Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Gevleugelde Daden, by Herman Heijermans Jr.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Gevleugelde Daden
       Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers

Author: Herman Heijermans Jr.

Illustrator: Herman Heijermans Jr.

Release Date: December 8, 2006 [EBook #20060]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK GEVLEUGELDE DADEN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

Gevleugelde daden.

Avonturen der eerste Hollandsche luchtschippers

Tweede, goedkoope druk.

Uitgeverslogo

Uitgegeven bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum in het jaar MCMVIII.

[Inhoud]

Gedrukt te Leiden bij L. van Nifterik Hz.

[Inhoud]

Inhoud.

Eerste Kapittel. De proefneming gelukt 1
Tweede Kapittel Waarin veel duisters belicht wordt 17
Derde Kapittel Dakwaarts 29
Vierde Kapittel De villa wordt berucht 47
Vijfde Kapittel Stoornis in de atmosfeer 78
Zesde Kapittel Perrol met de roode hand 86
Zevende Kapittel Een tragische dag 102
Achtste Kapittel Kobus wordt gearresteerd 120
Negende Kapittel Angsten en vrede 136
Tiende Kapittel Holland in de wolken en Zegepraal 163

[Inhoud]

Pour ma fille, quand elle aura quinze ans.

[1]
[Inhoud]

Eerste Kapittel.

De proefneming gelukt.

“Ils partent; et loin d’eux repoussant la barrière,

Ils fendent dans les airs les nuages mouvans,

Et de leurs piés ailés ils devancent les vents.”

(Metamorphoses d’Ovide).

Sinds de lichte kist met ’t duur rembours in meneer’s knutselkamer ontpakt was, sinds die kamer op slot bleef, leek al het correcte, zorgvuldige, wel-overwogene van meneer, mevrouw en de nog ongetrouwde dochter heengespookt.

’t Begon met den zolder, in geen vòlle maand gedaan, de zolder die ’n niet-zuinige beurt noodig had, de zolder waarvan mevrouw zèlf had gezeid dat ’t ’n schandaal was, hoe de spinragen in alle hoeken en gaten zaten—en waarop nou nièmand ’n voet mocht zetten. [2]

Handig as meneer prutsen kon, had-ie de deur op twee plekken gegrendeld en de sleutels in z’n vestzak gestopt. Ja, zóó was ’t gekke begin geweest.

Kobus, de huisknecht, had ’r zich niet druk om gemaakt—die vond àlles best, maar Christien, de oude Chris, die de menschen over de veertien jaar kende, zat met Jans, de tweede meid, uren en uren achter kommetjes koffie nijdasserig te schrapen over ’t wantrouwen om èn meneer-z’n-kamer èn den zolder af te sluiten.... Als je iets vermiste, zee je ’t, bleef-je niet koppen, niet broeien. Dat had geen pas.

Nog was ’t gepraat niet geluwd, toen ’n verbluffing geschiedde. Jans, die ’r ’t minst recht op had, kreeg tien dagen vacantie, tièn dagen om ’r moeder in Friesland op te zoeken, en toen Christien, die nooit ’n dàg vrij-af nam, omdat ze geen levende ziel op de wereld bezat, geduldig aan mevrouw duidelijk maakte, dat ze tièn dagen ’t huis niet alléén an kon, dat Kobus op zìjn werk was angewezen en zij op ’t hàre, dat de boel lekker zou vervuilen, omdat ze maar twéé handen an ’r lijf had, antwoordde mevrouw, dat ze ’t in die tien dagen dan maar niet zoo precies most nemen en dat juffrouw Amélie ’n beetje zou meehelpen. Nièt zoo precies .... nièt zoo precies. De [3]ouwe meid bleef ’r geslagen van, zóó paf en verschrikt, dat ze ’r gemeenzaam-brutalen toon van meid-die-onmisbaar is, die ’n stuk-van-de-familie geworden, als ’n glibber-paling door ’r vingers liet glijden....

Jans, lekker as kip, reisde af en nog dien eigensten avond, terwijl Kobus op den weg voor den tuin Tutu en Zo, de glanszwarte schippertjes, de harte-lievelingetjes van mevrouw uitliet en Chris bij den gootsteen den vatenboel redderde, slingerde de reeks zotheden der familie zich tot in de sfeer van ’t uitmiddelpuntig-uitbundige.

Meneer Zwaluw, op z’n kousen loopend, op z’n kóúsen—’t was om ’t te besterven!—stond in de deuropening, zonder dat ze ’n geritsel gehoord had.

“Chris,” zeide meneer, die als altijd op dit uur van den avond één rooie wang had, purperen bultplek van de antemakasser, waartegen-ie afterdinner-tukte: “Chris, meid, heb je geen trek in ’n loopie?”

“In ’n loopie?”—, had ze verbaasd-suffig geantwoord: “daar heb ’k ommers nou geen tijd voor....”

“Dan maak je maar tijd—’t is ’n pracht van ’n weertje,” had-ie prettig aangespoord.

“Nee,” had ze nòg eens gezegd: “eer de vate [4]klaar binne en eer ’k de vloer heb gedweild, is de avond om....”

“Nou jij máákt ’n loopie,” had-ie aangedrongen.

Heensluipend, onhoorbaar, was-ie verdwenen zoo as-ie gekomen was en drie minuten later, ook op ’r kóúsen—goeie God, ze joegen je de stuipen op je lijf!—kwam juffrouw Amélie, die ’r ’n handje in ’t huishouen zou helpen, nou Jans in Friesland zat, maar nog geen vinger had uitgestoken—schuifelde juffrouw Amélie in de keuken, vrindelijk-lief, Chris voor, Chris na zeggend, om ’r te porren, om ’r an te zetten, om ’r óók voor ’n loopie ’t huis uit te jágen.

Wantrouwend, ’r geen sikkepit van begrijpend, had de ouwe opzetlijk getreuzeld, opzetlijk de borden en schalen nòg is nagespoeld, opzetlijk de keukentafel ’n beurt gegeven. Toen—je zou zooveel listigheid niet achter ’r zoeken—had mevrouw gescheld en ’r poes-aaierig verzocht allemaal nuttelooze boodschappen te doen, dingen die niet noodig waren, die Kobus net zoo goed had kunnen halen, Kobus die vanavond met Tutu en Zo op den loop was, ook met boodschappen voor meneer. Eerst om negen uur, lang scharrelend op ’r kamer naast den zolder, was ze heengegaan en toen ze gehaast, dol-gehaast, omdat ze ’t zaakje niet vertrouwde, al om halftien voor ’t tuinhek [5]stond, zag ze ’t zoldervenster fel-verlicht, ’t witte gordijn neer en daarachter de akeligste schaduwen, asof meneer an de droogstokken schommelde. En benee in de huiskamer alles donker....

Ongerust schellend, zenuwachtig-rukkend, zonder dat Tutu en Zo aansloegen, had ze wel tien minuten moeten wachten, eer meneer op z’n kóúsen en zweetend asof-ie uren gedraafd had, open dee.

“’k Dacht dat ’r onraad was,” had ze gezegd.

“Onraad—we zaten in ’t donker te pràten,” had meneer hijgend geantwoord.

Op dat gejok had ze gezwegen, in de keuken nog wel ’n dik half uur op Kobus wachtend, die met Tutu en Zo naar den hondenscheerder was geweest, om de propere diertjes te laten wasschen.

“Kobus,” had ze benauwd gegrommeld: “d’r gebeure hier tegenwoordig dinge die nièt zuiver zijn.”

Hij had ’r uitgelachen, ’r voor de mal gehouen, ’r op de vette schouders geklopt, ’r in d’r zij gepiekt, zooas-ie wel meer dee as-ie uitgelaten was. Nee, van onzuivere dingen bij de familie Zwaluw geloofde-die niks. Menschen die op geen duizend gulden hoefden te letten, die de mooiste auto van de heele buurt hadden, ’n pracht van ’n Peugeot met magnetische ontsteking en ’n reserve-auto voor vies weer en d’r eigen electrisch licht in huis brandden, menschen die prompt alle dagen betaalden, [6]nooit ’n kwitantie terugstuurden, menschen die de béste buren ontvingen en om de haverklap groote reizen deeën, nee, vette Chris kon in ’r bolle hoofie opzouten wàt ze wou, hij had lol over ’r bezorgdheid. Want dat meneer ’r laatst had willen leeren om met Brussel en Berlijn te telefoneeren en dat ze met ’n schrikgil de gehoorbuis had laten vallen, toen ze geluid hoorde, dat was zóó krimmeneel stom geweest en daar hadden ze allemaal zóó om gelachen, dat as Chris ’r neepjesmuts schudde over onzuivere dingen in huis, je vanzelf weer an ’r angst van tóén dacht! Genoeglijk grinnekte Kobus ’r malligheden weg, z’n pruim beknabbelend, waarvan-ie ’t sop om de halve minuut in den tuin ging loozen.

Dat was Woensdagavond.

Donderdagmiddag begon óok Kobus te twijfelen. Hakkelend—je kon zoo merken dat ze met ’r woorden geen raad wist—zei mevrouw aan Chris, dat juffrouw Amélie ineens zoo’n idee had gekregen, om wat hóóger in huis te slapen. Of Chris ’r wat tegen had voor ’n dag of acht de logeerkamer in ’t benedenhuis te betrekken? Kobus sliep toch ook in ’t sousterrein—bàng had ze niet te zijn.

“Jakkus, wat ’n invalle—dat doe ’k niet!”, had Chris nijdig geweigerd: “waarom mot ìk van me kamer af?....” [7]

“Omdat de juffrouw ’t zoo graag wil—ze vindt ’t uitzicht bóven—over de boomen zoo lief—doe jij ’t nou maar—ik zal ’t goed met je maken....”

Weerbarstig, uit ’r humeur, had Chris nog ’n poosje tegengestribbeld, ’r ’n hoop vinnigheidjes uitgeflapt, toen, omdat mevrouw op d’r stuk bleef staan, had ze morrend gehoorzaamd.

Den heelen dag dee ze geen mónd open.

Meneer, mevrouw, juffrouw Amélie, Jans, Kobus: iedereen wist, dat às Chris bùiten ’r doen was, às ze over iets ’t land had, ze ’r lippen als ’n geperste citroen geknepen hield. Ze werkte, kookte, bewoog dan als ’n stomme, smeet de pannen, sloeg de deuren, liet twee-, driemaal schellen. Lieten ze ’r kalm in ’r eigen saus smoren, dan kwam ze nà ’t eten bij. Dièn dag duurde ’t lànger. Om tien uur, toen ze ’t slot van de logeerkamer omdraaide, had ze nog geen enkel woord gesproken, had ze niemand goeien avond gewenscht en Kobus op al z’n geginnegap geen asem gegeven. Voor den spiegel had ze ’t piekerig geel haar gekamd, ’r ’n vlassig vlechtje van gevingerd, ’r ’n veterband om gelegd. En in ’t lekker bed stappend, met ’r wollen kousen an voor ’t vocht van de lakens, had ze liggen prakkizeeren over den moedwil van rijke menschen, die alle dagen [8]wat nieuws verzinnen, omdat ze met d’r tijd geen raad weten.

Zachtjes in-sluimrend, soezend over ’t houtwerk in de keuken, dat ze morgen ’n soppie zou geven, kreunde ze òp in fel-gelen schrik.

Ergens boven ’r hoofd werd gestommeld.

Duidelijk hóorde ze bons na bons en schrapzittend in ’t bed, de vette knieën gejukt tegen ’r kippevel-lijf, stokte ’r adem toen ’n dakpan, schor van val en klepperslag, in de goot plompte. Even schokte ’r lichaamsmassa als een zuigerstang in de dekenholte, even floepte ’r hartmokering de lakens als ’n tooneelzee in golving—dan bezeten-van-vrees an ’r naaidoos in de meidenkamer denkend, de doos met de gespaarde Amsterdamsche lootjes, veerde ze ’t bed uit, om de kaars an te steken.

De wekker stond op kwart òver twaalf.

Alles sliep in huis, de hondjes blaften niet—en werachtig, werachtig, nog terwijl ze in klappertandende overweging bij de deur luisterde, rammelde een tweede dakpan, stooterig krassend over den gootrand heen, in den tuin, waar-ie met ’n mullen plof in de teelaarde ploempte.

’n Stuipende reflex dee Chris de deurkruk omdraaien, en ’t trapje afstotterend naar ’t sousterrein, de handkom om ’t zuig-waaiend eindje kaars, [9]bebonsde ze met stevige meppen Kobus’ deur.

“Kobus!” had ’r stem geschord: “Kobus—toe dan Kobus!”

Opgeschrikt de deur openend, had-ie ’r voor ’t eerst van z’n leven in ’r nachtjapon, met waarlijk ontbloot vleeschnekje en zwabberend vlasstaartje gezien. D’r lijkwit gelaat had enkel spookachtige gaten van mond en oogen en onthutste wenkbrauw-striemen.

“Is ’r brand!” had-ie geschreeuwd.

Zij, ongevoelig voor z’n magere haar-kuiten en beenige voeten, had ’r vetten wijsvinger op het mondgat gelegd, ’m tot stille luistering hitsend.

Boven hield ’t botsend gerommel aan en gedempt door de gesloten deuren, lustigde een lach.

Nou dan!”—, gromde Kobus: “wat is ’r dan? Ze zijn nog op!”

“Nee Kobus—néé, Kobus,” heeg ze: “d’r is onraad op ’t dak—d’r binne panne gevalle.”

Met dat ze ’t zei, kwekkerend van geraas, klaar stootend over de andere pannen, schoof ’r weer een van ’t dak, scherp ketsend tegen den gootrand.

“Nou,” zei hij, kribbig-van-slaap-gestoordheid: “dan zalle we is gaan kijke.”

Kordaat schoot-ie in z’n broek, liet de bretels wild bungelen en z’n zakmes openend, dat snerpend [10]van bloeddorst in ’t kaarslicht spetterde, liep-ie de loopertrap op.

Zij, achter ’m, half-stikkend van adem-proestinkjes, schokkelde mee, de dansende kaars in ’r handen. De vlam belichtte de geel-eeltige voetballen van Kobus, de koperen roeden.

Hoe hooger ze kwamen, hoe vreemder ’t gerucht werd. ’r Moest iemand op ’t dak zijn, ’n kat kòn dat niet. Even kleefden Chris’ kouse-voeten aan ’t loopergoed, even bonsde ’t in ’r hart als in ’n overkokenden ketel.

“Blijf nou niet àchter met ’t licht!”—praatte Kobus met kelder-donkere stem. Zóo’n akkevietje vond-ie ’t niet.

Hijgend stapte ze verder, d’r eene hand als ’n scheerbak onder ’t smijdig aflekkend kaarsvet, dat in bleeke propjes ’r kleumig vleeschje bedauwde.

Niet pratend, grauw van zwijgenis, doorstapten ze de holle ruimten der laatste treden en dáár de geluiden ongedempt hoorend, bleven ze in meest ademlooze gebluftheid, gereed om de trappen terug te hòllen. Want achter de zolderdeur schaterde ’t ingehouden gelach van mevrouw en juffrouw Amélie—gelach—gelach—op zòlder—’s nachts bij half een....

“Jessis nog toe,” schorde Chris voor ’t laatst.

Kobus porde ’r in ’r zij. [11]

De ooren naar de zolderdeur gerekt, de halzen gespannen, hielden ze zich aan de trapleuning vast.

Juffrouw Amélie leek te dansen—telkens schokte ze neer, dan bij de deur, dan verder af.

Toen in een langere stilte, klonk ’n gesprek zoo bizar, zoo over het krankzinnige heen, dat Chris van angsten en spanning ’t heete kaarsvet op de voeten van Kobus liet druipen.

“Pa”—, zeide Amélie’s stem, hard van klank tegen de steenen muren der zoldering: “pa—laat u òns nou ook in de goot....”

“Nee, ’t is hier te donker!”—, riep meneer’s stem van buiten.

“Hè, toe man,” praatte mevrouw: “de goot is niet voor jou alléén!”

“Allemachtig,” fluisterde Chris: “hoor je dat ze....”

Kobus’ porrende vuist dempte ’r gebabbel.

Opnieuw luisterden ze, adem-inhoudend, naar ’t helsch-dwaas praten op zolder.

“Je mag wèl in de goot,” sprak meneer, neuriënd tusschen elk woord: “en je mag om ’t huis heen tot an de schoorsteen, maar niet na benejen—bij de Spaarns is nog licht op en in de meidenkamer bij Leuring zit de meid ’n roman te lezen....”

“Daar kom ’k, pa—hoepla! dolletjes!” [12]

“Is de goot dróóg, Piet?”

“Wat hindert dat?”

“Nou op me kousen is ’t niet alles, Piet!”

“Dan ga je maar schuins langs de pannen.”

“Pa—ik schiet effen na benee—’t is tè snoezig!”

“Wil je ’t laten?”

“Dag paatje....”

Benee blafte de waakhond bij Leuring.

“Daar hèb je ’t!”—, gromde meneer.


Chris was ’r bij gaan zitten. Op drie na de bovenste traptree, ’r eene stevige been schuin geplant als ’n schorende stut bij ’n verzakkende pui, ’r linker-elboog ver-papt in de kanting van ’t hout, hield ze zich schrap, ’r Oogen folterden de trapschemering in, ’r mond donker van scheur, smartlijk verwrongen als in brand-stapel-pijniging, scheen in angst-schreeuw versteend.

De ontzettingen van Lot, de huivringen der door Vargas gekwelden, droeg ze op ’r ontredderd gelaat. Meneer, mevrouw, de juffrouw, ’s nachts half een in de goot, pretmakend in de goot, zóo dat de dakpannen omlaag kieperden—en de juffrouw die na benejen wou springen—’t was van zulk eene nachtmerrielijke aandoening, dermate keel-nijpend en zenuwspannend—Heer-in-de-hemel: [13]drie tegelijk gèk!—dat ze in fatale verstijving, in ’t portaal benee te pletter gehobbeld zou zijn, als Kobus ’r geen vinnigen trap had gegeven. ’t Afdruipend kaarsvet brandde z’n voet.

“Stik nou!”, riep-ie woest, niet in staat om te fluistren: “hou de kaars recht! Ben jij dol om alles op me poote te late druipe!”

Hij dànste van pijn, ’t zakmes in de hand, de bretels bol-spartelend op z’n rug.

Zij, uit ’r bezwijming gewekt, wreef ’r klam voorhoofd.

“Kobus,” hakkelde ze, na elk woord kaarswalm-asperges happend: “Kobus—je mot—jij mot de bure wekke....”

“Stil—suscht!”—zei hij, her-trappend. Als ’n moordenaar sluipend, kroop-ie de laatste treden op naar de kamer van Chris, naast den zolder. Zachjes opende-die de deur. As ze ’r wat van zouen zeggen, kon-ie makkelijk antwoorden, dat-ie onraad gehoord had.

“Kom hier!”, fluisterde-die: “dan kijke we door jouw raam wat ze uitvoere!”

“En de juffrouw die op mijn kamer slaapt”..., hijgde Chris, ’m nastrompelend.

De rest van ’r gedachte-gesputter verspoot in ’t Oneindige, want de kaars, òn-bestand tegen zooveel [14]angstzuchten, floepte uit, kniezig nog naglimmerend als ’n lauw-walmend vonkje.

“De kaars is uitgewaaid,” sprak ze, half-grienend de welgekende donkerte der kamer doorstappend, en in ’r zenuw-verstrooidheid bestreek ze de heup-plek waar ’t doosje lucifers zat, als ze gekleed was.

Kobus luisterde niet.

Voorzichtig, zonder gepiep of gesteun, had-ie ’t raam opgeschoven, ’t bovenlijf over de goot gebogen.

“Nou?”—, vroeg ze.

Hij bleef in ’t venstergat gevroren, beweegloos, ademloos.

“Wat zie je?”—, drong ze aan, een der bretels berukkend, alsof ze ’n schelknop te pakken had.

“Hou je bek!”—, adviseerde hij gedempt: “die beroerde kant van ’t dak staat in de weg—ze zijn in de goot an ’t scharrele....”

Klappertandend van vrees èn door de nachtkou die ’r vleezig nekje bestreek, kwam ze náást ’m ’t kozijn beleunen, de mollige armen half op ’t zink van de goot.

Het was een lieve zomeravond. De sterren liepen te hoop om de maan, die als een gladgepoetst koperen sikkeltje, in geklonter van veel stijfsel en rijst, te glans-blazen stond. [15]

De waakhond bij Leuring blafte onrustig.

“Binne ze nòg op ’t dak?”—, vroeg ze rillerig.

“Hoor maar!”—, zei Kobus.

Naastan, om den hoek, die belette te kijken, klonken de stemmen, duidelijker nu.

“Je doet ’t nièt meer,” knorde meneer: “zoolang die lamme hond blaft, hou je je stil.”

“Weet je wel,” sprak mevrouw, zoo gezellig-rustig alsof ze op theevisite was: “weet je wel Piet, dat ’t geen twee jaar meer duren kan of de menschen motten voor d’r veiligheid honden op ’t dak vastleggen....”

“Hoor je dat?”—fluisterde Chris: ze binne stapel—je mot de politie waarschouwe....”

“Stil dan,” snauwde de huisknecht.

“Da’s pas ’t begin,” lachte meneer in aller-lekkerste opgewektheid: “ik neem zeker ’n bloeddog op òns dak of ’k leg klemmen in de goten. Zoo. De hond blaft niet meer. Nou—ik doe nog ’n toertje langs ’t huis. Amélie waar ga je heen, kind?”

“Ik ga òm ’t huis, pa.”

“Stoot je niet an de stang van de schoorsteen, kind!”

“Nee pa.”

Op datzelfde moment gaf Chris ’n gil die ’t maansikkeltje dee trillen. [16]

Juffrouw Amélie, met ’n broek van ’r pa an, vloog ’t dakraam voorbij en de hoofden van Kobus en Christien herkennend, schoot ze zoo in den lach, dat de waakhond van de overzij opnieuw kwaadaardig tekeerging. [17]

[Inhoud]

Tweede Kapittel.

Waarin veel duisters belicht wordt.

L’homme est né libre, et partout il est dans les fers.”
(Du Contrat Social, Rousseau.)

De heer Pieter E. Zwaluw was in z’n jongste jeugd ’n knutselaar geweest. Timmeren, soldeeren, plannetjes-maken, ’t zat ’m alles zóo glad, dat ’r ’n wònder uit ’m gegroeid zou zijn, als ’t wonder zònder centen-steun mogelijk ware. Zwaluw Senior evenwel had ’n kleine spekslagerswinkel en nauwlijks ’t geduld z’n eenigen zoon de driejarige-hoogereburgerschool te doen afstudeeren—hij was ’r zònder zooveel ònnuttigheid gekomen.—Piet, versch van de school, vol van de schoonste beginselen van wetenschap en kunsten, droomend [18]van zuurstof, waterstof, Goethe en trigonometrie, daalde tot den slachtkelder en het zwijn. De eerste dagen, stil en chagrijnig, dee-ie enkel z’n mond open om Sander, den ouwen knecht, geleerdheden te vertellen over de ruggegraat, de wervels, de schedelbeenderen, ’t gebit, de maag. Klukte ’t bloed van ’n pas geslacht zwijn in den emmer, dan verhaalde hij vreemde dingen van witte en roode bloedlichaampjes en kwam pa benee voor de finesses van worst, hammen en zult, dan geurde-die zelfs met ’n opgevangen woord latijn en zei “laten we sus-lapjes maken, pa.” De levenswerkelijkheid is ’n droevig ding. Sterker geleerden vergeten hun jeugdzwoegenissen, werpen algebra, bolvormige driehoeksmeting, astronomie en de formules van organische scheikunde als ballast overboord. Waartoe te behouden wat ’n nuchter bestaan als dood materiaal verschopt? In weinig maanden was Pieter z’n te veel kwijt, ging-ie op in de kunst van het zwijn, in het volledig verwerken der vak-geheimenissen, waarvan velen smullen, doch weinigen de uitverkoren artiest-ingewijden zijn. Zwaluw Senior leerde hem beginselen en grondbeginselen, ’t stoppen van worsten in soorten, ’t behandelen van zwijnsbloed, ’t rooken en koken van ham, ’t bereiden van fricadellen, ’t kloven van varkenspootjes, de wiskunstige maat [19]van saucijsjes. Nooit had Pieter kunnen vermoeden dat een simpel zwijn, ’n zwijn van haren en bagger, tot geneugten in honderd variaties was te herleiden. IJverig, leergierig leerling, werd-ie triestig-vlug Meester, daar Senior aan een plotselinge indigestie stierf, diepst betreurd door weduwe en zoon, die de zaak onder aanbeveling op den ouden voet voortzetten. Van af die gebeurtenis lei de firma Wed. Zwaluw & Zoon zich moderner op de zaak toe. Al het oer-vernuft, het praktisch geknutsel van Pieter kwam tot ontbolstering. De winkel werd verbouwd met ’n pracht-spiegelruit en étalage-nieuwigheden. Zelf—in z’n vrije avond-uren—boetseerde hij reuzel-blokken tot schepen en beroemde mannen. Zelf stelde hij iederen Zaterdagavond de meest giganteske worsten en hammen, de drillendste gelatine-schotels in ’t plassend licht van kronen en kandelabers. Het zaakje vlotte. Benee was ’n kleine gasmotor gekomen om ’t vleesch te malen—van boven naar benee liep ’n spreekbuis. Wat de tijd aan nieuwigheden bracht greep-ie aan. ’n Bakker, naast ’m, zond aan z’n klanten prijscouranten van krentetimpen, profetebroodjes, scharbollen, boterkadetjes, piekjes, botervlinders, Zeeuwsche rotjes en wat de bakkunst meer gewrocht had—hij, snuivend als ’n padvinder, bijna lyrisch van stemming, zat ’n paar [20]nachten op voor ’n geïllustreerde, fransche reclame met pieds de cochon truffés, jambon, saucissons en zoo voort. Toch zou-ie met al z’n moderne geestdrift voor het goede en schoone des zwijns, eerst op làter leeftijd in volkomen welstand geraakt zijn—men slacht nòch zwijnt zich in deze dagen spoedig rijk—hadde hij geen Schweineglück verrast door ’n speculatie in Amerikanen, ’n nonvalide fonds dat in twee maanden dertig procent steeg en ’m ’n paar ton toesmeedt. Alleen z’n vrouw—dochter van ook ’n slager—zoo bleven de verlangens in harmonie—hoorde ’r van. ’n Voorzichtig man verpraat zich niet, doet geen confidenties aan snoode vrienden. Nog geen zeven jaar in zaken, verkocht-ie z’n smakelijke Charcuterie hollandaise, ancienne maison Veuve Zwaluw et fils en verdween uit de plaats. Ook dàt was wijs en wel-overlegd. Een profeet is niet geëerd in ’t eigen land, een rijk-geworden charcutier behoudt een luchtje van metworst en truffels in de eigen gemeente, ook dan wanneer het zwijn slechts ten dééle de effectentrommel spekte. Pieter Zwaluw retireerde naar buiten, kocht een villa van ’n gefailleerd notaris, en rap van accomodatievermogen, leefde-die eenige jaren zóo teruggetrokken, zoo deftig hollandsch-stil, dat-ie [21]respect afdwong, dat-ie bij de andere rentenierende burgermenschen, die allen ’n vlek van kruidenierswaren, koffie-en-gros, kleermakerij of comestibles in hun verleden hadden, niet alleen getapt werd, maar voor gedistingeerd versleten.

Ouwe liefde roest niet—Pieter Zwaluw bleef knutselen en in ’t moderne leven. Hij was de éérste villa-bewoner met electrisch licht en telephoon, de eerste die z’n fiets voor ’n motorfiets wisselde, de eerste die ’n auto in diè streek bereed. An politiek dee-ie niet. Voor den gemeenteraad en de Provinciale Staten hadden ze ’m candidaat willen stellen—hij had beslist geweigerd. ’t Prikkelde ’m niet—’t bleef buiten z’n ambitie. “De eenige goeie politiek,” wijsgeerde-die: “is de politiek van de geldkoningen in Amerika. Die hebben maling an oorlog en vrede, an Kamers en regeeringen—die maken ’n trust en doen wat ze willen....” Met Amerika dweepte-die. Als de fondsen achteruit liepen, lachte-die slim, wachtend tot ze weer rezen. Ze rezen altijd, àls ’r ’n geldkoning achter zat. Die hield de touwtjes, liet de heele wereld sjaggeren, winnen, verliezen, zoolang hij wou. ’r Was maar één land en dat land was Amerika. ’n Heel jaar reisde-die met z’n vrouw en Amélie van New-York naar San Louis, van San Louis naar Philadelphia en Baltimore. En [22]toen ze thuis kwamen waren ze alle drie veramerikaanscht, spraken ze met een dikke w en een klankvolle ij. De winteravonden in de villa met ’r comfort en afgesnoepte buitenlandsche handigheden vlogen voorbij. Illustraties lezend en biljartend, de effectenkoersen bestudeerend en ontvangend, leefden ze in prettigsten famieliekring. Overdag zat-ie minstens ’n paar uur in z’n knutselkamer de oude jeugd-genegenheden te beliefhebberen. Geduldig kon-ie uren vermorsen met scheikunde-proefjes van twintig jaar geleden—hoe zoutzuur op zink reageerde—hoe natrium in water rondkoortste—hoe electrische polen water ontleedden—hoe caliumchloraat met zoutzuur of bruinsteen chloor gaf. Dan praatte-die van z’n laboratorium, dee vrouw en dochter hébété staan door machtige proefnemingen met Emserpastilles, asch en spiritus, die saam ontstoken gedrochtelijke slangen deden verrijzen. “Hoe jammer dat Piet niet gestudeerd heeft,” knikte dan mevrouw, die zooveel kunde niet vermoed had in den artist-van-het-zwijn, dien ze getrouwd. Als Piet den auto bestuurde, zelf als chauffeur, voelde ze zich volkomen veilig. Piet kroop onder de machine in de stalling, repareerde zelf. Hij was ’n man die onderzocht, die niks op geloof aanvaardde. [23]

“Zie je,” had-ie al voor járen geredeneerd, lang voor iemand (behalve Jules Verne) ’r zich druk om maakte: “wij verspillen ons geld an dure oorlogsschepen. Engeland heeft maar te toeten en onze paar schuiten zijn geblazen. Als ik ingenieur was, sliep ’k niet rustig voor ’k ’n onderzeesche boot had gebouwd. Dat kàn. Da’s enkel ’n kwestie van techniek en techniek is op den langen duur geen centiem waard. Met twaalf onderzeesche booten ruimen wij de heele Engelsche, de heele Fransche, de heele Duitsche vloot op. Als al de Hollanders ’n paar jaar in Amerika konden leven, zouen ze wàkker terugkomen. ’n Klein land, onzin! Wat wou de Engelsche vloot tegen ònze onderzeesche torpedobooten? Niemendal! Je kreeg nòg eens ’n tocht naar Chatham, toen de Engelsche Koning voor óns gebeefd en gehuild heeft! Als ik met ònze onderzeesche booten uitvaar, dan maak ’k van Holland wat ’t wàs—ja—ja—toen de sleutels van de Sont in ’t Haagje leien. Nou zullen anderen ons voor zijn. Dat voorspel ik!”

Z’n voorspelling kwam uit. Telkens als-ie ’r over las, keek-ie z’n vrouw en z’n dochter aan, knipte met de oogen en sprak: “Jawel! Nou zie je hoe anderen met mìjn veeren strijken! Over vijftig jaar is de heele vaart onder water, heb je [24]geen schipbreuken meer, kan ’t stormen zoo hard as ’t wil, wordt niemand meer zeeziek....”

“’k Wou dat wij zoo’n boot hadden, pa,” droomde Amélie verlekkerd.

“Dat kòmt—as je maar wacht. Wie kon vroeger denken dat je in je huiskamer met heel Duitschland praten zou? Techniek is alles. In twintig minuten tuf ’k van Den Haag naar Leiden! Ooit gedroomd toen ’k ’n jongen was? Eer ’k dood ben, vlieg ’k met vléugels van hier naar Amsterdam en van Amsterdam naar Arnhem....”

“Nou Piet—nou sla je door,” merkte mevrouw op: “vliegen is ondenkbaar.”

“Ondenkbaar,” sprak hij geëxalteerd: “ondenkbaar is dat je zèlf ’n ei maakt. Nee, ’n ei maken ze nooit. En às ze ’t maken, maken ze meer en is de aardigheid van ’t leven af. Maar vliegen zooas de vogels, wel waarom niet? Techniek, enkel techniek! Wat lappen en wat evenwicht en je trekt met de ooievaars naar Egypte.”

“Wat ’n leuk idee,” droomde Amélie: “als wij ’t maar meemaken—we heeten net zoo aardig Zwaluw. Typisch, hè, pa—als ze zouen zeggen de Zwaluws zijn ’n toertje an ’t maken in de wolken....”

“Nou Piet, dáár doe ik niet aan mee,” zei mevrouw zeer voorbarig. [25]

“Jij zou rustig meévliegen en hóé meevliegen.” betoogde hij, z’n armen fel uitzwaaiend, alsof-ie op ’n kansel stond: “eerst wou je niks van fietsen weten—in de auto was je niet mee te krijgen—mòrgen vind je ’n vlieg-tocht je prachtigste sport—wacht maar—wacht maar....”

Zij strubbelde nog wat tegen, hij sloeg door, sloeg geweldig door, z’n beste hoogerburgerschool-geleerdheid uit de pantsering van zwijnszaken en charcuterie-beslommeringen herzoekend.

Van koperen gewichten, zaliger nagedachtenis, als ze onsjes boterhammenworst en zure zult sneed, met ’n dun schijfje toe voor ’t overwicht, begreep ze grondig den Schijn en het Wezen. Maar z’n wijs gepraat over soortelijk gewicht, om ’r duidelijk te maken hoe de lijfszwaarte, ’t bierbuikje eens menschen zich tot lucht verhielden, bleef haar eene beklemming der Rede. Een ons gekruide leverworst—zoo als Pièt gekruide worst maakte, dee nièmand ’t meer!—was ’n òns en ’n ons brood was grooter van omvang en ’n ons bedveeren wèer grooter: dat lei allemaal voor de hand, daar hoefde je je geen hoofdpijn over te denken. Hoe hij wist te vertellen dan goud ’n soortelijk gewicht van negentien komma drie, koper een van acht komma negen, aluminium een van twee komma vijf en zestig had, nee daar zat je [26]schaàpachtig ja bij te knikken, zonder ’r ’n klank van te verstaan.

Piet, met z’n wollen sokken tegen ’t haard-rooster, in die lange gezellige winteravonden, als ’r geen visite was, kwam op datzelfde neer. Zijn idee van onderzeesche booten hadden ze gegàpt, zijn idee van vliegen als de vogels, zouen ze net zoo moeren. Als zijn vader Edison geweest was, had-ie mogelijk de enormste dingen ontdekt. Enkel de quaestie van boffen. Edison was ’n boffer, Stephenson ’n boffer, àl die knappe menschen die ontdekten en uitvonden, omdat ze elken dag vrij konden scharrelen en zoeken, waren heel-gewone boffers.

In ’n Charcuterie hollandaise had je geen kans....

In ’n Charcuterie, als je hammen rookte, worst stopte, kluifjes hakte, pleegde je geen zoogenaamde ònt-dek-kin-gen te doen, die ’n ander voor ’t grijpen had.

“Onthou ’t—let goed op,” praatte-die in vergenoegde stemming: “de kunst om ’n mensch lichter te maken dan de lucht is geen kunst. Waarom kan ’n kip wèl wat ’n mensch niet kan? De gebrajen kip die we vanmiddag gepeuzeld hebben, kon over de schutting. Waarom jij niet?” [27]

“Omdat ’k niet over de schutting noodig heb,” zei mevrouw dom.

“Omdat we ons nooit moeite gegeven hebben,” sprak hij luciede-wijsgeerig: “we hebben wel allen ’n staart en die staart is vergroeid....”

“Kom pa!”, ginnegapte Amélie, die van de lagere school thuis was gebleven en alleen nog later, na de prachtspeculatie, Fransch van ’n Fransche juffrouw geleerd had.

“We hébben ’n staart,” hield pa, zéker van z’n weten, vol: “en die is vergroeid, omdat-ie ongebruikt bleef en ’t zou me niks verwonderen dat met onze schouderbladeren—mot je bladen of bladeren zeggen, Amélie?—in vroeger tijden gevlogen is! Gister heb ’k bóven de kanarie gewogen....”

“Piet wat ’n onzin....!”

“....Geen onzin! Om den drommel geen onzin—’k heb ’m gewogen en z’n vleugels gemeten. Dan zouen wij in verhouding tot ons soortelijk gewicht heele zeilen noodig hebben om mee te vliegen en om dan te gonzen als ’n bij of als ’n bromvlieg, zouen we met die zeilen duizend slagen in ’n minuut moeten maken.”

“Piet schei in godsnaam uit,” huiverde mevrouw, ’r man verdacht-angstig aankijkend. Hij fantaseerde tè benauwd: “Piet, ’t is haast nacht, je bezorgt me kippevel....” [28]

“Kon ’k je maar kippevléúgels bezorgen,” zei Piet, sentimenteelig-verliefd z’n grocje slurpend.

1) Bij deze eerste der frappante serie teekeningen naar de Natuur en het Leven, door den auteur op verzoek des kunstzinnigen uitgevers—die hem in de nieuwe qualiteit ontdekte—ontworpen, stuit de niet-academisch opgeleide kunstenaar op de onvoorziene moeilijkheid een lepeltje, een schijfje en eenige citroenpitten in het groc-glas des heeren Zwaluw te schetsen. Men gelieve deze zeer fantaseerbare voorwerpen, zoomede de wármwaterdamp, alsnog in verbeelding aan te brengen en de haartjes in den eenigszins dikken inkt des artiests te ontschuldigen.

S. F.

[29]

[Inhoud]

Derde Kapittel.

Dakwaarts.

“Von der Stirne heisz, rinne musz der Schweisz,

Soll das Werk den Meister loben,

Doch der Segen kommt von oben.”

(Schiller.)

Nog geen maand na dit zwaar-beslagen discours, terwijl ze om de thee-tafel zaten, elk met ’n blad der avondkrant, Amélie de gemengde berichten las, mama het feuilleton en pa de laatste noteeringen van Eries, Steels en Missouris, kreunde pa plotseling.

“Is ’r wat, Piet?”, vroeg mevrouw, bang voor ’n nieuwe daling in Amerikanen.

“Nee, niks,” zei-ie in z’n stoel terugleunend, tòch zoo somber van staring, dat ma ongerust naar het koersenblad greep. [30]

Nog voor ze ’t had, hield pa driftig de krant onder de lamp en na ’n nieuwe gretige lezing, die z’n gelaat in spanning verpaarste, hakkelde-die onthutst:

“Mooi. ’t Is ’r. Pechvogel as ik ben!”

“Pa, u maakt ons ongerust.” zei Amélie, ’r kopje thee op ’t schoteltje in schrik-botsing neerklikkend.

“Ze dóén ’t,” zei pa.

“Wat Piet?”

“Ze vliegen in Amerika.”

Z’n duim, aan ’t bericht vàst-geklonken, wees de plek. Mevrouw en Amélie, de hoofden naar de krant gebogen, lazen in purperen aandacht. ’t Stond ’r waarachtig. Een Amerikaan had ’n fabriek van vliegapparaten opgericht. Zelf was-ie twee uur rondgevlogen van de eene plaats naar de andre, ’n poos met tegenwind.

“Da’s ’n godswonder,” sprak mevrouw, droomerig dazend over het tafelblad heen.

“Nou?”, vroeg hij: “is ’t alweer mijn idee? Dat heb ’k alles an vader te danken....”

Dien heelen avond, half geërgerd, half extatisch, beredeneerde hij het bericht—den volgenden morgen, in volle begeerigheid zijn geestelijke uitvinding in practischen vorm te zien, seinde hij naar New-York. Weggesmeten geld of niet, hij wou experimenteeren. ’t Telegram met antwoord kostte [31]over de dertig gulden. ’s Middags—heerlijk volk, die Amerikanen!—hàd-ie bericht. Elk toestel kostte tweehonderdvijftig dollar, cash. Twee weken later was de kist er.

Twéé weken later. ’t Leek ’n eeuwigheid. Dag en nacht dacht-ie er aan. Vloog ’n musch in den tuin, tipte ’n spreeuw op ’t kozijn, dan glimlachte pa. Bij de duiventil achter ’t huis, glimlachte-die. Bij de kakelende kippen, glimlachte-die. Lieve goeie hemel, dàt was allemaal niks. Dat vloog met onverstand, zonder gedachte, zonder begrip. ’t Groote ontzaglijke wonder was op komst, ’t duizelingwekkend wonder dat de heele menschheid zou veranderen, dat spotte met rivieren, zeeën, dalen, dat in gewonen en overdrachtelijken zin nèèr-zag op trams en treinen, dat ’n fiets, ’n motor-fiets, ’n auto plots tot trekschuit-gedoe verschimde, dat grenzen en volken dee verdwijnen, dat bij elke stoffige stad een kostelijk lucht-leven schiep, dat den mensch dee behooren tot het boven de aarde vliegend gevogelte, geschapen op den vijfden dag der wording, dat ’n rumoer, ’n omwenteling zou geven, waarbij alle stoom en electriciteit kinderspul leek.

Klaar, volkomen-helder, was ’m de gebeurtenis nog niet. Dat was ook ondenkbaar. Wie overzag de veranderingen der wereld als iets grootsch werd geboren? De éérste stoommachine had àl wat bestond [32]van z’n voetstuk geslagen ’t eene schichtig gebeuren had ’t ander verdrongen. Je wist haast niet beter. Je had geen tijd om ’ns behoorlijk ’n allernieuwste ontdekking te beslapen. ’t Genoegen van ’t wonder fiets verslapte na ’n jaar—na ’n jaar liet je je stuurstang, je pedalen roesten.... De auto, de eerste maanden druk bereden, bleef ook al wéken op stal.

Nou daagde ’t vliegen, ’t vrij-uit stijgen boven de huizen, ’t lustig-ongestoord klepperen van dorp naar dorp, zonder lastige honden, zonder kans ’n kind te overrijden, zonder tolgeld, lekke banden of bekeuringen....

Fluitend liep pa ’t dorp rond, de menschen voorbijstappend, ze niet ziend, zóo als z’n oogen vast zaten aan wat bóven gebeurde. En ’s avonds praatte-die uren en uren met z’n vrouw en met Amélie. Al wat vogel was, passeerde de revue. Eerst nù zag-ie wat de gevleugelde dieren ’n prachtbeesten waren, wat ’n toekomst de Vliegende Mensch had....

Midden in die schoone overwegingen kwam de kist als ’n bom. In de knutselkamer, boven, met ’r geleerde uitstalling van fleschjes en potten, werd ze ontpakt. Eerst viel de inhoud tegen. Meneer had ’t zich ingewikkelder voorgesteld, minder eenvoudig en grooter.

Het was een vrij sober instrument, dat je makkelijk [33]kon monteeren en waarvan de gebruiksaanwijzing glashelder scheen. Mevrouw zat in Piet’s studeerstoel verbaasd te knikkelen, Amélie hielp de machine saamschroeven.

Langs je rug liep een stang als van ’n fiets, die ’n aluminium-geraamte droeg. Benee waren gewone pedalen. Betrapte je die, dan bracht ’n ketting ’n twaalf raderen in beweging en bewogen twaalf zijden vlerken.

Boven het hoofdeind der stang was een parachute voor te sterken zonschijn en regen, mede om daling te temperen. Dan door een voortreffelijk mechanisme van aluminiumlatten, kon je vóor in het geraamte door een kleine wijzerbeweging de zijden vleugels in verschillende standen brengen om tegen den wind in te laveeren.

Er was een zelf-werkende olie-toevoer voor de raderen (onzichtbaar), en aangezien de toestel bij goede weersgesteldheid een hefvermogen van één honderdvijftig kilo had, een waarlijk voortreffelijk gewicht, bleef er mogelijkheid voor niet overladen-logvette vliegers om aan een haak (A) ballast op te hangen, ten einde het evenwicht absoluut stabiel te maken. Overigens was er, gelijk nauwlijks vermeld behoeft te worden, een mand voor parapluies en wandelstokken (B) en bezaten de zware pedalen (onzichtbaar) een holle ruimte, gelijk in moderne [34]strijkijzers, voor doovekool-verwarming, met het oog op het vriezend jaargetij.

De geheele toestel, sierlijk van voorkomen en bewerking, kon opgevouwen worden in een vierkante nette kist (D). Bij de stuurstang was een wimpel (C) in nationale kleuren bevestigd, om de richting van den wind aan te duiden. De gebruiksaanwijzing schreef dringend voor, om in geval van daling de parachute door middel van een knop-druk te doen opspringen en bij het in vlieg-werking zetten des toestels van eene verhevenheid te springen, om de raderen in beweging te brengen óver het doode punt heen.

Dit alles vaag en onbeholpen be-tekst, váárdiger in illustratie gezet, deed mevrouw Zwaluw zacht-verrukt glimlachen. Pieter in het instrument, de voeten op de pedalen, de schouders be-epauletteerd door een paar gewatteerde stangen, had allerminst den schijn van een zoet-gevleugelden engel, doch de toestel met de twaalf zijden vlerken gaf hem iets imposants en verschrikkends.

Voor den spiegel bekeek-ie zich.

“Ik vrees,” zei-ie met zekere benepenheid, nu het Wonder hem omzat: “dat ’k ’t heele dorp voor ’t tuinhek krijg als ’k ’m buiten probeer.”

“Ja,” schuchterde mevrouw: “dat kun je bùiten niet doen, Piet. Als ’t nièt lukt, geeft ’t ’n schandaal....” [35]

1) Toestel met néérgelaten parachute—de heer P. E. Zwaluw staande op de kist. Een en ander met kleurtinten, oorspronkelijk als steenteekening, alweder naar de Natuur geschetst, onder toezicht van den kunstcriticus Alb. Plasschaert. De sokken des heeren Zwaluw waren in terra-cotta aangeduid, de vleugels in crême, de jekker in karmijnrood. Helaas, had de beknibbelende uitgever finantieele en technische bezwaren. Bij een herdruk worden deze mogelijk opgeheven. Terwille der perspectief zijn de beenen des heeren Zwaluw een weinig verlengd. Men aanschouwe deze artistieke en wetenschappelijk-schoone teekening met één oog dicht—làng turend zal men de vleugels zien bewegen. Epreuves d’artiste bij den kunsthandel verkrijgbaar. S. F.

[36]

“En als ’t wèl lukt,” viel hij haar in de rede: “blijft ’t nòg lastig. Want allicht slaat ’n paard op hol. Jammer. De menschen begonnen net an auto’s te wennen. Je weet hoe ’t met ’n nieuwigheid gaat....”

“Doe ’t dan vanavond als ’t donker is, pa....”

“’k Wou ’t hier wel èerst probeeren.”

Bleek om z’n neus en met diep-zwarte zenuw-pupillen, begon-ie te trappelen. De zes linksche vleugels plompten ’n windgeul in de kamer. De gordijnen bewogen, de paperassen van de tafel dwarrelden heen.

“Hè!”, schrikte mevrouw: “wat waai je, Piet—’k transpireer toch al zoo van de emotie....”

“Hoe wou je ’t anders doen?”, zei hij nerveus, “’k zie geen kans zonder wind te vliegen....”

Weer trapte-die stevig, weer ritselden papieren naar den grond—zonder dat-ie omhoog ging.

“Dat komt, pa, omdat u ergens op moet staan,” maande Amélie met de gebruiksaanwijzing in de handen.

Uit de pedalen stappend, klom-ie op ’n stoel, zette zich af, kwam met ’n bons neer. ’n Flesch zwavelzuur, geheel ontdaan, smakte omlaag.

“Da’s prettig,” gromde hij.

Tegelijk klopte Chris, die den slag had gehoord. [37]

“Niks! Niks!,” snauwde Pieter Zwaluw: “blijf in je keuken!”

Nijdig trapte-die z’n bottines uit, om ’t geraas te dempen en hardnekkig hèt willende bereiken, beklom-ie de aanrechtbank, waarop-ie zooveel scheikunde-proeven genomen had.

Het gelukte.

Ineens steeg-ie naar het plafond, stiet z’n hoofd. De kalkbladders besneeuwden z’n haar. Ongevoelig bleef-ie peddelen, ’t hoofd tegen ’t plafond gedrukt.

“Nou?”—, vroeg-ie vuurrood van genot: “wat zeggen jullie daàr van? Zie je, dat als ’r geen zoldering was, ’k boven de daken zou raken?”

“’t Is in één woord prachtig,” bewonderde mevrouw.

“Vanavond moet ’k ’t buiten doen,” hijgde meneer: “’t is gewoon ’n fiets, ’n vliegende fiets....”

“Dan moet u ’r ’n acetyleen aan hangen, pa,” mijmerde Amélie: “anders vliegt u tegen de telephoondraden op.”

“Dàt zal ’k wel laten,” riep pa, ’t hoofd tegen ’t plafond, de voeten in peddeling: “’n licht zou alles verrajen! ’k Zou zoo ’t raam uit willen. Je zal me niet gelooven, maar ’k voel me als ’n kanarie in ’n kooi!”

’n Kwartier lang schuierde z’n haar spinnewebben [38]en kalk van ’t plafond—toen, ’n weinig geëchauffeerd, liet-ie zich zakken.

“De eerste dagen kun je je op zolder oefenen, Piet,” zei mevrouw: “’k had ’t nooit, nóóit gedacht....”

De zolder. Uitnemender inval had niemand kunnen hebben. In ’n kámer vliegen, dat merkte je wel dadelijk, had z’n bezwaren. De electrische kroon zat dwars—wat ’n geluk dat ze ’t gas hadden afgeschaft: de orkaan der twaalf zijden vleugels ware een verwoesting voor gloeikousjes en glazen geweest.... De zolder, hoog en ruim, met dwarsbalken voor zitjes, en ’n paar dakramen om van te watertanden, werd een prachtig oefeningsluchtveld. Mevrouw, meneer, Amélie sjouwden de onnoodige dingen in ’n hoek, stapelden de koffers op de waschkist, leien de droogstokken te zaam. En opnieuw vloog meneer met ’n akelig-tam vaartje rakelings langs de spinten. De kunstjes van het draaien had-ie al heel gauw te pakken. Dat lukte vanzelf als je links of rechts snèller trapte. Precies als de parachute, die zoo luchtig openknipte als ’n parapluie. Toch was ’t niet dàt. Om lekker, rustig te vliegen, had je de Ruimte noodig, zoo niet het Heelal, dan toch ’n plein of ’n stuk wei. Maar de buren, het Dorp. Je moest je zoo in acht nemen. ’n Nieuwe hoed bracht je [39]in Holland op de tong—’t boute, drieste van ’n vliegmachine kon je fatsoenlijke-burger-reputatie voor jaren knakken. Dat gaf herrie, gespot, geraas—niet te bèrékènèn. Als je op klaarlichten dag alleen maar in de goot wandelde, werd je voor gek versleten, had je kans dat de politie er aan te pas kwam. Alle overheids-overwegingen baseerden op den beganen grond, ontweken in haar conservatieven bouw het mateloos begrip lucht en hemel, zoolang dit ongrijpbaar ding onnoodig bleef voor bedrijfs en personeel of zoodra er nà bezetten tijd kleeden werden geklopt. De vliegmachine plofte die lauwe, domme onverschilligheid als een zeepbel uiteen. De begane grond, waar je ’m—o, spreekwoordlijke bluf!—en vol d’oiseau bekeek, was ’n ingewikkeld, raar spinneweb, ’n labyrinth van greppels, schuttingen, ijzerdraad-versperringen, hekken, muren. Van je jeugd af was ’t je door vermaningen, opstoppers en dreigementen ingestampt, dat je de beslotenheid van een terrein had te ontzien. Later begreep je volkomenst de dreigende waarschuwing:

Verboden toegang, ingevolge art. N. N. wetboek van strafrecht, voelde je de kadastrale wetenschap als eene logisch-noodzakelijke. Doch nu. Het exacte, wel-gesnoerde van den beganen grond, bewoog als ’t gewarrel van dansdronken [40]lieden, wanneer je als tirailleur der eenvoudigste vliegwerkelijkheid, je fantasie tot vogelvlucht zette. Pieter Zwaluw, voorzichtig staatsburger, die nog nimmer met de Overheid geharreward had, die z’n belastingen dádelijk betaalde, zonder ’n waarschuwing te wachten, die geen flauw begrip had hoe het manend formulier van gas- of waterleiding er uit zag, die z’n villa-deftigheid stormenderhand veroverde door z’n degelijke hollandsche stilte en venster-bedektheid, Pieter Zwaluw bekrauwde ernstig z’n al grijzende bakkebaarden. Het vliegen nòch ’t voorvoelen eener huizenhooge vlucht deed ’m duizelen—: het nièt in kadastrale vakken gehakt zijn der lucht, die onvoorziene anarchie boven de daken en boomen gaf ’m congesties. “Dit is mijn land en dat is mijn water,” kon je sta-vast zeggen. Geen welgeschapen mensch zou er zich om verwonderen. Maar het: “dit is mijn lucht” borrelde nog een weinig in gedachten-onthutsing. Links van zijn villa was een uitgestrekt villa-terrein met bosschen en vijvers van een zonderling jonkheer. Geen der buren had er iets anders van gezien dan het afsluitend struikwerk. Als hij, Pieter, uitvloog bleef ’m niets meer geheim, zag-ie de paden, het huis tot in finesses. Dat mocht en het mocht niet. Een vogel op je erf mocht je schieten, maar ’n mensch? [41]Rechts van de villa, op ’n tien minuten afstand, had het Rijk forten en schansen gebouwd. Bij de ophaalbrug liep een schildwacht. Niemand kreeg toegang. Maar boven, boven in de wolken, bij de discrete vogels en nog discreter sterren? Waar hielden de greppels, de schuttingen, de ijzerdraad-versperringen, de hekken, de muren op—waar begonnen ze in de oneindige Eenheid bóven? Waar pleegde je overtreding, waar stoornis van het wetboek van strafrecht, waar lùcht-vredebreuk? Je kon makkelijk en onbezonnen ráák gaan vliegen, als zulke excessen in je karakter leien, doch in minimalen tijd, terug op den geordenden beganen grond, zat je op gebrande blaren, kon je je onbesproken bestaan beklad en bevuild zien door verbalen en explooten.... ’n Eerste vlieger had geen baantje. De appel leek wrang. En dat alleen, omdat de ouwbakken wetgever de gevallen van “hinder, gevaar en schade” beneden een normale hoogte van vijftien meter getaxeerd had.

Een avond, bij theevisite, waagde Pieter het voorzichtig ’n advocaat te polsen, die in het dorp ’n grooten naam had, omdat-ie ’n paar maal candidaat voor de Tweede Kamer was geweest en in ’n beruchte zaak de beruchten vrij had gepleit.

“Amice,” vroeg-ie langs z’n neus weg: “mag [42]je in ’n eikeboom bij Jonkheer Sannes klauteren?”

“Natuurlijk niet,” zei de advocaat, verbaasd over zóó’n vraag bij zúlk een achtenswaardige familie.

“Zoo,” repliceerde Pieter, die z’n aanloop eenigszins onhandig genomen had: “op z’n dàk mag je zeker ook niet?”

“Wel nee, amice—wat ben je klimlustig,” lachte de rechtsgeleerde.

“En als ’k nou vijf en twintig meter bóven z’n dak, maar toch òp z’n terrein ben,” hield de gastheer aan, heelemaal nerveus door ’t ooggeknipper van mevrouw en van Amélie die bang waren dat-ie zich zou verpraten, dat-ie ’t ongelooflijk zolder-geheim zou verklappen: “als ’k dertig, veertig meter bòven z’n park....”

“Als u dàt,” lachte de advocaat: als u dàt doet is u ’n vogeltje geworden en mag u redeneeren dat u zoo vrij is als ’n vogel in de lucht....”

“Je neemt me niet au sérieux,” klaagde Pieter.

“Uw man is van avond wel in de wolken,” ginnegapte de advocaat: “ik heb liever vasten grond onder mijn voeten, mevrouw....”

Verder drong Pieter niet aan. De dingen tè zwaar-tillend opnemen was verkeerd en als je logisch dacht, kon niemand protesteeren tegen ’t vrije veld, de onbeboetbare Ruimte van ooievaar, leeuwrik-musch [43]en spreeuw. De struisvogel, vastgebakken aan de aarde, was ’n mispunterig dier....

Jans werd op reis gezonden, Chris moest verkameren. Nu de vliegmachines voor mevrouw en Amélie, per nieuwe dépêche besteld, óok waren aangekomen en geprobeerd, diende ’t dak òveral vrij te zijn. Langs en over de pannen te scharrelen met meidenkamers vlak bij, daar dankte je voor, en vooral die stomme Chris moest ’r buiten blijven. ’n Braaf mensch, ’n uitstekende meid, maar zoo’n gans, zoo’n èchte ezelskop—die plapperde ’r alles uit an de dienstboden van de Spaarns en de Leurings. Die éérste avond op ’t dak was ’n feest, ’n ontspanning als ze nog nooit hadden gehad. Mevrouw en Amélie, beiden met verknipte ouwe broeken van meneer aan—dames-vliegtoestellen waren er niet. zouden er waarschijnlijk nooit komen, omdat rokken te veel tegenstand boden en onvoegzaam werden—mevrouw en Amélie door ’t dolle heen, nu ze een paar keeren den zolder beklapwiekt hadden, hunker-oogden meneer na, die al een kwartier om ’t dak was gevlogen. Tweemaal aan de achterzij van ’t huis, waar de buren licht-loos waren, had-ie zich zich snel laten dalen, drijvend op de parachute. Dan weer opwaarts peddelend, proestend van pleizier herstapte hij in de goot naar het dakraam, buiten adem z’n sentaties vertellend: [44]

1) De uitnemende teekening illustreert den zin: “Dan weer opwaarts peddelend, proestend van plezier, her-stapte hij in de goot naar het dakraam, buiten adem z’n sensaties vertellend....” De heer P. E. Zwaluw, dien een te heetbloedig lezer te vergeefs zal zoeken, bevindt zich achter den voorsten schoorsteen. De beeldende kunstenaar zag er tegen op, het opwaarts peddelen, het proesten, het herstappen, het buiten adem sensaties vertellen en dat alles bij het zwakke licht der maansikkel (A), Eerste kwartier, in platte realiteit weer te geven. Niettegenstaande hij een nieuwe pen gebruikte, [51i]had hij wederom last van haartjes. Vandaar de harige maansikkel, waar een nimbus de fantasie hanteerde. Overigens doet het daken-aspect ’t voortreffelijk. Als ik me als auteur niet zoo deerlijk geblameerd had, werd ’k—o droevig, verloren talent!—daken-, goten- en schoorsteen-schilder. ’t Genre ligt braak. S. F.

[45]

“Kinderen—’t is over ’t goddelijke heen. Kinderen, daar haalt niks bij!” Extatisch hield-ie zich in evenwicht aan de stang van den schoorsteen (onzichtbaar). ’t Maanlicht beglansde de aluminiumlatten der vleugels.

“Is ’t niet ijzig, pa, als je in zóó’n diepte zakt?”, vroeg Amélie, zachtjes trappelend op raamshoogte.

“IJzig!”, zei hij: ’t goddelijke is dat je niks ziet, niks voelt. Je droomt!”

Met, te vurig van genietings-gebaar, trapte hij een pan van het dak, de eerste die donder-reutelend Chris zou opschrikken.

Noch mevrouw, noch Amélie letten ’t op. Zig-zaggend over den zolder, eenigszins geëmancipeerd in de vreemdlijk-heupende mansbroeken, met de te wijde pijpen, vleugel-klepperden ze in driftkoorts.

En toen ze eindlijk òp ’t dak mochten, en meneer in de scheemring als ’n monsterdier zagen vliegen óver de schoorsteenen en óver de linksche dakspitsing heen, meneer die lustig ’n Henry Clay rookte, alsof-ie ’n wandelingetje maakte—toen ze [46]de ongewoonheid van goten en dakpannen en diepten te boven waren, werden ze zóó opgewonden, zoo vliegbezeten, dat meneer ze kalmeeren moest en meerdere dakpannen omlaag roffelden, met het resultaat dat Chris in ’r nachttoilet en Kobus met het mes in z’n hand, juffrouw Amélie’s eersten tocht rond het dak verrasten.

“Pa!”, riep Amélie, nog nalachend, “Chris en Kobus kijken uit ’t dakraam!”

In ’n oogwenk kwamen meneer en mevrouw aangevlogen.

“Wat doen jullie hièr!”, bulderde meneer voor het dakraam zwevend.

“Chris, dat’s toch werkelijk onnet,” sprak mevrouw bedaard-aanpeddelend.

“Na bed en je mond houen!”, schreeuwde meneer. Hij had ook wel gemoedelijker kunnen praten, want Chris, de ouwe meid, te zeer besprongen door de nachtmerrie van vliegende mensch-beesten, dozijnen vleugels en ’t akelig-grinnekend maansikkeltje, zakte in mekaar, en Kobus, met koud-gespannen haren en ’n hart dat te bersten klopte, holde ’t kamertje uit, de trappen af, in één zet door, tot-ie in ’t sousterrein achter de gesloten deur in de dekengrot een schuilplaats had. [47]

[Inhoud]

Vierde Kapittel.

De villa wordt berucht.

“En hij voelde een groot, groot verlangen, om met zijne vrouw en zijne dochter op te gaan in die groote, oneindige schoonheid der werelden, onbewust als de witte wolken boven zijn hoofd, als de zachte, wijd-deinende ademen van de zee....”

(Het Zusje, Henri Borel).

“Roth wie Blut, ist der Himmel;

Das ist nicht des Tages Gluth.”

(Schiller.)

Met azijn en veel water brachten ze Chris bij. ’t Duurde ’n heele poos. ’n Scheut in ’r nek hielp ’t best. Suf, waarlijk wezenloos zat de meid op ’r bed, ’t haarstaartje zwart van vocht.

“Chris,” zeide meneer, “’t spijt ons wel dat je zoo geschrikt ben—we hebben gèvlógen.” [48]

“Chris, meid,” sprak mevrouw, “we deeën ons eerste toertje....”

“Toe nou, Chris—bederf ’t tochtje niet,” zei juffrouw Amélie.

Chris, nattig na-glimmend, met natte nekharen, natte slapen, Chris, zurig riekend als ’n gemarioneerde haring—’t heele azijnfleschje uit ’t stel was aan ’r verbruikt—wreef angstig de handen, zei enkel maar suffig en hardnekkig:

“....’k Hei zoo benauwd van bééste gedroomd....”

“Niet waar!”, viel meneer haar in de rede, “we hebben gevlogen—we zijn de éérste vliegers in Holland....”

De meid luisterde nauwlijks naar ’t onwijs gewauwel.

“Chris,” drong meneer aan: “je heb gezien wat je nièt mocht zien—als je je mond houdt, geen sterveling wat zegt, krijg je de volgende maand vijf-en-twintig gulden van me—verstaan?”

“O, lieve God, meneer—’k hei zoo vreeselijk gedroomd—’k hei zulke schrikkelijke dinge gezien.”

“Je heb nièt gedroomd, Chrislief,” praatte mevrouw ongeduldig-vriendelijk, “wij waren in de goot....”

“Heusch Chris—ik vloog om ’t huis,” bevestigde Amélie.

Chris keek ze verdwaasd aan. Het klonk nog [49]alles zóo in harmonie met ’r nachtmerrie van gedrochten bij ’t raam, dat ze ’r arm oud hoofd, niet geschikt voor derglijke moderne stoornissen, in de handen lei en ’r op los begon te snikken. Meneer en mevrouw en de juffrouw moste ’t ’r niet kwalijk neme—ze was heelemaal onderste boven—ze zou morgen na ’n dokter gaan—ze had zóo akelig, zóo miserabel, zóo hondsch-naar gedroomd van beeste, met twaalef vleugele die op ’t dak zatte, dat ’r hart zeer dee....


Dat was de éérste schrik dien de familie Zwaluw veroorzaakte, den eersten van ’n reeks. Met Kobus ging ’t vlotter. Die begréép toen meneer ’m op den zolder de kisten liet zien, die streek graag de fooi op en zwéég. Die hielp de volgende nachten ’n handje, kroop zelf op ’t dak en verbaasde zich over het wònder. Den derden nacht, langzaam voortvleugelend, maakte de familie haar eerste tochtje bij helderen maanschijn.

De honden, maanziek, sloegen aan, de mènschen hadden geen vermoeden. Alleen dichterlijke of verliefde naturen plegen lang ’n maannacht te bestaren—’t eenig-poëtische van ’t dorp was ’n rederijkerskamer met ’n leesgezelschap van fatsoenlijke producten—de amoureuse lieden liepen dien nacht in dònkere boschaadjes. Als [50][51]niet hier en daar, náast ’t verschrikt hondegejank ’n kat van de daken ware geschichtigd, zou ’t kostelijk gebeuren onopgelet zijn geschied.

1) Zoude ik waarlijk te veel hooi op mijn vork getorscht hebben? Om de weerga—’t is niet makkelijk! Onwillekeurig raakt men al illustreerend aan ’t vloeken. Derhalve moet een stijve-in-den-geloove er zich niet aan wagen. Met schaduw en slagschaduw meen ’k ’n bijster eind op weg te zijn—let s. v. p op de ongelooflijke moeilijkheid om maanspelingen, op simpel papier, in àl haar geweldige zwaarmoedige en etherische zwevingen, op ’n heel gewoon, zelfs léélijk dak te toucheeren (en zulks met Neelmeijer, niet met sepia, noch met krijt, noch met doezel, noch met teekenstift). Ongetwijfeld zult ge bij eersten oogopslag bevroeden, geachte lezeres en kunst-doorvoelster, dat mijne ongewone illustratie in beeld zet het: ’n Kat van de daken ware geschichtigd. Om den stompen schoorsteen uit het dak te doen leven, heb ’k—waarom het niet te bekennen?—bezwaarlijken arbeid gehad. Indien [57i]de een of andere Italiaansche rookverdrijver of provinciale deskundige grovelijk beweren mocht, dat zulke schoorsteenen niet bestaan, dat ze niet trékken—kort gesproken dat ze te buikig zijn—dan kan ’k uit ondervinding verklaren, dat ’k eenmaal woonde in een huis met zulk een schoorsteen, en dat we bij westen wind den rook in ’t huis en in ’t eten hadden. Dit is dus niet alleen realiteit, maar ook eene Aanklacht tegen misbouwde schoorsteenen. Voor het overige teeken ik niet voor Italiaansche rookverdrijvers, niet voor spitsvondige bouwmeesters, maar voor raisonable lieden. A en B stellen heenschichtigende katten voor. De auteur kan glad van schichtigen spreken: wij illustrators zitten met zulke ondoordachte expressies in onze maag. A is een kat. B een kater. Beiden gestoord in eene verklaring. De staart van B is forscher dan die van A. De geheele lichaamsbouw voorts. In nadere onkiesche aanduiding kan ik niet treden. In de staarten heb ik het schichtigen gesymboliseerd. S. F.

Dicht langs de daken en bijna raaklings aan de boomtoppen, bewogen zij voort—te hoog zulk een eersten keer was ongeraden, te meer omdat alleen de begane grond verlicht was. De tijd dat de wegen van stad naar stad óók naar de zijde der wolken belicht zouden worden, was er nog niet.

“Over vijf en twintig jaar,” redeneerde de heer Zwaluw, “vind je overal verlichte vliegpaden, zooals je nou fiets-paden begint te krijgen. Dat kàn niet uitblijven....” [52]

“Pa,” mijmerde Amélie, “over vijf en twintig jaar is àlles veranderd. Eenig!”

“Hoe zoo, kind?”

“Omdat ’t móét, pa. Wat je noù benejen ziet is dùnnetjes—vin u niet? Daken en nog ’ns daken. Je kan zóo zien, dat niemand ’r ’n sikkepit om maalt hoe z’n huis ’r van bóven uitziet. Allemaal vieze schoorsteentjes en smerige gootjes—vin ú dat móói, pa?”

“Nee, zeker niet,” zei meneer met z’n voeten langs ’n reuze-populier ritselend: “en die róókende schoorsteenen—bah, wat krijgen we ’n tractatie uit die pijp—laten we wat op zij vliegen! die rookende schoorsteenen vind ’k èrgerlijk. D’r is ’n verordening op ’t kleedenkloppen, ’r komt ’r natuurlijk een op ’t schoorsteenrooken. ’t Is ongepermiteerd hoe de menschen benejen de lucht boven vervuilen. Dat verandert.”

“En dan moeten wij òns dak wat in orde laten maken door den tuinier, Piet. Want niewaar, Piet, als onze kennissen mee gaan vliegen, zal je ’t meeste bezoek door ’t zolderraam krijgen. Dat moet je laten vertimmeren, Piet, met ’n nette balustrade en wat bloemperkjes en schulpen....”

“Nee,” weerlegde meneer: “we kunnen nou nog alleen plàtte daken gebruiken en op ’n plat dak, zònder schoorsteen—bah, hier rooken ze scharren!—kun je de keurigste perken onderhouen....” [53]

“Wat zal dat liéf zijn, pa, als je òp elk huis rozen en vergeet-me-nietjes ziet....”

Meneer klepperde even langzamer bij ’n zoldervenster.

“Piet!”, zei mevrouw streng.

“Wat doet pa, ma?”

“Niets,” zei mevrouw uit ’r humeur. Dáár zou ze ’m thùis over onderhouen. Binnen loeren bij ’n juffrouw, die ’r avondtoilet maakte. Ergerlijk hoe je géén man kon vertrouwen en nog ergerlijker dat de menschen, zonder overburen, zoo ongegeneerd deeën. Amélie leidde de verbolgen gedachten af.

“Pa,” zei ze, ’n nieuwe ontdekking doend, “’r is niks meer veilig. We zouen overal kunnen insluipen. Kijk is wat ’n ramen anstaan!....”

“Binnen de zes maanden zijn àl de ramen getralied,” antwoordde pa, ’t puntje van ’n nieuwe sigaar knippend.

Er stak wind op. De toppen der boomen aan hun voeten begonnen onrustig te schuimen.

“Piet,” zei mevrouw, ’n weinig vermoeid—’r linksche vleugeltrapper moest geolied worden en tegen den wind in werd ’t bezwaarlijk: “ik ga terug.”

Meneer die vloog te bepeinzen1—ook in de [54]lùcht kon je vieux monsieur met wormstekigheden zijn—dat ’n vleugje alleen, zònder vrouw en dochter, ’r genoeglijke zijde bij zooveel verlichte intérieurs had, meneer protesteerde:

“Noù al? Heb jij zoo’n trek in ’n benauwde kamer als je ’t hemelruim voor je heb?

De hoogte der situatie deed ’m dichterlijk praten. Zij, nu toch hijgend en met ’n krampachtige trekking in ’r been die zich naar ’r eksteroog voortplantte, zei plat:

“Piet, zánik niet met je hemelruim. ’k Heb genoeg nàchtlucht gehapt—’k wor ’r zàt van.”

Geërgerd trapte hij òm. Bij tijden, in gezelschap, thàns in de schoone Oneindigheid van maan, sterren, schoorsteenen en ruischende boomtoppen, kwam haar ouwe spekslagers-dochtersche natuur, de natuur van-achter-de-toonbank, de laag-bij-den-grondsche natuur boven, plapperde ze ’r uit wat ’r voor ’r mond groeide.

“Je moeder verstoort ons uitstapje weer,” klaagde hij.

“Ik verstoor niemendal,” zei mevrouw vinnig, “’k ben moe en zal blij zijn as ’k ’t ding kwijt ben. Me lendene krake....”

“Daar hebben we weer ’n expressie uit de Jan-van-Loon-straat!”—, schamperde meneer.

Dàt had-ie niet moeten zeggen—dàt was ’t [55]wreedste, ’t uitgezochtste ruziepunt. Zoodra-die in twistgesprek dàt ’r uitflapte, zinspeelde-die op haar verleden, op ’r jeugd in den Gelderschen worstwinkel, toen ’r vader-zaliger nog varkens op den kop hamerde en ’r moeder-zaliger, reuzelglimmend en garstig, de vetmollige hand om worstbuiken lei. Als zij uit de Jan-van-Loonstraat kwam, kwam hij uit de Zwaanssteeg. De Jan-van-Loonstraat had niet onder te doen voor de Zwaanssteeg. Bei kinderen van een zelfde slachters-geslacht, vonden ze er in gemelijke buien minder beschaafd genoegen in, de Jan-van-Loonstraat en de Zwaanssteeg te hoonen. Hij met z’n meerdere geleerdheid had ’r ’n bijzonder handje van.

Mevrouw, snuivend van geprikkeldheid, deed ’n reflex-gebaar parachute-knop-waarts, in eerste aandrift om zich te laten vallen, doch omdat ze juist vlogen boven de dorpsvuilnisbelt, die een zware schutting had en minder welriekte, hervond ze haar gemoedelijkheid in kalmen sarrens-toon.

“Zoo Piet? Uit de Jan-van-Loonstraat, Piet? ’k Dacht dat ’k zoo’n boel uit de Zwaanssteeg had overgenomen, Piet! Als jij tegen de knechts vloekte, Piet! Niewaar, Piet?....”

Bij elk Piet in prachtig-gevarieerde intonatie, trapte ze ’r pedaal en glimlachte. Jammer [56]dat-ie dien hatelijken lach niet zièn kon. Daar lei-ie ’t altijd tegen af.

“Mènsch!...”, begon meneer in braltoon, aanpeddelend om dichter bij ’r te raken.

Toen suste Amélie.

“Jakkes, pa en ma—hou u op! Hoe geneert u zich niet voor de menschen....”

“Wèlke menschen?”—, snauwde meneer.

En ineens schaterde Amélie ’t uit. Dàt was ’n gezelligheid van ’t vliegen zonder weerga—je kon prettig kibbelen en mekaar onbewimpeld (de wimpels der machines uitgezonderd) de hardste waarheden zeggen—zonder burengerucht. De toekomst van kijven en herrie was aan de Ruimte.

“Wat lach je nou hinderlijk?”—, zei mevrouw.

“Beter lachen as uitdrukkingen uit de Jan-van-Loon-straat,” zei meneer nòg eens. En ze zou daar weer ’t ééne-noodige op geantwoord hebben, ware niet ’n geluid tot hen gestegen, dat ze verschrikt deed zwijgen.

In ’t dorp klonk een kermend hoorngeschal—’t geschal dat alle bewoners kenden, ’n lang-toeterend, klagend geschal, dat overal echo’s sloeg, ’n geschal dat geen uitleg noodig had, ’n geschal dat in z’n akeligheid en lugubere klanking àlles zei.

“Brand,” zeide Amélie ’t eerst. [57]

“Brand,” herhaalde mevrouw, blazend en transpireerend.

“Brand,” sprak meneer, kort.

“Lieve hemel,” zei Amélie ad rem in den hémel: “als ’t ’n erge brand is en de lucht zoo roodgekleurd wordt als laatst bij Van Galen, toen de hooiberg in brand stond, dan kunnen we niet thuis komen, dan ziet ’t heele dorp ons.... Eenig. Eenig”....

“Ik laat me vallen,” steunde mevrouw, blij dat ze ’n uitvlucht had bij de vlucht die te lang duurde.

“Dóórvliegen!”, maande meneer, “’r is niks te zien, nog geen vònkje. Natuurlijk weer alarm om niks.”

’t Was inderdaad nièt de eerste keer, dat ’t dorp werd wakker getoeterd zonder reden. Bij ’t geringst smeulinkje, bij ’t flauwst rook-krinkelingetje ter plaatse waar smeulinkjes en krinkelingetjes verdacht waren, toeterde de dorpspolitie, die voor elke eerste toetering ’n premie van vijftig cent kreeg, ’r ademloos op los. In de laatste vijf jaar was ’r maar éénmaal brand (in den Van Galen’-schen hooiberg) en driehonderdzesmaal alarm voor schoorsteenbranden, smeulinkjes en krinkelingen, als voren, geweest. Dan liep de burgerij naar de spuithuisjes, werd ’r absoluut water gegeven, omdat àls de spuiten uitgerukt waren, je ze allicht op [58]verstoppingen en lekken kon probeeren. Zulke dorpsverschrikkingen hielden per alarm het dorp een paar uur aan den openbaren weg bezig, en tegen het beslist einde begon de dorpsklok nog eens overmatig te luiden, omdat de dorpstoren twee-honderd-zeven-en-veertig treden had en niemand op ongezetten tijd lust gevoelde den kippigen koster te waarschuwen, dat de spuitgasten alweer naar huis waren.

Vlug voortpeddelend, bevreesd voor het drie-honderd-zevend alarm, dat mogelijk bloed en purper in de luchten voorspelde, mevrouw, die telkens wou parachuteeren, met vinnige woorden òpzwiepend, kwamen ze in ’t gezicht der eigen villa.

“Lieve help!”—, riep Amélie doodelijk-angstig.

“O, goeie genade!”—, zei mevrouw.

“Bliksems!”—, vloekte meneer.

Bij den voortuin walmden toortsen, zag je helmen-geblink, zàg je de kraak-helder-gepoetste rood-koperen montuur van spuit I—pàs aangeschaft, nog nimmer beproefd—zag je de hoofden der Brandweer met witte staven in de hand. Spuit I werkte, werkte beslist, bèwerkte de villa Casa Cara, dè Zwaluw-villa. Spuit I spoot een violette straal in de richting der logeerkamer, waar ouwe Chris sliep. Die violette straal, beglansd en besprenkeld door poenig-brandende toortsen—die brandden, [59]zònder voos alarm—daverde een vlammende ontzetting naar de donkere wolken.

“Piet—’k val flauw,” hakkelde mevrouw met akelig-draaiende oogballen.

“Dat zul je laten—daar is de machine niet op berekend!”, schreeuwde meneer.

“Ma blijf in godsnaam kordaat—we kùnnen niet in ’t huis, zoolang ze spuit I probeeren!”, riep Amélie gejaagd.

“Trappen! Trappen!”, kommandeerde meneer.

Met kloppende harten, bonzende slapen, vleugellam en gefolterd, vlogen ze in wijde cirkels om ’t huis—de eerste hollandsche lucht-peddelaars.


Waarlijk, bij dit driehonderd-zevend alarm had de éérst-blazende politieagent z’n vijftig cent verdiend. Hadde hij later geblazen, de villa Casa Cara van den heer Pieter E. Zwaluw ware een speelbal der vlammen geworden. Het stond den volgenden morgen uitvoerig in het plaatselijk blad, doch de détails, de ware oorzaak zou niemand te weten komen. Details èn oorzaak bleven in Chris’ hart begraven. Dien avond, nog ganschelijk niet genezen van de beruchte nachtmerrie, huiverig en angstig, had ze bij de kaars zitten soezen tot meneer de buitendeur grendelde. Dat dee meneer altijd zelf. Noch haar, noch Kobus [60]vertrouwde-die het kunstig Amerikaansch slot toe, dat-ie in San Louis had gekocht, dat met drie grendels in de deur greep en door ’n sleutel zoo licht als ’n lucifer werd gesloten. ’s Morgens werden de bakker, de kruidenier, de melkboer door ’n luikje bediend—en om negen uur, als meneer benee kwam, ontsloot hij het kunstwerk, dat alle intieme bezoekers van Casa Cara om beurten hadden bewonderd. Van avond had meneer bijster vroeg en met veel gedruisch gesloten, den electrischen toevoer afgedraaid om Chris naar bed te jagen. Chris, ondersteboven,—in geen drie dagen had ze bijna gepraat—zocht de logeerkamerhoeken af, keek onder ’t bed, keek in de kasten. Toen mijmerde ze—bij de kaars. ’r Gewoonte-dingen, ’t kammen van ’r piekerig geel haar, ’t wriemelen van ’t vlassig vlechtje, ’t wentelen van den veter, deed ze in afwezigheid. ’r Gedachten waren bij ’t visioen, ’t schrikbeeld, ’t klepperen der zes en dertig vleugels, ’t gelach voor ’t dakraam. Den heelen dag, machinaal schrobbend en redderend, had ze de benauwenis hervoeld, ’t doodsangst-oogenblik in ’t dakkamertje. ’t Licht der kaars, zacht-zwabberend vlammetje, wieglend op ’r adem-beweeg, zwol schaduwen langs ’t behang, schaduwen tegen ’t plafond, schaduwen op de witte bedgordijnen. ’t Huis was één pijnigende stilte. [61][62]Meneer, mevrouw, juffrouw Amélie, Kobus—alles sliep. In de benedengang tikte de klok, zwaar van klepel-gang. Nog eens keek ze in de hoeken, onder ’t bed, in de kasten, achter de gordijnen—toen ging ze te bed, met kouwe voetklompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had.

1) .... “Toen ging ze te bed, met kouwe voet-klompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had....”, zegt de auteur. De uitgever verlangde dit dramatisch moment in beeld—de behendige illustrator, ’t niet geoorloofd vindend critische opmerkingen in te lasschen over den zonderlingen zinsbouw en de gewilde woordkeus, meende zoowel de kouwe voetklompjes als de verstarde sokken te moeten verwaarloozen. Daar zijn zaken die de aesthetika verbiedt te teekenen. Te over herhaal ’k de meditatie, dat de schrijvers van den tegenwoordigen tijd, met al hun buitenissigheden en hun verslordiging der Natuur, studies nààr [68i]die Natuur bijkans onmogelijk maken. Ik vergenoegde mij met het bed A, het dek D, het nachtkastje B, het vloerkleedje C. De bedgordijnen, de peluw en de kaars acht ’k voortreffelijk geslaagd.... “Uit niets blijkt zoozeer de beteekenis en diepte van een meester, als uit zijn begrip en behandeling van de lijn; niets spreekt luider en duidelijker van den krachtigen of ontzenuwden toestand van eenige kunstperiode, dan haar teekeningen in lijn. Lijnen zijn de zenuwvezels van de kunst, het geheele lichaam verbindend en beheerschend....” betoogt Walter Crane in zijn Claims of decorative art—ik, die woorden tot de mijne makend, heb mijn gansche ziel in Chris’ bedgordijnen gelegd, met liefde en perspectivische kennis het bed geteekend. Welk een speling van schaduwen! Welk een massieve structuur! Welk een smijdigheid van stof! Welk een strenge eenvoud in het nachtkastje! En welk een droevige jammer dat zùlk een volkomen techniek, zulk een teerheid van behandeling, zulk een volheid van observatie, zulk een artistieke toets van de pen met Neelmeijer, naast deze bladzijde 66 verloren gaan, onmiddelijk bezwadderd worden door de stuitende woorden van den auteur:.... “Zij snurkte er op los....” Enfin, de uitgever moet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten. S. F.

Voor geen goud had ze in ’t donker geslapen. Schijnbaar wakker, telkens met àndere onrustige droomen, snurkte ze er op los. ’t Kaarsje knetterde, [63]dee ’t papier opvlammen—’t papier begon te spelen met ’t bedgordijn.... Op dat moment geschiedden twee wonderen—Chris schrikte wakker, vloog (figuurlijk) naar het raam—en een pruimende politieagent passeerde. Chris gilde het woordje “brand!” en het driehonderd-zevend alarm doorklaagde het dorp, terwijl Chris, weder teruggevlogen (figuurlijk), het bedgordijn afrukte en vol tegenwoordigheid van geest in een deken begroef.

“’t Is al gedaan!”, schreeuwde ze weer uit het raam.

Maar men speelt niet met vuur en nog minder met een nieuwe, met rood-koper gemonteerde spuit, die nog nimmer in ’t vuur is geweest.

De brandhoorns joegen paarse klachten door ’t dorp—dreunende voetstappen bedaverden de keien—de gebeurtenis wàs er.

In nog geen vijf minuten werkte spuit I, werden de toegangen tot de Zwaluw-villa afgezet, klommen rappe gasten in Chris’ kamer.

Er was een geparfumeerde brandlucht—er smeulde—er wérd gespoten.

De Burgemeester, hoofd van de Brandweer, met al de wethouders, was ter plaatse.

Met een rooden bandelier om de borst, beklom hij de logeerkamer en nou-ie ’r ambtshalve was, ambtshalve róók, ambtshalve uit z’n bed was gehaald na een vermoeienden dag van trouwplechtigheden [64]en raadsvergadering over-rioleerings-klachten, nou most-ie ook ambtshalve proces-verbaal opmaken en beval den eigenaar te wekken.

Chris, heelemaal gerust door zóóveel mannen met bijlen in de omgeving, alleen bang voor ’n geweldigen uitbrander, ging naar boven, klopte.

Geen geluid.

Geen van de slaapkamers gaf antwoord en Kobus’ bed was ònbeslapen.

Doodelijk-bleek strompelde Chris de trappen terug, doodelijk-bleek werd de burgemeester, bij ’t angstig vermoeden dat de familie boven door den rook was gestikt.

Zulk een gruwelijk gebeuren had de plaats nog nimmer beleefd.

Bij ’n verbrande koe bij van Galen en ’n dooie kanarie bij Germs—zwak binnenbrandje, drie jaar geleden—was ’t gebleven.

Dit, die zwijgenis in de slaapkamers van drie notabelen en van een ondergeschikte, gaf ’n afschuwelijk vermoeden.

Vergezeld van twee politieagenten, een wethouder en den gemeente-geneesheer, die spuitmeester van spuit I was, besteeg-ie de trappen, klopte, nog eens en opende de deuren. Zoet droomleven van kuischblanke bedden, onbelegde nachtkastjes, geordende stoelen. [65]

“Dan is de familie uit,” zei de burgervader met een ontprangde borst.

“Nee,” huilde Chris, “de buitendeur is op de grendels....”

“Onmogelijk,” sprak het hoofd der gemeente, doch dalend in de gang beneden, zag-ie met de twee politieagenten, met den wethouder, met den gemeente-geneesheer dat het Amerikaansch slot was gesloten, dat de ketting in de haken rustte.

“Vreemd”—, zei de burgemeester, na eene stilte.

“Angstig”—, sprak de dokter.

Nog eens gingen ze gezamenlijk omhoog, elke kamer door-snuffelend, elke kast openend, tot aan den zolder toe. Daar vonden ze Kobus in ’n hoek op ’n matras.

“Bedwelmd—zònderling,” zei de dokter, den pols van den bediende aanvattend.

Kobus werd wakker.

“Wat is ’r? Wat mot je?”—, zei-ie slaap-verschrikt.

“Wat doe je hièr? Waarom lig je niet te bed?”—, vroeg de burgemeester gestreng.

“Dat weet ’k niet,” zei Kobus onnoozel.

“En waar is de familie?” drong de burgemeester aan: “’r is beneden uitslaande brand geweest!”

“De Familie,” hakkelde Kobus, zich in z’n [66]slaapdronkenheid verpratend—de afspraak was dat ze tegen ’t dakraam zouen klòppen—“de familie is gevlogen...”

“Gevlogen!—, schrikte de burgemeester, “waarom gevlogen?

“Dat weet ’k niet,” zei Kobus nog eens.

“De vent is dronken,” veronderstelde de dokter.

“Maar ze moeten toch èrgens zijn,” redeneerde de burgemeester: “’t is ’n lamme, vèrdàchte historie—bijzonder verdacht.”


Terwijl dit detective-story-geraas de rust van Casa Cara benéden de dak-spinten aan scherven smeet, fladderden de Zwaluwen in wijde cirkels om ’t overrompeld nest.

Meneer peddelde opgewonden-vloekend, de gemeenste scheldwoorden neerknettrend op de hoofden der Brandweer.

Mevrouw, bek-af, hijgend als in ’n tredmolen, had al ’n paar maal op ’t dak van de dorpsschool gerust, maar de wind, lang niet dociel, maakte ’t zitje ongenietlijk en de goten walmden luchtjes om wee van te worden. ’n Schande zooals overal de goten verwaarloosd waren—de meiden leegden ’r àlles in—haardotten kleèfden aan je bottines—’n tiendubbele schànde!

Amélie, die ’t geval éénig, om te zoenen vond, [67]die wel den heelen nacht had willen trainen, gedragen op de vleuglen van geestdrift en ambitie, liet pa vloeken en ma blazen.

Kalmpjes achterblijvend of klepperend in ’n andere richting, neuriede ze sentimenteel-verliefd toepasselijke liedjes.... “Auf Flüglen des Gesanges, Herzliebchen trag’ ich dich fort”—of “Ich wollt’ ich wär’ ein Vögelein....”—of “Klein vogelijn op groenen tak....”

“Hou op met je gezeur!”—, gromde meneer, “zing als we in hùis terug zijn!”

Dan zweeg ze even, tot ’r ’n nieuw Hemel-ruim-gezang inviel en ze plots tot ’r allerprettigste verbazing hèt Lied voor de situatie te pakken kreeg.

Langzaam, op de maat peddelend, bleef ze in één dreun voortneuriën: “Zwaluw, hóóg in de lucht—waarheen is uw vlùùùùùcht!”.... Ad-rem-mer kon ’t niet. ’t Scheen zoo aan het lijf der familie gedicht. Langs de schoorsteenen rondom, over de daken rondom, tusschen de boomen rondom, onder de knikkelende sterren rondom, fladderde ze luchtig als ’n veertje, zich niets aantrekkend—hemeltjelief, pa was naar àlle kanten geassureerd!—en zong ’t lied met z’n stijgende bekoring “....Zwaluw, hoog in de lùùùùùùùcht....”

Ze werd heelemaal dartel, uitgelaten als ’n kwajongen. [68]

Als ’r in ’t wolkenruim schelknoppen geweest waren, zou ze ’r pret in fopschellen gezocht hebben. Dat ging helaas niet. Veel baldadigheid viel ’r in de eenzaamheid niet te bedrijven. Hoogstens kon ze wat peerdrupsjes naar de menigte benee meppen—’t heele toetje waagde ze ’r an, maar niemand die ’t bij de sterren zocht.

Toen probeerde ze nog even op ’n telephoon-draad te loopen, netjes ’r voeten spitsend, vlug als Blondin, tot de draad knapte en met den knal van ’n champagnekurk in krullen flapte.

“Kind,” zeide ma, thans werklijk uit ’r humeur: “je stelt je an als ’n kwáje meid!”

“Ma, neem u alles zoo zwaar niet op!”, lachte Amélie en weer voort-peddelend, haalde ze als ’n nachtegaal uit: “Zwalùùùùùw hoog in de lùùùùcht...”


’t Werd dik halftwee eer de nieuwe spuit I met de romaneske toortsen afzakte, eer de burgemeester het logeerkamer-raam eigenhandig toebonsde.

Nog was de bons niet verstorven of Kobus smeet ’t zoldervenster open.

“Wat is ’r gebeurd?”—, bulderde meneer, hartstochtelijk binnen-vliegend.

Mevrouw te op, streek op de drooglatten, hijgend op flauw-vallen toe. [69]

Koorts-haastig vertelde Kobus van ’t brandje, van den burgemeester, den geneesheer-spuitmeester, de binnenwaarts gegrendelde deur.

En zelfs Amélie werd nu ernstig. Weken ’n geheim te bewaren en op zoo’n ongelukkige manier tegen de lamp aan te vliegen, waarlijk te vliègen, dat was wel ’t miserabelste wat je je denken kon.

Kobus, bleek-geeuwerig, hielp de draagriemen afsnoeren, zette ’t laddertje tegen de droogstokken voor mevrouw.

“Die ellendige Chris....,” radde mevrouw ’r toorn-aanloopje nemend. Ze zweeg in luistring en allen luisterden. Buiten, in de lieve Ruimte die ze pas verlaten hadden, begon de dorpstoren z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen nou ’t gedaan was.

“Die ellendige ouwe suffer,” zeide mevrouw nog eens en wéer hield ze op met ’n kermend angstgilletje. Want nou Kobus ’r vliegmachine onttakelde, zag ze op een der vleugels ’n leelijken, dikken, zwart-kriebelenden nachtuil, die met z’n eenen poot in ’t aluminium-parallelogram verward zat. Spinnekoppen en die schuw-enge beesten, daar was ze als de dood voor.

“Je eerste vàngst in de lucht,” glimlachte meneer tegen den ernst der situatie in: “zoo zou je waarachtig kunnen jágen, kind....” [70]

“Maak geen gekheid,” zeide mevrouw in diepste moeheid, geprikkeld, en zéer onder den duisteren indruk der klokketonen: “’k zeg ’r dadelijk de dienst op.”

Driftig liep ze de trap af, beklopte de deur der logeerkamer.

“Wie daar?”—, vroeg Chris, met kroppende angst-mannestem.

“Ik! Mevrouw! Doe open!”

Chris zat op bij ’r kaars—’n nieuwe—die wild-wapperend week op den tocht der deur, daar ze voor alle veiligheid ’t raam weer had opgeschoven, wachtend op de vreemdverdwenen familie.

Meneer, Amélie, Kobus, ’t heele huishouden trad binnen.

“Wat heb je in ’s hemelsnaam voor gekke streken uitgehaald?”—, driftigde mevrouw: “je kan mòrgen....”

Voor de derde maal in ’r discours werd ze gestoord.

Chris, achteruitdeinzend naar ’t open raam, ’t raam met z’n geweld van brandalarm-klokkeslagen, snerpte ’n fel-fluitenden gil. Want de familie zoo inééns uit de lucht gevallen en mevrouw en de juffrouw met ouwe broeken van meneer an—dat was nou is geen nachtmerrie, maar een alleronfatsoendelijkste werkelijkheid. [71]

1) Dit is de klok, de klok van den dorpstoren, die alweder volgens den auteur: “z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen begon, nou ’t gedaan was.” ’n Niet-deskundige—en helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren—’n niet-vakman zal bij geen benadering kunnen beseffen hoe de illustrator bij het scheppen dezer intellectueele [78i]teekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon men over die struggles zwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te verklaren, dat ’k mijn klok en mijn klepel vièrmaal opnieuw in studie gezet heb, voor ’k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. “Ornamentiek”, spreekt Walter Crane, dien ’k vroeger reeds citeerde: “is geen wis- of meetkunde, maar er bestaat voor ornament een zekere logica van lijn en kleur, die, gegeven zekere fondamenteele vormen, bepaalde noodzakelijke gevolgen eischt”.... Bij het schetsen van mijn klok en het in beeld zetten van een vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen, gewerd mij de gelukkige ingeving dat alarm te symboliseeren. En daar in ’t algemeen het groote publiek, hoe verlekkerd ’t ook op symbolen is, eene verklaring noodig heeft—alleruitnemendst [79i]zorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de programma’s der “Koninklijke Vereeniging”—haast ik mij der lezeres te verzoeken de golvingen van ontzetting (angstig brand-alarm), die uit het lichaam van mijn klok over ’t slapend dorp dreunen en klotsen, nader en met aandacht te aanschouwen. Immers de kunstschepping ook van terzijde bekijkend, zal men ontwaren—en zulks duidelijker dan bij Jan Toorop, die er raak op los baant—dat mijne onthutsings-banen, nood-banen, angst-banen, haren-te-bergen-folterende banen, in haar slingeringen en woeste beukingen een oneindige reeks!!!!!!!!!! en een nog oneindiger reeks?????????? bevatten. Kan men een angstig alarm, gruwelijker symboliseeren dan met!! en met??... Zoo is het leven, wreed, rauw, vraag en roep. S. F.

[72]

“Wat gil je, krankzinnig mensch!”, vloekte meneer.

“Mevrouw loopt in ’n bróek!”, klaag-huilde Chris.

In de hitte der vuurlooze gebeurtenis hadden ze allen ’t sportkostuum vergeten en in de nieuwe hitte van diè ontdekking werden ze nòg verrast door ’t hoofd van ’n politieagent, die over ’t kozijn keek en met gezag an z’n snor draaide.

“Is ’t weer gaan smeulen?”—, vroeg-ie vluchtig aantikkend.

“Nee! Donder op!”, vlàmde meneer.

“Waarom gilt die meid dan zoo?”, redeneerde de agent: “en hoe kom u ’t huis binnen? ’k Ben op order van de burgemeester niet van de deur geweken—dat mot ’k verantwoorden....”

“We zijn àchter binnen gekomen,” loog Pieter [73]Zwaluw, driest ’n achter fantaseerend dat niet aan ’t huis was.

“Zoo,” zei de agent, dan is ’t goed—dan is ’t goed.” Weer tikte-die aan, tegelijk wenkbrauwfronzend naar mevrouw en de juffrouw in de mansbroeken kijkend. De burgemeester had gelijk. D’r gebeurden schunnige dingen in ’t huis—as ze ’s nachts halftwee door ’n achter dat geen achter was binnenkwamen en as de vrouwspersonen gebroekt liepen. Hij zou ’t rapporteeren.

“Hier heb je ’n gulden,” praatte meneer, die ’t oogenloeren gezien had, erg lief van toon.

“Dank u,” zei de agent achterdochtig

Z’n zware spijkerstappen dreunden heen in de stilte van schrik-geslagenheid en somber klokgezweef.

Even was het in gebaar en klank, ’t innerlijkst [74]wezen van ’n drama vlak voor de pauze, als de menschen ’t hèbben moeten.

Toen werd van alle zijden op arme Chris losgerammeid, de nul van ’n meid, de sukkel die ’n deftige familie op de tong bracht, de stommerik die niet begrijpen kon, dat meneer en mevrouw en de juffrouw ’n luchtje geschept hadden, wat Kobus bezwoer....

Boven liep meneer verwoed op en neer. De torenklok bimde, bamde over ’t al slapend dorp. Elke klepelslag gromde ’t schandaal heftiger in de gemoederen, dee de brandblusschers langer napraten. Je zou zoo ’t raam uitvliegen om den kippigen vent, die nog wel ’n uur an ’t touw zou trekken, te waarschuwen. Heel kort had-ie den inval om den burgemeester telephonisch op te schellen. Hij zou z’n praatje wel maken, brutaal liegen dat ze hier of daar waren geweest. Jawel! ’n Ongeluk komt nooit alleen. Natuurlijk had Amélie juist den draad van Casa Cara stuk geloopen—de kwáje meid—de onnadenkende.

’s Nachts twee, ruzieden ze nog bij ’t plechtig gebeier buiten. En eerst te bed, ’n weinig bekomen van zooveel avontuur in-eens, hervonden ze kalmte, uitvluchten, rust en droomen.

Meneer bouwde ’n stevig leugenstel, met z’n vrouw, z’n dochter en Kobus als getuigen. [75]

1) ...., zijnde A. de Fuik—B., de heer P. E. Zwaluw van ònder—C. D. en E, schoorsteenen, de rest vliegend, in doodschrik opgejaagd gedierte. Kon ’k bij vroegere illustraties inspiratie bij de werkelijkheid zoeken, hetzij een glas, hetzij een dak van ’n overbuur, hetzij den staart van ’n kat, hetzij het nachtkastje uit m’n slaapkamer, hetzij zelfs ’n vergroote huisschel, tot actief voorbeeld stellen—de benauwde droom van mevrouw [82i]Zwaluw, met ’t gezwerm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een wanhopig beroep op de fantasie van den teekenaar. Door op den laten nacht zwáár te eten, heb ’k getracht mijzelven eene nachtmerrie van gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zònder gevolg. Eten op den nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na ’t koel ochtendbad, heb ’k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen—met een waarlijk gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters enz. naar eigen lust te herkennen. En wie zich geroepen voelt over dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die beproeve het zèlf met fantasie en Neelmeijer. Ja, voorwaar! Er is niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een maatstaf. S. F.

[76]

Mevrouw dróómde benauwd en hideus. De nachtuil zat ’r dwars. Ze vloog door de Ruimte, opgehitst door kol-oogende vleermuizen en uilen—’r man voor ’r uit was op de jàcht. Die trok ’n fuik achter zich aan, al maar peddelend en klepprend—de fuik vulde zich met wilde eenden, spreeuwen, lijsters—’t werd ’n zoo raak geschreeuw en gekakel van gevangen, spartelende vogels, dat ze stikkend opstutte en moeite had ’t nachtkastje met ’t oliepitje en meneer’s revolver te herkennen. Uitgeput sliep ze in, droomde nòg eens van de vreemde, beangstigende jacht boven de schoorsteenen....

Amélie, met de onbezonnenheid van jeugd, lei gelukzalig te glimlachen. Als ze ’r oogen sloot, vloog ze nog, voelde ze de suizing van den wind, zag [77]de boomtoppen en daken in glijding vervloeien. De handen gevouwen onder ’t hoofd, poogde ze ’t hééle lied van de zwaluwen uit de lang geleden dagen der Zwaanssteeg te reconstrueeren, ’t lied waarvan ze den metrischen vorm lichtlijk vergeten was. Zachtjes-dommelend neuriede ze ’t nog, ’t héérlijk vers, eens in achterbuurten ver-hartjesdagd en verhanseld, ’t vers dat zin en poëzie begon te krijgen: “...Zwaluw... waarheen is uw vlucht?... Hóóóóóg in de lúúúúcht!.... Moedig langs bergen en dalen.... Waar ’k mijn voedsel mot hàààààààlèèèèèèè!.... Zwaluw waarheen is uw vlucht?.... Hóóóóóg in de lucht!....”

Half drie sliep Casa Cara algeheel, zelfs Chris, die de emotie van mevrouw en de juffrouw-in-mansbroek versnurkte.

De laatste slagen der torenklok stierven in angstige klaging.... [78]


1 De lezeres, gewend aan de uitdrukkingen: “liep te bepeinzen” of “zat te bepeinzen”, dient zich aan de nieuwe woordvoeging van het geval te onderwerpen.

[Inhoud]

Vijfde Kapittel.

Stoornis in de atmosfeer.

“Wat is er van den nacht,

O Wachter! welk een dag

wordt aan de kim verwacht!”

(Isaäc da Costa.)

De eerste dagen bleef de familie hokvast, honkvast.

Veel besproken in ’t dorp, was de verstandigste tactiek ’t gekakel te laten bezinken. De burgemeester, die ambtshalve op bezoek was geweest, had ’n allerzonderlingste verklaring geslikt, ’n verklaring die positief verdacht scheen, doch waaraan je niet officieel kon twijfelen, omdat je ’n zoo duistere zaak van verdwenen menschen, die plots met broeken aan (rapport van ’n betrouwbaar [79]brigadier) terug waren gekeerd, niet een-twee-drie òntduisteren kon en daarenboven het feit dat de familie nièt gestikt was, op zich zelf eene publieke verheugenis werd.

Het weer hielp ’n handje mee, om de aandacht te verplaatsen. ’n Allergeweldigste storm stak op, twee dagen, drie nachten. Voor ’t stadhuis werd ’n boom ontworteld, ’t regende dakpannen, drie-kwart van de straatlantaarns woei stuk.

Die ontzettingen deeën de menschen thuis blijven en achter damp-bleeke ruiten over ongelukken en akeligheden praten.

’t Brandje bij de Zwaluws raakte op den achtergrond—de Zwaluws zelf vertoonden zich niet.

’s Avonds in de leuke huiskamer, ná ’t eten, bespraken ze ’t gebeurde en de toekomst. De wind omgierde de villa, floot joelend en dreigend, brak takken, dee de behangselwanden golven. ’n Uitgezocht weer voor luchtpeddelaars om te schuilen al