The Project Gutenberg EBook of Alleen op de Wereld, by Hector Malot This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: Alleen op de Wereld Author: Hector Malot Translator: Gerard Keller Release Date: August 15, 2006 [EBook #19054] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK ALLEEN OP DE WERELD *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ Hector Malot Alleen op de Wereld Door Gerard Keller Derde druk Rotterdam D. Bolle VOORREDE. Zelden, misschien nooit, las ik een boek, dat zoo rein en eenvoudig en toch zoo boeiend en vol afwisseling is, als dit meesterstuk van Hector Malot, door den schrijver aan zijne dochter Lucie opgedragen en zoo terecht met den _Montyon-prijs_ bekroond. "Alleen op de wereld" is rijk aan afwisselende gebeurtenissen, maar niet minder rijk aan gevoelvolle en ook spannende tafereelen. Het ademt evenveel menschenkennis als menschenliefde, en zonder dat de schrijver zich tot hoofddoel gesteld heeft de jeugdige lezers te onderwijzen, zullen deze er toch hunne kennis door vermeerderen. Maar meer nog dan hun hoofd zal hun hart door de lezing winnen. Voor de vorming daarvan vooral verdient dit zeldzaam voortreffelijke boek algemeen gelezen te worden. Gerard Keller. I. IN HET DORP. Ik ben een vondeling. Maar tot mijn achtste jaar geloofde ik, evenals alle andere kinderen, ook eene moeder te hebben, want als ik weende, was er eene vrouw die mij in hare armen nam en mij tegen haar boezem drukte totdat mijne tranen ophielden te vloeien. Nooit werd ik in mijn bedje gelegd of eene vrouw gaf mij een kus, en als de Decemberwind de sneeuwvlokken tegen de bevroren ruiten joeg, nam zij mijne voetjes in hare beide handen om ze te verwarmen en zij zong dan een liedje, waarvan de wijs en ook eenige woorden nog niet uit mijn geheugen zijn gewischt. Als ik onze koe hoedde op het gras langs de wegen of onder de boomen en door een stortregen overvallen werd, dan kwam ze mij tegemoet en dwong me een schuilplaats op in haar wollen rok, dien zij optilde om er mijn hoofd en schouders mede te bedekken. Als ik twist had met een van mijn makkers, liet ze mij mijn hart lucht geven en altijd wist ze mij te troosten en met een enkel woord mij gelijk te geven. Op grond van dit alles en om andere redenen, ook om de manier, waarop zij met mij sprak en mij aankeek om hare liefkoozingen en om de zachtheid, waarmede zij mij beknorde, geloofde ik dat zij mijne moeder was. Opeens echter kwam ik te weten dat zij slechts mijne min was. Zie hier hoe. Mijn dorp, of juister gezegd het dorp waar ik werd opgevoed--want van _mijn_ dorp kan ik niet spreken: een geboorteplaats heb ik zoo min als een vader of moeder--het dorp, waarin ik mijne eerste jeugd doorbracht, heet Chavanon; 't is een van de armste uit het zuiden van Frankrijk. Die armoede is niet het gevolg van de onverschilligheid of luiheid der inwoners, maar van de onvruchtbaarheid der streek, waarin het gelegen is. De bodem is slechts met eene dunne laag teelaarde bedekt en om een goeden oogst te krijgen, zou men hem zwaar moeten bemesten of verbeteringen aanbrengen, die het land niet oplevert. Men vindt dan ook, of althans men vond in den tijd waarvan ik spreek, slechts zeer weinig bebouwde akkers, maar overal groote heivlakten met kreupelhout en braamstruiken. Waar de heidevelden eindigden, begonnen de moerassen; en over die hooggelegen moerassen blaast de snerpende wind en verschrompelt het loof van de boschjes uit enkele boomen bestaande, die hunne knoestige en kromme takken her- en derwaarts uitstrekken. Om mooier boomen te vinden, moet men de hoogten verlaten en de plekjes zoeken welke tegen den wind zijn beschut, aan den oever der riviertjes, waar op smalle strooken weiland groote kastanjeboomen en stevige eiken groeien. Op een van die half verborgen plekjes, aan den zoom van een beek, waarvan de snelvlietende golfjes zich verliezen in een der armen van de Loire, lag het huis, waar ik mijne eerste levensjaren doorbracht. Tot op mijn achtste jaar had ik nooit een man in dat huis gezien. Toch was mijne moeder geen weduwe, maar haar man was steenhouwer en, zooals de meeste andere werklieden uit deze streek, verdiende hij den kost in Parijs en hij was niet teruggekomen sedert ik groot genoeg was om te begrijpen wat ik hoorde en zag. Slechts nu en dan liet hij iets van zich hooren, als een van zijn makkers in het dorp kwam. --Vrouw Barberin, je man maakt het goed; hij heeft me verzocht u te zeggen dat hij veel werk heeft en mij dit geld voor u meegegeven. Wil-je het eens natellen. Dat was alles. Vrouw Barberin stelde zich met die berichten tevreden; haar man was gezond; het werk werd goed betaald; hij verdiende den kost. Al was Barberin zoolang te Parijs gebleven, daaruit moet men niet opmaken, dat hij op geen goeden voet stond met zijn vrouw. Die bestendige afwezigheid sproot volstrekt niet voort uit gemis aan overeenstemming. Hij woonde te Parijs, omdat hij daar zijn werk had; meer niet. Als hij op jaren zou zijn geworden, zou hij bij zijn oude vrouw terugkeeren en met het geld, dat zij dan zouden hebben overgelegd, zouden zij gevrijwaard zijn tegen armoede, als de tijd gekomen was, waarin kracht en gezondheid hun hadden begeven. Op een Novemberdag, toen het reeds avond begon te worden, hield er voor ons hek een man stil, dien ik niet kende. Ik stond voor de deur van ons huis een boterham te eten. Hij opende het hek niet, maar zijn hoofd er boven stekende, vroeg hij me of hier niet vrouw Barberin woonde. Ik verzocht hem binnen te komen. Hij opende het hek, dat op de hengsels knarste en kwam op het huis af. Nooit had ik iemand gezien, die zoo met slijk was bemorst. Gansche plakkaten slijk, sommige nog nat, andere al opgedroogd, bedekten hem van het hoofd tot de voeten, en daaruit moest men afleiden dat hij zeer slechte wegen had gevolgd. Toen zij zijne stem hoorde, kwam vrouw Barberin naar voren en op het oogenblik, dat hij den drempel had bereikt, stond zij vlak tegenover hem. --Ik breng nieuws uit Parijs, zeide hij. Die eenvoudige woorden had ik al dikwijls gehoord, maar de wijs waarop zij werden uitgesproken, had niets van die, waarmede vroeger de mededeeling gepaard ging.--"'t Gaat goed met je man; hij heeft druk werk." --Ach God! riep vrouw Barberin uit, hare handen wringende, dan is er een ongeluk gebeurd met Jérôme. --Welnu, ja, maar je hoeft niet te sterven van schrik. Hij is gekwetst, dat is alles: maar hij is niet dood. Mogelijk evenwel zal hij verminkt zijn. Op het oogenblik ligt hij in het ziekenhuis; mijn bed stond naast het zijne en daar ik hierheen ging, verzocht hij mij u dit in het voorbijgaan mede te deelen. Ik kan niet langer blijven, want ik moet nog drie mijlen verder en de nacht begint al te vallen. Vrouw Barberin, die er meer van wilde weten, drong er op aan, dat hij het avondeten bij ons zou gebruiken, want de wegen waren slecht en men zeide dat zich wolven in den omtrek hadden vertoond. Hij zou den anderen morgen verder kunnen gaan. Hij zette zich neder in een hoekje bij den haard, en al etende vertelde hij ons hoe het ongeluk zich had toegedragen. Barberin was half verpletterd door eene stelling die ingestort was, en daar men bewezen had dat hij niet had behooren te zijn op de plek waar hij gekwetst werd, weigerde de aannemer hem elke vergoeding. --Hij boft niet, de arme Barberin, zeide hij; hij boft niet; anderen zouden er een middel in gevonden hebben om levenslang een aardig jaargeld te trekken, maar je man krijgt niets. En terwijl hij de pijpen van zijn broek droogde die door de slijklaag stijf en hard waren geworden, herhaalde hij: "hij boft niet." Uit de manier waarop hij dit zeide, bleek genoeg, dat hij voor zich gaarne verminkt zou zijn geworden in de hoop, dat hij dan een goed jaargeld zou krijgen. --Toch, zoo eindigde hij zijn verhaal, heb ik hem geraden den aannemer een proces aan te doen. --Een proces! dat kost veel geld. --Ja, maar men kan het winnen. Vrouw Barberin had naar Parijs willen gaan, maar dat was geen kleinigheid, zoo'n lange kostbare reis. Den anderen morgen gingen wij naar het dorp om den pastoor te raadplegen. Deze wilde haar niet laten vertrekken vóór hij wist of zij haar man van eenigen dienst kon zijn. Hij schreef naar den aalmoezenier van het ziekenhuis, waarin Barberin was opgenomen en eenige dagen later ontving hij ten antwoord, dat zijne vrouw de reis maar niet moest ondernemen, maar hem liever eene zekere som moest zenden, daar haar man den aannemer, voor wien hij werkte, een proces wilde aandoen. Dagen en weken gingen voorbij en van tijd tot tijd kwamen er brieven, waarin altijd wederom geld werd gevraagd. De laatste brief was de meest dringende, en hield in dat, als er geen geld meer was, de koe maar moest verkocht worden. Slechts zij die op het land hebben gewoond, weten welk een ramp en jammer liggen opgesloten in die drie woorden: "de koe verkoopen." Voor den natuurkundige is de koe een herkauwend dier; voor den wandelaar is het een beest, dat goed doet aan het landschap, wanneer het boven het groen zijn zwarten met dauw bedekten snuit uitsteekt; voor de stadsjeugd is het de bron van melk, room en kaas; maar voor den landman is het nog geheel iets anders. Hoe arm hij wezen moge en hoe talrijk zijn gezin ook zij, hij is zeker dat hij geen honger zal lijden zoolang hij een koe op stal heeft. Met een touw of maar een eenvoudig hennepzeel om de horens laat een kind eene koe weiden langs de met gras omzoomde wegen, waarvan het weiderecht door niemand gepacht is en des avonds heeft het gansche gezin boter voor zijn soep en melk om er de aardappelen in te weeken: vader, moeder en al de kinderen, de groote zoowel als de kleine, leven van de koe. Wij leefden er zoo geheel-en-al van, vrouw Barberin en ik, dat ik op dat oogenblik nooit vleesch had geproefd. Maar zij was niet slechts onze voedster, maar ook onze gezellin en vriendin, want men moet niet gelooven, dat de koe een dom dier is; integendeel ze is een verstandig beest en zij heeft goede eigenschappen, die nog beter worden, wanneer men ze heeft weten te leiden en te ontwikkelen. Wij liefkoosden de onze, wij praatten tegen haar en zij begreep ons en, van hare zijde, wist zij met hare groote bolle oogen, zoo goedig en zacht, zeer wel te verstaan te geven wat zij wilde of gevoelde. Kortom wij hadden haar lief en zij had ons lief. Dat is alles gezegd. Maar wij moesten van haar scheiden; want alleen door het verkoopen van de koe kon men Barberin tevredenstellen. Er kwam een koopman en na Roussette van alle zijden bekeken en betast te hebben en onvoldaan het hoofd te hebben geschud en honderdmaal te hebben gezegd, dat hij ze eigenlijk niet hebben wou, dat ze een koe was van arme menschen, en dat hij er niet af zou komen; dat zij haast geen melk gaf en slechte boter, eindigde hij met te zeggen, dat hij ze nemen zou, maar enkel en alleen uit medelijden en om vrouw Barberin genoegen te doen, omdat ze een goed mensch was. Alsof de arme Roussette begrepen had wat er met haar gebeurde, wilde zij den stal niet verlaten en begon ze te loeien. --Ga achter haar en jaag haar op, zeide de koopman, mij zijn zweep opstekende. --Neen, dát niet, zeide vrouw Barberin en zij nam zelve de lijn en sprak het dier met zachte woorden toe, waarop het goedwillig volgde. Buiten gekomen, werd het achter den wagen gebonden en was het wel gedwongen het paard te volgen. Toen wij in huis teruggekeerd waren, hoorden wij het loeien nog langen tijd. Geen melk, geen boter; des morgens een stuk brood, des avonds aardappelen met wat zout. De vastenavond kwam kort na het verkoopen van Roussette; het vorige jaar had vrouw Barberin voor mij bij die gelegenheid appelbollen en wafels gebakken; ik had er zóóveel van gegeten, zooveel, dat zij er gelukkig onder was. Maar toen hadden wij Roussette, die de melk gegeven had om het beslag te maken en de boter om in den pot te doen. Nu wij haar misten, was er geen melk en geen boter, en was het ook geen vastenavond, dacht ik bij mij zelf. Maar vrouw Barberin had mij eene kleine verrassing bereid; zij leende in den regel niet, maar ditmaal toch had zij aan eene buurvrouw een kopje melk gevraagd en aan eene andere een stukje boter en toen ik des namiddags thuis kwam, vond ik haar bezig met het storten van meel in een grooten aarden pot. --Hé! meel, riep ik uit, naderbij komende. --Ja, ja, antwoorde zij met een vriendelijken glimlach, dat is meel, Rémi, en mooi tarwemeel ook; ruik maar eens hoe lekker het riekt. Als ik gedurfd had, zou ik gevraagd hebben, waartoe dat meel moest dienen, maar juist omdat ik het zoo graag weten wilde, durfde ik er niet over praten. Van den anderen kant wilde ik er ook niet voor uitkomen, dat ik wist, dat het vastenavond was, omdat dit vrouw Barberin misschien verdriet zou doen. --Wat maakt men van meel? vroeg zij, met een veelbeteekenenden blik mij aanziende. --Brood. --En wat nog meer? --Soep. --En dan nog iets. --Ik weet het heusch niet. --O, je weet het wel; maar omdat je een lieve jongen bent, durf je het niet zeggen. Je weet dat het vandaag vastenavond is, de avond van de appelbollen en de wafels. Maar omdat ge ook weet, dat wij geen boter en geen melk meer hebben, durft gij er niet over spreken. Is 't niet zoo? --Och, moeder Barberin..... --Nu ik heb gezorgd dat vastenavond toch niet al te kaal zou wezen. Zie eens in de etenskist. Ik lichtte het deksel op en stond verbaasd bij het zien van melk, boter, eieren en drie appelen. --Geef me de eieren, zeide ze en terwijl ik die kluts, moet gij de appels schillen. Ik schilde en sneed de appelen in schijfjes; zij brak de eieren en stortte ze in het meel en begon toen te klutsen, nu en dan een lepel melk er bijvoegende. Toen het beslag klaar was, zette vrouw Barberin den pot op de heete asch en nu behoefden wij maar den avond af te wachten; want wij zouden de appelbollen en de wafels als avondeten gebruiken. Openhartig gezegd duurde de dag mij zeer lang, en meer dan eens ging ik naar den pot om den doek op te lichten, die er overhing. --Je zult het beslag koud doen worden, zeide vrouw Barberin, en dan zal het niet rijzen. Maar het rees wel en op verscheidene punten zag men blaasjes opkomen, die barstten aan de oppervlakte. Uit het rijzende deeg steeg er eene heerlijke lucht op van eieren en melk. --Breek nog een takkenbos aan, zeide zij; wij moeten een helder vuur hebben zonder rook. Eindelijk werd de kaars aangestoken. --Werp het hout op 't vuur, zeide zij. Dit behoefde zij mij geen tweemaal te zeggen, want daar wachtte ik al lang op. Weldra steeg een hooge vlam den schoorsteen in en verlichtte de gansche keuken. Toen haalde vrouw Barberin een groote koekepan van den muur en hield dien boven de vlam. --Geef me de boter eens aan. Zij nam toen met de punt van een mes een stukje boter zoo groot als een noot en legde dit in de pan, waarin het dadelijk sissend smolt. Dat was een lekkere geur, die ons zooveel te aangenamer streelde, daar wij hem sinds lang niet geroken hadden. En 't was ook eene liefelijke muziek, die, welke voortgebracht werd door het sissen en pruttelen van de boter. Maar hoe ik ook geheel-en-al gehoor was voor dit aangename geluid, meende ik toch gerucht te vernemen op het plein voor het huis. Wie zou zoo laat in den avond ons komen storen? Zeker eene buurvrouw die wat vuur kwam vragen. Maar ik dacht er niet langer aan, want vrouw Barberin had den lepel in den pot gedompeld en liet een breeden stroom van het witte beslag in de pan vloeien, en dit hield mij te veel bezig om op iets anders te letten. Er werd met een stok op de deur gebonsd en terstond daarop werd zij met een ruk geopend. --Wie is daar? vroeg vrouw Barberin zonder zich om te keeren. Er was iemand binnengekomen en bij de vlammen, die hem ten volle verlichtten, zag ik een man met een witten kiel en een dikken stok in de hand. --Zoo, vier je weer feest. Nu, ga je gang maar, sprak hij op ruwen toon. --Heer in den hemel, zijt gij daar! riep vrouw Barberin, terwijl zij plotseling haar pot naast zich zette. Jérôme! Toen nam zij mij bij den arm en duwde mij naar den man, die op den drempel was blijven staan. --Dat is uw vader. II. EEN PLEEGVADER. Ik was dichterbij gekomen om hem de hand te geven, maar hij hield mij met de punt van zijn stok terug. --Wat is dat voor een kereltje? --Dat is Rémi. --Ge hadt me gezegd.... --Welnu ja, maar.... dat was niet waar, omdat.... --Niet waar! niet waar! Hij kwam eenige stappen nader en hief zijn stok op. Onwillekeurig ging ik achteruit. Wat had ik gedaan? Wat had ik misdreven? Waarom ontving hij mij zoo, terwijl ik toch naar hem toe kwam om hem een hand te geven? Ik had geen tijd om na te denken over deze en dergelijke vragen, die in mijn verward brein oprezen. --Ik zie dat ge vastenavond houdt, ging hij voort; nu dat komt goed; ik heb een honger als een paard. Wat hebt ge voor me te eten? --Ik bakte wafels. --Dat zie ik; maar je zult toch geen wafels willen geven aan iemand die tien mijlen geloopen heeft? --Ik heb niets anders; wij wachtten u niet. --Niets anders? niets voor mijn avondeten? Hij keek om zich heen. --Daar heb ik boter. Hij sloeg de oogen naar het plafond op, waar gewoonlijk stukken gerookt spek hingen; maar sinds lang waren de haken leeg; aan de balken hingen nu slechts eenige risten uien en bossen prij. --Daar hebt ge uien, zeide hij, terwijl hij een der risten met zijn stok afsloeg; vier of vijf uien, een stuk boter, dan zullen wij een goede soep hebben. Gooi dat deeg er uit en zet den pot met wat uien op het vuur. Het beslag er uit gooien! Vrouw Barberin zeide geen woord. Integendeel; zij haastte zich te doen wat haar man haar gelastte, terwijl deze zich neerzette op de bank bij den haard. Ik had mij niet durven verroeren van de plek, waar hij mij met zijn stok had doen blijven. Tegen de tafel leunende, keek ik hem aan. Het was een man van ongeveer vijftig jaar met een norsch gezicht. Zijn hoofd helde een weinig naar de rechterzijde ten gevolge van eene wonde, die hij bekomen had en die misvormdheid gaf hem nog ongunstiger voorkomen. Vrouw Barberin had den pot weder op het vuur gezet. --Woudt ge met dat kleine stukje boter onze soep maken? vroeg hij. Toen nam hij zelf het schaaltje waarop de boter lag en liet het geheele stuk in den pot vallen. Geen boter, dus geen wafels. In ieder ander geval zou deze gebeurtenis mij stellig heviger getroffen hebben, maar ik dacht op het oogenblik noch aan de appelbollen noch aan de wafels; ik was geheel vervuld met de gedachte, dat deze man mijn vader was. --Vader, vader! Dit woord herhaalde ik werktuigelijk bij me zelf. Nooit had ik mezelf eenige rekenschap gegeven van hetgeen een vader eigenlijk wezen moest en een onbestemd, vaag besef had ik dat het eene moeder met een harde stem moest zijn, maar toen ik den persoon, die als uit de lucht kwam vallen, goed aanzag, maakte een onuitsprekelijk gevoel van angst zich van mij meester. Ik had hem wel om zijn hals willen vallen, maar zeker zou hij mij met de punt van zijn stok op een afstand gehouden hebben. Waarom? Vrouw Barberin stootte mij nooit van zich af, wanneer ik haar een kus wilde geven; integendeel, zij nam mij dan in haar armen en drukte mij aan haar borst. --Zeg eens, ben je bevroren? vroeg hij mij; vooruit! zet de borden op tafel. Ik haastte mij om hem te gehoorzamen. De soep was opgedaan. Vrouw Barberin schepte ze reeds op. Hij verliet toen zijn hoekje naast den schoorsteenmantel, zette zich aan tafel en begon te eten, zonder daarmede op te houden dan om mij nu en dan eens aan te zien. Ik was zoo bang en verlegen, dat ik bijna niet eten kon en ik deed dan ook niets anders dan hem van terzijde opnemen, maar keek terstond vóór mij, wanneer ik zijn blik ontmoette. --Eet hij gewoonlijk niet meer? vroeg hij eensklaps, terwijl hij met zijn lepel naar mij wees. --O, ja, hij eet goed. --Des te erger; als hij nu nog maar weinig at. Natuurlijk had ik geen lust een woord te spreken en vrouw Barberin scheen evenmin geneigd om het gesprek gaande te houden; zij liep af en aan om haar echtgenoot op zijn wenken te bedienen. --Gij hebt dus geen honger? vroeg hij mij. --Neen. --Ga dan maar naar bed, en zorg terstond in te slapen, want anders word ik boos op je. Vrouw Barberin wenkte mij, dat ik zonder tegenspreken moest gehoorzamen. Maar die raad was onnoodig; ik had in het minst geen plan om mij te verzetten. Zooals in vele boerenwoningen, was onze keuken tegelijkertijd slaapkamer. Bij den haard stond alles wat voor het eten noodig was: de tafel, de etenskist, de aanrechtbank; in het andere gedeelte stonden de ledekanten; in een hoek dat van vrouw Barberin, in den tegenovergestelden het mijne, dat als in een kast was gesloten en waarover een rood katoenen gordijn hing. Ik haastte me om mij uit te kleeden en naar bed te gaan. Maar slapen, dat ging zoo spoedig niet. Men slaapt niet op kommando; men slaapt wanneer men slaap heeft en wanneer men rustig gestemd is. Ik had thans geen slaap en was ook volstrekt niet rustig. Allerlei gedachten warrelden mij door het hoofd en ik gevoelde mij diep ongelukkig. Hoe was het mogelijk, dat die man mijn vader was! Waarom behandelde hij mij dan zoo hardvochtig? Met mijn neus bijna tegen den muur gedrukt, deed ik alle moeite om die akelige gedachten van mij af te werpen en in slaap te vallen, zooals hij mij bevolen had; maar het was onmogelijk; de slaap kwam niet; nog nooit was ik zoo helder wakker geweest. Eenigen tijd later, hoeveel later weet ik niet, hoorde ik voetstappen mijn bed naderen. Een langzame, zware tred, die niet van vrouw Barberin wezen kon. Een warme adem streek langs mijn haren. --Slaapt gij? vroeg hij op gesmoorden toon. Ik paste wel op, dat ik geen antwoord gaf, want de vreeselijke woorden: "of ik word boos" klonken mij nog in de ooren. --Hij slaapt, zeide vrouw Barberin; zoodra hij in bed ligt, slaapt hij; dat is zoo zijn gewoonte; gij kunt gerust hardop spreken. Ik had natuurlijk wel kunnen zeggen, dat ik niet sliep, maar dat durfde ik niet; men had mij gezegd, dat ik moest slapen, en nu kon ik niet slapen en ik sliep dus niet. --Hoe staat het met uw proces? vroeg vrouw Barberin. --Verloren! De rechters hebben uitgemaakt, dat het mijne schuld was, dat ik mij onder de stelling bevond en dat de aannemer mij daarom niets schuldig is. Hij sloeg toen met de vuist op tafel en stortte een stortvloed uit van woorden zonder slot of zin, meest vloeken. --Het proces verloren, hernam hij; ons geld is verloren; ik ben verminkt; de ellende wacht ons. En alsof dat alles nog niet genoeg was, vind ik hier, bij mijn thuiskomst, een kind. Zult gij mij thans eindelijk eens vertellen waarom gij niet gedaan hebt wat ik u had bevolen? --Omdat ik het niet heb kunnen doen. --Hadt ge het dan niet naar het vondelingsgesticht kunnen brengen? --Men staat een kind niet zoo gemakkelijk af, dat men zelf gevoed heeft en dat men liefheeft. --Het was uw kind niet. --Eindelijk wilde ik aan uw verlangen voldoen, maar toen werd het juist ziek. --Ziek? --Ja ziek; dat was toen immers niet het geschikte oogenblik om het naar een gesticht te brengen, want daar zou het gestorven zijn. --En toen hij beter was? --Hij is niet terstond beter geworden. Na die ziekte kwam er een tweede; hij hoestte zoo erg, dat mijn hart er van ineenkromp. Onze kleine Nikolaas is daaraan ook gestorven en als wij hem naar de stad hadden gebracht, zou hij ook gestorven zijn. --En toen? --Een geruime tijd ging er voorbij. Toen ik zoolang gewacht had, kon ik ook nog wel wat langer wachten. --Hoe oud is hij nu? --Acht jaar. --Welnu, dan zal hij op zijn achtste jaar dáárheen gaan, waar hij vroeger naar toe had gezonden moeten worden en dat zal nu niet prettiger voor hem zijn; dat heeft hij er dus mede gewonnen. --O Jérôme, dat zult gij toch niet doen! --Zou ik dat niet doen? En wie zal mij dat beletten? Meent ge dan, dat wij hem altijd bij ons kunnen houden? Zij zwegen toen een oogenblik en ik kon even ademhalen; van angst en schrik werd mijn keel als toegeknepen. Vrouw Barberin hervatte weder: --Wat heeft Parijs u veranderd; vóór dien tijd zoudt gij nooit zoo gesproken hebben. --Misschien wel. Maar zeker is het, dat zoo Parijs mij veranderd heeft, het mij ook achteruit heeft doen gaan. Hoe zullen wij voortaan onzen kost verdienen? Ons geld is op. De koe is verkocht. En moeten we dan nog, wanneer we zelf niets meer te eten hebben, aan een vreemd kind den kost geven? --Het is het mijne. --Het is evenmin het uwe als het mijne. Het is geen boerenjongen. Ik zag hem onder het avondeten nog eens aan; het is een fijne, magere knaap, die geen armen of beenen aan zijn lijf heeft. --Het is het mooiste kind uit den ganschen omtrek. --Dat hij niet mooi is, beweer ik ook niet. Maar ferm! Zal zijn mooi gezicht hem te eten geven? Kan men met zulke tengere schoudertjes, als hij heeft, flink werken? Hij is een stadskind en stadskinderen kunnen we hier niet gebruiken. --Ik verzeker u, dat hij een flinke jongen is en hij is zoo slim als een kat en goedhartig.... Hij zal wel voor ons werken. --Intusschen moeten wij eerst voor hem werken, en dat kan ik niet meer. --En als zijn ouders hem nu opeischen, wat zult ge dan zeggen? --Zijn ouders. Heeft hij ouders? Als hij ze had, zouden ze hem reeds lang gezocht en in die acht jaar zeker wel gevonden hebben. Ba! wat ben ik dom geweest om te gelooven dat zijn ouders op een goeden dag te voorschijn zouden komen en ons de moeite, die we aan zijn opvoeding besteed hebben, zouden betalen. Ik ben een domkop, een ezel geweest. Dat hij in fijne luiers gewikkeld lag en kant aan zijn goed had, bewees nog niet dat zijn ouders hem zoeken zouden. Bovendien, zij zijn misschien dood. --En zoo ze dat niet zijn? Als ze hem eens komen opeischen? Ik geloof stellig dat zij komen zullen. --Wat zijn die vrouwen toch koppig! --Nu, als zij komen? --Welnu, dan zenden wij ze naar het gesticht. Maar genoeg hierover; het verveelt mij. Morgen zal ik hem bij den burgemeester brengen. Vanavond ga ik nog eens naar François. Binnen een uur ben ik terug. De deur ging open en weder toe. Hij was vertrokken. Ik zette mij plotseling overeind en riep vrouw Barberin. --O, moeder! Zij snelde naar mij toe. --Zult gij mij naar het gesticht laten gaan? --Neen, lieve Rémi, neen. Zij gaf mij toen een kus en drukte mij in haar armen. Die liefkoozing gaf mij weer een weinig moed en ik begon te weenen. --Gij sliept dus niet? fluisterde zij. --Dat was mijn schuld niet. --Nu, ik beknor u ook niet, dus hebt gij alles gehoord wat Jérôme zeide? --Ja, gij zijt mijn moeder niet, maar hij is ook mijn vader niet. Ik zeide dit niet op denzelfden toon, want al speet het mij dat zij mijn moeder niet was, het deed mij toch genoegen; ik was er trotsch op, dat hij mijn vader niet was. Vandaar die tegenstrijdigheid in mijn gevoelens, die in mijn stem lag opgesloten. Maar vrouw Barberin sloeg daar geen acht op. --Misschien had ik u de waarheid reeds vroeger moeten zeggen; maar ik hield zooveel van u, of ge werkelijk mijn eigen kind waart, zoodat ik, zonder aanleiding, er niet toe komen kon, u te zeggen, dat ik uw moeder niet was. Uw moeder, lieveling, dat hebt gij gehoord, is niet bekend. Leeft zij, ja of neen. Dat weet men niet. Toen Jérôme op een morgen, in Parijs, zich naar zijn werk begaf en door de straat Breteuil ging, een breede straat, die aan beide zijden met boomen beplant is, hoorde hij een kind schreeuwen. Het scheen van achter een deur te komen. Het was in Februari en nog zeer vroeg in den ochtend. Hij naderde de deur en zag een kind op den drempel liggen. Juist toen hij iemand wilde roepen, zag hij een man, die zich achter een dikken boom verscholen had, hard wegloopen. Ongetwijfeld had die man zich daar verborgen om te zien of men het kind, dat hij daar had neergelegd, vinden zou. Jérôme wist niet wat te doen, daar het kind uit alle macht schreeuwde alsof het begreep, dat er hulp was komen opdagen en het die gelegenheid niet voorbij moest laten gaan. Terwijl Jérôme bij zich zelf overlegde wat hem te doen stond, voegden zich andere ambachtslieden bij hem en men was het eens, dat hij het kind bij den commissaris brengen moest. Het huilde maar altijd door. Waarschijnlijk had de kleine het koud. Maar, daar het op het bureau van politie zeer warm was en het bleef weenen, meende men, dat het honger had en ging men een buurvrouw halen, die hem de borst kon geven. Hij begon terstond te zuigen en scheen uitgehongerd. Men kleedde het toen bij de kachel uit. Het was een flinke jongen, vijf of zes maanden oud, groot, dik en rooskleurig; de kleeren waarin hij gewikkeld was, gaven duidelijk te kennen, dat hij van een aanzienlijke familie moest zijn. Het was dus een kind dat men gestolen had en thans weder kwijt wilde zijn. Dit ten minste meende de commissaris. Wat zou men er mede doen? Toen hij alles opgeschreven had wat Jérôme hem had medegedeeld en ook het kind beschreven was, en al de kleeren die het droeg, welke ongemerkt waren, had opgeteekend, zeide de commissaris, dat hij het naar het vondelingsgesticht zou zenden, indien niemand onder de aanwezigen er zich mede belasten wilde: het was een mooi, gezond, stevig kind, dat niet moeilijk groot te brengen zou zijn; de ouders die het eenmaal zouden zoeken, zouden de verzorgers stellig ruim beloonen. Jérôme trad toen naderbij en zeide, dat hij het wilde medenemen. Men gaf het hem. Ik had juist een kind van denzelfden leeftijd; maar ik kon er wel twee voeden. En zoo ben ik uw moeder geworden. --O, moeder! --Drie maanden later verloor ik mijn eigen kind en ik hechtte mij toen nog meer aan u. Ik vergat dat gij mijn zoon niet waart. Ongelukkig echter onthield Jérôme dit, en toen uw ouders u in drie jaar niet gezocht hadden, tenminste u niet gevonden hadden, wilde hij u naar het gesticht brengen. Gij hebt gehoord, waarom ik hem niet heb gehoorzaamd. --O, laat mij niet naar het gesticht gaan, riep ik, terwijl ik mij aan haar vastklemde; och toe, vrouw Barberin, zend mij, bid ik u, niet naar het vondelingshuis. --Neen, ik beloof u, mijn kind, ge zult niet gaan. Ik zal er voor zorgen. Jérôme is geen slecht mensch, dat zult ge wel zien; hij heeft verdriet en maakt zich over onze toekomst bezorgd. Wij zullen werken en gij immers ook? --Ja, ik zal alles doen, wat gij wilt. Maar zend mij niet naar het gesticht. --Gij zult niet gaan, op ééne voorwaarde: dat ge nu dadelijk slapen gaat. Wanneer hij tehuis komt, moet hij u niet wakker vinden. Zij gaf mij daarop nog een kus en ik ging weer met mijn neus tegen den muur liggen. Ik had gaarne willen inslapen; maar ik was te veel van streek, te zenuwachtig om terstond mijn kalmte terug te krijgen en in slaap te vallen. Dus was die goede vrouw Barberin mijn moeder niet! Maar wie was dan eigenlijk mijn moeder? Zou die nog beter, nog liever wezen? Neen, dat was onmogelijk. Maar wat ik begreep, wat ik voelde, was, dat een vader minder ruw, minder wreed zou geweest zijn dan Barberin en mij niet zoo boos, met zijn opgeheven stok, zou hebben aangezien. Hij wilde mij naar het vondelingsgesticht zenden; zou vrouw Barberin dat kunnen verhinderen? Wat was een vondelingsgesticht? In het dorp waren twee kinderen, die men "de kinderen van het gesticht" noemde; zij droegen een looden plaatje met een nommer om den hals; zij waren slecht en slordig gekleed; ze kregen zelfs slaag en de kinderen uit de buurt liepen ze dikwijls na, zooals men een hond zonder meester najaagt, ook omdat een hond zonder meester niemand heeft, die hem beschermen kan. O, ik wil niet als die kinderen zijn; ik wil geen nommer om mijn hals dragen; ik wil niet dat men mij naloopt en mij naroept: "Naar het gesticht! naar het gesticht!" De gedachte daaraan alleen deed mij reeds huiveren en mijn tanden klapperen. En ik sliep niet. En Barberin zou tehuiskomen. Gelukkig kwam hij niet zoo spoedig terug als hij wel gezegd had en was ik in dien tusschentijd door den slaap overmand. III. DE TROEP VAN DEN SIGNOR VITALIS. Dien nacht sliep ik, door angst en vrees vermeesterd, zeer onrustig, en toen de morgen aanbrak, was bij mijn ontwaken mijn eerste zorg om mijn bed aan alle kanten te betasten en eens in het rond te zien om mij te overtuigen, dat men mij niet weggebracht had. Den ganschen ochtend sprak Barberin geen woord tot mij en ik meende reeds, dat hij het plan om mij naar het gesticht te zenden had opgegeven. Zeker had vrouw Barberin een goed woordje voor mij gedaan en waarschijnlijk had zij hem overgehaald mij bij zich te houden. Maar toen het twaalf uur sloeg, beval Barberin mij om mijn pet op te zetten en hem te volgen. Verschrikt zag ik vrouw Barberin aan en smeekte haar met mijn blik om hulp. In het voorbijgaan wenkte zij me, dat ik maar gehoorzamen moest; terwijl zij met een beweging van haar hand mij geruststelde, alsof zij zeggen wilde: ge behoeft niet bang te wezen. Zonder tegenspreken volgde ik dus Barberin. Wij wonen ver van het dorp, bijna een uur gaans. Dat geheele uur ging voorbij, zonder dat hij een woord tot mij sprak. Hij liep langzaam vooruit, met zijn manken voet, wendde nooit zijn hoofd om, maar bleef van tijd tot tijd stilstaan en keerde zich dan geheel om teneinde zich te overtuigen, dat ik hem nog altijd volgde. Waar bracht hij mij naar toe? Die vraag drong zich gedurig bij mij op, ondanks den geruststellenden wenk van vrouw Barberin, en om aan een gevaar dat ik voelde naderen te ontkomen, peinsde ik over een middel om te ontvluchten. Met dit doel trachtte ik achter te blijven; als ik op een verren afstand van hem ben, dacht ik, zal ik in de sloot gaan liggen en dan zal hij mij niet kunnen vinden. Eerst bepaalde hij zich tot het bevel dat ik vlak achter hem moest blijven; maar al spoedig scheen hij mijn voornemen te gissen en nam hij mij bij de hand. Ik kon nu niet wel anders dan met hem meegaan en deed dit dan ook. Wij hadden het dorp bereikt en ieder, die ons tegenkwam, keerde zich om en staarde ons na, want ik zag er uit als een nijdige hond dien men aan een touw moet houden. Toen wij voorbij het koffiehuis kwamen, verzocht een man, die op den drempel stond, ons om binnen te treden. Barberin vatte mij bij mijn oor en liet mij eerst binnengaan; daarop sloot hij de deur. Ik gevoelde mij een weinig geruster; het koffiehuis scheen mij geen gevaarlijke plaats toe; en dit was het koffiehuis, waar ik zoo langen tijd reeds heen had willen gaan. Het koffiehuis en de herberg _Notre Dame_! Hoe zou het daar wel uitzien? Dikwijls had ik menschen dit koffiehuis met waggelenden en zwaaienden gang zien verlaten; wanneer ik er voorbijkwam hoorde ik gewoonlijk schreeuwen en zingen, zoo luid soms dat de vensters er van rinkelden. Wat deed men daar? Wat gebeurde er achter die roode gordijnen? Ik zou dat thans te weten komen. Terwijl Barberin zich met den waard aan tafel zette, sloop ik naar een hoek van het vertrek bij den schoorsteen en nam alles om mij heen eens op. In den hoek tegenover den ingang zat een grijsaard, die een zeer zonderlinge kleeding droeg, zooals ik nog nooit in mijn leven gezien had. Zijn haren, die in lange lokken over zijn schouders vielen, waren voor een gedeelte door een kastoren hoed bedekt, met groene en roode veeren versierd. Een schapevacht, waarvan de wol naar binnen was gekeerd, bedekte zijn borst. Deze huid had geen armsgaten en door twee openingen bij de schouders, kwamen een paar armen te voorschijn, die met een soort van fluweelen stof, welke vroeger blauw geweest moest zijn, bedekt waren. Voorts droeg hij lange slobkousen, die tot aan zijn knieën reikten, met roode banden waren toegebonden en verscheidene malen over zijn beenen gekruist waren. Hij lag op zijn stoel uitgestrekt, terwijl zijn kin in de rechterhand ruste en zijn elleboog op de eenigszins opgetrokken knie steunde. Nog nooit had ik een levend wezen in zulk een kalme houding zien zitten; hij geleek op een onzer uit hout gesneden heiligen in de kerk. Naast hem lagen drie honden, doodstil en zoo dicht mogelijk bij elkander om zich te verwarmen. Een witte poedel, een zwarte kardoes en een grijs schoothondje met een goedig, listig snoetje; de poedel had een oude soldatenmuts op den kop, die met een lederen bandje om zijn kin was vastgebonden. Terwijl ik den grijsaard met de grootste belangstelling zat aan te kijken, spraken Barberin en de herbergier op fluisterenden toon over mij. Barberin vertelde hem, dat hij naar het dorp gegaan was om mij bij den burgemeester te brengen en dezen te verzoeken aan het armbestuur een jaargeld te vragen om mij bij zich te kunnen houden. Zooveel had vrouw Barberin dus van haar man kunnen verkrijgen en ik begreep terstond, dat zoo Barberin eenig voordeel er in zag om mij bij zich te houden, ik dan niets te vreezen zou hebben. De grijsaard, zonder daarvan den schijn te hebben, hoorde alles wat er gesproken werd; eensklaps stak hij zijn rechterhand naar mij uit en zich tot Barberin wendende, vroeg hij met vreemden tongval: --Is dit het kind, dat u hindert? --Ja dat is het kind. --En gelooft gij dat het bestuur der armhuizen u het geld voor zijn onderhoud terug zal geven? --Wel, daar hij geen ouders heeft en mij tot last is, moet er toch wel iemand voor hem betalen; dat is toch nog al billijk geloof ik. --Ik geef u daarin geen ongelijk, maar gelooft gij, dat alles wat billijk is gebeurt? --Neen, dat geloof ik niet. --Welnu, ik ben zeker dat gij zulk een jaargeld nooit krijgen zult. --Dan breng ik hem naar het vondelingenhuis; er is geen wet, die hem recht geven kan om in mijn huis te blijven, wanneer ik hem er niet langer in houden wil. --Vroeger hebt gij er in toegestemd hem bij u te nemen; dat was zoo goed of gij voor altijd de zorg op u genomen hadt. --Ik verzeker u thans, dat ik hem niet houd en al moest ik hem op straat zetten, ik zou hem wegdoen. --Misschien zou er wel een middel zijn, om u terstond van hem te bevrijden, zeide de oude man, na een oogenblik te hebben nagedacht, en voegde er bij: misschien zoudt gij er nog iets bij winnen ook. --Als ge mij zoo'n middel aan de hand doet, dan schenk ik u van ganscher harte een flesch. --Bestel de flesch en uw zaak is in orde. --Zeker? --Zeker. De oude man stond van zijn stoel op en ging tegenover Barberin zitten. Toen hij zich oprichtte, werd de schapevacht door een onwillekeurige beweging opgebeurd; en ik meende te bespeuren, dat hij in zijn linkerarm nog een hond droeg. Wat zou hij zeggen? Wat zou er gebeuren? Ik had hem met smeekenden blik gevolgd. --Uw wensch is, niet waar, dat het kind niet langer uw brood eet; of, zoo hij dat blijft doen, dat gij er dan ook voor betaald wordt? --Juist; omdat.... --O, welke reden gij daarvoor hebt, kan mij niet schelen; ik behoef die niet te kennen; voor mij is het voldoende te weten, dat gij het kind niet langer bij u wilt houden; als dat zoo is, geef hem mij dan en ik zal verder voor hem zorgen. --Hem aan u geven? --Wilt gij hem niet wegdoen? --Geeft men dan zoo'n kind weg, zoo'n mooi kind, want mooi is hij, zie maar eens. --Ik heb hem reeds gezien. --Rémi, kom hier! Ik ging bevende naar de tafel. --Wees maar niet bang, ventje, zeide de gijsaard. --Zie hem maar eens aan, vervolgde Barberin. --Ik zeg niet dat hij leelijk is; want als hij leelijk was, zou ik hem niet willen hebben; met monsters houd ik mij niet op. --Kom, als hij een monster met twee hoofden of een dwerg was.... --Gij zoudt er dan niet over denken om hem naar het gesticht te zenden. Gij weet dat een monster waarde heeft en men veel voordeel daarvan trekken kan; dat men het verhuurt of het zelf voor het een of ander gebruikt. Maar hij is geen dwerg en geen monster; hij is geschapen zooals ieder ander en deugt nergens toe. --Hij kan werken. --Daartoe is hij te zwak. --Hij zwak! kom, onzin en hij is zoo gezond en sterk als een groot mensch; zie maar eens welke beenen hij heeft. Hebt gij ze ooit rechter gezien? Barberin stroopte mijn broekspijpen op. --Die zijn erg dun, zeide de oude man. --En zijn armen? vervolgde Barberin. --De armen zijn evenals de beenen; zij kunnen er door, maar zij kunnen aan vermoeienis en ontbering geen weerstand bieden. --Hij niet! maar bevoel hem dan eens van alle kanten, bevoel hem eens. De grijsaard streek met zijn magere hand over mijn beenen, schudde met het hoofd en trok een bedenkelijk gezicht. Ik had reeds een dergelijk tooneel bijgewoond, toen onze koe verkocht werd. Ook die was van alle kanten bevoeld en betast geworden; de kooper zou haar onmogelijk weer hebben kunnen verkoopen, en toch had hij haar gekocht en ze medegenomen. Zou die vreemde man mij koopen en medenemen? ach, moeder Barberin, moeder Barberin! Ongelukkig genoeg was zij er niet om mij te verdedigen. Als ik maar gedurfd had, zou ik gezegd hebben, dat juist de oude Barberin mij mijn zwakte en mijn magere armen en beenen verweten had; maar ik begreep dat, al viel ik hem in de rede, mij dit niets dan een geduchte berisping op den hals zou halen, en ik zweeg dus. --Hij is een kind zooals er zoovelen zijn, zeide de grijsaard, dat is waar, maar hij is een stadskind; het is dus zoo goed als zeker dat hij nooit in staat zal wezen om op het land te werken; zet hem eens aan den ploeg om de ossen aan te jagen, dan zult ge zien, of dat van geen langen duur kan zijn. --Tien jaar. --Geen maand. --Maar zie hem dan toch eens aan. --Zie hem zelf maar eens aan. Ik stond aan het einde van de tafel, tusschen Barberin en den grijsaard; de een stootte mij van zich af, de ander wilde mij evenmin hebben. --Nu, zeide de oude man eindelijk, ik zal hem dan nemen zooals hij is. Maar ge moet mij wel verstaan, ik koop hem niet van u; ik huur hem slechts. Ik geef u twintig francs per jaar. --Twintig francs! --Dat is een goede som en ik betaal u zelfs vooruit; gij krijgt vier klinkende achterwielen en ge zijt van het kind af. --Maar als ik het houd, zal het armbestuur mij meer dan tien francs per maand betalen. --Zeg liever zeven of acht, ik ken de prijzen; maar gij moet hem ook te eten geven. --Hij zal werken. --Als gij meendet, dat hij tot werken in staat was, zoudt gij hem niet van de hand doen. Men neemt geen kinderen van het gesticht op om hun jaargeld, maar alleen om hun werk; men maakt arbeiders van hen, die betalen en niet betaald worden. Bovendien, zoudt ge hem wel bij u houden, als hij u in eenig opzicht van dienst kon wezen. --In ieder geval, zou ik dan de tien francs hebben. --En zoo het bestuur hem, in plaats van aan u, aan een ander gaf dan zoudt gij in het geheel niets hebben; wanneer ik hem neem, loopt gij die kans niet: gij behoeft uw hand maar uit te steken. Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde een lederen beurs te voorschijn, waaruit hij vier zilverstukken nam, die hij rinkelend op tafel wierp. --Vergeet niet, riep Barberin, dat het kind eenmaal ouders hebben zal. --Wat doet er dat toe? --Dat het stellig niet onvoordeelig zal zijn voor hen, die hem opgevoed hebben; als ik daar ook niet op gerekend had, zou ik hem nooit tot mij hebben genomen. Die woorden van Barberin: "Als ik niet op zijn ouders gerekend had, zou ik hem nooit tot mij genomen hebben," boezemden mij nog grooter afkeer voor hem in. Wat een slechte man was hij toch! --En omdat gij thans niet meer op de ouders rekent, hernam de grijsaard, zet gij hem op straat. Tot wien zullen de ouders zich dan wenden, wanneer zij komen opdagen? tot u, niet waar, en niet, tot mij, dien zij niet kennen. --En als gij ze terugvindt? --Laten we dan afspreken, dat wanneer die ouders komen, wij de winst samen zullen deelen; dan geef ik u dertig francs. --Stel veertig. --Neen, voor de weinige diensten, die hij mij bewijzen zal, kan ik u dat niet geven. --En welke diensten moet hij u bewijzen? wat zijn beenen betreft, die zijn uitmuntend en zijn armen evenzoo, dus blijf ik bij hetgeen ik gezegd heb. Maar waartoe acht gij hem dan in staat? De oude man zag Barberin eenigszins spottend aan, terwijl hij zijn glas met langzame teugen leegdronk. --Om mij gezelschap te houden, zeide hij; ik word oud en 's avonds na een vermoeienden dag, als het slecht weer is, ben ik dikwijls zwaarmoedig; hij zal mij dan eenige afleiding bezorgen. --Dat zullen zijn beenen stellig wel kunnen verdragen. --Toch niet lang, want hij zal moeten dansen, springen en loopen en wanneer hij geloopen heeft, zal hij weder moeten springen; kortom hij zal deel uitmaken van het gezelschap van signor Vitalis. --En waar is uw gezelschap? --Ik ben signor Vitalis, zooals ge ongetwijfeld reeds geraden zult hebben; ik zal u mijn gezelschap voorstellen, daar gij verlangt er kennis mede te maken. Terwijl hij dit zeide, maakte hij zijn schapevacht los en het vreemde dier, dat hij onder zijn linkerarm bewaarde, kwam in zijn hand. Dat dier had telkens zijn vacht in beweging gebracht, maar het was geen hondje, zooals ik eerst gemeend had. Wat voor soort dier kon dat wezen? Was het wel een dier? Ik wist niet welken naam ik geven moest aan dat zonderlinge schepsel, dat ik voor de eerste maal zag. Met de grootste verbazing stond ik het aan te staren. Het droeg een rood rokje met goud-galon afgezet, maar zijn armen en beenen waren naakt, want het waren armen en beenen en geen pooten, zij waren echter met een zwarte en geen blanke of roode huid bedekt. Evenzoo was zijn kop, zoo groot als een gebalde vuist, pikzwart; zijn gelaat was breed en kort, een wipneus met wijd opengespalkte neusgaten en gele lippen; maar wat mij het meest van alles trof, waren de beide oogen, die zeer dicht bij elkander stonden, groote levendigheid verrieden en glinsterden als een paar spiegeltjes. --O, wat een leelijke aap! riep Barberin uit. Dat woord deed mij van mijne verbazing bekomen, want al had ik nog nooit een aap gezien, ik had er dikwijls over hooren spreken. Het was dus geen zwart kind, dat voor mij stond; het was een aap. --Dat is de hoofdpersoon van mijn troep, zeide Vitalis, dit is de heer Joli-Coeur. Joli-Coeur, mijn jongen, maak voor het publiek uw complement. Joli-Coeur bracht zijn gesloten hand aan de lippen en gaf ons elk een kushand. --Nu een ander, vervolgde Vitalis, terwijl hij zijn hand naar den poedel uitstak; signor Capi zal de eer hebben zijn vrienden aan het geachte gezelschap voor te stellen. Op dit bevel richtte de poedel, die tot nogtoe doodstil was gebleven, zich plotseling op, zette zich op zijn achterste pooten, kruiste zijn beide voorpooten over de borst en maakte toen zulk een diepe buiging voor zijn meester, dat zijn muts bijna den grond raakte. Toen deze plichtpleging volbracht was, keerde hij zich tot zijn makkers en met den eenen poot, terwijl hij den anderen op zijn borst hield, wenkte hij hen, naderbij te komen. De beide honden, die de oogen niet van hem hadden afgewend, stonden eensklaps op en reikten elkander een der voorpooten, evenals men in de wereld elkander de hand drukt; daarop deden zij zes stappen voorwaarts, toen drie achteruit en groetten het gezelschap. --Hem, dien ik Capi noem, vervolgde Vitalis, of in het italiaansch Capitano, is de chef der honden; hij brengt, daar hij de verstandigste is, al mijn bevelen aan zijn makkers over. Dat bevallige diertje daar ginds, met zijn zwarte haren, is signor Zerbino, dat beteekent bevallig, een naam, dien hij in alle opzichten waardig is. Deze met haar bescheiden voorkomen is signora Dolce, een schoone Engelsche, wie haar lieve naam eerlijk toekomt. Met deze merkwaardige personen en hun verschillende titels heb ik het genoegen de wereld door te trekken en zoo goed en kwaad als 't kan den kost te verdienen, al naar het lot mij gezind is, Capi. De poedel kruiste zijne pooten. --Capi, kom hier, vriendje, en wees nu eens vriendelijk, als je blieft--het zijn beschaafde wezens, die ik altijd zoo beleefd mogelijk toespreek--wees thans zoo goed, aan dat jonge mensch, die u met zulke groote oogen aanstaart, te zeggen, hoe laat het is. Capi naderde zijn meester, lichtte de schapevacht op, stak zijn poot in diens vestzak en haalde een groot zilveren horloge te voorschijn, keek op de wijzerplaat en kefte toen zeer duidelijk tot tweemaal toe; daarna herhaalde hij nog drie keer dit keffen, maar veel zachter en onduidelijker. Het was werkelijk kwart vóór drieën. --Goed zoo, zeide Vitalis; dank u signor Capi; wees thans zoo vriendelijk signora Dolce te verzoeken, touwtje te springen. Capi stak nu zijn poot in den zak van zijns meesters jas en trok daar een koord uit. Hij wenkte Zerbino en deze plaatste zich snel tegenover hem. Capi wierp hem toen een eind touw toe en beiden begonnen dit met met den grootsten ernst te draaien. Toen de beweging zeer gelijkmatig was, wierp Dolce zich in het koord en sprong telkens even op, terwijl zij haar vriendelijke oogen aanhoudend op haar meester gevestigd hield. --Gij ziet, zeide deze, dat mijn leerlingen zeer verstandig zijn; maar het verstand wordt dan eerst gewaardeerd, wanneer men het vergelijken kan. Daarom wensch ik dezen knaap aan mijn gezelschap te verbinden; hij zal de rol van een dier spelen en mijn leerlingen zullen des te hooger gewaardeerd worden. --Foei, om hem voor een beest te laten spelen! riep Barberin uit. --Men moet een weinig geest hebben, vervolgde Vitalis, en ik geloof dat het jonge mensch hiervan niet ontbloot zal zijn, wanneer hij eenige lessen heeft gehad. Het overige komt vanzelf. Wij zullen terstond de proef eens met hem nemen. Wanneer hij verstandig is, dan zal hij begrijpen, dat men met signor Vitalis de kans heeft, geheel Frankrijk en nog wel tien andere landen te doorkruisen, een vrij leven te leiden, in plaats van achter de ossen te loopen, en iederen dag op hetzelfde land van den morgen tot den avond te moeten werken. Terwijl, wanneer hij onverstandig is en huilt en schreeuwt.... signor Vitalis houdt niet van stoute kinderen en dan neemt hij hem niet met zich mede. Dan gaat het ondeugende kind naar het gesticht, waar hij hard werken moet en weinig te eten krijgt. Ik was verstandig genoeg om den zin van deze woorden te vatten, maar tusschen ze te begrijpen en een besluit te nemen was nog een groot verschil. De leerlingen van signor Vitalis waren zeer aardig en vermakelijk en het moest ook wel aangenaam zijn om veel te wandelen; maar om hen te volgen, moest ik vrouw Barberin verlaten. 't Is waar, zoo ik dit weigerde, zou ik misschien toch niet bij vrouw Barberin blijven en zou men mij naar het gesticht zenden. Toen ik daar als vastgenageld staan bleef en de tranen mij in de oogen welden, streek Vitalis zachtkens met zijn hand over mijn wang. --Komaan, zeide hij, het kereltje begrijpt mij, want hij huilt niet; hij zal wel verstandig wezen en morgen.... --Ach mijnheer, riep ik, laat mij bij moeder Barberin als je blieft! Maar vóór ik nog iets had kunnen zeggen, werd ik door een heftig geblaf van Capi in de rede gevallen. De hond sprong tegelijkertijd naar de tafel waarop Joli-Coeur was blijven zitten. Deze had gebruik gemaakt van een oogenblik, dat ieders oog op mij gericht was en het volle wijnglas van zijn meester leeggedronken. Maar Capi, die goed de wacht hield, had deze apenstreek gezien en als een trouw bewaker wilde hij dit verhinderen. --Mijnheer Joli-Coeur, zeide Vitalis op strengen toon, gij zijt een lekkerbek en een schelm; ga in den hoek staan met uw neus tegen den muur, en gij Zerbino moet op hem passen; als hij zich beweegt, geef hem dan maar een flinken klap. Wat u betreft, mijnheer Capi, gij zijt een oppassende hond; laat mij u den poot drukken. Terwijl de aap zacht kermend aan het bevel gehoorzaamde, reikte de hond fier en gelukkig zijn poot aan zijn meester. --Laten wij thans onze zaken verder behandelen, begon Vitalis. Ik geef u dus dertig francs. --Neen veertig. Er volgde nu een zeer levendig gesprek; maar Vitalis brak dit eensklaps af door te zeggen: --De knaap moet zich hier vervelen, laat hij maar wat in den tuin gaan spelen. Hij gaf te gelijk aan Barberin een wenk. --Ja, dat is goed, ga maar naar den tuin, maar kom niet terug vóór ik u roep; anders word ik boos. Ik kon niet anders dan gehoorzamen, wat ik dan ook deed. Ik ging dus naar den tuin, maar tot spelen voelde ik volstrekt geen lust. Ik ging op een stoel zitten en verviel in diep gepeins. Mijn lot zou op dat oogenblik worden beslist. Wat zou het wezen? Ik bibberde van koude en angst. Het onderhoud tusschen Vitalis en Barberin duurde geruimen tijd, want meer dan een uur verliep er vóór hij bij mij in den tuin kwam. Eindelijk zag ik hem: hij was alleen. Kwam hij mij halen om mij aan Vitalis te geven? --Kom, ga mede naar huis, sprak hij. Naar huis! Ik zou vrouw Barberin dus niet verlaten? Ik had het hem gaarne willen vragen, maar ik durfde niet, want hij scheen in een kwade luim. Wij spraken onderweg geen woord. Maar even vóór wij de woning bereikten, stond Barberin stil. --Gij begrijpt, zeide hij, terwijl hij mij weder bij mijn oor greep, dat als gij een woord vertelt van hetgeen gij vandaag gehoord hebt, dit u duur te staan zal komen; dus opgepast! IV. HET OUDERLIJKE HUIS. --Wel, vroeg vrouw Barberin, toen wij tehuis kwamen, wat heeft de burgemeester gezegd? --Wij hebben hem niet gezien. --Hoe, hebt gij hem niet gezien! --Neen, ik heb eenige vrienden in _Notre-Dame_ aangetroffen en toen wij daar vandaan kwamen, was het te laat; morgen zullen wij er heengaan. Barberin had dus voorgoed afgezien van zijn plan om mij aan den hondenman te verkoopen. Onderweg had ik mezelf gedurig afgevraagd, of in dit naar huis gaan niet de een of andere listige streek lag opgesloten; maar de laatste woorden maakten een einde aan den twijfel, die nog bij mij bestond. Daar wij den anderen morgen naar het dorp zouden terugkeeren om den burgemeester te bezoeken, had Barberin zeker het voorstel van Vitalis van de hand gewezen. Toch zou ik, ondanks de bedreigingen, zeker mijn vrees aan vrouw Barberin hebben medegedeeld, als ik mij slechts een oogenblik met haar alleen had bevonden, maar Barberin verliet den ganschen avond zijn woning niet en ik begaf mij te bed, zonder dat de gelegenheid waarop ik wachtte, zich had voorgedaan. Ik sliep in met de gedachte, dat ik den anderen morgen aan mijn hart wel zou kunnen lucht geven. Maar toen ik den volgenden morgen opstond, was vrouw Barberin niet te vinden. Toen ik haar in den omtrek van het huis zocht, vroeg Barberin wat ik wilde. --Moeder. --Zij is naar het dorp en komt eerst van middag terug. Zonder te weten waarom, maakte die afwezigheid mij zeer ongerust. Zij had den vorigen avond niet gezegd, dat zij naar het dorp zou gaan. Waarom had zij niet op ons gewacht, daar wij toch ook denzelfden weg gingen? Zou zij weder tehuis zijn vóór wij vertrokken? Een onbestemde vrees maakte zich van mij meester; zonder mezelf rekenschap te geven van het gevaar dat mij dreigde, gevoelde ik toch dat mij iets boven het hoofd hing. Barberin zag mij aan met een uitdrukking, die weinig geschikt was om mij gerust te stellen. Daar ik dien blik niet langer wilde verdragen, ging ik in den tuin. Die tuin was niet groot; maar voor ons toch van veel waarde, want door hem werden wij gevoed en behalve brood, kregen wij, er bijna alles uit: aardappelen, boonen, kool, wortels en knollen. Geen plekje was dan ook ongebruikt gebleven. Toch had vrouw Barberin mij een stukje grond afgestaan, waarin ik een onnoemelijk aantal planten, kruiden en verschillende soorten van mossen geplant had, die ik aan den rand van het bosch of in de nabijheid der heggen had gezocht, terwijl ik onze koe liet weiden en die ik dan des middags in mijn tuin overplantte. Het was volstrekt geen mooie tuin met fraai onderhouden paden en nette bloemperken, waarin de zeldzaamste bloemen prijkten; zij, die hier voorbijkwamen, zouden niet eens stilstaan om over de heg te gluren; maar zooals hij was, had ik hem lief; hij was van mij; het was mijn grond en mijn werk; ik kon er in doen wat ik wilde of mij inviel, en wanneer ik er over sprak, wat wel twintigmaal daags gebeurde, dan sprak ik altijd van "mijn" tuin. Den vorigen zomer had ik mijn kweekerij eerst aangelegd, dus eerst tegen de lente zouden de bloemen uitkomen; sommige misschien reeds bij het einde van den winter. Mijn nieuwsgierigheid werd dus in de hoogste mate opgewekt. De krokussen vertoonden reeds eenige gele knoppen en de madeliefjes staken even hun kopje boven den grond, nog tusschen de bladeren verscholen. Hoe zou dat alles in bloei staan? Daar ging ik iederen dag naar kijken. Maar er was nog een gedeelte van mijn tuin, dat ik elken dag met nog grooter belangstelling, ja zelfs met een gevoel van spanning bezocht. In dat gedeelte had ik een vrucht geplant, die ik gekregen had en die in ons dorp maar weinig bekend was--peerappelen. Men had mij verzekerd, dat zij veel beter bollen kreeg dan de aardappelen, en de smaak aangenamer was dan die der artisjokken en knollen en nog vele andere gewassen. Deze voorstelling had mij op de gedachte gebracht om vrouw Barberin eene verrassing te bezorgen. Ik vertelde haar niets van dit geschenk; ik plantte de bollen in mijn tuin; toen zij begonnen uit te botten zeide ik, dat het bloemen waren, en wachtte nu tot ik eindelijk op een mooien morgen, wanneer zij rijp waren, van de afwezigheid van vrouw Barberin gebruik zou kunnen maken om ze uit den grond te trekken en ze dan zelf te koken. Hoe? dat wist ik niet, maar mijn verbeelding bekommerde zich niet over zulk eene kleinigheid, en als vrouw Barberin weder tehuis zou zijn, wilde ik ze haar bij het avondeten voorzetten. Wat zou ik haar dan verrassen! En wat zou ze in haar schik wezen! Want dan zouden wij een nieuw gerecht hebben, dat onze aardappelen in alle opzichten kon vervangen en vrouw Barberin zou dan niet meer gebukt behoeven te gaan onder den verkoop van onze _Roussette_. En de uitvinder van dit nieuwe gerecht zou ik zijn, ik Rémi; ik zou dus ook nuttig wezen. Met zulke plannen in mijn hoofd was ik, dat valt te begrijpen, bijzonder begaan met mijn bollen; iederen dag ging ik naar het plekje waar ik ze geplant had, en in mijn oog was het of zij nooit zouden uitkomen. Ik lag geknield op den grond, met mijn handen onder het hoofd en mijn neus vlak op mijn knollen, toen ik plotseling op ongeduldigen toon mij bij mijn naam hoorde roepen. Het was Barberins stem. Wat wilde hij van mij? Ik haastte mij om naar huis terug te keeren. Hoe groot was mijn verbazing toen ik bij den schoorsteenmantel Vitalis en zijn honden zag staan. Ik begreep terstond wat Barberin van mij wilde. Vitalis kwam mij halen en zeker had Barberin zijne vrouw uitgezonden om geheel heer en meester te kunnen zijn. Ik besefte wel, dat Barberin volstrekt geen medelijden met mij hebben zou, noch mij eenige hulp verleenen wilde; ik snelde dus naar Vitalis toe. --Ach mijnheer, riep ik, neem mij, als je blieft, niet mede. En ik barstte in snikken los. --Kom, mijn jongen, zeide hij vriendelijk, gij zult niet ongelukkig bij mij wezen; ik sla nooit kinderen en bovendien zullen mijn leerlingen u gezelschap houden en zij zijn lang niet onaardig. Wie zoudt gij betreuren? --Vrouw Barberin! vrouw Barberin! --In elk geval zoudt gij toch niet hier blijven, sprak Barberin, terwijl hij mij ruw bij mijn arm greep; gij hebt te kiezen tusschen dezen man en het gesticht. --Neen! vrouw Barberin. --Kom, gij begint mij te vervelen, zeide Barberin toornig; als gij wilt dat ik u hier met stokslagen vandaan jaag, hebt gij het maar te zeggen. --Het kind wilde liever bij zijn moeder Barberin blijven, zeide Vitalis; gij moet hem daarvoor niet slaan; het is een bewijs, dat hij een hart heeft. --Als gij hem beklaagt, dan gaat hij nog harder schreeuwen. --Laten wij thans tot onze zaken overgaan. Terwijl hij dit zeide, wierp Vitalis acht stukken van vijf francs op tafel, die Barberin met een enkele beweging van de hand in zijn zak liet glijden. --Waar is het pakje? vroeg Vitalis. --Hier, gaf Barberin ten antwoord, terwijl hij hem een blauw geruiten zakdoek overhandigde, waarvan de vier hoeken waren saamgeknoopt. Vitalis maakte ze los en onderzocht toen alles wat deze doek bevatte: slechts twee hemden en een broek waren daarin. --Dat hebben we niet afgesproken, zeide Vitalis; gij moet mij al zijn kleedingstukken geven en dit zijn eenige lompen. --Hij heeft niets anders. --Als ik het aan den knaap vroeg, zou hij zeggen, dat het een leugen was. Maar ik wil daarover niet met u twisten. Ik heb geen tijd daartoe. Ik moet weg. Kom ventje, hoe heet gij? --Rémi. --Kom Rémi, neem nu het pakje en ga vooruit, Capi. Ik stak eerst hem en daarop Barberin mijn hand toe, maar beiden keerden het hoofd om en ik voelde dat Vitalis mij bij den pols greep. Ik moest loopen. O, mijn dierbaar huis! het was mij, toen ik den drempel overschreed, of ik een gedeelte van mijn leven daar achterliet. Ontroerd wierp ik nog een blik om mij heen; mijn oogen vulden zich met tranen toen ik niemand zag, aan wien ik hulp kon vragen; niemand op weg, niemand in mijn onmiddellijke nabijheid. Ik riep: --Moeder, moeder Barberin! Maar niemand gaf eenig antwoord op mijn angstkreet, die in een snik eindigde. Ik moest Vitalis volgen, die mijn pols niet had losgelaten. --Goede reis! riep Barberin. En hij ging weder in huis. Helaas! Er viel thans niets meer aan te veranderen. --Kom Rémi, laten wij nu ook gaan, sprak Vitalis. En hij trok mij bij den arm mede. Ik ging toen naast hem loopen. Gelukkig versnelde hij zijn pas niet en ik geloof zelfs, dat hij hem naar mijn stap regelde. De weg, dien wij volgen moesten, was bergopwaarts en bij elke kronkeling, die hij maakte, zag ik het huis van vrouw Barberin, maar telkens al kleiner en kleiner. Menigmaal had ik dit pad beklommen en ik wist dan ook, dat ik bij den laatsten hoek ons huis nog slechts eenmaal zien zou en zoodra wij de vlakte bereikt hadden, dit geheel uit het oog zou verliezen; ik zou het dan nooit wederzien en vóór mij strekte zich het onbekende uit en achter mij lag het huis, waarin ik tot op dezen dag gelukkig geweest was en dat ik nooit in mijn leven weder betreden zou. Gelukkig moesten wij geruimen tijd klimmen; eindelijk bereikten wij dan ook den top. Vitalis had mij steeds bij de hand gehouden. --Mag ik een oogenblik rusten? vroeg ik hem. --Met alle genoegen, mijn jongen. En voor de eerste maal liet hij mijn hand los. Maar op hetzelfde oogenblik zag ik, dat hij zijn blik op Capi vestigde en hem een teeken gaf, dat deze scheen te begrijpen. Capi deed als een herdershond: hij verliet terstond het hoofd van zijn kudde en plaatste zich achter mij. Deze beweging was voldoende om mij het teeken te verklaren; Capi was mijn bewaker; indien ik een poging deed om te ontsnappen, dan zou hij zeker tegen mij opspringen. Ik zette mij op het gras en Capi volgde mij. Toen ik zat, was mijn eerste werk om met mijn betraande oogen het huis van vrouw Barberin te zoeken. Aan onze voeten strekte zich het dal uit, waarin bosch en weiland elkander afwisselden, en geheel in de diepte lag mijn ouderlijk huis, de woning waarin ik was opgevoed. Zij was zeer gemakkelijk tusschen het geboomte te onderscheiden, want een lichte rookwolk steeg uit den schoorsteen op en terwijl die zich statig omhoog verhief, rees zij tot ons op. Was het verbeelding of werkelijkheid, maar het was mij of die rook den geur der eikebladen met zich bracht, die gedroogd waren tusschen de stapels takkenbossen, waarmede wij altijd het vuur aanmaakten; het kwam mij voor of ik nog in het hoekje bij den haard zat op mijn bankje met mijn voeten in de asch, terwijl de wind door den schoorsteen gierde en de rook ons in het gelaat sloeg. Ondanks den afstand en de hoogte, waarop ik mij bevond, kon ik alle voorwerpen duidelijk onderscheiden en hadden zij denzelfden vorm en gedaante, maar eenigszins verkleind, behouden. Op den mesthoop liep onze kip heen en weer, de laatste, die ons was overgebleven, maar zij had niet dezelfde grootte en als ik haar niet zoo goed kende, zou ik haar voor een duif gehouden hebben. Achter het huis zag ik den pereboom met zijn krommen stam, dien ik zoovele jaren tot mijn paard gebruikt had. Verderop, naast de beek, die zich als een zilveren lijn tusschen het donkere groen kronkelde, zag ik het kanaal dat tot afleiding van het water diende en dat ik met zooveel moeite gegraven had om mijn molenrad, dat ik zelf had gemaakt, in beweging te brengen; helaas! het had, ondanks al mijn werk, nooit willen draaien. Alles stond op zijn gewone plaats, mijn kruiwagen en mijn ploeg, die ik van een knoestigen boomtak gemaakt had en het konijnennest en mijn tuin, mijn heerlijke tuin! Wie zou nu mijn mooie bloemen zien bloeien? Wie zou mijn peerappelen rooien? Barberin zeker, die nare Barberin! Nog een stap verder en alles zou voor mijn oogen verdwenen zijn. Eensklaps ontdekte ik op den weg, die van het dorp naar het huis leidt, heel in de verte een witte muts. Zij verdween achter een groep boomen, maar kwam oogenblikkelijk weder te voorschijn. Zij was op zulk een afstand van mij, dat ik slechts de witte muts onderscheiden kon, die als een vlinder met bleeke kleuren tusschen de boomen fladderde. Maar er zijn oogenblikken in het leven, waarin het hart beter en verder ziet dan de scherpste blik: ik herkende moeder Barberin; zij was het, daar was ik zeker van; ik voelde dat zij het was. --Kom, zeide Vitalis, zullen we verder gaan? --Och mijnheer, als je blieft, nog niet. --Het is dan toch een leugen die men mij vertelt heeft; gij hebt geen beenen: nu reeds moe te zijn; dat belooft niet veel goeds. Maar ik gaf geen antwoord, ik staarde slechts voor mij. Het was vrouw Barberin, het was haar muts, het was haar blauwe japon, kortom zij was het. Zij liep snel voort, alsof zij haast had om thuis te komen. Toen zij het hek bereikt had, duwde zij het open en liep met groote schreden de tuin door. Ik sprong plotseling van het gras op, zonder op Capi te letten, die eveneens opsprong. Vrouw Barberin bleef niet lang in huis. Zij kwam spoedig weer uit de deur en liep in den tuin heen en weer; zij zocht mij. Ik boog mij voorover en uit alle macht riep ik: --Moeder! Maar mijn stem kon niet tot haar doordringen, noch het kabbelen van de beek overstemmen; zij ging in de lucht verloren. --Wat hebt gij? vroeg Vitalis, ik geloof, dat gij gek wordt. Zonder te antwoorden hield ik de oogen op vrouw Barberin gevestigd, maar zij wist niet, dat ik zoo dicht bij haar was en zij zag niet naar boven. Zij had nu den tuin ten einde geloopen en liet haar oog naar alle kanten gaan. Ik riep nog luider, maar evenals de eerste maal, was het ook thans tevergeefs. Vitalis giste toen de waarheid en beklom ook de helling. Hij bespeurde terstond de witte muts. --Arme jongen! fluisterde hij. --Och, als je blieft, riep ik, aangemoedigd door zijn medelijden, laat mij toch teruggaan. Maar hij vatte mij bij de hand en liep den weg op. --Nu zijt gij uitgerust en kunnen we dus verder gaan. Ik wilde mij losrukken, maar hij hield mij stevig vast. --Capi! zeide hij, Zerbino! en de beide honden omringden mij. Capi achter mij, Zerbino vooruit. Ik moest Vitalis dus wel volgen. Toen wij eenige schreden gedaan hadden, wendde ik het hoofd om. Wij daalden nu den heuvelrug af en ik kon noch het dal, noch mijn woning meer zien; heel in de verte niets dan de blauwe heuvels, die tot den hemel schenen te reiken: mijn blik verloor zich in de oneindige ruimte. V. OP REIS. Wanneer men voor veertig francs kinderen koopt, ligt hierin nog niet opgesloten, dat men een wildeman is en menschenvleesch opdoet om dat te eten. Vitalis wilde mij niet opeten en--een zeldzame uitzondering bij een handelaar in kinderen--hij was volstrekt geen slecht mensch! Hiervan kreeg ik weldra de ondervinding. Het was op de kruin van den berg, die de beddingen van de Loire en de Dordogne van elkander scheidt, dat hij mijn hand gevat had en bijna onmiddellijk begonnen wij langs de zuidelijke helling af te dalen. Toen wij ongeveer een kwartier geloopen hadden, liet hij mij los. --Nu kunt ge langzaam naast mij voortgaan, maar bedenk wel, dat, als ge ontvluchten wilt, Capi en Zerbino u spoedig zouden hebben ingehaald en zij scherpe tanden hebben. Dat het mij onmogelijk was om te ontvluchten, besefte ik volkomen en evenzoo, dat het een vergeefsche poging wezen zou om het te beproeven. Een diepe zucht ontglipte me. --Gij schijnt u ongelukkig te gevoelen, dat begrijp ik en ik neem het u niet kwalijk. Gij kunt gerust eens uitweenen, als ge daartoe lust hebt. Maar wees er van overtuigd, dat ik u niet tot uw ongeluk medeneem. Wat zou er van u geworden zijn? Waarschijnlijk zoudt ge thans in het gesticht wezen. De menschen die u opgevoed hebben zijn uw vader en moeder niet. Die vrouw is goed voor u geweest, zooals ge zegt, en gij houdt van haar; het spijt u, dat gij haar verlaten moet; dat is alles goed en wel; maar bedenk dat zij u niet bij zich zou hebben kunnen houden tegen den wil van haar man. Die man is zoo wreed niet als ge wel meent. Hij is arm; hij is afgetobt en kan niet meer werken en hij heeft ingezien, dat hij niet van honger kan omkomen om u te voeden. Begrijp van nu af aan, mijn jongen, dat het leven dikwijls een strijd is, waarin men niet doen kan wat men wil. Dit was zeker zeer verstandig gesproken, of liever het getuigde van veel ondervinding. Maar met dat al was het feit aanwezig dat meer tot mijn hart sprak dan alle woorden--eene scheiding. Ik zou haar, die mij opgevoed had, die mij zoo menigmaal had geliefkoosd, die ik beminde, niet terugzien--mijn moeder! En die gedachte kneep mij als het ware de keel toe. Toch liep ik naast Vitalis voort, telkens bij mezelf de woorden herhalende, die hij gesproken had. Ongetwijfeld was dat alles de zuivere waarheid; Barberin was mijn vader niet en er bestond geenerlei reden, die hem de verplichting oplegde om ten gevalle van mij armoede te lijden: hij had mij bij zich in huis genomen en mij opgevoed; zoo hij mij thans wegzond, dan was dit, omdat hij mij niet langer bij zich houden kon. Wanneer ik aan hem dacht, moest ik mij niet de laatste oogenblikken voor het geheugen halen, maar de jaren die ik in zijn huis had doorgebracht. --Denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb, mijn jongen, herhaalde Vitalis van tijd tot tijd, gij zult er met mij niet ongelukkiger om wezen. Nadat wij een vrij steile helling waren afgedaald, hadden we een groote vlakte bereikt, die, zoover ons oog reikte, zich voor ons uitstrekte. Geen boomen, geen huizen. Een vlakte, slechts uit hei bestaande en hier en daar afgewisseld door lage ruwe struiken, die, wanneer de wind er langs streek, een golvende beweging maakten. --Gij ziet, sprak Vitalis, terwijl hij met zijn hand op de vlakte wees, dat het vergeefsche moeite wezen zou, indien gij ontsnappen wildet, gij zoudt terstond door Capi en Zerbino achterhaald worden. Ik dacht al niet meer aan ontvluchten. Waar zou ik heengaan? Bij wien? Bovendien zou die oude man met zijn grijzen baard misschien zoo slecht niet wezen, als ik in het eerst gemeend had; en wanneer hij mijn meester was, zou hij misschien geen hardvochtig man blijken. Geruimen tijd liepen wij over deze vlakte voort, omringd door niets anders dan heidevelden, zoover ons oog reikte, en hier en daar eenige heuvels met kale toppen. Ik had mij een gansch andere voorstelling van reizen gemaakt en als ik somtijds in mijn kinderlijke droomen mijn dorp verlaten had, dan was het om een fraaie landstreek te bezoeken, die in geenen deele geleek op de werkelijkheid, welke zich thans aan mij voordeed. Het was voor de eerste maal, dat ik zulk een verren tocht maakte zonder stil te houden. Mijn meester stapte regelmatig en met groote schreden door, terwijl hij Joli Coeur op zijn schouder of op zijn reiszak droeg, en naast hem trippelden rustig de honden. Van tijd tot tijd sprak Vitalis hun een vriendelijk woord toe, nu eens in het fransch, dan weder in een taal, die ik niet verstond. Noch hij, noch zij dachten een oogenblik aan moeheid. Maar bij mij was dit niet het geval. Ik was uitgeput. Mijn lichamelijke vermoeidheid gevoegd bij mijn verdriet, had al mijn krachten geëischt. Ik sleepte mijn beenen voort en het kostte mij zelfs groote inspanning om mijn meester te volgen. Toch durfde ik niet vragen om weder uit te rusten. --Uw klompen maken u stellig moe, zeide hij, te Ussel zal ik schoenen voor u koopen. Die woorden gaven mij nieuwen moed. Schoenen toch was altijd mijn vurigste verlangen geweest. De zoon van den burgemeester en van den herbergier droegen schoenen, zoodat zij des zondags, als zij in de mis kwamen, bijna onhoorbaar over den steenen vloer liepen, terwijl wij, boeren, met onze klompen een geweldig leven maakten. --Is Ussel nog ver? --Dat is een woord uit uw hart, antwoordde Vitalis lachend; gij wilt dus gaarne schoenen hebben? Nu, ik beloof je ze, met spijkers in de zolen zelfs. En ge zult ook een fluweelen broek krijgen en een jas en een hoed. Dat zal uw tranen wel doen opdrogen, hoop ik, en uw beenen geven, om de overige zes mijlen af te leggen. Schoenen met spijkers! Dat is heerlijk! Schoenen waren reeds voor mij een wonder, maar toen ik van spijkers hoorde, vergat ik mijn verdriet. Neen, zeker mijn meester was geen slecht mensch. Zou een slecht mensch er aan gedacht hebben, dat mijn klompen mij konden hinderen? Schoenen. Schoenen met spijkers! Een fluweelen broek! Een jas! Een hoed! O, als vrouw Barberin mij zag, wat zou zij dan in haar schik wezen, wat zou zij trotsch op mij zijn! Hoe jammer dat Ussel nog zoo veraf was. Ondanks de schoenen en den fluweelen broek, die aan het eind der zes mijlen mijn loon zouden zijn, scheen het mij toch nog een geduchte wandeling toe. Gelukkig kwam het weer mij te hulp. De hemel, die sedert ons vertrek onbewolkt was geweest, begon langzamerhand te betrekken en weldra viel een motregen, die wel niet zou ophouden. De schapevacht beschutte Vitalis voldoende en zij kon ook Joli-Coeur beschermen, die bij den eersten droppel terstond zijn schuilplaats had opgezocht. Maar de honden en ik, die geen mantel of iets dergelijks hadden, waren weldra druipnat; de dieren konden zich van tijd tot tijd nog eens afschudden, maar dit middel stond mij niet ten dienste: ik moest voortloopen onder een vracht, die mij bijna verpletterde en mij ijskoud maakte. --Zijt gij spoedig verkouden? vroeg hij mij. --Dat weet ik niet, ik geloof niet, dat ik ooit verkouden was. --Goed, goed; er is toch iets goeds in u. Maar ik wil u niet noodeloos blootstellen; wij zullen vandaag niet verder gaan. Daar ginds ligt een dorp en daar zullen wij den nacht doorbrengen. Maar er was geen herberg in dat dorp en niemand wilde een onderkomen geven aan een zwerveling, die een kind en drie vuile honden bij zich had. --Wij hebben geen slaapplaats, zeide men, en men wierp de deur voor onzen neus dicht. Wij gingen van het eene huis naar het andere, zonder dat iemand ons opende. Zouden wij dan toch genoodzaakt wezen om zonder even te rusten, de vier mijlen af te leggen, die ons nog van Ussel scheidden? Het werd nacht en de regen deed ons verstijven; het was of mijn beenen stokstijf zouden blijven staan. O, dat heerlijk huis van moeder Barberin! Eindelijk wilde een boer, die wat menschlievender was dan de anderen, ons wel zijn schuur afstaan. Maar voor hij ons binnenliet, stelde hij tot voorwaarde, dat wij geen licht mochten aansteken. --Geef mij uw lucifers, zeide hij tot Vitalis, ik zal ze u morgen, bij uw vertrek, teruggeven. Wij hadden nu ten minste een dak, dat ons beschutten kon en de regen zou niet op ons nedervallen. Vitalis was een bedachtzaam man, die zonder de noodige levensbehoeften nooit op reis zou gaan. In den ransel, dien hij op zijn rug droeg, had hij een groote snede brood, die hij in vier stukken brak. Toen zag ik voor de eerste maal hoe hij gehoorzaamheid en tucht wist te handhaven. Terwijl wij van de eene deur naar de andere dwaalden, om een nachtverblijf te zoeken, was Zerbino een huis binnengeloopen, waaruit hij terstond weder te voorschijn was gekomen met een korst brood in zijn bek. Vitalis had toen maar één woord gezegd. --Denk er aan. Tot vanavond, Zerbino. Ik dacht niet meer aan den diefstal, tot op het oogenblik, dat mijn meester het brood verdeelde. Zerbino liet den kop hangen. Wij waren op twee bossen varen naast elkander gezeten met Joli-Coeur tusschen ons; de drie honden lagen voor ons uitgestrekt. Capi en Dolce hielden de oogen strak op hun meester gevestigd. Zerbino daarentegen lag met zijn kop op den grond en met hangende ooren. --Laat de dief zich verwijderen, zeide Vitalis op bevelenden toon, en in een hoek gaan liggen; hij gaat zonder eten naar bed. Zerbino verliet terstond zijn plaats en kroop in den hoek, dien zijn meester hem aanwees; hij ging onder een hoop stroo liggen en wij zagen hem niet meer, maar hoorden hem telkens zacht kreunen. Toen dit gebeurd was, reikte Vitalis mij het brood en terwijl hij het zijne at, deelde hij aan Joli-Coeur, Capi en Dolce hun porties uit. De laatste maanden was ik bij vrouw Barberin niet verwend; toch scheen deze verandering mij zeer wreed. Hoe heerlijk was het hoekje bij den haard; met welk een genot zou ik onder mijn lakens gekropen zijn, terwijl ik het dek over mijn neus haalde! Maar helaas! er kon geen sprake zijn van lakens of van dek en wij mochten blijde wezen, dat wij een ligplaats van stroo hadden. Uitgeput van vermoeienis, met voeten als versteend, rilde ik van koude in mijn natte kleederen. Het was nu donker en nacht geworden, maar ik dacht niet aan slapen. --Uw tanden klapperen, zeide Vitalis, hebt gij het koud? --Een beetje. Ik hoorde, dat hij zijn zak opende. --Ik bezit geen fraaie garderobe, vervolgde hij, maar hier hebt gij een droog hemd en een jas waarin gij u wikkelen kunt, wanneer ge u van uw natte kleederen hebt ontdaan; gij moet dan maar onder het stroo kruipen en ik wed, dat gij wel warm zult worden en inslapen. Toch werd ik niet zoo spoedig warm, als Vitalis wel had gemeend; nog langen tijd lag ik te woelen en mij op mijn stroo te keeren en te wenden, te pijnlijk en te ongelukkig om in slaap te geraken. Zou het voortaan iederen dag zoo wezen? Zonder ooit te rusten in den regen loopen, in een schuur slapen, van koude bibberen en tot avondeten niets anders krijgen dan een stukje droog brood, en niemand om mij te beklagen, niemand om mij lief te hebben, geen moeder Barberin? Terwijl ik hierover lag te peinzen met een bezwaard gemoed en de oogen vol tranen, voelde ik eensklaps een warmen adem over mijn gelaat glijden. Ik strekte de hand uit en voelde het kroezige haar van Capi. Hij was mij stil genaderd en kroop behoedzaam voort tusschen de varen; hij snoof zachtkens; zijn adem streek mij langs het gelaat en over mijn haren. Wat wilde hij? Hij strekte zich op het stroo uit en begon mijn hand te likken. Getroffen door deze liefkoozing, richtte ik mij half op en drukte hem een kus op zijn kouden neus. Hij gaf een onderdrukten kreet en legde toen eensklaps zijn poot in mijn hand, zonder zich verder te bewegen. Ik vergat toen mijn vermoeidheid en mijn verdriet; mijn toegeknepen keel ontspande zich weder; ik haalde weer adem; ik was niet meer alleen: ik had een vriend. VI. MIJN EERSTE OPTREDEN. Den anderen morgen begaven wij ons reeds vroeg op weg. Het regende niet meer; het was een effen blauwe lucht, en, dank zij den harden wind, die gedurende den nacht was opgestoken, waren de wegen vrij schoon. De vogels zongen lustig in het geboomte en de honden sprongen vroolijk om ons heen. Van tijd tot tijd zette Capi zich op zijn achterpooten en blafte mij aan; ik begreep zeer goed wat dit te beduiden had. --Houd maar moed, houd maar moed, beteekende het. Want hij was een zeer verstandige hond, die alles begreep en zich zeer verstaanbaar wist te maken. Dikwijls heb ik hooren beweren, dat hem het spreken slechts ontbrak. Maar dat heb ik nooit gedacht. In zijn staart alleen had hij meer geest en welsprekendheid dan vele menschen in hun tong of oogen. In ieder geval hebben wij nooit aan woorden behoefte gevoeld; van den eersten dag af, hebben we elkander terstond begrepen. Daar ik nooit mijn dorp verlaten had, was ik zeer nieuwsgierig om een stad te zien. Ik moet evenwel bekennen, dat Ussel mij in het minst niet trof. De oude huizen met hun torentjes, die zeer waarschijnlijk oudheidkundigen in verrukking zouden brengen, lieten mij geheel onverschillig. Het is waar, ik zocht in die huizen ook volstrekt niet het schilderachtige. Eén gedachte slechts bezielde mij: voor niets anders had ik oogen dan voor een schoenmakerswinkel. Mijn schoenen, de schoenen, die Vitalis mij beloofd had, zouden thans spoedig aan mijn voeten zijn. Waar was de heerlijke winkel, die ze mij leveren zou? Dien winkel zocht ik: het overige, torens, daken en gevels, niets boezemde mij eenig belang in. Het eenige wat ik mij dan ook van Ussel nog herinner, is die sombere bedompte winkel in de nabijheid van de markt. Voor de deur stonden oude geweren, een jas met zilveren epauletten, eenige lampen en een groote mand met een menigte verroeste sloten en sleutels. Wij moesten drie trapjes afdalen om in den winkel te komen; wij kwamen toen in een groot vertrek, waarin het zonlicht stellig nooit was doorgedrongen, sedert het dak op het huis gezet was. Hoe was het mogelijk, dat zulke fraaie dingen als schoenen op zulk een afschuwelijke plaats verkocht werden! Vitalis wist echter best wat hij deed, toen hij dezen winkel uitkoos en spoedig smaakte ik het genot van schoenen met spijkers te mogen aantrekken, die wel tienmaal zoo zwaar wogen als mijn klompen. Hiertoe bepaalde zich de edelmoedigheid van mijn meester niet; hij kocht mij een blauw fluweelen jas, een bombazijnen broek en een kastoren hoed; kortom alles wat hij mij beloofd had. Ik zou een fluweelen jas krijgen, ik, die tot nu toe niets dan katoen had gedragen, en schoenen, en een hoed! en ik had tot hoofddeksel nooit anders dan mijn haren gehad; hij was bepaald de beste man der wereld, ongetwijfeld de edelste en rijkste. Het fluweel was, wel is waar, eenigszins vergaan en het bombazijn wat versleten; ook kon men moeielijk de kleur meer onderscheiden van het kastoor, zoozeer had het door den regen en het stof geleden; maar verblind door zooveel pracht, was ik ongevoelig voor de gebreken, die zich onder den glans verscholen. Ik verlangde vurig om die nieuwe kleederen aan te trekken, maar vóór ik ze aantrok deed Vitalis ze een verandering ondergaan, die mij innig leed deed. Toen wij in de herberg terugkwamen, haalde hij een schaar uit zijn tasch te voorschijn en sneed de beide pijpen van mijn broek af, ongeveer op de hoogte van de knieën. Terwijl ik hem met verbazing gadesloeg, zeide hij: Dit is het eenige middel om u niet op iedereen te doen gelijken. Wij zijn in Frankrijk en nu kleed ik u als een Italiaan; wanneer wij naar Italië gaan, wat zeer wel mogelijk is, dan kleed ik u als een Franschman. Deze uitlegging deed mij niet van mijn verbazing bekomen. --Wat zijn wij? Kunstenmakers niet waar? komediespelers, die door hun uiterlijk de aandacht moeten trekken. Meent gij, dat wanneer wij zoo straks als eerzame burgers gekleed naar de een of andere publieke plaats gaan, iemand voor ons zou blijven stilstaan om ons aan te kijken? Neen, niet waar? Weet, dat in het leven schijn dikwijls noodzakelijk is; 't is jammer, maar wij kunnen er niets aan doen. Zoo veranderde ik dus van een Franschman, die ik 's morgens was, 's avonds in een Italiaan. Mijn broek reikte slechts tot aan mijn knieën; Vitalis bond daaronder mijn kousen vast met roode banden, die verscheidene malen over mijn beenen werden gekruist; ook mijn hoed werd met gekleurd lint en eenige gemaakte bloemen versierd. Ik weet niet wat anderen over mij gedacht zullen hebben, maar ik moet eerlijk bekennen, dat ik me zelf prachtig vond; en dat moest ook wel zoo zijn, want mijn vriend Capi, na mij geruimen tijd te hebben opgenomen, reikte mij zeer voldaan een poot. De goedkeuring, welke Capi aan mijn gedaanteverwisseling schonk, deed mij vooral genoegen, omdat Joli-Coeur, terwijl ik mij in mijn pakje stak, vóór mij op den grond was gaan liggen en aanhoudend mijn gebaren in het overdrevene had nagebootst. Toen mijn toilet gemaakt was, had hij zijn voorpooten in de zijde gezet, zijn kop in den hals geworpen en telkens een spottend gelach doen hooren. Ik heb meermalen hooren zeggen, dat het een wetenschappelijk vraagstuk is of apen kunnen lachen. Ik denk dat zij, die zulk een vraag gesteld hebben, kamergeleerden waren, die nooit een aap hebben bestudeerd. Ik voor mij, die jarenlang een zeer vertrouwelijken omgang met Joli-Coeur gehad heb, durf gerust beweren, dat zij wel degelijk lachen, dikwijls zelfs op een wijze, die mij geducht ergeren kon. Zijn lach was wel niet precies dezelfde als die van een mensch, maar wanneer de een of andere gebeurtenis zijn vroolijkheid opwekte, trok hij de hoeken van zijn mond naar achteren en zijn oogen samen; zijn kaken gingen dan snel op en neêr en zijn zwarte oogen schenen vuur te schieten, alsof het doove kolen waren, die men aanblies. Zelfs bemerkte ik al spoedig, dat hij die eigenaardige teekenen van lachen vertoonde, bij gelegenheden die zeer pijnlijk voor mijn eigenliefde waren. --Nu uw toilet in orde is, sprak Vitalis, terwijl ik mijn hoed opzette, zullen wij aan het werk gaan, om morgen met den marktdag eene groote voorstelling te geven, waarbij gij voor de eerste maal zult optreden. Ik vroeg wat optreden was, en Vitalis legde mij toen uit, dat dit was voor de eerste maal als tooneelspeler in het publiek verschijnen. --Morgen zullen we onze eerste voorstelling geven, zeide hij, en daarin zult gij optreden. Gij moet dus de rol, die ik voor u bestemd heb, eerst repeteeren. Mijn verbaasde blik zeide hem, dat ik niets van dat alles begreep. --Men verstaat onder een rol, al datgene wat men gedurende een voorstelling te doen heeft. Ik heb u niet medegenomen louter en alleen om u eene pleizierige wandeling te bezorgen. Daar ben ik niet rijk genoeg toe. Gij moet werken. En uw werk bestaat daarin, dat gij tooneelvoorstellingen met mijn honden en Joli-Coeur geeft. --Maar ik kan geen komedie spelen! riep ik verschrikt uit. --Juist daarom zal ik het u leeren. Gij begrijpt toch wel dat Capi niet van nature zoo bevallig op zijn beide achterpooten loopt, evenmin als Dolce voor haar pleizier touwtje springt. Capi heeft het geleerd om op zijn achterste pooten te staan en Dolce heeft touwtje leeren springen; zij hebben zelfs hard en lang moeten werken om deze talenten te verkrijgen, evenals om bekwame tooneelspelers te wezen. Welnu, gij moet ook werken, om de verschillende rollen te leeren, die gij met hen te vervullen hebt. Laten we dus beginnen. Ik had in dien tijd zonderlinge begrippen van werken. Ik meende, dat werken bestond in den grond om te spitten, of een boom te kappen, of steenen te bikken en kon mij geen andere bezigheden voorstellen. --Het stuk, dat wij zullen geven, vervolgde Vitalis, heet _De knecht van den heer Joli-Coeur of de domste van de twee is niet dien men denkt_. Ik zal u het onderwerp mededeelen: De heer Joli-Coeur heeft tot nogtoe een knecht gehad, over wien hij zeer tevreden was, dat is Capi. Maar Capi wordt oud; en van den anderen kant wil ook de heer Joli-Coeur wel een nieuwen bediende. Capi neemt het op zich om hem een ander te bezorgen. Maar het zal geen hond zijn, dien hij hem tot opvolger geeft: het zal een knaap wezen, een boer, Rémi genaamd. --Zooals ik? --Neen, niet zooals gij, maar gij zelf. Gij hebt uw dorp verlaten om in dienst te treden van Joli-Coeur. --Apen hebben geen bedienden. --In een komedie wel. Gij meldt u dus aan, maar de heer Joli-Coeur vindt dat ge er te dom uitziet. --Dat is niet prettig. --Wat doet er dat toe, het is immers gekheid? Stel u dus voor, dat ge werkelijk bij een heer uw dienst komt aanbieden en dat men u beveelt, de tafel te dekken. Hier staat er juist een die in onze voorstelling gebruikt kan worden. Ga dus uw gang. Op die tafel lagen borden, een glas, een vork, een roes en servetten. Hoe moest men dat alles leggen? Terwijl ik hierover stond na te denken en de armen slap langs mijn lijf liet hangen, een weinig voorovergebogen en met half geopenden mond, niet wetende, waarmede te beginnen, klapte mijn meester in de handen en riep lachend uit: --Bravo! Bravo! dat is uitmuntend. Uw mimiek is uitstekend. De knaap, dien ik vóór u had, zette een slim gelaat, dat duidelijk te kennen gaf: "gij zult eens zien hoe dom ik wezen kan." Gij daarentegen zegt niets en uw ongekunsteld gezicht is bewonderenswaardig. --Ik weet niet wat ik doen moet. --Juist daarom is uw spel zoo goed. Morgen, binnen weinige dagen, dan zult gij wel weten, wat gij doen moet; maar dan moet gij u de verlegenheid herinneren, waarin gij thans verkeert en veinzen hetgeen gij dan niet meer gevoelt. Als gij dan deze uitdrukking en houding kunt aannemen, dan voorspel ik u een prachtig succès: Wat moet gij in mijn stuk voorstellen? Een boerenknaap, die niets gezien heeft en niets weet; deze komt bij een aap en hij is veel onhandiger en veel onwetender dan de aap, vandaar de tweede titel. "_De domste van de twee is niet dien men denkt._" Dommer te zijn dan Joli-Coeur, dat is uw rol; om die nu goed te vervullen, behoeft ge slechts te wezen, zooals ge thans zijt; maar daar dit op den duur onmogelijk is, moet ge u voor den geest brengen wat gij geweest zijt en met eenige kunst worden, wat gij van nature niet meer wezen zult. _De knecht van den heer Joli-Coeur_ was geen groot stuk en de voorstelling duurde niet langer dan twintig minuten. Maar voor onze repetitie waren drie uur noodig; Vitalis liet ons twee-, vier-, ja tienmaal hetzelfde overdoen, zoowel de honden als mij. Deze toch hadden gedeelten van hun rol vergeten en moesten die thans opnieuw leeren. De zachtheid en het geduld, die mijn meester hierbij aan den dag legde, verbaasde mij ten sterkste. Zoo behandelde men de dieren niet in ons dorp, waar vloeken en slaan het eenige middel was, dat men tot hun opvoeding aanwendde. Hij maakte zich, gedurende deze lange repetitie, geen enkele maal boos; hij vloekte in het geheel niet. --Laten wij nog maar eens beginnen, zeide hij op ernstigen toon, wanneer hetgeen hij gevraagd had niet gelukt was; dat is niet goed, Joli-Coeur; gij Capi, gij let niet op, ik zal u moeten beknorren. Dat was alles; maar toch was het genoeg. --Welnu, vroeg hij mij, toen de repetitie geëindigd was, gelooft gij, dat gij aan het komedie spelen gewoon zult raken? --Ik weet het niet. --Verveelt het je? --Neen, integendeel. --Dan zal het wel gelukken; gij hebt geest en wat nog meer waard is, gij zijt oplettend; met oplettendheid en ijver komt men er altijd. Zie mijn honden eens en vergelijk ze met Joli-Coeur. Joli-Coeur is misschien levendiger en verstandiger, maar hij heeft geen ijver. Hij neemt gemakkelijk aan wat men hem leert, maar hij vergeet het even spoedig. Bovendien doet hij het ook nooit met hart en ziel; gaarne zou hij zich altijd verzetten en altijd wil hij het tegenovergestelde. Dat is zoo zijn natuur en daarom word ik ook nooit boos op hem; de aap heeft niet, zooals de honden, een geweten dat hem gebiedt zijn plicht te doen, en daarom staat hij veel lager dan zij. Begrijpt gij dat? --Ik geloof het wel. --Wees dus oplettend, mijn jongen, en ijverig; doe hetgeen gij doen moet, altijd zoo goed mogelijk. Daarop slechts komt het in het leven aan. Terwijl hij zoo tot mij sprak, waagde ik het hem te zeggen, wat mij het meest onder de repetitie verwonderd had: zijn onuitputtelijk geduld, waarvan hij het bewijs had gegeven, zoowel met Joli-Coeur en de honden als met mij. Hij glimlachte toen even. --Men kan wel zien, dat gij tot nogtoe slechts met boeren geleeft hebt, die hun dieren zeer wreed behandelen en die meenen, dat men ze slechts met stokslagen regeeren kan. Dat is een zeer groote dwaling: door geweld krijgt men weinig gedaan, terwijl men met zachtheid alles overwint. Ik heb van mijn dieren juist door een zachte behandeling gemaakt wat ze thans zijn. Als ik ze geslagen had, zouden zij bang voor mij wezen en de vrees benevelt het verstand. Bovendien zou ik, wanneer ik driftig werd, niet wezen wie ik ben en ik zou thans niet dat onuitputtelijk geduld bezitten, dat mij uw vertrouwen heeft doen winnen. Hij, die anderen onderwijst, onderwijst tevens zich zelf. Mijn honden hebben mij evenveel lessen gegeven als zij van mij ontvangen hebben. Ik heb hun verstand ontwikkeld, zij hebben mijn karakter gevormd. Hetgeen ik hoorde scheen mij uiterst zonderling toe, en ik kon niet nalaten er om te lachen. --Gij vindt dat zeer zonderling, niet waar, dat een hond een mensch kan leeren? En toch is het waar. Denk maar eens na: Neemt gij aan, dat een hond onder den invloed van zijn meester staat? --O, zeer zeker. --Dan zult gij ook begrijpen, dat de meester verplicht is over zich zelf te waken, wanneer hij de opvoeding van een hond op zich neemt. Stel u maar eens voor, dat ik op een oogenblik, terwijl ik Capi onderwijs gaf, mij zelf vergat en driftig werd. Wat zou Capi doen? Hij zou eveneens driftig en boos worden. Dat wil zeggen, dat hij mijn voorbeeld zou volgen, en hij zou glad bedorven worden. De hond is bijna altijd het evenbeeld van zijn meester; wie den een ziet ziet den ander. Laat mij uw hond zien, dan zal ik zeggen wie ge zijt. De hond van een roover is een nijdig dier, die van een dief steelt; de domme boer heeft een hond zonder begrip, maar de beschaafde, wellevende man heeft een vriendelijken, verstandigen hond. Mijn makkers, de honden en de aap, hadden dit op mij vooruit, dat zij gewoon waren om voor het publiek op te treden, zoodat zij den anderen dag zonder eenige vrees tegemoet zagen. Voor hen was het niet anders dan iets te doen, wat zij reeds honderdmaal, ja duizendmaal verricht hadden. Maar ik voor mij deelde die heerlijke onbezorgdheid niet. Wat zou Vitalis wel zeggen, als ik slecht speelde? Wat zouden de toeschouwers zeggen? Deze gedachten beletten mij den slaap te vatten en toen ik insliep, zag ik in mijn droom verscheidene menschen, die bijna omvielen van het lachen. Ook gevoelde ik mij den anderen dag zeer zenuwachtig, toen wij de herberg verlieten om naar de markt te gaan, waar onze voorstelling zou plaats vinden. Vitalis opende den stoet; met het hoofd fier omhoog, de borst vooruit, gaf hij met zijn armen en beenen den pas aan, terwijl hij een wals speelde op een metalen fluitje. Achter hem liep Capi, op wiens rug de heer Joli-Coeur stond, in het kostuum van een engelsch generaal met een roode broek en rok, welke met goud waren afgezet en een hoed met een breeden rand en een witte pluim. Verder op eerbiedigen afstand volgden naast elkander Zerbino en Dolce. Ik sloot den optocht, die, dank zij den afstand, welken de meester ons had aangewezen, een vrij groote lengte in de straat besloeg. Maar hetgeen nog meer de aandacht trok dan ons luisterrijk gezelschap, waren de doordringende tonen van de fluit die tot in het achtergedeelte der huizen de nieuwsgierigheid der bewoners wekten. Men snelde naar de deur om ons te zien en alle gordijnen werden opgetrokken. Eenige kinderen begonnen ons te volgen, verscheidene verbaasde boeren voegden zich bij hen en toen wij de markt hadden bereikt, hadden wij een ganschen troep achter ons. Ons tooneel was spoedig opgeslagen; het bestond slechts uit een touw, dat aan vier boomen werd vastgemaakt, zoodat het een langwerpig vierkant vormde, in welks midden wij ons plaatsten. Het eerste gedeelte der voorstelling bestond uit verschillende toeren door de honden uitgevoerd; maar welke deze toeren waren, zou ik zelf niet weten te zeggen, daar ik te zeer vervuld was met mijn rol en in de grootste onrust verkeerde. Alles wat ik mij herinner is, dat Vitalis niet meer op zijn fluit speelde, maar die met een viool verwisseld had, waarmede hij de oefeningen der honden begeleidde, en waarop hij nu eens dansmuziek, dan weder lieve, vroolijke deuntjes speelde. De menigte was al spoedig tot aan het koord doorgedrongen, en wanneer ik meer werktuigelijk dan wel met een bepaalde bedoeling om mij heen blikte, dan zag ik dat aller oogen op ons waren gevestigd. Toen het eerste stuk geëindigd was, nam Capi een houten bakje in zijn bek en deed hij op zijn achterste pooten de ronde bij het "geachte publiek." Wanneer er geen centen in het bakje vielen, dan zette hij dit eerst op den grond buiten het bereik der omstanders en legde vervolgens zijn beide pooten op den weerspannigen toeschouwer, blafte eenige malen en klopte zachtjes op diens zak, alsof hij dezen wilde openen. Onder het publiek ging dan een algemeen gelach op en ieder deelde in die vroolijkheid. --Het is een slimme poedel; hij weet wiens zak het best gevuld is. --Kom, steek uw handen in uw zak. --Hij zal wat geven! --Neen hij geeft niets! --Uit de erfenis van uw oom zult gij het terugkrijgen. Eindelijk kwam het geld dan ook te voorschijn uit het alleronderste puntje van den zak. Intusschen hield Vitalis, zonder een woord te spreken, aanhoudend zijn blik op het bakje gericht en speelde eenige vroolijke deuntjes op zijn viool, die hij volgens de maat op en neer bewoog. Capi kwam weldra bij zijn meester terug, terwijl hij het bakje zegevierend in de hoogte hield. Nu was het de beurt van Joli-Coeur en van mij om op te treden. --Dames en heeren, zeide Vitalis, terwijl hij met de eene hand zijn strijkstok zwaaide en met de andere met zijn viool eenige bewegingen maakte, onze voorstelling zal besloten worden door een fraai tooneelstuk, getiteld: _De knecht van den heer Joli-Coeur of de domste van de twee is niet dien men denkt_. Een man, zoo als ik ben, vernedert zich niet om vooruit zijn stukken en zijn tooneelisten te prijzen; ik zeg slechts: zie goed toe, open de oogen wijd en maakt uwe handen vast klaar om te applaudisseeren. Hetgeen hij een fraai tooneelstuk noemde, was in werkelijkheid een pantomime; dat wil zeggen een stuk, dat met gebaren en zonder woorden gespeeld wordt. En dat moest ook zoo zijn, daar twee der hoofdpersonen, Joli-Coeur en Capi, niet konden spreken en de derde, (ik zelf) niet in staat zou geweest zijn twee woorden te uiten. Tot opheldering van het stuk en om het spel der acteurs gemakkelijker te maken, laschte Vitalis van tijd tot tijd een woordje er in, dat een verklaring gaf aan de verschillende toestanden. Zoo ook speelde hij zachtkens een krijgsmarsch bij het optreden van den heer Joli-Coeur als engelsch generaal, die zijn rang en zijn fortuin door een oorlog in Indië verworven had. Tot heden had de heer Joli-Coeur geen anderen knecht dan Capi, maar hij wilde liever een oppasser, daar zijn middelen hem deze kleine weelde veroorloofden; de dieren zijn lang genoeg de slaven der menschen geweest; het werd dus hoog tijd, dat hij hierin eene verandering bracht. Terwijl hij op de komst van dien oppasser wachtte, liep de generaal in zijn kamer op en neer en rookte een sigaar. Men moest eens zien welke rookwolken hij het publiek in het gelaat blies. De generaal werd ongeduldig en rolde met zijn oogen, als iemand die op het punt is in drift uit te barsten; hij beet op zijn lippen en stampte met zijn pooten op den grond. Toen hij voor de derde maal stampte, moest ik met Capi binnen komen. Al zou ik mijn rol vergeten zijn, dan zou de hond mij die wel hebben herinnerd. Op het gegeven oogenblik, strekte hij zijn poot naar mij uit en bracht hij mij bij den generaal. Toen deze mij zag, hief hij zijne beide handen wanhopend ten hemel. Wat, moest dit zijn knecht worden? Hij bekeek mij toen nauwkeuriger en liep eenige malen schouderophalend om mij heen. De uitdrukking van zijn gelaat was zoo dwaas, dat het geheele publiek schaterde van lachen: men begreep dat hij mij voor een grooten domkop hield; ook het publiek verkeerde in dien waan. Het stuk was er natuurlijk geheel op ingericht om aan het publiek mijne domheid te doen zien; in ieder tooneel moest ik de eene of andere onhandigheid begaan, terwijl Joli Coeur daarentegen telkens gelegenheid moest vinden om zijn verstand en slimheid aan den dag te leggen. Toen hij mij langen tijd had aangestaard nam de generaal mij uit medelijden in dienst en beval hij mij zijn tafel te dekken. --De generaal gelooft dat de knaap minder dom zal wezen, als hij wat gegeten heeft, zeide Vitalis; wij zullen eens zien of dit zoo is. Ik plaatste mij aan een tafeltje, waarop alles gereed stond. Wat moest ik met een servet doen? Capi maakte mij duidelijk, dat ik mij bedienen moest. Maar hoe? Toen ik lang er over gedacht had, snoot ik mijn neus er in. De generaal barstte toen in een hartelijken lach los en Capi viel op den grond en spartelde met zijn pooten in de lucht, uit ergernis over mijn domheid. Toen ik zag, dat ik mij vergiste, bekeek ik weder het servet en vroeg mezelf af, op welke wijze ik het gebruiken moest. Eindelijk schoot mij iets te binnen; ik rolde het servet op en bond het als een das om mijn hals. Wederom begon de generaal te lachen en Capi viel nogmaals op den grond. En zoo vervolgens tot op het oogenblik, dat de generaal wanhopend mij van mijn stoel rukte, op mijn plaats ging zitten en het eten, dat voor mij bestemd was, opat. O, _hij_ wist wel wat hij met een servet moest doen. Hoe netjes maakte hij het in het knoopsgat van zijn uniform vast en spreidde hij het over zijn knieën uit. Hoe keurig brak hij zijn brood en dronk hij zijn glas leeg. Maar dan vooral maakten zijn fijne vormen een onweerstaanbaren indruk, wanneer hij na afloop van het dejeuné een tandenstoker vroeg en daarvan een behendig gebruik maakte. Dan barstten van alle zijden de toejuichingen los en de voorstelling eindigde met een waren triomf. Hoe verstandig was de aap, hoe dom de knecht! Toen wij in onze herberg terugkwamen, maakte Vitalis mij zijn compliment en ik was zulk een komediant, dat ik trotsch was op zijn lofspraak. VII. IK LEER LEZEN. Ongetwijfeld bestond het gezelschap van den heer Vitalis uit voortreffelijke tooneelspelers--ik spreek hier van zijn honden en aap--, maar zij bezaten geen groote verscheidenheid van gaven. Wanneer zij drie of vier voorstellingen gegeven hadden, kende men hun gansche repertoire; zij vielen altijd weder in herhaling. Vandaar dat wij niet lang in eenzelfde stad konden blijven. Drie dagen na onze aankomst in Ussel moesten wij ons weder op weg begeven. Waar zouden wij heengaan? Ik was vertrouwelijk genoeg met mijn meester geworden om deze vraag te doen. --Kent gij het land? antwoordde hij mij, terwijl hij mij aanzag. --Neen. --Waarom vraagt gij mij dan waar wij heengaan? --Om het te weten. --Wat te weten? Ik wist niet wat ik zeggen zou en hield het oog gericht op den weg, die zich als een begroeid dal voor mij uitstrekte. --Al vertel ik u, vervolgde hij, dat wij naar Aurillac gaan, om ons vervolgens naar Bordeaux en van Bordeaux naar de Pyreneën te begeven, wat weet gij er dan nog aan? --Maar kent u dan het land? --Ik ben er nooit geweest. --En toch weet gij waar wij heengaan? Hij zag mij weder lang aan, alsof hij in mijn ziel wilde lezen. --Gij kunt niet lezen, niet waar? zeide hij toen. --Neen. --Weet gij wel wat een boek is? --Ja; men brengt boeken mede in de kerk; ik heb dikwijls mooie boeken gezien met prenten erin en met een lederen omslag. --Goed, gij begrijpt dus, dat men gebeden in een boek kan zetten? --Ja. --Men kan er ook andere dingen inzetten. Als gij bidt, spreekt gij woorden, die uw moeder u geleerd heeft, en die door uw oor tot uw geest zijn doorgedrongen, en vervolgens op uw tong terugkomen, als gij ze uitspreekt. Welnu, zij, die hunne gebeden uit boeken opzeggen, ontleenen de woorden, waaruit die gebeden zijn samengesteld, niet aan hun geheugen, maar zij zoeken ze met de oogen in de boeken, waarin zij staan; dat is: zij lezen. --Ik heb zien lezen, zeide ik, zegevierend als iemand, die geen dier is en die heel goed weet, waarover men spreekt. --Hetzelfde wat met de gebeden gebeurt, heeft ook met al het overige plaats. Wanneer wij ergens uitrusten, dan zal ik u een boek laten zien, waarin de namen en de geschiedenis staan van het land, dat wij doorreizen. Zij, die dit land bewoond of bezocht hebben, teekenden alles wat zij zagen in mijn boek op; zij hebben dat zoo uitmuntend gedaan, dat ik het slechts behoef te openen om het land te kennen. Het is zoo goed alsof ik het met eigen oogen aanschouw; ik leer hun geschiedenis alsof ze mij verteld werd. Ik was als het ware in het wild opgevoed en kon mij volstrekt geen denkbeeld vormen van de beschaafde wereld. Zijn woorden waren voor mij eene openbaring, die in het eerste oogenblik vaag en onbestemd was, maar mij langzamerhand duidelijker werd. Ik was wel op school geweest, maar niet langer dan een maand en in dien tijd had men mij geen boek in handen gegeven, noch mij ooit van lezen of schrijven gesproken; men had mij daar hoegenaamd niets geleerd. Men moet hieruit niet opmaken, dat, al gebeurt dit niet altijd op de scholen, hetgeen ik vertel daarom onmogelijk is. In den tijd, waarvan ik spreek, waren in Frankrijk verscheidene gemeenten, die geen scholen bezaten en al waren er die ze hadden, dan onderwezen de meesters, welke aan 't hoofd er van geplaatst waren, om de een of andere reden, hetzij omdat zij zelf niets wisten, of omdat zij wat anders te doen hadden, de kinderen, die hun toevertrouwd waren, volstrekt niets. Dit was ook het geval met onzen dorpsschoolmeester. Wist hij iets? 't Is best mogelijk en ik wil hem in het geheel niet van domheid beschuldigen, maar waar is het, dat hij gedurende al den tijd, dien ik bij hem heb doorgebracht, mij noch mijn makkers ooit een enkele les gaf; hij had wel iets anders te doen, daar hij van zijn ambacht klompenmaker was. Hij was altijd met zijn klompen bezig en van den vroegen morgen tot den laten avond zag men de splinters van beuke- en noteboomen om hem heen springen. Hij sprak nooit met ons dan om eens naar onze ouders te vragen of te klagen over koude of regen; maar over lezen of rekenen nooit een woord. Dat liet hij aan zijn dochter over, die hem moest vervangen en orde onder ons houden moest. Maar daar deze naaister was, deed zij zooals haar vader en, terwijl hij met zijn mes of zijn beitel werkte, naaide zij ijverig voort. Zij moesten toch aan den kost komen, en daar zijn twaalf leerlingen ieder elke maand vijftig centimes betaalden, was dit nog geen zes francs in de week, van welk inkomen toch geen twee menschen gedurende dertig dagen leven konden; de klompen en het naaiwerk vulden aan wat de school te weinig opbracht. Ik had op school dus niets geleerd, zelfs de letters niet. --Is lezen moeielijk? vroeg ik aan Vitalis, nadat ik geruimen tijd, in gepeins verzonken, naast hem had geloopen. Moeielijk voor hen, die een botten geest hebben en nog moeielijker voor hen, die niet willen. Hebt gij een botten geest? --Dat weet ik niet; maar, als gij mij wilt leeren lezen, geloof ik dat ik mijn best zou doen. --Nu, wij zullen zien, wij hebben nog den tijd daarmede. Tijd! Waarom begonnen wij niet terstond? Ik wist toen niet hoe lastig het was om te leeren lezen en ik verbeeldde mij, dat als ik een boek opende, ik ook dadelijk weten zou wat er instond. Den anderen dag, toen wij weder op weg waren, zag ik mijn meester zich bukken en een plankje, dat bijna onder het zand bedolven lag, opnemen. --Hier is het boek, waaruit gij zult leeren lezen, zeide hij. Dat plankje, een boek! Ik zag hem aan om mij te overtuigen, dat hij den spot niet met mij dreef. Toen ik bemerkte, dat het hem ernst was, bekeek ik zijn vondst oplettender. Het was inderdaad een stukje hout, afkomstig van een beuk, dat niet langer was dan mijn arm en niet breeder dan mijn beide handen, maar het was mooi glad. Geen krasje was er op te bespeuren. Hoe zou ik op dat plankje kunnen lezen en wat stond er op te lezen? --Gij denkt over iets, zeide Vitalis lachend. --Gij drijft den spot met mij. --Volstrekt niet, beste jongen; spot is goed om een slecht karakter te verbeteren, maar men moet dien nooit tegenover onwetendheid aanwenden: dat zou een bewijs van eigen domheid wezen. Wanneer wij dat boschje bereikt hebben, zullen wij een oogenblik uitrusten en zal ik u toonen, hoe men iemand met een stukje hout kan leeren lezen. Spoedig hadden wij de aangewezen plaats bereikt en zetten onze bagage op den grond, terwijl wij ons in het gras neervlijden waartusschen de meizoentjes reeds begonnen te ontluiken. Joli-Coeur werd van zijn ketting losgemaakt en gebruikte deze gelegenheid om in een boom te klauteren en eens duchtig aan de takken te schudden, maar tevens om de noten er af te laten vallen, terwijl de honden, veel kalmer omdat zij vermoeid waren, zich naast ons te slapen legden. Vitalis haalde toen een mes uit zijn zak en trachtte een zeer dun reepje hout van het plankje af te snijden. Toen hij hierin geslaagd was, wreef hij dit glad en brak het vervolgens in even groote stukjes, zoodat hij ongeveer vier en twintig blokjes hout had. Ik hield voortdurend mijn blik op hem gevestigd, maar ik moet bekennen, dat ik, ondanks mijn vluggen geest, volstrekt niet begreep, hoe men van dat hout een boek maken kon; want hoe onwetend ik ook wezen mocht, wist ik toch, dat een boek uit een zeker aantal bladen papier bestond, waarop zwarte figuren geteekend waren. Waar waren de bladen papier? Waar stonden de zwarte figuren? --Op elk blokje hout zal ik morgen met de punt van mijn mes een letter uit het alphabet snijden. Gij kunt op die wijs gemakkelijk de letters leeren en wanneer gij die kent, zonder ooit te haperen en ze terstond weet te noemen, dan kunt gij de eene naast de andere leggen en woorden spellen. Als gij dan die woorden weet, die ik zeg, dan kunt gij lezen. Ik had mijn zakken spoedig vol met een aantal van die blokjes en weldra kende ik ook de letters; maar lezen, dat was nog iets anders; dat ging zoo snel niet en er kwam zelfs een oogenblik, waarop het mij berouwde, dat ik het had willen leeren. Ik moet er echter bijvoegen, om me zelven recht te doen wedervaren, dat dit niet uit luiheid was, maar wel uit eigenliefde. Vitalis leerde tegelijk met mij aan Capi de letters; daar deze wel de cijfers der uren had kunnen onthouden, zou hij even zoo in staat wezen de letters in zijn geheugen op te nemen. Wij leerden dus onze lessen te zamen; ik was de schoolmakker van Capi geworden, of, zoo men wil, hij de mijne. Capi behoefde de letters niet op te noemen, zooals ik, daar hij niet spreken kon, maar wanneer onze blokjes op het gras uitgespreid lagen, dan moest hij met zijn poot de letters aanwijzen, die Vitalis opgaf. In het eerst maakte ik grooter vorderingen dan de hond; maar al was ik verstandiger, zijn geheugen was sterker: wanneer hij eenmaal goed iets geleerd had, dan wist hij dat voor zijn leven; hij vergat het nooit, en daar hij geene afleiding had, aarzelde hij zelden en vergiste zich nimmer. Wanneer ik een fout maakte, dan zeide onze meester altijd: --Capi zal eerder kunnen lezen dan Rémi. En de hond, die dit ongetwijfeld begreep, kwispelde zegepralend met zijn staart. --Dommer dan een dier is goed op het tooneel, maar in de werkelijkheid is het een schande. Dit hinderde mij geducht en ik legde mij met hart en ziel op mijn studie toe; terwijl de hond niet verder kwam dan zijn naam te schrijven, mocht het mij weldra gelukken in een boek te lezen. --Nu gij lezen en schrijven kunt, zeide Vitalis, wilt gij zeker ook wel muziek leeren? --Als ik muziek ken, zou ik dan ook zoo kunnen zingen als gij? --Wilt gij dan zingen zooals ik? --O, niet zooals gij, ik weet zeer goed, dat dit onmogelijk is maar ik wilde gaarne zingen. --Gij luistert dus naar mij, wanneer ik zing? --Ja, het is voor mij een groot genot; een nachtegaal zingt mooi, maar ik vind uw stem mooier; en bovendien is dat ook in het geheel niet hetzelfde; wanneer gij zingt, dan kunt ge van me maken wat ge wilt; ik gevoel dan beurtelings lust tot weenen en lachen en misschien zult gij het dwaas van mij vinden, als ik u zeg, dat, wanneer gij een lief zacht deuntje zingt, het mij is of ik bij vrouw Barberin ben, dan denk ik aan haar en dan zie ik haar in ons huis; en toch begrijp ik de woorden niet, die ge spreekt, daar het italiaansch is. Terwijl ik met hem sprak, zag ik hem aan en het scheen mij toe, dat zijn oogen vochtig werden; ik zweeg toen en vroeg of ik hem leed deed. Neen, mijn kind, zeide hij met bewogen stem, maar gij herinnert mij aan mijn eigen jeugd, aan den goeden ouden tijd. Wees gerust, ik zal u zingen leeren en daar gij zeer gevoelig zijt, zult gij tranen weten op te wekken en zal men u toejuichen; dat zult gij zien..... Hij zweeg eensklaps en ik meende te begrijpen, dat hij liever niet over dit onderwerp wilde voortspreken. Maar welke reden hij daartoe had, kon ik niet gissen. Later eerst heb ik die vernomen; heel veel later eerst en onder de treurigste omstandigheden, maar die ik wel vertellen zal als mijn verhaal zoover is. Den anderen dag schreef mijn meester muziek voor mij, op dezelfde wijze als hij de letters voor mij had gemaakt. Ditmaal echter was zijn werk veel moeielijker, want de verschillende teekens die voor de muziek vereischt worden, zijn wel zoo samengesteld als die van het alphabet. Om mijn zakken niet al te vol te maken, gebruikte hij de blokjes hout aan beide kanten en nadat hij aan elke zijde vijf lijnen getrokken had, die de notenbalken moesten voorstellen, grifte hij op het eene een f- en op het andere een g-sleutel. Toen hij hiermede gereed was, begonnen zijn lessen en ik moet bekennen, dat zij mij niet minder moeielijk vielen dan de vorige. Meer dan eens begon Vitalis, die zoo geduldig met zijn honden was, aan mij te wanhopen. --Wanneer men een dier leert, dan houdt men zich in, want dan weet men dat het een dier is, maar met u is mij dat bijna onmogelijk. Hij hief dan op de meest aandoenlijke wijze de handen ten hemel en liet ze vervolgens met een harden slag op zijn dijen nederkomen. Joli-Coeur, die alles altijd herhaalde wat hij dwaas vond, had ook deze beweging nagebootst, en daar hij altijd bij mijn lessen tegenwoordig was, speet het mij geweldig, wanneer ik mij vergiste en hem zijn armen weder ten hemel zag heffen. --Zelfs Joli-Coeur lacht u uit, riep Vitalis. Als ik gedurfd had, zou ik geantwoord hebben, dat hij zoowel den meester als den leerling bespotte, maar uit eerbied en uit vrees hield ik gelukkig dit gezegde altijd terug; ik stelde mij tevreden met het tegen mezelf te zeggen, wanneer Joli-Coeur met dit gebaar begon en een leelijk gezicht daarbij trok, hetgeen mij toch altijd eenige verlichting gaf. Toen de eerste schreden met min of meer moeite gezet waren, had ik ook de voldoening een deuntje te kunnen neuriën, dat Vitalis op een blad papier geschreven had. Dien dag bleef hij zijn kalmte behouden en tikte zelfs een paar maal vriendschappelijk op mijn wang, terwijl hij er bijvoegde, dat, als ik zoo voortging, ik waarschijnlijk een groot zanger worden zou. Die vorderingen echter, men moet dit wel begrijpen, hadden niet op een enkelen dag plaats; weken en maanden verliepen er, dat ik voortdurend mijn zakken met blokjes hout moest vullen. Ook was mijn werk niet zoo geregeld als bij een schoolkind en het was slechts in verloren oogenblikken, dat mijn meester mij les geven kon. Iederen dag hadden wij onze wandeling, die nu eens kort, dan weder lang was, al naarmate de dorpen ver van elkander verwijderd lagen; overal moesten wij een voorstelling geven, waar wij kans hadden om een voldoende ontvangst te bekomen; de honden en Joli-Coeur moesten dagelijks hun repetitie houden en wij moesten voor ons ontbijt en middagmaal zorgen. Als dat alles was afgeloopen, kon er eerst aan de muziekles worden gedacht; meestal had ze plaats bij een halt onder een boom of wel op een hoop steenen, terwijl dan het gras of de weg gebruikt werd om er mijn blokjes op uit te spreiden. Deze opvoeding geleek in het minst niet op die, welke andere kinderen ontvangen, die niets te doen hebben dan te leeren en zich toch altijd beklagen, dat zij geen tijd hebben om hun plicht te doen. Er is echter iets belangrijker dan de tijd dien men met werken doorbrengt: de inspanning, die wij aan dat werk wijden; het is niet het uur, dat wij aan onze les geven, om ze in het geheugen te prenten, maar de wil, dien men medebrengt, om ze te leeren. Gelukkig was mijn wilskracht zoo groot, dat ik mij nooit liet afleiden door hetgeen om ons voorviel. Wat zou ik geleerd hebben, zoo ik altijd in een kamer had kunnen werken, met mijn handen op mijn ooren en de oogen in de boeken, zooals sommige scholieren! Daarvan kwam niets van in bij ons, want wij hadden geen kamer, waarin wij ons konden opsluiten en als wij op den grooten weg liepen, moest ik wel goed opletten, waar ik mijne voeten zette, daar ik anders licht zou zijn gestruikeld. Ik leerde toch iets en leerde tevens verre tochten maken, wat niet minder beteekende dan de lessen van Vitalis. Ik was een mager kereltje, toen ik bij vrouw Barberin leefde en de wijze, waarop men over mij sprak, duidde dit aan; "een stadskind", had Barberin gezegd, "met te korte beenen en armen" had Vitalis er bij gevoegd. Bij mijn meester en in de buitenlucht werden mijn armen en beenen krachtiger, mijn longen ontwikkelden zich; kortom, ik werd tegen weer en wind gehard en was binnen korten tijd in staat om zoowel koude als warmte, vermoeienis als ontberingen te verdragen. En deze leertijd was mijn geluk, want hij stelde mij in staat weerstand te bieden aan de slagen, die mij meer dan eens zouden treffen, harde en verpletterende beproevingen in mijn jeugd. VIII. BERG EN DAL. Wij hebben het zuidelijk gedeelte van Frankrijk doorkruist: Auvergne, Velay, Vivarais, Quercy, Rouergue, Cevennes en Languedoc. Onze manier van reizen behoorde tot de eenvoudigste: wij liepen steeds recht toe recht aan; en als wij aan een dorp kwamen, dat ons niet al te armoedig scheen, dan maakten wij de noodige toebereidselen tot een feestelijken intocht. Ik kleedde de honden aan, maakte het kapsel van Dolce in orde en doste Zerbino zoo fraai mogelijk uit, terwijl ik op Capi's oog een pleister plakte om hem zijn rol van een ouden knorrepot te laten spelen, en eindelijk dwong ik Joli-Coeur om zijn generaalsrok aan te trekken. Dat was nog het moeielijkste gedeelte van mijn taak, want de aap, die zeer goed wist, dat dit kostuum voorafging aan hetgeen hij te verrichten zou hebben, verdedigde zich zoolang mogelijk en bedacht de zonderlingste streken om mij het aankleeden te beletten. Ik riep dan Capi te hulp en door diens handigheid, instinct en slimheid gelukte het mij meestal hem machtig te worden. Wanneer wij allen in groot tenue waren, haalde Vitalis zijn fluit te voorschijn en wij trokken dan in geregelde orde het dorp binnen. Zoodra het aantal nieuwsgierigen voldoende was, gaven wij eene voorstelling, maar wanneer dit niet talrijk genoeg was om een goede ontvangst te kunnen verwachten, vervolgden wij onzen weg. In de steden echter vertoefden wij eenige dagen en 's morgens mocht ik dan gaan wandelen, als ik daartoe lust gevoelde. Ik nam Capi dan met mij mede--Capi geheel als hond, zonder zijn comediepakje, drentelde met mij door de straten. Vitalis die mij gewoonlijk niet van zich weg liet gaan, stond mij echter deze vrijheid gaarne toe. --Daar het toeval u door Frankrijk voert op een leeftijd, dien andere kinderen gewoonlijk op de schoolbanken doorbrengen, moet gij trachten alles te zien en te hooren. Wanneer gij u in moeielijkheden bevindt, iets ziet dat gij niet begrijpt, of mij het een of ander te vragen hebt, kom dan gerust bij mij. Misschien kan ik er u niet altijd een antwoord op geven, want ik beweer volstrekt niet, dat ik alles weet, maar het is zeer wel mogelijk, dat ik dikwijls aan uwe nieuwsgierigheid voldoen kan. Ik ben niet altijd directeur van een troep gedresseerde honden geweest en ik heb wel wat anders geleerd, dat mij nu te stade komt, om Capi en den heer Joli-Coeur aan het geëerde gezelschap voor te stellen. --Wat dan? --Dat zal ik u later wel eens vertellen. Voor het oogenblik behoeft gij slechts te weten, dat een man met geleerde honden wel eens een gansch andere plaats in de wereld kan bekleed hebben. En weet dan tevens, dat, al behoort gij thans tot een der laagste standen in de maatschappij, gij tot een hoogeren kunt geraken, wanneer gij wilt. Dit hangt een weinig van het toeval af, maar veel van u zelf. Wanneer gij naar mijn lessen luistert en mijn raad opvolgt, dan zult gij later, als gij ouder zijt, met een gevoel van genegenheid en dankbaarheid terugdenken aan den armen muzikant, die u zooveel schrik aanjoeg, toen hij u van uw pleegmoeder scheidde; ik verbeeld mij, dat onze ontmoeting tot uw geluk leiden moet. Welke kon die stand wezen, waarover mijn meester dikwijls met zekere geheimzinnigheid sprak? Deze vraag wekte telkens mijne nieuwsgierigheid op en hield mijn geest aanhoudend bezig. Indien hij zulk een hooge betrekking in de maatschappij bekleed had, waarom was hij dan tot zulk een lage afgedaald? Hij beweerde, dat ik mijzelf tot eene betere positie kon opwerken, zoo ik dat wilde; ik, die niets was, niets wist, zonder een bloedverwant of iemand om mij te helpen. Waarom was hij dan zelf zoo gedaald? Nadat wij Auvergne verlaten hadden, hadden wij ons naar de golvende vlakte van Quercy begeven. Geen land is armer en treuriger dan dit. En wat bovendien den indruk, dien de reiziger in deze streek ontvangt, nog sterker maakt, is, dat er bijna nergens eenig water te bespeuren is. Geen rivier, noch beekje, noch vijver. Hier en daar een steenachtige bedding van een stroom, die thans geheel verlaten was. Het water was in de diepte verdwenen en had zich verborgen onder den grond, om elders op te borrelen en rivieren of fonteinen te vormen. Midden in deze vlakte, die op het tijdstip, dat wij haar bezochten geheel verzengd was door de droogte, ligt het aanzienlijke dorp Bastide-Murat; wij brachten daar den nacht door op de vliering van een herberg. --Hier, zeide Vitalis, toen wij 's avonds, vóór we ons naar bed, begaven, nog een oogenblik bleven praten, hier is een man geboren die duizenden soldaten heeft doen sneuvelen, die zijn loopbaan als staljongen begonnen is, en als vorst en koning haar heeft geëindigd; hij heette Murat; men heeft een held van hem gemaakt en zijn naam aan dit dorp gegeven; ik heb hem gekend en zelfs dikwijls gesproken. Ondanks mijzelven kon ik eene vraag niet terughouden. --Toen hij staljongen was? --Neen, zeide Vitalis lachend, toen hij koning was. Het is voor de eerste maal, dat ik te Bastide kom en ik heb hem te Napels, te midden zijner hofhouding, gekend. --Hebt gij een koning gekend? Ik vermoed, dat de toon waarop ik dit uitriep, zeer dwaas was, want mijn meester barstte in lachen uit. Wij zaten op een bank voor den stal, met onzen rug tegen den muur geleund, waarop de warmte van den dag afstraalde. In een boschje eschdoorns, in de nabijheid, zongen de nachtegaals. Vóór ons, hoog boven de daken, steeg de maan zachtkens ten hemel. Deze avond was voor ons des te aangenamer, daar de dag brandend heet was geweest. --Wilt gij gaan slapen, vroeg Vitalis mij, of wil ik u de geschiedenis van koning Murat vertellen? --O, ja, de geschiedenis van den koning. Hij verhaalde mij toen diens levensloop en uren lang bleven wij op die bank zitten; hij vertelde steeds voort, terwijl ik als aan zijn lippen hing en zijn gelaat door het bleeke maanlicht beschenen werd. Was dat alles mogelijk, niet alleen mogelijk, maar waar! Tot op dat oogenblik had ik in het minst geen begrip gehad wat de geschiedenis eigenlijk was. Wie zou ze mij ooit verteld hebben? Vrouw Barberin zeker niet; zij wist het zelve niet. Zij was te Chavanon geboren en zij hoopte daar te sterven. Haar gedachten waren nooit verder gegaan dan haar oogen. En voor haar oogen lag het heelal besloten in het landschap, waar zij de zon zag ondergaan achter den berg Hudouze. Mijn meester had een koning gezien; die koning had tot hem gesproken. Wat was mijn meester dan toch in zijn jeugd geweest? En door welke oorzaak was hij op zijn ouden dag geworden wat hij thans was? Men zal mij moeten toegeven, dat dit meer dan voldoende was om een kindergeest bezig te houden, zoo vatbaar voor al wat wonderlijk is. IX. IK ONTMOET EEN REUS MET ZEVENMIJLS LAARZEN. Toen wij het dorre en onvruchtbare landschap verlaten hadden, daalden wij naar het schoone en liefelijke dal van de Dordogne, dat wij bij kleine dagreizen doortrokken, want een rijk land bevat welgestelde burgers en daar onze voorstellingen zeer talrijk waren, stroomde het geld in Capi's bakje. Een bevallige brug, die in den nevel ons toescheen aan herfstdraden te hangen, strekt zich boven een breede rivier uit, welke rustig tusschen hare boorden voortkabbelt; het is de brug van Cubzac en de rivier is de Dordogne. Een oude bouwvallige stad met grachten en wallen, met torens en een klooster, omheind door ingestorte muren, met boschjes waarin de krekel zich onophoudelijk doet hooren--dat is Saint-Emilion. Maar dat alles staat mij slechts onbestemd voor den geest, terwijl een ander schouwspel mij veel meer getroffen heeft, en zulk een diepen indruk op mij maakte, dat ik het mij nog levendig herinneren kan. Wij hadden den nacht in een zeer arm dorp doorgebracht, dat wij den anderen morgen reeds bij het aanbreken van den dag verlieten. Geruimen tijd hadden wij een zandweg gevolgd, toen wij plotseling, in plaats van de wingerden, die den weg omzoomden, een open vlakte voor ons zagen, alsof eensklaps, door een tooverstaf, een gordijn was opgetrokken. Een breede rivier kronkelde zich zachtkens om den heuvel, dien wij bestegen, en aan gindsche zijde van die rivier verhieven zich de daken en torens van een groote stad, waarvan de grens met den horizon samensmolt. Wat een huizen! Wat een schoorsteenen! De een al hooger en nauwer dan de ander. Zij stonden daar als pilaren, die een zwarte rookkolom deden opstijgen, prijsgegeven aan de luimen van een licht koeltje, en boven de stad pakten zij zich tot een donkere wolk samen. Middenop die rivier en aan de kade lagen een aantal schepen, die als boomen van een woud zich verhieven, waarvan tuig en masten, zeilen en vlaggen in elkander grepen en zich verwarden, wanneer de wind er onder speelde. Men hoorde een dof gedreun, het geluid van rammelend ijzer en zware hamerslagen, terwijl daar bovenuit onafgebroken het ratelen van rijtuigen klonk, die men in zijn verbeelding over de kade zag rijden. --Dat is Bordeaux, sprak Vitalis. Voor een kind, dat eene opvoeding genoten had als ik, en tot nogtoe slechts arme dorpen of kleine steden had gezien, was het alsof het plotseling in een tooverwereld verplaatst werd. Onwillekeurig bleef ik stilstaan en staarde ik strak voor mij uit. Maar weldra werd mijn blik toch door één punt geboeid: de rivier en de schepen, die haar bedekten. Ik had mij nooit eene voorstelling daarvan gemaakt en ik begreep er ook niets van. Schepen in volle zeilen zakten langzaam de rivier af, bevallig overhellend naar de eene zijde, terwijl andere vaartuigen de rivier opvoeren; ook zag ik er sommigen die onbeweeglijk bleven liggen, alsof zij een eiland waren, en nog anderen weder, die om zich zelf heendraaiden, zonder dat men bemerken kon,