[Blog] [MP3 Musica] [MP3 Audiobook] [Letture Creative] [Musica Creativa]
[English] [Francais] [Deutsch] [Espanol] [Portugues] [Danish] [Esperanto] [Norwegian] [Burmese] [Chinese]
[Tagalog] [Bulgarian] [Swedish] [Catalan] [Czech] [Dutch]
[Punch] [Appunti di informatica libera]
classicistranieri.com - The Mirrored Project Gutenberg eBook of De Prins en Johan de Witt, by P. J. Andriessen
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net
Title: De Prins en Johan de Witt
of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering
Author: P. J. Andriessen
Release Date: January 18, 2007 [EBook #20391]
Language: Dutch
Character set encoding: ISO-8859-1
*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE PRINS EN JOHAN DE WITT ***
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

De Prins en Johan de Witt
Of
Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering.


Eerste Hoofdstuk.
De tienjarige Leidsche Student 1
Tweede Hoofdstuk.
Een zeeman, die nog al wat te vertellen heeft 16
Derde Hoofdstuk.
Waarin verhaald wordt, hoe de Prins zijne moeder nareisde 30
Vierde Hoofdstuk.
Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten 43
Vijfde Hoofdstuk.
Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen 56
Zesde Hoofdstuk.
Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kon doorgronden 66
Zevende Hoofdstuk.
Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt 81
Achtste Hoofdstuk.
Negende Hoofdstuk.
Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in de wereld 113
Tiende Hoofdstuk.
Waaruit blijkt dat het hier niet altijd voor den wind ging 131
Elfde Hoofdstuk.
Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de Raadpensionaris daarover zeide 142
Twaalfde Hoofdstuk.
Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde 157
Dertiende Hoofdstuk.
Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf 176
Veertiende Hoofdstuk.
Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde 194
Vijftiende Hoofdstuk.
Het is een algemeen betreurd feit, dat van de jeugd onzer groote mannen slechts weinig of niets bekend is. En geldt dit ten aanzien van hun openbaar leven, de leemte doet zich nog sterker gevoelen, wanneer men uit hun intiem leven wenscht te putten. Ik ontken dan ook niet, dat mij de samenstelling van dit boek ontzaglijk veel onderzoek en nasnuffelen heeft gekost, want onze vroegere auteurs gaven nooit veel meer dan een histoire de bataille; verlangt men dus een histoire intime, dan moet men die uit tal van werken oprakelen. Toch durf ik zeggen, dat ik gelukkig ben geweest; daar ik hier mijnen lezers eene geschiedenis van de jeugd van onzen onsterfelijken Willem III mag aanbieden, waarin alle voorvallen historisch zijn, op slechts twee1 na, van welke twee ik toch de verzekering durf geven, dat zij niet uit de lucht zijn gegrepen, maar geheel en al op het karakter van den jongen Prins berusten. In ’t bijzonder vinden zij dan ook hier de betrekking van den jeugdigen Oranjevorst tot den eersten man van zijn tijd, den eenigen Johan de Witt.
Ik heb mij dus hier op een nieuw terrein begeven: vaderlandsche karakterkunde. Ik oordeel die hoogst noodig voor mijne jeugdige lezers. Daarenboven kunnen zij uit dit boek weder veel leeren. Zij zullen er den voortgang der beschaving in vinden en ook eens in de vertrekken der aanzienlijken rondkijken, waartoe mijne andere werkjes minder aanleiding gaven. De toenmalige buurtvereenigingen schenken hun een nieuwen blik in dien tijd; terwijl een korte schets van een begrafenismaal hen weder met een eigenaardig gebruik onzer voorvaderen bekend maakt. De verdere geschiedenis van De Ruyter met den krijg in het Noorden en de tweede Engelsche oorlog behoorden tot dit tijdperk, dat ik tot 1668 heb laten loopen, omdat men kan zeggen, dat in genoemd jaar de eigenlijke jeugd van den Prins eindigde met zijne mondigverklaring.
Ik heb bij dezen druk niets te voegen, dan aanbeveling van mijnen arbeid in de voortdurende welwillendheid mijner landgenooten.
P. J. Andriessen.
Sedert de gevierde Schrijver bovenstaand Voorbericht schreef, heeft dit boeiend verhaal meerdere drukken moge beleven. Thans wordt aan de Nederlandsche jeugd een vijfde druk aangeboden, welke zich van de vorigen gunstig onderscheidt door de flinke letter op mooi, stevig papier en de keurige illustraties in en buiten den tekst, die de aantrekkelijkheid van dit boek ongetwijfeld hebben verdubbeld.
Moge dit door verdubbelde belangstelling blijken!
De Uitgever.
1 Dat op het ijs en dat op de werf.

Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28sten September 1660, langs het Rapenburg te Leiden waren gewandeld, dan zouden wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van de Langebrug (toen Voldersgracht); hetwelk echter thans niet meer bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één, de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzien [2]zijn. Dan een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen ongelijk, ofschoon ’t wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten jare zestienhonderd en zestig binnen de stad Leiden een klooster vond. Ik wil u ’t raadsel oplossen.
Het gebouw, voor ’twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der stad1 een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor goed van ’t Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst, werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die te Leiden vertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in 1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I van Engeland en echtgenoote van Frederik V, keurvorst van de Paltz en naderhand koning van Bohemen, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u wel voorstellen, dat het een fiksch gebouw is, dat Princenhof (want dien naam draagt het thans), en gij zult niet verwonderd staan over de groote en hooge vertrekken, de heerlijke zalen, de ferme paardenstallen, de ruime binnenplaats, die aan de kamers een genoegzaam licht geeft, en vooral over den grooten wel onderhouden tuin, die zich achter het gebouw uitstrekt, en welks hooge muren u nog aan de voormalige bestemming (klooster) doen denken.
Wij gaan dan de poort in en komen op de binnenplaats. Ziet maar eens, hoeveel ramen. Nu eerst kunt gij u voorstellen, welk [3]een menigte vertrekken er zijn. Wij blijven hier echter niet lang, maar treden de steenen trappen met sierlijk gekrulde ijzeren leuningen op, die ons in het ruime, hooge, met lofwerk gebeeldhouwde voorportaal brengen. Ook hier vertoeven wij niet; maar gaan de eikenhouten trap aan onze linkerhand op en komen op een langen, breeden corridor, waar wij voor een met groen laken bekleede deur stilstaan, welke wij openslaan, de daarachter zich bevindende deur opendraaien en ons in een tamelijk ruim vertrek bevinden. Het prachtig goudlederen behangsel met zijne sierlijke bloemen en ranken, het keurig gebeeldhouwde noteboomhouten dressoir (buffet), de groote spiegel van venetiaansch glas, het smyrnasch karpet onder de met marmeren blad gedekte tafel en de prachtige damasten gordijnen doen u reeds vermoeden, dat deze kamer tot woonplaats dient van een aanzienlijk persoon; zoo niet de rijk geborduurde zijden kussens op de ebbenhouten stoelen met hooge gebeeldhouwde leuningen en gedraaide pooten, de zilveren inktkoker op de tafel en de groote sierlijke fauteuil met hooge leuning, die daar voor den vlammenden haard, dicht onder den hoogen en breeden schoorsteen is geschoven, u daarvan reeds ten volle overtuigden.
Maar waar is de bewoner van deze kamer? Eilieve! gaat een weinig nader bij de brandende blokken, slechts door een blinkend geschuurd koperen hekje omgeven, en gij zult tot uwe verwondering zien, dat wij niet alleen zijn en dat het maar goed is, dat wij geen kwaad hebben gezegd—anders waren we zeker beluisterd geworden. Daar in dien hoogen leuningstoel toch zit, in zijden kussens gedoken, een tengere, ziekelijke knaap, met de voeten op een warme stoof en de eene hand onder ’t hoofd, terwijl de andere een boek vasthoudt, waarin hij schijnt gelezen te hebben, doch dat hij nu op de knie laat rusten. Zijn helder en doordringend oog staart op het vuur, als ziet hij wonder wat in de grillige gedaanten, welke de flikkerende [4]vlammen aannemen en als is er iets bijzonders voor hem in de van tijd tot tijd instortende blokken. Hij is nog jong, die knaap: den 14den November aanstaanden zal hij zijn tiende jaar bereikt hebben. En toch—hoe jong hij zij, ligt er op dat hooge voorhoofd en dat smalle bleeke gelaat reeds een waas van ernst, hetwelk men op dien leeftijd niet zou verwachten. Schoon is hij niet. Zijn adelaarsneus is te groot voor dat magere gezicht, dat er, kon ’t zijn, nog magerder door wordt. Geen blozende wangen of levenslustige oogen, geen schalksche trek om lip of mond; de arme knaap is jong, zonder jeugd te hebben gekend: hij heeft vrij wat meer in de wereld dan die burgerjongen, dien wij daarstraks op het plein voor de Sint-Pieterskerk met zijne kameraads zagen knikkeren,—maar zeker zou die voor al het geld der wereld met hem niet willen ruilen. Toch toont zijne kleeding zijn aanzienlijken stand aan. Dat zwart fluweelen wambuis met die fijne kanten lubben, die op de witte, magere handen neerhangen, die satijnen broek van dezelfde kleur, met korenblauwe linten onder de knie vastgemaakt, die fijn lederen schoenen met strikken, in welker midden zich een gouden knoop bevindt en die halsdoek, die als een bef met breede plooien om den hals gestrikt, in echte Brusselsche kant nederhangt, doen ’t u reeds vermoeden, indien de omgeving in de kamer er u geen zekerheid van gaf. Die bijna tienjarige knaap—misschien hebt gij ’t begrepen—is de hoop van het edele stamhuis van Oranje en van allen, die het met dat doorluchtige geslacht wél meenen: ’t is Willem Hendrik, Prins van Oranje-Nassau, Graaf van Catzenellebogen, Vianden, Dietz, Lingen, Meurs, Buren en Leerdam, Markies van der Veere en Vlissingen, Heer en Baron van Breda, de stad Grave en het land van Kuik, Diest, Grimbergen, Herstal, Kranendonk, Warneston, Arlay, Noseroy, St.-Veit, Daasburg, Polanen, Willemstad, Niervaart, [5]IJselstein, St.-Maartensdijk, Steenbergen, Geertruidenberg, de hooge en lage Zwaluwe, en Naaldwijk, Erfburggraaf van Antwerpen en Besançon en Erfmaarschalk van Holland. ’t Is de achterkleinzoon van den grondlegger onzer vrijheid, den edelen Willem den Eerste, ’t is de zoon van den te vroeg gestorven Willem den Tweede en van Maria Stuart, de oudste dochter van Karel I Koning van Engeland.
Ik heb u reeds verhaald, dat de arme Prins zijn vader nooit gekend heeft. Kort na zijne geboorte begiftigden hem de Algemeene Staten met een rentebrief van achtduizend gulden ’s jaars en legden de Staten van Holland hem een jaargeld van vijfduizend, Delft van zeshonderd, Leiden van twaalfhonderd en Amsterdam van duizend gulden toe, terwijl Zeeland er later nog twee duizend bijvoegde; zoodat onze knaap, behalve de inkomsten zijner goederen, een jaarlijksch inkomen heeft van ongeveer achttienduizend gulden, zeker meer dan genoeg voor een kind van bijna tien jaren. En toch is hij niet gelukkig, Prins Willem Hendrik. Toch ligt er een verdrietelijke trek op dat gelaat,—een trek, die aan meer dan lichamelijk lijden doet denken.
Zijn levenslot was dan ook verre van benijdenswaardig geweest. Reeds weinige weken na zijne geboorte, toen Zeeland den voorslag deed, hem tot Stadhouder te benoemen, wees Holland dit van de hand. En gij weet het, hoe bij het vredestraktaat in 1654 de beruchte acte van seclusie werd vastgesteld, waarbij de Prins werd uitgesloten van de waardigheden, door zijne voorvaderen bekleed. Maar ook in den huiselijken kring had de arme Willem Hendrik weinig genoegen gehad. Reeds kort na zijne geboorte ontstond er twist over de voogdijschap tusschen zijne moeder, zijne grootmoeder en den keurvorst van Brandenburg, gehuwd met de oudste zuster van Willem II. De eerste meende daarop recht te hebben wegens [6]het testament van haren gemaal; de tweede beweerde, dat Prinses Maria die zelf niet meerderjarig was, geen voogdes kon zijn, en de laatste, die nog verscheidene mededingers had, begreep, dat slechts een man met de voogdijschap kon worden bekleed. Na veel twist werd men het eens, dat Amalia van Solms de helft, en Prinses Maria Stuart en de keurvorst van Brandenburg ieder een vierde der voogdijschap zouden uitoefenen en dus een even groot gedeelte der goederen besturen.
Hoezeer nu deze zaak in der minne geschikt scheen, bleef er tusschen de beide Prinsessen een veete bestaan, die niet dan ongunstig op het karakter van den jongen Prins kon werken. Het had daardoor al dat opene verloren, hetwelk men van een knaap van zijn leeftijd terecht kon verwachten, en een kunst van veinzen aangenomen, die zeker leelijk en veroordeelenswaardig is in een kind, ja in den man;—maar die hem later tot den grootsten staatsman zijner eeuw maakte. Daarbij had hij dikwerf grootmoeder over dingen hooren spreken, die voor moeders ooren niet aangenaam zouden zijn geweest, en moeder had zaken aangeroerd, die hij bij grootmoeder niet mocht vertellen,—en daardoor had hij, reeds op zoo jeugdigen leeftijd, de groote kunst geleerd om te zwijgen, een kunst, die hij zijn gansche leven heeft in practijk gebracht2.
Hiermede en bij gebrek aan verkeering met knapen van zijn leeftijd, had het karakter van den jeugdigen Prins een plooi aangenomen, die men reeds bij den eersten aanblik op dat magere, bleeke gelaat kon bespeuren: een zekere stroefheid in den omgang met anderen, vooral met vreemden en in gezelschappen, [7]waardoor zij, die hem niet kenden, hem voor onaangenaam en lomp hielden. Alleen zij, die meer met hem omgingen, zijne bijzondere vrienden en kennissen, hadden hem innig lief en wisten zijne goede hoedanigheden te waardeeren;—jegens hen was hij somtijds openhartiger, gewoonlijk vertrouwelijker.
Ik vond het noodig, u een blik te doen slaan in het karakter van den jeugdigen Willem Hendrik. Uit mijn vorig werkje hebt gij gezien, hoe een geduchte en machtige partij in Holland, bekend onder den naam van “Loevesteinsche factie” of “de staatspartij”, tegen zijne bevordering was en die door alle middelen wist tegen te houden; gij hebt er ook uit kunnen leeren, hoe er, vooral onder ’t volk, een andere partij was, die deze bevordering wenschte en bij elke gelegenheid dien wensch duidelijk deed blijken. Ook Zeeland was er steeds op uit om den Prins te verheffen tot de waardigheden, door zijne doorluchtige voorouderen bekleed; maar al de pogingen, door dat gewest aangewend, leden schipbreuk op den weerzin der Hollandsche aristocraten. Zoo hielden de Staten van eerstgenoemde provincie, die het welzijn van den jeugdigen Oranjespruit zoozeer ter harte nam, in 1655 bij de andere gewesten aan op het benoemen van een predikant, die den vijfjarigen Prins in de beginselen van den christelijken godsdienst zou onderwijzen, en een ander bekwaam persoon, om hem de taal, geschiedenis en andere noodige wetenschappen te leeren; de Staten van Holland beweerden daarentegen, dat het geenszins den Zeeuwen noch der andere Provinciën paste, zich te mengen in ’s Prinsen opvoeding. Het volgende jaar stelden zijne voogden den predikant Trigland bij hem als onderwijzer in den godsdienst aan, terwijl zij hem ook in andere noodige wetenschappen lieten onderrichten. Twee jaren lang genoot hij dat onderwijs.
Toen onze Willem Hendrik nu zijn achtste jaar bereikt had, [8]begreep zijne moeder, dat het tijd werd, hem hooger onderwijs te geven. De magistraat van Leiden, dit vernomen hebbende, bood der Prinses niet alleen hare stad en Hoogeschool aan, maar ook het Princenhof, reeds vroeger door zijne voorouders bewoond, zoolang zij te Leiden studeerden; terwijl zij verklaarde het reeds te dien einde te hebben gemeubileerd en nog verder te zullen meubileeren. De prinses nam dat aanbod aan en benoemde tot goeverneur over haren zoon Frederik van Nassau, Heer van Zuijlestein, natuurlijken zoon van Prins Frederik Hendrik en te dien tijde kolonel van een regiment voetvolk, welken rang en post hij bij zijne aanstelling behield. Tot zijn leermeester koos zij den Hoogleeraar Borneus. Het was eerst na eenigen tijd, dat Prinses Amalia en de Keurvorst in dezen maatregel toestemden.
Op Maandag den derden November 1659 liet de Prins van Oranje, nu ongeveer negen jaren oud, door de Heeren van Heenvliet, en den kanselier Weyman, aan den President der Staten-Generaal bekend maken, dat hij den volgenden dag naar Leiden zou vertrekken. Denzelfden namiddag kwam eene commissie, bestaande uit de Heeren Huygens, Ripperda, Stavenisse en Renswoude, benevens eenigen uit den Raad, zijne Hoogheid bedanken voor zijne mededeeling en hem gelukwenschen met zijn plan. Op Dinsdag den vierden November, dus tien dagen vóór zijn negenden verjaardag, vertrok hij, vergezeld van zijne moeder en grootmoeder, in een karos naar Leiden, waar hem de Hoogleeraar Joannes Coccejus, dat jaar Rector Magnificus3 met een deftige redevoering in ’t Nederlandsch verwelkomde. Hij betrok toen met zijn goeverneur Zuijlestein en zijn bedienden het Princenhof, waar wij hem in het begin van dit Hoofdstuk aantroffen. [9]
Gedurende zijn verblijf te Leiden was er veel te zijnen gunste veranderd. Zijn oom Karel Stuart was na den dood van Cromwel in Engeland teruggeroepen, en had den troon beklommen onder den naam van Karel II. Genoemde vorst had hier te lande onbekrompene gastvrijheid genoten en bij het plechtig afscheid, dat hij in ’s-Gravenhage van de Staten-Generaal nam, zijn neef Willem van Oranje zeer in hunne gunst en in die van de Staten van Holland aanbevolen. Kort daarop herhaalde zijne moeder deze aanbeveling, hetgeen ten gevolge had, dat de Staten van Zeeland op den 1sten Augustus 1660 besloten, hem tot Kapitein-Generaal en Stadhouder van hun gewest te benoemen, op welk besluit zij ten ernstigste bij de Staten van Holland aandrongen. Beide Prinsessen leverden nu aan de Algemeene Staten het verzoek in, dat Hunne Edel-Groot-Mogenden zich mochten belasten met ’s Prinsen opvoeding. De Staten willigden dit in, “opdat de Prins dus bekwaam mocht worden tot de bediening der hooge ambten, door zijne voorzaten bekleed,” doch gaven daaraan geene uitvoering. Vier dagen later echter besloten zij tot de vernietiging van de acte van seclusie. Keeren wij na deze breede uitweiding tot onzen Prins terug.
“Zijt gij daar, Karel?” zegt hij tot zijn kamerdienaar, een forsch en stevig gebouwd jonkman van ruim drie en twintig jaren, van wien hij veel houdt en met wien hij gaarne spreekt.
“Om u te dienen, Uwe Hoogheid,” antwoordt deze, die met een klein fleschje in de eene en een brief met groot lak in de andere hand, het vertrek is binnengetreden. “Hier zijn de druppels, die de dokter u heeft voorgeschreven, en hier een brief, zoo op het oogenblik met den post aangenomen.”
“Geef hier den brief, Karel,” hervat de Prins, terwijl hij het boek weglegt en de hand naar het papier uitstrekt.
De kamerdienaar reikt het over en gaat naar het dressoir, waar hij in een kristallen glas eenig water schenkt, in hetwelk [10]hij het bepaalde aantal druppels uit het fleschje mengt en dat hij den Prins aanbiedt. Deze heeft intusschen den brief opengebroken en doorloopt den inhoud.
“Hier zijn uwe druppels, Uwe Hoogheid,” zegt de kamerdienaar.
“Ba! hoe zuur!” zegt de Prins, nadat hij het glas heeft leeggedronken. “De dokter heeft veel van Mijnheer den Raadpensionaris,” voegt hij er hardop denkend bij. “Die verstaat ook de kunst om wrange druppels toe te dienen.”
“Of bittere,” verbetert de kamerdienaar.
“Karel,” gaat de Prins voort, alsof hij die woorden niet gehoord heeft, “zeg den Heer Van Zuijlestein, dat ik hem verzoek hier te komen. Ik moet hem spreken.”
Terwijl de kamerdienaar het bevel van zijn jongen meester volbrengt, leest deze nogmaals den brief over. ’t Is of de lezing hem vermoeit;—toen hij gedaan heeft, houdt hij de magere, witte hand voor de oogen en blijft in gepeins zitten. Het binnentreden van zijn goeverneur stoort hem in zijne overdenking.
“Gij liet mij roepen, Willem!” begint deze. “Weder die ongelukkige hoofdpijn! Waarom niet nog wat te bed gebleven?”
“Omdat ik het in het dons niet langer kon susteneeren,” geeft de Prins ten antwoord. “Ik hoopte, dat het wat beter zou worden, als ik op was. Lees echter dezen brief, dien ik daareven ontving.”
De goeverneur neemt den brief en voldoet aan den wensch van den Prins.
“Gij ziet het, Zuijlestein. Mijn oom, Zijne Majesteit Karel II van Engeland, heeft de schepen gezonden, om hare Koninklijke Hoogheid mijne moeder af te halen. En zij verlangt, dat ik terstond zal afreizen, om haar vaarwel te zeggen.”
“Dat is het uitdrukkelijk verlangen van Hare Koninklijke [11]Hoogheid, Willem,” antwoordt Zuijlestein. “Zij meldt u dat in den brief.”
“Alles goed en wel,” herneemt de Prins. “Maar ik kan vandaag niet gaan. Het is mij onmogelijk. Met zulk een hoofdpijn kan ik niet reizen. Het hoofd klopt mij als een hamer. De oogen branden mij in ’t hoofd. Elke beweging, die ik maak, is mij een pijniging. Laat Widerts schrijven, dat ik heden niet kan komen, maar dat ik, wanneer het morgen passabel is, zoo vroeg mogelijk zal vertrekken.”
“Er is niets aan te veranderen,” geeft Zuijlestein ten antwoord. “Het vertrek der Prinsesse Royal is op morgen gefixeerd, en als wij vroeg genoeg op reis gaan, kunnen wij haar tot aan het schip accompagneeren. Hare Hoogheid zal echter zeer gefrustreerd zijn, daar zij u zeker gaarne den laatsten dag bij zich had gehad.”
De Prins antwoordt niet; het is of hij aan de belangstelling zijner moeder twijfelt.
“Zeg Karel, dat hij Widerts roepe,” herneemt hij. Zuijlestein schelt en deelt Karel het bevel van Zijne Hoogheid mede.
“Moeder had mij wel vroeger kunnen schrijven,” herneemt Willem Hendrik eenigszins bitter.
“De tijding van de aankomst der Engelsche vloot is eerst gisteren laat in ’s-Gravenhage gearriveerd,” hervat Zuijlestein verschoonend. “Hare Koninklijke Hoogheid kon er u dus niet vroeger van preveniëeren.”
Op dit oogenblik komt ’s Prinsen Raad en schrijver Widerts binnen, en de Prins geeft hem den inhoud van den brief aan zijne moeder op.
“Meld Harer Hoogheid vooral, dat ik haar zelf zou geschreven hebben,” eindigt de Prins, “indien de furieuze hoofdpijn mij daarin niet verhinderde.”
Widerts zet zich aan de tafel om den brief te schrijven. [12]
“Ik kan vandaag geen les nemen, Zuijlestein,” gaat de Prins voort. “Ik heb gepoogd wat te studeeren, maar de letters dansen mij voor de oogen. Laat dus mijne meesters afzeggen, en ’t vooral Professor Borneus weten, opdat hij geen vergeefschen tocht doe.”
“Rust en kalmte zijn de beste medicijnen voor u, Willem,” herneemt de goeverneur. “Gij weet het, wat de dokter u gisteren nog zeide. Wij zullen hem straks wel hier hebben, en hij zal u wel ordineeren, om naar bed te gaan.”
“Ik heb reeds zijn druppels ingenomen. Zij zijn bijtend, scherp zuur.”
“Medicijnen zijn niet altijd aangenaam, Willem. Maar zij zijn weldadig voor het lichaam. Ook onze hemelsche Vader geeft ons wel eens bittere medicijnen te slikken, om onze ziel te cureeren.”
“Ik heb er reeds van moeten innemen,” antwoordt de Prins op somberen toon. “Ha, Widerts, reeds gereed!” herneemt hij op minder treuriger wijs tot zijn schrijver en Raad. “Laat hooren, wat gij geschreven hebt.”
Widerts voldoet aan ’s Prinsen verlangen en leest den in ’t Fransch geschreven brief voor (want het Fransch was toen de hoftaal, en onze Vorsten van Oranje schreven er altijd in). De Prins zet zijne handteekening onder den brief en reikt dien zijn secretaris over om hem te sluiten, te verzegelen en van adres te voorzien.
Twee uren later lag de Prins in de naaste kamer te bed. De dokter had zulks geordineerd en hem een calmeerend geneesmiddel gegeven met de hoop, dat hij den volgenden morgen in staat zou zijn, naar ’s-Gravenhage te vertrekken. Aan zijn bed zat zijn kamerdienaar Karel, om hem van tijd tot tijd koele compressen op het hoofd te leggen en zijn drankje in te geven. Maar een geest als die van Willem Hendrik kon zich moeilijk in de gedwongene rust schikken, welke hem was opgelegd. Onophoudelijk [13]woelde hij zich om en om, hoe ook Zuijlestein hem tot stilte en rust aanmaande.
Deze laatste had ’s Prinsen bed verlaten. Karel was alleen met hem in de kamer. ’t Scheen, dat de zieke eenigszins kalmer werd.
“Dek mij wat beter toe, Karel,” zeide hij, “en verhaal mij eens van dat Haagsche oproer, waarvan gij laatst spraakt, toen wij juist gestoord werden. Ik heb er behoefte aan, dit nu te hooren.”

“Indien Uwe Hoogheid mij belooft, stil en bedaard te blijven liggen en zoo weinig mogelijk te spreken,” hernam de kamerdienaar, terwijl hij de met zijde gevoerde deken terecht schikte en den Prins een nieuwe compres op ’t hoofd legde.
“Dat beloof ik u, Karel,” antwoordde de Prins, en de kamerdienaar begon: [14]
“Het was in den zomer van het jaar 1653, dat Hare Koninklijke Hoogheid de Prinsesse Royaal met Uwe Hoogheid, die toen derdehalf jaar oud was, naar Breda was gereisd, om U als baron dier stad te doen huldigen. Wij Haagsche jongens hadden er de lucht van gekregen, en, aangevoerd door Koen Aertsen (den zoon van Aert Gerritsz, den barbier uit het Gortstraatje) die voor kapitein speelde, besloten wij Uwe Hoogheid bij Hare terugkomst in ’s Gravenhage deftig in te halen. Dag op dag trokken wij dan met mutsen en bandelieren van Oranjepapier, met stokken en Oranjevaandels gewapend, naar het Zieken, waar Uwe Hoogheid moest binnenkomen. Of men Uwe reis opzettelijk vertraagd had, op hoop dat wij uit elkander zouden gaan, weet ik niet; het was echter reeds laat in den nacht, toen de vorstelijke karossen terugkeerden. Daar wij weinig deeg van onzen opschik en van onze uitmonstering hadden, zoo besloten wij, des anderen daags in dezelfde toerusting op het Binnenhof te verschijnen.—In groote statie trokken wij op, terwijl Pieter Hendriksz, die onder ons jongens den bijnaam had van den duikelaar, omdat hij zoo mooi kon duikelen, het Wilhelmus op de trompet blies, dat het rammelde en raasde.”
“Kan die knaap zoo mooi op de trompet blazen?” vraagde de Prins. “Waar had hij dat geleerd?”
“Van een vroegeren trompetter van de Oranjegarde, een zekeren Jan Claeszoon4, die, toen deze garde in “garde van de Staten van Holland” werd veranderd, zijn ontslag had gekregen. Hij woonde vroeger in de Bagijnenstraat en was naar Amsterdam vertrokken.”
“En wat gebeurde er verder?”
“Men toonde ons Uwe Hoogheid voor de vensters van ’t [15]paleis. Toen was ’t eerst een leven: de trompet schalde nog luider en wij allen schreeuwden onze kelen heesch met “Leve de Prins!”—Maar daar kwamen op eens de dienaars van den Fiskaal, wien door de Staten van Holland, die dat leven in hunne vergadering niet schenen te kunnen velen en die wellicht voor meerdere opschudding vreesden, last was gezonden, om den hoop te verstrooien. Maar juist die maatregel had een verkeerde uitwerking; want het grauw, dat hierin een beleediging zag, ging naar ’t huis van den Fiskaal en wierp er de glazen in. Ook aan de logementen5 van Amsterdam en Rotterdam deed men hetzelfde. Men schold de afgevaardigden en vooral Mijnheer den Raadpensionaris De Witt voor schelmen en prinsenverraders. Ja, zoover ging men, dat een dronken Duitscher den Heer Jacob de Witt, den vader van den Raadpensionaris, aanviel en hem dreigde, “dat men hem wel zou leeren, om den Prins tegen te spreken.” Het was jammer, dat onze betooning van gehechtheid aan Uwe Hoogheid zulke gevolgen had.—Wij jongens hadden dat geenszins bedoeld.”
Met genoegen had de Prins naar het verhaal van zijn kamerdienaar geluisterd. Hij viel weldra daarna in een gerusten slaap.
[16]
1 Zie Adolf en Clara, dertiende Hoofdstuk.
2 Op lateren leeftijd vraagde hem een zijner veldheeren naar zijne plannen. “Kunt gij zwijgen, mijn vriend?” vraagde de Prins.—“Als het graf, Uwe Hoogheid!” antwoordde de andere.—“Ik ook,” hernam de Prins en vertelde hem niets.
3 Jaarlijks is een der Hoogleeraren aan de Universiteit President van het collegie der professoren en draagt dan den naam van Rector Magnificus.
4 Zie “Zeeman tegen wil en dank.”
5 Dat waren de hotels, waarin de afgevaardigden van deze steden logeerden. Beiden stonden op het Plein te ’s-Gravenhage. Het eerste is later tot vorstelijk paleis ingericht en thans de bewaarplaats van ’s Rijks archief; het andere het ministerie van Oorlog.

Wij laten den Prins slapen en willen ons den volgenden dag eens naar ’s-Gravenhage begeven, waar wij in de Spuistraat den pruikenmakerswinkel van Pieter Dirksz binnentreden. Sedert eenige jaren was die pruikenmaker er tamelijk bovenopgekomen; want er was in zijn vak nog al wat te verdienen, sinds de allongepruiken, uit Frankrijk overgewaaid, hier meer en meer in zwang kwamen. Gij weet immers wel, wat allongepruiken zijn, en hebt ze zeker wel eens op oude portretten gezien. Hoe dwaas, zult gij zeggen, als men van onzen Lieven Heer een goeden krullebol ontvangen heeft, een pruik op ’t hoofd te zetten. Wat zal ik u zeggen? De mode is een grillige dame, en wat wij nu dwaas vinden en bespottelijk, wordt mooi, wanneer allen het dragen, met andere woorden, wanneer het mode is. De groote heeren nu van dien tijd droegen lange pruiken met krullen, die op beide zijde van de borst afhingen en hun een deftig en statig voorkomen gaven. Hoe zonderling en dwaas nu die mode ook was, zij had het voordeel, dat zij aan menigeen brood verschafte, en ook onze Pieter [17]Dirksz, die vroeger een gering haarsnijdertje in de Zuilingstraat was geweest, had het aan de pruiken te danken, dat hij zijn onaanzienlijke woning en zijn nederig bedrijf met een vrij wat beteren stand had verwisseld en thans den titel van kapper mocht dragen. En dat alles was het werk van zijn oudsten zoon Karel, die, als lakei bij de Prinses Royaal in dienst gekomen, het door zijne oppassendheid tot ’s Prinsen kamerdienaar had gebracht, in welke hoedanigheid wij hem in onze inleiding bij Zijne Hoogheid aantroffen. Karel Pietersz toch had weten te bewerken, dat verscheidene groote Heeren zijn vader de klandizie schonken, en de Prinses, wien de Oranjegezindheid van den voormaligen haarsnijder wel bekend was, had aan Pieter Dirksz eenig geld voorgeschoten, waardoor hij in staat was gesteld, zich het noodige haar te verschaffen en zijn stand te verbeteren. Dat geld had hij sedert lang terugbetaald.
Wij treden den winkel van baas Dirksz binnen en vinden daar den tweeden zoon Jacob achter de toonbank zitten, bezig met het opmaken eener reusachtige allongepruik,—want niet alleen het vervaardigen van die hoofddeksels verschafte onzen haarwerker goede winsten, het onderhoud daarvan schonk hem geregeld werk. Wij gaan den twee-en-twintigjarigen Jacob voorbij en doen de glazen deur achter in den winkel open, waar wij in het huisvertrek den eerzamen pruikenmaker zien zitten, luisterende naar het verhaal van een zeeman, dien wij, ondanks zijn gebruind gelaat, terstond voor den jongeren broeder van Pieter Dirksz herkennen. Aan de tafel zit Marie, een meisje van twintig jaren, naar de Prinses Royaal vernoemd, en die sedert moeders dood het huishouden van haren vader bestuurt. Evert, die op haar volgt, is niet t’huis, maar bij den smid Joris Gerritsz aan ’t werk; terwijl de veertienjarige Martha en haar dertienjarige broeder Pieter, de jongste van Dirksz’ zestal, een aardige geestige jongen en vaders naamgenoot en [18]lieveling, naar ooms vertellingen zitten te luisteren. Aandachtiger luisteraar echter heeft Klaas Dirksz niet dan zijn jongsten neef. Ziet hem daar zitten, dien blozenden knaap, terwijl de blauwe, zielvolle oogen onafgewend aan de lippen van den verhaler hangen en de hand den krullebol ondersteunt, als werd hem die te zwaar door al het nieuws, dat er in wordt opgenomen. Twee jaren geleden was zijn oom met den vice-admiraal De With, onder bevel van den Admiraal Jacob van Wassenaar, naar Denemarken vertrokken, om den koning van laatstgenoemd land tegen de Zweden bij te staan. Eer wij echter vernemen, wat oom Klaas te verhalen heeft, moet ik u met een enkel woord de oorzaak van die zending mededeelen.
Reeds in 1656 had de oorlogzuchtige koning van Zweden Karel Gustaaf, door het belegeren van de stad Dantzig, die wij als de korenschuur van Nederland aanmerkten, onze Staten genoodzaakt, een vloot van acht-en-veertig schepen naar de Oostzee te zenden. Het doel van dezen tocht was bereikt en de vaart op de Oostzee bleef vrij. Toen echter in ’t volgend jaar de krijgskans ten nadeele van Karel Gustaaf liep, begreep Frederik III, koning van Denemarken, dat thans het rechte tijdstip daar was om de landen te herwinnen, die de Zweden, veertien jaren geleden, zijnen vader Christiaan IV ontnomen hadden. Hij verklaarde dus Karel Gustaaf den oorlog, waarop deze een stouten tocht ondernam, dien niemand vóór hem had durven wagen. Hij trok in Februari van ’t jaar 1658 met zijn leger van slechts achtduizend man, meest ruiterij, over de toegevroren zee naar Funen, alwaar hij Odenzee en Nyborg vermeesterde. Cromwells gezant, Meadow, zond hem een bode te paard, om hem tot den vrede aan te manen. “Hoe!” zeide de koning. “Kan die bode over den Grooten Belt, dan kunnen wij er ook over.” Hij liet nu zijn leger oprukken en nogmaals over de bevroren zee trekken om den [19]vijand in zijn land te bestoken. ’t Was zoo vinnig koud, dat men den wijn en het bier bij stukken uit de vaten moest hakken; om ze te ontdooien. Midden in den nacht nam de tocht een aanvang. Door de menigte van paarden smolt de sneeuw zoozeer, dat er op sommige plaatsen wel twee voet water op het ijs stond, en men in de duisternis elk oogenblik vreesde in de zee te zullen verzinken.
Reeds in den morgen van den volgenden dag kwam de koning op Langeland aan en ging van daar op Laland en Falster, welke eilanden hij bezette. Vervolgens trok hij op Seeland af, nam Warburg in en stond op het punt om op Kopenhagen af te trekken, toen Meadow zelf hem kwam opzoeken en er te Rotschild tusschen de beide koningen een verdrag werd gesloten, waarbij bepaald werd, dat “zij nooit zouden toelaten, dat eenige vreemde oorlogsvloot door de Sont of Belt in de Oostzee zou komen.” Dit verbond was echter niet lang van duur; nog in ’t zelfde jaar viel Karel Gustaaf in Seeland en sloeg het beleg voor Kopenhagen. Onze Staten, die wel wisten hoe schadelijk het voor ons zou zijn, indien de Zweden meester werden in ’t Noorden, besloten den admiraal van Wassenaar met een vloot naar Kopenhagen te zenden. De wakkere Kortenaar, zijn raadsman, dien wij reeds als kapitein op het schip van Tromp1 ontmoet hebben, was kapitein van het admiraalsschip, terwijl de Vice-admiraals De With en Floriszoon onder Wassenaar het bevel voerden.
Keeren wij thans naar de woonkamer van Pieter Dirksz terug. Zijn broeder Klaas, de zeeman met zijn gebruind gelaat, zijn heldere oogen die goedhartig uit de beenige kassen zien, zijn reeds hier en daar grijs geworden bruin, krullend haar, de baard en snorren om wang en kin, de groote, breede handen, die wel [20]aan een mulat schijnen te behooren, doen terstond in hem den man herkennen, die lang aan weer en wind is blootgesteld geweest. Ook aan zijn spreken merkt men dadelijk den zeeman op, daar hij tal van spreekwoorden in den mond heeft, van welke de meeste hun oorsprong aan het zeeleven te danken hebben: vele daarvan echter zijn spreuken uit vader Cats.
“Goê morgen!” begint hij, toen hij zonder eenige de minste komplimenten binnentreedt. “Hoe maak je ’t, Pieter? En hoe varen je kinderen? Wel seldrement! is dat zoeken. Ik wist niet meer, waar ik mijn boeg moest wenden, en ik dacht, dat ik mijn bakzeil al moest in halen. Maar ’t is met jou ook al, zooals vader Cats zegt: kunst baart gunst.”
“Wij zijn allen gezond, Klaas,” antwoordt Pieter. “En ’t schijnt, dat jij ook niet onder dokters handen bent.”
“Eilacy! Geen beter banket, dan gezond en vet, zegt Cats. Met mij is ’t: een blij gemoed en matig goed is wonder zoet. Maar vertel mij eens, hoe ’t je zoo voor den wind is gegaan; want je bent me een groote mijnheer geworden. ’k Wist niet of ik wel zou bijdraaien, toen ik daar voor zoo’n mooien winkel stond.”
Pieter Dirksz verhaalt zijn broeder, wat er met hem in die twee jaren is voorgevallen.
“Nu,” hervat deze. “Onder ’t zeil is ’t goed roeien. Wanneer je zulke bescherming hebt, is ’t geen wonder ook. Als je door zulk groot volk gepraaid wordt, heb je maar op sleeptouw mee te varen. En nou zal ik je eens vertellen, wat er al met mij in die twee jaren gebeurd is.”
“Dat is goed, Klaas,” herneemt Pieter Dirksz. “Maar zou je eerst niet wat gebruiken?”
“Als je er dan op staat, Pieter, geef me dan een oorlam. Je weet wel wat ik meen, een goed glas brandewijn. Maar een ferm glas, hoor; want zoo’n kleintje is maar mondtergen.”
“En nu,” hervat oom Klaas, nu hij van ’t noodige voorzien [21]is en zijn kort eindje pijp heeft aangestoken, “nu het zeil in top, en er op ingevaren. Je weet, dat ik aan boord van den vice-admiraal De With, zaliger gedachtenis, als stuurman geplaatst was. ’t Was een dekselsch mooie vloot, mooier dan ooit onze havens verlaten heeft. Onze tocht was echter niet zeer voorspoedig; want eerst den 3den November kwamen wij in de nabijheid der Sont. Toen ging ’t er op los. Wij moesten door twee vuren heen en tegen het vuur in. Aan onze linkerhand hadden wij het kasteel Helsingborg, aan onze rechter het slot Kronenburg, door de Zweden op de Denen veroverd, en vlak voor ons de Zweedsche vloot onder Graaf Karel August Wrangel.”
“Is die niet vroeger een jaar in ons land geweest, om zich met de zeewezen bekend te maken?”
“Wel mogelijk. Je wordt meest gebeten door je eigen honden. Intusschen—onze De With, die de voorhoede kommandeerde, dacht: goede moed is het halve teergeld! Met zijn “Brederode”, het schip, waarop Tromp zoo menige zege op den vijand bevocht, stort hij zich als een leeuw door de regenbui van kogels heen, die ons van drie kanten te gemoet worden gezonden. Ik sta aan het roer zoo bedaard als ik hier zit, terwijl de blauwe boonen mij om de ooren fluiten.”
“Hé, oom!” roept Pieter uit. “En werdt u niet bang?”
“Bang, Pieter! Ik bang? Kom, smidskinderen zijn wel vonken gewoon, dacht ik, en als er geen kogel bij is waar je naam op staat, zal je er wel goed door komen. En zoo stuur ik recht door de voorhoede heen tot vlak bij den vijandelijken admiraal.—“Bijdraaien!” roept De With, en op het oogenblik dat ik het schip van Wrangel praai, “pang, pang, pang!” daar krijgt hij de volle laag. Hij keek, alsof hij het te Keulen had hooren donderen, die Zweed; het kwam hem ook zoo onverwachts op het lijf. Maar wij laten hem geen tijd tot bezinnen; want met beter te hopen is de tijd verloopen, en onze admiraal, [22]die begreep dat hem de eer toekwam om het admiraalsschip te bevechten, vaart hem aan het andere boord, en geeft hem ook de volle laag, waardoor de Zweed zijn roer verliest en zich genoodzaakt ziet onder Kronenburg te loopen.”
“Nu, dat was ferm, oom!” roept Pieter verheugd uit. “Dat had hij net verdiend, om hier het zeewezen te leeren en dan zijn kunst tegen ons te gebruiken.”
“Dat is nu tot daaraan toe, jongen! Uilen vliegen met geen bonte kraaien, en Wrangel was van ouder tot ouder een Zweed en moest dus zijn land voorstaan. De vice-admiraal intusschen beveelt mij te wenden, voort gaat het, en “pang, pang, pang!” sturen wij het schip van Bielkenstjern insgelijks wat blauwe boonen in de romp. Maar twee Zweedsche schepen kwamen hem te hulp en nu was het één tegen drie.”
“Dat is valsch,” valt Pieter zijn oom in de rede. “Een tegen een is het altijd bij ons jongens, als wij vechten. Drie tegen een is geen partuur.”
“Maar, Piet,” herneemt oom Klaas, “in den oorlog vraagt men niet naar partuur; daar doet men zijn best om elkander te vernielen. Onze dappere vice-admiraal intusschen was geen kat om zonder handschoenen aan te tasten. Hij gaf hun het lapje vrij duur, hoor; want het was hier terecht: bloô Jan, doô Jan. Een der beide aanvallers vloog in de lucht, de andere liet ons zijn achtersteven zien en koos het hazenpad; alleen Bielkenstjern bleef vechten als een leeuw. Maar wat wilde het ongeluk? De snelle stroom deed de beide schepen wegdrijven en aan den grond geraken. Het roer zat als gemetseld. Dat merkte een Zweed. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is, dacht hij, en gaf ons de volle laag.”
“Dat was laf!” roept Pieter uit, terwijl zijne oogen vlammen schieten. “Een weerloozen vijand mag men niet aanvallen.”
“Je weet alweer niet, hoe het in den oorlog toegaat, Pieter,” [23]herneemt de oom. “En onze De With toonde maar al te goed, dat hij niet weerloos was; want twee uren lang hield hij het uit, ofschoon ons schip door de kogelgaten wel een zeef geleek en zoo lek was als een mand. Maar, wat drommels jammer was en mij geweldig speet: twee kogels troffen den dapperen vice-admiraal. “Jongens! houdt moed!” riep hij. En de jongens hielden moed, dat verzeker ik je. Maar tegen de Bierkâ is het kwaad vechten. De Zweden enteren onzen “Brederode” en springen er in menigte op over. De arme De With, door bloedverlies uitgeput, kan niet meer staan. Hij valt op de knieën en zwaait nog den degen, terwijl hij volstandig weigert zich over te geven. Eindelijk is hij geheel en al uitgeput, men grijpt hem aan en sleurt hem van het schip. Stervend vestigt hij nog de brekende oogen op zijn vaartuig. En ziet, zijn wensch wordt vervuld: “de Brederode” valt geen vijand in handen: het water dringt door de menigte van kogelgaten heen, het schip zinkt als een baksteen.”
“Dat was ferm!” vindt Pieter, terwijl hij in de handen klapt. “Nu had die leelijke Zweed er toch niets bij gewonnen.”
“Dat had hij niet. Maar zeg niet leelijke Zweed. De bevelhebber van het vijandelijke schip had zijn plicht gedaan, evenals wij. En weet gij wat Koning Karel Gustaaf deed? Toen het lijk van den dapperen vice-admiraal te Elseneur aan wal werd gebracht, stond de edele vorst, in rouwgewaad gekleed, omringd door zijn ganschen hofstoet om het met eere te ontvangen en kon hij zijne tranen niet bedwingen.”
“Dat vind ik nu heel mooi,” hernam Pieter. “Maar wat had de admiraal Van Wassenaar in al dien tijd gedaan, oom?”
“Die had gevochten als een leeuw. Ofschoon een derde van zijn scheepsvolk gekwetst of gedood was, zijn boeg en konstabelkamer in brand waren geraakt, zijn want grootendeels was afgeschoten, de romp van zijn schip vol kogelgaten zat, en het water reeds in het hol steeg, bleef hij den ongelijken strijd [24]tegen de vijandelijke schepen volhouden, terwijl hij bedaard bleef zitten in een stoel vóór de kampanje.”
“Was hij dan zoo moe?”
“Wel neen; maar hij had zoo geducht de jicht, dat hij niet kon staan of loopen; dus moest hij wel zitten. Eindelijk liepen de vijanden van hem af en zeilde hij naar de vloot bij Kronenburg terug. De Zweden hadden zeven schepen verloren, waarvan drie den onzen in handen waren gevallen; wij slechts “de Brederode” en drie verbruikte branders. Jammer maar, dat wij onder de dooden de beide vice-admiralen Witte Corneliszoon de With en Floriszoon telden2.
“Maar oom! Hoe ging het met u? Gij zijt toch niet met “de Brederode” gezonken?”
“Domme jongen! Dan zou ik niet hier zitten. Ik werd met al mijn kameraads gevangen genomen en te Elseneur in den kerker gezet. Daar zaten wij den geheelen winter met ons twaalven in een donker, vochtig hok te brommen. Maar wij besteedden onzen tijd goed. Wij hadden opgemerkt, dat langs onze gevangenis de gracht van het kasteel stroomde, en nu besloten wij, de traliën los te vijlen en zoo de haven uit te raken. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet; want wij hadden geen gereedschap. Een onzer echter had zijn “kortjan” weten te verbergen, en nu maakten wij daarmede steenen uit den muur los, die wij scherp slepen en waarmede wij langzamerhand de dikke ijzeren staven doorvijlden. Dat kon echter alleen ’s nachts gebeuren. ’s Morgens maakten wij het gevijlde met wat brood met vijlsel vermengd toe; met hetzelfde brooddeeg verborgen wij de plaats der uitgebroken steenen. ’t Was echter eerst in de laatste helft der maand, dat onze reuzenarbeid voltooid was. Op zekeren donkeren regenachtigen nacht lichtten wij de ankers, [25]namen de reeds losgemaakte tralies uit, kwamen zoo in de gracht, zwommen over en laveerden op handen en voeten langs den grond tot in een klein kreupelbosch, niet ver van het kasteel, dat wij uit onze gevangenis hadden kunnen zien en tot ons vereenigingspunt bestemd hadden. Van hier wendden wij den boeg regelrecht zuidwaarts, steeds reizende bij nacht, en bij dag ons verbergende. Eindelijk kwamen wij aan de zee, en, verbeeldt u onze blijdschap, toen er eensklaps, niet ver van de kust, een vloot voor ons lag en wij, bij het schijnsel der maan, de Statenvlag van de masten zagen wapperen. Wij sprongen in zee en zwommen naar ’t eerste schip het beste. ’t Was “Het huis te Zwieten”, op hetwelk de dappere vice-admiraal De Ruyter het bevel voerde, die den 20sten Mei met een vloot van 40 linieschepen tot versterking van Wassenaar naar ’t Noorden afgezonden was. Wij werden terstond met opene armen ontvangen en op verschillende schepen ingedeeld. Ik kwam als tweede stuurman op “Het huis te Zwieten” en bleef verder op dien bodem.”
“Zoodat gij dus in de onmiddellijke nabijheid van den dapperen Zeeuw waart,” hervatte Pieter Dirksz.
“Juist. Onze vloot vereenigde zich kort daarna met die van Wassenaar. ’t Was een statig gezicht, die vijf-en-twintig oorlogsschepen met hare galjoten en branders te zien zeilen, een gezicht, dat mij het hart onder het baaitje deed zwellen. In het begin van November echter keerde de admiraal van Wassenaar, die ernstig ongesteld was, naar het vaderland terug, en De Ruyter behield nu, volgens last der Staten, het opperbevel over de geheele vloot, die koers zette naar het eiland Funen, dat nog altijd in de macht der Zweden was. Het krijgsvolk werd onder aanvoering van den ritmeester Hendrik van Fleury, heer van Buat, te Kartemunde ontscheept. Dat ging echter zoo gemakkelijk niet. Aan de eene zijde stonden twee, en aan de [26]andere zijde drie regimenten Zweedsche ruiters, terwijl de dragonders de stad bewaarden. Men opende een hevig kartetsvuur op onze sloepen, in een van welke zich De Ruyter bevond, die een oog in het zeil wilde houden. Ik zat aan het roer en de kogels floten mij om de ooren.”
“Nu werdt gij toch zeker wel bang, oom?” vraagde Pieter.
“Wel neen.—In zulke gevallen moet men het woord vrees slechts bij naam kennen, evenals onze De Ruyter. Toen hij zag, dat er eenigen van de onzen sneuvelden, riep hij onophoudelijk: “Valt aan, mannen! Valt aan, of gij zult allen samen vermoord worden.”

Nu sprong de ritmeester Buat, die vroeger page bij Prins Willem II was geweest, met het rapier in de vuist tot zijn middel in het water. “Mannen!” riep hij, “dat gaat u voor! Volgt mij na!” Door dit voorbeeld aangemoedigd, volgden de soldaten met gansche hoopen hem na, waadden door de zee, tastten de Zweedsche ruiters manmoedig aan, en overwonnen hen na een hardnekkigen tegenstand. Eenige dagen later vereenigden zij zich met de Keizerlijke, Brandenburgsche en Poolsche hulpbenden, rukten gezamenlijk op de Zweden aan, overwonnen [27]hen en dwongen hen, met achterlating van al hun geschut, binnen Nijborg te vluchten. Nu stevende ook De Ruyter met de vloot derwaarts, bracht de forten, die de haven beschermden, tot zwijgen, zeilde tot voor de stad en beschoot haar zoodanig, dat zij zich met het leger overgaf. Groot was over deze overwinning de vreugde in Kopenhagen, in welke stad wij den 15den December aankwamen. ’t Was fel koud en het vroor, dat het kraakte. Drie dagen lang duurde het, eer de vloot door het ijs heen binnen de haven was, waar zij zou overwinteren. Den zeventienden werd de vice-admiraal met andere hoogere bevelhebbers bij den koning van Denemarken ter maaltijd genoodigd, waar zij prachtig onthaald werden en groote eere genoten. Eenige dagen later kwam de Deensche admiraal Bielke aan ons boord en schonk De Ruyter, uit naam van zijn koning, een gouden keten van groote waarde.”
“Die had ik wel eens willen zien,” riep Pieter uit. “Hoe was die keten, oom?”
”’t Was een vier- of vijfdubbele schakel, kunstig ineengevlochten; koningin Sophia Amalia had er eigenhandig een gedenkpenning van goud aan vastgehecht, op welks eene zijde ’s Konings borstbeeld stond, omzet met twee en veertig diamanten; aan de keerzijde zag men een oorlogsschip in zee en onderaan hing een schoone parel.—Grooter eer evenwel genoot de vice-admiraal, toen wij, een maand geleden uit Denemarken vertrokken. De koning toch verhief hem en zijne nakomelingen tot den adelstand en voegde daar een jaarwedde van tweeduizend gulden bij.”
“Dat was heel mooi van dien koning van Denemarken,” zeide Pieter. “En hoe kwam het, dat de vloot niet langer in Denemarken behoefde te blijven?”
“Wel, de koning van Zweden was in Februari van dit jaar plotseling overleden, en daardoor was de vrede tusschen de [28]Noordsche mogendheden den 16den Juli gesloten. Wij wachtten dus slechts, tot de laatste Zweed Denemarken verlaten had, gingen den vijftienden der vorige maand onder zeil en kwamen den derden September ’t Vlie binnen, waar de verschillende schepen van elkander scheidden. Wij zetten koers naar Amsterdam. Op de Zuiderzee was De Ruyter bijna verongelukt. Een schip overzeilde ons en, had de vice-admiraal zich niet aan een touw vastgehouden, hij ware reddeloos verloren geweest.”
“Hoe gaat het, vader!—Hé! oom! Gij hier? Altijd wèl geweest? Dag Marie, dag Martha, dag Pieter!” klonk het eensklaps. Allen keken op, en zagen Karel voor zich staan.
“Hoe kom jij zoo eensklaps uit de lucht vallen, Karel?” was de vraag van den verbaasden Dirk Pietersz.
“Ik ben zoo straks met Zijne Hoogheid van Leiden gekomen, daar hij afscheid wil nemen van Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses Royaal, eer zij naar Engeland gaat.”
“En die van morgen vroeg reeds vertrokken is,” zeide Marie, “Je bent dus te laat gekomen, Karel.”
“Dat zijn wij. Gisteren ontving de Prins een brief van zijne Doorluchtige moeder; maar Zijne Hoogheid was buiten staat om de reis te aanvaarden, daar hij aan hevige hoofdpijn leed.”
“Nog altijd die hoofdpijn,” zeide Marie. “De Prins schijnt een martelaar van die kwaal te zijn.”
“Dat is hij,” antwoordde Karel. “Eerst heden na den middag bevond zich Zijne Hoogheid in staat, den tocht naar ’s-Gravenhage te aanvaarden, en nu wij hier komen, vinden wij niet alleen de Prinses Royaal vertrokken, maar ook Hare Hoogheid de Prinses-weduwe, op het paleis op het Binnenhof.”
“En ik meende gehoord te hebben, dat Prinses Amalia zich te Turnhout bevond en van daar naar Kleef was gereisd, omdat zij Hare Koninklijke Hoogheid niet gaarne vaarwel zeide,” merkte Marie aan. [29]
“Je bent zeer goed onderricht, Marie,” hervatte Karel. “De Prinses-weduwe reisde naar Kleef en zond van daar een edelman naar de Prinses Royaal, om haar gelukkige reis te wenschen en Harer Hoogheid te verklaren, dat zij bereid was over te komen, bijaldien Prinses Maria dat wenschte. Intusschen schijnt zij later van gevoelens veranderd te zijn en is haar te gemoet gereisd naar Den Briel. Doch Prinses Maria was, hetzij opzettelijk of toevallig, bij hare komst reeds naar Hellevoetsluis vertrokken, waarop de Prinses-weduwe terstond naar ’s-Gravenhage is doorgereisd. Zijne Hoogheid de Prins is op dit oogenblik bij haar.”
Inderdaad was Prinses Maria reeds in den vroegen morgen van dien Woensdag vertrokken. Te Delftshaven gekomen, wachtte haar daar een ontbijt, haar door de Vroedschap aangeboden. Na het ontbijt begaf zij zich in een jacht, dat haar naar Brielle overvoerde, alwaar zij op kosten der stad met een keurig diner werd ontvangen. Ook hier hield zij zich niet langer op dan noodig was, maar vertrok terstond na het diner naar Hellevoetsluis, gelijk wij uit Karels vertelling gehoord hebben. Wij willen dezen laatste thans zijne bijzondere familie-aangelegenheden laten bespreken en begeven ons liever eens naar het Binnenhof te ’s-Gravenhage, om er den Prins bij zijne grootmoeder te zien aankomen. Doch dit in een volgend Hoofdstuk.

[30]

Wij begeven ons in een der vertrekken op het Binnenhof aan de rechterzijde der Stadhouderspoort, door de Prinsen van Oranje bewoond. De kamer, die wij binnentreden, heeft aan den eenen kant een ruim uitzicht over het Buitenhof, terwijl aan de tegenovergestelde zijde de vensters op het Binnenhof uitkomen. Zware roodzijden damasten gordijnen met oranjezijden koorden hangen voor die vensters en beletten voor een groot gedeelte het licht, binnen de kamer te dringen. Het goudlederen behangsel, op ’t welk in de rondte de levensgroote portretten der doorluchtige prinsen van Oranje hangen, brengt niet veel toe, om de kamer vroolijker te maken. Keurig steekt daartegen de hooge, wit marmeren schoorsteen af, boven welken zich een heerlijk schilderstuk bevindt en tegenover welken een prachtige venetiaansche spiegel met vergulde lijst de kamer als ’t ware verdubbelt. Aan weerszijde van dien spiegel bevindt zich een met roodfluweel overtrokken divan, voor welken smyrnasche karpetten liggen, [31]terwijl naast den schoorsteen aan elke zijde een kunstig uitgesneden en gebeeldhouwd buffet staat, waarop de zilveren kannen, het kristal en het fijne Chineesche porselein getuigen van den rijkdom der bewoners.
Op een grooten leunstoel van ebbenhout, met rood fluweel bekleed, door goud galon afgezet, en in welks hooge rugleuning het wapen der Prinsen van Oranje is gebeeldhouwd, zit een dame van ruim vijftig jaren, in blauw satijn gekleed, een rijk parelsnoer om den hals, het nog schoone gelaat in diepe gedachten naar den kant van het binnenhof gewend, het hoofd ondersteund door den blanken arm, die op het marmeren blad der rijk vergulde tafel rust. Die vrouw is de trotsche en doorluchtige Amalia van Solms, de weduwe van Prins Frederik Hendrik van Oranje, de grootmoeder van Prins Willem Hendrik.
Het schijnt, dat de gedachten, die haar brein doorwoelen, juist geen aangename zijn; want nu en dan fronst zij de wenkbrauwen en trekt er een donkere wolk over haar voorhoofd. In hare overpeinzingen wordt zij gestoord door het getrappel van eenige paarden, die het binnenhof oprijden. Zij ziet op en onderscheidt terstond haren kleinzoon, die naast zijn goeverneur vooruitrijdt, en die, zwak en ziekelijk als hij is, wanneer hij te paard zit een geheel ander wezen schijnt te zijn en vol ridderlijkheid in houding en gebaren, zijne afkomst van het edele Oranjegeslacht niet verloochent.
“Te laat—ook al te laat!” mompelt Amalia, terwijl zij de zilveren schel van de tafel neemt, op wier geluid haar kamerdienaar achter het rood lakensch behangsel met gouden passement, dat de deur verbergt en voor tocht vrijwaart, te voorschijn komt.
“Verzoek Zijne Hoogheid, terstond bij mij te komen. Zeg aan den Heer Van Zuijlestein, dat de Prins een paar uren rust moet nemen.” [32]
De kamerdienaar buigt zich op deze woorden, uitgesproken met een stem, blijkbaar aan bevelen gewoon, en gaat heen, om het gebod zijner gebiedster te volbrengen. Eenige oogenblikken daarna treedt de Prins binnen. Gij zoudt in hem dien bleeken, matten knaap van gisteren niet herkend hebben, zoo had de heerlijke rit hem verkwikt. De frissche wind, die door zijne blonde lokken gespeeld had, had aan zijne wangen een ongewonen blos gegeven en de zuivere lucht, welke zijne longen zoo ruimschoot hadden ingeademd, hadden aan die heldere oogen een verhoogden glans geschonken. Een eenvoudig donker blauw fluweelen wambuis omsloot de tengere leden; de hozen van dezelfde kleur, met galon op de zijnaden, waren aan de knieën vastgestrikt, terwijl een bandelier van oranjezijde hem dwars over de borst hing. Zwijgend stond hij voor zijne grootmoeder; want het was toen, evenals tegenwoordig, fatsoenlijk, dat kinderen zwegen, totdat oudere menschen hen aanspraken.
“Gij komt van Leiden, Willem?” begon de Prinses-weduwe half op vragenden, half op stelligen toon.
“Om u te dienen, grootmoeder,” antwoordde de vorstelijke knaap, terwijl hij verlegen met de karwats speelde, die hij nog in de hand hield.
“Gij komt te laat, mijn jongen!” hernam de Prinses. “Hare Koninklijke Hoogheid heeft goedgevonden vroeg af te reizen en haastig voort te trekken. Haar verlangen naar Engeland schijnt te domineeren over hare liefde tot u.”
Op deze bittere woorden richtte de Prins het hoofd fier op, een meer dan gewoon vuur flikkerde in zijn oog, hij wilde iets scherps antwoorden. Maar reeds gewoon zich te bedwingen, fonkelde dat oog slechts een oogenblik,—het volgende stond het rustig, en bedaard antwoordde hij:
“Ik had reeds gisteren hier moeten zijn, mevrouw. Ik ontving tijdig genoeg bericht.” [33]
“En waarom zijt gij dan niet gekomen?”
“Ik leed weder aan furieuze hoofdpijn, zoodat ik naar bed moest. Van morgen stond ik laat op en moest de komst van den dokter afwachten, die mij permissie tot de reis moest geven. Ik hoop echter....”
“Gij hoopt.... Ik dacht, Hare Koninklijke Hoogheid nog in Den Briel te zullen vinden, waar zij door de vroedschap geregaleerd is; maar zij was reeds naar Hellevoetsluis vertrokken. Mij luste het niet, Haar na te reizen.”
“Op uwe jaren is dat ook niet te verwachten,” antwoordde de Prins. “Maar op welke wijs zal mijne moeder naar Engeland vertrekken? De ontvangen brief meldde mij dienaangaande niets. Het schijnt ook, dat het vertrek onverwacht is opgekomen.”
“Er zijn acht of tien koninklijke schepen door uwen oom Karel II gezonden en te Goedereede gearriveerd. Wij hadden die vloot nog niet zoo spoedig verwacht.”
“Dan zullen mijne ooms York en Glocester er zeker wel bij zijn,” hervatte de Prins.
“De hertog van Glocester ligt gevaarlijk ziek aan de kinderpokken,” hernam de Prinses, “en dientengevolge is de hertog van York ook in Engeland gebleven. Ik verneem, dat de Heeren Montaigne, Oreal en Berklay op de vloot zijn.”
”’t Zal moeder wel leed doen,” hervatte de Prins. “Zij houdt innig veel van mijn oom Glocester.”
”’t Is een Engelschman!” prevelde Amalia. “Ik heb order gegeven, dat gij twee uren rust moet houden,” hernam zij luider tot haren kleinzoon. “Gij moet uwe delicate gezondheid soigneeren.”
“Ik zal mij aan uwe orders onderwerpen,” antwoordde de Prins, die zich hield, alsof hij de eerste woorden niet verstaan had, “ofschoon mij het paardrijden en de beweging in de vrije lucht geen fatigue zijn, maar een recreatie. Hoe vaart Mijnheer [34]De Witt?” vraagde hij eensklaps, om niet te doen merken, hoe onaangenaam hem het bevel van vertoeven was.
“De Raadpensionaris bevindt zich, zoo ver mij bewust is, gezond en wel. Zijne edelheid zal u waarschijnlijk wel met een bezoek honoreeren, als hij verneemt, dat gij hier zijt.”

De Heer Van Zuijlestein trad op dit oogenblik de kamer binnen. Ik vrees echter, mijne lezers te vervelen, met al de gesprekken mede te deelen die er gevoerd werden. Twee uren later zat de Prins weder in den zadel en reed, door zijn goeverneur en gevolg vergezeld, over Delft naar Maassluis, in welke laatste plaats men den nacht doorbracht, om den volgenden dag vroegtijdig naar Den Briel over te varen en zich van daar terstond naar Hellevoetsluis te begeven.
De volgende morgen, Donderdag, de laatste dag van Herfstmaand, was, zooals de herfstmorgens gewoonlijk zijn, frisch en [35]koud en voorspelde een schoonen dag. De Prins was reeds vroegtijdig bij de hand in de kleeren.
“Reeds zoo vroeg op, Willem!” zeide Zuijlestein, toen hij de kamer van den Prins binnentrad.
“Nog te laat, vrees ik, Zuijlestein,” gaf de Prins ten antwoord. “Indien ik gisteren mijn zin had kunnen doen, hadden wij ons in ’s-Gravenhage ten hoogste een kwartier opgehouden.”
“De rit zou te vermoeiend voor u geweest zijn!” antwoordde de goeverneur.
“Dwaasheid, Zuijlestein. Maar gij kent mijne grootmoeder. Haar haan moet koning kraaien, en wat zij begrijpt is wet. Het zal haar schuld zijn, als ik mijne moeder niet meer te Hellevoetsluis vind.”
“De Prinses Royaal zal wel op u wachten, Willem,” antwoordde Zuijlestein.
“Indien de oostenwind geen oorzaak is, dat men van het tij heeft geprofiteerd en reeds onder zeil is. Het zou mij eene grief zijn, als ik mijne moeder niet zag. Het kon voor het laatst wezen. Zij is en blijft toch mijne moeder.”
“Wij zullen dadelijk vertrekken, Willem,” hervatte Zuijlestein. “Eerst echter zult gij iets gebruiken. De koude morgenlucht op de Maas zou u kwaad doen.”
“Mochten wij, te Hellevoetsluis komende, bevinden, dat de vloot reeds vertrokken is, dan steken wij in zee,” hernam de Prins.
“Zeer goed, er zal daartoe gelegenheid in overvloed zijn.”
Nadat de overtocht naar Brielle volbracht was, reed de Prins met zijn gevolg naar Hellevoetsluis, waar men vernam, dat de vloot reeds sedert een paar uren met gunstigen wind onder zeil was gegaan. Zonder tijd te verzuimen, begaven zij zich nu in een galjoot; de zeilen werden gespannen en, daar het lichte vaartuig sneller door het water sneed dan de logge [36]Engelsche schepen, waren zij binnen weinig tijds de laatste op zijde.
Weldra praaide het galjoot de bark met de koninklijke vlag van Engeland in top, in welker rood kruis met groote letters C. R. (Carolus Rex.—koning Karel) geborduurd was; men liet de keurige statietrap af; onze Prins, door zijn gevolg vergezeld, klom aan boord en begaf zich naar de sierlijke kampanje, aan alle zijden met spiegels van venetiaansch glas voorzien, vol rijk vergulsel, en waar op rood fluweelen kussens met goud geborduurd en dito kwasten, Prinses Maria van Engeland, de Weduwe van den Stadhouder Willem II, gemakkelijk lag uitgestrekt. Rondom haar stonden of zaten de Engelsche heeren, prachtig uitgedoscht in hunne fluweelen mantels, satijnen vesten en hozen, met gouddraad doorwerkte kousen en nette, hooggehakte brodequins (laarsjes) met gouden gespen of sierlijke strikken.
Te midden van al die pracht zat de Prinses van Oranje en naast haar de gravin van Chesterfield, hare trouwe vriendin, terwijl hare kamervrouw Howard zich in een hoekje bij den ingang had nedergezet. Zij was een schoone vrouw, die Maria van Engeland. Haar goed gevormd gelaat met tot in den blanken hals krullend haar getooid, met dien gebogen neus en die donkere oogen, dien welgevormden ofschoon niet zeer kleinen mond, had nog al den blos der jeugd. De wit satijnen japon, aan den hals laag uitgesneden, deed een snoer paarlen zien, welker waarde ik niet durf berekenen.
“Wees welkom, Willem!” zeide zij, terwijl zij hem een kus op het voorhoofd gaf. “Gij hebt goed gedaan, dat gij mij nagereisd zijt. Waarom hebt gij zoo lang getoefd?”

“Ik had eergisteren zware hoofdpijn, moeder,” antwoordde Willem. “Gisteren heb ik ’t niet verder kunnen brengen dan tot Maassluis, en toen ik te Hellevoet kwam, vond ik u vertrokken. Mijne grootmoeder heeft mij verzocht, u hare gebiedenis [37]te doen; ook zij hoopte u gisteren te Brielle te rencontreeren. U niet vindende, is zij geretourneerd naar ’s-Gravenhage, waar ik haar gesproken heb.”
Een lichte glimlach plooide zich om de lippen der vorstin.
“En hoe is het u gelukt, zoo spoedig een schip gereed te vinden, om u herwaarts te brengen? Gij zijt zeker vroeg uit Maassluis vertrokken.”
“Een bode, die een brief voor u overbrengt, had het galjoot reeds zeilvaardig doen maken; zoodat wij slechts hadden in te stappen en terstond op reis gingen.”
“Een bode voor mij met een brief?” hernam de Prinses.
Een der heeren reikte der Prinses een rouwbrief met een groot zwart zegel over. Het adres was in het Engelsch geschreven. Toen de Prinses den brief aanvatte, verbleekte zij. Zij brak hem haastig open, doch nauwelijks had zij er de oogen ingeslagen, of zij riep in ’t Engelsch uit:
“Mijn broeder, de hertog van Glocester, is overleden, mijne heeren!”
De hertog van Glocester was de meest geliefde broeder der Prinses. En nu dood! Juist op het oogenblik, dat zij gehoopt had, hem te zien!—Het zou nu een treurige reis zijn naar Londen.
Toen de eerste droefheid wat bedaard was, maakte de Prins zich gereed, om afscheid te nemen van zijn moeder. Weinig dacht hij, dat de kus, dien zij hem op het voorhoofd drukte, de laatste zou zijn, dien hij van haar ontving.... Willem Hendrik van Oranje nam voor altijd afscheid van zijn moeder.
De Prins keerde naar Den Haag terug en vertrok weder naar Leiden,—de Prinses kwam den 2den October gezond en frisch te Londen aan, alwaar zij door hare beide broeders, koning Karel II en den hertog van York (later Jacobus II) ontvangen en met het losbranden van het geschut begroet werd. [38]
Prins Willem Hendrik zag zijne moeder niet terug. In de laatste helft van December werd ook zij door de ziekte aangetast, waaraan haar gemaal en haar broeder bezweken waren. Aan geneesheeren ontbrak het haar niet,—maar wat vermogen die, wanneer de dood in het spel is? De dokters zeiden, dat de Prinses drie ziekten te gelijk had: roodvonk, mazelen en kinderpokken. Terstond werd er bericht aan den Prins en zijne grootmoeder gezonden. Gij kunt denken, hoe verlangend Zijne Hoogheid naar tijding was. Het ging echter toen zoo gemakkelijk niet, om brieven uit Engeland te krijgen; vooral in den winter, wanneer de scheepvaart gestremd was. Eindelijk, tegen het midden van de maand Januari 1661, kwam de tijding, dat de Prinses den 3den van die maand het tijdelijke met het eeuwige had verwisseld. Tot haar laatste oogenblik was zij volkomen bij haar verstand gebleven. Een half uur vóór haar overlijden had men haar nog gelaten op den voet, hetgeen haar blijkbaar verlichting schonk en in een sluimering deed vallen. Kort vóór haar verscheiden maakte zij haar testament, waarbij zij haren koninklijken broeder bad, te zorgen voor den persoon en de belangen van haar zoon. Tevens had zij begeerd, zonder eenige statie te worden begraven bij haren “lieven broeder”, den hertog van Glocester. Aan de gravin van Chesterfield en hare kamervrouw Howard had zij elk £ 400 (ƒ 4800) gelegateerd. Dit testament was gemaakt in White-hall, en onderteekend door de heeren Edward Ker, Robert Whyte en William Dyke. Door middel van onzen gezant in Engeland; kregen Prins Willem en zijne grootmoeder een copie van den inhoud van dat testament.
Zoo stond de ruim tienjarige Willem Hendrik nu alleen op de wereld, zonder beschermer en verdediger, te midden van een hem vijandige partij (de Loevesteinsche factie).—Geen wonder, dat hij in de kunst van veinzen, hem reeds zoo eigen, [39]groote vorderingen maakte. Dit sterfgeval diende tevens, om den Prins meer en meer aan den invloed van Engeland te onttrekken, hetgeen zijne partij als een ramp beschouwde, maar zijne tegenstanders met welgevallen zagen.
Wij willen, eer wij dit hoofdstuk eindigen, nog even naar den winkel van Pieter Dirksz terugkeeren, dien wij aan het einde van ons vorig hoofdstuk verlaten hebben. Oom Klaas bleef acht dagen lang bij zijn broeder en vertrok toen weer naar zee. Dat verblijf was voor onzen Pieter Pietersz een tijd van genot, en wanneer hij met zijn oom wandelde, hetzij naar Scheveningen of in het Bosch, of over de duinen, moest die hem vertellen van de zee en van de schepen en van het leven der matrozen, kortom van al wat op de zeevaart betrekking had. Dit boeide den knaap zoodanig, dat hij vast besloot, zeeman te worden en, den dag vóór ooms vertrek, dezen dit besluit mededeelde.
“Maar, beste Pieter,” zeide oom Klaas. “Men kan geen paard al loopende beslaan. Je bent eerst twaalf jaren. Je bent nog te jong om het zeegat te kiezen.”
“Te jong, oom? En Michiel Adriaanszoon de Ruyter dan? Die was nog maar tien.”
“Dat was een geheel ander geval, Pieter,” antwoordde de oom. “Het was toen een geheel andere tijd, en daarenboven De Ruyter voer ter koopvaardij. Ook was hij een ondeugende knaap, en zooals vader Cats zegt: De zee maakt dwee.”
“Maar kan ik dan ook niet ter koopvaardij varen, oom?”
“Dat kun je. Maar je vader zal het nooit toestaan, dat je ter zee vaart. Je weet ook niet, welk een hard leven het is, vooral voor jou, die zoo pas uit je vaders huis komt. Jongen, ik heb er ondervinding van; ik weet best, waar hem de schoen wringt.”
“Ik zal het mijn vader vragen,” hernam Pieter. “En gij zult toch wel mijn advokaat willen zijn, oom?” [40]
“Ik je advokaat? Die noten wil smaken, die moet ze kraken. Je kunt toch niet van je oom verwachten, dat die tegen zijn gemoed spreekt? Als je eens een paar jaren ouder zijt en je blijft in het zelfde zog doorvaren—welnu, dan is het een geheel andere zaak. Licht zou het anders met je zijn: twaalf ambachten, dertien ongelukken.”
Pieter antwoordde niet, maar besloot er toch de proef van te nemen.
“Vader,” zeide hij, toen hij dien avond naar bed zou gaan, “ik wenschte u gaarne iets te vragen.”
“Welzoo, Pieter,” antwoordde de pruikenmaker, terwijl hij de beide handen van den knaap in de zijne nam en hem minzaam in de vriendelijke oogen keek, “wat was er dan van je verlangen?”
“Oom gaat morgen weg, vader!”
“Dat weet ik, en je wenschtet gaarne, dat hij nog wat langer bleef, niet waar? Ik had dat ook graag gezien en heb het hem gevraagd; maar plicht gaat voor en daar kan dus niets van worden.”
“Neen, vader! Dat was het niet, wat ik u vragen wilde.”
“En wat dan?” vraagde de vader.
“Ik wou .... ik zou .... ik durf het haast niet zeggen....”
“Is het dan iets kwaads?” zeide de vader ernstig. “Hou het dan maar liever voor je.”
“O, neen, vader! Kwaad is het niet, maar ik weet niet, of u het zult toestaan.”
“Er uit mede, Pieter!” hernam baas Dirksz ongeduldig.
“Ik zou zoo gaarne met oom naar zee gaan, vader!”
“Wat? Jij naar zee? Hoe komt je dat in het hoofd?—Daar kan niets van komen.”
“Maar, vader! Oom is toch ook wel een zeeman.”
“Oom is oom en jij bent Pieter. Wat oom heeft willen [41]worden, kan ik niet helpen, maar wat jij zult worden, moet ik goed vinden. Ik verkies niet, dat je zeeman wordt.”
“Foei, Pieter! zou je zeeman willen worden?” vraagde Marie.
“O, daar heb jij geen verstand van, Marie,” zeide Pieter. “Het is zoo’n heerlijk leven, zeeman!”
“Ja, zoo schijnt het,” hernam baas Dirksz. “Je hebt mij echter verstaan en zet dat maar voor goed uit je hoofd.”
“Maar, vader....”
“Maar, Pieter!” zeide de vader. “Hoor! Na Nieuwjaar ga je als krullenjongen naar baas Balkenende op de Bierkade1. Ik heb hem juist gisteren gesproken en hij kan je plaatsen. Hij hoopt, met Gods zegen, een knap timmerman van je te maken. Hoe is het mogelijk! Hoe, krijg je het in je gedachten? Een zeeman!” hervatte baas Dirkz, hoofdschuddende. “Mijn Pieter een zeeman! Dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!”
Pieter wist wel, dat zijn vader op zijn stuk stond en dat hij geen “ja” zeide, waar hij eenmaal “neen” gezegd had. Hij wenschte dus vader en zusters goeden nacht en ging treurig naar boven.
Martha volgde hem. Toen zij op het kamertje gekomen was, waar hij met zijne broeders sliep, legde zij vriendelijk de hand op zijn schouder.
“Wel, Pieter, wel, Pieter!” zeide zij, “zou jij ons zoo willen verlaten?”
“Of ik wil, Martha,” antwoordde hij, terwijl er een paar groote tranen langs zijne wangen rolden. “Ja.”
“En mij ook?” vraagde Martha.
“Welnu, ga dan maar mee naar zee.”
“Ik op zee?”
“Wel ja, als je niet buiten mij kunt.” [42]
“Foei, Pieter!” hernam het lieve meisje. “Jij naar zee gaan! En ben je dan niet bang om te verdrinken of doodgeschoten te worden, zooals die arme Vice-Admiraals De With en Floriszoon, waarvan oom verteld heeft.”
“Maar als timmerman kan ik van het dak vallen en den hals breken, ik kan een hamer of beitel op mijn hoofd krijgen, als ik een steiger opklim; ik kan....”
“Je kunt je troosten, Pieter,” antwoordde Martha, terwijl zij hem een kus gaf. “Ik zie je nog eens als een eersten timmermansbaas.”
“Maar ik zou liever Admiraal willen worden!” zeide Pieter.
“Ha, ha, ha! Admiraal! Nu, jongen, droom er van nacht maar niet van. Als oom weg is, zul je de heele zee wel weer vergeten.”
Met deze woorden snelde zij de trap af.
“Dat zullen wij zien!” riep Pieter haar na, kleedde zich uit en ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?—Zeker van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,—dat kunt gij begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen bedrog is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren zooals gisteravond: “Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!”
[43]
1 Zie “De Zeeman tegen wil en dank.” 6e druk. Blz. 22.

Het was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses Maria van Engeland, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg, de Spuistraat doorwandelde tot aan de Kapelsbrug, en toen, langs het Spui, de Nieuwe Kerk voorbij, naar de Bierkade ging, op welke gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den vroolijken trompetter der Oranjegarde, den ons bekenden Jan Claeszen ontmoetten1: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap, bestaande uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels, een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij begrijpt [44]licht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en de baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst van hem kon hebben, had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu had oom Klaas, die juist de Kerstdagen en den Oudejaarsavond bij zijn broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag, daar hij volkomen deelde in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje als bewijs bijgebracht:
“Maandag kloek,
De heele week zoek;”
maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns broeders vrees gelachen.
“Ik blijf er bij,” had hij gezegd. “De jongen zal op Maandag naar baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis af leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat.”
En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar Thijs Groote, den ijzerkooper in het Achterom, gegaan en had hem gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had, en toen had deze hem de door ons genoemde werktuigen verkocht, welke onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij bij den leerkooper in dezelfde straat een schootsvel gekocht hadden, dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó had genomen, “want,” zeide hij, “je bent in je groei, Piet, en wordt dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je wat te lang, dan moet je het maar wat hooger binden.” En toen hij te huis kwam en Martha hem het schootsvel [45]voorbond, toen zei de ondeugende meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover Pieter eerst wel wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid over. En toen hij ’s Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een dikke boterham in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen, vond hij het toch zoo kwaad niet, om een goed ambacht te leeren, en dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken, dan zeide hij bij zich zelf: “het kan geen kwaad als ik wat timmeren leer, dat kan mij op zee best te pas komen.” Met moed stapte hij dus de stoep van den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam.
“Baas,” begon de pruikenmaker. “Ik breng u hier mijn Pieter, van wien ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed op te passen en zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden.”
“Dat is een goed plan, knaap!” zeide de timmermansbaas. “Hoe heet je?”
“Pieter,” antwoordde de aangesprokene.
“Nu, Pieter!” hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood de maat aanteekende. “Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp, een knap timmerman van je maken. Maar pas je niet op, dan zullen je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude spreekwoord: die niet hooren wil, moet voelen. En dat spreekwoord wordt bij ons in practijk gebracht.”
Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch een [46]doorn in het oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende hem in den winkel, waar hij den knaap aan den meesterknecht aanbeval en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve Pieter, nog twee krullenjongens: de een was een zoontje van den baas en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van den oudroest Jan IJzer uit het korte Achterom en heette, evenals zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens waren dikke vrienden.
De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen der beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, en de krullen en spaanders in een zak werden gepakt. ’s Maandags en Donderdags waren zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags voor Jan en de beide andere dagen voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags werd er nooit gewerkt; want onze voorouders waren zeer gesteld op de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke zonde hebben gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten, alle nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen ’s zomers na de middagkerk gingen de burgerlieden wat in het Bosch wandelen of naar Scheveningen; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes even buiten de stad, aan de Delftsche vaart, aan de buitensingels en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken, waar zij dikwijls hunne vrienden bij zich verzochten en den avond aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten.
Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendom [47]en wel aan den Scheveningschen weg2, die toen nog over de duinen liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in 1653 aan de hand gedaan, tot eene begaan- en berijdbare straat werd ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in December van het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds een gebaande weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig het Willemspark), en van achteren in den ruimen tuin, die van voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard bestond. Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende weiland gescheiden.
Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand Mei naar het Lange Voorhout, waar wij de knechts van baas Balkenende druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande Hofkermis zullen prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het aansjouwen der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook heeft onze Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst geleerd.—Wat ziet hij nu trotsch neer op die jongens, waaronder zijne vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen met planken, of wegstoppertje in de reeds opgetimmerde kramen. Dat had hij [48]verleden jaar ook gedaan; maar nu—nu staat hij daar in zijn bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer in de hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten de kramen nog tot de Banus-kermis3 staan,—ja als behoefden zij nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens knorren op den hals van den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar hem staat te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig, alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt, en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof hij een Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond.
’t Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, die hij op karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk verricht) opeet. Het is te druk om met heen en weer loopen tijd te verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor zij natuurlijk door baas Balkenende extra betaald worden. Maar zij kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en dus nemen zij daarvoor een kwartiertje, zetten zich in een groepje op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke gesprekken.
Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij het toegestaan, dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust hadden kunnen eten. Zij [49]hebben zich dus op een kleinen afstand van de anderen neergezet.
“Frans,” begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje met bier naast zich nederzet, “ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis zal zijn.”
“Ik heb het ook gehoord,” antwoordt Frans met zijn mond vol brood. “Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij de Voorpoort4 doorgaat.”
“Nu, dat is vast een leugen,” meent Jan. “Zulke groote reuzen heeft men niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die reuzen en dwergen en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien, die uit Amsterdam komt.”
“O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?” vraagt Frans. “Vader heeft mij verteld, dat hij in den Vijver zal onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder water twee of drie deuntjes zal blazen.”
“Maar dat is immers onmogelijk,” zegt Pieter, terwijl hij een slok neemt uit zijn kruik. “Dan komt het water in zijn instrument.”
“Hij moet het toch te Amsterdam gedaan hebben,” herneemt Jan.
“En wat hij te Amsterdam kan doen, kan hij hier ook,” meent Frans. “Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter.”
“Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk,” roept Pieter uit.
“En het moet toch zoo zijn,” hervat Jan. “Mijn vader heeft het zelf verleden jaar te Rotterdam gezien.”
“Nu ik wensch hem smakelijk eten,” zegt Pieter, “maar ik [50]wil niet bij hem te gast genoodigd worden. Eilacy! ’k geloof, dat ik mijn mond gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens naar hem toe; want dat wil ik zien.”
Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon Jan eensklaps:
“Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd.”
“Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden Zondag na de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe.”
“Hoor eens, Frans!” hernam Jan. “Dan moest je zien, dat je den sleutel wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen.”
“Maar ik moet naar de kerk,” zeide Frans.
“Ik ook,” voegde Pieter er bij.
“Wat zou dat?” snoefde Jan. “Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten doen? In plaats van naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar afspreken, dat we hier bij elkaar zullen komen. Die er het eerst is, wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje, als je ten minste den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet, dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd weer t’huis zijn.”
“En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?” vraagde Pieter.
“Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring staat,” hervatte Jan.
Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om hen er toe te brengen. Eindelijk gelukte het hem [51]en werd voorloopig de afspraak vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen.
Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den Bijbel gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve zich verwijderen, of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich de deur uit.
“Wat maak je een haast, Pieter,” zeide Martha in het voorhuis tegen hem. “’t Is of Joost je op de hielen zit.”
“Ik wil graag een goede plaats krijgen,” antwoordde Pieter. “Ik houd er niet van, om zoo achteraf te zitten.”
“Wacht dan even; dan ga ik mee,” zeide het meisje. “Ik moet nog maar even mijn huik opzetten.”
Dat beviel Pieter niet.
“Haast je dan wat,” gaf hij ten antwoord. “Ik ga al vast vooruit.”
Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste dwarsstraat in, die hem naar het Achterom voerde, en rende die straat tot aan het Hofpoortje door. Vervolgens begaf hij zich wat bedaarder over het Buitenhof en door de Voorpoort van den Hove, langs het Tournooiveld naar het Lange Voorhout, waar hij stellig dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich echter: hij was de eerste.
“Zouden zij hun woord niet houden?” mompelde hij. “Dat zou valsch wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd.”
Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar noch Frans noch Jan verscheen.
“Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk,” pruttelde hij weer. “Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. Nu, ze zullen er morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast niet behoeven te maken. Maar wacht, [52]daar komt er al een.—Zoo, Jan!” vervolgde hij tot den aangekomene. “Ben je daar eindelijk, en waar is Frans?”
“Eindelijk?” bromde Jan. “Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?—Als hij niet gauw komt, dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten zitten, om het gelag te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar de duinen. Daar zal ik wel kennissen vinden en anders spelen wij met ons beiden.”
“Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor, zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt.”
“O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde man brengt de pret aan. Maar zie—daar komt Frans. Hij houdt toch woord.—Je bent lang weggebleven, Frans!” vervolgde hij tot den aankomende. “Als je niet gauw gekomen waart, hadden we onze biezen gepakt en waren alleen gegaan.”
“Ik had het niet kunnen helpen. ’t Heeft mij moeite genoeg gekost, om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu,” terwijl hij dien zegepralend in de hoogte hield, “nu heb ik hem; dus, jongens! op marsch!”
Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en daarom trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen en het aan hunne ouders brengen.
“Dan zou er wat opzitten,” had Pieter gezegd. “Want vader is gansch niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter komt, kan ik verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang zeer doet.”
“Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk,” hervatte Frans. “Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvan [53]ik nog wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het begin had ik het wel willen uitschreeuwen als ik gingen zitten.”
“Flauwerd!” zeide Jan. “Bang voor een pak ransel?—of denk je dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het er aan! Intusschen—gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als ik dan terugkom, dan kun jelui me de preek vertellen.”
“Hoor eens, Jan?” hervatte Frans. “Een flauwerd moet je me niet noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van een pak slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen.
“Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is: kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het er aan.”
“Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?” zeide Pieter, terwijl hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag, als wilde hij zeggen: “Wat verbeeldt gij u wel?”
“Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen zoodoende al onzen tijd.”
En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen, stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie knapen binnen.
Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden; pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om.
“Daar slaat de “Sint-Jacob” al elf,” riep Pieter eensklaps uit. “Wij moeten weg; anders komen wij telaat thuis.”
“Het is zoo zondig waar!” bevestigde Jan, die de slagen geteld had. “Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even de Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven wij dien op bij gebrek aan een tekst.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat het [54]toilet zoo goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om die open te doen. Maar wat er van was, of Frans bij het toesluiten het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles te vergeefs. Evenmin konden het Pieter en Jan.
Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,—hun scheen het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit, schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn).
“Nu is goede raad duur.” begon Jan. “Zeg eens, Frans! kunnen wij de schutting niet over?”
“Ja,” antwoordde deze. “Maar dan komen wij in de sloot terecht die het weiland omgeeft.”
“Nu, dan over een der zijschuttingen.”
“Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men met een plank op het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn.”
“Geen nood!” hervatte Jan. “Dan klimmen wij zijne achterschutting er bij over. Als wij maar gered zijn.”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar die echter van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen en moesten zij zich vergenoegen met die achter zich toe te trekken.
De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan en Frans waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen, toen zijne zondagsche broek a