[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of De Roos van Dekama, by J. van Lennep This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: De Roos van Dekama Author: J. van Lennep Release Date: September 2, 2006 [EBook #19161] Language: Dutch Character set encoding: ISO-8859-1 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ROOS VAN DEKAMA *** Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
[Inhoud]
Het was in den zomer van 18—, dat twee studenten aan de Leidsche Hoogeschool, beiden aan den Uitgever dezes bekend als jongelieden van een uitmuntende inborst en voortreffelijken aanleg, gezamenlijk hun voornemen bewerkstelligden, om de onderscheidene gewesten van Noord-Nederland door een onderzoek uit eigen oogen van nabij te leeren kennen. Beiden waren van gevoelen, dat, al biedt ons vaderland den oppervlakkigen reiziger, die slechts verpoozing en verstrooiing zoekt, noch schitterende natuurtooneelen, noch uitgezochte vermaken aan, gelijk in andere landen en hoofdsteden te vinden zijn, het desniettemin voor de zoodanigen, die eenmaal geroepen kunnen worden om aan dat vaderland van dienst te zijn, belangrijk is, ja zelfs hun eenigermate als plicht kan worden toegerekend, er de onderscheidene deelen van te leeren kennen, alvorens zij een Engelschen wedloop gaan aangapen, eenige goudstukken aan de farotafels der Duitsche badplaatsen wagen, of een sigaar op de bouwvallen van het coliseum rooken:—ja zij vermeenden dat het hun in rijper leeftijd meer nut zoude doen, wanneer zij waar het paste, blijken konden geven, niet onbekend te zijn met de zeden en gewoonten hunner landgenooten; en met den inwendigen toestand onzer gewesten en steden, ten opzichte der bronnen hunner welvaart of der oorzaken van hun verval,—dan wanneer zij nog zoo mooi konden meepraten over de opvoering der Juive te Parijs, of klagen over het hedendaagsche onderscheid der vroeger zoo gulle Zwitsersche herbergiers, of de Engelsche dames beschrijven, die met taffen parasols de Vesuvius beklimmen, of zelfs een steentje uit den zak halen, uit Pompeji medegebracht.
Zij bezochten op hun voetreis (want wie alles goed wil zien, dient zich van een paar waterdichte en gemakkelijke schoenen te voorzien, en zich niet dan uit nood van rijtuigen of trekschuiten te bedienen) ook dat gewest, hetwelk, sedert oude tijden en door alle overheerschingen heen, den naam van Friesland bewaard, en nog het langst zijn oorspronkelijkheid en zelfstandigheid (om het nieuwerwetsche [2]woord eigendommelijkheid niet te bezigen) behouden heeft; ofschoon ook aldaar een nauwere betrekking met andere gewesten en landstreken haar invloed meer en meer begint te doen gevoelen, en de zoogenaamde beschaving er een vroeger ongekende zucht tot navolging heeft ontwikkeld: zoodat men reeds Friesche boerenmeisjes ziet, die wijde mouwen dragen, en Friesche burgervrouwtjes, die (wellicht helaas! ten gevolge van verminderde welvaart) den gouden diadeem voor een nieuwmodisch mutsje verwisselen.
Terwijl de een van onze beide wandelaars, wien wij bij zijn voornaam Gerrit zullen aanduiden, en die een ontluikend staathuishoudkundige was, zich verdiepte in het onderzoek naar de oorzaken, welke die vermindering van nationaliteit teweegbrachten, wendde Willem, zijn makker, die meer bijzonder werk maakte van geschied- en oudheidkundige nasporingen, alle moeite aan, om de overblijfselen der vroegere zeden en gebruiken, voor zooverre die nog bestonden, te leeren kennen: en evenals onze oude kennis Robinson van onder de overblijfselen van der Kannibalen feestmaal de sprankjes vuur zocht op te rakelen, die nog onder de asch mochten smeulen, zoo speurde hij de schemeringen der verouderde gewoonten en overleveringen na, en verheugde zich, zoo vaak het hem gelukken mocht, die op te delven van onder den hoop nieuwigheden, daarover heen gestoven.
Zoo was hij recht in zijn schik geweest, toen hij op een der dorpen een echt Friesche begrafenis in volle tenue naar het kerkhof had zien kuieren. En toen hij, in de herberg gekomen, vernam, dat het harde, in lange sneden gedeelde krentenbrood herkomstig was van de overblijfselen des gehouden lijkmaals, en naar oud gebruik aan de betrekkingen des overledenen was rondgezonden, at hij er, uit louteren eerbied voor de antiquiteit, drie groote sneden van: terwijl Gerrit, die (hoewel slechts uit honger) niet achterbleef in het orberen van zijn aandeel, met den waard over den prijs der granen sprak.—Zoo juichte Willem, toen hij den rijken schat van kunstig gesnedene beeldjes en versierselen bezag, welke de oude banken der kanunniken in de fraaie hoofdkerk te Bolsward opleveren, en schold op de Redactiën onzer penningmagazijnen, die ons nagedrukte afbeeldsels van uitheemsche merkwaardigheden verschaffen, en die geen teekenaar afzenden om al het bijzondere, daar en elders op eigen bodem, af te schetsen, en ter kennisse van onze landgenooten te brengen: ja, toen Gerrit, met hem op straat komende, zijne bevreemding te kennen gaf, dat men in het bestraten te Bolsward nog meer achterlijk was dan te Amsterdam, en er niet eens de verontschuldiging bij kon brengen, dat de gaspijpen de straat bederven, was onze oudheidkenner nog bezig met tegen de kerkvoogden te brommen, dat die sommige zitbankjes hadden laten dichtspijkeren, en daardoor ettelijke beeldjes aan het oog onttrokken, en tegen de vijfennegentigers, die al de wapenen uit de zerken gehakt, en alle tronies van neus beroofd hadden. En, omgekeerd, deelde hij niet in de ergernis van Gerrit, over het afnemen der buitengronden en den slechten [3]toestand van sommige dijken; want het was juist ebbe en zijn geheele ziel was opgelost in verrukking, toen hij door de beschouwing der droge wadden en der kleur van het zeewater boven de banken, zich een duidelijk begrip van de voormalige gedaante der zeekust vormen kon.
Eens, op zekeren avond, nadat zij zich verlustigd hadden met een wandeling over de bekoorlijke heuvelen van het Gaasterland, kwamen zij aan zekere herberg, nabij een binnenwater gelegen, waar zij den nacht hoopten door te brengen. Zij troffen noch den kastelein aan, noch de kasteleinske, die beiden naar eene naburige kermis getrokken waren, en de dienstmaagd durfde het niet op zich te nemen, hun een bijzondere kamer aan te wijzen, gelijk zij verzocht hadden, ten einde aldaar het gedurende den dag opgeteekende in orde te kunnen brengen. Zij zouden zich intusschen spoedig met het denkbeeld getroost hebben, dat zij aan den publieken haard wellicht het een of ander opmerkenswaardigs vernemen zouden, ware niet Gerrit door een aanval van kiespijn geplaagd geweest, waardoor hij zich weinig opgewekt gevoelde tot de genoegens van een gezellig onderhoud.
Zij maakten echter van den nood een deugd, en traden het hun aangewezen benedenvertrek binnen, waar zij een viertal personen gezeten vonden, die zich, voor zooveel de avondschemering toeliet zulks te onderscheiden, met den geur van de Friesche baai en van het bittere vocht in stille bedaardheid verlustigden. Nadat de gewone groete en het hartelijke vaar jou wel? over en weder gewisseld waren, haalde Gerrit zijn zakdoek uit en plaatste zich aan een tafel, in de houding van iemand, die met kiespijn gekweld is: namelijk hij zette een droevig gezicht, legde den elleboog op de tafel, den doek in de linkerhand en de linkerwang op den doek, sloeg de beenen over elkander, en bleef met de rechtervingers krampachtig op de tafel trommelen.
“Komaan!” zeide Willem: “stop een pijp; dat zal u goeddoen: ik zal intusschen een flesch wijn laten aanrukken, en dan zult gij uw kwalen wel vergeten. Is dat niet een tarief van wijnen, daarginds?—Voorwaar! zij schijnen hier wel voorzien te zijn! beter dan men in een landherberg verwachten zoude! Videamus!”
Dit zeggende trad hij naar een groot blad toe, hetwelk in een houten lijst gevat voor den schoorsteen hing, en hetgeen hij voor een wijnkaart had aangezien. Hij bemerkte echter bij ’t naderen dat hij zich vergist had; het opschrift, daarboven geplaatst, luidde als volgt:
Tarief der Galamadammen.
“Gala-Madammen!” riep hij, zich verbaasd omdraaiende: “eilieve Gerrit! Het schijnt, dat er een bijzonder Tarief is voor de dames die hier vertering maken. Maar waar is nu het Tarief voor de Gala-Heeren?”
“Kom! gij zijt een ezelskop!” zeide Gerrit, zonder zich te verwaardigen, slechts even zijn houding te veranderen! “Het is het [4]tarief der Galamadammen, dat zijn: de Dammen van Galama.”
“Hm! zoo!” hernam Willem: “men mag niet eens meer een onnoozele woordspeling maken. Denkt uwe hoogverlichte wijsheid, dat ik dit niet zonder uwe opheldering vatte? Denkje dat ik niet zoo goed en beter dan gij weet, dat zich in deze omstreken de Galamaas ophielden, van den driesten strooper af, die Graaf Floris den Vetten een steek gaf, tot den wakkeren Vetkooper Ige toe?”
“De jongste broeder van Ige was de stamvader van mijn grootmoeder,” zeide met een piepend stemmetje een der aan de tafel gezetene personen.
“In waarheid!” riep Willem, zich verheugd naar den spreker wendende, een klein, schraal, ineengedrongen mannetje, met een half boersch, half steedsch voorkomen: “heb ik waarlijk de eer, mij met een afstammeling der Galamaas in gezelschap te bevinden?—Dan moet er dadelijk licht komen, opdat ik u beschouwen moge, en wijn, opdat ik uw gezondheid drinke.”
“Ja maar! ’t Is alleen van moederszijde,” zeide de Fries. “Mijn naam is Dirk Broddelsma.”
“Om ’t even! Het echte frije Friesche bloed stroomt u toch nog in de aderen, en gij zult dienvolgens al zoomin tegen een glas wijn hebben als uw voorouders:—schoon die meer bier dronken.”
Licht en wijn werden hierop binnengebracht: en Willem, de glazen gevuld hebbende, stelde de gezondheid van den Heer Broddelsma in, die door al de aanwezigen gedronken werd. Alleen Gerrit, die reeds met verdriet voorzag, dat de gulhartigheid van Willem tot een drinkpartij aanleiding zoude kunnen geven, welke hun beiden op hun nachtrust en op een goede som gelds daarenboven zou komen te staan, vergenoegde zich, zijn glas even aan de lippen te brengen en het daarna weder voor zich te plaatsen.
“Hoe is het?” vroeg Willem: “drinkje niet? dan geloof ik waarlijk dat het slecht met u gesteld is.”
“Ik heb mondpijn,” zeide Gerrit, “en geloof dat alle verhitting schadelijk voor mij is.”
“Er is hier een uitmuntende quack1 in de buurt,” zeide een der aanwezigen: “die een kwade kies zal trekken, trots den besten tandmeester.”
“Het is geen kies die het doet,” zeide Gerrit; “het is eerder scheurbuik: mijn tandvleesch is gezwollen.”
Triboulet, de hofnar van François I, merkte eenmaal op, dat er geen beroep was, hetwelk zoo algemeen werd uitgeoefend als dat van geneesheer; de waarheid van deze bewering werd ook nu bevestigd: want elk der aanwezigen gaf dadelijk een geneesmiddel aan de hand: de een prees lepelblad aan: de ander sprak van mastik en wierook: een derde schreef zwavel en magnesia voor: een vierde beweerde, dat een pruim van echte baai alle pijn [5]dadelijk zoude stillen; de meid uit de herberg daarentegen hield vol, dat het beste middel in het water over de deur groeide.
“Laat maar wat harntje rijs plukken,” zeide zij: “dat is, afgekookt, de beste mondspoeling tegen alle scheurbuik.”
“Probatum est!” riep Willem: “dat is de herba brittannica, waar Plinius reeds van spreekt en waaraan hij diezelfde pijnstillende krachten toeschrijft.”
“Ik ’loof ook, dat ik die ’evonden heb in het oude receptenboek, dat ik thuis heb,” zeide de afstammeling der Galamaas.
“Een oud receptenboek?” herhaalde Willem, den spreker met een nieuwsgierigen blik aanziende.
“Ja toch! daar is onze familie raar aan ’ekomen:—door dien zelfden Ige Galama, waar jou van sprak.”
Aandachtig schoof Willem zijn stoel bij, en Gerrit zelf, het hoofd oplichtende, keek den verteller met belangstelling aan.
“Jou moet dan weten,” verhaalde de Heer Broddelsma, “dat er op een dorp hier kort bi, dat Hemelum heet, een klooster bestond, waarbinnen een sterke plaats was, de Spiker genaamd. Nu had de Abt van dat klooster, die Agge geheeten was en een groot Schieringer.... want jou moet weten, dat er twee partieën in Friesland waren, die....”
“Nu ja!” viel Willem in, “haec lippis et tonsoribus nota, ’t geen zooveel zeggen wil als: vertel maar verder.”
“Nu! de Abt lag overhoop met Ige Galama en zijn broers (waarvan de jongste, Douwe, mijn stamvader was), over eenige pondematen lands, daar ze allebei recht op vermeenden te hebben: en het liep zoover, dat de Abt hen in den ban deed: dat was nu zoo de manier in die tiden.”
”’t Mocht wat!” zeide Willem: “de manier was toen, er om te vechten, totdat een van beiden alles inhad.”
“Jawel juust! dat zal jou hooren: Ige en zijn broers lachten wat om dien ban; en met behulp van Juw Jongema, die een wakkere Vetkooper was, en van eenige Hollanders, belegerden zij het klooster en namen den Spiker in. Zij haalden er alles uut wat zij vonden: en Ige behield een grooten buut voor zich; maar mijn stamvader Douwe, die een man van studie was, nam er de perkamenten en papieren uut, waaronder er waren, die, zooals men zeide, herkomstig waren uut Sint-Odulf, dat een klooster was nabi Staveren, maar dat nu onder de zee bedolven ligt.”
“En bestaan die papieren nog?” vroeg Willem, verheugd opspringende.
“Ze zijn zoo langzamerhand verbruukt,” zeide de Heer Broddelsma, zijn pijp omdraaiende: “alleen het receptenboek, dat hebben we nog bewaard, want dat komt nog eens te pas als men veel kinderen heeft en de quack is niet bi huus.”
“Verbruukt!” herhaalde Willem: “verbruukt!
Quis talia fando
Temperet a lachrymis?
’t geen zooveel zeggen wil als: kan men dat receptenboek ook eens te zien krijgen?”
“O ja, waarom niet?” antwoordde de gulhartige Fries: “mijn State is hier kort bi, en zoo jou morgen een pijp bi mi wilt komen rooken en een kommeke koffie gebruken, zal ik jou met vermaak dat stukske wizen.”
Willem haastte zich deze aanbieding met dankbaarheid aan te nemen, zonder acht te geven op de wenken van zijn vriend, die van oordeel was, dat hun dat receptenboek een dag nutteloos zoude doen verliezen. Desniettegenstaande liet zich Gerrit, toen op den volgenden morgen zijn mondpijn grootendeels geweken was, zonder dat hij een der hem aangeprezene middelen had aangewend, overhalen om zijn reisgenoot te vergezellen; echter aan zich houdende om, zoodra hij zich verveelde, te mogen aftrekken en een der andere gasten van den vorigen avond te gaan opzoeken, zijnde een schoolmeester, in wiens heiligdom hij hoopte met den staat van het lager onderwijs daar te lande bekend te worden.
Weldra bereikten zij Broddelsma-state, bestaande uit een nette woning met de daaraan gebouwde ruime voorraadschuur en beestenstal, staande op een werf, met enkele dwergachtige pereboomen beplant en door een sloot omgeven. Daar de in Friesland gewone waarschuwing: wacht u voor den hond! ook hier voor het hek te lezen stond, traden onze beide vrienden ook niet eerder de brug over, die de werf van den landweg scheidde, dan voordat hun geroep eerst een grooten dog en eenige keffertjes, vervolgens een drietal kinderen, daarna een knecht en eindelijk een paar knappe boerendeernen had doen te voorschijn komen, die allen (uitgenomen de blaffende honden) op een afstand bleven staan kijken; totdat ten laatste de eigenaar zelf voor den dag trad en hen wellekom heette. In zijne woning getreden vonden zij de koffiekan, den roompot en de witte klontjes reeds op tafel staan en, nadat men een pijp gestopt en aangestoken had, werd het receptenboek voor den dag gehaald uit een glazen kast, waar het tusschen eenige gouden en zilveren zweepen, hoofdstellen, schenkkannen en andere prijzen, op harddraverijen behaald, lag te rusten.
Met bevende handen en het gemoed van eerbied doordrongen, sloeg Willem den juchtlederen band open. Het was een handschrift op perkament, tot opschrift voerende:
Thesaurus Sanitatis
in usum
Venerandi Monasterii sub patronatu Sancti Odolfi,
collectus ab
Occone Varnesensi,
in eodem monasterio medic. chir. et obstetr. artem excercente.
“Ik denk niet dat de laatstgenoemde kunst den Heer Occo van Warns in een klooster van veel nut zal geweest zijn,” merkte Gerrit aan. [7]
“Zeg dat niet,” zeide Willem: “daar moest gezorgd worden, dat de vrome vaders niet uitstierven; maar bovendien en zonder gekscheren, vermits te dier tijd de kunsten en wetenschappen hier alleen in de kloosters beoefend werden, was het niet meer dan natuurlijk dat elke soort van beroep en kostwinning een vertegenwoordiger moest hebben in gestichten van dien aard, waarheen ieder zich wendde, die eenige hulp, in welk vak of van welken aard ook, voor zich of voor de zijnen van doen had.”
Dit zeggende, bladerde hij het handschrift door, hetwelk in de oude Friesche landtaal met een nette hand geschreven was, en een lijst van recepten bevatte tegen alle soorten van kwalen. Sommige der opgegevene geneesmiddelen waren niet onderscheiden van die, welke ook thans nog in zwang zijn: andere waren van een soort, die sedert in onbruik geraakt is en vereischten een onbepaald geloof aan die wonderbare sympathetische krachten, vroeger toegeschreven aan enkele voortbrengselen uit het plantenrijk en aan de meeste gesteenten en metalen. De juiste ouderdom van het werk viel moeilijk te bepalen, daar het van geen jaartal voorzien was;—maar uit ettelijke kantteekeningen, van een andere, min keurige hand ter neder gesteld en onderschreven: Volcardus Abbas, kon men besluiten dat het werk althans ouder zijn moest dan de eerste helft der Veertiende Eeuw, vermits de Abt Volkert, gelijk ieder weet, in 1340 nog leefde.
”’t Is jammer, dat uw broeder de dokter hier niet is,” zeide Gerrit tot zijn vriend: “die had daar meer aan dan wij.”
“Wel ja!” zeide Willem; “even alsof onze tegenwoordige geneesheeren iets anders dan een blik van verachting zouden schenken aan een werk, waarin de amethysten als een voorbehoedmiddel tegen alle vergiften en de karbonkels als een waarborg tegen verraad worden voorgeschreven.—Maar eilieve! zie eens: hier eindigt het receptenboek en er volgt nog wat anders, dat wellicht merkwaardiger is: hoor eens,” vervolgde hij, overluid lezende:
“Hic incipit narratio victoriae memorabilis quam de Hollandis reportaverunt Frisii, nec non aliorum, sempiterna quae memoria digna sunt, negotiorum.”
En terstond verder lezende, ontdekte hij, dat het vervolg een Latijnsch verhaal bevatte van den slag, bij Sint Odulfs klooster in den jare 1345 gestreden, maar doorvlochten met zoodanige omstandigheden, bijzondere personen en gebeurtenissen betreffende, als welke onze kroniekschrijvers onbekend zijn gebleven, althans niet door hen vermeld worden.
Deze ontdekking scheen onzen jeugdigen oudheidminnaar belangrijk genoeg toe, om wereldkundig gemaakt te worden: en hij wist, ofschoon met moeite, door zijn welbespraaktheid het zooverre te brengen, dat de Heer Broddelsma hem het Handschrift ter leen afstond; want van een verkoop wilde de goede man niets hooren. Bijzondere huiselijke omstandigheden, voor den lezer van geen belang, beletteden echter den jongeling aan zijn plan tot uitgave van het stuk eenig gevolg te geven; maar hij zond het receptenboek aan een geneeskundig [8]tijdschrift, waarin het, zoo wij hopen, eerlang, met ophelderende aanteekeningen verrijkt, aan de aandacht van het publiek zal worden aangeboden: en den schrijver van dit voorbericht werd verzocht de uitgave der kroniek op zich te nemen. Deze had echter niet zoodra de handen aan ’t werk geslagen en tot toelichting van het verhaal de noodige overleveringen, geschiedenissen en localiteiten geraadpleegd, of hij begon te vreezen, dat, bij de uitgave, het werk zelf in de massa der noten en ophelderingen zou verstikt worden, iets, dat thans wat algemeen in zwang is geraakt, maar hetgeen hem altijd denken deed aan die stukjes chocolade of suikergoed onzer hedendaagsche banketbakkers, zoodanig met gesatineerde papiertjes, deviezen, verguldsel en prentwerk omtogen, dat niet alleen de prijs van het geheel aanmerkelijk verhoogd, maar ook het hoofdingrediënt tot een accessorium wordt. Hij besloot uit dien hoofde de bijzonderheden, in het verhaal vermeld, met die, welke hij door eigen onderzoek en nasporing had leeren kennen, tot een geheel te verzamelen en in den vorm eener doorloopende geschiedenis, te boek te stellen:—in hoeverre hij, door dezen arbeid, geslaagd zij aan zijn lezers eenige oogenblikken aangenaam, en (zoo hij hoopt) ook nuttig te laten doorbrengen, zal de toekomst leeren. Wie op de fantastische schildering van exceptioneele personen belust is, zooals de hedendaagsche literatuur onzer naburen die meestal aanbiedt, zal zich bedrogen vinden: hij zal hier slechts menschen aantreffen, zooals zij nog heden ten dage zijn, met hun goede en slechte hoedanigheden, met hun driften en hartstochten,—maar gewijzigd naar de denkbeelden, zeden en gebruiken van den tijd. Maar hij zal, na het ten einde brengen dezer bladeren, de waarheid daarin bevestigd vinden der stelling, dat, zoo niet al het goede op deze wereld zijn loon noch het kwade zijn straf ontmoet, diegene ten minste, die zich laat overmeesteren door eenigen hartstocht, al ware die zelfs uit zijn oorsprong te billijken, altijd zal achterstaan bij hem, die, uit welk beginsel dan ook, de omstandigheden niet vooruitloopt, zijn gemoedskalmte bewaart, en, gelijk de schrijver zich uitdrukt, aan wien wij ons motto ontleenen:
Wacht en stille sitt. [9]
1 Met dezen naam noemt men in Friesland de plattelands-heelmeesters, zonder daaraan echter het denkbeeld van kwakzalverij te hechten.
[Inhoud]
daer ’t Sticht ter merreckt quam
De Goier, Aemstelaer, de Veene- en Waterlander.
Zy staplen vrucht en vee en zuivel op elckander.
Gevogelte, en gewas, en wat de nooddruft eischt,
Ter liefde van ’t gewin, daer ’t al om draeft, en reist,
En vlet, en vaert, en woelt: terwijl de burgeryen
Van d’ eene aen d’andere weeck, bij deze merckt gedyen,
En kelder en schappra, met opgepropten schoot,
Bezorgen als de mier haer hol, voor hongersnoot.
Vondel. Inwyding van ’t Stadhuis.
Onder die steden, welke vanouds aan de grafelijke kroon van Holland gelijk zoovele edelgesteenten flonkerden, en wier macht en rijkdom tot een hechten steun verstrekten aan des Landheers gezag, was Haarlem, gelijk genoeg bekend is, een der voornaamste. Haar ouderdom verloor zich in den nacht der tijden: ’t zij, dat men haar, met Boxhorn, voor de vroegere verblijfplaats der Herulen houde en den naam Haarlem, als een verbastering van Herulen-heim aanmerke: ’t zij, dat men dien, met Langendijk, van den Noorman Hariald afleide: ’t zij, dat men met de oude landskronieken veronderstelle, dat zekere Koning of Vorst, Lem genaamd, aan de door hem gestichte stad de benaming van Heer Lems stad, naderhand Haarlem, hebbe achtergelaten, of met een lateren taalkenner eenvoudig aanneme, dat het woord harel dezelfde beteekenis hebbe als hard, en door harelheim een harde grond te verstaan zij:—genoeg is het, dat juist de onzekerheid van dien naamsoorsprong de aloudheid der plaats zelve aanduidt.
Aan den oever eener rivier gebouwd, waarvan zij zich als van twee armen bedienen kon, om, aan de eene zijde, het Haarlemmermeer en de daarom gelegen landen, aan de andere, het IJ, en door het IJ, de Zuiderzee te bereiken, had zij van deze gunstige ligging reeds vroeg partij getrokken, om een handel te drijven, die, schoon zich zelden verder uitstrekkende dan de gewesten, welke om die binnenzeeën gelegen waren, haar niettemin gelegenheid gaf, om de voortbrengselen van hare door geheel Europa beroemde lakenweverijen te slijten en daardoor aan hare ingezetenen welvaart en aanzien te verschaffen: terwijl zij in hare bierbrouwerijen, die de bewoners der omliggende landstreken met den toenmaals zoo algemeenen drank voorzagen, een niet min voordeeligen tak van bestaan gevonden had, vooral, sedert door een grafelijk besluit het verkoopen van vreemd bier binnen Holland verboden en aan Haarlem alzoo een soort van alleenhandel in het graafschap vergund was.
De bekoorlijke omtrek, die zich niet alleen door een in Holland zoo zeldzame heuvelachtigheid onderscheidde, maar ook aan den adel de heerlijkste gelegenheid aanbood om in een klein bestek de rijkste genoegens van jacht en visscherij te smaken, had in de nabijheid der stad een immer toenemend aantal van aanzienlijke [10]sloten en jachthuizen doen verrijzen, wier adellijke bewoners in een schier ongestoorde eensgezindheid met de poorters levende, het hunne toebrachten om den bloei der stad te bevorderen. En, opdat geen roem aan Haarlem ontbreken zou, de Graven zelven kwamen meermalen zijn vest bezoeken, waar zij alsdan door hun prachtige hofhouding, door hun milddadigheid, door het vieren van ridderlijke feesten, welvaart en genoegen onder de ingezetenen verspreidden. Het was vooral aan twee der Graven, die den naam van Willem droegen, dat de Sparenstad groote verplichting had. De eerste van die twee, Koning Willem, was binnen haar wal geboren, en beschonk zijn moederstad met ruime voorrechten, terwijl de andere, Willem van Henegouwen, schoon een uitlander, die stad boven andere tot zijn verblijfplaats koos, en aan haar vooral den naam van den Goede verdiende.
Het was onder de regeering des zoons van dezen Vorst, dat de voorvallen plaats vonden, in deze bladeren vervat, en waarvan de bijzonderheden aan de vergetelheid zijn ontrukt geworden op de wijze, aan den lezer medegedeeld.
Het was in het voorjaar 1345, dat een talrijk aantal van naburen en vreemdelingen naar Haarlem was toegestroomd, ter bijwoning van een plechtig feest, hetwelk binnen zijn muren door Graaf Willem den Vierden stond gegeven te worden. Deze Vorst, sedert kort teruggekeerd van een buitenlandschen tocht, waarop hij niet alleen het Heilige Land bezocht, maar zich ook met roem beladen had, door op zijn heenreize de Mooren in Spanje, en bij zijn terugreize de ongeloovige Lithauwers op de Pruisische grenzen te bestrijden, had zijn behoudene wederkomst bij zijn onderzaten, op het voetspoor zijns doorluchtigen vaders, met luisterrijke spelen willen vieren, waarop, als naar gewoonte, niet slechts de adel zijner graafschappen, maar ook die des Duitschen rijks bij rondgaande brieven en openlijke bekendmaking was genoodigd. Een aanzienlijk getal dier Edelen had aan deze oproeping voldaan, met dezelfde graagte, waarmede zich thans nieuwsgierigen en lediggangers naar deze of gene stad begeven, waar het een of ander eeuw- of jubelfeest gevierd wordt: ja zelfs zoude ik durven verzekeren, dat de prikkel, die den adel van vroegere tijden naar hunne feestvermaken dreef, nog meerdere kracht bezat. Eensdeels toch was deze soort van spelen de eenige, in dien tijd bekend of in aanzien, terwijl tegenwoordig ieder inwoner eener groote stad dagelijks uitspanningen genoeg kan vinden, en de eeuwfeesten zoo menigvuldig voorkomen, dat zij al het verrassende der nieuwheid missen: anderdeels bepaalden zich bij die feesten van vroegere dagen de genoodigden niet altijd bij de rol van stilzittende aanschouwers, maar namen er meermalen een bedrijvige op zich, en keken althans nimmer met een onverschillig oog toe: daar het zelden miste, of er was onder hen, die zich door dapperheid of behendigheid bij die feesten onderscheidden, deze of gene, die met hen vermaagschapt was en wiens bijzondere feiten zij tot eer van hun gansch geslacht konden rekenen en derhalve met innige belangstelling gadesloegen. [11]
Er was dan ook geen kasteel noch adellijke huizinge in den omtrek van Haarlem, die niet te dezer gelegenheid aan ettelijke adellijke gastvrienden tot een tijdelijk verblijf verstrekte, geëvenredigd naar ruimte of geschiktheid. Niet slechts schreef de toen in Europa nog algemeen heerschende gastvrijheid het herbergen van vreemdelingen den slotvoogden voor als een plicht, waaraan zij zich niet mochten en ook niet wilden onttrekken; maar ook waren de Hollandsche Edelen, door hun talrijke en hooge betrekkingen met vreemde huizen, aan onderscheidene der Brabantsche, Vlaamsche, Geldersche, Henegouwsche of Hoogduitsche bezoekers door de banden van maag- of vriendschap verknocht, en vergolden zij hun door een ruim onthaal de vroegere, door deze bewezene, diensten.
Ook de poorters van Haarlem en de vrije opgezetenen der omliggende dorpen waren niet achterlijk om het voorbeeld der Edelen te volgen, en geen hunner was er, die niet naarmate hem zulks zijn vermogen toeliet, een of meer vrienden van buiten af gehuisvest had, bij wie het feest niet minder belangstelling wekte dan bij den adel; dewijl er toch, behalve de tornooi- en ridderspelen, waaraan de laatste alleen deelnam, onderscheidene, zoogenaamde mysteriën en volksvermakelijkheden zouden plaats hebben, waarin de goede burgerij de hoofdrol speelde. In onze hedendaagsche eeuw van beschaafdheid en verlichting zou een gelegenheid als deze met gretigheid door de ingezetenen worden te baat genomen, om voordeel te doen met de verlegenheid der vreemdelingen, die huisvesting behoefden: en men zou zich den omslag, voor hun verblijf veroorzaakt, volgaarne getroosten uit aanmerking der hooge huren, die men voor het afstaan zelfs van de kleinste zoldertjes, in logeerkamers herschapen, hun zou afpersen;—doch in die dagen scheen men de waarde van het geld nog niet genoeg op prijs te stellen: en menig burger stond zijn woonvertrekken niet alleen, maar zelfs zijn schuren, bergplaatsen en fabriekzalen, ten behoeve der aangekomene gasten af.
Maar het was niet alleen door wereldlijken, dat de plicht der gastvrijheid werd uitgeoefend. De kloosters, die zoo binnen als buiten de stad waren gelegen, en waarvan ik misschien in de eerste plaats had behooren te spreken, stonden insgelijks voor den bezoeker open; doch hun aantal was te dier tijd in Haarlem nog zeer beperkt: en andere redenen, die later haar plaats in ons verhaal zullen vinden, waren oorzaak, dat zij slechts aan een klein getal der zich aanmeldende vreemdelingen huisvesting konden verschaffen.
Ook de zoodanigen, die zich noch in een geestelijk, noch in een wereldlijk gesticht van een verblijf hadden kunnen voorzien, hadden de noodige voorzorgen genomen, ten einde geen nuttelooze reis te doen: en overal rondom de stad, waar de gelegenheid zich aanbood, hunne tenten nedergeslagen, of brachten, na den geheelen dag in vroolijkheid op de been te zijn geweest, den nacht door in de wagens, karren of vaartuigen, waarmede zij gekomen waren.
Het was in ’t bijzonder het Sparen en zijn oevers, die bedekt waren met een aantal vreemdelingen, die, evenals zoovele zwermen [12]land- en watervogels, aldaar de vleugels, voor zoolang het feest duurde, hadden gestreken. De rivier, die thans Haarlem in twee deelen scheidt, vormde te dier tijd zijn zuidelijke grens, daar het gedeelte der stad, aan den kant van Amsterdam gelegen, toen nog niet was gebouwd. Aan dien zuidelijken oever vertoonde zich, op het tijdstip, waar wij van gewagen, een wijduitgestrekte rij van tenten, verschillende in kleur en vorm en omtrek, die den schijn zou hebben aangeboden van een vliegend leger, dat Haarlem was overvallen, zoo niet de bonte kleeding der talrijke wandelaars, die voor de tenten heen en weer drongen, en niets krijgshaftigs hadden, de stoet van vrouwen en kinderen, die er overal tusschen krioelden, het blijde gezang en gejuich en gedans der menigte, het omzwerven van minnezangers en poetsenmakers, kwakzalvers en goochelaars, in één woord, de vroolijke drukte, die er heerschte, een sprekend bewijs had opgeleverd, dat “de vernielende krijgsgod” niets met dat legertje te maken had. Van afstand tot afstand vertoonde zich een paviljoen, grooter in omvang en rijker in versierselen dan de overige, ja soms een houten loods, van waar de groene krans, boven den ingang opgehangen, den voorbijgangers aankondigde, dat daarbinnen versch bier, blanke melk, zoete meede, ja zelfs, voor de meest bevoorrechten, echte klareyt, zedewaarswijn en malvezij te vinden waren.
De rivier zelve leverde, gelijk ik met een woord heb aangemerkt, geen minder verscheiden tooneel op. Behalve de menigvuldige schuiten en schepen, die tot huisvesting der eigenaars verstrekten, en aan touwen of kettingen vastlagen, zag men tallooze vaartuigen de rivier opvaren en afzakken, beladen met al, wat men kon veronderstellen, dat de stad gedurende het verblijf der vreemdelingen zou noodig hebben. Groote platgeboomde aken brachten ossen en varkens uit Waterland, of vette schapen uit Gooiland, of hooi en gras uit Kennemerland aan: in kleinere schuitjes zag men de met koper beslagene vaten blinken, waarin de room of melk werd toegevoerd: hier zag men een schuitje, dat met warmoes van over het meer aankwam, tegen een Enkhuizer jol stuiten, die pekvaten voerde om tot de vreugdevuren te dienen: of een armen palingvisscher schier overzeild door een Noorsche kof met mastboomhout geladen: wat verder scholden de schippers van een Rijnsche aak, die wijn aan boord had, en een boterhaalder uit Delftland elkander de huid vol en betwistten zich een ligplaats zonder elkander te verstaan, zoowel woordelijk als overdrachtelijk gesproken. In één woord, aan de gansche zuidzijde der stad had een onophoudelijk gegons plaats, dat zich reeds op een geruimen afstand hooren liet, en dat de stedelingen stellig zou belet hebben, een oogenblik rust te genieten, indien zij niet zelven op dien tijd alle gedachten aan rust en stilte uit hun geest hadden verbannen.
Een gelijke, ofschoon kleinere verzameling van tenten was aan de westzijde der stad nedergeslagen op de opene plaatsen, welke haar afscheidden van het bosch, of, om den stijl des tijds te gebruiken, van den Houte, dat toen niet minder dan tegenwoordig den roem waardig was, welken het door geheel Holland verkregen had, wegens [13]de fraaiheid van zijn wandeldreven en zijn statig geboomte, terwijl het bovendien het voorrecht bezat van niet, gelijk heden ten dage, een afgesloten hertenkamp te bezitten, maar een werkelijke wildbaan te zijn, waar deze dieren frank en vrij in ’t rond liepen, totdat het den Grave behaagde er een jachtpartij op te houden, of aan zijn Edelen de vrijheid te geven er een te schieten. Eens in het jaar echter, en wel op den derden Maandag in Augustus, was het aan de poorters van Haarlem vergund, zoowel op deze herten, als op al het wild, dat zich in de grafelijke domeinen bevond, onverhinderd jacht te maken, onder gehoudenheid echter van zich tot deze jacht van geen ander geweer dan van stokken en steenen te bedienen, en onder streng verbod honden met zich te nemen: bepalingen, die natuurlijk de jachtpartij voor het wild minder gevaarlijk maakten: dan stroomde Haarlems bevolking de poorten uit, en bracht den dag door met het najagen der vlugge reebokken, die, voor dergelijke vervolgers weinig bevreesd, slechts zorg droegen zich buiten het bereik der toegeworpen keien te houden, en het overigens beneden zich achtten, zich om een ijdel geraas van hun gewone weiplaats te verwijderen. Dan wreekten de teleurgestelde Haarlemmers zich over het mislukken hunner pogingen op de konijnen, wier zandpaleizen zij opdolven, om de bewoners in zegepraal des avonds te huis te brengen, en met gestoofde peren op te smullen.—De Graven, die deze jachtpartijen toelieten, zijn lang in ’t stof vergaan: geene herten loopen meer vrij in Haarlems omtrek rond, en geene jacht zonder akte van den Opperjagermeester is meer veroorloofd, maar nog altijd verlaten de Haarlemmers op den derden Maandag in Augustus hun bezigheden, en stroomen zij de poorten uit: niet meer om een jachtpartij te houden, maar om aan de Amsterdamsche vaart een onschuldig kopje thee te drinken, om in tentschuitjes naar de Brouwerskolk te varen, om den Blinkert op en af te loopen, om aan de Dreef in den Hout lamme, kreupele of blinde paarden te zien koopen, om eindelijk, ’t geen wel de voornaamste reden is, te gaan waar iedereen gaat en menschen te zien. De uitspanning is zonder doel geworden, het vermaak is denkbeeldig; en echter zou er een wonderwerk noodig zijn om een gebruik te doen vervallen, hetwelk het verloop der tijden en de rampen der omwentelingen heeft doorgestaan. Zoo waar is het, dat geen gezag, geen voorschrift, geene wet, zulk een vermogen heeft, als de heiligheid eener overlevering, die van geslachte tot geslachte bewaard wordt.
De lezer zal mij goedgunstiglijk een uitweiding vergeven, die zich hier als van zelve aanbood, en het mij ten beste houden, zoo ik, om eens adem te halen, het begin van mijn verhaal tot het volgende hoofdstuk uitstelle. [14]
[Inhoud]
Terwijl ik wandel, door nieuwsgierigheit gedreven,
Zie ik van verre in ’t dorp twee goochelaars verheven
Op hunne ladders staan, die, rustende aan den muur,
Het volk vermaaken by ’t gezwets met kuur op kuur.
De kinkel grijnst en houdt zijn oor en mondt wijt open.
Hy schatert, juicht en zwelt, terwijl zy windt verkoopen.
De tandelooze bes, die lang aan ’t flerezijn
Nog onlangs lag te bedde en kromp van smart en pijn,
Vergeet haar leet. Dit spel kan haaren geest bekooren,
Zy grinnikt in haar vuist en meesmuilt onder ’t hooren.
Zoo werken ijdle klap en potsen in ’t gemeen
Veel meer op ’t hart van ’t volk, dan welgezoute reên
En stichtendt onderhoudt.
Rotgans. De Boerekermis.
Het was in den voormiddag van een der dagen, die den aanvang der plechtige feesten voorafgingen, dat een hoopje burgers en boeren zich op een plein naast den Hout, ongeveer te dier plaatse gelegen, waar thans het Hazepatersveld gevonden wordt, verzameld had om een stellage, van waar een kwakzalver of goochelaar (want beide deze verhevene hoedanigheden waren in zijn persoon vereenigd) hun belangstelling wekte door het ten toon stellen zijner zonderlinge apotheek, of hun verwondering ten top voerde door zijn onbegrijpelijke kunstverrichtingen en behendige streken. Het uiterlijke van dit doorluchtig personage was aan de rol, die hij bekleedde, volkomen geëvenredigd. Zijn hoofd was met een zwarten doek omwonden, die onder de kin was vastgestrikt en bovendien met een kroon van verguld papier versierd. Zijn, insgelijks zwarte tabbaard van saai, met getande roode zoomen en wijde mouwen, welke hem bij zijn kunstgrepen te stade kwamen, was met goudpapieren sterren bezaaid en reikte tot aan de voeten, terwijl zij, van voren open zijnde, het roode onderkleed liet zien, dat om de middel gesloten was door een breeden gordel, waarop de dierenriem was afgebeeld. Om de borst prijkte een vierdubbele, zoo ’t heette, vergulde keten, waaraan een peervormig gesteente hing, hetwelk waarschijnlijk tot een talisman moest dienen. Van de eene zijner dorre, dunne handen naar de andere vloog gestadig de ivoren tooverstaf heen en weder, welk onmisbaar werktuig ongeveer een elleboog lang, en aan het uiteinde met een gouden handje voorzien was.
Het gelaat van dezen goochelaar, of, zooals men toen zeide, kokeler, was, evenals zijn geheele persoon, lang en schraal: langs de verbrande wangen hingen pekzwarte haren, die veel op paardemanen geleken, tot op de schouderen af: een enkele vlok vertoonde zich op het bruingerooste voorhoofd, en reikte, in de gedaante van een omgekeerden kegel, tot aan den langen neus, wiens kromte [15]een brug scheen, waarover men den stekeligen baard bereikte, die, even zwart en lang als het hoofdhaar, tot op den gordel nederdaalde. De oogen van dit geheimzinnig personage schenen in zich zelven gekeerd en nimmer te kunnen worden afgetrokken door hetgeen hem omringde, ’t geen hem het voorrecht verschafte, dat men, bij het staren op zijn kunstverrichtingen, omtrent den weg, dien zijn blikken namen, altijd misleid en door zijn toeren des te eerder verrast was.
Naast den kokeler stond een kast, of soort van vliegende apotheek, in dien opzichte van onze hedendaagsche medicijnkasten verschillende, dat zij, behalve een aanzienlijke hoeveelheid fleschjes, potjes en poeders, ook een menigte voorwerpen bevatte, wier nut en strekking zich bij de beschouwing geenszins raden lieten, maar de verklaring van den verkooper noodig hadden. Voor hem was een tafeltje geplaatst, waarop al hetgeen te dier tijd het vereischte eener goocheltasch uitmaakte, ten toon was gesteld.
Deze merkwaardige duivelskunstenaar, gelijk hem de boeren noemden, bewaarde gewoonlijk een volstrekt stilzwijgen, ’t zij dat hij de Hollandsche, of, als men toen zeide, de Duitsche taal niet genoegzaam machtig was om zich te doen verstaan, ’t zij dat hij vreesde zijner achtbaarheid te kort te zullen doen, indien hij zich vernederde om tot gewone menschen het woord te voeren. Hij liet deze taak over aan zijn metgezel of hansworst, die aan zijn radde tong evenveel beweging, als zijn meester rust aan de zijne gaf.
Deze ambtgenoot of medehelper van den kokeler was, gelijk al de narren vanouds, in een veelkleurig gewaad uitgedost, prijkende hij met een half rood, half geel buis en met groene hozen: een houten sabel of brits, die door zijn lederen gordel gestoken was, duidde zijn hoedanigheid aan, zoowel als de bellen, die aan zijn zotskap en gewaad klingelden. Een roode, naar boven gekrulde neus, die een niet geringe verknochtheid aan het druivennat kenteekende, levendige grijze oogen en een dubbele rij hagelwitte tanden, gaven aan zijn gelaat een vroolijke en onbezorgde uitdrukking, die niet weinig werd verhoogd door de wijnmoer en het meel, waarmede het voorhoofd en de wangen bestreken waren. Op zijn schouder zat een aap, verscheidene der omstanders ergerende door zijn kleeding, die uit een pelgrimsmantel en hoed met schelpen bestond.
De taak van dezen alwillens dwaas, of nar, was, gelijk men lichtelijk begrijpt, om de toekijkers oplettend te maken op de wonderen, die zijn meester òf reeds gewrocht had, òf ten gerieve der vrome burgerij van Haarlem en der geëerde inwoners van het graafschap nog wel zou willen daarstellen: op de merkwaardige genezingen, door den grooten man uitgewerkt of nog uit te werken, en op ongehoorde en schier ongelooflijke kunstverrichtingen, die hij met een alles te boven gaande gemakkelijkheid uitvoerde. Nu eens breidde hij al de verdiensten des kwakzalvers uit in een lang en bloemrijk verhaal, hetwelk hij met vaardigheid doch tevens met gepasten nadruk, waar die behoorde, in vrij verstaanbaar Hollandsch, ofschoon met een eenigszins hoogen tongval, opsneed; dan weer [16]zette hij nog meer kracht en levendigheid aan zijn voorstelling bij door het aanwenden van een plotselinge toespraak, tot dezen of genen der omstanders meer onmiddellijk gericht en daardoor een sterkere, dikwijls onwederstaanbare uitwerking hebbende. Een staaltje zijner welsprekendheid zal hier niet ongepast schijnen, te meer daar het aanleiding geven zal om met sommige personen onzer geschiedenis als van zelf in kennis te geraken.
“Ja! vrome burgers en landlieden!” zeide hij: “hoe zal ik u opsommen en verhalen al de groote en ongelooflijke kuren, die mijn meester Barbanera of ‘met den zwarten baard,’ bijgenaamd l’Incomparabile, ’t welk in ’t Italiaansch zooveel wil beduiden als ‘de onvergelijkelijke,’ al heeft teweeggebracht door zijne kunst. Een wijs man zoude daarmede zeven jaren kunnen zoek brengen: hoe zoudt gij dan van eenen armen nar als mij vergen, dat hij het in een uurtje vertelde. En wat behoef ik u ook veel te vertellen? Is het u niet genoeg, den man slechts aan te zien, om van zijn kunde en bedrevenheid overtuigd te wezen? Maar wat denkt gij, dat gij in hem ziet? Een man van vijftig, zestig jaren? ganschelijk niet. Tweehonderd en tien jaren is hij oud: en zoo hij nog zoo fiksch en wakker daar voor u staat, en zoo zijn haar nog niet grijs is, het is alleen door het vermogen van zijn kunst. Acht gij misschien dat ik u knapuiltjes vertel, burgers en landlieden? koopt het elixir longae vitae en de kraaienmergzalf, en gij zult er u zelf bij uw eigen ondervinding van kunnen overtuigen.” (Hier haalde de kwakzalver een fleschje en een potje uit zijn voorraad voor den dag, en toonde die met uitgestrekte armen aan de schare.) “Gij! vrome pater!” vervolgde de zot, zich tot een Karmelieter monnik wendende, die hem van midden uit den volkshoop met een verachtelijken blik aanstaarde, “gij hebt het nog niet verder kunnen brengen dan het ambt van spijsverzorger in uw konvent waar te nemen: koop het elixir, dat het leven rekt, en gij zult alle uwe oudere broeders overleven en eenmaal tot Proost, tot Abt, ja tot Bisschop verkozen worden: ja zelfs zoude een Kardinaalshoed niet kwalijk passen op uw eerwaardig aangezicht. De heilige Aartsbisschop van Kantelbergh zou zooverre niet gekomen zijn zonder ’t secours van dat middel, maar ware een arme Benediktijner gestorven,—koop het elixir, eerwaarde pater! en gij zult oud genoeg worden, om al de schatten dezer aarde tot u te zien toestroomen.”
“Wij hebben gelofte van armoede gedaan,” zeide de pater: “en begeeren de schatten niet, die uwe duivelskunstenarijen verschaffen.”
“Zeg wat gij wilt, vrome man!” hernam de hansworst: “maar gij zult aan deze goede burgers en landlui niet doen gelooven, dat gij niet liever als een rijke Bisschop uw vazallen, dan als een arme monnik het gevogelte zoudt plukken voor ’s Graven tafel.”
Hier ontstond een algemeen gelach ten koste van den pater; want het was bekend, dat, in tijden van groote drukten, maaltijden en feesten zooals die, welke thans te Haarlem plaats vonden, het plukken van gevogelte evenals het bereiden van sauzen en specerijen voor ’s Graven tafel aan de kloosters werd opgedragen, die zich dan [17]die taak ter wille van den Landheer en voor een klein drinkgeld moesten getroosten. De monnik voelde den steek en verwijderde zich ook terstond, na een toornigen blik op den gek te hebben geslagen, wien hij in zijn hart beloofde deze beschimping betaald te zullen zetten.
“En gij, jonge deerne!” vervolgde de nar, die, zonder zich het gram gelaat des paters aan te trekken, zijn toespraak nu tot een aardig meisje wendde, dat onder de menigte stond, “en gij! wilt gij uwe glimmende zwarte haren behouden? koop de zalf van meester Barbanera, en uw vrijer zal u nooit een grijs haartje verwijten. Maar gij vreest misschien, dat de kleur van uw lieve koontjes met de jaren zal verbleeken en dat uw witte tandjes, die zoo aardig en net als een parelsnoer blinken, wanneer gij lacht evenals nu, eenmaal zoo hot en haar zullen staan als de steenen van het kerkhof der Joden op Bakenes? Neem de reliquie, die mijn meester u toereikt, en die, om uw hals gehangen, u zoo jong en frisch zal doen blijven als gij tegenwoordig zijt. Vrees niets, dat zakje bevat een gedeelte van de asch der heilige Juventa, die op last van den Sultan van Egypte werd verbrand, voor honderd zeven jaren, en waarvan mijn meester een potje vol gegaard heeft, waarvan dit het overschot is; want gij moet weten, dat, al is mijn meester in het vermaarde Keizerrijk van Sina geboren, boven op een porseleinen toren, die tienmalen zoo hoog is als honderd Domtorens van Utrecht op elkaar gezet, hij echter een goed christenmensch is, en omgang heeft gehad met alle vrome kluizenaars in Syrië, Arabië, Indië, Ethiopië en Moorenland.—Kom hier, mijn brave jager! indien uw pijl wel eens mist; ik doe u het onfeilbaar middel aan de hand om alle wild te raken. Deze kleine fiool bevat twee droppelen van het bloed des Heiligen Huybrechts; zoo gij er onder het zeggen van twee aves en drie paters de punt van een nieuwen pijl indoopt, zal u geen haas of reebok meer kunnen ontgaan.”
“Ik geloof, dat een goed oog en een vaste hand meer zullen afdoen dan al uw snuisterijen,” zeide de boschwachter, hem op vrij schamperen toon in de rede vallende: “niettemin, zoo gij mij de proef eens wilt laten nemen van dat fleschje, ik heb hier juist een nieuwen pijl: en er vliegen kraaien genoeg door den Hout, om de kracht van uw middel in ’t werk te stellen.”
De hansworst stond een oogenblik beteuterd van den onvoorzienen voorslag: doch hij herstelde zich terstond.
“De proef nemen! de proef nemen, met een zoo heilige reliquie! Weet gij wel dat dit zooveel als een spotternij met het heilige zou wezen? Neem het fleschje of neem het niet, tot uw dienst; maar weet, dat het u voor ’t oogenblik toch niet zou baten: het kan alleen dienen voor dezulken, die absolutie hebben bekomen: en wanneer ik de karbonkels aanzie, die uw neus omringen, dan houde ik mij overtuigd, dat er menige pekelzonde bij u huist, waar uw biechtvader nog niets van vernomen heeft, en dat uw arme vrouw ondervinding genoeg heeft, dat gij goed weet te raken.”
De omstanders keken lachende den jager aan; te meer daar de [18]nar juist geraden had, en de boschwachter niet slechts bekend stond als een liefhebber van den drank, maar ook zijn vrouw meermalen in dronkenschap mishandelde.—Hij vergenoegde zich echter zijn kodde op een dreigende wijze te schudden en den potsenmaker grimmig aan te zien: toen de kokeler, waarschijnlijk om de toeschouwers den tijd niet te laten van over het gebeurde na te denken, opeens als in verrukking oprees, twee vergulde balletjes voor zich op de tafel nederwierp, en die terstond met twee tinnen bekers overdekte.
“Let op nu, burgers en boeren! let op!” riep de hansworst met luider stemme, zoodra hij de beweging van zijn meester gewaarwerd: “nu eerst zult gij de kunst del maestro incomparabile in haar vollen luister mogen bewonderen. Ja, niet voor niets is hij aan het hof van Egypte geweest, en heeft hij jarenlang bij den Keizer van Ethiopië gewoond, en al de geheimen der tooverkunst aan de magi van die landen afgezien. Let op nu! burgers en boeren! wat er gebeuren zal.”
Een ieder stond met open mond en gespannen aandacht den toovenaar aan te staren, die de ballen beurtelings van onder de bekers deed verdwijnen, en weer te voorschijn komen, en ettelijke andere kunstverrichtingen deed, welke bij ons verlicht hedendaagsch publiek slechts een medelijdend schouderophalen zouden verwekken, doch in die eeuw met verbazing en opgetogenheid werden aanschouwd.
“Maar! wat u nog vreemder zal voorkomen dan al hetgeen gij tot nu toe gezien hebt,” hernam de hansworst, na een korte pauze, “is de heerschappij die mijn meester ook over de wildste en ongezeglijkste dieren uitoefent, en het vernuft, dat hij in de redelooze schepselen weet te ontwikkelen. Gij ziet den aap, die op mijn schouder zit, burgers en boeren? welaan! dit dier was woest en ongetemd toen het nog in de bosschen van Indië rondsprong. Eenige weinige lessen van mijn meester hebben hem niet alleen een trap van behendigheid en kunde doen bereiken, welke men zelden bij gewone menschen aantreft, maar hem ook in staat gesteld, verborgene zaken uit te vorschen, ja het toekomende te voorspellen. Cezar! groet de eerbiedwaardige vergadering.”
De aap sprong van zijn schouder, nam den hoed af en boog zich deemoedig.
“Ga nu aan die waardige lieden vragen, of zij u een kleinigheid willen schenken om met mij op hunne gezondheid te drinken.”
Cezar liet zich langs een touw van de stelling afglijden en hield den omstanders zijn hoed voor.
“Een aalmoes voor den armen pelgrim!” riep de hansworst, naarmate Cezar rondging om giften in te zamelen: “hij komt van verre en heeft het noodig: maar pas op, Cezar! en ontvang geen andere munt dan die van het land.”
“Ga voorbij, onguur beest!” bromde de boschwachter, toen de aap hem den hoed toestak: “indien uw meester zulk een toovenaar is als hij beweert, kan hij zich geld genoeg verschaffen, en behoeft hij het ons niet uit den zak te kloppen.” [19]
De aap liet driemalen de reeds ontvangen specie in den hoed rammelen, en toen, ziende dat de jager aan zijn verzoek geen gehoor gaf, grijnsde hij hem op een kwaadaardige wijze aan, en vervoegde zich bij meer milddadige toeschouwers.
Zijn inzameling gedaan hebbende, keerde hij bij zijn oppasser terug, en na eenige sprongen en kunsten verricht te hebben, beantwoordde hij door middel van den hansworst, die hem tot tolk verstrekte, eenige door de omstanders voorgestelde vragen op dezelfde wijze en met niet minder behendigheid, dan de wijd vermaarde en waarschijnlijk van hem afgestamde aap van meester Pieter, wiens bekwaamheid door Cervantes vereeuwigd is.
Ondertusschen had de beroemde meester Barbanera het niet beneden zijn waardigheid geacht, de ontvangene schatting der nieuwsgierigen na te tellen en te onderzoeken. Bij het verrichten dezer bezigheid had weldra zijn scherpziend oog een koperen geldstuk ontdekt, dat van vreemden oorsprong was, althans niet gangbaar op de plaats, waar zij zich thans bevonden. Hij nam het tusschen duim en voorsten vinger, bezag het een wijl met dezelfde aandacht, waarmede een oudheidkenner een zeldzamen penning zoude beschouwen, en reikte het vervolgens onder een veelbeteekenend hoofdschudden aan zijn medehelper over.
“Gij hebt niet opgepast, meester Cezar!” zeide de hansworst tegen den aap, hem het geldstuk met een bestraffenden blik voorhoudende: “ik had u immers gelast geen andere dan inlandsche munt op te halen, en gij brengt mij een stuk, dat alleen bij heidenen en Turken gangbaar is. Spoedig! breng het terug en verzoek om een ander.”
Cezar nam met een deemoedige houding het geldstuk aan, sprong weder naar beneden en ging den volkshoop, die nieuwsgierig het einde van dit tusschenspel stond af te wachten, met bedaardheid rond, ieder der omstanders en dan zijn meester beurtelings aanziende, totdat hij eindelijk, hetzij uit eigen beweging, hetzij op een geheim teeken van den hansworst, stand hield bij een kloek gebouwden kerel, wien hij het muntstuk voorhield.
“Ei lieve, goede vriend!” zeide de hansworst: “gij ziet, mijn Cezar laat zich niet verschalken. Wees zoo goed, neem uw valsche munt terug, en geef hem een beter stuk geld voor zijn moeite.”
De gezel, tot wien hij deze toespraak richtte, was een stevig jonkman van zes voet hoog, grof gespierd en zwaar van leden; doch wiens heldere blauwe oogen goedhartige welwillendheid teekenden. Zijn kleeding, in vele opzichten verschillend van de Hollandsche volksdracht, duidde een vreemdeling aan. Hij droeg een bruinen rok, van voren open, met een bonten rand voorzien, en gesloten door middel van een zwart lederen gordel, met zilver versierd. Op zijn zilverblonde haren prijkte een bonten muts of pet met vooruitstekende klep en zilveren kwastjes, terwijl een scherp mes met een zilveren heft in zijn gordel blonk, en hem onderscheidde van de overige omstanders, die van stalen of ijzeren wapenen voorzien waren. Aan zijn arm haakte of hing een klein bevallig meisje, wier hoofdhaar geheel verborgen was onder een bontgeruiten doek, wiens tippen zich om [20]hals en kin vereenigden als de sluier eener Tartaarsche vrouw. Haar gewaad was van een zware wollen stoffage, geel van kleur met blauwe strepen, en om het midden door een zilveren gordel vastgehecht. Een soort van borstkuras van hetzelfde metaal, op de schouders met haakjes gesloten en in ’t midden voorzien met een versiersel in den vorm van een omgekeerd schoteltje, gaf aan haren opschik een nog vreemder aanzien. Reeds lang had zij menigen verwonderden blik tot zich getrokken, en door haar zonderlingen tooi den spotlust opgewekt der omstanders, die, gelijk onze natie van oudsher doet en wel altijd doen zal, zich niet konden begrijpen hoe iemand anders kon gekleed gaan, dan op de gewone en bij ons aangenomen wijze. Reeds had men haar verscheidene schimp- en spotwoorden toegevoegd, en haar onder andere boertende gevraagd, of zij niet bijgeval eene weggeloopen non was, dat men haar hoofdhaar niet bespeurde, en onder welken ridder zij als wapenknecht diende, dat zij zoo geharnast verscheen: van al hetwelk zij noch haar geleider gelukkig niet veel verstaan hadden.
Evenmin had deze laatste, zoo ’t scheen, het gebarenspel van den aap, noch de toespraak van diens meester recht begrepen: althans hij draaide het hem gegeven muntstuk herhaalde keeren tusschen de vingers en zag, met eenige verlegenheid, nu eens den hansworst, dan weder zijn gezellin, dan de omstanders aan, welke laatsten eindelijk in een schaterend gelach uitberstten, hetgeen zijn verlegenheid nog vergrootte. Het jonge meisje begreep eerder dan hij de oorzaak van deze algemeene vroolijkheid, en, zich op de teenen verheffende, fluisterde zij hem eenige woorden in, waarvan ook de naastbijstaanden niets verstonden, vermits zij in een vreemde taal gesproken werden. De jongeling scheen echter over de gegeven opheldering weinig tevreden, althans hij schudde het hoofd, mompelde eenige onverstaanbare woorden, haalde een handvol van dezelfde koperen stukken uit zijn tasch, en, die op de breede linkerhand uitspreidende, scheen hij met den rechterwijsvinger aan te duiden, dat zij alle van gelijk gehalte waren en dat hij dus aan het verzoek van den kunstenaar niet kon voldoen.
“Kom goede vriend!” zeide de veldwachter, zich met een hoonenden lach bij hem vervoegende: “geef den baviaan zijn zin en schenk hem een stuk van achten: dan zal hij wel tevreden zijn.”
”’t Zijn al goede muntspeciën in Friesland,” antwoordde de andere, met een sterken Frieschen tongval sprekende.
“Ja maar, wij zijn hier in Holland,” hernam de jager: “en wij kunnen uwe Friesche stukken niet gebruiken: berg ze maar gerust weg, zoowel als uw Friesch mes, eer de dienaars u bij de kladden krijgen als valschen munter en als breker van ’s Graven vrede.”
“Valsche munt!” riep de Fries verbolgen uit: “een valschaard die ’t zeit.”
“Ho! ho!” zeide de jager, spottende: “bak maar spoedig zoete broodjes; gij zijt hier niet in uw frije Friesland, waar men ongestraft op de Hollanders scheldt. Berg dat mes, of er zullen goede stukken van achten uit uw zak moeten komen.”
”’t Is zeker,” zeide een klein, in ’t zwart gekleed mannetje, [21]’t welk zich den schijn van deftigheid wilde geven en evenals een ekster naar hen toe kwam trippelen, “’t is zeker, dat volgens het Privilege van Koning Willem niemand binnen den banne van Haarlem een mes mag dragen op een boete van tien pond, waarvan de helft aan den....”
“Zoudt ge mij mijn mes willen ontnemen?” riep de Fries, het heft met kracht omvattende.
“Rebellie tegen art. 15 van het Privilege,” kraaide het kleine mannetje, tevens met een ontsteld gelaat achteruitwippende: “al wie het mes trekt binnen de stad Haarlem ofte derzelver....”
“Ik weet van geen Privilege,” riep de Fries, zijn mes half uittrekkende: “hier is mijn Privilege.”
“In den stok met hem!—Te water met den muiter!—Dienaars hier!—’s Graven vrede!” riepen terstond een verwarde menigte stemmen, waaronder die van het zwarte ventje zich onderscheiden liet:—en de zooeven nog rustige en vroolijke kring leverde een tooneel op van onrust en verwarring. De kinderen klommen verschrikt op de stellage en in de boomen of hielden zich aan de moeders vast: de vrouwen drongen zich beangst tegen haar mans, broeders of vrijers aan of poogden zich te verwijderen: de mans hielden zich deels bevreesd op een afstand; deels hieven zij hun stokken of vuisten op om den Fries te lijf te gaan en hem zijn mes te ontweldigen.
Dit was echter geen gemakkelijk werk. Bij de eerste bedreiging had de jongeling zich schrap gesteld, zijn mes met de rechterhand op de hoogte van het aangezicht brengende ten einde allen aanval af te wenden en met de linkerhand het meisje van zich afwerende, dat hem wilde tegenhouden. Niemand der omstanders durfde hem van voren braveeren; doch sommigen poogden hem van achteren te bespringen en zijn arm te grijpen. Zoodra hij dit bespeurde, draaide hij zich om. Sneller dan de gedachte beschreef zijn arm een halven cirkel en gleed zijn mes in ’t voorbijgaan langs de aangezichten en kleederen zijner bespringers, onderweg eenige aan dezen toebehoorende lappen vleesch en laken en een gedeelte des hoeds van het kleine mannetje medenemende. Door deze beweging vond zich de Fries teffens met den rug tegen het theater des kokelers geplaatst, zoodat hij althans naar zijn en elks meening van achteren gedekt stond; doch hij was daardoor ook afgescheiden van zijn gezellin, die in de algemeene verwarring van hem verwijderd werd, zich nu, weerloos klagende, in een bedrukten toestand tusschen vreemdelingen bevond en vergeefs onder angstig gekerm om haren vriend Feiko riep.
Maar Feiko was niet in staat haar te hulp te komen, daar hij genoeg te doen had om zich tegen de volksmassa te beschermen, die hem nu op alle wijze bestoken kwam. Geen van hen dorst hem echter van nabij aanvallen, toen op eens de koddebeier, die de eerste aanleiding tot den twist gegeven had, door de omstanders, die hij rechts en links van zich afstootte, heen drong en zich vlak tegenover den Fries plaatste. [22]
“Hoe!” riep hij, “schaamt gij u niet? honderd tegen eenen en gij zijt den vreemden gauwdief nog niet meester? heeft geen van die lamme poorters een hart in ’t lijf? wacht! ik zal hem alleen wel krijgen.”
Onder het uiten dezer woorden had hij zijn kodde opgeheven met oogmerk om den Fries een geweldigen slag op het hoofd toe te brengen; doch Feiko voorkwam het dreigend gevaar door snel het rechterbeen op te lichten en den jager een trap voor de borst te geven, die hem sprakeloos tegen den grond wierp.
Dan op hetzelfde oogenblik kregen de aanvallers een bondgenoot, dien zij verre waren van te verwachten. De aap namelijk was bij het ontstaan van den twist weder op het theater gevlucht en van daar beschouwde hij op zijn gemak het gevecht. Toen nu de Fries bij de stellage was komen staan, naderde hem het boosaardige dier, en zoodra Feiko zich na den gegeven trap in postuur stelde, rukte de aap hem vlug de muts van ’t hoofd en bracht die grinnekende aan zijn meester.
Feiko, niet wetende wie dien onverhoedschen aanval op zijn hoofddeksel deed, keerde zich onthutst om, ten einde zich daartegen te verdedigen; en deze wending was hem noodlottig: tien der naastbijstaanden maakten van dit oogenblik gebruik: hij werd aangegrepen, en eer hij weerstand kon bieden, lag hij met de helft der aanvallers op den grond te worstelen. Het was echter niet dan met moeite dat men hem meester werd, het mes ontweldigde en met een eind touw, hetwelk aan de bagage des kwakzalvers ontnomen werd, vastknevelde.
“Mijn hemel! Feiko!” riep het arme meisje, dat nu weder door den volkshoop naar voren gedrongen was, “waar brengt men u? Ik wil met u gaan! wat zullen de Olderman en de Jonker wel zeggen als zij het hooren.”
“Sytsken! loop naar den Olderman” brulde Feiko: “en zeg hem, hoe die honden met een vrijen Fries handelen.”
“Wees zoo dwaas niet, zoet zusje!” zeide de koddebeier, die intusschen weer op de been geraakt was, terwijl hij Sytsken bij den arm nam: “laat uw lompen vrijer gerust aan zijn lot: de Schout zal wel weten wat met hem te doen: kom, geef mij een arm: ik zal u brengen waar gij wezen wilt.”
“Blijf van mij af, schurk!” riep de verschrikte Sytsken, vruchteloos pogende zich van de omarming des jagers los te maken: “ik wil niet met u gaan: ik haat u: gij zijt de oorzaak van alles.”
“Laat het meiske gaan, vriend Walger!” zeide het zwarte mannetje: “gij hebt geen recht op haar, en volgens art. 17 van het Privilege van Koning Willem is alle maagdenroof strafbaar met.....”
“Moei u met uwe zaken, meester Claes Gerritsz,” duwde hem Walger toe: “ik ben geen poorter van Haarlem en hoest wat in uwe Privileges. Ik ben ’s Graven koddebeier en zal dit zoete kind brengen waar het wezen wil, zonder iets meer dan een kusje voor mijn loon te vragen.”
En hij wilde zich reeds te voren van dat loon verzekeren, toen [23]Sytsken zich op eens uit zijn armen losrukte en met een kreet van blijdschap naar een jongeling toesnelde, die op eenigen afstand door eene der lanen kwam aangewandeld.
[Inhoud]
Wat dorperheid is dit, onedele gemeente?
Vondel. Palamedes.
“O Jonker Seerp!” riep Sytsken: “spreek een woord voor den armen Feiko, wien men naar de boeien wil brengen.”
De nieuwaangekomene, tot wien zij sprak, was een jonkman van ruim dertig jaren, lang en mager, doch gespierd en forsch. Zijn gelaatstrekken, ofschoon regelmatig, waren te sterk geteekend om innemend te heeten, en de opslag zijner oogen gaf hoogheid en eigendunk te kennen. Zijn kleeding was uitheemsch, evenals die van Feiko; doch van kostbaarder stof. Een geelzijden doek, met zilveren ruiten en franje van dezelfde stoffage, was om zijn hoofd gewonden en hing aan de linkerzijde in breede plooien af, het haar geheel verbergende, hetwelk naar een gewoonte, welke den Frieschen adel van elken anderen onderscheidde, hoog boven de ooren kaalgeschoren was. De zijden bovenrok was geel, met vergulde randen voorzien en met vergulde haakjes gesloten. Een prachtige ponjaard stak in den sierlijken gordel, en een krom gebogen oostersch zwaard, welk wapen den drager voor een man van aanzien kennen deed, hing daarvan af. De gevesten der wapenen zoowel als de versierselen des gordels waren mede zwaar verguld. Een driedubbele gouden keten prijkte om den hals; doch was ten deele door den lichtgroenen overrok verborgen. Enge hozen van groen laken bedekten het been, terwijl de voeten in puntige schoenen staken, rijkelijk met gouden sterren bezaaid.
“Wie vermeet zich zulke buitensporigheden?” vroeg hij op zijn beurt, na de klacht van Sytsken te hebben vernomen, terwijl zijn valkenoog langs den volkshoop rondwaarde.
Een enkele blik was hem genoeg om te ontdekken wat er gaande was. Zonder zich te bedenken, doch ook zonder zijn tred te verhaasten, stapte hij naar de geleiders van Feiko toe, die alle moeite deden om den knaap met zich te sleuren: en zonder een woord te spreken sneed hij met zijn dolk de touwen los, waarmede de gevangene gebonden was en rukte hem uit de macht der knevelaars.
“Nieuwe rebellie!” riep meester Claes Gerritsz: “hei ho! wakkere poorters! laat den gevangene niet ontsnappen.”
“Gij zult mij toch niet willen houden,” riep Feiko, die niets in de [24]wereld boven een Frieschen edelman stelde, “tegen den wil van Jonker Seerp Van Adeelen?”
“Stil Feiko!” zeide deze: “vertel mij wat de reden van dit rumoer is.”
“Wat mocht hij vertellen,” riep Claes Gerritsz: “een vreemdeling mag niet tegen een burger gehoord worden, volgens artikel II van het Pr....”
“Antwoord wanneer men u vragen zal, Haarlemmer mug!” duwde hem Seerp Van Adeelen met bitsheid toe: “of,” vervolgde hij, hem met een donkeren blik aanziende: “kunt gij mij zeggen, wie hier de stoutheid heeft gehad een dienaar van den Olderman te knevelen?”
Claes Gerritsz trad bedremmeld terug, toen hij den norschen oogopslag des Frieschen edelmans ontmoette: maar de boschwachter Walger, die door zijn beroep meer gewoon was, met edellieden evenals met kameraden om te gaan, nam het woord op:
“Deze snaak veroorzaakte hier opschudding: en daar het ongeoorloofd is, messen te dragen, althans te trekken, binnen het rechtsgebied van Haarlem, zoo brachten wij hem naar den Schout: en wij zouden u raden, Jonker! u hier niet tegen te verzetten, of het kon ook met u slecht afloopen.”
“Wij zullen zien,” zeide Adeelen: “wie zich vermeten zal de handen aan hem te slaan nu hij onder mijn bescherming is. Ik ben afgevaardigde van Friesland en heb met uwe zotte bepalingen en Privileges niets van nooden. Volg mij, Feiko.”
Dit gezegd hebbende, wendde hij zich om en wandelde met bedaarde schreden heen, met Feiko en Sytsken achter hem. Zoolang de menigte nog door de verbazing van het oogenblik, de krachtige taal en het forsch gelaat des edelmans in bedwang was gehouden, was zij stil en besluiteloos gebleven, en geen arm was tegen Feiko opgeheven geweest; maar evenals kleine keffers, die beangst wegdruipen wanneer een moedige dog hen aanziet, maar hem nablaffen, zoodra hij zich verwijdert, zoo hief het gepeupel een verward en woest getier aan, zoodra men de zoo gevreesde Friezen niet meer in ’t aangezicht zag. Dan het bleef niet bij de vloeken en verwenschingen, die men hen nazond: ras werden deze opgevolgd door een hagelbui van modder, steenen, kluiten, boomtakken,
en alles wat men reedst kon vinden by der hant,
om met vader Vondel te spreken. Adeelen bleef gedurende eenigen tijd zijn weg voortzetten als trok hij zich die beleedigingen niet aan; maar toen een potscherf hem tegen het hoofd aangonsde en in de plooien zijner muts bleef hangen, kon hij zijn woede niet langer bedwingen; zijn lemmer vloog de scheede uit: als een gewonde tijger keerde hij zich om, sprong op de menigte toe en deed haar in verwarring terugstuiven. Juist op het oogenblik waren eenige dienaars van den Schout, met staven gewapend, op het gerucht komen toeschieten, die, ziende wat er gaande was, ’s Graven vrede uitriepen en de vechters poogden vaneen te scheiden. Doch hier was geen [25]denken meer aan: reeds had het zwaard van Adeelen bloed doen vloeien; en het volk, op dat gezicht verbitterd, had de vrees voor de wraakzucht doen zwijgen: van alle zijden drong men aan op den edelman en op Feiko, die aan Walger zijn kodde had ontrukt en wakker in het rond sloeg:—en beiden waren misschien de slachtoffers van dezen ongelijken strijd geweest, zoo de aankomst van eenige nieuwe personages daaraan geen spoedig einde gemaakt had.
De nieuwaangekomenen waren twee edellieden uit het gevolg van Graaf Willem, met name Reinout en Deodaat van Verona, die met eenige dienaars en stalknechts uit Haarlem kwamen aangereden, alwaar zij een boodschap voor hun Heer hadden volbracht. De plek waar het gevecht voorviel, lag niet volkomen in hun weg; doch zij hadden aan den ingang van den Hout de troostelooze Sytsken ontmoet, die van verre was blijven staan, toen Adeelen en Feiko den strijd begonnen waren, en nu, hun gevaar bespeurende, op het hoefgetrappel was toegesneld, ten einde de hulp der ruiters in te roepen. Beide de edellieden waren jong en minnaars van het avontuurlijke: zij toefden dus niet om aan het verzoek van het bevallige meisje een gunstig oor te verleenen, en togen in vollen ren naar de kampplaats. Hier kwamen zij juist intijds. Adeelen was door middel van een haak omvergerukt, en een uit het volk stond reeds gereed om hem met zijn eigen dolk te doorboren, toen Deodaat, het gevaar ziende, waarin de Fries verkeerde, zoo heftig tegen den poorter aanreed, dat deze achterovertuimelde, terwijl Reinout, zijn paard midden tusschen het volk drijvende, in de stijgbeugels oprees en met kracht uitriep: “pais en vree, gespuis van den Satan! niemand verroere zich, of het zal hier zwaardslagen regenen zoo dicht als hagel! Wat doet gij hier, schelm van een boschwachter?” vervolgde hij, zich tot Walger keerende: “zoo de Graaf verneemt dat gij, in plaats van op boomschenders en stroopers te passen, u hier in twisten steekt tusschen poorters en vreemdelingen, zal het er slecht met u uitzien.”
”’t Is die schoelje, die oorzaak van alles is,” bromde Walger, op Feiko wijzende.
“Is het de wil van den Graaf,” vroeg Adeelen, die opgestaan was en hijgende op zijn zwaard stond te leunen, “dat men Frieslands afgevaardigden en hunnen dienaars smaadheden aandoe?”
“Wanneer Frieslands afgevaardigden rebellie plegen,” balkte Claes Gerritsz, “dient art. 16 van het Privil....”
”’t Is geen schrale marktschrijver die het in allen gevalle ten uitvoer moet leggen,” zeide Reinout, den voorvechter der Privileges in de rede vallende.
“Neen heer Ridder!” riep de Onderschout, die, met een gelaat zoo rood als een kalkoensche haan, zweetende en blazende kwam aangeloopen: “maar wanneer mijne dienaars ’s Graven vrede opleggen, behoort die te worden in acht genomen: en het is mijn plicht hier alle twistzoekers in bewaring te nemen.”
“Neem dan den aap van den kokeler in bewaring,” zeide Feiko, “want die is de oorzaak van al de opschudding.” [26]
“Geloof hem niet,” riep de hansworst, die gedurende het vechten niet van zijn stellage geweken was: “hij is een valsche munter en draagt de tasch vol ongangbaar koper.”
”’t Is goede Ezekermunt,” zeide Feiko, zijn geld toonende, “die elke schipper mij zal inwisselen.”
“Al genoeg!” riep de Onderschout, aan wien Claes Gerritsz een waarachtig verhaal van het voorgevallene had pogen te geven: “de beide Friezen moeten naar de gijzeling, tenware zij borg stellen van op den eerstkomenden rechtsdag te zullen verschijnen.”
“Ik lach met uw rechtsdag en rechtsgebied,” zeide Adeelen: “mijn persoon is heilig en onschendbaar: en wat dezen knaap betreft, alle beleediging hem aangedaan, beschouw ik als tegen mij gericht.”
De twee Ridders hadden zich inmiddels te zamen beraden.
“Heer Onderschout!” zeide eindelijk Deodaat, den ambtenaar ter zijde trekkende, “ik mag u in dezen niets voorschrijven: maar een goeden raad wil ik u geven: bezin eer gij begint. Gij weet welk belang er de Graaf in stelt, de gemoederen in Friesland te winnen. Eene onvoorzichtigheid zoude aanleiding tot nieuwe onlusten en oorlogen kunnen geven.”
“Met dat al....” hernam de Onderschout.
“En u de ongenade des Graven op den hals halen,” vervolgde Deodaat, gevoelende dat deze beweeggrond nog krachtiger zoude werken dan de vorige.
“Dat alles is waar,” hervatte de Onderschout: “maar daar is bloed van onze poorters gestort: daar is schipper Harmen Harmsz., die zijn neus kwijt is, en de bakker aan de Nieuwsteeg, die een houw in ’t been heeft, en anderen meer, die builen en blutsen hebben. Moet onze burgerij zich door vreemdelingen straffeloos laten mishandelen?”
“Schaam u, heer Onderschout!” zeide Deodaat: “zij waren honderd tegen één!”
“Kort en goed,” viel Reinout in: “gij zult uw gijzeling gerust kunnen gesloten houden; want ik joeg u liever allen in ’t Sparen, eer ik het minste leed aan deze wakkere kerels gebeuren zag.”
“Welaan,” zeide de Onderschout, de schouders ophalende: “indien deze edelman en zijn dienaar zich verbinden willen, ’s Graven vrede met de burgerij van Haarlem te houden en den meester te betalen, die de gewonden zal helpen, dan zullen wij de zaak niet verder drijven.”
“Wat meester!” bulkte de hansworst er tusschen in: “komt bij meester Barbanera, die zal u van alle ondergane kwetsuren genezen, binnen den tijd van drie dagen: neemt den echten Sineeschen balsem, die alle wonden heelt: voor den prijs van drie groot hebt gij een potje.”
“Het is veeleer dat gespuis,” zeide Adeelen, “hetwelk zich verbinden moest, geen hoon meer aan te doen aan Frieslands afgevaardigden of hun dienaars; doch wie zoude zich hunne beloften bekreunen? Ik zal hier geen twist beginnen, tenzij mijn eer gekrenkt worde: en wat uw gewonden betreft, laten zij zich doen genezen.”—Onder het uitspreken dezer woorden nam hij een handvol geld uit de tasch en wierp het den Onderschout voor de voeten. [27]
“Wat u betreft,” vervolgde hij, zich tot de Ridders wendende, “grooten dank voor uw tijdige hulp, zonder welke Seerp Van Adeelen Friesland nooit had kunnen teruggezien. Zijt echter zoo goed uw Graaf te zeggen, dat hij zijn onderzaten in toom houde; want een tweede beleediging zoude op een wijze gewroken worden, die hem rouwen mocht.”
“Ik ben niet gewoon dergelijke boodschappen aan uwen en mijnen Heer over te brengen,” antwoordde Deodaat eenigszins geraakt.
“Onze Heer weet beleedigingen te voorkomen,” voegde Reinout er bij: “doch hij weet die ook te wreken, op wie dan ook.”
“Onze Heer!” mompelde Adeelen met bitterheid: “ellendig dienstvolk!”—en zonder verdere groete verwijderde hij zich met Feiko en Sytsken.
“Die onbeschaamde!” riep Reinout uit: “een woord meer en mijn degen had hem geleerd de lompe tong te snoeren.”
“Indien een ezel tegen u balkt, zult gij hem dan het hoofd afslaan?” vroeg Deodaat: “een verachtelijk zwijgen is al wat die ongelikte beren waardig zijn.—Dan wij hebben hier tijds genoeg doorgebracht! Voortgereden! anders komen wij te laat voor het maal.”
De beide Ridders deden hunne rossen de sporen voelen en waren spoedig met hun gevolg door een stofwolk aan elks oog onttogen.
”’t Is de goede tijd niet meer,” zeide Claes Gerritsz, het hoofd schuddende: “het schijnt wel, dat de ingezetenen niets meer hebben in te brengen.”
”’t Is zeker wat erg,” merkte Walger aan, terwijl hij met een frissche teug uit het lederen fleschje, dat aan zijn bandelier hing, zijne door het gevecht verloren krachten poogde te herstellen, “’t is zeker erg dat twee Friezen hier onze landslui komen doodslaan en door twee Italianen aan de straf onttrokken worden. Blieft gij ook gediend?”
“Is ’t een wonder,” zeide de Marktschrijver, na gebruik gemaakt te hebben van Walgers aanbod, “dat men aan vreemdelingen de voorkeur geeft? Dat zoude onder Koning Willem niet gebeurd zijn, die ons het Privilege gaf, noch onder zijn Zoon Floris, wiens ziel bij God is: maar dat waren ook echte Hollanders: en onze tegenwoordige Graaf is zelf een vreemdeling.”
“Stil!” zeide de Onderschout: “het past niet zulke dingen aan te merken in ’t bijzijn van ’s Graven ambtenaar.”
“Ik zeg niets kwaads,” hernam Claes Gerritsz: “de Graaf is een wijs en dapper man, maar dat hij dien sleep van bloedzuigers uit vreemde landen heeft met zich gebracht, dat moge hij voor God verantwoorden.”
Het wijze mannetje voegde hier nog veel bij, doch wij zullen hem voor het tegenwoordige aan zijn aanmerkingen laten, en trachten onze ruiters in te halen, die nog altijd in vollen draf op weg zijn naar ’s Graven jachtslot, de Vogelesang genaamd, een groot uur gaans ten Zuiden van Haarlem gelegen. Waarschijnlijk zullen sommigen [28]onzer lezers nog meer dan Claes Gerritsz verwonderd zijn geweest, twee Italianen te Haarlem en in het gevolg van den Hollandschen Graaf aan te treffen, en deswege eenige opheldering verlangen, welke wij ook gaarne te dezer plaatse geven, daar wij niet tot diegenen behooren, welke, in verhalen van een aard als dit, den lezer gedurende het gansche werk in een pijnlijke onzekerheid laten, ook omtrent die punten, welker verstand noodzakelijk is om den draad van het geheel niet ieder oogenblik te verliezen, en die alle opheldering, ook de meest noodige, tot de laatste bladzijde verschuiven.
Aan hen, die de geschiedenis des Vaderlands beoefend hebben, zal het gewis niet onbekend wezen, dat Jan van Beaumont, ’s Graven oom en een der volmaakste Ridders van zijn tijd, door godsdienstijver gedreven, in den jare 1331 een veldtocht tegen de Saracenen in Spanje deed, alwaar hem vele Hollandsche en Henegouwsche Ridders gevolgd waren. De roem van dapperheid en beleid, welke hem vooruit was gegaan, had ook bij edellieden van vreemde landen den lust opgewekt om zich onder zulk een waardig krijgshoofd in de wapenkunst bekwaam te maken, en lauweren te verwerven, of wel om een reeds verkregen roem te handhaven. Onder deze laatsten onderscheidde zich een edelman uit Opper-Italië, Carlo della Scala geheeten. Twee knapen, der kindsheid nauw ontwassen, waren met hem gekomen, en onder de namen van Rinaldo (of Reinout) en Deodaat van Verona aan Beaumont voorgesteld geworden. Hoe jong nog, reeds vroeg gaven zij blijken van dapperheid, en verworven zich de vriendschap van den Henegouwer. In een der aan de Saracenen geleverde gevechten bekwam Carlo della Scala een doodelijke wonde. Zijn einde voelende naderen, riep hij Beaumont en de beide jongelingen aan het ziekbed, waarop hij lag uitgestrekt, en deelde hun de volgende omstandigheden mede.
Te Verona uit een der aanzienlijkste geslachten geboren, had Carlo della Scala zijn jongelingsjaren door al die genoegens en voorrechten zien opgeluisterd, welke rijkdom en aanzien kunnen verschaffen. Een enkele zaak ontbrak aan zijn geluk, of liever belette hem, een waar geluk te smaken; het was het bezit eener gade, zijner waardig. Vurig beminde hij de schoone Bianca di Salerno; doch hopeloos was zijn liefde: daar niet slechts de vader der Veroneesche schoone zijn aanzoeken had afgeslagen; maar ook zij zelve hem menigmalen betuigd had, dat hij zich met haar vriendschap en achting tevreden moest stellen, daar zij hem nimmer wedermin kon schenken. Troosteloos over haar herhaalde weigering, verliet hij zijn vaderstad om in den krijg zijn liefde te vergeten. Toen hij na drie jaren terugkwam, vond hij den staat van zaken veranderd. Bianca was door den dwang haars vaders de echtgenoote van Carlo’s bloedverwant, Francesco della Scala, en die Francesco de dwingeland zijner geboortestad geworden. Onwillig, om de snoode inzichten en bedoelingen van dezen booswicht door zijn tegenwoordigheid te schragen, of zich in diens paleis te vertoonen, en aldaar het voorwerp zijner liefde onder de heerschappij eens anderen terug te [29]vinden, verkocht Carlo zijn bezittingen in Verona en zette zich in Pisa neder. Slechts weinige maanden had hij in zijn nieuwe woonplaats doorgebracht, toen hem op een morgen twee kinderen van ongeveer twee jaren gebracht werden, welke de hovenier aan den ingang van den hof in een korfje had vinden liggen. Een brief werd bij hen gevonden, waarbij Carlo gebeden werd, in naam van de Moeder Gods en van alle Heiligen, het hem toevertrouwde kind, dat uit Verona en van adellijken huize was, tot zich te nemen, en als het zijne op te brengen.
Het is niet te verwonderen, dat Carlo vreemd opzag, vooreerst om het zonderlinge geschenk, ten tweede omdat er in den brief slechts van één kind melding gemaakt werd, terwijl hij er twee uit het korfje zag kruipen, die bitter schreiden en om hun moeder riepen. Ook kon hij niet begrijpen, aan wien hij een zoo vreemde gift, of wel een zoo groot bewijs van vertrouwen verschuldigd was. Dit merkte hij op, dat de knaapjes waarschijnlijk geen broeders waren: want het eene was blond als een zoon van het Noorden, en het andere had de donkere kleur der Italianen.
Zijn medelijden met de onschuldige, hulpbehoevende wezens en de gedachte, dat wellicht de ouders dier kinderen als slachtoffers der dwingelandij van Francesco gevallen waren en hunne kinderen daaraan hadden wenschen te onttrekken, zegevierden eindelijk over alle bedenkingen: hij besloot aan het in hem gestelde vertrouwen te beantwoorden en de beide knaapjes als de zijne op te voeden. Zij toonden zich de zorg aan hen besteed niet onwaardig. Carlo della Scala hechtte zich gedurig meer aan zijn voedsterlingen, en nam hen, zooras zij in staat waren een zwaard te voeren, als schildknapen met zich naar Spanje, gelijk wij hierboven verhaald hebben.
De edele man overleed na het afleggen dezer verklaring, zijn paarden, krijgstuig en al hetgeen hij verder aan goud en kostbaarheden had met zich gevoerd, aan zijn pleegkinderen nalatende, die zich nu aan Beaumont hechtten, en hem na het einde van den veldtocht naar Henegouwen volgden. Sedert deelden zij in al de krijgsbedrijven, door hem of door zijn neef Grave Willem verricht, volgden dezen laatste op zijn reis naar Palestina, en streden in Pruisen aan zijne zijde. Het was daar, dat Willem, reeds lang door de verdiensten der beide jongelingen getroffen, hen op het slagveld tot Ridders sloeg, ondanks het morrend misnoegen van sommige edellieden, die met leede oogen zagen, dat twee gelukzoekers, die geen bewijs van adeldom, zelfs niet van een vrije geboorte konden aantoonen, een voorrecht genoten, alleen voor den adel weggelegd, en in vele opzichten aan afstammelingen der oude Duitsche geslachten werden voorgetrokken.
Al wie echter billijk dacht, moest de gunst rechtvaardigen, door den Graaf aan de beide jongelingen bewezen. Men zag den mangel aan een erkende afkomst over het hoofd, wanneer men de stoute feiten, door hen bedreven, en de krijgskundige bekwaamheden, die zij bezaten, in aanmerking nam. Bovendien had elk van beiden zijn bijzondere bekwaamheden, waardoor hij zich onderscheiding verwierf, [30]en ontzag of vriendschap inboezemde. Beiden waren schoon en welgemaakt, uitmuntende in alle soorten van spelen en lichaamsoefeningen, en bij het schoone geslacht, dat den palm meestal rechtvaardiglijk uitreikt, welgezien. Rinaldo, of Reinout, gelijk men hem in Holland noemde, had een wel niet rijzige, maar toch in allen deele fraai gevormde gestalte. Ravenzwart haar krulde hem met bevalligheid om de slapen: zijn gelaatstrekken waren fijn en regelmatig, en, schoon van nature bleek en door de zuiderzon en de vermoeienissen des oorlogs met een gele tint overdekt, hoogst bevallig en innemend. Geest en scherpzinnigheid straalden uit zijn gitzwarte oogen, wier levendigheid waarde gaf aan alles wat hij zeide. Wat zijn zielshoedanigheden betrof, hij was onverschrokken, ondernemend en vroolijk van aard; maar tevens wispelturig, oploopend en heerschzuchtig. Aan degenen, die hem onbescheidene vragen of aanmerkingen betreffende zijn geboorte deden, had hij zulks meer dan eens en wel zoo gevoelig doen bekoopen, dat aan anderen de lust vergaan was, hem daarover te onderhouden. Ofschoon hij de min goede zijde van zijn inborst slechts zelden vertoonde, en wanneer het pas gaf met het vernis der hoffelijkheid wist te bedekken, was hij over ’t algemeen meer ontzien en gevreesd, dan bemind.
Anders was het gelegen met Deodaat, wiens goedhartigheid en welwillende aard door ieder erkend werden, en hem de genegenheid van het gansche hof verworven hadden. Wel was hij niet van fierheid ontbloot; doch die hooghartigheid zelve weerhield hem van zich zulke zinspelingen op zijn afkomst aan te trekken, waarop Reinout vlam zoude gevat hebben. Hij begreep te recht, dat driftige woorden en een uitgetogen zwaard wel ontzag konden baren, doch niet genoegzaam waren om een adellijke geboorte te bewijzen, en vermeed derhalve zorgvuldig alle gesprekken, welke tot dusdanige twisten aanleiding geven mochten. Werd de onbescheidenheid echter te grof, dan wist hij die te straffen, zoowel als zijn vriend; maar slechts zelden bevond hij zich in de noodzakelijkheid om tot zoodanige uitersten te komen, daar de meesten hem genegen waren en schroomden, een algemeen beminden Ridder en wel ’s Graven lieveling te beleedigen.
Gewoonlijk opgeruimd en kalm, werden zijn ronde en frissche gelaatstrekken slechts zelden aangedaan door kommer of verdriet. Er waren korte stonden van zwaarmoedigheid, waarin een pijnlijke gedachte aan den geheimzinnigen sluier, die zijn geboorte overdekte, soms toevallig bij hem opgewekt, zijn heldere blauwe oogen met een nevel van droefgeestigheid overdekte, die echter werd opgehelderd, wanneer hij nadacht, dat hij zich in een schooneren maatschappelijken toestand bevond dan hij immer had kunnen hopen of verwachten, en dat hij dien aan zich zelven te danken had.
Gelijk in jaren en omstandigheden en noodlot, wapenbroeders sedert hun prilste jeugd, en op al hun tochten nimmer vaneengescheiden, waren Reinout en Deodaat door de nauwste vriendschapsbanden aan elkander verbonden, ja was het vaak of ééne ziel hun beider lichamen bewoonde. Nooit had de een ééne gedachte voor den [31]ander verborgen gehouden: geen wensch werd door den eenen gekoesterd, geen plan gevormd, waarvan de ander geen kennis droeg, en waren zij eenige dagen vaneengescheiden, dan scheen het elk hunner toe of hij een zijner zintuigen miste. Men moet hier echter geenszins uit opmaken, dat er altijd een volkomen overeenstemming tusschen hun neigingen en begeerten heerschen bleef: integendeel liepen die somtijds uiteen, en gaven aanleiding tot geschillen, waarbij echter de bedenkingen en tegenwerpingen, welke over en weder gemaakt werden, veel hadden van die, welke iemand zich zelven doet, wanneer hij een besluit moet nemen en het voor en tegen in zijn geest overweegt.
Gelijk wij gezegd hebben, de beide Ridders hadden op een snellen draf den weg naar de Vogelesang genomen; weldra bevonden zij zich op een hoek, waar de weg zich in tweeën verdeelde, nabij de plaats, waar, veertig jaren vroeger, de Vlamingen door Witte van Haemstede aan ’t hoofd der Haarlemmer poorters verdreven waren geweest.
Het was nu ongeveer één uur na den middag en de zon was brandend heet. “Wij komen nog tijdig genoeg,” zeide Deodaat; “zouden wij niet wat zachter rijden?”
”’t Is mij wel,” antwoordde Reinout, en zijn paard doende stappen, liet hij de teugels varen en kruiste de armen voor de borst.
“Waaraan denkt gij, dat gij zoo stipt voor u kijkt als een slang op een vogeltje?” vroeg Deodaat in ’t Italiaansch, welke taal zij gewoonlijk te zamen spraken, wanneer zij zich alleen bevonden, of ook wanneer zij door hun knechten verzeld waren, en door dezen niet verlangden verstaan te worden.
“Ik denk aan dien verwaanden Fries,” antwoordde Reinout: “het spijt mij slechts, dat ik hem mijn handschoen niet in ’t gezicht heb gesmeten.”
“Waant gij, dat ik er minder trek toe gevoelde dan gij? Maar wij mochten de belangen van onzen Graaf, die noodzakelijk gevaar loopen bij de minste beleediging, welke dien Friezen wordt aangedaan, niet in de waagschaal stellen.”
“Alles zeer waar: en ik ben niet geneigd tweespalt te verwekken tusschen den Graaf en zijn gehoorzame Friesche onderzaten; maar ik denk de beleefdheid zoover niet uit te strekken om mij straffeloos onbeleefdheden te laten zeggen: en om des lieven vredes wille hoop ik, dat ik vooreerst geen van hen ontmoeten zal.”
“Wat mij betreft,” hernam Deodaat: “ik help het u wenschen. Mits het buiten ons toedoen geschiede, zoude een kleine oorlog met Friesland mij niet mishagen, al ware het slechts om het land eens te zien. Ik ben nooit aan gene zijde van de Zuiderzee geweest.”
“Een fijn vermaak! Wij zouden er veel aan hebben om ons met die lompe boeren te meten, bij wie geen eer noch profijt te halen is. Ik trok even gaarne nogmaals tegen de Lithauwer heidenen te velde.”
“Stel Friesland zoo laag niet: er is buit genoeg te halen. Stavoren [32]moet oudtijds een vrij rijkere stad dan Dordrecht of Haarlem zijn geweest.”
“Geweest is leelijk,” merkte Reinout lachende aan.
“En er is oude adel in Friesland, dapper genoeg om den overwinnaar eer aan te doen.”
“Ik twijfel er niet aan: die Friezen brengen immers hun stamregisters tot aan Alexander den Grooten.”
“En bovendien de schoonste meisjes, welke op de aarde te vinden zijn,” vervolgde Deodaat.
“Zoo hoor ik;—doch al die logge, roodwangige, blauwoogige Noordsche vrouwen doen mij om water-en-melk en zoete koek denken, twee zaken, waar ik een onoverwinnelijken afkeer van heb.”
“Met uw verlof! die kleine deerne, welke ons hulp kwam vragen, deed op mij een geheel andere uitwerking.”
“Inderdaad, zij was niet onaardig.... Zoude zij ook tot het gevolg der afgevaardigden behooren? Zij zijn drie in getale, hoor ik: een zekere Heer van Aylva1, die, zoo men zegt, een stedelijk ambt bekleedt in de stad Leeuwarden.... een fraaie zaak voor een edelman!—dan, die snoever, welken wij uit de handen van ’t gepeupel verlost hebben, en de Abt van Sint-Odulf. Wie van drieën zoude het recht van patronaat over dit meisje uitoefenen?”
“Ik denk geen van drieën, en zou eer gelooven, dat die kloeke gast, die haar in ’t heengaan onder den arm nam, haar onder zijn bijzondere bescherming heeft. Vraag het intusschen eens aan Seerp Van Adeelen, en gij zult zien welk antwoord hij u geven zal, indien hij zich slechts niet te verre boven u verheven acht om u te antwoorden; want hij beschouwt zich, geloof ik, van hooger adel dan onzen Graaf. Hij waant, naar ik hoor, uit dezen of genen ouden Frieschen Koning gesproten te zijn, wiens naam buiten Flie en Lauwers even onverstaanbaar als onbekend is.”
“Een fraai edelman, die met dorpers en boeren gaat bakkeleien!—doch van adel gesproken, de pelgrim, die zich belast had met te Verona onderzoek te doen naar onze geboorte, blijft lang uit.”
“Wat mij betreft,” zeide Deodaat, “ik wensch van harte dat hij nimmer terugkome.”
“Hoe kunt gij zoo onverschillig zijn omtrent een punt, dat ons zoo na aan ’t hart moest liggen.”
“Onverschillig!—Gij weet het, Reinout! dat zulks bij mij het geval niet is. Neen! ik zou onze Lieve Vrouwe met vurigheid danken, indien ik ten gevolge onzer nasporingen het geluk mocht bereiken van een liefhebbenden vader of een teedere moeder terug te vinden; maar gij weet het, ik blijf altijd schrikken tegen het denkbeeld, dat de ontdekking onzer afkomst misschien verwijdering tusschen ons zou kunnen baren. Denk eens na, Reinout! indien het eens uitkwame, dat een van ons de afstammeling van een aanzienlijk [33]geslacht en de ander de zoon van een boerenkinkel ware; zou dan adellijke Ridder zich de vriendschap van zijn wapenbroeder niet schamen?—Zou deze zich even vertrouwelijk en vrij jegens zijn meer verheven vriend gedragen kunnen?—Zou er geen jaloezie in zijn hart ontstaan, wanneer hij zijn voormaligen wapenbroeder door elk geëerd en gevleid, en zich zelf versmaad en veracht zag?—Neen, duizendmaal liever blijf ik in mijn onwetendheid, dan dat ik het gevaar loope van een vriend te missen.”
“Gij hebt gelijk, duizendmaal gelijk,” zeide Reinout, “ofschoon ik niet geloof, dat iets ooit in staat zou wezen onze vriendschap te doen verflauwen;—maar met dat al: ik moet uit dien pijnlijken staat van onzekerheid, die mij ondraaglijk is, verlost worden, wat het ook koste. Wat mijn ouders betreft, die verlang ik niet terug te vinden: daar zij onnatuurlijk genoeg waren, mij te verstooten, hebben zij alle aanspraak op mijn liefde verbeurd; maar ik wil weten wat ik ben: ik wil niet langer blootstaan aan de aanmerkingen dier trotsche hovelingen: zoo ik, gelijk mijn hart het mij voorspelt, uit een aanzienlijk huis geboren ben, dan wil ik hun toonen dat ik met hen op ééne lijn kan staan.”
“En zoo niet?” vroeg Deodaat.
“Zoo niet?—Welnu, dan verlaat ik dit hof en ga elders fortuin zoeken;.... doch het is onmogelijk!—Ware intusschen die pelgrim maar terug! Ik had hem de boodschap niet moeten opdragen, en hem althans dien brief niet moeten vertrouwen, die bijna het eenige bewijsstuk is onzer geboorte. Hij had een fielten-gezicht en heeft ons zeker misleid.”
“Waarom altijd de menschen gewantrouwd? Laat ons eens narekenen. Wanneer is hij van hier vertrokken?”
“In October of daaromtrent.”
“De wegen zijn vrij. Hij kon in December te Verona wezen.”
“Indien hij niet eerst naar Rome en Loretto gegaan is, gelijk ik vermoede.”
“Dan kan hij moeilijk voor Maart in de hofplaats van Can Francesco2 zijn aangekomen; en daar hij lang heeft kunnen rondzoeken, is er niets vreemds aan, dat wij nog geen tijding ontvangen hebben.—Zijn wij zelven, toen wij met den Graaf te Venetië waren, niet naar Verona gereisd, om op te sporen welke kennissen Carlo della Scala daar had gehad, die in staat waren hem een geschenk van twee kinderen te doen? en is onze tocht niet vruchteloos afgeloopen?”
“Een fraaie tocht voorwaar! Twee dagen zijn wij er stil geweest, [34]en toen moesten wij weer vertrekken, omdat de Graaf zijn vertrek naar Cyprus niet uit kon stellen.”
“Wij zouden langer tijd gehad hebben,” zeide Deodaat, “indien gij niet ontijdig twist gezocht hadt met een wapensmid, omdat hij ons voor studenten van Padua aanzag: waarlijk! een fraaie reden.”
“Hoe dit zij, wij hadden den tijd niet om behoorlijke navorschingen te doen;—en wij moesten ons schuil houden voor Can Francesco, die ons als verspieders wilde doen vatten;—maar mij dunkt, dat, wanneer de pelgrim overal rondbazuint, dat de knapen, die bij Carlo della Scala zijn opgebracht, zich thans in hoog aanzien aan het hof des Graven van Holland bevinden, er zich wel iemand zal opdoen, die zich hunner aantrekt.”
Deodaat haalde de schouders op en zweeg: en daar zij zich op dat oogenblik in ’t gezicht van ’s Graven jachtslot bevonden, liep hier hun onderhoud ten einde.
1 Spreek uit: Alua.
2 Can (hond) Francesco della Scala was een dier machtige Hertogen van Verona, wier schepter zich eens uitstrekte tot verre over de grenspalen naar Brescia, Padua, Frioul en tot aan Triëst. Zijne prachtige graftombe is nog in de kerk di S. Maria antica te Verona aanwezig, met het navolgende grafschrift prijkende:
Si canis hic grandis ingentia facta peregit,
Marchia testis adest, quam saevo marte subegit.
[Inhoud]
Neen neen, Achilles’ ziel kan zulk een hoon niet lijden
En trachten naar geen wraak.
Huydecoper. Achilles.
Nadat Seerp Van Adeelen, van Feiko en Sytsken vergezeld, het tooneel des gevechts verlaten had, trad hij eerst met een bedaarden en langzamen, vervolgens, zoodra hij uit ieders gezicht geweken was, met een meer snellen en verhaasten stap, de lanen en kronkelpaden van het bosch door, totdat hij buiten den Hout gekomen was en op een weide kwam, welke hij dwars overstak en recht op een gebouw afging, hetwelk zich aan de overzijde aan zijn gezicht voordeed, en waar hij door een zijdeurtje, dat door middel eener plank met het weiland gemeenschap had, werd binnengelaten.
Het huis, waarin hij ontvangen werd, beval zich meer door zijn uitgestrektheid en ligging aan, dan wel door eenige fraaiheid van bouworde of sieraden. De voorkant, op den grooten landweg uitziende, van breede steenen te zamen gesteld en onregelmatig opgetrokken, droeg duidelijke blijken van trapsgewijze vergrooting: ’t geen vooral daaruit te zien was, dat de poort of hoofdingang, die van zwaar ijzer was saamgesteld en met ettelijke gewelfde bogen omgeven, zich niet meer, gelijk te voren, in het juiste midden, maar op een derde van den voorgevel bevond. Deze geheele zijde was zonder eenig raam of uitzicht, behalve alleen een vierkant gat naast de poort, hetwelk echter met een verroest traliewerk voorzien was. Boven de deur ontdekte men een nis, welke vroeger met het beeld eens heiligen geprijkt scheen te hebben, en naast de deur was een [35]zitbank tegen den muur gemetseld, bestemd om den vermoeiden voorbijganger, of hem, die aan de poort vertoefde, de gelegenheid te verschaffen om een oogenblik uit te rusten. Aan den linkervleugel van het gebouw paalde een vrij hooge muur, dicht met klimop bewassen, die zich, langs den heirweg, tot op eenige roeden afstand verlengde, en vervolgens, een hoek makende, zich weder aan den achtergevel aansloot en een hof omvatte, gelijk te zien was aan ettelijke hoog opgegroeide vruchtboomen, wier takken, met welig groen en schitterende bloesems voorzien, over den muur afhingen. Aan den kant van het weiland, was de eerste verdieping mede geheel blind, doch de tweede met een aantal kleine venstertjes voorzien, die door deels verroest, deels half vergaan traliewerk gesloten waren. Een zwaarmoedig, hier en daar ingevallen dak van blauwe, grootendeels afgewaaide of gebroken tegels, bedekte het gebouw. Slechts hij, die het op eenigen afstand van over de weide beschouwde, zag een hooger gewelf, in den smaak eener kerk opgetrokken, uit het midden oprijzen.
Dit gebouw, of liever deze gebouwen hadden, gelijk men bij de meest oppervlakkige beschouwing bespeuren kon, in vroeger tijd tot een klooster gediend. Het waren de Sint-Jans heeren, die alhier hunne woning of Commanderij gehad hadden, doch in 1312 waren overgeplaatst naar een nieuw gebouw binnen de stad Haarlem, hetwelk rijkelijk door Graaf Willem den Goeden begiftigd werd en talrijke voorrechten van hem ontving, waarvan geen der minste was, dat aan den Commandeur der orde de bediening van Ontvanger der Graaflijkheid was opgedragen. Ter vergoeding hiervan moest ook de Commanderij altijd voor den Graaf en zijn hofgezin openstaan, en verstrekte hem bij zijne komst in Haarlem ter gewone huisvesting. Het voormalige klooster aan het einde van den Hout had, sedert de Sint-Jans heeren hunne nieuwe woning betrokken, ledig gestaan, en men was reeds dikwijls van meening geweest, het voor afbraak te verkoopen, welk voornemen echter door ontstane hindernissen geen voortgang had gehad. Toen zich nu, bij gelegenheid van het feest te Haarlem, talrijke scharen van vreemdelingen derwaarts begaven, en er, gelijk wij boven gezien hebben, geene genoegzame huisvesting voor allen was, hadden de Sint-Jans heeren begrepen, ook van dit gebouw partij te kunnen trekken. Zij durfden dit echter niet doen zonder voorkennis van hun hoogen beschermheer; maar deze, toen hem dat verzoek werd voorgedragen, nam terstond het besluit om dit gebouw ter bereiking van zijn eigen oogmerken te doen strekken.
Hij was namelijk omtrent dezen tijd niet weinig bezorgd over den staat der gemoederen in Friesland. Dit gewest, hoewel het vaak voor de wapenen der Hollandsche Graven had moeten zwichten, was nooit geheel ten onder gebracht, en haastte zich steeds elke gelegenheid te baat te nemen, om ook het geringe juk, hetwelk op zijn schouders gelegd werd, weder af te schudden. Niettegenstaande het innerlijk verdeeld was door de in de geschiedenis zoo befaamde partijen van Schieringers en Vetkoopers, op wier bloedige twisten wij in den loop van ons verhaal soms terug zullen moeten komen, [36]niettegenstaande zoowel de Graven van Holland en Gelderland, als de Bisschop van Utrecht vaak van die verdeeldheid zochten partij te trekken, om hunne wapenen op Frieschen bodem te brengen, was de zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid den Friezen zoodanig ingeschapen, dat zij, bij den geringsten aanval van buiten, hun onderlinge veeten aan een zijde stelden en zich ter afwering des vijands vereenigden.
Met dat al hadden het landschap Westergoo, althans een gedeelte daarvan, en de stad Stavoren, afgemat door langdurige vijandelijkheden, zich aan graaf Willem den Goeden onderworpen, gelijk uit een verdragbrief van 4 Juli 1320 kan blijken; behalve uit nog een stuk van denzelfden tijd, mogelijk een aanhangsel tot dat verdrag, waarin bepaald wordt, op wat wijze de Graven van Holland zich hadden te gedragen, wanneer zij in Friesland kwamen, om aldaar terechtzittingen te houden. Uit dit geschrift blijkt echter dat de onderwerping der Friezen niet onbepaald was, dat zij den Graaf niet anders erkenden dan als een Rechter of Stadhouder van ’s Rijks wege aangesteld, en dat zij alleen den Keizer als hun Opperheer beschouwden: welke afhankelijkheid van den Keizer echter bleek, niet anders dan een voorwendsel te zijn, gelijk aan een schild, waarachter zij schuilden, zoo dikwijls hun onafhankelijkheid door ’s Keizers leenmannen bedreigd werd.
De schijnbare onderwerping was dan ook verre van duurzaam te zijn: het gezag der ambtenaren, in Friesland van ’s Graven wege aangesteld, werd weldra miskend, en zij zelven beleedigd, ja mishandeld: de wijsheid der Friesche regenten, die al het nadeel van een oorlog met hun machtigen nabuur inzagen, had echter een volslagen opstand weten te voorkomen, en den toorn des Graven verzoend; en het was nu een geruimen tijd in Friesland rustig geweest, toen, kort na Willem de Vierdes terugkomst uit Duitschland, een nieuw oproer te Stavoren uitberstte. Het was ter voorkoming eener wraakneming over het gebeurde, dat de Friezen op een te dien einde gehouden Landdag besloten, een gezantschap naar den Graaf te zenden, ten einde de zaak in der minne te schikken, en het bestuur in Friesland op een meer geregelden en vasten voet te brengen, zonder inkorting echter der voorrechten en vrijheden, waarop de Friezen zoo trotsch waren, en welke zij beweerden, van Karel den Grooten te hebben ontvangen. De Graaf, die er veel belang in stelde, om de Friesche aangelegenheden op een vreedzame wijze bij te leggen, begreep, zoodra hij van de voorgenomene bezending kennis bekwam, de afgevaardigden met de meest mogelijke voorkomendheid te moeten behandelen en alle pogingen in ’t werk te stellen, om hen tot het behartigen zijner belangen over te halen. Hij had hen daarom doen uitnoodigen, zich te Haarlem te vervoegen, ten einde aldaar met hem te overleggen, wat er ten nutte van hun gewest te doen stond, en hij vleide zich niet weinig, dat de eer, welke hij voornemens was hun op de te houdene feesten te bewijzen, hun oogen verblinden, en hen tot rekkelijkheid en toegevendheid aansporen zou. Ten einde hen niet vruchteloos naar een herberg te laten zoeken, had hij last [37]gegeven, dat men een geschikt gebouw op zou sporen, om hen gedurende hun verblijf te huisvesten: en zoodra hij het verzoek der Sint Jans heeren vernam, zijn oog doen vallen op het ongebruikte klooster in den Hout. De Ridders merkten den wensch huns beschermers als een bevel aan, en voldeden des te bereidwilliger daaraan, vermits de Graaf op zich nam, het gebouw in staat te stellen gasten te ontvangen en het met de noodige meubelen deed voorzien.
Het was in een lange zaal van dat voormalige klooster, welke vroeger tot refter of eetvertrek der geestelijke Ridders had gestrekt, en van waar men het uitzicht had op den binnenhof en boomgaard, dat drie personen, die allen den middelbaren leeftijd voorbij waren, aan een ronde tafel of schijf, gelijk men ze in dien tijd noemde, waren neergezeten. Het gewaad van twee hunner kondigde den geestelijken stand aan, waartoe zij behoorden; echter bestond het bij den eenen voor dit oogenblik alleen uit een wit linnen kleed; vermits de Abt (want de persoon dien wij bedoelen bezat geen mindere waardigheid), uithoofde der heete luchtsgesteldheid, zich van alle oppergewaden ontdaan had. Alleen de rozenroode halsband, aan wiens einde een gewerkt gouden kruis afhing, gaf zijn rang eenigszins te kennen. Wat zijn persoon betrof, die was geenszins van statelijkheid ontbloot, ofschoon zijn zwaarlijvigheid hem, wanneer hij, zooals nu, niet in pleeggewaad was, wel een eenigszins plomp voorkomen gaf. Zijn gelaatstrekken waren regelmatig, en de vorm van voorhoofd, neus en kin, zoude tot model voor een Griekschen beeldhouwer hebben kunnen verstrekken, zoo zijn hangende wangen en vette hals, beide kenmerken eener bloeiende gezondheid, waaraan de kloosterregels geen nadeel schenen te doen, en zijn groote blauwe oogen, die alle uitdrukking misten, de waardigheid zijns gelaats niet verminderd hadden. Een krans van grijsachtige haren omringde zijn kruin, en de kin was glad geschoren.
Zijn buurman aan tafel, wiens kleeding, schoon in vorm vrij gelijk aan die van Seerp Van Adeelen, hoogst eenvoudig was, had geen uitwendigen tooi noodig, om zich als een edelman te doen kennen. Niettegenstaande de diepe vorens, welke lange en moeizame tochten, maar, meer nog, droeve en hartverscheurende bekommernissen, op zijn gelaat en voorkomen geprent h