[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of Het Geheimzinnige Eiland, by Jules Verne
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: Het Geheimzinnige Eiland
De Luchtschipbreukelingen
Author: Jules Verne
Translator: Gerard Keller
Release Date: January 11, 2007 [EBook #20331]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET GEHEIMZINNIGE EILAND ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

De orkaan van 1865.—Stemmen in de lucht.—Een luchtballon door een windhoos medegesleept.—De ballon gescheurd.—Niets dan de zee voor oogen.—Vijf reizigers.—Wat in het schuitje gebeurt.—Een kust aan den horizon.—Ontknooping van het drama.
“Stijgen wij!”
“Neen! Integendeel! Wij dalen!”
“En erger dan dat, mijnheer Cyrus! Wij vallen!”
“Werp dan in ’s hemels naam allen ballast over boord!”
“Daar gaat de laatste zak!”
“Stijgt de ballon thans?”
“Neen!”
“Het is of ik het klotsen der golven hoor.”
“De zee is onder het schuitje!”
“Zij is hoogstens vijf honderd voet beneden ons!”
Daarop doorkliefde een krachtige stem de lucht met de woorden:
“Alles wat gewicht heeft over boord!.... alles! werp alles over boord en Gode bevolen!”
Dit was het bevel dat gegeven werd boven de onmetelijke uitgestrektheid der Stille Zee, tegen vier uur in den avond van den 23sten Maart 1865.
Ieder herinnert zich zeker nog den vreeselijken storm, die uit het noordoosten woei bij de dag- en nachtevening van dat jaar, terwijl de barometer zevenhonderd en tien millimeter daalde. Het was een orkaan zonder tusschenpoozen, die van den 18den tot den 26sten Maart duurde. Vreeselijk waren de verwoestingen die hij aanrichtte in Amerika, Europa en Azië over een streek van achttienhonderd mijlen breedte, die zich schuin over de evennachtslijn uitstrekte, van de vijfendertigste noordelijke, tot de veertigste zuidelijke parallel! [2]Geheele steden werden omvergeworpen; wouden ontworteld; oevers door bergen van water verwoest, opgezweept als bij het hoogste springtij; schepen op de kust geslingerd, die door het Bureau Veritas bij honderden werden aangeteekend; gansche landen werden gelijk gemaakt door de hoozen, die alles op haar weg verbrijzelden: duizenden menschen vielen verpletterd ter aarde of werden door de zee verzwolgen: dit waren de slachtoffers van de woede, waarvan deze orkaan de geduchte sporen achterliet. De rampen overtroffen verre die, welke op zoo schrikbarende wijze Havanna en Guadeloupe verwoestten, de eene den 25sten October 1810 en de andere 26 Juli 1825. Maar op hetzelfde oogenblik dat deze onheilen op aarde en op zee voorvielen, was de lucht het tooneel van een niet minder schrikwekkend schouwspel.
Een ballon, als een bal op den top van een hoos, en in de draaiende beweging van de luchtzuil medegesleept, doorkliefde de ruimte met een snelheid van negentig mijlen in het uur, om zijne as rondwentelende alsof hij door een draaikolk in de lucht was gegrepen.
Onder den ballon werd het schuitje heen en weder gezweept met zijn vijf reizigers, die ternauwernood zichtbaar waren te midden van de dichte dampen, vermengd met het schuim, dat van de oppervlakte der zee zich verhief. Van waar kwam die luchtballon, thans een speelbal van den vreeselijken storm? In welk gedeelte der wereld was hij opgegaan? Zeker had hij niet gedurende den orkaan kunnen opstijgen. Nochthans de orkaan woedde reeds vijf dagen, en de eerste verschijnselen hadden zich den 18den voorgedaan. Men moest hieruit dus wel opmaken, dat die ballon van zeer verre kwam, want hij had toch niet minder dan twee duizend mijlen in de vierentwintig uur moeten afleggen?
In elk geval hadden de reizigers geen enkel middel tot hun beschikking om den weg, dien zij sedert hun vertrek hadden afgelegd, te schatten, daar zij niets tot maatstaf bezaten. Zelfs deed het zonderlinge geval zich voor, dat toen zij in het hevigst van den storm waren, zij er niets van gevoelden. Ook werd hun het gezicht benomen door den zwaren mist, die zich onder het schuitje samenpakte. Om hen heen was niets dan nevel en damp, en de wolken waren zelfs zoo ondoorschijnend, dat zij bijna niet konden gewaar worden of het nacht of dag was.
Geen enkele lichtstraal, geen enkel teeken van leven uit de bewoonde wereld, noch het klotsen der golven van den Oceaan konden hen in die onmetelijke duisternis bereiken, zoolang zij in die hooge luchtstreek waren. Slechts hun plotselinge daling had hen bekend gemaakt met het gevaar dat zij boven de golven dreven.
Maar zoodra de ballon vrij was van alle zware voorwerpen, zoo als ammunitie, wapenen en levensmiddelen, was hij terstond gestegen [3]in hoogere luchtlagen tot een hoogte van vier duizend vijf honderd voet. De reizigers hadden, zoodra zij bemerkten dat de zee onder hun schuitje was, en zij het minder gevaarlijk in de hoogte dan wel in de laagte achtten, niet geaarzeld alle voorwerpen, zelfs de onmisbaarste, over boord te werpen, want hun eenigste zorg was niets te verliezen van die vloeistof, de ziel van hun toestel, die hen boven den afgrond hield.
De nacht ging onder de vreeselijkste angsten voorbij en zeker zou hij voor minder krachtige mannen doodelijk zijn geweest. Eindelijk brak de dag aan, en met den dag, was het of de orkaan in hevigheid was afgenomen. Reeds bij het begin van den 27sten Maart waren er eenige voorteekenen van kalmte te bespeuren. Bij het aanbreken van den dageraad waren de wolken lichter geworden en weder naar hoogere luchtstreek gestegen, en binnen eenig uren was de hoos geëindigd en brak de zon door.
Op dit oogenblik wierpen de reizigers de laatste voorwerpen, die het schuitje bezwaarden, in zee, zelfs de weinige nog overgebleven levensmiddelen, en een van hen had zich opgeheschen naar den ring waar alle touwen bijeenkwamen, om het schuitje vaster aan den binnensten toestel van den ballon te hechten.
Blijkbaar konden zij den ballon niet meer in de hooge luchtstreek houden en ontbrak het hun aan gas!
Zij waren dus verloren!
Inderdaad bevonden zij zich noch boven het vasteland, noch boven een eiland. Op die geheele uitgestrektheid was geen enkel stuk grond, zelfs geen zandbank te bespeuren, of eenige harde oppervlakte waar zij hun anker konden laten vallen.
Toch moesten zij dalen, want zij konden niet verhinderen, dat het gas door een opening in den toestel ontsnapte; zoo, vóór dat de nacht inviel, geen land te zien was, zouden de luchtreizigers, het schuitje en de ballon ongetwijfeld door de golven verzwolgen zijn.
Het eenige wat hun nog te doen stond, werd door hen gedaan.
Zeker is het dat de reizigers moedige mannen waren, die den dood in het aangezicht durfden zien. Geen klacht kwam over hun lippen. Zij waren besloten tot het laatste oogenblik te strijden, alles te doen om hun val te vertragen.
Het schuitje bestond slechts uit een mand van teenen gevlochten, volstrekt niet in staat te drijven, en er was geen mogelijkheid om het op de oppervlakte der zee te houden, wanneer het viel.
Tegen twee uur was de ballon nauwelijks vier honderd voet van de golven verwijderd.
Op dat oogenblik klonk een stentor-stem, waaruit niet de minste angst sprak. En zijn woorden werden op even krachtigen toon beantwoord.
“Is alles er uit geworpen?” [4]
“Neen! Er zijn nog tweeduizend dollars goud geld!” Terstond daarop werd een zware zak door de golven verzwolgen.
“Stijgt de ballon?”
“Een weinig; maar hij zal spoedig weer dalen!”
“Wat is er nog over, dat uitgeworpen kan worden?”
“Niets!”
“Toch wel!.... De schuit!”
“Laten wij ons aan het net vasthouden! En werpt de schuit in zee!”
Dit was inderdaad het eenige en laatste middel om den ballon lichter te maken.
De touwen, die het schuitje aan den ballon bevestigden, werden losgesneden en plotseling steeg hij twee duizend voet.
De vijf reizigers hadden zich in het net geheschen en staarden in den afgrond.
De stijging door het lossnijden van de schuit veroorzaakte duurde slechts een zeer korten tijd, want al spoedig begon de ballon, door het ontsnappen van het gas, weder te dalen.
De reizigers hadden alles gedaan wat zij doen konden, en hun restte nu niets anders dan zich aan God over te geven.
Ten vier ure was de ballon gedaald tot vijfhonderd voet boven de oppervlakte der zee.
Eensklaps begon de hond, die zich naast zijn meester in het net had gewrongen, te blaffen.
“Top heeft iets gezien!” riep een der luchtvaarders uit. Daarop klonk onmiddellijk een krachtige stem over de uitgestrekte wateren:
“Land! Land!”
De ballon werd door den wind altijd in een zuidwestelijke richting gedreven en had sedert het opkomen van de zon een aanmerkelijken afstand afgelegd; inderdaad zag men nu in die richting een vrij hoog land. Maar het was nog dertig mijlen onder den wind. Een uur zou er noodig zijn om het te bereiken, zoo men tenminste niet afdreef. Een uur! Zou de ballon in dien tijd niet al zijn gas verloren hebben?
Maar, weldra was het duidelijk dat de ballon niet verder kon.

Gideon Spilett. Blz. 8.
Hij scheerde de oppervlakte der zee. Reeds bereikte het schuim der golven het onderste gedeelte van het net; hij ging hoe langer zoo langzamer en weldra kon hij zich bijna niet meer oprichten en was een aangeschoten vogel gelijk. Een half uur later was het land nog maar op een mijl afstand, maar de ballon was nagenoeg ledig, slap, vol plooien en slechts in het bovenste gedeelte was er nog gas aanwezig. Zelfs de reizigers, die aan het net hingen, waren te zwaar, en spoedig half in zee gedompeld moesten zij met de woedende golven strijden. Er kwam een deuk in den ballon, de wind drong er binnen en blies hem voorwaarts als een schip, dat [5]den wind achter heeft. Misschien zouden zij op deze wijze de kust nog bereiken! Zij waren geen twee kabel-lengten er van verwijderd, toen een doordringende kreet de lucht doorkliefde. De ballon, die [6]zich niet meer scheen te kunnen opheffen, kreeg plotseling een onverwachten schok, nadat een krachtige golf hem had getroffen. Het was alsof hij weder van een zwaren last ontheven was en hij steeg tot een hoogte van vijftienhonderd voet. Twee minuten later viel hij op het zand der kust, buiten het bereik der golven. De reizigers maakten elkaar los uit de mazen van het net. De ballon, bevrijd van zijn last werd door den wind opgenomen en als een gewonde vogel, die nog een oogenblik zijn krachten voelt herleven, verdween hij in het luchtruim.
Het schuitje had vijf passagiers gehad met een hond, en de ballon wierp er slechts vier op de kust. De reiziger, die ontbrak, was zeker door dien golfslag verzwolgen en hierdoor was de zware ballon in staat geweest voor de laatste maal te stijgen, en daarop, eenige oogenblikken later, het land te bereiken.
Nauwelijks hadden de vier schipbreukelingen, zooals men hen noemen kan, voet aan wal gezet, of allen, aan den afwezige denkende, riepen ze uit:
“Misschien tracht hij met zwemmen de kust te bereiken! Laten wij hem redden!”
Eene gebeurtenis uit den burgeroorlog.—De ingenieur Cyrus Smith.—Gideon Spilett.—De neger Nab.—De zeeman Pencroff.—De jonge Harbert.—Een onverwacht voorstel.—Samenkomst ten tien ure.—Vertrek in den storm.
Het waren noch luchtreizigers van beroep, noch liefhebbers van luchtreizen die de orkaan op de kust had geworpen. Het waren krijgsgevangenen, die door hunne vermetelheid gedreven waren, om onder de zonderlingste omstandigheden te ontvluchten. Honderd maal hadden zij moeten sterven! Honderd maal was hun ballon gescheurd en hadden zij in den afgrond moeten zinken! Maar de hemel had hen tot een bijzonder lot bestemd, en den 20sten Maart nadat zij Richmond ontvlucht waren, dat door de troepen van generaal Ulysses Grant belegerd werd, bevonden zij zich zeven duizend mijlen van de hoofdstad van Virginia verwijderd, de voornaamste vesting der zuidelijken uit den tijd van den amerikaanschen burgeroorlog. Hunne luchtreis had vijf dagen geduurd. [7]
Ziehier onder welke zonderlinge omstandigheden de ontvluchting der gevangenen plaats had—eene ontvluchting die uitliep op de gebeurtenissen, welke wij zooeven medegedeeld hebben.
Datzelfde jaar, in de maand Februari 1865, beproefde generaal Grant zich door overrompeling van Richmond meester te maken, maar het gelukte hem niet en vele officieren vielen in handen der vijanden en werden binnen de stad geïnterneerd. Een der aanzienlijksten van hen en die tot den staf der noordelijken behoorde, was Cyrus Smith.
Cyrus Smith, geboren in Massachussets, was ingenieur, een der kundigste mannen waaraan de regeering der Vereenigde Staten gedurende den oorlog het opzicht over de spoorwegen had toevertrouwd, die toen in den oorlog van zoo onberekenbaar gewicht waren. Hij was het type van een Noord-Amerikaan, mager, lang en beenderig, ongeveer vijf en veertig jaar oud, en zijn kort geschoren hoofdhaar en baard begonnen reeds een grijze tint te vertoonen. Hij had een kop die bestemd scheen om op munten afgebeeld te worden met vurige oogen en ernstigen mond, en zijn geheele voorkomen was dat van een man doorkneed in de krijgskundige wetenschappen. Hij behoorde tot de ingenieurs, welke wilden beginnen met het hanteeren van hamer en houweel, gelijk die generaals, welke als gemeen soldaat hunne loopbaan aanvangen. Aan scherpzinnigheid van geest paarde hij een ongewone vaardigheid der hand. Zijn spieren droegen de duidelijkste teekenen van veerkracht. Een man die zoowel tot handelen als tot denken in staat was; die door den invloed eener groote levenskracht zonder inspanning handelde, daar hij tevens die taaie volharding bezat, welke allen tegenspoed tart. Geleerd, practisch en tevens scherpzinnig, had hij een uitstekend karakter, want hoewel hij steeds meester over zich zelf bleef, welke omstandigheden zich ook voordeden, kwam hij zeer stipt deze drie voorwaarden na, die te zamen den energieken man vormen: werkzaamheid naar geest en lichaam; streven naar het hoogste doel; wilskracht. Zijn zinspreuk kon die van den stadhouder Willem III wezen. “Ik behoef niet te hopen om te ondernemen, noch te slagen om te volharden.” Tevens was Cyrus Smith de verpersoonlijkte moed. Hij had alle veldslagen in den burgeroorlog mede gemaakt.
Hij was begonnen met te dienen onder Ulysses Grant bij de vrijwilligers van Illinois; hij had gestreden bij Paducah, Belmont, Pittsburg-Landing, bij de belegering van Corinthe, bij Port Gibson, de Zwarte Rivier, Ghattanooga, Wilderness en ook op den Potomak had hij zijn hulp verleend; overal had hij dapper gestreden, als een soldaat, den generaal waardig, die zeide: “Ik tel mijne dooden niet!” En honderdmaal had Cyrus Smith behoord onder hen, die door generaal Grant niet geteld werden, maar in die veldslagen nam hij zich nooit in acht; het lot was hem steeds gunstig tot op [8]het oogenblik dat hij gewond werd en bij den slag van Richmond gevangen werd genomen.
Op hetzelfde tijdstip en denzelfden dag viel ook een ander gewichtig persoon met Cyrus Smith in handen der Zuidelijken. Niemand anders dan Gideon Spilett, correspondent van den New-York Herald die naar het oorlogsveld was gezonden.
Gideon Spilett was een van die bewonderenswaardige, engelsche of amerikaansche correspondenten, als Stanley en anderen, die voor niets terugdeinzen om een nauwkeurige opgave te bekomen en deze zoo snel mogelijk aan hun courant te berichten. Hij was een man van groote verdiensten, energiek, steeds bereid alles te doen, en voor alles raad te schaffen, die de geheele wereld doorkruist had als soldaat en artist, stoutmoedig in zijn raadgevingen, krachtig in zijn handelingen; moeite, vermoeienissen noch gevaren waren hem te veel, wanneer het er op aan kwam alles te weten, in de eerste plaats voor zich zelf en vervolgens voor zijn courant; een van die helden der weetgierigheid, altijd strevend naar onderzoek, van het onuitgegevene, onbekende en onmogelijke; hij behoorde tot een van die onverschrokken opmerkers die schrijven onder het bulderen van het kanon, en voor wie alle gevaren buitenkansjes zijn. Ook hij had alle veldslagen mede gemaakt, met de revolver in de eene hand en zijn aanteekeningboekje in de andere en de kanonnen deden zijn potlood niet trillen. Hij gebruikte de telegraaflijnen niet onophoudelijk zooals zij die altijd praten en niets te zeggen hebben, maar al zijn korte, duidelijke en nette berichten verspreidden licht over iedere belangrijke zaak. Bovendien ontbrak het hem niet aan geest. Hij was het, die na den slag aan de Zwarte Rivier, het mocht kosten wat het wilde, zijn plaats aan het loket van het telegraafkantoor behouden wilde; ten einde zijn blad den afloop van den slag te berichten, telegrapheerde hij twee uur lang de eerste hoofdstukken uit den Bijbel. Hij betaalde daarvoor twee duizend dollars, maar de New-York Herald had het eerst het bericht ontvangen.
Gideon Spilett was lang van gestalte. Hoogstens veertig jaar oud met blonde bijna roode bakkebaarden, een vastberaden, levendigen en snellen oogopslag. Krachtig gebouwd, was hij in staat in alle luchtstreken te vertoeven, als een stalen staaf in het koude water gehard.
Sedert tien jaar was Gideon Spilett de correspondent van den New-York Herald en verrijkte hij dit blad met zijn verslagen en schetsen, want hij kon even goed met het potlood als met de pen omgaan. Toen hij gevangen genomen werd was hij juist bezig een beschrijving en een teekening van den slag te geven. De laatste woorden op zijn aanteekeningboekje waren:
“Een Zuidelijke legt op mij aan en....”
En Gideon Spilett werd niet geraakt, want volgens zijn onveranderlijke gewoonte kwam hij er slechts met een schampschot af.

“Mijnheer Smith, wilt gij vluchten?” Blz. 11.
[9]
Cyrus Smith en Gideon Spilett, die elkander niet kenden dan bij reputatie, werden naar Richmond gebracht. De ingenieur genas spoedig van zijn wonden, en gedurende zijn herstel maakte hij kennis [10]met den correspondent. De beide mannen leerden elkander kennen en waardeeren. Spoedig had hun leven hetzelfde doel: te ontvluchten, zich weder bij het leger van Grant te voegen en te strijden voor de eenheid van Amerika.
De twee Amerikanen hadden dus besloten om van elke gelegenheid gebruik te maken; maar hoewel zij in Richmond alle vrijheid hadden, werd deze stad zoo streng bewaakt, dat een ontvluchting als onmogelijk moest beschouwd worden.
In dien tusschentijd had zich een bediende van Cyrus Smith bij hen gevoegd, die hem in leven en dood getrouw was. De dappere man was een neger, die op het grondgebied van den ingenieur geboren was, wiens ouders slaven waren, maar die sedert lang vrij was gemaakt door Cyrus Smith, een abolitionist met hart en ziel.
Als vrij geworden slaaf wilde hij toch zijn meester niet verlaten.
Hij zou voor hem door een vuur hebben geloopen. Hij was ongeveer dertig jaren oud, krachtig, vlug en handig, had veel gezond verstand, een kalmen en zachten aard, somtijds was hij wat onnoozel maar altijd welwillend, gedienstig en goedhartig. Hij heette Nebuchadneser, maar gewoonlijk werd hij bij verkorting Nab genoemd.
Toen het Nab ter oore kwam dat zijn meester gevangen was genomen, verliet hij zonder dralen Massachussets, ging naar Richmond en door list, na wel twintig maal gevaar te hebben geloopen zijn leven te verliezen, gelukte het hem de belegerde stad binnen te dringen. Welk een vreugde het voor Cyrus Smith was, toen hij zijn bediende terug zag, evenals Nab’s blijdschap bij het vinden van zijn meester, valt moeilijk te beschrijven.
Zoo Nab binnen Richmond had weten te komen, viel het wel zoo moeilijk deze stad weder te verlaten, want men bewaakte de krijgsgevangenen zeer streng. Men moest op eene onvoorziene omstandigheid rekenen om een ontvluchting te beproeven die op een goeden uitslag kans had, zulk een omstandigheid deed zich niet voor en het was onmogelijk haar te scheppen.
Intusschen ging het beleg voort; en zoo de gevangenen vurig verlangen zich weder onder Grant te scharen, niet minder wenschten sommige belegerden te ontvluchten. Onder dezen was Jonathan Forster, een vurige zuidelijke. Inderdaad, de noordelijken konden niet ontvluchten, maar de zuidelijken evenmin; want het leger der noordelijken had hen ingesloten.
De gouverneur van Richmond kon sedert langen tijd geen bericht van zijn toestand aan generaal Lee zenden, en het was toch van het hoogste belang dat deze daarmede bekend zou zijn, opdat dan des te spoediger hulp zou opdagen.
Jonathan Forster kwam op het denkbeeld een luchtballon te laten opstijgen en zoo over de belegeraars heen het kamp der zuidelijken te bereiken. [11]
De gouverneur gaf tot deze poging verlof. Er werd een ballon vervaardigd en ter beschikking van Jonathan Forster gesteld, die met vijf metgezellen de lucht moest doorklieven. Zij werden van de noodige wapenen en levensmiddelen voorzien, ingeval zij met den vijand in aanraking kwamen, of hun reis lang mocht duren.
Het vertrek van den ballon was op den 18den Maart bepaald. Des nachts zouden zij bij een kalmen noordwesten wind, binnen weinige uren het kamp van generaal Lee bereiken. Maar de noordwesten wind was lang geen gewone bries. Reeds ’s morgens vermoedde men dat het een orkaan zou worden. Weldra werd de storm zoo hevig, dat er geen denken aan vertrekken meer was. De 18de en 19de Maart gingen voorbij en geen verandering was er te bespeuren. Het was zelfs moeilijk den ballon zoo lang te bewaren. De nacht van 19 op 20 verstreek, maar bij het aanbreken van den morgen bleek de storm nog heviger te wezen. Het vertrek was onmogelijk. Dien dag werd de ingenieur Cyrus Smith in een der straten van Richmond aangesproken door een man, dien hij niet kende. Het was een matroos, Pencroff genaamd, tusschen de vijf en dertig en veertig jaar oud, krachtig gebouwd, met een door de zon verbrand gelaat, levendige oogen, die hij onophoudelijk knipte, maar op zijn geheele voorkomen was goedhartigheid te lezen. Deze Pencroff was een Noord-Amerikaan, die alle zeeën op den aardbodem doorkruist had, en die, wanneer het avonturen betrof, alles beleefd had wat met een levend wezen op twee beenen en zonder vleugels gebeuren kan. Onnoodig is het te zeggen, dat hij een ondernemende geest bezat, alles durfde en niets hem verwonderde. Pencroff was in het begin van dit jaar voor zaken naar Richmond gegaan met een knaap van vijftien jaar, Harbert Brown van New-Jersey, den zoon van zijn kapitein, nu een wees, die hij als zijn eigen kind liefhad. Hij was ook genoodzaakt geweest in de stad te blijven, en wilde nu niets liever dan ontvluchten. Hij kende Cyrus Smith bij naam en wist ook dat hij met ongeduld wachtte op een gelegenheid om te ontkomen. Hij aarzelde dien dag dus niet om hem, zonder eenige voorbereiding aan te spreken met de woorden: “Mijnheer Smith, hebt gij genoeg van Richmond?”
De ingenieur zag den persoon, die hem aldus toesprak, ernstig aan, waarop deze verder vroeg:
“Mijnheer Smith, wilt gij vluchten?”
“Wanneer?......” antwoordde de ingenieur levendig. Zeker is het dat hem deze woorden onwillekeurig ontsnapten, want hij had den onbekende, die hem aldus aansprak, nog niet genoeg opgenomen.
Maar toen hij met een doordringenden blik het open gelaat van den matroos had opgenomen, koesterde hij geen twijfel meer aan de eerlijkheid van den man, die voor hem stond. [12]
“Wie zijt gij?” vroeg hij kortaf.
Pencroff maakte zich bekend.
“Goed,” antwoordde Cyrus Smith. “En op welke wijze wilt gij de vlucht ondernemen?”
“Met dien luien luchtballon, die daar ligt om niets uit te voeren; hij maakt op mij den indruk dat hij op ons wacht!....”
De matroos behoefde zijn zin niet te voleinden. De ingenieur had de geheele zaak uit dat ééne woord begrepen. Hij vatte Pencroff bij den arm en voerde hem met zich mede naar zijn kamer. Daar legde de matroos zijn geheele plan bloot, dat inderdaad zeer eenvoudig was. Men waagde bij het uitvoeren slechts zijn leven. De orkaan was wel is waar in volle hevigheid, maar een ervaren en moedig ingenieur zooals Cyrus Smith zou zulk een ballon wel weten te besturen. Zoo Pencroff zelf er maar eenig verstand van had, zou hij niet geaarzeld hebben te vertrekken,—natuurlijk met Harbert. Anderen hadden het wel gedaan, en men behoefde voor een storm geen angst te hebben!
Cyrus Smith luisterde naar den matroos en viel hem geen oogenblik in de rede, maar zijn oogen schitterden. De gelegenheid bood zich aan en hij was er de man niet naar, die voorbij te laten gaan. Wel was het plan zeer gevaarlijk, maar toch uitvoerbaar. ’s Nachts kon men, ondanks de strenge bewaking, zeer gemakkelijk den ballon naderen, in het schuitje stappen en daarop de touwen doorsnijden, die hem vasthielden. Zeker, men liep gevaar omtekomen, maar daartegenover stond dat men slagen kon en zonder dien storm.... Maar zonder dien storm zou de ballon reeds vertrokken zijn, en de gelegenheid, die men zoo vurig wenschte, zou zich niet hebben voorgedaan. “Ik ben niet alleen!....” zeide Cyrus Smith eindelijk.
“Hoeveel personen wilt gij nog medenemen?” vroeg de matroos.
“Twee: mijn vriend Spilett en mijn bediende Nab.”
“Dat is drie,” antwoordde Pencroff, “en Harbert en ik maakt vijf. Maar de ballon moest er zes medenemen....”
“Het is genoeg. Wij zullen vertrekken!” zei Cyrus Smith.
Met het “wij” werd ook de correspondent bedoeld, maar deze was niet voor een klein gerucht vervaard en toen het plan hem medegedeeld werd, was hij het ten volle met zijn vriend eens. Het eenige waarover hij zich verwonderde, was, dat dit plan niet vroeger bij hem was opgekomen. En wat Nab betreft, deze volgde zijn meester overal, waar hij gaan wilde.
“Heden avond dus,” zeide Pencroff. “Wij zullen alle vijf als nieuwsgierigen daar ronddwalen!”
“Heden avond ten tien ure,” antwoordde Cyrus Smith, “en de hemel geve, dat de storm niet voor ons vertrek afneemt!”

“Slecht getij!” Blz. 14.
Pencroff verliet den ingenieur en keerde naar zijn woning terug, [13]waar hij Harbert Brown had achtergelaten. Dit moedige kind kende het plan van den matroos en niet zonder angst wachtte hij den uitslag van het gesprek met den ingenieur af. Vijf personen dus [14]hadden besloten zich, te midden van een heftigen storm, tusschen hemel en aarde te wagen.
De avond viel. Het was een stikdonkere nacht. De straten waren geheel verlaten. Men had zelfs niet noodig geacht de plaats te bewaken waar de ballon heen en weer slingerde. Alles was blijkbaar het vertrek der gevangenen gunstig; maar die reis te midden der woedende elementen!....
“Slecht getij!” zeide Pencroff, terwijl hij zijn hoed stevig op zijn hoofd drukte. “Maar kom, wij zullen alles toch wel klaar spelen!”
Tegen half tien uur stonden de gevangenen naast het schuitje bij elkander. Niemand had hen bemerkt, en zulk een duisternis heerschte er, dat zij ook elkander niet zagen. Zonder een woord te spreken, plaatsten Cyrus Smith, Gideon Spilett, Nab en Harbert zich in het schuitje, terwijl Pencroff op bevel van den ingenieur den ballast er uitwierp. Dit was het werk van weinige oogenblikken en spoedig voegde de matroos zich bij hen.
De ballon werd slechts door een dubbel kabeltouw tegengehouden en wachtte op het bevel van Cyrus Smith om te stijgen. Op dat oogenblik sprong een hond tegen het schuitje op. Het was Top, de hond van den ingenieur, die van zijn ketting was losgebroken en zijn meester had gevolgd. Cyrus Smith, die vreesde voor te groote zwaarte, wilde het arme dier niet medenemen.
“Kom, één meer!” zeide Pencroff, terwijl hij twee zakken zand uit het schuitje wierp.
Daarop sneed hij den kabel los en de ballon steeg in een schuinsche richting, terwijl het schuitje in zijn vaart twee schoorsteenen verbrijzelde. De orkaan woedde in al zijn hevigheid. De ingenieur kon er gedurende den nacht niet aan denken te dalen, en toen de morgen aanbrak kon hij door den zwaren mist niets van de aarde bespeuren. Eerst vijf dagen later klaarde het op en was hij in staat de onmetelijke zee onder het schuitje te zien, dat door den wind met een vreeselijke snelheid werd voortgedreven!
Men weet, dat van de vijf personen, die den 20sten Maart vertrokken, vier den 24sten op een verlaten kust werden geworpen, die meer dan zes duizend mijlen van hun land was verwijderd.
En hij die ontbrak, tot wiens hulp de vier overigen terstond alle pogingen in het werk stelden, was hun chef, de ingenieur Cyrus Smith. [15]
Vijf uur in den avond.—Hij die ontbreekt.—Wanhoop van Nab.—Nasporingen ten Noorden.—Het eilandje.—Een nacht vol angst.—De morgennevel.—Nab zwemt.—Land in zicht.—Het doorwaden van het kanaal.
De mazen van het net waartusschen de ingenieur zich geslingerd had, waren onder den last bezweken, en hij was door een golf meegesleept. Ook zijn hond was verdwenen. Het trouwe dier had zich vrijwillig in den afgrond gestort, om zijn meester te redden.
“Vooruit!” riep de correspondent. En alle vier, Gideon Spilett, Harbert, Pencroff en Nab vergaten hun vermoeienissen en vingen hun onderzoek aan.
De arme Nab weende van woede en wanhoop, bij de gedachte dat hij alles verloren had, wat hem op de wereld lief was.
Geen twee minuten waren er verloopen sedert het oogenblik dat Cyrus Smith verdwenen was en zijn metgezellen op vasten wal waren gekomen. Zij hadden dus nog eenige kans hem te redden.
“Laten wij hem zoeken! laten wij hem zoeken!” riep Nab uit.
“Ja, Nab,” zeide Gideon Spilett, “en wij zullen hem terugvinden.”
“Levend?”
“Levend!”
“Kan hij zwemmen?” vroeg Pencroff.
“Ja,” antwoordde Nab. “En bovendien is Top er bij!”
De matroos hoorde het klotsen der golven en schudde het hoofd! Zeker was de ingenieur op de noordelijke kust van het eiland en ongeveer een halve mijl afstands van het punt waar de schipbreukelingen waren neergekomen, verdwenen. Het was toen zes uur. De mist viel neder en dit maakte dat de nacht zeer donker was. De schipbreukelingen volgden de noordelijke richting der kust, waarop het toeval hen geworpen had—een onbekend land, waarvan zij zelfs de ligging niet konden gissen.
Nadat zij twintig minuten geloopen hadden, bevonden zij zich plotseling voor de zee. Zij voelden geen vasten grond meer. Zij waren aan het einde van een spits toeloopende punt, waarop de onstuimige golven braken.
“Dit is een voorgebergte,” zeide de matroos. “Wij moeten weer terugkeeren.”
“Maar zoo hij daar is?” zeide Nab.
“Wij zullen hem roepen,” antwoordde Pencroff. Eenige malen riepen zij hem, doch te vergeefs; daarop vervolgden zij hun weg meer zuidwaarts. Nadat zij anderhalve mijl afgelegd hadden, steeds in de hoop plotseling een hoek te zien dien hen weer de noordelijke [16]richting kon doen volgen, was hun teleurstelling zeer groot, toen zij nogmaals stuitten op steile rotsen.
“Wij zijn op een eilandje!” zeide Pencroff, “en wij hebben het van zijn eene uiteinde naar het andere doorsneden!”
De opmerking van den matroos was juist. De schipbreukelingen waren niet op het vaste land, zelfs niet op een eiland, maar op een eilandje van twee mijlen lengte, en dat zeker niet veel breeder kon zijn. Eindelijk zeide de correspondent:
“Dat wij niets van Cyrus Smith hooren, bewijst niets. Hij kan in zwijm liggen, gewond zijn of buiten staat ons op het oogenblik te antwoorden. Laten wij nog niet wanhopen.”
Daarop kwam Spilett op het denkbeeld om een vuur aan te leggen, dat den ingenieur tot eenig signaal zou kunnen dienen. Maar men kon nergens takkenbossen of droog hout vinden. Slechts zand en steenen waren er.
Het waren pijnlijke uren die zij sleten. Er heerschte een felle koude. De schipbreukelingen leden veel, maar voelden het ternauwernood. Zij dachten er niet aan, zich een oogenblik rust te gunnen, zij vergaten alles om hun leidsman maar terug te vinden. Terwijl Nab steeds stond te roepen, was het of een zijner kreten werd weerkaatst. Harbert deed dit Pencroff opmerken en voegde er bij:
“Dat is een bewijs dat er in het westen een kust nabij is.”
De matroos knikte toestemmend. Zijn oogen konden hem buitendien ook niet bedriegen. Zoo hij daar, hoe flauw het ook wezen mocht land zag, dan was daar ook land.
Maar die echo was het eenige antwoord, dat Nab op zijn geroep kreeg: overigens bleef alles doodstil om hen heen.
De nacht ging voorbij. Tegen vijf uur in den ochtend van den 25sten Maart kwamen er kleine wolken aan den hemel. De horizon was betrokken en, met het krieken van den dag, steeg er zulk een dikke mist uit zee op, dat men geen twintig pas vóór zich uit kon zien. De mist werd hoe langer zoo zwaarder.
Dit was een groote teleurstelling. De schipbreukelingen konden niets om zich heen zien. En terwijl Nab en de correspondent hun blik over den oceaan lieten dwalen, zochten Pencroff en Harbert de westelijke kust. Maar geen streep land was er te bespeuren.
“Het doet er niet toe,” zeide Pencroff, “al zie ik geen kust, toch voel ik dat er een is.... zij is daar.... daar.... even zeker als dat wij niet meer te Richmond zijn!”
De mist hield niet lang aan. Spoedig brak de zon door en verspreidde eene aangename warmte over het eilandje.
Ja! Daar was land. Daar waren zij voor het oogenblik in veiligheid. Tusschen het eilandje en de kust, van elkander gescheiden door een kanaal van een halve mijl breedte, stroomde een helder en snelvlietend water. [17]

“Kan men die eten?” Blz. 19.
Intusschen wierp zich een der schipbreukelingen, slechts aan de ingeving van zijn hart gehoor gevende, zonder een woord tot zijn metgezellen te zeggen in den stroom. Het was niemand anders [18]dan Nab. Hij verlangde slechts om op die kust te zijn en zich noordwaarts te begeven. Niemand had hem kunnen weerhouden.
Pencroff riep hem terug, maar te vergeefs; Spilett wilde hem nu ook volgen.
Pencroff ging naar dezen toe.
“Wilt gij dat kanaal oversteken?” vroeg hij.
“Ja,” antwoordde Gideon Spilett.
“Wacht liever,” zeide de matroos. “Nab is voldoende om zijn meester hulp te brengen. Zoo wij ons in dit kanaal werpen, loopen wij nog gevaar door den heftigen stroom mede gevoerd te worden. Zoo ik mij niet vergis is het eb. Zie maar, de zee wijkt terug van het strand. Laten wij dus geduld hebben, misschien vinden wij een doorwaadbare plaats.”
Nab had in dien tijd na vele moeielijkheden te hebben doorworsteld de overzijde bereikt. Eindelijk stond hij op een hoog rotsblok en verdween weldra daarachter.
Tegen tien uur trokken Gideon Spilett en zijn twee metgezellen hun kleederen uit, maakten er een pakje van, dat zij op hun hoofd legden en waagden zich in het kanaal dat geen vijf voet diep was. Harbert voor wien het water te hoog was, zwom als een visch, wat hem uitmuntend afging. Alle drie kwamen zonder moeite aan de overzijde. Daar droogde de zon hen spoedig en trokken zij de kleederen weer aan, die zij voor nat worden bewaard hadden, en overlegden zij wat hun te doen stond.
De lithodomen.—De rivier en haar monding.—Voortzetting van het onderzoek.—Het woud der groene boomen.—De voorraad brandstof.—Men wacht den vloed af.—Van de hoogte der kust.—De houtvlotten.—Terugkeer naar den oever.
Voor het oogenblik, zeide de correspondent, moesten zij maar wachten tot hij terugkwam en zonder een oogenblik te verliezen, volgde hij de kust, dezelfde richting nemende welke Nab eenige uren vóór hem was ingeslagen. Daarop verloren zij hem uit het gezicht, toen hij den hoek omsloeg.
Harbert had hem willen volgen.
“Blijf mijn jongen,” had de zeeman gezegd, “wij moeten een [19]kamp inrichten, en eens zien of het mogelijk is iets te eten te krijgen, dat beter in de maag staat dan schelpdieren. Onze vrienden moeten ook versterkt worden bij hun terugkomst. Ieder zijn taak.”
“Ik ben tot uw dienst, Pencroff,” antwoordde Harbert.
“Goed zoo,” hernam de zeeman, “dan zal het wel gaan. Alle dingen moeten met orde geschieden. Wij zijn vermoeid, wij hebben het koud, wij hebben honger. Dus moeten we een ligplaats, vuur en voedsel vinden. In het bosch is er hout; in de nesten zijn eieren; wij behoeven alzoo slechts een huis te vinden.”
“Welnu,” sprak Harbert, “ik zal een grot in die rotsen zoeken, en ik zal wel een gat ontdekken, waarin we een schuilplaats vinden kunnen.”
“Dat is juist wat wij noodig hebben,” antwoordde Pencroff. “Vooruit nu maar, mijn jongen.”
Zij volgden nu den rotsketen langs het strand, maar in plaats van noordwaarts, richtten zij zich zuidwaarts, omdat Pencroff had opgemerkt, dat een honderd passen verwijderd van de plek, waar zij aan land waren gekomen, de bodem een helling maakte, waaruit hij afleidde, dat daarginds een rivier of een beek moest stroomen. Nu was het van belang, dat men zich vestigde in de nabijheid van drinkwater, terwijl het bovendien niet onmogelijk was, dat de stroom Cyrus Smith herwaarts had gedreven.
De rotsketen had een hoogte van ongeveer driehonderd voet, maar hij vormde eene onafgebroken massa van de kruin tot den grond; geen enkele spleet vertoonde zich, waarin men een schuilplaats kon vinden. Boven de rotsen vlogen gansche zwermen van watervogels met lange puntige snavels; zij schreeuwden om het hardst, zonder zich te bekommeren om de menschen, die zeker voor de eerste maal thans hunne eenzaamheid verstoorden. Een geweerschot onder de dichte zwermen zou een groot aantal vogels hebben gedood, maar om een geweerschot te lossen, moet men een geweer hebben en Pencroff noch Harbert bezat er een. Bovendien die meeuwen en andere zeevogels zijn niet smakelijk, zelfs hun eieren zijn walglijk.
Harbert had zich een weinig ter linkerzijde begeven en ontdekte eenige rotsen met zeeplanten, die zoo straks, wanneer het water zou zijn gestegen, weder onzichtbaar zouden worden. Te midden van die planten bespeurde hij een menigte schelpdieren, die voor hongerige menschen niet te verwerpen waren.
“Het zijn mossels!” riep de matroos uit. “Zij kunnen bij ons de plaats van de eieren innemen, die ontbreken!”
“Het zijn geen mossels,” antwoordde Harbert, toen hij ze nauwkeurig onderzocht had, “het zijn lithodomen.”
“En kan men die eten?” vroeg Pencroff.
“Zeer goed.” [20]
“Dan zullen wij eten.”
De matroos kon op den knaap vertrouwen, want Harbert had altijd groote liefhebberij in natuurlijke historie gehad.
Pencroff en Harbert voorzagen zich overvloedig van deze lithodomen; zij aten ze als oesters; daarbij vonden zij er een kruidensmaak in, zoodat ze het gemis van peper of welke andere specerij ook niet behoefden te betreuren.
Voor het oogenblik was hun honger dus gestild, maar hun dorst was nog door het gebruik dezer weekdieren toegenomen. Zij verlangden daarom des te meer naar zoet water, en het was niet waarschijnlijk dat in een land zoo rijk aan allerlei voortbrengselen dit ontbreken zou.
Ongeveer tweehonderd pas verder kwamen zij aan de streek, waar volgens het voorgevoel van Pencroff een rivier moest stroomen. En inderdaad vonden zijn daar een kanaal van honderd voet breedte.
“Hier is water! en daar een bosch! Nu, Harbert, nu moeten wij nog een huis hebben.”
Het water was helder, Harbert zag al rond of hij een holte zag, die hun tot schuilplaats zou kunnen dienen, maar nergens ontdekte hij iets van dien aard.
Aan den mond van dezen stroom en boven de oppervlakte der zee hadden een aantal steenen geen grot, maar een opeenstapeling van rotsen gevormd, zooals men ze vindt in bergachtige streken, en die de naam van “schoorsteenen” dragen.
Harbert en Pencroff drongen een eind ver door tusschen die rotsen, door welker openingen het licht viel maar met dat licht baande zich ook de wind een weg. Pencroff begreep dat men, door die openingen met steenen en zand aan te vullen, die schoorsteenen tot een zeer geschikte woning zou kunnen inrichten. Hun eerste werk was nu om eenig vuur te maken en het hout, dat zij in den omtrek vonden, kwam hun spoedig te stade.
Zij verlieten nu de schoorsteenen en toen zij den hoek om waren, volgden zij den linker oever der rivier. Het was een snelstroomend water, waarin veel dood hout dreef. Daar het water opkwam—en men voelde het reeds op dit oogenblik—moest het altijd weder met een zekere kracht terugvloeien tot op een vrij grooten afstand. De matroos kwam toen op het denkbeeld dat men die eb en vloed zeer goed als vervoermiddel van zware voorwerpen kon aanwenden. Toen zij een kwartier hadden geloopen, maakte de rivier een kronkeling en vervolgde haar loop door een bosch met prachtige boomen, Hier voorzagen zij zich in overvloed van brandhout, wat zeer gemakkelijk ging, daar zij het maar voor het oprapen hadden. Maar zoo zij genoeg hout vonden, hadden zij toch nog geen middel om het te vervoeren. Het hout was zeer droog, het zou dus spoedig verbrand wezen. Men was daarom wel genoodzaakt, meende [21]Harbert, een groote hoeveelheid in de schoorsteenen te brengen, maar dan waren twee man niet voldoende.

De rotsen lagen als opeengestapeld. Blz. 20.
“Wel mijn beste jongen,” antwoordde Pencroff hierop, “er zal [22]wel een middel wezen om dit hout te vervoeren. Er is voor alles raad te vinden! Zoo wij een kar of een bootje hadden zouden wij geholpen zijn.”
“Maar wij hebben de rivier!”
“Juist,” hernam Pencroff. “De rivier is een weg voor ons, die geheel alleen gaat en de houtvlotten zijn niet voor niets uitgevonden.”
“Alleen loopt die weg op het oogenblik in een andere richting dan de onze, daar het water opkomt,” merkte Harbert aan.
“Dan wachten wij maar tot het weder afloopt,” sprak de matroos, “en dan zal het ons tot vervoermiddel dienen. Laten wij in dien tijd ons vlot bouwen.” Spoedig hadden zij het vervaardigd en stapelden zij er hun voorraad op. Binnen het uur lag het aan den oever en behoefde men slechts op de eb te wachten. Zij moesten evenwel nog geruimen tijd geduld hebben eer het water afnam, maar die uren gebruikten zij om een hooger gedeelte te gaan onderzoeken.
Toen zij bijkans het hoogste punt hadden bereikt, viel hun oog voor het eerst op dien onmetelijken oceaan, dien zij in zulk een vreeselijken toestand hadden overgestoken! Zij overzagen het geheele noordelijke gedeelte, waar de ballon was verongelukt. Daar was Cyrus Smith verdwenen. Een poos lang sloegen zij aandachtig de zee gade, of er ook soms een overblijfsel van den ballon, waaraan een mensch zich vast had kunnen klemmen, op de golven dobberde. Niets! De zee was geheel verlaten. Op de kust was ook geen spoor van eenig wezen te ontdekken. Noch de correspondent, noch Nab vertoonde zich. Maar het was zeer wel mogelijk dat zij zich op te grooten afstand bevonden, om hen met het bloote oog te zien.
“Er is iets,” zeide Harbert, “hetwelk mij zegt, dat zulk een energiek man als mijnheer Smith zich niet als de eerste de beste heeft laten verdrinken. Hij moet eenig punt der kust bereikt hebben. Niet waar Pencroff?”
De matroos schudde droevig het hoofd. Hij voor zich geloofde niet meer dat zij Cyrus Smith terug zouden zien; maar toch wilde hij Harbert alle hoop niet ontnemen.
“Zeker, zeker,” zeide hij, “onze ingenieur is wel de man om zich uit een zaak te redden, waaronder een ander bezwijken zou!....”
Toen zij verder waren gekomen en de geheele streek konden overzien, vroeg Pencroff onwillekeurig zich zelf af:
“Zijn wij wel op een eiland?”
“In ieder geval op een vrij groot!” antwoordde de knaap.
“Een eiland, hoe groot het ook wezen mag, blijft altijd een eiland!” hernam Pencroff.
Maar dit belangrijke vraagstuk konden zij thans niet oplossen. Zij moesten tot een geschikter tijd wachten. Wat het land zelf betreft, eiland of geen eiland, het bleek duidelijk dat het zeer vruchtbaar aangenaam gelegen en rijk aan verschillende voortbrengselen was. [23]
“Dat is gelukkig,” merkte Pencroff aan, “en in al onze ellende moeten wij toch dankbaar wezen.”
Eensklaps zagen zij een aantal vogels opvliegen.
“Ha,” riep Harbert uit, “ziet daar eens wat een vogels!”
“Wat voor vogels zijn het?” vroeg Pencroff. “Men zou zeggen, dat het duiven waren.”
“Dat zijn zij inderdaad, maar in alle geval wilde. En daar de rotsduiven zeer goed te eten zijn, moeten haar eieren ook uitmuntend smaken, en als zij ze in het nest hebben gelaten!....”
“Zullen wij ze den tijd niet gunnen om uit den dop te komen, tenzij als ommelet!” riep de matroos lachend uit.
“Maar waarin zult gij uw ommelet bakken?” vroeg Harbert. “In uw hoed?”
“Jawel,” zeide Pencroff; “zoo’n goochelaar ben ik niet. Wij zullen ons dus op versche eieren onthalen, en ik zal ze wel uit den dop eten.”
Zij vonden dan ook een goede hoeveelheid eieren! Zij namen er een twaalftal in een zakdoek mede, en toen het water weder opkwam, begaven zij zich naar den oever der rivier. Toen zij dien bereikten was het één uur en dus tijd om hun vlot in beweging te brengen; vóór tweeën hadden zij met hun rijke lading de schoorsteenen bereikt.
Inrichting der schoorsteenen.—De vuur-quaestie.—De lucifersdoos.—Onderzoek van de kust.—Terugkomst van den correspondent en Nab.—Eén lucifer.—Het vlammende vuur.—Het eerste avondmaal.—De eerste nacht aan land.
De eerste zorg van Pencroff was, toen zij het vlot gelost hadden, de schoorsteenen zoo bewoonbaar mogelijk in te richten door al dadelijk de openingen, waardoor de wind gierde, dicht te stoppen. Daarop plaatste hij een nauwe buis in een der holten, waardoor de rook kon opstijgen. De schoorsteenen waren verdeeld in drie of vier kamers, zoo men dien naam aan de duistere holen geven kon, waarin zich een wild dier tevreden had gesteld. Maar hier was men tenminste beschut tegen regen en wind en in de grootste kamer kon men recht overeind staan. Fijn zand bedekte overal den grond. [24]
“Nu kunnen onze vrienden terugkomen. Zij zullen een voldoende schuilplaats vinden,” zeide Pencroff. Thans moesten zij nog vuur aanleggen en een middagmaal bereiden. Dit was echter een zeer gemakkelijke taak. En terwijl de matroos bezig was eenig brandhout onder den schoorsteen te leggen, vroeg Harbert hem of hij wel lucifers had.
“Zeker,” zeide Pencroff, “en ik voeg er bij, gelukkig, want zonder lucifers of zonder zwam zouden wij in groote verlegenheid zitten.”
“Wij konden dan toch altijd vuur maken zooals de wilden,” antwoordde Harbert, “door twee stukken droog hout tegen elkander te wrijven?”
“Welnu beproef het eens, en wij zullen zien of u iets ander gelukt dan uw armen te breken!”
“Men doet het toch veel op de eilanden van den Stillen Oceaan.”
“Ik zeg ook niet dat het onwaar is, maar de wilden weten er mede om te springen of gebruiken er misschien bijzonder hout voor, want meer dan eens heb ik mij op deze wijze van vuur willen voorzien, maar het is mij nooit gelukt. Ik beken dus gaarne, dat ik liever lucifers heb! Waar zijn mijn lucifers?”
Pencroff zocht in zijn vestjeszak naar het doosje, dat hem nooit verliet, want hij was een verstokt rooker. Hij vond het niet. Hij doorzocht al zijn zakken en tot zijn groote verbazing voelde hij het nergens.
“Dat is toch dom, en meer dan dom!” zeide hij, terwijl hij Harbert aanzag. “Het doosje is zeker uit mijn zak gevallen en zoodoende heb ik het verloren! Maar Harbert, hebt gij niets, geen vuurslag, niets waarmede wij vuur kunnen maken?”
“Neen, Pencroff!”
De matroos verliet de schoorsteenen, gevolgd door Harbert, en krabde zich het hoofd.
Op het zand bij de rivier, in de rotsen, hoe en waar zij ook zochten, alles was te vergeefs. Het doosje dat van koper was, zou hun blik niet ontgaan zijn.
“Pencroff, hebt gij het niet over boord geworpen?” vroeg Harbert.
“Daar heb ik wel op gepast,” antwoordde de matroos. “Maar als men zoo geslingerd is, zooals wij zijn gedaan, moet zulk een klein voorwerp wel zoek raken. Zelfs mijn pijp heb ik verloren! Duivelsche doos! Waar kan zij wezen?”
Nog eenigen tijd zochten zij naar het doosje, maar vruchteloos. Eindelijk keerden zij naar de schoorsteenen terug.
Tegen zes uur, op het oogenblik dat de zon in het westen verdween, kwam Harbert, die op de kust heen en weer liep, terug met de tijding dat Nab en Gideon Spilett op hun terugtocht waren. Zij keerden alleen terug!.... Een beklemd gevoel maakte zich van den knaap meester. De matroos had zich niet in zijn voorgevoel bedrogen. Men had den ingenieur Cyrus Smith niet gevonden! [25]

De correspondent zette zich op een steen en sprak geen woord. Blz. 25.
Toen de correspondent was aangekomen, zette hij zich op een steen en sprak geen woord. Uitgeput van vermoeienis was het hem onmogelijk iets te zeggen. [26]
Wat Nab betreft, diens roode oogen getuigden voldoende, dat hij geweend had, en de tranen die thans weer in zijn oogen kwamen, bewezen duidelijk dat hij alle hoop had verloren.
Spilett verhaalde uitvoerig welke pogingen zij in het werk hadden gesteld om Cyrus Smith terug te vinden. Nab en hij hadden meer dan acht mijlen langs de kust afgelegd en dus waren zij veel verder gegaan dan de plek waar het onheil had plaats gehad, dat gevolgd was door de verdwijning van Cyrus Smith en zijn hond Top. De geheele kust was verlaten. Geen spoor, geen enkele voetstap. Waarschijnlijk had nooit eenig menschelijk wezen hier een voet gezet. De zee was even verlaten als het land, en zeker had de ingenieur eenige honderden passen daarvan verwijderd den dood gevonden.
Op dit oogenblik stond Nab op, en op een toon waaruit duidelijk sprak dat hij alle hoop nog niet verloren had, riep hij:
“Neen, neen, hij is niet dood! Neen het kan niet! Hij dood, onmogelijk! Ik! of wie anders ook, dat zou mogelijk wezen! Maar hij! Nooit! Hij redt zich altijd!....”
Daarop begaven hem zijn krachten en stamelde hij:
“O, ik kan niet meer!”
Harbert snelde naar hem toe.
“Nab,” zeide de knaap, “wij zullen hem terugvinden! God zal hem ons wedergeven! Maar luister eens, gij hebt honger! Eet eerst eens wat!” Dit zeggende gaf hij den neger eenige lithodomen, een schamel en een ontoereikend voedsel.
Nab had sinds vele uren niets gebruikt, maar toch weigerde hij. Nu hij zijn meester niet meer had, kon of wilde Nab niet langer leven.
Maar Gideon Spilett van zijn kant verslond de schelpdieren; daarop legde hij zich op het zand neder aan den voet van een rots. Hij was uitgeput maar kalm.
Toen naderde hem Harbert, hem bij de hand vattende en zeide:
“Mijnheer, wij hebben een betere schuilplaats ontdekt dan deze. De nacht nadert. Ga nu rusten, morgen zullen wij verder zien.” De correspondent stond op en met den knaap ging hij naar de schoorsteenen. Op dit oogenblik kwam Pencroff naar hem toe en op den meest natuurlijken toon, vroeg hij hem of hij ook een lucifer had.
Spilett stond stil, zocht in zijn zakken, vond niets en zeide:
“Ik had er wel, maar ik heb ze weg moeten werpen.”
Toen riep de matroos Nab, deed hem dezelfde vraag en ontving hetzelfde antwoord.
“Vervloekt!” mompelde hij, zijn gewaarwordingen niet kunnende onderdrukken. Spilett hoorde het, en ging naar Pencroff toe met de woorden:
“Hebt gij geen lucifers?”
“Geen een en dus ook geen vuur!” [27]
“O,” riep Nab uit, “als mijn meester er maar was, hij zou het u wel verschaffen!”
De vier schipbreukelingen staarden elkander roerloos en verbijsterd aan. Harbert verbrak het eerst de stilte met de woorden:
“Mijnheer Spilett, gij rookt, gij moet altijd lucifers bij u hebben. Misschien hebt gij niet goed gevoeld? Zoek nog eens! Eén lucifer zou ons voldoende wezen!”
Weder doorzocht de reporter al zijn zakken en tot groote vreugde van Pencroff, evenals tot zijn eigen niet geringe verbazing voelde hij tusschen de voering van zijn vest een stukje hout. Hij had het wel tusschen zijn vingers, maar kon het houtje toch niet door de voering trekken en daar het de eenige lucifer was, dien zij hadden, moesten zij vooral zorgen dat de phosphorus er niet afging. Het gelukte eindelijk aan Harbert het ongeschonden er uit te krijgen.
“Eén lucifer!” riep Pencroff uit. “Het is zoo goed alsof wij een geheele lading hebben!”
Hij nam den lucifer en gevolgd van zijn drie makkers ging hij naar de schoorsteenen terug.
Het kleine stukje hout, dat in de bewoonde landen met zulk een groote onverschilligheid wordt bejegend en dat geen waarde heeft, moest hier met de uiterste behoedzaamheid worden behandeld. Eerst overtuigde de matroos zich dat het goed droog was. Toen hij dit gedaan had, zei hij:
“Nu moet ik papier hebben.”
“Hier,” antwoordde Gideon Spilett, die na eenige aarzeling een stukje uit zijn schrijfboekje scheurde. Pencroff nam het papier, dat de correspondent hem gaf en knielde bij den haard neder. Men legde er dorre bladeren en droog mos op, zoodanig dat de wind er doorheen speelde en het hout dus spoedig vlam zou vatten.
Toen hij den lucifer zacht afstreek, kwam er geen vuur. Pencroff had niet met genoeg kracht gedrukt, daar hij bang was de phosphorus er af te strijken.
“Neen, ik zal het niet kunnen,” zei hij, “mijn hand beeft.... De lucifer zal niet afgaan.... Ik kan het niet.... ik wil het ook niet!” En opstaande liet hij de taak aan Harbert over.
Zeker was de knaap in zijn geheele leven nog nooit onder zulk een indruk geweest. Zijn hart bonsde. Toen Prometheus het vuur uit den hemel stal, kon hij zoo geroerd niet geweest zijn. Toch aarzelde hij niet en streek hij hem snel af. Een zwak knetteren hoorde men en daarop ontstond een blauwachtig vlammetje dat een scherpe zwaveldamp deed ontstaan, Harbert draaide den lucifer langzaam om, zoodat de vlam voedsel kreeg, daarop bracht hij hem bij het papier. Het papier vatte oogenblikkelijk vlam en spoedig het mos ook. [28]
Eenige oogenblikken later knetterde het droge hout en een vroolijk vlammetje, aangewakkerd door het blazen van den matroos, flikkerde te midden der duisternis.
“Eindelijk,” riep Pencroff, “ik ben nog nooit zoo ontroerd geweest!”
Hun eenige zorg was thans dit vuur niet meer te laten uitgaan; dit zou hun niet moeilijk vallen, daar er hout in overvloed was.
Pencroff maakte het zich terstond ten nutte, met er een voedzamer maaltijd op te bereiden. Spilett zat in een hoek en zijn eenige gedachten waren: Leeft Cyrus nog? En zoo hij leeft, waar zou hij wezen? Zoo hij niet in de golven is omgekomen, waarom heeft hij dan geen middel gevonden, om dit ons bekend te maken. Wat Nab betrof, deze zwierf langs de kust. Hij was slechts een lichaam zonder ziel.
Eenige oogenblikken later was Pencroff met zijn maal gereed.
De harde eieren, die hij hun voorzette, versterkten de arme schipbreukelingen, en nadat Spilett met korte woorden de gebeurtenissen van de twee laatste dagen had opgeteekend, gelukte het hem eindelijk in slaap te vallen.
Harbert was ook spoedig in rust. Wat den matroos aanging, deze bracht zijn nacht bij het vuur door, waarop hij telkens nieuwe brandstoffen wierp. Eén echter van hen sliep niet. Het was Nab. Deze doolde den ganschen nacht langs de kust en riep gedurig zijn meester.
De inventaris der schipbreukelingen.—Niets.—Gebrand linnen.—Een tocht door het bosch.—De bloem der groene boomen.—Het boomkruipertje.—Sporen van wilde dieren.—Koeroekoes.—Schildpadden.—Zonderlinge vangst met een hengel.
De inventaris van al wat de schipbreukelingen, op dit verlaten eiland geworpen, bezaten, was spoedig opgemaakt.
Zij hadden niets dan de kleeren, die zij droegen, toen hen het onheil trof. Toch had Gideon Spilett, bij ongeluk zeker, een opschrijfboekje en een horloge behouden, maar overigens was er geen wapen, geen werktuig, zelfs geen zakmes te vinden. De reizigers in het bootje hadden alles overboord geworpen om het luchtschip lichter te maken. [29]

“Ik ben nog nooit zoo ontroerd geweest.” Blz. 28.
De denkbeeldige helden van Daniël de Foe of van Wyss, zoowel als de Selkirken en de Raynals, die schipbreuk leden op de Juan-Fernandez eilanden of in den archipel der Auckland eilanden, waren [30]nooit zoo geheel en al van alles beroofd of zij vonden toereikende hulpmiddelen in hun gestrand schip, of hadden een voorraad graan, vee, werktuigen en kruit en lood. Of wel er dreef een wrak naar de kust, dat hen van de eerste levensbehoeften voorzag. Zij bevonden zich niet zoo terstond geheel ongewapend tegenover de natuur. Hier echter was geen enkel stuk gereedschap, geen werktuig. Maar vóor alles moesten zij zich vestigen op dit gedeelte der kust, zonder eerst te onderzoeken tot welk land zij behoorden, of het bewoond werd, dan wel slechts het strand van een onbewoond eiland uitmaakte.
Dit was een gewichtige vraag, die zoo spoedig mogelijk moest opgelost worden. Toen dit besluit genomen was, moest men slechts voor het dadelijk noodige zorgen. In elk geval volgde men den raad van Pencroff op, die het geschikter vond nog eenige dagen te wachten, voor men tot een onderzoek overging. Men moest toch eenige levensmiddelen bereiden en zich versterkender voedsel verschaffen dan eieren en schelpdieren.
De schoorsteenen boden voor het oogenblik een voldoende schuilplaats aan. Nu het vuur eenmaal brandde, viel het hun niet moeielijk dit te onderhouden. Voor ’s hands hadden zij geen gebrek aan schelpdieren en eieren, die zij op de rotsen en het strand vonden. Nu en dan gelukte het hun eenige duiven te vangen, die bij honderden over de bergvlakte vlogen, en die zij dan met stokken of steenen doodden. Misschien zouden de boomen van het naburige bosch hun wel van eetbare vruchten voorzien. En eindelijk had men hier toch zoet water. Men kwam dus overeen, dat men nog eenige dagen in de schoorsteenen zou blijven om zich tot een ontdekkingstocht gereed te maken, hetzij langs de kust, hetzij in het binnenste gedeelte van het eiland.
Zeer vroeg in den ochtend van den 26sten Maart was Nab, die niet aan den dood zijns meesters geloofde, de noordelijke richting van het eiland gevolgd en hij was teruggekeerd naar het punt, waar de zee den ongelukkigen Smith vermoedelijk had verzwolgen.
Toen zij dien dag het middagmaal gebruikt hadden, vroeg Pencroff aan den reporter of deze hen naar het bosch wilde vergezellen, daar Harbert en hij van plan waren te gaan jagen?
Maar alles wel overlegd, moest er toch iemand thuis blijven, om het vuur te onderhouden, en ook voor het geval dat zich misschien mocht voordoen, hoewel het zeer onwaarschijnlijk was, dat Nab hulp noodig had. De reporter bleef dus.
“Op jacht, Harbert,” zeide de matroos. “Wij zullen wel op onzen weg jachtgereedschap vinden en ons in het bosch van een geweer voorzien.”
Maar op het oogenblik dat zij zouden vertrekken, merkte Harbert [31]op dat zij geen zwam hadden en misschien verstandig handelden tondel mede te nemen.
Het was toen negen uur in den morgen. Het weer was onstuimig en de wind blies uit het zuidoosten.
Harbert en Pencroff sloegen den hoek van de schoorsteenen om, maar wierpen eerst een blik op den rook, die boven de rots opsteeg; daarop volgden zij den linker oever der rivier.
Toen zij in het bosch kwamen, was Pencroffs eerste werk om twee stevige takken af te breken, die hij tot knuppels maakte, en waaraan Harbert tegen een rots een punt sleep. Wat zou hij niet hebben willen geven om een mes te bezitten! Daarop gingen zij in het hooge gras, terwijl zij den steilen oever volgden.
De zeeman beschouwde intusschen aandachtig de gesteldheid en de natuur van het land. In het bosch, zoowel als aan de kust, was geen spoor van eenig menschelijk wezen te ontdekken. Pencroff zag slechts sporen van viervoetige dieren, maar tot welke soort die behoorden, kon hij niet nagaan.
Zéér zeker—en dit meende Harbert ook—waren er eenige verslindende dieren, waarmede zij ongetwijfeld ook nog te strijden zouden hebben; maar nergens was de houw van een bijl op een boomstam te vinden, noch de overblijfselen van een uitgedoofd vuur, noch de indruk van een voetstap. Dit was misschien nog gelukkig, want op dit eiland, in het midden van den Stillen Oceaan, was de tegenwoordigheid van een mensch meer te vreezen dan te wenschen.
Harbert en Pencroff spraken weinig, want de moeielijkheden, die de weg opleverde waren talrijk en zij vorderden slechts zeer langzaam. Na een uur loopen hadden zij nog nauwelijks een mijl afgelegd.
Tot nog toe had de jacht weinig opgeleverd. Soms hoorden zij eenige vogels zingen en zagen ze tusschen het groen fladderen, waarop ze dan zeer verschrikt wegvlogen alsof de mensch hun een instinctmatigen angst inboezemde.
Onder het gevogelte herkende Harbert, in een zeer moerassig gedeelte van het bosch, een dier met langen spitsen bek, die veel op een ijsvogel geleek. Vooral deed hij aan dezen denken door zijn donker gevederte, waarover een metalen glans lag.
“Het moet een boomkruipertje wezen,” zeide Harbert, terwijl hij beproefde het dier te naderen.
“Dit zou een goede gelegenheid wezen, om zoo’n boomkruipertje eens te proeven,” hernam de zeeman, “zoo dat vogeltje tenminste geschikt is om gebraden te worden.”
Op hetzelfde oogenblik wierp de knaap met krachtige hand een steen, die het dier aan zijn vleugel trof; maar de worp was niet doodelijk geweest, want de boomkruiper vluchtte in allerijl en was in een oogenblik uit het gezicht. [32]
“Domkop, die ik ben!” riep Harbert uit.
“Wel neen, beste jongen!” zeide de matroos. “Gij hebt goed gemikt en menigeen zou den vogel niet geraakt hebben. Kom, treur er maar niet over! Wij zullen hem een andermaal wel vangen!”
De ontdekkingstocht werd voortgezet. Naarmate de jagers verder kwamen, werden de boomen schaarscher maar ook prachtiger, hoewel er aan geen enkelen eetbare vruchten gevonden werden. Juist vloog er een zwerm kleine vogels, met langen staart en prachtige veeren, tusschen het geboomte op en bedekte den grond met vederen.
“Het zijn koeroekoes, nietwaar?”
“Ik zou wel zoo graag een parelhoen of een korhoen gehad hebben,” antwoordde Pencroff; “maar zij zullen toch ook lekker zijn?”
“Zij smaken uitmuntend, hun vleesch is zelfs zeer fijn,” hervatte Harbert. “En, zoo ik mij niet vergis, kan men ze gemakkelijk naderen en met een stok dooden.”
De matroos en de knaap drongen tusschen het gras door en slopen op hun teenen naar een zeer lagen tak, waarop een menigte van die vogeltjes zaten. Deze koeroekoes loeren op de kleine insecten waarmede zij zich voeden.
De jagers richtten zich op en met hun stokken, die zij als zeisen hanteeren, doodden zij geheele rijen van deze kleine vogels, die er niet aan dachten om weg te vliegen en zich argeloos lieten treffen. Een honderdtal lag reeds over den grond gestrooid, toen de overigen besloten te vluchten.
“Ziezoo,” zeide Pencroff, “nu hebben wij een wild, zooals voegt aan jagers, gelijk wij! Wij zouden ze met de hand kunnen grijpen!”
Tegen drie uur ’s middags ontdekte men een nieuwe vlucht vogels boven zekere boomen, waarvan zij de bessen afplukten, die een welriekenden geur verspreidden. Plotseling weerklonk een waar trompetgeschal door het bosch. Deze zonderlinge en helderklinkende fanfare was het gezang van hoendervogels, welke men in de Vereenigde Staten ook aantreft. Weldra kwamen er eenige te voorschijn. Pencroff achtte het noodzakelijk om zich van een dezer vogels meester te maken, die ongeveer de grootte van een kip hebben en wier vleesch even malsch als van een hoen is, maar het ging met zeer veel moeielijkheden gepaard, daar men ze niet naderen kon. Na eenige vruchtelooze pogingen, die tot geen andere uitkomst leidden dan dat zij de vogels schrik aanjoegen, zeide de matroos tot den knaap:
“Zeker moeten wij die, daar men ze niet in de vlucht kan grijpen, aan den hengel vangen.”
“Als een karper?” riep Harbert verwonderd over dit voorstel uit.
“Als een karper,” antwoordde de zeeman op ernstigen toon.

Hoezee! riep hij. Blz. 34.
Pencroff had in het gras een zestal nestjes dezer vogels gevonden en in elk lagen twee a drie eieren. Hij zorgde wel dat hij [33]deze nestjes niet aanraakte, daar ongetwijfeld de eigenaars wel er in terug zouden keeren. Om hen te vangen zou hij een net spannen, met een lokaas er in. Hij wenkte Harbert op korten afstand van de [34]nestjes nader te komen en bracht daar alles tot de vangst in gereedheid. Daarop verscholen zij zich beiden achter een boom, waar zij geduldig afwachtten wat gebeuren zou. Het behoeft wel niet gezegd te worden dat Harbert weinig vertrouwen stelde in de goede uitwerking van zijn toestel.
Toen een half uur verloopen was, gebeurde wat de matroos voorzien had, en keerden verscheidene vogels in hun nest terug. Zij trippelden rond en zochten op den grond hun voedsel, en schenen volstrekt de tegenwoordigheid der jagers niet te bespeuren, die dan ook wel gezorgd hadden, dat zij niet door de hoenders bemerkt konden worden.
Inmiddels kwamen de vogels langzamerhand op het lokaas af; Pencroff bewoog het nu en dan eens, alsof de wormen nog levend waren.
Zeker is het, dat zich op dat oogenblik een geheel andere gewaarwording van den matroos meester maakte dan die, welke de hengelaar gevoelen moet, daar deze zijn prooi niet onder het water zien kan.
Spoedig trok het op en neer gaan van het aas de aandacht van de hoenders en pikten zij in het lokaas. Op hetzelfde oogenblik had Pencroff er verscheidene in zijn bezit.
“Hoezee!” riep hij en snelde naar zijn buit.
Harbert klapte in de handen van vreugde over het welslagen zijner poging, want hij had nog nooit vogels met een hengel zien vangen.
Maar daar de avond begon te vallen, achtten zij het raadzamer huiswaarts te keeren, en tegen zes uur kwamen zij vermoeid in de schoorsteenen aan.
Het avondeten.—Een slechte nacht.—Vreeselijke storm.—Nachtelijke tocht.—Strijd met regen en wind.—Op acht mijlen van het eerste kamp.
Spoedig hadden zij eenige vogels geplukt en zorgde Pencroff voor een meer versterkend maal. Tegen den nacht zette de storm weder op. De zee klotste met geweld tegen de rotsen en een zware regenbui viel als een dikke mist neer. Hieraan moest men het [35]wegblijven van Nab toeschrijven, die ongetwijfeld een nachtverblijf in een rots gevonden had.
Men besloot dan ook, zich niet verder over hem ongerust te maken en elk zocht zijn hoekje van den vorigen nacht weder op.
Ondanks het geloei van den storm was Pencroff, die zich aan alle weer gewend had, in slaap gevallen. Gideon Spilett alleen was door de onrust, die hij omtrent Nab koesterde, wakker gebleven.
Het was ongeveer twee uur ’s nachts toen Pencroff, die in een diepen slaap gedompeld was, plotseling wakker werd geschud.
“Wat is er?” vroeg hij, en terwijl hij ontwaakte was hij met de vlugheid van geest, die den zeeman eigen is plotseling weder geheel op de hoogte van den toestand.
De reporter stond naast hem en zeide:
“Luister Pencroff, luister.”
De zeeman luisterde aandachtig, maar geen enkel geluid dan het loeien van den storm trof zijn oor.
“Het is de wind,” zeide hij.
“Neen,” antwoordde Gideon Spilett, terwijl hij opnieuw luisterde, “ik meen iets gehoord te hebben....”
“Wat dan?”
“Het blaffen van een hond!”
“Een hond!” riep Pencroff uit, terwijl hij overeind sprong.
“Ja,.... blaffen....”
“Het is onmogelijk!” antwoordde de zeeman. “En buitendien, hoe zou het kunnen, bij het loeien van den storm....”
“Wacht.... Hoor dan zelf,” zeide Spilett.
Pencroff luisterde nog oplettender, en meende nu ook geblaf in de verte te hooren.
“Nu!....” zeide de reporter, terwijl hij de hand van den zeeman vastgreep.
“Ja, ja!....” antwoordde Pencroff.
“Het is Top! Het is Top!....” riep Harbert uit, die ook ontwaakt was en alle drie snelden naar den ingang der schoorsteenen.
Met moeite konden zij buiten komen; de wind hield hen tegen, maar eindelijk toch slaagden zij, en konden zij zich, door zich aan de rotsen vast te klampen, staande houden.
Het was stikdonker. Eenige oogenblikken stonden de correspondent en zijn vrienden stil, als vastgenageld door den storm, doornat van den regen en verblind door het zand. Eindelijk hoorden zij weder blaffen, en bemerkten zij, dat het geluid nog verre van hen verwijderd was. Geen ander dan Top kon het wezen! Maar was hij alleen! Het waarschijnlijkste was dat hij alleen was, want zoo Nab zich bij hem bevond, zou hij wel naar de schoorsteenen geijld zijn. [36]
De zeeman drukte de hand van Spilett, daar deze hem niet verstaan kon; en hiermede gaf hij te kennen:
“Wacht!” en daarop ging hij weder naar binnen.
Een oogenblik later kwam hij met een brandenden takkenbos terug, zij wierpen dien in de duisternis, terwijl zij een schel gefluit lieten hooren.
Dit teeken scheen verwacht te zijn; dit mocht men ten minste gelooven, want het werd weder door een geblaf beantwoord en weldra zagen zij een hond de schoorsteenen binnen snellen. Pencroff, Harbert en Gideon Spilett volgden hem.
Zij wierpen eenig droog hout op het vuur. Een helder licht verspreidde zich in de duisternis.
“Het is Top!” riep Harbert uit.
Het was inderdaad Top, de hond van den ingenieur Cyrus Smith. Maar hij was alleen! Noch zijn meester, noch Nab vergezelde hem!
Hoe had zijn instinct hem naar de schoorsteenen geleid, die hij volstrekt niet kende. Dit was hun onbegrijpelijk, vooral in deze duisternis en met zulk een hevigen storm! Maar wat zij nog minder konden verklaren was dat Top volstrekt niet vermoeid noch uitgeput scheen en zelfs geen slijk of zand aan zijn pooten had!
Harbert had hem naast zich genomen en omvatte zijn kop met beide handen. De hond liet hem rustig begaan.
“Wanneer de hond teruggevonden is, zullen wij den meester ook weervinden,” zeide Spilett.
“Ik hoop het!” antwoordde Harbert. “Kom, laten wij voortgaan, Top zal ons geleiden!”
Pencroff maakte geen tegenwerpingen. Hij begreep dat de terugkomst van Top zijn voorgevoel logenstrafte....
“Vooruit!” zeide hij.
Eerst legde hij nog eenige blokken hout op het vuur en daarop vertrokken zij allen, voorafgegaan door den hond, die zich eerst nog aan de overblijfselen van het avondmaal te goed had gedaan.
De storm had toen zijn toppunt bereikt en daar het nieuwe maan was, dus geen straaltje licht op de aarde viel, moesten zij geheel op het instinct van Top vertrouwen. De correspondent en Harbert volgden hem, en Pencroff sloot den stoet. Het was hun onmogelijk een woord te wisselen, daar de regen te veel gedruisch maakte.
Eindelijk kwamen zij achter de rotsen en waren zij dus voor een groot gedeelte tegen den wind beschut. Harbert en Spilett stonden stil om adem te halen. Nu konden zij elkaar verstaan en antwoorden en toen Harbert den naam van Cyrus Smith uitsprak, blafte Top, alsof hij zeggen wilde, dat zijn meester gered was.
“Gered, nietwaar?” herhaalde Harbert, “gered Top?”
En de hond blafte als om te antwoorden. [37]

De correspondent en Harbert volgden hem. Blz. 36.
Tegen vier uur in den morgen hadden zij ongeveer vijf mijlen afgelegd. Het weer helderde langzamerhand op; maar thans hadden zij meer van de koude te lijden, daar hun kleeren volstrekt niet dik [38]genoeg waren; maar geen klacht ontsnapte aan hun lippen. Zij waren vast besloten het verstandige dier te volgen, waar het hen ook brengen mocht.
Tegen zes uur was het klaar dag. De matroos en zijn vrienden waren toen ongeveer zes mijlen van de schoorsteenen verwijderd. Zij waren thans op een vlakke kust; aan hun linkerzijde verhief zich een keten van rotsen, waarvan de toppen alleen boven de zee uitstaken, wanneer het vloed was; hier en daar zag men eenige boomen. Op verren afstand strekte zich de zoom van het laatste bosch uit.
Op dit oogenblik blafte de hond weder, maar veel gejaagder. Hij liep heen en weer en snelde naar den matroos en smeekte hem als het ware zijn schreden te verhaasten. De hond sloeg den weg naar de duinen in.
Men volgde hem. Het land scheen geheel verlaten te zijn. Geen levend wezen was er te bespeuren. Vijf minuten later stond Top voor een hol stil en begon heftig te blaffen. Harbert, Pencroff en Spilett drongen er binnen.
Nab lag daar naast een lichaam geknield, dat op eenige droge kruiden was uitgestrekt. Het was het lichaam van den ingenieur Cyrus Smith.
Leeft Cyrus Smith?—Nab’s verhaal.—Voetstappen in het zand.—Onoplosbare vraag.—De eerste woorden van Cyrus Smith.—Terugkeer naar de schoorsteenen.—Pencroff radeloos.
Nab verroerde zich niet. De matroos zeide slechts:
“Leeft hij?”
Nab antwoordde niet, Gideon Spilett en Pencroff werden doodsbleek. Harbert vouwde de handen krampachtig samen, maar bleef onbeweeglijk staan. Het waarschijnlijkste was, dat de arme neger, te zeer overstelpt door zijn eigen smart, noch zijn vrienden gezien, noch hun woorden gehoord had.
De reporter knielde naast dat wezenlooze lichaam neder, waarvan hij de kleederen losmaakte. Een minuut—een eeuw!.... verliep, terwijl Spilett aandachtig naar eenig kloppen van het hart luisterde. Nab had zich een weinig opgericht en staarde hen aan zonder te [39]zien. Nog nooit had de wanhoop een menschelijk gelaat zoo kunnen veranderen. Nab was onkenbaar, uitgeput van vermoeienis en gebroken door zijn smart. Hij meende dat zijn meester dood was.
Gideon Spilett stond op na hem lang met aandacht gadegeslagen te hebben.
“Hij leeft!” zeide hij.
Pencroff knielde thans op zijn beurt naast Cyrus Smith neder; ook hij hoorde het kloppen van het hart en zijn lippen voelden den adem van den ingenieur.
Harbert snelde naar buiten, om op verzoek van den correspondent water te halen. Een honderd passen ver vond hij een helder stroomend beekje. Maar hij had niets om dit water in te scheppen. De knaap moest zich dus tevreden stellen met zijn zakdoek daarin te doopen en spoedig snelde hij naar de grot terug.
Gelukkig was deze natte zakdoek voor Gideon Spilett voldoende, daar hij slechts de lippen van den ingenieur wilde bevochtigen. Deze weinige droppelen water hadden een plotselinge uitwerking. Een zucht ontsnapte aan de borst van Cyrus Smith en het scheen zelfs dat hij wilde beproeven eenige woorden te spreken.
“Wij zullen hem behouden!” riep de reporter.
Nab kreeg bij deze woorden weer eenige hoop. Hij ontkleedde zijn meester om te zien of hij ook ergens gewond was. Maar noch het hoofd, noch de borst, noch de armen, noch de beenen hadden eenig letsel bekomen, zelfs geen enkele schram, iets wat hem zeer verwonderde, daar het lichaam van Cyrus Smith toch tegen de rotsen moest zijn geworpen. Zelfs de handen waren onbezeerd; het was hem onverklaarbaar dat er bij den ingenieur volstrekt geen sporen te bekennen waren van de pogingen die hij had moeten doen om over de klippen te komen.
Maar later zou zich deze onbegrijpelijke omstandigheid wel verklaren.
Toen Cyrus Smith weder spreken kon, verhaalde hij hun het gebeurde. Voor het oogenblik kwam het er slechts op aan, niets onbeproefd te laten, om hem in het leven terug te roepen, en het was niet onwaarschijnlijk dat men dit doel door wrijven zou bereiken. Zij hadden het aan den duffel van den matroos te danken. De ingenieur werd door de aanraking met deze ruwe stof een weinig verwarmd en gevoelde zich daardoor in staat om zijn arm even op te lichten en zijn ademhaling werd regelmatiger. Hij leed aan uitputting en ongetwijfeld zou het, zonder de komst van Spilett en zijn vrienden, met Cyrus Smith gedaan zijn geweest.
“Gij dacht dus dat uw meester dood was?” vroeg de matroos aan Nab.
“Ja! dood!” antwoordde Nab, “en zoo Top u niet gevonden had en gij niet gekomen waart, zou ik mijn meester begraven hebben en zou ik aan zijn zijde zijn gestorven!” [40]
Men ziet dus waarvan het leven van Cyrus Smith had afgehangen.
Nab verhaalde toen hetgeen voorgevallen was. Den vorigen dag, nadat hij de schoorsteenen verlaten had, had hij de noordwestelijke richting van de kust gevolgd en was dus in dat gedeelte gekomen, wat zij reeds doorzocht hadden.
Nab was vastbesloten toch nog eenige mijlen de kust te houden. Misschien was het lijk door het opkomen van de zee verder opgespoeld. Wanneer een lijk op eenigen afstand van de kust drijft, gebeurt het zeer zelden dat de golven het niet vroeg of laat op het strand werpen. Nab wist dit en hij wilde zijn meester toch nog voor het laatst zien.
“Twee mijlen volgde ik nog de kust,” zeide hij, “en waar of ik ook zocht, nergens vond ik eenig spoor en begon nu te wanhopen, iets van hem te ontdekken toen ik gisteren, omstreeks vijf uur ’s avonds, eenige indrukken van voetstappen bespeurde.”
“Voetstappen?” riep Pencroff uit.
“Ja!” antwoordde Nab.
“En die voetstappen begonnen reeds op de klippen?” vroeg de correspondent verder.
“Neen,” antwoordde Nab, “op het strand eerst, want tusschen het strand en de klippen moeten de voetstappen zijn uitgewischt.”
“Ga voort, Nab,” zeide Gideon Spilett.
“Toen ik deze voetstappen zag werd ik waanzinnig. Zij waren goed zichtbaar en blijkbaar voerden zij naar de duinen. Ik volgde ze een halve mijl, maar zorgde wel ze niet uit te wisschen. Vijf minuten later, toen de avond begon te vallen, hoorde ik het blaffen van een hond. Het was Top en Top bracht mij hierheen, bij zijn meester.”
Nab’s eerste gedachten waren toen aan zijn makkers geweest. Deze zouden hem waarschijnlijk ook nog wel eens voor het laatst willen zien! Top was daar. Kon hij niet vertrouwen op het verstand van dit edelmoedige dier? Nab sprak toen verscheidene malen den naam van Spilett uit, daar hij een van de vrienden van den ingenieur was, dien Top het best kende; daarop wees hij hem het zuidelijke gedeelte der kust en de hond verwijderde zich in de aangewezen richting.
Men weet, hoe de hond door een bijna bovennatuurlijk instinct geleid aan de schoorsteenen was gekomen.
Allen hadden naar dit verhaal aandachtig geluisterd. Er lag iets onbegrijpelijks in, dat Cyrus Smith, na alle pogingen die hij moest aangewend hebben om aan de golven te ontsnappen en over de klippen heen te klimmen, zelfs geen enkele schram bekomen had. En wat hun niet minder onverklaarbaar toescheen, was dat de ingenieur op een mijl afstand van de kust deze grot in het midden der duinen gevonden had. [41]

Het was de ingenieur. Blz. 38.
Slechts Cyrus Smith zelf kon hun deze vragen ophelderen. Men moest dus geduld hebben tot dat hij weer tot zich zelf was gekomen. Gelukkig ontwaakte het leven meer en meer in hem. Nab, [42]die naast hem zat sprak nu en dan zijn naam uit, maar zijn oogen bleven altijd gesloten. Eindelijk kwamen zij overeen daar Pencroff geen vuur bij zich had, Smith zoo spoedig mogelijk naar de schoorsteenen over te brengen.
Toch kwam de ingenieur sneller bij kennis dan men had durven hopen. Pencroff kwam op het denkbeeld om bij het water, waarmede hij zijn lippen bevochtigde, een weinig vet van de vogels te doen, die hij meegebracht had. Harbert keerde eindelijk met twee groote schelpen terug. De matroos maakte een drank klaar, dien hij langzaam tusschen de lippen van den ingenieur liet vloeien, wien het blijkbaar goed deed.
Daarop opende hij de oogen. Nab en de correspondent waren over hem heen gebogen.
“Meester! Meester!” riep Nab uit.
De ingenieur hoorde hem. Hij herkende Nab en Spilett, daarna zijn beide andere metgezellen, Harbert en Pencroff; zacht raakte hij hen met de hand aan.
Toen kwamen eenige woorden over zijn lippen—woorden, die hij zeker reeds meer gezegd had en die duidelijk te kennen gaven welke gedachten in hem omgingen. Deze woorden waren slechts:
“Eiland of vasteland?”
“Och!” riep Pencroff uit, en hij kon dezen uitroep niet weerhouden, “goede hemel, wat zal er dat toe doen, als gij maar leeft, mijnheer Cyrus! Eiland of vasteland. Dat zullen wij later wel zien.”
De ingenieur knikte toestemmend en scheen weder in te slapen.
Daarop gingen Pencroff en zijn beide vrienden naar de duinen, waar zij met geen ander werktuig dan hun handen een dun boompje uit den grond haalden. Van de takken maakten zij een bed waarover zij droge bladeren en kruiden spreidden, zoodat de ingenieur daarop gelegd kon worden.
Dit was het werk van een half uur en het was tien uur toen Nab en Harbert bij den ingenieur terugkeerden, terwijl Gideon Spilett hem niet verlaten had.
Cyrus Smith ontwaakte juist. Er kwam weder kleur op zijn wangen, die tot nog toe doodsbleek waren geweest. Hij richtte zich een weinig op, wierp een blik om zich heen en scheen te vragen waar hij zich thans bevond.
Eindelijk vroeg Cyrus Smith op zwakken toon of zij hem niet op het strand gevonden hadden?
“Neen,” zeide Spilett.
“Zijt gij het dan niet, die mij in deze grot gelegd hebt?”
“Neen.”
“Hoever is de grot van de klippen verwijderd?”
“Ongeveer een halve mijl,” antwoordde Pencroff, “en zoo gij verwonderd [43]zijt, mijnheer Smith, wij zijn niet minder verbaasd u hier te vinden.”
“Inderdaad,” hernam de ingenieur die langzamerhand meer belang in alles begon te stellen, “inderdaad, dat is zeer zonderling!”
“Maar,” zeide de matroos, “kunt gij ons zeggen, wat er met u voorgevallen is, sedert gij door dien golfslag medegevoerd werd?”
Cyrus Smith bedacht zich een oogenblik. Hij wist er weinig van. De golfslag had hem uit het net gerukt. Hij was eerst in de diepte verdwenen. Toen hij op de oppervlakte der zee terugkwam, voelde hij in deze halve duisternis een levend wezen naast zich. Het was Top, die hem ter hulp was gesneld. Hij bevond zich te midden der onstuimige golven, op geen grooteren afstand dan een halve mijl van de kust verwijderd. Hij beproefde tegen de golven te worstelen, door te zwemmen. Top hield hem aan zijn kleederen vast. Toen hij plotseling door den storm werd medegevoerd en nadat hij een half uur lang zich er met kracht tegen verzet had, moest hij zich laten drijven en sleepte hij Top in den afgrond mede. Van dat oogenblik af totdat hij zich in de armen zijner vrienden bevond, herinnerde hij zich niets meer.
“Toch moet gij kracht genoeg gehad hebben,” zeide Pencroff, “om, toen gij op het strand geworpen waart, van daar naar deze grot te loopen, want Nab heeft hier uw voetstappen ontdekt.”
“Ja.... dat moet wel....” antwoordde de ingenieur peinzend. “En gij hebt volstrekt geen spoor van eenig menschelijk wezen gevonden?”
“Geen enkel,” antwoordde Spilett. “En bovendien, zoo gij toevallig door iemand gered waart, welke redenen zou die persoon hebben u te verlaten nadat hij u aan de golven had ontrukt.”
“Ge hebt gelijk, beste Spilett.—Zeg Nab,” ging hij voort, terwijl hij zich tot zijn bediende wendde, “gij waart het niet.... ge zult toch niet gedachteloos iets gedaan hebben.... terwijl ge.... Neen, dat is al te ongerijmd.... Zijn er nog van die voetstappen te zien?” vroeg Cyrus Smith.
“Ja, meester,” antwoordde Nab, “hier bij den ingang zijn er nog eenige. De overige zijn door den storm en den regen uitgewischt.”
“Pencroff,” hernam Cyrus Smith, “wilt gij mijn schoenen medenemen en zien of zij dezelfde indrukken maken?” De matroos deed wat hem gevraagd werd. Harbert en hij gingen, geleid door Nab, naar de plaats waar de indrukken te vinden waren, terwijl Cyrus Smith tot den reporter zeide:
“Er hebben onverklaarbare dingen plaats gehad!”
“Onverklaarbare!” beaamde Spilett.
“Maar laten wij er niet langer over denken, later spreken wij er nader over.” Een oogenblik daarop kwamen de matroos, Nab en Harbert weder terug.
Er viel thans niet meer te twijfelen. De schoenen van den ingenieur [44]pasten juist in de voetsporen. Het was dus Cyrus Smith, die ze in het zand gedrukt had.
“Ik was het dus die deze zinsverbijstering onderging, terwijl ik dacht dat het Nab geweest was. Ik moet in mijn slaap gewandeld hebben, zonder te weten waarheen ik mijn schreden richtte; en het was dus Top, die door zijn instinct geleid, mij hierheen bracht, na mij gered te hebben.... Kom eens hier Top! mijn beste trouwe hond!”
De prachtige hond sprong blaffend tegen zijn meester op en werd overladen met liefkoozingen.
Tegen den middag gevoelde Cyrus Smith zich in staat, gesteund door den arm van Spilett, naar de schoorsteenen te gaan.
Men bracht nu de draagbaar. Cyrus Smith strekte zich op het mos en de droge bladeren uit, terwijl Pencroff en Nab de baar tusschen zich namen. Acht mijlen moesten zij afleggen; en daar zij niet snel zouden kunnen loopen en zeker nog wel eens dikwijls stil zouden moeten staan, kon men rekenen dat er zes uur zouden voorbijgaan eer de schoorsteenen bereikt waren.
Tegen vijf uur waren zij hun doel nabij en bevonden zij zich vóór hun woning. Allen stonden stil en zetten de draagbaar op het zand neer. Cyrus Smith lag in een diepen slaap en ontwaakte niet.
De grond voor de schoorsteenen was geheel door den opgekomen vloed doorweekt. Pencroff snelde naar binnen, want plotseling had zich een gedachte van hem meester gemaakt.
Oogenblikkelijk daarop keerde hij terug en staarde roerloos zijn vrienden aan....
Het vuur was uitgedoofd. De tondel die de plaats van zwam kon innemen was verdwenen. De zee was zeer ver in de schoorsteenen doorgedrongen en had alles verwoest wat daar aanwezig was.
Cyrus is er.—Pogingen van Pencroff.—Wrijven van hout.—Eiland of vastland?—De plannen van den ingenieur.—Op welk punt van de Zuidzee?—In het dichtst van het woud.—De pijnboom.—De jacht.—Rook die veel belooft.
Met weinige woorden werden Gideon Spilett, Harbert en Nab op de hoogte van den toestand gebracht. Deze gebeurtenis die zeer [45]ernstige gevolgen kon hebben,—Pencroff zag het ten minste zoo in,—had een verschillende uitwerking op de metgezellen van den braven zeeman. Nab was zoo verheugd zijn meester te hebben weergevonden, [46]dat hij niet luisterde en zelfs volstrekt niet wilde letten op hetgeen Pencroff zeide. Harbert scheen eenigermate de vrees van den zeeman te deelen. Wat den verslaggever betreft, deze antwoordde slechts op de woorden van Pencroff.

Pencroff beproefde twee stukken hout te wrijven. Blz. 47.
“Op mijn woord van eer, Pencroff, het is mij volmaakt onverschillig! Is Cyrus er dan niet? Leeft onze ingenieur niet? Hij zal wel weten hoe hij ons vuur kan verschaffen?”
“Waarmee dan?”
“Met niets.”
Wat moest Pencroff daarop antwoorden? Hij antwoordde niet, want in zijn binnenste deelde hij het vertrouwen, dat zijn metgezellen in Cyrus Smith stelden. De ingenieur was voor hem een vereeniging van alle menschelijke wetenschappen en kennis! Het kwam op hetzelfde neer of men met Cyrus op een verlaten eiland was, dan wel zonder Cyrus in de meest welvarende stad van de Unie. Met hem kon men aan niets gebrek hebben. Met hem behoefde men nooit te wanhopen. Al had men dezen goeden lieden gezegd, dat een vulkaansche uitbarsting dit land zou vernietigen, dat het verzinken zou in de peillooze diepte van de Stille Zee, zij zouden kalm geantwoord hebben: “Cyrus is daar! Daar is Cyrus!”
Cyrus Smith moest nu vóór alles onder gebracht worden; men bereidde hem zoo goed mogelijk een bed van zeegras en de diepe slaap, waarin hij weldra verzonk, herstelde spoedig zijn krachten.
De nacht was ingevallen en de temperatuur begon tegelijkertijd kouder te worden door het draaien van den wind naar het noordoosten. Daar de zee de beschuttingen had verwoest, die Pencroff op verscheidene plaatsen had aangebracht, begon het zoo te tochten dat de schoorsteenen bijna onbewoonbaar werden. Het zou er dus slecht voor den ingenieur hebben uitgezien, indien zijn lotgenooten hem niet zorgvuldig toegedekt hadden, door zich zelve van hun overkleederen te ontdoen.
Het avondeten bestond dien avond slechts uit die onvermijdelijke lithodomen, waarvan Harbert en Nab er zooveel op de kust hadden gevonden; zij wisten echter op de hoogste rotsen nog een eetbare plant te vinden, die nog al in den smaak viel van den correspondent en zijn lotgenooten.
“Toch wordt het tijd, dat Cyrus ons te hulp komt,” zeide de zeeman.
Het werd intusschen zeer koud en ongelukkig genoeg, men had geen enkel middel om de koude tegen te gaan.
De zeeman, die inderdaad ongerust werd, beproefde op alle mogelijke manieren vuur te maken. Nab hielp hem zelfs daarbij. Hij had eenig droog mos gevonden en door twee keisteenen tegen elkander te slaan, verkreeg hij vonken; maar het mos, was niet brandbaar genoeg en vatte geen vlam; die vonken waren toch [47]slechts gloeiende stukjes vuursteen en hadden niet dezelfde bestanddeelen als die, welke aan het staal bij het vuurslaan ontspringen. De poging gelukte dus niet.
Pencroff beproefde vervolgens, hoewel hij er niet veel van verwachtte, om, in navolging van de wilden, twee stukken droog hout tegen elkander te wrijven. Wanneer volgens de nieuwe theorie, de beweging, die Nab en hij maakten, in warmte moest overgaan, dan zou deze zeker voldoende zijn geweest om het water voor een stoomketel aan de kook te brengen! De uitkomst echter leidde tot niets. De stukken hout werden warm, dat was alles, en zelfs niet eens zoo warm als zij, die de beweging maakten.
Na een uur gewreven te hebben, gudste Pencroff het zweet uit alle poriën en hij wierp spijtig de stukken hout weg.
“Als het waar is, dat de wilden op deze manier vuur maken,” zeide hij, “dan zou het zelfs in den winter warm zijn! Door zoo te wrijven zou ik nog eerder mijn armen in brand steken!”
Pencroff vergat dat niet alle soorten van hout er toe geschikt zijn en dat hij er niet den slag van had.
Harbert had den zeeman gadegeslagen en de stukken hout opgenomen, toen deze ze wegwierp; hij begon met grooten ijver te wrijven en hij antwoordde, toen Pencroff hem spottend toeriep:
“Wrijf maar, mijn jongen, wrijf maar.”
“Ik wrijf alleen om mij zelf warm te maken evenals gij het er door zijt geworden, Pencroff.”
Wat er ook gebeurde, zij moesten zich dien nacht ter ruste leggen zonder er in geslaagd te zijn vuur te maken.
Spilett, Harbert, Nab en Pencroff strekten zich in een van de gangen op het zand uit en Top sliep aan de voeten van zijn meester.
Toen de ingenieur den volgenden morgen, 28 Maart, tegen acht uur ontwaakte, zag hij zijn metgezellen om zich geschaard, die op zijn ontwaken wachtten; evenals den vorigen avond, waren zijn eersten woorden:
“Eiland of vasteland?”
Men ziet, deze gedachte vooral hield hem bezig.
“Dit is nu juist wat wij niet weten, mijnheer Smith!” antwoordde Pencroff.
“Weet gij dat nog niet?...”
“Maar wij zullen het weten,” voegde Pencroff er bij, “wanneer gij ons door dit land den weg hebt gewezen.”
“Ik geloof wel het te kunnen ondernemen,” antwoordde de ingenieur die zonder veel inspanning opstond en bleef staan.
“Dat gaat al goed!” riep de zeeman uit.
“Ik zou bijna van honger omkomen,” antwoordde Cyrus Smith. “Vrienden, ik moet iets te eten hebben, en dan ben ik ter uwer beschikking.—Er is vuur, nietwaar?” [48]
Het duurde eenige oogenblikken, voordat er antwoord op deze vraag kwam. Pencroff zeide eindelijk:
“Helaas, wij hebben geen vuur, of liever, mijnheer Smith, wij hebben geen vuur meer!”
Hij vertelde vervolgens, wat er den vorigen avond gebeurd was. Smith gebruikte inmiddels zijn sober maal, en toen dit genuttigd was, kruisde hij zijn armen en zeide:
“En dus, mijn vrienden, gij weet nog niet of het lot ons op het vasteland of wel op een eiland geworpen heeft?”
“Neen, mijnheer Smith,” was het antwoord.
“Morgen zullen wij het weten,” hernam de ingenieur. “Tot zoolang staat ons niets te doen.”
“Zeker wel,” gaf Pencroff ten antwoord.
“Wat dan?”
“Vuur,” zeide de zeeman, die ook van zijn kant een idée fixe had.
“Wij zullen vuur maken, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.—“Heb ik gisteren niet, terwijl gij mij vervoerdet, in het westen een berg gezien die boven alles uitsteekt?”
“Ja,” antwoordde Gideon Spilett, “een berg, die hoog genoeg moet zijn....”
“Goed,” hernam de ingenieur. “Morgen zullen wij den top bestijgen en zien of dit land een eiland of het vasteland is. Tot zoolang, ik herhaal het, is er niets te doen.”
“Toch wel, vuur!” hernam nogmaals de koppige matroos.
“Maar men zal vuur maken!” antwoordde Gideon Spilett. “Een beetje geduld, Pencroff.”
De zeeman zag Gideon Spilett aan, alsof hij zeggen wilde: “Indien gij er alleen voor staat om het ons te geven, dan zullen wij nog zoo spoedig geen biefstuk bakken!” Maar hij zweeg.
Cyrus Smith echter had nog niets geantwoord. De quaestie om vuur te maken scheen hem al zeer weinig bezig te houden. Gedurende eenige oogenblikken bleef hij in gedachten verzonken. Eindelijk nam hij het woord en zeide:
“Mijne vrienden, onze toestand is misschien ellendig, maar hij is in ieder geval zeer eenvoudig. Of wij zijn op een vasteland, en dan kunnen wij ten koste van meerdere of mindere vermoeienis, een bewoond punt bereiken; òf wel, wij zijn op een eiland. In dit laatste geval blijven ons slechts twee dingen over; indien het eiland bewoond is, dan zullen wij het met zijn bewoners trachten te vinden; is het verlaten, dan zullen wij trachten ons alleen te redden en ons hier vestigen, alsof wij het nooit moesten verlaten!”
“Nooit!” riep de verslaggever uit. “Zegt gij nooit! mijn waarde Cyrus?”
“Het is beter, dadelijk het ergste van de zaken te zien,” antwoordde de ingenieur, “en betere uitkomst als een verrassing te beschouwen.” [49]

De jagers zagen, dat Top er een beet had. Blz. 50.
“Flink!” zeide Pencroff. “En men moet ook nog hopen, dat dit eiland, als het er een is, niet juist geheel buiten den weg der schepen ligt! Dat zou al zoo ongelukkig mogelijk zijn!” [50]
“Wij zullen niet eer weten waar ons aan te houden, vóórdat wij den berg hebben bestegen,” antwoordde de ingenieur.
“Maar, mijnheer Cyrus, zult gij morgen de vermoeienis van dien tocht kunnen doorstaan?” vroeg Harbert.
“Ik hoop het,” antwoordde de ingenieur, “maar onder voorwaarde dat Pencroff en gij, mijn jongen, zult toonen knappe en handige jagers te zijn.”
“Mijnheer Cyrus,” viel de zeeman hem in de rede, “daar gij nu toch van wild spreekt, als ik, bij mijne terugkomst, even zeker kon zijn het wild te zien braden, als ik nu zeker ben het thuis te brengen....”
“Breng het maar eerst thuis, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.
Men kwam overeen, dat de ingenieur en de correspondent den dag in de schoorsteenen zouden doorbrengen, om de kust en de hooge vlakte te onderzoeken. Nab, Harbert en de zeeman zouden intusschen naar het bosch terugkeeren, een nieuwen voorraad hout opdoen en zich meester maken van elken vogel of van elk stuk wild, dat onder hun bereik mocht komen.
Tegen tien uur in den morgen gingen zij op weg, Harbert vol vertrouwen, Nab vroolijk en Pencroff binnensmonds mompelende:
“Als ik bij mijn terugkomst vuur in huis vind, dan heeft het onweder in eigen persoon het er aangebracht!”
Zij kwamen overeen om met de jacht te beginnen en op den terugtocht hout in te zamelen. In plaats van, zooals den vorigen keer, de rivier te volgen, drongen zij dieper in het bosch door, maar dit beantwoordde niet aan hunne verwachting, want na een uur geloopen te hebben, hadden zij nog geen wild gezien.
De zon had haar hoogste standpunt nog niet bereikt; de tocht duurde nog maar altijd voort. Eindelijk werden zij beloond; Harbert ontdekte namelijk een soort van denneboom, waarvan de vruchten eetbaar waren en veel overeenkomst met amandelen hadden.
“Dat gaat goed,” zeide Pencroff, “zeeplanten in plaats van brood, rauwe mosselen in plaats van vleesch en amandelen tot dessert, dat is wel een diner voor menschen die geen enkelen lucifer meer in hun zak hebben!”
“Ge moet niet klagen,” antwoordde Harbert.
“Ik klaag niet, mijn jongen,” hernam Pencroff, “ik herhaal slechts, dat het vleesch wel een beetje te veel ontbreekt bij dat maal!”
“Top denkt er anders over....” riep Nab uit, die op een kreupelboschje toeliep, waarin de hond blaffend verdwenen was. Het keffen van Top vermengde zich met een zonderling geknor.
De zeeman en Harbert waren Nab gevolgd. Nauwelijks waren de jagers in het boschje of zij zagen Top, die een beest bij een oor [51]vasthield. Het was een soort varken, ongeveer twee en een halven voet lang, bruinzwart van kleur met een harde, maar niet zeer dikke huid, en pooten waarvan de teenen, die op dat oogenblik aan den grond als genageld stonden, door vliezen verbonden waren.
Harbert meende dat het een moeraszwijn was, dat is te zeggen, het grootste soort van de orde der knaagdieren.
Intusschen verweerde het dier zich volstrekt niet tegen den hond. Het keek dom uit zijn oogen, diep verborgen in een dikke laag vet. Misschien was dit de eerste maal dat het menschen voor zich zag.
Nab had zijn stok stevig in de hand genomen en wilde het knaagdier afmaken, toen dit zich eensklaps uit de tanden van Top, die slechts een stuk van het oor behield, losrukt, een vreeselijk gebrul uitstoot, op Harbert aanvliegt, dezen op den grond werpt en daarna in het bosch verdwijnt.
“Ha! die schelm,” riep Pencroff uit.
Onmiddellijk volgden zij de sporen van Top en op het oogenblik dat zij het beest nabij waren verdween het onder water in een grooten poel, door eeuwenoude pijnboomen omringd.
Nab, Harbert en Pencroff stonden onbeweeglijk. Top was in het water gesprongen, maar het dier verscheen niet weer.
“Wij moeten wachten,” zeide de knaap, “want het zal weldra komen om adem te halen.”
“Zou het niet verdrinken?” vroeg Nab.
“Neen,” antwoordde Harbert, “het heeft zwemvliezen en is dus een amphibie. Maar wij moeten opletten.”
Top bleef te water. Pencroff en zijn metgezellen gingen ieder aan een kant staan, om het beest elken uitweg af te snijden.
Harbert had zich niet vergist. Weinige oogenblikken later verscheen het zwijn aan de oppervlakte van het water. Top wierp zich in een sprong op hem en belette het op nieuw onder te duiken. Het volgende oogenblik was het dier door een slag van den stok van Nab afgemaakt.
“Hoezee!” riep Pencroff, die gaarne door dien kreet zijn vreugde uitte. “Nu nog slechts een gloeiend kooltje en dit knaagdier zal zelf tot op de beenderen afgeknaagd worden!”
Pencroff laadde het zwijn op zijn schouders en den stand der zon gadeslaande, oordeelde hij, dat het ongeveer twee uur zou zijn en gaf bevel tot den terugtocht.
Dank zij het instinct van Top, konden de jagers den weg, dien zij gekomen waren, terugvinden. Een half uur later waren zij aan den oever van de rivier. De zeeman was nog op vijftig passen van de schoorsteenen verwijderd, toen hij op nieuw een oorverdoovend hoezee aanhief en op den steenhoop wijzende, uitriep: [52]
“Nab! Harbert! Zie eens!”
Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op!
Eene uitvinding van den ingenieur.—De vraag, die Cyrus Smith bezig houdt.—Op weg naar het gebergte.—Het woud.—Vulkanische bodem.—Vreemde dieren.—De eerste vlakte.—Een nacht in de open lucht.—De top van den kegel.
Eenige oogenblikken later stonden de drie jagers voor een knetterend vuur. Cyrus Smith en de correspondent bevonden zich daar eveneens, Pencroff staarde hen aan, zonder een woord te zeggen, met zijn zwijn in de hand.
“Zeker, zeker, mijn jongen,” riep de verslaggever uit. “Vuur waarachtig vuur, dat dit prachtige stuk wild, waaraan wij ons straks te goed zullen doen, heerlijk zal braden!”
“Maar wie heeft dit aangemaakt?” vroeg Pencroff.
“De zon!”
Het antwoord van Gideon Spilett was zeer juist. De zon had deze warmte aangebracht, waarover Pencroff zich verwonderde. De zeeman kon zijn oogen niet gelooven, en hij was zoo buiten zich zelf van verbazing, dat hij er niet eens aan dacht den ingenieur naar de toedracht der zaak te vragen.
“Hadt gij dan een brandglas, mijnheer?” vroeg Harbert aan Smith.
“Neen, mijn jongen,” antwoordde hij, “maar ik heb er een gemaakt.”
En hij liet hem den toestel zien, dien hij voor brandglas gebruikt had. Het waren slechts de glazen van de horloges van den correspondent en van hem. Na ze met water gevuld en de randen door middel van een weinig klei hermetisch aaneengesloten te hebben, had hij een brandglas vervaardigd, dat, door de zonnestralen op een stuk zeer droog mos te concentreeren, de ontbranding had veroorzaakt.
De zeeman beschouwde den toestel en keek toen den ingenieur aan zonder een woord te spreken. Maar zijn blik zeide genoeg! Was Cyrus Smith voor hem al niet een God, zeker was hij meer dan een mensch. Eindelijk kreeg hij zijn spraak terug en riep uit:
“Teeken dat aan mijnheer Spilett, teeken dat in uw boek aan.”
“Het is reeds aangeteekend,” antwoordde de verslaggever.

Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op. Blz. 52.
Weldra had de zeeman, met behulp van Nab, het zwijn aan het braadspit. De ingenieur en zijn metgezel hadden hun dag goed [53]besteed, de schoorsteenen waren weder bewoonbaar geworden, doordat de reten met steen en zand dicht waren gemaakt en de gloed van het vuur zich ook daar deed gevoelen. Cyrus Smith had [54]zijn krachten weder teruggekregen en staarde, in gepeins verzonken, naar den top van den berg, dien zij den volgenden dag zouden bestijgen. Die berg lag ongeveer op zes mijlen noord-westelijk en verhief zich, naar zijn schatting, drie duizend vijf honderd voet boven de oppervlakte der zee. Bijgevolg kon iemand, die op den top stond den horizon met een straal van minstens vijftig mijlen overzien. Cyrus Smith zou dus waarschijnlijk zonder moeite, de quaestie van “vasteland of eiland” kunnen oplossen, welke hij, niet zonder reden, de gewichtigste van allen oordeelde. <