[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
Project Gutenberg's De Gouden Vaas, by Ernst Theodor Amadeus Hoffmann This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org Title: De Gouden Vaas Author: Ernst Theodor Amadeus Hoffmann Translator: Karel Wasch Release Date: December 8, 2006 [EBook #20056] Language: Dutch Character set encoding: UTF-8 *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GOUDEN VAAS *** Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, Miranda van de Heijning and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
Een aantal typografische fouten is gecorrigeerd. Ze zijn met popups aangegeven. Aanhalingstekens zijn toegevoegd bij citaties die meer dan één paragraaf omspannen.
De naam „Veronika” of „Veronica” wordt 1.-3. „Nachtwaak” met k, 5.-einde met c geschreven.
| Bldz. | ||
| Inleiding | V | |
| Eerste | Nachtwaak | 1 |
| Tweede | „ | 8 |
| Derde | „ | 17 |
| Vierde | „ | 24 |
| Vijfde | „ | 32 |
| Zesde | „ | 42 |
| Zevende | „ | 51 |
| Achtste | „ | 58 |
| Negende | „ | 68 |
| Tiende | „ | 77 |
| Elfde | „ | 84 |
| Twaalfde | „ | 90 |
Hoe weinig kent men ten onzent de fantastische en geestige geschriften van Ernst Theodor Amadeus Hoffmann, rechter, kapelmeester, componist, teekenaar, puntdichter, maar toch vooral verteller! Verteller uit den tijd der romantiek — een neo-romantiker noemde Goethe hem met eenige schamperheid — maar ten onrechte veel minder genoemd, in deze dagen, nu de belangstelling voor dit tijdvak ook hier herleeft, dan anderen.
Ten onrechte, in zeker opzicht althans. Want het is waar dat zijn omvangrijke werk (omvangrijk alleen al, waar men slechts aan het zuiver literaire denkt, en de beschouwingen over muziek enz. ter zijde laat) vele fouten aankleven. Zijn fantasie vervalt dikwijls in een met den besten wil niet anders dan kinderachtig te noemen belangstelling in vulgair bijgeloof. Hij tracht ons, met een welsprekendheid een betere zaak waardig, bang te maken voor de banaalste bakersprookjes. Hekserij, griezeligheid van de grofste soort, ziekelijke, smakelooze detailbeschrijving van perverse neigingen en perverse daden, een weerzinwekkende en in den grond onartistieke voorkeur voor onopgeloste problemen van spokerij en somnambule-toeren bederft sommige van de fijnst gecomponeerde, geestigst geschreven verhalen. De zelfcritiek was levendig genoeg in hem, om hem meermalen in staat te stellen tot een allervermakelijkst den spot drijven met die eigen neiging, zijn zelfbeheersching was niet groot genoeg om hem te bewegen zulke perioden ganschelijk weg te laten of te schrappen. Hij kon zichzelf kastijden, zichzelf bespotten; zichzelf verbeteren kon hij niet. Hij is dikwijls bij zijn vertellingen vol fijne stemming en fijnen humor zoozeer om een intrige verlegen, dat hij die halen moet uit de meest verwarde, meest onzinnige gegevens van het platte bijgeloof.
VI Of, als hij het niet in het griezelige zoekt, kan hij somtijds ook op een ander terrein droevig dwalen. Zoo mooi en lief als sommige van zijn sprookjes zijn, zoo mislukt zijn andere in hun omslachtigheid, eindeloosheid en verwarring. Alsof hij er telkens een stukje bij geschreven had zonder het voorgaande over te lezen, zich hopeloos verwikkelend in een warnet van zijn eigen allegorie, zich ternauwernood reddende door zijn nooit falende geestigheid, zich als Münchhausen, met een tour-de-force, meer vernuftig dan overtuigend, aan de haren optrekkend uit het moeras.
Dit laatste gebrek is eigen ook aan zijn beste vertellingen. Hoe eindeloos zijn de verwikkelingen, hoe verbijsterend is de voortdurend een ander karakter aannemende allegorie in Meister Floh, in Princessin Brambilla, de door Baudelaire terecht zoo geprezen verhalen.
Weinig in Baudelaire’s mooien bundel „Curiosités esthétiques” besproken kunst voldoet intusschen zoozeer aan de verwachtingen, door dezen titel opgewekt, weinig kunst, beeldende of woordkunst is zóó esthetisch en tevens zóó curieus.
Welk een beeldenrijkdom, welk een beschrijvingskunst, welk een schoone fantasie ook, die de minder schoone verdringt, welk een gemoedelijke fijne, somtijds werkelijk edele humor in deze bizarre vertellingen! Hoe groot is de levenswijsheid, daarin op de meest onverwachte wijze, in den meest oorspronkelijken vorm getoond! Hoezeer is hier zelfs het eeuwig raisonneeren en voor en tegen pleiten, en hoezeer zijn de uitwijdingen en de terzijdetjes tot den lezer en de geheimpjes met den lezer, amusant en genoegelijk! En die beschrijving van zulke in anderen vorm nauwelijks meer te genieten bedenksels als feeëngewaden, kobold-koning-stoeten, toovenaarspaleizen! In zijn boeken leeren wij opnieuw belangstellen in den eeuwigen, dweependen Duitschen student met de blauwe oogen, de blonde lokken en de melankolieke verliefdheid. Met goelijken humor weet hij zijn bewondering te doen aanvaarden zelfs voor het traditioneele Duitsche meisje met de gele vlechten, de vergevorderde kookkunst en de dikke moeder. Zelfs de onmisbare, ons in theorie onuitstaanbare VII demonische figuur met den mantel en de heesche stem, de nooit falende booze geest in het romantische verhaal, oud of nieuw, goed of slecht, weet hij ons te doen aanvaarden. Hij valt zichzelf in de rede, hij spreekt zichzelf toe, hij vat ons bij den knoop van het vest of stoot ons tusschen de ribben, neemt ons in het vertrouwen of gekscheert met ons over zijn eigen helden en heldinnen, hij voorkomt elke critiek onzerzijds door een eigen, zeer treffende bij te dragen, en hij gaat voort ons te boeien, te vermaken, te doen huiveren en te mystificeeren. Hij stelt ons teleur met het slot van het eene verhaal, om ons weer te paaien met het schitterend, veelbelovende begin van een ander. Hij heeft alle fouten en alle deugden — behalve, reserve, zelfbeheersching. Hij fascineert ons, na ons doodelijk te hebben verveeld; hij verzoent zich met ons, na ons gruwelijk te hebben geërgerd. Zijn dartelheid zelfs is soms vermoeiend. Hij weet van geen uitscheiden. Als een kind, dat een mooi spelletje bedacht heeft, blijft hij doorzeulen op zijn toch eigenlijk zoo aardige stokpaardjes. Om dan opeens weer te komen met een nieuwe vondst en de vorige te vergeten, ons opnieuw te boeien en opnieuw te ergeren. Aan een sentimenteel verhaal knoopt hij een cynisch slot. Hij speelt met zijn eigen verwardheid, slaat munt uit zijn eigen grilligheid.
* * *
Dit nog wat heel vage sprookje „der Goldene Topf” bekoort misschien minder dan zou kunnen zijn, omdat de schrijver er een jongeling zich laat verlieven op een slang, die weliswaar eigenlijk een mooi meisje in betooverde gestalte blijkt te zijn, maar wat toch iets onaangenaams heeft. Een slang is nu eenmaal in onze oogen een eenigszins griezelig en verraderlijk dier, terwijl het geheel niet in de bedoeling des dichters ligt, daarin iets griezeligs te geven. Toch zijn er kostelijke beschrijvingen in, van een voliére met wonderlijke vogels, een heksenkeuken, en een allerkluchtigste dronkemanspartij van twee ingetogen geleerden en een nog ingetogener student, die de wonderlijkste wartaal uitslaan, zulke wartaal als Hoffmann nu eenmaal zoo geniaal weet weer te geven.
CORNELIS VETH.
De ongevallen van den student Anselmus. Conrector Paulmann’s gezondheidsknaster1 en de goudgroene slangen.
p
Hemelvaartsdag, ’s middags om drie uur, holde een jonge man in Dresden
de Zwarte Poort door en kwam midden in een korf met appelen en koeken
terecht, die een oud, leelijk wijf te koop bood, zoodat alles wat
ongekneusd bleef eruit werd geslingerd en de straatjongens leutig den
buit gingen verdeelen, die hun de haastige heer had toegeworpen. Op de
jammerklachten, die de oude vrouw aanstemde, verlieten de geburen haar
koek- en brandewijnstalletjes, omringden den jongen man en scholden op
hem los met grove heftigheid, zoodat hij, sprakeloos van ergernis en
schaamte, haar zijn kleinen, niet bijster gevulden geldbuidel toestak,
welken de oude begeerig aangreep en haastig wegborg. Nu opende zich de
vastgesloten kring, en terwijl de jonge man eruit schoot riep de oude
hem na: „Ja, ren maar, ren maar door, Satanskind — in ’t
kristal kom je ten val, in ’t kristal.”
De schelle, krijschende stem van het wijf had zoo iets ontzettends, dat voorbijgangers verwonderd staan bleven en het gelach, dat zich eerst verbreid had, op eens verstomde. De student Anselmus (niemand anders was de jonge man) werd, ofschoon hij de wonderlijke woorden der oude gansch niet begreep, door een huivering bevangen en nog meer verhaastte hij zijn tred om zich aan de op hem gerichte blikken der nieuwsgierige menigte te onttrekken. En terwijl hij zich door het gewoel der fraai-uitgedoste menschen 2 heenwerkte, hoorde hij rondom mompelen: „die arme jongen, hè, om zoo’n vervloekt wijf.” Want op wonderdadige wijze hadden de geheim-zware woorden der oude aan het belachelijk avontuur een zekere dramatische wending gegeven, waardoor men den van tevoren gansch onopgemerkte nu met deelneming nazag. En de vrouwen vergaven om zijn goedgevormd gezicht, waarvan het expressieve nog verhoogd werd door innerlijke woede, zoowel als om zijn krachtigen bouw, den jongeling alle onhandigheid en het zich buiten ’t gebied van elke mode bevinden zijner kleedij. Zijn blauw-grijze overrok was namelijk gesneden als had de kleermaker, die deze bewerking verrichten moest, de moderne vormen alléén gekend van hooren zeggen en het smetteloos gedragen onderkleed van zwart atlas gaf aan het geheel een zekeren schoolmeester-achtigen stijl, die volstrekt niet bij zijn gang en houding paste.
Toen de student haast het einde der allee bereikt had, die naar het Linkesche bad voert, restte hem bijna geen adem meer. Hij was gedwongen langzamer te gaan; doch nauwelijks waagde hij het de oogen op te slaan, want nog immer zag hij zich van appelen en koeken omdanst en elke vriendelijke blik van het een of ander meisje scheen hem slechts de weerkaatsing van het hoongelach bij de Zwarte Poort.
Zoo kwam hij aan den ingang van het bad-Linke; de ééne rij feestelijk uitgedoste menschen na de andere trok binnen. Muziek van blaasinstrumenten weerklonk; luider en luider woelden de vroolijke gasten dooreen. Bijna kwamen tranen in de oogen van den armen student Anselmus, want ook hij had, daar Hemelvaartsdag altijd een bijzonder huiselijk feest voor hem geweest was, aan de gelukzaligheden van het Linkesche paradijs willen deelnemen, ja, hij had zelfs willen gaan tot een kopje koffie met rum en een flesch donker bier en om aldus flink te kunnen brassen, meer geld meegenomen dan wel geoorloofd en doenlijk was. En nu had de noodlottige stap in den korf met appelen hem alles gekost, wat hij bij zich had. Noch aan koffie, aan het zware bier, aan muziek, aan het bekijken der mooi-gekleede meisjes, noch aan één 3 der andere gedroomde genietingen viel meer te denken; langzaam sloop hij voorbij en sloeg eindelijk den weg naar de Elbe in, die juist geheel verlaten was. Onder een vlierboom, uit een muur gegroeid, vond hij een aangenaam grasplekje; daar ging hij zitten en stopte zich een pijp van den gezondheidsknaster, dien zijn vriend, conrector Paulmann, hem gegeven had.
Vlak voor hem plasten en ruischten de goudgele golfjes der schoone Elbe, waarachter het heerlijke Dresden koen en trotsch zijn lichte torens hief in de nevelige luchten, neerzinkend op de bloemige weiden en frischgroene wouden, terwijl uit diepe schemering kantige gebergten kond deden van ’t verre Bohemerland. Maar donker voor zich heenziende, blies de student Anselmus rookwolken in de lucht en zijn wrevel brak eindelijk uit, toen hij sprak: „Het is waar, ik ben voor alle mogelijke jammer en ellende geboren! Dat ik nooit de boon heb getroffen uit den Driekoningenkoek, dat ik bij even of oneven altijd verkeerd raadde, dat mijn boterham steeds op den vetten kant gevallen is, ach, van al deze jammeren wil ik nog niet spreken; maar is het niet een verschrikkelijk noodlot, dat ik, nu ik, Satan ten spijt, student geworden ben, een arm student2 moet zijn en blijven? Kan ik wel ooit een nieuwen rok aantrekken zonder er den eersten keer direkt een vetvlek aan te maken, of mij aan een slecht ingeslagen spijker er verduiveld een gat in te trekken? Kan ik wel ooit een hofraad of een dame groeten zonder mijn hoed ver van mij af te slingeren of wel uit te slieren op den gladden grond en onhandig te blijven liggen spartelen? Had ik in Halle niet reeds iederen marktdag een vaste uitgave van drie tot vier groschen voor stukgetrapte potten, omdat de duivel mij dwong, mijn weg juist te nemen als de Lemmingen.3 Ben ik een enkele maal op college of waar men mij genood had, precies op tijd gekomen? Wat baatte het, of ik al een 4 half uur tevoren vertrok en voor de deur ging staan met de klink in de hand; zoodra ik deze met klokslag wilde oplichten, goot immers de duivel een waschkom over mijn hoofd uit of liet mij met iemand, die het huis uitkwam, in botsing komen, zoodat ik in duizend onaangenaamheden verwikkeld werd en daardoor alles misliep. Helaas, waar zijt gij heen, droomen van toekomstig geluk, waarin ik trotschelijk waande, het wel tot geheimsecretaris te zullen brengen! Heeft niet mijn ongelukkig gesternte mij met mijn machtigste beschermers in onvrede gebracht? Ik weet, dat de geheimraad, bij wien ik ben aanbevolen, geen kort gesneden haar kan uitstaan; met moeite weet de kapper een staartje aan mijn achterhoofd te bevestigen, maar bij de eerste buiging springt het ongelukslintje stuk en een vroolijke mopshond, die mij besnuffelt, apporteert dol-verheugd het staartje haar aan den geheimraad. Verschrikt spring ik het na en val over de tafel heen, waaraan hij, al ontbijtend, had zitten werken, zoodat kopjes, borden, inktpot en zandkoker er kletterend afrollen en de stroom van chocolade en inkt zich juist over den pasgeschreven aanbevelingsbrief uitstort. „Is u bezeten, mijnheer!” roept de vertoornde geheimraad, terwijl hij mij de deur uitschuift. Wat baat het of conrector Paulmann mij al het vooruitzicht op een betrekking als schrijver geopend heeft; zal mijn ongelukkig gesternte, dat mij overal vervolgt, het toelaten? — Vandaag nog! — De mooie Hemelvaartsdag wilde ik echt plezierig doorbrengen, ik wilde er flink wat aan spendeeren. Evengoed als iedere andere gast had ik in bad-Linke trotsch kunnen roepen: Marqueur — een flesch donker bier — maar van ’t beste, alsjeblieft! Ik had er tot ’s avonds laat kunnen zitten en bovendien dicht bij ’t een of ander gezelschap prachtig aangekleede mooie meisjes. Ik weet het, dan zou ik moedig geworden zijn, een ander mensch; ja, ik had het wel zóó ver gebracht, dat ik, als deze of gene gevraagd had: „hoe laat zou ’t wezen” of „wat spelen zij daar toch,” met luchtige beleefdheid zou zijn opgesprongen zonder mijn glas om te gooien of over de bank te struikelen; ik zou dan in gebogen houding anderhalve pas voorwaarts tredend, gezegd hebben: 5 „Pardon, mademoiselle, dat is de ouverture uit het Donau-weibchen” of „Het zal direct zes uur slaan.” Had iemand ter wereld mij dat kwalijk kunnen nemen? Neen, zeg ik, de meisjes zouden mij zoo schalks lachend hebben aangezien, als altijd wanneer ik moed genoeg heb om te toonen, dat ik ook den conversatietoon weet te pakken en met dames kan omgaan. Maar daar brengt Satan mij in die verdoemde appelmand en nu moet ik hier in eenzaamheid mijn gezondheidsknaster....”
Hier werd de student Anselmus in zijn zelfgesprek onderbroken door een zonderling geruisch en geritsel, dat zich in ’t gras dicht bij hem deed hooren, om dan te verglijden in de bladen en twijgen van den vlierboom, die over zijn hoofd zich welfde. Nu was het als roerde de avondwind de bladeren, dan als koosden vogeltjes in de twijgen, de kleine vlerken in opzettelijk heen-en-weer-fladderen bewegend. Toen begon een gefluister en een gelispel en het was, alsof de bloesems tonen uitluidden gelijk hangende kristallen klokjes. Anselmus luisterde en luisterde. Toen verwerd, hij wist niet hoe, het gelispel en gefluister en getingel tot zachte, half verwaaide woorden:
„Tusschendoor — tusschenin — tusschen twijgen, tusschen zwellende bloesems, schommelen, strengelen, slingeren wij ons — zustertjes, zustertjes, schommel je in schemering — snel, snel, omhoog, — omlaag — stralen schiet d’avondzon — d’avondwind fluistert — ruischt er de dauw — zingende bloesems — roeren wij tongetjes, zingen wij met bloemen en twijgen — sterren dra stralen nu — moeten wij heen — tusschen door, tusschenin, strengelen, slingeren, schommelen w’ons zusters klein.”
Zoo ging het voort: een ’t verstand verwarrend gesprek. De student Anselmus dacht: dat is toch maar de avondwind, die vandaag met gewoon verstaanbare woorden fluistert. Maar op ’t zelfde oogenblik weerklonk boven zijn hoofd als een driestemmig accoord van heldere kristallen klokjes; hij zag op en aanschouwde drie goud-groen glanzende slangetjes, die zich om de twijgen gewonden hadden en de kopjes 6 der avondzon tegemoet strekten. Toen fluisterde het en lispelde het opnieuw in dezelfde woorden en de slangetjes gleden en speelden op en neer door de bladeren en de twijgen en terwijl zij zoo snel zich bewogen, was het alsof de vlierboom duizenden fonkelende smaragden strooide door zijn donkere bladen.
„Dat is de avondzon, die zoo in ’t vlierboschje speelt,” dacht de student Anselmus, maar toen weerklonken wederom de klokjes en Anselmus zag hoe één slang haar kopje naar hem neerboog. Het ging door al zijn leden als een electrische schok, zijn diepste wezen sidderde — hij staarde omhoog waar een paar heerlijke donkerblauwe oogen hem met onzegbaar verlangen aanzagen, zoodat een nooitgekend gevoel van hoogste zaligheid en diepste smart tegelijk, zijn borst als wilde doen springen. En wijl hij vol heet verlangen aldoor in de goddelijke oogen schouwde, weerklonken sterker de kristallen klokjes met lieflijke akkoorden en de fonkelende smaragden vielen op hem neer en omringden hem met duizenden vlammetjes, rond hem flakkerend en spelend met schemerende gouddraden.
De vlierboom bewoog zich en zeide: „Gij laagt in mijn schaduw, mijn geur omvloeide u, doch gij verstondt mij niet. De geur is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt.”
De avondwind streek voorbij en sprak: „Ik omspeelde uw slapen, doch gij verstondt mij niet, de adem is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt.”
De zonnestralen braken door de wolken en de schijn brandde als woorden: „Ik omgoot u met gloeiend goud, maar gij verstondt mij niet: Gloed is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt.”
En al inniger verzonken in den blik van het heerlijke oogenpaar, werd zijn smachten heviger, gloeiender zijn verlangen. Toen roerde en bewoog zich alles, alsof het tot een vroolijk leven ontwaakte. Bladen en bloesems omgeurden hem, en die geur was als heerlijk gezang van duizend fluitstemmen en hetgeen zij gezongen hadden werd als echo gedragen door de goudene voorbij vliedende avondwolken tot in verre landen. 7 Maar toen de laatste zonnestraal snel achter de bergen verdween en de schemering haar sluier over de landen wierp, riep, als van héél ver, een diepe, rauwe stem:
„Hei, hei, wat moet dat gemompel en gefluister daar boven? — Hei, hei, wie zoekt voor mij den straal achter de bergen? — genoeg in de zon u gekoesterd, genoeg gezongen. — Hei, hei, door bosch en gras, door gras en stroom. — Hei — hei — naar bene-e-e-den, naar bene-e-e-den.”
Zoo stierf de stem weg als het gerommel van verren donder, doch de kristallen klokjes braken met een snijdenden wanklank.
Verstomd was alles, en Anselmus zag, hoe de drie slangen schitterend en blinkend door het gras naar den stroom schuifelden; ritselend en ruischend stortten zij zich in de Elbe, en boven de golfjes, waarin zij verdwenen waren, knetterde een groen vuur op, dat schuin naar de stad toe lichtend vernevelde.
Hoe de student Anselmus voor dronken en waanzinnig gehouden wordt. De vaart over de Elbe. De bravour-aria van kapelmeester Graun. De maagbitter van Conradi en het gebronsde appelwijf.
ie
mijnheer is beslist niet recht wijs,” zeide een eerzame burgerjuffrouw,
die van een wandeling met haar huisgezin terugkeerend, bleef stilstaan
en met overelkaar geslagen armen het dolle gedoe van den student
Anselmus aanzag. Deze toch had den stam van den vlierboom omvat en riep
zonder ophouden in de bladen en twijgen: „O, blinkt en schittert
nog éénmaal, lieflijke gouden slangetjes, laat mij nog eenmaal maar uwer
stemmen klokjes hooren. O, ziet mij nog éénmaal aan, goddelijke
blauwe oogen, maar éénmaal nog, anders moet ik vergaan van smart en heet
verlangen.” En daarbij zuchtte en steunde hij klaaglijk en diep, en
schudde van ongeduld en verlangen den vlierboom, die echter als antwoord
dof en onverstaanbaar zijn bladeren deed ruischen en zoo de smart van
den student Anselmus gewoonweg scheen te bespotten.
„Die mijnheer is zeker niet goed wijs,” zeide de burgerjuffrouw en het was Anselmus alsof hij uit een diepen droom werd gerukt of met ijskoud water begoten om hem ruw te doen ontwaken. Nu eerst zag hij weer klaar, waar hij was en werd zich bewust van de vreemde betoovering die hem gefopt had en zelfs zoover bracht, dat hij in zijn eentje hardop aan het spreken was gevallen. Verward zag hij de burgerjuffrouw aan en greep eindelijk naar zijn op den grond gevallen hoed, teneinde weg te snellen. De vader van het huisgezin was er intusschen ook bij gekomen en had, nadat de kleine, die hij op 9 den arm droeg, in ’t gras neergezet was, steunende op zijn stok met verwondering naar den student geluisterd en gestaard.
Nu raapte hij pijp en tabakszak, die de student had laten vallen op en zeide, terwijl hij hem beide toestak: „Laat mijnheer toch niet zoo akelig in het donker blijven staan lamenteeren en laat hij de voorbijgangers niet uit hun humeur brengen, als hem toch niets anders scheelt, dan dat hij te diep in ’t glaasje heeft zitten kijken, laat mijnheer doodbedaard naar huis gaan en zich lekker op één oor leggen.” De student Anselmus schaamde zich zeer en liet een klagelijk „ach” hooren. „Nu, nu,” ging het burgermannetje voort, „laat mijnheer het zich niet te veel aantrekken, zoo iets overkomt den besten, en op den lieven Hemelvaartsdag kan men wel in de vreugde des harten een glaasje over den dorst drinken. Dat kan zelfs een man des Heeren wel overkomen, mijnheer is toch candidaat, nietwaar. Maar als mijnheer het toestaat, stop ik mij een pijpje van zijn tabak, de mijne heb ik daarboven opgebruikt.” Dit zeide de burger toen de student Anselmus pijp en tabaksbuidel reeds wilde opbergen en nu reinigde de burger langzaam en welberaden zijn pijp, en begon die even langzaam te stoppen. Er waren verscheidene burgermeisjes bij gekomen, die heimelijk spraken met de juffrouw en onder elkaar gichelden, terwijl zij naar Anselmus keken. Hem was het of hij stond op louter spitse doornen en gloeiende naalden. Zoodra hij pijp en tabakszak weerom had, rende hij spoorslags heen. Alles, wat hij aan wonderlijks gezien had, was zuiver uit zijn denken verdwenen en hij was zich enkel bewust, onder den vlierboom allerlei dwaasheden te hebben staan verkonden, wat hem te pijnlijker was, omdat hij van jongsaf een innerlijken hekel aan alle in zichzelfsprekenden gevoed had. Satan spreekt uit hen, zeide zijn rector, en dat geloofde hij inderdaad. De gedachte, gehouden te worden voor een op Hemelvaartsdag beschonkenen theol. cand. was hem onverdraaglijk. Reeds wou hij de populierenlaan bij den Koselschen tuin inslaan, toen een stem hem achterna riep: „Mijnheer Anselmus, mijnheer Anselmus, waar loopt u in ’s hemelsnaam zoo gehaast heen?” De student bleef als in den grond 10 vastgeworteld staan, overtuigd, dat nu dadelijk weer een nieuw ongeval hem overkomen zou. En wederom liet de stem zich hooren: „Mijnheer Anselmus, komt u toch terug, wij wachten hier aan ’t water.” Nu hoorde de student pas, dat het zijn vriend conrector Paulmann was, die hem riep; hij ging terug naar de Elbe, om den conrector te vinden met zijn beide dochters, alsook den griffier Heerbrand, die juist bezig waren in een gondel te stappen. Conrector Paulmann noodigde den student uit, met hem over de Elbe te varen, om dan in zijn woning in de Pirnasche-voorstad den avond verder door te brengen. Bijzonder gaarne nam de student Anselmus dit aan, omdat hij zoo aan het noodlot, dat hem heden beheerschte, geloofde te ontkomen. Toen zij nu over den stroom voeren, gebeurde het, dat aan de andere zijde bij den Antonschentuin, een vuurwerk werd afgestoken. Knetterend en sissend schoten raketten de hoogte in en lichtende sterren spatten uiteen in de lucht, tallooze knisterende stralen en vlammen rond zich spreidend.
De student Anselmus zat stom bij den roeienden schipper, toen hij echter in het water den weerschijn van de in de lucht rondspattende en knetterende vlammen en vonken zag, was het hem als trokken de gouden slangetjes door den vloed. Al het wonderlijke, wat hij onder den vlierboom aanschouwd had, werd weder levend in zijn geest en opnieuw greep hem aan het onuitzegbare smachten, het brandend verlangen, dat ook daar zijn borst met beklemmend smartvolle verrukking had vervuld. „O, zijt gij daar weder, gouden slangetjes, zing toch, zing! Door uw gezang komen weer voor mij op die donkerblauwe, lieflijke oogen — o, zijt gij dan onder de wateren?” — Zoo riep de student Anselmus en maakte er een schichtige beweging bij, als wilde hij zich zoo uit den gondel in de rivier werpen. „Is mijnheer bezeten?” riep de schipper en greep hem bij zijn jaspand. De meisjes, die nevens hem gezeten hadden, schreeuwden van schrik en vluchtten naar de andere zijde van den gondel; de griffier Heerbrand zeide conrector Paulmann iets aan ’t oor, waarop deze verscheidene dingen antwoordde, waarvan de student Anselmus 11 slechts verstond: „Dergelijke aanvallen, nog niet opgemerkt?”
Dadelijk daarna stond ook conrector Paulmann op en zette zich met een ernstig, gewild-deftig ambtsgezicht naast den student, nam diens hand en sprak: „Wat scheelt u, mijnheer Anselmus?” Den student Anselmus verging bijna het verstand, want zijn innerlijk doorwoedde een felle tweestrijd, die hij vergeefs trachtte te bedwingen. Hij zag nu wel klaar in, dat hetgeen hij voor het schitteren der gouden slangetjes gehouden had, slechts den weerschijn was van het vuurwerk in Antons tuin, doch een nooit gekend gevoel, was het vreugde, was het smart, hij wist het niet, deed zijn borst samenkrimpen, en toen de schipper zoo met de riemen in ’t water sloeg, dat het als in toorn omkrullend, plaste en ruischte, vernam hij uit het gebruis een heimelijk lispelen en fluisteren: „Anselmus, Anselmus! Ziet gij niet, hoe wij steeds voor u uittrekken? Het zustertje ziet je weer aan — geloof — geloof — geloof aan ons.” — En hem was het, als zag in den weerschijn hij drie groengloeiende strepen. Maar toen hij dan diep weemoedig in het water neerzag, of nu uit den vloed de goddelijke oogen niet opstaren zouden, werd het hem bewust, dat de schijn slechts van de verlichte vensters der naburige huizen kwam. Stom zat hij daar, innerlijk doorstreden, en conrector Paulmann zeide dringender: „Wat scheelt u, mijnheer Anselmus?” Benepen antwoordde de student: „Och, beste conrector, wanneer u wist, wat ik zooeven onder een vlierboom bij den Linkeschen tuinmuur klaarwakker met open oogen voor zonderlinge dingen gedroomd heb, och, u zoudt het mij gansch niet ten kwade duiden, dat ik nu als ’t ware zoo verstrooid ben.” — „Zoo, zoo, mijnheer Anselmus,” viel conrector Paulmann hem in de rede, „ik heb u altijd voor een degelijk jongmensch gehouden, maar droomen, droomen met wijdopen oogen, en dan opeens in ’t water willen springen, dat doen — neem mij niet kwalijk — alleen waanzinnigen of dwazen.” — De student Anselmus was diep geschokt door de strenge woorden van zijn vriend, toen zeide Paulmann’s oudste dochter Veronika, een lief, bloeiend meisje van 12 zestien jaar: „Maar, beste vader, er moet mijnheer Anselmus toch iets heel bijzonders overkomen zijn en hij gelooft wellicht slechts, dat hij wakker was, ofschoon hij onder den vlierboom werkelijk heeft geslapen en zich allerlei dwaze dingen aan hem hebben voorgedaan, die hem nu nog in de gedachten hangen.” „En, beste juffrouw, waarde conrector,” zoo nam de griffier Heerbrand het woord, „waarom zou men niet wakend in een soort droomerigen toestand kunnen verzinken? Zoo is mij zelf waarlijk eens ’s middags na de koffie in een dergelijke gevoelloosheid, wanneer eigenlijk de lichamelijke en geestelijke spijsvertering plaats vindt, de ligplaats van een verloren document in de gedachte gekomen en gisteren nog danste op dezelfde manier een prachtig groot Latijnsch manuscript voor mijn wijd open oogen.” „Och, mijn beste griffier,” antwoordde conrector Paulmann, „u hebt altijd een neiging tot het poëtische gehad en dan vervalt men zoo licht in het fantastische en romaneske.” Maar het deed den student Anselmus toch goed, dat men in den diep treurigen toestand voor dronken of waanzinnig gehouden te worden, zich zijner aantrok en ofschoon het tamelijk duister geworden was, meende hij voor de eerste maal op te merken, dat Veronika heel mooie, donkerblauwe oogen had, zonder dat hem het wonderlijke oogenpaar, in den vlierboom aanschouwd, voor den geest kwam. Den student Anselmus was dan ook opeens weer het avontuur onder den vlierboom uit den geest gegaan, hij gevoelde zich vroolijk en licht. Ja, hij ging in blijden overmoed zoo ver, dat hij bij het uit den gondel stappen, zijn pleitbezorgster Veronika de behulpzame hand bood en aarzelloos, als zij haar arm door den zijnen boog, haar met zooveel handigheid en geluk naar huis geleidde, dat hij maar een enkele maal uitgleed en daar het juist de eenige modderige plek op den geheelen weg was, Veronika’s witte kleedje maar heel weinig bespatte. Aan conrector Paulmann ontging de gelukkige verandering van den student Anselmus niet, hij voelde zich weer zacht tegenover hem gestemd en vroeg hem om verontschuldiging voor de harde woorden, die hij zich had laten ontglippen. „Ja,” voegde hij er aan toe, „er zijn wel 13 voorbeelden van, dat zekere waanvoorstellingen zich aan den mensch voordoen en hem ernstig kwellen en beangstigen kunnen, maar dan is het een lichamelijk onwelzijn en daartegen helpen bloedzuigers, die men, salva venia, van achteren moet aanzetten, zooals een beroemd, nu overleden, geleerde bewezen heeft.” De student Anselmus wist nu zelf niet meer of hij dronken, waanzinnig of ziek was geweest, in elk geval leken de bloedzuigers hem volkomen overbodig, daar de vermeende waanvoorstellingen ganschelijk waren verdwenen en hij al vroolijker werd, naarmate het hem gelukte zich schertsenderwijze met de lieve Veronika bezig te houden. Als gewoonlijk werd er muziek gemaakt na den soberen maaltijd, de student Anselmus moest zich zetten aan ’t klavier en Veronika deed heur klare stemme hooren. — „Beste juffrouw,” zeide de griffier Heerbrand, „u hebt een stem als een klokje van kristal.” „Dat is niet waar,” schoot de student Anselmus uit, hij wist zelf niet hoe, terwijl allen hem verwonderd en ontstemd aanzagen. „Kristallen klokjes luiden in vlierboomen wonderlijk, wonderlijk” — ging de student Anselmus mompelend voort. Toen legde Veronika hem de hand op den schouder en zei: „Waarover spreekt u toch, mijnheer Anselmus?” Dadelijk werd de student weer opgeruimd en begon te spelen. Conrector Paulmann zag hem donker aan, maar de griffier Heerbrand legde een muziekstuk op den lessenaar en zong tot aller verrukking een bravour-aria van kapelmeester Graun. Veel nog accompagneerde de student Anselmus en een gefugeerd duet, dat hij met Veronika voordroeg en door conrector Paulmann zelf was gecomponeerd, bracht allen in de beste stemming. Tamelijk laat was het geworden en de griffier Heerbrand nam hoed en stok, toen conrector Paulmann geheimzinnig naar hem toe ging en sprak: „Hm, zou u niet, mijn waarde griffier, onzen besten mijnheer Anselmus zelf — enfin, waar wij tevoren over spraken.” „Met het meeste genoegen,” antwoordde de griffier Heerbrand, en begon, nadat men zich in een kring geschaard had, zonder meer als volgt:
„Er woont hier in deze plaats een wonderlijke, merkwaardige 14 oude man; men zegt, dat hij aan allerlei geheime wetenschappen doet, maar aangezien die eigenlijk niet bestaan, houd ik hem meer voor een vorschenden oudheidkundige, en daarbij ook een proeven-nemenden chemicus. Ik bedoel niemand anders dan onzen geheimen archivaris Lindhorst. Hij woont, zooals gij weet, alleen in zijn oud, afgelegen huis en wanneer hij niet in dienst is, kan men hem vinden in zijn bibliotheek, of in zijn chemisch laboratorium, waar hij echter niemand toelaat. Behalve vele, zeldzame boeken bezit hij een aantal deels in Arabische en Koptische en deels in tot geen der bekende talen behoorende letterteekens geschreven manuscripten. Deze wil hij goed laten copiëeren en heeft daartoe iemand noodig, die bekwaam met de pen kan teekenen, om met de grootste nauwkeurigheid en getrouwheid alle teekens op perkament, met Oost-Indischen inkt, over te dragen. Hij zal hem in een aparte kamer van zijn huis onder zijn toezicht laten werken, betaalt hem, behalve het vrije maal, voor iederen dag een thaler en belooft nog een belangrijk geschenk, als de afschriften goed en wel klaar zijn. De arbeidsduur is dagelijks van twaalf tot zes. Van drie tot vier wordt er gerust en gegeten. Omdat hij reeds met een paar jongelui tevergeefs geprobeerd heeft, ze die manuscripten te laten copiëeren, heeft hij zich eindelijk tot mij gewend, om hem een geschikten teekenaar te verschaffen; toen heb ik aan u gedacht, beste mijnheer Anselmus, want ik weet, dat u niet alleen zeer sierlijk schrijft, maar ook met de pen heel zuiver en net kunt teekenen. Wanneer u dus in dezen slechten tijd tot aan uw eventueele aanstelling dagelijks den thaler wilt verdienen en het geschenk nog daarbij, vervoeg u dan morgen precies om twaalf uur bij den Archivaris, wiens woning u wel bekend zal zijn. Maar hoedt u voor iedere inktvlek; valt die op het afschrift, dan moet u van voren afaan beginnen, valt die op het origineel, dan is de Archivaris in staat u het raam uit te werpen, want het is een driftig mensch.”
De student Anselmus was vol warme blijdschap over het verzoek van den griffier Heerbrand, want niet alleen kon hij sierlijk schrijven en met de pen teekenen, maar het was 15 hem een hartstocht te copiëeren met moeizaam teekenen der letters; hij bedankte daarom zijn beschermers in de meest beleefde termen en beloofde het middaguur van den volgenden dag niet te zullen verzuimen. Des nachts zag de student Anselmus niets dan blanke thalers en hoorde hun lieflijken klank.
Wie zal dat den armen jongen aanrekenen, die al in zoo menige hoop door nukkigen tegenspoed was bedrogen, die iederen heller tweemaal moest omdraaien en zich menig genot, waar jonge levenslust naar haakt, moest ontzeggen? — Reeds in den vroegen morgen zocht hij zijn potlooden, zijn ganzepennen en zijn Oost Indischen inkt bij elkaar; want betere materialen, dacht hij, zal de Archivaris nergens vinden. Voor alles echter ordende en schiftte hij zijn calligrafische proefstukken en zijn teekeningen, om ze den Archivaris, als bewijs zijner bekwaamheid om het verlangde te verrichten, te toonen. Alles liep prachtig van stapel, een bijzondere geluksster scheen over hem te heerschen, zijn das zat bij het eerste vastknoopen dadelijk zooals zij behoorde, er sprong geen naad, geen steek viel er in zijn zwart-zijden kousen, niet éénmaal rolde zijn hoed in het stof, toen hij hem reeds keurig geborsteld had.
Kortom — op slag van halftwaalf stond de student Anselmus in zijn grijs-groenen overrok en zijn onderkleed van zwart atlas met een rol calligraphieën en penteekeningen in den zak, reeds in de Schlossgasse in den winkel van Conradi en dronk één — twee glaasjes van de beste maagbitter, want hier, dacht hij, terwijl hij op zijn dan nog leegen zak klopte, zullen weldra gemunte thalers rammelen. Ondanks den langen weg tot in de eenzame straat waar het overoude huis van den archivaris Lindhorst zich bevond, was de student Anselmus toch voor twaalf uur aan de voordeur. Daar stond hij en bestaarde den prachtigen, grooten bronzen deurklopper; maar toen hij nu met den laatsten de lucht met machtig geluid doordreunenden slag van de torenklok der Kruiskerk den deurklopper grijpen wilde, vertrok zich het metalen gezicht in een weerzinwekkend spel van blauwbrandende lichtblikken tot een grijnzend lachen. Ach, het was het appelenwijf 16 van de zwarte Poort. De spitse tanden klapperden in den slappen mond op elkaar, en al klepperend snorde het: o dwaas, o dwaas, dwaas, wacht maar, wacht maar, waarom was je doorgerend, dwaas! Ontzet tuimelde de student Anselmus terug, hij wilde de deurpost grijpen, maar zijn hand haakte in het bellekoord en trok er aan, toen luidde het harder en harder in schrille dissonanten en door het gansche leege huis riep en spotte de echo: „Dra je val in ’t kristal.” — Een ijzen greep den student aan, dat als krimpende koortskoude door al zijn leden beefde. Het bellekoord zonk omlaag en werd een witte, doorzichtige reuzenslang, die zich om hem wond en hem drukte, snoerend vaster en vaster haar kronkels te zamen, tot zijn weeke verbrijzelde ledematen knakkend afbrokkelden en het bloed uit zijn aderen sprong en indrong in het doorzichtige lijf der slang, dat rood werd gekleurd. — „Doodt mij, doodt mij,” wilde hij gillen in den verdwazenden angst, maar zijn schreeuwen was een dof gerochel. — De slang hief haar kop omhoog en legde haar lange spitse tong van gloeiend erts op de borst van Anselmus, een snijdende pijn sneed de polsader zijns levens af en zijn gedachten vergingen.
Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij in zijn armelijk bedje en voor hem stond conrector Paulmann, die zeide: „Wat begaat gij toch om ’s Hemels wil voor dwaasheden, mijn beste mijnheer Anselmus!”
Tijding van de familie van den archivaris Lindhorst. Veronika’s blauwe oogen. Griffier Heerbrand.
e
geest zag neder op het water, toen roerde het zich en bruiste op met
schuimende golven en stortte donderend zich in de afgronden, die hun
zwarte muilen opsperden om het gulzig te verslinden. Als overwinnaars
triomfantelijk hieven de granietrotsen hare spits-kronige hoofden
omhoog, het dal beschuttend, totdat de zon het in haren moederschoot nam
en het met haar stralen als met gloeiende armen omvangend, koesterde en
warmde. Toen ontwaakten duizenden kiemen, die onder het dorre zand
gesluimerd hadden uit diepen slaap en hieven haar groene blaadjes en
stengels tot het aangezicht der moeder, terwijl als stillachende
kinderen in wieg van groen kleine bloemen rustten in de bloesems en
knoppen, totdat ook zij ontwaakten, door de moeder gewekt en zich
sierden met de lichtjes, die de moeder, om haar vreugde te bereiden, met
een bonte veelvuldigheid van tinten gekleurd had. Doch in het midden van
het dal stond een zwarte heuvel en die hief zich op en neer gelijk de
borst van een mensch, wanneer brandend smachten haar zwellen doet.
Uit de afgronden kolkten nevels omhoog en zich samenklompend tot geweldige massa’s trachtten zij boosaardig het aangezicht der moeder te bedekken; deze riep echter den storm te hulp, die er doorheen voer en ze verstuiven deed en toen de zuivere straal weder den zwarten heuvel raakte, schoot uit de overvloeiende verrukking een heerlijke vuurlelie op, de schoone bladeren openend als lieflijke lippen, om der moeder zoete kussen te ontvangen.
18 Nu ging een glanzend lichten door het dal; dat was de jongeling Phosphorus, dien de vuurlelie zag en smeekte, in ban van brandend liefdesmachten: „O, wordt voor eeuwig de mijne, gij schoone jongeling! Want ik min u en moet sterven, indien gij mij zoudt verlaten.”
Toen zeide de jongeling Phosphorus: „De uwe wil ik zijn, schoone bloem, maar dan zult gij, als een ontaard kind, vader en moeder verlaten, uw speelgenooten niet meer kennen, grooter en machtiger zult gij willen zijn dan allen, die thans als uws gelijken met u de vreugde genieten.
„Het vuur des verlangens, dat nu uw gansche wezen weldadig verwarmt, zal in honderden stralen uitschietend u kwellen, u folteren, want de bezinning zal de zintuigen voortbrengen, en de hoogste vervoering, die de vonk, welke ik in u werp, ontsteekt, is hopelooze smart, waarin gij ondergaat, om er later weer vreemd-geaard uit te ontbloeien. — Deze vonk is de gedachte.” — „Ach,” klaagde de lelie, „kan ik dan de uwe niet zijn in den gloed, gelijk die thans in mij brandt? Zoude ik u nog meer kunnen minnen dan nu en zoude ik u als thans kunnen aanschouwen, wanneer gij mij vernietigt?”
Toen kuste haar de jongeling Phosphorus en als licht doorschoten brandde zij op in vlammen, waaruit een zonderling wezen ontsproot, dat haastig het dal ontvliedend in de eindeloosheid rondwiekte, en zich niet meer bekommerde om de speelgenooten der jeugd of om den geliefden jongeling. Deze klaagde om de verloren geliefde, want louter de eindelooze min voor de schoone lelie had hem naar het eenzame dal gevoerd en de granietrotsen bogen in deelname hare hoofden voor des jongelings jammerklacht. Doch eene opende haren schoot en een zwart gevleugelde draak kwam er ruischend uitfladderen, die sprak: „Mijn broederen, de metalen slapen daar binnen, maar ik ben steeds waakzaam en stout, ik zal u helpen.” In een wijde op-en-neder-vlucht vatte eindelijk de draak het wezen, dat aan de lelie ontsproten was, droeg het den heuvel op en omsloot het met zijn gevederte; toen was het de lelie weder, maar het blijven 19 der gedachte verscheurde haar binnenste en de liefde tot den jongeling Phosphorus werd een snijdend wee, waardoor — van giftigen wasem beademd — de kleine bloemen, anders zoo door haar blik verblijd, verwelkten en stierven.
De jongeling Phosphorus omgordde zich met een glanzende wapenrusting, waarin een veeltintig stralenspel was en streed tegen den draak, die met zijn zwart gevederte tegen het pantser sloeg, zoodat het een hellen weerklank gaf; door dat machtig geluid leefden de kleine bloemen weer op en om fladderden als bonte vogelen den draak, wiens krachten zwonden en die zich overwonnen in den schoot der aarde verborg. De lelie was bevrijd, de jongeling Phosphorus omving haar vervuld van het verlangen-branden der bovenaardsche liefde en in een jubelhellen lofzang huldigden haar bloemen, vogelen en zelfs de hooge granietrotsen als koningin van het dal.
— „Met uw welnemen, dat is Oostersche bombast, waarde heer archivaris,” zeide de griffier Heerbrand, „en wij verzochten u toch, zooals u dat anders wel pleegt te doen, ons iets uit uw hoogst eigenaardig leven, bijvoorbeeld van uw reis-avonturen en dan iets waarlijk-gebeurds te verhalen.” „Wat wilt gij dan,” antwoordde archivaris Lindhorst, „dat, wat ik daar juist vertel, is het meest werkelijke, dat ik voor ulieden kan opdisschen en het behoort in zekeren zin ook tot mijn leven. Want ik stam juist uit dat dal en de vuurlelie, die daar eindelijk als Koningin heerschte is mijn over-over-over-over-grootmoeder, zoodat ik dan ook eigenlijk een prins ben.”
Allen braken in schaterlachen uit. „Ja, lacht maar van ganscher harte,” ging archivaris Lindhorst voort, „ulieden kan datgene, wat ik weliswaar in gebrekkige omtrekken heb medegedeeld, zinloos en dwaas toeschijnen, desniettegenstaande is het volstrekt niet ongerijmd of ook maar allegorisch bedoeld, doch woordelijk waar. Hadde ik echter geweten, dat de heerlijke liefdeshistorie, waaraan ook ik mijn ontstaan dank, u zoo slecht bevallen zou, dan had ik liever van de verschillende nieuwigheden verteld, waarmede 20 mijn broeder mij gisteren bij zijn bezoek verraste.”
„Kom, hoe dat? Hebt u dan een broeder, mijnheer de archivaris? — waar is die dan — waar woont hij? Ook in dienst des Konings of is het misschien een ambteloos levend geleerde?” — vroeg men van alle kanten. — „Neen!” antwoordde de archivaris, heel koel en bedaard een snuifje nemend, „die is den verkeerden weg op gegaan en heeft zich onder de draken begeven.” — „Heb ik dat goed verstaan? beste archivaris,” zoo nam griffier Heerbrand het woord, „onder de draken?” „Onder de draken?” weerklonk het van alle kanten als een echo.
— „Ja, onder de draken,” vertelde archivaris Lindhorst verder, „eigenlijk geschiedde het uit wanhoop. Gij weet, heeren, dat mijn vader voor zeer kort stierf; het is nu hoogstens driehonderd-vijf-en-tachtig jaar geleden, waarom ik ook nog rouw draag, en die had aan mij, zijn lieveling, een prachtige onyx vermaakt, die mijn broeder absoluut bezitten wilde. Daarover twistten wij bij het lijk van onzen vader op onbetamelijke wijze, totdat de overledene, die zijn geduld verloor, opsprong en mijn slechten broeder de trappen af wierp. Dit maalde mijn broeder door het hoofd en hij ging op staanden voet onder de draken. Nu houdt hij zich op in een cypressenwoud dicht bij Tunis, alwaar hij een mystischen Karbonkelsteen moet bewaken, welke een duivelskerel van een nekromant4, die een zomerverblijf in Lapland betrokken heeft, poogt te bemachtigen, waarom hij dan ook maar voor een kwartiertje, juist als de nekromant in den tuin zijn salamanderbedden verzorgt, kan uitbreken, om mij in de gauwigheid te vertellen, welk goed nieuws er aan de bronnen van den Nijl is.”
— Ten tweeden male braken de aanwezigen in luid schaterlachen uit, maar de student Anselmus werd zeer onrustig te moede en hij kon den archivaris Lindhorst nauwelijks in de strakke, ernstige oogen zien, zonder innerlijk op een voor hemzelf onverstaanbare wijze te rillen. Want toch al had de grove, ofschoon wonderlijk metaal-klinkende 21 stem van den archivaris voor hem iets geheimzinnig-doordringends, zoodat hij merg en been doorsidderd voelde. Het eigenlijke doel, waartoe de griffier Heerbrand hem mede in het koffiehuis genomen had, scheen vandaag onbereikbaar te zijn. Na het gebeurde voor het huis van den archivaris Lindhorst toch was de student Anselmus er niet toe te brengen geweest voor de tweede maal het bezoek te wagen; want naar zijn innigste overtuiging had het toeval hem bevrijd, zoo al niet van den dood, dan toch van het gevaar om waanzinnig te worden. Conrector Paulmann was juist door de straat gekomen, toen hij geheel buiten kennis voor de huisdeur lag en een oude vrouw, die haar koek- en appelmand op zijde gezet had, met hem doende was.
Conrector Paulmann had onmiddellijk een rijtuigje aangeroepen en hem zoo naar huis getransporteerd. „Men kan van mij denken, wat men wil,” zeide de student Anselmus, „men kan mij voor een verdwaasde houden of niet — het zij — uit de deurklopper grijnsde mij het verdoemde gezicht van de heks der Zwarte Poort tegen; over hetgeen verder geschiedde, wil ik liever niet spreken, maar wanneer ik uit mijn bezwijming ontwaakt zou zijn en ik had dat vervloekte appelwijf voor mij gezien (want de oude, die met mij bezig was, kan natuurlijk geen ander zijn) dan zou mij terstond een beroerte getroffen hebben of wel ware ik waanzinnig geworden.”
Alle toespraken, alle verstandelijke verklaringen van conrector Paulmann en griffier Heerbrand bleven zonder eenige vrucht en zelfs der blauwoogige Veronika gelukte het niet hem te brengen uit den zekeren mijmertoestand, waarin hij geraakt was. Men hield hem nu inderdaad voor zielsziek en zon op middelen, om hem afleiding te geven, waarbij griffier Heerbrand betoogde, dat niets daartoe betere diensten zou kunnen bewijzen, dan de bezigheid bij den archivaris Lindhorst, namelijk het nateekenen der manuscripten. Het kwam er nu maar op aan, den student Anselmus op geschikte wijze met den archivaris Lindhorst in kennis te brengen en daar griffier Heerbrand wist, dat 22 deze haast iederen avond een bepaald, bekend koffiehuis bezocht, noodigde hij den student Anselmus uit, zoolang op zijn kosten in dat koffiehuis een glas bier te drinken en een pijp te rooken, totdat hij op deze of gene wijze met den archivaris was in kennis gekomen en zich met hem had verstaan over het copieeren der manuscripten, hetwelk de student Anselmus hoogst dankbaar aannam.
„Gij verdient, dat God u zegene, beste griffier, wanneer gij den jongen man tot rede weet te brengen,” zeide conrector Paulmann. „Dat God u zegene,” herhaalde Veronika, terwijl zij vroom de oogen ten hemel hief en blijgezind bedacht, dat de student Anselmus nù al een zeer beminnelijke jonge man was, zij het dan zonder rede! —
Toen archivaris Lindhorst juist met hoed en stok de deur uit wilde gaan, greep griffier Heerbrand den student Anselmus snel bij de hand en terwijl hij gezamenlijk met hem den archivaris den weg versperde, sprak hij: „Zeer geachte heer geheim-archivaris, hier stel ik u den student Anselmus voor, die bijzonder bekwaam is in sierlijk schrijven en teekenen en uwe zeldzame manuscripten copieeren wil.” „Dat is mij bijzonder aangenaam,” antwoordde archivaris Lindhorst haastig, wierp zich den driekantigen, krijgsmansachtigen hoed op het hoofd en stormde, terwijl hij griffier Heerbrand en den student Anselmus opzijde schoof, met veel gedruisch de trap af, zoodat beide volslagen verbluft bleven staan en tegen de deur van het vertrek aankeken, die hij zoo hard voor hen had dichtgeslagen, dat de hengsels rammelden.
„Dat is toch een wonderlijke oude man,” zeide griffier Heerbrand. „Een wonderlijke oude man,” stotterde de student Anselmus na, voelend, hoe een ijzige stroom door al zijn aderen kilde, die hem haast tot een standbeeld deed verstarren. Maar de gasten lachten allen en zeiden: „De archivaris is vandaag weer eens bijzonder slecht geluimd, morgen is hij bepaald zachtzinniger gestemd en spreekt dan geen woord, maar staart in de rookkringen uit zijn pijp of leest dagbladen; daaraan moet men zich niet storen.” — „Het is eigenlijk waar,” dacht de student Anselmus, „wie stoort 23 zich aan zoo iets! Heeft de archivaris niet gezegd, dat het hem bijzonder aangenaam was, dat ik zijn manuscripten wilde copieeren? — en waarom versperde griffier Heerbrand hem ook den weg, juist toen hij naar huis wilde gaan? Neen, neen, op de keper beschouwd, is de geheim-archivaris Lindhorst een aardige man en verbazend gul — alleen wat zonderling in zijn eigenaardige uitdrukkingen —. Maar wat hindert mij dat? Morgen ga ik er heen op slag van twaalven, al verzetten honderd gebronsde appelvrouwen zich ertegen.”
Melancholie van den student Anselmus. De smaragden spiegel. Hoe archivaris Lindhorst als roofgier heenvloog en de student Anselmus niemand tegenkwam.
ag
ik niet eens ronduit uzelf, goedgunstige lezer, afvragen of gij in uw
leven geen uren, ja dagen en weken, kendet, waarin al uw gewone handelen
en streven een sterk kwellend misnoegen in u opwekte en waarin alles,
wat gij anders gewichtig achtte en waard in zin en denken te dragen,
u kinderachtig en armzalig voorkwam? Gij wist dan zelf niet, wat
gij doen en waarheen gij u keeren zoudt; het duister gevoel, dat er
ergens en te eeniger tijd een hoogen, den kring van alle aardsch genot
te buitengaanden wensch zou moeten vervuld worden, dien zelfs de geest
als een ingetoomd, schuw kind niet durfde uit te spreken, hief uw borst
op en in dit uitzien naar het onbekende, dat u overal, waar gij stondt
of gingt als een ijle droom met doorschijnende, bij scherper toezien
vernevelende gestalten, omzweefde, werdt gij gesloten voor alles, wat er
om u was. Gij sloopt rond met droeven blik als een die hopeloos bemint
en alles, wat gij de menschen op zoo velerlei wijze in bonte
dooreenwoeling zaagt verrichten, wekte bij u geen smart en geen vreugde,
als behoordet gij deze wereld niet meer toe. Is het u, goedgunstige
lezer, ooit zoo te moede geweest, dan kent gij uit eigen ervaring den
toestand, waarin zich de student Anselmus bevond. Met dit al wenschte
ik, dat het mij reeds gelukt ware u, genegen lezer, den student Anselmus
goed levendig voor oogen te stellen. Want waarlijk, mij rest in de
nachtwaken, die ik benut om zijn meer dan
25
zonderlinge geschiedenis op te schrijven, nog zooveel wonderlijks te
verhalen, — dat als een opdoemende verschijning het
alledaagsche leven van heel gewone menschen in bovenzinnelijke sferen
hief —, dat ik bevreesd ben, u ten slotte nòch aan den
student Anselmus, nòch aan den archivaris Lindhorst meer te zien
gelooven, ja u zelfs eenigen ongerechtvaardigden twijfel te zien
koesteren aan den conrector Paulmann en den griffier Heerbrand, terwijl
toch zeker de laatstgenoemde achtbare mannen nu nog in Dresden
rondwandelen. Beproeft eens, genegen lezer, in dat tooversprokige rijk,
vol van prachtige wonderen, die de opperste vervoering zoowel als de
diepste ontzetting met zware slagen in ’t leven roepen, waarin zelfs de
ernstige godin haar sluier oplicht, zoodat wij haar aangezicht wanen te
aanschouwen — ofschoon vaak een glimlach uit den ernstigen
blik komt schemeren, die de plaaggrage scherts is, welke door allerlei
verstrikkende tooverij met ons speelt, zooals een moeder vaak met haar
liefste kinderen te stoeien weet — ja, beproeft eens, genegen
lezer, in dit rijk, dat de geest ons zoo dikwerf, tenminste in droom,
ontsluit, de bekende gestalten, gelijk die dagelijks, zooals men pleegt
te zeggen: in het leven van elken dag rond, u heen gaan, weder te
vinden. —
Dan zult gij gaan gelooven, dat dit heerlijke rijk veel dichterbij ligt, dan gij anders meendet, iets, wat ik nu juist zoo gaarne zien zou en u ook door de buitengewone historie van den student Anselmus poog te kennen te geven.
Dus, als gezegd, de student Anselmus geraakte sedert den bewusten avond, waarop hij den archivaris Lindhorst had gesproken, in een dof-droomerigen toestand, die hem voor iedere uiterlijke aanraking van het dagelijksch gewoonte-leven ongevoelig maakte. Hij werd gewaar, hoe zich iets onbegrepens in zijn innerlijk bewoog, dat in hem de verrukkingsvolle smart veroorzaakte, die het smachten is, hetwelk den mensch een ander, hooger zijn belooft. Het liefst wilde hij maar door weiden en wouden dwalen, om als vrijgemaakt van alles wat hem bond aan zijn kommerlijk bestaan, slechts door de aanschouwing der wisselende beelden 26 die uit zijn wezensinnerlijk opkwamen, zichzelf als ware het te hervinden. Zoo schikte het zich, dat hij eenmaal op den terugweg van een verre wandeling, aan dien merkwaardigen vlierboom voorbijging, waaronder hij toenmaals, als in betoovering verstrikt, zooveel wonderlijks aanschouwde; machtig voelde hij zich door het groene, vertrouwd-bekende grasplekje aangetrokken, maar nauwelijks was hij daar nedergezeten, of alles wat hij toen als in bovenaardsche verrukking gezien had en dat als door een vreemde macht uit zijn ziel verdrongen was, zweefde hem weder in de zonnigste kleuren voor het oog, als zag hij het voor de tweede maal. Ja, nog duidelijker als toen werd het hem, dat de lieflijke blauwe oogen der goudgroene slang toebehoorden, die door het midden van den vlierboom zich omhoog wond, en dat in de windingen van dat slanke lijf al de heerlijke kristalklok-tonen moesten opschitteren, die hem van zaligmakende verrukking vervulden. Evenals op Hemelvaartsdag, omvatte hij den vlierboom en riep in de bladeren en twijgen: „O, slinger en strengel en wind u maar eenmaal nog door de twijgen, opdat ik u zien moge. — En zie mij nog eenmaal aan met uw bezaligende oogen. Want ik min u en zal in smart en rouw ondergaan, als gij niet wederkeert.” Maar alles bleef stom en onbewogen en als te voren ruischte de vlierboom onverstaanbaar met zijn bladeren en twijgen. Maar den student Anselmus was het, als begreep hij nu wat zich in zijn wezens-innerlijk zoo bewoog en weerde, dat het zijn borst met de pijn van eindeloos verlangen doorsmartte. „Is het dan iets anders,” sprak hij, „als dat ik u zoo met mijn heele hart tot stervens toe liefheb, u heerlijke goudene kleine slang, ja zelfs niet leven kan zonder u en sterven zal in hopelooze ellende, wanneer ik u niet wederzie, u niet verkrijg tot geliefde des harten — maar ik weet, gij wordt de mijne en dan zal alles, wat lichte droomen uit andere, verhevener sferen mij beloofden, zijn vervuld.”
Nu begaf zich de student Anselmus iederen avond, als de zon nog slechts haar fonkelgoud in de toppen der boomen strooide, onder den vlierboom en riep met diepe stem op 27 smartelijken toon in de bladeren en twijgen om de lieflijke beminde, de goudgroene kleine slang. Toen hij dit weer eens naar zijn gewonen trant deed, stond er opeens een lange, schrale man in een wijden, lichtgrijzen mantel gehuld, voor hem en riep, terwijl hij hem met groote, gloeiende oogen toornig aanzag: „Hei daar, wat kermt en huilt er toch zoo? — Ha, ha, dat is Mijnheer Anselmus, die mijn manuscripten wil copieeren!” De student Anselmus ontstelde niet weinig van de ontzaglijke stem, want het was dezelfde, die op Hemelvaartsdag had geroepen: Heidaar, wat is dat voor een gemompel en gefluister etc. Van ontsteltenis en verbazing kon hij geen woord over de lippen brengen. — „Nu, wat scheelt u dan Mijnheer Anselmus,” ging archivaris Lindhorst voort (want geen ander was de man in den lichtgrijzen mantel) „wat wilt u van dien vlierboom en waarom is u niet bij mij gekomen, om met uw taak te beginnen?”
Inderdaad had de student Anselmus het nog niet over zich kunnen verkrijgen, den archivaris Lindhorst opnieuw in zijn woning te gaan opzoeken, ofschoon hij zich op dien bewusten avond heelemaal zoover had opgezweept; in dit moment echter, dat hij zijn schoone droombeelden, en nog wel door die zelfde vijandig-klinkende stem, die hem ook toen de geliefde ontroofd had, aan flarden voelde rijten, greep een soort wanhoop hem aan en heftiglijk uitte hij zich: „U kunt mij voor waanzinnig houden of niet, Mijnheer de archivaris, dat blijft mij hetzelfde, maar hier in dezen boom aanschouwde ik op Hemelvaartsdag de goudgroene slang — o, de eeuwige geliefde van mijn ziel en zij sprak mij toe in heerlijke kristallen tonen, doch gij, gij, Mijnheer de archivaris, schreeuwdet en riept zoo ontzettend van over het water.”
„Wat zeg je, waarde heer,” viel archivaris Lindhorst hem in de rede, terwijl hij vreemd glimlachend een snuifje nam. De student Anselmus voelde zijn borst ruimer worden, toen het hem ten minste gelukt was over dat wonderlijke avontuur te beginnen en het scheen hem volkomen in orde, dat hij 28 den archivaris ronduit beschuldigd had, degene geweest te zijn, die zoo van uit de verte gebulderd had. Hij vatte al zijn moed samen, zeggende: „Nu, dan zal ik u alles vertellen, wat mij op den avond van Hemelvaartsdag voor noodlottigs overkomen is en dan kunt u zeggen en doen en geheel over mij denken, wat u wilt.”
Inderdaad vertelde hij nu heel de wonderlijke historie, van den ongeluksstap in den korf met appelen af tot het ontvlieden der drie goud-groene slangen over het water toe en ook hoe de menschen hem voor dronken of waanzinnig hielden. „Dit alles” eindigde de student Anselmus, „heb ik werkelijk gezien, en diep in mijn borst klinkt nog de lichte echo na der lieflijke stemmen, die tot mij spraken; geenszins was het een droom en wil ik niet sterven van liefde en verlangen, dan moet ik aan de goudgroene slangen denken, ofschoon ik aan uw glimlachen, waarde heer archivaris, wel zie, dat u juist deze slangen voor een kweeksel van mijn verhitte en te hoog gestookte verbeelding houdt.” „Niet in het minst,” hernam de archivaris met de grootste kalmte en gelatenheid, „de goudgroene slangen, die u, Mijnheer Anselmus, in den vlierstruik gezien hebt, waren namelijk mijn drie dochters en dat u door de blauwe oogen van de jongste, die Serpentina heet, in liefde ontstoken bent, blijkt nu wel voldoende. Ik wist het overigens reeds op Hemelvaartsdag en daar ik thuis, voor mijn werktafel gezeten, genoeg kreeg van het gelispel en getingel, riep ik de schalksche deernen toe, dat het tijd was om snel naar huis te gaan; want de zon ging reeds onder en zij hadden zich genoeg met zingen en het indrinken der stralen verlustigd.”
Den student Anselmus was het, als werd hem in klare woorden iets gezegd, wat hij reeds lang voorvoeld had en ofschoon hij tegelijk meende te bemerken, dat vlierstruik, muur en grasgrond èn alle voorwerpen rondom zachtjes begonnen te draaien, vermande hij zich toch en wilde iets zeggen, doch de archivaris liet hem niet aan het woord komen, maar stroopte snel den handschoen van zijn linkerhand af en terwijl hij den student den zonderling vonken- en vlammenschietenden 29 steen van een ring voor oogen hield, sprak hij: „Zie eens hier, waarde Mijnheer Anselmus, opdat gij u verblijden moogt, over wat gij aanschouwt”. De student zag toe en wonderlijk! de steen wierp als uit een brandend middelpunt stralen rondom zich en die stralen versponnen zich tot een hel-lichten kristallen spiegel, waarin met velerlei windingen, nu eens voor elkander vliedend, dan weer zich ineenstrengelend, de kleine goudgroene slangen dansten en draaiden. En wanneer de slanke, duizendvonkig schitterende lijven elkander beroerden, weerklonken heerlijke accoorden als van kristallen klokjes en de middelste strekte als vervuld van smachtend verlangen het kopje ten spiegel uit, terwijl de blauwe oogen zeiden: „Gij kent mij dus — gij gelooft dus aan mij, Anselmus? — in het geloof slechts is de liefde — gij kunt dus beminnen?” — „O, Serpentina, Serpentina!” riep de student in uitzinnige vervoering, maar archivaris Lindhorst ademde haastig op den spiegel, toen voeren met electrisch geknetter de stralen in het brandpunt terug en aan zijn hand schitterde slechts weer een kleine smaragd, waarover de archivaris den handschoen schoof. „Hebt u de gouden slangetjes gezien, Mijnheer Anselmus?” vroeg archivaris Lindhorst. „God, ja,” antwoordde de student, „en de bekoorlijke liefste Serpentina.” „St,” ging archivaris Lindhorst voort, „voor vandaag is het genoeg en overigens kunt u, indien u er toe besluit bij mij te komen werken, mijn dochter vaak genoeg zien, of liever, ik zal u dit genoegen verschaffen, wanneer u arbeidt, zooals het betaamt, dat is: met de grootste nauwkeurigheid en vlekkeloos ieder teeken overbrengt. Maar u komt heelemaal niet naar mij toe, ofschoon griffier Heerbrand mij verzekerde, dat u eerstdaags verschijnen zoudt en ik daarom verscheidene dagen vergeefs wachtte.”
Zoodra archivaris Lindhorst den naam Heerbrand noemde werd het den student Anselmus weder te moede, als stond hij met beide voeten op den grond en als was hij werkelijk de student Anselmus en de voor hem staande persoon de archivaris Lindhorst. De onverschillige toon, waarop deze sprak, had in schrille tegenstelling met de wonderlijke verschijnselen, 30 die hij als een baarlijke nekromant te voorschijn riep, iets huiveringwekkends, dat door den stekenden blik van de fonkel-oogen, die uit de beenige holten in het magere, doorgroefde gezicht als uit een zaadhuis straalden, nog verhoogd werd en machtig beving den student hetzelfde verontrustende gevoel, dat hem reeds in het koffiehuis overmand had, toen de archivaris zooveel avontuurlijkheden vertelde. Slechts moeizaam kwam hij tot zichzelf en toen de archivaris nog eens vroeg: „Nu, waarom is u dan niet bij mij gekomen?” vatte hij den moed, alles te verhalen wat hem aan de voordeur overkomen was. „Beste Mijnheer Anselmus,” zeide de archivaris, toen de student zijn verhaal beëindigd had, „beste Mijnheer Anselmus, ik ken die appelvrouw wel, waarover u het hadt; het is een ongeluksschepsel, dat allerlei streken tegen mij uithaalt, maar dat zij zich heeft laten bronzen om als deurklopper de mij aangename bezoeken te verjagen, dat is inderdaad ergerlijk en niet te verdragen. Als u maar, beste Mijnheer Anselmus, wanneer u morgen om twaalf uur naar mij toekomt en u merkt weer iets van dat aangrijnzen en dat geratel, haar een weinig van dit vocht op den neus zoudt willen druppelen, dan komt alles dadelijk in het reine. En nu, gegroet, beste Mijnheer Anselmus, ik ga wat sneller heen en wil daarom niet van u vergen, dat u met mij medegaat naar de stad. Gegroet, tot ziens, morgen om twaalf uur.”
De archivaris had den student Anselmus een klein fleschje met goudgeel vocht gegeven en schreed nu haastig heen, zoodat hij in de diepe schemering, die intusschen gezonken was, meer in het dal neder scheen te zweven, dan te gaan. Reeds was hij in de nabijheid van den Koselschen tuin, toen de wind onder zijn wijden mantel kwam en de einden uit elkaar dreef, zoodat zij als een paar groote vleugels in de ruimte fladderden en het den student Anselmus, die vol verwondering den archivaris nazag, toescheen, als breidde een groote vogel de vlerken uit tot een snelle vlucht. En toen de student daar zoo staarde in de schemering, verhief zich met krassend schreeuwen een grauw-witte gier hoog 31 in de lucht en nu zag hij, hoe het witte gefladder, dat hij nog steeds voor den voortschrijdenden archivaris gehouden had, al die gier moest geweest zijn, ofschoon hij niet begrijpen kon, waar de archivaris dan opeens verdwenen was. „Hij kan ook wel in eigen persoon weggevlogen zijn, die archivaris Lindhorst,” zeide de student tot zichzelf, „want ik zie en voel nu wel, dat al de vreemde gedaanten uit de verre, wonderenrijke wereld, die ik anders slechts in zeer enkele merkwaardige droomen aanschouwde, in mijn bewogen waakbestaan zijn getreden en hun spel met mij drijven. Dit zij hoe het zij. Gij leeft en gloeit in mijn hart, lieflijke, liefste Serpentina en slechts gij kunt het eindelooze smachten koelen, dat mij verteert.
„Wanneer zal ik u in de bezaligende oogen zien — lieve, lieve Serpentina!” —— Aldus riep de student Anselmus hardop. — „Wat een verachtelijke, onchristelijke naam,” bromde een basstem naast hem, welke die van een huiswaarts-keerenden wandelaar was. De student Anselmus, er ter rechter tijd aan herinnerd, waar hij zich bevond, snelde haastig vandaar, terwijl hij dacht: „Zou het niet een echte rampspoed zijn, als ik nu conrector Paulmann of griffier Heerbrand eens tegenkwam? —”
Doch hij ontmoette geen van die beiden.
De vrouw van den hofraad Anselmus. Cicero de officiis. Meerkatten en ander gespuis. De oude Lize. Het aequinoctium.5
et
Anselmus is nu eenmaal niets ter wereld aan te vangen,” zeide conrector
Paulmann;
„al mijn goede raadgevingen en vermaningen blijven zonder vrucht,
hij wil zich nergens op toeleggen, ofschoon hij de beste schoolkennis
bezit, die toch maar de basis van alles is.” Maar griffier Heerbrand antwoordde
sluw en geheimzinnig glimlachend: „Laat u Anselmus maar volle vrijheid
en tijd, beste Conrector! het is een curieus personage, maar er zit veel
in hem en wanneer ik zeg véél, dan bedoel ik: een secretaris in
buitengewonen dienst of wellicht wel een hofraad.” —
„Hof” — begon de conrector met de grootste verbazing, maar
het woord wilde hem niet over de lippen. — „Ja, ja,” ging
griffier Heerbrand door, „ik weet, wat ik weet! — Al sedert
twee dagen zit hij bij den archivaris Lindhorst te copieeren en de
archivaris zeide gisteravond in het koffiehuis tegen mij: „U hebt
mij een fikschen kerel aanbevolen, mijn waarde!” — uit die groeit
wat en denk nu maar eens aan ’s archivaris’ relaties —
ja — ja — over een jaar spreken wij elkaar
nader!” — Met deze woorden ging de griffier met onafgebroken
sluw glimlachen de deur uit en liet den van verbazing en
nieuwsgierigheid verstomden conrector als aan zijn stoel vastgetooverd
zitten. Maar op Veronica had het gesprek een heel bijzonderen indruk
gemaakt. Heb ik het dan niet altijd geweten, dacht zij, dat mijnheer
Anselmus een echt schrandere, beminnelijke jonge man is, die het nog tot
iets groots zal brengen? Als ik
33
nu maar wist, of hij werkelijk van mij houdt? — Maar heeft
hij mij dan niet, op dien avond toen wij over de Elbe voeren, tot
tweemaal toe de hand gedrukt? heeft hij mij onder het duet niet
aangezien met van die allervreemdste blikken, die tot in het hart
dringen? O ja, hij houdt heusch van mij — en
ik — Veronica liet zich overheeren, als jonge meisjes plegen
te doen, door zoete droomen van een zonnige toekomst. De vrouw van den
hofraad was zij en bewoonde een prachtig hotel in de Schlossgasse, of op
de Neumarkt of in de Moritzstrasse — voortreffelijk stonden
haar de moderne hoed en de nieuwe turksche shawl — in een
elegante peignoir ontbeet zij in den erker, terwijl zij aan de
keukenmeid de noodige bevelen voor dien dag gaf. „Maar wees voorzichtig
dien schotel niet te verknoeien, want dat is het lievelingsgerecht van
Mijnheer den hofraad.” — Voorbijgaande salonjonkers loenschen
naar boven en zij kan duidelijk verstaan: „Het is toch een engel van een
vrouw, die vrouw van den hofraad en wat staat haar dat kanten mutsje
weer allerliefst.” — De vrouw van den geheimraad Ypsilon
zendt haar bediende en laat vragen of de vrouw van den hofraad er
behagen in zou hebben, vandaag mede naar het Linkesche Bad te
rijden. — „Mijn complimenten, en dat het mij ten zeerste
spijt, maar ik ben al op de thee genoodigd door de vrouw van den
president Tz.” — Daar komt de hofraad Anselmus, die al vroeg
voor zaken uitgegaan was, terug; naar de laatste mode is hij gekleed;
„waarachtig al tien uur,” roept hij uit, terwijl hij zijn gouden horloge
de uren laat repeteeren en de jonge vrouw kust. „Hoe maakt mijn lief
vrouwtje het en weet zij al wat ik hier voor haar heb?” gaat hij licht
schertsend voort en haalt een paar prachtige, naar de laatste mode
gezette oorbellen uit zijn vestzak, die hij haar inplaats van de andere
in de ooren hangt. „O, wat mooie, keurige oorbellen,” roept
Veronica hardop, en springt, terwijl zij haar handwerkje neergooit, van
haar stoel, om werkelijk in den spiegel de oorbellen te gaan bekijken.
„Wat moet dat voorstellen,” zeide conrector Paulmann, die in Cicero de
officiïs verdiept, het boek bijna liet vallen, „ook al van die aanvallen
als
34
Anselmus.” Maar toen trad de student Anselmus, die zich tegen zijn
gewoonte in verscheidene dagen niet had laten zien, de kamer binnen,
zeer tot schrik en verbazing van Veronica, want inderdaad had zich zijn
gedrag geheel veranderd. Met een zekere beslistheid, die hem anders
volstrekt niet deelachtig was, sprak hij van gansch andere bedoelingen
zijns levens, die hem waren geklaard, van verrukkende vooruitzichten,
die zich hem hadden geopend, doch die menigeen volstrekt niet vermocht
te zien. Conrector Paulmann werd, het geheimzinnig gepraat van den
griffier Heerbrand indachtig, nog meer verward en kon nauwelijks een
syllabe uiten, toen de student Anselmus, nadat hij zich eenige woorden
over dringende bezigheid bij den archivaris Lindhorst had laten
ontvallen en Veronica elegantelijk de hand had gekust, reeds de trap af
en verdwenen was.
„Dat was de hofraad al,” murmelde Veronica, „en hij kuste mij de hand, zonder daarbij uit te glijden of op mijn voet te trappen, als anders! — hij heeft mij een echt teederen blik geschonken — hij houdt dus heusch van mij.” —
Opnieuw liet Veronica zich door die droomen overheeren, maar tegelijk was het of voortdurend een vijandig-gezinde gestalte trad door de bekoorlijke gezichten, die uit haar toekomstig leven als vrouw van den hofraad opkwamen, en die gestalte lachte schamper en sprak: „Dat alles is grove dwaasheid en leugen, want nooit wordt Anselmus hofraad en je man; hij houdt toch niet van je, al heb je blauwe oogen, een slanke leest en fijne handen.” —
Toen stortte een ijzigen stroom zich door Veronica’s wezen en rauwe schrik brak het welbehagen, waarin zij zichzelf nog eerst met het kanten mutsje en de elegante oorbellen gezien had. — Bijna sprongen tranen haar uit de oogen en hardop zeide zij: „Ach, zoo is het, hij bemint mij niet en nooit word ik de vrouw van een hofraad.”
„Die romantische kuren, o die romantische kuren,” riep conrector Paulmann, nam hoed en stok en snelde vertoornd heen! —
Dit ontbrak nu nog, zuchtte Veronica en ergerde zich zeer 35 over haar twaalfjarig zusje, dat zonder deelneming aan haar borduurraam gezeten, voortgeborduurd had. Intusschen was het bijna drie uur geworden en juist tijd om de kamer wat te redderen en de koffietafel klaar te maken; want de jongejuffrouwen Oster hadden zich bij heur vriendin laten weten. Maar van achter ieder kastje, dat Veronica verschoof, van achter de muziekboeken, die zij van de piano nam, van achter ieder kopje, van achter de koffiekan, die zij uit het buffet haalde, sprong die verschijning als een kwel-kaboutertje op en lachte schamper en knipte met de kleine nijdvingers en krijschte: hij wordt toch je man niet, hij wordt toch je man niet. En toen, terwijl zij alles liet staan en liggen en in het midden van de kamer vluchtte, keek die langgeneusd en reuzegroot van achter de kachel en gromde en bromde: hij wordt toch je man niet. „Hoor je dan niets, zie je dan niets, zusje,” riep Veronica, die van vrees en beven niets meer kon aanraken. Fransje rees, ernstig en kalm, van haar borduurraam op en zeide: „Wat scheelt er vandaag toch aan, zuster? Alles werpt gij door elkaar, dat het ervan rammelt en kleppert; ik zal maar eens hèlpen.”
Maar toen kwamen reeds de blijgezinde meisjes gul lachend binnen en in dat zelfde oogenblik bemerkte Veronica nu ook, dat zij het sierstuk op de kachel voor een gestalte en het knarsen van het slecht-gesloten kacheldeurtje voor de boosaardige woorden gehouden had. Door innerlijken schrik echter heftig beroerd, kon zij zich niet zoo snel hervatten, dat haar vriendinnen niet de buitengewone spanning, die zelfs haar bleekheid, haar verward gelaat verried, bemerken moesten. Toen zij, al het vroolijks, dat zij juist wilden vertellen, latende varen, der vriendin met aandrang afvroegen, wat haar om ’s Hemels wil overkomen was, kon Veronica slechts bekennen, dat zij zich op uiterst-ongewone gedachten had laten gaan en opeens in ’t helder daglicht door een vreemde spokenvrees, haar anders niet eigen, was overmand. Daarna vertelde zij zoo kleurig hoe vanuit alle hoeken der kamer een grijs manneke haar geplaagd en bespot had, dat de jongejuffrouwen Oster schuchter naar alle zijden omzagen 36 en dra onrustig en rillerig werden. Toen kwam Fransje met de kokende koffie binnen en alle drie, tot bezinning komend, lachten om eigen zotheid. Angelica, zoo heette de oudste, was met een officier verloofd, die met het leger was uitgetrokken en van wien zoo lang tijding uitbleef, dat men nauwelijks aan zijn dood of ten minste aan een zware verwonding, mocht twijfelen. Dit had Angelica tot diepe droefenis doen vervallen, maar vandaag was zij blij gestemd tot het uitgelatene toe, iets waarover Veronica zich niet weinig verbaasde en wat zij haar onomwonden zeide. „Beste kind,” zei Angelica, „gelooft ge dan niet dat ik mijn Victor aldoor in mijn hart, mijn zin en mijn gedachten heb? maar juist daarom ben ik zoo blijde — god — zoo gelukkig, zoo zalig tot in mijn diepste wezen! want mijn Victor is behouden en in weinig tijds zal ik hem weerzien als ritmeester, gesierd met de ordeteekenen, die zijn grenzelooze dapperheid hem hebben doen verwerven. Een zware, maar volstrekt niet gevaarlijke verwonding van den rechterarm en wel door den sabelhouw van een huzaar des vijands, belet hem te schrijven en de snelle wisseling van verblijfplaats maakt het hem, daar hij volstrekt zijn regiment niet verlaten wil, ook steeds nog onmogelijk mij tijding te zenden, maar hedenavond zal hij de uitdrukkelijke order ontvangen, zich eerst volkomen te laten genezen. Morgen reist hij af om hierheen te komen en juist als hij den wagen wil bestijgen, zal hij zijn benoeming tot ritmeester vernemen.” — „Maar, beste Angelica,” viel Veronica in de rede, „weet gij dit alles nu reeds?” — „Lach mij niet uit, beste vriendin,” ging Angelica voort, „maar dat zult gij niet doen, want kon niet tot straf dadelijk dat kleine manneke eens van achter den spiegel komen uitkijken? — Dit daargelaten, ik kan mij niet losmaken van het geloof aan zekere geheimzinnige dingen, omdat zij vaak genoeg zichtbaar en tastbaar, mag ik wel zeggen, in mijn leven zijn getreden. In hoofdzaak komt het mij dan ook volstrekt niet zoo wonderlijk en ongeloofelijk voor als aan menig ander, dat er menschen bestaan kunnen, wien een bepaalde zienersgave eigen is, welke zij door hun bekende, onfeilbare middelen werkzaam 37 kunnen maken. Hier in deze plaats woont er een oude vrouw, die deze gave in zeer bijzondere mate bezit. Niet als anderen van haar slag, doet zij voorspellingen uit de kaart, gesmolten lood of koffiedik, maar na zekere voorbereidende maatregelen, waaraan ook de vragende persoon deelneemt, verschijnt in een glanzend-gepolijsten metalen spiegel een wonderlijke dooreenwarring van velerlei figuren en gestalten, welke de oude verklaart en waaruit zij het antwoord op de vraag te voorschijn brengt. Gisteravond was ik bij haar en ontving de bewuste tijding van mijn Victor, aan welker waarheid ik geen oogenblik twijfel.” —
Angelica’s verhaal bracht een vonk in Veronica’s innerlijk, waaraan zich snel de gedachte ontstak, de oude over Anselmus en over haar verwachtingen te ondervragen. Zij vernam nu dat de oude, vrouw Rauerin heette, in een afgelegen straat voor de Zeepoort woonde, in den regel slechts Dinsdags, Woensdags en Vrijdags van ’s avonds zeven uur af maar dan ook den geheelen nacht door tot zonsopgang toe te treffen was en gaarne zag, dat men alleen kwam. Juist was het Woensdag en Veronica besloot, onder voorgeven de Osters naar huis te begeleiden, de oude te gaan bezoeken, wat zij dan ook inderdaad ten uitvoer bracht. Nauwelijks had zij namelijk van de vriendinnen, die in de nieuwe stad woonden, afscheid genomen of zij snelde met gevleugelden tred naar de Zeepoort en bevond zich in de beschrevene, afgelegene, nauwe straat, aan welker einde zij het kleine roode huisje bemerkte, waarin vrouw Rauerin wonen moest. Zij kon een zeker onbehagelijk gevoel en zelfs een innerlijke siddering niet tegengaan, toen zij voor de huisdeur stond. Ten laatste vatte zij haar moed te zamen, ondanks innerlijk wederstreven en trok aan de schel, waarop de deur zich opende en zij door de donkere gang naar de trap tastte, die ter bovenverdieping voerde, zooals Angelica beschreven had. „Woont hier niet vrouw Rauerin?” riep zij in het leege voorhuis, toen zich niemand vertoonde; in stede van antwoord weerklonk een langaangehouden, scherp miauwen en een groote, zwarte kater schreed haar met hooggekromden rug, den staart in golvende 38 kronkeling heen-en-weer zwaaiend, gewichtig voor tot aan de kamerdeur, die zich op een tweede miauwen opende. „Zoo, zoo, kindlief, al hier? Kom binnen — kom binnen!” Dit riep de naar buiten komende figuur, wier aanblik Veronica aan den grond vastklonk. Het was een lang, ontvleescht, in zwarte lompen gehuld wijf! — Terwijl zij sprak schudde de vooruitstekende, spitse kin heen en weer, vertrok zich de tandelooze mond, door den beenigen haviksneus overschaduwd, tot een grijnslachje en helle kattenoogen flakkerden vonkspattend achter den grooten bril. Van onder den bonten om het hoofd gewikkelden doek sprietten ruige, zwarte haren, maar het reeds afkeerwekkend gelaat werd afzichtelijk gemaakt door twee groote brandvlekken, die van de linkerwang af tot over den neus heen liepen. — Veronica’s adem stokte en de kreet, waardoor zij haar beklemde borst verruimen wilde, verwerd tot een diepen zucht toen de beenderenhand der heks haar aangreep en het vertrek binnentrok. Daar leefde en bewoog alles, er heerschte een verbijsterend krijschen, miauwen, krassen en piepen. Toen sloeg de oude met de vuist op tafel en schreeuwde: „Stil zijn, gespuis!” En de meerkatten6 klauterden jenkend naar boven langs het hooge, ouderwetsche ledikant en de zeevarkentjes7 kropen onder de kachel, terwijl de raaf bovenop den ronden spiegel fladderde; slechts de zwarte kater, als ging hem het snauwen niet aan, bleef rustig op den grooten kussenstoel zitten, waarop hij dadelijk na zijn binnenkomst gesprongen was.
Zoodra het rustiger werd, kreeg Veronica meer moed; zij gevoelde zich niet meer zoo onbehagelijk, als buiten in het voorhuis, ja zelfs het wijf scheen haar niet meer zoo mismaakt toe. Nu eerst zag zij in het vertrek rond. Allerlei leelijke, opgezette dieren hingen van de zoldering neer, onbekende, vreemdsoortige werktuigen lagen op den grond dooreen en in den haard brandde een blauw onbeteekenend vuur, dat nu en dan in gele vonking opknetterde; maar toen ruischte er iets van boven neer en verfoeilijke vleermuizen als 39 met vertrokken lachende menschengezichten zwierden heen en weer, terwijl van tijd tot tijd de vlam langs den berookten muur oplekte, waarna schrille, snijdende klaagtonen weerklonken, zoodat Veronica van vrees en huivering bevangen werd.
„Vergun mij, juffertje,” zeide de oude meesmuilend, nam een grooten kwast en besprenkelde, nadat zij dien in een koperen ketel gedoopt had, den schoorsteen. Toen doofde het vuur en of het met zwaren rook gevuld werd, was het strak duister in het vertrek; doch spoedig trad de oude, die een kamertje binnengegaan was, weder binnen met een ontstoken kaars en Veronica werd niets meer gewaar van de dieren of de werktuigen; zij zag een gewoon, armoedig ingericht verblijf. De oude trad nader tot haar en zeide met ratelstem: „Ik weet wel, wat ge van mij wilt, kindlief; duizend tegen een dat gij zoudt willen weten, of gij met Anselmus zult trouwen, wanneer hij hofraad zal zijn.” —
Veronica verstijfde van verbazing en schrik, maar de oude ging voort: „Gij hebt mij alles reeds gezegd bij uw vader thuis, toen de koffiekan voor u stond, want ik was die koffiekan, kendet gij mij dan niet? Luister, kindlief! Laat af, laat af van dien Anselmus, want dat is een laagstaand mensch, hij heeft mijn kindertjes in ’t gezicht geschopt, mijn lieve zoontjes, de appeltjes met de roode wangen, die, als de menschen ze gekocht hebben, steeds weer uit hun zakken in mijn korf terugrollen. Hij heeft zich met den ouden verstaan, eergisteren heeft hij mij dat vervloekte operment in ’t gezicht gedruppeld, zoodat ik er bijna blind van geworden ben, gij kunt de brandvlekken er nog van zien, lief kind! Laat af van hem, laat af. — Hij heeft u niet lief, want hij bemint de goudgroene slang, nooit zal hij hofraad worden, omdat hij zich onder de salamanders begeven wil en de groene slang huwen, laat af van hem, laat af.”
Veronica, die feitelijk een besliste, standvastige natuur bezat en haar meisjesachtige ontsteltenis spoedig meester wist te worden, trad een schrede terug en sprak met ernstigen nadruk: „Oude, ik heb gehoord van uwe gave, om in de toekomst 40 te zien en wilde daarom, misschien te nieuwsgierig en voorbarig, van u weten of Anselmus, dien ik liefheb en hoogacht, wel ooit de mijne zal worden. Wanneer gij mij echter, inplaats van mijn wensch te vervullen, met uw dwaas zinneloos geklap sarren wilt, handelt gij verkeerd, want ik verlangde slechts, wat gij anderen, naar ik weet, verleendet. En aangezien gij, naar het schijnt, mijn teerste gedachten kent, zou het u wellicht niet zwaar gevallen zijn, mij velerlei te openbaren, dat mij nu kwelt en beangstigt, maar na uw zotte lasteringen omtrent den besten Anselmus, wil ik van u niets meer hooren. Goeden nacht!” —
Veronica wilde haastig heengaan, toen viel de oude weenend en jammerend op de knieën en riep uit, terwijl zij het meisje bij haar kleed vasthield: „Kleine Veronica! Kent gij dan de oude Lize niet meer, die u zoo vaak op haar armen gedragen, gekoesterd en vertroeteld heeft?” Nauwelijks vertrouwde Veronica hare oogen; want zij herkende hare, weliswaar door hoogen ouderdom en in ’t bijzonder door de brandvlekken misvormde voormalige voedster, die voor vele jaren uit het huis van conrector Paulmann verdwenen was. De oude zag er nu ook geheel anders uit; inplaats van den leelijken, bontgevlekten doek droeg zij een zedige muts en voor de zwarte lompen had zij een grofgebloemd jakje aan, zooals zij vroeger ook wel gekleed was geweest. Zij stond van den vloer op en ging, terwijl zij Veronica in de armen nam, voort: „Al schijnt hetgeen ik verteld heb, u ook onzinnig toe, helaas is het alles waar. Anselmus heeft mij zeer geschaad, maar tegen zijn wil; hij is in handen van den archivaris Lindhorst gevallen en die wil hem aan zijn dochter uithuwelijken. De archivaris is mijn grootste vijand en velerlei zaken kon ik u van hem verhalen, die gij echter niet verstaan zoudt, maar u toch zeer zouden doen ontstellen. Hij is de man, die weet, maar ik ben de vrouw, die weet. —
„— Ik zie nu wel, dat gij Anselmus zeer liefhebt en ik wil u met alle macht ter zijde staan, opdat gij gelukkig wordt en keurig tot den trouwdag komt, zooals gij dat verlangt.” „Maar zeg mij in Godsnaam, Lize” — onderbrak Veronica. — 41 „Stil kind, stil!” viel haar de oude in de rede, „ik weet, wat gij zeggen wilt; dat wat ik werd, ben ik geworden, omdat ik moest, ik kon niet anders. Dus! — ik ken het middel, dat Anselmus van de dwaze liefde voor de groene slang geneest en hem u als den beminnelijksten hofraad in de armen voert; maar gij moet mij helpen.” „Zeg het maar ronduit, Lize, ik ben tot alles bereid, want ik houd zooveel van Anselmus,” lispte Veronica nauw hoorbaar.
„Ik ken je,” voer de oude voort, „als een stoutmoedig kind, vergeefs trachtte ik je met den wafwaf in slaap te brengen, want dan juist deed je de oogen open om den wafwaf te zien; zonder licht ging je in de achterste kamer en vaak liet je de kinderen van de buren schrikken in je vaders kapmantel. Dus! — wanneer het je ernst is, door mijn kunst den archivaris Lindhorst en de groene slang te overwinnen, wanneer het je ernst is, Anselmus als hofraad je man te noemen, verlaat dan bij de eerstkomende dag-en-nachtevening in stilte des avonds om elf uur je vaders huis om naar mij toe te komen; ik zal dan met je naar den kruisweg gaan, die niet ver van hier het veld doorsnijdt, wij bereiden het noodige en je laat je door al het wonderlijke, dat je wellicht zien zult, maar niet verontrusten. En nu, kindlief, goeden nacht, papa wacht al met de soep.”
Veronica snelde heen en in haar was het vaste besluit den avond van het aequinoctium niet te laten voorbijgaan, want, dacht zij, Lize heeft gelijk, Anselmus is verstrikt in vreemdsoortige banden, maar daaruit verlos ik hem en noem hem de mijne voor altijd en eeuwig; de mijne is en blijft hij, hofraad Anselmus.
De tuin van den archivaris Lindhorst benevens eenige spotvogels. — De gouden vaas. — Engelsch schuinschrift. — Smadelijke hanepooten. — Koning der geesten.
et
kan ook wel zijn,” zeide de student Anselmus tot zichzelf, „dat de
extra-fijne en sterke maagbitter, waarvan ik bij Monsieur Conradi een
wel wat overvloedig gebruik heb gemaakt, de dwaze spookbeelden heeft
voortgebracht, die mij bij de voordeur van den archivaris Lindhorst
angst aanjoegen. Daarom blijf ik vandaag volkomen nuchter en zal dan wel
al het verdere onheil, dat mij mocht overkomen, het hoofd kunnen
bieden.”
Evenals destijds, toen hij zich tot het eerste bezoek aan den archivaris opmaakte, stak hij zijn penteekeningen en calligrafische kunststukken, zijn staven Oost-indischen inkt en zijn goedgescherpte ganzepennen bij zich en reeds wilde hij de deur uitgaan, toen zijn blik viel op het fleschje met geel vocht, dat hij van den archivaris Lindhorst gekregen had. Toen stonden hem weder al de vreemde gebeurtenissen, die hij doorleefd had, in brand van kleuren voor den geest en een onuitzegbaar gevoel van zaligheid en smart doorsneed zijn borst.
Onwillekeurig riep hij op deerniswekkenden toon:
„Maar ga ik dan niet naar den archivaris alleen om u te zien, aanvallige lieflijke Serpentina?” — In dat oogenblik scheen het hem toe, alsof de liefde van Serpentina de belooning was voor een zwaar gevaarvol werk, dat hij moest aanvatten, een werk, dat niets anders was, dan het copieeren van Lindhorst’s manuscripten. — Dat hem bij het betreden 43 van het huis of zelfs daarvoor nog, wel allerlei vreemds zou overkomen, evenals laatst, daarvan was hij overtuigd. Hij dacht niet meer aan Conradi’s maagbitter, maar stak snel het vocht in zijn vestzak, om geheel volgens het voorschrift van den archivaris te handelen, wanneer het gebronsde appelwijf zich mocht verstouten, hem toe te grijnzen. En spitste zich waarachtig niet dadelijk de puntige neus, fonkelden niet de kattenoogen hem uit den deurklopper tegen, toen hij dezen met klokslag twaalf wilde grijpen? Doch hij sproeide, zonder zich verder te bedenken, het vocht midden in het ongeluksgezicht, waarop het oogenblikkelijk inzonk en omgepolijst werd tot een blinkenden, kogelronden keurklopper. — De deur ging open en liefelijk luidden kleine klokken door het heele huis. Klingeling — jongeling — snel — snel — spring — spring — klingeling. — Wakker steeg hij de prachtige breede trap op en vermeide zich in den geur van het vreemde reukwerk, die het huis doorstroomde. Onzeker bleef hij in het voorhuis staan, want hij wist niet, aan welke van de vele prachtige deuren hij kloppen moest, tot archivaris Lindhorst in een wijd damasten morgengewaad te voorschijn trad en uitriep: „Kom, dat doet mij genoegen, Mijnheer Anselmus, dat u eindelijk woord houdt, volg mij maar, want ik wil u nu maar dadelijk in het werkvertrek brengen.” Toen schreed hij snel het lange voorhuis door en opende een kleine zijdeur, die in een gang voerde. Anselmus stapte moedig achter den archivaris aan; van uit de gang kwamen zij in een zaal of eigenlijk in een prachtige plantenkas, want aan weerszijden tot aan het dak verhieven zich allerlei zeldzame, wonderlijke bloemen en zelfs groote boomen met vreemdaardig gevormde bladeren en bloesems. Rondom ontspreidde zich een verblindend wonderlicht, zonder dat men zien kon vanwaar het kwam, want er viel géén venster te ontdekken. En toen de student Anselmus tusschen struiken en boomen inkeek, schenen lange doorgangen zich tot in verre verte te verlengen. — In het diepe duister van cypressenstruiken schemerden marmerbekkens, waaruit zich vreemde gestalten verhieven, stralen van kristal 44 opspuitend, die klaterend nedervielen in glanzende leliekelken; ongewone stemmen fluisterden en suisden in het woud der wonderlijke gewassen en heerlijke geuren stroomden af en aan. Verdwenen was de archivaris en Anselmus zag slechts een forschen struik gloeiende vuurlelies voor zich. Door dit gezicht en door de zoete geuren van den toovertuin bedwelmd, bleef Anselmus aan de plaats gebonden staan. Toen begon alom een zacht gegrinnik en gelach en fijne stemmetjes plaagden en spotten: Ha, Mijnheer de student, Mijnheer de student! Waar komt u toch vandaan? Waarom heeft u zich zoo mooi gemaakt, mijnheer Anselmus? Wilt u er met ons wat over babbelen, hoe grootmoeder met haar achterste het ei stuk drukte en de jonker een kwak op zijn Zondagsche vestje kreeg? Kent u de nieuwe aria al van buiten, die u van papa Starmatz geleerd hebt, mijnheer Anselmus? — Wat ziet u er potsierlijk uit met uw glazen pruik en uw bordpapieren kaplaarzen.
Zoo werd geroepen, gegrinnikt en gespot van uit alle hoeken — zelfs van vlak naast den student, die nu eerst zag, hoe allerlei bontgekleurde vogels hem omfladderden en hem op die wijze volop lachend te schande maakten.
In dit oogenblik schreed de vuurleliestruik naar hem toe en hij zag, dat het archivaris Lindhorst was, wiens gebloemd, schitterend geel-en-rood morgenkleed hem misleid had. „Verontschuldig mij, waarde heer Anselmus,” zeide de archivaris, „dat ik u liet staan, maar ik moest in ’t voorbijgaan even naar mijn mooien cactus zien, die vannacht zijn bloesems zal ontsluiten — en hoe bevalt u nu mijn kleinen binnentuin?”
„Goede Hemel, wat is het hier buitengewoon mooi, geachte heer archivaris,” antwoordde de student, „maar die bontgekleurde vogels maken zich wel wat al te vroolijk over mijn persoontje.” „Wat beteekent dat gekwebbel?” riep de archivaris vertoornd in de struiken. Toen kwam er een groote grijze papegaai uitfladderen en terwijl hij zich naast den archivaris op een myrthentak zette, waarbij hij hem zonderling ernstig en gewichtigdoend aanstaarde door een bril, 45 die op den krommen snavel zat, rettelde hij: „Neem het mij niet kwalijk, mijnheer de archivaris, maar mijn baldadige knapen zijn weer zoo uitgelaten, doch mijnheer de student heeft daar zelf schuld aan, want” — „Sst, sst!” viel de archivaris den oude in de rede, „ik ken de snaken, maar gij moest ze beter in toom houden, mijn vriend! — laat ons verder gaan, Mijnheer Anselmus!” De archivaris doorschreed nog menig op vreemde wijze ingericht vertrek, zoodat de student hem nauwelijks volgen en een blik werpen kon op al de glimmende, vreemdvormige meubelstukken en andere onbekende dingen, waarvan alles overvol was.
Ten laatste betraden zij een groot vertrek, waar de archivaris met omhoog-gewenden blik staan bleef en Anselmus gelegenheid vond zich in den verrukkenden aanblik, dien de sobere versiering dezer zaal bood, te vermeien. Uit de azuurblauwe wanden traden de goudbronzen stammen van hooge palmen, die hunne immense, als vonkelende smaragden glinsterende bladeren in de hoogte tot een zoldering welfden; in het midden der kamer rustte op drie uit donker brons gegoten Egyptische leeuwen een porphyren plaat, waarop een eenvoudige gouden vaas stond, waarvan, eenmaal gezien, Anselmus de oogen niet meer kon afkeeren. Het was als speelden met duizenden weerschijnschemeringen allerlei gestalten op het glanzend gepolijste goud — menigmaal zag hij zichzelf met smachtend-open armen — o, naast den vlierstruik — en Serpentina wond zich omhoog en omlaag hem aanziend met haar bezaligende oogen. Anselmus vergat zich in waanzin van vervoering. „Serpentina, Serpentina,” riep hij luide, tot archivaris Lindhorst zich snel omwendde en sprak: „Wat bedoelt u, waarde heer Anselmus? — Ik geloof, dat het u behaagde mijn dochter te roepen, maar die bevindt zich aan de andere zijde van het huis in haar kamer en ontvangt juist klavier-onderricht, gaat u maar verder mee.” Anselmus volgde den weggaanden archivaris haast zonder bewustzijn, hij zag nòch hoorde iets meer, totdat de archivaris hem krachtig bij de hand vatte en sprak: „Nu zijn wij ter plaatse.” Anselmus ontwaakte als uit een 46 droom en bemerkte nu, dat hij zich in een hooge, rondom met boekenkasten bezette kamer bevond, die zich door niets van een gewone bibliotheek of studeerkamer onderscheidde. In het midden stond een groote werktafel met een bekleede leuningstoel ervoor. „Dit,” zeide archivaris Lindhorst, „zal voorloopig uw werkkamer zijn. Of u later nog in de andere blauwe bibliotheekzaal, waar u zoo opeens den naam van mijn dochter aanriep, zult werken, weet ik nog niet; — maar nu wilde ik mij wel eens van uw bekwaamheid, om den u toegedachten arbeid werkelijk naar mijn wensch en behoefte uit te voeren, overtuigen.” De student Anselmus hervond nu zijn moed geheel en haalde, niet zonder zelfvoldaanheid en in de overtuiging, den archivaris door zijn buitengewoon talent hoogelijk tot blijdschap te stemmen, zijne teekeningen en schrifturen uit den zak. De archivaris had nauwelijks het eerste blad, een oorkonde in de sierlijkste, Engelsche schrijfwijze, bezien of hij glimlachte allervreemdst en schudde het hoofd. Dit herhaalde zich bij ieder blad, zoodat den student Anselmus het bloed naar het hoofd steeg en hij, toen de glimlach eindelijk zuiver spotachtig en verachtelijk werd, vol wrevel uitbarstte: „Mijnheer de archivaris schijnt over mijn gering talent niet bijster tevreden.”
„Beste Mijnheer Anselmus,” zeide archivaris Lindhorst, „u bezit een voortreffelijken aanleg voor de kunst van het schoonschrijven, maar ik zie wel in, dat ik voorshands meer op uw vlijt, op uw goeden wil zal moeten rekenen, dan op uw bekwaamheid. Het kan ook wel aan het ondeugdelijk materiaal liggen, dat u gebruikte.”
Veel sprak de student Anselmus over zijn van andere zijde erkende vaardigheid in de kunst, over Oost-Indischen inkt en uitgezochte ganzepennen. Toen reikte archivaris Lindhorst hem het Engelsche blad toe en zeide: „Oordeel zelf!” — Anselmus stond als van den bliksem geraakt, toen hem zijn eigen handschrift zoo hoogst erbarmelijk voorkwam. Daar was geen ronding in de ophalen, geen neerhaal zuiver, geen goede verhouding tusschen groote en kleine letters, schoolknaapachtige, smadelijke hanepooten bedierven de 47 anders behoorlijk rechte regels. „En bovendien,” voer archivaris Lindhorst voort, „is uw inkt ook niet duurzaam.” Hij doopte den vinger in een glas met water en door maar even op de letters te tippen was alles verdwenen. Het was den student Anselmus of een gedrocht hem de keel toesnoerde — hij kon geen woord uiten. Zoo bleef hij staan, met het ongeluksblad in de hand, maar de archivaris lachte luid-uit en zeide: „Laat u hierdoor niet verontrusten, waarde heer Anselmus; hetgeen gij tot nog toe niet kondt volbrengen, zal zich hier bij mij wellicht beter voegen; daarenboven vindt u beter materiaal, dan waarover u vroeger beschikte! — Begint u maar goedsmoeds!” — Archivaris Lindhorst haalde eerst een vloeibare, zwarte zelfstandigheid, die een hoogst eigenaardigen reuk verbreidde, vreemd gekleurde scherp-gesneden pennen en een blad van een buitengewone blankheid en gladheid, daarna een Arabisch manuscript uit een gesloten kast en zoodra Anselmus zich aan den arbeid gezet had, verliet hij de kamer. De student had reeds verscheidene malen Arabisch schrift gecopieerd, zoodat de eerste taak hem niet zwaar toescheen.
„Hoe die hanepooten in mijn mooi Engelsch schuinschrift gekomen zijn, mogen God en archivaris Lindhorst weten,” sprak hij, „maar dat zij niet van mijn hand zijn, daar geef ik mijn leven op.” — Met ieder woord, dat nu welgeslaagd op het perkament kwam, wies zijn moed en daarbij zijn vaardigheid. Het was ook waarlijk een genot om met die pennen te schrijven en de geheimzinnige inkt vloeide ravenzwart en gewillig uit over het blinkend-witte perkament. Terwijl hij zoo volhardend en met strak-gespannen aandacht voortwerkte, werd het hem immer beter te moede in de eenzame kamer en hij was reeds volkomen met de onderneming, die hij tot een goed einde hoopte te brengen, vertrouwd geraakt, toen met klokslag van drieën de archivaris hem in de aangrenzende kamer tot het welbereide middagmaal riep. Aan tafel was de archivaris in een bijzonder opgewekte stemming; hij vroeg belangstellend naar de vrienden van den student Anselmus, conrector Paulmann 48 en den griffier Heerbrand, en wist voornamelijk van den laatste veel vermakelijks te vertellen. De goede oude Rijnwijn smaakte Anselmus uitnemend en maakte hem spraakzamer, dan hij anders gewoon was te zijn. Met het slaan van vieren stond hij op, om aan zijn werk te gaan en die nauwgezetheid scheen archivaris Lindhorst wel te bevallen. Was hem voor het maal het copieeren der Arabische teekens reeds gelukt, nu ging hem het werk nog zooveel beter van de hand, zelfs kon hij zich de vlugheid en het gemak niet meer begrijpen, waarmede hij de krullige halen van het vreemde schrift vermocht na te teekenen. —
Doch het scheen hem toe, alsof uit zijn diepste innerlijk een stem duidelijke woorden fluisterde: „Ach, hoe zoudt gij dàt kunnen volbrengen, indien gij haar niet in zin en denken droegt, als gij niet aan haar en aan hare liefde geloofdet?”
En door de kamer waaide als in zachte, zachte, lispende kristallen tonen: „Ik ben u nabij — nabij — nabij! ik help u — wees wakker — blijf standvastig, lieve Anselmus! — ik zorg voor u, opdat gij de mijne wordt!” En waar hij innerlijk-verrukt die tonen vernam, werden hem de onbekende teekens steeds vertrouwder — nauwelijks behoefde hij meer naar het oorspronkelijke te zien — zelfs scheen het, als stonden de teekens reeds in een bleek schrift op het perkament, zoodat hij ze maar met vaardige hand zwart hoefde over te halen. Zoo werkte hij voort, door liefelijke troost-tonen, als door een zoet, teeder ademen omsloten, tot de klok zes sloeg en archivaris Lindhorst de kamer betrad. Zonderling glimlachend trad hij op de tafel toe, Anselmus stond zwijgend op, steeds nog zag archivaris Lindhorst hem als met hoonend spotten onhoorbaar lachend aan, nauwelijks had hij echter het afschrift ingezien of de glimlach verging in den diepen, plechtigen ernst, waartoe zich alle spieren van zijn gelaat vertrokken. Dra scheen hij niet meer dezelfde. De oogen, die anders vonkelend vuur spatten, zagen Anselmus nu met onzegbare zachtheid aan, een teer rood tintte de bleeke wangen en instede van de ironie, die anders den mond samenkneep, schenen de weekgevormde, aantrekkelijke 49 lippen zich te openen tot een wijs, het gevoels-innerlijk rakend spreken. — De heele gestalte werd hooger, waardiger; het wijde morgenkleed legde zich als een koningsmantel in breede plooien om borst en schouders en door de witte lokjes, die over het hooge, opene voorhoofd lagen, wond zich een dunne, gouden band. „Jonge man,” ving de archivaris plechtiglijk aan, „jonge man, ik had voor gij het nog kondt vermoeden, al de geheime betrekkingen geduid, die u met wat mij het liefste en heiligste is, verbinden! — Serpentina heeft u lief en een vreemde betoovering, welker noodlottige draden door vijandige machten gesponnen werden, wordt opgeheven, als zij de uwe wordt en gij als onafwijsbare huwelijksgift, de gouden vaas ontvangt, die haar eigendom is. Maar slechts uit den strijd ontspringt uw geluk in het hoogere leven. Vijandige elementen zullen u aanvallen en slechts de innerlijke kracht, waarmede gij de aanslagen weerstaat, kan u redden van smaad en ondergang. Door hier te werken, maakt gij uw leertijd door; geloof en inzicht voeren u het doel nabij; als gij u maar vasthoudt aan datgene, wat gij beginnen moest. Blijf haar innerlijk trouw, haar, die gij liefhebt en gij zult het prachtig wonder der gouden vaas aanschouwen en gelukkig zijn voor altijd. — Het ga u goed! archivaris Lindhorst verwacht u morgen om twaalf uur in uw werkkamer! Het ga u goed!”
De archivaris schoof den student Anselmus zachtjes de deur uit, die hij daarop toesloot en hij bevond zich in de kamer, waar hij gegeten had, en welker eenige deur naar het voorhuis voerde. Verdoofd door de wonderlijke verschijningen bleef hij voor de voordeur staan, tot boven hem een venster openging. Hij zag op; het was archivaris Lindhorst; volkomen de oude man met grijswitten mantel, zooals hij hem bereids gezien had. — Hij riep hem toe: „Wel, waarde heer Anselmus, waarover peinst u zoo, ik wed, dat het Arabisch niet uit uw hoofd wil? Wees zoo goed, mijnheer den conrector Paulmann te groeten, wanneer u hem wellicht bezoekt en komt u morgen met klokslag van twaalven terug. De bezoldiging voor vandaag bevindt zich al in uw rechter vestzak.” — De student 50 Anselmus vond inderdaad den blanken, gemunten Thaler in den aangewezen zak, maar hij verheugde er zich volstrekt niet over. —
„Wat er van dit alles worden moet, weet ik niet,” sprak hij tot zichzelf, „moge mij ook slechts begoocheling en spokerij omstrikt houden, in mijn binnenste leeft en heerscht toch de liefste Serpentina en liever dan van haar af te laten, wil ik geheel en al ondergaan, want ik weet immers, dat de gedachte in mij eeuwig is en door geen vijandig element kan vernietigd worden; maar is die gedachte ook wel iets anders, dan Serpentina’s liefde?”
Hoe conrector Paulmann zijn pijp uitklopte en naar bed ging. — Rembrandt en de helsche Breughel. — De tooverspiegel en het voorschrift van dokter Eckstein tegen een onbekende ziekte.
indelijk
klopte conrector Paulmann zijn pijp uit en zeide: „Het is nu toch tijd,
om ons ter ruste te begeven.” „Zeker,” antwoordde de door het lange
opblijven haars vaders ontruste Veronica, „want het heeft al lang tien
uur geslagen.” Nauwelijks was de conrector dan ook naar zijn studeer- en
slaapvertek gegaan, nauwelijks gaf het zwaarder ademhalen van Fransje
aan, dat zij inderdaad vast ingeslapen was, of Veronica, die zich voor
den schijn ook te bed gelegd had, stond zacht, heel zacht weer op,
kleedde zich aan, wierp een mantel om en ontsloop het huis.
Van het oogenblik af, dat Veronica de oude Lize verlaten had, kwam haar onophoudelijk Anselmus voor oogen, en zij kon zelve niet begrijpen, welke vreemde stem in haar binnenste maar immer en immer weer zeide, dat zijn weerstand door een haar kwaadgezind persoon veroorzaakt werd, die hem in banden hield, welke Veronica door de mysterieuse middelen der magische kunst zou kunnen verbreken. Haar vertrouwen in de oude Lize groeide met den dag en zelfs stompten zich de verontrustende, huiveringwekkende indrukken af, zoodat al het wonderlijke en buitengewone van haar omgang met de oude terugbleef in den luister van het niet-alledaagsche en romaneske, dat haar juist zoo aantrok. Derhalve rustte in haar ook het voornemen, op gevaar af gemist te worden en in velerlei onaangenaamheden verwikkeld te geraken, het avontuur der dag-en-nachtevening 52 door te maken. Zoo was dan eindelijk de gevolgenrijke nacht van het Aequinoctium, waarin de oude Lize haar hulp en troost toegezegd had, ingetreden en Veronica, al lang vertrouwd geraakt met de gedachte aan den nachtelijken tocht, was blij gemoed. Pijlsnel vloog zij door de eenzame straten en lette niet op den storm, die de lucht doorwoelde en haar zwaren regendroppen in ’t gelaat wierp. — Met dof doordreunende klank sloeg de klok van den Kruistoren elf, toen Veronica doornat voor het huis der oude stond. „Ha, lief kind, lief kind, zijt gij daar al! — wacht even, wacht maar even!” — klonk het van boven — en dadelijk daarna stond de oude, beladen met een korf en van haar kater vergezeld, voor de deur. „Nu zullen wij dus heengaan om te beginnen en te volvoeren, wat geschieden moet en vrucht draagt in den nacht, die het werk gunstig gezind is;” dit zeggende greep de oude met kille hand de rillende Veronica, die zij den zwaren korf te dragen gaf, terwijl zij zelf een ketel, een drievoet en een spade opnam. Toen zij in het veld kwamen regende het niet meer, maar de storm was krachtiger geworden; een veelstemmig gehuil vervulde de lucht. Een ontzettende, hart-doorsnijdende klacht weerklonk uit de zwarte wolken, die zich snel-varend tezamendichtten en alles in dikke donkerte wikkelden. Doch haastig schreed de oude voort en riep galmend-schel „licht — maak licht, jongen!” Toen kronkelden en kruisten zich blauwe weerlichten voor hen uit en Veronica werd gewaar, hoe de kater haar onder knetterend vonkgesproei voordanste, terwijl zij zijn benauwd, huiveringwekkend wanhoopsgeschreeuw hoorde, als de storm een oogenblik stil was. — Haar adem begaf haar, het was of ijzige klauwen grepen in heur binnenste, doch met kracht hervatte zij zich en terwijl zij zich sterker aan de oude vastklemde, sprak zij: „Het moet nu alles volbracht worden, er kan gebeuren, wat er wil.” „Goed zoo kind!” antwoordde de oude, „blijf maar flink standvastig, dan zal ik u iets moois geven en Anselmus nog bovendien.” Eindelijk stond de oude stil en zeide: „Nu zijn wij ter plaatse.” Zij groef een gat in den grond, schudde daar kolen in en zette er den drievoet boven, waarop zij den 53 ketel plaatste. Dit alles begeleidde zij door bijzondere gebaren, terwijl de kater zich in kringen om haar heen bewoog. Vonken spetten uit zijn staart, een smallen vuurring vormend. Spoedig begonnen de kolen te glimmen en eindelijk sloegen blauwe vlammen van onder den drievoet uit. Veronica moest mantel en sluier afleggen en bij de oude neerhurken, die hare handen greep en strak vasthield, het meisje met fonkeloogen aanstarend. Nu begonnen de vreemde zelfstandigheden — of het bloemen, metalen, kruiden, dan wel dieren waren, viel niet te onderscheiden — die de oude uit den korf genomen en in den ketel geworpen had, te koken en te bruisen. De oude liet Veronica los, zij greep een ijzeren lepel, die zij midden in de gloeiende massa stak en die daarmede doorroerde, terwijl Veronica op haar gebod met onafgewenden blik in den ketel zien en haar gedachten op Anselmus richten moest. Opnieuw wierp nu de oude blinkende metalen en een haarlok, die Veronica zich van de kruin geknipt had, alsook een ringetje, dat zij langen tijd had gedragen, in den ketel, terwijl zij onverstaanbare, den nacht huiver-aanjagend schel-doorgalmende klanken uitstiet en de kater rusteloos rondrennend krijschte en steunde. —
Ik wou, dat gij, genegen lezer, den drie-en-twintigsten September op reis naar Dresden geweest waart; tevergeefs had men beproefd u, toen het laat op den avond werd, ter laatste pleisterplaats te doen blijven; de vriendelijke waard betoogde, dat het toch àl te hard regende en stormde en dat het tòch al niet geraden was in den nacht van het aequinoctium zoo maar de duisternis in te rijden, maar daar lettet gij niet op, doordat gij zeer terecht aannaamt: ik zal aan den postillon een vollen Thaler drinkgeld geven en dan ben ik op zijn laatst om één uur in Dresden, waar mij in den Gouden Engel of bij Helm of in De Stad Naumburg een smakelijk avondmaal en een zacht bed wachten. Als gij op deze wijze in het donker voortrijdt, ziet gij in de verte opeens een vreemd-flakkerend licht. Naderbij gekomen ontwaart gij een ring van vuur, te midden waarvan, bij een ketel, waaruit dichten damp welt en rood-bliksemende stralen en vonken 54 schieten, twee gedaanten zitten. De weg voert recht door dat vuur, maar de paarden proesten en trappelen en steigeren — de postillon vloekt en bidt — hij striemt de paarden met zweepslagen — zij komen niet van de plaats. — Onwillekeurig springt gij uit den wagen en stormt eenige passen voorwaarts. Klaar ziet gij nu het slanke, liefste meisje, dat in een dun, wit nachtgewaad bij den ketel knielt. De storm heeft haar vlechten losgewoeld en het lange kastanjebruine haar fladdert ongehinderd in den wind. Het engelmooie gelaat wordt geheel omgeven door den verblindenden gloed der van onder den drievoet opflakkerende vlammen, maar in de ontzetting, die haar ijzigen stroom eroverheen goot, werd het tot doodsbleekheid verstard en in den staarblik, in de opgesperde wenkbrauwen, in den mond, die zich tevergeefs tot den kreet van doodsangst opent, welke zich niet kàn losscheuren van de door namelooze pijn gefolterde borst, ziet gij haar huiver, haar ontsteltenis; krampachtig houdt zij de kleine handen saamgevouwen omhoog, als bad zij de beschermengelen, haar te bewaren voor de gedrochten der hel, die gehoorzaam aan de macht der toovenarij, elk oogenblik kunnen opdoemen! Zij ligt daar onbewegelijk geknield, een marmerbeeld gelijk. Tegenover haar neergehurkt op den grond zit een lang, schraal, kopergeel wijf met een scherpen haviksneus en vonkelende kattenoogen; de naakte, knokige armen strakken uit den zwarten mantel, dien zij omgeworpen heeft en terwijl zij roert in het helsche brouwsel lacht zij en roept met krijschende stem in den bruisend woedenden storm. Ik geloof wel, dat u, genegen lezer, al kendet gij ook anders angst noch vreeze, bij het zien van dit, nu in ’t werkelijke leven verplaatste, schilderij van Rembrandt of den helschen Breughel, van ijzing de haren te berge gerezen zouden zijn. Maar uw blik kon niet aflaten van het in helsche doening bevangen meisje en de electrische schok, die al uw zenuwen en fijnste vezelen doorsidderde, ontstak met de snelheid van den bliksem in u het stoute denkbeeld de geheimzinnige machten van den vuurkring te trotseeren; daarin verging uw ijzing, neen, eigenlijk kwam dat denkbeeld juist op uit die ijzing en ontzetting. 55 Het kwam u voor, als waart gij zelf een van de beschermengelen, die het tot den dood beangste meisje aanriep en als moest gij nu dadelijk uw zakpistool te voorschijn brengen,