Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


Project Gutenberg's Geschiedenis der Europeesche Volken, by J.G. Kohl

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Geschiedenis der Europeesche Volken

Author: J.G. Kohl

Illustrator: A. Kretschmer

Release Date: November 12, 2006 [EBook #19774]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GESCHIEDENIS DER EUROPEESCHE ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






[Inhoud]

Geschiedenis
der
Europeesche Volken

[Inhoud]

Nederland

Nederland

Geschiedenis
der
Europeesche Volken.

’s Gravenhage—Joh. Ykema—1874.

[1]
[Inhoud]

Europa.

“Dit oude Europa verveelt mij!” moet Napoleon eens gezegd hebben. En velen, dat werelddeel moede, hebben het hem later nagezegd.

Napoleon uitte dat gezegde waarschijnlijk, toen hij het toppunt zijner macht bereikt had, toen hij geheel Europa aan zijne voeten zag en hem niets meer te wenschen over bleef. En zij, die even als hij Europa moede waren, zeiden het, omdat zij hopeloos, in het oude Europa niets te winnen of te verliezen hadden.

Het is een somber gezegde, dat òf uit geblaseerdheid òf uit vertwijfeling ontstaan is en er door ingegeven wordt.

Noch de geschiedenis, noch eene bedaarde overweging der bestaande verhoudingen, brengt er ons toe dit gezegde te beamen, veeleer brengen beide ons tot de overtuiging, dat ons goed Europa noch vervelend, noch, zoo als de Amerikanen het uitdrukken, zwak van ouderdom is.

Op de geheele wereld is, tot op den nieuwsten tijd, geen schouwtooneel voor hoofd en hart meer onderhoudend en ontwikkelend, dan de beschouwing van het leven en het werken der wakkere Europeesche volken; nergens vestigt men meer zijne hoop op de jeugd, op vooruitgang en op nieuwe gezichtspunten, dan in ons kleine werelddeel, dat wel reeds oud is, maar altijd zijn levenslust blijft behouden.

Van de tijden der Atheners af, was Europa de bakermat der beschaving. “Met het christendom”, zegt Arndt, “zijn alle geniën daar heen getrokken. Het is het hart der wereldgeschiedenis geworden. Door de ontdekking van Columbus werd Europa het centrum van het aard-organisme, en sedert dien tijd kan men bijna met zekerheid zeggen, zal het, door alle tijden heen, het geestelijk en lichamelijk centrum van onzen aardbol blijven.”

Deze zekerheid bevestigt zich bij ons, wanneer, wij het verwonderlijke en op Aarde eenige plan, waarnaar de Schepper ons vasteland daarstelde, nader [2]beschouwen; wanneer wij nagaan hoe gelukkig de natuurlijke aanleg is, die aan de Europeesche volken van den beginne af eigen was en hun in hoofdzaak eigen gebleven is.

Als de Grieken den God van den regen en de wolken, en zijn broeder den “aarde-schuddenden” Poseidon, den God der zee, de hoogste macht toekenden, en de Godin der Aarde slechts als eene ontvangende, lijdelijke vrouw voorstelden; als hun groote dichter Pindarus een zijner oden met de beroemde spreuk begon: “het water is zeker het beste,” toont een blik op den aardbol aan, door welk juist begrip deze zoowel als gene daarbij geleid werden.

Alle oude en jongere beschaafde landen der wereld waren in de nabijheid van het water gelegen. Van China over Indië naar Perzië, Arabië, Egypte en Europa, vormen zij een langen gordel van door de zee bespoelde schiereilanden. Meer binnenslands, verder verwijderd van de zee, buiten het bereik harer bevruchtende wolken en baren, afgelegen van bevaarbare rivieren, heeft nooit de beschaving zelfstandige wortels geschoten.

Het in tallooze stukjes land verbrokkelde en steeds barbaarsche Australië, waar de eilanden zich met hunne kleine wilde volkstammen in de water-woestijn verliezen, bewijst echter dat, ook met betrekking tot het water, het goede te veel kan zijn.

Het schijnt, dat bij het huwelijk tusschen vastland en water, beide even als echtelieden met nagenoeg gelijke kracht tegenover elkander moeten staan; In den omtrek van den onmetelijken oceaan, waar Gaea als eene dwerg leeft, ziet het er even onaangenaam uit als in het binnenste der grenzenlooze landmassa’s, die niet onder het bereik van den elektrischen drietand van Neptunus vallen.

In geen werelddeel echter is de verhouding tusschen water en vastland zoo gunstig en voordeelig, als in Europa.

Aan drie zijden door zout water omspoeld, wordt het door groote zeeboezems in verschillende krachtig ontwikkelde landen verdeeld. Het heeft een zeer sierlijken en vasten lichaamsbouw, eene slanke, goed geproportioneerde gestalte met duidelijk ontwikkeld hoofd, goed gevormde borst, fraaie taille en sterk gespierde armen.

Te recht heeft men daarom Europa met den mensch vergeleken, en haar naam aan dien eener goddelijke jonkvrouw ontleend, als had de natuur zelve reeds de hooge bestemming van dit gedeelte der wereld bij voorbaat aangewezen, als had zij willen zeggen: gij zult de eerste onder de werelddeelen, de Koningin der Aarde zijn.

De andere vastelanden Azië, Afrika, schijnen in vergelijking met ons Europa, niets dan breede, plompe, ongefatsoeneerde massa’s, die nooit met eene menschelijke figuur, hoogstens zooals Indische sagen het met betrekking tot Azië deden, met de schaal van groote schildpadden of met de bladeren der op de wereld-zee drijvende reusachtige planten, vergeleken kunnen worden.

De gladde, koele, zilte, landen aan elkander verbindende, wateren, waarin Europa zich baadt, bespoelen in Frankrijk en Spanje het hoofd en de borst der jonkvrouw, zij versterken in Engeland en Italië hare gespierde armen. [3]In de Zwarte zee, en meer noordwaarts in de Witte zee, bevochtigen zij hare voeten; en even als de Godin der liefde komt zij steeds vroolijker, gezonder en schooner uit dit bad te voorschijn.

De stamvader Oceaan, in wiens schoot Europa ligt, heeft, hoe beweeglijk hij ook zijn mag, toch eene zekere mate van gelijkmatigheid in zijn karakter. Daar hij, niet zooals de hartstochtelijke vrouw Gaea, gemakkelijk door de zon verhit wordt, en zelfs gedurende den winter ook nog eenige warmte in zijn bloed blijft behouden, matigt hij daarom overal waar hij verschijnt. Hij breekt de spitsen af der pijlen van den zuidelijken zonnegod, en tevens maakt zijn zachte adem de verstijfde leden van den noordelijken Boreas lenig.

In Europa doet hij dit, ten gevolge van de zamenwerking van buitengewone omstandigheden, meer dan in eenig ander gedeelte der Aarde.

Het gedeelte der Aarde, dat wij bewonen, keert namentlijk zijn gelaat naar die merkwaardige oceanische strooming toe, die als heete stroom, onder den naam golfstroom, uit de golf van Mexico te voorschijn komt en door de kusten van Amerika teruggestooten, zich als een zacht verwarmde stroom uit het zuid-westen tot ons keert.

Met vochtige wolken beladen en door zachte weste-winden, de bloesem ontwikkelende Favonius of Zephyr der ouden, begeleid, dringt deze strooming door de zuilen van Herkules (Gibraltar) de Middellandsche zee, die ons van den Afrikaanschen gloei-oven scheidt, binnen. Even als zij in het zuiden verkoelend werkt, zoo werkt zij verwarmend in het koude noorden. Zij kronkelt door de golf van Biscaia, verhoogt de temperatuur der Britsche eilanden, voert eene menigte warmtestof strijkelings langs de kusten van Noorwegen tot aan de Noordkaap, en houdt, jaar in jaar uit, de zee tot aan Spitsbergen open.

Aan dezen weldadigen golfstroom, aan wiens—tot in den laatsten tijd miskenden—invloed, geheel Europa en zijne beschaving blootgesteld waren en nog zijn, hebben de Skandinaviërs het te danken, dat zij als Europeanen kunnen leven; dat zij met groote schepen hunne havens, waarin het ijs smelt, even gemakkelijk kunnen verlaten als de Italianen het de hunne kunnen doen; dat hunne velden, die door de dampen van den golfstroom bevochtigd worden, bijna even groen zijn als die in Duitschland en Nederland; dat bij hen akker- en boschbouw bloeien op een breedtegraad, waar overal elders op Aarde—in Amerika, zoowel als in Azië en Australië—de ijskoning zijn ruwen schepter zwaait, of hoogstens alleen nog Eskimo’s of Päschera’s een allerellendigst leven leiden.

De afstand van de noordelijkste berken-bosschen van Noorwegen, tot aan de zuidelijkste pijnboom-wouden van Griekenland en Italië, bedraagt bijna 40 breedtegraden. Op den geheelen aardbol wordt, behalve in Europa, nergens in de gematigde luchtstreek een streek gevonden, waar op een even groot breedte-verschil zoo weinig onderscheid in het klimaat is, als in het hierboven opgegevene.

In Azië zoowel als in Amerika, ook in het zuidelijk gedeelte, staan de uiteinden eener dergelijke oppervlakte tegen elkander over als leven en dood. Bij de hoog in het noorden gelegene Tornea-rivier, vindt men een der vruchtbaarste, [4]bekoorlijkste en volkrijkste streken van Zweden, waar in den zomer korenvelden afgewisseld worden door liefelijke weidelanden, waarop het gras ongewoon digt en hoog groeit. Ja! aan den even noordelijk gelegen Alfen-Elf groeien nog pijnboomen van 60 voet hoogte, terwijl buiten Europa op dienzelfden breedte-cirkel, niets anders dan mos en klein struikgewas wil groeien. In het oosten langs de Europeesche helling van het Ural-gebergte, langs de Oka en de Wolga, bevinden zich de schoonste en vruchtbaarste landschappen van het Russische rijk; voortreffelijke weiden, rijke korenvelden, nu de korenschuren van Oost-Europa, en de prachtigste eiken-bosschen wisselen daar elkander af. Aan de oostelijke of Aziatische helling van datzelfde Ural-gebergte verandert dat tooneel ras. Daar mist men al spoedig den echt Europeeschen boom, den mannelijken, koninklijken eik, die bij ons overal groeit, dien de Europeesche volken voor heilig hielden en dien zij allen, Grieken, Celten, Germanen, zich als om strijd als hunnen nationalen boom, als het symbool van lang voortdurende kracht verkozen.

Misschien moeten wij in deze strooming van den oceaan, de allerwezentlijkste en afdoendste oorzaak der gesteldheid van Europa ten opzichte der andere werelddeelen verklaren; want misschien is ook deze stroomrichting uit het Zuid-Westen, die in vroegere tijdperken der Aarde-ontwikkeling wellicht veel sneller gestroomd heeft, de kracht geweest die onze kusten zoo golfrijk, ons vastland zoo bont getooid, zoo open en toegankelijk gemaakt heeft; die, met één woord, langzamerhand die jonkvrouwelijke gedaante heeft te voorschijn geroepen. Men zou daarom den golfstroom een der invloedrijkste onder de natuurkundige factoren kunnen noemen, die het lot der Europeesche menschheid bepaald hebben. Daar hij aan ons werelddeel de eigenschappen van een trekkas verleende, heeft men hem ook wel den eigenlijken vader der westelijke beschaving genoemd.

Weste- en Zuidweste winden, die deze strooming vergezellen, zijn de heerschende in Europa. Zij voeren de dampen en nevels van den Oceaan over het geheele vasteland heen, bevochtigen het overal, spijzigen rijkelijk zijne bronnen en rivieren, en maken het tot eene goed bevochtigde en bronnenrijke regengordel, namentlijk in tegenstelling met dien breeden, waterloozen aardgordel, die in het zuiden door Perzië, Arabië, en Afrika om haar heen loopt.

Bevaarbare, vruchtbaarmakende en vroolijk stroomende rivieren, die toonbeelden en voorbeelden eener rustelooze werkzaamheid, doordringen als een net van levendige aderen alle deelen en onderdeelen van ons groot Europeesch vaderland. Zelfs in het hooge noorden brengen zij de molens en kunstraderwerken der Schotten en Skandinaviërs in beweging, en dragen zij hunne vaartuigen het geheele jaar door, terwijl op dezelfde poolshoogte in andere werelddeelen de rivieren met eeuwig ijs bedekt zijn, en zich niet anders voordoen dan als toonbeelden van traagheid en doodelijke rust.

De regen en de rivieren maken ook nog de zuidelijkste streken van Europa, de landen aan de Middellandsche zee vruchtbaar, terwijl in den naastgelegen gordel, in de woestijn Sahara, met het wegloopen en opdroogen der wateren, alle leven, ook het menschelijke leven, versterft. [5]

In de regenlooze zonen is de grond van nature veel minder geschikt tot bebouwing. Slechts door kunstmatige bevochtiging en door eene inspanning, die nu en dan de krachten der bewoners schier te boven ging, kon men dat verhelpen. Wanneer men dit echter naliet, dan moest weldra, zooals dit in den nieuwen tijd geschied is, de kunstmatig geteelde plant verwelken.

In het steeds door den hemel bevochtigd Europa, zullen de gronden en hun plantengroei niet zoo spoedig afgeleefd en afgestorven zijn, als daar. Dit werelddeel bevat het element der eeuwige jeugd in zich. Het zal zoo lang krachtig blijven, als de Oceaan, de golfstroom en de terugkeerende passaatwinden, aan Europa verfrisschend nat zullen toevoeren.

Even als het heilaanbrengend nat der wolken, zoo ontvouwt zich een vruchtbare bodem over het geheele werelddeel. De vruchtbare akkergrond strekt zich uit tot de binnenste dalen der gebergten.

Europa is het eenige onder de groote werelddeelen, dat geen voor den mensch onbewoonbare woestenij bezit, waarmede Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en Azië zoo overvloedig bedeeld zijn. De steppen van Rusland, die men wel eens woestijnen genoemd heeft, hebben dien naam voornamelijk te danken aan hunne eentoonigheid. Zij, zooals ook de moerassen van Polen, wanneer de mensch zich maar eenige moeite geeft, zijn vruchtbaar en loonen den arbeid. En als men over de zandvlakten van Pruissen als over eene natuurlijke woestijn sprak, dan was dat toch eene, die met behulp van regen, vlijt en arbeid, in eenen tuin te veranderen was.

Een sporadisch, dat wil zeggen slechts hier en daar, door ijs, kale rotsen of moerassen van geringe uitgebreidheid afgebroken plantendek, bedekt het geheele, altijd groene Europa; in deze door de natuur gevormde schilderij heeft de kleur der hoop den grondtoon.

Europa behoort tot de gematigde luchtstreek. Slechts een onbeduidend gedeelte bij de Noordkaap behoort tot de koude luchtstreek, en van de heete wordt zij door een fraaie zee over hare geheele lengte gescheiden.

Ook in dat opzicht verschillen wij van de andere werelddeelen. Al deze behooren deels, zoo als Afrika en Zuid-Amerika met bijna hunne geheele oppervlakte tot de aequatoriaal-landen; deels ligt, als Azië en Noord-Amerika, hunne breede borst geheel bloot voor den invloed der onbarmhartige noordewinden.

Te recht heeft men ook hierin eene hoofdreden gezocht voor de welige ontwikkeling der Europeesche natien. Waar, zooals aan de poolstreken, de grootste vlijt, de sterkste inspanning geen of slechts een zeer karig loon ten deel valt, daar vervalt de geest, evenals de natuur, tot den eeuwigen winterslaap.—Waar, zooals in de tropische gewesten, een dozijn broodboomen voldoende zijn om eene familie te voeden, daar doodt de overvloed de geestkracht der menschen, die niets moeielijker kunnen verdragen dan “eene reeks gelukkige dagen.”—Waar echter, zooals in onze gematigde luchtstreek, eene spaarzame en toch niet ondankbare natuur ons ten strijde roept, en die strijd niet te zwaar is, daar wordt de geest wakker geschud, daar bloeit de arbeid, de moeder van ontwikkeling en vooruitgang. [6]

Hoe practisch, hoe opwekkend, hoe aangrijpend is niet de, onze Europeesche zone eigene, natuurverschijning: de wisseling der jaargetijden. In de streken, waar de liefelijke zonnegod nooit in zijn vollen luister verschijnt, evenals daar waar hij in eentoonige pracht eeuwig lachend straalt, kan hij ter naauwernood de menschen wakker houden. Met ons Europeanen echter speelt hij het altijd opwekkende spel van scheiden en weder verschijnen.

Welk een beteekenisvol beeld van ons eigen leven, toovert deze bekoorlijke dans der Horae ons niet voor den geest. Als de jeugdige lente en met haar het vernieuwde licht nadert, als de vogelen kweelen en de aarde juicht, “wien zweefden dan niet altijd weder de droombeelden zijner jeugd voor den geest en wie gevoelde dan niet zijne goddelijke bestemming?” En niet alleen de lente, waarin alles tot een nieuw leven ontwaakt, of de zomer, waarin alles tot volle rijpheid komt, ook de langzamerhand eindigende finale, de herfst, maakt op ons gemoed een diepen indruk.

Hoe bezielend, hoe ontwikkelend moet in het verloop der tijden het schouwspel van eene zoo tooverachtige afwisseling gewerkt hebben op het gemoed onzer volkeren, die altoosdurend strijd en overwinning voor oogen hadden, die daardoor als het ware in staat gesteld werden, in hunne woonplaats en zonder te reizen, alle luchtstreken der Aarde te doorleven en van alle klimaten te genieten.

Gedichten op den zomer, den herfst en de lente maken wel de helft uit van de poëzie der Europeesche volken. Ja! als men bedenkt, hoe de Grieken den in lentetooi terugkeerenden Apollo den beschermgod der dichters maakten, en hoe ook in het noorden van Europa het gezang der landskinderen in Mei, tegelijk met het lied van den leeuwerik, op nieuw weerklinkt, dan wordt men geneigd juist in deze afwisseling der jaargetijden de bron en de aanleiding onzer poëzie te zoeken.

De schoonste en roerendste sagen en ideeën, niet alleen der Romeinsche en Grieksche, maar ook der Slawische en Germaansche godenleer, hebben betrekking op de afwisseling der jaargetijden, die alle Europeanen tot nadenken, tot het maken van vergelijkingen en tot de kennis van het menschelijke leven en van hen zelven bracht.

En de bijbel zelf spreekt met lof over den invloed van de wisseling der jaargetijden, wanneer hij zegt: “zoo lang de Aarde staat en zoo lang er menschen op leven, zullen ook zaaien en oogsten, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht blijven bestaan.”—Maakt niet zelfs de stichter van den godsdienst, die wezentlijk de Europeesche geworden is, steeds melding van deze zaken? heeft hij niet vele der voor ons bevattelijkste beelden en der fraaiste leeringen uit haar geput? Het zijn allen beelden en gelijkenissen en lessen uit den schoot der gematigde luchtstreek; van dien grilligen aardgordel, die zijne kinderen nu eens in het vuur, dan in het water doopt, die hunne gemoederen steeds in spanning houdt, altijd hunne neigingen, hun verlangen of hun verdriet wakker maakt, hen nu eens met treurigheid, dan weder met vroolijkheid en vreugde vervult, en die daarom alleen door zulke phenix-volkeren als de Europeesche bewoond wordt, die even als de vogel [7]Phenix steeds van voren af hun vernield nest opbouwen, en bij wie men nooit aan eene wedergeboorte behoeft te twijfelen.

Even als in de uiterlijke gedaante van het vaste land, en zijne, voor het onderlinge verkeer zoo gunstige zamensmelting met de zee, alsmede in het klimaat, dat van geene uitersten weet, en in de grondgesteldheid, die geene woestijnen kent, maar overal, hier meer, daar minder, bebouwbaar is; zoo toont zich ook overal elders in de geheele verdere natuur van Europa, in zijne oorspronkelijke produkten, in zijne planten- en in zijne dierenwereld, eene zekere doelmatigheid, zekere bijzonder heilzame gematigdheid. Nergens vindt men Indischen overvloed, Aziatische pracht en tropische overdaad. Maar bijna overal heeft men het noodige en bruikbare, of kan men het verkrijgen.

In andere werelddeelen, b.v. in Zuid-Amerika, vindt men landen, waar op eene vlakte-uitgebreidheid, nagenoeg zoo groot als geheel Europa, volstrekt geen vaste steen gevonden wordt, waar straat- en bouwsteenen even zeldzaam zijn als diamanten. In Europa steekt het oude gebeente der Aarde overal rijkelijk boven den bodem uit, of is in puin over zijne oppervlakte verspreid, opdat de Europeesche volken hun verstand er aan zouden scherpen, en van de steenen, die zij te voorschijn kunnen halen, duurzame werken zouden daarstellen.

Van nature zijn wij arm aan paarlen, edelgesteenten, goud en zilver. Daarentegen zijn wij rijk aan het metaal, waardoor men zich, op de zekerste wijze, die schatten verschaffen kan. Overal in ons werelddeel vindt men ijzer; men vindt het in de moerassen van Finland, in de bergen van Skandinavië en Groot-Brittanje, en in de rotsen en eilanden der landen aan de Middellandsche zee. Uit dit metaal vervaardigden de Europeänen hunne spaden, hunne ploegen, hunne zwaarden, hunne machineriën, waardoor zij den wereldbol aan zich onderwierpen. Met dit haar ijzererts, dat zij hem bijna overal aanbiedt, spreekt Europa tot hare kinderen: “arbeidt en heerscht!” “Arbeiden is koninklijk,” zoo luidde de beroemde spreuk van een met ijzer bekleeden Europeeschen heerscher: een echt Europeesch koningsidée, een bon mot, waarin geen Aziatische Nebukadnezer den Macedonischen Alexander vóór was. Deze spreuk vormt een scherp kontrast met het uit Azië afkomstige en daar algemeen verspreide gezegde: “rusten is beter dan gaan, slapen is beter dan waken en de dood is het beste van alles.”

Ook het karakter der dierenwereld komt overeen met de aangegevene physionomie van het vasteland. Even als in de wijze waarop de lichaamsbouw geregeld is, uitstekend en behendig de juiste maat in het oog gehouden is, en men evenmin op het vasteland zulk eene verlammende verbrokkeling als in Australië, of zulke kolossale en onbehouwen afmetingen als in Azië en Afrika aantreft—zoo heeft ook de dierenwereld van ons werelddeel geene soorten die, of in karakter of in afmetingen, monsterachtig zijn. Na den zondvloed werden in ons Europa geene olifanten, rinocerossen of andere wilde dieren meer gevonden. De weinige leeuwen en tijgers, die Griekenland eens zou gevoed hebben, heeft de Europeesche Herkules spoedig gewurgd. [8]

Noch in soort noch in aantal, zijn de door den mensch gevreesde schepselen, bij ons zeer talrijk geweest. De wolf, de losch, de beer zijn, nevens eenige kleinere diersoorten, de eenige die wij als bij ons inheemsch kunnen beschouwen, terwijl in verscheidene andere oorden der wereld, de mensch moeite heeft zich voor de verscheurende en roofdieren te vrijwaren, en genoodzaakt is een onophoudelijken strijd tegen hen te voeren.

Vergiftige planten zijn zoo goed als geheel uit onze gezonde wouden verbannen; de elders zoo talrijke vergiftige planten zijn, even als de vergiftige slangen en andere verschrikkelijke en monsterachtige kruipende dieren, bij ons nagenoeg geheel onbekend.

Onze vogels evenaren die der andere luchtstreken niet in grootte en kleurenpracht, daarentegen munten zij boven die der andere werelddeelen uit door hun liefelijk geluid. Geen werelddeel is zoo rijk aan zangvogels als Europa. Kweelend doortrekken de kleine gevederde minnezangers onze bergen en bosschen en doen ons gehoor aangenaam aan, terwijl de Flamingo’s en Kakatoe’s der tropische gewesten, door de grilheid hunner kleuren het oog verblinden. Het is, als ware in Europa de natuur zelve verstandiger, en minder op bloot materieele praal en pronk gesteld, dan ergens anders.

Ook in de plantenwereld gaat het bevallige boven het prachtige, het nuttige en voor menschelijke doeleinden geschikte boven het schitterende.—De broodgevende voedingsplanten, de opvroolijkende wijn, vele verfrisschende en gezonde vruchtsoorten, die de Schepper Adam in het paradijs gaf, heeft Europa gaarne aangenomen, en zij zijn in onze trekkas, met behulp van ons gematigd klimaat, door Europeesche kunstvlijt nog in zoo hooge mate veredeld, dat moeielijk een verfijnde smaak de voorkeur zal geven aan de overzoete, sterk gekruide en lekkere vruchten van het zuiden, boven het bouquet van ons druivensap, boven de liefelijk gekleurde vruchten onzer appel-, peeren-, pruimen- en citroenboomen.

De bij ons van nature inheemsche bosch- en weidebloemen, spreiden wel niet zooveel uiterlijke pracht ten toon als de sierplanten van andere werelddeelen, die overdadig prijken met alle kleuren van den regenboog. Onze echt Europeesche nachtviooltjes en vergeet-mij-nietjes, onze mirre en resida, onze lavendel, onze kleine rosmarijn, sneeuwklokjes en meibloemen verbergen zich, om zoo te zeggen. Zij moeten ontdekt, hunne bescheidene schoonheid moet erkend, en kan dikwijls niet dan alleen met overleg, genoten worden. Zij bezitten niet dat bedwelmend aroma, dat aan de planten van Arabië eigen is, en toch brengt een Europeesch viooltje of een heerlijk riekend “hoe-langer-zoo-liever” eerder den dichter in verrukking, dan de kelk van eene schitterende kaktus of eene sterk riekende magnolia.

Kortom, waarheen wij onze blikken ook wenden, overal blijkt het, dat de gulden middenweg midden door Europa loopt. De natuur heeft Europa nergens geheel verwaarloosd, maar ook nergens den hoorn des overvloeds verkwistend over haar uitgestrooid. En juist in deze gematigdheid, die bij de Europeesche schepping heerscht, ligt hare eigentlijke kracht. Een klein begin heeft de natuur overal gemaakt, den aanleg heeft zij allerwege gegeven, den menschen [9]de benuttiging en de voltooiing van het werk overlatende. Het borduurraam en de stof die geborduurd moet worden heeft zij zeer voordeelig gesteld, het borduren zelf echter slechts voorbereid. De Europeaan moest dat werk voltooien.

Sem, de Aziaat, was als Noach’s eerstgeborene, om zoo te zeggen door eerstgeboorterecht de erfgenaam der schepping; hij bleef op de aangeërfde hoeve en volgde de oude overlevering der voorvaderen. Japhet echter, de Europeaan, was de jongere zoon, die weinig erfde, die het leven in moest en zich in de wereld zijn koningrijk moest en wist te veroveren. [10]

[Inhoud]

Zuidelijke naburen van Europa.

(Pheniciërs, Arabieren, Mooren, Barbarijers.)

De lange aaneengeschakelde rij van ter bebouwing geschikte landschappen, die tusschen de woestijn van Sahara en de Middellandsche zee gelegen is, maakt meermalen, zoowel in physieken zin als in betrekking tot de geschiedenis der beschaving, eene uitzondering op het groote werelddeel Afrika, waarvan zij een gedeelte uitmaakt. Misschien is er eens een tijd geweest, waarin zij daarvan geheel gescheiden was, namentlijk, toen de nu opgehevene kom dier groote woestijn ook met zeewater gevuld was.

Arabieren en Mooren

Arabieren en Mooren

Zij sluit zich in vele opzichten aan de landen van zuidelijk Europa aan, en vormde daarmede vroeger, toen de straat van Gibraltar nog niet bestond, een samenhangend geheel. Nu ligt zij aan den oever derzelfde zee, waaraan zuidelijk Europa gelegen is—deelt met haar een zelfde klimaat en een zelfden plantengroei,—is met haar dan ook dikwijls aan de zelfde veroveraars en koningrijken onderworpen geweest, en heeft tot op onzen tijd—tot het verschijnen der Afrikaansche Turco’s onder Fransche banier in ons noorden, en tot op de vernieuwde invallen der Spanjaarden in Marokko in 1862—met ons van krijgslieden, koloniën, bevolking en ontwikkeling omgewisseld.

Hieruit spruit de voor ons onderwerp al aanstonds belangrijke vraag voort: welke volks-elementen, welke invloeden op karakter en ontwikkeling, welke veranderingen in zeden, gewoonten en taal, hebben de Europeanen van deze zijde ontvangen en geleden, en welke overblijfselen en indrukken vinden wij daarvan nog ten huidigen dage bij ons?

De landen van Noord-Afrika behooren, even als Europa, tot de gematigde luchtstreek, waarin zij, even als ons werelddeel, over de geheele lengte van het Oosten naar het Westen zich uitstrekken. Zij deelen nog, ofschoon niet in dezelfde mate, in den invloed van den zuidwest-passaat en zijn daarom—voor het grootste gedeelte althans—even als Europa een regenland. Zelfs snijdt de zuidelijke grenslijn der met de oppervlakte der zee op dezelfde hoogte [11]vallende sneeuw, eenige der hoogste punten van noordelijk Afrika. Hier en daar treft men deze verschijning aan tot aan den voet van het Atlas-gebergte en der andere bergen van het binnenland, tot aan den rand van de, tot den altijd regenloozen en heeten gordel behoorende, Sahara, de groote zandzee zonder water.

Even als het karakter van het klimaat, zoo heeft ook de plantengroei van Noord-Afrika, veel meer overeenkomst met dien van Europa dan met dien der binnenlanden van Afrika. Ja! dit Noord-Afrika vormt eigenlijk met het zuidelijke Europa eene en dezelfde botanische provincie. Het deelt met het zuidelijk gedeelte van Europa de belangrijkste blad- en vruchtboomen, onder anderen den nuttigen olijfboom, de sappige citroenen, oranje-appelen en andere Europeesche zuidvruchten. Ook is het nog een wijnland, maar de zuidelijke grens van den wijnstok loopt rakelings langs de zuidelijke grens dezer kustlanden heen.—Vooral ook is het een zeer dankbaar bouwland, en de graansoorten, die wij gaarne de Europeesche noemen, vinden wij ook hier in zulke gunstige omstandigheden, dat Noord-Afrika, dat zich in het gezicht van Europa ontplooit, in vroeger tijden een der voornaamste korenschuren van ons werelddeel geweest is. Deelde Noord-Afrika met ons onze graansoorten, zoo kon omgekeerd het in de tropische gewesten te huis behoorende suikerriet, de katoenstruik en de dadel-palm naar Spanje en Sicilië overgebracht worden, en aan den drassigen oever van eenige rivieren van dit eiland, groeit nog heden ten dage de bij den Nijl te huis behoorende papyrus-plant.

Even als met den plantengroei, zoo is het in zekere mate ook met de dierenwereld gesteld, ofschoon, met betrekking tot deze, beide werelddeelen meer van elkander onderscheiden zijn. Verscheidene dieren en diersoorten bewonen zoowel de noordkust van Afrika, als de zuidelijke gedeelten van Europa. Zoo, om slechts eenige voorbeelden te kiezen, vindt men èn hier èn daar, het damhert, het konijn, den kraanvogel, verscheidene roofvogels en nog talrijker kruipende dieren, insekten, kapellen. En daarbij moet wel opgemerkt worden, dat deze zuidwaarts, de zuidelijke grens dezer aan de Middelandsche zee gelegene Afrikaansche kustlanden niet overschrijden of overvliegen.—Dat wij Europeanen jaarlijks vele vroolijk kweelende zwermen zangvogels, en ook de bij ons zoo inheemsche ooievaars, met Noord-Afrika verruilen, is van algemeene bekendheid, even als dat eene kolonie Afrikaansche apen, naar de rotsen van Gibraltar verhuisd is, alsmede dat—in oude tijden ten minste—de Afrikaansche leeuw ook in Europa zijn gebrul deed hooren, tot de knods van Herkules hem in Griekenland nedervelde.

Met het oog op al deze omstandigheden, hebben dan ook vele oude Grieksche aardbeschrijvers er geen steen of been in gevonden, het Noordelijk Afrika onder den naam “Libyë” nog tot Europa te rekenen, en het geheel van het overige Afrika, dat zij bij voorkeur “Ethiopië” (het land der Zwarten) noemden, af te scheiden.

De oorspronkelijke bewoners van Afrika, de zwarte kinderen van Cham, de door de zon aan huid en hersenen verzengde negerstammen hebben, ofschoon zij over eene groote uitgestrektheid even dichte naburen van ons werelddeel zijn [12]als de Mongoolsche nomaden-stammen van Azië, het nooit in hun hoofd gekregen Europa te beoorlogen, te verwoesten, of er zich met der woon heen te begeven. Diep verzonken in eene van eeuwen her dagteekenende barbaarschheid, zijn deze ontelbare volkeren, die niet de minste énergie bezitten, voor de overige menschheid van niet den minsten dienst geweest, zij hebben voor haar niets uitgedacht of uitgevonden. Even als de baren van eene groote, sombere binnenzee, bewogen zich bij hen, van het begin der wereld af, de volkeren heen-en-weer. Iedere baar, hoe hoog zij ook mogt stijgen, viel weder binnen de grenzen dezer zee terug, en nergens stroomde zij vol ondernemingsgeest over.—De wolharige negers hebben geene geschiedenis. Wij nemen bij hen niets waar, dan tallooze eentoonige veranderingen en altijd op dezelfde wijze herhaalde wilde omwentelingen; nergens een vroolijken wasdom, nergens eenige grootsche ontwikkeling, nergens eenigen belangrijken vooruitgang. Zij zijn voor ons werelddeel nooit gevaarlijk, maar ook nimmer nuttig geweest. Ja! zij hebben, voor zoover het oog der geschiedenis reikt, nooit op de door ons bedoelde noordelijke grens van hun eigen werelddeel vasten voet gehad. Ook daar verschijnen zij (even als nu en dan in Europa) niet dan begeleid door krachtiger rassen, en door dezen behandeld als slaven. Wij mogen deze neger-volken, bij eene schildering der volken van Europa, geheel en al ter zijde laten.

Noord-Afrika heeft van oudsher zijne heeren en zijne landbouwers deels uit Europa, deels uit de omstreken van Hasch, dat is het land der Zon (Morgenland)—Azië—gekregen, voornamentlijk en het meest uit de laatste streken, vooral in de vroegste tijden, toen alle verbreiding van het menschengeslacht en der beschaving, van daar uit het Oosten naar het Westen gericht was.—Beschouwen wij daarom het allereerst de verhouding van Noord-Afrika tot Azië.

Beide zijn door eene hoogst merkwaardige brug, de landengte van Suez en hare voortzetting in Syrië, aan elkander verbonden. Zij zijn ook over de geheele uitgebreidheid der smalle kloof van de Roode Zee, die gemakkelijk bevaarbaar is en vroeger—zoo luidt de bijbelsche sage—door een geheel volk doorwaad werd, slechts zwak van elkander gescheiden. Afrikaansche en Aziatische eigenaardigheden vermengen en verbroederen zich hier. Door Arabië, eene oostelijke voortzetting der Sahara, en door Perzië en Beludchistan, dringt deze verbroedering door tot aan Voor-Indië.—Oude schrijvers hebben daarom ook dikwijls gevraagd, of men niet een deel van Noord-Afrika, namentlijk Egypte en het geheele Nyl-dal, nog tot Azië rekenen moest; anderen hebben weder het omgekeerde gedaan en gedeelten van Azië, met name Arabië, tot Afrika gerekend. En wij, onzerzijds, mogen hier ook deze streken mede in den kring dien wij zullen nagaan, trekken, en wanneer wij over de Noord-kust van Afrika spreken, dit ook tot Syrië, Phenicië, Arabië en hunne naburige landen uitstrekken.

De geloofwaardige geschiedenis leert ons, dat noordelijk Afrika herhaalde malen van daar overstroomd en gekoloniseerd geworden is, en het is hoogst waarschijnlijk, dat alles wat de Noord-kust van Afrika, wat bevolking betreft, aan ons Europa gegeven heeft, oorspronkelijk uit Arabië en andere naburige [13]Aziatische streken gekomen is, en dat de Noord-Afrikaansche landstreken daarbij slechts de rol van bemiddelaar, van een land dat doorgetrokken wordt, of van een brug voor de volken gespeeld heeft.

Dit nu schijnt zeer goed te passen op het Oostelijk Afrikaansche kustland, waarop ons oog het eerst valt; op den oudsten weg der westersche beschaving, op het raadselachtig land van sphinxen en eeuwenoude ruïnes, uit wier overblijfselen van tempels en grafplaatsen, vijfduizend jaren tot ons spreken. De gelijkvormigheid der gebouwen die de oude Egyptenaars optrokken, met die der nog oudere bewoners van Hindostan, hunne priesterheerschappij en verdeeling in kasten, hunne volks- en staatsregeling, alsmede andere kenmerkende eigenaardigheden, schijnen het meer dan bloot waarschijnlijk te maken, dat zij als kolonisten uit het Aziatische Oosten beschouwd moeten worden. Vermoedelijk kwamen deze kolonisten het allereerst met schepen aan de zuidkust van Arabië, in het zoogenaamde “gelukkig-Arabië,” aan, en gingen zij vervolgens door de straat van Bab-el-Mandeb, (poort des doods), die, met het oog op de invoering der Oostelijke ontwikkeling liever “poort des levens” moest gedoopt zijn, naar de naastbijgelegene gedeelten van het middelste Nyl-dal.

Van deze middelste landstreken, waarheen ons ook de oudste Egyptische overleveringen als het beginpunt hunner beschaving wijzen, richtten zich hunne koloniën en hunne rijken noordwaarts, langs de boorden van den geheelen Nyl tot aan de Middellandsche zee, waar in de vruchtbare delta de Egyptische palmboom zijn kroon ontvouwde, en vervolgens weder zuidwaarts tot diep in Abessynië en Ethiopië.

In het Nyldal ingesloten, aan de kanalen der rivier wonende, bloeide de Egyptische beschaving—eene afgeslotene wereld op zich zelve—onbepaalde tijden lang. Eindelijk werden eenige harer zaadjes en stekjes over de Middellandsche Zee naar Europa gevoerd, waar zij op een hoogst vruchtbaren, namentlijk op Griekschen bodem vielen.—-Een Egyptenaar (Cekrops) stichtte Athene; een Egyptenaar (Danaüs) bouwde het koningsslot van Argos; Minos, de wetgever van Creta, had wellicht meer dan de overeenkomst van naam gemeen, met den ouden Egyptischen staten-regelaar Menes. Ja! een Egyptisch Koning, Sesostris, zou, oorlogvoerend en veroverend, eens het geheele Grieksche schiereiland tot aan den Donau en tot in het land der Skythen, doorgetrokken zijn.

Door Griekenland,—wiens oude kunst, zoolang zij nog niet op eigen wieken gedreven had, blijkbaar hare wieg in Egypte gevonden heeft; wiens denkende mannen zich tot de Egyptenaren begaven, om daar aan de oude bronnen wijsheid op te doen—Plato onder anderen, die even als Herodotus, Solon en Pythagoras, Egypte bezocht en daar studeerde, kende den Egyptenaren zonder voorbehoud den eersten rang toe, noemde hen de uitvinders der rekenkunst, der meet- en sterrekunde; volgens Diodorus stamt de geheele godsdienst der Grieken, hunne goden en helden-sagen uit Afrika van de Egyptenaars af; alleen stelden de Grieken alles wat in Egypte geschied was voor, alsof het in Griekenland gebeurd was—door deze Grieken, zeg ik, die aanvankelijk [14]door de Egyptenaren voor kinderen, voor piepjonge volken en onontwikkelde barbaren uitgescholden werden, werd de ontvangen beschaving vervolgens aan het overig Europa verder medegedeeld; en zoo komt het, dat wij nieuwere Europeanen—wier hedendaagsche tijdrekening van Egyptischen oorsprong is—nog heden ten dage eenigzins den Egyptischen stempel dragen, en dat onze gedachten zich langs banen bewegen, wier oorsprong aan den Nyl gezocht moet worden.

Alexander de Groote en na hem de Romeinen braken later den boezem van het oude Egypte, dat zijne ontwikkeling als in een gesloten oesterschelp verborg, open, en lieten haar met die van Europa zamensmelten. Egyptische priesters bouwden hunne tempels in Italië; Europeesche (Grieksche en Romeinsche) wijsgeeren richtten hunne scholen aan den Nijl op, terwijl hunne handelaren en krijgslieden tot in het hart van Ethiopië doordrongen. Door de Bijzantijnsche Keizers en later door de Turksche Padichas, die nog later Egypte en geheel Noord-Afrika, zooals vroeger Alexander en Rome gedaan hadden, veroverden, zijn weder de bewoners der Nijlstreken, even als ten tijde van Sesostris, tot aan de oevers van den Donau gevoerd geworden, en bij die rivier kan men onder de Halve-Maan, nog heden ten dage de gezichten der bruine Egyptenaren en donkere Ethiopiërs, tegenover de Duitsche troepen zien staan.

Met den invloed welken de Egyptenaren op Europa gehad hebben, staan, zoowel wat betreft den tijd waarin als de wijze waarop, die van een ander volk, de zoogenaamde “purper-menschen” (Pheniciërs), de bewoners van de Syrische kust, op dezelfde lijn. Die Syrische kust, tegelijkertijd een oostelijk aanhangsel en een zijvleugel van Egypte en Afrika, maakt een der belangrijkste deelen uit der door ons beschouwde zuidelijke kusten van de Middellandsche zee. De zeevaartkundige en handeldrijvende kinderen van Syrië, scholieren van het oude wijze Babylonië, hebben reeds vroeg de Middellandsche zee doorkliefd, en zoowel aan de Afrikaansche als aan de Europeesche kusten, beschaving en koloniën door het geheele groote waterbekken verbreid, dat ook nu nog bij de Oostersche volken hun naam draagt, en de Syrische zee (Bahr el Scham, het water van Scham) genoemd wordt.

Reeds 1500 jaren vóór Christus kwamen Phenicische zeelieden, kolonisten, handelaars, planters en veroveraars naar Griekenland. Hun aanvoerder (Kadmus) bouwde Thebe in Boeotie en bracht het Phenicische letterschrift naar Griekenland. Hiervan zijn alle andere Europeesche alphabets afgeleid. Ook brachten de Pheniciërs, wat minstens van evenveel gewicht is, het allereerst het gebruik van ijzer en van ijzeren gereedschappen naar Europa over.—Kreta, Rhodus, Cyprus, ja bijna alle eilanden van den eerst later “Griekschen Archipel” werden door hen bezet. Zij drongen nog veel verder naar het Westen door, en bouwden in den omtrek van het tegenwoordige Tunis hun wereldberoemde “Kart Chadata” (Nieuwstad), dat door de Romeinen “Carthago” genoemd werd. Met de overwinnende vlooten en legerscharen der Pheniciërs en hunne machtige moederstad, drong de Semitische volksstam, en met hem ook andere hun onderworpene bewoners van Afrika, Spanje binnen. Zij overstroomden [15]en veroverden bijna het geheele Pyreneesche schiereiland, bebouwden en exploiteerden het; evenzoo handelden zij met de Europeesche eilanden, Sicilië, Sardinië en Corsica, waar zij verscheidene steden stichtten.

Hunne tochten ter zee strekten zij zelfs uit tot ver voorbij de zuilen van Herkules noordelijk tot aan Groot-Brittanje, waar hun naam den bewoners zoo diep ingeprent is, dat nog heden ten dage vele Ieren in den waan verkeeren dat hun volk rechtstreeks van de Puniers of Pheniciërs afstamt. Punische en Afrikaansche volken doortrokken onder Hannibal zelfs het zuidelijk Frankrijk en Spanje, even als wij weder in onze dagen onder de vanen van Napoleon, uit diezelfde streken, in diezelfde landen, Afrikaansche krijgslieden, even woest als de soldaten van Hannibal, met de Franschen naar den Rijn zagen marcheeren.—Dat op deze en andere wijze, door tusschenkomst der Pheniciërs en hunne kolonisten, de Europeesche en Noord-Afrikaansche bevolkingen zich meermalen vermengden, is onder anderen ook daaraan merkbaar, dat zij een slavenhandel op groote schaal door de geheele Middellandsche zee georganiseerd hadden, en daarbij, zooals beweerd wordt, de in Europa geroofde slaven gewoonlijk in Afrika, de Afrikaansche daarentegen in Europa verkochten. Dat de Pheniciërs in Europa spoorloos verdwenen, dat zij bij ons geheel dood en uitgestorven zouden zijn, is niet aan te nemen; bijvoorbeeld reeds daarom niet, dat de, wel is waar vrij wat veranderde, letters: letters van den schrijfmeester van Europa, zich thans nog onder onze hand en pen vernieuwen. Zien niet nog, om zoo te zeggen, de schimmen der uitvinders van het glas door onze vensterramen onze huizen binnen?

Van de Egyptenaren en Pheniciërs stap ik nu over naar de westelijk gelegene landen en volken aan de zuidzijde der Middellandsche zee.

De geschiedboeken van Egypte deelen ons verscheidene invallen mede der oude landsvijanden uit het oosten, de herdersvolken, die zij “Hijksos” noemen. Deze waren naar alle waarschijnlijkheid de voorvaderen onzer Arabieren. Zij overstroomden Egypte en een groot deel van Afrika’s noordkust, volgens mededeelingen onder anderen reeds 2000 jaren voor de geboorte van Christus. De Perzen en Meden, en met hen ook weder Arabische nomaden-stammen, rukten onder Cambyses het land binnen, en onderwierpen Egypte en andere gedeelten der noordkust van Afrika.

Wij zien in latere tijden een dergelijken inval uit diezelfde landstreken gebeuren, waarmede wij beter bekend zijn. Meer andere invallen kunnen vóór de Mohamedaansche Arabieren en vóór Cambyses, en ook vóór de zoogenaamde “Hyksos”, plaats gevonden hebben; de geschiedenis en ook zelfs de sage zwijgt daarover.

Zoolang wij de volken kennen, die Noord-Afrika, westelijk van Egypte, en die de Europeanen Nasamonen, Getulers, Numidiërs, Barbarijers, Mauritaniërs of Mooren noemden en noemen; zoolang zien wij in hen een ras, dat van de zuidelijke Afrikanen, de negers, geheel verschilt in lichaamsbouw, kleur, haar, in verstandelijke ontwikkeling, in taal en in gewoonten. Zij hebben in dat alles veel minder overeenkomst met de zwarten, dan met de Arabieren en de andere volken van Zuid-Westelijk Azië, die, zooals gezegd is, vermoedelijk [16]reeds in de allervroegste tijden hunne beweging naar dit gedeelte der Aarde begonnen hebben.—Reeds de oude Grieken beweerden dezen oorsprong der inboorlingen van Noord-Afrika uit Azië. Herkules, die onvermoeide wandelaar, de halfgod aan wien zij alle groote dingen toeschrijven, heeft Aziaten uit Indië, over Arabië naar Afrika gevoerd. Ook de Romein Sallustius, die langen tijd proconsul in westelijk Afrika was, en de geschiedkundige boeken van Hiempsal, een ouden Koning der Numidiërs, liet vertalen, was van meening, dat de Mooren en Numidiërs afstamden van Armeniërs, Perzen, Meden en Arabieren, die zich met der woon hier gevestigd hadden.

De naam “Mauritaniers” of “Mooren,” waarmede de Romeinen, en na hen de Spanjaarden en Portugeezen, alle Noord-Afrikanen, zonder onderscheid van ras, gewoon waren aan te duiden, zou van Aziatischen oorsprong zijn; zelfs de oude naam van het geheele vasteland “Afrika”, alsmede de reeds door de Grieken opgegevene inheemsche benamingen van het groote Afrikaansche gebergte, “Atlas”, laten zich uit het Arabisch afleiden. Zekerlijk zijn deze Aziaten, die in de allervroegste tijden Afrika binnentrokken, even als de vroegste Aziatische bewoners van Europa, in zeer van elkander verschillende stammen en volken omgezet. Wij mogen in hen wellicht de, met en door elkander vermengde, overblijfselen van verschillende kolonie-stichtingen uit Azië, te herkennen hebben.

De laatste en ook voor ons, tegenwoordige Europeanen, belangrijke inval van Aziatische volkstammen in Noord-Afrika, was die der door Mohamed in beweging gestelde en tot den Islam bekeerde Arabieren. Zij verspreidden zich tijdens het einde der 7de eeuw, langs de geheele kust, over het geheele land, dat zij hun Westland (“Magreb”, waarvan Marocco eene afleiding is) noemden. Hunne heerschappij strekte zich uit tot aan den Oceaan, tot aan de Straat van Gibraltar, van waar zij naar het naburige Spanje overstaken en in dat land een inval deden. Dit was eene gelijksoortige beweging, als die welke vroeger door de “Hijksos” en de voorvaderen der oude Libyërs en Barbarijers bewerkstelligd was.

De Arabieren, en in hun gevolg de Mooren en andere Afrikaansche, hun van oudsher verwante, volkeren veroverden, even als eens hunne voorgangers, de Pheniciërs en Karthagers, het gedaan hadden, bijna het geheele Pyreneesche schiereiland. Tijdens den hoogsten bloei en de uitbreiding van hun Kalifaat, bezaten zij ook weder al de voornaamste eilanden der Middellandsche zee: Cyprus, Kreta, Sicilië, Sardinië, Corsica en de Balearische eilanden, van welke de Grieken beweerd hadden, dat zij reeds in de oudste tijden, inwoners uit Afrika zouden ontvangen hebben, en die ook, zooals reeds gezegd is, vroeger door de Pheniciërs en Karthagers vermeesterd waren geworden. Over deze Europeesche eilanden is dus, even als over Spanje, menige stortvloed van volken uit Noord-Afrika heengegaan.

Zeer merkwaardig is het, dat de Mohamedaansche Arabieren en Mooren, ten tijde hunner grootste uitbreiding, vrij wel een even groot deel van Europa onder hunne macht hadden, als de Pheniciërs en Karthagers ten tijde hunner grootste macht. Beiden kregen geen vasten voet aan deze zijde der Pyreneën; [17]beiden werden in Gallië en in Italië door de Europeanen geslagen, de Puniërs door de Romeinen onder de Scipio’s, de Arabieren door de Germaansche Franken onder Karel Martell. Bij beide gelegenheden scheen Europa in gevaar, door Afrika overmeesterd en geafrikaniseerd te worden.

De invloed, die deze Afrikaansch-Aziatische inval, onder de zonen van Mohamed, op de moderne Europeesche volken gehad heeft, was van veel meer belang dan ooit vroeger eene volksbeweging uit diezelfde streken, en dat wel reeds daardoor, dat zij in een veel lateren tijd plaats grepen, en ook door den langeren duur der Arabische heerschappij. Ook kan men den loop van dien invloed, aangaande welken wij beter onderricht zijn, duidelijker nagaan. De levendige en hartstochtelijke Arabieren begonnen, nadat zij naar alle vier de windstreken de schoonste en rijkste landen in wilden haast waren doorgetrokken, “nadat zij meer vijanden verslagen hadden dan zij tellen, meer land onder hun juk gebracht hadden dan zij beschrijven konden”, toen zij meer rust hadden, de kunsten en wetenschappen te beoefenen. Zij maakten zich meester van de door de Grieken en Romeinen opgegaarde schatten van kennis, verzamelden de geschriften hunner geleerden, vertaalden die in het Arabisch, bouwden op dezen grond verder door, en toonden daarbij meer talent en vlugheid dan de langzame Indo-Germaansche volksstammen, die eerst veel later doordrongen in den klassieken geest en de wetenschap der oudheid. De Arabieren voerden, terwijl zij de fakkel der geleerdheid, die bij de overige volken nog bitter weinig licht verspreidde, tot zich trokken, de eerste ver om zich heen grijpende renaissance of wedergeboorte der wetenschappen aan. Zij hadden het merkwaardige en grootsche spreekwoord: “de menschen zijn òf geleerd òf zij zijn leerlustig. Alle andere menschen zijn nietige muggen.” Tot in Tartarije en de Mongoolsche landen, ja zelfs tot in het afgeslotene China, werden door hen de edelste schatten van kennis, en de fraaiste denkbeelden van den menschelijken geest overgebracht. En evenzoo ontgloeide hun voorbeeld de Europeanen, onder wie zij in Spanje, in Sicilië en elders, ver om zich heen lichtverspreidende scholen, waarin zoo wel de goede smaak als het verstand ontwikkeld werd, stichtten.

Deze Arabische akademiën, waarin zij aan de Musen een nieuw tehuis bereidden, b.v. die van Cordova, Sevilla en Grenada in Spanje, de scholen van Salerno in Italië, die door Arabische geleerden, die alle doode en levende talen der wereld lezen en schrijven konden, op het toppunt van glans en aanzien gebracht werden, werden in de elfde en twaalfde eeuw bezocht, niet alleen door Mohamedanen uit alle deelen van Afrika, zelfs uit het binnenste gedeelte van Fez en Marocco, maar ook door Christenen uit alle oorden van Europa, zelfs door mannen die bestemd waren eens de driedubbele kroon van het Pausdom te dragen, op gelijke wijze als later het Italiaansche Bologna en daarna Parijs en de Duitsche universiteiten. Zij, die, door de Arabieren goed onderwezen en met rijke kundigheden en geestesgaven toegerust, terugkeerden, werden door de onwetende Europeanen Magiërs genoemd en door hen dikwijls als heksenmeesters vervolgd. In het begin der 14de eeuw richtte men in verscheidene Europeesche steden, in Parijs, Bologna, Oxford en Rome leerstoelen [18]voor de Oostersche talen op, ter ontginning der mijnen van Arabische beschaving.

De grootste verdienste verwierven zich de Arabieren in de wiskunde, de natuurwetenschappen en de artsenijkunde, met betrekking tot welke vakken zij in nog hoogere mate de onderwijzers van Europa geworden zijn, dan de Grieken en Romeinen het geweest waren. De algebra en de chemie noemen wij nog heden ten dage met Arabische namen. In de astronomie, eene wetenschap die hare wieg heeft onder den helderen hemel, in de onbewolkte schitterende atmospheer van Noord-Afrika, Egypte en Arabië, gebruiken wij nog dagelijks de Arabische woorden: “Nadir,” “Zenith,” “Azimuth,” “Almanak” enz.

De rekenkunst hebben wij nagenoeg geheel alleen aan de Arabieren te danken, en zoo ook de, misschien in Indië uitgevondene teekens der getallen, die zooveel doelmatiger waren dan die, welke bij de oude Romeinen en Grieken in gebruik waren. Ook de benaming “cijfer” is van Arabischen oorsprong; even als de teekens zelve aan de gestalte van den kameel hunnen oorsprong zouden te danken hebben. Ook in de chemie zijn verscheidene dagelijks gebruikt wordende uitdrukkingen van Arabischen oorsprong, zooals de woorden: “Alkohol,” “Alkali,” “Elixer” en vele andere.

In de uitoefening van vele kunsten echter waren aan de Arabieren, door de voorschriften van Mohamed de handen gebonden, zooals b.v. in de schilder- en beeldhouwkunst, daar het hun verboden was, het menschelijk gelaat en het omhulsel van den menschelijken geest, tot voorbeeld te kiezen. Toch leverden zij ook daar, waar zij zich op dit gebied vrij ontwikkelen konden, zooals b.v. in de bouwkunst, veel schoons en groots.

In de door hen en naar hunne ideën gebouwde tempels, in Azië (b.v. de groote moskee te Damascus)—in Afrika (b.v. de prachtige moskee van Kairwan) en in Europa (b.v. de beroemde moskee van Cordova) voegden zij aan de zeven wonderen der wereld nog geheel nieuwe toe. Door Spanje werkten hunne door ieder bewonderde bouwmeesters, ook op het overige Europa in, en veel van wat wij den Gothischen stijl en smaak noemen, is eigentlijk niets dan een ideé en eene uitvinding der Arabieren.

De taal der Arabieren werd, en zulks kon bij al hun streven naar ontwikkeling moeielijk anders, voor alle takken van menschelijke wetenschap en kennis, meer beschaafd en verfijnd dan eenige andere van dien tijd. Alleen aan de muziek, die noch door hunne godsdienstplechtigheden, noch door hunnen nationalen aanleg in de hand gewerkt werd, schijnen zij weinig gedaan te hebben. “Van oudsher waren de Arabieren meer redenaars en dichters, dan zangers, musici en kunstenaars. Voor rhytmus en melodie in de taal hadden de Arabieren, wier volks-poezie zeer oorspronkelijk en eeuwen oud was, en die het eigendommelijk kenmerk van hun vurig en phantastisch nationaal-karakter droeg, steeds het fijnste gevoel, en daarvoor maakten zij dan ook het nog ruwe oor der Europeanen het eerst weder toegankelijk.” De Provençaalsche dichtkunst werd, toen het eerste morgenrood van Nieuw-Europeesche poezie en literatuur in de 12de en 13de eeuw weder gloorde, aan de Europeesche [19]naburen der Arabieren, door deze hunne vijanden tegelijkertijd opgedrongen en opgezongen. Even als deze ontleenden ook de Katalonische en Siciliaansche dichterscholen, de bronnen der Spaansche en Italiaansche poëzie, hun vuur aan de punten van aanraking der christelijke met de Arabische wereld. En zoowel in deze “gaya siencia” (de vroolijke kunst), als in hunnen bouwstijl, in de mathesis, geneeskunde en chemie werden de Arabieren ook in velerlei andere vakken tot voorbeeld genomen.

Zij brachten niet alleen de fraaiste paarden-rassen naar Europa—zij waren niet alleen zelven de uitstekendste ruiters en ridders—zij, die, stoute heldendaden verrichtende, overal in de wereld naar avonturen zochten, bevorderden ook dikwijls bij de Europeanen dien zelfden lust naar avonturen, die zelfde ridderlijkheid, dien zelfden trek naar groote daden. Bij hen ontwikkelde zich (ten deele althans) dat, wat wij echter even goed de “Arabische geest” zouden kunnen noemen. De instellingen onzer Europeesche ridderschap waren meerendeels navolgingen, van hetgeen reeds lang bij de Arabieren gebruikelijk was geweest. En wanneer ook al onze ridderschap in hoofdzaak een Germaansch-Romanische instelling moge geweest zijn, zoo geraakte deze toch eerst tot volkomenheid, toen Noordsche manhaftigheid de gloeiende geestdrift met den glans en de hoffelijkheid der Oostersche verfijning, overgenomen had. De oorlogen die de Europeanen gedurende hunne kruistochten, in het Zuiden en in het Oosten met de Arabieren voerden, dwongen hen onwillekeurig, veel van de militaire gebruiken en de krijgskunst der Arabieren over te nemen. Onze christelijke ridderorden zijn het eerst aan den rand der breede grenslinie van den strijd met de Saracenen, in Spanje, in Egypte of in het Heilige Land, ontstaan. De Tempelridders kwamen er rond voor uit, dat zij hunne orde-voorschriften aan de Muzelmannen ontleend hadden. Ook de wapenleer (heraldiek) is door de Arabieren en Mooren tot ons gekomen, en onder anderen is, volgens de onderzoekingen van den Vicomte de Beaumont, de beroemde lelie in het wapen van Frankrijk van Oosterschen oorsprong.

Vooral niet minder merkwaardig en van niet minder ingrijpenden aard, was de van de Arabieren uitgaande inwerking op den Europeeschen handel en op industrie. Arabische zeevaarders, kooplieden en hunne vlooten zeilden en verkeerden in de 9de en 10de eeuw door al de drie deelen der Aarde, aan de eene zijde in den Atlantische Oceaan en aan de andere zijde tot naar Oost-Indië en China. Zij brachten de uiteinden der wereld tot elkander, en dreven ruilhandel met de verst verwijderde volken. Zij waren de aanvoerders der karavanen in het binnenland van Afrika, zij begeleidden ook de karavanen tot in het hart van Azië. De handelstakken van bijna alle andere volken der Aarde, met name ook de Europeesche, waren eveneens niets dan vertakkingen van den grooten Arabischen wereldhandel, waarvan de Genueesche en Venetiaansche handel eveneens afstammen. Ook het handelsverkeer door Rusland langs de Wolga tot aan het oude Nowgorod en het in de nabuurschap der Samojeden bloeiende “Biarmie” was een tak van dien machtigen stroom, en daar aan het strand der IJszee en der Oostzee, worden nog heden Arabische munten gevonden.

Zooals eens die munten, zoo zijn ook nu nog bij de door ons, en bij alle [20]Europeanen zonder uitzondering, aangenomene termen, vele uitdrukkingen in zwang, toepasselijk op handel en zeevaart, die van de Arabieren afkomstig, en door bemiddeling der Italianen en Spanjaarden aan onze taal toegevoerd zijn: “admiraliteit”, “arsenaal”, “tarief”, “magazijn”, “karavaan”, “bazar”, zijn enkele der hiertoe behoorende woorden, zoo ook de namen der beroemde winden: “monsum”, “sirocco”, “samum”, waarmede de Arabische schepen zeilden. Ook velen der wijd en zijd verbreide waren en produkten, hebben door alle tijden heen Arabische benamingen gehouden, zooals de suiker (alzucar), die de Arabieren ons het eerst leerden kristalliseeren; de koffij (kawe), die zij sedert onheugelijke tijden in Gelukkig Arabië verbouwden; de kamfer en het lak, dat hunne kooplieden uit Indië aanvoerden; zoo ook de “safraan”, de “artisjok”, de “jasmijn”, de “tamarinde”, de “boomwol”, (katoen, al guoton) en de daarvan vervaardigde stoffen “mousselin”, en “calico”. Even zoo zijn de “gazelle”, de “giraffe”, de “civet-kat” en nog eenige andere dieren, in de Europeesche woordenboeken met Arabische namen aangeduid.

Ook in verschillende takken van nijverheid zijn de Arabieren voorbeelden en onderwijzers der Europeanen geworden. Zoo waren zij b.v. gedurende een gedeelte der midden-eeuwen de voornaamste en bekwaamste bewerkers der zijde. De Arabische zijde-weefsels uit Almeria in Spanje, waartoe Marocco de grondstof leverde, waren beroemd. Het is bekend, dat reeds de ouden hunne kostbaarste purperkleurige kleedingstukken uit Phenicië kregen, en zoo was het ook weder in de midden-eeuwen. Gouden treswerk en boordsels, fraai gekleurde tapijten, gouden en zilveren draadwerk, kostbare weefsels, waarin sierlijke patronen met gouddraad waren ingeweven, kwamen nagenoeg alleen van de zoogenaamde “Saraceenen” (Oosterlingen), d.i. Arabieren en hunne naburen. De Noormansche Koningen in Beneden-Italië en hunne Hohenstaufsche opvolgers, hadden groote en wereldberoemde katoen- en zijdefabrieken in Palermo. De teekenaars en de werklieden in deze fabrieken waren Saracenen. De Oostersche smaak in de versieringen, en de ingeweefde Arabische spreuken geven dit genoegzaam te kennen. Deze fabrieken leverden de prachtgewaden voor de Koningen en Grooten van Europa. Van hen is onder anderen ook een deel der kroonings-ornamenten der Duitsche Keizers afkomstig. De Arabische inrichtingen in Palermo werden de leerscholen voor de zijde- en tapijtweverijen in Opper-Italië. En van hieruit kwamen deze oorspronkelijk Arabische kunsten in de vijftiende eeuw naar Nederland, waar zij verder tot bloei en volmaking kwamen.

Ook met de kunst, reukwerken te vervaardigen, met het distelleeren van wijn, hebben de Arabieren ons Europeanen bekend gemaakt, en het is overbekend dat het eerste mechanische uurwerk, dat noordelijk van de Middellandsche zee gezien werd, uit Arabië afkomstig was; zooals vermoedelijk ook de eerste invoering van het buskruit en van het kompas, deze in de geschiedenis der beschaving zoo buitengewoon belangrijke uitvindingen, aan de Arabieren moeten toegeschreven worden. Uit dit alles ziet men dus, dat even als de toenmalige dichters van Europa, Arabische vertellingen en riddergeschiedenissen in hunne romans inweefden, evenzoo onze kunstenaars en werklieden [21]in hunne voortbrengselen, Arabische phantasiën tot thema namen; dat even als in de verzen der Provençalen en Troubadours, Arabische beeldspraak weerklonk, zoo ook onze Keizers en Koningen Arabische borduursels en sieraden op schouders, borst en gordel droegen, en dat even als de ridders en krijgslieden, zoo ook de geleerden en wijzen van Europa, meermalen de zeden en wetten overnamen van de uit Afrika overgekomene veroveraars.

De Europeanen hebben zich echter bij deze door alle tijden terugkeerende zamensmelting der beide, in het zuiden naburige vastelanden, niet altijd alleen passief gedragen. Zij hebben de Puniërs, de Egyptenaren, de Saraceenen niet alleen bij zich afgewacht. Ten allen tijde zijn zij zelven op verscheidene punten hun uitgestrekt vaderland binnengedrongen, en zijn zij, doordien zij herhaalde malen verscheidene gedeelten der Afrikaansche kustlanden met hunne Europeesche landen in aanraking brachten, met hen in inniger samenhang gekomen en hebben zij Afrikaansche zeden en bloed van daar naar hier overgebracht.

De in het zuiden van Europa gelegene schiereilanden Griekenland, Italië, en Spanje, waren bij voorkeur de bruggen, waarlangs hunnerzijds de Europeanen zich naar Afrika begaven. Men zou deze schiereilanden en de eilanden-keten Sardinië, Corsica en Sicilië, in zekere mate kunnen vergelijken met groote stukken druipsteen, die van het hoofdlichaam van Europa in de diepe grot der Middellandsche zee afhangen. De Afrikaansche kust, die overal dezelfde gedaante heeft en in eene rechte lijn doorloopt, is dan de vlakke bodem van deze grot. Even als het kalkwater langs de druipsteenen afvloeit, en op den bodem der grot duidelijke figuren vormt, zoo hebben ook altijd de Europeesche volken langs die landen getracht naar buiten te komen, en is daardoor tegenover de uiterste punten een Afrikaansch Griekenland, een Afrikaansch Italië of Spanje ontstaan. Zoo kwamen reeds in de oudste tijden, na de vernietiging van Troje, Hellenen op het Afrikaansche schiereiland Barca, dat juist onder hun land ligt, en stichtten daar hunne beroemde kolonie, Cyrene. Zoo kwamen ook de Romeinen, reeds spoedig in de eerste tijden hunner toenemende grootheid, in aanraking met dat gedeelte van Afrika, dat juist onder hun schiereiland Italië lag. Over Sicilië gaande, togen zij naar Afrika, vernielden Carthago en onderwierpen zich dat Afrikaansche land. Zoo zijn insgelijks de Spanjaarden—ook weder in onze dagen—over de straat van Gibraltar—het dichtst bij hen gelegen gedeelte van Afrika, het zoogenaamde Tingitanische schiereiland, binnengetrokken en hebben het dikwijls, als behoorende aan hun moederland, als het Hispania Transfretana (het Spanje aan gene zijde van de straat) bezet.

Hadden de Europeanen eerst op een zoo in hunne nabuurschap gelegen punt vasten voet gekregen, dan breidden zij zich vervolgens, even als de uit Azië komende veroveraars, over de geheele noordkust, of ten minsten over groote terreingedeelten er van, uit. De Grieken stichtten van Cyrene uit, langs dezen kustrand, vele andere koloniën, en deze Afrikaansche Grieken, die, naar de uitdrukkelijke getuigenis der oude schrijvers, allen zich, nevens hunne Europeesche moedertaal, ook de Afrikaansche hadden eigen gemaakt; die ook naar hunne zeden en gewoonten van tweeërlei natuur, halve Europeanen en [22]halve Afrikanen waren, vormden langen tijd een belangrijk verband tusschen de beide werelddeelen. Na de Grieken onderwierpen de Romeinen de geheele noordkust van het vasteland van Egypte tot aan Marocco, stichtten er eene reeks bloeiende koloniën en verdeelden haar in verscheidene, op Europeesche wijze bestuurde en bebouwde provinciën. Zij maakten zich daar zoo inheemsch, dat er bijna geen onderscheid was tusschen de Romeinsche provinciën langs de noordelijke, en die langs de zuidelijke kust der Middellandsche zee. Zij drongen ook dieper het land in en haalden van daar de Getulische en Numidische ruiters, die zij bij hunne legers inlijfden en waarmede zij in alle deelen van ons vaste land oorlogvoerden.—Hunne Afrikaansche legioenen, hunne zouavenregimenten, waarin zich zoowel Romeinsche Afrikanen als inboorlingen van Afrika bevonden, toonden in vele op Europeeschen bodem geleverde veldslagen, eene groote mate van onstuimige dapperheid en eene bijzondere geschiktheid, die zij zich op de leeuwenjachten en in de eeuwige guerilla-oorlogen der woeste stammen, in de rotsgebergten van Getulië hadden eigen gemaakt.

Na de Romeinen, tijdens de volksverhuizing, vermengden zich, al was zulks ook maar van voorbijgaanden aard, zelfs de Germanen, de bewoners van het noorden van Europa, met de Afrikanen. De Vandalen werden van den Oder, over Spanje, tot naar Mauritanië teruggeworpen, en zij beheerschten eens zoowel de Europeesche landen ten noorden van de zuilen van Herkules, als de Afrikaansche landen ten zuiden er van, oostwaarts tot voorbij Carthago. Onder hunnen Koning Genserik keerden zij, door Afrikanen vergezeld en zelve waarschijnlijk gedeeltelijk geafrikaniseerd, naar Europa terug, en brachten de voornaamste stad van ons werelddeel ten onder, van uit dezelfde haven (Carthago), die eens door de Europeanen, van Rome uit, een zoo hard lot te verduren had. Nog in latere tijden heeft men, in eenige blondharige bergvolken van Afrika, nakomelingen dezer Germanen willen zien.

In den bloeitijd der Arabische macht, die de Duitsche volksverhuizing op den voet volgde, was de heerschappij der Europeanen meer dan ooit van Afrika uitgesloten. Nadat echter het groote Arabische Kalifaat, even als het Romeinsche rijk, uiteengespat was, gedurende de kruistochten in de 12de en 13de eeuw, vielen om zoo te zeggen, de Europeesche volkeren weder midden in het Zuiden en in het Oosten. In Syrië, Palestina, op de eigentlijke noordkust van Afrika, in Egypte, in Tunis en Marocco verschenen zij ontelbare malen onder de banier van Lodewijk den Heilige en andere Koningen, tot op de tijden van Keizer Karel V en Sebastiaan van Portugal, en brachten van daar terugkeerende, zuidelijke gewoonten, zienswijzen, zeden, natuur- en kunstproducten naar Europa.

Onder de langdurige heerschappij der Turken, kwam vervolgens de geheele reeks van schoone Afrikaansche landen, wier ontwikkeling vroeger, zoowel onder de Carthagers als onder de Grieken en Romeinen en later ook onder de Arabieren, zoo op Europeesche wijze gebloeid had, weder tot den toestand der oude barbaarschheid. De zoogenaamde roofstaten ontstonden, en gedurende verscheidene eeuwen betraden Europeanen den Afrikaanschen bodem niet anders [23]dan als slaven en krijgsgevangenen. Dit is eindelijk eerst weder in onze 19de eeuw veranderd, want nu zijn de Romaansche volken andermaal begonnen zich over de tegen hen over liggende kusten op nieuw te verspreiden.

Sedert 1830 zijn de Franschen, die zich somwijlen als de erfgenamen der Romeinen beschouwen, het land binnengerukt en hebben er een Europeesch-Afrikaansche kolonie gesticht. Zij hebben daar den toegang gebaand aan de nakomelingen der eertijds daar zoo gevreesde Germanen, aan de nijvere Duitsche landbouwers, die nu door vlijt en weldaden de misdragingen hunner Vandaalsche voorvaderen doen vergeten.

Sedert eenige jaren zijn de Spanjaarden het voorbeeld der Franschen gevolgd. Vol geestdrift hebben zij de oude veete en den zelden afgebroken naijver tusschen Europa en Afrika weder opgerakeld, en schijnen, indachtig aan de vroegere overleveringen van hun land, hun “Afrikaansch Spanje” weder te willen veroveren.

Napoleon III heeft van daar zijne Afrikaansche legioenen, de regimenten zouaven of Afrikaansche Europeanen en de horden der woeste Turco’s, (inboorlingen, geboren leeuwenjagers van het land) naar ons werelddeel overgevoerd en met hunne hulp in 1859 zijne snelle overwinningen in Italië behaald.

Dit is nagenoeg een kort overzicht over de groote rij van gebeurtenissen, die tot de zamenvlechtingen en zamensmeltingen der Europeesche en Afrikaansche volks-elementen geleid hebben. Wel zijn de resultaten van vele dezer zamensmeltingen weder weggevaagd, of beter gezegd: zij zijn zoo in de Europeesche atmosfeer vervlogen, dat zij niet meer opgediept en nauwkeurig nagegaan kunnen worden. Maar er zijn ook streken in ons werelddeel, waar de resultaten van dat langdurig verkeer met Afrika nog min of meer merkbaar zijn, en die wij in zekere mate als een midden tusschen ons in gelegen streek Saraceenen-land, of ten minste als eene zichtbare Afrikaansche tint, op het gelaat onzer volken kunnen beschouwen.

Ten slotte wil ik trachten, deze nu nog meer of minder Afrikaansch gekleurde deelen van Europa aan te duiden: bij onze Europeesche Turken is de Arabische taal het orgaan van godsdienst en geleerdheid. Bij den Turkschen stam zelven is nog veel vermomd Arabisch bloed, en bij hunne legers, aan den Hellespont zoowel als aan den Donau, dient nog menig Arabier, Egyptenaar en Moor. Ook verschijnen in hunne handels-havens niet zelden Arabische kooplieden, zooals ook op hunne galeien, slaven en gevangenen uit alle landen ten noorden van de woestijn. In het overige niet Turksche Europa, bestaan nog enkele punten, waar de Saraceenen nog heden ten dage, zoo te zeggen in persoon, ofschoon met aanzienlijk veranderde nationaliteit en gewoonten, bestaan. Op Malta b.v. heeft het volk, zooals bekend is, een Arabisch dialect, en iets dergelijks kan men ook opmerken bij de bewoners der Balearische eilanden, die zoo dikwijls in handen der Afrikanen waren, en wier gewoonten en taal nog altijd eene Arabische tint hebben.—De bevolking van Zuid-Italië en die der groote eilanden Sicilië, Sardinië, Corsica, die in den loop der tijden zoo dikwijls en zoo lang onder den invloed van Afrikaansche rassen stonden, duidt nog heden menig Arabisch en Afrikaansch element aan. [24]

Veel bij de hedendaagsche bewoners van Sicilië en van het naburige Abruzzo, doet eerder aan het Oosten dan aan Europa’s christelijke landen denken. Half barbaarsche stam-hoofden, Palikaren en Klephten, komen hier onder veranderde namen voor.

De bewoners der bergen van het binnenland van Sardinië ten tijde der Romeinen, beschreef Strabo ongeveer zoo, als wij tegenwoordig de Kabylen van Noord-Afrika kennen. “Beschaving,” schrijft hij, “is in Sardinië alleen aan de kusten te vinden. De bergbewoners echter leven alleen van veeteelt en roof, zij zijn ruw en schuw als het wild.” En wat deze Romein van de half Afrikaansche natuur der oude Sardinische bergbewoners van voor 2000 jaren zegt, dat geldt in meerdere of mindere mate ook nog ten huidigen dage van hen.

Ook de Corsicanen, met wier volksnaam men de benaming van het handwerk der “corsaren” (zeeroovers) in verband gebracht heeft, waren in het binnenste van hun eiland, van oudsher niet veel beschaafder dan de oude oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de Barbarijers. Roofzucht, bloedwraak, de ruwheid van de herdersvolken, haat en verachting voor alle nieuwigheden en veranderingen, heerschen nog heden bij hen, ofschoon zij reeds sedert eene eeuw tot een beschaafden staat behooren, en Frankrijk veel gedaan heeft om hen naar dezelfde regelen als de andere Franschen te regeeren. De bruinachtige gelaatskleur, de kleur van het haar, de uitdrukking van het gelaat en de geheele vorming van het lichaam der zoogenoemde “Italiaansche” eilanders schijnt er op te wijzen, dat zij in zekere mate een overgangsvorm uit Afrika naar Europa zijn.

En wat eindelijk de bevolkingen van Spanje en Portugal betreft, deze zijn, voornamentlijk in het zuidelijke deel dezer landen, nog heden ten dage dikwijls met Afrikaansche (Moorsche) elementen bezwangerd. Niettegenstaande later christelijke Koningen van Spanje, de Mooren en Morisco’s van hun land, op eene allerwreedaardigste wijze deden vervolgen, en ofschoon het hun gelukte hun rijk van hen die hun geloof trouw bleven, zooals zij het noemden te “zuiveren,” zoo hebben zij toch het Moorsche of Afrikaansche karakter, bij de bevolking van Andalusië, Granada, Murcia, Valencia, niet geheel kunnen doen verdwijnen. Het is een ten deele eeuwenoud, en reeds ten tijde der Pheniciërs en Carthagers hier ingeworteld karakter. Takken van Arabische industrie bloeien, al is het dan ook op vrij wat jammerlijker wijze dan ten tijde der Abderhamans, daar nu nog; en onder de zwarte sluiers, in snede en maaksel van Arabischen oorsprong, der schoone dames van Cadix en Sevilla, schittert dezelfde gloed der donkere oogen, reeds door Arabische dichters bezongen.—Zeer veel in de levenswijze, kleederdracht, zeden, dansen en volksliederen, der bewoners van het zuidelijke deel van het Pyreneesche schiereiland, is van Afrikaanschen oorsprong. Vele, nog heden geldende geographische namen in die streken zijn Arabische benamingen, die door de Spanjaarden eenigzins gewijzigd zijn. Zulke benamingen dragen daar rivieren, b.v.: de Guadalquivir, Arabisch Werd al Kebir (het groote water); steden, b.v. Gibraltar, Arabisch “Dschebel al Tarik (de rots van Tarik); provinciën, b.v. Algarvië, arabisch El Garb; bergketens b.v. de Alpujarras, Arabisch Alboscharat. Een zeer [25]beroemd bergland heet nog heden het Moorsche: “Sierra Morena.”

Dergelijke geographische sporen en monumenten der volksverhuizingen uit Afrika naar Europa, treffen wij nog veel meer noordelijk aan, b.v. in een dal der Helvetische Alpen. In het kanton Wallis is nog heden ten dage eene geheele reeks namen voor bergpaden, afgronden, gebergten en dorpen in gebruik, die hun Arabischen oorsprong duidelijk verraden. Piz del Moro (de top der Mooren), Monte-Moro (de Mooren-berg), Fontane More (de Mooren-bronnen), en de plaats-namen “Allalie,” “Alangel,” “Algabi” zijn eenige der Arabische namen in dit land. Ten tijde toen de Arabieren en Mooren in Spanje en Zuid-Frankrijk machtig waren, hebben, zegt men, zich eenige Saraceenen uit Noord-Afrika in de bergpassen der Alpen, voornamentlijk in de kloven van den St. Bernard nedergezet, vanwaar zij het zuiden en het oosten van Zwitserland onophoudelijk beoorloogden, tot in 954, in welk jaar zij zelfs St. Gallen bedreigden. Van hen zouden deze Arabische namen, in deze zoover van de Arabieren en Mooren verwijderde landstreek, wier zwartharige, bruinkleurige inwoners, volgens de opmerkingen van een reiziger, nog heden eene Arabische afstamming verraden, afkomstig zijn; ofschoon zij anders in zeden, taal en levenswijze van hunne blonde Duitsche en Fransche naburen niet meer verschillen.

Ja, bij het Waadlandsche dorp Saas, maken deze dalbewoners nog, ter bevochtiging hunner Alpen-matten, gebruik van eene oude waterleiding, die de Saraceenen daar, hoog boven het dorp en boven de toppen der boomen uit, in de rotsen hebben uitgehouwen. Dat is dan wel een het verst naar het binnenste gedeelte van ons werelddeel vooruitgeschoven post, van die merkwaardige verhuizingen, veroveringen en invloeden uit Afrika; het meest nabijgelegene spoor der zamenvlechting en zamensmelting der bevolkingen van beide werelddeelen, dat ik aanwijzen kan, en hiermede sluit ik daarom dit hoofdstuk. [26]

[Inhoud]

Oostelijke naburen van Europa.

Tartaren, Mongolen, enz.

Er bestaan tamelijk gegronde redenen om te vermoeden, dat eens niet alleen de Kaspische zee en het meer Aral eene zamenhangende watermassa vormden, maar dat die groote binnenzee zich ook ten noorden van den Kaukasus uitbreidde en zich met de zee van Azof en de Zwarte zee vereenigde, terwijl zij in het westen de vruchtbare streek van Oostelijk Europa, en in het noorden den zuidelijken voet van het Uralisch gebergte bespoelde. In het oosten reikte die binnenzee tot aan den aanvang van het centraal-Aziatisch hooggebergte. Had deze voor-historische binnenzee een duurzaam bestaan gehad, dan zou ons werelddeel, door eene bijna onoverkomelijke natuurlijke grens, van de Aziatische binnenlanden gescheiden zijn geweest. De ons onbekende natuur-veranderingen, tengevolge waarvan de Zwarte zee, die van Azof, de Kaspische en de Arabische zee zich in afzonderlijke bassins oplosten, en zich binnen de tegenwoordige engere grenzen terugtrokken, hebben veroorzaakt dat sedert dien tijd, het Zuid-Oosten van Europa zich meermalen nauw verbonden heeft met Azië. De bergvolken konden zich nu droogvoets van den Kaukasus verder westwaarts begeven. Vooral echter is daardoor eene groote breede opening, tusschen het noordelijk uiteinde der Kaspische zee en den zuidelijken voet van den Ural ontstaan, en deze is van oudsher eene der merkwaardigste volken-poorten voor Europa geweest. De Kaspische zee liet, toen zij het noordelijk gedeelte van haren diep ingezonken bodem ontblootte, een uitgestrekt en woest land na, welks grondgesteldheid nog heden ten dage aantoont, dat het vroeger met water bedekt geweest is. Het is een uitgestrekte, boomlooze, zoutachtige steppengrond, die met zand, kiezel, mosselschelpen en ontelbare zoutkorrels, de overblijfselen der vroeger hier woedende baren, bedekt is. En deze onhuisselijke steppen-natuur loopt in zuidelijke richting voort tot aan de vlakten van Perzië, oostelijk tot aan het begin van den hoogen bergmuur van den Bolortagh, waarvan twee groote rivieren afstroomen, die de beroemde vruchtbare oasen van het oude Baktrië besproeien. [27]

In het Noord-Oosten breidt zich deze onverkwikkelijke grondgesteldheid, zonder bepaalde grenzen naar Siberië uit, en in het Noorden eindigt zij aan den zuidvoet van het met bosschen begroeide Ural-gebergte. In het westen dringt zij tusschen den Ural en de Kaspische zee, door het gebied der beneden Wolga, Europa binnen, waar deze woeste vlakte een vruchtbaar land ontmoet, dat ten minste iets boven de oude zee-oppervlakte verheven is. Dat geheele groote bassin, in welks midden het meer Aral gelegen is, en waarin de Kaspische zee zich van den Kaukasus af rondkronkelt, is een der eigenaardigste diepten van den aardbodem. Het ligt met al zijne meeren en rivieren, nu nog merkelijk lager dan de Zwarte- en Middellandsche zee. Alexander von Humboldt en andere geleerden hebben daarom over een “afgrond” van de Kaspische zee gesproken, en spraken over de geheele woeste streek, die ons Europa als op sleeptouw medegegeven is, als over een kolossalen, wijdgeopenden “krater”. Vroeger noemde men het naar de beide hoofdwateren, die ook nu nog zijne diepste plaatsen bedekken, ook wel het “Aralo-Kaspische bassin”, of ook wel de lage vlakten van Turan”, naar een oud Perzisch woord, dat zooveel beteekent als “het land der duisternis”, in tegenstelling met Perzië of Iran zelf, dat beteekent “het land des lichts”.

Uit den “afgrond” der Kaspische zee, komen op bepaalde tijden van het jaar verschillende soorten van visschen te voorschijn: geheele scharen zalmen, steuren en andere groote waterbewoners, begeven zich stroomopwaarts door de groote kanalen der Wolga, tot diep in het Westen en het Noorden van Oost-Europa, waar zij zich over de neventakken van dat gebied verdeelen. Even zoo trekken uit die zuidelijke, laaggelegene landen, voortdurend geheele scharen land- en watervogels naar het Westen en het Noorden. Zij komen uit den omtrek der Kaspische zee en van het meer Aral, passeeren de bovengenoemde landen-poort tusschen deze zee en den Ural, en verspreiden zich in de lente over Rusland, vanwaar zij tegen den herfst weder naar de streken vanwaar zij kwamen, terugkeeren. Ook de verwoestende zwermen vliegende sprinkhanen, die met andere, minder te vreezen soorten van sprinkhanen daar hun vaderland hebben, vliegen, overal verderf aanbrengende, dikwijls en in groote zwermen door die poort uit Azië Europa binnen.

Met één woord, een groot gedeelte, der levende natuur schijnt hier zich uit het Zuid-Oosten naar het Noord-Westen en Westen te bewegen. Even als met de dieren, zoo ging het ook van oudsher met de menschen. Met uitzondering van enkele vruchtbare rivier-gebieden en oase-achtige vruchtbare streken in het Oosten en het Zuiden, die reeds in oude tijden de zetels waren der ontwikkeling van volken, die daar hunne bestendige woonplaatsen hadden, en waarin de steden Taschkent, Samarkand, Buchara, Chiwa en hare oude voorgangsters bloeiden, was het geheel bewoond door steeds heen- en weer trekkende Nomaden. Reeds in de oudste tijden, tijdens Cyrus, worden ons als zoodanig de “Massageten” genoemd, en later nog ontelbare andere [28]stammen, die langs hunne zuidelijke grens in onophoudelijken strijd met de meer ontwikkelde bevolking van Iran of Perzië leefden. Aan gene zijde der hooge bergen in het Oosten, meer naar het binnenste van Azië toe, zijn nog andere dorre bassins, die gelijk zijn aan het Aralo-Kaspische bassin, en die ook, even als deze, van de vroegste tijden af door Nomaden bewoond werden: de woestijn “Gobi”, die van “Schamo” of de door de Chineezen zoo genoemde “zandzeeën”.

Dikwijls reden de Nomaden dezer Oostelijke “zand-zeeën,” door de passen der bergen, naar het westelijk bassin aan de Kaspische zee, en brachten zoodoende aan de bewoners daarvan nieuwen toevoer van bevolking en nieuwe meesters. Dikwijls begaven zich omgekeerd de Westelijke Nomaden naar hunne naburen in het Oosten. Maar nog menigvuldiger vereenigden zij zich, en trokken zij door de Uralisch-Kaspische volken-poort, even als die vogels waarvan wij gewaagden, Europa binnen, en verspreidden zij zich daar, om even als de zwermen vliegende sprinkhanen, overal verwoesting aan te brengen.

Men zou haast zeggen, dat de menschen op dien van water beroofden zeebodem, den onrustigen aard dier eens hier klotsende zilte baren aangenomen hebben. Als de zee, zoo woedt en stormt hun geest hier eeuwen lang, en slechts nu en dan, in tijden van rust en vrede, komt zij tot kalmte, even als zulks ook bij de zee het geval is.

Sedert het begin der geschiedenis, waren dergelijke overstroomingen en doorbraken hier aan de orde van den dag. Maar wanneer wij de geschiedenis der eeuwen nagaan, zien wij die overstroomingen nu en dan in omvang tonemen, de baren hooger rijzen en, als een tweede zondvloed, de beschaafde landen overstroomen en de geheele wereld van China tot Rome op hare grondvesten doen schudden, als zouden, waar het menschengeslacht niet verdelgd werd, ten minste al de bloesems der beschaving van den aardbol weggevaagd worden.

Ten gevolge van dergelijke gewelddadige bewegingen, is China herhaalde malen, van het eene einde tot het andere, in handen gevallen der uit het binnenland van Azië komende Nomaden-stammen, maar heeft het zich door zijne onweerstaanbare vastheid van karakter en zijn staatsbestuur, steeds weder er boven op weten te werken, en door omwerking der vreemde bestanddeelen die waren blijven hangen, steeds zijne eigendommelijkheid weten te bewaren.

Eveneens hebben ook de andere beschaafde schiereilanden van Azië, Indië, Perzië en Klein-Azië, herhaalde malen nieuwe bevolking en overheerschers van die zwervende Nomaden-stammen ontvangen; zijn gedurende lange tijd-ruimten in hunne innerlijke ontwikkeling gestoord geworden, en hebben niet dan na veel strijds, hunne onafhankelijkheid en de hun eigene ontwikkeling, even als China, weder kunnen herstellen.

Ons Europa, dat zelfs door onze natuurvorschers soms niet eens als een op zich zelf staand werelddeel, maar meer als een groot aanhangsel van Azië, als een der Aziatische schiereilanden (“zooals Bretagne een aanhangsel van Frankrijk is,” zegt Humboldt) beschouwd is geworden; dit Europa schijnt ook door die Nomaden-stammen van oudsher als een gedeelte van Azië aangezien te zijn, en zij zijn het even dikwijls in- en uitgetrokken, als de schiereilanden China [29]en Indië, als maakte het mede een gedeelte uit van hun moederland en van het gebied, waarop zij meenden recht van grazen te hebben.

Gewoonlijk golden die invallen wel alleen de oostelijke gedeelten van ons werelddeel, en meer in het bijzonder de volken der uitgebreide vlakten van Rusland, die den Nomaden als bijzonder geschikt moeten voorgekomen zijn. Slechts tweemaal zijn zij, bij wijze van uitzondering, zoo diep ons vasteland binnengetrokken, dat het scheen als wilden zij daar, even als in Azië, alles mongoliseeren. Eenmaal in het begin der 5de eeuw onzer tijdrekening, toen tengevolge van een aan de Chineesche grenzen uitgebroken strijd onder de herdersvolken, Rome met vernietiging bedreigd werd; toen Atilla, de geesel Gods, de volkeren tot in Frankrijk en Italië, in beroering bracht en hen, als een stormwind de wolken, voor zich heendreef, en ze als een hoop kaf tot naar Spanje en Afrika deed overwaaien. En een tweede maal in het begin der 13de eeuw, toen Dschingis-Chan en zijne bloeddorstige opvolgers door alle langs den Donau en de Wolga gelegene landen heentogen, en tot aan de grenzen van Duitschland de akkervelden onder de hoeven hunner paarden vertrapten. Beide malen hebben Duitsche krachtsontwikkeling ons werelddeel voor eene dreigende mongoliseering gevrijwaard. De eerste maal deden zulks de West-Gothen onder Setius op de vlakten van Châlons, en de tweedemaal de Duitsche ridders onder Hendrik den Vrome van Silezië, op het slagveld aan den voet der Sudeten bij Wahlstatt, waar nog heden ten dage jaarlijks, de den barbaren geleverde, en voor de bevolking zoo merkwaardige slag, herdacht wordt.

Daar deze beide invallen der Aziaten, die bijna een duizendtal jaren na elkander plaats hadden, voor Europa de meest belangrijke geweest zijn, zoo zijn ook de namen, waaronder de Nomaden in beide tijdstippen verschenen, het meest verspreid geworden.

De ruiters van Attilla werden Hunnen genoemd. Dezen naam hebben zij van de Chineesche grenzen medegebracht. Geschiedschrijvers van het Hemelsche rijk noemden hen “Hungnu” of “Hiongnu,” en daar zij onder dezen naam de schrik van het door hen geteisterde Romeinsche rijk en van de door hen in rep en roer gebrachte Germanen werden, zoo heeft men langen tijd na dien, alle uit Azië komende en gelijke zeden met hen hebbende barbaren, onder den naam van Hunnen-volken zamengevat, even als in vroegere tijden de Grieken dezelfde wilde volksstammen onder den algemeenen naam “Skythen” aanduidden.

Hetzelfde deed men ook weder bij den tweeden grooten inval der Nomaden onder Dschingis-Chan. Toen ter tijde was in Azië de naam “Tata” of “Tatar” beroemd onder hen geworden. “Tata” was oorspronkelijk de naam van een kleinen nomaden-stam, die zich echter met den roem en de macht van dien stam meer en meer verspreidde. Het eerst kwam bij de Chineezen, en later ook bij de Perzen en Arabieren, die naam in gebruik, en eindelijk kwam hij, toen de Nomaden zoowel het Russische Kiew, als de Poolsche koninklijke residentie Krakau bestormden, en toen het heesche geschreeuw hunner kameelen zelfs aan den Oder vernomen werd, ook in Europa in zwang. Hier voegde men bij den naam, die zuiver Aziatisch “Tata” luidt, maar die de Europeanen in klank en beteekenis aan den Tartarus herinnerde, nog eene “r.” “Wees [30]getroost,” had Koning Lodewijk IX van Frankrijk tot zijne moeder Blanche gezegd, toen deze hem uit naam der door de Aziatische horden geteisterde christenheid om bijstand smeekte—“wees getroost! want de hemelsche genade zal in allen gevalle met ons zijn, hetzij dat wij deze kwaaddoeners in den helschen afgrond van den Tartarus, waaruit zij voortkwamen, terugslingeren, hetzij dat zij zelf ons vernietigen en ons naar het paradijs zenden zullen.” Sedert dien tijd werden zij Tartaren genoemd en paste men ook dien naam toe op de volkeren, die met Dschingis-Chan kwamen, hoe verschillend zij ook in taal en afkomst mochten zijn, en ook nog wordt wel in onze dagen, die naam op de gezamentlijke Nomaden-volken van Midden-Azië toegepast, op dezelfde wijze als de Oosterlingen alle Europeanen, tot welk volk zij ook mogen behooren, “Franken” noemen. Later zag men in, dat er onder die Nomaden twee zeer van elkander verschillende groote geslachten bestonden, met geheel van elkander afwijkende talen en gelaats-uitdrukking: een meer westelijk ras, dat den naam, “Turken” verkreeg, en eene meer oostelijke groep, die den naam “Mongolen” droeg. Deze laatste naam bracht Dschingis-Chan zelf in zwang, aanvankelijk als een eeretitel voor de élite zijner dappere strijdmakkers. “Ik wil”, zeide hij, “dat dit mijn met een edel kristal te vergelijken volk, dat mij bij ieder gevaar zoo trouw was, ‘Mongol’ d.i. de trotsche of de onverschrokkene, heet, en het verhevenste zij, van alles wat zich op Aarde beweegt. Weldra beroemde zich ieder der Oostelijke Tartaren op dezen eeretitel, die door den nieuwen geesel Gods in eere gebracht was. “Mongolen en Mongolei” werden de namen van wijd verbreide volken en rijken, en ten slotte heeft men met dien naam een der vijf hoofdrassen van het menschelijk geslacht aangeduid.

Als men den gang dezer groote volken-bewegingen en de machtige rijken, die nog meer in grootte toenamen dan vroeger het Romeinsche rijk, en den oorsprong der talrijke beroemde landen-veroveraars en volken-vernietigers, die uit den Aziatischen Tartarus opdoemden, nagaat, dan komt men, even als bij de reuzenstroomen der Aarde, die verscheidene landschappen doorstroomen, gewoonlijk tot eene, in een afgelegene streek verborgen bron, en tot eene zeer geringe aanleiding van de groote beweging.

In de rookerige tent van een Tartaarsch edelman, midden op de dorre vlakte, wordt een knaapje geboren, dat als duizend andere, door zijne moeder naar landsgebruik voor het eenvoudige herdersleven wordt opgeleid. Vader en moeder sterven en de jongeling erft de kudde; eenige knechten en vazallen zijner famillie worden tegen hem weerspannig. Hij brengt hen weder tot gehoorzaamheid, treedt zegevierend uit den met de vuist beslisten strijd te voorschijn, en hierdoor ontwaakt in den opgewonden en zegedronken jongen paardenherder, een heldengeest die naar grootere daden snakt. Hij vindt in zijne nabijheid nog meer strijdvragen over weide-recht en kudden-gebied te beslechten.—Hij vereffent ze,—verzamelt om zich de uitgelezensten van zijn volk, die beginnen met hem in hunne liederen te bezingen. Spoedig brengen de hoofden der herderstammen van nabij en van verre hunne zaken voor hem. Hij verklaart zich voor de eene partij, verklaart de tegenpartij voor oproerlingen en vernietigt hen, zoo zij weerstand bieden, te vuur en te zwaard. Vrijwillig [31]en uit vrees onderwerpen zich vervolgens vele andere hoofden van stammen aan den herdersknaap, “Temudschin” genaamd, die oorspronkelijk als een lam opgroeide, maar wiens stem weldra als het gebrul van den leeuw over de velden klinkt.—“Het volk staat op, de storm breekt los,” en de op de grassteppen levendig geworden hartstochten en de opgewekte begeerten, zetten nu, alle grenzen overschrijdende, den aardbodem in lichte laaie vlam.

Uit de rotskloof bruischt de bergvloed

Woedend, dondrend, naar benêen,

Met zich voerend in zijn stortvloed

Eikenboomen, brokken steen.

Temudschin beweegt zich weldra als een jonge adelaar in steeds grootere en grootere kringen. Hij neemt zijn vlucht naar de Chineesche grenzen, doortrekt met zijne “Tartarus-zonen” de prachtigste dalen, plundert met hen de rijkste steden, voert hen naar onbekende rivieren, laat hen onder indrukmakende plechtigheden van het water dier stroomen drinken, laat hen zweren dat zij, zooals hij zich sierlijk uitdrukt, “het onaangename zoowel als het aangename van dit leven met hem willen deelen.” Een heilig kluizenaar, een zoon der woestijn, treedt nader en verkondigt in eene groote, “Kuraltaï” (een Mongoolsche rijksdag) aan het verzamelde volk, dat de Goden aan dezen Temudschin al het land dat langs de rivier ligt gegeven hebben, en dat hij van nu af “Chakan” (Vorst der Vorsten) of Dschingis-Chan (groote Chan) heeten zal.

Weldra drinkt nu deze Dschingis-Chan parelenden wijn uit de schedels zijner vijanden, de Koningen van Azië, die hij als gedenkteekenen van zijnen toorn en zijne strafoefening, in zilver en goud gevat, met zich medevoert. “Ik wil mijn stijgbeugel niet verlaten,” zoo zweert hij, terwijl hij weder te paard stijgt, “voor ik geheel Azië als een kleine molensteen rond kan draaien.”—Hij onderwerpt de halve wereld. Oude, door wapenmacht beroemde, door kunsten en wetenschappen en eene wijze staatsregeling uitmuntende rijken, worden medegesleurd door den dwarrelwind die aan gindsche dompige tent zijn ontstaan te danken heeft, en naar men later berekend heeft, dalen zes millioen menschen daardoor, afgemaaid als het gras, ten grave.

Gelijkluidende met dit verhaal, maar met menige variatie, zijn ook de tradities van de wijze waarop de andere Nomaden-bewegingen, die in de wereldgeschiedenis staan opgeteekend, ontstaan. Maar even snel als de door hen gestichte rijken in macht aangroeiden, even spoedig spatten zij weder uiteen. Even als de bergstroomen, zijn zij spoedig in uitgebreidheid en kracht toegenomen, hebben een tijd lang gedreigd en alles in rep en roer gebracht, en zijn als sneeuw-lawines weder verdwenen. Attila en Dschingis-Chan hebben geene opvolgers gehad. Bij hen is niet zulk eene opvolging van machtige mannen geweest, zooals de lange lijst der Romeinsche Keizers of der Chineesche Hemels-zonen ze ons doet lezen. De groote Herder-Keizers staan als een eenzamen Kolossus in de woestijn. Als bruischende golven stuwen de opgewonden [32]volken tot aan zijn kruin tegen hem op, maar weldra is het: “zoo gewonnen, zoo geronnen” aan hen bewaarheid. Zij richtten geene gebouwen op, bij gemis van het duurzame fundament van onwrikbare grondstellingen en diep ingewortelde gewoonten. Hunne geschiedenis biedt geene stof aan, waaruit een Tacitus of een Gibbon een werk kan samenstellen, dat geschikt is het verstand te boeien. Daadzaken zijn wel is waar in massa voorhanden, maar zij kunnen niet gegroepeerd worden, er bestaat geen zamenhang tusschen. Er vindt geen organischen wasdom plaats, evenmin als een afsterven naar de wetten der natuur. Hoogstens een steppen-dichter bezingt hen in een wild lied. Alleen in de meer beschaafde landen, waarin zij zulke oude grondstellingen bij hunne verschijning vonden, en waar zij deze langzamerhand tot de hunne maakten, duurde de heerschappij hunner opvolgers langer.

Op de steppen van hun vaderland brak, nadat het alles overschaduwend genie, de groote komeet met den langs het halve hemelgewelf loopenden staart verdwenen, en nadat b.v. Dschingis-Chan onder een eenzamen boom, midden op een naakte steppe, zonder eenig gedenkteeken of monument begraven was, onder de tegenstrijdige elementen weder tweedracht uit. Reeds onder de eerste opvolgers ontstond bij de horden en in het rijk tweespalt, en de oude chaotische toestanden ontstonden weder.

Alle zooveel overeenkomst met elkander hebbende Oostersche volksstammen, door den loop der eeuwen heen en in volgorde na te gaan, en den lezer alle stammen, die onder verschillende namen verschijnende en weder verdwijnende, door de Kaspische-Uralische volken-poort Europa binnendrongen, ieder op zich zelf te beschrijven, kan mijn doel niet zijn. Voor ons, die hoofdzakelijk ons oog gericht hebben op hetgeen nu nog in Europa bestaat, zal daardoor weinig gewonnen worden; want schier geen dezer ontelbare invallen doet zijne gevolgen nu nog gevoelen. Alleen de laatste inval onder Dschingis-Chan maakt daarop eene uitzondering. Door dezen heeft de bevolking van Oostelijk-Europa eene blijvende, nog heden ten dage niet geringe vermenging met Tartaarsche bestanddeelen ondergaan, daar na het verval van het groote rijk van Dschingis-Chan, zijne Europeesche bezittingen nog eeuwenlang onder bijzondere Tartaarsche machthebbers bleven. Ten tijde zijner grootste uitgebreidheid omvatte dit Europeesche Tartaren-rijk, of het door hem zoogenoemde “Chanaat van Kiptschak”, de grootste helft van het tegenwoordige Rusland, van de Kaspische zee langs de Wolga tot aan Nischnei-Nowgorod en Moskou, en westwaarts tot aan den Dniepr, aan de grenzen van Litthauen en Polen. Het was een stuk nagenoeg vier à vijf malen zoo groot als Duitschland. Het werd ook wel het rijk der gouden horde genoemd, omdat de vorstelijke tent der Chans, die zich in de hoofdlegerplaats “Saraï” aan de beneden-Wolga bij het tegenwoordige Astrachan bevond, met van gouddraad vervaardigde sieradiën bedekt en overtrokken was.

De heerschappij der Tartaren had deze uitgebreidheid gedurende ongeveer 200 jaren, van het jaar 1224, toen de Russen in den slag bij de Kalka geslagen werden, tot aan het einde der zestiende eeuw, toen de Russen het hoofd weder opstaken en de eerste groote overwinning over de Tartaren, op de [33]Kulikowsche velden langs den Don, onder Dimitri Donskoi (in het jaar 1380) bevochten. Niet dat gedurende die lange tijdruimte, het geheele zuid-oostelijke gedeelte van Europa, binnen de aangegeven grenzen gelegen, geheel door Tartaren bevolkt geweest is. Zijne zuiver Tartaansche bevolking bepaalde zich tot de zuid-oostelijkste en oostelijkste gedeelten, maar wat dit rijk aan Finsche en Slavische bewoners bevatte, was aan de Tartaren onderworpen en vermengde zich dikwijls met hen. Tartaarsche adellijken en ambtenaren, die onder anderen de schattingen inden, doortrokken het land in alle richtingen en woonden ook onder de onderworpene volken; Europeesche (Slavische) Vorsten moesten naar de gezegde gouden legerplaats aan de Wolga reizen, om daar voor den de zweep zwaaienden Chan als vazallen den rug te buigen.

Als hulptroepen vinden wij de Tartaren ook dikwijls onder de Polen en Lithauers, met wie zij dikwijls tegen de Russen verbonden waren, en met wie zij zich ook gedeeltelijk als kolonisten en naburen vermengd hebben. Ook kregen gedurende dien tijd de Europeesche Tartaren nog somwijlen weder toevoer uit het groote Tartarije in Azië.

Het laatste Tartaarsche en Mongoolsche leger van eenige beteekenis, dat door de Kaspisch-Uralische volken-poort binnentrok, was dat van den “hinkenden man met den ijzeren voet”, Tamerlan of Timurlenk, die zich van een smid en roover, die aanvankelijk niets bezat dan een mager paard en een oud kameel, tot Heer van Azië opwerkte.

Intusschen kwam deze Tamerlan het hem arm en koud toeschijnend Europa niet ver binnen. Hij stelde zich tevreden met de Tartaren van Kiptschak, die zich tegen hem verzet hadden, te vernederen; rukte slechts een klein eind langs de Wolga op en keerde spoedig naar Azië terug, waar hij, de plunderaar van het rijke Indië en Perzië, in zijn hoofdstad Samarkand, midden in den Kaspisch-Uralischen afgrond gelegen, veel grootere schatten verzameld had, dan Rusland en Europa hem aanbieden konden.

Die tocht van Tamerlan naar Europa heeft eerder gediend om de macht der Tartaren in ons werelddeel te breken dan te versterken, want de Europeesche of Kiptschaker Tartaren werden toen bij duizenden geslacht, en na Timurs aftocht en eenige jaren daarna gevolgden dood, loste zich het groote rijk der gouden horden in verscheidene kleinere chanaten op, in de vorstendommen Kasan, Astrakan en de Krim.

Deze kleine Tartaarsche rijken, ofschoon onder elkander in strijd levende, gaven den Russen nog wel een eeuw lang de handen vol werk. Hunne wilde ruiterscharen beangstigden Moskou en andere Russische steden nog dikwijls. Maar eindelijk, na eene reeks bloedige gevechten in den zomer van het jaar 1552, viel de Tartaarsche koningsstad Kasan aan de Wolga in handen der Christenen. En slechts twee jaren na den val van Kasan, in het jaar 1554, voer voor de eerste maal een Russisch leger de geheele Wolga af, en overwon, terwijl het Astrakan veroverde, de Tartaarsche landen tot aan de monding der rivier, tot aan de oevers van de Kaspische zee. Daardoor was de levensader in het oosten van ons werelddeel, voor Rusland en voor de Europeanen gewonnen. [34]

Het Tartaarsche Chanaat van de Krim bestond nog bijna 200 jaren langer dan Kasan en Astrakan. En van dit schiereiland uit, werd dan ook nog eens in het jaar 1571 de stad Moskou door ruiterscharen overvallen, ingenomen en verbrand. Dit was de laatste maal dat de Russische hoofdstad van de Nomadische volken te lijden had.

Van nu af breidde Rusland zijne Kozakken-liniën, zijne verdedigingswerken en militaire-grenzen steeds verder tegen de Aziaten uit, en beperkten deze hen in een steeds enger gebied. Volgens het plan van Peter den Groote werd eindelijk in het jaar 1738 de Uralische linie, juist dwars door de reeds meermalen vermelde volkenpoort tusschen Azië en Europa getrokken, en de stad Orenburg in het midden dier opening, als wachter van Europa en hare beschaving gebouwd. Het ontstaan en de opkomst dezer stad en vesting, waarmede dat onzalige gat gestopt werd, kenmerkt de grondvesting der Europeesche heerschappij aan die poort, wier sleutel nu Rusland in handen kreeg. Van daar uit had ons werelddeel—voor de eerste maal in de geschiedenis—eene sterke grens tegen de Nomaden van Azië. Sedert dien tijd heeft geen nieuwe verwoestende inval van Aziatische herdersstammen in Europa plaats gegrepen; de groote duizendjarige Nomaden-verhuizingen uit het Oosten hielden op; de kleine geïsoleerde rest in de Krim, die geen toevoer en hulp meer van daar ontving, werd spoedig, kort na het midden der 18de eeuw, onschadelijk gemaakt en aan de Russische heerschappij onderworpen.

Verscheidene der, op de hier boven beschrevene wijze in Europa binnengedrongene Tartaren, werden, tengevolge der Russische veroveringen, tot het Christendom bekeerd, vele hunner Vorsten werden zelfs gedurende den loop der gebeurtenissen gedoopt en deze gingen langzamerhand in de Russische nationaliteit onder. Het meerendeel echter behield hunnen Mohamedaanschen godsdienst, hunne taal en zeden, en verloor slechts hun ouden oorlogzuchtigen geest en hunne onafhankelijkheid. Als landstreken, waarin zij nog de meer of minder overwegende, nu echter dikwijls met de Russen vermengde, grondbevolking uitmaken, mogen wij noemen: 1º. de landstreek aan den linker Wolga-oever, tusschen de Wolga en het Ural-gebergte en 2º. de dalen en steppen in de Krim, die ook wel eens Klein Tartarije genoemd worden.

Volgens de berichten van Baron von Herberstein en andere vroegere reizigers schijnt het, dat vroeger (voor ongeveer 300 jaren) het leelijke Mongoolsche type in de lichamelijke ontwikkeling, bij de hoogere klassen dezer Kasansche, Astrakansche en Krimsche Tartaren, nog tamelijk sterk te voorschijn trad. Toen waren nog velen hunner Mursas (edellieden) en hunner Chans van Mongoolsch bloed. Al hunne Vorsten zeiden van Dschingis-Chan af te stammen. Dit Oost-Aziatische of Mongoolsche element heeft zich echter langzamerhand vermengd en is verloren gegaan. Latere reizigers schilderen die Tartaren af, als veel meer van de Mongolen verschillende, en nu maken zij een zeer fraai gevormd Turksch-Tartaarsch slag van menschen uit.

Men zal deze verandering, deze versterking der Europeesche Mongolen gemakkelijk begrijpen, als men bedenkt, dat bij den geheelen zoogenaamden Mongolen-inval, de stoot van de Mongolen uitging. Reeds bij die legers, waarmede [35]Dschingis-Chan, Batu en Tamerlan, Europa binnen vielen, vormden wellicht van den beginne af de Turksche of Westelijke Tartaren het meerendeel. Van Mongoolsch of Oost-Tartaarsch ras waren alleen de Prinsen, de legeraanvoerders, de elite der troepen. Daar de oorspronkelijke woonplaatsen der Mongolen ver van ons werelddeel verwijderd zijn, het van oudsher door Turksche stammen bevolkte Turan, echter zeer nabij dat Aralo-Kaspische laagland gelegen was, zoo moesten de nieuwe manschappen, rekruten en kolonisten, die bestendig toestroomden, steeds meer van Turksch-Tartaarsche afkomst zijn.

Even als het Mongoolsche bloed, zoo is ook (grootendeels ten minste) de nomadische geest bij deze aan Rusland onderworpene Tartaren verloren gegaan. In de middelpunten van het leven aan de Wolga, in Kasan, Astrakan, Simbirsk, die zij gemeenschappelijk met de zich daar ook gevestigd hebbende Russen bewonen, houden zij zich nu onledig met allerlei in steden te huis behoorende handwerken, vooral zijn zij zeer beroemde leder-bewerkers. Maar ook, zelfs in de kleinste Tartaarsche dorpen, mangelt het niet aan de noodige handwerkslieden, smeden, timmerlieden, looiers. Hunne vlijtige vrouwen spinnen wol, hennep en vlas; ook worden de Tartaarsche boeren, waar zij land verwierven, als zeer zorgvuldige landbouwers geroemd. Boven alles is echter de bijenteelt hunne liefhebberij. Overal treft men onder hen bekwame en gegoede immekers aan. Het zou wel niet geheel juist zijn, te gelooven dat de Tartaren al deze kunsten des vredes eerst tijdens hunne onderwerping aan Rusland zich eigen gemaakt hebben. Ons Europeanen hebben deze volken vroeger, om zoo te zeggen, zich van hun ruwen kant doen zien. Maar in den rug hunner ruiterscharen, die onze steden in puin en asch hulden, oefenden ook altijd weder nakomende kooplieden en handwerkslieden hun bedrijf uit. De Russen veranderden daaraan niets, dan dat zij de ruiters en boogschutters der Tartaren de oorlogsfakkel uit de handen namen, en het ook bij hen wonende vreedzame element naar boven werkten.

Daar de Tartaren na hunne onderwerping, als met de overigen gelijkstaande onderdanen, in het Russische rijk zijn opgenomen; daar zij, even als de Russen zelven in alle deelen van dat groote rijk konden handelen en wandelen, zoo vindt men dan ook nu schier in alle groote Russische steden, in Moskou, Petersburg, Nowgorod, kleine koloniën van hen, welke in die Christelijke plaatsen hunne Mohamedaansche bedehuizen bezitten. Als dienstbaren worden zij tot verschillende betrekkingen gebezigd, en vooral worden die oude paarden-vrienden dikwijls door het rijk als voerlieden bij goederen-transporten gebezigd, terwijl zij zeer gezochte koetsiers en stalmeesters zijn. Zelfs op het vlakke land, binnen in Rusland, midden tusschen eene geheel Slavische bevolking, vindt men kleine door Tartaren bewoonde distrikten, die geheel op zich zelve ten oosten van Moskou verspreid zijn. Vermoedelijk zijn het de nakomelingen van Tartaarsche krijgsgevangenen, die de Czaren hier en daar onder hunne bevolking, zich met der woon deden vestigen.

Eene tamelijk groote bevolkings-groep van Tartaarschen naam bevindt zich, zooals reeds gezegd is, nog heden ten dage in de Krim. Daar bewonen zij vooral de schoone dalen van de kleine bergstreek, die de zuidelijke helft van [36]het Taurische schiereiland vormt en met den schoonen, door de Russen zoo hoog geprezen zoogenaamden “zuid-oever”, in de Zwarte Zee eindigt. Daar hebben de Tartaren aan alle hellingen der bergen hunne kleine dorpen met platte daken, en hunne kleine, vlijtig bezochte moskeën en minarets, waarin zij met ijver hunne gebeden verrichten en de dikwijls moeielijke plichten van hunnen godsdienst vervullen. Daar kweeken zij in hunne tuinen de edelste fruiten, die tot zelfs naar Moskou en Petersburg verzonden worden, vreedzaam als onze Alpenbewoners, langs de hooggelegen weiden van den “Tschatirdag” en de andere hooge toppen van het Taurisch gebergte. Daar staat ook nog, door tuinen en grachten omgeven, in de schilderachtige hoofdstad Baktschisarai, het oude paleis, het zoogenaamde “rooversnest”, der eens door de Russen zoo gevreesde Chans, uit het Mongoolsche geslacht van Dschingis-Chan.

Het is merkwaardig, hoezeer het geheele doen en laten der Krimsche Tartaren in deze kleine plaatsen overeenkomt, met wat men in Constantinopel en in de steden der Osmanen in Klein-Azië en Europa ziet. De bouw der huizen, de winkels, de werkplaatsen der ambachtslieden, de kleeding, de wijze van omgang, de zeden en de uitdrukking van het gelaat, alles is precies als in Turkije. En toch zijn deze Tartaarsche Turken ten noorden van de Zwarte Zee, tengevolge van andere gebeurtenissen, langs een geheel anderen weg en in een geheel anderen tijd, in hunne tegenwoordige woonplaatsen aangekomen, dan zij, die ten zuiden dier zee wonen; ook hebben zij bijna nooit met dezen tot een zelfde rijk behoord, en hebben zij in verbinding met de Mongolen geheel andere politieke lotgevallen gehad. Zij hebben met de Osmanen niets dan de oorspronkelijke afstamming gemeen, die hen eens voor vele eeuwen in de steppen van Turan zamen verbond. Maar juist dat is iets eigenaardigs bij de Aziatische volkeren, dat zij in ras en zeden onveranderlijk als rotsen schijnen, terwijl hunne politieke scheppingen als zand en stofwolken vervliegen.

Bijna alle Turk-Tartaren, binnen de grenzen van Europeesch Rusland, zijn nu nijvere dorp- of stadbewoners. Van de naar een hunner aanvoerders zoogenaamde Nagaïsche horde, zijn alleen nog eenige bewegelijke en ongedurige overblijfselen op de steppen in het noorden van den Kaukasus en de Krim.

Wat de bloedverwanten der Turk-Tartaren, de echte Mongolen betreft, ook deze worden in zekere mate nog in Europa aangetroffen, waar een hunner stammen, eene afdeeling der Kalmucken of “Kalimik”, d.i. de afvalligen, zich nog ophoudt. Deze Europeesche Mongolen die zich zelven “Oeloeth” noemen, mogen intusschen eigentlijk niet beschouwd worden als achtergeblevene overblijfselen van vroegere Mongoolsche invallen, veeleer zijn zij nog van nieuweren datum. Eerst in het begin der 18de eeuw, ten tijde van Peter den Groote, kwamen zij in ons werelddeel, en wel, niet meer bezield met plannen om de Aarde te verwoesten, maar als bescherming zoekende vluchtelingen. Het schijnt dat telken male, wanneer de groote beschaafde rijken aan hunne grenzen in kracht toenamen en om zich heen grepen, oproer, angst en beweging bij de Aziatische Nomaden ontstonden. De horden vluchtten dan niet zelden, om de met de beschaving komende afhankelijkheid te ontgaan, naar afgelegene landen. Eene dergelijke beweging of vlucht ontstond in de 17de eeuw onder de [37]Mongolen, tengevolge van de machtstoeneming van den Chineeschen Mantschu-keizer.

Daar echter, tegelijk met deze macht in het Oosten, ook in het Westen het groote Europeesche beschaafde rijk der Russen krachtig tegen Azië optrad, zoo werd het eigentlijke vrije gebied der Nomaden in het binnenland van Azië steeds enger en enger, en wij zien daarom sinds dien tijd, de uit elkander gespatte horden, herhaaldelijk van het eene der beide rijken naar het andere, van China naar Rusland of van Rusland naar China trekken, al naarmate zij geloofden, nu eens hier dan weer daar, iets van hunne oude vrijheid te kunnen redden.

Aan deze omstandigheden heeft Europa zijne hedendaagsche Mongolen, de vroeger genoemde horden der Kalmucken te danken. Op hun terugtocht voor den Mantschu-keizer en in strijd met andere op hunnen weg liggende volken, werden zij steeds verder westwaarts naar de Uralische volkenpoort voortgeschoven, en kwamen zij eindelijk in het jaar 1703 in de nabijheid van het Russische gebied aan.

In den zwakken toestand, waarin zij zich bevonden, onderwierpen zij zich aan de Russische opperheerschappij. Peter de Groote wees hun aan de beneden-Wolga eene streek lands aan, waar zij hunne kudden konden weiden, en sedert dien tijd huist deze Mongoolsche kolonie aan de passen en afscheidingen tusschen Azië en Europa, en beweegt zij zich binnen de natuurlijke grenzen van ons werelddeel.

Aanvankelijk hadden zij eene aanzienlijke getalsterkte, maar deze werd in het jaar 1771 door eene zeer merkwaardige gebeurtenis aanmerkelijk verminderd en tot op de helft gebracht. De Kalmucken, die belijders waren van den Indischen Budha-dienst, voelden zich namentlijk ook in Rusland niet tevreden, zij hadden hun Aziatisch vaderland niet geheel vergeten en werden eindelijk, ook door geheime boodschappen van den Keizer van China, tot terugkeer aangemoedigd en overreed. Toen hun besluit tot rijpheid gekomen was, kwamen plotseling de familiën van 50,000 Kalmucksche Kibitken te zamen—ten getale van, naar hun zeggen, meer dan 300,000 “monden”—verhieven hunne standaarden en vluchtten met hunne