Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Een Kapitein van 15 Jaar, by Jules Verne

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Een Kapitein van 15 Jaar
       De Walvischjagers

Author: Jules Verne

Release Date: May 19, 2006 [EBook #18425]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






Oorspronkelijke voorkant.

Jules Verne

Een Kapitein van Vijftien Jaar


De Walvischjagers.

Amsterdam
Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”
1920

Gedrukt bij de N.V. Drukkerij Schilt Utrecht

Inhoudsopgave

[1]

Eerste hoofdstuk.

De schoenerbrik Pelgrim.

Den 2n Februari 1873 bevond zich de Schoener-brik Pelgrim op 43° 57′ Z.B. en op 165° 19′ W.L. van den meridiaan van Greenwich.

Dit vaartuig van vierhonderd ton, uitgerust te San-Francisco voor de groote visscherij in de zuidpoolzeeën, behoorde in eigendom aan James W. Weldon, een rijken Californischen reeder, die al sedert vele jaren het bevel over dezen bodem toevertrouwd had aan kapitein Hull.

De Pelgrim was een van de kleinste, maar de beste vaartuigen die James W. Weldon ieder jaar uitzond zoowel door de Behringstraat naar de noordpool-zeeën als naar de streken van Van Diemensland of van kaap Hoorn, tot den zuidpool-oceaan. Het schip liep uitstekend. Het licht te hanteeren tuig stelde het in staat, zich met een kleine bemanning in het gezicht der ongenaakbare ijsbanken van het zuidelijk halfrond te wagen. Kapitein Hull was geheel te huis te midden van die ijsbergen die tot in de nabijheid van Nieuw-Zeeland of van de kaap de Goede Hoop afdrijven, onder een veel lagere breedte dan die, welke zij in de noordpool-zeeën van den aardbol bereiken. Weliswaar worden daar slechts ijsbergen van geringe afmetingen aangetroffen, die reeds afgebrokkeld waren door de schokken en ingevreten door het warmer water, en waarvan het grootste gedeelte in de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan door warmer lucht of water wordt opgelost.

Onder de bevelen van kapitein Hull, die een goed zeeman en daarenboven een der bekwaamste harpoeniers der vloot was, stond een bemanning van vijf matrozen en een leerling. Dit was voorzeker een kleine bemanning voor de walvischvangst, die een vrij talrijk personeel vordert. Er is volk noodig zoowel om de booten die den walvisch moeten aanvallen te besturen als om de gevangen dieren in stukken te hakken. Maar, naar het voorbeeld van zekere reeders, vond ook James W. Weldon het veel zuiniger om te San-Francisco slechts het tot het bestuur van het vaartuig benoodigde aantal matrozen aan te werven. Nieuw-Zeeland leverde genoeg harpoeniers, zeelieden van allerlei natiën, deserteurs en allerlei slag van volk op, die hij voor den tocht kon huren en als zeer bekwame visschers te boek stonden. Was de kampanje eenmaal afgeloopen, dan werden zij afgemonsterd en wachtten dan tot dat de walvischvaarders het volgend jaar opnieuw hunne diensten kwamen inroepen. Op deze wijze werd er een beter gebruik van de beschikbare zeelieden gemaakt en grooter voordeelen van hun medehulp getrokken.

Zoo had men aan boord van den Pelgrim gehandeld.

De schoenerbrik had haar kampanje op de grens van den zuidpoolcirkel afgelegd. Maar haar volle lading van vaten traan en walvischbaarden had zij niet kunnen verkrijgen. Toen reeds werd de vangst moeielijk. De tot het uiterste vervolgde walvisschen werden schaarsch. De echte walvisch, die den naam draagt van “Nordcaper” in den noordelijken Oceaan en dien van “Sulpher-boltone” in de zuidelijke zeeën, verdween al meer en meer. De visschers hadden zich moeten vergenoegen met den “vinvisch” of “snavelwalvisch”, een reusachtig zoogdier, welks aanvallen niet zonder gevaar zijn.

Hiertoe nu had kapitein Hull zich gedurende dezen tocht verplicht gezien; maar op zijn volgende reis was hij van plan een hoogere breedte te halen en als het moest, zich in het gezicht te begeven van Clarie-land en Adelie-land waarvan de ontdekking, die door den Amerikaan Wilkes betwist werd, wel degelijk te danken is aan den beroemden kommandant der Astrolabe en der Zelée, den Franschman Dumont d’Urville.

Over het geheel was de kampanje niet gelukkig voor den Pelgrim geweest. [2]In het begin van Januari, namelijk tegen het midden van den noordelijken zomer, en hoewel de tijd voor den terugkeer van de walvischvaarders nog niet gekomen was, had zich kapitein Hull gedwongen gezien het vischwater te verlaten. Zijn hulp-equipage,—een samenraapsel van vrij ongelukkige sujetten,—begon weerspannig te worden, zoodat hij er zich zoo spoedig mogelijk van moest afmaken.

De Pelgrim wendde dus den steven naar het noord-westen, naar de kust van Nieuw-Zeeland, die hij den 15en Januari in het gezicht kreeg. Hij liet het anker vallen te Waitemata, in de haven van Auckland, gelegen in de golf van Chouraki, op de oostkust van het noordelijk gelegen eiland en ontscheepte daar de visschers die voor den tocht gehuurd waren.

De bemanning was niet tevreden. Er ontbraken ten minste twee honderd vaten traan aan de lading van den Pelgrim. Nooit had men slechter vangst gehad. Kapitein Hull kwam dus thuis met de teleurstelling van een voortreffelijk jager, die voor ’t eerst van zijn leven platzak terugkomt, of althans bijna. Zijn eigenliefde, zeer geprikkeld, was er mede gemoeid en hij vergaf dien schoeljes niet, wier weerspannigheid de resultaten zijner kampanje op het spel had gezet.

Tevergeefs beproefde men te Auckland een nieuwe visschersbemanning aan te werven. Al de beschikbare zeelieden hadden zich op de andere walvischvaarders ingescheept. Men moest dus de hoop opgeven de lading van den Pelgrim vol te maken en kapitein Hull was op het punt Auckland te verlaten, toen hem door iemand verzocht werd den overtocht mede te mogen maken, ’t geen hij niet kon weigeren.

Mevrouw Weldon, de vrouw van den reeder van den Pelgrim, bevond zich toen juist te Auckland met haar zoontje Jack, een jongen van 5 jaar, en een harer bloedverwanten, haar neef Benedictus. James W. Weldon, die wegens handelszaken somtijds verplicht was Nieuw-Zeeland te bezoeken, had hen er alle drie gebracht en meende hen natuurlijk met zich mede naar San-Francisco terug te nemen.

Maar op het oogenblik dat de familie zou vertrekken, werd de kleine Jack vrij ernstig ziek en moest zijn vader, die door zijn zaken gedwongen was te vertrekken, Auckland verlaten en zijn vrouw, zijn zoon en zijn neef Benedictus achter laten.

Drie maanden waren verloopen,—drie lange maanden van scheiding, die voor Mevrouw Weldon zeer pijnlijk waren. Evenwel herstelde haar kind en zij kon nu vertrekken, toen men haar de aankomst van den Pelgrim berichtte.

Om nu naar San-Francisco te vertrekken, bevond Mevr. Weldon zich dezer dagen in de noodzakelijkheid in Australië een van de vaartuigen op te zoeken van de transatlantische compagnie, de “Golden Age”, die van Melbourne over Papeiti naar de landengte van Panama varen. Daarna, eenmaal te Panama, moest zij op het vertrek wachten van de Amerikaansche stoomboot, die een geregelden dienst daarstelt tusschen de landengte en Californië. Van daar dan vertraging, overscheping, allerlei bezwaren in één woord die voor een vrouw en een kind zeer onaangenaam zijn. Op dit oogenblik liep de Pelgrim Auckland binnen. Zij aarzelde niet en vroeg aan kapitein Hull haar aan boord te nemen om haar, haren zoon, neef Benedictus en Nan, een oude negerin die sedert hare kindsheid bij haar in dienst was, naar San-Francisco over te brengen. Drie duizend zeemijlen op een zeilschip! Maar het schip van kapitein Hull was zoo behoorlijk in orde en de moesson was nog zoo goed aan weerszijden van den aequator! Kapitein Hull nam het volgaarne aan en stelde dadelijk zijn eigen kajuit ter beschikking van Mevr. Weldon. Hij wilde dat zij gedurende den overtocht, die een veertig à vijftig dagen kon duren, zoo goed mogelijk aan boord van zijn walvischvaarder gelogeerd zou zijn.

Er waren dus voor Mevr. Weldon eenige voordeelen in gelegen, om den overtocht in deze omstandigheden te ondernemen. Het eenige nadeel was dat deze noodzakelijk eenige vertraging zou ondervinden door de omstandigheid dat de Pelgrim te Valparaiso in Chili moest gaan lossen. Daarna had hij slechts langs de Amerikaansche kust te houden, met den wind van de landzijde, die de vaart in deze streken zeer aangenaam maakt.

Mevr. Weldon was overigens een [3]moedige vrouw, die niet bang was op zee. Zij had den leeftijd van dertig jaren bereikt, was flink en gezond en gewoon lange zeereizen te maken, daar zij met haren man de vermoeienissen van talrijke tochten gedeeld had; zij had daarom geen vrees voor de meer of minder gewaagde kansen van een verblijf aan boord van een vaartuig van middelmatige afmeting. Zij kende kapitein Hull als een uitmuntend zeeman, in wien James W. Weldon het meeste vertrouwen stelde. De Pelgrim was een stevig vaartuig, een snelle zeiler en stond goed aangeteekend in de vloot der Amerikaansche walvischvaarders. De gelegenheid bood zich aan, men moest er gebruik van maken en Mevr. Weldon maakte er gebruik van.

Neef Benedictus,—dat spreekt van zelf,—zou haar begeleiden.

Deze neef was een goede man van omstreeks vijftig jaren. Doch in weerwil van zijn vijftigjarigen leeftijd, zou het niet voorzichtig geweest zijn hem alleen te laten uitgaan. Hij was eer lang dan groot, eer smal dan mager, met een beenachtig gelaat, een ontzaglijk hoofd en lange haren; men herkende in zijn eindeloos figuur een van die waardige geleerden met gouden bril, onschadelijke en goede wezens, die bestemd zijn hun gansche leven groote kinderen te blijven en zeer oud te worden, als honderdjarigen die als zuigelingen sterven.

“Neef Benedictus,”—zooals men hem steeds en niet alleen in zijn familie noemde, en werkelijk was hij een van die goede wezens die door iedereen met den naam van “neef” begroet worden,—neef Benedictus, die altijd in de war scheen te zijn met zijn lange armen en beenen, zou zich, zelfs in de meest gewone omstandigheden van het dagelijksch leven, niet hebben kunnen redden. Hij was niet hinderlijk, volstrekt niet, maar eer lastig voor anderen en verlegen met zich zelven. Gemakkelijk in den omgang overigens, met alles tevreden, vergetende te eten of te drinken, als men hem niet te drinken of te eten bracht, ongevoelig voor koude of warmte, scheen hij minder tot het dierenrijk dan tot dat der planten te behooren. Men stelle zich een boom voor, zonder eenig nut, zonder vruchten en bijna zonder bladeren, niet in staat om te voeden of te beschutten, maar met een goed hart.

Zoodanig was neef Benedictus. Hij zou gaarne iedereen diensten bewezen hebben, indien, zooals Prudhomme zou zeggen, hij in staat ware geweest ze te bewijzen.

Eindelijk, men had hem lief juist terwille van zijn zwakheid. Mevr. Weldon beschouwde hem als haar kind,—als een grooten oudere-broeder van haar kleinen Jack.

Wij moeten hier nog bijvoegen dat neef Benedictus evenwel noch werkeloos, noch onledig was. Hij was integendeel een werkzaam mensch. De natuurlijke historie waarin hij zich geheel kon verdiepen, was zijn eenige hartstocht.

Nu is “de natuurlijke historie” een woord van grooten omvang.

Men weet dat de verschillende onderdeelen, waaruit deze wetenschap bestaat, zijn de dierkunde, de botanie, de delfstofkunde en de aardkunde.

Nu kon neef Benedictus volstrekt geen botanicus, noch mineraloog, noch geoloog genoemd worden.

Was hij dan een zoöloog in de geheele beteekenis van het woord, een soort van Cuvier der nieuwe wereld, die het dier door analyse ontleedde of het door synthese weder opbouwde, een van die diepzinnige geleerden, die geheel doorgedrongen zijn in de studie der vier typen waartoe de nieuwere wetenschap het geheele dierenrijk, gewervelde dieren, weekdieren, gelede dieren en straaldieren brengt? Had de naïve maar werkzame geleerde, van de vier afdeelingen de verschillende klassen bestudeerd en de orde, de families, de rassen, de geslachten, de soorten, de variëteiten, die ze onderscheiden, nagegaan?

Neen.

Had neef Benedictus de gewervelde dieren, de zoogdieren, vogels, kruipende dieren en visschen, tot het onderwerp zijner nasporingen gemaakt?

Geenszins.

Had hij bij voorkeur de weekdieren, van de cephalopoden (de koppootigen) af tot de bryozoën (mosdiertjes) toe, bestudeerd en had de malacologie (de studie der weekdieren) geen geheimen meer voor hem?

Evenmin.

Het waren dus de straaldieren, de stekelhuidigen, de schijfwallen, koraaldieren, [4]ingewandswormen, sponsen en infusiediertjes, die hem zooveel olie in zijn studielampje gekost hadden?

Nu waren het niet de straaldiertjes, en daar er in de zoölogie niets meer op te noemen overblijft dan de afdeeling der gelede dieren, zoo spreekt het van zelf, dat het deze afdeeling is waarop neef Benedictus zich met hart en ziel had toegelegd.

Maar ook dan nog is het noodig te specificeeren.

De afdeeling der gelede dieren telt zes klassen: de insecten, de duizendpootigen, de spinachtigen, de kreeftdieren, de rankpootigen, en de ringwormen.

Nu had neef Benedictus wetenschappelijk geen aardworm van een bloedzuiger, geen steenbreker van een zee-eikel, geen huisspin van een schorpioen, geen garnaal van een kikvorsch kunnen onderscheiden.

Maar wat was neef Benedictus dan?

Een eenvoudig entomoloog, niets meer of minder.

Ongetwijfeld zal men hierop antwoorden, dat in haar etymologische beteekenis, de entomologie (leer der insecten) dat gedeelte der natuurkundige wetenschap is dat al de gelede dieren bevat. Dit is waar in algemeenen zin, maar de gewoonte heeft bepaald dit woord slechts in meer beperkten zin op te vatten. Men past het dus toe op de eigenlijk gezegde studie der insecten, dat wil zeggen “van al de gelede dieren welker lichaam, uit aan elkaar geplaatste ringen samengesteld, drie verschillende segmenten vormt en die drie paren pooten bezitten, hetgeen hun den naam van hexapoden (zespootigen) verleend heeft.”

Daar nu neef Benedictus zich bepaald had tot de studie der gelede insecten dezer klasse, was hij slechts een eenvoudig entomoloog.

Maar men achte dit niet gering! In deze klasse van insecten telt men niet minder dan tien orden: de orthoptera1 (rechtvleugeligen), de neuroptera2 (netvleugeligen), de hymenoptera3 (vliesvleugeligen), de lepidoptera4 (schubvleugeligen of vlinders), de hemiptera 5 (halfvleugeligen), de coleoptera 6 (schildvleugeligen of torren), de diptera7 (tweevleugeligen), de rhipiptera8 (vakvleugeligen), de parasieten9 (woekerinsecten), en de tysanura10. Nu heeft men in sommige dezer orden, de coleoptera bijvoorbeeld, dertig duizend soorten en zestig duizend in de diptera; de onderwerpen tot studie ontbreken dus niet en men zal toestemmen, dat er genoeg voorraad is om een mensch alleen bezig te houden.

Het leven van neef Benedictus was dan ook eenig en alleen aan de entomologie gewijd.

Al zijn tijd zonder uitzondering, zelfs zijn tijd om te slapen, besteedde hij aan deze wetenschap; steeds droomde hij van “hexapoden”. De spelden in de mouwen en den kraag van zijn jas, in den bodem van zijn hoed en de omslagen van zijn vest, waren ontelbaar. Als neef Benedictus van een wetenschappelijke wandeling terugkwam, was vooral zijn kostbaar hoofddeksel niet meer of minder dan een doos met voorwerpen van natuurlijke historie, daar het van binnen en van buiten bezaaid was met doorstoken insecten.

Wanneer wij nu nog hierbij voegen, dat hij juist uithoofde van zijn entomologischen hartstocht den heer en mevr. Weldon naar Nieuw-Zeeland vergezeld had, zal dit voldoende zijn om dezen zonderling te schetsen. Zijn verzameling was daar verrijkt geworden met eenige zeldzame voorwerpen en men begrijpt licht dat hij haast had ze in de loketkas van zijn kabinet te rangschikken.

Daar nu Mevr. Weldon en haar kind met den Pelgrim naar Amerika terugkeerden, was niets natuurlijker dan dat neef Benedictus hen op hunne terugreis vergezelde.

Maar hij was de man niet voor mevr. Weldon op wien ze in hachelijke oogenblikken kon rekenen. Zeer gelukkig zou het een gemakkelijke reis zijn in het schoone jaargetijde, aan boord van een vaartuig welks gezagvoerder al haar vertrouwen verdiende.

Gedurende de drie dagen dat de [5]Pelgrim Waitemata aandeed, maakte Mevr. Weldon in groote haast toebereidselen, want zij wilde het vertrek van de schoenerbrik geen oogenblik vertragen. De inlanders die haar gedurende haar verblijf te Auckland bediend hadden, kregen hun afscheid en den 22en Januari scheepte zij zich aan boord van den Pelgrim in, met haar zoon Jack, neef Benedictus en Nan, haar oude negerin.

Neef Benedictus nam in een bijzonder daartoe ingerichte bus zijn gansche vreemde verzameling insecten mede. In deze verzameling bevonden zich onder anderen eenige van die pas ontdekte staphylini, een soort van vleeschetende coleoptera (schildvleugelige insecten), welker oogen boven op den kop geplaatst zijn en die tot nog toe alleen op Nieuw-Caledonië gevonden werden. Men had hem ook een zekere vergiftige spin aanbevolen, de “kapipo” der Maori’s, welker beet voor de inlanders dikwijls doodelijk is. Maar een spin behoort niet tot de orde der eigenlijk gezegde insecten, zij heeft haar plaats in die der arachniden (spinachtigen) en was in de oogen van neef Benedictus zonder eenige beteekenis. Daarom had hij haar ook versmaad en was het juweel van zijn verzameling een merkwaardige Nieuw-Zeelandsche staphylinus.

Het spreekt van zelf, dat neef Benedictus zijn lading hoog had laten verzekeren; zij was voor hem kostbaarder dan de geheele lading traan en baarden in het ruim van den Pelgrim.

Toen het schip zeilree lag en mevr. Weldon en haar reisgenooten zich op het dek van de schoenerbrik bevonden, sprak kapitein Hull zijn passagiers aan met de woorden:

”’k Behoef u niet te zeggen, mevrouw, dat u onder uw eigen verantwoordelijkheid plaats neemt aan boord van den Pelgrim.”

“Waarom maakt u me deze opmerking mijnheer Hull?” vroeg mevr. Weldon.

“Omdat ik in dit opzicht geen order van uw man gekregen heb, en geen schoenerbrik u ooit de waarborgen van den gemakkelijken overtocht kan aanbieden van een pakketboot, die uitsluitend bestemd is tot het varen van passagiers.”

“Als mijn man hier was,” antwoordde Mevr. Weldon, “zoudt u dan denken, mijnheer Hull, dat hij zou aarzelen zich op den Pelgrim in te schepen, in gezelschap van zijn vrouw en zijn kind?”

“Neen, mevrouw, hij zou niet aarzelen,” zei kapitein Hull, “neen, stellig niet! evenmin als ik zelf zou aarzelen! De Pelgrim is een goed schip, al heeft het een slechte reis gemaakt, en ik ben er zeker van, zoo zeker als een zeeman het zijn kan van een vaartuig, dat hij sedert verscheidene jaren commandeert. Ik zeg het alleen, Mevr. Weldon, om mijn verantwoordelijkheid te dekken en u nogmaals te zeggen dat u aan boord niet het gemakkelijke leven zult vinden, waaraan u gewoon zijt.”

“Als het niets anders is, mijnheer Hull,” antwoordde Mevr. Weldon, “dan kan mij dit niet terughouden. Ik ben niet een van die lastige passagiers, die onophoudelijk klagen over de bekrompen kooien of de karige tafel.”

Toen, na op haren kleinen Jack, dien zij aan de hand hield, een liefdevollen blik geworpen te hebben, zeide zij:

“Laat ons vertrekken, mijnheer Hull!”

Het bevel werd gegeven dadelijk onder zeil te gaan en de Pelgrim manoeuvreerde weldra met het doel om langs den kortsten weg uit de golf te geraken, terwijl hij den steven naar de Amerikaansche kust wendde.

Doch drie dagen later na haar vertrek was de schoenerbrik tengevolge van een sterke bries uit het oosten, verplicht in den wind op te werken.

Ook bevond kapitein Hull zich den 2en Februari op een hoogere breedte dan hij wel gewild had en wel in den toestand van een zeeman die eerder trachtte kaap Hoorn om te zeilen dan langs den kortsten weg de nieuwe wereld te bereiken.


1 Typen: sprinkhanen, krekels, enz.

2 Typen: mierenleeuwen.

3 Typen: bijen, wespen, mieren.

4 Typen: vlinders, enz.

5 Typen: bladluizen, vlooien.

6 Typen: meikevers, glimwormen, enz.

7 Typen: muggen, muskieten, enz.

8 Typen: stylops.

9 Typen: myten, enz.

10 Typen: suikergasten, enz.

Tweede hoofdstuk.

Dick Sand.

Inmiddels was de zee kalm en ging alles, zonder de vertraging te rekenen, naar wensch.

Mevr. Weldon was zoo aangenaam en gemakkelijk mogelijk aan boord van den Pelgrim gehuisvest. Geen bovenhut nam het achterdek in. Er was geen eigenlijke kajuit, maar slechts een eenvoudige [6]hut van kapitein Hull in het achterschip, waarmede zij zich moest vergenoegen. En zelfs had de kapitein er nog op moeten aandringen om haar dit nederig verblijf te doen aannemen. Hier in deze bekrompen ruimte was Mevr. Weldon met haar kind en de oude Nan gehuisvest. Daar nam zij haar maaltijden, in gezelschap van den kapitein en neef Benedictus, voor wien men een soort van kamer ergens tusschendeks had ingericht.

Wat den kapitein van den Pelgrim aangaat, hij logeerde in een hut der bemanning die door den stuurman zou bewoond geweest zijn, indien er een stuurman aan boord geweest ware. Maar de schoenerbrik voer, zooals men weet, onder omstandigheden, die de diensten van nog een officier hadden kunnen besparen.

De matrozen van den Pelgrim, goede en vertrouwde zeelieden, waren door de gemeenschap hunner denkbeelden en gewoonten innig met elkaar verbonden. Het was de vierde tocht dien zij samen op de groote visscherij deden. Het waren allen mannen uit het westen van Noord-Amerika die elkander sinds jaren kenden en dezelfde kuststreek van Californië bewoonden.

Deze brave menschen waren zeer voorkomend voor Mevr. Weldon, de vrouw van hunnen reeder, wien zij een onbepaalde toegenegenheid toedroegen. Het is waar dat zij zeer veel belang hadden in de winsten van het schip en tot nog toe met groot voordeel hadden gevaren. Dan ook moesten zij tengevolge van hun klein getal hard werken, maar hun arbeid deed bij het opmaken der rekening na elke kampanje, hun winsten toenemen. Ditmaal evenwel zou het voordeel bijna nul zijn en daarom waren zij niet ten onrechte verbitterd tegen die schoeljes van Nieuw-Zeeland.

Een enkel man aan boord was niet van Amerikaansche afkomst. Portugees van geboorte, maar het Engelsch vloeiend sprekend, noemde hij zich Negoro en nam aan boord van de schoenerbrik het nederig ambt van kok waar.

Toen de kok van den Pelgrim te Auckland gedeserteerd was, kwam deze Negoro, die destijds geen betrekking had, zich aanbieden om hem te vervangen. Hij was een stil man, weinig mededeelzaam, die zich steeds op den achtergrond hield, maar behoorlijk zijn taak waarnam. Kapitein Hull scheen het goed met hem getroffen te hebben, toen hij hem huurde, want de kok had sedert zijn inscheping nog geen enkele reden tot klagen gegeven.

Toch had kapitein Hull spijt dat hem de tijd ontbroken had zich behoorlijk inlichtingen over zijn verleden te verschaffen. Zijn gelaat of liever zijn blik beviel hem maar half en wanneer het gold een onbekende in het beperkte, intieme leven aan boord in te leiden, mocht men niets verzuimen om zich met zijn verleden bekend te maken.

Negoro kon op het oog veertig jaar oud zijn. Mager, gespierd, van gemiddelde lengte, donker bruin van haar, met door de zon verbrande huid, moest hij sterk zijn. Had hij eenig onderwijs genoten? Ongetwijfeld. Dat bleek uit zekere opmerkingen, die hem nu en dan ontsnapten. Overigens sprak hij nooit over zijn verleden of liet hij zich uit over zijn familie. Waar hij van daan kwam, waar hij gewoond had, men kon het niet raden. Wat wachtte hem in de toekomst? men wist het evenmin. Hij gaf alleen zijn voornemen te kennen om te Valparaiso te ontschepen. Het was voorzeker een zonderling mensch. In ieder geval scheen hij geen zeeman te zijn. Hij scheen zelfs minder van zaken, de zeevaart betreffende, te weten dan een kok, wiens leven grootendeels op zee is doorgebracht.

Evenwel wist hij niets van het slingeren of het stampen van het schip, zooals menschen die nooit gevaren hebben en dit is voor een scheepskok een zaak van het hoogste belang.

In het algemeen zag men hem weinig. Op den dag bleef hij gewoonlijk in zijn bekrompen kombuis, voor het kookfornuis dat er de meeste plaats van innam. Als tegen den nacht het fornuis was uitgedoofd, begaf Negoro zich naar zijn kooi achter in het verblijf der bemanning en sliep dadelijk in.

Wij hebben reeds gezegd dat de equipage van den Pelgrim uit vijf matrozen en een leerling bestond.

Deze vijftienjarige leerling was het kind van onbekende ouders. Dit arme, van zijn geboorte af aan verlaten wezen [7]was door de openbare liefdadigheid opgenomen en door haar groot gebracht.

Dick Sand—zooals hij heette—was waarschijnlijk afkomstig uit den staat New-York en ongetwijfeld uit de hoofdstad van dien Staat.

De naam van Dick,—verkorting van Richard,—was ontleend aan dien van den liefdadigen voorbijganger die hem had opgenomen, twee of drie uur na zijn geboorte. Wat den naam van Sand aangaat, men had hem dien gegeven ter herinnering aan de plaats waar hij gevonden was, namelijk op de landengte van Sandy-Hook1, die den ingang vormt van de haven van New-York, aan de monding der Hudson.

Dick Sand zou, geheel volwassen, de gemiddelde lengte niet overschrijden, maar hij was krachtig gebouwd. Ongetwijfeld was hij van Anglo-Saxische afkomst. Hij was bruin, maar had blauwe oogen die als vuur schitterden. Als zeeman had hij reeds vroeg den strijd des levens leeren kennen. Zijn schrander gelaat ademde geestkracht. Het was niet dat van een stoutmoedige, maar van iemand die “durft”. Dikwijls haalt men deze drie woorden van een vers van Virgilius aan:

Audaces fortuna juvat,

maar men haalt ze onjuist aan. De dichter zegt:

Audentes fortuna juvat.

Hun, die durven, niet den stoutmoedigen, lacht bijna altijd het geluk toe. De stoutmoedige kan onbedacht handelen. Hij die durft denkt eerst en handelt daarna. Daarin is het verschil gelegen.

Nu was Dick Sand audens. Op vijftienjarigen leeftijd kon hij reeds een besluit nemen en tot het einde toe uitvoeren wat zijn onverschrokken geest beslist had. Zijn levendig en tegelijk ernstig voorkomen trok de aandacht. Hij was zeer spaarzaam in woorden en gebaren, het tegengestelde van jongens op zijn leeftijd. Al vroeg, in een tijdperk des levens dat men de groote vraagstukken van ons bestaan nog niet bespreekt, had hij zijn ellendigen toestand goed ingezien en zich vast voorgenomen zichzelven te vormen.

En hij had zich gevormd, daar hij reeds bijna een man was op den leeftijd dat anderen nog kinderen zijn.

Daarbij zeer vlug, zeer bekwaam in alle lichaamsoefeningen, was Dick Sand een van die bevoorrechte wezens, van wie in de wandeling gezegd wordt dat zij met vier handen geboren zijn.

Men weet dat de openbare liefdadigheid den kleinen wees had opgevoed. Hij was eerst in een van die kinderhuizen geweest, waar in Amerika altijd een plaats voor de kleine verlatenen wordt opengehouden. Daarna, toen hij vier jaar oud was, leerde Dick lezen, schrijven en rekenen op een van die scholen in den staat New-York, die door liefdadige inschrijvingen onderhouden worden.

Toen hij acht jaar oud was, deed zijn begeerte om op zee te gaan hem dienst nemen als kajuitsjongen op een mailboot der zeeën van het Zuiden. Daar leerde hij het vak van zeeman, en zooals men het moet leeren, van den vroegsten leeftijd af aan. Langzamerhand onderwees hij zich onder de leiding van officieren, die belang in het kleine ventje stelden. Ook moest de kajuitsjongen weldra leerling worden, in het vooruitzicht van beter ongetwijfeld. Het kind dat al vroeg begrijpt dat de arbeid de wet des levens is, hij die al bij tijds leert dat het brood slechts verdiend wordt in het zweet zijns aanschijns, zoo iemand is waarschijnlijk voorbeschikt tot groote dingen, want hij zal eenmaal met den wil, de kracht hebben ze te volbrengen.

Toen Dick Sand kajuitsjongen aan boord van een koopvaardijschip was, werd hij opgemerkt door kapitein Hull. Deze brave zeeman gevoelde zich dadelijk tot den knaap aangetrokken en bracht hem in kennis met zijn reeder James W. Weldon. Deze stelde het levendigste belang in den wees, wiens opvoeding hij te San-Francisco voltooide en dien hij in den Katholieken godsdienst, waartoe zijn familie behoorde, liet groot brengen.

Onder al de vakken zijner studie was het vooral de aardrijkskunde, waarvoor Dick Sand een sterke voorliefde gevoelde, totdat hij den ouderdom bereikte om dat gedeelte der mathesis te leeren dat betrekking heeft op de zeevaart. Bij dit theoretische gedeelte van zijn onderricht, verzuimde hij niet de praktijk te voegen. Voor het eerst kon hij als leerling de reis aan boord van den Pelgrim mede maken. Een goed zeeman moet even goed de groote visscherij [8]leeren als de groote vaart. Het is een goede voorbereiding voor alle mogelijke gebeurtenissen die het zeemansvak medebrengt. Bovendien ging Dick Sand mede op een schip van James W. Weldon, zijn weldoener, en gecommandeerd door zijn beschermer, kapitein Hull. Hij bevond zich dus in de gunstigste omstandigheden.

Het is overbodig te zeggen hoever zijn toegenegenheid voor de familie Weldon, waaraan hij alles verschuldigd was, gaan zou. Beter is het de feiten te laten spreken. Maar men begrijpt hoe gelukkig de jeugdige leerling was, toen hij vernam dat Mevr. Weldon aan boord van den Pelgrim den overtocht mede zou maken. Mevr. Weldon was gedurende eenige jaren een moeder voor hem geweest en in Jack zag hij een broertje, terwijl hij zijn positie tegenover den zoon van den rijken reeder daarbij niet uit het oog verloor. Doch—zijn beschermers hadden het wel voorzien,—het goede zaad dat zij gezaaid hadden, was in goede aarde gevallen. Het hart van den wees was met dankbaarheid vervuld, en zoo hij eenmaal zijn leven moest geven voor hen die hem geleerd hadden zich te onderrichten en God lief te hebben, zou de jeugdige leerling niet geaarzeld hebben. In één woord, op vijftienjarigen leeftijd te denken en te handelen als iemand van dertig jaren, was een van de kenmerken van Dick Sand’s karakter.

Mevr. Weldon wist dat karakter naar waarde te schatten. Zij kon hem zonder de minste ongerustheid den kleinen Jack toevertrouwen. Dick Sand van zijn kant had het kind hartelijk lief dat zich door dien “grooten broeder” bemind wist en hem opzocht. Gedurende de lange uren van rust die zoo menigvuldig op een zeereis voorkomen, als de zee kalm is en de eenmaal gestelde zeilen niet verwisseld behooren te worden, in zeemanstermen: als het tuig kant staat, waren Dick en Jack bijna altijd te zamen. De jeugdige leerling liet den kleinen jongen alles zien wat hem genoegen kon geven. Zonder eenige de minste vrees zag Mevr. Weldon Jack in gezelschap van Dick Sand het want openteren, naar de voormars, of de kruiszalings klauteren en als een pijl uit den boog langs het touwwerk naar beneden glijden. Dick Sand ging hem vooruit of volgde hem altijd, gereed hem te ondersteunen of hem vast te houden zoodra zijn armen van vijf jaar hem in deze lichaamsoefeningen in den steek lieten. Dat alles nu deed den kleinen Jack goed, die door de ziekte bleek en zwak geworden was; maar weldra kreeg hij zijn kleur aan boord van den Pelgrim terug, dank zij de versterkende zeebries en die dagelijksche gymnastiek.

Zoo stonden dus de zaken. Onder deze omstandigheden had de overtocht plaats, en ware de wind gunstiger geweest, dan zouden noch de passagiers, noch de bemanning van den Pelgrim zich ergens over te beklagen hebben.

Maar juist de hardnekkige oostenwinden boezemden kapitein Hull eenige ongerustheid in en beletten hem het schip op den goeden weg te brengen. Later, bij den Steenbokskeerkring, vreesde hij windstilte te ontmoeten, die hen nog meer zou tegenwerken, om niet te spreken van den aequatoriaalstroom die hen onweerstaanbaar naar het westen zou medevoeren. Hij maakte zich dus, vooral voor Mevr. Weldon ongerust over deze vertraging waarvoor hij evenwel niet verantwoordelijk was. Hij dacht er dan ook over, om zoo hij op zijn weg eenig transatlantisch vaartuig mocht ontmoeten op reis naar Amerika, zijn passagier aan te raden, zich aan boord er van te begeven. Ongelukkig werd hij door de hooge breedte opgehouden om te kruisen met een stoomboot die koers zette naar Panama en daarenboven was in dien tijd de vaart over de Stille Zuidzee tusschen Australië en de Nieuwe-Wereld niet zóó druk als ze later geworden is.

Men moest zich dus aan Gods genade overgeven en niets scheen dezen eentonigen overtocht te zullen verstoren, toen juist op dien datum van den 2n Februari op de bij het begin dezer geschiedenis aangegeven breedte en lengte iets bijzonders voorviel.

Ten negen ure ’s morgens, bij zeer helder weer, hadden Dick Sand en Jack zich op de bramzaling neergezet. Van daar uit konden zij het geheele schip en een gedeelte van den oceaan overzien. Naar achteren vertoonde zich de horizon aan hun blikken, slechts afgebroken door den grooten mast met het brikzeil en gaftopzeil. Hierdoor was [9]een gedeelte van de zee en de hemel voor hen onzichtbaar. Vooruit zagen zij den boegspriet zich boven de golven uitstrekken met zijn drie stagzeilen, die zoo strak mogelijk aangehaald, zich als drie groote ongelijke vleugelen spanden. Onder breidde zich de fok uit en boven het kleine voormarszeil en het kleine bramzeil, waarvan de staande lijken door het in- en uitloopen van de lichte bries kilden.2 De schoenerbrik zeilde dus zoo dicht mogelijk bij den wind.

Dick Sand verklaarde dus Jack hoe de Pelgrim, goed geballast, goed in evenwicht gehouden in al zijn deelen, niet kon omslaan, ofschoon hij vrij sterk overhelde, toen de kleine jongen hem in de rede viel.

“Wat zag ik daar toch?” zeide hij.

“Zag je iets, Jack?” vroeg Dick Sand, die zich geheel overeind op de zaling oprichtte.

“Ja, daar!” antwoordde de kleine Jack, terwijl hij naar een punt van de zee wees, dat telkens vrij kwam tusschen de schooten van den kluiver en den jager.

Dick Sand keek oplettend naar het aangewezen punt en riep onmiddellijk met luide stem:

“Een wrak, te loevert op, aan stuurboordszij vooruit!”


1 “Sand” beteekent “Zand” in ’t Engelsch.

2 Zeeterm voor “heen en weerslingeren”.

Derde hoofdstuk.

Het wrak.

Bij den kreet van Dick Sand, was onmiddellijk de geheele bemanning op de been. De mannen die de wacht niet hadden, kwamen aan dek. Kapitein Hull verliet zijn kajuit en begaf zich naar voren.

Mevr. Weldon, Nan, zelfs de onverschillige neef Benedictus, kwamen aan stuurboordszij over de verschansing leunen om het door den jeugdigen leerling gesignaleerde wrak goed te kunnen zien.

Negoro alleen verliet de hut niet, die hem tot kombuis diende, en zooals altijd was hij van de geheele bemanning de eenige, die geen belang in de ontmoeting van een wrak scheen te stellen.

Aller oogen waren toen op het drijvende voorwerp gericht dat op drie mijlen van de Pelgrim door de golven gewiegd werd.

“Wat zou het wel zijn?” zei een matroos.

“Een verlaten vlot misschien!” antwoordde een.

“Misschien zijn er op dat vlot wel ongelukkige schipbreukelingen?” zei Mevr. Weldon.

“We zullen ’t gauw weten,” antwoordde kapitein Hull. “Maar dat wrak is geen vlot. ’t Is de romp van een schip dat overzij ligt.”

“Maar zou ’t niet eer een zeedier zijn, een groot zoogdier?” deed neef Benedictus opmerken.

”’k Geloof het niet,” antwoordde de leerling.

“Wat zou jij er van denken, Dick?” vroeg Mevr. Weldon.

“Een omgekeerde romp, zooals de kapitein zei, Mevrouw.” “’k Geloof zelfs dat ’k zijn gekoperde huid in de zon zie schitteren.”

“Ja.... waarlijk....” antwoordde kapitein Hull.

Daarna tot den man aan het roer:

“Een tikje loeven, Bolton, om dichter bij het wrak te komen.”

“En ik,” hernam neef Benedictus, “ik houd vol wat ik gezegd heb. ’t Is bepaald een dier!”

“Dan zou ’t een koperen walvisch moeten zijn,” antwoordde kapitein Hull, “want ook ik zie hem in de zon schitteren!”

“Hoe het zij, neef Benedict,” voegde Mevr. Weldon er bij, “u zult moeten toestemmen dat die walvisch dan toch dood is, want het is zeker dat hij niet de minste beweging maakt.”

“He! nicht Weldon,” antwoordde neef Benedict, die gewoonlijk stijf op zijn stuk stond, “’t zou de eerste keer niet zijn dat men een walvisch ontmoette die op de oppervlakte der zee sliep!”

“Wel mogelijk,” antwoordde kapitein Hull, “maar we hebben nu met geen walvisch, maar met een vaartuig te doen.”

“We zullen zien,” antwoordde neef Benedictus, die eerder al de zoogdieren der noord- en zuidpoolzeeën zou gegeven hebben voor een zeldzaam insect.

“Goed sturen, Bolton, goed sturen!” riep wederom kapitein Hull, “en loop niet tegen het wrak aan. Blijf er op een [10]kabellengte van af. k Heb geen lust de zijden van den Pelgrim er aan te wagen met tegen dien romp aan te varen.—Loef een beetje, Bolton, loef wat!”

De steven van den Pelgrim, die naar het wrak gewend was geweest, week door een lichte beweging van het roer een weinig af.

De schoenerbrik bevond zich nog een mijl van den omgeslagen romp af. De matrozen hadden er gretig het oog op gevestigd. Misschien bevatte hij een kostbare lading die mogelijk op den Pelgrim kon overgeladen worden? Men weet, dat bij de berging van gestrande goederen, het derde van de waarde aan de bergers toekomt, en indien in dit geval de lading niet beschadigd was, zou de bemanning, zooals men zegt, “een goeden slag slaan!” Het zou een prachtige vergoeding zijn voor hun ongelukkige vangst!

Een kwartier later bevond zich het wrak nog een halve mijl van den Pelgrim af.

Het was wel degelijk een vaartuig dat geheel over bakboord lag. Tot aan de verschansing toe omgeslagen, lag het zoover op zijde, dat het bijna onmogelijk was zich op het dek staande te houden. Men zag niets meer van de masten. Aan de rusten hingen nog slechts eenige eindjes gebroken trossen en gesprongen kettingen.

In den boeg aan stuurboordszij bevond zich een groot gat tusschen de spanten en de ingedrukte buitenhuid.

“Dit schip is aangezeild!” riep Dick Sand uit.

“Dat is niet twijfelachtig,” antwoordde kapitein Hull, “en ’t is een wonder dat het niet onmiddellijk gezonken is.”

“Zoo er aanzeiling geweest is,” merkte Mevr. Weldon op, “mag men hopen dat de bemanning van dit vaartuig opgenomen is door hen die het aangezeild hebben.”

”’t Is te hopen, mevrouw Weldon,” antwoordde kapitein Hull, “of de equipage moet zich, na de botsing met zijn eigen sloepen gered hebben, als het aanzeilende schip althans zijn koers vervolgd heeft—’tgeen helaas! somtijds gebeurt!”

“Hoe is ’t mogelijk! Dat zou toch een staaltje van verregaande onnmenschelijkheid zijn, mijnheer Hull!”

“Ja, mevrouw Weldon.... ja! En toch zijn er vele voorbeelden van! Wat me zou doen gelooven dat de bemanning van dit schip het al vroeg verlaten zal hebben, is dat ’k geen enkele boot zie en zoo de menschen aan boord niet opgenomen zijn, zou ik eerder gelooven dat ze getracht hebben aan land te komen! Maar bij den afstand waarop we ons hier van het Amerikaansche vaste land of van de eilanden van Australië bevinden, vrees ik dat ze hierin niet zullen geslaagd zijn!”

“Misschien,” zei Mevr. Weldon, “zal men nooit achter het geheim van dit ongeluk komen! Toch zou ’t mogelijk zijn dat er nog iemand van de equipage is achtergebleven!”

“Dat is niet waarschijnlijk, mevrouw Weldon,” antwoordde kapitein Hull. “Men zou ons reeds herkend hebben en ons eenig signaal maken. Maar we zullen er ons van verzekeren.—Loef een beetje, Bolton, loef!” riep kapitein Hull, terwijl hij met de hand den te volgen koers aanwees.

De Pelgrim was nog slechts drie kabellengten van het wrak verwijderd en er was geen twijfel aan of de romp was door de geheele bemanning verlaten.

Doch op dit oogenblik maakte Dick Sand een gebaar dat onmiddellijk stilte gebood.

“Hoor! hoor!” zeide hij.

Iedereen luisterde.

”’t Is alsof ik geblaf hoor!” riep Dick Sand uit.

En werkelijk deed zich binnen in den romp een verwijderd geblaf hooren. Er was inderdaad daar een levende hond, opgesloten misschien, want het was mogelijk dat de luiken hermetisch gesloten waren. Maar men kon hem niet zien, daar het dek van het omgeslagen vaartuig nog niet zichbaar was.

“Al was er niets anders dan een hond, mijnheer Hull,” zeide Mevr. Weldon, “zouden we hem immers redden!”

“Ja.... ja!....” riep de kleine Jack, “we zullen hem redden!.... ’k zal hem te eten geven!.... Hij zal veel van ons houden.... Mama, ’k zal een stukje suiker voor hem gaan halen!.....”

“Blijf hier, mijn kind,” antwoordde Mevr. Weldon glimlachende. “Me dunkt, ’t arme dier moet haast van honger sterven en ’t zal liever een goed stuk vleesch hebben dan je stukje suiker!” [11]

“Welnu, laten ze hem mijn soep geven!” riep de kleine Jack uit. “Ik kan er best buiten!”

Op dit oogenblik deed zich het geblaf duidelijk hooren. Drie honderd voeten slechts waren de twee schepen van elkander verwijderd. Bijna onmiddellijk vertoonde zich een groote hond op de verschansing aan stuurboordszij en klampte er zich aan vast, terwijl hij wanhopend bleef blaffen.

“Howik,” zei kapitein Hull en wendde zich tot den bootsman van den Pelgrim, “laat bijdraaien en de kleine boot strijken.”

“Houd je goed, hond, houd je goed!” riep de kleine Jack het dier toe dat hem nu door een half gesmoord geblaf scheen te antwoorden.

De zeilen van den Pelgrim werden dadelijk zoo gesteld dat het schip genoegzaam onbeweeglijk bleef, op minder dan een halve kabellengte van het wrak.

De boot werd gestreken en dadelijk lieten kapitein Hull, Dick Sand en twee matrozen er zich in zakken.

De hond bleef blaffen. Hij trachtte zich aan de verschansing vast te houden, maar viel telkens op het dek terug. Men zou gezegd hebben dat zijn geblaf zich niet meer tot hen richtte die hem naderden. Gold het de matrozen of passagiers die in het schip opgesloten waren?

“Zou er zich dan aan boord een schipbreukeling bevinden, die het overleefd heeft?” zei Mevr. Weldon bij zich zelve.

De boot van den Pelgrim bereikte met eenige riemslagen de omgeslagen kiel.

Maar eensklaps kwam er een verandering in de houding van den hond. Op het eerste geblaf dat de redders uitnoodigde tot hem te komen, volgde nu een woedend gebrul. Het zonderlinge dier werd nu door den hevigsten toorn bewogen.

“Wat scheelt dien hond toch?” zei kapitein Hull, terwijl de boot achterom ging, teneinde dat gedeelte van het dek aan te doen dat onder water lag.

Noch kapitein Hull, noch zij die zich aan boord van den Pelgrim bevonden, konden opmerken dat de woede van den hond zich op dat oogenblik het hevigst uitte, toen Negoro zijn kombuis verliet en zich naar den bak begaf.

Kende en herkende dan de hond den kok? Het was zeer onwaarschijnlijk.

Hoe het zij, na den hond aangekeken te hebben, zonder eenige verwondering te doen blijken, ging Negoro, die de wenkbrauwen toch een oogenblik fronste, naar het verblijf der equipage.

Intusschen was de boot het achterschip omgevaren alwaar de naam Waldeck op den spiegel te lezen stond.

Waldeck, maar geen naam van de haven waar het schip te huis behoorde. Doch aan de vormen van den romp, aan zekere bijzonderheden die een zeeman dadelijk in ’t oog vallen, had kapitein Hull herkend dat het vaartuig van Amerikaanschen bouw was. De naam bevestigde dat trouwens. En nu was er van die groote brik van vijfhonderd ton niets meer overgeschoten dan de romp.

Een groot gat in den boeg van de Waldeck wees de plaats aan waar de schok had plaats gehad. Tengevolge van het op zij vallen van den romp, bevond die opening zich toen op vijf of zes voet boven het water,—’t geen verklaarde waarom de brik nog niet gezonken was.

Op het dek dat kapitein Hull in al zijn uitgestrektheid overzag, was niemand.

De hond, die nu de verschansing verlaten had, liet zich nu naar het grootluik glijden dat open was en blafte nu eens naar binnen, dan weder naar buiten.

“Dat dier is stellig niet alleen aan boord!” merkte Dick Sand aan.

“Dat geloof ik ook niet!” antwoordde kapitein Hull.

De boot voer nu langs de verschansing aan bakboordszij, die half onder water lag. Ware de deining maar iets sterker geweest, dan zou de Waldeck binnen eenige oogenblikken gezonken zijn.

Het dek der brik was van het eene eind naar ’t andere schoongeveegd. Er bleef niets anders over dan de stompen van den grooten mast en den fokkemast, die beiden op twee voet boven de vissing waren afgebroken en zeker bij den schok gevallen waren, hoofdtouwen, stagen en loopend want medeslepende. Evenwel waren, zoover het oog reikte, geen overblijfselen in den omtrek van de Waldeck te bespeuren,—’t geen wel scheen aan te duiden dat het ongeluk reeds voor eenige dagen had plaats gehad.

“Als soms eenige schipbreukelingen [12]de botsing overleefd hebben,” zei kapitein Hull, “zullen ze wel van dorst en honger bezweken zijn, want het water heeft de kombuis moeten bereiken. Er kunnen niets anders dan lijken meer aan boord zijn!”

“Neen!” riep Dick Sand uit, “neen, dan zou de hond zoo niet blaffen! Er zijn levende wezens!”

Op dit oogenblik liet het dier op den roep van den leerling zich in zee glijden en zwom met moeite naar de boot, want hij scheen uitgeput.

Men nam hem op en hij wierp zich gretig, niet op een stuk brood dat Dick Sand hem dadelijk voorhield, maar op een tobbe die een weinig zoet water bevatte.

”’t Arme dier sterft van dorst!” riep Dick Sand uit.

De boot zocht toen een gunstige plaats op om de Waldeck gemakkelijker langzij te kunnen komen en verwijderde zich met dit doel eenige vademen. De hond moest blijkbaar denken dat zijn redders niet aan boord wilden gaan; want hij pakte Dick Sand bij zijn baaitje terwijl zijn klagend geblaf met nieuwe kracht weer begon.

Men begreep hem. Zijn gebaren, zijn taal waren even duidelijk als de taal van een mensch. De boot naderde dadelijk den kraanbalk aan bakboord. Daar legden de twee matrozen haar stevig vast, terwijl kapitein Hull en Dick Sand den voet op dek enterden tegelijk met den hond en zich niet zonder moeite naar het luik tusschen de twee maststompen in de hoogte werkten.

Beiden lieten zich door dit luik in het ruim zakken.

Het ruim van de Waldeck, half vol water, bevatte geen lading. De brik had slechts ballast in,—een ballast van zand dat over bakboord geslagen was en het schip op zijde hield. Aan dezen kant viel er dus niets te redden.

“Niemand hier!” zei kapitein Hull.

“Niemand,” antwoordde de leerling, na zich naar het voorste gedeelte van het ruim begeven te hebben.

Maar de hond, die op het dek was, bleef altijd blaffen en scheen nog dringender de aandacht van den kapitein op zich te willen vestigen.

“Laat ons weer naar boven gaan,” zei kapitein Hull tot den leerling.

Beiden verschenen weder aan dek.

De hond liep op hen toe en trachtte hen naar de dekhut mee te voeren.

Zij volgden hem.

Daar lagen vijf lichamen,—vijf lijken zeker,—op den vloer uitgestrekt.

Bij het daglicht dat door den koekoek naar binnen stroomde, herkende kapitein de lijken van vijf negers.

Dick Sand, die van het eene lijk naar het andere liep, meende op te merken dat de ongelukkigen nog ademhaalden.

“Naar boord, naar boord!” riep kapitein Hull.

De twee matrozen, die de boot bewaakten, werden nu geroepen en hielpen hen de schipbreukelingen uit de dekhut te brengen.

Dit geschiedde niet zonder moeite; maar na een paar minuten waren toch de vijf zwarten in de boot overgebracht, zonder dat een hunner slechts het geringste teeken van bewustzijn gaf. Eenige druppels van een hartsterkend middel, daarna een weinig koud water, voorzichtig toegediend, kon hen misschien in het leven terugroepen.

De Pelgrim bleef tot op een halve kabellengte van het wrak af, zoodat de boot het schip weldra bereikt had.

Dadelijk werd er een gording van de groote ra afgehaakt waaraan de negers een voor een opgeheschen en op het dek van den Pelgrim neergevlijd werden.

De hond had hen vergezeld.

“Die ongelukkigen!” riep Mevr. Weldon uit, bij het zien van die arme menschen.

“Ze leven, mevrouw Weldon! We zullen hen redden! Ja, we zullen ze redden!” riep Dick Sand uit.

“Wat is er toch met hen gebeurd?” vroeg neef Benedictus.

“Wacht totdat ze kunnen spreken,” antwoordde kapitein Hull, “en ze zullen ons hun geschiedenis vertellen. Maar laten we hun dadelijk wat water geven, waarbij we een druppel of wat rum zullen voegen.”

“Negoro!” riep hij toen.

Bij het hooren van dien naam richtte de hond zich op, met opgeheven kop en geopenden muil.

Intusschen kwam de kok niet te voorschijn.

“Negoro!” riep kapitein Hull nogmaals. [13]

Wederom gaf de hond teekenen eener buitengewone woede.

Negoro verliet de kombuis.

Nauwelijks had hij zich op het dek vertoond of de hond vloog op hem aan en wilde hem naar de keel springen.

De kok echter had zich met een pook gewapend en sloeg daarmede het dier terug dat door eenige matrozen in bedwang werd gehouden.

“Ken je dien hond?” vroeg kapitein Hull den kok.

“Ik!” antwoordde Negoro, “’k heb hem nooit gezien!”

“Dat is iets vreemds!” mompelde Dick Sand.

Vierde hoofdstuk.

De overlevenden van de “Waldeck”.

Nog altijd wordt de slavenhandel in tropisch Afrika op groote schaal gedreven. Inweerwil van Engelsche en Fransche kruisers, steken elk jaar een menigte schepen van de kusten van Angola of Mozambique af om negers naar verschillende streken der wereld over te brengen en dat nog wel van de beschaafde wereld.

Ook aan kapitein Hull was dit natuurlijk niet onbekend.

Alhoewel deze streken gewoonlijk niet door slavenschepen bezocht werden, vroeg hij zich af of de negers die hij gered had niet de overlevenden waren van een lading slaven, die de Waldeck in een kolonie van de Stille Zuidzee ging verkoopen. Hoe dit zij, was dit zoo, dan werden deze zwarten weder vrij, zoodra zij den voet aan boord gezet hadden en dat wenschte hij hun dadelijk te zeggen.

Intusschen had men de grootste zorg aan de schipbreukelingen van de Waldeck besteed. Mevr. Weldon, bijgestaan door Nan en Dick Sand, had hen wat van dit heerlijk koele water toegediend, dat zij zeker sedert eenige dagen niet genoten hadden, en dit, met eenig voedsel, was voldoende om hen in ’t leven terug te roepen.

De oudste dezer negers,—hij kon misschien een zestig jaar oud zijn,—was weldra in staat iets te zeggen en in het Engelsch de tot hem gerichte vragen beantwoorden.

“Het schip waarop ge u bevondt, is zeker aangezeild?” vroeg kapitein Hull dadelijk.

“Ja,” antwoordde de oude neger. “Tien dagen geleden is ons schip in een donkeren nacht aangevaren. We sliepen....”

“Maar wat is er van de bemanning van de Waldeck geworden?”

“Zij was er reeds niet meer, toen ik met mijn kameraden aan het dek kwam.”

“Maar kon de equipage dan niet aan boord van het schip overspringen, dat tegen de Waldeck aanliep?”

”’t Kan wezen en we willen het hopen!”

“En is dat schip na den schok niet teruggekomen om je op te nemen?”

“Neen.”

“Is het dan zelf gezonken?”

“Het is niet gezonken,” antwoordde de oude neger, het hoofd schuddende, want we hebben het in den donkeren nacht zich nog even kunnen zien verwijderen.”

Men zal dit feit, dat door al de overlevenden van de Waldeck bevestigd werd, misschien ongeloofelijk vinden en het is toch maar al te waar dat kapiteins, na de een of andere vreeselijke aanvaring, door hun onvoorzichtigheid veroorzaakt, dikwijls de vlucht genomen hebben zonder zich om de ongelukkigen te bekommeren die zij in ’t verderf gestort hebben, zonder te trachten hun hulp te verleenen.

Dat koetsiers dit doen en aan anderen op den openbaren weg de zorg overlaten, het ongeluk dat zij veroorzaakt hebben, te herstellen, dit moet voorzeker reeds ten strengste afgekeurd worden, ofschoon hun slachtoffers in een dergelijk geval toch altijd verzekerd zijn onmiddellijke hulp te verkrijgen. Maar dat men op zee elkander aan zijn lot overlaat, dat is ongeloofelijk, dat is schande!

En toch kende kapitein Hull verscheiden voorbeelden eener dergelijke onmenschelijkheid en hij moest het meermalen aan Mevr. Weldon verzekeren dat zulke feiten, hoe monsterachtig ook, ongelukkig niet tot de zeldzaamheden behooren.

“Vanwaar kwam de Waldeck?” hernam hij.

“Van Melbourne.”

“Ben jelui dan geen slaven?” [14]

“Neen, mijnheer!” antwoordde snel de oude zwarte, die zich in zijn gansche lengte oprichtte. “We zijn onderdanen van den Staat van Pensylvanië en burgers van het vrije Amerika!”

“Mijn vrienden,” antwoordde kapitein Hull, “vreest niet dat je vrijheid in gevaar verkeert door aan boord van den Pelgrim te zijn overgegaan.”

Werkelijk behoorden de vijf negers van de Waldeck thuis in den staat van Pensylvanië. De oudste, op den leeftijd van zes jaar in Afrika verkocht, daarna naar de Vereenigde Staten overgebracht, was reeds sedert verscheidene jaren vrij verklaard. Wat zijn metgezellen aangaat, die veel jonger dan hij, zonen en slaven waren, vóór hun geboorte vrij gemaakt, zij waren vrij geboren en geen blanke had ooit een eigendomsrecht op hen gehad. Zij spraken zelfs niet in de negertaal, waarin men het lidwoord niet gebruikt en slechts den infinitief der werkwoorden kent,—een taal die trouwens sedert den slavenoorlog allengs in onbruik geraakt is. Deze zwarten hadden dus eigenmachtig de Vereenigde Staten verlaten en keerden er eigenmachtig terug.

Zij deelden kapitein Hull verder mede dat zij zich als werklieden verhuurd hadden bij een Engelschman, die een uitgestrekt goed ter bebouwing bij Melbourne in zuidelijk Australië bezat. Daar hadden zij drie jaren doorgebracht en goede zaken gemaakt, waarna zij na geëindigd huurcontract, naar Amerika hadden willen terugkeeren.

Zij hadden zich dus op de Waldeck ingescheept en hun overtocht als gewone passagiers betaald. Den 5den December verlieten zij Melbourne, toen zeventien dagen later de Waldeck in een zeer duisteren nacht door een groote stoomboot was aangevaren geworden.

De zwarten lagen in hun kooi. Eenige seconden na de botsing die vreeselijk was, vlogen zij naar het dek.

Reeds lagen de masten overboord en lag de Waldeck op zij; maar zij zou niet zinken, daar er niet genoeg water in het ruim was gedrongen.

Wat den kapitein en de bemanning van de Waldeck aangaat, allen waren verdwenen, hetzij dat eenigen overboord geslagen waren, hetzij dat de anderen zich aan het touwwerk van het aanstoomende schip hadden vastgeklampt.

De vijf zwarten waren alleen aan boord overgebleven, op een half omgeslagen romp, op twaalfhonderd mijlen van eenig land verwijderd.

De oudste dezer negers heette Tom. Zijn leeftijd, zoowel als zijn energiek karakter en zijn ondervinding, die gedurende een lang, arbeidzaam leven dikwijls op de proef gesteld waren, maakten hem tot het natuurlijke hoofd der metgezellen die zich met hem verhuurd hadden.

De andere zwarten waren jonge menschen van vijf-en-twintig à dertig jaren, die den naam droegen van Bat1 zoon van den ouden Tom, Austin, Actéon en Hercules, allen flinke, krachtig gebouwde menschen, die op de markten van Midden-Afrika duur verkocht zouden zijn. Alhoewel zij verschrikkelijk geleden hadden, kon men gemakkelijk prachtige typen in hen herkennen van dat sterke ras, waarop een vrijzinnige opvoeding, in de talrijke scholen van Noord-Amerika, reeds haar stempel gedrukt had.

Tom en zijn makkers waren dus na de aanvaring alleen op de Waldeck overgebleven, zonder eenig middel om den levenloozen klomp te lichten, daar de beide booten aan boord bij het aanvaren verbrijzeld waren. Er schoot hun niets anders over dan geduldig een schip af te wachten, terwijl het wrak door de werking der stroomen langzamerhand afdreef. Deze werking verklaarde waarom men het zoover buiten den gewonen koers had aangetroffen, want de Waldeck, die van Melbourne vertrokken was, zou zich op veel lager breedte hebben moeten bevinden.

Gedurende de tien dagen die verliepen tusschen de aanvaring en het oogenblik waarop de Pelgrim in het gezicht van het verongelukte vaartuig kwam, hadden de vijf zwarten zich gevoed met de weinige spijzen die zij in de bakskist hadden kunnen vinden. Maar daar zij niet in de bottelarij konden doordringen, die geheel overstroomd was, hadden zij niet het minste geestrijke vocht kunnen machtig worden om hun dorst te lesschen; zij hadden dus bitter geleden, daar de op het dek vastgesjorde watervaten door den schok de bodem [15]was ingeslagen. Sedert den vorigen dag hadden Tom en zijn makkers, door den dorst gekweld, hun bewustzijn verloren en het was tijd dat de Pelgrim hun te hulp kwam.

Dit was het eenvoudig verhaal van Tom aan kapitein Hull. Men had geen reden om aan de waarheidsliefde van den ouden neger te twijfelen. Zijn kameraden bevestigden alles wat hij verteld had en bovendien pleitten de feiten voor de arme menschen.

Een ander levend wezen dat op het wrak gered was, zou ongetwijfeld met dezelfde openhartigheid gesproken hebben,—indien hij de gaaf van spreken bezeten had.

Het was de hond, dien het zien van Negoro op zulk een onaangename Wijze scheen aan te doen. Er was hier werkelijk een onverklaarbare antipathie in het spel.

Dingo,—dit was de naam van den hond,—behoorde tot het ras van bulhonden, wier oorsprong op Nieuw-Holland wordt gevonden. Niet in Australië evenwel, had de kapitein van de Waldeck hem opgedaan. Twee jaren vroeger had men Dingo, half dood van den honger, zwervende ontmoet op het westelijk strand van de kust van Afrika, in den omtrek van de monding der Congo-rivier. De kapitein van de Waldeck had het schoone dier opgenomen, dat, niet zeer gezellig, altijd een ouden meester scheen te betreuren, van wien hij met geweld gescheiden was en dien men in die woeste landstreek onmogelijk had kunnen opsporen.—S. V.,—deze twee letters, op zijn halsband gegraveerd, was alles wat dit dier aan een verleden bond, welks geheim men tevergeefs gezocht had.

Dingo, een prachtig, sterk dier, grooter dan de honden der Pyreneën, was dus een fraai specimen van het ras der bulhonden van Nieuw-Holland. Als hij overeind ging staan en zijn kop naar achteren wierp, kwam hij in grootte met die van een mensch overeen.

Zijn vlugheid, zijn spierkracht maakten er een van die dieren van die zonder aarzelen jaguars of panters aanvallen en een beer durven staan. Dicht van haar, met een langen, dikken en rechten staart als de staart van een leeuw, donker vaal van kleur, had Dingo alleen aan zijn snuit eenige plekken van een witachtige tint. Dit dier kon in een vlaag van kwaadheid geducht worden en men kan licht begrijpen dat Negoro volstrekt niet ingenomen was met het onthaal van dit krachtig staaltje dezer hondennatuur.

Mocht Dingo nu echter niet gezellig zijn, ondeugend was hij niet. Hij scheen eer treurig te zijn. De oude Tom had aan boord van de Waldeck opgemerkt dat hij niet bijzonder op de zwarten gesteld was. Hij zou hen juist geen kwaad gedaan hebben, maar stellig ontweek hij hen. Misschien had hij op de Afrikaansche kust waar hij rondzwierf, eenige slechte behandeling van den kant der inboorlingen ondervonden. En hoewel Tom en zijn metgezellen werkelijk brave menschen waren, had Dingo zich nooit tot hen getrokken gevoeld. Gedurende de tien dagen dat de schipbreukelingen op de Waldeck hadden doorgebracht, had hij zich afgezonderd en zich gevoed zonder dat iemand wist hoe, maar ook hij had bitteren dorst geleden.

Dat waren dus de overlevenden van het wrak, hetwelk de eerste hevige golfslag zou onderdompelen. Het zou ongetwijfeld slechts lijken naar de diepte medegevoerd hebben, indien de onverwachte aankomst van den Pelgrim, zelf door tegenwind en windstilte opgehouden, kapitein Hull niet in de gelegenheid had gesteld een menschlievende daad te verrichten.

Door de schipbreukelingen van de Waldeck die hun spaarpenningen van drie jaren arbeid in deze schipbreuk verloren hadden, naar hun vaderland terug te brengen, zou dit goede werk voltooid worden. Dit zou nu geschieden. De Pelgrim zou, na te Valparaiso gelost te hebben, den Amerikaanschen wal houden tot op de hoogte van Californië. Daar zouden Tom en zijn kameraden door James W. Weldon goed ontvangen worden,—en zij zouden voorzien worden van alles wat zij noodig hadden om den Staat van Pensylvanië te bereiken.

De brave menschen, verzekerd van hun aankomst, waren met innige dankbaarheid jegens Mevr. Weldon en kapitein Hull bezield. Voorzeker waren zij hun veel verschuldigd, en, hoewel zij slechts arme negers waren, wanhoopten zij niet deze schuld van dankbaarheid eenmaal af te doen. [16]


1 Verkorting van Bartholomeus.

Vijfde hoofdstuk.

S.V.

Intusschen had de Pelgrim zijn reis hervat en getracht zooveel mogelijk oost te houden. Die betreurenswaardige aanhoudende windstilten gaven kapitein Hull vrij veel zorg, niet omdat hij zich ongerust maakte over een paar weken vertraging op een reis van Nieuw-Zeeland naar Valparaiso, maar wegens de groote vermoeienis die deze vertraging voor zijn passagiers zou hebben.

Evenwel beklaagde Mevr. Weldon zich niet en verdroeg het onaangename van haren toestand zeer geduldig.

Dien zelfden dag, den 2n Februari, ’s avonds, geraakte het wrak uit het gezicht.

Kapitein Hull zorgde in de eerste plaats om Tom en zijn makkers zoo goed mogelijk te logeeren. Het verblijf van de bemanning dat uit een hut op het dek bestond, zou te klein geweest zijn om ze te bevatten. Men nam dus de noodige schikkingen om hun een verblijf onder den bak te bezorgen. Trouwens waren deze brave menschen, aan harden arbeid gewoon, met weinig tevreden en met het schoone, warme en heilzame weder zou dit verblijf hun gedurende den geheelen overtocht ook voldoende zijn.

Het leven aan boord dat door dit voorval een oogenblik uit zijn eentonigheid gewekt was, hernam zijn gewonen loop.

Tom, Austin, Bat, Actéon, Hercules zouden gaarne de handen uit de mouw gestoken en zich verdienstelijk gemaakt hebben, maar met de vaste winden, was er, nadat de zeilen eenmaal gesteld waren, niets te doen. Wanneer men evenwel moest wenden, dan beijverden zich de oude neger en zijn kameraden om de equipage bij te staan en dat is zeker dat, als de kolossale Hercules een handje meehielp, men ’t goed kon merken. Die krachtige neger, zes voet lang, verrichtte alleen het werk van den takel!

Wat was het een pret voor den kleinen Jack, als hij den reus in ’t gezicht kreeg! Hij was volstrekt niet bang voor hem en als Hercules hem in zijn armen deed opspringen alsof hij slechts een kleine jongen van kurk geweest was, dan waren het vreugdekreten die geen einde namen.

“Licht me eens zoo hoog als je kunt,” zei kleine Jack.

“Daar, mijnheer Jack,” antwoordde Hercules.

“Ben ik niet zwaar?”

”’k Voel je niet eens.”

“Toe dan nog hooger! Zoo hoog als je arm reikt!”

Hercules hield dan de kleine voeten van het kind in zijn groote hand en liep met hem in de rondte als een kunstenmaker in een circus. Jack was dan in eens groot, heel groot geworden, wat hem ontzaglijk veel pleizier deed. Zelfs deed hij zijn best om zich zoo zwaar mogelijk te houden, hetgeen de reus niet eens opmerkte.

Dick Sand en Hercules waren dus twee vrienden van den kleinen Jack. Weldra maakte hij zich een derden vriend.

Dit was Dingo.

Wij zeiden reeds dat Dingo geen zeer gezellige hond was. Dat kwam misschien ook veel omdat het gezelschap aan boord van de Waldeck hem niet bijzonder beviel. Met dat van den Pelgrim was het een heel andere zaak. Jack wist waarschijnlijk het hart van het schoone dier te treffen. Dit kreeg al spoedig pleizier om met den kleinen jongen te spelen, wien dit spelen zeer beviel. Men zag gauw dat Dingo een van die honden was die veel van kinderen houden. Nu deed Jack het dier nooit kwaad. Zijn grootste plezier was om Dingo de rol van een vluggen harddraver te laten spelen, en wij mogen vrij aannemen dat een harddraver dezer soort te verkiezen is boven een viervoetig dier van bordpapier, al heeft dit rolletjes onder de pooten. Jack galoppeerde dus, op den rug van den hond gezeten, die het gaarne toeliet en inderdaad woog Jack voor hem niet meer dan de helft van een jockey voor een renpaard.

Maar wat een bres elken dag in den voorraad suiker der kombuis!

Dingo werd weldra de lieveling van de geheele bemanning. Negoro alleen bleef elke ontmoeting met het dier vermijden, welks antipathie tegen hem even onverklaarbaar bleef.

Daarom had kleine Jack om Dingo zijn vriend van vroeger, Dick Sand, [17]niet verzuimd. Al den tijd buiten zijn diensten aan boord, bracht de kweekeling met den kleinen jongen door.

Dat Mevr. Weldon die vertrouwelijkheid zeer gaarne zag, kan men zich licht voorstellen.

Eens, den 6n Februari, sprak zij over Dick Sand met kapitein Hull, die den jongen zeer prees.

“Die jongen,” zei hij tot mevr. Weldon, “zal eens een flink zeeman zijn, dat verzeker ik u! Hij heeft wezenlijk het instinct van de zee, en door dat instinct vult hij aan wat hem natuurlijk nog ontbreekt aan de theoretische zaken van het vak. Wat hij reeds weet is verwonderlijk, als men bedenkt hoe weinig tijd hij gehad heeft om het te leeren.”

“U moogt er nog wel bijvoegen,” antwoordde Mevr. Weldon, “dat het ook een beste jongen is, die, zoolang we hem nu kennen, geen berisping verdiend heeft.”

“Ja, ja, ’t is een goede jongen,” hernam kapitein Hull, “met recht bemind en geacht door iedereen.”

“Als deze kampanje geëindigd is,” zei Mevr. Weldon, “weet ik dat mijn man van plan is hem les in de hydrographie te laten nemen, om hem later een brevet van kapitein te doen verkrijgen.”

“Mijnheer Weldon heeft gelijk,” antwoordde kapitein Hull. “Dick Sand zal eens de Amerikaansche marine eer aandoen.”

“Die arme wees is het leven treurig begonnen!” merkte Mevr. Weldon op. “Hij is in een harde leerschool geweest!”

“Ongetwijfeld, mevrouw Weldon, maar die lessen zijn voor hem niet verloren gegaan. Hij heeft begrepen dat hij zich zelven moet helpen in deze wereld en hij is op het rechte pad.”

“Waarvan hij niet zal afwijken.”

“Zie eens, mevrouw,” hernam kapitein Hull, “hoe de jongen daar aan het roer staat, het oog op den fokkehals gevestigd. Geen verstrooidheid van den jongen, dus ook geen gieren van het schip! Dick Sand heeft nu reeds de vastheid van een ouden roerganger! Een goed begin voor een zeeman! Ons vak, mevrouw, moet reeds als kind geleerd worden. Wie geen scheepsjongen is geweest, zal nooit een volleerd zeeman worden, althans bij de koopvaardij. Alles moet geleerd worden, en, bijgevolg moet alles instinctmatig en te gelijk beredeneerd bij den zeeman gaan,—het nemen van een besluit zoowel als het uitvoeren van een manoeuvre.

“En toch, kapitein Hull,” antwoordde Mevr. Weldon, “zijn er ook in de oorlogsmarine goede officieren in menigte.”

“Ja,” antwoordde kapitein Hull, “maar de besten zijn bijna allen als kind bij het vak gekomen, en, om van Nelson en eenige anderen niet te spreken, zijn de slechtsten niet zij die als scheepsjongens begonnen zijn.”

Op dit oogenblik zag men neef Benedictus voor den dag komen, altijd in zich zelven gekeerd en evenmin met zijn gedachten op deze wereld als de profeet Elias het zal zijn als hij eenmaal op de aarde terugkomt.

Neef Benedictus liep op en neer op het dek als een ziel in nood, terwijl hij de reten in de verschansing doorsnuffelde, onder de kippenhokken keek en zijn hand tusschen de naden van het dek stak op plaatsen waar het pek verdwenen was.

“Wel, neef Benedict,” vroeg Mevr. Weldon, “blijf je altijd wel?”

“Ja.... nicht Weldon.... ’k ben wel gezond.... maar ’k verlang zeer aan land te komen.”

“Wat zoekt u toch onder die bank, mijnheer Benedict?” vroeg kapitein Hull.

“Insecten, mijnheer!” hernam neef Benedictus. “Wat wil je dat ’k anders zoek dan insecten?”

“Insecten! U zult het u moeten getroosten dat u op zee uw verzameling niet verrijken zult!”

“En waarom niet, mijnheer? ’t Is immers niet onmogelijk aan boord een of ander soort van....”

“Neef Benedict,” zei Mevr. Weldon, “geef kapitein Hull gerust de schuld! Zijn schip wordt zoo zindelijk gehouden, dat je platzak van je jacht zult terugkomen!”

Kapitein Hull begon te lachen.

“Mevrouw Weldon overdrijft,” antwoordde hij. “Maar toch geloof ik, mijnheer Benedict, dat u je tijd met snuffelen in onze kooien verliezen zoudt.”

”’k Weet het!” riep neef Benedictus uit, de schouders ophalend, “’k Mag [18]doen wat ik wil!....”

“Maar in ’t ruim van den Pelgrim,” hernam kapitein Hull, “zult u misschien eenige kakkerlakken vinden, die evenwel niet veel bijzonders als insecten opleveren.”

“Niet veel bijzonders, die nachtelijke, zesvleugelige insecten die zich de verwenschingen van Virgilius en Horatius op den hals gehaaid hebben!” hernam neef Benedictus, zich daarbij in zijn geheele lengte oprichtend. “Niet veel bijzonders, die naaste bloedverwanten van de ‘periplaneta orientalis’ en van den Amerikaanschen kakkerlak, die de schepen bewonen....”

“Verpesten....” zei kapitein Hull.

“Aan boord regeeren....” hernam neef Benedictus fier.

“Een liefelijke regeering!....”

“Is u geen entomoloog, mijnheer?”

“Neen, gelukkig!”

“Kom, neef Benedict,” zei Mevr. Weldon glimlachend, “verlang nu niet dat we uit liefde voor de wetenschap verslonden worden!”

”’k Wensch niets anders, nicht Weldon,” antwoordde de driftige entomoloog, “dan mijn verzameling met het een of ander zeldzaam exemplaar te verrijken!”

“Ben je dan niet tevreden met je aanwinst op Nieuw-Zeeland?”

“Wel zeker, nicht Weldon, ’k Ben zoo gelukkig geweest een van die nieuwe staphylini machtig te worden, die tot nog toe slechts eenige honderden mijlen verder, in Nieuw-Caledonië, gevonden werden.”

Op dit oogenblik kwam Dingo, die met Jack speelde, al springende, wat dicht bij neef Benedictus.

“Voort! voort!” zei deze, het dier wegduwende.

“Veel ophebben met kakkerlakken en een hekel hebben aan honden!” riep kapitein Hull uit. “Hoe is ’t mogelijk, mijnheer Benedict!”

“Een goede hond toch!” zei kleine Jack, die den grooten kop van Dingo in zijn handjes nam.

“Nu ja, ’k heb niets tegen den hond!...” antwoordde neef Benedictus. Maar dit zal ’k je zeggen. Dat drommelsche dier heeft de hoop teleurgesteld, die ’k bij zijn eerste ontmoeting had.”

“Maar, lieve Hemel!” riep Mevr. Weldon uit, “had je dan gehoopt hem te kunnen rangschikken in de orde der tweevleugeligen of in die der vliesvleugeligen?”

“Neen,” antwoordde neef Benedictus ernstig. “Maar is die Dingo, die van Nieuw-Zeelandsch ras is, niet gevonden op de westkust van Afrika?”

“Dat is ongetwijfeld zoo,” antwoordde Mevr. Weldon, “en Tom heeft het den kapitein van de Waldeck dikwijls hooren zeggen.”

“Welnu, ’k had gedacht.... ’k had gehoopt.... dat die hond misschien eenige vlooien van een bijzonder ras, eigenaardig aan de Afrikaansche fauna, zou hebben meegebracht....”

“Groote goedheid!” riep Mevr. Weldon uit.’

“En dat misschien....” ging neef Benedictus verder, “de een of andere culex penetrans of irritans.... van een nieuwe soort....”

“Hoor je, Dingo?” zei kapitein Hull. “Hoor je, mijn hond? je hebt volstrekt je plicht niet gedaan!”

“Maar ’k ben een uur bezig geweest met hem te vlooien....” voegde de entomoloog op spijtigen toon er bij, “’k heb geen enkel insect kunnen vinden.”

“En dat zoudt u toch zeker wel onmiddellijk en meedoogenloos ter dood gebracht hebben, hoop ik!” riep kapitein Hull uit.

“Mijnheer.” antwoordde neef Benedictus droogjes, “weet dat Sir John Franklin zich angstvallig wachtte het geringste insect te dooden, al was het een Amerikaansche muskiet, wier beten heel wat geduchter zijn dan die van de vloo, en toch zult u me toestemmen dat Sir John Franklin een zeeman was zooals er weinige gevonden worden!”

“Dat zal waar zijn!” zei kapitein Hull, even buigend.

“En eens, toen hij vreeselijk gehavend werd door een tweevleugelig insect, tot de orde der diptera behoorende, (muggen, muskieten, vliegen), blies hij het weg, zeggende: Ga heen! De wereld is groot genoeg voor u en voor mij!”

“Wel, wel!” zei kapitein Hull.

“Ja mijnheer!”

“Welnu, mijnheer Benedict,” hernam kapitein Hull, “een ander, lang voor Sir John Franklin, heeft dit al gezegd!”

“Een ander!”

“Ja en die andere is oom Tobias.”

“Een entomoloog?” vroeg neef Benedictus [19]levendig.

“Neen! Oom Tobias van Sterne, en die waardige man heeft juist dezelfde woorden gesproken toen hij een muskiet liet vliegen die hem kwelde: ‘Ga, arme duivel,’ zei hij, ‘de wereld is groot genoeg om jou en mij te bevatten!’

“Een braaf mensch die oom Tobias!” antwoordde neef Benedictus. “Is hij dood?”

“Dat geloof ik wel,” hernam kapitein Hull ernstig, “want hij heeft nooit bestaan.”

Allen lachten, terwijl zij neef Benedictus aankeken.

Onder dergelijke en vele andere gesprekken, die zoodra neef Benedictus er deel aan nam, altijd over een of ander punt der entomologische wetenschap liepen, vervlogen de lange uren dezer langdurige zeereis. Met een altijd schoone zee, maar met winden die de schoenerbrik verplichtten zoo dicht mogelijk bij den wind te houden. De Pelgrim kon bij de zwakke bries niet spoedig het oosten halen en meer dan ooit verlangde hij die streken te bereiken, waar de wind hem gunstiger zoude zijn.

Wij mogen vooral niet verzwijgen dat neef Benedictus getracht had den jeugdigen leerling in de verborgenheden der entomologie in te wijden. Maar Dick Sand had niet de minste neiging voor de beoefening dezer wetenschappen beloond. Uit gebrek aan beter, had de geleerde zich nu tot de negers gewend, die er niets van begrepen. Tom, Actéon, Bat en Austin waren zelfs de lessen ontloopen en de professor had zijn toevlucht genomen tot Hercules, die hem voorkwam wel eenigen aanleg te hebben voor natuurlijke historie.

De reusachtige neger leefde dus in de wereld der torren, vleeschetende dieren, jagers, kanonniers, doodgravers, aardkevers, sylfen, aardtorren, schallebijters, koorwormen, onze-Lieve-Vrouwen-beestjes, terwijl hij de gansche verzameling van neef Benedictus bestudeerde, niet zonder dat deze duizend angsten uitstond, als hij die teere voorwerpen zag tusschen de dikke vingers van Hercules, die zoo hard en sterk waren als een schroef. Maar de kolossale leerling hoorde zoo gedwee de lessen van den professor aan, dat het wel waard was iets te wagen.

Terwijl neef Benedictus zich op deze wijze bezighield, liet mevr. Weldon den kleinen Jack ook niet onledig. Ze leerde hem lezen en schrijven. Wat het rekenen betreft, was het zijn vriend Dick Sand die er hem de eerste beginselen van inprentte.

Op den leeftijd van vijf jaar, dus nog als klein kind, leert men misschien beter door praktische spelen dan door theoretische lessen, die natuurlijk altijd wat zwaar zijn.

Jack leerde lezen, niet in een A.B.C.-boek. maar door middel van beweegbare letters, die in ’t rood op vierkante stukjes hout gedrukt waren; hij vermaakte zich met deze op die wijze te rangschikken dat er woorden van gevormd werden. Somtijds nam Mevr. Weldon deze blokjes hout en stelde een woord samen; daarna rommelde zij ze door elkander en moest Jack ze dan weer in orde brengen.

De kleine jongen vond het zeer prettig op deze wijze lezen te leeren. Iederen dag besteedde hij eenige uren, nu eens in de kajuit dan op het dek, aan het rangschikken en weer in de war brengen van zijn alphabet.

Dit nu bracht op zekeren dag zulk een buitengewoon en onverwacht voorval teweeg, dat het hier eenigszins uitvoerig moet vermeld worden.

In den morgen van den 9n Februari hield Jack, in half liggende houding op het dek, zich wederom bezig met het vormen van een woord dat de oude Tom weder moest samenstellen, nadat de letters dooreen waren geschud. Tom hield de hand voor de oogen om niet valsch te spelen, zooals het hoort, want hij mocht niets zien en zag dan ook niets van ’t geen de kleine jongen deed.

Van deze verschillende letters, ten getale van een vijftig, waren eenige dezer vierkante blokjes met een cijfer voorzien, ’t geen diende om getallen even goed als woorden te vormen.

Deze blokjes waren op het dek gerangschikt, en de kleine Jack nam nu eens het eene, dan weer het andere om een woord te vormen—werkelijk een heele taak voor het kind.

Nu draaide Dingo sedert eenige oogenblikken om den jongen heen, toen hij plotseling bleef staan. Zijn oogen vestigden zich op een punt, zijn linkerpoot werd in de hoogte gelicht, zijn staart bewoog zich krampachtig. Daarna [20]wierp hij zich eensklaps op een der blokjes, pakte het in zijn bek en legde het op eenige schreden van Jack op het dek neder.

Dit blokje had een hoofdletter,—de letter S.

“Dingo! Wat is dat! Dingo!” riep de kleine jongen, die eerst bang was dat zijn S. door den hond zou ingeslikt worden.

Maar Dingo kwam terug, pakte wederom een ander blokje en legde het naast het eerste neder.

Dit tweede blokje was de hoofdletter V.

Op het gezicht van deze V., uitte Jack een kreet.

Dadelijk kwamen Mevr. Weldon, de kapitein en de leerling, die op het dek wandelden, toeloopen. De kleine Jack vertelde hun toen wat er gebeurd was.

Dingo kende zijn letters! Dingo kon lezen! ’t Was zeker, want Jack had het gezien!

Dick Sand Wilde de twee blokjes opnemen, om ze aan zijn vriend Jack terug te geven, maar Dingo liet zijn tanden zien.

Evenwel gelukte het den leerling weder in het bezit van de twee blokjes te komen en hij voegde ze weer bij de anderen.

Doch opnieuw wierp Dingo zich op de twee zelfde letters en legde ze weer ter zijde. Dezen keer zette hij er zijn pooten op en scheen vast besloten ze te houden. Wat de andere letters van ’t alphabet aangaat, zij schenen voor hem niet te bestaan.

“Dat is vreemd!” zei Mevr. Weldon.

“Werkelijk zeer zonderling,” antwoordde kapitein Hull, die de twee letters met aandacht bekeek.

“S. V.”—zei Mevr. Weldon.

“S. V.”—herhaalde kapitein Hull.

“Dat zijn dezelfde letters als op den halsband van Dingo staan!”

Toen richtte hij zich eensklaps tot den ouden neger en vroeg:

“Tom, heb je me niet verteld dat die hond nog maar kort aan den kapitein van de Waldeck behoorde?”

“Ja, mijnheer,” antwoordde Tom. “Dingo was nog maar twee jaar aan boord.”

“En zei je er niet bij dat de kapitein van de Waldeck dien hond op de westkust van Afrika had opgenomen.”

“Ja, mijnheer, in den omtrek van de monding van den Congo. ’k Heb het den kapitein dikwijls hooren vertellen.”

“Dus,” vroeg kapitein Hull verder, “heeft men nooit geweten aan wien deze hond toebehoorde en ook niet van waar hij kwam.”

“Nooit mijnheer. Met een verloren hond is ’t veel erger gesteld dan met een verloren kind. Hij heeft geen papieren en daarenboven kan hij niets zeggen.”

Kapitein Hull zweeg en was in diep gepeins verzonken.

“Wekken deze twee letters een herinnering bij u op?” vroeg Mevr. Weldon den kapitein, na hem eenige oogenblikken met zijn gedachten alleen te hebben gelaten.

“Ja, mevrouw, een herinnering, of liever een zonderlinge overeenkomst van gebeurtenissen.”

“Welke?”

“Deze twee letters zouden wel eens een zin kunnen hebben en onze aandacht moeten vestigen op het lot van een stoutmoedig reiziger....”

“Wat wilt u daarmede zeggen?” vroeg Mevr. Weldon.

“Dit, Mevrouw. In 1871,—twee jaar geleden dus,—vertrok een Fransch reiziger, op aansporing van het Aardrijkskundig Genootschap te Parijs, met het doel om dwars door Afrika van het westen naar het oosten door te dringen. Zijn punt van aankomst moest zoo dicht mogelijk bij kaap Deldago zijn, bij de monden van de Rovouma, die hij moest afzakken. Deze Fransche reiziger nu heette Samuel Vernon.”

“Samuel Vernon!” herhaalde Mevr. Weldon.

“Ja, mevrouw, en zijn twee namen beginnen juist met de twee letters die Dingo onder allen heeft uitgezocht en die op zijn halsband gegraveerd zijn.”

“Inderdaad!” antwoordde Mevrouw Weldon, “En hoe is ’t met den reiziger afgeloopen?”

“Die reiziger vertrok,” antwoordde kapitein Hull, “en sedert zijn vertrek heeft men niets meer van hem vernomen.”

“Nooit?” vroeg de leerling.

“Nooit,” herhaalde kapitein Hull.

“Wat besluit u daaruit?” vroeg Mevr. Weldon.

“Dat Samuel Vernon de oostkust van Afrika niet heeft kunnen bereiken, hetzij [21]hij door de inboorlingen gevangen genomen is, hetzij de dood hem onderweg heeft getroffen!”

“En dan die hond?....”

“Die hond zal hem toebehoord hebben en gelukkiger dan zijn meester zou hij, als mijn stelling juist is, naar het kustland van den Congo hebben kunnen terugkomen, omdat hij op het tijdstip dat deze gebeurtenissen hebben moeten plaats hebben, door den kapitein van de Waldeck is opgenomen.”

“Maar,” merkte Mevr. Weldon op, “weet u of die Fransche reiziger bij zijn vertrek een hond bij zich had? Is ’t geen eenvoudige veronderstelling?”

”’t Is werkelijk maar een eenvoudige Veronderstelling, Mevrouw,” antwoordde kapitein Hull. “Maar zeker is ’t, dat Dingo de twee letters S. en V., die juist de beginletters zijn van de twee namen van den Franschen reiziger, kent. Onder welke omstandigheden nu het dier geleerd heeft ze te onderscheiden, kan ik niet verklaren, maar, nog eens, hij kent ze ongetwijfeld en kijk, hij brengt er zijn poot bij en schijnt ons uit te noodigen ze met hem te lezen.”

En werkelijk kon men zich niet in het doel van Dingo vergissen.

“Zou Samuel Vernon dan alleen geweest zijn, toen hij het kustland van den Congo verliet?” vroeg Dick Sand.

“Dat weet ik niet,” antwoordde kapitein Huil. “Maar ’t dunkt me waarschijnlijk dat hij een geleide van inlanders heeft moeten meenemen.”

Op dit oogenblik verliet Negoro het verblijf der matrozen en kwam aan dek. Niemand merkte in ’t eerst zijn tegenwoordigheid op en zag den zonderlingen blik dien hij wierp op den hond, toen hij de twee letters waarnam voor welke deze, als een jachthond voor het wild, scheen stil te staan. Maar Dingo, die den kok nu opmerkte, begon teekenen van de hoogste woede te geven.

Negoro ging dadelijk naar het matrozen-verblijf terug, niet zonder dat hem een dreigend gebaar tegen den hond ontsnapt was.

“Daar zit iets achter!” mompelde kapitein Hull, wien niets van dit kleine tooneel ontgaan was.

“Maar, mijnheer,” zei de leerling, “is het niet verwonderlijk dat een hond de letters kent van ’t alphabet?”

“Wel neen!” riep kleine Jack uit.

“Mama heeft me dikwijls de geschiedenis verteld van een hond die lezen en schrijven en zelfs domino kon spelen als een ware schoolmeester.”

“Die hond, lief kind, die Munito heette, was geen geleerde, zooals je denkt. Als ’k gelooven mag wat men er me van gezegd heeft, zou hij de letters waarmee hij zijn woorden samenstelde niet eens van elkaar hebben kunnen onderscheiden. Maar zijn meester, een slimme Amerikaan, had opgemerkt dat Munito een bijzonder fijn gehoor had en nu had hij zich er op toegelegd dat zintuig te oefenen en er verwonderlijke uitwerkselen van verkregen.”

“Hoe legde hij het aan, mevrouw Weldon?” vroeg Dick Sand, die bijna even veel belang in de geschiedenis stelde als kleine jack.

“Dat zal ik u zeggen, mijn vriend. Als Munito voor het publiek moest ‘werken’, werden even zulke letters op een tafel uitgespreid. De hond liep op deze tafel heen en weer en wachtte totdat een woord werd voorgesteld, hetzij met luide, hetzij met zachte stem. Alleen was ’t een noodzakelijke voorwaarde, dat zijn meester het woord wist.”

“Dus zou bij afwezigheid van zijn meester?....” zei de leerling.

“De hond niets hebben kunnen doen,” antwoordde Mevr. Weldon, “en ziehier waarom niet. Als de letters op de tafel uitgespreid lagen, liep Munito door dit alphabet. Kwam hij dan bij de letter welke hij moest uitkiezen om het verlangde woord te vormen, dan stond hij stil; maar hij bleef staan omdat hij het geluid hoorde van een tandenstoker dien de Amerikaan in zijn zak deed rammelen en dat voor ieder ander onmerkbaar was. Dit geluid was voor Munito het teeken om de letter te nemen en haar in de overeengekomen volgorde te plaatsen.”

“En is dat nu het geheele geheim?” vroeg Dick Sand.

“Dat is ’t geheele geheim,” antwoordde Mevrouw Weldon, “’t Is zeer eenvoudig, als alles in de goochelkunst. Bij de afwezigheid van den Amerikaan, zou Munito niet meer Munito geweest zijn. ’t Verwondert me dus wel, dat, nu zijn meester er niet bij is,—zoo al de reiziger Samuel Vernon ooit zijn meester geweest is—Dingo die twee letters heeft kunnen onderscheiden.” [22]

“Dat is werkelijk zeer verwonderlijk,” zei kapitein Hull. “Maar u moet bedenken, dat er hier slechts sprake is van twee letters, twee bijzondere letters, en niet van een woord dat in ’t wild gekozen wordt. En dan dunkt mij dat die hond die aan de deur van een klooster aanbelde om zich meester te maken van den schotel die bestemd was voor de arme voorbijgangers, en die andere, die met een van zijn natuurgenooten belast was om den anderen dag het spit te draaien en die weigerde dezen post waar te nemen als ’t zijn beurt niet was, dat deze honden, zeg ik, hooger verstandelijk ontwikkeld waren dan Dingo. Hoe het zij, we staan hier voor een onbetwistbaar feit. Van al de letters van dit alphabet heeft Dingo slechts deze twee uitgezocht: S. en V. De andere schijnt hij zelfs niet te kennen. Men moet er dus uit besluiten dat wegens de een of andere reden, die wij niet kennen, zijn aandacht bijzonder op deze twee letters is gevestigd geweest.”

“Och, kapitein Hull,” hernam Dick, “als Dingo maar eens spreken kon!.... Misschien zou hij ons dan zeggen wat die twee letters beteekenen en waarom hij altijd zijn tanden aan onzen kok laat zien?”

“En welke tanden!” antwoordde kapitein Hull, op het oogenblik dat Dingo, zijn bek opende, en dus zijn geducht gebit liet zien.

Zesde hoofdstuk.

Een walvisch in ’t gezicht.

Wat wonder dat dit zonderling voorval meermalen het onderwerp uitmaakte van de gesprekken, die op het halfdek van den Pelgrim tusschen Mevr. Weldon, kapitein Hull en den jeugdigen leerling gehouden werden. Deze laatste vooral voelde een instinctmatig wantrouwen jegens Negoro, wiens gedrag evenwel niet de minste berisping verdiende.

Ook in het vooruit sprak men er over, maar men maakte daar niet dezelfde gevolgtrekkingen. Daar, in het matrozenverblijf, ging Dingo eenvoudig door voor een hond, die kon lezen en misschien zelfs beter schrijven dan één matroos aan boord. Zoo hij niet sprak, dan had hij daar waarschijnlijk goede redenen voor.

“Maar eens,” zei de roerganger Bolton, “eens zal die hond ons komen vragen, wat we voorleggen als de wind N.W. t. W. ½ W. is en dan zullen we hem moeten antwoorden!”

“Er zijn dieren die spreken!” hernam een ander matroos, “zooals eksters en papegaaien! Waarom zou een hond het ook niet kunnen, al hij er lust toe heeft? ’t Is moeielijker met een snavel te spreken dan met een mond!”

“Zonder twijfel,” antwoordde bootsman Howik. “Maar dat is nog nooit gebeurd.”

Wat zouden die goede menschen verbaasd gestaan hebben, als men hun verteld had, dat zoo iets wel degelijk gebeurd was, en dat een zeker Deensch geleerde een hond bezat, die duidelijk een twintigtal woorden uitsprak. Doch tusschen dat en ’t geen dit dier begreep van wat hij zei, was een ontzaglijk verschil. Blijkbaar hechtte de hond, wiens stemspleet op die wijze georganiseerd was, dat geregelde tonen konden voortgebracht worden, niet meer beteekenis aan zijn woorden dan de papegaaien, de meerkollen of de eksters aan de hunne. De spreekwijze bij deze dieren is niets anders dan een soort van gezang of van gesproken kreten, die ontleend zijn aan een vreemde taal, waarvan men de beteekenis niet zou begrijpen.

Hoe het zij, Dingo was de held aan boord geworden,—waarop hij zich evenwel geenszins liet voorstaan. Meermalen hernieuwde kapitein Hull de proef. De blokjes hout van het alphabet werden telkens opnieuw voor Dingo geplaatst, en steeds zonder te dwalen, zonder te aarzelen, werden de twee letters S. en V. onder alle door het zonderlinge dier uitgekozen, terwijl de andere nooit zijn aandacht trokken.

Wat neef Benedictus aangaat, deze proef werd dikwijls voor hem herhaald, zonder dat zij hem belang scheen in te boezemen.

“Evenwel,” verwaardigde hij zich eens te zeggen, “moet men niet aannemen dat de honden alleen het voorrecht hebben op die wijze met oordeel begaafd te zijn! Andere dieren evenaren ze, alleen door hun instinkt te volgen. Zoo bijv. de ratten die het schip verlaten [23]dat bestemd is om in zee te zinken; de bevers die het wassen van het water vooruit kunnen zien en hunne dijken dienovereenkomstig verhoogen; de paarden van Nicomedes, van Scanderberg en van Oppius, wier smart zoo bitter was, dat zij stierven bij den dood hunner meesters; de ezels, zoo merkwaardig door hun geheugen, en zoovele andere beesten eindelijk die den roem van het dierenrijk geweest zijn! Wie heeft niet gehoord van die verwonderlijk afgerichte vogels, die zonder fouten woorden schrijven door hunne meesters gedicteerd, van kaketoe’s die zeer nauwkeurig het aantal personen in een salon weten te tellen! Is er geen papegaai geweest die met honderd gouden kronen betaald werd en zonder zich een enkel woord te vergissen den kardinaal, zijn meester, de Geloofsbelijdenis der apostelen opzei? En moet eindelijk de rechtmatige hoogmoed van een entomoloog niet ten top stijgen, als hij eenvoudige insecten de bewijzen ziet geven eener buitengewone bevatting en welsprekendheid het axioma bevestigen:

In minimis maximus Deus:

de mieren, die een lesje zouden kunnen geven aan de magistraatspersonen van de grootste steden; de waterspinnen, die duikerklokken vervaardigen zonder ooit iets van werktuigkunde geleerd te hebben; de vlooien die rijtuigen voorttrekken als echte koetspaarden, die exerceeren als soldaten, die beter een kanon afvuren dan de geëxamineerde artilleristen van West-Point?1 Neen! die Dingo verdient den lof niet die hem wordt toegezwaaid, en als hij zoo sterk in ’t alphabet is, dan behoort hij ongetwijfeld tot een ras van bulhonden, dat in de classificatie van de zoölogische wetenschap nog geen plaats gevonden heeft, den ‘canis alphabeticus’ van Nieuw-Zeeland!”

Inweerwil van deze en andere redeneeringen van den afgunstigen entomoloog, verloor Dingo niets van de algemeene achting en bleef hij in de gesprekken van de voorplecht behandeld worden als een bijzonder verschijnsel.

Nochtans is het meer dan waarschijnlijk dat Negoro de ingenomenheid met het dier van allen aan boord niet deelde. Misschien vond hij hem te schrander. Wat hier van zij, de hond toonde altijd dezelfde vijandschap tegen den kok en ongetwijfeld zou hij er niet best afgekomen zijn, zoo hij van den eenen kant geen hond geweest was die van zich af kon bijten en van den anderen kant niet beschermd werd door de sympathie van de geheele equipage.

Negoro vermeed dus meer dan ooit zich in tegenwoordigheid van Dingo te bevinden. Maar Dick Sand had meenen op te merken dat, sedert het voorval der twee letters, de wederkeerige tegenzin van den mensch en den hond was toegenomen. Dat was werkelijk onverklaarbaar.

Den 10n Februari begon de wind uit het noord-oosten merkbaar af te nemen; reeds was deze gevolgd op die langdurige en verdrietige windstilten, gedurende welke de Pelgrim bijna stillag. Kapitein Hull mocht dus hopen dat er zich weldra een verandering in de richting der luchtstroomen zou voordoen. Eindelijk zou de schoener-brik dan misschien voor den wind gaan loopen. Slechts negentien dagen geleden hadden zij de haven van Auckland verlaten. De vertraging was vooralsnog niet zeer belangrijk en met den wind dwars zou de Pelgrim, met behulp zijner zeilen, den verloren tijd gemakkelijk inhalen. Doch er zouden nog wel eenige dagen verloopen, voor er een bestendige bries uit het westen ging waaien.

Dit gedeelte van de Stille-Zuidzee was altijd vrij eenzaam. Bijna geen enkel vaartuig vertoonde zich in deze streken. Het was een breedte die slechts hoogst zelden door de zeevaarders bezocht werd. De walvischvaarders der Zuidelijke zeeën overschreden den keerkring nog niet. Men kon dus op den Pelgrim, die door bijzondere omstandigheden gedwongen was geweest vóór den afloop der kampanjes de plaatsen waar gewoonlijk gevischt werd te verlaten, niet verwachten een schip dat dezelfde bestemming had te ontmoeten.

Wat de transatlantische pakketbooten betreft, wij hebben reeds gezegd dat zij bij haar tochten tusschen Australië en het vasteland van Amerika niet zulk een noordelijken parallel volgden.

Doch, omdat de zee verlaten is, moet men niet verzuimen haar tot de uiterste grenzen van den horizon gade te slaan. Zij moge voor onachtzame geesten eentonig [24]schijnen, voor hem die haar kent en begrijpt, is er een oneindige afwisseling in haar op te merken. Haar ondoorgrondelijkste veranderingen bekoren de verbeelding van hen die de poëzie van den oceaan begrijpen. Een zeeplantje dat met den golfslag op en neer gaat, een boschje zeekroos dat slechts een lichte rimpeling op de oppervlakte der golven voortbrengt, een eindje plank welker geschiedenis men zou willen raden, meer is er niet noodig om aan die verbeelding den teugel te vieren. Voor deze oneindigheid wordt de geest door niets belemmerd. Onze voorstellingen hebben vrij spel. Elk van die moleculen water die de verdamping voortdurend tusschen de zee en den hemel doet afwisselen, bevat misschien het geheim van de een of andere vreeselijke ramp! Ook moet men ze benijden, hen wier diepste gedachten de verborgenheden van den Oceaan weten uit te vorschen, die geesten die zich van zijn beweeglijke oppervlakte verheffen tot de hoogten des hemels.

En overal vertoont zich het leven, zoowel boven de oppervlakte der zee als onder haar. De passagiers van den Pelgrim konden troepen vogels zien, die driftig jacht maakten op de kleinste vischjes; het waren landverhuizers die voor den winter het ruw klimaat der poolstreken verlaten. En meer dan eens gaf Dick Sand, ook hierin, als in zoovele andere zaken, den leerling van den heer Weldon, de bewijzen zijner verwonderlijke behendigheid met het geweer of pistool, door eenige van die vlugge luchtbewoners neer te vellen.

Nu eens waren het witte, dan weder andere stormvogels wier vleugels omzoomd waren met een bruin randje. Somwijlen ook trokken troepen duiven voorbij of eenige van die vetganzen welker gang op het land zoo zwaar en zoo belachelijk is. Evenwel kunnen deze vetganzen, zooals kapitein Hull deed opmerken, door zich van hare stompen als vinnen te bedienen, de vlugste visschen tarten, in die mate zelfs, dat zij somtijds met springvisschen zijn verward geworden.

Hooger doorkliefden reusachtige albatrossen de lucht met groote vleugelslagen en zetten zich vervolgens op de oppervlakte der zee neder, die zij met hun bek doorwoelden om er hun voedsel te zoeken.

Al die tooneelen leverden een afwisselend schouwspel op, dat alleen door hen wier geest gesloten is voor de schoonheden der natuur, eentonig zou gevonden worden.

Dienzelfden dag wandelde Mevr. Weldon op het achterdek van den Pelgrim, toen een vrij zonderling verschijnsel haar aandacht trok. Bijna plotseling was de zee roodachtig geworden. Men zou gezegd hebben dat zij met bloed was gekleurd, en deze onverklaarbare tint strekte zich zoo ver uit als de oogen konden zien.

Op dat oogenblik bevond Dick Sand zich met kleinen Jack bij Mevr. Weldon.

“Zie je, Dick,” zei zij tot den leerling, “daar die vreemde kleur van het water? Zou dat zijn door de een of andere zeeplant?”

“Neen, mevrouw,” antwoordde Dick, “die kleur wordt voortgebracht door millioenen kleine schaaldiertjes, waarmede de groote zoogdieren zich gewoonlijk voeden. De visschers noemen dat met recht ‘walvisch-eten’.

“Schaaldiertjes!” zei Mevr. Weldon. “Maar ze zijn zoo klein dat men ze bijna zeeinsecten zou kunnen noemen. Neef Benedictus zou er misschien gaarne zijn verzameling mee willen verrijken!”

“Neef Benedict!” riep zij toen.

Neef Benedictus kwam toen uit zijn hut te voorschijn, bijna gelijktijdig met den kapitein.

“Neef Benedictus,” zei Mevr. Weldon, “zie toch eens die onmetelijke roodachtige bank, die zich uitstrekt zoover het oog reikt.”

“He!” zei kapitein Hull, “dat is walvisch-eten! Mijnheer Benedict, ziedaar een schoone gelegenheid om die vreemde soort van schaaldieren te bestudeeren!”

”’t Zou wat!” zei de entomoloog.

“Hoe! ’t Zou wat!” riep de kapitein uit. “Maar u hebt het recht niet zulk een onverschilligheid voor te geven! De schaaldieren maken een van de zes klassen der gelede dieren uit2 als ik me niet bedrieg, en als zoodanig....”

”’t Zou wat!” zei nogmaals neef [25]Benedictus, het hoofd schuddende.

“Hoor eens! ’k Vind u vrij onverschillig voor een entomoloog!”

“Entomoloog, goed,” antwoordde neef Benedictus, “maar meer bijzonder hexapodist, kapitein, onthoud het goed!”

“Hoe het zij,” antwoordde de kapitein, “dat u geen belang in die schaaldieren stelt, mij wel, maar ’t zou heel wat anders wezen, als u een walvisschenmaag hadt. Wat een smulpartij, in dat geval! want weet u, mevrouw Weldon, als wij, walvischvaarders, gedurende het vischseizoen in ’t gezicht komen van een bank van die schaaldieren, dan worden onmiddellijk de harpoenen en de lijnen in orde gebracht! Wij zijn dan zeker dat het wild niet ver af is!”

“Is ’t mogelijk dat zulke kleine diertjes zulke groote kunnen voeden?” riep Jack uit.

“Wel, mijn jongen,” antwoordde kapitein Hull, “geven ons de microscopisch fijne meelkorreltjes geen goede soepen? Ja, en de natuur heeft het zoo gewild. Wanneer een walvisch zich te midden van dat roode water beweegt, is zijn soep gereed en heeft hij niets meer te doen dan zijn onmetelijken bek te openen, waarin dadelijk millioenen schaaldiertjes worden opgenomen, terwijl de talrijke baarden, waarmede het verhemelte van het dier voorzien is, zich uitspreiden als de netten van een visscher; niets kan er dan meer uit en een geweldige massa schaaldiertjes verzinkt in de enorme maag van den walvisch, als de soep van uw diner in de uwe.”

“Je begrijpt licht, Jack,” merkte Dick Sand op, “dat mijnheer de walvisch zijn tijd niet verliest met een voor een die schaaldiertjes te pellen, zooals gij garnalen pelt!”

”’k Moet er nog bijvoegen,” zei kapitein Hull, “dat juist op het oogenblik als de ontzaglijke gulzigaard op die manier bezig is, ’t gemakkelijkste is hem te naderen zonder zijn wantrouwen te wekken. Dat is dus juist het geschiktste oogenblik om hem met eenig succes te harpoeneeren.”

Op dit oogenblik, en als om kapitein Hull gelijk te geven, deed zich de stem van den matroos op den uitkijk hooren: “Een walvisch aan bakboordszij vooruit!”

Kapitein Hull had zich opgericht.

“Een walvisch!” riep hij uit.

En door zijn visschersinstinct aangevuurd, snelde hij naar den bak.

Mevr. Weldon, Jack, Dick Sand en zelfs neef Benedictus volgden hem terstond.

En werkelijk gaf op vier mijlen onder lij, een zekere borreling te kennen dat een groot dier zich te midden der roode golven bewoog. Vooral walvischvaarders konden er zich niet in vergissen.

Maar de afstand was nog te groot om de soort te kunnen onderscheiden, waartoe dit dier behoorde. Deze soorten zijn inderdaad zeer van elkander verschillend.

Was het een van die echte walvisschen die bij voorkeur door de visschers van de noordpool-zeeën opgezocht worden? Die walvisschen, bij wie de rugvin ontbreekt, maar wier huid eene dikke laag spek bedekt, kunnen een lengte van vier-en-tachtig voet bereiken, hoewel de gemiddelde lengte geen zestig bedraagt, en in dit geval verschaft een enkele van die monsters tot honderd vaten traan.

Was het integendeel een “humpback”, die tot de soort der baleinoptera behoort,—een woord waarvan de eindlettergreep hem althans de gunst van den entomoloog had moeten doen verwerven? Zij zijn het die rugvinnen bezitten, wit van kleur en zoo lang als de halve lengte des lichaams, die als een paar vleugels uitzien en hem daardoor wel eenigszins op een vliegenden walvisch doen gelijken.

Had men niet waarschijnlijker een “vinvisch” in ’t gezicht, een zoogdier ook bekend onder den naam van “snavelwalvisch”, die voorzien is van een rugvin en welks lengte die van den echten walvisch kan evenaren?

Kapitein Hull en zijn bemanning konden nog geen uitspraak doen, maar zij beschouwden het dier nog met meer begeerte dan wel bewondering.

Zoo het waar is dat een horlogemaker geen pendule kan zien zonder de onweerstaanbare behoefte te gevoelen haar op te winden, hoeveel meer moet dan niet de walvischvaarder op het gezicht van een walvisch door een dringende begeerte bezield zijn er zich meester van te maken! De jagers op grof wild zijn, zegt men, vuriger dan die op klein [26]wild. Hoe grooter het dier is, des te meer wekt het de begeerlijkheid op! Wat moeten dan niet de jagers op olifanten en de visschers op walvisschen gevoelen! En dan bestond ook nog de teleurstelling der geheele equipage van den Pelgrim om met eene halve lading thuis te varen!...

Intusschen trachtte kapitein Hull het dier dat gesignaleerd was, te onderscheiden. Het was op dien afstand niet zichtbaar. Evenwel kon het geoefend oog van een walvischvaarder zich niet bedriegen in zekere bijzonderheden die gemakkelijk van verre te ontdekken waren.

Werkelijk moest de straal, namelijk de kolom van damp en water die de walvisch door zijne neusgaten in de hoogte spuit, de aandacht wekken van kapitein Hull en hem de soort doen bepalen waartoe deze walvisch behoorde.

“Dat is geen echte walvisch!” riep hij uit. “Zijn straal zou hooger zijn en een kleiner volumen hebben. Zoo van den anderen kant het geraas dat de straal maakt vergeleken kon worden met het verwijderd geluid van een stuk geschut, zou ik geneigd zijn te gelooven dat deze walvisch tot de soort der ‘humpbacks’ behoort; maar daar is niets van aan en wanneer men goed hoort, dan kan men zich overtuigen dat dit geluid van gansch anderen aard is.

“Hoe denkt gij daarover, Dick?” vroeg kapitein Hull den leerling.

“Mij dunkt, kapitein, dat we hier te doen hebben met een vinvisch. Zie eens, met welk een geweld hij dien waterstraal in de lucht spuit. Komt het u ook niet voor,—’t geen mijne meening zou bevestigen,—dat die straal meer water dan verdichte lucht bevat? En dat is immers een eigenaardige bijzonderheid van den vinvisch?”

“Je hebt gelijk, Dick,” antwoordde kapitein Hull. “Er is geen twijfel meer mogelijk! ’t Is een vinvisch die aan de oppervlakte van die roode golven drijft.”

“Wat is dat een prachtig gezicht!” riep Jack uit.

“Ja, mijn jongen! En wanneer men dan bedenkt dat het groote dier daar aan zijn ontbijt is en volstrekt niet vermoedt dat walvischvaarders naar hem kijken!”

”’k Zou durven verzekeren, dat het een groote vinvisch is,” merkte Dick Sand aan.

“Ongetwijfeld,” antwoordde kapitein Hull, die zich allengs begon op te winden, “ik schat hem ten minste op zeventig voet lengte!”

“Ja, ja!” voegde de bootsman er bij. “Een half dozijntje walvissche