[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
Project Gutenberg's Maroessia, by Mrs. Mariya Oleksandrivna Vilinska
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org
Title: Maroessia
De Ukraineesche Jeanne D'Arc
Author: Mrs. Mariya Oleksandrivna Vilinska
Editor: P.J. Stahl
Illustrator: Th. Schuler
Translator: A.C. Slop
Release Date: May 16, 2006 [EBook #18406]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK MAROESSIA ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
[Inhoud]


[Inhoud]

“Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje.” Blz. 51.
[Inhoud]

Ik zal u eens iets vertellen, dat heel lang geleden in de Ukraine is voorgevallen, en wel in een vergeten, maar frisschen en bekoorlijken hoek van deze landstreek.
Ik houd veel van die streken, waarover men weinig spreekt, die de vreemdeling niet bezoekt, die men aan zich zelf overlaat, die haar schuilplaatsen en haar geheimen, haar groote smarten en haar eenvoudige genoegens voor zich houden. De geschiedenis van die streken is meestal niet bekend. Men ontmoet er, wat men nergens anders vindt: zaken en menschen zijn er nieuw. Die landen hebben,—zonder het aan iemand te zeggen,—soms ook hun helden, waarachtige helden.
Ik houd ook veel van helden,—vooral als zij er zich niet op beroemen, dat zij ’t zijn,—als zij eerlijk en oprecht zijn, als zij groote dingen doen, zonder luidkeels te roepen: “Kijk [2]eens aan! dat heb ik nu gedaan! Onthoudt mij mijn belooning daarvoor niet!” maar alleen omdat zij niet anders zouden kunnen dan heldhaftig te zijn.
Welnu, in dat afgelegen hoekje van de Ukraine stond vroeger een huis, dat precies gebouwd was als andere buitenhuizen; en dit huis werd bewoond door een kozak, Danilo Tsjabane, en zijn gezin.
Men verwarre de kozakken uit de Ukraine niet met die van den Don, met die mannen met hun zware baarden, hun woeste oogen, hun ruwe taal en hun onbeschofte manieren; zij lijken daar heelemaal niet op.
De bewoners van de Ukraine laten hun baard pas groeien, als zij vijftig jaar zijn. Daaruit volgt, dat men in dit land alleen maar grijze baarden of geen baarden ziet. De jongeren hebben snorren, evenals de Polen. De bewoners van de Ukraine zijn groot, stevig en forsch gebouwd. Zij hebben voor ’t grootste deel regelmatige gezichtstrekken, keurig gepenseelde wenkbrauwen, groote oogen, en een kalme, edele, eenigszins strenge gelaatsuitdrukking, die wel eens somber schijnt.
In den tijd, toen de Ukraine een republiek was, zag zij zich gedurende verscheidene jaren tusschen twee vuren geplaatst: Rusland en Polen. Men zou zelfs kunnen zeggen; “tusschen vier vuren,” als men de Turken en de Tartaren meetelde. Eindelijk had deze republiek, omdat zij het met de Polen niet eens kon worden, de “broederlijke” voorstellen van Rusland aangenomen.
“Wij zijn te zwak om met onze naburen te blijven vechten. Wij hebben den oorlog tot dusverre met roem gevoerd; maar wij zullen tenslotte toch moeten verliezen. Rusland stelt ons een verbond voor. Laat ons dit aannemen.”
Zoo dacht en sprak het oude opperhoofd Bogdan Kmielnitski, en het volk had zijn raad opgevolgd.
In het eerst ging alles goed. Vrijheid, gelijkheid, broederschap: de Russen eerbiedigden dat alles; maar langzamerhand [3]kwam er verandering in den staat van zaken.

Danilo Tsjabane en zijn gezin. Blz. 2.
Na verloop van nog geen jaar had het volk genoeg redenen [4]om tegen zijn opperhoofd Bogdan te zeggen: “Wat hebben wij gedaan?”
Toen de oude Bogdan dit hoorde, huilde hij, naar men zegt, voor het eerst van zijn leven.
“Laat ons een poging doen om het gedane te herstellen,” zei hij; maar hij slaagde er niet in en stierf van verdriet.
Na zijn dood had de Ukraine veel beproevingen te doorstaan. Zij werd in twee partijen verdeeld: de eene was nog altijd voor Rusland, de andere hield het met Polen.
Maar er was ook een derde partij ontstaan. Deze was voor de volstrekte onafhankelijkheid van de Ukraine. Ongelukkig was die partij niet talrijk. Op het tijdstip dat de zaken zoo staan begint ons verhaal.
De kozak Danilo Tsjabane dan, bewoonde met zijn gezin een huis op het platteland.
Danilo had dit huisje geërfd: zijn vader, die het van zijn vader gekregen had, die het ook weer van den zijnen had gekregen, had het hem bij zijn overlijden nagelaten. Ik weet niet, hoevele geslachten van de Tsjabanes daarin wel gewoond hadden.
Het huis was, daar het tusschen een onafzienbare steppe en een uitgestrekt bosch, tusschen een diepe rivier en een grasrijke weide, tusschen een hoogen berg en een frissche vallei stond, prachtig gelegen en mooi gebouwd.
In het noorden strekte zich een eindelooze steppe uit. Men zou gezegd hebben, dat het een oceaan van groen was, met bloemen bezaaid. In het zuiden verhieven zich de bergen, nu eens met boomen begroeid en groen gekleurd, dan weer kaal en steenachtig. De vallei, waarin geen rijwegen en zelfs geen voetpaden te zien waren, strekte zich aan den oostkant uit. De rivier, waarvan het water eene blauwachtige tint had, besproeide de weide.
En bij dat alles, hadden de bewoners van het huisje, om hun geluk volmaakt te voelen in hun nabijheid goede buren en trouwe vrienden. [5]
Op feestdagen ontving het gezin van Danilo Tsjabane verscheidene bezoekers. Nu eens was Semene Vorosjilo de eerste, die kwam, dan weer Andry Kroek, of ook hoorde men reeds in de verte de heldere en welluidende stem van Hanna, die zoo hartelijk kon lachen, of zag men het kleine schuitje van Wassiel Grime aanleggen. En na deze kwamen er nog vijf, soms wel tien anderen, mannen en vrouwen, jongens en meisjes, ook wel kinderen en zelfs grijsaards; want iedereen was er op gesteld, Danilo te bezoeken.
Op het oogenblik waarop ons verhaal begint heerschte er, zooals we reeds gezegd hebben, overal in de Ukraine groote verwarring.
Het land, aan den eenen kant door de Russen begeerd, aan den anderen door de Poolsche aristocratie, van beide kanten verpletterd, was in vollen opstand en betreurde zijn verloren onafhankelijkheid diep. De Ukraine was door de Russische troepen overstroomd. Het opperhoofd van de Moscovitische party werd met gunsten en geschenken van den Czaar overladen; het opperhoofd van de Poolsche partij had zich in een stad versterkt en noodigde alle vrienden der vrijheid uit, zich bij hem aan te sluiten.
Het was moeilijk partij te kiezen...
Er was een samenkomst ten huize van Danilo Tsjabane. De avond was somber, de gasten waren in gedachten verzonken. De aanvoerders zelf hadden moeite om een vroolijk gezicht te zetten. Men keek elkander meer aan, dan men met elkaar sprak. Het was duidelijk te zien, dat allen onder dezelfde zorgen gedrukt gingen.
Van tijd tot tijd richtte men enkele vragen tot Andry Kroek: “Waren de muren van Tsjigirine stevig genoeg om een aanval te weerstaan? Was er op de verdedigers wel staat te maken? Als men de laatste proclamatie van het opperhoofd nog eens voorlas? Er waren er die er niets van wisten. Had hij ook gehoord, of er zich veel vrijwilligers aanmeldden?” [6]
Andry Kroek, die blijkbaar zeer goed over al die dingen ingelicht was, antwoordde zonder eenige aarzeling. Hij beschreef de wallen, de grachten, de poorten en de schansen van Tsjigirine, als iemand, die er geweest is en dat alles meer dan eens gezien heeft, en wel nog niet zoo lang geleden.
Terwijl de mannen praatten, stonden de spinnewielen stil: de vrouwen luisterden in angstige spanning. En als de mannen zwegen en rookten, wisselden zij op fluisterenden toon een paar woorden.
“Alweer een slag bij Welika,” zeide er een.
“Hoeveel dooden?” vroeg Mogila.
“Men heeft Terny in brand gestoken; de huizen zijn niet meer dan een puinhoop, en het dorp Krinitza staat nog in brand.”
“Weet je ook,” zei een meisje, “weet je ook, of...”
Maar verder kwam ze niet; tranen kwamen in haar oogen, en moedeloos liet zij het hoofd zinken.
Een oude vrouw, met een bruinen doek om het hoofd, waaruit weelderige grijze lokken te voorschijn kwamen, met een koud en streng gezicht, waarin twee groote zwarte oogen als sterren fonkelden, zei:
“Mijn zoons zijn allen dood. Ik sta alleen op de wereld. Zij zeiden allen: ‘Wij trekken ten strijde,’ en ik keek ze aan, zeggende: ‘Goed, kinderen!’ en zij voegden er bij: ‘De Ukraine zal haar onafhankelijkheid herkrijgen!’ en ik antwoordde nogmaals: ‘Goed, kinderen!’ Alle drie zijn zij op het slagveld gebleven, en de Ukraine is nog niet vrij!”
“Ach,” zei een jonge vrouw, “men laat zich doodschieten, en men heeft nog niets gewonnen. Als men nog maar bij zich zelf kon zeggen: ‘Ik sterf, maar ik laat aan de anderen de taak over, waarnaar ik heb gestreefd.’”
De oude vrouw viel haar in de rede.
“Je hebt mij niet begrepen. Als er sprake van het vaderland is, dan onderhandelt men niet, dan zegt men niet bij zich zelf: ‘Zal ik slagen?’ maar: ‘Het is mijn plicht,’ en men gaat ten oorlog. Als men gedood wordt, heeft men een [7]gelukkigen dood; goed te sterven is een beter lot dan slecht te leven. Mijn zoons hebben zoo gehandeld. Als zij nog eens ten strijde konden trekken, zouden zij het weer zoo doen.”
“Je hebt gelijk,” zeiden verscheidene vrouwen.
Anderen zeiden niets, maar begonnen zacht te huilen. De kinderen waren ook terneergeslagen. Zij speelden niet, zij praatten of lachten niet, maar zaten, heel stil, in de hoeken van de kamer, terwijl zij naar de groote menschen keken en naar hun gesprekken luisterden.
Een klein, heel klein meisje, met blond haar, met groote, frissche fonkelende oogen en lippen, scheen de eenige, die geheel in haar eigen gedachten verdiept was. Zij nam eenige biezen in haar schort en vlocht daarvan een mooie mat.
Het werd later op den avond, en in het vertrek werd het al somberder en stiller. Iedereen bewaarde het stilzwijgen: het meisje viel in slaap met haar onvoltooide mat tusschen haar vingers.
De nacht brak aan, en de sterren fonkelden.
Eensklaps werd er op het raam geklopt.
Dit was zoo onverwacht, dat niemand zijn ooren wilde gelooven; maar men klopte nog eens, en nog eens, heel duidelijk, erg hard.
De heer des huizes stond op en ging naar de deur om open te doen. Zijn gasten en zijn vrienden staken hun pijpen op en begonnen te rooken. Weer deed zich een luid geklop op de ruiten hooren. De rookers huiverden, de kinderen keken elkander aan. Danilo deed de deur half open.
“Wie klopt daar?” vroeg hij.
Eene stem, een krachtige en mannelijke stem antwoordde, dat een verdwaalde reiziger gastvrijheid vroeg.
“Wees welkom!” zeide Danilo en hij deed de deur wijd open, terwijl hij den reiziger uitnoodigde om binnen te komen.
Men zag enkele sterren, een koude avondwind drong in de warme kamer door; vervolgens vertoonde zich op den drempel een man, die een rijzige gestalte had; hij was genoodzaakt [8]z’n hoofd te buigen, om binnen te kunnen komen.
Zijn gezicht was een van die edele, waarop de onverschilligste blikken zich met een plotseling gevoel van achting vestigen. Zijn groote gestalte was sierlijk en lenig. Zijn heele voorkomen verried kalmte en sterkte; maar het meest vielen zijn oogen op, zwarte oogen, die fel schitterden.
Danilo en zijn vrienden waren door dat alles getroffen; maar de Ukrainiërs kunnen hun gewaarwordingen voor zich zelf houden, en zij lieten er dan ook niets van blijken. Zij ontvingen den reiziger, zooals iedere reiziger in een fatsoenlijk huis moet ontvangen worden, met hartelijkheid en voorkomendheid. Men verzocht hem, bij de tafel plaats te nemen, en haastte zich, hem iets aan te bieden.
De reiziger bleek een eenvoudig en beschaafd man te zijn. Omdat hij een onbekende was en bijgevolg geen recht had om zich met de bijzondere belangen van zijn gastheer en diens vrienden te bemoeien, trachtte hij zich niet op den voorgrond te plaatsen. Hij vertelde niet, zooals anderen dit zouden gedaan hebben, zijn avonturen. Hij meende vreemdelingen geen deelgenoot te moeten maken van zijn plannen, als hij die tenminste had. Hij deed geen vragen en antwoordde slechts met weinig woorden. Als hij sprak, dan was het over onderwerpen, die op dit oogenblik allen bezighielden: over de rampen van het land, over de verbrande steden, over de verwoeste velden, die hij op zijn weg had gezien. Danilo en zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Zij vroegen zich waarschijnlijk wel af, waar hij vandaan kwam en waar hij naar toe ging, en ook in welk land hij geboren was; maar omdat hij dat niet zei, vroegen ze ’t hem niet. Men merkte wel, dat hij, ofschoon nog jong, veel wist. Hij kende de Turksche zeden, de Poolsche gewoonten, het Russische karakter, de Tartaarsche gebruiken en het scheen, dat de Setsj hem ook niet onbekend was.1 [9]

“Wees welkom!” zeide Danilo. Blz. 7.
Wat de Ukraine aangaat, het bleek wel, dat hij deze in allerlei richtingen doorkruist had, dat hij de groote steden [10]zoowel als de dorpen bezocht en er misschien wel gewoond had. Meer dan een had zich ook afgevraagd, hoe hij aan het litteeken kwam, dat hij op z’n linkerwang had, waar hij deze wond had gekregen, die zeker wel door een scherp wapen was toegebracht. Maar dat ging hem alleen aan. Ieder zijn geheimen. Intusschen werd de reiziger, zonder twijfel ingenomen met de gulle ontvangst, die hem ten deel viel, uit zich zelf mededeelzamer. Hij vertelde van de veldslagen, die er onlangs geleverd waren. Het was, alsof men er zelf bij tegenwoordig was. Iedereen luisterde met ingehouden adem naar hem. De mannen, gewoonlijk zoo kalm, raakten in vuur: de vrouwen snikten. De kinderen hingen aan zijn lippen, alsof hij een mooi sprookje vertelde.
Hij had juist een verhaal beëindigd; de stilte woog zwaar, ieder was met z’n eigen gedachten bezig. Plotseling schrikten zij op. Twee schoten klonken in den nacht, gevolgd door meerdere.
Men luisterde scherp. De schoten kwamen van den kant der steppe. Een langen tijd wachtte men of er misschien nog meer zouden volgen, maar alles was weer stil geworden.
“Zoo, wordt er in deze vreedzame streken ook al kruit verschoten?” vroeg de reiziger toen.
“Dat schieten moet van den kant van den straatweg naar Tsjigirine komen,” beweerde Andry Kroek.
“Het is van verschillende kanten gekomen,” zei Danilo hoofdschuddend.
Het was intusschen al laat geworden. De vrouwen stonden op om naar huis terug te keeren want het werd voor de kinderen tijd om naar bed te gaan.
Men zei elkaar op den drempel nog eenmaal goedendag, men wisselde een glimlach, men knikte elkander vriendelijk toe. Alles ging als gewoonlijk, en toch gevoelde ieder, dat er storm in aantocht was.
“Wel te rusten!” zeide men. “Goeden nacht!”
Toen verspreidde het heele gezelschap zich langs de donkere [11]voetpaden en verdween in de duisternis. De beide trouwe vrienden Andry Kroek en Semene Vorosjilo bleven alleen met Danilo achter. De reiziger bleef ook.

[12]
1 De Setsj is een eiland in den Dnjepr, waar de Zaporoger kozakken hun legerkamp hadden opgeslagen.
[Inhoud]

Toen allen vertrokken waren begaf de vrouw des huizes zich naar een kamer naast die, waarin de samenkomst gehouden was.
“Is er ook een middel om van hier naar Tsjigirine te komen?” vroeg de reiziger. Zijn stem was eenigszins gedaald, terwijl hij die vraag deed, zooals het onwillekeurig gaat, wanneer men voelt, dat het gevaar misschien dichter bij is, dan men wil zeggen.
“Dat zal moeilijk gaan,” antwoordde Danilo, terwijl hij ook zijn stem liet dalen.
Zijn beide vrienden zeiden niets, maar zij bliezen een paar ontzaglijke rookwolken uit hun pijpen en fronsten hun zware wenkbrauwen.
Dit drukte zonder woorden, maar toch heel juist uit, dat zij het volkomen met Danilo eens waren. De oogen van [13]den reiziger vestigden zich een oogenblik op het onbeweeglijke gezicht van Danilo, vervolgens op de niet minder onbeweeglijke gezichten van zijn vrienden. Een enkele blik van zijn doordringende oogen was voldoende om hun het bewijs te leveren, dat hij gewoon was, het gevaar te verachten, en dat hij de behendigheid had om desnoods de slagen af te weren, die men hem toebracht.
“En toch moet ik er naar toe,” zeide hij na eenige oogenblikken, “en wel regelrecht en langs den korsten weg.”
“Regelrecht naar Tsjigirine?” antwoordde Andry Kroek. “Op dit oogenblik bestaat daar geen kans op.”
“Is het nog ver?” vroeg de reiziger.
“De lengte van den weg doet er voor hem, die goede beenen heeft, weinig toe, als de weg maar goed is,” zeide Semene Vorosjilo, “maar al was deze ook nog zoo kort, wat doet dat er toe, als hij toch onbegaanbaar is?”
Bij het uitspreken van deze woorden sloeg Semene Vorosjilo een blik op den reiziger.
“Het staat niet altijd aan ons, reizigers,” antwoordde de onbekende, “den aangenaamsten weg te kiezen. Bij gebrek van een goeden, moeten wij ons met een slechteren tevreden stellen; maar als er eenmaal bepaald is, dat men ergens zal komen, is er geen terugkrabbelen mogelijk. Maar hij die zich een veiligen gids of een trouwen reisgenoot weet te verschaffen, is goed af! Ik wil het niet voor u verbergen; het is mij meer dan eens gebeurd dat ik, op het oogenblik, waarop ik er het minst aan dacht, maar er het meest behoefte aan had, een trouwen kameraad gevonden heb.”
Bij deze woorden van den vreemdeling richtten Danilo en zijn beide vrienden het hoofd op.
“Wat U zegt is waar,” antwoordde Danilo; “een dappere metgezel, op wien men staat kan maken, is goud waard.”
“Het ontbreekt in de Ukraine niet aan vastberaden mannen,” zei Andry Kroek. “In dit opzicht kan ik zeggen, dat geen land ons vaderland overtreft.” [14]
“Goed geantwoord, Kroek!” zeide Danilo. “De Polen kunnen er zich op beroemen, dat zij onverschrokken heeren hebben, de Turken schitterende sultans, de Moscoviten slimme en knappe mannen; wat ons betreft, wij kunnen één ding verklaren, dat tegen al het andere opweegt, en wel dat wij broeders zijn.”
“Op eenige uitzonderingen na heeft u gelijk,” antwoordde de reiziger.
“Op de beste velden vindt men wel een enkel onkruidje,” liet Danilo hierop terstond volgen. “Is de tarwe daarom minder goed?”
“Nee, zeker niet,” zeide Vorosjilo. “Maar ... er is iets, dat niet mag worden voorbijgezien.”
“En dat is?” vroeg de reiziger.
“Dat men niet altijd de tarwe van het onkruid kan onderscheiden. Wie een zwarte kap draagt, is niet altijd een monnik.”
“Een goede herder herkent zijn schapen, zelfs onder een wolfshuid!” antwoordde de vreemdeling.
Er heerschte een diep stilzwijgen; men keek elkander nog eenmaal aan; woorden waren overbodig.
“Broeders,!” zei plotseling de reiziger, “de inwoners van de Setsj bieden u achting en vriendschap aan. Ik ben hun afgezant. Ik ga naar Tsjigirine.”
“Wij zijn tot uw orders; wij zijn uw vrienden,” zeiden de drie Ukrainiërs als uit één mond.
“Wat hebben jullie mij te vertellen? Wat weten jullie? Wat valt er hier voor?” vroeg de afgezant van de Setsj.
“Niets goeds,” antwoordde Danilo. “De een heeft een verbond van vriendschap met de Moscoviten gesloten; de ander is misschien op dit oogenblik met de Polen in onderhandeling, nadat hij de Turken vruchteloos uitgenoodigd heeft, hem te hulp te komen.”
“Ja, het is maar al te waar!” zuchtten de vrienden van Danilo en hun manlijke gezichten drukten diepe smart uit.
“Dat is voor mij een reden te meer om naar Tsjigirine te [15]gaan,” antwoordde de afgezant van de Setsj, “en liefst zonder tijd te verliezen.”
“Alle wegen zijn afgesneden,” antwoordde Vorosjilo.
“En de weg naar Gonna?”
“Door de Moscoviten bezet en in staat van verdediging gebracht.”
De afgezant begon na te denken, niet over de bezwaren, maar over het middel om zijn doel te bereiken.
“Wij, kozakken van de Setsj,” zeide hij eindelijk, “wij zijn noch voor de Moscoviten, noch voor de Polen. Wij zijn voor de Ukrainiërs. Jullie begrijpen dus wel, dat ik naar Tsjigirine mòet. Van jullie beide opperhoofden heeft de een zich verkocht, naar men zegt ... maar de ander?”
“De ander, de hetman Petro Dorosjenko,” zeide Kroek, “is een eerlijk man.”
“Dat weet ik,” zei de afgezant. “Maar omdat hij trotsch, hartstochtelijk en te overijld is, vrees ik, dat hij, terwijl hij de Ukraine wil redden, haar in het verderf stort. In zijn verbittering tegen de Russen vergeet hij, dat wij nog andere vijanden hebben. Hij is op het punt om een dwaasheid te begaan en van den regen in den drup te komen. Ik ben uitgestuurd om hem dit te beletten;—maar om daarin te slagen, moet ik hem zien en spreken. Als ik draalde...”
Hier zweeg de afgezant en keek om zich heen. De vrouw des huizes was nog afwezig, twee kleine jongens sliepen rustig op een breede bank. Hij was op het punt om weer met spreken voort te gaan, toen hij eensklaps achter in het vertrek twee fonkelende oogen op zich gevestigd zag, die zijn woorden schenen te verslinden. Hij wilde opstaan en er naar toe gaan, toen hij tot zijn verwondering bemerkte, dat die twee fonkelende oogen toebehoorden aan een eenvoudig en bevallig kind, dat, in een donkeren hoek der kamer verscholen, hem als een betooverde vogel aankeek.
Danilo had den blik van den afgezant gevolgd en ontdekte het meisje dat zijn aandacht getrokken had. [16]
“Het is mijn dochter,” zeide hij, “mijn dapper kind.” Hij riep haar “Maroessia, kom eens hier!”
Maroessia kwam.
Het was een echt Ukrainisch meisje met zware oogleden en met wangen, die door de zon gebruind waren, een echt type van haar ras. Zij droeg naar de wijze des lands een geborduurd hemd, een donkerblauwe jurk en een rooden gordel; hare prachtige blonde lokken hingen in zware vlechten neer, en, ofschoon gevlochten, golfden zij toch nog en schitterden als zijde.
“Maroessia!” zei haar vader, “heb je ons gesprek afgeluisterd?”
“Ik wilde het niet afluisteren,” antwoordde Maroessia. “Maar onwillekeurig drongen de woorden tot mijn ooren door, en toen begon ik scherper te luisteren.”
“En wat heb je dan gehoord, mijn kind?”
“Ik heb alles gehoord.”
Hare stem klonk welluidend.
“Vertel me dan eens, wat je gehoord hebt, m’n kind.”
De fonkelende oogen van Maroessia wendden zich naar den afgezant van de Setsj, toen zij zei:
“Ik heb begrepen, dat het noodig was, dat de groote vriend van dezen avond erg gauw in Tsjigirine kwam, en dat het voor het welzijn van de Ukraine noodig was, dat hij den hetman kon zien en spreken.”
“Dan heb je alles gehoord en begrepen,” zeide Danilo. “Maar luister eens, Maroessia! Van wat je gehoord hebt, mag je tegen niemand een woord zeggen. Als iemand je er naar vraagt, dan weet je niets. Begrijp je, wat een geheim is?”
“Dat is iets, dat je nooit verraden mag,” zei het kind.
“Welnu,” zei de vader op een ernstigen toon, “je bent nu in het bezit van een geheim.”
“Ja, vader!” zei Maroessia.
Danilo sprak er niet meer over. Maroessia behoefde niets te beloven, maar er lag in die twee woorden: “Ja, vader!” [17]door het meisje gesproken, op dien toon al een belofte.

“Begrijp je, wat een geheim is?” Blz. 16.
“Waar is je moeder?” vroeg Danilo. [18]
“Zij maakt het avondeten klaar.”
“Ga haar zeggen, dat je broertjes in slaap gevallen zijn.”
Maroessia ging naar de deur, maar op het oogenblik, waarop zij deze zou opendoen, bleef zij plotseling staan luisteren naar een zonderling gedruisch, dat zich buiten deed hooren. Men zou gezegd hebben, dat het ruiters waren, die in de richting van het huis kwamen aanrijden. Plotseling nam dit gedruisch toe; kreten en vloeken vermengden zich al met het gehinnik der paarden. In een oogenblik was het een rumoer, alsof er een heele afdeeling kwam aanstormen.
De deur van de kamer werd opengedaan. De vrouw des huizes vertoonde zich op den drempel; ze zag zoo wit als een doek.
“Het zijn soldaten,” zeide zij, “een escadron, misschien wel een regiment. Zij zijn er al...
“Wij moeten ons kalm houden,” zei Danilo vastberaden.
De afgezant van de Setsj was opgestaan, maar zonder overhaasting; de anderen deden hetzelfde. Geen enkel woord werd er gesproken, ieder dacht na.
De moeder van Maroessia onderzocht, of de deur wel goed gesloten was, en met den rug tegen den deurpost leunende, wachtte zij de bevelen van haar man af. Maroessia was naast haar moeder gaan staan. Haar lippen waren een beetje bleek, maar haar gezicht was kalm.
“Vorosjilo en Kroek,” zeide Danilo, “jullie moeten slapen. Mijn vrouw en mijn dochter zijn met naaiwerk bezig; ik ben niet thuis. Ik ben op bezoek bij een vriend. Vorosjilo en Kroek waren hier gekomen, om ossen van mij te koopen, zij hebben misschien wat te veel gedronken, zij snorken, terwijl zij op mij wachten... Het is er maar om te doen, tijd te winnen.”
Zich vervolgens tot den afgezant van de Setsj wendende, zei hij:
“Alleen het voorgedeelte van het huis is bezet; het keukenraam komt in den tuin uit. Volg mij!” [19]
Dat alles was zoo vlug in zijn werk gegaan, als een verandering van tooneel, waarvoor de toebereidselen vooraf gemaakt zijn. De beide mannen lagen even gerust op de banken te slapen, als de beide knaapjes. De vrouw des huizes en haar dochter naaiden. Danilo en de afgezant waren verdwenen.
“Stijgt af en klopt op de deur!” schreeuwde een ruwe stem van buiten.
“Slaat die deur maar in!” riep een andere stem, gebiedender dan de eerste.
De vrouw des huizes ging, zonder haar naaiwerk neer te leggen, naar het raam toe.
“Wie is daar? Wat wilt u?” zei ze met een stem, waarin geen enkele trilling te hooren was.
Maar in plaats van een antwoord, vlogen er een paar ruiten van het raam in stukken, en onmiddellijk daarop kwam er een ruw gezicht, rood van toorn, met een zwaren snorbaard, door de gebroken ruiten kijken en wierp naar alle hoeken van de kamer norsche en wantrouwende blikken.
“Wat heb je mij zoo aan te kijken?” vroeg deze kerel norsch. “Waarom doe je de deur niet open? Of heb je liever, dat we ze in mekaar timmeren?”
“De kinderen slapen,” zeide zij een pas terugdeinzende, “en de beide mannen slapen ook. Maak niet zooveel leven!”
“Zal je opendoen, schepsel?” schreeuwde de man met het roode gezicht.
De vrouw van Danilo, als verlamd door den schrik, verroerde zich niet.
De deur schudde onder de zware slagen der aanvallers, maar bezweek nog niet.
Het gelukte den man met het roode gezicht, de helft van zijn lichaam door de gebroken ruit te wringen. Hij richtte den loop van een pistool op de borst van de vrouw des huizes en schreeuwde:
“Als je deur binnen een seconde niet wijd openstaat, dan schiet ik je als een kraai dood!” [20]
De vrouw van Danilo deed een stap naar de deur; men zou haar voor een steenen beeld gehouden hebben, dat trachtte te gehoorzamen aan een bevel, dat zij niet begreep.
“Vervloekt wijf!” riep de officier woedend. Maar iemand, die buiten stond, trok hem uit de ruit terug. Nu vertoonde zich het gezicht van een anderen officier.
“Vrouw!” zei deze, “je heele huis zal in brand gestoken worden, en geen van zijn bewoners zal er levend uitkomen, als deze deur niet onmiddellijk toegang aan deze manschappen verleent.”
De vrouw des huizes, als verstijfd van schrik, snelde toen naar de deur; maar hetzij dat onhandigheid, hetzij schrik er de oorzaak van was, sleutels noch grendels schenen haar te willen gehoorzamen. “Ik doe al open,” riep zij, “ik doe al open, Mijnheeren! Ziet u het niet? Maar dit slot wil niet open; ik zal het morgen dadelijk laten maken.”
Eindelijk ging de deur open.
Dat alles had vrij lang geduurd. Soldaten en officieren snelden nu de woning binnen en begonnen haar heelemaal te onderzoeken. Men zou gezegd hebben, dat het wolven waren, die hun prooi opspoorden, welke plotseling verdwenen was.
De kleinste der jongens, die wakker geworden was, begon luidkeels te huilen. De oudste keek alles aan, zonder zich te verroeren.
“Schreeuwleelijk! wil je je mond wel eens houden?” zei een der officieren tegen het huilende kind.
De officier met het roode gezicht zei niets tegen hem, maar gaf hem een schop, waardoor hij onder de bank rolde, waarop hij geslapen had.
“Lafaard!” zeide het oudste kind. “Lafaard! Als ik groot ben...”
De leelijke kerel met het roode gezicht had wel wat anders te doen dan naar hem te luisteren. Met een tweeden schop had hij Kroek overeind doen komen, die als slaapdronken scheen en zijn verwonderde oogen beurtelings opendeed en weer sloot. [21]
Het scheen, dat Vorosjilo, die op dezelfde wijze wakker gemaakt was, niet wist, wat hij van de zaak moest denken, zoo keek hij zijn aanvallers aan. Hij noemde den langen officier zijn kameraad Generasime en den ander zijn kameraad Stephane; hij glimlachte tegen den een en knikte den ander vriendelijk toe, waarna hij weder op zijne bank neerviel, zeggende:
“Laten we gaan slapen: het is tijd.”
De soldaten keken hem beurtelings aan.
“Hij is het,” zeiden enkelen. “Hij is het niet,” beweerden anderen. “Wat een schurkenvolk! Er is er geen een onder, die geen verrader is.”
“Stil!” riep de man met het roode gezicht.
Hij had zich aan de tafel gezet, en terwijl hij een onbeschoften wenk aan de vrouw gaf, zei hij tot haar:
“Kom eens wat dichterbij!”
Zij voldeed aan dit bevel.
“Wie ben je?” vroeg hij.
“Ik ben de vrouw van Danilo Tsjabane.”
“Waar is je man?”
“Hij is een vriend gaan bezoeken.”
“Wacht! Ik zal je eens leeren, wat een vriend is!” En hij nam een knoet, dien een van zijn soldaten droeg.
“En die twee daar, die twee dronkaards, die twee honden, wie zijn dat?”
En om de personen beter aan te duiden, raakte hij met zijn knoet de schouders van Kroek aan en vervolgens die van Vorosjilo.
“Kan je je mond niet opendoen?” riep hij, terwijl hij met een dreigenden blik naar haar toe kwam.
De vrouw deinsde terug, zooals zij zou gedaan hebben, als zij plotseling tegenover een wild dier gestaan had. Maar na een poging aangewend te hebben om haar schrik te overmeesteren: antwoordde zij:
“Het zijn mijn buren, Mijnheer! Zij zijn hier gekomen om [22]ossen te koopen en waren in slaap gevallen, terwijl zij op mijn man wachtten.”
“Ja, mijnheer! wij zijn hier gekomen om drie ossen van Danilo te koopen,” zeide Andry Kroek, die eindelijk wakker werd. “Ja, om die ossen, die wij hadden beloofd morgen te zullen leveren, en nu vinden wij Danilo niet thuis. Nou kan je begrijpen, wat een teleurstelling dat voor ons was.—‘Nou,’ zei ik tegen mijn kameraad (hierbij wees hij naar Vorosjilo, die ook ontwaakt was, maar zijn oogen nog niet scheen te kunnen openhouden), ‘nou,’ zei ik tegen mijn kameraad, ‘de baas is er niet, dat is een gekke zaak.’—‘Ja,’ antwoordde mijn kameraad, ‘dat is een gekke zaak; maar er is niets aan te doen.’—‘Wij treffen het slecht!’ zeide ik, ‘maar het is niet anders, hij is er niet.’—‘Ja,’ antwoordde mijn kameraad, ‘Danilo is er niet.’—‘Dat is een dag verloren.’—‘Ja, verloren,’ antwoordde hij, ‘maar wat is er aan te doen?’—‘Je kan niet alles vooruit weten.’—‘Nee,’ antwoordde mijn kameraad, ‘je kan niet alles vooruit weten.’—‘Maar hoe moet het nu met de markt van morgen?’”
“Zal je nu ook eens ophouden, kanalje?” riep de man met het roode gezicht. “Verraders! Ik ken die voorgewende onnoozelheid wel. Soldaten! bindt die schurken, en stevig ook.”
Dit was gauw gebeurd: Andry Kroek en Semene Vorosjilo waren in een oogwenk gebonden en gekneveld.
Op dit oogenblik trad de heer des huizes binnen.
“Wie ben je?” brulde de man met het roode gezicht, die blijkbaar het opperhoofd van den troep was. “Hoe heeft men je hier binnengelaten?”
“Ik ben de eigenaar van deze hut, Mijnheer!” antwoordde Danilo, terwijl hij groette. “Ik kom zooeven thuis.”
“Heidaar, mannen! Zet schildwachten voor de deur, en laat niemand er uit of in. Hoor je?” zei de officier tegen zijn manschappen. Vervolgens wendde hij zich tot Danilo met de woorden:
“Als je je leven op prijs stelt, antwoord mij dan. Waar is [23]de bandiet, dien wij zoeken? Laat je antwoord duidelijk zijn, Judas! Als je maar wat om de zaak heenpraat, dan schiet ik je neer. Weet dus, wat je doet. Waar is de Zaporoger?”
“De Zaporoger?” antwoordde Danilo verwonderd. “Het is voor de eerste maal, dat ik dien naam hoor. Ik ken geen Zaporoger.”
“Maak dat aan anderen wijs!” schreeuwde de officier. “Wil je mij wijs maken, dat je de bandieten niet kent, die je opstoken? Die Zaporoger is in het land, hij is hier binnengegaan; waar is hij? Beken het dadelijk, of ik steek je nest in brand en laat er jou met je vrouw en je kinderen in braden.”
“Mijnheer!” antwoordde Danilo, “ik verzeker u, dat ik nooit heb hooren spreken over dengene, dien u daar genoemd hebt.”
“Wil je niet spreken? ook goed! Je zaak is duidelijk!” En zich tot Vorosjilo en Andry Kroek wendende, zei hij tot hen: “Schurken, jullie kennen dien Zaporoger, dien de duivel hale, zeker ook niet?”
“Ik vraag u wel excuus, Mijnheer!” antwoordde Semene Vorosjilo, die meer dood dan levend scheen, “en ik...”
“Stotter niet zoo, ezel!”
“Ik heb hem gezien.”
“Heb je hem gezien en heb je het niet dadelijk gezegd, verrader?”
“Ik durfde het niet doen, Mijnheer! en verder...”
“En verder, kerel?”
“En verder was hij al weg.”
“Waar had je hem gezien?”
“Op de ossenmarkt te Frosny, Mijnheer!”
“Wien had hij bij zich?”
“Een grooten hond, Mijnheer! een grooten, zwarten, mooien hond, van echt ras, die tegen iedereen blafte en die...”
“Domkop! je bent zelf een hond! Er is geen sprake van den hond, maar van den baas en van de schurken van jou [24]soort. Die Zaporoger was zeker niet alleen, een troep deugnieten volgde hem, is ’t niet?”
“Een troep deugnieten, Mijnheer! Welke troep?”
“Liep er niet een troep mannen en vrouwen achter hem?”
“Ja, Mijnheer! een heele troep. Men duwde elkaar, men schreeuwde.”
“De namen?...”
“Welke namen, Mijnheer?”
“De namen van hen, die achter hem liepen.”
“Maar het was een troep, Mijnheer! niets dan een troep.”
“Domme ezel!”
“Zie je niet,” zei de andere officier, “dat deze kerel idioot is? Je verliest je tijd met hem.”
“Ik verwonder mij over jou,” zeide een derde officier, die gedurende dit geheele tooneel was blijven zitten. “Waar is die overhaasting goed voor? Hebben wij den tijd niet om dien ezel in hechtenis te nemen? Is er bij niets meer haast dan bij het fusileeren van hem? Als hij ons ontsnapt is, dan zal het toch niet voor lang zijn. Vergeet je, dat wij sedert vanmorgen als gekken rondloopen zonder te eten en te drinken, en dat het niet gezond is, een leege maag te hebben? Het ziet er in dit huisje prettig uit; zou je er wat op tegen hebben, hier eens lekker te eten? Na een maaltijd zullen wij des te beter geschikt zijn om de jacht op de bandieten te hervatten. Hemelsche goedheid! je ziet zoo rood als een kalkoensche haan! Heb je de aanbevelingen van den dokter vergeten: ‘Geen aandoeningen, geen toorn, eene gematigde beweging, geregelde maaltijden!’ En je arme vrouw, die mij zoo plechtig heeft laten beloven, dat ik over je zou waken en dat ik voor je zou zorgen als een broeder, zij zou er alles behalve mee ingenomen zijn, als zij had kunnen zien, aan welk eene onzinnige woede je je overgeeft...”
“Zwijg!” hernam de man met het roode gezicht. “Zwijg,—en laat ons een avondmaal gebruiken.”
En, zich tot Danilo wendende, vervolgde hij: [25]
“Heb je het gehoord? Al het eten, dat er in je provisiekast is, moet binnen twee minuten op deze tafel staan... binnen twee minuten, hoor!” En hij gaf op de tafel een slag met de vuist, die het huis op zijne grondvesten deed trillen.
“Odarka,” zeide Danilo tegen zijn vrouw, “haast je wat!”
Odarka ging heen en nam haar beide jongens op haar armen met zich mee; de oudste stribbelde tegen, hij wilde zijn vader niet verlaten.
Zij kwam spoedig, beladen met levensmiddelen, terug. Zij was kalm en zeide niets. Intusschen dwaalden haar oogen met een zekere onrust door de hut heen.
Semene Vorosjilo en Andry Kroek stonden met de handen op den rug en met de beenen door middel van stevige touwen aan elkander vastgebonden, in een hoek der kamer. Danilo stond, met de armen op de borst gekruist, in een anderen. Met uitzondering van een schildwacht, die de deur versperde, waren de soldaten verdwenen. De officieren hadden zich aan den disch neergezet, met hun sabels naast zich en hun pistolen op de tafel, en aten en dronken, lachten en praatten vroolijk.
Maar waar was de kleine Maroessia toch?
Maroessia was, zwijgend als een schim, even na de terugkomst van haar vader verdwenen. Had de blik van dezen, onbegrijpelijk voor ieder ander, haar gezegd, wat zij moest trachten te doen, of had zij zoo uit eigen beweging gehandeld? Zeker is ’t, dat zij zonder door iemand opgemerkt te worden, het vertrek had verlaten, en dat zij, na tusschen de soldaten en de paarden, die het huis omsingelden, doorgeslopen te zijn, den tuin bereikt had.
Zoodra het meisje daar gekomen was, bleef zij onder een grooten kerseboom staan en drukte met de hand op haar hart, als wilde zij het beletten te kloppen. Haar hoofd was gloeiend warm. Heete tranen stonden in haar oogen. De wind verkoelde haar voorhoofd en deed haar bedaren. Zij luisterde. Zou men haar vlucht bemerkt hebben? Het verwarde, [26]maar eentonige gebrom van de stemmen der soldaten drong tot haar door en stelde haar gerust. Ook hoorde zij het geschreeuw en het gelach der officieren, door wie geen enkel bevel tot vervolging gegeven werd. Haar blik rustte nog even op het huis, dat nog alles bevatte, wat zij ooit liefgehad en geëerd had, toen deed ze een paar stappen voorwaarts. Behoedzaam drong zij in het kreupelhout aan den rechterkant door. Maar ze zag of hoorde niets. Vervolgens ging zij naar den linkerkant, aldoor luisterend, ternauwernood ademhalend. Haar oog bespiedde alle schaduwen; zij doorzocht tot zelfs de meest onwaarschijnlijke hoeken.
Eindelijk stond zij stil onder de groote appelboomen en voorzichtig keek zij rond.
Plotseling schrok ze hevig: een vogel vloog op uit zijn nest. Eene huivering ging over haar leden. Was zij dan zoo zwak?
Zij bleef een tijd lang tegen een boom aanleunen, waarvan de schaduw haar verborg. De wind strooide de witte bloesems van de appelboomen op het groene gras. “Het is, alsof het sneeuwt!” dacht ze in zichzelf. Zij vreesde, dat het ritselen van de bladeren een ander geluid zou overstemmen, het zwakke geluid, dat haar voorovergebogen hoofd en haar luisterend oor schenen af te wachten, aldoor af te wachten.
Maar ... wat is dat? Enkele meters van daar, tusschen twee boomen, vertoont zich... Zij vergist zich toch niet? Nee, het is de flinke en krachtige gestalte van den nieuwen vriend, voor wien haar vader en moeder nu moeten lijden,—voor wien ook zij alles zal trotseeren.—De gestalte beweegt zich, zij sluipt als een slang tusschen de boomen door. Zij zoekt zeker een verborgen doorgang, die naar de rivier leidt.
Met een haastigen stap loopt Maroessia haar achterna. Al gauw is de rivier bereikt. Alleen maar een heg is er tusschen. Over deze heg buigt hij zich heen en kijkt in ’t rond. Aan den voet van een geweldigen boom, waarvan de takken in de rivier hangen, heeft hij een schuitje ontdekt. Een schuitje! Precies, wat hij noodig heeft; de rivier, dat is de weg, die [27]hem niet verraden kan. Juist wil hij de heg, die er hem van scheidt, overklimmen, als twee kleine handen zijn arm omvatten en een stem hem toefluistert: “Nee, nee, dat niet,—het schuitje niet! De rivier is een spiegel, waarop men zelfs van verre alles ziet.”
Geen wonder, dat hij hevig ontsteld was, nog meer ontsteld, dan wanneer hij zich plotseling door tien soldaten, van top tot teen gewapend, omringd had gezien; maar hij liet er niets van blijken. Men zag, dat hij iemand was, die al lang aan allerlei soort van verrassingen gewoon was.
Hij keek op en herkende het meisje.
“Wat doe je daar, beste meid?” vroeg hij, terwijl hij even glimlachte, net alsof hij haar op de wandeling had ontmoet, en nu een gesprek wilde aanknoopen. Maar er verliepen eenige oogenblikken, voordat Maroessia, vermoeid en ontroerd als zij was, iets aan haar woorden kon toevoegen.
De man legde toen zijn hand op het hoofd van het meisje en streelde haar langs de wangen, als wilde hij tegen haar zeggen: “Bedaar wat, mijn kind!” Hij zelf was een toonbeeld van kracht, van behendigheid, van onverschrokkenheid, van moed; maar op dit oogenblik, terwijl hij tegenover dat kleine hijgende meisje stond, kwam er een glans van goedheid op zijn gezicht. Zijn krachtige hand, gewoon om wapens te hanteeren, legde zich zachter dan die van een moeder op Maroessia’s schouder.
“Wel m’n kind, wat wou je me nu zeggen?”
“Als u de rivier overgestoken was, zoudt u niet in Tsjigirine gekomen zijn. En daar moet u toch naar toe. Ik heb aan een middel gedacht om er heen te gaan.”
“Ik luister naar je, mijn kind!” antwoordde de vluchteling.
“Laat ons dan eerst naar dien ouden muur gaan, daarachter kunnen wij ons verschuilen.”
Zoodra zij daar gekomen waren, zei zij:

“Daarginds, ver in de steppe, heeft vader een kleine hut, een stal, waar men in den zomer de groote ossen laat blijven, [28]als men aan het hooien is, om ze niet alle avonden naar huis te moeten terugbrengen. Voor de deur staat een groote wagen, met hooi beladen, die morgen door vader naar huis had moeten worden gebracht. De ossen blijven tot het aanbreken van den dag in den stal. Wij kunnen daar beiden binnen een uur zijn. Dan zal ik, dan zullen wij, de groote ossen voor den wagen spannen; dan moet u zich in het hooi verschuilen, en dan zal ik u naar het huis van baas Kniesj brengen. Baas Kniesj is een vriend van vader. Hij komt dikwijls bij ons, en als hij komt, praat hij met de anderen. Ik kan hem alles vertellen, of als u dat liever niet hebt, zal ik niets tegen [29]baas Kniesj zeggen, maar trachten te doen...te doen...”
Zij zweeg plotseling, want zij wist niet precies, wat het meest gewenscht zou zijn. Toch hernam zij:
“Ik zal doen, wat u mij zegt.”
Terwijl hij naar haar luisterde, werden zijn oogen vochtig en zacht zei hij tegen haar:
“Wie heeft je op dat idee gebracht, Maroessia?” [30]
[Inhoud]

“Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken,” antwoordde het meisje. “Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf: Dat zullen wij ook doen.”
“Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de wandeling wel vertellen, is ’t niet Maroessia?”
“Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?”
“Heel graag,” antwoordde hij. “Maar zou je vader het wel goedvinden, dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?”
“Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken, [31]en ik heb hem begrepen,” zei het kind. “Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet je alles verlaten, zelfs ons.”
“Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van roovergeschiedenissen.”
Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat zij het stilzwijgen bewaarde:
“Ik luister al, maar ik hoor niets.”
“O!” antwoordde zij, “ik kan u de geschiedenis niet dadelijk vertellen.”
“En waarom niet, beste meid?”
“Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik ben een beetje bang, dat wij... Het zou mij zoo spijten, als het mij niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen.”
“Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van komen wil!”
Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan.
“Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen.”
Maroessia begon:
“Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man ten huwelijk gaf.”
“Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot ten minste een braaf man was,” viel de vreemdeling in de rede.
Maroessia schudde ’t hoofd, in plaats van een antwoord te geven, en ging ongestoord verder:
“Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien, maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem. [32]
“Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge vrouw met zich mee, ver, o! heel ver.
“Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo’n dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: ‘Ik kom weer gauw terug, vrouwtje!’ en dan vertrok hij met zijn vrienden en bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg.”
“Dat was heel leelijk van hem,” zei de afgezant.
“Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het z’n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig.
“Zij zei bij zich zelve: ‘Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik sterven. Ja, het is gedaan...’
“Maar het spreekwoord zegt terecht: ‘Het verdriet komt dikwijls terug, maar de dood komt slechts eenmaal.’ Eens, toen zij alleen in het groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf:
“‘Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens wat gaan wandelen.’
“En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien kleinen tuin. ‘Sterven,’ dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek, ‘dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou ik veel liever blijven leven...’
“Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag, dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: ‘Waar zal ik je nu zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!’
“Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op: [33]
“‘Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel een vinden, die mij beviel.’
“Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig.
“‘Nee,’ dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging, ‘deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.’”
Op dat oogenblik hield de afgezant z’n hand voor Maroessia’s mond.
“Wacht even!” zei hij zachtjes.
“Hebt u iets gehoord?” vroeg het kind.
De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op den grond.
Toen hij weder opstond, zei hij:
“Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen, zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het huis van je vader nu weer rustig is.”
“Goddank!”
Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen gedachten verdiept.
De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen.
“De jonge vrouw,” zei hij, “liep dus van de eene kamer naar de andere, zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: ‘Laat ons nog eens zoeken!’”
“Juist zoo,” hernam Maroessia, “dat zeide zij! Ineens zag zij een zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich.
“Wacht!” zei zij bij zich zelf, “de kamer, die men door deze deur binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van.”
“Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar lust om er binnen te gaan.”
“Juist,” viel de vreemdeling in de rede, “daarin herken ik de vrouwen.” [34]
“Wat wilt u daarmee zeggen?” vroeg Maroessia verwonderd.
“Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?”
“Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In ’t eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij het nog niet op. ‘Deze kamer kan het einddoel niet zijn,’ dacht zij; ‘zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er niet uit, voordat ik haar gevonden heb.’”
“Dat was eene stijfhoofdige vrouw,” zei de afgezant.
“Stijfhoofdigheid was het niet; maar er was iets, dat haar voortdreef; zij had een bepaalde gedachte! Zij zeide bij zich zelve: ‘Mijn man kan komen, en als hij komt, wie weet, of hij mijn nieuwsgierigheid dan niet zal afkeuren!’ Maar toch zette zij haar nasporingen voort.”
“Zij liep zoo lang in de kamer rond, totdat zij eindelijk met den voet tegen een ijzeren ring stiet...
“Zij hield er haar lantaarn bij: het was een luik in den vloer.
“Het scheen haar toe, alsof zij nooit in haar leven zoo voldaan was geweest.
“Het luik was heel zwaar voor haar; maar als men iets met volharding wil, gelukt het bijna altijd, het te doen. [35]En na veel vergeefsche pogingen lichtte zij het luik toch eindelijk op.
“Zij zag toen de treden van een smalle trap, die op een groot zwart gat uitkwam. Zij was haar verkenningstocht nu eenmaal begonnen en wilde dien voortzetten.
“En zij daalde er naar beneden.”
“Zij was wel moedig,” vond de vreemdeling.
“Zij verwachtte wel iets vreeselijks te zullen zien; maar wat zij zag, overtrof nog het verschrikkelijkste, dat zij zich had voorgesteld.
“De kelder was geheel gevuld met bijlen, sabels, dolken, pieken, lansen, groote messen, knotsen, met prachtige maar met bloed bevlekte kleeren, met parelsnoeren, diamanten, robijnen en smaragden, met turkooizen en saffieren, met prachtige stoffen. Dat alles lag door elkander, en overal waren sporen van bloed. Toch aarzelde zij nog, toen haar oog op iets sneeuwwits viel, dat op een stuk zwart fluweel gehecht was. Het was eene blanke hand, wit als marmer, een bevallige vrouwenhand, met kostbare ringen versierd.
“Zij zei huiverend bij zich zelf: ‘Mijn man is het opperhoofd van een rooverbende. Ons kasteel is erger dan een hol.’ En dat veroorzaakte haar een groot verdriet.”
“Ga maar niet verder met deze geschiedenis voort Maroessia!” zei de afgezant, “het zou je kwaad doen, vooral als zij nog verschrikkelijker wordt.”
“Misschien wel; maar wat doet dat er toe? U moet den afloop weten, om goed te kunnen begrijpen, wat ik bedoel.” En ze vervolgde:
“De jonge vrouw dacht lang over alles na. Vóór alles moest zij uit het verschrikkelijke onderaardsche hol zien te komen. Zij kwam er uit, deed het luik dicht, zette de lantaarn weder op hare plaats, sloot alle deuren goed achter zich dicht en trad meer dood dan levend haar kamer binnen. Zij was veel ongelukkiger sedert haar ontdekking, en toch wilde zij niet meer sterven, maar wel vluchten.” [36]
“‘Wat te doen?’ dacht de jonge vrouw bij zich zelf. Het ondoordringbare bosch omgaf het kasteel aan alle kanten. Men zag er geen enkelen uitgang. Zeker kon zij op het gevaar af, dat zij zich ernstig zou wonden, door het dichte kreupelhout heensluipen. Maar verder? Wie zou zeggen, of zij zich, na een geheelen dag rondgeloopen te hebben, niet weer op de plaats zou bevinden, vanwaar zij was uitgegaan? ‘Wat te doen? Wat te doen?’ herhaalde zij bij zich zelve.
“‘Al moest ik onderweg sterven,’ zei ze eindelijk, ‘ik moet vluchten, en ik zal vluchten.’”
De vreemde vriend volgde oplettend het verhaal, dat zijn kleine metgezellin hem onder het voortloopen deed. Maroessia merkte dit wel, en het deed haar genoegen.
“Dat geeft hem wat afleiding,” dacht zij.
Zij zou haar verhaal wel wat hebben willen verkorten, maar dan zou hij het misschien minder goed begrijpen, en bovendien hadden zij den tijd, zij om alles te vertellen, hij om alles aan te hooren; de hut in de steppe, de stal met de groote ossen was nog ver weg.
Zij hervatte dus:
“De jonge vrouw ging opnieuw naar den tuin. Maar nauwelijks had zij een paar stappen gedaan of zij hoorde hoefgetrappel.
“Zij bleef staan en hield haar adem in, en, verscholen achter den stam van een dikken boom, luisterde zij. Toen zag zij het bleeke gezicht van haar man te voorschijn komen uit het kreupelhout. Zijn gewone metgezellen volgden hem. Het scheen, alsof zij allen als door een tooverslag uit deze omheining van groen te voorschijn kwamen.”
“Zij had nog maar juist den tijd gehad om zich beter tusschen het kreupelhout te verbergen, en kon nu haar man ongemerkt gadeslaan. Hij was van zijn paard gestegen en liep met langzame schreden voort, vlak langs haar heen; ook de anderen gingen haar voorbij. Verscheidene van die woestaards hadden roode vlekken op hun kleeren. [37]
“Weldra hoorde zij de stem van haar man. Hij riep haar.
“Nee, het oogenblik was nog niet daar, waarop zij voor altijd zou kunnen vluchten. Zij kwam moedig uit het kreupelhout te voorschijn en ging voor hem staan.
“‘Je ziet erg bleek,’ zei hij tegen haar, ‘en men zou zeggen, dat je beeft. Je zult het onder deze boomen koud gehad hebben; kom hier voortaan niet meer.’
“Toen haalde hij uit zijn zak een klein voorwerp:
“‘Ziedaar! Je merkt, dat ik wel aan je gedacht heb.’
“Bij deze woorden bood hij haar een ring aan, die als een kleine zon schitterde.
“‘Wil je dien hebben?’
“Zij deed zich geweld aan, om dit aanbod niet van de hand te wijzen, en vroeg hem, waar hij dit kleinood vandaan had.
“‘Als mijn vraag hem in verlegenheid brengt,’ zei zij bij zich zelve, ‘als er ontsteltenis op zijn gezicht te lezen is, dan zal dit een bewijs zijn, dat hij nog niet heelemaal verhard is.’
“Maar hij antwoordde haar op een luchtigen toon:
“‘Ik heb hem op de jacht in handen gekregen, liefste!’
“‘Op de jacht?’
“Tegelijkertijd dacht zij: ‘Wat er ook gebeuren moge, ik zal volhouden; ik wil eindelijk weten, waaraan ik mij te houden heb.’ Zij voegde er dus bij: ‘De jacht op ringen? Ik heb nog nooit van mijn leven over zoo’n zonderlinge jacht hooren spreken.’
“‘Minder zonderling, dan je wel denkt,’ zei hij, ‘maar zeker vermoeiend, en zelfs zoo vermoeiend, dat ieder na den afloop ervan behoefte aan rust heeft. Dat is op dit oogenblik ook met mij het geval, daarom ga ik naar bed want ik val bijna om van den slaap. Later zal ik je wel eens op zoo’n jacht meenemen, en ik denk wel, dat ’t in je smaak zal vallen.’
“Daarop verliet hij haar met een lach en begaf zich ter ruste in den vleugel van het oude gebouw, waarin zij woonden. [38]Zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Eenige oogenblikken daarna was zij zeker wel de eenige in het kasteel, die niet sliep.
“Toen kwam het plan weer bij haar op om te vluchten. Ze ging voor de tweede maal naar den tuin en liep dadelijk naar de plaats waar ze haar man zoo plotseling had zien verschijnen.
“Daar ging de jonge vrouw aan den voet van eene met mos begroeide rots zitten die tusschen de dikke wortels van een reusachtigen boom ingesloten was, om te overdenken wat haar te doen stond. Maar toen zij ertegen leunde bezweek de rots zoo plotseling onder haar gewicht, dat zij omver viel.”
“Juist zoo!” zei de afgezant, “dat was de ingang waardoor de bandieten binnenkwamen...”
“Ja, het was de geheimzinnige deur. Zij was zoo over haar val verwonderd, dat zij eenige oogenblikken bleef liggen, zonder zich te durven verroeren. Waar was zij? Boven haar hoofd bevond zich een donkergroen gewelf, waardoor slechts hier en daar een plekje van den blauwen hemel te zien was.
“Toen zij eenigszins van haar schrik bekomen was stond zij op, legde bij den onzichtbaren toegang een witten steen en was verstandig genoeg om naar het kasteel terug te keeren, om er zich van te verzekeren, dat haar man en zijn metgezellen niet wakker waren.
“Maar die waren allen in een diepen slaap gedompeld, zooals dit gebeurt met iemand, die veel van zijn krachten gevergd heeft. Op haar teenen voortsluipend, ging zij van deur tot deur, schoof er zonder gedruisch de grendels op en sloot alle luiken. Dit was één goede voorzorg; maar zij nam nog een andere, die ook te pas kwam, namelijk om de lichte kleederen, die zij altijd droeg, tegen zwarte te verruilen; toen ging zij snel naar de plaats, die door den witten steen aangewezen was. Toen zij die teruggevonden had, ging ze, evenals de eerste maal, tegen de rots aanleunen en opende haar. De hooge steenen deur, die de rots verborg, was zoo [39]ingericht, dat zij vanzelf dichtging. Nu begon zij te loopen, telkens weer harder.
“Na verloop van een half uur bereikte zij een punt, waarop meer dan tien wegen uitkwamen, die alle in verschillende richtingen liepen.
“Zij deed een paar passen langs den eenen, toen langs een anderen, en zoo alle tien. Het kwam er op aan, zich niet te vergissen. Het ongeluk was, dat zij allemaal op elkaar geleken, waardoor het moeilijk was, den eenen boven den anderen te verkiezen. Eensklaps ontdekte zij in een van deze gangen iets wits. Zij liep er heen. Het was een kleine, fijne zakdoek, waarvan de vier hoeken fraai geborduurd waren.
“Ik hoor iets, dat ons volgt,” zei Maroessia ineens, haar verhaal afbrekend. De vreemdeling had het ook gehoord. Hij nam Maroessia bij den arm en plaatste zich met zijn opgeheven stok voor haar.
“Ach!” zei Maroessia, “het is een groote hond!”
Terwijl ze dat zei deed de afgezant zoo’n plotselingen sprong, dat Maroessia zich niet kon verklaren, hoe hij het dier, dat zich zoo onverwacht aan hem vertoond had, zoo snel met zijn dikken stok had kunnen doodslaan.
De afgezant lag met zijn eene knie op den grond. Toen hij weer opstond, lag het dier levenloos aan zijn voeten.
“Het was een wolf,” zeide hij bedaard tegen het kind, “hij moet wel honger gehad hebben, dat hij ons zoo van nabij gevolgd is.”
“O!” zeide Maroessia tegen haar vriend, “u bent ook voor niets bang.”
“Wel zeker,” zei de afgezant, “ik ben bang voor alles, wat je geschiedenis afbreekt. Dus had de vrouw van den bandiet een zakdoek gevonden.”
“Ja,” zei Maroessia.
“Het zien van dien fijnen zakdoek, die zoo lekker rook en ongetwijfeld van een vrouw was, gaf haar stof tot nadenken. [40]
“‘Ze zijn hier vanmorgen langs gekomen,’ zei ze bij zich zelf, ‘en als dat zoo is, komen zij er waarschijnlijk nu niet meer. Ik moet dien weg kiezen.’
“Maar voordat ze dien insloeg, kwam de gelukkige gedachte bij haar op, een mooi rood lint, dat zij om haar hals droeg, zóó op te hangen aan een tak, die zich over een ander voetpad, dan dat, hetwelk zij wilde inslaan, uitstrekte, dat men het in de verte kon zien. ‘Zij zullen dit lint zien en mij dus vervolgen langs den weg, dien ik niet ingeslagen heb.’ Dat was niet slecht bedacht, om hen van het spoor af te brengen, niet waar?”
“Het was zeer goed bedacht,” zei de afgezant.
“Gelukkig, dat zij daaraan gedacht had, liep zij vlug het pad langs, waar zij den geborduurden zakdoek gevonden had. Zij liep den geheelen dag door. De avond viel; de duisternis was zoo dik, dat zij niet meer wist, wat zij boven haar hoofd had, of dit een gewelf van rotsen of een koepeldak van bladeren was.
“‘Laat ik maar aldoor voortloopen,’ dacht zij bij zich zelf, toen zij zich vermoeid voelde. ‘God, die mij tot hiertoe geleid heeft, zal mij niet verlaten.’ Eensklaps stiet zij tegen iets aan. De weg maakte daar een bocht; maar in plaats van zich te beklagen over de pijn, die zij zich zelve had berokkend, scheelde het niet veel, of zij had in haar verwondering een kreet van vreugde geslaakt.
“Alle sterren van den hemel fonkelden eindelijk boven haar hoofd; geen gewelf, noch van steenen, noch van ineengegroeide takken was meer boven haar, zij was op een groote open plek!”
“Zoo, des te beter!” zei de afgezant, “dat doet mij voor haar pleizier.”
In plaats van eenig antwoord te geven, schudde Maroessia met het hoofd en drukte zijn hand nog steviger.
“Ongelukkig zou de vrouw van het opperhoofd der bandieten zich niet lang kunnen verheugen; want zij hoorde ineens [41][42]heel duidelijk stemmen, geschreeuw en het getrappel van paarden, die in galop komen aanrennen.

Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Blz 43.
“Wat nu te doen? Waar een schuilplaats te vinden? Hoe zich onzichtbaar te maken? Naar de gang terug te keeren? Dat nooit! Dat zou hetzelfde zijn, als naar het kasteel terug te keeren.
“Er stond op deze open plek een forsche eik met dichtgebladerde takken, die tot op den grond neerhingen. In een wip klom zij als een eekhorentje van den eenen tak op den anderen, totdat zij den hoogsten bereikt had. Zij had er goed aan gedaan, geen minuut te verliezen; een oogenblik daarna kwamen alle bandieten van vijf of zes kanten te gelijk te voorschijn, want alle gangen liepen op deze open plek uit.
“‘Welnu?’ riep een haar welbekende stem tot vijf ruiters, die aankwamen rijden.
“‘Niets,’ antwoordde er een. ‘Ik heb niets anders gevonden dan dit,’ en hij hield een rood lint omhoog.
“Op dit lint sloeg het opperhoofd geen acht. Wist hij wel, dat zijn vrouw er ooit zoo een had bezeten?
“‘Ik heb niemand gezien,’ antwoordde een tweede.
“‘Geen spoor,’ zeide een derde.
“En allen verklaarden achtereenvolgens hetzelfde.
“‘Laat ons nog eens zoeken!’ riep de echtgenoot uit. ‘Wij moeten haar dood of levend terugvinden. Komaan! Op weg! Ons geluk hangt er van af.’
“Hij voltooide zijn volzin niet; want iets bijzonders had zijn aandacht getrokken.
“In een oogwenk was hij van zijn paard gesprongen, had zich voorovergebogen en had van den grond een voorwerp opgeraapt, dat hij aandachtig bekeek.
“‘Een zakdoek!’ riep hij aan de anderen toe, ‘een vrouwenzakdoek! Zij, die wij zoeken, is niet veraf.’
“Het gras was hoog en stond dicht op elkaar. Nu begonnen zij allen het terrein te verkennen, sommigen op handen en voeten, anderen met hun sabels en hun pieken; sommigen [43]verpletterden de jonge boompjes onder de pooten van hun paarden, anderen velden ze door middel van bijlslagen neer om er zich van te verzekeren, dat de vluchtelinge zich daartusschen niet verscholen had.
“Zij vonden hoegenaamd niets.
“Intusschen keek de echtgenoot naar de lucht in de richting van den grooten dichtgebladerden eik.
“‘De bladeren van dezen boom zijn zeer dicht,’ zei hij bij zich zelf; ‘al de vrouwen zijn vogels. Wie weet, of mijn vrouw er niet boven in zit?’
“Hij neemt een lans uit de hand van een zijner manschappen, klimt op de onderste takken, en terwijl hij zich met de eene hand vasthoudt, begint hij met de andere de bovenste takken met de punt van zijn lans te doorboren.”
“Die arme vrouw!” zei de afgezant, “nu is het met haar gedaan.”
“Wat had zij er goed aan gedaan, haar zwarte japon aan te trekken!” hernam Maroessia. “Dank zij deze donkere kleur, bemerkte haar man haar niet. Hij stak de punt van zijn lans in de donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Verschrikt, sprakeloos, onbeweeglijk, hield zij den tak, die haar tot steun diende, krampachtig met de armen omklemd.
“Driemaal drong het koude ijzer in haar vleesch door; bloed stroomde uit de wonden, maar zij verroerde zich niet, zij bezat dien moed, zij gaf geen gil en liet geen enkelen kreet hooren.”
“Je geschiedenis is verschrikkelijk, Maroessia! Ach! die ongelukkige!”
Maroessia, die geheel met haar verhaal vervuld was, vervolgde:
“De luitenant van haar man, die wel zag, dat alles vruchteloos was, zei toen tegen zijn kapitein:
“‘De tijd, dien wij op deze plek verliezen, is slechts in het voordeel van haar, die wij zoeken. Het dorp is dichtbij, de stad is niet ver verwijderd. Als wij hier een kwartier langer [44]blijven, zal uw vrouw er vóór ons aankomen, kapitein! En dan is er geen verhelpen meer aan.’
“Bij de gedachte, dat zijn vrouw, die blijkbaar in het bezit van zijn geheim was, hem zou kunnen ontsnappen, en dat zijn levenswijze dan bekend zou worden, kwam er een vloek over de lippen van den kapitein.
“‘Te paard!’ riep hij uit, ‘te paard en rijdt, alsof het uw leven gold!’
“Zij gaven hun paarden de sporen en reden in gestrekten draf weg.
“Het werd tijd; de arme vrouw kon zich niet meer vasthouden; zij liet zich op het gras neerglijden op het gevaar af, een doodelijken val te doen.”
Op dit oogenblik deed Maroessia een stap achterwaarts.
“Hoort u dat?” zei zij.
“Een geweerschot,” antwoordde de afgezant kalm, “dat is al het derde sedert wij op weg zijn. Maar laat je dat niet verontrusten: het is voor ons uit en vrij veraf. In tijden, als de tegenwoordige, hoort men telkens en overal geweerschoten. De schoten werden niet in de richting van ons gelost, evenmin als in die van het huis van je vader.”
“Bent u daar zeker van?” vroeg zij.
“Bepaald zeker. Als je weer hoort schieten, let er dan maar niet op. Men moet aan dat geluid wennen. Maar ga nu met je verhaal voort!”
“De arme vrouw lag op den grond. Ik weet niet precies, hoeveel uren zij daar bewusteloos bleef liggen,” zei Maroessia. “Toen zij weer tot bewustzijn kwam, was de nacht niet meer zoo zwart: de vogels begonnen te ontwaken, en het gras, dat geheel nat van den dauw was, scheen als met witte paarlen bezaaid. Zij had kracht genoeg om het bloed van haar wonden te stelpen en scheurde haar mooie japon aan stukken, om daarvan windsels te maken. Zou zij kunnen loopen? Zij had reeds veel bloed verloren.
“Maar zij moest loopen, en zij liep ook. Zij liep met moeite; [45]haar armen en haar zijde waren door de lansstooten gewond, maar langzamerhand schonk de beweging zelf haar nieuwe krachten.
“Zij bemerkte toen, dat zij op een grooten gebaanden weg was; dit deed haar moed toenemen. Maar, ondanks dit alles, voelde zij haar zwakte vermeerderen, toen zij tot haar geluk het geratel van wielen hoorde.
“Een groot rijtuig, met een massa hooi beladen,—luister goed naar mij!—reed langzaam voort, getrokken door twee stevige ossen, met groote kromme horens. Naast dit rijtuig liep een oud man, die een lied zong.
“Zij verhaastte haar schreden, en het gelukte haar, het rijtuig en den voerman in te halen.
“‘Help mij,’ zei ze tegen den grijsaard. ‘Heb medelijden met mij! Ik heb geen krachten meer om het dorp te voet te bereiken!’
“Maar tegelijkertijd hoorde zij in de verte het geschreeuw der struikroovers, die op hun schreden terugkeerden. Het aanbreken van den dag noodzaakte hen zonder twijfel om naar huis te gaan.
“‘Ik ben verloren,’ zei zij tegen den grijsaard. ‘Die menschen, die daar aankomen, zijn bandieten en mijn man is hun opperhoofd.’
“‘Verberg u in het hooi,’ zei de grijsaard tegen haar, ‘en houd u doodstil. Gauw maar!’
“Spoedig was zij in het hooi verborgen en bleef daarin, zonder zich te verroeren. Binnen eenige oogenblikken waren de struikroovers vlak bij het rijtuig, dat langzaam voortreed.
“‘Heidaar!’ riep het opperhoofd den grijsaard toe, die naast zijn ossen liep, terwijl hij zijn pijp rookte, ‘heb je onderweg ook een jonge vrouw ontmoet, die scheen te vluchten?’
“‘Een jonge vrouw?’ herhaalde de grijsaard, terwijl hij met de hand over zijn voorhoofd wreef, als trachtte hij zijn gedachten te verzamelen. [46]
“‘Ja zeker, een jonge vrouw!’
“‘Zoo! Een jonge vrouw...’
“‘Wil je ook antwoorden?’
“‘Waarom niet?’
“‘Antwoord dan!’
“‘Ik heb geen jonge vrouw gezien.’
“‘Ben je daar wel zeker van? Zij moest toch denzelfden weg volgen als jij...’
“‘Dat is best mogelijk; maar ik heb niets gezien. Mijn oogen zijn in de laatste twee jaren erg verminderd. Zoo gaat het in de wereld: men wordt oud, men leeft niet eeuwig.’
“‘Die kerel schijnt een slimme vos te zijn,’ zei de luitenant. ‘Hij drijft den spot met ons.’
“‘Weet je wel, wien je voorhebt?’ vroeg het opperhoofd hem.
“‘Hoe zou ik dat weten?’ antwoordde de grijsaard. ‘Het is de eerste maal, dat wij elkaar zien. Bovendien, weest wat ge wilt, heeren of struikroovers, wat kan dat een armen grijsaard schelen, die niets op de wereld bezit?’
“‘Je bezit toch je leven,’ zei de luitenant.
“‘Mijn leven?’ antwoordde de boer. ‘Wat is het leven mij waard, als ik alle dagen hard moet werken?’
“‘Je leven zullen we je laten behouden, oude babbelaar, maar je hooi zullen wij je ontnemen.’
“‘Mijn hooi is mijn hooi niet. Als ik u zeg, dat ik niets op de wereld bezit, dan wil dat niet zeggen, dat ik zoo’n berg hooi heb. Als u mij dien wilt ontnemen, doet het dan, maar takelt mij eerst wat toe; als ik zonder wonden en zonder hooi terugkom, zal mijn heer, die niet met zich laat gekscheren, denken, dat ik het heb verkocht om er drank voor te koopen. Het komt al op hetzelfde neer, of ik stokslagen van hem dan wel van u krijg.’
“‘Oude gek!’ antwoordde de luitenant, die moeite had om niet te lachen. ‘Wij willen van je hooi maar een beetje hebben om aan onze paarden te geven.’ [47]
“‘Als dat moet, dan moet het!’ zei de grijsaard, ‘maar laat mij het u dan zelf geven en het zoo aanleggen, dat er zoo weinig mogelijk van te zien is. Als dat zoo kan gaan, zal ik er misschien ongedeerd afkomen.’
“‘Hebt u zoo genoeg?’ vroeg hij na voorzichtig een tiental handenvol van zijn wagen genomen te hebben. ‘Als ik nog meer nam zou er een leegte ontstaan en dat zou gezien worden, en ik zou er voor moeten boeten. Misschien dat het nu nog wel zal losloopen, als mijn heer het hooi ten minste niet naweegt.’
“De luitenant knikte, als wilde hij zeggen: Zoo is het genoeg,—en de kapitein wendde zich tot den boer met de woorden:
“‘Je kunt verder gaan, maar vooraf wil ik je twee dingen te raad geven. Het eerste is, je niet om te keeren om te zien, wat er achter je voorvalt. Het tweede, tegen niemand over je ontmoeting te spreken.’
“‘Ik weet een geheim te bewaren,’ antwoordde de oude boer met een onnoozel gezicht. ‘Ik zal uw raad opvolgen.’
“En hij gaf zijn ossen een paar slagen om hun het sein tot voortrijden te geven.
“Na verloop van tien minuten kon hij het rennen van de paarden der struikroovers hooren. Het gedruisch verminderde langzamerhand en was eindelijk in ’t geheel niet meer te hooren.
“‘Zij zijn het bosch weer ingegaan,’ zei de grijsaard alsof hij in zich zelf sprak, ‘maar dat is nog geen reden om zich overwinnaar te voelen.’
“De raad was goed en werd opgevolgd. De jonge vrouw, die in het hooi verborgen was, verroerde zich niet. Een half uur daarna kwam het dorp,—het was meer dan een dorp, het mocht wel een kleine stad heeten,—in het gezicht. De wagen reed langs een breede straat, alsof er niets gebeurd was, toen door een groote poort een binnenplaats op. [48]
“‘Ziezoo!’ zei de grijsaard, ‘God heeft het zoo gewild: het is nu gedaan.’
“Op die wijze werd de vrouw van den kapitein der bandieten eindelijk gered.

“Men bracht haar bij welgestelde en liefdadige menschen, waar iedereen zorg voor haar droeg tot op het oogenblik, waarop haar vader, onderricht van het onvoorzichtige huwelijk, dat hij haar had doen aangaan, haar kwam terughalen.
“Men liet het bosch omsingelen in de hoop, dat men de bandieten zou bemachtigen; maar het was reeds te laat: het kasteel was verlaten, toen de justitie kwam. Toen zij het [49]gevaar inzagen, ontdekt te worden, hadden zij er niet durven blijven.”
“Dat was jammer,” zei de afgezant. “Maar de vrouw was gered, en dat was het voornaamste. Waarlijk! je vertelling is zeer belangrijk, en je hebt er wel aan gedaan, mij haar uitvoerig mee te deelen. Mooie sprookjes verkorten den weg.”
“De reden, waarom ik u dit verteld heb,” zei Maroessia, “bestaat hierin, dat het ons van nut kan zijn.”
“Ik heb het begrepen, m’n kind,” zei de afgezant, “heel goed begrepen. O, wij verstaan elkaar wel.”
“Toch,” voegde hij er bij, “heeft de geschiedenis van de blanke hand met diamanten en van de lanssteken in de bladeren van den grooten eik mij doen huiveren.” [50]
[Inhoud]

Het was nog nacht, maar de morgenkoelte deed zich reeds gevoelen. In een verwijderd klooster hoorde men de vroegmissen zingen; het riet aan den oever boog zich voor den wind.
“Wij moeten nu linksaf,” zei Maroessia.
Twee minuten daarna betraden zij de steppe.
Tot dusverre hadden zij langs den oever der rivier geloopen, bijna altijd beschermd door de boomen.
Hoewel Maroessia en de afgezant geen tijd te verliezen hadden, bleven zij toch onwillekeurig stilstaan en ademden met volle teugen de frissche lucht van deze vlakte in.
“Kijk dien kant eens uit!” zei Maroessia. “Dat zwarte [51]stipje daarginds is de stal, waarover ik u gesproken heb. Nu moeten wij nog eens linksaf: daar zullen wij de ossen vinden.”
“Laat ons dan nog eens linksaf slaan,” zei de afgezant.
De steppe breidde zich zoo ver zij zien konden voor hen uit; een paar hooge hoopen hooi, die nog pas opgestapeld waren, belemmerden alleen het gezicht.
De afgezant klom op een daarvan om te zien, of er in de verte iets te zien was.
“Blijf daar niet staan!” riep Maroessia hem toe; “u bent zoo lang, men zou u van verre zien.”
Alles scheen rustig te zijn. De afgezant gaf aan Maroessia een wenk om ook eens te komen kijken en wilde er haar op helpen klimmen; maar dat was niet noodig; want in een oogenblik was zij er op.
”’t Lijkt wel of jij vleugels hebt,” zei de afgezant tegen haar.
“Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje,” antwoordde het kind met een zekeren trots.
Zij keek ook, maar slechts naar een enkelen kant, en wel naar dien, waar het huis van haar ouders stond.
“Ziet u daar ginds wel?” zei ze. “Kijk eens voor mij; want mijn oogen zien op dit oogenblik niet goed,—het schijnt mij evenwel toe, dat alles er rustig is.”
“Ja, ja,” zei de afgezant, “alles schijnt te zeggen: rust.”
Nadat ze nog even rondgekeken hadden, klommen zij van den hoop hooi af. Zij liepen nog enkele meters en kwamen nu bij eene heg, die een kleine vallei omgaf.
“Hier is het!” zei Maroessia. “Help mij nu, den boom van de deur te lichten. Hier zijn de ossen, ziet u ze?”
“Ik zie ze, zij zien er prachtig uit!”
De beide ossen, die op het gras lagen, bleven onbeweeglijk als twee groote bergen. Maroessia streelde met haar kleine hand hun gehoornde koppen. Een dof geloei was het antwoord op de liefkoozingen van het kind.
“Stil, stil,” zei Maroessia haastig. “Je moet mij heel bedaard volgen! Gauw maar!” [52]
Men zou gezegd hebben, dat de ossen deze woorden van hun kleine meesteres begrepen, want zij stonden zonder gedruisch op en volgden haar gedwee.
“Zij zijn veel grooter dan ik,” zei Maroessia lachend, “en toch zijn we even oud.”
De wagen, met hooi beladen, stond niet ver af.
De ossen waren er al spoedig voor gespannen.
“Haast u!” zei Maroessia. “Waarom kijkt u mij zoo aan?”
“Dat komt, omdat je zoo klein bent, Maroessia!” zei de afgezant, “zoo heel klein! Men zou je veeleer voor een klein vogeltje kunnen houden, geschapen om in deze steppen rond te fladderen en te zingen, dan voor iemand, die zulke belangrijke zaken aan de hand heeft!”
De afgezant had gelijk. Het kleine meisje scheen nog kleiner midden in deze uitgestrekte vlakte, bij die ontzaglijke ossen en bij den grooten wagen, naast dezen reus van een man.
“O, wat zou ik graag groot willen zijn!” zuchtte Maroessia. “Kijk! hier is de zakdoek van moeder, ik zal dien, evenals de oude vrouwen, om mijn hoofd doen, dan zal ik er wel heel oud uitzien, niet waar? Kijk mij maar eens aan!”
Haar groote oogen keken hem van onder den bruinen zakdoek aan, die haar blonde lokken en haar schouders geheel bedekte.
De afgezant keek haar teeder aan en glimlachte. Gedurende een oogenblik wilde of kon hij niets zeggen.
Toen hij eindelijk antwoordde, was zijn stem heel zacht, zoo zacht, dat men zou gezegd hebben, dat het de zijne niet was.
“Weet je den weg wel, Maroessia?” vroeg hij.
“Ik ken dezen weg best. Je moet aldoor rechtuit tot aan het kleine meertje gaan, en als je daar gekomen bent, sla je rechtsaf, en dan zie je van den top van een heuveltje het dak van het huis van Kniesj. Als je daar eenmaal bent, is ’t niet moeilijk om in Tsjigirine te komen. Ik heb Kniesj wel eens tegen vader hooren zeggen: ‘Het moet al een domoor zijn, die dezen weg niet weet te vinden.’” [53]
“Ken je Kniesj?”
“Ik ken hem, hij komt dikwijls bij ons.”
“Zal hij je goed ontvangen?”
“Dat weet ik niet ... ik denk het wel?”
“En als hij je eens slecht ontving?”
“Maar hij zal ons nooit kunnen verraden, niet waar? Het is een vriend... O neen! een vriend van vader kan geen verrader zijn.”
“Weet je wel, Maroessia!” vervolgde de afgezant, terwijl hij het kleine meisje strak aankeek, “weet je wel, dat het land vol vreemdelingen, soldaten, menschen zonder medelijden is? Weet je wel, dat wij slechts vijanden, sabelhouwen of geweerschoten zullen ontmoeten? Weet je wel, dat er overal bloed vloeit? Weet je dat wel?...”
“Ja,” antwoordde Maroessia, “ik weet dat alles.”
“Booze oogen zullen je bespieden; men zal je vragen doen, waarvan al de woorden strikken zullen zijn, en als je onhandig antwoordt, als je het minste gebaar, de minste beweging maakt, als je spreekt, als je bloost, als je even beeft, zal alles verloren zijn... Weet je dat wel?”
“O! ik zal niet onhandig antwoorden, ik zal iedereen wel goed te woord staan: ik ben niet bang!”
“Het kan zijn, beste meid, dat wij den dood tegemoetgaan!”
“Nee,” zei Maroessia, “wij zullen eerst later sterven. U moet eerst in Tsjigirine aankomen. Als u daar eenmaal bent, zal ik sterven, als het zoo wezen moet!... maar u moet eerst te Tsjigirine zijn! O ja!...”
De afgezant zei niets, maar hij nam het meisje in zijn armen en drukte haar tegen zich aan, terwijl hij haar heel zachtjes “m’n lieve kind” noemde.
“Maroessia!” zei hij toen, “wij zullen zeer zeker noodlottige ontmoetingen hebben; de soldaten zullen je gevangen nemen, je ondervragen. Als men naar den wagen toe kwam, zelfs met het doel om dien te doorzoeken, dan zou je je toch wel kalm [54]houden, dan zou je toch niet gelijken op een patrijs, die ziet dat de jager zijn nest, dat dicht in de nabijheid verborgen is, nadert. Je begrijpt mij, niet waar?”
“Ja, ik begrijp u. Ik moet zijn... ik moet zijn... zooals u. Ik zal ook zoo wezen.”

“Als iemand je mocht vragen, waar je naar toe gaat, dan moet je antwoorden, dat je dezen wagen, met hooi beladen, naar de woning van Kniesj brengt, die het van je vader heeft gekocht. Versta je?”
“Ja, ik versta het.”
“Als wij het huis van Kniesj goed en wel bereiken, zal deze [55]ons zeker op den drempel van zijn deur te gemoet komen. Begrijp je?”
“Ja.”
“Dan moet je tegen hem zeggen: ‘Wat hebt u mooi koren op uw land staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbijkwam. Het is nog wel wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken, voordat het geheel rijp is.’ Dat is heel lang, beste meid! Maar je kunt die woorden toch wel onthouden, niet waar?”
“O ja,” antwoordde Maroessia. “Luister maar, ik zal ze eens herhalen!”
Zij herhaalde ze en vergat niets, geen enkel woord.
“Je bent een kleine schat!” zei de afgezant. “Maar laat ons nu voortmaken!”
Hij klom op den wagen, maakte een groot gat in het hooi en verborg zich daarin.
Maroessia zette zich neer op de plaats, die een vrachtrijder zou ingenomen hebben, spoorde de ossen met haar lief stemmetje aan, dat in ’t eerst een beetje trilde. Toen zette de zware wagen zich langzaam in beweging.
De moeilijke tocht, midden in den nacht, was begonnen... [56]
[Inhoud]

Ossen weten nooit, hoeveel haast men heeft. De wagen reed naar den zin van Maroessia veel te langzaam; de afgemeten stappen der ossen werden op de stem van hun kleine vriendin wel wat grooter, maar zij liepen toch niet harder.
Alles was stil; de laatste sterren flonkerden aan den hemel en langzamerhand brak het daglicht door; van tijd tot tijd deden een geweerschot of een kreet, bestemd om de schildwachten op hun hoede te doen zijn, die diepe stilte nog des te meer uitkomen.
Maar ieder geluid, dat zich onverwachts deed hooren, joeg Maroessia een huivering over de leden. Hoeveel malen deed een windvlaag al het bloed naar haar hoofd stijgen! Ach! het was niet voor zich zelf, dat zij zoo gemakkelijk beefde. Wat [57]
haarzelf betrof, was zij onverschrokken, maar haar vrees was voor den ander. Eensklaps zei ze: [58]

“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan?” Blz. 58.
“Verschuil u goed! Daar komen menschen!”
Het was zoo, zij had goed gehoord. Al spoedig daarna omsingelde een afdeeling Russische ruiters den wagen.
“Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Wie ben je?” riepen verscheidene barsche stemmen.
“Ik ben de dochter van Danilo Tsjabane,” antwoordde Maroessia.
“Laat je ossen dan stilstaan!” riep een officier haar toe.
Maroessia liet de ossen stilstaan.
“Waar kom je vandaan?”
“Van ons vandaan.”
“Wat bedoel je daarmee?”
“Niet ver van dien kant af.”
“En waar ga je naar toe?”
“Ik ga naar baas Kniesj toe.”
“Wie is Kniesj?”
“Dat is een vriend van vader. Hij heeft dit hooi van ons gekocht, en ik breng den wagen naar hem toe.”
“Wat heb ik je gezegd, beste vriend?” zei een andere officier. “Het is een boerenwagen, en anders niet. Maar jij ziet overal verraders en ontsnapte gevangenen.”
“Wat zullen wij met onze vangst doen?... Beste meid! wil je je bij het regiment aansluiten? Maar och! je bent te klein, je zoudt er beter aan gedaan hebben, vanmorgen niet uit je wieg te komen.”
“Dit hooi,” antwoordde de eerste officier, “is toch niet te versmaden.” En zich tot Maroessia wendende, voegde hij er bij:
“Is het huis van dien Kniesj nog veraf?”
“Nog al...”
“Wat bedoel je daarmee? Zou men er met den stap, waarmee je ossen loopen, in één uur of in twee kunnen komen?”
“In twee misschien, en mogelijk ook wel in drie.”
“Welnu dan, ik zou er voor zijn, dat wij dezen wagen tot aan het huis van dien man vergezelden; en als hij op dit [59]hooi gesteld is, dan moet hij het maar van ons koopen. Beste meid! is het huis van je vader nog al netjes ingericht? Is hij een rijk grondbezitter?”
“Hij heeft een grooten tuin en veel appelen.”
“Dom gansje! Het is ons niet om appelen te doen... Maar komaan! laat ons zelf eens gaan zien, hoe het met dien Kniesj gesteld is. Het kan niet anders, of ons bezoek zal een aangename verrassing voor hem zijn.”
De officier gaf zijn paard de sporen en snelde vooruit. Zijn kameraad volgde hem, terwijl hij bromde:
“Je bent een echte gek! Daar hebben wij nu al een geheelen dag doorgebracht met doelloos rond te zwerven. Waar gebruik je ons voor?”
“Voorwaarts, meisje!” zeiden de soldaten tegen Maroessia. “Voorwaarts!”
De wagen reed voort, omgeven door de afdeeling soldaten.
Maroessia zag zich van alle kanten door woeste gestalten omringd.
Terwijl zij zich angstig afvroeg, wat zij doen zou om zich aan dit dreigend gevaar te onttrekken, sloeg zij een blik op de gezichten van hen, die haar omgaven. Allen waren met lange snorren versierd, door de zon gebruind, hardvochtig, somber en onverzoenlijk, en schenen uit te rusten na vele vermoeienissen en bloeddorstige daden. “Hoevelen van de onzen hebben die kerels al gedood en vermoord?” vroeg het kind bij zichzelf. “Is het niet verschrikkelijk daaraan te denken? Zouden zij zich het kwaad wel herinneren, dat zij bedreven hebben? De gezichten van enkelen zijn somber... Misschien hebben zij niet allemaal een hart van steen? En als zij hem eens ontdekten! O neen! zij zouden geen medelijden hebben!”
Ofschoon de ossen van Maroessia hun gewone logheid behielden, liepen zij toch met een eenigszins vluggeren stap, misschien wel aangespoord door het hoefgetrappel van de ruiterij en gestreeld door de frissche morgenkoelte. De paarden [60]van de ruiterafdeeling liepen met een geregelden stap, maar van tijd tot tijd rekten die, welke het dichtst bij den wagen waren, den hals uit en trokken een plukje hooi, dat binnen hun bereik was, van den wagen af. Dit joeg Maroessia een huivering door de leden. Als het hooi eens instortte, als...
Eensklaps bemerkte Maroessia, terwijl zij een blik op de soldaten sloeg, een paar oogen, die onafgewend op haar gevestigd schenen te zijn. Deze oogen waren doordringend als twee dolken en gloeiden als kooltjes vuur. Ze keken haar opmerkzaam aan, ja, en misschien wel met wantrouwen.
Zij werd beurtelings rood en bleek en dacht dat alles verloren was. Maar zij zei bijzich zelf:
“Ik moet zijn—zooals hij!”
En zij vatte weder moed.
De beide officieren reden vooruit. De een lachte, de ander bromde. De soldaten werden stil en schenen ten gevolge van den langzamen stap, waarmee zij reden, slaperig te worden.
Maar waarom keek die soldaat haar zoo den heelen tijd aan?
“Ik zal hem ook aankijken,” besloot Maroessia bij zich zelf.
En haar ontroering bedwingende, vestigde zij op haar beurt haar blikken op hem.
De bewuste oogen behoorden aan een bejaarden, forsch gebouwden onderofficier, die een zeer ruw en tegelijkertijd zeer schrander gezicht had.
Eensklaps bracht hij zijn paard naar voren en reed nu vlak naast Maroessia, als wilde hij haar wat dichterbij bekijken. Hij sprak in het eerst niet tegen haar, maar zijn doordringende oogen schenen te zeggen:
“Het is toch zonderling, dat zulk een klein meisje zulk een grooten wagen bestuurt! Wie heeft dit zwakke kind voor zoo’n zware taak kunnen kiezen? Wie heeft haar zoo geheel alleen kunnen laten vertrekken te midden van den nacht, nu het overal oorlog is en nu de wegen zoo onveilig zijn?” [61]
“Leven je vader en je moeder nog, beste meid?” vroeg hij haar eindelijk.
Daar hij dacht, dat Maroessia geen Russisch verstond, herhaalde hij zijn vraag, zoo goed hij kon, nog eens in de taal, die in de Ukraine gesproken wordt.

“Heb je nog een vader? Heb je nog een moeder?”
“Ja, Goddank!” antwoordde Maroessia.
“Allebei?”
“Allebei.”
Hij dacht een oogenblik na; vervolgens helderde zijn gezicht op, als had hij eensklaps iets van een raadsel begrepen, [62]waarvan hij de oplossing tot dusverre vruchteloos had gezocht.
Het hart van Maroessia sloeg geweldig. Alles draaide haar voor de oogen. Maar zij moest zijn—zooals hij.
Zij deed haar best om zich den schijn te geven, alsof zij volmaakt kalm was, en vroeg op haar beurt wel met een eenigszins bevende stem, maar toch met een glimlach om de lippen:
“En u, hebt u uw vader en moeder ook nog? Hebt u veel bloedverwanten? Hebt u zoons of dochters?”
Was het deze kinderlijke, bevende en aarzelende stem, of was het eenvoudig die vraag, die weer oude herinneringen in het hart van dezen soldaat opwekte? Het ruwe en onverzoenlijke gezicht, dat aan Maroessia zooveel vrees ingeboezemd had, veranderde plotseling, en men had daarop eensklaps een weerkaatsing kunnen zien van alle gewaarwordingen, die een menschenhart kunnen vervullen.
Die oogen, die haar nog pas zoo wantrouwend en uitvorschend hadden aangekeken, waren onmiddellijk verzacht. Zij keken Maroessia nu met eene zonderlinge ontroering aan. Vond hij in de trekken van het kleine meisje eenige gelijkenis met een kind, dat daar niet was, dat misschien heel ver van daar was, maar waaraan de gedachte alleen voldoende was om hem zacht te stemmen?
“Ja, ik heb een dochtertje,” antwoordde hij eindelijk.
“En is dat dochtertje al groot?” vroeg Maroessia.
Hij glimlachte, en men voelde, dat in dezen treurigen glimlach de herinnering aan een dierbaar kind opgesloten lag.
“Zij is even groot als u, ten minste bijna even groot,” antwoordde hij.
Toen boog hij het hoofd voorover, en Maroessia durfde hem geen vragen meer doen. Zij liet hem met zijn gedachten bij zijn dochter.
Men reed nog aldoor voort. Een rooskleurige streep vertoonde zich aan den gezichteinder. Een klein vogeltje deed [63]een zacht gepiep hooren dat zeker als een welkomstgroet aan den dageraad bedoeld was.
Niet ver van den weg bemerkte zij een klein meertje met een effen waterspiegel, met groene oevers, dat nog voor een gedeelte door den ochtendnevel bedekt was: men zou gezegd hebben, dat het een gazen sluier was, die langzamerhand opgelicht werd. Aan den rechterkant kronkelde zich een voetpad, en wel dat, hetwelk de voetgangers langs den kortsten weg naar het huis van Kniesj bracht. Eindelijk wees een witte rookzuil de plaats aan, waar het huis van den vriend haars vaders stond.
Over het licht, dat de duisternis weldra geheel zou verdrijven, maakte Maroessia zich ongerust. De vroolijke stralen van de morgenzon, steeds zoo welkom, waren voor haar op dien ochtend vijanden, die haar konden verraden! Haar oogen zochten onwillekeurig naar den man die met haar gepraat had, zonder hem te vinden, en zij was daar bedroefd over.
Onwillekeurig was zij op hem gaan rekenen als op een beschermer. Een ander soldaat reed nu aan haar rechterhand.
“Wie is dat schepseltje daar?” vroeg deze soldaat aan een van zijn kameraden, na een blik op Maroessia geslagen te hebben.
“Ze is niet grooter dan een notedop,” antwoordde een ander soldaat.
“Ze is nergens bang voor, zij reist als een kolonel van de huzaren.”
“Ik zou er wel wat onder willen verwedden, dat zij kruit noch kogels vreest!” vervolgde de eerste.
“Daar heeft zij gelijk in,” voegde de derde er bij. “Welke kogel zou voor zoo’n klein ding gevaarlijk kunnen zijn?”
“Ik ken de Ukrainiërs,” hernam de eerstgenoemde; “men kan niet zeggen, dat het een volk van hazen is. Zelfs de kleine meisjes uit dit land zijn dapper. Ik heb meer dan eens met mijn eigen oogen gezien, waartoe zij in staat zijn: het [64]kanon buldert, het geweervuur knettert, het bloed vloeit bij stroomen ... zij komen op het slagveld, zij loopen er moedig over heen, zij rapen er de gekwetsten op, alsof zij in een tuin wandelden en daar rozen plukten!”
“Zij sterven dan ook bij duizenden!” zei een ander.
“Och! wij sterven allen op de een of andere manier,” antwoordde iemand, dien men hoorde zonder hem te zien, omdat hij geheel achter twee reusachtige soldaten verscholen was. “Ja, op de een of andere manier; het komt er maar op aan, op de beste wijze te sterven. Maar wie kent dat meisje?”
Een paar geweerschoten verbraken de stilte...
Dit geluid verbande dadelijk iedere andere gedachte, ieder ander gevoel; de geheele afdeeling keek als een man met een uitvorschenden blik naar den horizon.
De officieren hielden hun paarden in. Iedereen liet zijn meening hooren; maar het geweervuur begon alweer, voordat men het over de oorzaak ervan eens was.
“Het is van onzen kant!” riep de jonge officier uit. “Er is geen twijfel mogelijk, het is van onzen kant, dat het gevecht begonnen is. Voorwaarts! Het zijn de onzen, die strijd voeren.”
“Heidaar, Iwan! Je moet den wagen maar tot aan het huis van dien Kniesj begeleiden en de zaak van het hooi in orde brengen. Voorwaarts!”
Maroessia had den tijd nog niet gehad om zich te herstellen of haar gedachten te verzamelen, toen de afdeeling reeds in een wolk van stof verdwenen was. Intusschen had de oude soldaat, die met haar gepraat en haar over zijn dochtertje gesproken had, zich even omgekeerd en haar, zooals zij duidelijk had gezien, een vaarwel toegeknikt.
Maroessia bleef alleen met dien Iwan, die het bevel ontvangen had, haar wagen tot aan het huis van Kniesj te begeleiden en de zaak van het hooi in orde te brengen.
“Vooruit maar, kleine meid!” zei Iwan tegen haar, terwijl hij zijn pijp opstak. [65]

“Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!” Blz. 74.
Maroessia keek Iwan aan en vond, dat hij er als een egel uitzag. [66]
“Kom, schiet een beetje op!” herhaalde hij op een strengeren toon.
Maroessia spoorde haar ossen aan. Bij het plotseling vertrek van hun geleide hadden zij het goed geacht, te blijven staan. Toen zij de stem van Maroessia hoorden haastten zij zich, te gehoorzamen.
De wagen had zijn afgemeten gang hernomen; Maroessia had zich onder voorwendsel, dat zij vermoeid was, er boven op neergezet, en terwijl zij er opklom, had zij kans gezien om haar kleine hand even aan haar grooten vriend toe te steken, wiens kalme en vertrouwende blik haar uit het gat, dat hij in het hooi gemaakt had, de hare ontmoet had. Dat had hun beiden goed gedaan. Iwan had natuurlijk nergens vermoeden van; hij had haar laten begaan, hij liep naast de ossen, terwijl hij zijn pijp rookte en voor zich keek.
Wat had de oorlog daar gewoed! Tegen één groen land, dat een rijken oogst beloofde, hadden zij er tien over te rijden, die geheel verwoest waren.
Het geweervuur herhaalde zich met gedurig kortere tusschenpoozen, en de schoten werden al duidelijker en duidelijker hoorbaar.
De wagen was een van die heuveltjes opgereden, die niet zeldzaam in dit land zijn en waaronder de gesneuvelden in vroegere veldslagen begraven liggen.
Toen zij boven op dit heuveltje aangekomen waren, bemerkte Maroessia in de vlakte een menigte tenten, half verborgen door wolken van zwarten rook, die soms door de opwaaiende roode vlammen verhelderd werden. Het was op dit terrein, dat het gevecht werd geleverd, dat het geweervuur hun in de verte had aangekondigd.
Van tijd tot tijd hoorde men geluiden, hetzij het gekerm van menschen, hetzij het gehinnik van paarden; ook het geschreeuw van kinderen drong door de frissche morgenlucht heen.
Maroessia zag voor zich het vreeselijke schouwspel van een [67]in brand gestoken dorp, rijke huizen in vlammen en ineenstortende hutten.
Vrouwen, die met hun kinderen in de armen radeloos heen en weer liepen vielen neer door onzichtbare slagen getroffen.
Paarden galoppeerden zonder ruiters voort. De lijken lagen op sommige plaatsen opgestapeld. De lichamen der gekwetsten, die den genadeslag verwachtten, waren over den grond verspreid. De gelederen, straks nog welgevuld, waren gedund; het getal der levenden verminderde bijna zichtbaar. De grond was op verscheidene plaatsen rood van bloed.
Niet ver van deze afschuwelijke tooneelen en recht voor haar, gelijk aan een oase, die zich te midden van de woestijn vertoont, stond de boerderij van Kniesj, door bloemen omgeven, die een heerlijken geur uitwasemden. Maroessia herkende iederen boom van dezen dichten tuin; de kleur van iedere bloem teekende zich op den groenen achtergrond af.
De deur van den stal stond open, en haar jeugdige oogen onderscheidden een grooten troep kippen, die, zonder zich om het gevecht te bekommeren, op het groote voorplein heen en weer liepen; op het voorplein stonden wagens, ploegen, hooivorken, spaden, harken en schoffels.
Bij de deur stond een groote hond, gitzwart en met borstelig haar, als een trouwe waker voor het huis van zijn baas. [68]
[Inhoud]

Nauwelijks stond de wagen voor de deur stil, of een jongen van ongeveer twaalf jaar, stevig gebouwd, en met een paar heldere oogen in z’n hoofd, vertoonde zich aan Maroessia.
“Is pane1 Kniesj thuis?” vroeg Maroessia.
“Ben je dan om grootvader gekomen?” zei de knaap, vragende in plaats van te antwoorden.
“Ja, om je grootvader. Is hij thuis?”
“Hij is thuis.”
“Waar is hij dan?”
“Hij is in den tuin; maar het kan ook wel zijn, dat hij in huis of op het land is.”
“Ga hem eens zeggen dat wij er zijn!” [69]
“En haast je wat!” voegde Iwan er bij, terwijl hij zijn pijp weer opstak.
Maar de grootvader kwam reeds aan.
Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een goedhartig oud man. Hij droeg een eenvoudig boerengewaad,—een hemd en een broek van linnen. Zijn hoofd was bedekt met een stroohoed, dien hij waarschijnlijk zelf gevlochten had.
Hij herkende Maroessia terstond en scheen volstrekt niet verwonderd haar te zien. Het tegendeel is waar; men zou gezegd hebben, dat hij haar verwachtte, en dat dit bezoek voor hem de eenvoudigste en de meest gewone zaak van de wereld was.
“Zoo, beste meid!” zei hij, “hoe gaat het met je? Ik ben blij dat ik je weer eens zie! Kom maar in huis! Maar als je liever in de open lucht wilt blijven, dan kent Taras de plaatsen, waar men aardbeien vindt en waar de frambozen staan. Wij hebben binnen nog wat andere lekkernijen: honingkoeken, kleine taartjes en zelfs groote.”
Iwan had dit woord “taartjes” in het voorbijgaan opgevangen.
“Ik zie, dat je goed van alles voorzien bent,” zei hij met een stem, die nog wel norsch klonk, maar die toch door het vooruitzicht op “de groote taartjes” al wat verzacht was.
“Gelukkig wel!” antwoordde de oude boer. “Kom binnen, kom binnen, als je honger hebt.”
Hij zag er zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo naïef uit, die oude Kniesj!
“Kom binnen!”