[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Verhalen van de Zuidzee, by Jack London This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Verhalen van de Zuidzee Author: Jack London Translator: Leo Leclercq Release Date: June 7, 2006 [EBook #18532] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERHALEN VAN DE ZUIDZEE *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
[Inhoud]
[Inhoud]
Dit eene zal altijd en altijd blijven:
Zij hebben geleefd en de kansen aanvaard.
Zoo veel van het koninklijk spel zal winst zijn,
Al bleef ook het goud in hun beurs niet gespaard.
[Inhoud]
Ondanks de zware logheid van haar vormen, liep de Aorai gemakkelijk met de lichte bries, en de kapitein bracht het schip vlak onder de wal voordat hij bijdraaide juist buiten den trek van de branding. De atol Hikoe-eroe lag laag op het water: een cirkel van fijngestampt koraalzand honderd meter breed, twintig mijlen in omtrek, en van drie tot vijf voet boven hoog-water peil. Op den bodem van de groote, effen lagune leefden veel pareloesters, en vanaf het dek van den schoener, achter den smallen ring van de atol, kon men de duikers aan het werk zien. Maar de lagune had zelfs voor een koopvaardij-schoener geen invaart. Kotters konden met een gunstige bries wel binnen komen door de kronkelende, ondiepe vaargeul, maar de schoeners bleven buiten op en neer houden en stuurden hun kleine booten.
De Aorai zwaaide vlug en netjes een boot buiten boord, en een half dozijn bruine matrozen, met niets anders aan dan een vuurrooden lendendoek, sprongen er in en namen de riemen. Achter in de boot, aan den stuurriem, stond een jonge man, gekleed in het tropisch wit dat den Europeaan kenmerkt. Maar hij was niet heelemaal Europeaan. Het gouden ras van Polynesië verraadde zich in het zonnebrons van zijn blanke huid en schoot gouden glansen en lichtflitsen door het schemerig blauw van zijn oogen. Het was Raoul, Alexandre Raoul, de jongste zoon van Marie Raoul, de rijke halfbloed, eigenares en exploitante van een stuk [8]of zes koopvaardij-schoeners gelijk aan de Aorai. Over den terugslag van het water even buiten de invaart, en in en door en over een kolkenden vloedstroom, zocht de boot haar weg naar de spiegelende kalmte van de lagune. Raoul sprong er uit, op het witte zand, en schudde een grooten inlander de hand. ’s Mans schouders en borst waren prachtig, maar zijn rechter arm was een stompje, waar het been, wit van ouderdom, nog verscheiden centimeter uitstak. Een ontmoeting met een haai had een eind gemaakt aan zijn duikerstijd, en nu moest hij bedelen en vleien om kleine gunsten.
“Heb je gehoord, Alex?” waren zijn eerste woorden. “Mapoehi heeft een parel gevonden—zóó’n parel! Nog nooit is er zóó een opgevischt, niet op Hikoe-eroe, niet in de Paoemotoe’s, in de heele wereld niet. Koop het ding van hem. Hij heeft het nu. En vergeet niet, dat ik het je het eerst gezegd heb. Hij is een dwaas, en je kunt het goedkoop krijgen. Heb je soms tabak?”
Recht vooruit liep Raoul, het strand op, en naar een hut onder een pandanus-boom. Hij was ladingmeester van zijn moeder, en zijn werk was de heele Paoemotoe’s af te zoeken naar de rijkdommen van kopra, parelmoer en parels die zij voortbrachten.
Hij was nog maar een jonge ladingmeester, dit was zijn tweede reis in die hoedanigheid, en in stilte tobde hij veel over zijn gebrek aan ervaring in de waardebepaling van parels. Maar toen Mapoehi hem de parel voorhield, zag hij toch kans om den schok dien hij kreeg te onderdrukken, en een onverschillige koopmans-uitdrukking op zijn gezicht te houden. Want de parel had hem een schok gegeven. Hij was zoo groot als een duiven-ei, een volmaakte bol, van een blankheid die opalen glansen terugwierp van alle kleuren er om heen. Hij leefde. Nooit had Raoul zoo iets gezien. [9]Toen Mapoehi hem in zijn hand liet vallen, was hij verrast door het gewicht. Dat bewees, dat het een goede parel was. Hij onderzocht hem nauwkeurig, door een zak-vergrootglas. De parel was zonder barst of vlek. Zijn zuiverheid scheen smeltend uit te vloeien in de atmosfeer, uit zijn handen. In de schaduw lichtte hij zacht, glanzend als een jonge maan. Zóó doorzichtig was hij, dat Raoul, toen hij hem in een glas water liet vallen, moeite had hem te vinden. Snel en recht was hij naar den bodem gezonken, en Raoul wist dat het gewicht niet beter zou kunnen zijn.
“Nu, wat moet je er voor hebben?” vroeg hij, en de achteloosheid van zijn houding was buitengewoon goed.
“Ik wil—” begon Mapoehi, en achter hem, als een lijst om zijn eigen donker gezicht, knikten de donkere gezichten van twee vrouwen en een meisje instemming met wat hij wilde. Hun hoofden staken naar voren, er leefde een onderdrukte begeerte in, hun oogen schitterden hebzuchtig.
“Ik wil een huis hebben”, ging Mapoehi door. “Het moet een dak hebben van gegalvaniseerd ijzer en een achthoekige klok. Het moet zes vadem lang zijn, met een galerij er rondom heen. In het midden moet een groote kamer zijn met een ronde tafel er in en de achthoekige klok aan den muur. Er moeten vier slaapkamers zijn, twee aan iederen kant van de groote kamer, en in iedere slaapkamer moet een ijzeren bed zijn, twee stoelen en een waschtafel. En achter het huis moet een keuken zijn, een goede keuken, met potten en pannen en een fornuis. En je moet het huis bouwen op mijn eiland, op Fakarava.”
“Is dat alles?” vroeg Raoul ongeloovig.
“Er moet een naaimachine zijn”, deed Tefara, Mapoehi’s vrouw, zich hooien.
“En de achthoekige klok niet te vergeten,” voegde Naoeri, Mapoehi’s moeder er bij. [10]
“Ja, dat is alles”, zei Mapoehi.
Raoul lachte. Hij lachte lang en hartelijk. Maar terwijl hij lachte, loste hij in stilte vele problemen van hoofdrekenen op. Hij had nog nooit in zijn leven een huis gebouwd, en zijn ideeën omtrent huizen bouwen waren vaag. Terwijl hij lachte, berekende hij de kosten van de reis naar Tahiti om het materiaal te halen, van het materiaal zelf, van de reis terug naar Fakarava, en de kosten van het landen van het materiaal en het bouwen van het huis. Het zou komen op vierduizend Fransche dollars, ruim gerekend om heelemaal zeker te zijn—vierduizend Fransche dollars stonden gelijk met twintigduizend francs. Het was onmogelijk. Hoe kon hij de waarde van zulk een parel kennen? Twintigduizend francs was een massa geld—en een massa van zijn moeder’s geld bovendien.
“Mapoehi,” zei hij, “je bent een groote dwaas. Noem een prijs in geld.”
Maar Mapoehi schudde zijn hoofd, en de drie hoofden achter hem schudden mee.
“Ik wil het huis hebben”, zei hij. “Het moet zes vadem lang zijn met een galerij er rondom heen—.”
“Ja, ja,” onderbrak Raoul. “ik weet alles van je huis, maar dat gaat niet door, hoor. Ik zal je duizend Chileensche dollars geven.”
De vier hoofden schudden in zwijgend afwijzen.
“En honderd dollars Chili crediet.”
“Ik wil het huis”, begon Mapoehi.
“Wat zou je aan dat huis hebben?” vroeg Raoul ongeduldig. “De eerste de beste cycloon die langs komt spoelt het weg. Dat weet je zelf ook wel. Het heeft er nu al veel van dat we een cycloon zullen krijgen, zegt kapitein Raffy.”
“Niet op Fakarava”, zei Mapoehi. “Het land is daar veel hooger. Op dit eiland, ja. Iedere cycloon kan over Hikoe-eroe [11]heen slaan. Ik wil het huis op Fakarava hebben. Het moet zes vadem lang zijn met een galerij er rondom heen—.”
En weer aanhoorde Raoul het verhaal van het huis. Verscheiden uren bracht hij door met te trachten de obsessie van het huis uit Mapoehi’s hoofd te hameren; maar Mapoehi’s moeder en echtgenoote, en Ngakoera, Mapoehi’s dochter, stijfden hem in zijn voornemen een huis te hebben. Door de deuropening, terwijl hij voor den twintigsten keer luisterde naar de gedetailleerde beschrijving van het huis dat begeerd werd, zag Raoul de tweede boot van zijn schoener op het strand loopen. De matrozen bleven rusten op de riemen, hetgeen een teeken was van haast om weg te komen. De eerste stuurman van de Aorai sprong aan land, wisselde een paar woorden met den éénarmigen inlander, haastte zich toen naar Raoul. Een regenvlaag bedekte het gezicht van de zon, en het werd plotseling donker.
Raoul kon de dreigende lijn van de windhoos zien naderen over het water van de lagune.
“Kapitein Raffy zegt dat u als de bliksem moet maken dat u hier vandaan komt,” was de begroeting van den stuurman. “Als er parels zijn, moeten we het maar riskeeren en ze later oppikken—zegt-ie. De barometer is gedaald tot negenentwintig-zeventig.”
De windvlaag sloeg tegen den pandanus-boom boven hen, en streek door de palmen verderop. Een half dozijn kokosnoten vielen zwaar poffend op den grond. Toen kwam de regen aanzetten uit de verte, naderend met het geluid van een stormwind, en met zulk een geweld sloeg hij neer in de lagune, dat het stuifwater ronddreef als rook. Men hoorde het scherpe kletteren van de eerste droppels op de bladeren, toen Raoul overeind sprong.
“Duizend dollar Chili, contant betaald, Mapoehi,” riep hij. “En tweehonderd Chili crediet.” [12]
“Ik wil een huis”—begon de ander.
“Mapoehi!” Raoul gilde om zich verstaanbaar te maken. “Je bent een dwaas!”
Hij vloog het huis uit, en, zij aan zij met den stuurman, vocht hij zijn weg het strand af naar de boot. Zij konden de boot niet zien. De tropische regen viel in dichte stroomen om hen heen zoodat ze alleen het strand onder hun voeten zagen en de nijdige golfjes van de lagune die hapten en beten naar het zand.
Een gestalte werd zichtbaar in den zondvloed. Het was Hoeroe-hoeroe, de man met den eenen arm.
“Heb je de parel gekregen?” gilde hij in Raoul’s oor.
“Mapoehi is een idioot!” was de schreeuw die hem antwoordde, en het volgende oogenblik waren zij elkaar kwijt in het neerstroomend water.
Een half uur later zag Hoeroe-hoeroe, op den uitkijk aan den zeekant van de atol, dat de twee booten binnen boord waren en dat de Aorai den steven naar zee richtte. En dicht bij haar, juist uit zee binnengekomen op de vleugels van de bui, zag hij een anderen schoener die bijgedraaid lag en een boot neerliet in het water. Hij kende het schip. Het was de Orohena, eigendom van Toriki, den halfbloed koopman, die dienst deed als zijn eigen ladingmeester, en die zonder twijfel op dat moment in den stuurstoel van de boot zat. Hoeroe-hoeroe grinnikte. Hij wist dat Mapoehi bij Toriki in de schuld stond voor ruil-artikelen het vorig jaar op crediet geleverd.
De bui was voorbij gedreven. De heete zon vlamde neer, en de lagune was opnieuw een spiegel. Maar de lucht was zwaar en dicht als slijm, en het gewicht ervan scheen te drukken op de longen en maakte de ademhaling moeilijk.
“Heb je het nieuws gehoord, Toriki?” vroeg Hoeroe-hoeroe. “Mapoehi heeft een parel gevonden. Nog nooit is [13]er zóó’n parel opgevischt, niet op Hikoe-eroe, niet in de Paoemotoe’s, in de heele wereld niet. Mapoehi is een dwaas. Bovendien is hij je geld schuldig. Vergeet niet dat ik het je het eerst gezegd heb. Heb je soms tabak?”
En naar de grashut van Mapoehi toog Toriki. Hij was een brutale kerel, die van optreden hield, maar niettemin tamelijk dom. Achteloos keek hij naar de prachtige parel—keek maar een oogenblik; en achteloos liet hij hem in zijn zak vallen.
“Je hebt geluk,” zei hij. “Het is een aardige parel. Ik zal je crediet geven in de boeken.”
“Ik wil een huis,” begon Mapoehi, hevig ontdaan, “Het moet zes vadem—”
“Zes vadem je grootmoeder!” riep de koopman ruw. “Je wilt graag je schulden afbetalen, dat wil je, en anders niets. Je was mij twaalfhonderd dollar Chili schuldig. Best; die schenk ik je. De schuld is afgelost. Bovendien zal ik je crediet geven voor tweehonderd Chili. Als de parel flink opbrengt, wanneer ik op Tahiti kom, zal ik je crediet geven voor nog honderd er bij—dat is dan driehonderd. Maar denk er wel aan, alleen als de opbrengst goed is. Het kan best zijn dat ik er nog op verlies.”
Mapoehi kruiste zijn armen in droefenis en zat daar met gebogen hoofd. Zijn parel was hem afhandig gemaakt. In de plaats van het huis had hij een schuld betaald. Hij kon niets laten zien wat hij voor de parel in de plaats had gekregen.
“Je bent een dwaas”, zei Tefara.
“Je bent een dwaas”, zei Naoeri, zijn moeder. “Waarom heb je hem de parel in zijn hand gegeven?”
“Wat kon ik doen?” protesteerde Mapoehi. “Ik was hem het geld schuldig. Hij wist dat ik de parel had. U hebt zelf gehoord dat hij er naar vroeg. Ik had het hem niet gezegd. Hij wist het. Iemand anders heeft het hem gezegd. En ik was hem het geld schuldig.” [14]
“Mapoehi is een dwaas,” bootste Ngakoera na.
Zij was twaalf jaren oud en wist niet beter. Mapoehi luchtte zijn hart door haar een geweldige oorvijg toe te dienen; terwijl Tefara en Naoeri in tranen uitbarstten en voorgingen hem allerlei dingen te verwijten, zooals vrouwen plegen te doen.
Hoeroe-hoeroe, op den uitkijk aan het strand, zag een derden schoener dien hij kende buiten de invaart bijdraaien en een boot strijken. Het was de Hira, en het schip droeg zijn naam met eere, want zijn reeder was Levy, de Duitsche Jood, de grootste parelkooper van hen allen, en, zooals bekend was, op Tahiti was Hira de god van de visschers en de dieven.
“Heb je het nieuws gehoord?” vroeg Hoeroe-hoeroe, toen Levy, een dikke man met massieve, onregelmatige trekken, op het strand stapte. “Mapoehi heeft een parel gevonden. Nog nooit is er zóó’n parel gevonden op Hikoe-eroe, in de heele Paoemotoe’s, in de heele wereld niet. Mapoehi is een dwaas. Hij heeft hem aan Toriki verkocht voor veertien honderd Chili—ik heb buiten staan luisteren en ik weet het. Toriki is ook een dwaas. Je kunt hem goedkoop van hem koopen. Denk er aan dat ik het je het eerst heb gezegd. Heb je soms tabak?”
“Waar is Toriki?”
“In het huis van kapitein Lynch. Hij is daar al een uur.”
En terwijl Levy en Toriki absinth dronken en sjacherden over de parel stond Hoeroe-hoeroe te luisteren en hoorde dat zij overeenkwamen voor den ongehoorden prijs van vijfentwintig duizend francs.
Het was op dit oogenblik, dat de Orohena en de Hira, dicht onder de wal komend, als krankzinnig schoten begonnen te lossen en signalen te geven. De drie mannen kwamen naar buiten, en konden nog juist zien hoe de twee [15]schoeners haastig door den wind gingen en uit de wal staken, grootzeilen en buitenkluivers met een vaartje strijkend onder den druk van de bui die hen ver deed overhellen op het wit-schuimende water. Toen werden ze uitgewischt door den regen.
“Ze zullen wel terugkomen als het voorbij is”, zei Toriki. “We konden hier beter weggaan.”
“Ik denk dat het glas nog wel een eindje gedaald zal zijn”, zei kapitein Lynch.
Lynch was een witgebaarde scheepskapitein, te oud om nog te varen, die ondervonden had dat Hikoe-eroe de eenige plek op de wereld was, waar hij in een dragelijke verhouding met zijn asthma kon leven. Hij ging naar binnen om op den barometer te kijken.
“Groote goden!” hoorden ze hem roepen, en ze renden in huis om met hem te komen staren naar een wijzer die negenentwintig-twintig aanwees. Opnieuw kwamen ze naar buiten, dezen keer in groote haast om zee en lucht te raadplegen. De bui was weggedreven, maar de lucht bleef bedekt. Zij konden de twee schoeners zien terugkomen, vol van top, en in gezelschap van een derden. Een plotseling omloopen van den wind dwong hen de schooten te vieren, en vijf minuten later sloeg een windstoot uit de tegenovergestelde richting alle drie de schepen terug; en van de wal af kon men zien hoe de giektalies met een vaartje werden afgevierd of losgegooid. Het geluid van de branding was hol en luid en dreigend, en er liep een zware deining landwaarts. Een vreeselijke vlam weerlicht barstte voor hun oogen en verlichtte den donkeren dag, en de donder gromde woest overal om hen heen.
Toriki en Levy zetten het op een loopen naar hun booten, de laatste hobbelend over het strand als een doodelijk-verschrikt nijlpaard. Toen hun twee booten de invaart uit [16]schoten, passeerden ze de boot van de Aorai die binnen kwam. Achterin, de roeiers aanmoedigend, stond Raoul: niet in staat om het visioen van die parel uit zijn hoofd te zetten, kwam hij terug om Mapoehi’s prijs van een huis te aanvaarden.
Hij landde op het strand in het dichtst van een gietende donderbui, en zóó dicht stroomde het water neer, dat hij tegen Hoeroe-hoeroe aan botste vóórdat hij hem gezien had.
“Te laat”, gilde Hoeroe-hoeroe. “Mapoehi heeft hem aan Toriki verkocht voor veertienhonderd Chili, en Toriki heeft hem aan Levy verkocht voor vijfentwintig duizend francs. En Levy zal hem in Frankrijk verkoopen voor honderd duizend francs. Heb je soms tabak?”
Raoul voelde zich verlicht. Zijn zorgen over de parel waren voorbij. Hij behoefde er niet meer over te tobben, al had hij dan de parel niet gekregen. Maar hij geloofde Hoeroe-hoeroe niet. Mapoehi kon hem wel verkocht hebben voor veertienhonderd Chili, maar dat Levy, die verstand had van parels, vijfentwintig duizend francs betaald zou hebben, zóó had hij ’t nog nooit gegeten. Raoul besloot kapitein Lynch eens over het onderwerp te polsen, maar toen hij in het huis van dien ouden zeevaarder kwam, zag hij hem met groote oogen staan kijken naar den barometer.
“Hoe hoog zie jij hem?” vroeg kapitein Lynch, erg benieuwd, en hij wreef zijn bril af en staarde weer naar het instrument.
“Negenentwintig-tien,” zei Raoul. “Ik heb hem nog nooit zoo laag gezien.”
“Geloof ik graag!” snoof de kapitein. “Vijftig jaar lang jongen en man op alle zeeën, en ik heb hem nog nooit zoo ver gedaald gezien. Stil!” [17]
Zij bleven een oogenblik stil staan, terwijl de branding donderde en het huis deed schudden. Toen gingen ze naar buiten. De bui was voorbij. Zij konden de Aorai zien liggen, een mijl uit de wal en overvallen door de windstilte. Het schip stampte en steigerde als bezeten in de geweldige zeeën die in statige stoeten aanrolden uit het noordoosten en zich woedend op het koraalstrand stortten. Een van de matrozen uit de boot wees naar den mond van de invaart en schudde zijn hoofd. Raoul keek en zag een witten chaos van schuim en golven.
“Ik denk dat ik vannacht maar bij u blijf, kapitein,” zei hij; toen wendde hij zich naar den matroos en zei hem de boot op de wal te halen en te zien dat hij en zijn kameraden ergens veilig onder dak kwamen.
“Negenentwintig precies,” berichtte kapitein Lynch, die met een stoel in zijn hand naar buiten kwam, terug van een hernieuwd bezoek aan den barometer.
Hij ging zitten en staarde naar het schouwspel van de zee. De zon kwam te voorschijn en maakte de atmosfeer nog zwoeler, terwijl de windstilte nog steeds aanhield. De zeeën namen voortdurend toe in grootte.
“Waar die zee vandaan komt, gaat boven mijn petje,” bromde Raoul ongeduldig. “Er is geen wind, en kijk eens, kijk eens dien kerel daar!”
Mijlen lang, met een gewicht van tienduizenden tonnen, deed hij de brooze atol schudden als door een aardbeving. Kapitein Lynch stond versteld.
“Groote genade!” riep hij, half-opstaand van zijn stoel, toen weer terugzinkend.
“Maar er is geen wind,” hield Raoul aan. “Ik zou het kunnen snappen als er wind bij was.”
“Je zult den wind gauw genoeg krijgen, maak je daar maar geen zorg over,” was het grimmige antwoord. [18]
De twee mannen zeiden niets meer. Het zweet stond op hun huid in myriaden kleine druppeltjes die samen liepen en plasjes vocht vormden, die op hun beurt weer groeiden tot kleine beekjes, neerdroppend op den grond. Zij hijgden naar adem, en vooral de pogingen van den ouden man waren pijnlijk. Een zee kwam het strand op rollen, spoelde om de stammen van de kokospalmen, en week terug, bijna voor hun voeten.
“Stuk boven hoog-water peil”, merkte kapitein Lynch op; “en ik ben hier al elf jaar.” Hij keek op zijn horloge. “Het is drie uur.”
Een man en een vrouw, met een bont gevolg van vuile kinderen en honden achter zich aan, trokken mistroostig voorbij. Een eind verder kwamen ze tot stilstand, en gingen, na lang weifelen, in het zand zitten. Een paar minuten later kwam er een andere familie uit de tegenovergestelde richting aanslenteren. Mannen en vrouwen droegen een heterogene collectie van bezittingen. En weldra waren er een paar honderd menschen van alle leeftijden en geslachten bij elkaar vóór de woning van den kapitein. Hij riep een van de pas aangekomenen aan, een vrouw met een zuigend kind in haar armen, en ontving als antwoord de mededeeling dat haar huis een paar minuten geleden de lagune in geveegd was.
Het was hier de hoogste plek land over een afstand van mijlen, en op verschillende punten, links en rechts, sloeg de zee al schoon over den smallen land-ring heen en golfde de lagune binnen. Twintig mijlen in het rond spande de cirkel van de atol, en op geen enkel punt was hij breeder dan vijftig vadem. Het was het hoogtepunt van het duikersseizoen, en van al de eilanden er omheen, zelfs van het verre Tahiti, waren de inlanders hier bijeen gekomen. [19]
“Er zijn twaalfhonderd mannen, vrouwen en kinderen hier,” zei kapitein Lynch. “Ik ben benieuwd hoeveel er morgen vroeg nog zullen zijn.”
“Maar waarom waait het niet? dat wou ik wel eens weten,” vroeg Raoul driftig.
“Maak je niet druk, jonge man, maak je niet druk; je zult gauw genoeg meer wind hebben dan je lief is.”
Terwijl kapitein Lynch nog sprak, sloeg een geweldige watermassa tegen de atol. Het zeewater kolkte om hen heen, drie duim diep onder hun stoelen. Er kwam een zachte kreet van ontzetting van de vrouwen. De kinderen stonden met samengeklemde handen te staren naar de reusachtige brekers en huilden jammerlijk. Kuikens en katten, die verschrikt in het water rondliepen, namen als bij onderlinge afspraak fladderend en klauterend de vlucht op het dak van het huis. Een inboorling van de Paoemotoe’s, met een nest pas geboren honden in een mand, klom in een kokospalm en maakte de mand twintig voet van den grond vast. De moeder spartelde jankend en keffend rond in het water er onder.
En nog steeds scheen de zon helder en duurde de windstilte voort. De twee mannen zaten daar en keken naar de zeeën en naar het krankzinnige stampen van de Aorai. Kapitein Lynch staarde naar de geweldige bergen van water die landwaarts rolden tot hij niet meer staren kon. Hij bedekte zijn gezicht met zijn handen om het niet meer te zien; toen ging hij het huis binnen.
“Achtentwintig-zestig”, zei hij rustig toen hij terugkeerde.
Onder zijn arm was een rol touw. Hij sneed het in stukken van twee vadem, gaf er een aan Raoul, hield er zelf een, en verdeelde de rest onder de vrouwen, met den raad om een boom uit te zoeken en er in te klimmen. [20]
Er begon een licht koeltje te blazen uit het noordoosten, en het zachte waaieren op zijn wang scheen Raoul op te vroolijken. Hij zag hoe de Aorai de zeilen kant naar den wind zette en uit de wal stevende, en hij had spijt dat hij niet aan boord was. Het schip zou er in ieder geval doorheen komen, maar de atol—-Een zee sloeg er over heen, trok hem bijna van de been; en hij koos een boom uit. Toen dacht hij aan den barometer en liep terug naar het huis. Hij ontmoette kapitein Lynch, die denzelfden tocht ondernam, en samen gingen zij naar binnen.
“Achtentwintig-twintig”, zei de oude zeevaarder. “Het zal hier aardig gaan spoken—wat was dat?”
De lucht scheen gevuld met iets dat met een geweldige vaart voortvloog. Het huis trilde en sidderde, en ze hoorden het zoemen van een machtig geluid. De ramen rammelden. Twee ruiten sprongen stuk; een geweldige tocht trok naar binnen en sloeg tegen hen aan en deed hen wankelen. De deur aan den anderen kant vloog met een slag dicht, het slot verbrijzelend. De witte deurknop brokkelde in stukjes op den vloer. De muren van de kamer puilden uit als een gasballon die opgeblazen wordt. Toen kwam er een nieuw geluid dat leek op het ratelen van geweervuur: het vliegend schuim van de zee dat tegen den buitenmuur sloeg. Kapitein Lynch keek op zijn horloge. Het was vier uur. Hij trok een jas van blauw zeemanslaken aan, haakte den barometer van den wand en stopte hem weg in een van zijn ruime zakken. Weer sloeg er een zee dreunend tegen het huis, en het lichte gebouwtje helde over, draaide een kwartslag op zijn fundamenten, en zakte neer, de vloer in een hoek van tien graden met den beganen grond.
Raoul ging het eerst naar buiten. De wind greep hem en sleurde hem weg. Raoul merkte dat hij omgeloopen was naar het oosten. Met inspanning van al zijn krachten [21]gooide hij zich in het zand, en hield zich plat tegen den grond gedrukt. Kapitein Lynch, weggewaaid als een halmpje stroo, struikelde over hem heen. Twee matrozen van de Aorai verlieten den kokospalm waaraan ze zich vastgeklemd hadden en kwamen hen te hulp. Zij leunden tegen den wind in onmogelijke hoeken, en zwoegden en vochten om iedere duimbreed van den afstand. De oude man was stijf in zijn gewrichten en hij kon niet klimmen, dus heschen de matrozen hem met behulp van korte eindjes touw, die ze aan elkaar bonden, langs den stam omhoog, telkens een paar voet, totdat ze hem vast konden binden, boven in den boom, vijftig voet van den grond af. Raoul sloeg zijn eindje touw om den voet van een boom er naast en bleef staan kijken. De wind was ontzettend. Hij had nooit gedroomd dat het zóó hard kon waaien. Een zee schuimde over de atol en maakte hem nat tot aan zijn knieeën voordat ze terug week in de lagune. De zon was verdwenen, en een loodkleurige schemering spreidde zich over alles. Een paar druppels regen, horizontaal door de lucht vliegend, troffen hem als looden kogeltjes. Een vlok zilt schuim en zeewater spatte om zijn ooren. Het was als een klap in zijn gezicht. Zijn wangen prikten pijnlijk, en tegen wil en dank kwamen er tranen in zijn stekende oogen. Een paar honderd inlanders waren de boomen in gevlucht, en hij had kunnen lachen om de trossen menschelijk fruit die in de kruinen hingen. Toen, want hij was een geboren Tahiti-eilander, vouwde hij zijn lichaam dubbel, omgreep den stam van den boom met zijn handen, drukte zijn voetzolen tegen de oppervlakte van den stam, en begon tegen den boom op te loopen. In de kruin vond hij twee vrouwen, twee kinderen en een man. Een van de kinderen, een meisje, hield een kat in haar armen geklemd. [22]
Vanuit zijn hooge zitplaats wuifde hij met de hand naar kapitein Lynch, en die manhaftige patriarch wuifde terug. Raoul stond versteld over de lucht. Het wolkendek was veel dichterbij gekomen—ja, het leek vlak boven zijn hoofd te hangen; en het was van loodkleurig zwart geworden. Er waren nog veel menschen op den beganen grond. Ze stonden in groepjes bijeen om den voet van de boomen en hielden zich vast met alle macht. Verschillende van die groepjes waren bezig te bidden, en in één ervan hield de Mormoonsche zendeling een preek. Raoul hoorde een vreemd geluid, rhythmisch, zwak als het zwakste gesjirp van een verren krekel. Het duurde maar een oogenblik, maar in dat oogenblik deed het hem vaag denken aan den hemel en aan engelen muziek. Hij keek om zich heen, en zag, aan den voet van een anderen boom, een groote groep menschen, die zich vasthielden met touwen en aan elkander. Hij kon zien hoe ze in koor hun gezichten vertrokken en hun lippen bewogen. Het geluid was weg, maar hij wist dat zij hymnen zongen.
De wind bleef voortdurend harder blazen. Hij kon dit toenemen in kracht niet meten door een bewust proces van zijn hersenen, want deze storm was veel erger den al zijn ondervinding van wind; maar niettemin was het hem duidelijk, hoe wist hij niet, dat het steeds harder stormde. Dichtbij werd een boom ontworteld en zijn vracht menschelijke wezens viel op den grond. Een zee spoelde over het reepje land, en ze waren weg. Alles gebeurde met verwonderlijke snelheid. Hij zag een bruinen schouder en een zwart hoofd, scherp afstekend tegen het kolkend wit van de lagune. Het volgend oogenblik was ook dat verdwenen. Andere boomen gingen tegen den grond, vielen kris en kras door elkaar als lucifers. Hij stond versteld over de kracht van den wind. Zijn eigen boom zwaaide [23]gevaarlijk; een van de vrouwen jammerde voortdurend en klemde het meisje in haar armen, dat op haar beurt de kat weer vast hield.
De man, die het andere kind op zijn arm had, tikte Raoul op den schouder en wees. Hij keek, en zag een honderd meter verder de Mormoonsche kerk als een dronken man over het eiland zwaaien. Het gebouw was van zijn fundamenten gescheurd, en wind en zee stuwden en schoven het in de richting van de lagune. Een ontzettende muur van water smakte er tegen aan, deed het kantelen, en gooide het tegen een half dozijn kokospalmen. De trossen menschelijk fruit vielen als rijpe kokosnoten. Bij het terugloopen van de golf zag hij hen op den grond liggen, sommigen bewegingloos, anderen zich krommend en wringend. Zij deden hem wonderlijk sterk denken aan mieren. Het ontroerde hem niet. Hij was boven de verschrikkingen uit. Alsof het iets heel gewoons was zag hij hoe de volgende zee het menschelijk wrakhout van het zand wegveegde. Een derde zee, geweldiger dan alle andere die hij tot dan toe gezien had, gooide de kerk in de lagune, en ze dreef weg naar lij, de duisternis in, half onder water. Ze deed hem werkelijk denken aan de ark van Noah.
Hij keek rond om het huis om kapitein Lynch te zoeken, en merkte tot zijn verrassing dat het weg was. Waarlijk, alles gebeurde snel. Hij zag dat veel van de menschen in de boomen die nog hielden, naar den beganen grond waren afgedaald. De wind nam nog steeds toe. Hij kon dat zien aan zijn eigen boom. Die zwaaide en boog niet meer heen en weer. In de plaats daarvan bleef hij in denzelfden stand, in een scherpen hoek van den wind af gebogen, en trilde alleen maar. Maar dat trillen was iets afschuwelijks. Het was als van een stemvork of van de tong van een mondtrom. De snelheid van de trilling maakte het zoo vreeselijk. Zelfs al [24]hielden de wortels van den boom, hij zou die spanning niet lang kunnen weerstaan. Er moest ten slotte iets breken.
Ah, daar was er al een die het opgegeven had. Hij had hem niet zien gaan, maar daar stond het overblijfsel, halverwege den stam afgebroken. Men wist niet wat er gebeurde als men het niet zag. Kleinigheden als het kraken van boomen en het jammeren van menschelijke wanhoop namen geen plaats in in die machtige massa van geluid. Toevallig keek hij in de richting van kapitein Lynch toen het gebeurde. Hij zag den stam van den boom op de helft splinterend afknappen, zonder geluid. De kruin van den boom, met drie matrozen van de Aorai en den ouden kapitein, zeilde weg over de lagune. Het ding viel niet op den grond, maar vloog door de lucht als een kafje. Raoul volgde het op zijn vlucht een honderd meter ver, toen stoof het in het water. Hij spande zijn oogen in, en was er zeker van dat hij kapitein Lynch vaarwel zag wuiven.
Raoul wachtte niet op wat er verder zou gebeuren. Hij tikte den inlander op den schouder en beduidde hem naar beneden te gaan. De man wilde wel, maar zijn vrouwen waren verlamd van angst, en hij bleef liever bij hen. Raoul sloeg zijn touw om den boomstam en gleed omlaag. Een vloed van zout water bruiste over hem heen. Hij hield zijn adem in en hield zich wanhopig vast aan het touw. Het water vloeide terug, en in de beschutting van den stam kon hij weer ademen. Hij maakte het touw steviger vast, en werd toen onder water gezet door een tweede zee. Een van de vrouwen gleed naar beneden en kwam bij hem staan, maar de inlander bleef boven bij de vrouw, de twee kinderen en de kat. De ladingmeester had opgemerkt, dat de troepjes menschen die zich vasthielden aan de andere boomen voortdurend kleiner werden. Nu zag hij van dichtbij hoe het proces in zijn werk ging. [25]
Al zijn kracht werd vereischt om zich vast te houden, en de vrouw die bij hem was gekomen raakte al uitgeput, Iederen keer dat hij te voorschijn kwam uit een zee was hij verbaasd zichzelf nog op dezelfde plek te vinden, en dan, verbaasd dat de vrouw er nog was. Ten slotte vond hij alleen zichzelf terug. Hij keek naar boven. De kruin van den boom was ook verdwenen. Op de helft van zijn oorspronkelijke lengte trilde een versplinterd uiteinde. Hij was veilig. De wortels hielden nog, terwijl de boom geen wind meer ving. Hij begon naar boven te klimmen. Hij was zóó uitgeput dat het heel langzaam ging, en zee na zee spoelde over hem heen vóórdat hij er boven uit was. Toen bond hij zich vast aan den stam en sterkte zich tegen den komenden nacht en tegen hij wist niet wat.
Hij voelde zich erg eenzaam in de duisternis. Af en toe scheen het hem toe, dat dit het einde van de wereld was, en hij de eenige die nog leefde. Nog steeds nam de wind toe. Ieder uur nam hij toe. Toen Raoul berekende dat het ongeveer elf uur moest zijn, was de wind ongeloofelijk geworden. Het was een vreeselijk, monsterachtig iets, een gillende woede, een muur die tegen hem aan sloeg en verder ging, maar die voortging met slaan en verder gaan—een muur zonder eind. Het scheen hem toe dat hij licht en etherisch was geworden; dat hij het was die zich voortbewoog; dat hij met onbegrijpelijke snelheid voortgedreven werd door een eindelooze vaste massa. De wind was niet meer lucht in beweging. Hij was vast en tastbaar geworden als water of kwik. Raoul had een gevoel alsof hij zijn hand er in kon steken en er brokken uit kon scheuren, zooals men zou doen met het vleesch in het karkas van een stier; dat hij den wind kon grijpen en er zich aan vast kon houden zooals men zich vasthoudt aan den wand van de steile rots. [26]
Hij werd er bijna door geworgd. Hij kon niet ademhalen als hij zijn gezicht er recht tegen in hield, want de wind spoot naar binnen door zijn mond en neusgaten en zette zijn longen uit als een varkensblaas. Op zulke oogenblikken scheen zijn lichaam opgezwollen en volgestopt met vaste aarde. Alleen door zijn lippen tegen den boomstam te drukken kon hij ademhalen. Ook raakte hij uitgeput door den onophoudelijken druk van den wind. Lichaam en geest werden moe. Hij merkte niets meer op, hij dacht niet meer, en was half bewusteloos. Eén gedachte maakte zijn heele bewustheid uit: Dit was dus een cycloon. Die eene gedachte kwam met onregelmatige tusschenpoozen terug. Het was als een zwak vlammetje dat af en toe opflikkerde. Telkens, ontwakend uit een periode van verdooving, kwam hij daarbij terug: Dit was dus een cycloon. Dan zakte hij weer weg in een nieuwe verdooving.
Het hoogtepunt van den wervelstorm duurde van elf uur ’s avonds tot drie uur in den morgen, en het was om elf uur dat de boom waarin Mapoehi en zijn familie zich vastklemden, afknapte. Mapoehi kwam aan de oppervlakte van de lagune, met zijn dochter Ngakoera nog steeds in zijn armen. Alleen een Zuidzee-eilander kon blijven leven in een dergelijken chaos van water. De pandanusboom waaraan hij zich had vastgegrepen rolde om en om in het kolkend schuim, en alleen door zich nu weer eens vast te houden en te wachten, en dan weer zijn greep vlug te veranderen, zag hij kans om zijn eigen hoofd en dat van Ngakoera aan de oppervlakte te krijgen met tusschenpoozen die voldoende dicht op elkaar volgden om den adem in hun lichamen te houden. Maar de lucht was hoofdzakelijk water, door het vliegend schuim en den dichten regen die in horizontale richting langs stormden. [27]
Het was tien mijlen naar den overkant van de lagune. Hier, op den tweeden zandring, werden negen op de tien ongelukkige schepsels die den overtocht over de lagune te boven kwamen, gedood door heen en weer geworpen boomstammen, balken, wrakken van kotters en van huizen. Uitgeput en half verdronken, werden ze geslingerd in dezen krankzinnigen vijzel van de elementen en tot vormeloos vleesch gebeukt. Maar Mapoehi had geluk. Hij kreeg de eene kans van de tien, en ze viel hem ten deel door een puren gril van het noodlot. Hij kwam uit den chaos te voorschijn op het strand, bloedend uit een twintigtal wonden. Ngakoeri’s linkerarm was gebroken; de vingers van haar rechterhand waren verbrijzeld, en haar wang en voorhoofd lagen open tot op het been. Hij greep een boom die nog stond en klemde zich vast, met het meisje nog steeds in zijn armen, happend naar lucht, terwijl het water van de lagune ter hoogte van zijn knieeën, en soms ter hoogte van zijn middel, voorbij spoelde.
Om drie uur in den morgen was de grootste kracht van den orkaan gebroken. Om vijf uur woei er nog slechts een stijve bries. En om zes was het blakstil en scheen de zon. De zee was kalm geworden. Aan den nog rusteloozen rand van de lagune zag Mapoehi de vernielde lichamen van hen die het land niet hadden kunnen bereiken. Zonder eenigen twijfel waren Tefara en Naoeri daar bij. Hij ondernam een onderzoekingstocht langs het strand, en vond zijn vrouw, die half in en half uit het water lag. Hij ging zitten en schreide, zijn smart uitend in schorre dierengeluiden, zooals primitieve wilden doen. Toen bewoog zij zich onrustig, en kreunde. Hij keek nauwkeuriger toe. Niet alleen leefde zij, maar zij was zelfs ongedeerd. Zij sliep slechts. Zij had ook de eene kans van de tien gehad.
Van de twaalfhonderd menschen die den vorigen avond nog leefden, waren er driehonderd over. De Mormoonsche [28]zendeling en een gendarme hielden de telling. De lagune was één verwarring van ronddrijvende lijken. Er stond geen huis, geen hut meer. Op de heele atol waren geen twee steenen op elkaar gebleven. Van de kokospalmen stonden er nog ongeveer één op de vijftig, en ook daar was niet veel meer van over, terwijl aan niet één boom ook maar een enkele noot was overgebleven. Er was geen zoet water. De ondiepe putten die het doorsijpelende regenwater verzamelden waren vol met zout. Uit de lagune werden nog een paar doordrenkte zakken meel gered. De overlevenden sneden het binnenste uit de kokospalmen en aten het op. Hier en daar kropen ze in kleine hutjes, gemaakt door het zand uit te graven en daar stukken metalen dakbedekking overheen te leggen.
De zendeling maakte een primitieve distilleer-inrichting, maar hij kon geen water distilleeren voor driehonderd menschen. Tegen het einde van den tweeden dag ontdekte Raoul, toen hij een bad nam in de lagune, dat zijn dorst wat minder werd. Hij riep het nieuws naar de anderen, en daarop had men driehonderd mannen, vrouwen en kinderen kunnen zien, die tot hun buik in de lagune stonden en door hun huid water trachtten in te drinken. Hun dooden dreven overal om hen heen, of ze trapten er op waar ze nog op den bodem lagen. Den derden dag begroef het volk zijn dooden en ging zitten wachten op de stoomschepen, die hulp moesten brengen.
Ondertusschen was Naoeri, van haar familie losgescheurd door den orkaan, op eigen gelegenheid verder gedreven, en beleefde haar eigen avonturen. Zich vastklemmend aan een ruwe plank die haar wondde en kneusde en haar lichaam vol splinters sloeg, werd zij heelemaal over de atol heen geslingerd en weggevoerd naar zee. Hier, onder het vreeselijk beuken van bergen water, raakte ze haar plank kwijt. Zij [29]was een oude vrouw, bijna zestig, maar geboren en getogen in de Paoemotoe’s, en ze was nooit in haar leven buiten het gezicht van de zee geweest. Terwijl zij voortzwom in de duisternis, half verdronken, hijgend, vechtend om lucht, kreeg ze een zwaren slag tegen haar schouder van een kokosnoot. Op hetzelfde oogenblik was haar plan gevormd, en ze greep de noot. In het uur dat volgde bemachtigde zij er nog zeven. Samengebonden vormde ze een reddingboei die haar in het leven hield, maar die tegelijkertijd dreigde haar tot gelei te slaan. Zij was een dikke, zware vrouw en liep gauw kneuzingen op, maar ze had veel ervaring met cyclonen, en ze wachtte geduldig tot de wind zou afnemen, steeds biddend tot haar haai-god om bescherming tegen de haaien. Maar om drie uur was zij zoo verdoofd dat ze het verminderen van den wind niet bemerkte.
Ook merkte zij om zes uur niets van de windstilte. Zij schokte weer tot bewustzijn toen ze op het strand werd gegooid. Zij groef haar bloedende, open handen en voeten in het zand en klauwde tegen het terugloopende water in, totdat ze buiten het bereik van de golven was.
Zij wist waar zij was. Dit land kon geen ander zijn dan het kleine eilandje Takokota. Het had geen lagune. Niemand woonde er op. Hikoe-eroe was vijftien mijlen weg. Zij kon het niet zien, maar zij wist dat het in het zuiden lag. De dagen gingen voorbij, en ze leefde van de kokosnoten die haar drijvende hadden gehonden.
Ze voorzagen haar van drinkwater en van voedsel. Maar zij dronk of at niet zoo veel als ze maar wilde. Haar redding was hoogst problematiek. Zij zag den rook van de stoomschepen die kwamen helpen aan den horizon, maar zij kon niet verwachten dat er een schip zou komen naar het eenzame onbewoonde Takokota.
Van het eerste oogenblik af had zij vreeselijken last van de lijken. Voortdurend wierp de zee ze op haar stukje [30]grond, en voortdurend schoof zij ze terug in zee, waar de haaien er aan rukten en ze verslonden, tot dat haar kracht haar begaf. Toen ze niet meer kon, versierden de lijken haar strand met afschuwelijke, walgelijke guirlandes, en zij ging van hen weg zoo ver als ze kon, hetgeen niet ver was.
Op den tienden dag was haar laatste kokosnoot op, en ze verschrompelde van dorst. Ze sleepte zich voort naar het strand, zoekend naar kokosnoten. Het was vreemd dat er zooveel lijken aanspoelden en geen noten. Er dreven toch zeker meer kokosnoten dan doode menschen rond! Ten slotte gaf ze het op, en bleef uitgeput liggen. Het einde was gekomen. Er bleef niets meer over dan te wachten op den dood.
Toen zij wat later bijkwam uit de verdooving, werd zij zich langzaam bewust dat ze lag te staren naar een bos rossig rood haar op het hoofd van een dooden man. De zee wierp het lijk in haar richting, trok het toen weer terug. Het rolde een halven slag om, en zij zag dat het geen gezicht had. Toch was er iets bekends in dien bos rossig-rood haar. Een uur ging voorbij. Zij spande zich niet in om te trachten het te herkennen. Zij wachtte op den dood, en het kon haar weinig schelen, welke man dat vreeselijke ding eens geweest was. Maar toen het uur voorbij was, ging ze langzaam zitten en staarde naar het lijk. Een ongewoon groote golf had het buiten het bereik van de kleinere golven geworpen. Ja, ze had toch gelijk; die bos rood haar kon maar aan één man in de Paoemotoe’s toebehooren. Het was Levy, de Duitsche Jood, de man die de parel gekocht en meegenomen had op de Hira. Nu, één ding was duidelijk, de Hira was vergaan. De parelkooper was ten slotte nog bedrogen uit gekomen met zijn god van de visschers en de dieven. [31]
Zij kroop naar den dooden man. Zijn hemd was van zijn lichaam af gescheurd, en zij kon den leeren geldgordel zien die om zijn middel zat. Zij hield haar adem in en rukte aan de gespen. Ze gaven gemakkelijker mee dan zij gedacht had, en ze kroop weer haastig weg over het zand, den gordel achter zich aan sleepend. Het eene zakje na het andere gespte ze los, maar alles was leeg. Waar zou hij de parel gestopt hebben? Tenslotte vond zij hem in het laatste zakje, de eerste en eenige parel die hij op die reis had gekocht. Zij kroop een paar voet verder weg om te ontkomen aan de walgelijke lucht van den gordel, en bekeek de parel nauwkeurig. Het was de parel die Mapoehi had gevonden en die Toriki hem afhandig had gemaakt. Zij voelde zijn gewicht in haar hand en liet hem liefkoozend heen en weer rollen. Maar in de parel zelf zag zij geen schoonheid. Wat zij zag was het huis dat Mapoehi en Tefara en zij met zooveel zorg hadden gebouwd in hun geest. Telkens als ze naar de parel keek, zag zij het huis in al zijn bijzonderheden, de achthoekige klok incluis. Dat was iets om voor te blijven leven.
Zij scheurde een reep van haar ahoe af en bond de parel stevig om haar hals. Toen kroop zij verder langs het strand, hijgend en kreunend, maar vastbesloten zoekend naar kokosnoten. Zij vond er gauw een, en, toen ze rondkeek, nog een. Zij brak er een open, dronk de melk, die schimmelig was, en at het vleesch tot het laatste stukje.
Een beetje later vond zij een verbrijzelde boom-kano. De vlerken ervan waren weg, maar zij had nieuwe hoop, en vóórdat de dag gedaan was vond ze ook de vlerken. Iedere vondst was een goed voorteeken. De parel was een talisman. Laat in den middag zag zij een houten kist die diep in het water dreef. Toen zij het ding op het strand sleepte, hoorde ze den inhoud rammelen, en ze vond er tien blikken zalm in. Zij maakte er een open door er mee tegen de kano [32]aan te hameren. Toen er een lek in het blik was dronk ze het leeg. Daarna bracht zij verscheiden uren door met de zalm er uit te halen. Bij stukjes en beetjes hamerde en kneep ze het kostbare voedsel er uit.
Acht dagen nog wachtte zij op redding. Ondertusschen bevestigde zij de vlerken weer aan de kano; voor sjorrings gebruikte ze alles wat ze aan kokosvezels vinden kon en ook wat er nog over was van haar ahoe. De kano was leelijk gekraakt, en zij kon haar niet waterdicht maken, maar zij borg een halve kokosnoten-schaal aan boord als hoosvat. Zij was erg verlegen om een pagaai. Met een stukje blik zaagde zij al haar haren vlak bij den wortel af. Van het haar vlocht zij een koord, en met behulp van het koord maakte zij een stuk bezemsteel van drie voet vast aan een plank van de zalmkist. Zij knaagde wiggen met haar tanden en spande daarmee de sjorring.
Den achttienden dag, te middernacht, bracht zij de kano door de branding en begon de terugreis naar Hikoe-eroe. Zij was een oude vrouw. De ontberingen hadden haar vet doen verdwijnen tot er nauwelijks meer overbleef dan vel en been en een beetje pezige spieren. De kano was groot en behoorde eigenlijk gepagaaid te worden door drie sterke mannen.
Maar zij deed het alleen met een surrogaat-pagaai. Ook lekte de kano leelijk, en een derde van haar tijd wijdde ze aan hoozen. Toen het helder dag was zocht zij nog steeds tevergeefs naar Hikoe-eroe. Achter haar was Takokota weggezonken onder den rand van de zee. De zon brandde neer op haar naaktheid en trok al het vocht uit haar lichaam. Er waren nog twee blikken zalm over, en in den loop van den dag rammeide zij er gaten in een dronk wat er van te drinken was. Zij had geen tijd om het vleesch er uit te halen. Er liep een strooming die haar naar het westen zette of zij zuidwaarts pagaaide of niet. [33]
Vroeg in den middag, rechtop staand in de kano, kreeg zij Hikoe-eroe in ’t zicht. Zijn rijkdom van kokospalmen was verdwenen. Hier en daar slechts, met groote tusschenruimten, kon zij de de ruige resten van boomen zien. Het gezicht wekte haar op. Zij was dichter bij dan zij gedacht had. De strooming dreef haar naar het westen. Zij zette haar koers pal er tegen in en pagaaide verder. De wiggen in de sjorring van haar pagaai gingen los zitten, en zij verloor veel tijd met ze vast te slaan. Zij was gedwongen om dat dikwijls te doen. Dan was er het hoozen. Eén uur van de drie moest zij ophouden met pagaaien om te hoozen. En al dien tijd zakte ze af naar het westen.
Bij zonsondergang lag Hikoe-eroe zuidoostelijk van haar, drie mijlen ver. Er was een volle maan, en om acht uur lag het land pal oost en twee mijlen van haar af. Zij worstelde nog een uur lang, maar het land bleef even ver. Zij was midden in de strooming; de kano was te groot; de pagaai was te gebrekkig; en zij verloor te veel tijd en kracht met hoozen. Bovendien raakte zij uitgeput. Ondanks al haar pogen dreef de kano af naar het westen.
Zij mompelde een gebed tot haar haai-god, gleed overboord en begon te zwemmen. Het water verfrischte haar en zij liet de kano snel achter zich. Na een uur was het land merkbaar dichter bij. Toen kwam haar schrik. Recht vóór haar, geen twintig voet verder, sneed een groote vin door het water. Met vasten slag zwom zij er heen, en langzaam gleed hij weg, boog af naar rechts, en bleef om haar heen cirkelen. Zij hield haar blikken op de vin gericht én zwom verder. Als de vin verdween ging zij met haar gezicht op het water liggen en keek uit. Als de vin weer te voorschijn kwam, begon zij weer te zwemmen. Het monster was lui, dat zag zij wel. Hij had zeker goed te eten gehad na dien cycloon. Als hij erg hongerig was geweest, zou hij [34]niet geaarzeld hebben op haar af te schieten, dat wist ze. Hij was vijftien voet lang, en met één hap kon hij haar in tweeën bijten.
Maar zij had geen tijd aan hem te verspillen. Of zij zwom of niet, de strooming liep even goed van het land af. Een half uur ging voorbij, en de haai begon driester te worden. Hij zag dat zij niets deed, en kwam dichter bij, in steeds kleiner kringen om haar heen zwemmend en brutaal zijn oogen naar haar toe-draaiend als hij voorbijgleed. Vroeg of laat, dat wist ze, zou hij genoeg moed bijeen hebben om haar aan te vallen. Zij besloot zelf het eerst uit te spelen. Het was een wanhopige daad die zij overwoog. Zij was een oude vrouw, alleen in de zee, en zwak door honger en vermoeienis; en toch moest zij, tegenover dezen zee-tijger, zijn aanval voorkomen en hem zelf het eerst aanvallen. Zij zwom verder, wachtend op haar kans. Ten slotte kwam er een oogenblik dat hij lui voorbij gleed, nauwelijks acht voet van haar af. Plotseling schoot ze op hem los, alsof ze hem wilde aanvallen. Hij gaf een wilden slag met zijn staart toen hij wegvluchtte, en zijn schuurpapieren huid ritste het vel van haar arm van den elleboog tot den schouder. Hij zwom snel, in steeds wijder wordende cirkels, en verdween ten slotte.
In het gat in het zand, overhuifd met stukken metalen dakbedekking, lagen Mapoehi en Tefara te kijven.
“Als je had gedaan zooals ik zei,” viel Tefara aan, voor den duizendsten keer, “en de parel verborgen had, en het aan niemand had verteld, dan zou je hem nu nog hebben.”
“Maar Hoeroe-hoeroe stond er bij toen ik de oester openmaakte—heb ik je dat nu niet al honderd keer verteld?”
“En nu zullen wij geen huis hebben. Raoul zei mij vandaag dat als je de parel niet aan Toriki verkocht had——”
“Ik heb hem niet verkocht. Toriki heeft hem me afgenomen.” [35]
”——dat als je de parel niet aan Toriki verkocht had, hij je vijfduizend Fransche dollars zou geven, en dat is tienduizend Chili.”
“Hij heeft met zijn moeder gepraat.” legde Mapoehi uit. “Zij heeft verstand van parels.”
“En nu is de parel weg,” beklaagde Tefara zich.
“Hij heeft mijn schuld aan Toriki betaald. In ieder geval heb ik er toch twaalfhonderd Chili mee verdiend.”
“Toriki is dood”, riep zij. “Ze hebben geen bericht gekregen van zijn schoener. Het schip is vergaan, net als de Aorai en de Hira. Zal Toriki je de driehonderd crediet betalen die hij je beloofd heeft? Neen, want Toriki is dood. En als je geen parel had gevonden, zou je dan vandaag nog twaalfhonderd schuld hebben aan Toriki? Neen, want Toriki is dood, en doode menschen kun je niet betalen.”
“Maar Levy heeft Toriki niet betaald”, zei Mapoehi. “Hij heeft hem een stuk papier gegeven waar hij het geld voor kon krijgen in Papeete; en nu is Levy dood en kan niet betalen; en Toriki is dood, en het papier is met hem vergaan, en de parel is vergaan met Levy. Je hebt gelijk, Tefara. Ik ben de parel kwijt, en ik heb er niets voor in de plaats gekregen. Laten we nu gaan slapen.”
Hij stak plotseling zijn hand omhoog, en luisterde. Van buiten kwam een geluid als van iemand die zwaar en pijnlijk ademhaalde. Een hand zocht tastend langs de mat die dienst deed als deur.
“Wie is daar?” riep Mapoehi.
“Naoeri,” kwam het antwoord. “Kun je me niet zeggen waar mijn zoon Mapoehi is?”
Tefara gilde en greep den arm van haar man.
“Een spook!” klappertandde ze. “Een spook!” [36]
Mapoehi’s gezicht was afschuwelijk geel. Hij klemde zich beverig vast aan zijn vrouw.
“Goede vrouw,” stamelde hij, trachtend zijn stem een anderen klank te geven. “Ik ken uw zoon goed. Hij woont aan den oostelijken oever van de lagune.”
Van buiten kwam het geluid van een zucht. Mapoehi begon zich verlicht te voelen. Hij had het spook misleid.
“Maar waar kom je vandaan, oude vrouw?” informeerde hij.
“Van de zee”, was het mistroostig antwoord.
“Ik wist het wel! Ik wist het wel!” gilde Tefara, en ze wiegde haar bovenlijf heen en weer.
“Sinds wanneer heeft Tefara in een vreemd huis geslapen?” kwam de stem van Naoeri door het vlechtwerk.
Mapoehi blikte vrees en verwijten naar zijn vrouw. Haar stem had hen verraden.
“En sinds wanneer heeft Mapoehi, mijn zoon, zijn moeder verloochend?” ging de stem door.
“Neen, neen, dat heb ik niet gedaan—Mapoehi heeft je niet verloochend,” riep hij. “Ik ben Mapoehi niet. Hij is aan den oostkant van de lagune, zeg ik je toch!”
Ngakoera ging rechtop in haar bed zitten en begon te huilen. Het vlechtwerk kwam in beweging.
“Wat doe je?” vroeg Mapoehi streng.
“Ik kom binnen”, zei de stem van Naoeri.
Eén hoek van de mat werd opgelicht. Tefara trachte onder de dekens te duiken, maar Mapoehi hield zich aan haar vast. Hij moest zich ergens aan vasthouden. Samen, vechtend met elkaar, met bevende lichamen en klapperende tanden, staarden zij met uitpuilende oogen naar de mat die omhoog ging. Zij zagen Naoeri binnen kruipen, zonder ahoe, en druipend van het zeewater. Zij rolden zich om, van haar weg, en vochten om de deken van Ngakoera, om daarmee hun hoofden te bedekken. [37]
“Je mocht je oude moeder wel wat te drinken geven”, zei het spook klagelijk.
“Geef haar wat te drinken”, beval Tefara met trillende stem.
“Geef haar wat te drinken”, gaf Mapoehi het bevel door naar Ngakoera. En samen schopten zij Ngakoera onder de dekens uit. Een minuut later durfde Mapoehi even te gluren, en hij zag het spook drinken. Toen het een levende hand uitstak en die op de zijne legde, voelde hij het gewicht ervan, en was overtuigd dat het geen spook was. Toen kwam hij te voorschijn, Tefara achter zich aan sleepend, en een paar minuten later zaten ze allemaal te luisteren naar het verhaal van Naoeri. Een toen zij vertelde van Levy, en de parel in Tefara’s hand liet glijden, werd zelfs zij bekeerd tot het geloof in de realiteit van haar schoonmoeder.
“Morgen vroeg”, zei Tefara, “zul je de parel aan Raoul verkoopen voor vijfduizend Fransch.”
“Het huis?” wierp Naoeri tegen.
“Hij zal het huis bouwen”, antwoordde Tefara. “Hij zegt dat het vierduizend Fransch zal kosten. En bij zal ook nog duizend Fransch crediet geven, en dat is tweeduizend Chili.”
“En het zal zes vadem lang zijn?” vroeg Naoeri.
“Ja” antwoordde Mapoehi, “zes vadem.”
“En zal de achthoekige klok in de middelste kamer zijn?”
“Ja, en de ronde tafel ook.”
“Geef me dan wat te eten, want ik heb honger” zei Naoeri voldaan. “En daarna zullen we slapen, want ik ben moe. En morgen zullen we verder praten over het huis, vóórdat we de parel verkoopen. Het zal beter zijn als we de duizend Fransch contant nemen. Geld is altijd beter dan crediet in het koopen van goederen van de kooplui.” [38]
[Inhoud]
Het was in de eerste dagen op Fidzji, dat John Starhurst opstond in het missie-huis bij het dorp Rewa en kond deed van zijn plan het Evangelie te brengen in heel Viti Levoe. Viti Levoe nu beteekent het “Groote Land”, omdat het het grootste eiland is in een groep die uit veel groote eilanden bestaat, om van honderden kleine nog maar te zwijgen. Hier en daar waren de kusten als het ware besprenkeld met een schaarsche bevolking van zendelingen, handels-agenten, tripang-visschers, en gedroste matrozen, die daar een hoogst onzeker leven leidden. De rook van de heete ovens steeg op onder hun ramen, en de lichamen van de gesneuvelden werden langs hun deuren gesleept, op weg naar het feestmaal.
De Lotoe, of de Aanbidding, vorderde slechts langzaam, en, dikwijls, op de manier der kreeften. Opperhoofden die zich Christenen verklaarden en verwelkomd werden in het heiligste der heiligen van de kapel, hadden een ontmoedigende hebbelijkheid om terug te vallen in hun oude gewoonte, om deel te kunnen hebben aan het vleesch van den een of anderen geliefkoosden vijand. Eet of word gegeten was de wet van het land geweest; en eet of word gegeten scheen de wet van het land te zullen blijven nog voor langen tijd. Er waren opperhoofden, zooals Tanoa Toeiveikoso, en Toekilakila, die honderden van hun medemenschen hadden opgegeten, in den letterlijken zin van het woord. Maar onder al die lekkerbekken stond Ra Oendre-oendre het [39]hoogst. Ra Oendre-oendre woonde in Takiraki. Hij hield een register van zijn culinaire prestaties. Een rij steenen vóór zijn huis gaf het aantal menschen aan dat hij had opgegeten. Die rij was tweehonderd en dertig schreden lang, en het aantal steenen dat er in was bedroeg achthonderd en twee en zeventig. Iedere steen beteekende een opgegeten mensch. Die rij steenen zou misschien nog langer zijn geweest, had Ra Oendre-oendre niet het ongeluk gehad een speer in het onderste gedeelte van zijn rug te krijgen bij een schermutseling in het oerwoud van Somo-Somo, en opgediend te worden op de tafel van Naoengavoeli, wiens zeer middelmatige steenenrij slechts achtenveertig exemplaren telde.
De overwerkte zendelingen, uitgebrand door de koorts, volhardden koppig bij hun taak, soms alle hoop opgevend en vooruitziend naar een bijzonder teeken van Gods macht, een uitbarsting van Pinkster-vuur, die een prachtigen oogst van zielen zou brengen. Maar menschenetend Fidzji was verstokt gebleven in de boosheid. De krulharige kannibalen hadden weinig zin om hun vleeschpotten in den steek te laten zoolang de oogst van menschelijke lichamen nog overvloedig was. Soms, als de oogst al te overvloedig was, maakten zij misbruik van de goedheid der zendelingen en lieten uitlekken dat er op dien en dien dag een groot volksfeest plaats zou hebben, ter gelegenheid waarvan er geslacht zou worden. Direct kochten dan de zendelingen de levens van de slachtoffers met stokken tabak, vadems calico, en pinten glazen kralen. Zoo dreven de opperhoofden een mooien handel met hun overcompleet aan levend vleesch. Bovendien konden zij er altijd op uit trekken en nieuw halen.
Het was in dit tijdsgewricht dat John Starhurst luide verkondigde dat hij het Evangelie zou brengen van kust tot kust van het Groote Land, en dat hij zou beginnen met [40]door te dringen in de bergvestingen aan de bronnen van de Rewa. Zijn woorden werden met ontsteltenis ontvangen.
De inlandsche hulppredikers schreiden zacht. Zijn twee collega’s trachtten het hem te ontraden. De Koning van Rewa waarschuwde hem dat de bergbewoners hem zeker zouden kai-kai-en—kai-kai beteekende eten—en dat hij, de Koning van Rewa, omdat hij Lotoe geworden was, zich genoodzaakt zou zien oorlog te gaan voeren met de bergbewoners.
Hij wist heel goed dat hij hen niet kon onderwerpen. Hij wist eveneens heel goed dat zij in staat waren de rivier af te komen en Rewa te verwoesten. Maar wat kon hij doen? Als John Starhurst volhardde bij zijn plan om er op uit te trekken en opgegeten te worden, zou er een oorlog komen die honderden levens zou kosten.
Later op den dag kwam er een deputatie van de hoofden van Rewa bij John Starhurst. Hij hoorde hen geduldig aan, en redeneerde geduldig met hen, maar week geen duimbreed van zijn plan af. Aan zijn collega’s legde hij uit dat hij niet streefde naar het martelaarschap; dat de roep tot hem gekomen was het Evangelie te brengen op Viti Levoe, en dat hij slechts gevolg gaf aan den wensch van den Heer.
Tegen de handels-agenten, die bij hem kwamen en zich het hevigst van allen verzetten, zei hij: “Uw bezwaren zijn zonder waarde. Zij bestaan alleen in het nadeel dat misschien zal worden toegebracht aan uw zaken. Uw werk is geld verdienen, maar mijn werk is zielen redden. De heiden van dit duistere land moet bekeerd worden.”
John Starhurst was geen dweeper. Hij zou de eerste geweest zijn om die aantijging van de hand te wijzen. Hij was bij uitstek praktisch en gezond. Hij was er van overtuigd dat zijn zending goede resultaten zou hebben, en hij had zijn eigen vizioenen van hoe hij de vonk van Pinkstervuur [41]in de harten der bergbewoners zou doen opvlammen en hoe een nieuw, krachtig leven zou ontstaan dat zou neerdalen uit de bergen over de lengte en breedte van het Groote Land, van zee naar zee, en over de eilandjes te midden van de zee.
Er lichtten geen wilde glansen in zijn zachte grijze oogen, slechts kalme vastbeslotenheid en een onwrikbaar vertrouwen in de Hoogere Macht die hem leidde.
Eén man slechts vond hij die instemde in zijn plan, en dat was Ra Vatoe, die hem in het geheim aanmoedigde en aanbood hem gidsen te leenen tot aan de eerste uitloopers van de bergen. John Starhurst, op zijn beurt, schepte groot behagen in het gedrag van Ra Vatoe. Vroeger een onverbeterlijke heiden, met een ziel die even zwart was als zijn daden, begon Ra Vatoe licht uit te stralen. Hij sprak zelfs van Lotoe worden. Het is waar, drie jaren geleden had hij een dergelijk verlangen te kennen gegeven, en hij zou de kerk zijn binnengetreden, als John Starhurst geen bezwaar had gemaakt tegen de vier vrouwen die hij met zich meebracht.
Ra Vatoe had economische en ethische bezwaren tegen de monogamie. Bovendien had de spitsvondige tegenwerping van den zendeling hem beleedigd; en om te toonen dat hij een vrij man was en een man van eer bovendien, had hij zijn geweldige oorlogsknots gezwaaid boven Starhurst’s hoofd. Starhurst ontkwam door onder de knots door op hem af te springen en hem vast te houden tot er hulp naderde. Maar dat was nu allemaal vergeven en vergeten. Ra Vatoe zou in de kerk komen, niet alleen als bekeerd heiden, maar ook als bekeerd polygamist. Hij wachtte nog slechts, verzekerde hij Starhurst, tot zijn oudste vrouw, die erg ziek was, zou sterven. [42]
John Starhurst voer de traag-stroomende Rewa op in een van de kano’s van Ra Vatoe. Die kano zou hem twee dagen ver brengen, en daarna, als het eind van het bevaarbaar gedeelte bereikt was, terugkeeren. Heel in de verte kon men de groote, wazige bergen zien, die, hoog zich heffend in de lucht, den ruggegraat vormden van het Groote Land. Den geheelen dag staarde John Starhurst er naar met ongeduldig verlangen.
Soms bad hij in stilte. Ook vereenigde hij zich wel in gebed met Naraoe, een inlandschen hulpprediker, die zeven jaren lang Lotoe geweest was, aan één stuk door sinds den dag dat hij van den heeten oven gered was door Dr. James Ellery Brown, voor den geringen prijs van honderd stokken tabak, twee katoenen dekens, en een groote flesch pijndooder. Op het laatste oogenblik, na twintig uren in de eenzaamheid gesmeekt en gebeden te hebben, hadden Naraoe’s ooren de stem gehoord die hem zeide te gaan met John Starhurst tot de bekeering der menschen in de bergen.
“Meester, ik zal zeker met u mee gaan,” had hij verklaard.
John Starhurst had hem begroet met kalme vreugde. Voorwaar, de Heer was met hem, dat Hij een zwak, gebroken schepsel als Naraoe zóó tot daden wekte.
“Maar ik ben zonder kracht en geest, de zwakste van ’s Heeren vaten,” legde Naraoe uit, den eersten dag in de kano.
“Je moet geloof hebben, meer geloof,” berispte de zendeling hem.
Er voer nog een andere kano de Rewa op dien dag. Maar ze bleef een uur achter, en zorgde dat ze niet gezien werd. Deze kano was ook eigendom van Ra Vatoe. In die kano was Erirola, de neef en vertrouwde schildknaap van Ra Vatoe; en in het kleine mandje dat nooit uit zijn hand [43]kwam, was een walvischtand. Het was een prachtige tand, volle vijftien duim lang, en mooi evenredig gevormd; en het ivoor was geel en paars geworden van ouderdom. Die tand was eveneens eigendom van Ra Vatoe; en wanneer er op Fidzji een dergelijke tand rond gaat, gebeurt er gewoonlijk iets. Want dit is de kracht van den walvischtand: Al wie hem aanneemt kan het verzoek dat er mee gepaard gaat of er op volgt niet weigeren. Het verzoek kan alles zijn, van een menschenleven tot een stamverbond, en geen Fidzji-eilander is zóó dood voor eergevoel om het verzoek te weigeren als de tand eenmaal is aangenomen. Soms heeft het verzoek geen succes, of wordt de voldoening uitgesteld, met onaangename gevolgen.
Aan het einde van den tweeden dag van zijn tocht, rustte John Starhurst in het dorp van een opperhoofd, Mongondro genaamd, aan den bovenloop van de Rewa. Hij dacht den volgenden morgen te voet verder te gaan, vergezeld door Naraoe, naar de wazige bergen, die nu, dichterbij gekomen, groen en fluweelig waren. Mongondro was een zacht gehumeurd klein oud kereltje die zich rustig bewoog.
Hij was bijziende en lijdend aan elephantiasis, en voelde geen neiging meer tot de beroering van den oorlog. Hij ontving den zendeling met warme gastvrijheid, gaf hem te eten van zijn eigen tafel, en voerde zelfs gesprekken over den godsdienst met hem. Mongondro was nieuwsgierig aangelegd, en wilde graag alles weten, en het verheugde John Starhurst zeer dat hij hem vroeg om een verklaring van het bestaan en het ontstaan der dingen. Toen de zendeling klaar was met zijn korte samenvatting van de Schepping volgens Genesis, zag hij dat Mongondro diep geroerd was. Het kleine oude dorpshoofd zat een tijdlang zwijgend te rooken. Toen nam hij de pijp uit zijn mond en schudde droevig zijn hoofd. [44]
“Het kan niet zijn”, zei hij. “Ik, Mongondro, was in mijn jeugd een goed werkman met de dissel. En toch had ik drie maanden noodig om een kano te maken, een kleine kano, een heele kleine kano. En jij zegt dat al dit land en water gemaakt is door één man—”
“Neen, gemaakt is door één God, den eenig waren God,” onderbrak de zendeling.
“Het is hetzelfde”, ging Mongondro door, “dat al het land en al het water, de boomen, de visschen, de bosschen, de bergen, de zon, de maan, en de sterren in zes dagen gemaakt zijn! Neen, neen. Ik zeg je dat ik een bekwaam man was in mijn jeugd, en toch had ik drie maanden noodig voor één kleine kano. Het is een verhaaltje om kinderen mee bang te maken; maar geen man kan het gelooven.”
“Ik ben een man”, zei de zendeling.
“Zeker, jij bent een man. Maar het is mijn duister begrip niet gegeven om te weten wat jij gelooft.”
“Ik zeg u, ik geloof dat alles gemaakt is in zes dagen.”
“Dat zeg je nu wel, dat zeg je nu wel,” mompelde de oude kannibaal sussend.
Niet dan nadat John Starhurst en Naraoe naar bed waren gegaan kroop Erirola het huis van het dorpshoofd binnen, en overhandigde hem, na een diplomatieke redevoering, den walvischtand.
Het oude dorpshoofd hield den tand heel lang in zijn handen. Het was een mooie tand, en hij wilde hem erg graag hebben. Ook raadde hij het verzoek dat er achter zat. “Neen, neen; walvischtanden waren mooi,” en het water kwam hem in zijn mond, maar hij gaf hem onder veel verontschuldigingen terug aan Erirola.
Vroeg in de morgenschemering was John Starhurst op de been, schrijdend over het boschpad in zijn groote leeren [45]laarzen, achter hem aan de trouwe Naraoe, hij zelf achter een naakten gids aan, die hem geleend was door Mongondro om den weg te wijzen naar het volgende dorp, dat om twaalf uur bereikt werd. Hier kwam een nieuwe gids den weg wijzen. Een mijl achter hem aan zwoegde Erirola, de walvischtand in het mandje over zijn schouder geslagen. Twee dagen volgde hij den zendeling, en bood den tand aan de verschillende dorpshoofden aan. Maar dorp na dorp weigerde den tand. Hij volgde zóó snel op de aankomst van den zendeling dat zij het verzoek raadden dat er gedaan zou worden, en zij wilden er niets mee te maken hebben.
Zij kwamen langzamerhand diep in de bergen, en Erirola nam een geheim pad, sneed den zendeling den pas af, en bereikte vóór hem de vesting van den Boeli van Gatoka. De Boeli nu wist niet van John Starhurst’s naderende komst. Bovendien was de tand mooi—een buitengewoon exemplaar, en de kleur was van de zeldzaamste hoedanigheid. De tand werd in het openbaar aangeboden. De Boeli van Gatoka, zittend op zijn beste mat, omgeven door zijn hoplieden, drie vliegenjagers achter hem aan het werk, verwaardigde zich uit de hand van zijn heraut den walvischtand te ontvangen, die hem werd aangeboden door Ra Vatoe en die in de bergen was gebracht door zijn neef Erirola. Een geweldig handgeklap weerklonk toen het geschenk werd aanvaard, en de vergaderde hoplieden, herauten en vliegenjagers riepen in koor: A! woi! woi! woi! A! woi! woi! woi! A taboea levoe! Woi! woi! A moedoea, moedoea, moedoea!
“Weldra zal er een man komen, een blanke man,” begon Erirola, na de vereischte pauze. “Het is een zendeling, en hij zal vandaag komen. Het behaagt Ra Vatoe zijn laarzen te begeeren. Hij wenscht ze ten geschenke te geven aan zijn goeden vriend Mongondro, en het is zijn plan om ze te [46]sturen met de voeten er in, want Mongondro is een oud man en zijn tanden zijn niet goed meer. Zorg er voor, o Boeli, dat de voeten mee gaan in de laarzen. Wat de rest van hem betreft, die mag hier blijven.”
De verrukking over den walvischtand verdween uit de oogen van den Boeli, en hij keek aarzelend om zich heen. Maar hij had den tand aangenomen.
“Een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan”, bemoedigde Erirola.
“Neen, een kleinigheid als een zendeling komt er niet op aan,” antwoordde de Boeli, die zichzelf weer was. “Mongondro zal de laarzen hebben. Vlug, jonge mannen, ga den zendeling tegemoet op het pad. Drie of vier is genoeg. Zorg dat je de laarzen ook meebrengt.”
“Het is te laat”, zei Erirola. “Luister! Hij komt er aan.”
John Starhurst, met Naraoe dicht op zijn hielen, brak door het dichte hout, en verscheen met groote schreden op het tooneel. De bewuste laarzen waren volgeloopen bij het doorwaden van den stroom en spoten fijne straaltjes water uit bij iederen stap. Starhurst keek om zich heen met schitterende oogen. Gesteund door een onwankelbaar vertrouwen, ontoegankelijk voor twijfel of vrees, juichte hij innerlijk over alles wat hij zag. Hij wist dat hij sinds het begin der tijden de eerste blanke was die de bergvesting Gatoka betrad.
De gras-hutten stonden tegen den steilen bergwand geklemd of hingen boven de wild-stroomende Rewa. Aan beide kanten torende een machtige rotsmuur. Drie uren zonlicht op zijn best konden er doordringen in die nauwe spleet. Er waren geen kokospalmen of bananen te zien, ofschoon dichte, tropische plantengroei zich over alles heen stortte, druipend in lichte slingers van den [47]hoogen rand der bergwanden, en in weligen overvloed stroomend uit al de spleten en uitstekende randen. Aan het verre einde van de kloof sprong de Rewa achthonderd voet omlaag in één enkelen boog, en de atmosfeer in de rotsvesting trilde mee met den rhythmischen donder van den waterval.
Uit het huis van den Boeli zag John Starhurst den Boeli en zijn gevolg te voorschijn komen.
“Ik breng u goede tijding”, was de begroeting van den zendeling.
“Wie heeft je gestuurd?” repliceerde de Boeli rustig.
“God.”
“Het is een nieuwe naam op Viti Levoe”, grijnsde de Boeli. “Van welke eilanden, dorpen, of bergpassen is hij het opperhoofd?”
“Hij is het opperhoofd van alle landen, alle dorpen, alle bergpassen,” antwoordde John Starhurst plechtig. “Hij is de Heer van hemel en aarde, en ik ben gekomen om u Zijn woord te brengen.”
“Heeft hij walvischtanden gestuurd?” was de onbeschaamde vraag.
“Neen, maar kostbaarder dan walvischtanden is de—”
“Het is gewoonte tusschen opperhoofden om walvischtanden te sturen,” onderbrak de Boeli. “Je opperhoofd is òf een gierigaard, óf jij bent een dwaas, om met leege handen in de bergen te komen. Zie, een grootmoediger mensch is je vóór.”
Terwijl hij dat zei, liet hij den walvischtand zien dien hij had aangenomen van Erirola.
Naraoe kreunde.
“Het is de walvischtand van Ra Vatoe,” fluisterde hij Starhurst in. “Ik ken hem goed. Nu is het met ons gedaan.” [48]
“Dat is gunstig,” antwoordde de zendeling, en hij haalde zijn hand door zijn langen baard en zette zijn bril recht. “Ra Vatoe heeft gezorgd dat wij goed ontvangen zouden worden.”
Maar Naraoe kreunde opnieuw, en schoof weg van de hielen waar hij zoo trouw achter aan had geloopen.
“Ra Vatoe zal spoedig Lotoe worden”, legde Starhurst uit, “en ik ben gekomen om u de Lotoe te brengen.”
“Ik wil niet met je Lotoe te maken hebben”, zei de Boeli trotsch. “En het is mijn plan je vandaag nog te laten dood slaan.”
De Boeli wenkte een van zijn groote bergbewoners, en de man trad naar voren, een geweldige knots zwaaiend. Naraoe vloog het naaste huis binnen, trachtend zich te verbergen tusschen de vrouwen en de matten; maar John Starhurst sprong onder de knots door en sloeg zijn armen om den hals van zijn beul. Van uit dit strategisch punt begon hij te betoogen. Hij betoogde om zijn leven, en hij wist het; maar hij was niet ontdaan of bang.
“Het zou niet goed voor u zijn mij te dooden”, zei hij tegen den wilde. “Ik heb u geen kwaad gedaan, en ik heb den Boeli geen kwaad gedaan.”
Zóó goed klemde hij zich vast aan den hals van den kerel, dat zij niet durfden toeslaan met hun knotsen. En hij hield vol en bleef zich vastklemmen en redeneeren om zijn leven met hen die riepen om zijn dood.
“Ik ben John Starhurst”, ging hij kalm verder. “Ik heb drie jaren lang gewerkt op Fidzji, en ik heb het niet gedaan om er voordeel mee te behalen. Ik ben hier onder u om uw bestwil. Waarom zou iemand mij dooden? Niemand zal daar voordeel van hebben.”
De Boeli keek eens naar den walvischtand. Hij was goed betaald voor de daad. [49]
De zendeling was omringd door een dichte massa naakte wilden, die allen vochten om hem te pakken te krijgen. De doodszang, die is de zang van den oven, werd aangeheven, en zijn vermaningen waren niet hoorbaar meer. Maar zóó handig wond en kronkelde hij zijn lichaam om den man die hem vasthield, dat ze den doodelijken slag niet konden toebrengen. Erirola glimlachte, en de Boeli werd boos.
“Weg met jullie”, riep hij. “Goed nieuws voor de bewoners van de kust—een dozijn groote kerels en één zendeling, zonder wapens, zwak als een vrouw, die jullie allemaal de baas is.”
“Wacht, o Boeli,” riep John Starhurst vanuit het dichtst van de verwarring, “en ik zal zelfs u overwinnen. Want mijn wapenen zijn Waarheid en Rechtvaardigheid, en geen mensch kan hen weerstaan.”
“Kom dan hier,” antwoordde de Boeli, “want mijn wapen is maar een onnoozele, armzalige knots en, zooals je zegt, hij kan jou niet weerstaan.”
De troep wilden week terug, en John Starhurst stond daar alleen, tegenover den Boeli, die leunde op een reusachtige, knoestige oorlogsknots.
“Kom hier, zendeling, en overwin mij,” daagde de Boeli uit.
“Zóó, zonder wapens, zal ik komen en u overwinnen,” was John Starhurst ’s antwoord, en na zijn bril afgeveegd en recht gezet te hebben, kwam hij naar voren.
De Boeli hief zijn knots omhoog, en wachtte.
“In de eerste plaats, mijn dood zal u geen enkel voordeel brengen,” begon het betoog.
“Ik laat het antwoord aan mijn knots”, was de repliek van den Boeli. En op ieder punt van het betoog antwoordde hij hetzelfde, terwijl hij den zendeling voortdurend scherp gadesloeg om dat handige inloopen onder de geheven knots [50]te voorkomen. Toen, en toen voor het eerst, wist John Starhurst dat zijn dood naderde. Hij deed geen poging om in te loopen. Blootshoofds stond hij daar in de zon en bad met luider stem—de mysterieuze gestalte van den onvermijdelijken blanke, die, met Bijbel, kogel, of rumflesch, den verbaasden wilde heeft opgezocht in al zijn bolwerken. Zóó ook stond daar John Starhurst in de rotsvesting van den Boeli van Gatoka.
“Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen,” bad hij. “O, Heer! heb medelijden met Fidzji. Zie genadig neer op Fidzji. O Jehova, hoor ons om Zijnentwil, Uw Zoon, dien Gij gegeven hebt, opdat door Hem alle menschen zouden worden tot Uw kinderen. Uit U zijn wij voortgekomen, en onze bestemming is weder tot U terug te keeren. Het land is duister, o Heer, het land is duister, maar Gij hebt de macht om te redden. Strek Uw hand uit, o Heer, en red Fidzji, arm kannibalen-Fidzji.”
De Boeli werd ongeduldig.
“Nu zal ik je antwoorden”, mompelde hij, en tegelijkertijd zwaaide hij zijn knots met beide handen.
Naraoe, verborgen tusschen de vrouwen en de matten, hoorden den slag vallen, en huiverde. Toen rees de doodszang, en hij wist, dat het lichaam van zijn beminden zendeling naar den oven gesleept werd toen hij hoorde zingen:
“Sleep mij zachtjes. Sleep mij zachtjes.”
“Want ik ben de voorvechter van mijn land.”
“Dank! Dank! Dank!”
Daarna steeg er een enkele stem op uit het lawaai, die vroeg:
“Waar is de dappere man?”
Een honderd stemmen brulden het antwoord:
“Hij wordt naar den oven gesleept om gekookt te worden.” [51]
“Waar is de lafaard?” vroeg de enkele stem.
“Hij gaat het vertellen!” brulden de honderd stemmen terug. “Hij gaat het vertellen!”
Naraoe kreunde onder de wroeging en de verwijten die hij zichzelf deed. De woorden van het oude lied spraken de waarheid. Hij was de lafaard, en voor hem bleef er niets over dan te gaan vertellen wat er gebeurd was. [52]
[Inhoud]
Hij woog honderd en tien pond. Zijn haar was kroezig als van een neger, en hij was zwart. Hij was eigenaardig zwart. Hij was niet blauw-zwart of paars-zwart, maar pik-zwart. Hij heette Maoeki, en hij was de zoon van een dorpshoofd. Hij had drie tambo’s. Tambo is Melanesisch voor taboe en volle neef van dat Polynesische woord. De drie tambo’s van Maoeki waren als volgt: ten eerste, hij mocht nooit een vrouw een hand geven en geen vrouwenhand mocht hem of een van zijn persoonlijke eigendommen ooit aanraken; ten tweede mocht hij nooit mosselen eten noch ander voedsel dat gekookt was op een vuur waar ook mosselen op gekookt waren; ten derde mocht bij nooit een krokodil aanraken noch varen in een kano waarin zich een gedeelte van een krokodil bevond al was het maar zooveel als een tand.
Van een andere kleur zwart waren zijn tanden, die diep-zwart, of misschien beter, roet-zwart waren. Zij waren zoo gemaakt in één enkelen nacht, door zijn moeder, die er een verband met een zeker tot poeder gestampt gesteente om heen had gelegd. Dat gesteente werd opgegraven uit de grond-afschuiving achter Port Adams. Port Adams is een zee-dorp op Malaita, en Malaita is het meest barbaarsche eiland in de Salomon-groep—zóó barbaarsch, dat kooplui of planters er nog geen vasten voet hebben kunnen krijgen; en vanaf den tijd van de eerste tripangvisschers en sandelhoutvaarders tot op de meest moderne koelie-wervers, uitgerust [53]met automatische geweren en benzine-motoren, zijn honderden blanke avonturiers hier aan hun eind gekomen door tomahawks en stomp-neuzige Snider-kogels. Zoo is Malaita ook nu nog, in de twintigste eeuw, vruchtbaar terrein voor de koelie-wervers, die zijn kusten afzoeken naar koelies die zich bij contract verbinden om te zwoegen op de plantages van de meer beschaafde eilanden in de buurt, voor een loon van dertig dollar in het jaar. De inboorlingen van de meer beschaafde eilanden zijn zelf te beschaafd geworden om op plantages te werken.
Maoeki’s ooren waren doorboord, niet op één plaats, ook niet op twee, maar op een paar dozijn plaatsen. In een van de kleinere gaten droeg hij een aarden pijp. De grootere gaten waren te wijd om ze daar voor te gebruiken. De kop van de pijp zou er doorheen gevallen zijn. In het grootste gat van elk oor droeg hij gewoonlijk ronde houten stoppen die een flinke tien duim middellijn hadden. Ruw berekend, was de omtrek van gezegde gaten dertig duim. Maoeki was universeel in zijn voorliefdes. In de verschillende gaten droeg hij zeer verschillende dingen, als leege hulzen van geweerpatronen, hoefnagels, koperen schroeven, eindjes touw, strengen gevlochten platting, reepen groen blad, en, zoolang de dag nog koel was, vuurroode hibiscus-bloemen. Hieruit ziet men dat zakken geen onmisbaar vereischte voor zijn welzijn waren. Bovendien, zakken waren onmogelijk, want zijn eenig kleedingstuk bestond in een stuk calico ter breedte van een paar duim. Een zakmes droeg hij in zijn haar, het lemmet dicht geklapt op een kroezigen lok. Zijn meest gewaardeerde bezitting was het oor van een porseleinen kopje, dat hij had opgehangen aan een schildpadden ring, die op zijn beurt weer door zijn neus-tusschenschot was gehaald. [54]
Maar al deze verfraaiingen ten spijt, had Maoeki een aardig gezicht. Het was werkelijk een knap gezicht, van welk standpunt ook bezien, en voor een Melanesiër was het een merkwaardig knap gezicht.
Het eenige gebrek ervan was gemis aan kracht. Het was zacht en vrouwelijk, bijna meisjesachtig. De trekken waren klein, regelmatig en fijn. De kin was zwak, en de mond was zwak. Er was geen kracht en geen karakter in kaken, neus en voorhoofd. Alleen in de oogen kon men nu en dan een glimp zien van de verborgen eigenschappen die zoo’n groot deel vormden van zijn karakter en die andere menschen niet konden begrijpen. Die verborgen eigenschappen waren durf, volharding, onbevreesdheid, fantazie, en handigheid; en als zij uitdrukking vonden in de een of andere opvallende daad, met verrassende vastberadenheid verricht, stonden de menschen om hem heen verbaasd.
Maoeki’s vader was dorpshoofd van Port Adams, en zoo kwam het dat Maoeki, geboren kustbewoner, half amphibie en half mensch was. Hij kende de gewoonten van visschen en oesters, en het rif was hem een open boek. Van kano’s had hij ook verstand. Hij leerde zwemmen toen hij een jaar oud was. Op zijn zevende jaar kon hij een volle minuut lang zijn adem inhouden, en recht naar den bodem zwemmen door dertig voet water. En op zijn zevende jaar werd hij gestolen door de boschbewoners, die zelfs niet zwemmen kunnen en die bang zijn voor zout water. Daarna zag Maoeki de zee nog slechts van uit de verte, door scheuren in het oerwoud en vanaf open plekken op de hooge berghellingen. Hij werd de slaaf van Fanfoa, opperhoofd van een twintigtal boschdorpen, overal verspreid over de randen van Malaita’s bergketens, waarvan de rook, op kalme morgens, ongeveer het eenig zichtbaar teeken is dat de zeevarende blanken hebben van de overvloedige bevolking in het binnenland. [55]Want de blanken dringen niet door tot in het binnenland van Malaita. Eéns hebben ze het geprobeerd, in de dagen dat er goud werd gezocht, maar altijd lieten zij er hun hoofden achter, die nu naar omlaag grijnzen vanaf de berookte daksparren van de boschhutten.
Toen Maoeki een jonge man van zeventien jaren was, kreeg Fanfoa gebrek aan tabak. Hij kreeg vreeselijk gebrek aan tabak. Het was een harde tijd in al zijn dorpen. Hij had een fout begaan. Soe-o was een haven, zóó klein dat een groote schoener er niet op zijn anker kon zwaaien. Het werd omringd door mangroven die tot boven het diepe water hingen. Het was een val, en in de val zeilden op een goeden dag twee blanken in een kleine kits. Zij waren op inlandsche koelies uit, en ze hadden veel tabak en ruil-artikelen, om maar te zwijgen van drie geweren en ammunitie in overvloed. Nu woonden er op Soe-o geen kustbewoners, en het was daar dat de boschbewoners konden afdalen naar de zee. De kits maakte prachtige zaken. Den eersten dag teekenden er twintig koelies. Zelfs de oude Fanfoa teekende. En dienzelfden dag hakten de twintig nieuwe koelies de hoofden van de twee blanken af, vermoordden de zwarte bemanning, en staken de kits in brand. Daarna, en drie maanden lang, was er meer dan volop tabak en ruil-artikelen in al de boschdorpen. Toen kwam het oorlogsschip, dat granaten wierp, mijlen ver de heuvels in, en de bevolking uit de dorpen opschrikte, het diepere oerwoud in. Toen stuurde het oorlogsschip landingsafdeelingen aan wal. De dorpen werden alle in brand gestoken, te zamen met de tabak en het ruil-goed. De kokospalmen en pisang-boomen werden omgehakt, de taro-tuinen omgewoeld, en de varkens en kippen doodgeschoten.
Het was een lesje voor Fanfoa, maar ondertusschen zat hij zonder tabak. Ook waren zijn jonge mannen te bang [56]geworden om te gaan teekenen op de wervings-schepen. Daarom beval Fanfoa dat zijn slaaf, Maoeki, naar beneden gebracht en aangeworven zou worden voor een halve kist tabak, bij vooruitbetaling te voldoen, en voor wat messen, bijlen, calico, en kralen, waarvoor hij moest betalen met zwaren arbeid op de plantages.
Maoeki stond doodsangsten uit toen ze hem aan boord van den schoener brachten. Hij was een lam dat ter slachtbank geleid wordt. Blanke waren woeste, wreede wezens. Zij moesten dat wel zijn, anders zouden zij er hun beroep niet van maken zich te wagen langs de kusten en in alle havens van Malaita, twee op een schoener, als iedere schoener van vijftien tot twintig zwarten voer als bemanning en dikwijls zooveel als zestig of zeventig zwarte koelies. Behalve dat, was er altijd het gevaar van de bevolking, de plotselinge aanval en het buitmaken van den schoener met alle hens. Waarlijk, de blanken moesten vreeselijke menschen zijn. Bovendien hadden zij zulke machtige duvel-duvels in hun bezit—geweren die heel snel en veel keeren achtereen schoten, dingen van ijzer en koper die de schoeners deden varen wanneer er geen wind was, en kisten die praatten en lachten juist zooals menschen praatten en lachten. Ja, en hij had gehoord van een blanke die een speciale duvel-duvel had, zóó machtig, dat hij al zijn tanden uit zijn mond kon nemen en ze weer terug kon leggen wanneer hij maar wilde.
Ze namen Maoeki mee naar beneden, in de kajuit. Aan dek hield de eene blanke wacht met twee revolvers in zijn gordel. In de kajuit zat de andere blanke met een boek voor zich, waarin hij vreemde teekens en lijnen schreef. Hij monsterde Maoeki alsof hij een varken of een kip was, keek in de holten onder zijn armen, en schreef in het boek. Toen hield hij hem den schrijfstok voor, en Maoeki raakte er even [57]aan met zijn hand en verbond zich door die daad tot drie jaren zwoegen op de plantages van de Moongleam Zeepmaatschappij. Er werd hem niet uitgelegd dat de wil van de wreede blanken daar was om de uitvoering der verbintenis af te dwingen, en dat achter alles, met hetzelfde doel, de macht stond van al de oorlogsschepen van Groot-Britannië.
Er waren nog meer zwarten aan boord, uit ongehoord verre plaatsen, en toen de blanke iets tegen hen zei, rukten ze de lange veder uit Maoeki’s haar, knipten datzelfde haar kort af, en wikkelden een lava-lava van helder geel calico om zijn lendenen.
Na veel lange dagen op den schoener, en nadat hij meer land en eilanden had gezien dan waar hij ooit van gedroomd had, werd hij aan wal gezet op Nieuw-Georgië, en moest aan het werk op het veld, oerwoud kappen en bamboe snijden. Voor den eersten keer in zijn leven wist hij wat werken was. Zelfs als slaaf van Fanfoa had hij nooit gewerkt zooals nu. En hij hield niet van werken. Het was opstaan als het licht werd en slapen gaan als het donker werd, op twee maaltijden per dag. En het eten was altijd hetzelfde. Weken achtereen kregen ze niets dan aardappelen; en weken achtereen was het niets dan rijst. Dag in dag uit sneed hij het vleesch uit de kokosdoppen; en lange dagen en weken voedde hij de vuren die de kopra rookten, tot hij ontstoken oogen kreeg en aan het boomen vellen werd gezet. Hij was een goed houthakker, en later kwam hij in de ploeg die bruggen bouwde. Eens kwam hij voor straf in de wegwerkersploeg. Soms deed hij dienst als bemanning in de sloepen, wanneer zij kopra binnen brachten van verre stranden, of wanneer de blanken uitvoeren om visch te vangen met dynamiet.
Behalve allerlei andere dingen leerde hij tripang-Engelsch, waarmee hij kon praten met alle blanken en met alle inlandsche [58]koelies die anders in duizend verschillende dialecten gesproken zouden hebben. Ook leerde hij een en ander omtrent de blanken, vooral dit, dat ze hun woord hielden. Wanneer zij een zwartje zeiden dat hij een stok tabak zou krijgen, dan kreeg hij hem ook. Wanneer zij een zwartje zeiden dat ze zeven glazen uit hem zouden slaan als hij het een of ander deed, en hij deed het toch, dan werden er onveranderlijk zeven glazen uit hem geslagen. Maoeki wist niet wat zeven glazen waren, maar het kwam voor in tripang-Engelsch, en hij stelde zich voor dat het de tanden en het bloed waren die somtijds gepaard gingen met het proces van zeven glazen uit iemand slaan. Hij leerde nog iets: geen zwartje werd geslagen of gestraft wanneer hij geen kwaad had gedaan. Zelfs als de blanken dronken waren, en dat waren ze dikwijls, sloegen ze nooit wanneer er niet tegen den een of anderen regel gezondigd was.
Maoeki hield niet van de plantage. Hij haatte werken, en hij was de zoon van een opperhoofd. Verder was het tien jaar geleden dat hij uit Port Adams gestolen was door Fanfoa, en hij had heimwee. Hij had zelfs heimwee naar de slavernij onder Fanfoa. Dus liep hij weg. Hij week terug in het oerwoud, met het idee om in zuidelijke richting zijn weg te zoeken naar het strand en een kano te stelen om daarin naar Port Adams te gaan. Maar de koorts kreeg hem te pakken, en hij werd gevangen genomen en meer dood dan levend teruggebracht.
Hij liep een tweeden keer weg, in gezelschap van twee zwartjes van Malaita. Ze kwamen twintig mijlen ver de kust langs, en mochten zich verborgen houden in de hut van een vrij man van Malaita die in dat dorp woonde. Maar in het zwartst van den nacht kwamen er twee blanken die voor het heele dorp niet bang waren, en die zeven glazen uit de wegloopers sloegen, hen bonden als varkens en hen in de [59]sloep gooiden. Maar de man die hen in zijn huis had verborgen gehouden—zeven maal zeven glazen moeten er uit hem geslagen zijn te oordeelen naar het vel, het haar, en de tanden die in het rond vlogen, en hij verloor voor de rest van zijn aardsche leven den moed om gastvrijheid te verleenen aan weggeloopen koelies.
Een jaar lang zwoegde Maoeki verder. Toen werd hij aangesteld tot huisjongen, en had goed te eten en een gemakkelijk leven. Zijn werk was het huis schoon houden en de blanken te bedienen van bier en whisky op alle uren van den dag en de meeste uren van den nacht. Hij deed het graag, maar hij was liever in Port Adams. Hij moest nog twee jaar dienen, maar twee jaar in de kwellingen van het heimwee was te veel voor hem. Hij was verstandiger geworden in zijn eene jaar dienst, en omdat hij nu huisjongen was, had hij beter de gelegenheid. Hij moest de geweren schoonmaken, en hij wist waar de sleutel van de voorraadkamer hing. Hij ontwierp een plan tot ontvluchting, en op een goeden nacht slopen er tien zwartjes van Malaita en één van San Cristoval uit de barakken weg en sleepten een van de booten naar beneden op het strand. De sleutel die het hangslot op de boot openmaakte werd verschaft door Maoeki, en het was Maoeki die de boot uitrustte met een dozijn Winchesters, een geweldige hoeveelheid ammunitie, een kist dynamiet met slaghoedjes en lonten, en tien kisten tabak.
De noordwest-moesson waaide en zij vlogen naar het zuiden. Zij reisden ’s nachts, en overdag hielden ze zich schuil op afgelegen, onbewoonde eilandjes, of trokken de sloep in het oerwoud op de grootere eilanden. Zoo bereikten zij Goeadalcanar, voeren langs de kust tot ze halverwege waren, en staken de Indispensable-straat over naar het eiland Florida. Hier doodden zij den jongen van San Cristoval, [60]bewaarden zijn hoofd, en kookten en aten de rest. De kust van Malaita was niet meer dan twintig mijlen verder, maar den laatsten nacht konden ze door een sterke strooming en veranderlijke winden het land niet halen. Het daglicht vond hen nog verscheiden mijlen van hun doel. Maar het daglicht bracht een kotter met twee blanken er in die niet bang waren voor elf mannen van Malaita gewapend met twaalf geweren. Maoeki en zijn kameraden werden teruggebracht naar Toelagi, waar de groote blanke meester van alle blanke mannen woonde. En de groote blanke meester hield een gerechtszitting, na afloop waarvan de deserteurs één voor één gebonden werden, ieder twintig zweepslagen kregen en bovendien nog tot vijftien dollar boete veroordeeld werden. Toen werden zij teruggestuurd naar Nieuw-Georgië, waar de blanken een flinke zeven glazen uit hen sloegen en hen aan het werk zetten. Maar Maoeki was geen huisjongen meer. Hij werd bij de wegwerkersploeg ingedeeld. De boete van vijftien dollar was betaald door de blanken waar hij van weggeloopen was, en er werd hem medegedeeld dat hij die met zijn werk moest betalen, hetgeen zes maanden langer zwoegen beteekende. Verder bezorgde zijn deel in de gestolen tabak hem nog een jaar zwoegen.
Port Adams was nu drie en een half jaar ver weg, dus stal hij op een nacht een kano, hield zich verborgen op de eilandjes in de Manning-straat, voer de straat over en zette koers langs de oostkust van Isabella, om, toen hij twee derden van den weg achter zich had, gevangen genomen te worden door de blanken in Meringe-lagune. Na een week ontsnapte hij hun en vluchtte het oerwoud in. Er woont niemand in het oerwoud van Isabella, alleen langs de kust wonen menschen, en dat waren allen Christenen. De blanken loofden een belooning van vijfhonderd stokken tabak uit, [61]en telkens als Maoeki zich op het strand waagde om een kano te stelen, werd hij opgejaagd door de kustbewoners. Vier maanden gingen zoo voorbij, toen hij eindelijk, nadat de belooning op duizend stokken tabak was gebracht, gegrepen werd en teruggestuurd naar Nieuw-Georgië en de wegwerkersploeg. Nu vertegenwoordigen duizend stokken tabak een waarde van vijftig dollar, en Maoeki moest de belooning zelf betalen, hetgeen een jaar en acht maanden arbeid vereischte. Dus was Port Adams nu vijf jaren ver weg.
Zijn heimwee was sterker dan ooit, en het lokte hem weinig aan te berusten en braaf te zijn, zijn vijf jaren uit te werken, en dan naar huis te gaan. Den volgenden keer werd hij op heeterdaad betrapt terwijl hij vluchtte. Zijn geval werd gebracht voor mijnheer Haveby, de eiland-directeur van de Moongleam Zeepmaatschappij, die hem als onverbeterlijk brandmerkte. De maatschappij had plantages op de Santa-Cruz-eilanden, honderden mijlen over de zee, en daarheen stuurde ze haar onverbeterlijke koelies van de Salomon-eilanden. En daarheen werd Maoeki gestuurd, ofschoon hij er nooit is aangekomen. De schoener deed onderweg Santa Anna aan, en in den nacht zwom Maoeki naar den wal, waar hij twee geweren en een kist tabak van den handels-agent stal en in een kano ontsnapte naar Cristoval. Malaita was nu in het noorden, vijftig of zestig mijlen ver weg. Maar toen hij den overtocht waagde, werd hij overvallen door een stijve koelte en teruggeslagen naar Santa Anna, waar de agent hem in de boeien sloeg en hem vasthield tot de schoener zou terugkeeren van Santa Cruz. De twee geweren kon de agent nog redden, maar de kist tabak bleef Maoeki schuldig in den vorm van een jaar werken. Het aantal jaren waarvoor hij nu bij de maatschappij in de schuld stond was zes. [62]
Op den terugtocht naar Nieuw-Georgië liet de schoener het anker vallen in Maraoe-Sound, dat in het oostelijk uiteinde van Goeadalcanar ligt. Maoeki zwom naar den wal met handboeien om zijn polsen, en ontsnapte het oerwoud in. De schoener ging verder, maar de agent van de Moongleam aan den wal loofde duizend stokken tabak uit en Maoeki werd door de boschbewoners bij hem gebracht met een jaar en acht maanden meer op zijn rekening. Opnieuw, en nog vóór dat de schoener binnenliep, ontsnapte hij, dezen keer in een sloep, vergezeld door een kist tabak van den agent. Maar een noordwester-storm deed hem stranden op Oegi, waar de Christen-inlanders zijn tabak stalen en hem overleverden aan den agent van de Moongleam die daar zetelde. De tabak die de inlanders gestolen hadden beteekende weer een jaar voor hem, en het totale bedrag was nu acht en een half jaar.
“We zullen hem naar Lord Howe sturen”, zei mijnheer Haveby. “Bunster zit daar, en we zullen hen de zaak onder elkaar laten uitvechten. Ik stel me zoo voor dat òf Maoeki Bunster zal krijgen, òf Bunster Maoeki, en in allebei de gevallen blij dat we van de heeren af zijn.”
Als men van Meringe-lagune, op Isabella, uitzeilt, en koers zet pal naar het magnetisch noorden, zal men na honderdvijftig mijlen varen de glinsterend witte koraalstranden van Lord Howe boven de zee zien uit rijzen. Lord Howe is een ring van land, een goede honderdvijftig mijlen in omtrek, verscheiden honderd meter breed op de grootste breedte, en op sommige punten torenend tot een hoogte van tien voet boven den zeespiegel. Binnen in dezen ring van zand ligt een groote lagune vol koraalbanken. Lord Howe behoort noch geographisch noch ethnologisch tot de Salomon’s. Het is een atol, terwijl de Salomon’s [63]hooge eilanden zijn; en zijn bevolking en taal zijn Polynesisch, terwijl de bewoners van de Salomon’s Melanesiërs zijn. Lord Howe is bevolkt door den grooten westelijken stroom van Polynesiërs, die tot op den dag van heden doorgaat en groote kano’s met vlerken op zijn stranden spoelt met den zuidoost-passaat. Ook zijn er sporen van een flauwe strooming van Melanesiërs in de periode van den noordwest-moesson.
Geen mensch komt ooit op Lord Howe, of Ontong Java, zooals het soms genoemd wordt. Thomas Cook & Son verkoopen geen kaartjes daarheen, en touristen droomen zelfs niet van zijn bestaan. Zelfs geen blanke zendeling is er geland op zijn door de branding gebeukte kusten. De vijfduizend inlanders zijn even vreedzaam als primitief. Toch zijn zij niet altijd vreedzaam geweest. De Zeilaanwijzingen spreken van hen als vijandig en verraderlijk. Maar de menschen die de Zeilaanwijzingen samenstellen hebben nooit gehoord van de verandering die er gebracht is in de harten der bewoners, die, enkele jaren geleden, een groote bark buitmaakten en alle hens vermoordden met uitzondering van den tweeden stuurman. Deze eenige overlevende bracht de tijding aan zijn broeders. De kapiteins van drie koopvaardij-schoeners gingen met hem terug naar Lord Howe. Zij zeilden hun schepen de lagune binnen en begonnen het evangelie van den blanke te prediken, dat blanken alleen door blanken gedood zullen worden, en dat de mindere rassen hun handen thuis moeten houden. De schoeners zeilden de lagune op en neer, vernielend en verwoestend. Ontsnappen van dien smallen zandcirkel was niet mogelijk; en er waren geen bosschen om in te vluchten. De menschen werden neergeschoten zoodra ze gezien werden, en gezien worden was onvermijdelijk. De dorpen werden verbrand, de kano’s vernield, de kippens en varkens [64]doodgeschoten, en de kostbare kokospalmen omgehakt. Een maand lang ging dat zoo door; toen zeilden de schoeners weg; maar de vrees voor den blanke was diep in de harten van de eilanders gebrand, en nooit meer waren ze zoo overmoedig om een blanke kwaad te doen.
Max Bunster was de eenige blanke op Lord Howe. Hij dreef handel voor de alomtegenwoordige Moongleam Zeepmaatschappij. En de maatschappij had hem het baantje op Lord Howe gegeven, omdat het, behalve ontslag uit den dienst, de meest afgelegen plek was die ze konden vinden. Dat de maatschappij hem niet ontsloeg was te wijten aan de moeilijkheid een ander te vinden om zijn plaats in te nemen. Hij was een groote, zware Duitscher, en er was iets niet in den haak in zijn hersenen.
Half krankzinnig was een zachte qualificatie van zijn toestand. Hij was een bullebak en een lafaard, en een driemaal grootere barbaar dan welke barbaar ook op het eiland. Hij was een lafaard, en zijn bruutheid was van het laffe soort. Toen hij voor het eerst bij de maatschappij in dienst kwam, werd hij op Savo gestationneerd. Toen er een teringachtige koloniaal gestuurd werd om zijn plaats in te nemen, sloeg hij hem half dood met zijn vuisten en stuurde hem als een wrak terug op den schoener die hem gebracht had.
De volgende man die mijnheer Haveby uitkoos om Bunster af te lossen was een jonge reus uit Yorkshire. Hij had den naam een geweldig vechtersbaas te zijn, en vechten deed hij liever dan eten. Maar Bunster vocht niet. Hij was zacht als een lammetje—tien dagen lang, aan het einde waarvan de man uit Yorkshire naar bed moest met een gecombineerden aanval van koorts en dysenterie. Toen kwam Bunster los; onder anderen sleurde hij hem op den vloer en stond een poos boven op hem te dansen. Bang voor wat er [65]zou gebeuren als zijn slachtoffer beter werd, vluchtte Bunster op een kotter naar Goevoetoe, waar hij zich onderscheidde door een jongen Engelschman af te ranselen, die al invaliede was door een Boerenkogel in zijn beide heupen.
Toen was het dat mijnheer Haveby Bunster naar Lord Howe stuurde, de plaats waar de afval opgeborgen werd. Hij vierde zijn landing met een halve kist jenever op te dweilen en den ouden, asthmatischen stuurman van den schoener die hem gebracht had af te ranselen. Toen de schoener vertrok, riep hij de Kanaka’s1 op het strand en daagde hen uit hem te leggen in een partijtje worstelen, en hij beloofde een kist tabak aan wie daarin zou slagen. Drie Kanaka’s legde hij, maar hij werd onmiddelijk daarna gelegd door een vierden, die een kogel door zijn longen kreeg in plaats van tabak.
En zoo begon Bunster’s heerschappij op Lord Howe. Drieduizend menschen woonden er in het voornaamste dorp; maar het was als uitgestorven, zelfs midden op den dag, wanneer hij er door kwam. Mannen, vrouwen en kinderen vluchtten voor hem weg. Zelfs de honden en varkens zorgden dat ze uit de voeten kwamen, terwijl de koning het niet beneden zich achtte weg te kruipen onder een mat. De twee eerste ministers leefden in voortdurenden angst voor Bunster, die nooit een punt van geschil besprak, maar er op los sloeg met allebei zijn vuisten.
En op Lord Howe kwam Maoeki, om acht lange jaren voor Bunster te werken. Ontsnappen van Lord Howe was niet mogelijk. Hoe het ook liep, goed of slecht, Bunster en hij waren aan elkaar gebonden. Bunster woog tweehonderd [66]pond. Maoeki woog er honderd en tien. Bunster was een gedegenereerd beest. Maar Maoeki was een primitieve wilde. En beiden hadden ze hun eigen wil en hun eigen wenschen.
Maoeki had geen idee voor welk soort van meester hij zou moeten werken. Niemand had hem gewaarschuwd, en hij had als vanzelfsprekend aangenomen dat Bunster zou zijn als andere blanken: iemand die veel whisky dronk, een heerscher en een wetgever, die altijd zijn woord hield en die nooit een zwartje sloeg als hij het niet verdiende. Bunster was in het voordeel. Hij wist alles van Maoeki, en hij grijnsde van plezier bij de gedachte dat hij hem in zijn bezit zou krijgen. De laatste kok sukkelde met een gebroken arm en een ontwrichten schouder, dus maakte Bunster Maoeki kok en algemeen huisjongen.
En Maoeki merkte weldra dat er blanken en blanken waren. Nog denzelfden dag dat de schoener wegzeilde werd hem bevolen een kuiken te gaan koopen van Samisee, den inlandschen zendeling van Tonga. Maar Samisee was de lagune overgestoken en zou pas na drie dagen terug zijn. Maoeki kwam terug met het nieuws. Hij klom de steile trap op (het huis stond op palen twaalf voet hoog boven het zand) en trad de woonkamer binnen. De agent eischte het kuiken. Maoeki deed zijn mond open om uitleg te geven. Maar Bunster wenschte geen uitleg. Hij sloeg er op los met zijn vuist. De slag trof Maoeki op zijn mond en lichtte hem omhoog. Hij vloog door de deur-opening, heelemaal over de smalle galerij, en naar beneden op den grond, de bovenste leuning brekend in zijn val. Zijn lippen waren een verwarde, vormlooze massa, en zijn mond was vol bloed en losgeslagen tanden.
“Dat zal je leeren dat tegenspreken bij mij niet opgaat!” schreeuwde de agent, paars van woede, terwijl hij naar hem omlaag keek over de gebroken leuning. [67]
Maoeki had nog nooit zulk een blanke gezien, en hij besloot zich stil te houden en nooit iets te misdoen. Hij zag hoe de bootjongens afgedekt werden, en hoe een van hen drie dagen lang zonder eten in de boeien zat, alleen omdat hij de misdaad had begaan een dol te breken bij het roeien. Dan hoorde hij ook de praatjes in het dorp, en vernam waarom Bunster een derde vrouw had genomen—met geweld, zooals algemeen bekend was. De eerste en de tweede vrouw lagen begraven op het kerkhof onder het witte koraalzand, met platte stukken koraalrots aan hoofden voeteneind. Zij waren gestorven, zoo werd er verteld, doordat Bunster hen zoo veel en zoo onbarmhartig sloeg. De derde vrouw werd zonder twijfel slecht behandeld, Maoeki kon dat met eigen oogen zien.
Maar er was geen enkele manier om niet te misdoen in de oogen van den blanke, die gehinderd scheen te worden door alles wat leefde. Als Maoeki niets zei werd hij geslagen en voor zuurpruim uitgescholden. Als hij praatte werd hij geslagen omdat hij tegensprak. Wanneer hij ernstig was zei Bunster dat hij een samenzwering uitbroedde en gaf hem al bij voorbaat een pak ransel; en wanneer hij trachtte vroolijk te zijn en te lachen, werd hij beschuldigd van spotten met zijn heer en meester en kreeg een proefje van den stok. Bunster was een duivel. De dorpsbewoners zouden wel met hem afgerekend hebben, hadden zij zich de les van de drie schoeners niet herinnerd. En niettegenstaande dat zouden zij toch met hem afgerekend hebben, als er een oerwoud was geweest om in te vluchten. Maar zooals de zaken nu stonden, zou het vermoorden van een blanke, van iederen blanke, een oorlogsschip brengen dat de misdadigers zou dooden en de kostbare kokospalmen om zou hakken. Dan waren er de bootjongens, die het vaste plan hadden hem bij ongeluk te laten verdrinken bij de [68]eerste de beste gelegenheid om den kotter te laten omslaan. Maar Bunster zorgde wel dat de kotter niet omsloeg.
Maoeki was van een ander ras, en aangezien ontsnappen onmogelijk was zoolang Bunster leefde, besloot hij den blanke te dooden. Maar hoe?
Hij kreeg er de kans niet toe. Bunster was altijd op zijn qui-vive. Dag en nacht had hij zijn revolvers klaar. Hij stond niemand toe achter zich om te loopen, zooals Maoeki ondervonden had, nadat hij verscheiden keeren tegen den grond was geslagen. Bunster wist dat hij meer te vreezen had van den goedgehumeurden, kalmen jongen van Malaita met zijn zacht gezicht dan van de heele bevolking van Lord Howe; en het bracht meer kleur en fleur in het folterprogramma dat hij uitwerkte. En Maoeki hield zich stil, verdroeg zijn bestraffingen, en wachtte.
Alle andere blanken hadden zijn tambo’s geëerbiedigd; Bunster niet. Maoeki’s wekelijksch rantsoen tabak was twee stokken. Bunster gaf ze aan zijn vrouw en beval Maoeki ze uit haar hand in ontvangst te nemen. Maar dat mocht niet gebeuren, en Maoeki moest het zonder zijn tabak stellen. Op dezelfde manier was hij gedwongen menigen maaltijd voorbij te laten gaan, en er waren veel dagen dat hij met honger rond liep. Hij kreeg bevel om schotels klaar te maken van de groote mosselen die groeiden in de lagune. Dat kon hij niet doen, want mosselen waren tambo. Zes keeren achtereen weigerde hij de mosselen aan te raken, en zes keeren werd hij bewusteloos geslagen. Bunster wist dat de jongen liever zou sterven, maar hij noemde zijn weigering muiterij, en hij zou hem doodgeslagen hebben als er een andere kok was geweest om hem te vervangen.
Een van Bunsters geliefkoosde grappen was Maoeki bij zijn kroezige lokken te grijpen en zijn hoofd tegen den muur aan te slaan. Een andere grap was onverwachts, als hij [69]er het minst op verdacht was, het brandende eind van een sigaar tegen Maoeki’s vleesch te houden. Dit noemde hij vaccinatie, en Maoeki werd verscheiden keeren in de week gevaccineerd. Eens, in een aanval van razernij, rukte Bunster het kopjes-oor uit Maoeki’s neus, en scheurde zoo zijn geheele neustusschenschot stuk.
“O, wat ’n smoel!” was zijn kritiek, toen hij de verwoesting overzag die hij had aangericht.
Het