Google

[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]

[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]

[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]

[Punch] [Appunti di informatica libera]


classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Tolstoi's leven, by Pavel Ivanovich Biroekoff

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Tolstoi's leven
       Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen 1828-1863

Author: Pavel Ivanovich Biroekoff

Contributor: Lev Nikolaevich Tolstoj

Translator: Emma B. van der Wijk

Release Date: December 18, 2006 [EBook #20128]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK TOLSTOI'S LEVEN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/






[Inhoud]

Leo Tolstoi in 1854.—Blz. 219.

Leo Tolstoi in 1854.—Blz. 219.

Tolstoi’s leven

Zijne persoonlijke herinneringen, brieven en aanteekeningen

1828–1863

Amsterdam P. N. van Kampen & Zoon.

[Inhoud]

Opdracht.

Aan mijne vrouw Paula Nikolajewna wijd ik dit boek, het groote werk van mijn leven, dat zoo zwaren, moeitevollen arbeid van mij eischte. Met oprechten dank draag ik het op aan haar, die mij zoo menigmaal mijn’ last verlichtte, en mij uren schonk van ontspanning, zoo noodig bij ’t vervullen van mijn’ taak.

Nooit toch had ik dit boek kunnen schrijven zonder hare zelfverloochenende en zelfopofferende hulp, waarmee zij mij bijstond in alle omstandigheden van mijn leven.

Ik draag mijn arbeid dus op aan mijne vrouw, en aan allen die er, ongenoemd, aan hebben meegewerkt.

P. B. [7]

[Inhoud]

Inleiding.

Met eerbiedigen schroom en overtuigd van mijne geringe krachten, bereid ik mij voor tot dit mij heilige werk: het schrijven van eene biographie van den grooten ouden man, van mijn’ onderwijzer, van Leo Tolstoi.

Eenige jaren geleden lag dit plan mij nog zóó ver, dat ik, hoewel levende in zijne onmiddellijke nabijheid, en terwijl ik uren, ja soms heele dagen in zijn huis doorbracht, nooit de minste aanteekening maakte van hetgeen ik daar op kon vangen, zoo min van hem, als van de hem omringende personen. En nu, om mijne godsdienstige overtuiging verbannen uit mijn vaderland, ga ik dat groote werk beginnen. Eene biographie van iemand wordt niet geschreven zonder toestemming van die persoon zelf en zijne familie; dus wendde ik mij tot gravin Sofie Andrejewna Tolstaja met verzoek eene biographie van haar echtgenoot te mogen schrijven. Spoedig daarop ontving ik een mij zeer aangenaam stemmend gunstig antwoord. Uit haar brief haal ik aan, wat op de zaak betrekking heeft.

“Natuurlijk moogt gij gaarne met eene levensbeschrijving beginnen. Zelf zou Tolstoi u wel willen antwoorden op wat gij hem gaat vragen, maar dan zult ge u moeten haasten,—bijna toch was aan dit ons allen zoo dierbare leven een einde gekomen. Gode zij dank is hij nu weer herstellende en al weer aan den arbeid.”

Om nu Tolstoi zelf niet lastig te vallen en overtuigd, dat hij mij geene hinderpalen in den weg zou leggen, begon ik [8]dus na ontvangst van den brief. Na kennis te hebben genomen van de stof en na mij in ’t wezen van het werk te hebben ingedacht, beklaagde ik mij eenerzijds om den grooten omvang ervan, maar anderzijds heeft diezelfde arbeid mij langzamerhand zóó meegesleept, mijne belangstelling zóó opgewekt, en voel ik mij er reeds zoo mee verbonden, dat ik het nu noem: “het Werk van mijn leven”, ongeacht iedere overweging van den uitgever in mij, welke het ook zij.

Ik begon dus de stof te bestudeeren, en, onvoorbereid als ik was, ben ik gaan naslaan welke verklaring de encyclopaedie van Brockhaus geeft van het woord “biographie”. Ik vond daar de volgende definitie:

“Eene levensbeschrijving noemt men de schildering van een zekere persoon, die voldoet aan de historische wetenschap. Als wetenschappelijk werk bepaalt de beschrijving zich niet alleen tot de uiterlijkheden, maar moet zij er naar streven de geestelijke en moreele ontwikkeling te schetsen. Als kunstwerk moet zij den grondslag van het karakter aangeven en in ’t algemeen de behandelde persoon in ’t helderste licht plaatsen.”

Deze verklaring bevredigde mij volkomen, zoodat ik een aanvang met mijn werk kon maken. Het is een verheven arbeid (des te meer, waar dit een Tolstoi geldt), eene beschrijving te geven van ’s menschen innerlijk, d.w.z. van zijn geestelijk leven, van de ontwikkeling en de veranderingen die erin plaats grijpen.

Maar nóg verhevener, nóg rijker is het, aan te toonen volgens welk algemeen beginsel deze innerlijke ontwikkeling zich voltooide, hoe karakter en ideeën zich vormden en hervormden. Slaagt men nu tevens in ’t weergeven van de uiterlijke omstandigheden van ’t leven, dienende gedeeltelijk als omlijsting, gedeeltelijk om nog scherper licht te laten vallen op den mensch, dan kan men zeggen: “mijn arbeid is geslaagd”. [9]

Deze overwegingen hebben mij gediend als gids bij mijn werk,

Het is van bijzonder groot gewicht, bij het geven van eene biographie, dat de behandelde persoon nog leeft, daar iedere tegenspraak die men ontmoet (door vergelijking met de getuigenissen uit andere bronnen) misschien kan worden opgehelderd door de persoon zelf, zoodat de feiten nu gegeven worden in hunne volle waarde.

De voorbereidende werkzaamheden bestonden in ’t verzamelen der stof.

Deze stof nu splitste ik in vier deelen.

In de eerste afdeeling bracht ik:

Auto-biographische aanteekeningen van Leo Tolstoi, zijne brieven gericht tot verschillende personen, en een uittreksel uit zijn dagboek.

In de tweede afdeeling: verschillende herinneringen en biographische schetsjes van menschen, die Tolstoi van zeer nabij kenden, van zijne bloedverwanten, zijne vrienden, enz., personen dus, die men ieder op zichzelf kan vertrouwen. Aan deze tweede afdeeling voegde ik nog toe verschillende officiëele gegevens, als: dienstbrieven, stadhuispapieren, brieven van schoolbesturen, copie van gerechtelijke en administratieve zaken, enz. enz.

In de derde afdeeling nam ik opstellen over Leo Tolstoi op, verkregen uit andere bronnen, doch ook geschriften van hem zelf. Men moet echter voorzichtig zijn met het gebruiken hiervan, daar werkelijke feiten allicht zijn saamgeweven met des kunstenaars phantasie.

Ten slotte in de vierde afdeeling:

Kleine artikels, en ook opmerkingen van schrijvers, die niet ons volle vertrouwen verdienen, maar die toch eene betrekkelijke waarde kunnen hebben, ter aanvulling daar, waar andere bronnen te kort schoten. De vermelding van de namen dier schrijvers acht ik overbodig. [10]

De buitenlandsche literatuur is zeer arm aan biographische gegevens aangaande Tolstoi, vooral wat betreft zijne eerste levensjaren. Daarom heb ik deze bronnen niet afzonderlijk vermeld.1

Nadat ik de eerste schrede gedaan had, reeds bij ’t schiften van ’t verkregen materiaal, voelde ik dat het noodzakelijk was mij met Tolstoi zelf in verbinding te stellen, daar ik op vele duistere punten stootte, die alleen hij kon ophelderen. Ik heb lang overwogen of het resultaat van den arbeid het zou rechtvaardigen, dat ik hem zooveel moeite veroorzaakte. Evenwel, wetende dat hij een’ kunstenaar nog nooit geweigerd had eene buste naar hem te modelleeren of een portret van hem te schilderen, noch den amateur-photografen eene opname te doen (hoewel het hemzelf geen genoegen verschaft), besloot ook ik hem te vragen voor mij te willen poseeren, ter verkrijging van zijn beeld door woord en taal. Ook nu weer ontving ik een gunstig antwoord, neergelegd in het volgend citaat van den aan mij gerichten brief van den 2den December 1901:

“Zeer gaarne zal ik voor u poseeren en de vragen naar volgorde beantwoorden.”

Een gewichtige dienst bewees mij mijn vriend W. Gr. Tschjerkoff, door het voor mij openstellen van zijn rijk archief, bevattende eene persoonlijke correspondentie van Tolstoi en een uittreksel uit zijn dagboek.

De onaangename zijde van mijn werk bestond hierin, dat ik, krachtens eene onhebbelijke verordening uit Rusland verbannen 2, niet in staat was mij persoonlijk in verbinding te stellen met den man over wien ik ging schrijven. Ook werd [11]ik daardoor verhinderd te werken in Russische openbare bibliotheken en archieven. Deze hinderpalen belemmerden mijn arbeid aanmerkelijk en zij konden, hoewel niet ten volle, slechts door mij worden overwonnen door de vriendelijkheid van eenige bezitters van Russische particuliere bibliotheken en de rijk voorziene Russische afdeeling in ’t Britsch Museum. Ik deed daarvoor wat in mijn vermogen was; zelfs zond ik een smeekschrift aan den Russischen minister van binnenlandsche zaken, ten einde toestemming te verkrijgen, om twee maanden in Rusland te mogen doorbrengen, doch ontving eene onvoorwaardelijke afwijzing. En wat nu mijn werk betreft, zal de lezer in het eerste deel wetenswaardigheden vinden, die voor hem beslist nieuw zijn, herinneringen uit Tolstoi’s jeugd, van zijne familie, een groot aantal brieven en een uittreksel uit zijn dagboek.

Om te doen zien, hoeveel moeite het kostte om Tolstoi over te halen zijne herinneringen neer te schrijven, laat ik hier een uittreksel uit mijne correspondentie met hem over dat onderwerp volgen.

Herhaalde malen schreef ik hem en zijne bloedverwanten om mij eenige aanteekeningen te zenden over zijne kinderjaren, al waren het maar door hem gedane mondelinge vertellinkjes. Eindelijk kreeg ik daarop het volgende antwoord:

“.... Hoe graag ik ook wilde, dacht ik eerst u niet te kunnen helpen. Ik vreesde de onoprechtheid, eigen aan iedere auto-biographie, maar nu geloof ik den vorm gevonden te hebben, waarin ik aan uw wensch kan voldoen, door u de hoofdtrekken te geven der verschillende elkander opvolgende perioden in mijn leven: die uit mijne kinderjaren, mijne jongelingsjaren en uit den tijd, toen ik volwassen was. Zoodra ik er toe in staat zal zijn, zal ik er eenige uren aan wijden, en trachten het op die wijze te doen.”

In een der volgende brieven schrijft hij mij: [12]

“.... Mijne belofte om eenige van mijne herinneringen voor u op te teekenen, vreesde ik niet te kunnen nakomen. Ik heb er over nagedacht, en zag, hoe moeilijk het is Scylla en Charybdis te vermijden, d.w.z. eenerzijds de klip van den eigenlof, door alleen het goede te vermelden, en aan den anderen kant de cynische openhartigheid om alles wat slecht is aan het licht te brengen. Indien ik vertel van al die laagheid, domheid, verdorvenheid, en dan naar waarheid, oprechter nog dan Rousseau, dan zal dat een boek of een hoofdstuk worden, dat veel ergernis zal verwekken. De menschen zullen zeggen: ‘Dat is dus de man, dien velen hoogachten, en zie, hij is een nietswaardige! Och, wij eenvoudige menschen, wat kunnen wij ons vergissen. Nu, ’t is Gods wil.’

“Maar, zonder scherts, toen ik begon mijn leven ernstig te overdenken zag ik al de domheid—werkelijke domheid—en laagheid ervan, en ik dacht bij mij zelf: ‘hoe toch zullen andere lieden zijn, als ik, de veel geprezene, zoo’n dom, laag schepsel ben?’ Daarbij komt het dan nog aan ’t licht, dat ik zooveel listiger ben dan de anderen. Dit alles schrijf ik u niet om u wat mooie woorden te laten lezen, maar ik heb dat alles werkelijk doorleefd.”

Tolstoi’s weifelingen ziende en ’t volle gewicht ervan voelende, besloot ik toch vol te houden en hem, om zoo te zeggen, een begonnen patroon te geven, waaraan hij verder kon borduren. Daarom stuurde ik hem het door mij ontworpen plan van zijne biographie. In dat programma volgde ik het door velen aangenomen systeem van de verdeeling van het menschelijk leven in zevenjarige tijdperken. Deze verdeeling hoorde ik van Tolstoi zelf, toen hij, eens met mij pratende, de meening uitte, dat de zevenjarige perioden in het physisch menschelijk leven (eene leer, aangenomen door sommige physiologen) telkens in overeenstemming zijn met een zevenjarig tijdperk van de ontwikkeling [13]van het geestelijk leven; waaruit voortvloeit, dat iedere zevenjarige periode ook eene afzonderlijke geestelijke gestalte aanneemt.

Op bovenbedoelde wijze ingedeeld, krijgen we dus het volgend schema van Tolstoi’s leven:

Jaartal. Leeftijd. Inhoud van de perioden.
1 1828–1835 Van geboorte–7 jaren Kinderjaren.
2 1835–1842 Van 7–14 jaren Jongensjaren.
3 1842–1849 Van 14–21 jaren Jongelingsjaren, leertijd, universiteit, begin van ’t besturen van zijn landgoed.
4 1849–1856 Van 21–28 jaren Begin van het schrijven, dienstjaren, Kaukasus, Donau, Sebastopol, Petersburg.
5 1856–1863 Van 28–35 jaren Ontslag, reizen, dood van een broeder, paedagogie, huwelijk.
6 1863–1870 Van 35–42 jaren Familieleven, “Oorlog en Vrede”, huishouding.
7 1870–1877 Van 42–49 jaren Hongersnood te Samarsk, “Anna Karjenina”, hoogtepunt van literairen roem, familiegeluk en rijkdom,
8 1877–1884 Van 49–56 jaren Crisis, biecht, evangelie, “Waarin ik geloof?”
9 1884–1891 Van 56–63 jaren Moskou, “Wat moeten wij doen?” volksliteratuur, bemiddelaar, verspreiding zijner ideeën onder de hoogere standen en het volk, kritieken.
10 1891–1898 Van 63–70 jaren “Honger”, “Het koninkrijk Gods in ons”, ketters, vervolging van de aanhangers der ideeën.
11 1898–1905 Van 70–77 jaren “Opstanding”, in den ban gedaan, ziekte, laatste periode, bezig met militairisme, volk, geestelijke en politieke personen, oorlog revolutionaire en hervormingsbeweging in Rusland.

Peter Andrejewitsch, de eerste Graaf Tolstoi.—Blz. 23.

Peter Andrejewitsch, de eerste Graaf Tolstoi.—Blz. 23.

[14]

Reeds met den eersten oogopslag bemerkt de lezer de afscheiding van iedere geestelijke periode.

Het opzenden van dit schema of beginpatroon bleef niet zonder resultaat. Heel spoedig ontving ik van Tolstoi een’ brief, waarin hij o.a. het volgende schrijft:

....“Ik kom u zeggen, dat ik u bij mijne levensbeschrijving heel gaarne wil helpen, en ik zal u de gewichtigste gebeurtenissen meedeelen. Ik besloot dat ik ertoe mocht overgaan, omdat het misschien interessant en nuttig voor het menschdom kan zijn, wanneer ik het wijs op al de verdorvenheid in mijn leven tot aan mijn ontwaken, en zonder valsche bescheidenheid, al het goede na dien tijd (hoewel de goede voornemens niet altijd werden uitgevoerd, door gebrek aan wilskracht). In dien geest wilde ik u dan ook schrijven.

“Uw programma, met zijn 7-jarige indeeling, zal van nut zijn en zeker vele gedachten bij mij opwekken. Ik zal ermee beginnen zoodra het werk dat ik onderhanden heb is afgeloopen.”

Eindelijk, na vier maanden, ontving ik de kostbare bladzijden met herinneringen, door Tolstoi zelf geschreven en na dien niet meer gecorrigeerd3. Ik haastte mij ze te gebruiken in de biographie, aan welke zij kleur en gloed zullen verleenen.

Bij de eerste gelegenheid zond ik Tolstoi ’t begin van mijn werk, met verzoek mij zijn oordeel te zeggen. Daarop ontving ik een brief, waarin hij o.a. het volgende schrijft:

“Mijn totale indruk is, dat ge een heel goed gebruik van mijne aanteekeningen hebt gemaakt. In bijzonderheden treden zal ik niet, omdat het me zou verleiden veranderingen aan te brengen, hetgeen ik niet wil doen.

“Ik laat dus alles aan u over en voeg er slechts dit bij, [15]dat gij in de biographie, sprekende over mijne jeugd, moet vermelden:

Uit de mij verstrekte en ter verwerking gegeven ongecorrigeerde gedenkschriften.

Ik deel dit mede, om Tolstoi van iedere literaire verantwoordelijkheid te ontslaan, en ik zal den gecursiveerden zin overal inlasschen waar dit noodig is.

En zoo, onder deze opwekkende omstandigheden, begon ik mijn werk.

Het eerste deel dat het licht zal zien bevat de afstamming van Leo Tolstoi en ’t eerste tijdperk van zijn leven, dus: kinderjaren, jongelingsjaren en ten slotte zijn huwelijk.

Het is noodig hier een rustpunt te maken, ten eerste omdat Tolstoi zelf zijn huwelijk een begin van een nieuw leven noemt en ten tweede uit een practisch oogpunt, daar de aanteekeningen voor dit eerste gedeelte reeds voldoende zijn om een geheel boekdeel te vullen.

In het tweede deel hoop ik te spreken over het toppunt van Tolstoi’s literairen roem, van zijn familiegeluk en rijkdom, en de wedergeboorte tot een nieuw geestelijk leven. Dit viel ongeveer tusschen de jaren 1863 en 1884, dus tusschen zijn 35ste en 56ste jaar.

Ten slotte volgt in het derde deel de tegenwoordige episode uit Tolstoi’s leven, die, naar wij hopen, nog in lang niet zal worden afgesloten.

Volgens eene juiste opmerking van een of anderen schrijver gelijkt Tolstoi’s leven op een omgekeerde pyramide, die met den top naar beneden, den voet naar boven, zich meer en meer verbreedt. In diezelfde verhouding breidt de stof voor Tolstoi’s levensbeschrijving zich uit, gering zijnde in den aanvang, aangroeiende tot het onmetelijke. Ik zal niet beproeven in deze inleiding eene karakterbeschrijving van Tolstoi te geven. Reeds lang immers kent de geheele wereld hem als een genie. [16]

Ik wil hier evenwel een paar feiten noemen, waaruit de lezer zelf zijne gevolgtrekkingen kan maken.

Volgens mijne berekening zijn Tolstoi’s werken nu reeds overgebracht en uitgegeven in 45 verschillende talen, zoowel Oostersche als Westersche, zoowel in die van Noordelijke als van Zuidelijke landen. En immer meer neemt de uitbreiding toe. Gedurende mijn bijna tienjarig directeurschap van de Posrjednik verkochten wij jaarlijks gemiddeld drie millioen brochures, in hoofdzaak verhalen van Tolstoi zelf, en verder artikels en opstellen van schrijvers die op de een of andere wijze zijne ideeën verkondigden, en die dikwijls door hemzelf waren aangegeven.

De Posrjednik bestaat reeds ongeveer 20 jaren. Aangenomen dat het aantal uitgegeven werken verminderde, kunnen wij toch constateeren, dat de verkoop van boeken en brochures, meer of minder Tolstoi betreffende, het ronde cijfer van 50 millioen bedroeg. En de stroom van deze ideeën stortte zich uit over heel Rusland, alle hinderpalen wegspoelende, die zoowel door kerkbesturen als door de lauwe, willooze liberalen werden opgeworpen.

Het eerste deel van mijn boek is daarom bestemd om aan te toonen, hoe deze schoone gedachten zich ontwikkelden en vormden.

Onex bij Genève, Villa Russe.

Zwitserland.

P. J. Biroekoff.

15 Oct. 1904.


Ik had het eerste deel van mijn werk reeds geëindigd, toen ik, als gevolg van de mindere strengheid in Rusland, verlof kreeg daarheen terug te keeren. Ik maakte hiervan gebruik en werd alzoo in staat gesteld, de stof voor het eerste deel van de biographie nog belangrijk te vermeerderen, zoowel doordat ik mij nu met Tolstoi in onmiddellijke verbinding [17]kon stellen als door de lectuur van zijn dagboek en aanteekeningen.

Mijn oprechten dank breng ik aan gravin Sofie Andrejewna Tolstaja, die mij de gelegenheid verschafte om het door haar verzamelde materiaal (dat bewaard wordt in het historisch museum te Moskou, in de “Tolstoi-kamer”) te bestudeeren.

Waarschijnlijk was mijn werk, ware het onder gunstiger omstandigheden begonnen, beter geslaagd, maar ’t is mij onmogelijk terug te keeren om nog eens op nieuw te beginnen. Ik liet het dus zooals het is, alleen bracht ik die veranderingen aan, die het noodzakelijk uitvloeisel waren van de in Rusland verzamelde gegevens.

Ook de inleiding laat ik onveranderd, daar zij naar waarheid schetst hoe mijn werk tot stand is gekomen, en ik hoop dat de lezer zal begrijpen onder welke eigenaardige voorwaarden dit geschiedde. Want als men schrijft over eene nog levende energieke persoonlijkheid, kan het laatste woord nog niet gesproken worden. Een slotrede, waarin ik den man, met zijn nog warm kloppend hart, de zoo wel verdiende hulde zou willen brengen, kan ik dus niet schrijven.

Ten slotte noem ik dezen arbeid, met oprecht gemeende bescheidenheid, slechts een door mij verzameld materiaal voor het geven van een levensbeschrijving van Leo Nikolajewitsch Tolstoi.

Ik wilde niet langer wachten met het uitgeven van het eerste deel, in de hoop dat het lezende publiek in mij iemand zal zien, die zeer dankbaar alle herinneringen, documenten enz., Leo Tolstoi betreffende, in ontvangst zal nemen.

P. B.

23 Augustus 1905. [18]


1 De schrijver geeft hier een lijst zijner bronnen, die echter niet is opgenomen, daar wat als zoodanig genoemd wordt toch voor Nederlandsche lezers onbereikbaar is.

2 Zie aanhangsel aan ’t einde der inleiding.

3 Oorspronkelijk staat hier de in ’t Hollandsch slechts door omschrijving te vertalen uitdrukking: tschjorno = zwarte, dus niet-gezuiverde, in ’t klad neergeworpen arbeid.

[Inhoud]

Inleiding

Van Leo Tolstoi bij zijne herinneringen.

Mijn vriend P. Biroekoff, die van plan is een levensbeschrijving van mij het licht te doen zien, vroeg mij om eenige gegevens. Heel gaarne wilde ik zijn verzoek inwilligen en in gedachten begon ik reeds met de samenstelling. In den beginne, zonder het te willen, zonder het zelfs te bemerken, herinnerde ik mij alleen maar het goede uit mijn leven, terwijl alle slechte, donkere oogenblikken zich niet scherper vertoonden dan de schaduw op een schilderij. Dieper echter in mijn leven doordringende, zag ik dat zulk een biographie een leugen zou zijn, misschien niet in den vollen zin van ’t woord, maar dan toch een leugen als gevolg van het valsche licht, dat ik op de gebeurtenissen liet vallen, en van de opsomming van al het goede, gevoegd bij de verzwijging of vergoelijking van al het slechte. Ik nam mij daarom voor, de waarheid neer te schrijven, en niets wat slecht in mij is te verbergen, maar schrikte terug voor den indruk, die zulk een biographie moest maken. Juist in dien tijd werd ik ziek. In dien gedwongen rusttijd dwaalden mijne gedachten steeds weer naar mijne herinneringen en deze waren ontzettend. Ik doorleefde alle gewaarwordingen die Poeschkin beschrijft in zijn gedicht “Herinnering”, waarvan de laatste woorden zijn: “maar de regels van droefheid laten zich niet uitwisschen”, wat ik zou willen veranderen in: “maar de regels van schande laten zich niet uitwisschen”. [19]

Onder den indruk van het bovenstaande schreef ik in mijn dagboek:


6 Januari 1903.

Ik lijd tegenwoordig hellepijnen. Ik herinner me al het lage van mijn vroeger leven en die herinneringen laten me niet los en vergiftigen mij. Gewoonlijk beklaagt men zich, dat de herinnering verdwijnt met den dood. Welk een geluk, dat het zoo is. Wat zou het een kwelling zijn, indien ik in het leven hiernamaals de herinnering moest meenemen aan al het wreede, al het lage wat ik op aarde beging. Want zoo we ons het goede konden herinneren zouden we het slechte niet kunnen vergeten. Wat een geluk, dat de herinnering verdwijnt met den dood, dat er slechts één bewustzijn overblijft, het bewustzijn dat ons wijst op een vermenging van al het goede en het kwade, alles samenvloeiend tot de groote onbekende X, tot het positieve of het negatieve, tot het groote of het kleine.

Ja het is een groot geluk, dat de herinnering verdwijnt; bleef zij bestaan, dan zouden wij nooit weer vroolijk kunnen zijn. Nu echter, door haar vernietiging, zullen we in het andere leven overgaan met een schoone, reine bladzijde, waarop wederom het goede en het kwade kan worden neergeschreven.


Het is waar, dat mijn leven niet altijd zoo verdorven was als in den tijd toen ik ongeveer 20 jaren telde; het is ook waar, dat het niet voortdurend zoo slecht was, als ik het mij voorstelde in de dagen mijner ziekte. Ook in dat tijdperk ontwaakte in mij soms de drang naar het goede, te snel helaas weer verstikt door blinde hartstochten, die mij naar omlaag trokken. Maar hoe het ook zij, de gedachten, ontkiemd in de dagen mijner ziekte, toonden mij duidelijk aan, dat mijne biographie, samengesteld op de wijze zooals [20]men dat gewoonlijk doet, n.l. met weglating van alle misslagen, verdorvenheid en onreinheid, een leugen zou zijn, en laat ik haar verschijnen, dan moet zij waarheid en niets dan waarheid bevatten. Geschreven op deze wijze, kan zij, hoeveel schande ook over mij brengende, van groot en werkelijk nut zijn voor den lezer.

Zoo mij in mijne herinneringen verdiepende en alles beschouwende uit het gezichtspunt van goed en kwaad, kwam ik tot het besluit mijn geheele leven in vier tijdperken te verdeelen.

Ten eerste: De heerlijke, blijde, onschuldige, poëtische periode mijner kindsheid tot aan mijn 14de jaar.

Vervolgens de tweede, die vreeslijke 20 jaren, het tijdperk van mijn groote bandeloosheid, van mijn verlangen naar roem en eer, en in hoofdzaak van mijne zinnelijke begeerten. Dan de derde, 18-jarige periode, van mijn huwelijk af tot aan mijne geestelijke wedergeboorte. Van een wereldsch standpunt bezien, kan dit tijdperk het meest zedelijke worden genoemd. In die achttien jaren toch leidde ik een ordelijk, geregeld, huiselijk leven, bekommerde mij niet om de publieke opinie of lasterlijke praatjes, terwijl mijne geheele belangstelling zich egoïstisch bepaalde tot mijne familie, de vermeerdering van mijn vermogen en literair succes, en verder tot allerlei kalme genoegens. En ten slotte de vierde, 20-jarige periode, waarin ik nu leef, waarin ik ook hoop te sterven, in wier licht ik de geheele beteekenis begrijp van het leven dat achter mij ligt, en waaraan ik niets meer wensch te veranderen, behalve die slechte gewoonten, die mij bij zijn gebleven uit mijn vorige tijdperken.

De geschiedenis nu van deze vier tijdperken, geheel naar waarheid, wensch ik te vertellen, zoo God mij kracht en leven schenkt. Ik geloof, dat zulk een biographie van grooter nut voor het menschdom zal zijn dan alle fraaie redeneeringen [21]waarmee mijn twaalf deelen gevuld zijn en waaraan de menschen van onzen tijd zoo’n grooten, onverdienden lof toezwaaien.

En nu ga ik beginnen. Ik zal aanvangen met het eerste, vroolijke tijdperk van mijn kinderjaren, waaraan ik zulke heerlijke herinneringen heb, en dan (hoeveel schande het ook over mij zal brengen) zal ik vertellen en niets verzwijgen van die vreeselijke twintig jaren, die daarop volgen. Dan komt de derde periode, die velen minder belang in zal boezemen, en ten slotte de laatste, waarin ik ontwaakte tot de waarheid, en die mij het hoogste levensgeluk en een blijde rust heeft geschonken, in afwachting van den naderenden dood.

Om niet in herhalingen te vervallen, herlas ik eens wat ik vroeger onder den titel Kinderjaren had uitgegeven en betreur het nu, dat dit boek ooit het licht zag, zoo slecht en, van een letterkundig standpunt, onwaardig als het geschreven is. Dat kon ook niet anders. Ten eerste, omdat het niet de geschiedenis bevat van mijn eigen jeugd maar die mijner vrienden uit dien tijd, en ten tweede, omdat ik toen nog lang niet zelfstandig was in het vormen van mijn uitdrukkingen en sterk onder den invloed stond van de twee schrijvers Sterne (Sentimental Journey) en Töpfer (Bibliothèque de mon Oncle). Hoofdzakelijk zijn het de twee laatste deelen, die mij nu niet meer bevallen. Behalve een verward mengsel van waarheid en fantasie, is het tevens een onwaar boek, waarin ik iets voorstel als gewichtig en goed, dat ik in dien tijd noch goed, noch gewichtig vond, n.l. mijne democratische richting. Ik hoop, dat wat ik nu ga schrijven beter en hoofdzakelijk nuttiger voor anderen zal zijn.1


1 Uit de mij verschafte ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.

[22]

Eerste deel.

[Inhoud]

Eerste hoofdstuk.

De voorouders van Leo Tolstoi van vaderszijde.1

De graven van Tolstoi zijn van een oud adellijk geslacht, dat volgens de genealogen afstamt van den heiligen Indriss, die in 1353 met twee zonen en een leger van 3000 man naar Tschernigoff trok. Hij liet zich doopen, ontving den naam Leontii en werd de stamvader van eenige adellijke families. Zijn achterkleinzoon, Andrei Charjitonowitsch, verhuisde van Tschernigoff naar Moskou, ontving van grootvorst Wassilii Tjenni den achternaam Tolstoi, en was de stamvader van de Tolstoi’s. (Volgens den graaflijken stamboom van het geslacht Tolstoi is Leo Nikolajewitsch een nakomeling van Indriss in den tweeden graad).2 [23]

Een van zijn nakomelingen, Peter Andrejewitsch Tolstoi, diende in 1683 als Stolnik (een hoveling die het oppertoezicht heeft over de tafel, enz.) aan het hof en was één van de hoofdleiders van den opstand der Strelitzen. De val van de Tsarina Sophie dwong Tolstoi zijn bakens te verzetten en naar de partij van Tsaar Peter over te gaan. Deze hield hem echter steeds op een afstand en het duurde een langen tijd voor dat Peter Andrejewitsch het vertrouwen van den Tsaar mocht winnen.

Daarvan vertelt men het volgende.

Eens, bij een woest drinkgelag, behaagde het den Tsaar Tolstoi zijn grooten pruik van het hoofd te rukken. Hij sloeg hem er mee op den kalen schedel en sprak: “Hoofdje, hoofdje, als jij niet zoo verstandig waart, dan had men je reeds lang van den romp gescheiden.”

Zelfs de groote militaire verdiensten van Tolstoi, in den tweeden strijd om Azoff, konden het wantrouwen van den Tsaar niet overwinnen.

In 1697 zond Tsaar Peter eenige vrijwilligers naar het buitenland in de leer. Tolstoi, toen reeds een man van rijperen leeftijd, bood aan er heen te gaan, ter bestudeering van het zeewezen. Tevens stelde hij zich volkomen op de hoogte van de West-Europeesche cultuur. In ’t eind van 1701 werd Tolstoi benoemd tot gezant te Constantinopel, een gewichtige maar moeilijke post. Ten tijde van de verwikkelingen van 1710–1713 zat hij tweemaal op het “slot met de zeven torens” gevangen. Daarom voeren de graven Tolstoi een wapen waarop dit slot is afgebeeld.

In 1717 bewees Tolstoi den Tsaar een grooten dienst, waardoor hij voor goed bij dezen in de gunst kwam.

Op korten afstand van Napels, waarheen Tolstoi was gezonden, ligt het kasteel Sint-Elmo. Daar hield zich in dien tijd de Tsarewitsch Alexei met zijne vriendin Eufrosyne [24]verborgen. Met behulp van die vrouw gelukte het Tolstoi, door ruwe bedreigingen en valsche beloften, den Tsarewitsch te bewegen naar Rusland terug te keeren. Zijn werkzaam aandeel in het gerechtelijk onderzoek, de zittingen van de geheime rechtbank en de, op bevel van den Tsaar, heimelijke voltrekking van het doodvonnis (met medewerking van Roemjantseff, Oeschakoff en Boetoerlin) bezorgden hem eene belooning. Hij kreeg eenige landgoederen ten geschenke en werd benoemd tot chef van de geheime kanselarij, waar juist zeer veel te doen viel wegens oproer en gisting onder ’t volk, veroorzaakt door den dood van den Tsarewitsch Alexei.

Tolstoi was in dien tijd een van de personen die zich steeds in de onmiddellijke nabijheid van den Tsaar bevonden, en die het meest door hem werden vertrouwd.

Door de zaak met den Tsarewitsch kwam hij ook in nauwere aanraking met Keizerin Catharina. In vereeniging met Menschikoff werkte hij krachtig mede aan hare troonsbestijging, waarvoor hij op den kroningsdag beloond werd met den titel van graaf, en naderhand veel gunsten bleef genieten. Onder de regeering van Peter II, een’ zoon van den vermoorden Tsarewitsch, was zijn val echter onvermijdelijk. Zonder dat er met zijn hoogen leeftijd rekening werd gehouden (82 jaar), werd Peter Tolstoi in het Solowetski-klooster gevangen gezet, waar hij niet lang daarna, in 1729, overleed.

Er bestaat nog een dagboek met aanteekeningen van Tolstoi’s buitenlandsche reis van 1697 tot 1699, een karakteristiek staaltje van den indruk, dien een Rus uit den tijd van Peter den Groote van West-Europa kreeg. In 1705 stelde hij een geschrift samen, handelende over de Zwarte Zee. Bovendien zijn van hem twee vertalingen bekend: De Metamorphose van Ovidius en De Regeering van den Turkschen Staat.

Tolstoi had een zoon, Iwan Petrowitsch, president van de [25]rechtbank, die tegelijkertijd met hem in de gevangenis werd gezet, waar hij spoedig na zijn vader overleed.

Reeds onder de regeering van Elizabeth Petrowna, 26 Maart 1760, werden de nakomelingen van Peter Tolstoi in hunne graaflijke waardigheid hersteld en wel in de persoon van zijn kleinzoon Andrei Iwanowitsch, den overgrootvader van Leo Tolstoi.

“Van een van mijne tantes hoorde ik van dezen Andrei Iwanowitsch, die zeer jong met eene vorstin Tschtschetininaja in ’t huwelijk trad, eens het volgende verhaal.

“Door het een of ander toeval moest de vorstin zonder haar man naar een bal. Toen ze was weggereden, waarschijnlijk in een koets, waaruit men de banken had moeten verwijderen opdat het hooge kapsel niet door het stooten tegen de zoldering zou worden beschadigd, herinnerde de jonge vorstin (ze was waarschijnlijk 17 jaar) zich plotseling, dat ze geen afscheid had genomen van haar man. Dadelijk liet ze keeren en vond thuisgekomen haar gemaal in tranen. Hij weende omdat zij zonder hem te groeten was weggegaan.”3


Tolstoi vertelt het volgende van zijn grootvader en grootmoeder van vaderszijde.


“Mijne grootmoeder Pelageja Nikolajewna was eene dochter van den blinden vorst Nikolaas Iwan. Gortschakoff. Zij was, zoover ik het mij kan herinneren, weinig ontwikkeld. Zooals allen in dien tijd sprak zij beter Fransch dan Russisch, maar dat was dan ook alles wat ze wist. Zij werd haar geheele leven zeer verwend, eerst door haar vader, toen door haar man en daarna door haar zoon. [26]

“Bovendien werd haar, als dochter van den oudste van het geslacht, de grootste achting bewezen door alle Gortschakoffs, t.w. den gewezen minister van oorlog, Nikolaas Iwanowitsch, Andrei Iwanowitsch en de zonen van den vrijdenker Dimitri Petrowitsch, Peter Sergius en Michael Sebastopolski.

“Mijn grootvader was ook, voor zoover ik nog weet, een weinig ontwikkeld man, zwak van karakter, niet slechts vrijgevig maar zelfs onuitsprekelijk verkwistend, en daarbij veel te goed van vertrouwen. Op zijn landgoed, gelegen in het district Bjellewskaja Paljana (niet te verwarren met Jasnaja Paljana) hield men steeds feesten en drinkgelagen. Bals, comedie, diners en ’t maken van kleine uitstapjes wisselden elkaar af. Grootvader had een grooten hartstocht voor het spel, hombre en whist, dat hij niet goed kende en waardoor hij dus groote sommen verloor, daarenboven gaf en leende hij steeds maar groote sommen uit, waarvan hij nooit iets terug zag. Het einde van dit alles was, dat het groote landgoed van mijn grootmoeder zoo met schulden was belast, dat er niets meer overbleef om van te leven, en grootvader gedwongen was de betrekking van Gouverneur te Kazan aan te nemen. Door zijn vele relaties viel het hem gemakkelijk dien post te krijgen.

“Mijn grootvader was onomkoopbaar en nam slechts het geld dat hem volgens algemeen gebruik van de pacht toekwam. Hij werd boos wanneer men trachtte hem heimelijk om te koopen. Maar grootmoeder, zooals men mij vertelde, nam, zonder dat haar man er iets van wist, wel geschenken aan.

“De jongste dochter van grootmoeder, Pelageja, trouwde te Kazan met Joeschkoff, de oudste, Alexandra, nog te Petersburg, met graaf Osten Sacken.

“Na den dood van haar man, die te Kazan overleed, en na het huwelijk van mijn vader, kwam grootmoeder bij ons te Jasnaja Paljana, en zooals ze toen was, reeds een oude vrouw, kan ik mij haar nog heel duidelijk voorstellen. [27]

“Grootmoeder hield hartstochtelijk veel van mijn vader; wij, haar kleinkinderen, werden door haar verwend; van de tantes hield zij ook, maar ik geloof dat zij mijne moeder niet graag mocht lijden, omdat zij haar niet goed genoeg vond voor vader en—omdat zij jaloersch op haar was. Voor het personeel behoefde zij niet veeleischend te zijn, want, wetende dat zij de eerste persoon in huis was, deden alle bedienden ongevraagd alles wat ze konden om het haar naar den zin te maken. Gascha, haar kamenier, had echter veel van haar luimen te lijden en werd geregeld door haar gekweld. Met de woorden: ‘jij bent mij de liefste’ verlangde zij de onmogelijkste dingen van haar en plaagde haar op alle manieren. Het opmerkelijkste hierbij is, dat Gascha Arafa Michaïlowna4, die ik nog heel goed gekend heb, alle luimen van grootmoeder overnam en met haar ondergeschikten, met haar kat, in één woord met allen over wie zij iets te zeggen had, juist zoo omging als grootmoeder met haar.

“Van mijne eerste herinneringen aan mijne grootmoeder, tot aan onze reis naar Moskou en ons leven daar, zijn drie indrukken het levendigst gebleven.

“De eerste is, dat grootmoeder, als zij zich wiesch, met een bijzondere zeep verwonderlijk mooie zeepbellen op haar handen te voorschijn kon tooveren, die, naar ik toen geloofde, niemand dan zij zoo mooi kon maken.

“Men bracht ons expres naar haar toe om er bij te zijn als zij zich wiesch. Ik herinner mij haar witte koftoschka (lijfje met mouwen), haar joebka (vrouwenrok), haar witte oude handen met de zeepbellen en haar bleek, tevreden glimlachend gelaat.

“De tweede herinnering is deze: Grootmoeder zit in de [28]groene cabriolet op veeren, waarin wij dikwijls met onzen goeverneur Feodor Iwanowitsch uit rijden gaan. Zij wordt getrokken niet door paarden maar door de knechts van mijn vader. Wij gaan uit om noten te schudden, die er dit jaar zeer overvloedig zijn.

“Ik herinner me den zwaar beladen noteboom met de krakende, bewegende takken, hoe Petroeschka en Matjoeschka, de tuinknechts, die de groene cabriolet, waarin grootmoeder gezeten is, voorttrokken, de takken naar haar toe bogen, en hoe grootmoeder zelf de heerlijk rijpe vruchten aftrok en in haar tasch deed; hoe wij zelf de noten plukten, en hoe Feodor Iwanowitsch ons verbaasde met zijne kracht, door de dikste takken naar beneden te wringen. Hoe wij zelf noten verzamelden uit alle macht, en hoe wij toch nog zagen, toen Feodor Iwanowitsch de takken los liet, die zich langzaam, zich in elkaar verwarrend, weer oprichtten, dat er vele noten waren blijven hangen. Ik herinner mij hoe warm het was op die kleine weide, en hoe heerlijk koel in de schaduw, hoe wij de prikkelende geuren inademden die noten en notebladeren van zich gaven, hoe kleine meisjes, die bij ons waren, de noten kraakten en tusschen hun lipjes staken, en hoe wij, onophoudelijk kauwden en al maar kauwden aan de frissche, blanke, sappige kern.

“Wij verzamelden de noten in onze zakken, in onzen schoot en in de groene cabriolet, en grootmoeder nam ze aan en prees ons. Wat er verder gebeurde, nadat we thuis waren gekomen, daarvan heb ik niets onthouden. Ik herinner me slechts grootmoeder, den noteboom, den scherpen geur der bladeren, de knechts, de groene cabriolet, de zon en dat alles samensmeltende tot eene blijde herinnering. Ik geloofde dat, even als de zeepbellen slechts op grootmoeders handen konden zijn, zoo ook de zon, het bosch en de noteboom een geheel vormden met grootmoeder in haar groene cabriolet op veeren, die getrokken werd door Petroeschka en Matjoeschka. [29]

“De herinnering, die het innigst met grootmoeder is saamgeweven, is die nacht, doorgebracht in grootmoeders slaapkamer: Leo Stepanitsch (hij was een blinde sprookjesverteller, en reeds oud toen ik hem leerde kennen), een overblijfsel uit den tijd toen de lijfeigenschap nog bestond, een lijfeigene van mijn’ grootvader. Hij was indertijd gekocht alleen om sprookjes te vertellen, die hij, dank zij een slechts blinden eigen bijzonder sterk geheugen, woordelijk kon verhalen nadat men ze hem een paar maal had voorgelezen.

“Hij woonde ergens in ons huis en den geheelen dag bleef hij onzichtbaar tot hij ’s avonds in grootmoeders slaapkamer voor den dag kwam. Grootmoeders slaapkamer was een groot, laag vertrek, waartoe een klein trapje van een paar treedjes toegang gaf. Leo Stepanitsch zette zich dan in de breede vensterbank, waar men hem zijn avondeten bracht dat van de heerentafel kwam. Hier wachtte hij op grootmoeder die, zonder schroom voor de tegenwoordigheid van den blinden ouden man, haar nachttoilet in orde kon maken.

“Op dien dag, toen ’t mijn beurt was om bij grootmoeder te overnachten, zat Leo Stepanitsch met zijn blinde oogen, gekleed in een lange blauwe jas en een doek om zijn schouders, reeds in de vensterbank bij zijn avondeten. Ik kan mij niet herinneren of grootmoeder zich uitkleedde in deze of in een andere kamer, ook niet hoe men mij te bed heeft gebracht. Ik herinner mij slechts, toen het licht werd uitgedaan en alleen een lampje bleef branden voor de gouden heiligenbeelden, grootmoeder, diezelfde wonderbare grootmoeder, die zulke prachtige zeepbellen kon maken, geheel in ’t wit, omhuld met wit, bedekt met wit, hoog liggend op haar witte kussen, en toen,—van uit de diepe vensternis—de eentonige, rustige stem van Leo Stepanitsch: ‘Beveelt ge, dat ik ga vervolgen?’—‘Ja, ga verder.’—‘Mijn geliefd zustertje,’ hernam Leo Stepanitsch met zijn langzame oude stem, ‘doe [30]ons een van die boeiende verhalen die gij zoo goed weet te vertellen.’ ‘Zeer gaarne,’ antwoordde Scheherezade, ‘ik zou u de geschiedenis van Prins Kamaralzaman willen vertellen, zoo gij ons daarvoor uwe toestemming wilt geven.’ Nadat zij deze had verkregen begon de Sultane Scheherezade als volgt: ‘Er was eens een Tsaar die een eenigen zoon had...’ en duidelijk woord voor woord vertelde Leo Stepanitsch de geschiedenis van Prins Kamaralzaman. Ik hoorde noch begreep wat hij zei, zoo geheel ging ik op in den geheimzinnigen aanblik van mijne witte grootmoeder, van haar schaduw die zich op den muur heen en weer bewoog, en van den grijsaard met zijn blinde oogen, dien ik nu niet zag, maar dien ik mij bewust was, zittende op de vensterbank, zeggende met zijne langzame stem eenige, naar het mij toescheen, verheven woorden die weerklonken in deze in schemer gehulde kamer, slechts verlicht door de trillende vlam eener lamp.

“Het kan zijn, dat ik dadelijk insliep en mij daarom niets meer herinner dan dat ik den volgenden morgen, wakker geworden, weer in verrukking kwam voor de wondermooie zeepbellen op de handen van mijn grootmoeder.”5.


De volgende tabel geeft den lezer een overzicht van de jongste voorouders van Leo Tolstoi.

Graven Tolstoi.

  • Peter Andrejewitsch, eerste graaf Tolstoi [† 1729].
  • Iwan Petrowitsch [† 1728].
  • Andrei Iwanowitsch [† 1803].
  • Ilija Andrejewitsch [† 1820] (Gouverneur van Kazan).
    • Alexandra, getrouwd met graaf Osten Sacken.
    • Nikolaas [† 1837].
    • Pelageja, getrouwd met W. I. Joeschkoff.
    • Ilija, stierf kinderloos
    • Nikolaas, geb. 1823.
    • Sergius, geb. 1826.
    • Dimitri, geb. 1827.
    • Leo, geb. 1828.
    • Maria, geb. 1830.

[31]

De familie Tolstoi heeft haar vertegenwoordigers in vele standen van de maatschappij.

Wij veronderstellen, dat het den lezer zal interesseeren te weten in welken graad van bloedverwantschap Leo Tolstoi tot eenigen hunner staat. Wij herinneren hier aan Feodor Petrowitsch Tolstoi, een bekend kunstenaar en vice-president van de Keizerlijke Kunstacademie, die een neef was van den vader van den dichter Alex. Const. Tolstoi, die op zijn beurt weer een achterneef is van Leo Tolstoi. De gewezen minister Dimitri Andrejewitsch Tolstoi, bekend om zijn reactionnaire maatregelen, staande in een meer verwijderden graad van bloedverwantschap tot Tolstoi, stamt af van den algemeenen stamvader Iwan Petrowitsch Tolstoi, zoon van den eersten graaf Tolstoi, Peter Andrejewitsch, die evenals zijn vader stierf in het Solowetski-klooster. [32]


1 Wanneer ik gebruik maak van de woorden van Tolstoi uit zijne mij verstrekte “herinneringen”, dan zal dat door aanhalingsteekens worden aangegeven.

2 Volgens familiegegevens stamt het geslacht Tolstoi af van een Duitscher Dick (in ’t Russisch = Tolstoi). Hoewel dit niet in overeenstemming is met de stamboeken, is het zeer wel mogelijk dat deze twee variaties toch één bron hebben. Het kan zijn dat het geslacht Andrei Charjitonowitsch nog de Duitsche taal gebruikte, dat het den achternaam Dick kreeg, en dezen naam eenvoudig in ’t Russisch vertaalde.

P. B.

3 Toegevoegd door Tolstoi bij de nalezing van ’t handschrift.

4 Deze Gascha stierf eenige jaren geleden op het landgoed van Tolstoi, waar zij nog langen tijd rustig gewoond heeft.

P. B.

5 Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.

[Inhoud]

Tweede hoofdstuk.

Voorouders van Leo Tolstoi van moederszijde.

De vorsten Wolkonski klimmen met hun stamboom op tot Rurik.

Bij het leven van mijn grootvader bestond er nog een in olieverf geschilderde stamboom van de vorsten Wolkonski. Daarop was de stamvader, vorst Tschernogorski (als de heilige Michaël) afgebeeld, met een boom in zijn vuist, wiens vertakkingen de rij van zijn nakomelingen voorstellen.

Vorst Iwan Joerjewitsch, het 13de geslacht na Rurik, ontving in het begin van de 14de eeuw het vorstendom Wolkon, gelegen aan de rivier de Wolkona, die stroomt in het tegenwoordige gouvernement Kaloeka en Toela; dit was het stamgoed van de vorsten van Wolkonski. Zijn zoon Feodor Iwanowitsch viel in den slag bij Mamajeff in 1380. Wij noemen van Leo Tolstoi’s jongste voorouders zijn’ overgrootvader, vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski, om wiens persoon zich de volgende legende weeft.

Vorst Sergius Fedorowitsch Wolkonski heeft deelgenomen aan den zevenjarigen oorlog in den rang van generaal. Zijn vrouw droomde eens, tijdens dien veldtocht, dat eene stem haar beval een heiligenbeeldje te laten maken, vertoonende aan de eene zijde Sjiwonosni Istotschnik, aan den anderen kant Nikolaas Tschoedotwortz, en hem dat te zenden. Zij zocht daarvoor een plankje uit, gaf bevel het te schilderen en zond het haren man door bemiddeling van den veldmaarschalk [33]Apraksin. Op dien zelfden dag bracht een koerier hem het bevel zich op weg te begeven om den vijand op te zoeken. Vorst Sergius Feodorowitsch bad God om hulp en stak het beeldje bij zich. Nu gebeurde het dat een vijandelijke kogel hem trof, juist op de borst, waar hij op het beeldje afstuitte. Dit beeldje, dat nu nog bewaard wordt door zijn jongsten zoon, vorst Nikolaas Serghejewitsch, redde hem dus het leven. Hij stierf 10 Maart 1784.

Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz. 26.

Ilija Andrejewitsch Tolstoi, Tolstoi’s grootvader van vaderszijde.—Blz. 26.

Leo Tolstoi, die deze legende natuurlijk kende, bediende zich ervan in zijn roman Oorlog en Vrede, om de godsdienstige gevoelens weer te geven van vorstin Maria Wolkonskaja, voordat vorst Andreï ten oorlog trekt. De lezer zal zich herinneren dat Maria haar broeder vraagt, dit beeldje mee te nemen. Terwijl zij het hem geeft, zegt ze: “Denk wat je wilt, maar doe het dan voor mij, doe het, ik smeek het je! De vader van mijn vader, onze grootvader, droeg het in alle oorlogen...”

Wij zien hier hoe de verbeeldingskracht van den kunstenaar en de werkelijke historie in elkaar vloeien. Terwijl de laatste aan de eerste het karakter van waarheid verleent, daar geeft de eerste aan de laatste dien schijn van het echte leven, die aan alle personen, voorkomend in Oorlog en Vrede, bezieling schenkt, zoodat wij niet twijfelen aan hun werkelijk bestaan.

De jongste zoon van Sergius Feodorowitsch, Nikolaas Serghejewitsch, was Tolstoi’s grootvader van moederszijde. Hier volgt hetgeen de stamboom van hem zegt.

Nikolaas Serghejewitsch, generaal der infanterie, jongste zoon van vorst Sergius Feodorowitsch en vorstin Maria Dmitrijewna, geboren Tschadajewna, werd geboren 30 Maart 1753. In 1780 werd hij opgenomen in ’t gevolg van Keizerin Catharina II te Moghileff, waar hij de eerste samenkomst van haar met Keizer Joseph II bijwoonde. Later begeleidde hij de Keizerin naar Taurië. In 1793 werd hij benoemd tot eersten gezant te [34]Berlijn, bij gelegenheid van het huwelijk van den kroonprins, den lateren Frederik Willem III. Hij stierf 3 Februari 1821 op het landgoed Jasnaja Paljana, waar hij, zonder het ooit meer te verlaten, zijne laatste jaren doorbracht, en dat, onder den naam van Liesig Gor, door zijn kleinzoon in den roman Oorlog en Vrede onsterfelijk is gemaakt.

Het lijk van dezen vorst is bijgezet in het Troitzko Serghejewskaja lawra (een klooster).

Leo Tolstoi vertelt ons in zijne herinneringen het volgende van zijn’ grootvader.

“Van mijn’ grootvader weet ik, dat hij onder Keizerin Catharina het hooge ambt van generaal-en-chef bekleedde, doch plotseling werd ontslagen, omdat hij weigerde te trouwen met Warjenka Engelhardt, de nicht en tevens geliefde van Potjemkin. Hij antwoordde toen deze het hem vroeg: ‘Hoe kom je op de gedachte, dat ik zou trouwen met uwe bijzit.’ Dat antwoord brak zijne carrière. Behalve dat hij niet werd bevorderd, verplaatste men hem als veldmaarschalk naar Archangel, waar hij, geloof ik, bleef tot aan de troonsbestijging van Keizer Paul. Hij nam ontslag uit den dienst, trouwde met vorstin Catharina Dmitrijewna Troebjetzkaja en vestigde zich op het landgoed Jasnaja Paljana, dat hij van zijn’ vader had gekregen.

“Vorstin Catharina Dmitrijewna stierf jong, hem een eenige dochter nalatende.

“Hij hield heel veel van deze dochter en bleef tot aan zijn dood, in 1821, met haar en hare Fransche gezelschapsjuffrouw samenwonen.

“Men zegt van mijn’ grootvader, dat hij een zeer streng landheer was, hoewel ik nooit van die vreeselijke straffen hoorde gewagen, zoo algemeen in zwang in die tijden. Ik veronderstel dat er toch wel gestraft werd en mijn vader sprak ook wel eens minder gunstig over hem. De boeren [35]echter uit dien tijd hadden zoo grooten eerbied voor gezag en macht, dat zij, hoe dikwijls er ook naar gevraagd, zich er niet over uitlieten. Zij roemden grootvader als een goed landheer, die zorg droeg voor zijne boeren en voor zijne groote, mooie bezitting. Hij liet huisjes bouwen voor de boerenknechts, en zorgde dat ze niet slechts goed gevoed maar ook goed gekleed en vroolijk zouden zijn. Op feestdagen was het voor hen ook feest. Hij zorgde dan voor schommels en liet hen dansen, enz.

“Iedere verstandige landheer uit die dagen zorgde voor den welstand der boeren. Zoo deed ook hij, terwijl zijne hooge positie den Iesprawnik (de eerste uit het district) met zijne dienaren eerbiedig ontzag inboezemde, hetgeen zijne boeren weer vrijwaarde voor uitbuiting en onderdrukking, zoodat het hun steeds beter ging.

“Waarschijnlijk was hij zeer aesthetisch aangelegd. De huisjes, door hem gebouwd, waren eenvoudig, gemakkelijk en daarbij zeer mooi, evenals het door hem aangelegde park vóor het huis. Van muziek scheen hij zeer veel te houden, want alleen voor zich en zijn vrouw hield hij er een klein maar goed orkest op na. Ik heb nog den reuzenboom in de lindenlaan gezien, dien dikken boom, door drie personen nauwelijks te omspannen, waarom banken en lessenaars voor de muzikanten stonden. Hij wandelde ’s morgens de lindenallée op en neer en luisterde naar de muziek. Van de jacht hield hij niet, maar wel van bloemen en planten.

“Het noodlot bracht mijn’ grootvader op een eigenaardige wijze weer samen met diezelfde Warjenka Engelhardt, die zijne carrière had gebroken. Zij was n.l. getrouwd met vorst Sergius Feodorowitsch Galitzin, die daarvoor allerlei ambten, orden en gunsten had ontvangen. Er ontstond zulk eene intieme verhouding tusschen mijn grootvader en dien zelfden Sergius Feodorowitsch en zijne familie, dus ook met zijne vrouw, [36]dat mijne moeder, toen ze nog heel jong was, reeds aan een van de tien zoons van Galitzin werd toegezegd.

“Verder schonken de beide vorsten elkaar portretten uit hunne galerij, natuurlijk niet de oorspronkelijke, maar de copieën, geschilderd door hunne lijfeigenen, waaronder zich schilders bevonden. In ons huis bevinden zich nog al die portretten, o.a. een van Sergius Feodorowitsch, met het lint van Andrejew, en van Warwara Wasilewnaja, ook met eene ridderorde.

“Het stond echter geschreven dat de twee families niet nauwer met elkaar zouden worden verbonden. Leo Galitzin, de bruidegom mijner moeder, stierf nog vóór het huwelijk”1.

Den stamboom der vorsten Wolkonski overziende, valt mijn blik op eene interessante verschijning, n.l. op Warwara Alexandrowna Wolkonskaja (eene nicht van Tolstoi’s moeder), die heel veel gebeurtenissen ten zijnen huize heeft bijgewoond.

Deze vorstin (dochter van vorst Alexander Serghejewitsch, dus een nicht van den grootvader van Leo Tolstoi); bleef na haar moeders dood dikwijls geruimen tijd met haar vader bij diens broeder Nikolaas Serghejewitsch. Hier ontmoette zij verschillende personen, door Tolstoi beschreven in zijn’ roman Oorlog en Vrede.

Tot in hoogen ouderdom bleef de herinnering aan die personen en gebeurtenissen haar levendig bij.

Ouder geworden verhuisde zij naar het dichtbij gelegen dorpje Sogaljewo, eene vroegere bezitting van hare ouders. Daar richtte zij zich vlak naast de kerk een huisje in, waar zij woonde met een paar oude, getrouwe vrouwelijke gedienstigen, die haar niet wilden verlaten, en met wie zij, den roman Oorlog en Vrede lezende en herlezende, oude herinneringen ophaalde. Bijna door iedereen elders vergeten, genoot zij de achting en vereering der dorpelingen.

Aan iemand, die in 1876 toevallig eens bij haar kwam, [37]vertelde zij met innig genoegen, dat de boeren uit den omtrek, die toch reeds lang waren verkocht en al in de derde hand waren overgegaan, haar op haar 90sten verjaardag een zak met meel en een zilveren roebel ten geschenke hadden gebracht, en van de boerinnen kreeg zij een roebel, kippen, linnen, enz. Zij vertelde dit niet alleen met een gevoel van dankbaarheid maar ook van trots, als een bewijs van de goede herinnering, door haar ouders achtergelaten.


“Ik maakte kennis met die nicht van mijne moeder, dat goede oudje, toen ik in ’t jaar ’50 in Moskou woonde. Vermoeid door het drukke wereldsche leven, dat ik daar leidde, zocht ik haar en haar landgoed op, en bleef er eenige weken. Zij bestuurde haar huishouding, borduurde een weinig, en zette mij zuurkool, pastila2 en twarok3 voor, zooals dat gaat op die kleine buitentjes. Onderwijl spraken wij over den ouden tijd en vertelde ze mij van mijn’ grootvader, van mijne moeder, van de drie kroningen die zij had bijgewoond en schreef ik mijn’ roman Drie dooden. Die weken, bij haar doorgebracht, vormen een van de reinste en mooiste herinneringen van mijn leven”4.

Nu rest ons nog één persoon uit het geslacht der Wolkonski’s, die, hoewel niet in de rechte lijn, toch met Tolstoi verwant is, n.l. vorst Sergius Grigorjewitsch Wolkonski, een dekabrist. Hij was een achterneef van Tolstoi’s moeder, kleinzoon van Semjon Feodorowitsch Wolkonski en broeder van vorst Sergius Feodorowitsch van wien wij reeds boven gesproken hebben.

Vorst Sergius Feod. Wolkonski werd geboren in 1788. Hij werd lid van een geheim genootschap, en werd wegens deelneming aan het complot der Dekabristen naar Oost-Siberië verbannen, waar hij 30 jaren bleef. De eerste jaren [38]moest hij, steeds geketend, werken bij den vestingbouw; daarna kreeg hij meer vrijheid, maar bleef steeds onder politietoezicht. De reis en aankomst van zijne vrouw, vorstin Maria Nikolajewna, is bezongen in ’t bekende gedicht van Njekrasoff.

Zijn broer Nikolaas Grigorjewitsch nam in 1801, op bevel van Keizer Alexander I, den naam Rjennin aan. Rjennin was de familienaam van zijn’ grootvader van moederszijde, wiens geslacht was uitgestorven. In de Keizerlijke oekase kan men lezen, dat de Rjennins het vaderland steeds zoo roemvol dienden, dat hun naam niet mocht uitsterven, maar een levende herinnering moest blijven voor den Russischen adel. Vorst Nikolaas Grigorjewitsch nam deel aan de veldtochten tegen Napoleon en alle toenmalige vaderlandsche oorlogen. Na den slag bij Austerlitz kreeg hij de orde van den Heiligen Gregorius 4de klasse. In dien veldslag maakte hij als escadrons-commandant den beroemden cavallerie-aanval mee, waarbij hij door een kogel aan het hoofd werd gewond en zijn bewustzijn verloor. De Franschen vonden hem op het slagveld en brachten hem naar het veldhospitaal. Napoleon, die dit den volgenden dag hoorde, liet hem bij zich brengen en bood, uit achting voor zijne dapperheid, niet alleen hem, maar allen officieren die onder zijn commando stonden de vrijheid aan, op voorwaarde dat zij gedurende twee jaren niet meer aan den oorlog zouden deelnemen.

Nikolaas Grigorjewitsch antwoordde, onder dankzegging, dat hij gezworen had zijn vaderland te dienen tot den laatsten druppel bloeds en daarom het aanbod moest afslaan.

Kort daarna teruggekeerd uit de krijgsgevangenschap, werd hij wegens zijne verwonding uit den dienst ontslagen.

In de Roeskaja Starina van 1890 komt een brief voor, gericht aan Mich. Daniljewski, waarin vorst Rjennin uitvoerig deze episode heeft beschreven. Het eerste gedeelte van het gesprek met Napoleon komt ook woordelijk voor in den roman Oorlog en Vrede. [39]


1 Uit de mij verstrekte ongecorrigeerde aanteekeningen van Leo Tolstoi.

2 Dikke gelei, die men in stukken gesneden voordient.

3 Een soort kaas, die niet gesneden maar gesmeerd wordt.

4 Ingelascht door Tolstoi bij lezing van mijn handschrift.

[Inhoud]

Derde hoofdstuk.

De ouders van Leo Tolstoi.

Tolstoi houdt zich in dit hoofdstuk geheel aan de chronologische volgorde, in dien zin, dat hij begint met de vage herinneringen aan zijne moeder, hoofdzakelijk bestaande in verhalen die vrienden en bloedverwanten hem van haar deden, om dan over te gaan tot de gebeurtenissen van latere dagen, betreffende zijn vader en zijne tante, die hem duidelijk voor den geest staan.

Om zijn werk de oorsponkelijke gedaante te laten behouden, hebben wij zoo weinig mogelijk veranderingen in deze opeenvolging gemaakt, maar alleen het verhaal van zijn’ grootvader Wolkonski er uitgelicht, om het onder het hoofdstuk te plaatsen, dat zijn voorouders van moederszijde behandelt1.


“Mijne moeder kan ik mij in ’t geheel niet meer herinneren. Zij stierf toen ik anderhalf jaar oud was, en daar er door een vreemd toeval niet één portret van haar meer bestaat, weet ik niet hoe zij er heeft uitgezien.

“Gedeeltelijk verheugt mij dit, omdat ik nu alleen haar geestelijk beeld voor oogen heb. Alles wat ik van haar weet [40]is goed en mooi, en ik geloof dat men mij niet slechts veel goeds van haar vertelde, maar dat zij ook waarlijk goed was. Overigens, niet alleen mijn moeder, maar alle personen die mij in mijne kinderjaren omringden, van mijn vader af tot aan den koetsier, stel ik mij voor als goede menschen. Waarschijnlijk was het mijn jong, rein liefhebbend hart, dat mij in iedereen de goede eigenschappen deed ontdekken, en zeker is het, dat ik de waarheid meer nabij was, toen alle menschen mij goed toeschenen, dan toen ik alleen hunne feilen zag.

“Mijne moeder was niet mooi, maar zeer ontwikkeld voor haar tijd. Zij kende behalve Russisch, dat zij, in tegenstelling met de toen heerschende gebrekkige kennis der spraakkunst, zeer goed schreef, vier talen: Fransch, Duitsch, Engelsch en Italiaansch, moet veel kunstzin gehad hebben en volgens tijdgenooten, die mij dat zeiden, een kunstenares zijn geweest in het verhalen van boeiende sprookjes, die zij dichtte onder ’t vertellen. Zij kon—en dat was wel haar schoonste eigenschap—, hoewel zeer driftig volgens zeggen der bedienden, zich steeds bedwingen. Het bloed steeg haar dan plotseling naar ’t gelaat, zelfs barstte zij wel eens in tranen uit, maar ruwe woorden zei ze nooit. Hoe zou zij ook? Die kende zij niet eens.

“In mijn bezit zijn nog eenige van hare brieven, aan mijn’ vader, aan mijne tante en ook een dagboek, bevattende een verslag van het doen en laten van Nikoljenka, mijn oudsten broer, die zes jaar was toen zij stierf en die het meest van allen op haar geleek. Beiden hadden een eigenschap gemeen, die mij zeer lief is, namelijk hunne onverschilligheid tegenover alles ‘wat de menschen van hen zeiden,’ en de bescheidenheid waarmede zij trachtten hunne goede hoedanigheden te verbergen. Van mijn’ broer, die, zooals Toerghenjeff eens zeer terecht opmerkte, die gebreken miste, welke een goed schrijver eigen moeten zijn, heb ik het dikwijls zelf kunnen opmerken, van mijne moeder kwam ik het te weten uit hare brieven. [41]Zoo herinner ik mij dat wij eens jaagden in gezelschap van een dommen, slechten jongen man, den adjudant van den gouverneur, die zich tegenover mij over hem vroolijk maakte. Mijn broer, die dit bemerkte, glimlachte goedmoedig en had er zelf pleizier in.

“Die zelfde trekken vond ik terug in de brieven van mijne moeder. Zij stond klaarblijkelijk veel hooger dan mijn vader en zijne familie, behalve een zekere Tatjana Alex. Jergolskaja, eene moreel zeer hoog staande vrouw, in wier nabijheid ik mijn halve leven doorbracht.

“Nog een gemeenschappelijke trek van mijne moeder en mijn’ broer, waaruit waarschijnlijk hunne onverschilligheid voor ’t oordeel der menschen voortvloeide, bestond daarin, dat zij nooit iemand veroordeelden.

“Dezen karaktertrek van moeder leerde ik kennen uit hare brieven en hoorde ik vertellen door menschen, die haar goed hebben gekend. Wat mijn’ broer betreft, met wien ik heel lang samen bleef, in hem had ik dikwijls gelegenheid het op te merken. Kwam het voor, dat hij iets tegen iemand had, dan gaf hij dat te kennen door fijnen humor en een lachje.

“In de Levensbeschrijving van Dmitri Rostowski is een geschiedenis, die mij altijd bijzonder heeft getroffen.

“Een oude monnik had eens een heel vreemden droom. Hij zag een anderen monnik, die, even als zijne broeders, zeer veel gebreken had, niet slechts in ’t paradijs, maar daar zelfs op de allereerste plaats. Op zijn verbaasde vraag, waarom deze monnik, die toch op aarde lang niet alles had verzaakt, zulk eene belooning ontving, kreeg hij ten antwoord: ‘hij oordeelde nooit iemand.’

“Wanneer er zulk eene belooning bestond, dan zouden mijne moeder en mijn broer die zeker bekomen.

“Een derde karaktertrek van mijne moeder was haar zin voor waarheid en eenvoudigheid in hare brieven. [42]

“In dien tijd was het eene gewoonte om in brieven zeer overdreven uitdrukkingen te gebruiken, b.v. waren ‘onvergelijkelijke, aangebedene, vreugde van mijn leven, ontschatbare,’ en dergelijke meer gekunstelde dan ware uitdrukkingen zeer gangbare titels onder menschen die elkaar intiem kenden.

“Deze gewoonte, hoewel niet zoo overdreven, vind ik ook in de brieven van mijn’ vader. Hij schrijft: ‘ma bien douce amie, je ne pense qu’au bonheur d’être auprès de tot.’ ’t Is nog de vraag, of dat geheel waar was! Mijne moeder schrijft altijd denzelfden aanhef: ‘mon bon ami’, en in een van hare brieven zegt ze ronduit: ‘le temps me parait long sans toi, quoiqu’à dire vrai nous ne jouissons pas beaucoup de ta société quand tu es ici’, en zij onderteekende altijd: ‘ta devouée Marie.’


“Mijne moeder bracht hare jeugd gedeeltelijk door in Moskou, gedeeltelijk buiten bij mijn’ grootvader Wolkonski, een verstandig begaafd en trotsch man. Men heeft mij verteld dat mijn moedertje heel veel van ons hield en mij ‘mon petit Benjamin’ noemde.

“Ik denk dat de liefde voor haren gestorven bruidegom, juist omdat zij met den dood eindigde, die poëtische liefde was, waaraan een meisje zich maar eenmaal in haar leven overgeeft.


“Het huwelijk van mijn vader was het werk van zijne ouders en hare bloedverwanten. Zij was rijk, niet meer in de eerste jeugd en een wees. Mijn vader was een vroolijke, schitterende jonge man met een klinkenden naam, goede relaties, maar het familiegoed was door het slechte beheer van mijn grootvader zóó met schulden beladen, dat mijn vader het als erfenis niet aanvaardde. Ik denk dat mijne moeder mijn’ vader lief had als haar echtgenoot, en hoofdzakelijk als vader van hare kinderen, maar dat ze niet verliefd op hem was. Zij koesterde [43]drie of vier groote genegenheden. Ten eerste de liefde tot haren gestorven bruidegom, vervolgens eene hartstochtelijke vriendschap voor eene zekere melle Enisienne, eene Française, welke vriendschap echter, zooals ik van de tantes hoorde, met eene ontnuchtering eindigde. Die melle Enisienne trouwde met vorst Michael Alexander Wolkonski, een’ neef van mijne moeder.

“Over die vriendschap zegt zij, schrijvende over twee jonge meisjes, die bij haar in huis zijn:2

“‘Ik kan het zeer goed met beiden vinden, met de eene musiceer ik, lach ik en ben ik uitgelaten of sentimenteel, met de andere spreek ik, lichtzinnig, kwaad van de wereld; beiden houden dol van mij en ik ben de vertrouwde van elk van beiden; ik verzoen ze wanneer zij oneenigheid hebben, want nooit zag men een vriendschap waarbij zoo gekibbeld werd en van zoo vreemden aard als de hare: ’t is eene opeenvolging van pruilerij en tranen, verzoeningen, beleedigingen, en dan weer hevige vlagen van vriendschap; kortom ik zie er de overdreven en romantische vriendschap in weerspiegeld, die gedurende eenige jaren mijn leven beurtelings heeft opgevroolijkt en verduisterd. Ik zie haar aan met een onbeschrijfelijke gewaarwording; soms benijd ik haar de illusies, die ik niet meer heb, maar welker streeling ik ken, en zeg ik ronduit: “weegt het degelijke en echte geluk van den rijperen leeftijd wel op tegen de bekorende illusies der jeugd, waarbij de kracht der verbeelding alles mooi doet schijnen?” En dan weer glimlach ik om haar kinderachtigheid.’

“De derde, en misschien de hechtste genegenheid was de liefde voor mijn oudsten broer Koko. Zij hield een dagboek bij, in ’t Russisch geschreven, waarin zij al diens kleine gebreken opschreef, die ze hem dan later voorlas. Daaruit spreekt haar innige wensch om alles te doen wat in haar [44]vermogen was voor de goede opvoeding van haren Koko, maar tevens is het een bewijs, dat zij niet heel goed wist wat daarvoor noodig was.

“Zoo onderhield zij hem er o.a. over, dat hij te teergevoelig was en weende bij het zien van het lijden van een dier. Naar haar begrip moest een man hard zijn.

“Eene andere fout, die zij trachtte te verbeteren, was zijne verstrooidheid, zoodat hij b.v. inplaats van bonsoir of bonjour, ’je vous remercie’ tegen zijne grootmoeder zeide.

“Het vierde sterke gevoel was, volgens mijne tantes (en ik hoop dat het waar is), haar liefde voor mij, waardoor hare genegenheid voor Koko een weinig verminderde, die, toen ik geboren werd, van mijne moeder werd weggenomen om onder mannelijke leiding te komen. Mijne moeder was iemand die liefde moest geven, en deze van den een op den ander overdroeg.

“Zoo dus stelde ik mij het innerlijke leven van mijne moeder voor. Zij scheen mij zoo hoog, zoo rein, zoo bovenaardsch, dat ik mij dikwijls tot haar wendde in die uren van mijn leven, waarin de verzoeking mij te sterk dreigde te worden en booze hartstochten mij overweldigden. Dan riep ik haar geest aan, en bad tot haar, en dat gebed werd dikwijls verhoord.

“Het leven van mijne moeder te midden van mijn vaders familie was volgens hare brieven en naar men vertelde, zeer gelukkig.

“Vaders familie bestond uit grootmoeder (vaders moeder), haar dochter, mijne tante, gravin Ilin. Osten-Sacken met haar pleegkind Paschenka, eene andere tante, ten minste wij noemden haar zoo, Tatjana Alex. Jergolskaja, die opgevoed was in het huis van mijn’ grootvader, maar verder haar heele leven bij ons heeft gewoond, en dan nog den gouverneur Feodor Iwan. Rjessel, door mij in mijn boek Kinderjaren beschreven. [45]

“Wij waren met ons vijven kinderen: Nikolaas, Sergius, Dmitri, ik en de jongste, onze zuster Maria, bij wier geboorte moeder stierf. Het korte negenjarige huwelijksleven van mijne moeder was gelukkig en goed. De liefde had haar leven gevuld en mooi gemaakt, de liefde van haar voor ons allen—van ons allen voor haar.

“Te oordeelen naar hare brieven, leefde zij heel eenzaam. Niemand, behalve een zeer intieme kennis, Ogarjewitsch, en een bloedverwant die toevallig eens over den dorpsweg reed en ons wilde opzoeken, kwam bij ons op Jasnaja Paljana.

“Mijne moeder gaf haar leven aan haar kinderen, las grootmoeder ’s avond wat voor, nam voor zich zelf meer ernstige lectuur, als Rousseau’s Emile, en sprak over het gelezene; zij speelde piano, gaf een van mijn tantes Italiaansche les, ging wandelen en verzorgde haar huishouding. In iedere familie komt een tijd, dat er geen ziekte heerscht of dood en allen rustig voortleven. Zulk een tijd, geloof ik, beleefde mijne moeder gedurende haar huwelijk. Er werd niemand ziek, niemand stierf en de verwarde zaken van mijn vader kwamen weer terecht. Allen waren gezond, welgemoed en prettig onder elkaar. Vader vroolijkte ons allen op met zijn aardige verhalen. Ik beleefde dien tijd niet. Toen ik begon te begrijpen, was mijne moeder reeds gestorven en had de dood zijn’ stempel op onze familie gedrukt.

“Alles wat ik hier verteld heb weet ik uit brieven en door verhalen van anderen. Nu begin ik te beschrijven wat ik zelf beleefd heb en waarvan ik zelf nog heugenis heb. Ik zal het niet hebben over die wazige, vage herinneringen uit mijn prilste jeugd, toen ik nog te klein was om waarheid van droomen te kunnen onderscheiden. Ik begin dus met wat mij uit mijne omgeving van die eerste jaren duidelijk voor den geest staat. De eerste plaats wordt ingenomen door mijn vader, hoewel [46]hij niet zoo’n grooten invloed op mijn leven uitoefende en ik niet het meest van hem hield.

“Mijn vader werd heel jong eenige zoon, daar een jongere broeder door een val gebrekkig werd en spoedig stierf. In 1812, toen hij zeventien jaar was, ging hij, ondanks den angst en ’t verdriet van zijne ouders, in dienst. Vorst Nikolaas Iw. Gortschakoff, een bloedverwant van mijne moeder, was in dien tijd minister van oorlog. Deze had een’ broer Andreï Iw., generaal bij het staande leger, aan wien mijn vader als adjudant werd toegevoegd. Hij nam deel aan den veldtocht van 1813/14, werd in het eerste jaar ergens in Duitschland, waar hij als koerier werd heengezonden, door de Franschen gevangen genomen, en eerst ontslagen in 1815, toen de onzen in Parijs kwamen. Mijn vader was op zijn twintigste jaar al niet meer wat men een onschuldigen jongeling noemt. Reeds vóor zijn intrede in het leger, ongeveer op zijn zestiende jaar, werd hij door zijne ouders, volgens de begrippen over gezondheid van die dagen, met een dienstmeisje in aanraking gebracht. Hieruit werd een zoon geboren, dien men later postiljon maakte. Zoolang mijn vader leefde paste die zoon goed op, maar na diens dood kwam hij op verkeerde wegen en wendde zich dikwijls tot ons, zijne volwassen broers, om hulp. Ik kan mij nog heel goed het vreemde gevoel herinneren, dat mij bekroop, toen deze tot armoede vervallen oudere broer, die meer dan een van ons allen op mijn’ vader geleek, bij ons om hulp kwam, en dankbaar was voor iedere 15 roebel, die wij hem gaven.

“Teleurgesteld door den krijgsdienst nam vader zijn ontslag en kwam te Kazan, waar mijn grootvader, toen reeds geheel geruïneerd, gouverneur was. Ook bevond zich daar de zuster van mijn’ vader, die getrouwd was met Joeschkoff.

“Mijn grootvader stierf al spoedig en mijn vader bleef achter met eene erfenis, die door de schulden werd overtroffen, en [47]met de zorg voor zijne aan weelde gewende moeder, zuster en nicht. In dien tijd bracht men het huwelijk tot stand met mijne moeder en verhuisde hij naar Jasnaja Paljana. Negen jaren woonden zij daar; toen werd hij weduwnaar, en van dien tijd af aan begint hij in mijne herinnering te leven.

“Mijn vader was een middelmatig groote, goed gevormde, sanguinische man, met een prettig, aantrekkelijk gezicht, waarin een paar altijd droevige oogen stonden. Hij bracht zijn leven door met het besturen van zijn landgoed, doch heeft het, naar ik geloof, daarin nooit ver gebracht. Maar hij had eene voor dien tijd zeer goede eigenschap: hij was namelijk niet wreed, zelfs zachtmoedig, zoodat ik bij zijn leven nooit van lichamelijke straffen hoorde. Toch moeten ze bestaan hebben (immers men kon zich toen nauwelijks voorstellen, dat regeeren mogelijk was, zonder ze nu en dan toe te passen), maar het gebeurde zoo zelden, dat wij kinderen er nooit iets van bemerkten. ’t Was dan ook eerst na den dood van mijn’ vader, dat ik te weten kwam, dat die strafoefeningen bij ons werden voltrokken.

“Wij kinderen keerden eens met onzen onderwijzer van eene wandeling terug en ontmoetten bij den dorschvloer den dikken opzichter Andreï Ilin, gevolgd door den hulp-koetsier Koezma Kriwoi, die in dat oogenblik een eigenaardig treurigen indruk op ons maakte. Koezma Kriwoi was een getrouwde, niet meer jonge man. Een van ons vroeg waar zij heen gingen en Andreï Ilin antwoordde rustig: ‘naar den dorschvloer, waar Koezma gestraft moet worden’. Ik kan onmogelijk het gevoel voor ontzetting beschrijven, dat me aangreep bij ’t hooren van die woorden en het gezicht van dien goeden, treurigen Koezma. Ik vertelde het ’s avonds aan tante Tatjana, die ons opvoedde. Zij haatte de lijfstraffen, paste ze nooit op ons toe en behoedde, voor zoover haar invloed reikte, er ook de lijfeigenen voor. Zij was zeer verontwaardigd, toen zij het [48]hoorde en zei verwijtend: ‘Waarom heb je het niet tegengehouden?’ Haar woorden maakten mij nog droeviger. Ik had nooit gedacht dat wij ons in die zaken konden mengen en nu bleek het, dat ik het had kunnen doen. Nu echter was het te laat en het ontzettende was gebeurd.

Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz. 33.

Vorst Nikolaas Serghejewitsch Wolkonski, Tolstoi’s grootvader van moederszijde.—Blz. 33.

“Maar, om op mijn vader terug te komen en hoe ik mij zijn leven voorstel: zijne bezigheden bestonden in het besturen van zijn landgoed en hoofdzakelijk in het voeren van processen. Procedeeren kwam in dien tijd over ’t algemeen veel voor, maar bij mijn’ vader was ’t aan de orde van den dag, omdat hij de verwarde zaken van grootvader nog moest afwikkelen. Daardoor moest hij veel van huis zijn en bovendien ging hij dikwijls op jacht. Zijn voornaamste jachtgezelschap bestond uit zijn’ vrienden, den ouden, rijken vrijgezel Kirjejewski, Jaziekoff, Gljeboff en Isljeneff. Mijn vader deelde in de toenmalige algemeene gewoonte der landeigenaren, namelijk eene zekere voorliefde voor een der knechts. Petroeschka en Matjoeschka waren de door hem uitverkorenen, twee mooie flinke knapen.

“Thuis zijnde bemoeide vader zich met ons en zijn landgoed en las hij veel. Hij had een bibliotheek, bestaande uit Fransche klassieken, historische boeken en natuur-historische werken van Buffon en Cuvier.

“Tante vertelde mij, dat mijn vader als regel had aangenomen geen nieuwe werken te koopen, zoolang hij de oude niet had gelezen. Nu, hij las veel, maar toch kan ik moeielijk aannemen dat hij al die deelen Histoire des Croisades en Histoire des Papes doorworstelde, die hij zich aangeschaft had. Voor zoover ik kan nagaan, had hij geen wetenschappelijke neigingen, doch stond hij op dezelfde hoogte als alle beschaafde menschen van zijn’ tijd. Zooals velen uit den tijd van Keizer Alexander I en van de veldtochten in 1813, ’14, ’15, was hij wel niet wat men tegenwoordig liberaal [49]noemt maar het was eenvoudig zijn gevoel van eigenwaarde, dat hem verbood een ambt aan te nemen, zoowel onder Alexander I als onder Nikolaas I. Niet alleen hij zelf, maar al zijne vrienden waren zoo; ze dienden niemand en lieten zich zelfs wel eens ongunstig uit over de regeering van Nikolaas Pawlowitsch. Gedurende mijne kinder- en zelfs mijne jongelingsjaren hadden wij met niet één ambtenaar intieme betrekkingen aangeknoopt.

“Ik begreep toen nog niet juist waarom, maar ik had opgemerkt dat mijn vader zich nooit voor iemand vernederde, noch zijn luidruchtigheid of zijn vroolijk lachende stem temperde. En om dat gevoel van eigenwaarde hield ik nog meer van mijn vader en steeg mijne bewondering voor hem.

“Ik kan hem mij nog voorstellen in zijne werkkamer. Wij kwamen binnen om hem goeden dag te wenschen of eenvoudig om bij hem te spelen. Hij zat met zijne pijp in den mond op den leeren divan, haalde ons aan en soms—en dat was het heerlijkst van al—mochten wij achter zijn rug op den divan liggen, terwijl hij las of praatte met den dienaar die tegen den deurpost stond, of met S .L. Jaziekoff, mijn peetoom, die dikwijls bij ons logeerde. Ik herinner me dat hij met ons naar beneden ging en daar iets voor ons teekende, dat ons volmaakt toescheen. Ook weet ik nog, dat hij mij eens mijn lievelingsvers, dat ik van buiten kende, Aan de Zee van Poeschkin, (‘Vaarwel gij vrije elementen!’) of Napoleon (‘Het wonderbare lot heeft zich voltrokken, vergaan is de groote man!’) liet opzeggen. Ik herinner mij, hoe hij had opgemerkt met hoeveel pathos ik die verzen declameerde, hoe hij naar mij luisterde en nu en dan veelbeteekenend knikte naar den kant van Jaziekoff. Ik begreep dat hij iets moois vond in mijn lezen en dat maakte mij heel gelukkig. Ik herinner mij zijne vroolijke scherts en vertellingen bij middag- en avondeten, en dat grootmoeder, de [50]tantes en wij kinderen naar hem luisterden en lachten. Ik herinner mij nog de reis naar de stad en hoe wondermooi hij er uitzag in zijn overjas en zijn nauwen pantalon. Maar duidelijker dan alles herinner ik mij hem als hij met de honden ging jagen. Ik zie nog den uittocht. Dikwijls heb ik later gedacht, dat Poeschkin hem tot voorbeeld nam in zijn gedicht Vertrek voor de jacht van Graaf Noelin. Ik herinner mij dat wij met hem gingen wandelen, dat de jonge windhonden tegen ons opsprongen, dolden op de nog niet afgemaaide weiden, waar het hooge gras hen streelde en prikte, hoe zij rolden en speelden en om ons heen dartelden, zoodat hunne staarten op en neer dansten, en hoe zij weer wegvlogen, en hoe mijn vader zich er kostelijk mee vermaakte.

“Ik herinner mij den dag van het jachtfeest op 1 September. Wij allen reden op de lineïka3 naar het dichte bosch, waar een vos was losgelaten. Ik herinner mij hoe de honden hem najoegen en hem ergens—wij zagen niet waar—grepen. Ik herinner mij ook nog zeer duidelijk de kooi van den wolf. Het was juist naast ons huis. Wij gingen er allen te voet heen. Op een boerenwagen vervoerden ze een grooten, met touwen gebonden, levend gevangen wolf. Hij lag stil en wierp nu en dan een loenschen blik maar wie er bij hem kwam. Op eene open plaats achter onzen tuin trokken zij hem er af, hielden hem met hooivorken op den grond en maakten zijne touwen los. Hij scheurde en trok en beet woedend op de ijzers. Men nam de laatste touwen weg en iemand riep er ‘los!’ Bevrijd richtte de wolf zich op en stond een paar seconden stil; men schreeuwde luid, hitste de honden op hem aan, en wolf, honden, paarden en ruiters vlogen over de velden. De wolf ontsnapte! Ik herinner mij dat mijn vader iets zeggende en toornig gesticuleerend naar huis ging. [51]

“Mijn allermooiste herinnering aan hem is die waar hij, met grootmoeder, naast haar op den divan zittende, patience speelde. Vader ging met allen beleefd en aardig om, maar met grootmoeder bijna hartstochtelijk teeder. Grootmoeder, met haar smal gelaat, het mutsje met linten op het hoofd, placht op den divan te zitten, de kaarten schuddende of met haar vingertoppen een snuifje nemende uit de gouden snuifdoos. Naast den divan, in een’ leunstoel, zit Petrowna (de vrouw van den wapensmid) in haar pelsjakje en spint en stoot steeds met haar spinrokken tegen den muur, waarin zich reeds een deukje heeft gevormd.

“Petrowna was ook koopvrouw. Grootmoeder hield om de een of andere reden heel veel van haar. Zij kwam dikwijls bij ons op bezoek en zat dan steeds in den leunstoel, naast grootmoeder die op den divan zat.

“De tantes zitten ook in leuningstoelen en een van haar leest voor. In een nestje, dat hij zich gemaakt heeft, ook al in een leunstoel, ligt Milka, mijn vaders gevlekte, dartele lievelingshond, met zijn mooie zwarte oogen. Wij komen binnen om te groeten en somtijds gaan we zitten. Grootmoeder en de tantes groeten we altijd met een handkus. Ik herinner mij, dat eens, midden in ’t patience-spel, vader de tantes een’ wenk geeft en, naar den spiegel wijzende, iets fluistert. Wij allen kijken daarheen.

“Het was Tichon, de officiant, die, wetende dat vader in ’t salon was, naar diens werkkamer ging en tabak nam uit den lederen tabakszak, die den vorm heeft van eene bloem met saamgevouwen blaadjes. Mijn vader ziet hem in dien spiegel en kijkt naar de op de teenen voortsluipende verschijning. De tantes lachen. Grootmoeder, die eerst niets begrijpt, het dan bemerkt, glimlacht ook. Ik raak in vervoering over de goedheid van mijn vader, en bij het weggaan kus ik met groote teederheid zijne witte hand. Ik hield heel veel van [52]mijn’ vader, maar wist niet hoe groot die liefde was, voordat ik hem door den dood had verloren.”4


Bovenstaande mededeelingen over zijne ouders zijn door Tolstoi zelf verschaft. Eenige minder belangrijke feiten en historische documenten willen wij hier nog bijvoegen.

Graaf Nikolaas Ilitsch Tolstoi, vader van Leo Tolstoi, werd geboren in 1797. In het archief van de universiteit te Kazan wordt met het portocol, inhoudende de inschrijving als student van Leo Tolstoi, het volgend merkwaardig document bewaard: een attestatie voor den militairen dienst van zijn vader d.d. 29 Jan. 1825.

“Brenger dezes, graaf Nikolaas Ilitsch, zoon van Tolstoi (3de), volgens geboorte-acte 28 jaar, heeft de orde van den heiligen Wladimir 4de klasse, van adel, heeft geen lijfeigenen, in dienst van zijne Keizerlijke Hoogheid als kornet in het 3de Irkoetskische kozakken-regiment, 11 Juni 1812, waaruit hij overging naar het Irk.-huzaren-regiment, 18 Aug. 1812; bevorderd wegens verdienste tot 1ste luitenant, 27 April 1813; in dat zelfde regiment staf-ritmeester 7 Oct. 1813; bevorderd met den zelfden titel wegens verdienste naar een kavallerie-regiment, 6 Aug. 1814, vanwaar als majoor naar het huzaren-regiment van den Prins van Oranje, 11 Dec. 1817. Wegens ziekte uit den dienst ontslagen met verhooging tot overste, 14 Maart 1819; aangesteld tot hulp-opzichter aan de oorlogsweezen-afdeeling te Moskou, 15 December 1821. Gedurende zijn diensttijd nam hij deel aan verschillende veldtochten en woonde meermalen werkelijke gevechten bij, was in krijgsgevangenschap tot aan de bezetting van Parijs en voor zijn verdienste in die gevechten, zooals reeds boven gezegd, beloond met den titel van 1ste luitenant en ritmeester bij den staf, en kreeg de orde van den heiligen Wladimir met het lint.” [53]

In dat zelfde document zien wij nog, dat graaf N. I. Tolstoi den dienst verliet wegens huiselijke omstandigheden en overging naar de oorlogs-weezen-afdeeling, 8 Jan. 1824.

Na den dienst te hebben verlaten, vestigde graaf N. I. Tolstoi zich te Jasnaja Paljana. Het echtpaar had toen nog slechts één jongen, den een-jarigen Nikolaas, geboren in 1823. Daarna vermeerderde de familie zich zeer snel. 17 Febr. 1826 werd hun zoon Sergius geboren, 23 April 1827 Dmitri en 28 Aug. 1828 hun zoon Leo.

Het rustige, stille dorpsleven duurde niet lang. In 1830, bij de geboorte van hunne dochter Maria, stierf gravin Tolstoi, haar man met vijf kinderen achterlatende.

Tatjana Alexandrowna Jergolskaja, eene verre bloedverwante, die groot gebracht was ten huize van Tolstoi’s grootvader (reeds vroeger genoemd), belastte zich met de opvoeding der kinderen.

In de familie Tolstoi bewaart men nog de herinnering aan eene interessante episode uit het leven van Tolstoi’s vader.

In 1813, na de blokkade van Erfurt, werd deze met depêches naar St.-Petersburg gestuurd. Op die tocht, bij het plaatsje Saint-Obie, werd hij met zijn’ oppasser, een’ lijfeigene, gevangen genomen. Deze wist, zonder dat het werd opgemerkt, het geld van zijn’ heer in zijne laars te bewaren. Gedurende drie maanden kleedde hij zich niet uit, om het geheim niet prijs te geven, en ondanks eene groote wonde aan zijn voet klaagde hij nooit over pijn. Zijn heer, Nikolaas Ilitsch, behoefde, dank zij deze opofferende daad, die hij nooit heeft vergeten, te Parijs geen gebrek te lijden.

Bij de lezing van deze persoonlijke herinneringen van Tolstoi zal men begrijpen, dat de personen, als zijne ouders beschreven in zijne vertelling Kinderjaren, niet zijne ouders zijn geweest.

Voor zoover het ons bekend is beschreef hij daar als zijn’ [54]vader een zekeren Al. Mich. Isljeneff, een’ vriend en buurman van zijn werkelijken vader. Zijne moeder in dat boek is eene verdichte persoon. Het is niet moeilijk te raden, dat in den roman Oorlog en Vrede in de personen graaf Nikolaas Ilitsch Rostoff en vorstin Maria Wolkonski de werkelijke ouders van Tolstoi door hem zijn beschreven.

Van graaf Ilia Andrejewitsch tot het pleegkind Sonja beantwoordt bijna ieder lid van de familie Rostoff aan een type, voorkomende in de familie-kroniek der Tolstoi’s. Even duidelijk te herkennen zijn ook de eigenaars van Liesig Gor. Daarom zal het lezen van dien roman eene aanvulling zijn voor hetgeen wij weten van de voorouders van Leo Tolstoi. [55]


1 Dat Tolstoi’s herinneringen door den schrijver ongecorrigeerd en vooral ongeordend in ’t licht zijn gegeven (zie de Inleiding) zal de lezer al heel spoedig bemerken. Wij hebben ’t onzen plicht geacht, zij het ook aarzelend, het oorspronkelijke zoo nauwkeurig mogelijk te volgen, zoowel wat stijl als volgorde betreft.

2 Deze brief is in ’t handschrift in het Fransch aangehaald.

3 Een lange wagen met de zitplaatsen in de lengte.

4 Uit de ongecorrigeerde aanteekeningen van Tolstoi.

Tweede deel.

Kinderjaren, jongensjaren en jongelingsjaren.

1828–1851.

[Inhoud]

Vierde hoofdstuk.

Kinderjaren.

“Ik ben geboren en bracht mijn kinderjaren door te Jasnaja Paljana.”

Met deze woorden begint Tolstoi ons zijne herinneringen mede te deelen. Wij achten het niet overbodig, vóór wij verder gaan, iets naders te vertellen van dit merkwaardige plekje gronds, dat, zooals wij allen weten, eene wereldberoemdheid heeft verkregen. Welke gasten heeft Jasnaja Paljana al niet geherbergd! Bewoners van den Maleischen Archipel, Australiërs, Japanners, Amerikanen, vluchtelingen uit Siberië en verder tallooze vertegenwoordigers van alle Europeesche landen kwamen er, gaven het bekendheid en verspreidden tot in de uiterste hoeken der aarde, de woorden en gedachten van den grooten grijsaard, die het bewoont.

Jasnaja Paljana is het stamgoed van de vorsten Wolkonski, gelegen 15 wersten ten zuiden van Toela, bijna op de grens van dat gouvernement. Dicht bij het landgoed komen drie wegen te samen, vertegenwoordigende drie verschillende tijdperken. De oude met gras begroeide Kiefsche weg, de nieuwe [56]Kiefsche chaussée en de Moskou-spoorbaan. Tolstoi’s huis, staande in eene schoone heuvelachtige streek, die van ’t Oosten naar ’t Westen door een prachtig bosch in twee deelen wordt gescheiden, ligt drie en een half uur verwijderd van het naaste station. Deze landstreek draagt den naam Zasjeka, die ons wijst op die tijden, toen de Slavische bevolking voor de invallen van de Krim-Tartaren en andere Mongoolsche volken moest terugwijken. Om zich tegen die vijandelijke horden te beschermen, wierp zij versperringen op, gemaakt van boomen, die men eerst moest omkappen (zasjektj), vandaar de naam Zasjeka.

Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.

Tegenwoordige ingang van het park te Jasnaja Paljana.—Blz. 57.

Het huis waar Leo Tolstoi werd geboren staat niet meer te Jasnaja Paljana. Het werd het eerst bewoond door zijn’ grootvader, daarna door zijn’ vader, ten slotte verkocht aan een buurman Gorochoff en verplaatst naar het dorp Dolgom, op 30 wersten afstand van Jasnaja Paljana. Tolstoi had namelijk omstreeks 1850 veel geld noodig en gaf daarom een van zijn familieleden last het te verkoopen. ’t Groote heerenhuis, met zijn pilaren en balcons, werd voor eene betrekkelijk geringe som, 5000 roebel, verkocht. Uit een’ brief van Tolstoi aan zijn’ broer blijkt, dat het hem zwaar viel tot den verkoop over te gaan, maar dat hij het geld noodig had. Het huis staat nu in het dorpje Dolgom, verlaten met gebroken ruiten. De twee nu bestaande Jasnaja-Paljanische huizen zijn opgetrokken uit de twee vleugels, die vroeger naast het groote, thans verkochte, huis stonden. De plek waar dit vroeger stond is gedeeltelijk met boomen beplant. Verder wordt er croquet gespeeld, terwijl de overblijvende ruimte gebruikt wordt om er bij mooi weer ’s middags te eten.

Vóór de huizen bevinden zich tegenwoordig bloemperken, er achter een groote tuin met vijver en een lindenallée, wier boomen reeds honderden jaren oud zijn. Het geheel wordt omringd door eene gracht met wallen. Bij den ingang [57]staan twee witgeverfde baksteenen torens, waar, volgens zeggen van oude lieden, vroeger eene wacht was geplaatst. Langs dezen toren bereikt men het huis door eene berkenlaan, het zoogenaamde “prospekt”.

Achter den ouden tuin bevindt zich nog een boomgaard met vruchtboomen, die onder Tolstoi’s persoonlijke leiding zijn geplant. De geheele aanplanting, gelegen tegen een’ heuvel, wordt door het dichte groen aan ons oog onttrokken.

Van de geboorte van Leo Tolstoi weten we helaas geen andere bijzonderheden, dan die, welke Zagoskin ons heeft verstrekt.

“In het jaar 1828, den 28sten Augustus, werd graaf N. I. Tolstoi te Jasnaja Paljana een zoon, Leo, geboren. Hij werd 29 Aug. gedoopt door den geestelijke Wassiliï Mosjaïski, met den diaken Archip. Iwanowitsch, den dijatschek Alexander Feodorowitsch en den ponomar Feodor Grigorjewitsch. De landeigenaar Sjemon J. Jaziekoff en gravin Pelageja Tolstaja waren peter en meter.”

Dat is alles wat wij van Tolstoi’s geboorte vernemen. Van zijn prilste jeugd weten wij reeds veel interessante bijzonderheden. Zelden kan een schrijver beschikken over de eerste autobiographische gegevens van de persoon, die hij wil beschrijven. In zijne Eerste Herinneringen beschrijft Tolstoi zijne vroegste gewaarwordingen, de vage indrukken van zijn eerste levensjaar.

Wij geven deze herinneringen onveranderd, geheel zooals ze zijn neergeschreven.


“Ziehier mijne vroegste herinneringen, die ik niet in geregelde orde op elkaar kan laten volgen, omdat ik niet weet, wat eerst of wat later gebeurde. Van enkele weet ik zelfs niet of zij de werkelijkheid of slechts droomen weergeven.


“Ik lig vastgebonden. Ik wil mijne armen uitslaan en ik kan het niet. Ik schreeuw en ween en dat schreeuwen doet [58]mij zelf onaangenaam aan, maar ik kan het niet laten. Iemand heeft zich over mij heengebogen, ik herinner me niet wie, en alles is als in schemering gehuld. Ik herinner mij, dat er twee menschen stonden; mijne kreten maken indruk op hen, zij maken zich ongerust over mijn huilen, maar ze maken mijne banden niet los. En dat wilde ik toch en ik ga nog harder schreien. Zij denken dat het noodig is (dat wil zeggen, dat ik gebonden blijf), terwijl ik weet dat het niet zoo behoeft te zijn. Ik wil het hun bewijzen. Ik stoot een gil uit, waar ik zelf van gruw, maar ik kan het niet laten. Ik voel dat niet de menschen onrechtvaardig en slecht voor mij zijn, maar het is het noodlot en ik heb medelijden met mij zelf. Ik weet niet en ik zal het nooit te weten komen wat dit is geweest. Bonden zij mij vast toen ik nog een bakerkindje was en wilde ik mijne armen vrij hebben, of bonden zij mij, toen ik reeds meer dan een jaar was, opdat ik een uitslag niet zou openkrabben? Verzamelde ik in deze ééne herinnering meer indrukken, zooals dat veel in droomen geschiedt? Zeker is het, dat deze de eerste en heftigste gewaarwording in mijn leven is. Het is niet de herinnering aan mijne kreten, mijne kwellingen, die zich aan mij opdringt, maar aan de verwikkelingen, de tegenstrijdigheden van het leven. Ik wilde vrij zijn, niemand zou er door lijden, en ik, die sterk moest zijn, ben zwak en zij zijn sterk.

“Een andere, vroolijke indruk. Ik zit in eene tobbe en mij omringt een nieuwe, aangename geur van een of ander iets, waarmee men mijn klein lichaampje inwrijft. Waarschijnlijk was het een poeder, misschien in het water in de tobbe, maar de indruk van het poeder heeft mij wakker geschud. Voor het eerst zag ik en ging ik houden van mijn lichaampje met de kleine ribben, werd ik de donkerkleurige gladde tobbe gewaar, de opgestroopte mouwen van de njanja, het warme dampende water, het geplas, en vooral het gevoel van de natte randen [59]van de tobbe, als ik er met mijn handjes aan kom.—Het is vreemd en angstig te bedenken, dat ik mij, behalve deze twee, niet één indruk kan herinneren van mijn geboorte tot aan mijn derde jaar; van dien tijd af, dat men mij voedde aan de borst, mij speende, dat ik begon te kruipen, te loopen en te spreken. Wanneer toch ontwaakte mijn bewustzijn? Wanneer begin ik te leven en waarom verheugt het mij, als ik mij het verleden kan herinneren, en waarom beangstigt het mij (en met mij vele anderen), mij te verplaatsen in dien toestand van vergetelheid waarvan geen herinnering blijft die zich door woorden laat vertolken? Leefde ik dan niet in dien tijd toen ik leerde zien, hooren, begrijpen, praten, toen ik sliep, toen men mij voedde aan de borst en ik die kuste, toen ik lachte en mijne moeder vreugde schonk? Ik leefde en mijn leven was gezegend. Verwierf ik dan niet in die dagen alles waarmee ik nu leef, en verkreeg ik niet zoo snel zoo veel, dat in ’t geheele verdere leven niet een honderdste gedeelte daarvan verworven werd? Van den vijfjarigen knaap tot den man, die ik nu ben,—is slechts een schrede. Van de geboorte tot het vijfde jaar—een ontzettende afstand. Tusschen de geboorte en de kiem ligt een afgrond. Tusschen het niet-zijn en de kiem ligt niet slechts een afgrond maar het mysterie. Ruimte, tijd en oorzaak zijn vormen der gedachten; ons leven staat daar buiten; en toch is ons geheele leven een meer en meer volkomen onderwerping aan die vormen en later weer een vrijmaking er van.

“Mijne volgende herinneringen hebben betrekking op den tijd, toen ik reeds vier of vijf jaar was. ’t Zijn er nog maar weinige en zij bepalen zich uitsluitend tot hetgeen binnen de vier muren gebeurde. Tot aan mijn vijfde jaar bestond de natuur niet voor mij en al wat ik mij herinner valt voor in de kamer of in mijn bedje.

“Er bestaan voor mij geen gras, geen bladeren, geen hemel, [60]geen zon. Het is niet aan te nemen dat men mij nooit bloemen of bladeren gaf om mee te spelen, dat ik het gras nooit zag, of men mij nooit beschutte tegen de zon. Toch heb ik tot mijn vijfde of zesde jaar geen herinnering aan datgene wat wij de natuur noemen. Misschien ook moet men zich eerst van haar verwijderen om haar te leeren zien, en ik was immers zelf natuur.

“De herinnering, die op de tobbe volgt, is die aan ‘Jerjemjejewna’, het woord waarmee men ons als kinderen bang maakte. Ik lig in mijn bedje en ben vroolijk en opgeruimd, zooals altijd. Ik zou mij ook niets hebben herinnerd, als niet plotseling de njanja, of iemand anders, die voor mij het leven vertegenwoordigde, iets met een vreemde stem gezegd had en was weggegaan. Ik word vroolijk en angstig tegelijk. Ik herinner mij, dat ik niet alleen was, maar dat er nog iemand was zooals ik. (Waarschijnlijk was het mijn zusje Maschenka, wier bedje op dezelfde kamer stond.) Ik herinner mij dat er een gordijn om mijn bedje hangt en mijn zusje en ik, wij verheugen ons en hebben toch ook angst voor het vreemde, dat er om ons is. Ik verstop mijn hoofd in het kussen en gluur toch naar de deur en verwacht van dien kant iets vreemds en prettigs en ben toch angstig. Wij lachen en wij kruipen weg en wij wachten. En daar komt iemand in een kleed en met een muts zooals ik nog nooit heb gezien, maar ik voel dat het iemand is, die zich altijd in onze omgeving bevindt (de njanja of tante, dat weet ik niet), en die iemand zegt met eene bromstem iets vreeselijks van stoute kinderen en van Jerjemjejewna. Ik schreeuw van angstig genot, ik word bang en verheug me dat ik angst heb, en ik wil niet dat zij die mij angstig maakt weet dat ik haar herken.

“Wij worden stil en zwijgen, maar gaan dan weer met elkaar fluisteren, in de hoop Jerjemjejewna nog eens weer te zien verschijnen. [61]

“In mijn geheugen hangt nog eene herinnering, waarschijnlijk van lateren datum, want zij is helderder maar toch altijd onbegrijpelijk voor mij gebleven. De hoofdrol speelt onze Duitsche onderwijzer Feodor Iwanowitsch. Ik weet heel zeker, dat ik nog niet onder zijn toezicht stond, dus moet het zijn gebeurd voordat ik vijf jaar was. Het is de eerste maal dat hij in mijne herinnering voorkomt, en ik moet nog heel jong geweest zijn, daar ik mij niemand, vader, noch broeder, noch iemand anders kan voorstellen. Zoo ik één herinnering heb, dan is ’t die aan mijn zusje, en dat komt dan door onzen gemeenschappelijken angst voor Jerjemjejewna.

“Met de herinnering aan Feodor Iwanowitsch verbindt zich tevens de indruk, dat wij eene tweede verdieping op ons huis hebben. Hoe ik er kwam, of ik er heen liep of dat men mij er heen droeg, dat kan ik mij niet meer te binnen brengen, maar ik weet dat wij met velen zijn, wij draaien in een kring en houden elkaar bij de hand. Ik weet ook, dat er vreemde vrouwen bij zijn en ik denk (waarom weet ik niet), dat het waschvrouwen zijn. Wij loopen in het rond en springen en huppelen en Feodor Iwanowitsch springt ook mee en werpt zijn beenen te hoog in de lucht en maakt te veel leven, en op dat zelfde oogenblik voel ik, dat wat hij doet niet goed, dat het verdorven is; ik begin hem plotseling te zien; ik geloof dat ik ging weenen, en—het is uit.”

Hier moeten we een geschiedenis inlasschen van Maria Nikolajewna, het zusje van Tolstoi.

“Wij sliepen met ons drieën op één kamer: ik, Lewotschka (Leo) en Doenjetschka1. Wij speelden altijd samen en vormden een heel afzonderlijk groepje, afgescheiden van de andere broers, die altijd met hun’ gouverneur beneden waren.

“Het liefst van alles speelden wij ‘Milaschka’ (lieveling). [62]Een van ons drieën stelde Milaschka voor, d.w.z. het kind dat door allen vertroeteld wordt. Men legt het te slapen, voedt het, verpleegt het, in één woord: houdt er zich voortdurend mee bezig. Milaschka moet volgens de regelen van het spel zich blijmoedig onderwerpen aan alles wat men met hem doet en zonder morren zijne rol vervullen.

“Ik herinner mij eens het verdriet en de ellende toen onze Milaschka (meestal was dat Leo) door het langdurig schommelen werkelijk in slaap was gevallen. Volgens het programma had hij moeten huilen, dan zou men hem medicijnen geven, hem wrijven enz... De slaap echter maakte plotseling een einde aan ons spel, en bracht ons uit het rijk der verbeelding tot de werkelijkheid terug”.


“Dit is alles wat ik mij herinner tot aan mijn vijfde jaar. Niet mijne njanja, niet de tantes, geen broers, zuster, vader, kamer of speelgoed, niets kan ik mij te binnen brengen. Mijne indrukken beginnen vorm aan te nemen van den tijd af, toen men mij naar beneden bracht bij Feodor Iwanowitsch en de grootere knapen. Bij mijne verhuizing naar beneden kreeg ik voor het eerst en daarom des te sterker het besef van plichtsgevoel, het bewustzijn zijn kruis te moeten dragen, zooals het den mensch betaamt. Het deed mij verdriet, met mijne gewoonten (de gewoonten van mijn geheele leven) te moeten breken. Treurig was het, poëtisch treurig, te moeten scheiden, niet zoo zeer van de menschen, van mijne zuster, de njanja en tante, als wel van mijn bedje, mijn gordijntje, mijn kussen, en met angst ging ik naar beneden. Ik deed mijn best het vroolijke in dit nieuwe leven op te zoeken, ik trachtte geloof te schenken aan de lieve woorden waarmee Feodor Iwanowitsch mij tot zich lokte, ik trachtte de verachting niet te zien waarmee de oudere jongens mij, den jongeren, ontvingen; ik wilde mij opdringen dat het voor een grooten jongen schande was alleen [63]met meisjes om te gaan, dat er niets moois was in het leven daarboven bij de njanja, maar—op mijn borst drukte een zware last en droevig was het mij te moede. Ik was er van overtuigd, dat ik schier onherroepelijk mijne onschuld en mijn geluk verloor. Slechts het bewustzijn van mijn plicht te doen, mijn gevoel van eigenwaarde, hield mij staande. Vele jaren later, aan een kruisweg gekomen, een nieuw leven beginnend, voelde ik weer diezelfde gewaarwordingen. Een groote smart vervulde mij om hetgeen ik onherroepelijk had verloren. Ik kon maar niet gelooven dat het ooit zou gebeuren! Hoewel men er mij op had voorbereid dat ik naar beneden, naar de grooteren moest gaan, kreeg ik het gevoel alsof met het jasje, dat men mij aantrok, de wereld op de bovenverdieping voor mij werd afgesloten. Nu zag ik voor het eerst andere personen dan die mij tot nu toe hadden omringd, en voor het eerst eene hoofdpersoon, met wie ik toch reeds lang was saamgeweest, maar die ik niet had opgemerkt. Dat was mijne tante Tatjana. Ik herinner mij de flinke, teedere, goede, barmhartige, niet groote vrouw met haar zwarte haren. Zij kleedde mij aan en kuste mij, en ik begreep dat zij voelde zooals ik, dat ook zij het betreurde, het diep betreurde, maar dat het moest.

“Voor de eerste maal voelde ik, dat het leven geen spel, maar een moeielijke taak is. Zal ik niet het zelfde voelen als ik eens ga sterven, en begrijpen, dat ook de dood en het volgend leven geen spel zijn?

5 Mei 1878.

Van deze Tatjana Alexandrowna geeft Tolstoi de volgende interessante beschrijving:


“Tatjana Alexandrowna Jergolskaja was, na mijn vader en mijne moeder, de persoon die den meesten invloed op mijn leven heeft uitgeoefend. Zij was eene verre bloedverwant van [64]mijne grootmoeder van de zijde der Gortschakoffs. Zij en haar zuster Liza, die later met graaf Peter Iwanowitsch Tolstoi trouwde, bleven, heel jong nog, als weezen achter.

“Hun broers werden door de familie aan een of andere betrekking geholpen. Mijne grootmoeder en de waardige invloedrijke Tat. Sjem. Skoeratowa namen de beide meisjes tot zich. Het lot heeft beslist waar zij zouden wonen. Twee biljetten met hare namen werden onder de heiligenbeelden neergelegd, een gebed werd gedaan en de biljetten werden getrokken. Zoo gebeurde het, dat Lizanka naar Tatj. Sjemjojewna ging en de zwarte Tatjana, Tanitschka zooals men haar bij ons noemde, naar mijne grootmoeder. Zij werd geboren in 1795, was ongeveer even oud als mijn vader, en werd geheel als mijne tantes opgevoed. Allen hielden veel van haar, en dat kon ook niet anders bij haar ferm, energiek en toch zelfopofferend karakter. Het volgende, dat zij ons eens vertelde en waarbij zij ons een groot litteeken even onder den elleboog liet zien, geeft een juist beeld van haar.

“Als kinderen lazen zij eens de geschiedenis van Mucius Scaevola en begonnen te twisten over de vraag of een van allen hem dat wel na zou durven doen. ‘Ik zal het doen,’ zei Tatjana. ‘Je doet het toch niet,’ zei Jaziekoff, mijn peetoom, en hield, ook weer karakteristiek voor hem, eene liniaal zoo lang in een kaars, tot ze gloeiend was en rookte. ‘Leg die nu tegen je arm,’ zei hij. Zij strekte haar blanken arm uit (de meisjes hadden toen altijd korte mouwen) en Jaziekoff drukte er de gloeiende liniaal tegen aan. Zij fronste haar wenkbrauwen maar trok haar arm niet terug, en steunde slechts even toen met de liniaal het vel van haar arm werd afgetrokken. De ouderen, die de wonde zagen en vroegen hoe zij daar aan kwam, kregen ten antwoord, dat zij het zelf gedaan had, omdat ze wilde ondervinden, wat Mucius Scaevola had gevoeld.

Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz. 39.

Silhouet van Tolstoi’s moeder en haar zuster als kinderen.—Blz. 39.

[