[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
Project Gutenberg's In het Schemeruur, by P. Louwerse and Jan Sluijters This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: In het Schemeruur Author: P. Louwerse and Jan Sluijters Release Date: July 20, 2006 [EBook #18877] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK IN HET SCHEMERUUR *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

In het Schemeruur

Boek-, courant- en steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
Midden tusschen de huizen van het dorpje Schootwerve lag een allerliefst tuintje, dat door een heg van hulst van den weg afgescheiden lag. Dat tuintje zag er keurig net onderhouden uit. Tusschen de perkjes, die allerlei vormen hadden, slingerden zich paadjes, die met schelpzand bedekt waren. De perkjes zelf waren omringd door een laag hegje van steekpalm en versierd met allerlei soorten van zaaibloemen.
Het grootste perk, dat in het midden lag, was een zoogenaamd tapijtbed, dat er met zijn veelkleurige bloemen uitzag als een groote, heel groote lappendeken, waardoor middenin een mannetje gekropen was. Dat mannetje was een pop van aardewerk en stelde een rookenden Moor voor. Vroeger had hij voor een tabakswinkel [5]gestaan, maar toen hij bij de een of andere gelegenheid zijn rechterhand, die de pijp vasthield, gebroken had, was hij bij een uitdrager verzeild, en bij dezen had de eigenaar van het tuintje den invalide gekocht. De timmerman van het dorp, een echte knutselaar, had den steenen Moor een houten hand en pijp gegeven en deze met draadnagels aan zijn lichaam vastgemaakt.
En zoo stond daar de rookende Moor den heelen zomer midden tusschen de bloemen. Kwam het najaar aan, dan werd hij op den zolder gebracht en eerst in April, na goed afgestoft, geveegd en opgeverfd te zijn, kwam hij, den eersten zomerschen dag den besten, weer te voorschijn.
Roepen op andere plaatsen de jongens elkaar toe, als ze den koekoek voor het eerst in het jaar hebben gehoord: “Ik heb den koekoek gehoord!” hier riepen alle jonge Schootwervers: “Ik heb Jan met de pijp gezien!” Want Jan met de pijp was de bijnaam van den opgelapten Moor. Ja, de vrouw van den smid zou niet eer aan de groote voorjaarsschoonmaak beginnen, vóór zij wist, dat Jan met de pijp van den zolder in den tuin gekomen was. [6]
Achter het tuintje stond een ouderwetsch huis. De muren waren van onder tot boven begroeid met klimop en het was er zoo rustig en stil, dat verscheidene vogeltjes het waagden hun nestjes in de altijd groene takken te maken.
Het huis zelf had een groote voorkamer, een zijvertrekje, een tuinkamer en een keuken. Boven waren nog een paar kamers en drie slaapvertrekken. Tusschen de voor- en de tuinkamer was een alkoof en hierin sliep de eigenaar van het huis, de oude heer Van Laeken.
Wie de oude heer Van Laeken was, zal ik jelui eens even vertellen.
Met Nieuwejaar van het jaar 1800 was hij te Antwerpen geboren, waar zijn vader magazijnmeester was. De menschen hadden fatsoenlijk hun brood, maar toen Napoleon beval, dat er geen Engelsche schepen meer in de havens mochten komen om voortbrengselen uit Oost en West binnen te brengen, toen was er in het magazijn van den rijken koopman, bij wien Van Laeken’s vader in dienst was, geen magazijnmeester meer noodig; want het pakhuis was ledig.
Nu stond bittere armoede voor de deur.
De oude Van Laeken kon goed rekenen, [7]schrijven en lezen, maar van een ambacht verstond hij niets. Zijn eenig zoontje moest terstond van school af, hoewel het ventje nog maar elf jaar oud was, en zijn twee zusjes, die reeds bij een Franschen meester waren, werden ook thuis gehaald.
“Als je nu nog leeren wilt, dan moet je jezelf maar oefenen en als je met het een of ander niet voort kunt, vraag er mij dan maar naar en, als ik kan, dan zal ik je helpen!” zei vader.
Maar van dat leeren kwam niet veel; want wie wat verdienen kon met werken of boodschappen doen, die moest er maar op uit.
Toen George, zoo heette de jongen, zag, dat hij met boodschappen doen het niet heel ver in de wereld brengen zou, zag hij naar alle kanten uit, of hij niet iets kon vinden waarmede hij een eerlijk stuk brood verdienen kon.
Zoo liep hij eens tegen den avond langs de kade toen een zeeman op hem afkwam en vroeg: “Wat zoek je, jongen?”
“Ik zoek werk! Ik wil een ambacht leeren!” antwoordde George.
“En wat wil je leeren?” [8]
“Daar geef ik niet om, als het maar iets is waarmee ik mijn brood verdienen kan!”
“Je bent een onverschillige jongen,” zei de zeeman.
“Dat is niet waar,” antwoordde George. “Nu heb ik twaalf ambachten en dertien ongelukken. Dat wordt nooit wat goeds! Ik wil één ambacht leeren!”
“Nu, nu, het was zoo erg niet gemeend, manneke! Weet je wat ik ben?”
“Matroos?”
“Neen!”
“Stuurman of hofmeester dan?”
“Ook al niet! Ik ben scheepstimmerman aan boord van een oorlogsschip.”
“En is dat een goed ambacht?”
“Dat zou ik wel gelooven. Z. M. de Keizer zorgt goed voor zijn manschappen. Er is maar één Napoleon!”
“Dat zeg je! Maar zou ik dat scheepstimmeren ook kunnen leeren?”
“Waarom niet? Zou jij het bij mij aan boord willen leeren? Ik was er juist op uit een jongen te zoeken!”
George’s oogen glinsterden en den zeeman [9]bij den arm vattend, zei hij: “Ga mee naar vader en moeder en doe een goed woordje voor me!”
De man voldeed hieraan gaarne en.... veertien dagen later was George aan boord van La France, een prachtig linieschip.
In den scheepstimmerman, meester Barend, zooals hij door de Hollandsche matrozen genoemd werd, vond George een goed leermeester en een warm vriend. Jarenlang, ook nog na den val van Napoleon, voeren ze samen, doch na 1825 niet meer ten oorlog, maar ter koopvaardij.
Eindelijk was meester Barend zoo gelukkig een erfenis te krijgen en daar zijn dienstjaren juist verloopen waren, ging hij uit den zeedienst en vestigde zich als scheepstimmerman in de stad, waar hij zijn vriend en makker George bij zich nam. George had de eerste drie jaren aan boord van La France niet alleen zijn vak geleerd, maar daar de betrekking van schrijver door een gewezen schoolmeester vervuld werd, en deze in zijn ledigen tijd gaarne nog wat deed, had George van hem geleerd wat hij, door het ongeluk van zijn vader, in Antwerpen niet had kunnen leeren. George schreef een goede hand en wist [10]van het Fransch en Engelsch zooveel, dat hij deze beide talen, zonder grove fouten te maken, lezen, spreken en schrijven kon. Deze kennis kwam hem nu uitmuntend te pas. Hij hield boek en meester Barend zorgde, dat het volk op de werf zijn plicht deed. Het gevolg hiervan was, dat de scheepmakerij in bloei toenam en toen meester Barend op 62-jarigen leeftijd aan een slepende ziekte overleed, was George van Laeken eigenaar van de geheele zaak. Meester Barend, die op de geheele wereld geen familie meer had, had kort voor zijn dood alles aan George vermaakt.
Hadden George’s ouders nu nog geleefd, dan had hij voor hen kunnen zorgen, maar ze waren in 1812 kort na elkaar gestorven, en zijn zusters waren de wijde wereld ingegaan, zonder eenig spoor van zich achter te laten.
Oude buren verzekerden, dat ze met de vrouw van den gewezen maire (burgemeester) van Antwerpen waren medegegaan naar Frankrijk.
Twintig jaar lang bleef George scheepstimmermansbaas, maar toen besloot hij stilletjes te gaan leven. Hij zocht daarom een vriendelijk gelegen plaatsje en vond dat in Schootwerve. Hij kocht daar een groot stuk duingrond, liet er een huisje [11]bouwen en legde er, met heel veel moeite en voor heel veel geld, een mooi tuintje aan. Achter zijn huis had hij berken en dwergeiken laten planten en die tierden daar uitmuntend.
Toen hij ongeveer een jaar of tien te Schootwerve met een huishoudster geleefd had, kwam op zekeren dag de burgemeester bij hem om te vragen, of hij ook nog familie in Antwerpen had.
Nu, wat zou mijnheer Van Laeken zeggen? Hij wist niet beter dan van neen.
“Ik heb anders vanmiddag een brief gekregen uit Antwerpen waarin me gevraagd werd, of bij mij op het dorp niet een zekere George van Laeken woonde. Daar waren twee kleine meisjes te Antwerpen gekomen met een brief waarin stond, dat haar grootmoeder een zuster was geweest van George van Laeken, die als scheepmakersleerling in Franschen dienst gegaan was. Die grootmoeder had daar in Frankrijk haar man, haar dochter en haar schoonzoon zien sterven en toen zij voelde dat ze ook niet lang meer leven zou, had ze aan de twee kinderen van haar dochter een brief gegeven om dien aan den burgemeester van Antwerpen te brengen, als ze gestorven zou zijn. Kort daarop stierf ze; haar [12]geringe bezitting werd verkocht en in gezelschap van den pastoor van het dorp waren ze naar Antwerpen gegaan!”
“Nu,” zei mijnheer Van Laeken, “dat kan best waar zijn. Ik zal naar Antwerpen gaan en de zaak onderzoeken!”
Drie weken later kwam de oude heer te Schootwerve terug met twee meisjes bij zich. Ze waren tweelingen en heetten Helena en Anna.
Voor die nichtjes was hij alles, en waar hij haar pleizier kon doen, daar deed hij het, en zij toonden dat ze die liefde ten volle verdienden.
Die meisjes kregen weldra vriendinnetjes en menigmaal was er kinderfeest in huis, op welk feest ook de broertjes van de vriendinnetjes mochten komen.
Eindelijk maakte de oude heer met al de jongelui de volgende afspraak. “Iedere week zal ik aan den hoofdonderwijzer vragen wie er de heele week goed opgepast heeft en zij nu, op wie hij niets te zeggen heeft, mogen Zaterdags bij me komen, dan zal ik hun een vertelling doen!”
Dat werd natuurlijk goedgevonden en den volgenden Zaterdag was de oude man door wel dertig kinderen omringd. Een stuk of acht jongens, [13]echte belhamels, hadden om hun slecht gedrag niet mogen komen, en die waren hierover zóó boos, dat ze mijnheer Van Laeken allerlei leelijke namen gaven, en op het laatst hem bijna niet anders kenden, dan onder den naam van “Jan met de Pijp.”
“Wel,” zei de vriendelijke oude heer, toen hij dat hoorde, “ze noemen me Jan met de Pijp, best, heel best!” Hierop was hij naar de stad gegaan, had zijn portret laten maken en veertien dagen later gingen meer dan dertig kinderen naar huis, en ieder had een keurig nette afbeelding van den goeden man in den zak.
Ik heb het geluk gehad zulk een portret meester te worden, en als je nu weten wilt, hoe mijnheer George van Laeken er als Jan met de Pijp uitziet, bekijk dan maar eens het prentje in dit boek, dan weet je het. Hij lijkt sprekend. En als je hem nu goed bekeken hebt, lees dan maar verder wat hier in dit boekje staat. De vertellingen, die ik uit zijn mond opgevangen heb, staan hierin, en ik twijfel geen oogenblik of ze zullen je wel bevallen. [14]

Jan met de Pijp
[15]
Het was vroeg in het voorjaar van 1817 en we lagen met onze korvet, dat is een soort van oorlogsschip moet je weten, te Vlissingen in het dok. Het was meer dan noodig, dat we die haven binnengeloopen waren; want De Windhond, zoo heette ons schip, had het vorig jaar nogal wat geleden, toen we den Algerijnen den mantel uitgeborsteld hadden, dat de wol er afvloog. We moesten in het droogdok, maar die het eerst komt, het eerst maalt, dat was ook hier waar; want niet minder dan zes schepen waren ons voor. Als die klaar waren werd het onze beurt.
Zulk een leven aan den wal is voor Janmaat het onplezierigste wat er wezen kan. We verveelden ons vreeselijk en dikwijls dacht ik, als ik zoo naar de groote beelden keek, die boven [16]het beeldenhuis staan: “We hebben nu op het oogenblik veel weg van die steen en dingen daarboven! Is dat een leven?”
We hadden een bovenstbesten kommandant. Hij hield van zijn volk, en zijn volk hield van hem. Waar hij ons maar pleizier kon doen, daar deed hij het, zoodat we menigmaal verlof kregen om eens te gaan wandelen.
Ik weet niet of je op het eiland Walcheren bekend zijt. Denkelijk wel niet en daarom wil ik je even zeggen, dat het een der mooiste streken van ons land is. Weiland, bouwland, buitenplaatsen, vriendelijk gelegen dorpjes, mooi aangelegde wegen, mooie duinstreken, zware dijken en zee wisselen elkander af.
Geen wonder, dat we dan ook altijd van de vergunning om te wandelen gaarne gebruik maakten en wel zorgden, dat er nooit klachten over ons kwamen. Want, zie je, dan wisten we, als er een veldwachter aan boord van De Windhond kwam om te klagen, dat een der matrozen hier of daar wat gedaan had, dat niet in den haak was, dan zat er wat op. De minste straf was een maand dekarrest, dat wil zooveel zeggen als een maand lang aan boord blijven. [17]
Zooals ik daar straks al zei, het was vroeg in het voorjaar toen we in het dok kwamen te liggen. We hadden een koude, schrale Februari en Maart was nog een beetje erger. Op de timmerwerf van de schepen was werk in overvloed, maar al de andere ambachten wachtten op het mooie weer om te beginnen; vooral hadden de metselaars het kwaad, bitter kwaad. In het najaar was het werk vroeg gedaan geweest en nu duurde het zoo lang eer ze weer beginnen konden met wat te gaan verdienen.
Voor ons kwam het er evenwel niet zoo erg op aan; we ondervonden alleen het onaangename van de koude, maar voor het overige hadden we er geen hinder van. Spek en gort kregen we meer dan we lustten, en dikwijls gebeurde het, dat de bakmaats den bak met gort niet leeg konden krijgen.
Eens op een morgen, dat ik zoo aan den valreep naar de beelden van het beeldenhuis en dan weer naar de beweging op straat stond te kijken, zag ik twee jongetjes door de modder van de pasgevallen watersneeuw loopen. Ze zagen er schraaltjes uit. De kleertjes, die ze aan het lijf hadden, waren brandhelder, maar dun, dun, o, [18]men kon de ribbetjes, die er onder zaten, bijna tellen. Gezond zagen ze er ook niet uit; de oudste had lange, zwarte haren en daardoor kwam zijn mager gezichtje nog veel meer uit. Zijn oogen kropen bijna weg, alsof ze zich schaamden, dat ze boven een paar zulke magere wangen staken, en de wijde pijpen van de broek woeien met den wind zoo achteruit, dat men de beentjes, zoo dun als talhoutjes, er in kon zien zitten.
En toch scheen dat kereltje geen verdriet te hebben; want onderwijl zijn jonger broertje, dat er iets beter uitzag en die ook betere kleertjes aanhad, liep te huilen, floot hij een deuntje.
“Jongens,” dacht ik, “vanmorgen hebben we wel een bak half vol met gort overgehouden, er is nog een stuk spek in ook, wie weet of die kleine snuiters dat niet graag hebben zouden!”
“Wat sta je daar als een baliekluiver de straatsteenen te tellen?” vroeg opeens iemand, die achter me stond.
Het was onze kommandant; ik keerde me om, sloeg de voorste vingers van mijn rechterhand tegen mijn wollen muts en zei: “Ik keek naar die twee arme kinderen, kommandant, en ik dacht ... ik dacht ...” [19]
“Nu, wat dacht je?”
“Ik dacht, kommandant, dat die arme zielen misschien de gort wel zouden lusten, die wij vanmorgen hebben overgehouden!”
“Wel, vraag het dan, kerel! Van mij heb je permissie!” antwoordde hij.
“Alstublieft, kommandant,” zei ik, liep de loopplank af en haalde de jongens, die op hun sukkeldrafje al een heel eind ver geloopen waren, spoedig in.
“Hei, hei!” riep ik.
De kinderen keken om en toen ze mij zagen wenken stonden ze stil.
“Heb jelui soms ook honger?” vroeg ik.
“Ik heb mijn buik vol gefloten, maar mijn broertje kan niet fluiten en die denkt nu zijn buik vol te kunnen huilen; maar dat schijnt hem niet te gelukken!” zei de oudste.
“Lust je ook gort met spek?” vroeg ik weer.
“Die niet lust is dood! Ik lust alles!” antwoordde hij.
“Best, ga dan maar met me mee, dan kan je bij ons aan boord schaften. Hallo, frisch op maar! Wie van jelui beiden er het eerste is krijgt het meeste.” [20]
Rrrt, daar ging de kleinste, loop je niet, zoo heb je niet! als een kogel uit eene draaibas! De oudste deed het niet en kwam langzaam achteraan slenteren.
“Wat,” riep ik hem toe, “kan jij niet loopen?”
“Neen, mijn broertje wint het altijd van me,” zei hij en kwam wel een paar minuten later aan boord dan zijn broertje en ik.
Weldra zaten we tusschendeks, ik op zij, en die twee plat op de planken met den bak tusschen zich in.
“Jij mag twee prikken tegen dat ik er een neem, Jan,” zei de oudste; “jij hebt het gewonnen, jij mag dus het meeste!”
En, verbazend, wat at die kleine! Zulk eten heb ik nooit gezien! Maar toch kon hij alles niet op en er bleef nog heel wat over. Zoodra Jan den lepel neerlegde deed Tom, zoo heette de ander, het ook.
“Nu, Tom,” sprak meester Barend, die er ook bij gekomen was, “nu Tom, heb jij zoo’n kleine maag?”
“Welneen,” antwoordde hij, “maar ik heb ze al vol gefloten en ... en thuis, weet u ... thuis ...”
“Nu, thuis?” [21]
“Ja, vader en moeder en de twee kleintjes kunnen ook niet fluiten!”
Ik keerde me om, zag meester Barend aan en ... dat had ik nog nooit gezien, meester Barend kreeg opeens zulke natte oogen, alsof hij zwaar verkouden was en niezen moest en het niet kon.
“Te weerga, jongen, eet!” riep hij. “Eet, zeg ik je! Jij bent een jongen, hoor! Je bent van de stof waaruit onze Lieve Heer de engelen gemaakt heeft! Eet, zeg ik je! Die daar thuis zijn en niet fluiten kunnen, krijgen van mij en mijn kameraads een bak vol! Toe kerel, eet, eet dan!”
Maar zie eens aan! In plaats van nu opnieuw toe te tasten, vloog de lange lummel zijn broertje om den hals en begon hardop te huilen, en daar huilen een aanstekelijke ziekte is, begon Jan ook. Dat was me een mooi gezicht! Twee huilende kwajongens en een schaftbak met gort en spek er naast.
“Mag ik ook weten wat hier te doen is, meester Barend?” vroeg de kommandant.
“Wij hebben hier een jongen gevonden met een groot hart in ’t lijf, kommandant,” antwoordde [22]meester Barend en, terwijl hij vertelde wat die oudste jongen zoo al gezegd en gedaan had, kwamen een paar groote tranen langs zijn wangen rollen.
“Dat is mooi, dat is heel mooi,” sprak de kommandant. “Eer die jongens van boord gaan, moeten ze eens even bij mij in de kajuit komen!”
Wat de kommandant met deze jongens besprak, kwam ik natuurlijk niet te weten, althans dien dag niet. Maar dat is zeker, dat ze meer van boord rolden dan liepen, en dat ze voortaan elken morgen om de overgeschoten gort kwamen. Zoo werden we langzamerhand bekenden.
Intusschen werd het in Juni ook onze beurt in het droogdok te gaan liggen, dat is te zeggen, het schip, weet je, maar wij niet. Zoolang De Windhond daar lag, gingen wij aan boord van de Neptunus, een oud linieschip, dat daar al sinds jaar en dag in het dok gelegen en nooit zee gezien had. Op zoo’n schip, dat volstrekt geen tuigage had, hadden we nog veel minder te doen dan op De Windhond, zoodat de kommandant ons gaarne vergunning gaf met meester Barend eens een rijtoertje te gaan maken.
Wij hadden een prettigen dag en kwamen tegen den avond langs Koudekerke terug. [23]
“Weet je wat, jongens,” zei meester Barend, “het zitten en rijden begint me te vervelen. Ik stel voor, den wagen naar Vlissingen leeg terug te laten rijden, en dan gaan we van hier naar de duinen om zoo langs het strand naar huis te gaan!”
De anderen hadden evenwel geen zin in het loopen, en daarom reden er vijf mee en meester Barend en ik gingen loopen. Na bijna twee uur gewandeld te hebben, we waren nog verdwaald geweest op den koop toe, kwamen we zoowat een groot uur van Vlissingen af op het strand. Er woei een stevige bries en dat beviel ons; want we waren niet weinig warm.
Toen we zoo omstreeks een half uur geloopen hadden riep meester Barend opeens: “Kijk eens, George, zijn daar ginds geen jongens aan het zwemmen?”
Ik keek op en zag ze ook; maar zwemmen deden ze niet. Ze schenen maar wat in het water te loopen spelen.
“De lange lummel daar mag wel voorzichtig zijn,” sprak meester Barend. “Er gaat hier een sterke eb en de kwajongen waagt zich veel te ver! Pas op, straks kunnen we nog gaan zwemmen om hem te redden.” [24]
Toen we nader kwamen zagen we wat er aan de hand was. Op de eb dreef een heel klein scheepje, waarmee ze gespeeld hadden, doch dat omgeslagen was, al verder en verder zee in.
“Ik weet al wie het zijn,” zei ik na een poosje. “Die lange daar met zijn stroohoed op is Tom, en die met dat mutsje, is Jan van den metselaar uit de Vrouwenstraat. Zeker aan het spelen!”
“Mooi spelen!” bromde meester Barend. “Ze leggen het er op toe om te verdrinken. Als hij nog wat verder gaat, dan ... daar gaat hij al, daar gaat hij al!” Hierop zette meester Barend de holle handen voor zijn mond en schreeuwde, evenals door een scheepsroeper: “Hei!”
Tom zag op en Barend wenkte hem, dat hij terug zou komen.
Maar dat terugkomen was gauwer gezegd dan gedaan. Er ging een sterke stroom en eer Tom er op verdacht was, daar ging hij.
“Help! Help!” schreeuwde hij.
“Heb ik het niet gezegd?” riep Barend, “dat geeft vanavond nog een bad!” en zoo als hij dat gezegd had, liep hij langs den kortsten weg dwars door het water heen.
Tom dreef met den stroom al verder af en, [25]was meester Barend niet een baas in het zwemmen geweest, dan had Tom zijn onderneming om het drijvende scheepje weer terug te krijgen, met den dood moeten bekoopen.
Onderwijl mijn oude kameraad zich met het redden van den onvoorzichtigen Tom bezighield, had ik Jan op het droge gebracht, en daar ik wel kans zag het scheepje nog te krijgen, ging ik opnieuw te water, om van mijn zijde ook wat te doen.
Barend kwam op hetzelfde oogenblik met Tom aan wal, als ik met het scheepje, maar ik zou liever het scheepje dan Tom geweest zijn; want die kreeg van Barend een ongemakkelijk pak voor de natte broek. Dat deed hij nu niet om den armen jongen te straffen, maar alleen om den schrik er uit te slaan.
Wij zagen er met ons viertjes keurig mooi uit. We waren heelemaal nat en, al was het nu ook al in Juni, toch kan ik niet zeggen, dat zulk een nat pak zoo heel plezierig en verkwikkend was. We beefden van koude, en toen wij ’s avonds in kooi lagen, konden we er ons nog maar niet diep genoeg in rollen om toch maar warm te worden. [26]
Een paar dagen later liepen meester Barend en ik eens langs den Nieuwendijk te wandelen toen er een metselaar op ons afkwam.
“Meester Barend,” zei hij, “ik bedank u wel voor het redden van mijn jongen, hoor! Hij was er bijna geweest!”
“Ja,” antwoordde Barend, “hij zal nu vooreerst wel geen scheepjes meer laten varen; hij zal er wel schrik van gezet hebben!”
“Schrik van gezet hebben? Schrik van gezet hebben?” riep de man. “Lieve schepsel, dat lijkt er niet naar. Hebben die kwajongens vanmiddag het alweer niet gedaan? Ik kan hen maar niet van het water houden; zóó ben ik de deur uit en zijn zij de straat op, of, jawel, op het Hoofd, op het Rondeel, op het Dok, op de Kaai, nu hier, dan daar, maar altijd om of bij het water!”
“Dan zullen ze zeeman moeten worden, vriend!” zei Barend.
“Ja, dat roepen ze allebei. Als ik vraag: Tom, wat moet je worden? dan is het: Naar zee, vader! en doe ik diezelfde vraag aan Jan, dan is het: Naar zee, vader!”
“Wel, stuur ze dan naar het wachtschip, vriend!”
“Naar het wachtschip? Wel, voor geen nog [27]zooveel! Ze kunnen worden wat ze willen, als ze maar aan den wal blijven! Want, een zeemansleven, geen leven!”
“Zeker om daar ’s winters gebrek te lijden, hé?” zei Barend, die wat boos werd. “Je hebt gelijk, man, groot gelijk! Als ik jou was, dan liet ik ze metselaar worden en anders aschman of zoo iets! Dan heb je altijd volop werk, je verdient veel geld, en eten, drinken, vuur, licht, kleeren en al wat je maar wilt, heb je volop. Ik zeg ook: een zeemansleven, geen leven!”
“Neen, meester Barend, niet omdat jelui geen eten of drinken of goede kleeren hebt, daarom niet; maar,—maar,—och, ik zal het u maar zeggen: ik ben bang, dat er van die twee aan boord niet veel goeds groeit. Als al het zeevolk was, zooals meester Barend en hier de deze,”—hij wees op mij,—“dan zou ik zeggen: Ga naar zee, jongens, en je zult wat worden. Maar nu,—neen, mijn vrouw zou het ook niet willen hebben!”
Toen de arme metselaar dat gezegd had, stond meester Barend een poosje in gedachten. Eindelijk zei hij: “En als ik nu eens aan onzen kommandant vroeg of de jongens bij ons aan boord mochten [28]komen, dan zouden mijn jonge vriend George en ik een oogje op die twee houden en, misschien, misschien, dat er een paar ferme zeelui uit je jongens groeiden! Wil je hebben, dat ik het vraag?”
De metselaar bedacht zich een oogenblik en zei eindelijk: “Als u dat doen wilt, alstublieft! Heel graag, heel graag!”
Een week later was alles in orde en waren Tom en Jan bij ons aan boord van het linieschip. Wel viel het leven beiden vreemd, maar daar ze een paar flinke borsten waren, begonnen ze met op zij te zetten wat hun niet beviel, en hemelhoog te prijzen wat niet onplezierig was.
Op den 31sten Augustus zeilden we weer uit. De korvet was heelemaal hersteld en deed haar naam weer eer aan; want ze vloog over het water als een zeemeeuw. Onze bestemming was West-Indië, waar we drie jaar lang moesten kruisen om onze koopvaardijschepen te beschermen tegen de vele zeeroovers, die deze streken onveilig maakten.
We waren er spoedig en de eerste zes maanden ging alles vrij goed; zeeroovers waren nergens te zien en we hadden eigenlijk niemendal te doen.
Maar spoedig kwam er een vijand, op wien [29]we niet gerekend hadden en waarvoor we allemaal bang waren. Het was de gele koorts. Zie, tegen zulk een vijand helpen geen kanonnen of scherpe sabels. De eerste, die deze ziekte kreeg, was meester Barend. Dagen achtereen lag hij vreeselijk ziek en er was wel niemand aan boord, die dacht, dat hij er bovenop komen zou. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik bang was bij hem te komen. Als ik die ziekte ook eens kreeg! En als ik er dan eens aan stierf! Ik was toch nog zoo jong!
Jong, ja, dat waren Tom en Jan ook; maar die waren beter dan ik. Zij dachten niet, dat het mogelijk kon zijn, dat ze sterven konden. Ze hielden veel van Barend; hij had Toms leven gered en voor beiden als een vader gezorgd.
“Tom,” zei de dokter eens, “Tom, weet je wel, dat de gele koorts een besmettelijke ziekte is, hé?”
Tom knikte van ja en zei, dat hij dat ook wel eens gehoord had.
“Nu, jongen, laat de ziekenoppasser den armen Barend dan verzorgen! Waag je leven niet, hé!”
“Ja maar, dokter, meester Barend heeft mijn leven eens gered, en gezorgd, dat mijn broertje [30]en ik bij hem aan boord kwamen! We wilden hem toch liever oppassen!”
“Nu, als je er op staat en de kommandant wil het hebben, dan is het mij onverschillig, hé!”
Onder ons, we noemden den dokter altijd “meneertje Hé,” omdat hij, als hij wat zei, altijd eindigde met “hé!”—Toen dan “meneertje Hé” bij den kommandant kwam en hem vertelde wat die twee jongens deden, zei deze: “Wel, die jongens toonen, dat ze ook dankbaar kunnen zijn en het zou jammer wezen, als we hun nu gingen beletten hun vriend op te passen!”
De dokter kon er dus niemendal aan doen, zoodat Tom en Jan aan het ziekbed van Barend bleven en den man zóó trouw verzorgden, dat een moeder niet beter op haar kind kon passen.
Eindelijk hadden Tom en Jan het genoegen te zien, dat hun zeevader het gevaar te boven was en langzaam van zijn ziekte herstelde.
Van dien tijd af was meester Barend aan de jongens gehecht, alsof het zijn eigen kinderen waren. Maar wat gebeurde er? Reeds waren verscheidene manschappen aan de ziekte bezweken en had de kapitein besloten het eiland Curaçao aan te doen om hen, die nog ongesteld waren, [31]aan wal te brengen, het heele schip te laten zuiveren en versch drinkwater in te nemen. Niemand onzer gevoelde hierover eenige spijt en allen zagen verlangend uit naar het oogenblik, dat het eiland in het gezicht zou zijn.
“Wel, Tom,” zei ik op zekeren dag, “zie je niets?”
“Ja,” was het antwoord, “ik zie wel wat, maar ik kan nog niet zeggen wat het is!” Opeens echter kwam de kommandant op het voorschip loopen en gaf bevel, dat alle zeilen terstond moesten gereefd worden. Wat Tom zag, was geen schip, geen bergtop, geen eiland, het was een wolk, die spoedig al grooter en grooter werd. Opeens ging de wind liggen; het werd bladstil. De wimpel zakte neer en de zeilen hingen slap tegen het want.
“Handen uit de mouwen, jongens, we krijgen storm! En storm in deze zee zegt zoo iets!” riep meester Barend.
Wij hielpen waar wij konden, maar konden niet begrijpen vanwaar die storm nu komen moest.
“Bravo!” riep nu de kommandant, “dat heet ik werken! Mijnheer Blaasbalg kan nu komen en wij hopen hem moedig het hoofd te bieden!”
Intusschen was in minder dan tien minuten [32]tijds de heele westelijke hemel met wolken bedekt en wel met wolken, zooals ik ze nog nooit gezien had. Ze waren zoo blauw-zwart als leien, en onderwijl we er zoo naar stonden te kijken en de anderen op het dek alles vastsjorden wat los stond, hoorden wij een onophoudelijk gerommel, even alsof er in de verte een boerenwagen over groote straatkeien reed.
Eensklaps begon de lucht ook van de andere zijden te werken en hoewel het midden op den dag was, werd het zoo donker, alsof de zon zooeven was ondergegaan.
Het gerommel werd sterker; en zoo mogelijk werd het nog stiller. En drukkend heet dat het was! Men had het overal te kwaad; want zelfs in het topje van den grooten mast was geen koeltje te voelen. Het waren vreeselijke oogenblikken. We wisten allen, dat er wat komen zou en de een keek den ander aan, alsof hij vragen wilde: “Komt het nog niet?”
Eensklaps schoot er zulk een bliksemstraal door de lucht, dat er uit alle monden een: “Hè!” klonk en de slag, die er op volgde, geleek veel op het bombardement van Algiers, maar het geluid was nog sterker! Dit was het begin [33]van het vreeselijkste onweder, dat ik ooit heb bijgewoond. Tom en Jan waren overal waar ik was en ik was overal waar meester Barend was. Zeker dachten we, dat die man ons helpen kon. Angstig zag meester Barend uit naar den wimpel, die nog altijd langs den mast nederhing. Als die zich begon te bewegen, dan....
“Hij komt, jongens, hij komt!” riep hij onverwachts.
“Wie, meester Barend, wie komt er?” vroegen wij alle drie te gelijk.
“De orkaan, kinderen, de orkaan!” was zijn antwoord, en pas had hij dat gezegd of het schip, dat doodstil gelegen had, bewoog zich even, de wimpel begon te trillen, in de verte zagen we golven aankomen, de masten kraakten, het want zuchtte en kreunde, de wimpel fladderde rond, nog een vreeselijke donderslag klonk en...
Daar lagen we alle vier op het dek! We waren op den eersten aanval van den orkaan niet bedacht geweest. Met moeite stonden we op; de eene zee na de andere sloeg over het dek, totdat eensklaps meester Barend uitschreeuwde: “Man over boord!”
“Man over boord!” riep men aan alle kanten. [34]
Wij hadden met ons vieren niet bij elkander kunnen blijven; we werden van stuurboord naar bakboord geslingerd en toen ik eindelijk bij meester Barend aankwam en hem vroeg: “Wie is er over boord geslagen?” wees hij op Tom, die radeloos van droefheid zich aan meester Barend vastklemde en uitriep: “Jan, meester Barend, red Jan toch! Jan! Jan!”
Maar er viel niet aan te denken iemand te redden; geen boot kon te water gelaten worden. Nu eens waren we boven op een waterberg, dan in een waterdal. De masten bogen als breinaalden en hier en daar werd een zeil losgerukt en een touw afgebroken, alsof het met een scherp mes doormidden gesneden werd.
Zoo hield de orkaan wel een vol uur aan en toen hij wat begon te bedaren, zag het er aan boord vreeselijk uit. De groote mast en de fok lagen over boord; de watervaten waren van hun plaatsen geschoven; de affuiten waarop de kanonnen rustten, waren op zijde geschoven; stukken zeil, losgeslingerde touwen, planken van de verschansing en nog veel meer, lagen overal langs het dek verspreid, en nog was er geen kijk op om een en ander te herstellen; want [35]al was de orkaan voorbij, de storm hield aan. Twee dagen lang hadden wij er mede te worstelen, en eerst den derden dag kwam het weer tot zichzelf, en kon er aan gedacht worden om te zien, of we de reis naar Curaçao konden voortzetten, ja of neen. Maar daar was geen denken aan. Alles was onklaar, en daarom besloot de kommandant te beproeven, of we met ons ontredderd schip het eiland Jamaïca konden bereiken, en met veel moeite mocht ons dat gelukken.
Wat waren we blij, dat we na zulke vreeselijke dagen doorleefd te hebben, weer in behouden haven mochten zijn. Blij, ja, dat waren we; maar allen niet. De arme Tom liep stil en zwijgend daarheen. Hij had geen enkel lachje, ook dan niet, als de konstabel, die de grootste grappenmaker aan boord was, zijn kluchten verkocht.
“Tom,” zei ik, “je moet je wat opbeuren, jongen! Aan zulke gebeurtenissen moet de zeeman gewoon raken!”
“Zeg, George,” antwoordde hij, “heb je ooit een broer verloren, en dat nog wel zulk een bovenstbesten broer? Wat zal ik zeggen, als ik thuis kom, en vader en moeder vragen waar Jan is? Ik durf niet thuis komen!” [36]
Zoo sprak Tom, en of ik al beproefde hem te troosten, het gelukte me niet en meester Barend beproefde het mede tevergeefs. Tom zou van verdriet sterven, of....
“Zoo,” zei de stuurman, “die Deensche bark ziet er ook lief uit; die heeft zeker ook Meneer Blaasbalg op zijn dak gehad! Maar wat weerga, wat moeten ze van ons hebben? Ze zetten een sloep uit!”
Ongemerkt waren meester Barend, Tom, ik en nog een paar anderen bij den stuurman komen staan en zagen naar de boot, waarin vier mannen klommen, die iets droegen, dat wel wat op een mensch geleek.—Ze legden het voorzichtig neer, namen de riemen op en roeiden naar ons schip.
Weldra lag de boot tegen ons boord en een stem van beneden riep in gebroken Hollandsch, dat men den valreep nederlaten moest. Hieraan werd voldaan. De mannen klommen naar boven en brachten bij ons....
Tom had iets, iets gezien. Een bleek jongensgezicht met zwarte haren. Hij snelde er heen, gaf een schreeuw en.... viel.

Naar Zee!
Jan was weer bij ons aan boord. Wel was [38]hij zwaar gekwetst en had hij een gebroken been, maar hij leefde toch, en wie weet of hij niet herstellen zou.
Onze kommandant vroeg den stuurman van de boot, hoe het mogelijk was, dat ze dien knaap hadden kunnen redden.
Toen vertelde de man dit:
“Misschien een kwartier nadat de hevige orkaan voorbij en in een storm overgegaan was, zagen we wat op een hooge golf drijven. De golf sloeg tegen stuurboord en over het schip heen, en toen ze weer weg was lag er een stuk mast met zijn losgierend touwwerk in ons want verward. En tusschen hout en touwwerk lag deze knaap. We haalden hem er uit en dachten eerst dat hij dood was, maar onze scheepsdokter onderzocht hem en vond er nog leven in. Zijn been was gebroken, zijn rechterarm gekneusd en over heel zijn lichaam had hij bulten en schrammen. Toen hij na verloop van een paar uren wat bijkwam, vroegen wij hem van welk schip hij kwam; maar hij verstond ons niet. Omdat hij zoo zwart van opslag was hielden wij hem voor een Franschman, Spanjaard of Napolitaan, tot hij met een zwakke stem vroeg: [39]‘Drinken, drinken!’ Toen hoorden we dat hij een Hollander was en wisten nu heel spoedig, dat hij als kajuitsjongen op het Nederlandsche oorlogsschip De Windhond diende. Zoodra we nu zagen, dat dit schip hier was, namen we het besluit hem hier aan boord te brengen.”
“En daar heb jelui goed aan gedaan,” antwoordde de kommandant en gaf den matrozen een goede fooi, waarop dezen weer naar hun vaartuig terugroeiden.
Nu was Tom ook weer vroolijk, en al zei de dokter ook, dat Jans been nooit meer terecht zou komen, toch rekenden we dat geen van allen als iets. Zijn leven was gered en dat was het voornaamste.
En als je nu weten wilt wat er van Jan en Tom geworden is, ga dan maar eens naar mijn vroegere scheepstimmerwerf en als je dan vraagt: “Van wie is deze werf?” dan zullen de werklieden je zeggen: “Ze is van twee bazen, broers, weet je! Ze heeten Thomas en Jan Epelaere. En goed,—er leven er geen beter op de wereld.—Ze hebben vroeger ter zee gevaren, maar....”
Verder behoeven we niets meer te hooren; je weet de rest!”
Dit was de eerste vertelling van Jan met de Pijp. [40]
“Meneer, meneer, vanmorgen is er een jongen van het dorp naar de gevangenis gebracht, omdat hij gestolen heeft!” zoo riep op zekeren Zaterdagmorgen het zoontje van den dokter, toen hij bij den ouden heer Van Laeken achter in den tuin kwam, waar reeds het geheele gezelschap vergaderd was.
“Wie, Herman? Wie?” vroegen terstond eenige meisjes en jongens.
“Wel, Govert de Plinte!”
“O die!” riepen eenigen, alsof ze zeggen wilden: “is het anders niet?”
“En wie is die Govert de Plinte, Herman?” vroeg mijnheer Van Laeken.
“Dat is....” riepen dadelijk eenigen, doch eer ze verder konden gaan, legde de oude heer [41]met een: “Ssst, we kunnen wel samen zingen, maar niet samen praten,—ik vraag het aan Herman,” dien driftigen mondjes het zwijgen op.
“Govert de Plinte is de zoon van Wout, den poldergast, die wel een half uur van hier midden in het land woont. Op school was hij zulk een deugniet, en hij bleef zóó dikwijls stilletjes thuis, dat meester hem op het laatst niet meer op school hebben wilde. O, meneer, die Govert zei altijd zulke leelijke woorden en hij vloekte zoo! En eens heeft hij van mij een doosje met kleurkrijt gestolen, dat ik meegebracht had om een kaartje te teekenen. Ik had het in den lessenaar gezet en het vergeten mede te nemen toen ik naar huis ging!”
“Ja, en mijn pet heeft hij bij den smid in de sloot gegooid,” riep Jan van den timmerman.
“En bij meester heeft hij al de aardbeien afgeplukt toen hij school moest blijven. Hij is toen door het raam geklommen!” zei een ander en een derde voegde er bij: “Ja, en van mijn zusje heeft hij een mooi Faber-potlood gekaapt!”
Misschien zouden de kinderen nog veel meer van Govert verteld hebben als mijnheer Van Laeken niet gezegd had: “Stop maar, ik weet [42]genoeg van dien knaap, en nu ik dat alles weet, verwonder ik er mij ook niet meer over, dat hij vanmorgen naar de gevangenis gebracht is. Van zulk een jongen kan men niets anders verwachten. Ik weet ook wat van een paar deugnieten te vertellen, waarmee het niet veel beter afgeloopen is, ja, misschien wel erger! Ik zal je dat eens vertellen.
Mijn goede vader had nog een flink bestaan en droomde er niet van, dat hij eens gebrek zou moeten lijden. Daarom had hij voor mij een school gezocht, waar de kinderen heel veel leeren konden, en al kostte dat ook veel geld, dat had vader er wel voor over; want hij zei altijd: “een kop met verstand is veel gemakkelijker mee te dragen dan een zak met geld. Geld kunnen ze een mensch ontnemen, maar wat in het hoofd zit, daar moeten ze afblijven!”
Op die school gingen ook twee zoontjes van een schrijnwerker, die wel met twaalf knechts werkte en dus veel geld verdiende. Nu spreekt het vanzelf, dat die man het heel druk had en zich daarom niet altijd zooveel met zijn kinderen bemoeide, als dat wel moest. Geheele dagen was hij soms van huis en daar hij veel van zijn [43]kinderen hield, gaf hij om hun maar pleizier te doen, hun in alles den zin, als hij eens thuis was. En Henri en Jacques,—zoo heetten de jongens,—waren slim. Ze wisten precies waar ze moesten gaan staan om vader te bedriegen. Ja, ze wisten zich zóó mooi voor te doen, dat van al het kwaad, dat ze zelf deden, een ander de schuld kreeg. Er kwamen heel dikwijls klachten over de beide jongens en, als hij er dan wàt van geloofde, dan wisten de schelmen zóó te praten, dat vader op het laatst zei: “Ze schijnen het dan ook altijd op jelui beiden voorzien te hebben. Het is schande! Maar, als ze weer komen klagen, dan zal ik die lui wel eens terechtzetten.”
Dat was koren op den molen van de deugnieten, en ze maakten elkander wijs, dat er geen beter vader op heel de wereld was.
Hoe ze zich bedrogen!
Hadden ze nu maar een moeder gehad, die vader eens alles vertelde, zooals het was, maar ach, de arme jongens, hun moeder was in een krankzinnigen-gesticht en de dokters hadden gezegd, dat ze nooit meer beter zou worden.
Een oude tante van vader deed het huishouden, en daar deze arm was, en door haar neef al [44]eens bedreigd was, dat ze het huis uit zou moeten, als ze weer over zijn “arme, lieve kinderen” klagen kwam, had ze besloten te zwijgen, er mocht gebeuren wat er wilde.
Dat was nu wel niet mooi van die vrouw; maar oud en arm zijn en niet weten waarheen, dat zegt veel en daarom moeten we het die oude vrouw niet zoo ten kwade duiden, dat ze zweeg, en.... alles van de kwajongens verdroeg om, zooals ze zei, een gerusten en goeden ouden dag te hebben.
En goed had zij het. Ze kon eten en drinken zooveel en wat ze wilde. Maar het is met eten en drinken alleen niet te halen. Gelukkig was ze niet; want de neefjes maakten haar het leven zoo bitter, dat ze dikwijls heele nachten lag te huilen, in plaats van te slapen. En dat moet niet. Als een mensch gezond, sterk en vroolijk wil blijven, dan moet hij ’s nachts slapen en geen andere dingen doen.
Onder degenen, die het meest kwamen klagen, behoorde monsieur Levin, die ongehuwd was en een goede school had.
“Weet je wat,” zei monsieur Levin op zekeren dag tegen baas Daelhouten, den schrijnwerker, [45]die hem brutale woorden gaf, omdat hij over de broers klagen kwam, “weet je wat, baas Daelhouten, ik heb een goede school! De voornaamste burgers van Antwerpen zenden er hun kinderen heen, en ik weet zeker, dat ik meer dan twee andere kinderen van mijn school verliezen zou, als ik je zoontjes hield, wanneer ze zich niet beterden. Daarom vraag ik je op den man af: Wil je je jongens nu straffen voor het gemeene kwaad, dat ze gedaan hebben, ja of neen?”
“Neen,” sprak baas Daelhouten kortaf, “neen, ik straf mijn kinderen niet. Ik weet dat iedereen aan mijn arme kinderen van al wat er leelijks gebeurt de schuld geeft.”
“Zooals je wilt!” antwoordde monsieur Levin, “zooals je wilt; maar dan heb ik je ook wat te zeggen!”
“En dat is?” vroeg baas Daelhouten.
“Dat je je jongens niet meer naar mijn school behoeft te sturen, want ik neem ze er niet meer op! Gegroet!”
Hierop ging monsieur Levin weg, maar baas Daelhouten dacht: “Och wat, dat mag hij gezegd hebben; maar hij meent het niet! Als hij zoo [46]met alle kinderen doet, dan zou ik wel eens willen weten waarvan hij leven moet! Morgen stuur ik ze toch!”
Zoo dacht de man; maar hij bedroog zich deerlijk. Vooreerst waren lang niet alle kinderen zoo als de zijne, en dan, monsieur Levin had liever armoe willen lijden dan kwajongens den zin geven. Toen den anderen morgen Henri en Jacques stilletjes naar hun plaats gegaan waren, riep monsieur hen voor de klasse en zei: “Hoor eens, jongeheertjes, je vader schijnt niet begrepen te hebben, wat ik hem gezegd heb. Ik wil geen straatjongens in mijn school hebben. Vooruit maar, marsch!”
In dien tijd moesten meest alle onderwijzers van het schoolgeld leven, dat de kinderen meebrachten en ongelukkig de man, die een groot huisgezin had en geen cent van dat schoolgeld missen kon. Zulk een man was soms wel genoodzaakt toe te geven, en toen Henri en Jacques thuis kwamen met de boodschap, die monsieur Levin hun meegegeven had, lachte de vader en zei: “Gelukkig, dat er meer scholen zijn en ook nog schoolmeesters, die meer van de kinderen verdragen kunnen, dan die verwaande [47]Levin. Wacht maar, jongens, ik zal je zoo wegbrengen!”
Ik ging school bij monsieur Gozewinus, een oud, braaf man. Wij hielden veel van hem, want hij was goed. Zijn eenig gebrek was, dat hij doof was. Als wij zijn vragen beantwoordden en hij verstond ons niet, dan dacht hij, dat we met opzet zoo zacht spraken en dan gaf hij ons wel eens straf, als wij het niet verdiend hadden.
Onderwijl we nu op zekeren morgen bezig waren met rekenen ging de schooldeur open, en baas Daelhouten trad met zijn twee zoons binnen.
“Goeden morgen, monsieur Gozewinus,” zei hij met een beweging of keizer Napoleon zijn adjudant was, “goeden morgen, monsieur Gozewinus! Hier heb ik twee leerlingen voor u. Ze hebben school gegaan bij Levin, maar die man had me te veel noten op zijn zang en hij had het altijd op deze jongens voorzien, die van alles de schuld kregen. Ik twijfel niet, of u zult er anders over oordeelen en bemerken, dat mijn zoons brave en vlugge jongens zijn!”
Wij zaten met open monden te luisteren en toen we die twee zoo hoorden prijzen, keken [48]we hen natuurlijk aan, maar we schoten in den lach, toen de jongste, die Jacques heette, zijn tong naar ons uitstak en Henri, de oudste, hem aan zijn haar trok, waarvoor Henri alweer een schop van zijn broer kreeg.
Als er nieuwe jongens op school komen, wil ieder kind hen graag naast zich hebben, en toen monsieur rondkeek bij wien hij hen zou zetten, viel zijn oog op mij. Ik kreeg den jongste bij me. Al dadelijk gaf ik hem de grootste plaats en zei, dat, als hij geen grift of pen had, hij alles van mij kon krijgen, dat mijn vader magazijnmeester was en dat ik koopman wilde worden. Ik vroeg hem of hij ’s middags tusschen schooltijd met me naar huis wilde gaan en of hij ’s avonds bij me kwam spelen. Op alles kreeg ik een voldoend antwoord en toen hij me vertelde, dat ik ’s avonds bij hem mocht komen spelen, dat de oude tante dan allerlei dingen geven zou; en dat zijn vader een groote houtloods had waarin ze soms halve dagen wegkropen, jongens, wat was ik toen grootsch met mijn nieuwen kameraad. Toen ik ’s avonds thuis kwam, stond mijn mond niet stil over Jacques Daelhouten en ’s nachts droomde ik, dat ik boven [49]in het pakhuis van zijn vader uit een stuk mahoniehout met mijn pennemes een boekenplank zat te snijden.
Vader lachte eens even toen ik hem dat den volgenden morgen vertelde, maar had hij geweten, waarmede monsieur Levin, de oude tante en nog zoo vele anderen wel bekend waren, ik weet niet, of hij wel zoo vroolijk gelachen zou hebben.
Den anderen morgen hadden we aardrijkskunde.
“Ik geloof dat die mooie meneer met dien bril op zijn vlasschuit doof is,” zei Jacques stilletjes tegen me.—Met die vlasschuit bedoelde hij den neus van monsieur Gozewinus, die toevallig wat grooter dan een gewone menschenneus uitgevallen was.
Ik knikte van ja.
“Dan zullen we een grap hebben,” zei hij.
“Zeg eens, jongeheer Daelhouten,” riep monsieur, “noem de eilanden eens op, die boven Duitschland en Nederland liggen.”
En daar begon hij: “Snork-niet, Rotte, Bokking, Schiet den monnik dood, Naamval, Drie schellingen, Biertand, Deksel!”
Zulke grappen waren wij nog niet gewoon en [50]daarom schoten wij allen in den lach. Monsieur Gozewinus deed nu, alsof hij wel gehoord had, dat hij ze niet goed had opgenoemd en zei: “Als ik je wel verstaan heb, dan heb jij de eilanden in de Stille Zuidzee opgenoemd. Ik heb je gevraagd naar de eilanden boven Duitschland en Nederland, waarvan de meeste boven de Zuiderzee liggen.”
“O, meent u die!” riep Jacques met het brutaalste gezicht van de wereld, “jawel, monsieur, ik zal ze nu anders opnoemen. Norderney, Rottum, Borkum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland, Texel!”
“Best, jongen, best! Dat gaat goed!” zei monsieur en vervolgde: “En zeg de eilanden van Zuid-Holland eens op, George van Laeken!”
“Tulpenburg, Voorn in de Putten, Kriekenland,” fluisterde Jacques, terwijl hij voor zich keek, maar zoo hard dat ik en de jongen, die aan den anderen kant zat, het best hooren konden.
Wij begonnen te lachen, en monsieur meende, dat wij hem voor den gek hielden. Wij kregen ieder eene slechte aanteekening en mochten geen beurt meer hebben.
Toen het uur om was zei ik tegen Jacques: “Dat is jouw schuld, dat wij een slechte aanteekening [51]gekregen hebben. Als je dat nog eens doet zal ik de waarheid zeggen en....”
“Dan krijg je van Henri een pak rammel, reken er op!” zei Jacques. “Ik bedank voor zoo’n vriendschap!”
Een half uur later was ik echter weer heel anders jegens Jacques gestemd. Het hinderde me, dat hij boos was en daarom begon ik zulke zoete broodjes te bakken, dat hij toen het vier uur was, zei: “Zeg, kom je straks bij ons spelen?”
Ik nam dit aanbod met graagte aan en vroeg hem wat we spelen zouden.
“Wij gaan in de groote achterkamer wat met dobbelsteenen spelen. Henri brengt Pierre de Rooze mee. Tante Kee zal ons chocolade geven!”
“Dat zal prettig zijn,” zei ik.
“Nou! Maar zeg, je moet geld meebrengen, hoor!”
“Geld? Ik heb geen geld!”
“Heb je dan geen spaarpot? Als je komt moet je geld meebrengen, anders kan je wel wegblijven!” Nadat hij dit gezegd had ging hij heen.
Ik keek hem na. Wat zou ik doen? Ik had wel een spaarpot en ik zelf was er baas over. [52]Iedere week kreeg ik er van vader een schelling in. Maar vader wist hoeveel er in was en ik spaarde voor een Fransch woordenboek. Toen ik thuis kwam was ik niet erg op mijn gemak. Ik was mijzelf overal in den weg en hoewel ik anders onbeschroomd naar boven ging, waar mijn boeken en mijn spaarpot stonden, nu durfde ik het niet wagen uit vrees, dat moeder vragen zou wat ik boven moest gaan doen. Ik wachtte daarom tot moeder uit de kamer ging en vloog toen naar boven, maakte mijn spaarpot leeg, gooide hem uit het raam en klom weer naar beneden, maar met een kloppend hart.
Een uur later ging ik de straat op. Ik was erg ongerust. Ik had een gevoel, alsof iedereen aan mijn gezicht zou kunnen zien, dat ik iets gedaan had dat niet goed was.
“Wat ben je toch een domme jongen, George,” zei ik tot mijzelf. “Als vader vraagt: ‘Waar is de spaarpot?’ dan ga ik hem zoogenaamd halen; ik zal zoeken en eindelijk naar beneden gaan en zeggen, dat hij gestolen moet zijn. Daarom heb ik hem weggegooid!”
Zoo beproefde ik mijzelf gerust te stellen en eindelijk kwam ik voor het huis van den schrijnwerker. [53]Jacques stond me al op te wachten en het eerste wat hij vroeg, was: “Wel, heb je geld?”
Ik zei van ja en een kwartiertje later zaten we te dobbelen. Ik was bijzonder gelukkig. In plaats van te verliezen won ik twee schellingen en toen ik naar huis ging vond ik mijzelf dwaas, dat ik mijn spaarpot weggegooid had. Als ik hem nu nog gehad had, had ik er weer alles in kunnen doen. De twee schellingen, die ik gewonnen had, zouden dan kunnen dienen om nog eens te gaan dobbelen,—ja, wat nu?
Maar wat wilde het toeval? Ik kwam voorbij een winkel en daar lagen juist zulke spaarpotten als ik er een weggegooid had. Er was geen haartje verschil in. Juist zoo groot, dezelfde kleur van hout, alles hetzelfde behalve dat er geen groote G op stond.
Vader kon met een pennemes mooie letters in hout snijden en voor mijn zusters en mij had hij op onze spaarpotten de eerste letters van onzen voornaam gesneden.
Goede raad was duur; wat zou ik doen?
Eindelijk besloot ik den winkel in te gaan en zulk een spaarpot te koopen.
Zonder te vragen: “Hoeveel kost die spaarpot?” [54]zei ik: “Och, geef mij dien spaarpot eens!”
“Asjeblief,” zei de winkelier, zette er een op de toonbank en vervolgde: “veertien stuivers!”
Daar stond ik gekke jongen nu. Afdingen durfde ik niet en den winkel uitgaan zonder koopen durfde ik ook niet. Ik haalde dus drie schellingen voor den dag, legde ze op de toonbank en.... kreeg twee en dertig duiten terug. Dat was eene leelijke geschiedenis. Ik meende voortaan van mijn winst te zullen kunnen spelen en nu moest ik toch mijn toevlucht tot mijn spaargeld nemen. Ja, ik had daarenboven nog twee stuivers minder dan toen ik heenging.
Zoodra ik thuis gekomen was bracht ik mijn boeken boven, zette den nieuwen spaarpot naast dien van mijn zusters en, ja, precies eender van kleur en gedaante, maar wat korter in de lengte en breedte en wat langer in de hoogte. Ze waren alle drie even groot geweest.
Maar dat zou vader zoo gauw niet zien, en moeder keek er nooit naar.
Als ik er nu maar die G op krijgen kon.
Een scherp mes had ik niet. Vaders pennemes lag beneden in een lade. Als moeder maar eens wegging! [55]
Klingeling—-klingeling!
Ha, tweemaal gescheld! Dat was de melkboer.
Ze ging heen en nog was ze niet aan de buitendeur of ik was met vaders pennemes naar boven.
Nu aan het snijden.
Eerst teekende ik met pootlood een G. Flink maar! Hè, het zweet liep me langs het voorhoofd.
Eindelijk was de letter klaar, wel niet zoo mooi, als die van vader, maar.... wacht, als ik die van mijn zuster er naast hield,
dan kon ik toch zien, of ze veel verschilden met die van mij. Ik greep den spaarpot van Mina en daar stond een
op.
Zou ik mij vergist hebben, dacht ik en greep naar dien van Kato. Al zijn leven! Daarop stond een
.
Wat was ik dom geweest! In plaats van een schrijfletter had ik een drukletter gesneden. Ik had een G gezet en het moest een
zijn.

De Weg naar de Gevangenis.
Ja, er viel niets aan te doen dan van de G een
te maken. Had ik die G maar niet heelemaal afgewerkt, dan kon er uit het bovenstuk precies een G en nu zat ik met dien [57]leelijken, langen staart. In vrede, dan maar een héél groote
. Vader zou niet kunnen zien, dat ik het gedaan had; want.... Knak.... juist bij het dikke, onderste streepje brak mijn mes.
Kon er iemand ongelukkiger zijn dan ik?
“Wat voer je toch daar boven uit, George?” vroeg moeder.
“Ik leer mijn les, moeder,” riep ik, maar ik voelde, dat ik bij die leugen tot achter de ooren rood werd.
“Die kun je straks wel leeren. Kom nu even naar beneden en ga eens naar den kruidenier om rijst, gauw!”
Alle ongelukken opeens!
In mijn angst wist ik niet wat ik deed. Ik raapte de houtsnippers op, zette den half versneden spaarpot weg, stak het gebroken pennemes in den zak en ging naar beneden.
“Een pond,” zei moeder, die me stond op te wachten, en toen ik bleef staan, zei ze: “Nu, waar wacht je op?”
“Op een flesch, moeder!”
“Op een flesch, dwaze jongen? Wanneer heb je een pond rijst in een flesch gehaald?”
“O ja,” zei ik, “het is waar, ik moet om rijst bij Wierhoeve op het hoekje, hé?” [58]
Wierhoeve was een smid, moet je weten.
“Maar jongen, wat scheelt er toch aan? Rijst in een flesch bij den smid halen!—Zeg eens, George, heb je daar boven ook kwaad gedaan?”
Mijn gelaat werd als vuur zoo rood; maar toch zei ik driestweg: “Neen, moeder, ik heb mijn les geleerd!”
“Goed, ga dan maar heen!” zei ze.
Ik ging, maar met den grootsten angst van de wereld en toen ik weer thuis kwam was ik al in mijn schik, dat ze weer niet begon te vragen.
Intusschen was het donker geworden, het licht werd opgestoken en ik begon mijn les te leeren. Maar daar kwam niemendal van in. De letters dansten op het papier en toen vader thuis kwam begon mijn hart zoo fel te kloppen, dat ik er raar van werd.
Als hij zijn pennemes maar niet noodig had.
“Vader,” zei moeder, toen ze in de kamer kwam, “ik moet je eens wat zeggen. Kom eens even hier!”
Vader stond op en ging met moeder in de gang.
Ik voelde dat ze het daar achter de deur [59]over mij hadden en ik begon nog akeliger te worden.
Eindelijk kwamen ze binnen. Geen woord werd gesproken en een oogenblik later begon moeder de boterhammen te snijden. Hoe ik die boterhammen binnen gekregen heb, weet ik nog niet. Het was maar, alsof er groote brokken in mijn keel bleven zitten.
Ondertusschen was het maal afgeloopen en ik wilde naar bed gaan.
“Je moet eens even blijven zitten, George!” zei vader.
Moeder en mijn zusters gingen heen en ik.... ik begon hardop te schreien.
“Beter berouw te hebben dan nog meer kwaad te doen, George! Vertel eens eerlijk, wat is er gebeurd?” vroeg vader en zette den spaarpot op de tafel.
Moeder had hem gehaald toen ik naar den winkel was.
Ik keek vader even aan en toen ik ook tranen in zijn oogen zag, neen, toen kon ik mij niet langer inhouden. Ik begon krampachtig te snikken en greep vaders hand.
“Je zult je ziek maken, George,” sprak vader. [60]“Vertel maar eerlijk wat je met je spaarpot gedaan hebt, hoe je aan dezen komt en waar de twaalf schellingen gebleven zijn! Je ziet, ik weet al veel!”
Ja, vader wist veel en daarom—neen, liegen kon ik niet, ik vertelde hem alles, en legde ten slotte elf schellingen en twee en dertig duiten op de tafel.
“Je bent nog niet slim genoeg om kwaad te doen, George! Je moet het eerst nog wat leeren, en daar je dat niet hier in huis of bij monsieur Gozewinus leeren kunt, raad ik je aan, les te gaan nemen bij je vriend Jacques! Die jongen zal een kerel van je maken! Nacht, George!”
Vader stak de hand uit en ik drukte ze vurig.
Ik ging naar bed en.... o, ik heb nooit onzen Lieven Heer zoo gebeden, als toen! Ik heb Hem nooit zoo voor zulk een goeden vader gedankt, als op dien avond.
Den volgenden dag bekeek ik mijn nieuwen vriend Jacques met een paar andere oogen dan vóór dien tijd, en toen ik hem zei, dat ik niemendal met hem meer te doen wilde hebben, gaf hij mij een harden stomp voor den neus, zoodat deze begon te bloeden. [61]
Dat zag monsieur Gozewinus en ik werd bij hem geroepen om te vertellen wat er gebeurd was. Ik aarzelde, maar toen ik zag, dat ik daardoor op het punt stond voor een ander straf te krijgen, vertelde ik hem alles.
“Kom eens hier, Jacques!” beval monsieur.
“Blijven zitten, Jacques!” riep Henri uit de andere klasse zijn broer toe en deze verroerde zich niet.
“Kom eens hier, Jacques!” beval monsieur nogmaals.
“Niet doen, hoor!” riep Henri weer en Jacques deed het ook niet.
Toen werd monsieur driftig en ging op Jacques af, maar Henri sprong uit de bank en liep met een groote lei naar zijn broer, en monsieur brutaal aanziende, schreeuwde hij: “Blijf af!”
Wij zaten op onze plaatsen van angst te rillen en te beven.
Zoo iets was er nog nooit op school gebeurd, en, al fopten we den ouden man ook wel eens, toch hielden we veel van hem en, zoo waar, de heele klasse stond gereed partij voor monsieur te trekken. Maar het was gelukkig niet noodig. Met een kracht, waarover we verbaasd stonden, [62]pakte hij den flink opgegroeiden Henri bij den kraag en Jacques bij den arm en bracht beiden, als twee kleine ondeugende kinderen, in een hoekje bij den schoorsteen.
“Vanmiddag blijven zitten, kwajongens,” zei hij en begon toen weer aan het werk, alsof er niets gebeurd was.
Ik kan je niet zeggen welk een indruk dat op ons maakte. Nog nooit hadden we geweten, dat die oude man nog zooveel kracht had. Van dien dag af had hij ons geheel in zijn macht. We waren bang voor hem, als we kwaad gedaan hadden, en we hadden hem nog even lief als vroeger.
Zoodra we uit school waren sloot monsieur de deur en liet de jongens staan zonder iets anders te zeggen dan: “Over een half uur kom ik terug en dan zal ik eens zien of het harde kopje wat zachter geworden is!”
Ja, monsieur Gozewinus wist wel welk vleesch hij in de kuip had en daarom sloot hij de deur; maar, dat het zulk vleesch was, neen, dat had hij niet vermoed.
Nauwelijks toch was monsieur de deur uit of ze klommen het raam uit. Nu waren ze in monsieurs tuintje. Maar hoe er uit te komen? [63]
“Wacht,” zei Henri, “hier achter deze heining maar!”
Beide jongens kropen weg en hielden zich doodstil.
Eindelijk hoorden ze het schelpzand kraken en met den sleutel in de hand trad monsieur naar de school. De sleutel ging in het sleutelgat en de twee kwajongens hadden moeite om niet in een hard gelach uit te barsten. Daar ging de deur open en, snel als de wind liep Henri er heen, haalde den sleutel er uit, deed de deur op slot en.... monsieur Gozewinus zat gevangen.
“Wie brutaal is, wint de halve wereld,” zei Henri en nam Jacques mee naar de achterdeur van monsieurs tuin.
“Wat moet jelui?” vroeg de meid.
“Hier heb je den sleutel van de school; monsieur zei, dat we dien aan jou moesten geven en je moet ons door de voordeur uitlaten!”
De meid begreep er niets van, maar deed de voordeur voor hen open.
We waren op onzen gewonen tijd in school en vonden monsieur erg afgetrokken.
De plaatsen van Jacques en Henri bleven onbezet. [64]
“Waar zijn Jacques en Henri, monsieur?” vroeg ik.
“Den weg op naar de gevangenis, mannetje,” was het antwoord, dat ik niet begreep.
Als een loopend vuurtje ging het nu door de school, dat ze nu allebei naar de gevangenis waren, en het zou wel waar zijn, als monsieur zelf het zei.
“Vraag eens hoe lang ze moeten blijven zitten?” fluisterde een jongen me in het oor. Ik deed het en nu was het de beurt van monsieur om vreemd op te zien.
“Hoe kom jelui daaraan, jongens? Wie heeft je gezegd, dat Henri en Jacques in de gevangenis zijn?”
“Uzelf monsieur!” antwoordde ik.
“Wat? Ik? Ik heb dat niet gezegd, manneke! Ik heb gezegd, dat ze op weg naar de gevangenis zijn en daarmee bedoel ik: als ze zoo voortgaan, dan zal er niet veel uit die twee groeien, en het kon best gebeuren, dat ze nog in de gevangenis kwamen ook!”
Nu begrepen wij het, en we twijfelden ook geen oogenblik of monsieur sprak waarheid. Ik althans twijfelde er geheel niet aan; ik was [65]nog niet vergeten wat er den vorigen dag met me geschied was.
Toen ik thuis kwam, vertelde ik vader en moeder wat er dien dag op school gebeurd was.
“Zoo,” zei vader, “dat jongetje zal het ver brengen!”
“Jawel, vader, maar er zijn er twee!”
“Dat weet ik wel, maar ik bedoel nu dien Jacques, je vriend, weet je!”
“Hij is mijn vriend niet meer, vader, dat weet u ook wel!”
“Ik hoop het, jongen, ik hoop het!”
Gelukkig is vaders hoop niet vergeefsch geweest. Ik had aan dat ééne lesje genoeg.
En wil je weten wat er met die twee gebeurd is? Ze hebben het leven van hun vader verkort, zijn geld verkwist en hun arme moeder vergeten. Henri kwam op het schavot, en Jacques is in de gevangenis gestorven.
De kinderen hadden van het begin tot het einde aandachtig geluisterd en wilden weer heengaan toen het zoontje van den dokter zei: “Maar, meneer, u zei zooeven, dat het met die twee kennissen van u niet veel beter en misschien [66]nog wel erger afgeloopen is dan met Govert de Plinte!”
“Dat heb ik ook gezegd, Herman! Maar wat zou dat?”
“Wel, met dien Govert is het bij lange na zoo erg niet afgeloopen als met die twee.”
“Dat is zoo! Het is nog zoo erg niet; maar wat niet is, kan worden. En dat wil ik jelui nog zeggen: een deugnieten-grapje kan er nog mee door, maar herinner je altijd het versje:
Och, bedenk het, jongensstreken
Worden licht’lijk mansgebreken.”
“Frans, Frans!”
“Ja, moeder, ik kom!”
Frans, die op een heel klein zolderkamertje op een oude viool zat te krassen, kwam langs een oude, vermolmde trap naar beneden.
Als ik nu zei, dat het er in de kamer beneden plezierig uitzag, dan zou ik onwaarheid spreken. Een kamer was het eigenlijk niet. Het was een groot vierkant vertrek met witte muren en een steenen vloer. Het was zeer laag van verdieping en in een hoek stonden stoelen en tafels, stoven, doofpot, tang, kolenbak en nog veel meer, erg verward door elkander. De roode steenen vloer geleek veel op een modderzee, te midden waarvan moeder stond met een bezem in de eene, een dweil in de andere hand en een emmer water aan de voeten. [68]
Het was Zaterdag, weet je, en de weduwe Jacobsen moest zorgen, dat tegen den Zondag haar huisje schoon was.
Vrouw Jacobsen zag er in haar werkpakje niet al te helder en schoon uit, en haar zoontje Frans, die aan het Zaterdag houden niet meedeed, maar de natte wereld op den zolder ontvlucht was, droeg ook al geen prachtige kleeren. Maar toch, die kleeren mochten lap op lap staan, zindelijk waren ze, en dat moeder er nog een handdoek en een kam op nahield, dat kon men Frans best aanzien; want zijn haren zaten netjes en zijn rond gelaat zag er zoo frisch en schoon uit, dat men er met plezier naar keek.
Toen Frans beneden kwam, bleef hij op den dorpel staan en zei: “Wat is het, moeder?”
“Buurman is zooeven aan de deur geweest!”
“Die nieuwe, moeder, met dien grooten bril op zijn nog veel grooteren neus?”
“Ja, Frans!”
“En wat moest die hebben, moeder?”
“Hij vroeg of je niet eens even wou komen om een boodschap te doen!”
“Hè, moeder, ik heb er niet veel lust in.”
“Kom, kom, jongen, het is of je bang voor [69]den nieuwen buurman bent! Dat is toch niet zoo?”
“Bang niet, moeder; maar Jan van Dulven heeft ook naast hem gewoond en die heeft me gezegd, dat hij zoo’n akelige vent is, die altijd maar gromt en knort. Weet u hoe ze hem noemden?”
“Ja, de straatjongens geven iedereen een bijnaam en vooral zal dat die Jan van Dulven doen; want dat is me een hachje! Als je me plezier wilt doen, dan moet je dien jongen links laten liggen. Je leert toch maar leelijke dingen van hem!”
“Neen, moeder, die Jan van Dulven is heusch niet gemeen, en de jongens alleen scholden onzen nieuwen buurman niet uit. De heele buurt noemde hem ‘den Beer.’”
“Dan deden al die menschen verkeerd, Frans! En ik wil hebben, dat je buurman niet anders noemt dan ‘meneer Moerdijk’, begrepen?”
“Ja, moeder!”
“Best, en ga jij nu naar meneer Moerdijk en vraag beleefd, wat meneer wil dat je doet! Maar beleefd en vriendelijk, hoor!”
Frans beloofde dit en ging.
Eenigszins angstig trok hij aan de schel en hoorde slof-slof, iemand door de gang aankomen. [70]De deur ging open en een oude vrouw met een vriendelijk uitzicht vroeg, wat hij wilde.
“Meneer heeft gevraagd of ik niet eens een boodschap voor hem wilde doen, juffrouw!”
“O zoo, ben jij het zoontje van de vrouw hiernaast!”
“Ja, juffrouw!”
“Goed, kom dan maar eens even in de gang, dan zal ik meneer zeggen, dat je er bent! Voeten vegen, hoor!”
Slof-slof, ging de oude vrouw de lange gang door naar de achterkamer, en onderwijl ze dat deed, had Frans gelegenheid om te zien hoe kraakzindelijk er die gang al uitzag, en het verwonderde hem niemendal, dat het vrouwtje gezegd had: “Voeten vegen, hoor!” Maar lang tijd had Frans niet om hierover na te denken; want de vrouw deed de deur open en zei: “Meneer, hier is het jongetje van hiernaast!”
“Goed,” klonk het, “laat den slungel maar achter komen!”
“Zie je,” dacht Frans, “dat die vent wel verdient Beer genoemd te worden. Hij kent me niet eens, en noemt me toch slungel. Als hijzelf maar geen slungel is!” [71]
Schoorvoetend ging Frans naar achter en klopte met zekeren angst aan de deur.
“Binnen!” riep een barre stem.
Frans deed de deur open en stond in de tuinkamer waar het ruim en luchtig was. Wat er zoo al in de kamer te zien was, zag Frans niet. Hij zag alleen mijnheer Moerdijk, zooals hij daar in zijn stoel zat.
Op de grijze haren stond een zwart fluweelen kalotje en de bril was in de hoogte geschoven, en rustte nu op het hooge voorhoofd boven een paar groote, zwarte wenkbrauwen. De lange, grijze ochtendjapon, van een bontgekleurde stof, sloot hem als een wijde zak om de magere leden, en de voeten staken in een paar roode, vilten pantoffels.
“Zoo, eeuwige vedelaar, ben je daar?” zei hij en sloeg zijn donkerzwarte oogen op Frans.
“Ja, meneer! Wat is er van uw dienst?” vroeg deze.
“Wat er van mijn dienst is? Veel! Maar, daar staat een stoel, schuif dien bij de tafel, ga er op zitten en antwoord me dan eens netjes op alles, wat ik je vraag!”
Frans voldeed aan dit bevel en zat weldra [72]bij den ouden heer aan tafel, en toen had het volgende gesprek plaats.
“Hoe heet je, jongen?”
“Ik heet Frans Jacobsen, meneer!”
“Zoo, en wat is je vader?”
“Mijn vader was muzikant op den toren, meneer!”
“Muzikant op den toren? Wat is dàt voor een beroep?”
“Ja, meneer, hij moest ’s nachts op den toren zijn, en als het heel uur sloeg, dan ging hij op alle vier de hoeken op een klarinet ‘Wilhelmus’ blazen!”
De oude heer glimlachte en zei: “O zoo, hij was dus torenwachter? En wat is hij nu?”
“Hij is al vier jaar dood, meneer!”
“Zoo, dat is ongelukkig, jongen! En wat doe jij nu?”
“Ik doe boodschappen, meneer, en moeder gaat uit werken!”
“Maar dan toch altijd boodschappen na schooltijd, niet? Bij wien ga je school?”
“Ik ga niet school, meneer!”
“Ei, ei, al volleerd? Zoo, zoo, dat is vroeg genoeg! En kun je dan al goed lezen, rekenen en schrijven?” [73]
“Ik heb nooit school gegaan, meneer!”
“Wat? Nooit school gegaan? Wat moet je dan toch worden?”
“Pakjesdrager en wegwijzer bij het spoor, meneer!”
“Gekheid, gekheid! Jij moet naar school!”
“Jawel, meneer, maar....”
“Geen gemaar! Helpt geen lieve vaderen of lieve moederen aan! Jij moet naar school. En wat ik vragen wil, waar zat je daar straks toch zoo op te zagen?”
“Ik, meneer?”
“Ja, jij! Toen je daar straks op zolder zat, lag ik door het raam te kijken, en toen hoorde ik je zagen en krassen! En dat was zóó mooi, dat mijn oude kat, die op het dak liep te kuieren, hard mee begon te mauwen!”
“O, dan weet ik het al, meneer! Ik speelde wat op een oude viool van grootvader!”
“Zoo, was je grootvader ook muzikant op den toren?”
“Neen, meneer, die was muziekmeester en gaf les aan de kinderen!”
“Dat is wat anders! En hoor je graag muziek?”
“Jawel, meneer!” [74]
Toen Frans dat gezegd had, ging mijnheer Moerdijk naar een hoek van de kamer, waar een kast stond. Frans dacht ten minste, dat het een kast was, maar bij nader inzien bleek het, dat het een piano was. Hij nam toen een stoeltje en sloeg zes toetsen te gelijk aan.
Frans antwoordde niets. Hij vond het leelijk; want mijnheer Moerdijk had zoo maar zes toetsen genomen. Hij durfde het evenwel niet zeggen en zweeg dus.
“Nu, ben je stom? Zeg maar gerust of het leelijk is of mooi!”
“Het is leelijk, meneer!” antwoordde Frans.
De oude heer glimlachte en sloeg toen weer zes toetsen aan, maar toen hij nu weer vroeg: “Is dat mooi of leelijk?” riep Frans: “Dat is mooi, meneer!”
Toen mijnheer Moerdijk dit gehoord had, begon hij langzamerhand te spelen, en eindigde met zulk een treurig liedje, dat Frans de tranen in de oogen sprongen.
“Wel?” vroeg hij toen. Doch zich omkeerende, zag hij den knaap stilletjes de tranen, die hem langs de wangen liepen, wegmoffelen.
“Meneer, dat was mooi, o, dat was mooi!” riep Frans. [75]
Mijnheer Moerdijk stond een poosje in gedachten en zei toen: “Mooi, zoo, is het mooi geweest? Ja, dat zie ik; want je hebt gehuild. Goed, goed, maar jij moet naar school, hoor! Ik zal er wel eens met je moeder over praten. Maar nu moet je een boodschap voor me doen in de Zilverstraat!”
Hierop stuurde de oude heer hem naar een boekwinkel en onderwijl hij weg was, mompelde mijnheer Moerdijk: “Als hij een goed gehoor heeft, dan wil ik dat wel eens doen! Ja, ja, ik heb toch geen kinderen of geen familie op de wereld. Dat wil ik doen!”
En wat wilde hij nu doen?
Dat zullen we zien.
De volgende week reeds kwam de weduwe Jacobsen elken dag bij mijnheer Moerdijk een paar uren werken; want “Aaltje, de meid wordt wat oud,” had hij gezegd. Frans ging school. Wel hinderde het hem, dat hij al elf jaar oud was en nog bij kinderen van vijf jaar moest zitten om de letters te leeren, maar hij beet door den zuren appel heen, en hij beet er zóó goed doorheen, dat hij twee jaar later al in de hoogste klasse zat. Geen oogenblik liet hij verloren gaan en, als hij thuis was, hielp mijnheer [76]Moerdijk hem altijd aan zijn lessen, zoodat hij weldra de knapste leerling van de geheele school was.
Ja, ja, als men maar wil, kan men het ver brengen.
Eens op zekeren dag zei mijnheer Moerdijk: “Hoor eens, Frans, ik hoor je tegenwoordig niet meer op de viool krassen, doe je daar niet meer aan?”
“Ik heb geen tijd, meneer,” antwoordde Frans.
“Ja, jongen, dat is waar! Maar zeg, heb je er nu al eens over gedacht, wat je worden moet?”
“Neen, meneer!”
“Niet? Maar dan dien je daaraan toch haast te denken; want morgen wordt je dertien jaar! Zou je muzikant willen worden?”
Frans’ oogen schitterden, en zijn “ja, meneer!” kwam er zóó blij uit, dat mijnheer Moerdijk niet behoefde te vragen, of hij wel meende, wat hij zei.
“Zoo, wil je muzikant worden? Ei, ei! Maar dan dien je te beginnen met de noten te leeren!”

Hoe Frans door de Wereld kwam.
“O, meneer, die ken ik al! Ik heb ze op school geleerd! En.... maar zal u niet boos worden, als ik u nog wat zeg?” [78]
“Dat komt er op aan wat het is, manneke!”
“Nu, meneer, ik kan piano spelen ook! Dat heb ik op uw piano geleerd, als u niet thuis was!”
“Ja, dat piano spelen zal wat moois zijn, als het voor de heeren komt! Kom, ga eens mee, en laat me dan eens hooren!”
De oude man bracht Frans voor de piano en zei: “Speel!”
“Jawel, meneer, maar mag ik dan een boek hebben?”
“Een boek, jongen, ben je mal? En welk boek zou je dan wel willen hebben?”
“Dat dikke, meneer!”
Dat dikke boek was juist datgene, waaruit hij meneer zoo dikwijls had zien spelen, en als hij dat deed, moest Frans altijd de bladen omkeeren, maar omdat de oude muzikant meende, dat Frans er niets van wist, had hij altijd bij het einde van ieder blad gezegd: “Keer om!”
Weldra zat Frans voor de piano, en daar begon hij. En achter zijn stoel stond mijnheer Moerdijk met oogen vol verwondering. Op het laatst werd hij echter zóó aangedaan, dat hij Frans van het stoeltje rukte en uitriep: “Van wien heb je dat zoo geleerd, jongen?” [79]
“Ik heb het van u afgekeken, meneer, en zoo mijzelven geleerd. Als de meester op de school ons van de noten wat leerde, heb ik alles onthouden en....”
“Frans, je zult muzikant worden, hoor je! Jongen, jongen! Het is onbegrijpelijk!” En hierop liep hij de kamer eenige malen rond, telkens uitroepende: “Onbegrijpelijk! Onbegrijpelijk!”
Intusschen stond Frans midden op den vloer en wist niet wat hij zeggen zou.
“Weet je wat, jongen, wacht hier even!” zei mijnheer en verdween in een zijkamer.
Een half uurtje later kwam hij weer terug, maar nu netjes aangekleed. Hij had een dikken wandelstok in de hand en zei: “Ga mee, Frans!” en deze volgde gewillig.
Weldra waren ze op straat, doch geen woord werd gesproken, tot ze op een pleintje voor een groot gebouw stilstonden.
“Wat staat daar boven de deur?” vroeg mijnheer Moerdijk en wees met zijn stok naar het gebouw.
“Muziekschool, meneer!” was het antwoord.
“Precies! Nu, hier moeten we zijn!” hervatte de oude heer en schelde aan. [80]
Een bediende deed de deur open en liet de bezoekers in een zijkamertje, waar, na eenige oogenblikken, een lange man met blonden baard en knevel binnentrad en beleefd vroeg wat mijnheer wilde.
Mijnheer Moerdijk antwoordde hem in het Fransch en toen ontstond er tusschen die twee heeren een gesprek in die taal, dat wel een half uur duurde.
Frans verstond er niets van, doch hij begreep toch wel waarover het zijn zou, en toen het gesprek geëindigd was, zei de blonde meneer: “Kereltje, deze meneer wil een muzikant van je maken en dat vind ik goed! Maar.... krukken komen niet meer door de wereld. Zoodra ik merk, dat er toch niets meer dan een kermismuzikant uit je groeit, kan ik je niet gebruiken. Leeren is dus de boodschap, begrepen? En nu, morgenochtend om half twaalf wacht ik je hier in school. Het poortje hiernaast zal openstaan, en je zult er wel meer jongens binnen zien gaan, die volg je maar! Nu, tot morgen!”
Hierop gaven de heeren elkander de hand en.... de deur viel achter beiden dicht.
Nu zou ik jelui kunnen vertellen, wat er zoo [81]al dag aan dag met Frans voorviel, maar dat doe ik liever nu niet. Ik wil je alleen zeggen, dat de blonde heer Frans niet behoefde weg te zenden. De arme knaap werd.... maar stil, ik heb toch nog wat te zeggen.
Toen Frans zoo in die wachtkamer zat en de beide heeren een taal hoorde spreken, waarvan hij geen woord verstond, hinderde hem dat erg. Niet dat hij zoo nieuwsgierig was en van stukje tot beetje verlangde te weten, wat de heeren met elkander bespraken, neen, dat niet. Het hinderde hem maar, dat hij nog niet alles wist wat meest alle fatsoenlijke menschen weten, en daarom nam hij het besluit, ook Fransch te leeren, het mocht kosten wat het wilde.
Maar hoe dat aan te leggen? Mijnheer Moerdijk vragen of hij het leeren mocht, dat durfde hij niet; want hij begreep wel, dat deze toch al zooveel voor hem betaalde. Dagen achtereen liep hij hierover na te denken en nog wist hij niet, hoe hij het aanleggen zou, toen hij op zekeren morgen op weg naar de muziekschool, den Franschen pianomaker tegenkwam, die hem vroeg: “Garçon, jij mij kan zek, waar woont die monsieur Vluuktenbourg? Ik niet wete!” [82]
Frans keek eens op de torenklok en zag, dat hij nog wel een kwartier tijd had, en daarom zei hij: “Ga maar mee, meneer, ik zal u er brengen!”
Nu begonnen Frans en de pianomaker zoo goed en kwaad dit ging een gesprek te voeren, en de laatste beklaagde zich, dat hij niet meer van het Nederlandsch wist, en dat dit zoo moeielijk was, omdat zijn knechts hem de helft van den tijd niet verstonden. Frans vond dat ook en.... daar schoot hem iets te binnen. Ais hij dien meneer eens vroeg, of hij hem Fransch wilde leeren, dan zou hij ... ja, als dat eens kon ... dan ...
Maar het hooge woord kwam er niet uit. Telkens als hij er over beginnen wilde, dan was het of er iets in zijn keel schoot. Reeds had de Franschman hem bedankt en stond gereed bij den heer Vluchtenburg aan te schellen toen Frans zich omkeerde en zei: “Meneer!”
“Eh, watte?”
Ja, nu moest het hooge woord er uit, en hoe meer Frans sprak, des te vrijer werd hij. De man lachte eens en verzocht Frans ’s avonds bij hem te komen, dan konden ze er samen eens over praten. Dien avond werd er tusschen die [83]twee bepaald, dat ze elkander leeren zouden.
Ik zeg nog eenmaal, wie vooruit wil in de wereld, wie graag leeren wil en den wil heeft, die komt er wel.
Frans en de Franschman kwamen er ook, en, al was het Nederlandsch nu ook al niet zoo goed, als dat van een onderwijzer, en al haperde er hier en daar wel eens wat aan het Fransch, met geduld en goeden wil kan men bergen verzetten. Dat ondervonden deze twee ook.
Den 13den Maart was Frans jarig. Hij zou dan veertien jaren oud worden. En weet je wat hij op dien dag van mijnheer Moerdijk kreeg? Ik zal het je zeggen: hij kreeg vergunning om Fransch, Engelsch en Duitsch te gaan leeren. Maar wat zag de goede man vreemd op, toen Frans hem zei wat hij gedaan had en om te bewijzen dat het geen bluffen was, met hem Fransch begon te spreken! De tranen kwamen hem in de oogen en de goedige oude legde zijn hand op Frans’ hoofd en zei: “Je bent een flinke jongen! Je moeder kan plezier aan je beleven!”
En werd dit woord bewaarheid?
Tien jaar later zat er op den hoek van een straat in Londen een blinde man erbarmelijk op [84]een viool te spelen. Zijn pet, die op de straat voor zijn voeten lag, en waarin eenige koperen geldstukjes waren, liet duidelijk zien, wat hij aan de menschen vroeg.
Maar de meesten gingen voorbij zonder den blinden man maar even aan te kijken, zoodat de ongelukkige niet veel kans had, iets meer te verdienen dan een stukje droog brood.
Onderwijl de man zoo voortspeelde, kwam er een rijkgekleed heer met een dame voorbij.
“Och,” zei de dame, “kijk dien stumperd daar eens zitten! Och toe, geef hem wat!”
De heer keek eens in de pet en zag niets anders dan eenig kopergeld.
“Wordt je niet moe, oude man, met zoo den heelen dag te spelen? Wil ik je eens aflossen, dan kun je wat uitrusten!” zei de heer.
“O, als u ook spelen kunt, graag!” was het antwoord en de viool ging uit de handen van den blinden bedelaar in die van den rijken heer over. Hij stemde de snaren, bestreek den strijkstok met hars, en begon zóó prachtig te spelen, dat niemand meer voorbijging zonder te blijven staan luisteren.
Bijna iedereen kende den ouden, blinden muzikant, [85]maar dezen heer kende niemand, doch iedereen begreep, waarom die voorname heer daar zoo stond te spelen.
Dat moest een eerste meester op de viool zijn! Zóó hadden ze het nog nooit gehoord en.... klink-klank,—klink-klank—het goud- en zilvergeld rolde in de pet van den arme, die zat te beven van geluk en te schreien van blijdschap.
Eindelijk legde de heer de viool in de armen van den ouden man en zeide: “Neem je pet nu op. Hier is een rijtuig, laat je nu maar thuis brengen, vriend!”
“O, God zegene u, God zegene u! U kunt niemand anders zijn dan die groote kunstenaar, die door heel Europa trekt. U bent....”
“Ssst!” zei de heer en verwijderde zich snel met de dame.
En weet je wat de dame zei?
Ze drukte de hand van haar man en sprak met bevende stem: “Frans, Frans, wat heb je dien man gelukkig gemaakt! O, ik dank je ook! En.... ja, die arme blinde heeft waarheid gesproken: God zal je zegenen!”
“Zeg, man, wie was die vioolspeler?” vroeg [86]een heer, die in een mooie koets zat en ook stil had laten houden.
“Dat was de beroemde vioolspeler Frans Jacobsen, mylord!” antwoordde de blinde.
“Die viool moet ik voor een gedachtenis hebben. Ik geef er vijftig pond voor!” liet de lord zeggen en je begrijpt wel, dat de blinde voor vijftig pond, dat is zes honderd gulden, zijn oud instrument gaarne afstond.
Reeds denzelfden avond waren de couranten vol van hetgeen gebeurd was, en waren vijf menschen overgelukkig.
De blinde, omdat hij nu niet meer behoefde te gaan spelen en zich in een gesticht koopen kon, was de eerste gelukkige.
En de andere vier, wie waren die?
In een voornaam hotel op een der grootste marktplaatsen van Londen zit een stokoud, maar nog krachtig man in een grooten stoel.
Dicht bij hem aan een tafel zit een bejaarde dame. Ze is bezig de Haarlemsche courant te spellen.
Spellen?! Ja, spellen; want de vrouw kon zeer slecht lezen. Nu leefde ze uit de korf zonder zorg, maar.... [87]
Eens was ze een arme weduwe, die dag aan dag bij anderen uit werken moest gaan en dan nog niet eens zooveel verdienen kon, dat ze haar jongen kon laten schoolgaan!
Maar, ze had een besten zoon in haar eenig kind! Die jongen was braaf voor drie en vlijtig voor vier. Hij had een wil en een moed, die zeeën konden leegmalen!
En dan, ja, behalve dien goeden zoon en een milden buurman, had ze nog iemand, die haar en haar kind nooit vergeten had, en nooit vergeten zou! En dat was de lieve Hemelvader, die geen zijner schepselen vergeet: die de bloemen des velds kleedt, die het eenvoudige muschje voedt en die een Man der weduwen en een Vader der weezen wil zijn.
Nu was ze bij dien ouden heer, die daar in den stoel zit, huishoudster geworden, en als deze op reis ging, dan moest zij altijd mee. En overal waar hij eenige dagen bleef, liet hij de Haarlemsche courant voor de oude vrouw per post komen, omdat ze er zich den geheelen dag mee bezig kon houden.
“The Times, sir!” zei een knecht, die binnentrad. [88]
De oude heer knikte, de knecht ging weg en de oude vrouw bracht die vreeselijk groote courant bij den heer, die haar aanpakte en begon te lezen.
Ook vrouw Jacobsen begon weer te spellen, maar eensklaps sprong de oude heer van zijn stoel op, liet van verwondering zijn sigaar vallen, en op de ontstelde vrouw toevliegend, schreeuwde hij: “Vrouw Jacobsen, dat is een bericht! Lieve Vader in den Hemel, dat is een bericht, dat me meer dan duizend gulden waard is! Jij hebt nog eens een zoon, hoor!”
“Maar wat, wat is er dan toch?” vroeg de vrouw bevende.
“Luister! Ik zal in het Nederlandsch voorlezen, wat hier in het Engelsch staat.
“Heden had op den hoek van de S....straat een vreemd voorval plaats. Iedereen kent den blinden vioolspeler John, die daar dag aan dag op zijn oude viool zit te krassen. Niemand is er, die geloofde, dat men op die oude kast nog wat anders kon doen dan zagen. Doch zie, vanmiddag stonden daar honderden stil om te luisteren naar het spel van een vreemden heer, die op dezelfde viool zoo heerlijk speelde, dat ieder [89]verrukt was en niet anders kon doen, dan een stuk geld in de pet van den blinde werpen. Toen de oude zijn pet bijna vol goud en zilver had, legde de musicus de viool neer en verdween met zijn vrouw tusschen de menigte. De blinde herkende hem echter aan het meesterlijk spel en zei: ‘God zegene den grooten meester Frans Jacobsen!’”
“Wie, wie, wat, wat zeg je?” schreeuwde de oude vrouw. “Mijn, mijn Frans, mijn eigen Frans?”
“Ja, vrouw Jacobsen, jouw zoon, die....”
Andermaal ging de deur open en....
“Dag moeder, dag meneer Moerdijk!” zeiden de heer en de dame, die binnentraden.
“Lieve, lieve Frans!” riep de oude vrouw. “O, mijn jongen, wat maak je me gelukkig!”
“God zegene je, Frans!” sprak nu mijnbeer Moerdijk en tranen sprongen uit zijn oogen.—zegene je!—Jongen, jongen, wat een gelukkige dag!”
“Hoor eens, moeder, hoor eens, meneer, spreek, als je me een pleizier wilt doen, niet meer over die kleinigheid, waarover de lui hier, naar ik hoor, zulk een ophef maken, dat het al in drie of vier couranten staat. U beiden hebt me gelukkig [90]gemaakt, waarom mag ik anderen nu ook niet gelukkig maken? En kom vrouw, daar staat een piano, hier is mijn viool: we zullen samen wat muziek maken. Dat verzet de zinnen!”
De avond vloog om en het was tien uur eer men het wist.
Tien uur was voor de twee oudjes het bedklokje, en alleen als er eens een concert gegeven werd, kon het een uurtje later worden. En dat zou den volgenden dag zijn, Frans zou een concert geven.
Hij bracht zijn oude moeder in de loge, die voor haar, zijn vrouw en mijnheer Moerdijk bestemd was en begaf zich toen naar het orkest. De zaal was al stampvol, maar niemand kende mijnheer Jacobsen, zoodat het gegons en gebrom bleef aanhouden en niemand acht sloeg op den heer, die daar zijn familie in een loge bracht en toen door een deur bij het orkest verdween. Het zou misschien een andere muzikant zijn; dien avond speelden er nog meer.
Maar nauwelijks was hij de orkest-deur binnen, of een oude heer stond op en riep, op zijn Engelsch natuurlijk: “Stilte!” Dadelijk was alles stil.
“Mee, ouwentje, mee!” zei de heer, die de [91]lord was, die de viool gekocht had en hij bracht den blinden muzikant op het orkest.
“Dames en heeren,” dus begon de lord, “dezen man zult u wel kennen! Hij is Blinde John en hij is het voor wien gisteren mijnheer Jacobsen gespeeld heeft!”
Van alle kanten riep men den blinden muzikant een welkom toe.
“En nu heb ik er zóó over gedacht. We moesten dien Hollandschen violist een klein geschenk geven voor zijn edelmoedige handelwijze. Zie, ik heb deze vioolkist gekocht en daarop in een gouden plaat laten graveer en: ‘Liefde om liefde. Londen aan Frans Jacobsen.’ Blinde John mag hem die kist geven, en ieder, die er wat aan bijdragen wil, kan dat straks bij het verlaten der zaal in een bus doen. Al wat er meer is dan de helft van hetgeen die kist gekost heeft, is voor Blinden John! Dat had ik te zeggen! Stil, stil, daar komt de meester!”
Frans kwam zonder dat hij ergens van wist op het orkest en opeens stonden al, al de menschen op en begroetten den kunstenaar met de grootste hartelijkheid, en toen Blinde John hem met een paar gebrekkige woorden de prachtige [92]vioolkist overreikte, scheen het huis te moeten instorten, zulk een handgeklap, voetgetrappel en geroep werd er gehoord. Wat de bewogen, de diep bewogen Frans zei, verstond niemand, maar Frans greep terstond zijn viool en heel zijn dankbaar hart liet hij spreken in een muziekstuk, dat nergens geschreven of gedrukt was, maar dat zoo al voortspelende gemaakt werd in het dankbare hart.
Eindelijk legde hij de viool neer en—zonder de goedkeuring van het publiek af te wachten, verwijderde hij zich even van het orkest om—zijn oogen af te drogen en heel in stilte Hem in een paar woorden te danken, die den armen torenwachterszoon zoo over- en overgelukkig had gemaakt.
Dat Frans dien avond veel lof inoogstte, zal wel niet gezegd moeten worden. Dat de bus aan de deur te klein was en dat Mylord zijn hoed moest ophouden ook, was een meevallertje. Blinde John behoefde nu zelfs niet meer naar een gesticht te gaan.
Dat er ook dien avond vier Hollanders in Londen gelukkig waren, zul je vanzelf wel begrijpen. [93]
En hier is mijn vertelling uit, kinderen! Als jelui er nu maar uit geleerd hebt dat de Liefde en het Geluk de wereld niet uit zijn en dat God helpt, die zichzelven helpen, dan ben ik tevreden. [96]
De torenklok had al een poosje geleden negen uur in den morgen geslagen.
De straten waren veel lediger dan voor een half uurtje; want toen wemelde en krioelde het op plein of gracht, in straat en steeg, op stoep en trottoir van het jonge volkje, waarvan men gerust zeggen kon:
“En aan hun oogjes zie je ’t aan,
Dat zij wat graag naar school toe gaan!”—
Nu en dan slechts zag men er nog een, die misschien vóór schooltijd voor moeder nog een boodschap gedaan had, of die door de zon van acht uur uit het bed gejaagd was, zoo hard hij kon naar school draven, om dan toch niet àl te laat te komen. [97]
Niet ver van den toren, en dicht bij de bloemmarkt, was de stads-apotheek en, als er geen bijzondere ziekten in de stad heerschten, dan ging de deur van dat gebouw eerst te negen uren open.
Ondertusschen was het er nu al kwartier over. De menigte voor de deur werd al grooter en grooter, en toch hoorde men daarbinnen nog volstrekt geen beweging. Het spreekt vanzelf, dat er onder die wachtende menschen al heel spoedig gemor ontstond, en eindelijk verstoutte er zich één eens ferm aan de schel te trekken.
Hij, die dat deed, was een opgeschoten jongen van een jaar of tien, die, toen de klok nog geen negen geslagen had, al voor de deur stond. Met angstig en ongeduldig gebaar had hij al verscheidene keeren naar het wijzerbord van den toren gezien, en telkens zag hij dat de minuutwijzer, hoe langzaam dan ook, voortging. Eerst stond hij op één, toen, op twee, wat later op drie en het speelde daar boven “kwartier-over”;—nu stond hij al bijna op vier!
Men kon het hem zoo aanzien, dat hij er lang niet plezierig onder was.
Geen wonder, hij behoorde ook tot de kinderen, [98]die daar straks stoeiend en spelend naar school waren gegaan. Ook zijn plaats was in de school! Wat zou de meester nu wel zeggen? Hij was nooit “zoo maar” om het een of ander thuis gebleven; ja, hij was zelfs nog nooit te laat gekomen. En nu al haast tien minuten voor halftien!
Neen, hij kon niet langer wachten, het was hem onmogelijk: hij zou maar eens schellen.
Nu was er aan die apotheek een bijzonder soort van schelknop, een nieuwe, zooals er toen nog geen tweede in de stad was. Men moest er niet aan trekken, maar op drukken.
Dat wist onze knaap niet, en tot zijn grooten schrik ging de schel hard over, toen hij, nogal driftig, de hand op den knop legde.
“Nu, als ze dat daarbinnen niet hooren, dan slapen ze zoo vast als marmotten in den winter,” zei een der mannen.
“Het heeft geholpen ook. Hoor maar, daar komen ze al,” sprak een ander.
En ja, ze kwamen dan toch eindelijk.
Driftig werden de luiken geopend, en nog driftiger werd de deur opengesmeten.
“Wie, voor den drommel, maakt hier zoo’n [99]vreeselijk leven? Het lijkt of er brand is! Kan jelui dan niet wachten tot een fatsoenlijk mensch zichzelven aangekleed heeft? Wie heeft er gescheld?”
Dit alles riep in één adem een dik en groot heer met vreeselijken baard en knevel, en hij keek zoo grimmig en leelijk, alsof hij grooten trek had al die menschen zoo maar ineens op te eten.
Niemand sprak echter en daarom schreeuwde hij nog eens: “Ik wil weten wie er daar zooeven de brandklok geluid heeft! Heb je het niet gehoord?”
“Ik heb het gedaan, meneer! Ik moest om negen uren op school zijn en het speelt daar al voorslag van half tien!” zei de knaap en zag den heer vrijmoedig aan.
“Mooi, brandklokluider, dan zal ik jou ditmaal eens allerlaatst helpen, verstaan? Dat maakt een kabaal, alsof ze hun drankje met goud betalen! Je weet toch wel, dat je het hier voor niemendal krijgt, en dat je dan zooveel praats niet hebben mag! Zeg, kwajongen?”
“Maar, meneer, ik moet naar school! Ik....”
“Houd je mond, straatbengel!” riep de booze [100]apotheker en nam het recept aan van een vrouw, die dichtbij stond.
Sapperloot, wat maakte hij een geweld met dien ijzeren stamper in dien koperen vijzel! Wat werd de knecht toegesnauwd, als hij niet gauw genoeg de poeders in papiertjes vouwde, doosjes aangaf, kurkjes op de fleschjes deed of pillen draaide. De man speelde: haast-je, rep-je, en toch was het niet goed.
Nummer één was geholpen, nummer twee ook, eindelijk zelfs nummer negen, en nog altijd stond de arme jongen met het recept in de handen te wachten. Reeds lang had de klok tien geslagen, en met het slaan van tien, kwamen er misschien wel evenveel, misschien ook nog meer tranen uit zijn oogen rollen.
Af en toe kwamen er menschen bij en gingen er af.
Het was half elf.
De wreede apotheker hield vol met hen, die het laatst gekomen waren, het eerst te helpen.
“Wat scheelt er aan, manneke?” vroeg opeens een vriendelijke stem, dicht bij den knaap.
De jongen keek op en zag een zonderling gekleed man voor zich staan. Lange, grijze haren golfden van onder een blauwe slaapmuts op den [101]rug, die voor een gedeelte met een rooden zakdoek bedekt was. Een reistaschje hing over de jas. In de rechterhand hield hij een dikken en knoestigen doornstok en de voeten staken in groote geverfde klompen.
“Wat scheelt er aan, manneke?” vroeg hij nog eens en zoo mogelijk nog vriendelijker dan daar straks.
Snikkend en fluisterend vertelde de knaap alles wat er gebeurd was.
“Is het anders niet?” hervatte de oude. “Wacht, ik zal eens maken, dat je geholpen wordt. Geef je receptje maar eens hier!”
Het jongetje gaf het over, en nu drong de man door de vóór hem staande menschen, stak de hand, met het recept er in, door het loket, en geen vijf minuten later kwam hij terug en gaf het drankje over.
“Zie je wel, vent, wie arm is, moet slim zijn,” zei de man en tegelijk stopte hij met het drankje, den knaap een dubbeltje in de hand.
“Toe, toe, maak maar voort! Dat dubbeltje is voor je lang wachten!” hervatte de oude toen het jongetje hem vreemd aankeek.

Met Goeden Wil en een Weinig Hulp.
Die vriendelijke, oude man en dat dubbeltje [103]verzoetten voor hem eenigszins de nare gedachte, dat hij nu, buiten zijn schuld, niet naar school kon.
Zonder te kijken naar een paar honden, die om een weggeworpen been vochten, snelde hij den hoek om langs de bloemmarkt....
Hé, wat stonden daar mooie bloemen!
Geraniums, fuchsia’s, rozen, petunia’s, aäronskelken, reseda’s....
En moeder zag zoo graag een reseda! Ze hield er zoo van, en nu ze ziek was en niet naar de markt kon om een potje te koopen, was er nog niets van gekomen.
Hij liep wat minder snel en bekeek de lange rijen met bloemen.
Het dubbeltje danste in zijn zak.
Neen, de verzoeking was te groot; hij kon niet voort; hij moest even blijven staan en kijken.
“Wat noodig, manneke?” vroeg een vrouw.
“Hoe duur is de reseda?” bracht de knaap er met moeite uit.
“De mooiste kosten vijftien centen; de andere een dubbeltje!” antwoordde de vrouw.
“Geef er mij dan een van een dubbeltje,” zei de jongen, die nog nooit scheen gehoord te hebben van overvragen of afdingen. [104]
Of deze vrouw nu overvraagd had, en of ze ook liet afdingen, kijk, dat weet ik zoo precies niet; maar de leelijkste gaf ze hem toch niet, dat weet ik wel.
In een ommezien was nu de knaap met zijn drankje en reseda-plantje thuis.
“Willem, Willem, wat ben je lang weggebleven! Hoe komt dat?” klonk een zachte stem uit de bedstede hem tegen toen hij thuis kwam.
De knaap, die, zooals we hooren, Willem heette, vertelde haarfijn alles wat er met hem in die twee uren gebeurd was, en liet haar ook het potje met reseda zien.
“Kan ik nu nog naar school, moeder?” vroeg hij.
“Ja, kind, het is wel jammer; maar ik zou het niet doen. Het is al elf uur en om half twaalf gaat de school uit! Het is de moeite niet meer!”
“Ja maar, moeder, wat zal ik dan vanmiddag wel tegen den meester zeggen?”
“De waarheid, Willem!”
“En als meester me dan eens niet gelooven wil?”
“Heb je dan wel eens gelogen, mijn kind?” vroeg de moeder nu.
“Neen, moeder, maar....” [105]
“Stil maar, jongen, stil maar! Je gaat vanmiddag naar school en je vertelt net alles wat er gebeurd is. Je doet er niets af en niets bij. Neem nu het prentenboek, dat je bij het laatste school-examen gekregen hebt, en lees er dan maar wat in, dan doe je toch wat,” zei moeder, die een lepelvol van het drankje innam en weer ging liggen.
Mietje, de eenige zuster, die Willem had, was een meisje van veertien jaren, die nu gedurende de ziekte van haar moeder, zoo goed en zoo kwaad het ging, het huishouden waarnam. Had ze geweten, dat haar broertje zoo lang zou moeten wachten, dan zou ze zelf wel naar de apotheek gegaan zijn; want haar moeder was nu zóó ziek niet, of ze kon wel een oogenblik alleen zijn. Want, zie je, zij zou niet gescheld, of het althans zoo hard niet gedaan hebben. Ze kende dien knop wel; ze zou ook zoo vroeg niet gegaan zijn, en zoo voort. Maar aardig en vriendelijk vond ze het toch van dien vreemden, ouden man! En voor de reseda zou ze zorgen, dat was vast. Zoo ging het mondje van Mietje, terwijl ze in het zijkamertje bezig was met den middagpot gereed te maken, zoodat er van Willems [106]lezen ook al niet zoo heel veel terechtkwam.
Even na het slaan van twaalven kwam de vader, een breed geschouderde opperman, thuis. Deze hoorde ook wat er gebeurd was, doch daar hij zelf niet lezen of schrijven kon, begreep hij niet, dat Willem zóó iets zich zoo aantrekken kon.
“Was het anders niet?—Over een half jaar moest hij toch van school af. Had hij, als vader, zijn zin gekregen, dan had de jongen verleden jaar de school al verlaten. Hij kon hem toen bij een schoenmakersbaasje, als loopjongen, voor een halven gulden in de week gekregen hebben. Jammer genoeg; want iedere week een halven gulden meer is toch ook geen kleinigheid! Met nog een kwartje er bij was het juist de huishuur! En wat beteekende al dat leeren? Hijzelf kende immers geen a voor een b, en hij had toch altijd te eten, ’s zomers van hetgeen hij verdiende, en ’s winters van de bedeeling!”
“Och, vader, houd toch op met dat geleuter over de school,” riep de moeder. “Doe me het pleizier en zwijg ervan!”
“Nu, ik zal zwijgen!” was het antwoord en kort daarop ging hij, na een pijpje opgestoken te hebben, de deur uit. [107]
’s Middags kwam Willem in de school. Hij vertelde de waarheid, heelemaal de waarheid! Maar meester was een streng man en maakte met niemand eenig onderscheid. Hij nam zijn schoollijst en Willem kreeg één aanteekening van willekeurig schoolverzuim.
Het was misschien een maand later en op een mooien Donderdagmiddag, dat er aan het spoorwegstation heel wat drukte en beweging was. Wel honderdtwintig kinderen waren onder geleide van twaalf onderwijzers in den trein gestapt om te R. den dierentuin te gaan bezichtigen.
En waar kwamen die honderdtwintig kinderen vandaan?
Ik zal het je zeggen.
In de stad waarin Willem woonde, waren eenige heeren op de armenscholen gekomen en hadden gezegd:
“Meneer, al de kinderen die gedurende een geheel jaar geen enkelen keer voor willekeurig schoolverzuim zijn aangeteekend, moet u eens opgeven!” [108]
“Dat wil ik wel doen, heeren,” antwoordde Willems onderwijzer. “Maar welk plan heeft u daarmee?”
“Wel,” zei toen een, “om de kinderen voor dat trouwe schoolbezoek te beloonen, zullen wij ze den dierentuin te R. eens