Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


Project Gutenberg's De Decamerone van Boccaccio, by Giovanni Boccaccio

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: De Decamerone van Boccaccio

Author: Giovanni Boccaccio

Translator: J. K. Rensburg

Release Date: October 20, 2006 [EBook #19591]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DECAMERONE VAN BOCCACCIO ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant

De Decamerone.
Van
Boccaccio.

Complete, geïllustreerde uitgave.
Amsterdam
Vennootschap “Letteren en Kunst”.

[5]
[Inhoud]

Het Leven van Giovanni Boccaccio

Florentijnsch Dichter.

Gelijk steeds uit de bestanddeelen van heet ijzer, door den smidshamer geslagen, tal van brandende vonken schitteren als schijnsels in een glansenden kring, zoo verwekte Dante, daarna Petrarca,—mannen van de grootste begaafdheid, die de verouderde Poëzie bewerkten, zoodat zij den roest van vele eeuwen er uit verwijderden,—als uit een vuursteen de flikkerende vonken van dichterlijken geest, en wiesen lichtende vlammen in grootschen gloed. Aldus ook Zanobio da Strada, van wien wij elders melding hebben gemaakt, en die Giovanni, van welke wij thans hebben te spreken. Zijn vader was Boccaccio van Certaldo, een dorp in het Florentijnsche gebied, een man beroemd door de gratie van zijn manieren. Hij bevond zich voor zijn handelszaken te Parijs en was even vrij en aangenaam van geest als luchtig van karakter en licht tot beminnen geneigd. Door die aantrekkelijkheid van zijn aard en van zijn manieren werd hij verliefd op een Parijsch meisje van een rang, het midden houdend tusschen adellijk en burgerlijk, voor wie hij in de hevigste liefde ontbrandde en gelijk de kenners der werken van Giovanni het willen, verbond deze zich met hem in den echt, waaruit die Giovanni is voortgekomen, het kind, dat onder Maestro Giovanni, den vader van den dichter Zanobio slechts gebrekkig de spraakkunst had geleerd. De vader begeerde van hem en noopte hem om redenen van winstbejag zich op de rekenkunde toe te leggen en om dezelfde redenen te reizen; zoo zwierf hij langen tijd door vele en verschillende streken, dan hier, dan daar. Reeds op zijn achtentwintigste jaar naar vaderlijk gebod te Napels gekomen, vestigde hij zich te Pergola, waar [6]hij verblijf houdende, op een dag voor zijn genoegen wandelde en op de plaats kwam, waar de asch van Virgilius Maron begraven is. Giovanni beschouwde deze grafstede met bewondering en lang ook hem, dien deze omsloot en in twijfel peinzend over de faam van dat gebeente, begon hij opeens het noodlot verwijten te doen en zich hierover te beklagen, waardoor hij met geweld gedwongen was zich toe te leggen op de hem antipathieke handelszaken. Van toen af aangegrepen door een plotselinge liefde voor de heilige Muzen, keerde hij huiswaarts, verwaarloosde zijn koopmanschap en wijdde zich met den vurigsten ijver aan de Dichtkunst, waarin hij in korten tijd nobele gedachten met brandenden ijver verbond en groote vorderingen maakte. Zijn vader bemerkte dit en meende, dat de hemelsche liefde meer op den zoon vermocht dan het vaderlijk gezag. Hij stemde eindelijk in zijn studiën toe en hielp hem met zijn gunst, voor zoover het mogelijk was, hoewel hij hem eerst tot de studie van het kanonieke Recht aangespoord had.

Toen Giovanni zich vrij voelde, begon hij met de grootste zorg datgene na te vorschen, wat voor de Poëzie noodig was en ziende, dat de beginselen en grondslagen der dichters, welke betreffende de romans en de fabels bestaan, zoo goed als geheel waren verloren gegaan, begaf hij zich, alsof hij door een voorbeschikking was bewogen, op weg en schrikte niet terug voor de vermoeiendste zwerftochten. Daartoe doorreisde hij vele en verschillende streken, waar hij met grooten ijver bestudeerde, wat hij van de dichters kon bemachtigen en ook legde hij zich op de Grieksche wetenschap met groote en volhardende vlijt toe, zoodat hij alles kon nasporen, terwijl hij zich voor de Grieksche dichtkunst wendde tot den zeer geleerden Meester Leontius, den Graecus. Ten slotte bracht hij alles, wat hij met zijn langdurig onderzoek kon vinden, samen in één boekdeel, dat hij “Over den Geslachtsboom der Goden” betitelde, waarin de commentaren over de antieke dichters met bewonderenswaardige orde en in sierlijken stijl,—wat hij verbazend goed verstond—in allegorischen vorm zijn verzameld, een ongetwijfeld aantrekkelijk en nuttig werk en zeer noodig voor wie de werken der dichters wil kennen, zonder hetwelk het moeilijk zou zijn ze te begrijpen en hun kunst te bestudeeren. Want al de geheimenissen der dichters en de allegorische beteekenissen, welke de historische romans of de fabel verbergen, maakt hij met bewonderenswaardige scherpzinnigheid openbaar en als voor aller hoofden bevattelijk. En aangezien de namen der rivieren, bergen, wouden, meren, moerassen en zeeën, welke in de boeken der dichters en historici beschreven worden, veranderd waren, hetzij door willekeur in verschillende eeuwen of door verschillende gebeurtenissen en zij dus met andere namen werden genoemd, welke hij las of veranderde of voor twijfelachtig hield, stelde hij een boek [7]samen over de rivieren, de bergen en het andere bovengenoemde, waarin met opzettelijke aanduiding elk met de namen naar den loop des tijds was opgeteekend, wat de lezers van de studiën der Oudheid van vele dwalingen kan bevrijden. Hij schreef ook een boek over de lotgevallen der groote mannen en een ander over beroemde vrouwen, waarin hij door zooveel zeggingskracht en sierlijkheid van stijl en statie schittert, dat men kan zeggen, dat hij niet alleen de verhevenste geesten der Ouden in die studie evenaart, maar misschien zelfs naar verdienste overtreft.

Behalve die gezegde werken maakte hij zestien zeer schoone herderszangen en vele brieven in verzen en in proza, welke door geleerden niet weinig worden op prijs gesteld en zeker toonen de boeken, welke hij schreef aan waardige en zeer begaafde mannen, hoe groot zijn genie was. Petrarca zelfs prijst hem, die zóó zijn vriend was, dat zij als één ziel in twee lichamen werden beschouwd, in hooge mate naar waarheid en niet door de warmte van zijn vriendschap, gelijk hij zegt en de dichter Zenobio, zooals die in zijn verzen bewijst, laat aan hem de vrijheid de stof voor zijn geschriften uit te zoeken. Er zijn nog verschillende werken door hem geschreven in volkstaal, sommige in rijm gezongen, een ander in prozaisch verloop opgezet, waar zijn geest behagen schept—een weinig te openlijk—in wulpsche jeugd, wat hij later, ouder geworden, in het duister wilde laten. Maar hij kon, gelijk hij begeerde, het vroeger uitgesproken woord niet naar de borst terugroepen, noch het vuur, dat hij met den blaasbalg had aangewakkerd, met den wil dooven. Naar verdienste ook paste het den grooten man met den dichterlauwer te zijn bekroond, maar de droeve ellende der tijden, welke de bezitters der tijdelijke goederen tot laag winstbejag had gebracht en ook zijn armoede beletten dit. Doch de boeken, door hem voortgebracht, waard om te worden bekroond, eeren in plaats van mirte en klimop zijn doorluchtige slapen.

De dichter was van eenigszins zwaarlijvig postuur en groot; zijn gelaat was glad maar met de neus boven de neusvleugels een weinig ingedrukt, met ietwat dikke lippen, niettemin fraai en wel belijnd; de kin had een kuil en toonde, als hij lachte, een schoonen vorm. Hij had een vroolijk en luchthartig uiterlijk, was aangenaam in al zijn gesprekken en schiep tamelijk veel genoegen in het praten. Hij verwierf zich door zijn voorkomendheid vele vrienden, echter geen een, die aan zijn armoede dacht. Hij stierf in 1375 op den leeftijd van 62 jaar en werd in het plaatsje Certaldo in het klooster van Santo Jacopo, ook wel genoemd la Canonica, met eerbewijzen begraven onder het grafschrift, dat hij voor zich zelf, nog in leven, maakte en dat aldus luidde: [8]

Onder deze steen rust de asch en het gebeente van Giovanni,

Zijn geest zetelt bij God, geëerd naar de verdienste van zijn werken:

Sterfelijk was die van bestaan, zijn vader was Boccaccio,

Zijn vaderstad was Certaldo, zijn lust was de liefelijke Dichtkunst.

Er wordt in Florence geloof geslagen aan het gerucht, dat Boccaccio tot de familie der Chellini’s behoorde, en dat zijn vader van de Florentijnsche Republiek als magistraat een inkomen genoot.

[9]
[Inhoud]

Het Boek, de Decamerone1 getiteld, bijgenaamd Vorst Galeotto2 vangt aan, waarin honderd novellen staan, verhaald in tien dagen door zeven jonge dames en drie jonge heeren.

Het is menschelijk medelijden te hebben met hen, die bedroefd zijn en hoewel dit iedereen goed staat, wordt dit het meest gevraagd van hen, die zelf vroeger behoefte hadden aan troost en dien steeds vonden. Onder dezen, hetzij het hem aangenaam is of dat hij eertijds er behagen in kreeg, als iemand hem daarom vroeg, behoor ook ik. Want ik was van af mijn eerste jeugd af tot dezen tijd toe fel ontbrand door een verheven en edele liefde3, misschien veel meer dan het naar mijn lagen stand zou schijnen en passen er van te spreken.

Hoewel ik bij hen, die bescheiden waren en tot wier kennis dit kwam, er om geprezen zou zijn en nog veel meer bekend zou wezen, had ik er niettemin veel last van, zeker niet door de wreedheid van de beminde dame maar wel door het te overvloedige vuur, in den geest opgehoopt, bij een slecht geregelde eetlust, welke, omdat die mij geen enkel oogenblik verzadigd liet, mij verscheidene malen meer belemmering deed gevoelen dan mij lief was. In dit soort lijden brachten de opwekkende redeneeringen van zekeren vriend en zijn lofwaardige troostgronden reeds zooveel verzachting, dat ik de onwrikbare meening in mij omdraag, dat ik hieraan het leven te danken heb. Maar alnaar het Hem behaagde, die—eeuwig zijnde—aan alle wereldsche zaken door onveranderlijke wetten een einde stelde, verminderde mijn liefde, vuriger dan elke andere na verloop van tijd van zelf, welke geen kracht van redeneering of raad of in het oog loopende belachelijkheid of daaruit volgend, mogelijk gevaar kon breken [10]of buigen. Die liefde heeft aldus in mijn ziel alleen die vreugde achter gelaten, welke de tijd gewoon is aan hem te verschaffen, die niet te veel nadenkt, zoodat, waar het gevoel gewoonlijk pijnlijk was, hij alle verdriet wegnam en het aangename achter bleef.

Maar zoo de smart ophield, is daardoor de herinnering niet weggevlucht van vroeger ontvangen weldaden, mij bewezen door hen, voor wien bij de welwillendheid mij toegedragen van hun kant, mijn nooden als ernstig golden en die heugenis zal, geloof ik, ook nooit vergaan, tenzij door den dood. En omdat de dankbaarheid, naar ik meen, onder de andere deugden hoogelijk is aan te bevelen en het tegengestelde laakbaar, heb ik, om niet ondankbaar te schijnen, mij zelf voorgenomen met het weinige, dat in mijn vermogen is, in ruil voor wat ik ontving, nu ik mij vrij kan noemen, verlichting te verschaffen en zoo niet aan hen, die mij hielpen—voor wien het door hun verstand of hun fortuin niet behoeft—dan ten minste aan diegenen, die het wèl noodig hebben. En ofschoon de steun of troost, die ik wil geven, vrij gering kan zijn en is, toch schijnt het mij, dat ik die des te eerder moet schenken, waar de behoefte grooter schijnt, zoowel omdat die er meer nut zal doen als omdat die er meer op prijs zal gesteld worden.

En wie zal ontkennen, wie het ook zij, dat men die niet meer moet schenken aan de schoone vrouwen dan aan de mannen? Zij houden in hun teedere boezems vreesachtig en vol schroom de liefdevlammen verborgen, welke zooveel meer kracht hebben dan de geopenbaarden, naar zij weten, die dit hebben ervaren, en bovendien—gebonden door de wilsuitingen, de luimen, de bevelen van vaders, moeders, broeders en echtgenooten—blijven zij het grootste deel van den tijd in de kleine ruimte van hun kamers opgesloten en schijnbaar rustig daar zittend, willend en niet willend terzelfder ure, rollen ze in zich zelf verschillende gedachten om, die zeker niet altijd vroolijk kunnen zijn. En indien door dezen eenigerlei zwaarmoedigheid, ontstaan uit de vurige begeerte, in hun hoofden opkomt, waarin deze zich gewoonlijk nestelt met hevig verdriet, wordt die er niet uitgedreven door nieuwe redeneeringen; buitendien zijn zij veel minder sterk dan de mannen om dit te doorstaan. Dit gebeurt bij verliefde mannen niet, gelijk wij duidelijk kunnen zien. Wanneer eenige melancholie of ernst van gedachten hen bedroeft, hebben zij verschillende manieren om die te verlichten of er zich over heen te zetten, omdat, als zij dit willen, niets hen belet uit te gaan, veel te hooren en te zien, zich op de vogelvangst te begeven, te jagen, te visschen, paard te rijden, te spelen en handel te drijven. Op die wijze heeft elk de kracht hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk den geest tot zich zelf te roepen en hem van trieste gedachten af te brengen, althans na eenig tijdsverloop, waarna op [11]de een of andere manier of troost verrast of de ontstane smart vermindert.

Derhalve wensch ik, opdat door mij het kwaad van het Noodlot verzwakt, waar bij minder kracht—gelijk wij bij de teedere donna’s zagen—ook minder steun bestond, tot hulp en toevlucht van hen, die beminnen (hoewel voor de andere vrouwen de naald en de spil en de haspel van het spinnewiel voldoende zijn) honderd verhalen te doen of fabels of parabels of histories, al naar we die noemen willen. In tien dagen werden ze door een eerzaam gezelschap van zeven dames en drie jongelieden verteld en verzonnen gedurende den voorbij geganen sterftetijd van de pest en ook enkele liederen van gezegde dames, toen voor hun vermaak gezongen.

In deze novellen zullen zich komische en treffende liefdegevallen voordoen en andere gelukkige gebeurtenissen, zoowel uit de oude als uit de nieuwe tijden, waaruit de al genoemde vrouwen, die dezen zullen lezen, evenzeer genoegen als nuttige raad kunnen halen door de grappige feiten daarin verhaald en leeren wat daaruit dan ook vermeden en nagevolgd moet worden, hetgeen ik niet geloof, dat kan gebeuren zonder verdrijving van het verdriet.

Laten wij, indien dit geschiedt, (wat God geve) Amor daarvoor danken, welke mij uit zijn banden bevrijdend, mij gedwongen heeft die te kunnen aanwenden tot hun genoegen. [12]


1 Decamerone, woord van griekschen oorsprong, dat tien dagen beteekent.

2 Vorst Galeotto. Deze titel werd aan het boek door Boccaccio gegeven (zoo hij het althans was, die het dezen schonk misschien ter herinnering aan den bekenden versregel van Dante uit het fragment over Francesco da Rimini. (Inferno V). “Galeotto was het boek en die het maakte.”)

3 Zinspeelt op zijn liefde voor Fiametta of Maria, natuurlijk kind van Roberto, koning van Napels.

[Inhoud]

De eerste dag van de Decamerone begint: waar aangetoond wordt, naar de verklaring van den auteur, waarom het gebeurde, dat de personen, die bij elkaar komen, zich moesten vereenigen om zich samen te onderhouden. Onder de leiding van Pampinea verhaalt men van wat het meest aan elk behaagt.

Zoo dikwijls als ik, zeer genadige donna’s, bij mezelf denkend er op let, hoe gij allen natuurlijk ernstig gestemd zijt, zoo vaak ben ik mij bewust, dat het tegenwoordige werk, naar uw oordeel, een ernstigen en droeven oorsprong moet hebben gelijk de smartelijke herinnering aan de voorbijgegane, pest verbreidende sterfte in het algemeen hinderlijk is voor ieder, die deze mocht zien of op andere wijze kennen. Het boek bevat vooraan deze herinnering. Maar ik wil niet, dat dit u zal afschrikken er meer van te lezen, alsof gij altijd onder tranen en zuchten met de lectuur zoudt moeten voortgaan. Dat vreeselijke begin zal u niet anders aandoen dan een ruwe en steile berg reizigers treft, wanneer een zeer schoone, zachte en aangename rustplaats volgt, welke hun des te behagelijker zal zijn, naarmate de moeite van het bestijgen en afdalen daarvan grooter is geweest. En gelijk het uiterste van vreugde smart inhoudt, zoo worden de verdrietelijkheden door daarop volgende vreugde beëindigd. Op dit korte verdriet (ik zeg kort, omdat dit in weinige woorden vervat is) volgt spoedig het genoegen en het genot, dat ik u bij voorbaat had beloofd en dat misschien bij een aldus gemaakt begin niet verwacht zou worden, indien ik het niet had vermeld. Inderdaad, indien ik op fatsoenlijke manier op een andere wijze had kunnen komen tot wat ik verlang dan langs het ruwe pad, waarover ik dit doe, dan had ik het graag gedaan, maar daar ik de oorzaak, door welke de dingen geschiedden, die later zullen gelezen worden, niet kon verklaren zonder die herinnering, breng ik mijzelf, als door noodzakelijkheid gedwongen, er toe om dit te beschrijven.

Ik zeg dus, dat de jaren sinds de Onbevlekte Ontvangenis van Gods Zoon al gestegen waren tot het getal dertienhonderd achtenveertig, toen in de zeer goede stad Florence, schooner dan elke [13]andere Italiaansche, de moorddadige pestziekte uitbrak, welke door den invloed der hemellichamen of voor onze zondige daden door Gods gerechten toorn onder de stervelingen gezonden, eenige jaren te voren in het Oosten ontstond, een ontelbaar aantal levenden wegrukte en zonder oponthoud van de eene plaats naar de andere voortgaande, zich op allertreurigste wijze naar het Westen heeft verbreid.1 En hiertegen hielp geen enkele wetenschap noch menschelijke wijsheid, hoe de stad ook gezuiverd werd van veel onreinheid door de beambten, behalve van die, waarvan het reeds voorgeschreven was en evenmin baatte het, dat het aan elke zieke verboden was de stad binnen te gaan. De vele raadgevingen geschonken voor het behoud van de gezondheid, en ook de nederige smeekbeden, niet ééns maar vele keeren zoowel in geordende processies als op andere wijze tot God gericht door vrome menschen, hielpen niets. Omstreeks het begin van de lente van het voornoemde jaar begon de pest op vreeselijke wijze en op wonderbaarlijke manier haar treurigen invloed te toonen. Zij woedde niet, gelijk zij in het Oosten had gedaan, waarbij ieder, dien het bloed uit den neus kwam, dit een zeker teeken was van onvermijdelijken dood, maar bij het begin der ziekte ontstonden of in de lies of onder de oksels—bij mannen als vrouwen op gelijke wijze—zekere gezwellen, van welke enkelen groeiden als tot een gewone appel, anderen als tot een ei, bij eenigen meer en bij anderen minder, welke de menschen uit het volk pestbuilen noemden. Van de twee genoemde lichaamsdeelen uit begon in korten tijd de reeds gezegde doodelijke pestbuil, onverschillig waar, in een deel er van te ontstaan en op te komen en daarna begon het uiterlijk van genoemd ziekteverschijnsel te veranderen in zwarte of loodkleurige vlekken, welke onder de armen en op de heupen en op elk ander lichaamsdeel verschenen, bij dezen groot en weinig, en bij genen klein en veelvuldig. En daar de pestbuil het eerst was geweest en nog was het zekere teeken van naderenden dood, zoo waren die vlekken het ook bij elk, bij wien zij zich vertoonden. Het scheen, dat tot genezing van dit soort ziekte noch raad van een dokter, noch kracht van welk medicijn ook waarde had of verlichting bracht, daar of de aard van den ramp het niet toeliet, of daar de onwetendheid [14]der geneeskundigen (van welke buiten de wetenschappelijke het aantal zoowel van mannen als vrouwen, die nooit de medicijnen hadden gestudeerd, enorm was geworden) de oorzaak niet kon verklaren. Daar men bij gevolg het noodige geneesmiddel er niet voor koos, herstelden er niet slechts maar weinigen van, maar ongeveer allen binnen drie dagen sinds de verschijning van genoemde teekens, die wat eerder, gene wat later, en de meesten zonder koorts of er bij komende omstandigheden, stierven.

En de kracht van die pest was nog grooter, omdat zij van de zieken door gemeenschappelijk samenzijn zich op de gezonden wierp, op dezelfde wijze als het vuur doet bij droge voorwerpen of gewrevenen, als zij het dicht genoeg zijn genaderd. En er was een nog grooter kwaad n.l. dat niet alleen het spreken en omgaan met de zieken aan gezonden de ziekte bracht of de oorzaak van het gewone sterfgeval werd, maar ook het aanraken van de lakens of welk ander voorwerp ook, dat door deze zieken beroerd werd of gebruikt, scheen die ziekte op hem, die ze betastte, over te brengen.

Het is een wonderlijke zaak om te hooren, die ik vertellen moet en die, indien hij niet door vele en door mijn eigen oogen gezien was, ik ternauwernood zou durven gelooven en niet den moed zou hebben neer te schrijven, zoo ik dit niet van betrouwbare menschen had gehoord. Ik beweer, dat de aard van de vermelde pest van zoodanigen invloed was bij aanraking van het eene wezen met het andere, dat niet alleen de eene mensch den ander, maar wat erger is en duidelijk genoeg bleek, dat het goed van iemand, die daardoor ziek was geweest of overleden, beroerd door een ander schepsel dan van het menschelijk geslacht, het niet alleen daarmee aanstak, maar het in zeer korten tijd doodde. Met mijn eigen oogen heb ik waargenomen, (gelijk kort te voren gezegd is) dat op een dag onder andere gevallen de lompen van een arm man door de ziekte bezweken, op den openbaren weg waren geworpen, toen twee zwijnen naderden en naar hun gewoonte die eerst met den snuit en de tanden opnamen en om den kop schudden. Kort daarop, na een paar maal te hebben rondgewenteld, alsof ze vergift hadden ingenomen, vielen beide op de ongelukslompen dood ter aarde.

Hierdoor en door heel wat meer andere gelijksoortige en erger gevallen ontstonden verschillende angsten en inbeeldingen bij hen, die gespaard bleven en allen kwamen tot een vrij wreede gevolgtrekking, namelijk de zieken en hun omgeving te vermijden en te ontvluchten en aldus handelend meende elkeen zich gelijkelijk redding te verschaffen. Er waren er eenigen, die aanrieden, dat matig leven en zich te onthouden van alle overdaad veel weerstand gaf tegen de zich voordoende ramp, en na een gezelschap te hebben gevormd leefden zij afgescheiden van ieder ander en zij vluchtten [15]in hun huizen en sloten zich op daar, waar geen enkele zieke was, en zij gebruikten om beter te leven zeer matig de fijnste spijzen en de beste wijnen en vermeden elke buitensporigheid zonder te spreken of iemand te laten spreken van buiten over dood en zieken, of eenig nieuws te hooren en bleven dáár bij muziek en bij alle genoegens, die zij zich verschaffen konden. Anderen, van een tegengestelde meening overtuigd, beweerden dat goed drinken en genieten en zingend naar buiten te gaan en zich te vermaken en te voldoen aan iedere behoefte, waar het kon en te lachen en te schertsen om al wat gebeurde, het zekerste middel was tegen zulk een kwaad. Gelijk zij zeiden gingen zij dag en nacht naar hun vermogen te werk, dan naar deze, dan naar die kroeg loopend, zonder overleg en zonder maat drinkend. Zij deden veel meer dan in alle andere omstandigheden alleen dat, wat zij meenden, dat voor hun aangenaam en plezierig kon zijn. En zij konden dit gemakkelijk doen, omdat ieder (alsof hij niet langer had te leven) zijn goederen in den steek had gelaten of hij al dood wás, waardoor de meeste huizen gemeengoed waren geworden. De vreemdeling gebruikte die, alsof hij er behoorde en gelijk de eigen heer er gewoond zou hebben en met die hardvochtige gedachte ontvluchtten zij, zooveel ze konden, steeds de zieken. In zulk een rouw en ellende van onze stad was het eerbiedwaardig gezag van de wetten, zoowel goddelijke als menschelijke, als het ware vervallen en geheel losgelaten door de schepenen en de uitvoerders daarvan. Deze waren gelijk andere menschen of dood of ziek of zoo van familie beroofd, dat geen enkel ambt kon uitgeoefend worden; daardoor stond het aan ieder vrij naar zijn welgevallen te handelen.

Velen volgden tusschen de twee gezegde levenswijzen een gemiddelde, zich niet onthoudend van spijzen als de eersten, nog zich te buiten gaande aan drank en andere losbandigheden gelijk de tweeden, maar zij gebruikten naar genoegen volgens hun begeerten de levensmiddelen en gingen naar buiten zonder zich op te sluiten en droegen deze, bloemen, gene, welriekende kruiden in de handen en andere verschillende specerijen, die zij vaak aan den neus brachten, denkend, dat dit een uitstekend middel was om met dit soort reuk de hersens te versterken; want het was er zoo mee gesteld, dat de lucht geheel van den stank der doode lichamen en van de ziekte en van de medicijnen doortrokken en onrein was.

Anderen waren van een nog wreeder gevoelen (alsof dat soms veiliger zou zijn) en zeiden, dat er geen ander en beter middel tegen de pest bestond dan er voor te vluchten en door deze redeneering aangezet, voor niets zorgend dan voor zichzelf, verliet een groot aantal zoowel mannen als vrouwen hun eigen stad, hun eigen huizen, hun positie en familie en goederen en zochten de anderen steden op of althans hun omtrek, alsof Gods toorn over de ongerechtigheid [16]der menschen met die pest van de plaats, waar zij waren, niet voort kon gaan, maar Hij die alleen had verwekt om diegenen te tuchtigen, welke zich binnen de muren der stad mochten bevinden; zij raadden niemand er te blijven en beweerden, dat zijn laatste uur dan gekomen was. Daar zij, die een andere meening hadden, niet allen stierven, vluchtte daardoor niet iedereen; van beide partijen werden er echter velen ziek. Zij versmachtten verlaten alom, alhoewel zij, toen zij zelf gezond waren, een voorbeeld van levenswijze hadden gegeven, aan hen, die gezond bleven. Laten wij verzekeren, dat de eene burger den ander vermeed, en daar zoo goed als niemand voor een ander zorgde en bloedverwanten elkaar zelden of nooit bezochten, was er van verre met den zoo veroorzaakten schrik zulk een verbijstering gekomen in de gemoederen der mannen en vrouwen, dat de eene broeder den ander verliet en de neef de nicht en de zuster den broeder en dikwijls de vrouw haar echtgenoot; en (wat erger is en haast ongeloofelijk) de vaders en moeders vermeden hun kinderen, of het de hunnen niet waren, te bezoeken en te helpen. Hierdoor bleef voor hen, wier aantal niet was te schatten, zoowel mannen als vrouwen, die ziek werden, geen andere hulp dan de barmhartigheid van vrienden (en van hen waren er maar weinig) of de hebzucht van oppassers, die voor hoog salaris en schandelijke overeenkomsten dienden. Hun aantal was door dit alles toch niet groot en de mannen zoowel als de vrouwen waren dom en in vele gevallen nooit voor dergelijke werk gebruikt, terwijl ze voor niets anders dienst deden dan eenige dingen aan te reiken door de lijders gevraagd of om ze bij te staan, als zij stierven. Wanneer zij die dienst verrichtten, gingen ze dikwijls met winst en al dood. Daar de zieken verlaten waren door buren, verwanten en vrienden en gebrek hadden aan oppassers, ontstond een gebruik, vroeger ongehoord, dat een vrouw, hoe bekoorlijk en schoon en lief ze ook was, wanneer zij ziek werd, zorg droeg een man tot haar dienst te hebben, wie hij ook mocht zijn, jong of oud, waarvoor zij zonder eenige schaamte elk lichaamsdeel ontblootte niet anders dan zij voor een vrouw zou gedaan hebben. Want de nood van haar lijden eischte dit, wat bij hen, die genazen, misschien de oorzaak was van minder kuischheid in den tijd, die volgde. Bovendien overviel de dood velen van hen slechts door tegenspoed, die gered zouden zijn, indien ze geholpen waren.

Tengevolge daarvan, zoowel door het gebrek aan de noodige oppassing, welke de zieken niet konden krijgen als door de hevigheid van de pest was de massa van hen, die dag en nacht stierven zoo groot in de stad, dat het schrikbarend was om het te hooren vertellen, als men er slechts acht op gaf. Daardoor als van zelf ontstonden naast vroegere gewoonten van de burgers zeden in strijd met die, welke in zwang waren gebleven. [17]

Het was gewoonte (gelijk we het nog in gebruik zien), dat de verwanten en de buurvrouwen zich in het huis van den doode verzamelden, en hier met hen, die hem meer vermaagschapt waren, treurden; en van den anderen kant vereenigden zich vóór het huis van den doode de buren en een aantal andere burgers met zijn mannelijke familieleden en naar den rang van den overledene kwam de geestelijkheid en werd hij op de schouders van zijn makkers met begrafenispraal van waskaarsen en zangen gedragen naar de kerk, voor zijn overlijden door hem aangewezen. Die gebruiken hielden, toen de felheid van de pest begon toe te nemen, of geheel of grootendeels op en er kwamen geen andere nieuwen voor in de plaats, zoodat niet alleen tal van lieden stierven zonder klaagvrouwen, maar er waren er genoeg, die zonder getuige uit dit leven scheidden en maar zeer weinigen, wien vrome klaagzangen en de bittere tranen van zijn familieleden bleven voorbehouden. Liever in de plaats daarvan sleten die hun leven door zooveel mogelijk te lachen en te schertsen en gezellig feest te vieren, welke gewoonte de vrouwen, die grootendeels de vrouwelijke vroomheid hadden afgelegd, voor hun lijfsbehoud zeer goed hadden geleerd. Er waren er maar weinigen, wier lichamen door meer dan tien of twaalf van de buren ter kerk vergezeld werden, en voor welken de eerzame en achtbare burgers, en niet een soort doodgravers, voortgekomen uit den laagsten stand, die zich ook aldus lieten noemen en die deze diensten voor geld verrichtten, onder de baar traden en haar met haastige passen niet naar die kerk brachten, welke zij voor hun dood hadden aangewezen, maar naar de meest naburige meestal achter vier of zes geestelijken met weinig kaarslicht en menigmaal zonder één priester. Dezen met de hulp van die doodgravers zonder zich met een te langen of plechtigen lijkdienst te vermoeien, brachten die in de eerste de beste grafstede, welke zij open vonden. Van den lageren stand en misschien voor een groot deel van de middelklasse was de aanblik der alle ellende nog veel erger, omdat die het meest door hoop of door armoe in hun huizen werden teruggehouden of in hun buurt bleven en bij duizenden ziek werden en noch bediend, noch geholpen met wat ook, zonder eenige verzachting stierven. Er waren er genoeg, die op den openbaren weg bij dag of nacht omkwamen en velen, die in hun huizen heengingen, deden eerst door den stank van hun ontbonden lichamen dan aan de buren bemerken, dat zij dood waren; zoowel hiervan als van anderen, die overal bezweken, waren er een groot aantal. Er werd door de meeste buren een middelweg gebruikt, daartoe niet minder bewogen door vrees, opdat de besmetting van de dooden hun geen kwaad deed, als door de barmhartigheid, die zij jegens de overledenen hadden.

Zij, zoowel door eigen kracht als met behulp van de dragers, [18]zooveel ze er van konden krijgen, sleepten de lichamen der reeds gestorvenen uit hun huizen en plaatsten die voor hun deuren, waar vooral ’s morgens, wie uit was gegaan, er talloos veel had kunnen zien. Zij lieten vervolgens baren komen en er waren er, die bij gebrek daaraan, ze op een plank legden. Er was geen baar, die niet twee of drie tegelijk er van torste, en het kwam misschien maar één keer voor, dat van deze niet vrij zeker kon gezegd worden, dat zij de echtgenoote en den man, de twee of drie broeders of den vader en den zoon of op die wijze de familie droeg. Het gebeurde zeer vaak, dat, wanneer twee of drie priesters met een kruis voor één baar afzonderlijk liepen, dat drie of vier baren geheven door dragers, zich daarachter voegden; en waar de priesters geloofden, dat zij één doode begroeven, deden zij er dit zes of acht of nog meer. Zij werden ook niet geëerbiedigd met een enkelen traan of kaarslicht of begeleiding; ook werd de toestand van dien aard, dat men geen andere zorg droeg voor de menschen, die stierven, dan men voor geiten over had. Daardoor bleek het duidelijk genoeg, dat, terwijl de natuurlijke loop der dingen bij weinige en zeldzame verliezen niet aan wijzen kon leeren die te dragen met geduld, de grootste van de rampen zelfs de eenvoudige zielen had kunnen maken tot verstandige en ongevoelige lieden. Blijkbaar door de groote menigte dooden, die naar elke kerk iederen dag en zoo goed als ieder uur, al naar het viel, gedragen werd, maakte men, daar de gewijdde aarde voor de begrafenissen niet voldoende was en daar men vooral aan ieder volgens de oude gewoonte een eigen plaats wilde geven, op de akkers van de kerken, omdat elke plek grond vol was, zeer groote kuilen, waarin men de later aangebrachten bij honderd neerliet en in deze opgehoopt—gelijk men koopwaren laag op laag in schepen legde—bedekte men ze met weinig aarde zoover, dat die tot den rand van de kuil kwam. Maar opdat ik niet later aan iedere bijzonderheid van de voorbijgegane ellende, onze stad overkomen, nog herinner, vermeld ik, dat, toen deze booze tijd die bezocht, zij bij haar voortduur evenmin de omliggende streek spaarde, waar (ik laat de dorpen ter zijde, die door hun kleinheid bij de stad begrepen waren) in de verspreide hofsteden en de velden de ongelukkige boeren en armen en hun families zonder eenige hulp van dokter of steun van een oppasser op de wegen en op hun akkers en in hun huizen, onverschillig bij dag en bij nacht, niet als menschen maar als beesten stierven. Daardoor werden zij als de poorters in hun gewoonten bandeloos en zorgden niet meer voor hun werk of hun zaken. Allen ook als op den dag, wanneer de dood, dien zij verwachten, zou komen, deden hun best op allerlei wijze niet hun toekomstige winsten van vee en land en van hun gedanen arbeid te vermeerderen maar te verkwisten, wat ze er van in voorraad hadden. Aldus gebeurde het, [19]dat de koeien, de ezels, de schapen, de geiten, de zwijnen, de kippen en zelfs de honden, het trouwst aan de menschen, uit hun eigen verblijfplaatsen verjaagd door de velden wegliepen naar willekeur, waar ook het graan verlaten en niet binnengehaald maar wel gemaaid was. En velen, die over dag goed gevoed waren, dronken zich zonder toezicht van den herder ’s nachts in hun stal zat, of ze verstand hadden. Hieraan valt nog toe te voegen (wanneer ik het platteland ter zijde laat en tot de stad terug ga) dat, indien het niet in die mate is en zoozeer was door de wreedheid des hemels en misschien ten deele door die der menschen, zoowel door de kracht van de pest als doordat vele zieken slecht waren geholpen en hunne behoeften verwaarloosd, ook door de vrees, die vele gezonden hadden, men het aantal menschen, die zeker binnen de muren van de stad Florence stierven, boven de honderdduizend schat. Hoevelen zou men misschien vóór den verderfelijken ramp niet gedacht hebben daarbij te moeten tellen? O hoeveel groote paleizen, hoeveel fraaie huizen, hoeveel trotsche woningen, vroeger vol families, vol heeren en dames, bleven tot op den minsten bediende ledig! O hoeveel aanzienlijke geslachten, hoeveel groote erfgoederen, hoeveel befaamde rijkdommen zag men zonder den wettigen erfgenaam blijven! Hoeveel invloedrijke mannen, hoeveel schoone vrouwen, hoeveel lieve kinderen, die door geen minderen dan Galienus, Hippocrates of Esculaap gezond zouden geacht wezen, ontbeten ’s morgens met hun ouders, met gezellen en vrienden, die op den invallenden avond in de andere wereld met hun afgestorven verwanten het avondmaal hielden!

Ik zelf voelde aandrang om tusschen zooveel ellende te gaan zwerven en nu wil ik achterwege laten, wat ik gerust weglaten kan. Ik zeg dan, dat, terwijl onze stad in dien toestand was, bijna leeg van bewoners, (gelijk ik later van een betrouwbaar persoon vernam) toevallig in de eerbiedwaardige kerk van Santa Maria Novella op een Dinsdagmorgen zeven jonge dames bijeen kwamen, toen er haast niemand anders was en nadat zij den heiligen dienst er gehoord hadden in rouwgewaad, gelijk in die omstandigheden vereischt werd. Allen waren aan elkaar verbonden door vriendschap, nabuurschap of verwantschap en geen een was er ouder dan achtentwintig of jonger dan achttien; elk van hen was ontwikkeld, van edel bloed, mooi gevormd, rijk van kleederdracht en van fatsoenlijk uiterlijk. Het is mij niet veroorloofd hun ware namen te melden, indien de reden althans gegrond is. Ik wil dit niet, opdat zij over de dingen, die volgen en die door hen verhaald en gehoord zijn, in de toekomst zich niet hoeven te schamen. Want de wetten op de vermaken zijn thans wat streng, en waren toen door de bovenvermelde oorzaken niet slechts voor hun leeftijd maar ook voor een veel rijperen zeer zacht. Ook wil ik [20]aan nijdigaards geen gelegenheid geven, die gereed zijn ieder fatsoenlijk leven te bezoedelen, door eenigerlei daad de eerbaarheid der waardige dames te verkleinen met schadelijke praatjes. En opdat ieder later zonder verwarring kan begrijpen, wat elk van hen hun vertelde, ben ik van plan door namen, die met hun hoedanigheid of geheel of ten deele overeenkomen, ze aan te duiden. Aldus zullen wij niet zonder reden de eerste en de oudste Pampinea noemen, en de tweede Fiammetta, de derde Filomena, de vierde Emilia, en wij zullen Lauretta als de vijfde aanduiden en de zesde zullen wij Neifila en de laatste Elisa noemen. Dezen, die nog geen besluit hadden genomen, maar toevallig in een deel der kerk bijeen waren gekomen en als in een kring zich geplaatst hadden om te zitten, begonnen na heel wat zuchten en nadat zij het prevelen van paternosters hadden gestaakt, met elkaar te redeneeren over den aard der vele en verschillende tijdsomstandigheden en na eenige oogenblikken, toen de anderen zwegen, begon Pampinea aldus te spreken:

Mijn lieve donna’s, gij kunt als ik meermalen gehoord hebben, dat niemand kwaad doet, die goed zijn verstand gebruikt. Het is natuurlijk van iedereen, bij wat er op deze aarde gebeurt, zooveel mogelijk zijn leven te sterken en te behouden en te verdedigen. Men geeft dit zelfs zoover toe, dat het een enkele maal al is voorgekomen, dat zonder eenige schuld menschen om dit te behouden elkaar hebben gedood. En indien de wetten dit veroorloven, in wier betrachting het voor ieder sterveling goed is te leven, hoeveel te meer zonder iemand te hinderen is het voor ons en ieder ander niet zedelijk voor het behoud van ons leven die middelen te kiezen, welke in ons vermogen zijn? Ieder oogenblik, dat ik onze wijze van doen van dezen morgen beschouw en ook die van vroeger en bedenk, hoedanige en welke onze redeneeringen zijn, begrijp ik—en gij kunt het eveneens begrijpen,—dat ieder van ons aan zich zelf moet twijfelen: en dit nog verwondert mij niet, maar sterk verbaast mij (in aanmerking nemend, dat wij alle vrouwelijk gevoel hebben), dat wij zelf niet bemerken eigenlijk ieder voorbehoedmiddel te vreezen. Wij blijven hier, naar het mij schijnt niet anders dan om er de geheel vrijwillige en noodzakelijke getuigen van te zijn hoeveel dooden hier ten grave worden gedragen en om te hooren of de broeders van hier binnen, van welke het aantal haast tot nul is geworden, op de verplichte uren hun dienst afzingen, of om aan ieder, die hier verschijnt, onzen rang en de grootte van onze ellende te doen zien. Ook: indien wij van hier weggaan, of de lijken of de zieken van buiten zien vervoerd worden of hen aanschouwen, die het gezag der publieke wetten vroeger tot ballingschap dwong voor hun misdaden, en die daar als ’t ware mee spotten, dewijl zij gewaar worden, dat de [21]uitvoerders daarvan dood of ziek zijn en met weerzinwekkende brutaliteit het grondgebied afloopen of het schuim der stad, dat op ons bloed verhit is en zich doodgravers noemt en om ons te beleedigen paard rijdt en overal rondgaande met gemeene liedjes onzen trots kwetst. Wij hooren hier niets anders dan: die zijn dood en de anderen zijn er om te sterven, en, indien er iemand in staat zou zijn om ze te hooren, zouden wij overal droevige klachten vernemen. Indien wij naar onze huizen terugkeeren (ik weet niet of u gebeurt, wat mij overkomt) ontstel ik bij de gedachte van een groot gezin er niemand te vinden dan mijn knecht en ik voel al mijn haren te berge rijzen, en het schijnt mij, dat, waar ik er ga of sta, ik er hun schimmen zie en zij mij verschrikken en niet met de gewone herinnering, die ik van hen pleeg te hebben, maar met een afschuwelijk uiterlijk, niet begrijpend, wat hen zoo deed veranderen. Daarom schijnt het mij niet goed zoowel hier als hier buiten of thuis te blijven, en het komt mij nog meer zoo voor van ons dan van iemand, die geen toevluchtsoord heeft en die daarheen niet gaan kàn als wij, die er wel een hebben, en die tòch hier gebleven zijn. Ik heb meermaals gezien en gehoord, (indien er toch enkelen zoo zijn) dat deze zonder eenig onderscheid te maken tusschen fatsoenlijke en onfatsoenlijke dingen, dat doen, wat de begeerte hen ingeeft, zoowel alleen als in gezelschap en bij dag als bij nacht wat hun het best bevalt. En niet slechts de wereldsche lieden maar ook de in kloosters afgezonderden, die zich zelf wijs maken, dat goed is, wat hun bevalt en slechts aan de anderen mishaagt, denken zich op die wijze te bevrijden, nadat zij de gehoorzaamheid aan de regels verbroken hebben, zich aan de lusten des vleesches hebben overgegeven; en ze zijn wulpsch geworden en wellustig. Indien (wat duidelijk blijkt) dit zoo is, wat zullen wij hier dan doen? Waarop wachten wij? Wat denken wij? Waarom zullen wij voor ons heil trager en langzamer zijn dan het geheele overig deel van de burgers? Achten wij ons minder goed dan al de anderen? Of gelooven wij, dat ons leven met een sterker keten aan ons lichaam is gebonden dan dat bij anderen zoo is en in die mate, dat wij er in ’t geheel geen zorg voor behoeven te dragen, die de macht schenkt het te verdedigen? Wij dwalen, wij zijn bedrogen: hoe groot is onze overmoed, indien wij dit onderstellen? Zooveel keeren als wij ons zouden herinneren hoedanige en welke de jongelieden en de meisjes geweest zijn, die door deze wreede pest bezweken, zouden wij daarin een zeer overtuigend argument vinden. En opdat wij door domheid of traagheid daartoe niet vervallen, waaruit wij gelukkig op eenigerlei wijze, als we het maar willen, kunnen ontsnappen (ik weet niet of u dit zoo zal voor komen als aan mij), zou ik het opperbest gedaan achten, dat wij uit dit gebied vertrekken [22]zóó als we hier bij elkaar zijn, gelijk wij vele malen al hebben gedaan en plegen te doen. Laten wij als de dood de slechte voorbeelden hier ontvluchten en met eere naar onze buitenplaatsen in de provincie gaan, met welke ieder van ons rijkelijk bedeeld is, om daar te blijven en opdat wij daar die feestelijkheid, die vreugde, dat genoegen smaken, wat wij kunnen zonder met eenige daad de grens van wat betaamt, te overschrijden. Daar hoort men de vogeltjes zingen; daar zullen wij de heuvels en de velden zien groenen en de akkers van graan zien golven gelijk de zee en van boomen op wel duizend manieren. En de hemel ziet men er ruimer, die, hoewel hij vertoornd is, daarom er niet zijn eeuwige schoonheden verbergt, welke daar veel heerlijker zijn om te aanschouwen dan de verlaten muren van onze stad. Daar is de lucht veel frisscher dan hier en de dingen, thans noodig om te leven zijn er in grooter overvloed en het verdriet is er minder. En wel, omdat, hoewel daar de boeren sterven als hier de burgers, de rouw er minder is, waar de huizen en de bewoners zooveel meer verspreid zijn dan in de stad. En anderzijds hier, zoo ik goed zie, verlaten wij niemand, zoo, dat zelfs wij eerder kunnen zeggen in waarheid hier verlaten te zijn, omdat de onzen hetzij stervend hetzij den dood ontvluchtend, alsof wij de hunnen niet waren, ons in al dien rouw hebben achtergelaten. Er kan dus geen enkel verwijt op ons vallen, indien wij dien raad volgen en zoo niet, dan zou smart en verdriet en misschien de dood ons kunnen verrassen. En daarom, wanneer het u goed dunkt, geloof ik, dat wij door onze bedienden mee te nemen en die met de benoodigdheden te laten volgen heden ginds, morgen elders en door die vroolijkheid en feestelijkheid te genieten, die deze tijd kan verschaffen, wel doen, wat goed is om gedaan te worden en door zoo te blijven handelen, tot wij zien (indien wij niet van te voren door den dood worden achterhaald), wat eindelijk de hemel na deze omstandigheden voor ons bewaart. Ik herinner U er aan, dat hij ons niet zoozeer verbiedt op eerzame wijze heen te gaan, als wel aan de anderen om voor een groot deel op schandelijke wijze hier te blijven.

Toen de andere donna’s Pampinea gehoord hadden, prezen zij niet alleen haar raad, maar verlangend dien te volgen waren zij al begonnen onder elkaar afzonderlijk op die wijze te praten, zoodat zij hierop van hun zetels zich verheffend als het ware hand in hand op weg wilden gaan. Maar Filomena, die de voorzichtigste was, zei: Dames, hoewel het betoog door Pampinea op uitstekende wijze is uiteengezet, is het toch niet goed heen te gaan gelijk zij beweert, dat gij moet doen. Ik herinner u er aan, dat wij alle vrouwen zijn en er is er geen hier zulk een kind, dat zij wel kan weten, hoe de vrouwen te samen verstandig zijn, en dat zij toch niet zonder [23]het overleg van een enkelen man kunnen handelen. Wij zijn bewegelijk, weerbarstig, ergdenkend, kleingeestig en bangelijk; daarom betwijfel ik zeer of ons gezelschap niet te spoedig, indien wij geen anderen gids dan den onze nemen, uiteen gaat en met minder eer dan hier vereischte is. En daarom is het goed zich hierbij te bezinnen, voor wij beginnen. Toen sprak Elisa: Inderdaad zijn de mannen het hoofd der vrouwen en zonder hun leiding komt slechts zelden een werk van ons tot een lofwaardig einde; maar hoe kunnen wij ons die mannen verschaffen? Ieder onzer weet, dat de meesten dood zijn en dat de anderen, die zijn blijven leven, deze hier en gene daar in verschillende groepen—zonder dat wij weten waarheen—dat ontvlieden, wat ook wij ontwijken en het uitnoodigen van onbekenden zou niet eerbaar zijn. Daarom, als wij tot onze redding ze willen volgen, is het noodig een middel te vinden, waardoor wij zoo onze zaken regelen, dat ons, waar wij voor ons genoegen of onze rust heengaan, geen verdriet of schandaal volgt.

Terwijl de dames onder elkaar zoo redekavelden, kwamen drie jongelieden in de kerk, waaronder er geen minder dan vijfentwintig jaar oud was als de jongste en onder welken noch de boosheid des tijds, noch het verlies van vrienden of ouders, noch vrees voor zich zelf, de liefde had kunnen uitblusschen of afkoelen. Een van hen heette Pamfilo, de tweede Filostrato en de laatste Dioneo, elk heel aardig en welgemanierd en zij gingen tot hun besten troost in zooveel verwarring hun donna’s zoeken, die toevallig alle drie zich onder de genoemde zeven bevonden, terwijl de anderen allen daaraan verwant waren. En dezen vielen de anderen nog niet in het oog of genen waren ook door hen opgemerkt, zoodat Pampinea toen glimlachend begon: Kijk, de fortuin is voor ons begin gunstig en heeft hier bij voorbaat bescheiden en dappere jongelieden gebracht, die gaarne zoowel gids als dienaar willen zijn, als wij ze voor dien dienst niet zullen ontvluchten. Neifile, toen van schaamte over het geheele gelaat vuurrood, omdat elk van hun door een der jongelui bemind werd, zei: Pampinea, bij God, let op wat je zegt; ik weet zeker, dat men niets dan het beste van elk van hen kan zeggen en ik meen evenzeer, dat wij hun gezelschap en de eer daarvan moeten hooghouden, die niet voor ons, maar voor veel schooner en hooger geplaatste dames dan wij bestemd zijn. Maar omdat het duidelijk is, dat zij enkelen van ons, die hier zijn, beminnen, vrees ik, dat schande en verwijt hierop volgt buiten onze of hun schuld, indien wij ze meenemen.

Daarop zei Filomena: Dat beduidt niets; daar waar ik eerbaar leef, zal het geweten mij over niets kwellen, wie ook het tegendeel wil beweren; God en de waarheid zullen dan voor mij de wapens opnemen. Mochten ze nu maar gereed zijn om te komen, opdat wij, gelijk Pampinea beweerde, waarlijk kunnen zeggen, dat de fortuin [24]voor onzen tocht gunstig is. De anderen, welke haar zoo hoorden spreken, zwegen niet slechts maar met eenparige toestemming vonden zij goed, dat die zouden geroepen worden, dat men hun het plan zou meededen en dat men hun zou vragen of het hun mocht behagen bij den aldus voorgestelden tocht ze gezelschap te houden. Hiertoe richtte zich zonder een woord meer Pampinea, die opgestaan was en die hun allen door haar bloed verwant was, tot deze heeren, die haar voortdurend stonden aan te kijken en na hen met vriendelijk gelaat te hebben gegroet, maakte zij hun dit plan bekend en verzocht hen elk afzonderlijk ze met reine en broederlijke geest gezelschap te houden, indien zij zich verplicht voelden zich daartoe gereed te maken. Eerst geloofden de jongelui, dat ze voor den mal werden gehouden, maar toen zij merkten, dat de donna van plicht sprak, antwoordden zij verheugd, dat zij bereid waren en zonder eenig uitstel te maken bij het plan—daar zij ook vertrokken—gaven zij orders voor wat ze bij hun uittocht te doen hadden. Nadat zij alles ordelijk in gereedheid hadden gebracht en wisten, waar zij plan hadden heen te gaan, begaven zich den volgenden morgen, namelijk Woensdag, bij het krieken van den dag de dames met eenige van hun bedienden en de drie jongelieden met drie van hun knechts, uit de stad trekkend, op weg. Zij verwijderden zich van haar niet meer dan twee kleine mijlen, tot ze de plaats bereikten door hen aangewezen. Die plek bevond zich boven een kleinen berg van alle kanten ver van onze wegen, vol van verschillende lage boomen en planten, allen met groen gebladerte, bekoorlijk om te zien. Op den top daarvan was een paleis met een schoonen en grooten hof in het midden en met terrassen en zalen en kamers, allen afzonderlijk zoo fraai mogelijk en met aanlokkelijke, merkwaardige schilderijen en getooid met weiden daarbuiten en wonderbare tuinen en met zeer frissche waterputten en met gewelven vol kostbare wijnen, meer geschikt voor belangstellende drinkers dan voor matige en eerbare jonkvrouwen. Toen het was gereinigd en de bedden in de kamers waren opgemaakt en alles met bloemen, welke men naar het seizoen kon krijgen, en net was versierd, genoot de aanstaande club niet weinig. En toen zij zich voor de eerste vergadering hadden neergezet, zeide Dioneo, die meer dan elke andere jonkman bekoorlijk en welbespraakt was: Dames, uw verstand meer dan onze voorzichtigheid heeft ons hierheen geleid; ik weet niet welke van uw gedachten gij hier wilt toepassen; ik liet de mijnen achter in de poort van de stad, toen ik voor kort met u naar buiten ging. Daarom: of gij zijt bereid met mij te samen te schertsen en te lachen en te zingen (zooveel, bedoel ik, als aan uwe waardigheid past) of gij staat mij toe, dat ik tot mijn gedachten terugkeer en in de geteisterde stad blijf. Daarop antwoordde Pampinea op geen andere [25]wijze dan de anderen insgelijks uit zich zelf gezegd zouden hebben, vriendelijk: Dioneo, gij spreekt zeer goed, men wil vroolijk leven en geen andere oorzaak dan verdriet heeft ons doen ontvluchten. Maar omdat de dingen, die zonder eenig plan bestaan, niet lang kunnen duren, acht ik, die de eerste was bij de gesprekken, waardoor dit goede gezelschap is bijeengebracht, het noodig overeen te komen, dat er één hoofd zij, dat wij zoowel eeren als gehoorzamen als meerdere en bij wien bovenal de gedachte voorstaat, dat men hier er zich op toe moet leggen om vroolijk te leven. Opdat ieder het gewicht van deze zorg begrijpt naast het genoegen van de heerschappij en diensvolgens van de eene zoowel als van de andere zijde beschouwd het niet mogelijk is, dat, wie het ook zij, jaloersch wordt, stel ik voor, dat ieder voor één dag de verantwoordelijkheid en de eer zelf aanvaardt. Ten eerste is voor ons verplichtend: de verkiezing van een onzer uit hen, die nog volgen, wanneer het avonduur zal naderen. Namelijk hij of zij, die aan Hem of Haar daartoe behagen zal, welke dien dag de heerschappij heeft gehad. Deze volgens zijn wil beveelt en bepaalt den tijd, dat zijn heerschappij duurt en de plaats en de wijze, waarop wij hebben te leven.

Deze woorden bevielen uitermate en eenparig kozen zij haar den eersten dag, en Filomena, haastig naar een laurierboom geloopen, maakte haar een eervollen en in het oog loopenden krans, opdat, toen zij genoeg had hooren spreken over zoodanige eer, die groen loof waard was, zij die op haar beurt de éér waard was, naar verdienste daarmee bekroond werd; welk sieraad op het hoofd verder in hun gezelschap het duidelijke teeken was voor iedereen van koninklijke heerschappij en meerderheid.

Pampinea, tot koningin gemaakt, beval dat elk man zou zwijgen, nadat zij de knechts van de drie jongelui en hun bedienden, die vier in aantal waren, had voor zich laten roepen en hun stilte gebiedend sprak zij: Opdat ik aan u allen het voorbeeld geve, waardoor alles op zijn best zal voortgaan en ons gezelschap ordelijk en met genoegen en zonder eenige schande zal bestaan en dit zal duren, zoolang het ons behaagt, stel ik vóór alles Parmeno, knecht van Dioneo, aan tot mijn hofmeester en draag aan hem de zorg op en de verantwoordelijkheid voor ons geheele huishouden en wat tot den zaaldienst behoort. Ik wil, dat Sirisco, de knecht van Pamfilo, onze betaal- en penningmeester is en de bevelen gehoorzaamt van Parmeno. Tindaro, in dienst van Filostrato en van de andere twee, moet op hun kamers passen, wanneer de anderen, door hun dienst op hun beurt belemmerd, dit niet zouden kunnen doen. Misia, mijn bediende en Licisca van Filomena, zullen steeds in de keuken bezig zijn en zullen voor u met zorg die spijzen gereed maken, welke hun door Parmeno zullen worden opgegeven. Wij wenschen, [26]dat Chimera van Lauretta en Stratilia van Fiammetta voor het beheer der kamers van de dames gereed zullen staan, en wij hechten aan de reinheid der vertrekken en in het algemeen begeeren en bevelen wij, dat ieder, die op onze gunst gesteld is, waar hij handelt, ga of sta, wat hij hoort of ziet, geen ander dan vroolijk nieuws hier aanbrengt. En toen deze bevelen uitdrukkelijk waren gegeven, welke namens allen waren uitgevaardigd, zeide zij verheugd recht op staande: Hier zijn tuinen, hier zijn velden, hier zijn andere plaatsen bekoorlijk genoeg, waar ieder tot zijn genoegen zich ga vermaken en als het drie uur slaat, zij ieder hier, opdat men voor het koel wordt, eten zal.

Toen aldus de vroolijke bende door de nieuwe koningin was vrij gelaten, gingen de jongelui pratend met de schoone dames over vroolijke onderwerpen met langzamen tred door een tuin. Zij vlochten zich schoone kransen van verschillend loof en zongen op verliefde wijze. Nadat zij hier bleven, zoolang de tijdruimte duurde door de koningin toegestaan, vonden zij huiswaarts gekeerd, dat Parmeno ijverig aan zijn personeel order had gegeven, zoodat, toen zij in een gelijkvloersche zaal traden, zij hier de tafels gedekt zagen met puurwitte lakens en met bekers, die van zilver schenen en alles met bloemen van priemkruid getooid. Daarna, toen het water voor de handen was uitgereikt, gelijk het aan de koningin behaagde, en naar hetgeen Parmeno geschikt had, gingen allen zitten. Spijzen, heerlijk toebereid, werden opgedragen en de fijnste wijnen waren opgezet en de drie knechts bedienden zwijgend. Toen de maaltijd was afgeloopen, beval de koningin (daar het er zoo mee gesteld was, dat al de dames konden dansen en ook de jongelui en een deel van hen zeer goed kon muziek maken en zingen) dat de instrumenten zouden komen, en op haar order nam Dioneo een luit en Fiammetta een viool en begonnen zacht een dans te spelen. Hierop vormde de koningin met de andere dames te samen en twee jongelui een balfiguur en begonnen met langzamen pas, nadat zij de knechts om te eten hadden weggezonden, een rondedans. Toen dit geëindigd was, zongen zij lieve en blijde liedjes. Dit duurde zoo voort, tot het tijd voor de koningin werd om te gaan slapen: hierop, na aan allen de vrijheid te hebben gegeven, begaven zich de drie jongelieden naar hun kamers, van die der donna’s gescheiden, waar zij de bedden opgemaakt en die vol met bloemen vonden gelijk de zaal en insgelijks de dames hun vertrekken: hierop gingen zij, na zich ontkleed te hebben, te bed.

Het was niet ver van negen uur, toen de koningin ontwaakt, al de anderen deed opstaan, ook de jongelui, daar zij beweerde, dat het nadeelig was te veel overdag te slapen. Aldus begaven zij zich naar een kleine weide, waar het gras groen en hoog [27]was en men nergens de zon zag, en toen, terwijl ze een luwe wind voelden komen, plaatsten allen gelijk de koningin het verlangde, zich in een cirkel, tot wien zij aldus sprak:

Gelijk gij ziet, is de zon hoog en de warmte groot, en toch hoort men niets dan den krekel onder de olijfboomen; hierom zou het zonder twijfel dwaas zijn zich naar een andere plaats te begeven. Hier is het mooi en frisch verblijven en hier gelijk gij ziet, zijn betaalmeesters en schatkamers2 en ieder kan, al naar het hem bevalt, zich genoegen verschaffen. Maar als het mij schijnt, dat iets volgt, wat niet behaagt en dat aan den geest van de eene partij bevalt wat met niet al te veel genoegen den andere dus minder schikt of waarvan het twijfelachtig is, zullen we (hoewel het zich kan voordoen, dat een verteller het geheele gezelschap, dat toehoort, vermaakt) het verhalen gedurende dit heete gedeelte van den dag uitstellen. Gij zult geen historie behoeven te eindigen, voordat de zon gedaald is en de warmte verdwenen en wij kunnen, wanneer het U aangenamer is, pret gaan maken en wanneer, wat ik u zeg, u bevalt, (daar ik bereid ben uw zin te volgen) doet dat dan, en wanneer het u mishaagt, zal ieder doen tot het avonduur wat hem goeddunkt. De dames en de heeren vonden het alle even goed te verhalen. Dan, zeide de koningin, als dat u aanstaat, dan wil ik, dat ieder den eersten dag vrij zij om de stof te kiezen, die hem het aangenaamst is. En naar Pamfilo gekeerd, die rechts van haar zat, zeide zij vriendelijk, dat hij voor de anderen den aanvang maakte met een van zijn vertellingen, waarop Pamfilo dadelijk, het bevel vernomen hebbend, door allen aangehoord, aldus begon: [28]


1 De vreeselijke ziekte overgebracht in het vorige jaar uit den Levant door Genueesche galeischepen na vele verwoestingen in Italië te hebben aangericht, verminderde een weinig in November maar woedde nog erger in dat jaar 1348, in heel Italië moordend, ging door Milaan en Piemont en vandaar naar Frankrijk, Duitschland, Engeland en andere landen, waar zij overal een ongehoorde wanhoop veroorzaakte. Mattheus Villani getuigt, dat in Florence en in zijn stadsdistrict van de vijf personen van elke sekse en leeftijd er drie stierven, in Bologna overleden twee derden van de bevolking en Agnolo di Susa schrijft, dat in zijn stad Siena alleen tachtigduizend menschen stierven, wat overdreven schijnt.

2 Dit heeft betrekking op de jongelieden en het genoegen.

[Inhoud]

Eerste Dag.

Eerste Vertelling.

Sinjeur Ciappelletto1 bedriegt een vromen monnik met een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en San Ciappelletto genoemd.

Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig genoeg zijn [29]onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.

Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi2 van een zeer rijk en groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat hij zich Chapelet noemde,—dat is krans in hun taal—gaven zij hem, daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.

Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, (waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als [30]verlangd werd en hij gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.

Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens werden, [31]sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje verheffen en schreeuwen: Die Lombardische3 honden, die geen een kerk wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor, [32]gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, die een Lombardiër de biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder: Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben. Ser Ciappelletto zeide: Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”

Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd. Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik [33]zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”

“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn [34]deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd: Ga, opdat God U verbetere.’” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene, hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer, [35]ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij [36]het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd. Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder, [37]die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen. Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo [38]leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.

Tweede Vertelling.

De Jood Abraham4 reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.

Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en [39]met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.

Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij [40]zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor [41]geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in [42]ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.

Derde Vertelling.

De Jood Melchisedek5 onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin6 gelegd.

Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:

De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.

Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door [43]zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.

Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke? De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:

“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten, [44]als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.

Vierde Vertelling.

Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.

Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen: [45]

Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.

Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en [46]bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.

De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was [47]hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.

Vijfde Vertelling.

De dwaze liefde van den koning van Frankrijk voor de markiezin van Montferrat wordt door haar bekoeld met een gastmaal van niets dan kippen en met eenige geestige woorden.7

Toen de geschiedenis door Dioneo verteld was, trof hij eerst het hart der luisterende donna’s, zoodat ze een weinig verlegen werden. Zij gaven daarvan het bewijs door den eerzamen blos, die [48]op hun gelaat verscheen. Zij zagen elkander aan konden zich toch ter nauwernood van lachen onthouden en hoorden glimlachend toe. Nadat het slot ervan gekomen was en zij eenige zachte woorden hadden geuit, waarmee zij wilden doen blijken, dat zulke histories niet aan dames verteld mochten worden, beval de koningin, naar Fiametta gekeerd, die bij haar op het gras zat, dat zij den regel zou volgen. Deze begon vol gratie en met een vriendelijk gelaat:

Het staat mij aan, dat wij begonnen zijn met de vertellingen te bewijzen, hoe groot de kracht van schoone en juiste antwoorden is, en omdat de mannen een groote neiging hebben om steeds een donna te beminnen van veel hooger afkomst dan zij zelf en ook omdat de vrouwen een zeer groote voorzichtigheid kenmerkt om zich te kunnen behoeden tegen de liefde van een man hooger geplaatst dan zij, kwam ik er toe, schoone dames, in de historie welke ik nu moet vertellen, aan te toonen hoe een adellijke dame zoowel met daden als met woorden zich daartegen beschermde en er anderen van afhield.

De markies van Montferrat8, een man van grooten moed, een banierdrager der Kerk, was bij een kruistocht der Christenen over zee getrokken. Toen men aan het Hof van koning Philippus den Eenoogigen, die zich voorbereidde uit Frankrijk denzelfden tocht te maken, over zijn moed sprak, werd er door een ridder beweerd, dat er onder de sterren geen paar bestond gelijk aan dat van den markies en zijn vrouw. Want even als de markies onder de ridders om iedere deugd beroemd was, was de markiezin onder alle dames der wereld de schoonste en de waardigste. Deze woorden troffen den koning van Frankrijk zóó, dat hij zonder haar ooit te hebben gezien, haar