als een reiziger een bloem of een blad dorst te plukken, zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dichten mist en wonderlijke, schrikaanjagende visioenen zouden zich aan hem voordoen. In de streek rondom Lurya worden deze boschgeesten door de Albaneezen evenzeer gevreesd, zelfs de dorre takken van pijnboomen en lariksen durven zij daar niet aanraken. Dit herinnert aan den eeredienst van het heilige kreupelbosch, die algemeen was onder de oude Litthauwers.

Zou hij onmiddellijk ingesloten worden door een dikken mist
Naast de goede geesten verschijnen ook booze geesten, (byess) demonen en duivels (dyavo), door de christenen als heidensche goden beschouwd, en ook andere booze geesten (zli doossi), die in de lichamen van doode en levende menschen huizen. Deze laatste worden genoemd vookodlaks of vlkodlaks (vook, beteekent “wolf”, en dlaka, beteekent “haar”) en naar het volksgeloof zijn zij het, die de zons- en maansverduisteringen veroorzaken. Dit herinnert aan het oude Noorsche [26]bijgeloof, dat de zon en de maan voortdurend door hongerige wolven vervolgd worden; het is een soortgelijke poging om deze natuurverschijnselen te verklaren.
Zelfs nu nog gelooven de Servische boeren, dat eclipsen van de zon en maan worden veroorzaakt, doordat deze de prooi worden van een hongerigen draak, die ze dreigt te verslinden. Aan deze boosaardige en zeer machtige schepsels wordt de vernieling van korenakkers en wijngaarden toegeschreven, want zij zijn de oorzaak van de schade, die door hagelbrengende wolken wordt aangericht. Als de boeren een gedeeltelijke zons- of maansverduistering zien of meenen, dat een hagelstorm hen bedreigt, dan vergaderen zij in de dorpsstraten en allen—mannen, vrouwen en kinderen—slaan potten en pannen tegen elkaar, schieten pistolen af, luiden bellen, teneinde het dreigende monster vrees aan te jagen en te verdrijven.
In Montenegro, Herzegowina en Bocca Cattaro gelooven de menschen, dat de ziel van een slapende door den wind wordt weggedreven naar den top van een berg. Als er daar een aantal verzameld zijn, worden zij woeste reuzen, die boomen ontwortelen om ze dan als knuppels te gebruiken, en rotsen en steenen naar elkaar toeslingeren. Hun gesis en gebrom wordt vooral in lente- en najaarsnachten gehoord. Deze worstelende elementen worden niet alleen door menschelijke zielen bewoond, maar kunnen de geesten van vele dieren bevatten, bijv. van ossen, honden, en zelfs van hanen, maar vooral ossen nemen aan de worstelingen deel.
Vrouwelijke booze geesten worden gewoonlijk genoemd veshtitze (enkelvoud, veshtitza, klaarblijkelijk afgeleid van het oude Boheemsche woord ved, dat “weten” beteekent). Verondersteld wordt, dat het oude vrouwen zijn, die door een boozen geest bezeten zijn en die een onverzoenlijke vijandschap koesteren tegenover mannen, andere vrouwen en het meest tegen kinderen. Zij komen min of meer [27]overeen met de wezens, die men elders “heksen” noemt.
Als een oude vrouw gaat slapen, verlaat haar ziel het lichaam en dwaalt rond, totdat ze het lichaam van een hen ingaat of nog vaker dat van een zwarten nachtvlinder. Fladderend gaat ze die huizen binnen, waar een aantal kinderen zijn, want haar lievelingsvoedsel is een kinderhart. Nu en dan komen veshtitze te zamen om haar avondeten gezamenlijk in de takken van den een of anderen boom te gebruiken. Een oude vrouw, die de eigenschappen van een heks heeft, mag aan zulke samenkomsten deelnemen, na zich bereid te hebben verklaard zich aan de regelen te zullen onderwerpen, welke voorgeschreven zijn door de ervaren veshtitze en die meestal bestaan in het uitspreken van zekere stereotiepe zinnen. De boeren beproeven zulke schepsels te ontdekken en als zij er in slagen een heks te vinden, dan wordt er haastig een jury gevormd, aan wie volmacht wordt gegeven om haar ter dood te brengen. Een van de onfeilbare middelen, die gebruikt worden, om te ontdekken of een verdachte werkelijk een heks is of niet, is de waterproef, waarbij het slachtoffer in het water wordt geworpen. Want als zij blijft drijven, dan is zij zeker een heks.
In dat geval wordt zij meestal verbrand. Deze proef was ook in West-Europa welbekend.
Het geloof aan het bestaan van vampiers is in de Balkanstaten algemeen verbreid en zelfs in sommige deelen van Westelijk Europa wordt het aangetroffen. Eenigen beweren, dat dit bijgeloof verband moet houden met de meening, die velen in de orthodoxe kerk aanhangen, dat het lichaam van hen, die sterven, nadat de banvloek der kerk hen getroffen heeft, niet als het stoffelijk omhulsel van andere stervelingen aan ontbinding onderhevig zijn, doch onmiddellijk na den dood in bezit worden genomen door booze geesten, die dan op eenzame plaatsen aan de menschen verschijnen en hen vermoorden. [28]
In Montenegro worden vampiers lampirs of tenatz genoemd en men meent, dat zij het bloed van slapende menschen opzuigen, ook van vee en andere dieren en na hun nachtelijke tochten weer in de gedaante van muizen naar hun graven terugkeeren. Ten einde te ontdekken, waar het graf van de vampier is, nemen de Montenegrijnen een zwart paard zonder vlek en brengen het naar het kerkhof. Het verdachte lijk wordt opgegraven, doorboord met staken en verbrand. Natuurlijk verzet de overheid zich tegen zulke bijgeloovige praktijken; daarbij kwam het echter voor, dat de bevolking van een gemeente dreigde de woningen te verlaten, zoodat hun dorpen ontvolkt zouden worden, indien hun niet werd toegestaan op hun wijze voor hun veiligheid te zorgen. De code van keizer Doushan den Machtige beveelt, dat een dorp, waar lichamen van gestorven personen zijn opgegraven en verbrand, even streng gestraft zal worden als ware er een moord begaan; en dat de ban zal worden uitgesproken over een resnik, dat is een priester, die bij zulk een ceremonie de godsdienstoefening geleid heeft. Militchevitch, een beroemd Servisch ethnograaf, verhaalt, hoe een resnik in het begin van de negende eeuw gebeden las uit de apocriefe boeken van Peronius, als het noodig was den booze uit te drijven. De weerzinwekkende gewoonte is geheel onderdrukt in Servië. In Montenegro beproefde de aartsbisschop Peter II ze uit te roeien, maar volkomen was zijn succes niet. In Bosnië, Istrië en Bulgarije wordt er ook nu en dan van gehoord. Het geloof in vampiers is een bijgeloof, dat over Roemenië, Albanië en Griekenland algemeen verbreid is6.
Zelfs in onze dagen zijn er nog sporen over van zon- en maanvereering en vele Servische en Bulgaarsche gedichten herdenken het huwelijk van de zon en de maan en bezingen Danitza (de morgenster) en Sedmoro Bratye (De zeven broeders, [29]klaarblijkelijk de Pleiaden7). Ieder mensch heeft zijn eigen ster, die aan het uitspansel verschijnt op het oogenblik van zijn geboorte en uitgebluscht wordt, als hij sterft. Vuur en bliksem worden ook aangebeden. Het is een algemeen geloof, dat de aarde rust op water en dat water rust op een vuur en dat dit vuur weer op een ander vuur ligt, dat Zmayevska Vatra (vuur van de draken) wordt genoemd.
Ook de vereering van dieren is tot op onzen tijd bewaard gebleven. De Serviërs gelooven niet minder dan dat de beer een mensch is, die voor zijn straf in een dier veranderd werd. Dit gelooven zij, omdat de beer rechtop kan loopen, evenals een mensch. De Montenegrijnen beschouwen den jakhals (canis aureus) als een half-menschelijk wezen, omdat zijn gehuil ’s nachts klinkt als het weeklagen van een kind. Van de hinde (capreolus caprea) wordt verondersteld, dat zij de bijzondere bescherming van de veele geniet en daarom zoo dikwijls ontsnapt aan den jager. In enkele deelen van Servië en door geheel Montenegro wordt het als een zonde beschouwd een vos of een bij te dooden.
De vereering van enkele slangen is algemeen in alle Balkanstaten. In Montenegro gelooft men, dat onder elk huis een zwarte slang haar hol heeft; als iemand ze zou dooden, dan kan men zeker zijn, dat het hoofd van het gezin sterft. Enkele waterslangen met vurige koppen worden op één lijn gesteld met de booze draken (of hydra’s), die in sommige tijden de schepen bedreigen, welke op het meer van Scutari zeilen.
Van een van deze hydra’s wordt nog altijd verondersteld, dat hij in het meer Rikavatz leeft, in de verlaten bergen van oostelijk Montenegro, waar het verborgen monster nu en dan uit de diepte van het water oprijst; zijn terugkeer wordt aangekondigd door heftige donderslagen en bliksemstralen.
Maar de zuidelijke Slaven hebben van den draak niet dezelfde voorstelling als de Hellenen, dat wil zeggen: een [30]monster in de gedaante van een reusachtige hagedis of slang, met gekuifden kop, vleugels en groote, sterke klauwen, want zij weten, dat deze uiterlijke vorm alleen maar wordt gebruikt als een misleidend masker. De ware gedaante van den draak is die van een knap jongeling, met bovenmenschelijke kracht en moed begiftigd; in de verhalen en liederen is hij meestal verliefd op de een of andere schoone prinses of keizerin.8
Onder de heidensche priesters worden tcharobnitzi (toovenaars) vermeld, van wie bekend is, dat zij ook in Rusland voorkwamen, waar zij gedurende de elfde eeuw het nieuwe christendom ondermijnden. De Slavische vertaling van het Evangelie, door de kerk erkend in de negende eeuw, geeft den naam tcharobnitzi ook aan de drie Heilige Koningen.
Tot diezelfde categorie behoorden de resnitzi, die zooals uit reeds genoemde code van Keizer Doushan blijkt, de lichamen van de dooden plachten te verbranden. Resnik, dat als eigennaam voorkomt in Servië, Bosnië en Croatië beteekent naar alle waarschijnlijkheid “degeen, die zoekt naar waarheid.”
Door vertalingen van Grieksche heiligenlegenden is de juiste terminologie, die gebruikt werd bij allerlei ceremonies, offerfeesten, enz. bewaard gebleven. Procopius noemt de ossen als de dieren, die meestal werden geofferd, maar wij vinden, dat kalveren, geiten en schapen met ossen werden gebruikt door de Poolsche Slaven en Litthauwers en dat volgens Byzantijnsche autoriteiten de Russen zelfs wel vogels namen.
Wanneer in Montenegro een nieuw huis wordt gebouwd, wordt gewoonlijk een ram of een haan geslacht, opdat een hoeksteen besprenkeld kan worden met het bloed van dit dier en bij de plechtigheden, waarmee het inwijden van een nieuwe fontein vergezeld gaat, wordt een geit gedood. Volgens de overlevering schoot Prins Ivan Tzrnoyevitch eens vlak voor [31]een grot een ongewoon zware, wilde geit, die, daar ze doornat was, zich het water van haar huid schudde, tengevolge waarvan daar onmiddellijk een rivier begon te stroomen. Die rivier wordt nu nog de rivier van Tzrnoyevitch genoemd.
Het verhaal herinnert aan de horens van geiten en de lichamen van geiten, die op het altaar prijken, gewijd aan den Illyrischen God Bind, bij een fontein in de provincie Yapod.
Het is een feit, dat Russische en Poolsche Slaven gewoon waren menschenoffers te brengen. Wat de zuidelijke Slaven betreft, worden zulke offers alleen genoemd in den cyclus van mythen, die de geschiedenis behelzen van zekere gebouwen, waarin men bij het begin van den bouw een levend mensch begroef of inmetselde, omdat het bijgeloof wilde dat ze anders nooit geheel voltooid zouden worden. Zulk een legende leeft onder de Serviërs en Montenegrijnen voort met betrekking tot het bouwen van de vesting Skadar (Scutari) en de brug nabij Vishegrad; bij de Bulgaren met betrekking tot het bouwen van het fort Lidga-Hyssar bij Plovdiv en de Kadi-Köpri (Turksch voor “de brug van den rechter”) over de rivier Stroema; en nog onder de moderne Grieken in hun geschiedenis van de brug over de rivier Arta en bij de Roemeniërs van de kerk “Curtea de Ardyesh”. Het is zeer waarschijnlijk, dat zekere raadselachtige bas-reliefs, die ovale menschelijke gezichten voorstellen, alleen met oogen, neus en mond, welke gevonden zijn onder de cementen muren van oude gebouwen, eenig verband houden met genoemde wijze van offeren. Er zijn drie zulke hoofden in het fort van Prins Dyouragy Brankovitch te Smederevo (Semendria) niet ver van Belgrado aan de binnenzijde van den middelsten slottoren aan de Donauzijde, en twee andere tegen den buitenmuur van het klooster Rila vlak bij de Doupitchka Kapiya.
Gedurende het beleg van Constantinopel in het jaar 626 verbrandden de Serviërs hun dooden. De Russen deden hetzelfde gedurende de veldslagen bij Silistria, 971. In later tijd [32]werden in alle deelen van Rusland begrafenisdiensten gehouden, waarna de overblijfselen der dooden werden begraven.
De Slaven van Noord-Rusland waren gewoon de asch van den doode in een of ander klein vaatwerk te bewaren, dat zij dan op een pilaar aan den openbaren weg plaatsten; die gewoonte bleef zelfs in de twaalfde eeuw bestaan bij de Vyatitchs van zuidelijk Rusland. Deze begrafenisgebruiken zijn het langst bewaard gebleven bij de Litthauwers; de laatste heidensche begrafenis, welke vermeld wordt, is die van Keystut, den broeder van groothertog Olgerd, in het jaar 1382. Hij werd verbrand met zijn paarden, wapenen, valken en honden.
Er bestaan nog rechtopstaande steenen, zware steenen platen, of vierkante blokken, zelfs kolommen, die in de Middeleeuwen kami werden genoemd, of bileg, en nu stetjak of mramor. Zulke steenen worden in grooten getale vlak bij elkaar gevonden; er zijn er bijvoorbeeld meer dan 6000 in de provincie Vlassenitza en 22,000 in geheel Herzegowina; eenige worden ook in Dalmatië aangetroffen, bijvoorbeeld in Kanovli en in Montenegro te Nikshitch; in Servië worden ze echter alleen in Prodigne gevonden. Deze steenen zijn gewoonlijk versierd met primitieve nabootsingen van het werk van Romeinsche beeldhouwers; bogen op kolommen, plant- en boommotieven, zwaarden en schilden, de figuren van krijgslieden, die bogen dragen, ruiters, herten, beren, wilde zwijnen en valken; er zijn ook tafereelen van mannen en vrouwen, die samen dansen en spelen doen.
Het symbool van het kruis duidt er op, dat het Christendom zijn intrede gedaan heeft. Inscripties verschijnen pas na de elfde eeuw. Veel grafsteenen hebben klaarblijkelijk hun oorsprong in de Middeleeuwen. Eenige graftomben, die ver van de dorpen zijn gelegen, worden in de kronieken genoemd bij het aanduiden der grenzen van grondgebieden, bijvoorbeeld Bolestino Groblye (het kerkhof van Bolestino), bij Ipek en Druzetin Grob (de graftombe van Druzet). In Konavla bij Ragusa was er in het jaar 1420 een punt, waar belangrijke wegen elkaar kruisten, bekend onder den naam [33]van “Obugonov Grob.” Zelfs in onze dagen is er daar een grafsteen zonder inscriptie genaamd “Obugagn Greb.” Het is het graf van den landvoogd Obuganitch, een afstammeling van de familie van Lyoubibratitch, beroemd in de veertiende eeuw.
Toen het heidendom verdwenen was, gingen in de Zuid-Slavische legenden vele elementen uit die der Grieken en Romeinen over. Er zijn zoowel verwijzingen naar de keizers Trajanus en Diocletianus, als naar mythische personen. In de Balkan-staten wordt Trajanus vaak verward met den Griekschen koning Midas. In het jaar 1433 hoorde de chevalier Bertrandon de la Broquière van de Grieken te Trajanopel, dat deze stad gebouwd was door keizer Trajanus, en dat deze boks-ooren had. De historicus Tzetzes noemt ook de boks-ooren van dien keizer (ῶ τὶα τράυου). In Servische legenden schijnt keizer Trajanus ook verward te zijn met Daedalus, want hij wordt met oorlogs-vleugels aan zijn ooren voorgesteld.
Aan den cyclus van Middeleeuwsche mythen danken wij ook het geloof aan de djins (reuzen), die in holen woonden, en die bekend zijn onder den Turkschen naam div—wat oorspronkelijk een Perzisch woord is. Het merkwaardige van hen was, dat zij maar een oog hadden—zij zouden een varieteit van de cyclopen genoemd kunnen worden—en in de Bulgaarsche, Croatische en Sloveensche mythologie worden zij ook genoemd. Aan de oevers van de rivier Moratcha, in Montenegro, bevindt zich een weide, Psoglavlya Livada genoemd, met een spelonk, waarin, naar gezegd wordt, nog in historische tijden zulke schepsels hebben gewoond.
Toen de heidensche Slaven de Romeinsche provinciën bewoonden, was het Christendom beperkt tot de Byzantijnsche provincie. In Dalmatië werd na den val van Salona de zetel van het aartsbisdom overgebracht naar Spalato (Splyet), maar in de pauselijke bullen van de negende eeuw bleef het steeds [34]genoemd Salonitana ecclesia en het eischte voor zich de jurisdictie op over al de landen tot aan de Donau.
Volgens Constantijn Porphyrogenetus namen de Serviërs in twee verschillende tijdperken het Christendom aan, eerst gedurende de regeering van keizer Heraclius, die den paus verzocht had een aantal priesters te zenden, om deze lieden tot het christendom te bekeeren. Het is echter zeer goed bekend, dat de Slaven in Dalmatië, zelfs gedurende de regeering van paus Johan IV (640–642) heidenen bleven; zonder twijfel verbreidde het christendom zich langzamerhand van de Romeinsche steden van Dalmatië over de verschillende Slavische provincies. De Croaten behoorden reeds tot de Romeinsche kerk, toen haar priesters de Serviërs tot het christendom bekeerden, wat geschiedde tusschen de jaren 642 en 731, dat is na den dood van paus Johan IV en voor dat Leo de Isauriër zijn betrekkingen met Rome had verbroken.
De tweede bekeering van de Zuidelijke Slaven, die nog heidenen waren gebleven, geschiedde omstreeks 879 door keizer Basilius I.
In het begin drong het christelijk geloof slechts oppervlakkig door, omdat de menschen de Latijnsche gebeden niet begrepen, noch de geestelijke boeken. Het schoot veel vaster en sneller wortel, toen de oude Slavische taal werd gebruikt in de kerkdiensten.
Tengevolge van de verschillen, die zich voordeden, over beelden en den vorm, die hun eeredienst zou aannemen, verminderde de geestdrift voor de bekeering der heidenen door de Latijnsche kerk aanmerkelijk. In de Byzantijnsche provincies was het echter niet noodig bijzondere pogingen in het werk te stellen om de bevolking te kerstenen, want deze Slaven kwamen in voortdurend contact met de Grieksche Christenen, wier geloof zij zonder dwang overnamen.
Door de Slavische benaming van plaatsen, die in zekere, officieele lijsten voorkomen, kan men zien, dat door de Grieksche kerk nieuwe bisdommen gevestigd werden, uitsluitend voor de Slaven. De bisschoppen leidden hun diensten in het [35]Grieksch, maar de priesters en monniken, die geboren Slaven waren, predikten en leerden het volk in zijn eigen taal. Aldus bereidden zij den grond voor de groote Slavische apostelen.
De Slavische apostelen van Salonica, Cyrillos en zijn oudere broeder Methodius, waren zeer geleerde mannen en wijsgeeren. De voornaamste van de twee Cyrillos was priester en bibliothecaris van het patriarchaat, daarbij was hij professor in de philosofie aan de Universiteit van het Keizerlijk Paleis te Constantinopel en hij was zeer geëerd om zijn geleerdheid in geestelijke dingen. Hun groote werk begon in 862 met de zending naar keizer Michael III, waarmede de Moravische vorsten Ratislav en Svetopluk hen belastten.
De Moraviërs waren reeds tot het Christendom bekeerd, maar zij verlangden leeraars in hun midden te hebben, die bekend waren met de Slavische taal. Voordat de broeders zich op reis begaven, stelde Cyrillos het Slavische alphabet samen en vertaalde het Evangelie.
Zoo werden deze Heilige Boeken voor de Serviërs geschreven in een taal, waarmede zij bekend waren en de leerstellingen van den grooten Meester verdreven langzaam maar gestadig den ouden primitieven godsdienst, die den vorm van zuiver naturalisme had aangenomen. De aanbidding der natuur verdween echter niet geheel en heeft zich zelfs tot op onze dagen in het volksgeloof op het Balkanschiereiland gehandhaafd. In de folklore van deze volken vinden we een aantal trekken van het godsdienstig leven en het bijgeloof, afkomstig uit voor-christelijke tijden, want na een worsteling van vele jaren hadden de heidensche plechtigheden nog slechts ten deele de plaats moeten ruimen voor de kerkelijke ceremoniën van de Latijnsche en later van de Grieksch-Christelijke Kerk, waartoe thans alle Serviërs, de bewoners van Montenegro, Macedonië en een gedeelte van Bosnië behooren.
De fundamenten van het christelijk geloof werden allesbehalve stevig gelegd op het Balkanschiereiland, tengevolge [36]van het ontbreken van ontwikkelde priesters en het feit, dat de mensch nu eenmaal gehecht is aan het oude overgeleverde geloof. Hierin moet waarschijnlijk de verklaring gezocht worden voor het verschijnsel, dat de christelijke godsdienst hen nooit in het hart gegrepen heeft. Zelfs in onzen tijd is het bijgeloof vaak nog sterker dan de godsdienst en verdringt dien soms geheel. Het geheele dagelijksch leven van den zuidelijken Slaaf is doorweven van allerhande bijgeloof. Zijn bijgeloof hecht een bepaalde beteekenis aan ’t geen gebeurt, als hij ’s morgens opstaat; vooral aan ’t geen hij het eerst ziet; hij is er bijvoorbeeld zeker van een ongelukkigen dag te zullen hebben, als zijn eerste ontmoeting die met een monnik is, als hij een huis bouwt, dan moet eerst een “gelukkige plek” gevonden worden voor het fundament. ’s Nachts wil zijn bijgeloof, dat hij op een bepaalde manier ligt; hij geeft er nauwlettend acht op, of de hanen tijdig kraaien en of de honden veel blaffen en hoe ze blaffen. Hij hecht groote waarde aan het oogenblik, waarop de donder het eerst wordt gehoord, aan de soort regen die er valt, aan de wijze, waarop de sterren schijnen—of in het geheel niet schijnen, en met groote bezorgdheid neemt hij een stralenkrans om de maan waar en het schijnen van de zon door een wolk.
Al deze dingen zijn voorteekenen en maken indruk op zijn bijgeloovig gemoed. Grooten invloed hebben zij op zijn handelingen. Als hij bij voorbeeld van plan is aan een jachtpartij deel te nemen, dan tracht hij uit die voorteekenen te voorspellen, of er wild zal zijn of niet; hij gelooft, dat hij zeker wat zal schieten, als zijn vrouw of zuster (of eenig ander hem goed gezind persoon) over zijn geweer springt, voordat hij zijn honden roept. Vooral in het landbouwbedrijf neemt het bijgeloof een groote plaats in. Voor enkele bijgeloovigheden is het mogelijk zeer goede verklaringen te geven; voor andere echter is het vergeefs zoeken naar een redelijken grond. Ondanks dat worden alle voorschriften en waarschuwingen, die met het bijgeloof samenhangen, algemeen in acht genomen, omdat het volk met de moedermelk inzuigt: “het is goed zoo te doen” [37]of uitgaat van de stelling: “onze voorouders deden altijd zoo en waren gelukkig, waarom zouden wij niet evenzoo doen?”
Het gedijen van vruchtboomen en het rijpen van de vrucht wordt bevorderd door toovermiddelen. Een groot aantal feesten wordt georganiseerd, om zich een vruchtbaar jaar te verzekeren of om overstroomingen, hagelslag, droogte, vorst en andere onheilen te voorkomen. Het grootste aantal bijgeloovigheden heeft betrekking op het dagelijksch leven, vooral op geboorte, huwelijk en dood. Toovermiddelen worden gebruikt om een toekomstigen bruigom of bruid te ontdekken, een jonge man verliefd te doen worden op een meisje of omgekeerd; ook wel, als dat gewenscht lijkt, hun wederkeerigen haat op te wekken.
Tot toovermiddelen neemt men zijn toevlucht om de wenschen, die de bruid koestert omtrent de kinderen, die zij hoopt te krijgen, vervuld te zien. Men tracht hun aantal en geslacht te bepalen, hun gezondheid te voren vast te stellen en de omstandigheden zoo te regelen, dat ze een gunstigen invloed op de geboorte hebben. Men gelooft, dat de dood slechts kan komen, als de aartsengel Michael een ziel uit een lichaam verwijdert en dat kan slechts op den vastgestelden dag gebeuren.
De voornaamste nationale gewoonten van de Zuidelijke Slaven gaan gepaard met een menigte bijgeloovigheden. Daar de Serviërs het sterkst in aantal zijn onder de Balkanslaven zullen wij eenige van hun gewoonten nader beschouwen, om aan te toonen, hoe weinig van den waren christelijken geest te vinden is in sommige van hun godsdienstige plechtigheden.
Als een kind in een Servische familie geboren wordt, dan wenschen de vrienden den ouders geluk met de woorden: “het zij u gegeven te leven, tot ge de groene kransen moogt zien!” hetgeen wil zeggen: leven tot hun kind getrouwd is. De huwelijken worden het meest in het najaar gesloten, in het bijzonder tegen Kerstmis, zeldzamer in den zomer. Indien ouders van plan zijn een bruigom voor hun dochter of een bruid voor [38]hun zoon te zoeken, dan nemen ze de geschiedenis gewoonlijk een heel jaar lang in overweging. Hun zoon of dochter vergezelt hen naar verschillende bijeenkomsten, om daar iemand te ontmoeten, die geschikt is de echtgenoot van hun dochter te worden of de vrouw van hun zoon. Indien een dochter is ingelicht omtrent de beslissing harer ouders, moet zij zich haasten met haar voorbereidselen: zij moet zorgen, dat de bochtchaluks9 (huwelijksgeschenken), die zij moet uitdeelen onder de bruiloftsgasten (svati of svatovi) spoedig gereed zijn. Deze geschenken zijn meestal artikelen, die zij eigenhandig maakt, zooals sokken, kousen, hemden, handdoeken en reisdekens. Gewoonlijk wordt het huis schoon gemaakt en misschien vergroot voor het huwelijk. Als alle toebereidselen zijn getroffen, dan mag het gerucht van haar aanstaand huwelijk zich door het dorp verspreiden. Daar de huwelijken gewoonlijk door de ouders worden vastgesteld, komen verbintenissen uit liefde helaas zelden voor. Schaken wordt beschouwd als iets phenomenaals. Er zijn echter gevallen, waarin de jongelieden zich niet voegen naar den wil hunner ouders met betrekking tot het huwelijk. Indien een meisje verliefd is geworden op een jongen man, kan zij haar toevlucht nemen behalve tot de gewone middelen en methoden, tot beroepstoovenaressen. Listen, die door deze helpsters in de liefde wel worden aanbevolen, zijn bijv.: Het meisje kijkt door den bek van een gebraden speenvarken (dat gedood is voor het Kerstfeest) naar haar geliefde, waardoor hij beslist krankzinnig verliefd op haar wordt. Het voorwerp harer liefde zal van minnesmart om haar sterven, als zij naar hem kijkt door een gat in een kers of een andere vrucht; zij is er even zeker van zijn genegenheid te verwerven, indien zij er in slaagt de aarde om te keeren onder een afdruksel van zijn rechtervoet. Deze en veel dergelijke toovermiddelen worden gewoonlijk toegepast op of omstreeks St. George’s dag (23ste April O.S.)
Ook jonge mannen nemen hun toevlucht tot tooverij, indien [39]zij de liefde willen opwekken van het een of andere ongevoelige meisje. Indien bijvoorbeeld de jonge man zich op een Vrijdagnacht, klokke twaalf naar het erf begeeft bij de woning van de jonkvrouwe van zijn hart en daar een boom drie maal schudt en even zooveel keeren haar voornaam noemt, zal zij zeker aan zijn verlangen gehoor geven en zijn liefde beantwoorden. Een even onfeilbaar middel is een bepaalde visch te vangen en die bij zijn hart te laten sterven; daarna het vleesch te braden, totdat het geheel verkoold is, de overblijfselen tot poeder te stampen en dit stilletjes in water of een anderen drank te doen.—Indien het meisje overgehaald kan worden het te proeven, kan zij er niet meer aan ontkomen hem lief te hebben. Deze hulpmiddelen herinneren aan de bekende handeling van den Franschen troubadour Pierre Vidal, om de liefde van zijn schoone patrones Donna Azalais de Baux te winnen. ’t Was een recept, dat succes in de liefde beloofde, afkomstig van iemand, die het van een Arabisch monument ontcijferd had. De dichter kreeg het van Huges de Baux, een boosaardige, jeugdige ridder, de schoonbroer van de schoone Donna Azalais. De lichtgeloovige Vidal moest op zekeren maannacht op een varken drie keer rondom het kasteel van zijn geliefde rijden. Natuurlijk wist hij niet, dat zijn snaaksche vriend al de bewoners op het terras had gebracht om deze belachelijke vertooning gade te slaan.
Als de ouders zich een bruid voor hun zoon hebben uitgekozen, sturen zij iemand met volkomen volmacht (navodagjya) naar haar ouders, om te vragen of zij al dan niet hun toestemming tot een huwelijk van hun dochter met den jongeman willen geven. Daar huwelijken zelden worden gesloten zonder de hulp van deze gevolmachtigden, zijn er een aantal personen, wier eenig ambt het is over huwelijken te onderhandelen. Zij ontvangen een som geld, indien hun diensten met succes worden bekroond. Naast geldelijke belooning ontvangt de navodagyja van de toekomstige bruid op zijn minst [40]een paar sokken. Indien de vader van het meisje het voorstel niet aanvaardt, geeft hij gewoonlijk geen beslist afwijzend antwoord, maar verschuilt hij zich achter het een of ander voorwendsel; hij zegt bijvoorbeeld, dat zijn dochter nog te jong is, of dat zij niet geheel gereed is met de voorbereidselen voor haar huwelijk. Maar als de jongeman genade in zijn oogen vindt, en de vader bereid is zijn toestemming te geven, dan antwoordt hij gewoonlijk, dat hij zijn dochter graag getrouwd zou zien met zulk een uitnemend man, tenminste als het paar elkaar liefheeft. Dan wordt een samenkomst voorbereid, ofschoon dit in werkelijkheid slechts een kwestie van vorm is, daar de eindbeslissing in handen van de ouders zelf ligt, zonder dat de gevoelens van den aanstaanden man en de vrouw daarbij veel gewicht in de schaal leggen. De ouders vragen den jongelieden, of zij elkaar mogen lijden; gewoonlijk wordt een bevestigend antwoord gegeven, waarop alle aanwezigen elkaar omhelzen. Geschenken worden gewisseld, zoowel tusschen de ouders als tusschen den aanstaanden echtgenoot en zijn bruid. Deze gebeurtenis wordt dikwijls gevierd door het afvuren van pistolen en geweren, teneinde door het geheele dorp bekend te maken, dat er huwelijksfeesten op til zijn. Spoedig na de plechtigheid, die de inleiding tot een verloving genoemd kan worden, brengen de ouders van den jongeman en enkele zeer intieme vrienden een officieel bezoek aan de woning der bruid. Het bezoek heeft gewoonlijk in den avond plaats en nadat de bruigom aan de bruid een ring heeft gegeven, beginnen de feestelijkheden, die tot den volgenden morgen duren. Eenige dagen later gaan de bruid en de bruidegom naar de kerk, door enkele vrienden vergezeld en de priester doet hun de stereotiepe vragen, waaronder deze: “Wenscht gij te trouwen uit vrijen wil?” Waarop zij om zoo te zeggen gedwongen zijn “Ja” te antwoorden.

En daar een boom driemaal schudt
Een week voor den trouwdag, brengen beide families hun huis in gereedheid om een groot aantal gasten te ontvangen, [41]die zij gedurende verscheidene dagen zeer gastvrij onthalen. Zeer kort geleden nog moest de huwelijksprocessie, indien de bruid in een verwijderd dorp woonde, soms verscheidene dagen reizen om haar te halen en daar goede wegen, waarlangs voertuigen zich konden voortbewegen, niet overal voorkwamen, was de geheele, lange stoet vaak genoodzaakt den weg te paard af te leggen. Tot de huwelijksstoet behooren de dever10 (dat wil zeggen geleider van de bruid) die haar bij de heele reeks van plechtigheden terzijde staat, in zekeren zin haar voogd; de koom (voornaamste getuige, die bij gelegenheid een soort peetvader van de kinderen wordt); en de stari-svat, die de tweede getuige bij de huwelijksplechtigheid is. Gedurende de huwelijksplechtigheden moet de koom achter den bruigom staan en de stari-svat achter de bruid. De stari-svat is ook een soort ceremoniemeester op den huwelijksdag; hij bewaart de orde onder de gasten, en presideert bij de huwelijksmaaltijden. De dever brengt ook zijn ouders mee en de koom en de stari-svat moeten ieder vergezeld zijn van een bediende om hen te assisteeren gedurende de plechtigheid. Deze twee getuigen moeten zorgen twee groote was-kaarsen bij zich te hebben, die gewoonlijk versierd zijn met zijden kant en bloemen, welke met veel andere geschenken aan de bruid worden aangeboden.
Voor de processie zich op weg begeeft, vuren de jongelieden pistolen af en zingen en dansen, terwijl de ouderen zich neerzetten en ververschingen gebruiken. De verschijning van den bruigom in zijn huwelijksgewaad, waarbij de hoed met bloemen is versierd, is het teeken, waarop een koor van meisjes de traditioneele huwelijksliederen inzet. Als de rijtuigen klaarstaan om te vertrekken, zingen zij het volgende:
Een valk vloog van het kasteel
Met een brief onder zijn vleugel
Laat den brief vallen op de knie van den vader,
Zie, vader! De brief zegt u, [42]
Dat uw zoon ver zal reizen,
Over veel stroomende rivieren,
Door veel groene wouden,
Totdat hij u een schoondochter brengt.
Het Tzigan-(Zigeuners) korps begint zijn vroolijke melodieën, de bruidegom, de vaandeldrager en andere jongelieden stijgen te paard, allen versierd met bloemen, de processie begeeft zich op weg naar het huis van de bruid. De ruiters rijden meestal twee aan twee, pistolen afschietend en zingende. De processie wordt steeds geleid door een vroolijken jongeling, die een tchoutoura meevoert, (een plat houten vat) dat rooden wijn bevat. Het is zijn taak ieder, die het huwelijksgezelschap op weg mocht ontmoeten, een dronk aan te bieden en hij heeft het privilege gedurende het huwelijksfeest ten koste van iedereen grappen en geestigheden ten beste te geven. Voor dien dag geniet hij de vrijheden van een hofnar en niemand mag zijn geestige zetten kwalijk nemen, hoe ruw en onkiesch die soms ook zijn.
Eenige schreden achter de tchoutouradrager rijdt de voïvode (generaal of leider), wiens taak het is den eerste bij te staan in zijn geestige uitvallen en den vaandeldrager, die de nationale vlag draagt; achter hen, in een rijkelijk met bloemen versierd voertuig, rijden de bruidsmeisjes, die gekozen worden uit de familiebetrekkingen van den bruigom. Met andere geschenken dragen de meisjes het trouwgewaad en de bloemen, die de vader van den bruigom voor zijn aanstaande schoondochter heeft gekocht. Onmiddellijk achter de bruidsmeisjes rijdt de bruigom tusschen den koom en den stari-svat. Daarna komen andere bloedverwanten en gasten, twee aan twee in optocht. Soms leveren deze huwelijksprocessies een zeer indrukwekkenden aanblik.
Indien de huwelijksstoet het huis van de bruid nadert, wordt haar komst aangekondigd door het afvuren van pistolen en geweren, waarop een aantal meisjes verschijnt, die verschillende liederen zingen, waarin het verdriet wordt uitgedrukt [43]over het vertrek der bruid uit het ouderlijk huis. In enkele deelen van Servië is nog een vreemd, oud gebruik overgebleven; de vader van de bruid verlangt, dat aan enkele voorwaarden wordt voldaan, eer hij bereid is de poorten van het binnenplein voor den stoet te openen. Hij stuurt bijvoorbeeld een goed worstelaar, die de mannen uit het gezelschap van den bruidegom uitdaagt. Een van de bruiloftsgasten moet hem